Aan een Rotvaart Nergens Heen -- de "ik"-versie. Hoofdstuk 3: Intermezzo
Hoofdstuk 3: Intermezzo 1
Het zou wel eens tijd zijn dat ik het postkantoor waar dit zich voor een groot deel afspeelt, eens beschrijf. We schrijven begin jaren 2000. Eind 2001 om precies te zijn. De postmannenzaal was nog niet vergeven van de computers en van laptops had nog niemand gehoord. Er waren twee kleuren prominent aanwezig; grijs van de betonnen vloer en groen van de muur, dat gebroken werd door er twee schakeringen van te gebruiken. Donkergroen onderaan voor een meter of twee en dan de rest tot aan het hoge plafond een lichtere tint.
Naar de straatkant waren er hoge ramen ook tot aan het plafond reikten. Dezelfde ramen waren er aan de overkant van de zaal, en die gaven uit op een klein, schamel parkinkje, dat voor de helft overdekt was door een golfplaat die z’n beste tijd al dertig jaar geleden gehad heeft en waar de vlugste postbodes bij regenweer hun fiets konden parkeren.
Terug in de postmannenzaal waren er vakken van alle slag. Kasten om grote stukken in te sorteren en kleinere briefkasten in een u-opstelling met een hoge bureaustoel in het gat van de “u”. Aan elk van die opstellingen was een hoge staander waar een bak post in bevestigd was. Naar de ramen toe waren de zogenaamde “casiers”, d.w.z. werkposten waar de post werd gesorteerd. De werkposten zagen er uit als tafels met daarboven naar de postman gericht een rek bestaande uit verschillende vakken. Daarin werden de grote stukken gesorteerd per straat of straatdeel. Op tafel werden de brieven gesorteerd, ook per straat of straatdeel. Daarna werden de brieven tussen twee gietijzeren blokken per huisnummer gesorteerd om er pakjes van te maken die ofwel in een brieventas – een ransel zoals we zegden – ofwel een speciaal daartoe voorziene zak, een overlast zak, werden gedeponeerd, die dan door de chauffeurs op verschillende plaatsen in de stad werden afgezet.
De postmannen zelf waren overwegend mannelijk, ongeveer drie mannen tegenover één vrouw. De omgeving was dan ook mannelijk in al zijn aspecten – schunnige liedjes vlogen over en weer, zeker wanneer de andere kant de tekst moest aanvullen. Scheten werden zonder gêne gelaten en er werd stevig geboerd en gevloekt. Ik schat de gemiddelde postman toen een jaar of veertig, maar als je negentien bent, lijkt iedereen wel oud. Het waren ook niet alleen postmannen die daar rondwaarden. Ook bedienden waren er meer dan genoeg, net als chefs en zelfs een kantoorjongen, wiens taak het was op speciale dagen de Belgische vlag uit te hangen en de bloemen water te geven. Er was zelfs een blinde vrouw die iets deed in het postkantoor, wat juist en wat haar naam was, dat weet ik niet meer, maar in één of andere dienst stond vermeld dat degene die die dienst uitvoerde, haar moest gaan afhalen aan het station en die kreeg daar ook de voorziene tijd voor.
Veel meer valt er niet te vertellen over hoe het in zijn werk gaat binnen in het postkantoor, niettegenstaande dat dat eigenlijk datgene is dat het meeste tijd in beslag neemt, zeker als je nieuw bent. De echte actie is wel het eigenlijke op baan zijn. De meeste mensen denken dat als je postbode bent, je maar je postzak te nemen hebt en “van schreef tot schreef te gaan tot je zak leeg is”. Helaas. In mijn jaren in Kortrijk 1, 1ste afdeling waren de schunnige liedjes zingen het meest promiscue dat wij deden. Zeemansverhalen over postmannen die overal wel iemand zitten hadden, zijn vooral dat, zeemansverhalen, verteld door het publiek. Intercollegiale relaties daarentegen waren wel meer frequent. Nog steeds geen schering en inslag, maar het gebeurde wel. Iedereen wist het wel van deze of gene die wel eens heeft gerollebold met zus of zo in een postbestelwagentje, maar dat werd opvallend discreet gehouden. Je vroeg er niet naar, niemand zei iets maar je hoorde het wel altijd.