Zoeken

De rol van twijfel

Twijfel zorgt ervoor dat alles los blijft staan, dat wankelheid de toestand is waarin bepaalde ideeën blijven hangen. Twijfel schept ruimte tussen mezelf en de wereld; een ruimte die geen vast verhaal wil dragen, maar enkel in mogelijkheden verschijnt. Twijfel kan iemand tot stilstand brengen of alles doen vertragen. Wie niet twijfelt, is te vast aangedraaid en kent de speling of beweeglijkheid van een onbepaald bestaan niet. Het is immers het onbepaalde dat vrijheid brengt; de vrijheid om te fantaseren, speculeren, dromen, visualiseren, bedenken, voelen, hopen en nog zoveel meer. Een leven zonder twijfel mist magie en maakt alles hard, terwijl er zo te genieten valt van magische misschiens als zachte wolkjes. Er zijn echter verschillende soorten twijfel, de ene al wat moeilijker dan de andere. Want hoewel twijfel vrijheid en ruimte schept, kan ze ook fel beperken. Zoals zelftwijfel bijvoorbeeld. Twijfel over mezelf maakt me klein, terwijl twijfel over de wereld diezelfde wereld juist groter en onbegrensder maakt. Mysterieuzer. Ik vind mezelf niet mysterieuzer als ik aan mezelf twijfel, eerder banaler en minder interessant. Zelftwijfel wil zich ook weleens als introspectie voordoen. Onder het mom van ‘jezelf onder de loep leggen’ kan zelftwijfel een loopje nemen met je eigenwaarde. Twijfel is iets dat op ervaringen dient te worden geprojecteerd, en op de interpretaties van die ervaringen, maar niet op de interpretator zelf, want dat vernauwt het perspectief. Ik zou zeggen: kijk in de spiegel, neem je intenties, gedachten en gevoelens waar, toets hun integriteit en weet dat je niets weet. Maar ga niet twijfelen aan de waarde van de twijfelaar. Je kan twijfelen aan het twijfelen, maar vanaf het moment dat je de bron van al dat twijfelen in twijfel trekt, implodeert de eens zo onbegrensde ruimte. Want de schepper van de ruimte, de twijfelaar, is de ruimte zelf. De observator mag twijfelen aan zijn observaties en zou ook kunnen twijfelen aan wie de observator in essentie is, maar dat is niet wat we in deze wereld met zelftwijfel bedoelen. Zelftwijfel gaat over de waardebepaling van de observator; je afvragen waaruit de observator bestaat, is iets geheel anders. Twijfelen aan de waarde van de observator, aan de waarde van het zelf van waaruit wordt waargenomen, bracht me geen verruimende inzichten, integendeel. Ik kan aan alles twijfelen, behalve aan de bron van waaruit dat twijfelen voortkomt. Het woord twijfelaar heeft in deze wereld een negatieve bijklank: iemand die wankel op zijn benen staat. Niet kunnen kiezen wordt als zwak beschouwd. Er wordt ‘kieskracht’ verwacht van een vitaal subject. Toch is het belangrijk dat er speling blijft, in het belang van vreugde en verwondering. Het is mogelijk om gedecideerd keuzes te maken en daarbij toch te blijven twijfelen. Je kan de twijfel aanvaarden, maar er niet naar handelen. Alles is twijfelachtig, de wereld kent geen zekerheden, en toch kunnen we dat naast ons neerleggen en keuzes maken. Twijfelen en kiezen staan daarom niet loodrecht tegenover elkaar als twee uitersten, maar kunnen elkaar overlappen. Er zijn keuzes waarbij geen enkele twijfel voelbaar is en er zijn keuzes die twijfel in zich meedragen, als een zaadje waarvan niemand wil dat het uitgroeit tot spijt. Het wordt interessant als men gaat twijfelen aan grote, hardnekkig ingeprente ideeën of overtuigingen, zoals het wereldbeeld, de geschiedenis, de maatschappelijke consensus, gewoontes, tradities en protocollen. Het in vraag stellen van wat de meerderheid als ‘vaststaand’ beschouwt, is een bodem van waaruit twijfel kan uitgroeien tot iets verruimends en verrijkends, iets dat openheid en vrijheid kan brengen. Conclusie: twijfel trekt de grenzen van het denken open, zolang die niet gericht is op de eigenwaarde of op de generator van twijfel. Karolien Deman  

KarolienDeman
0 0

AI en ik

De dag dat ik, na maanden van ‘letterstilte’, eindelijk mijn laptop open deed, liep er een ijskoude rilling over mijn rug. Het voelde alsof íets me dwong. Alsof de woorden er gewoon uit moesten. Geloof me, ik ben nu niet meteen het type dat in witte jurken door mistige velden danst en fluistert over ‘de universele leiding’. Nee, geef mij maar een loep, een scalpel, en een degelijke wetenschappelijke verklaring, en dan kom ik er meestal wel uit. Op een creatieve manier, toegegeven. Maar toch. Toen AI kwam aanwaaien – met haar perfecte zinnen, haar vlekkeloze stijl, haar literaire bovenkamer die de onze in één seconde inhaalt – viel mijn pen even stil.Waarom zou ik nog zweten over een alinea als een robot het beter kan? Sneller? Pijnlozer? Ik heb het allemaal laten bezinken. Ik keek toe. Films, reclame, apps, animaties, songteksten, zelfs muziek – alles zuigt zich vol met algoritmes. AI is overal. En op het eerste gezicht neemt ze álles over. Maar toch.  Er is dat ene randje. Dat gekartelde. Dat niet-gladgestreken. De scheefte. De vlek. De vingerafdruk. De fout, godzijdank. Ons heerlijk incapabele vermogen om te knoeien, te vallen, te herstellen, te groeien als een wildgeworden klimop tegen een scheef huis. Kijk naar de natuur: chaotisch, onvoorspelbaar, adembenemend. Niemand die dat namaakt. De krachten die er heersen, de biologische drang die alles ondersteboven gooit om er even later weer iets van te maken – dat artificiële geklungel blaast ze weg. Dat is van ons. En dat zal ons nooit worden afgepakt. Dus ben ik terug in de pen geklommen. Kruipend, een beetje roestig, maar met de koppige overtuiging dat niets – maar dan ook niets – mijn eigen, rare, scheve, eerlijke stem kan vervangen. Mijn schoonheidsfoutjes. Mijn menselijkheid. En die ijskoude rilling, die duidelijke stem die me dwong om terug te schrijven? Die kwam niet van AI. Die kwam van de natuur, van onze natuur. Uit het vaatje van menselijkheid waar wij tot in de eeuwigheid uit zullen blijven tappen. AI mag af en toe een handje toesteken. Geen probleem.  Maar ik ben en blijf de kapitein van mijn eigen schip!

Heidi Schoefs
0 0

De bereidheid om los te laten

‘Wees bereid om alles los te laten,’ luidde het advies van een veel oudere versie van mezelf toen ik haar vroeg wat ze mij vanuit al haar levenswijsheid kon meedelen. Het ego focust zich natuurlijk angstvallig op dat woord ‘loslaten’ en interpreteert dit als een boodschap van verlies en ellende. Maar andere aspecten van mijn eigenheid kijken voorbij dat angstkader. Het is al enkele jaren geleden dat ik mezelf in dit visioen ontmoette, en die zin heeft intussen al verschillende dimensies gekregen. Ik ken mezelf; als mij gevraagd wordt naar een advies of mededeling die een half leven lang en in diverse situaties houvast kan bieden, dan ga ik daar niet licht over. Dan kom ik gegarandeerd met een weldoordachte en doorvoelde uitspraak die diverse lagen van betekenis bevat. Een zin met meerdere deuren waarachter diepe tunnels liggen. En in elke levensfase ontdek ik een nieuwe deur en een nieuwe tunnel, of een nieuwe manier waarop ik deze zin kan interpreteren. Het is een korte zin; op het eerste gezicht lijkt er weinig ruimte voor dubbelzinnigheid of diversiteit in interpretatie. Maar het is een boodschap die iets heel kleins en beperkts grenzeloos groot kan maken. Ze trekt een volledig nieuwe wereld open waarin ik wil vertrouwen, een wereld die ik anders misschien angstvallig zou proberen te weren. Het advies lijkt me het energieverlies van gehechtheid en weerstand te willen besparen. Wees nu al maar bereid, want tot loslaten komt het sowieso. Nu zit ik in de levensfase waarin ik die bereidheid aan het ontwikkelen ben. Ik ben aan het onderzoeken en ervaren op welke manieren ik die bereidheid kan belichamen. En zoals altijd zit de volledigheid van het leven harmonisch verdeeld in zowel de grote als de kleine dingen. Want ‘alles loslaten’ klinkt nogal fatalistisch, althans voor het ego. Maar dat loslaten hoeft niet zo groots, verscheurend en beperkend te zijn. Het kan juist heel bevrijdend, verlichtend en verhelderend zijn, beginnend bij kleine dingen zoals het loslaten van ongezonde gewoontes. Het op zelfbehoud gefundeerde ego leest in die zin zijn ondergang. Het verlies van comfort, huisvesting, privacy en het persoonlijke leven zelf. En misschien komt het ooit wel daartoe, maar momenteel zit de bereidheid om los te laten vooral in symbolische daden, zoals het durven stellen van grenzen terwijl ik de angst voor afwijzing loslaat. Het gaat niet alleen om de bereidheid om te sterven, maar evenzeer om de bereidheid om te leven. Ook om voluit te kunnen leven dient er te worden losgelaten. Ik draag een voornemen met me mee dat stelt dat ik bereid ben om comfort en ‘zekerheid’ los te laten voor mijn waarheid. Tijdens de coronaperiode werd dat voornemen, die levensinstelling, vastgezet in mijn systeem. Achteraf gezien diende er geen al te hoge prijs betaald te worden voor het voet bij stuk houden. Niet uit eten kunnen gaan of niet mogen reizen waren voor mij totaal geen offers. Maar ergens verwacht ik dat er in de toekomst grotere offers gebracht zullen moeten worden als men de eigen waarheid en integriteit in ere wil houden. Corona was slechts een test, een simulatie in de vooravond van een veel grotere omwenteling. Intern ben ik mezelf al een tijdje aan het voorbereiden op oorlog en vluchtscenario’s. In de juiste kringen deel ik wel eens mijn bereidheid om alles los te laten. Wat voor mij innerlijk resoneert, zal niet omgekocht of opgeofferd worden, neem ik me met enige vurigheid voor. Maar lieve schat, sprak ik mezelf deze namiddag toe, zelfs nu alle comfort nog aanwezig is en er zich geen directe dreiging voordoet, zelfs nu offer je je waarheid nog op uit angst om anderen op de tenen te trappen. En verdomme, het is waar! Het gebeurt nog dat, als mensen vragen om mij te zien en ik daar helemaal geen nood aan heb, ik toch een toegeving doe. Ik verantwoord het dan voor mezelf door te zeggen: ‘Ja, maar het is maar voor even.’ Of: ‘Ik moet niet zo moeilijk doen, wat flexibeler zijn.’ Maar dit is wel degelijk het oefenveld alvorens de grotere vraagstukken eraan komen. Mijn bereidheid om alles op te geven kan ik hier en nu al oefenen en laten groeien, simpelweg door ‘nee’ te zeggen in elke situatie, groot of klein, waarin ik een ‘nee’ voel. Terwijl ik zat te wachten op het grote, zag ik de grootsheid van de kleine oefeningen over het hoofd. En dat het ‘kleine’ echt niet zo klein is als het lijkt, daar herinnert mijn lichaam mij geregeld aan. Nee, mijn lichaam overdrijft nooit; het is mijn denkende geest die minimaliseert. Soms word ik ziek om iets schijnbaar ‘kleins’, om dan te beseffen dat de intense fysieke reactie mij toont dat het euvel dieper geworteld zit dan aanvankelijk lijkt. Dat als ik hier, in deze ‘kleine’ situatie, doorheen mijn angst toch ‘nee’ durf te zeggen en voet bij stuk houd, ik daarmee symbolisch en energetisch iets veel groters losmaak. En ik voel enthousiasme om mijn inzichten te belichamen en uit te oefenen. Maar het is natuurlijk ook een beetje eng. Het vraagt moed om door oude beschermingsmechanismen heen te prikken. Ik hecht veel waarde aan de persoonlijke wijsheden die zich openbaren. De zelftwijfel krijgt lang niet alles meer van tafel geveegd; er blijft nu een blauwdruk van mijn waarheid liggen. En ik eer die. Mijn werktafel is ook een altaar geworden.  

KarolienDeman
0 0

Ik beken: ik heb een man

Ik moet iets bekennen. Ik heb een man. Zo. Het is eruit. Niet dat de politie mij zocht of dat er een persconferentie nodig was, maar toch. Ik heb een man. Een collega van mij keek mij deze week aan alsof ik net verteld had dat ik thuis een lama houd. "Maar Katrien," zei hij, "gij hebt geen man?" Hij klonk oprecht verbaasd. "Ge zijt mooi. Ge zijt slim. Ge zijt grappig. Ik versta dat niet." En toen hoorde ik mezelf antwoorden: "Maar ik héb een man." Het was vreemd. Alsof ik het voor de eerste keer luidop zei. Alsof ik mezelf betrapte. Ik heb een man. Niet: ik date iemand. Niet: er is iemand. Niet: ik ben iemand aan het leren kennen. Niet: het is ingewikkeld. Gewoon: ik heb een man. Dat klinkt volwassen. Dat klinkt alsof ik een gezamenlijke rekening heb, een vaste loodgieter en een mening over isolatiepremies. Dat klinkt als iemand die haar leven op orde heeft. Terwijl ik vorige week nog twintig minuten gezocht heb naar mijn bril terwijl die op mijn hoofd stond. Toch heb ik blijkbaar een man. Of een lief. Of een vriend. Of een partner. Al vind ik dat laatste een verschrikkelijk woord. Partner. Dat klinkt alsof wij samen een boekhoudkantoor hebben. Of een verzekeringsmakelaar zijn. "Mijn partner en ik." Dat zijn mensen die op zondag Nordic Walking doen. Wij discussiëren nog over wie het licht in de gang heeft laten branden. Lief vind ik dan weer iets voor mensen van zestien. Vriend wordt ingewikkeld zodra ge elkaar zonder kleren hebt gezien. En meneertje klinkt alsof ik hem op de rommelmarkt gekocht heb. Dus ik weet het eigenlijk niet. Ik weet alleen dat hij er is. En dat hij geweldig is. Zorgzaam. Grappig. Slim. Lief. Mooi. Een lot uit de tweedekansloterij. Een occasieke. Een onwaarschijnlijke herkansing van het leven. Zo eentje waarvan ge denkt: allee jong, was dat nog beschikbaar? Over hem heb ik geen klagen. Integendeel. Hij is een maatje waarmee ik oud wil worden. Echt oud. Met een rollator. Compressiekousen. Een pillendoos met vakjes voor elke dag van de week. En een verpleegster van het Wit-Gele Kruis die ons allebei tegelijk komt zeggen dat we meer water moeten drinken. Dat soort oud. En toch merk ik dat ik het moeilijk vind om te zeggen: dat is hem nu. Dat is mijn man. Niet omdat ik twijfel aan hem. Maar omdat ik blijkbaar nog altijd een beetje twijfel aan het geluk. Aan het blijven. Aan het idee dat iets goeds ook gewoon goed mag zijn. Ik voel mij soms als iemand die op bezoek is en voor alle zekerheid haar jas aanhoudt. "Want ik blijf niet lang." Terwijl ik ondertussen al lang binnen ben. Ik weet waar de koekjes staan. Ik weet hoe de koffiemachine werkt. Ik weet welke films hij al tien keer gezien heeft en toch opnieuw wil bekijken. Ik weet hoe hij kijkt als hij moe is. Ik weet hoe hij lacht. Ik weet hoe hij zwijgt. Maar ergens staat die jas nog altijd klaar. Misschien is dat wat er gebeurt als ge al eens serieus zeer hebt gehad. Ge leert dat liefde niet vanzelfsprekend is. Dat mensen vertrekken. Dat verhalen eindigen. Dat ge soms heel uw hart inzet en toch verliest. En dan wordt ge voorzichtig. Niet aan de buitenkant. Daar ziet niemand iets van. Maar vanbinnen begint ge nooduitgangen te tellen. Zoals iemand in het Sportpaleis die eerst kijkt waar hij buiten kan voor hij van het concert geniet. Niet omdat hij weg wil. Maar omdat hij gerust wil zijn dat het kan. En misschien is dat uiteindelijk wat ik nog aan het leren ben. Niet hoe ge iemand graag ziet. Dat kan ik al. Maar hoe ge uw jas uitdoet. Hoe ge ophoudt met denken aan vertrekken. Hoe ge durft geloven dat ge niet zomaar op bezoek zijt in iemands leven. Ik beken: ik heb een man. En stilaan denk ik dat het tijd is om mijn jas uit te doen. 

Katrien Daniels
91 7

Paddentrek

Er zijn niet veel momenten waarop ik mijn gedachten kan uitschakelen. Zeker niet nu. Door een licht ontvlambare wereld heb ik het gevoel constant aan te staan. Dingen gebeuren niet langzaam maar onmiddellijk. Niet ergens, maar overal tegelijk. Ze bouwen niet op of werken zelden ergens naartoe. Ze vallen aan en prikken in je hoofd, steken in je hart en kruipen onder je huid. Toch zijn er ook momenten die me toelaten even helemaal niets te denken. Ergens in mijn lichaam zit een knop waar ik me niet van bewust ben. En gelukkig is er iemand die er af en toe op drukt. Ik fietste van mijn werk naar huis en trapte zoals gewoonlijk stevig door, ook al was er op de terugweg niet echt een reden voor. Het was al behoorlijk donker en alles en iedereen die me passeerde deed dat met een overdosis licht en geluid. Elk licht was verblindend. Ik was bijna thuis, ik moest alleen nog een stukje door het Rivierenhof. Aan de ingang stond een bordje dat ik later erg dankbaar was. Er stond: Pas op! Paddentrek. Pas je snelheid aan! Omdat ik een brave burger ben, vertraag ik. Op hetzelfde moment springt mijn verdacht pientere Spotify op een heel rustig neo-klassiek stuk: Even out (+) van Stars of the Lid. Alles vertraagt. In mijn gedachten, die een hele dag van hot naar her hebben gespurt, beginnen zich zachte beelden te vormen. Als een schilderij dat langzaam vorm krijgt, of handen die een draaiende klomp klei tot een vaas boetseren. Stress over oorlog, stijgende gasprijzen, woekerende klimop in mijn tuin, nakende examens en overvolle weekschema’s verdwijnen en maken plaats voor schoonheid. Ik zie mezelf in andere dimensies, terwijl ik trager fiets dan ik zou wandelen. Met een kop dampende thee zit ik in de zetel naast mijn vrouw. We kijken naar Stargåte SG1. Ik wandel door de sneeuw, die kraakt onder mijn schoenen. De hemel strooit gulzig met witte vlokjes zodat het mijn zicht op het bevroren meer een stukje belemmert. Ik ben op een eiland in Stockholm, helemaal alleen. Ik fiets de laatste bocht in. Nu zie ik mezelf met mijn dochter. We wandelen naar school. Zou ik mee naar boven mogen? Meestal wil ze dat niet, want ze is groot nu. Ze neemt mijn hand, en ik besef dat ze dat onbewust doet. Ondertussen ben ik het park uit. Ik sta voor het rode licht. Ik beweeg zachtjes heen en weer, alsof ik op een bootje in zee dobber. Maar er staat geen wind. Het is de tijd die me doet wankelen.

Lennart Vanstaen
4 0

Vind je ikigai!

Nadat de verbouwingswerken aan onze achtergevel eindelijk achter de rug zijn, hebben onze buren het plan opgevat hun voorgevel te renoveren en dat zorgt wel voor een flinke dosis frustratie en lawaai. Omdat ik vaak van thuis uit werk aan cursusmateriaal, neem ik dan ook liever mijn toevlucht tot rustiger oorden, waar ik niet met voorhamers of drilboren om de oren word geslagen. Vandaag heb ik echter een onderbroken dag. Ik moet mijn zoon rond half elf van school halen, met hem naar Borsbeek fietsen voor een afspraak bij de orthodontist en hem dan weer terugbrengen. Hij had al bedisseld dat hij met mij zou lunchen en dat ik hem pas daarna zou afzetten aan de schoolpoort. Hij wilde even rust. Daar kan ik alleen maar begrip voor opbrengen.In de wachtzaal heb ik een uur tijd om wat te werken, dus ik klap mijn laptop open en begin te werken terwijl ik wacht tot mijn zoon klaar is. Naast me zit nog een andere man, vermoedelijk ook een wachtende vader, maar hij moet geen cursusmateriaal maken. Wat hij wel doet weet ik niet, maar het zorgt voor een irritant ping-geluidje om de halve minuut. Wanneer ik na enkele pings subtiel naar hem kijk, heeft hij de boodschap gelukkig begrepen. Vijf minuten later komt zijn zoon beneden en ze lopen het gebouw uit. Eindelijk rust, denk ik. Ik heb mijn vingers nog maar net op het klavier gezet of er waait een lawaai binnen. Het klinkt als een half dozijn bladblazers, die de gevel van de wachtkamer komen stofzuigen, maar het voelt zwaarder, de tegelvloer onder mijn voeten dreunt. Tegelijkertijd, alsof de trillingen van buiten ervoor verantwoordelijk zijn, begint de frisdrankautomaat die enkele meters verder staat ook een zoemend geluid af te geven. Schuin boven mij aan de muur hangt een rek vol magazines. Evi Hanssen lacht me toe. ‘Soms wil ik even helemaal niets’, zegt ze. Boven haar hoofd staat in het groot ‘Vind je ikigai’. Het boekje belooft tien tips om die gemakkelijk te vinden. Heel even twijfel ik om het magazine uit het rek te nemen, maar ik hoor dat mijn zoon klaar is. Ik heb geen idee wat een ikigai is of hoe het eruitziet, maar ik vermoed dat je het alleen in Limburg aantreft. Zeker niet in Deurne of Borsbeek.

Lennart Vanstaen
5 2

TRAMDROMEN

De zon is al onder wanneer ik op de tram zit naar huis na een lange dag in Amsterdam. Van zo’n dag moet ik altijd even recupereren. Dat lukt soms wonderwel op een tram, al zou je dat misschien niet meteen zeggen. Zeker rond een uur of negen zit tram 10 – die naam en faam heeft van de drukst bezette tramlijn in Antwerpen – tjokvol. Het observeren van mensen onder de impuls van neoklassieke muziek is kalmerend. De kunst bestaat erin net op tijd weg te kijken wanneer mensen door hebben dat je hen observeert. Maar dat lukt niet altijd, zeker niet wanneer je moe bent. Zo zit er een oudere, zwarte man, die eruitziet alsof hij geen plek heeft om te slapen. Terwijl ik fantaseer over hoe hem dat overkomen is, kijkt hij recht in mijn ogen. Het enige wat ik dan kan doen is glimlachen. Gelukkig doet hij precies hetzelfde. Plots vraag ik me af: hoe zou hij mij zien? Een oud koppel kijkt betekenisvol naar een stel jongeren dat nogal rumoerig is. Zij fluistert iets in zijn behaarde oor. Dan kruisen onze blikken, ik zit aan hun overzijde. De vrouw merkt dat ik haar heb zien fluisteren. Lacht ze omdat ze kleur heeft bekend en ik getuige ben? Lacht ze omdat ze in mij – een witte cis-man – een soortgenoot meent te herkennen die het lawaai van vreemdelingen ook afkeurt? Nee. Ze heeft in het oor van haar trouwe metgezel gefluisterd: weet je nog toen wij jong waren, Albert? En dat wij de kusttram onveilig maakten? Vier giechelende meiden bezetten samen drie stoelen. Ze kijken kennelijk naar hilarische filmpjes op één telefoon. Twee ervan delen oortjes. Plots kijkt het meisje zonder oortje naar mij. Ze aarzelt, maar gunt me toch een subtiele glimlach en kijkt meteen weer naar het kleine schermpje. Ze doet me denken aan een leerling die ooit in mijn OKAN-klas zat. Zou ze weten dat ik heb lesgegeven aan een meisje van haar leeftijd, kleur en stijl? Zij was vijftien en vertelde me na de les dat ze zwanger was. Ik mocht het niet vertellen aan de klas. Een vrouw neemt haar huilende baby uit de kinderwagen om hem stil te krijgen. Haar man leert hun kleuter om zich vast te houden als de tram rijdt. ‘We zijn bijna thuis, Lotte’ zegt hij wanneer het kind geeuwt. Lotte kijkt me aan. Ze trekt aan de broek van haar papa en vraagt iets. Misschien vindt ze mijn hoofdtelefoon fascinerend. Of wil ze weten wat ik schrijf of teken in dat kleine boekje. Haar vader en ik wisselen een blik uit. Mijn ogen vertellen hem dat ik ook een vader ben. De zijne begrijpen dat. Naast me kan ik door de aanzwellende strijkers van A Winged Victory for the Sullen een enthousiast gesprek horen in het Arabisch. Het is een gesprek tussen twee mannen – ik vermoed een vader en zijn tienerzoon. De vader animeert zijn woorden met vele handgebaren en ik begrijp dat het over voetbal gaat. Hij gebruikt het raam als voetbalveld om tactieken uit de doeken te doen. Misschien is hij wel een trainer. Of heeft hij zelfs de Afghaanse nationale ploeg gecoacht op een WK. Zijn zoon merkt dat ik kijk naar hoe zijn vader spelers uitbeeldt met zijn vingers. Moet hij zich schamen? Snel steek ik mijn duim op, ik hou ook van voetbal, maak ik hem duidelijk. Venneborglaan, mijn halte. In een koele avondbries wandel ik nog een stukje naar huis. Björk zingt I see who you are now. Op de tram was ik vandaag leraar, vader en voetballiefhebber. Maar vooral mens.

Lennart Vanstaen
3 2

De naakte waarheid

Schrijven is een beetje als naakt lopen met je hersenen. Niet alleen lijkt het telkens weer alsof je nog nooit iets geschreven hebt, alsof het je eerste keer is, maar je laat ook nog eens iedereen zomaar lezen wat je denkt. Niets is zo puur en zo bloot als je diepste gedachten. Een nieuwe tekst is telkens weer een belevenis. Een geboorte. Naakt. Toen ik jong was wipte ik nog vaak. De grens over, bedoel ik dan vooral. Vanuit Lommel was je immers in geen tijd in Luyksgestel, Bergeyk, Valkenswaard en Eindhoven. Eigenlijk zat ik overal zo'n beetje. Op een keer, toen ik zo'n jaar of tien was, ging ik samen met mijn ouders en mijn nicht naar ergens en nergens. We stopten spontaan in het plaatsje Eersel, bij een strand waar we nog nooit eerder geweest waren: het E3 strand. Soms moet je gewoon doen en niet denken, dat leek het credo. To go where no man has gone before, al is dat misschien een beetje overdreven. Ach, een probeersel in Eersel, laat ik het zo noemen. Het zand was er parelwit en er vertoefden opvallend veel jonge mensen op het strand. Gezellig druk, maar ook weer niet té. Ik ben nooit een zwemmer geweest, noch een bouwer van zandkastelen. Voetballen ja, dat was mijn ding, maar dat vond mijn nicht dan weer niet al te lang leuk, dus keek ik na een tijdje zomaar wat rond. Vooral naar de meisjes in bikini natuurlijk, zo eerlijk moet ik wel zijn.  'Ik heb trek in een ijsje, mammie! Echt hele grote trek!' Een klein blond jochie met blond haar en heel wat sproetjes. Hij lag samen met z'n mama een paar meter verderop al een tijdje luidruchtig te wezen. 'Haal dan maar een ijsje, jongen. Hier is geld.' Ik keek meteen naar mijn eigen mammie en voor we het wisten deden we een copy-paste, alleen kreeg ik een groter budget mee, alsook mijn nicht, met de opdracht om dat mannetje te volgen en voor iedereen een ijsje te kopen.  Er was haast mee gemoeid, want die kleine wist blijkbaar verdomd goed waar het koude spul te krijgen was. Zelf hadden we geen idee. Hij rende een heel eind naar een soort van uitgang. Een uitgang met een pijnlijke overgang, want het ging abrupt van mul zand naar van die puntige kiezelsteentjes. Het kleine ettertje had zelf preventief slippers aangetrokken. Wij natuurlijk niet, in onze halsoverkoppigheid en zeven haasten tegelijkertijd. Een paar tientallen meters die wel kilometers leken, trippelden we naast een soort hekwerk. We waren zo gefocust op dat steeds sneller lopende rotjoch en op onze pijnlijke poten, dat we de mooie ouderwetse ijskar pas opmerkten toen we er bijna tegenaan hinkepinkten. En toen, toen we niet meer aan de achterkant stonden, toen zagen we het pas! Een hele rij roze oude mensen. Ze ... ze hadden niks aan! Geen T-shirt, geen bikini, geen short, geen zwembroek, zelfs geen string, nee, helemaal niks! Daar stonden ze. Netjes op een rij hun beurt af te wachten. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Geen hond scheen het iets te kunnen schelen dat ze poedelnaakt waren. Buiten ons. Wat zagen we ineens veel blubberbuiken en oude uitgezakte mensenkonten in allerlei vormen en schakeringen, van marmerwit naar lichtbruin, donkerbruin tot zwart, met tussendoor ook veel pijnlijk uitziend rood. Wat staarden we naar de talrijke tieten in alle mogelijke formaten. Onze monden vielen open en onze neuzen gingen spontaan de hoogte in bij het aanschouwen van zoveel (vooral grijs) schaamhaar en verrimpelde geslachtsdelen.  Ik schrijf het helemaal niet graag, maar vooral die genitaliën zorgden bij mij voor de slappe lach. Ik hield het niet meer. Zeker toen ik de grote ogen van mijn nicht en haar opengevallen mond in het vizier kreeg.  Wij waren zo ongeveer de enigen die gêne voelden, ondanks het feit dat we 'gekleed' waren. Wat een situatie! We stonden gewoon te midden van een meute blote bejaarden. Geen woord spraken we. Mijn nicht deed haar uiterste best om niet te lachen en zelf deed ik niet anders dan hoesten, proesten, onderdrukken, piepen, mijn hand voor mijn mond houden, de tranen uit mijn ogen wrijven en voortdurend naar de grond kijken. Naar de puntige steentjes die ik blijkbaar niet meer leek te voelen.  Toen het eindelijk onze beurt was en we zo ingetogen mogelijk besteld hadden, duwde de ijsjesverkoper, die gelukkig wel helemaal aangekleed was, de ijsjes in onze handen, waar ze bijna onmiddellijk begonnen te smelten.  We likten en slikten elk dan maar twee ijsjes en net toen ik me wat kalmer voelde worden en mijn buikpijn langzamerhand verdween, zag ik net voor het betreden van het strand een bord met een pijl die naar rechts wees: 'NAAKTSTRAND'. In de verte zag ik ook weer een hele zwerm senioren komen aanlopen. Snel! Weg! Wat een bevrijding achteraf, dat warme zand en die zedige jonge mensen! Waar ik daarstraks in mijn wildste prepuberale fantasieën nog stiekem droomde dat al die mooie meisjes hun bikini zouden uitgooien om naakt te zonnen, hoefde het voor mij nu even niet meer. Ik was helemaal verzadigd.  Om een of andere reden zou ik de eerstvolgende weken ook niet meer te porren zijn voor hotdogs, tv-worstjes, thee (vanwege de zakjes), pudding (zowel vanille, mokka als chocolade), meloenen of suikerspinnen.  En jij? Je was live aanwezig bij de geboorte van een tekst. Bij de hergeboorte van een herinnering. 

Danny Vandenberk
0 0

Bericht verwijderd

Er zijn zinnen die ge kunt lezen zonder ze gelezen te hebben. Bericht verwijderd. Dat staat daar dan. Grijs. Onschuldig. Alsof er niets gebeurd is. Maar er is natuurlijk van alles gebeurd. Iemand heeft iets geschreven. Iemand heeft getwijfeld. Iemand heeft op verzenden geduwd en daar onmiddellijk spijt van gekregen. Of erger nog: iemand heeft drie minuten lang zitten typen. Dat ballonnetje verscheen, verdween, verscheen opnieuw en verdween weer. Ge kent dat. En dan uiteindelijk: Bericht verwijderd. Dat is gelijk een cadeau krijgen waar iemand vlak voor uw neus het papier terug rond plakt. Ik word daar ambetant van. Niet woest. Geen stoelen-gooiend kwaad. Gewoon dat klein venijnig gevoel van: zeg het dan. Of zeg het niet. Maar laat mij niet achter met een leeg vakje en een hoofd vol scenario's. Want een verwijderd bericht is nooit leeg.  Een verwijderd bericht is een misdaad zonder lijk. Een klein grafzerkje in een WhatsApp-gesprek. Hier rust een zin. Geboren om 22.14 uur. Overleden om 22.15 uur. Oorzaak onbekend. En nu zou het schoon zijn mocht ik kunnen zeggen dat ik dat zelf nooit doe. Maar dat is niet waar. Ik verwijder ook berichten. Ik heb daar zelfs regels voor. Strenge regels. Ik verwijder enkel stommiteiten. Een bericht voor de verkeerde correspondent. Een bericht dat een halve minuut te vroeg vertrokken is. Een autocorrectie die van mijn tekst een psychiatrisch verslag maakt. Een "sleutel niet mee". Lap. Toch wel mee. Dat soort dingen. Praktische ongelukken. Geen emotionele staatsgrepen. Allez ja. Dat maak ik mezelf toch wijs. Want blijkbaar vinden andere mensen mijn verwijderde berichten ook verdacht. Dan krijg ik opmerkingen. "Wat had ge geschreven?" "Waarom hebt ge dat verwijderd?" Alsof een bericht verwijderen erger is dan iets compleet scheef schrijven en dat vervolgens voor eeuwig online laten staan als digitaal bewijsmateriaal. Verwijderde berichten is  eigenlijk ongeveer een  moderne versie van belleketrek. Vroeger belde ge aan. Dingdong. En dan liep ge weg. De mens binnen hoorde de bel, legde zijn krant neer, zette zijn koffie op tafel, deed de deur open en... Niemand. Alleen wat verwarring op de stoep. Een verwijderd WhatsApp-bericht doet exact hetzelfde. Dingdong. Uw gsm licht op. Ge kijkt. Ge voelt een lichte opwinding. Een lichte ongerustheid. Misschien zelfs een klein beetje hoop. En dan... Bericht verwijderd. Niemand aan de deur. Mijn fantasie schiet dan onmiddellijk aan het werk. Een verwijderd bericht is in mijn hoofd nooit een boodschappenlijstje. Nooit: "Kunt ge melk meebrengen?" Nee. In mijn hoofd heeft iemand net zijn liefde verklaard. Of afscheid genomen. Of bekend dat hij al jaren een dubbelleven leidt als accordeonist op een cruiseschip tussen Helsinki en Stockholm. Er is minstens één geheim kind. Een onverwachte erfenis. Een kasteel in de Ardèche. Een verloren broer die na veertig jaar plots terug opduikt. Mijn fantasie geeft een verwijderd bericht altijd een budget van enkele miljoenen euro's. Terwijl de werkelijkheid waarschijnlijk luidde: "Vergeet de vuilzak buiten te zetten." Dat is het frustrerende aan verwijderde berichten. Ge krijgt nooit de ontknoping. Ge blijft achter in uw eigen scenario. Misschien zegt dat meer over mij dan over WhatsApp. Dat kan. Maar ik denk dat we allemaal een beetje hetzelfde doen. We willen graag gezien worden, alleen liefst niet té graag. We willen eerlijk zijn, alleen liefst niet té eerlijk. We willen ons hart tonen, maar liefst met een nooduitgang vlak naast de deur. Daarom bestaan verwijderde berichten. Omdat moed soms maar twintig seconden duurt. Misschien is dat wat mij zo stoort aan dat grijze vakje. Niet dat ik niet weet wat er stond, maar dat ik nooit zal weten wat iemand heel even wél durfde te zeggen. Een verwijderd bericht lijkt een einde. Maar meestal begint daar pas het verhaal.

Katrien Daniels
84 3

Homo dubitantis

Je hebt mensen die bij het ontwaken van de dag de ogen opslaan, het leven uitdagend aankijken en er het beste van maken. Mensen die van bij de eerste bewuste tikken van de secondewijzer weten wat hen te doen staat en hoe ze dat gaan aanpakken. Ik stel me voor dat het van die types zijn met carpe diem of een andere vervelend optimistische motivatiespreuk in donkere krul- of blokletters over de borst getattoeerd. Of misschien ook het gezicht van Jezus, of het woord mama onder een doorschoten hartje. Alsof zij weten waar het in dit leven allemaal op terug te brengen is en waar het dus in sé om draait. Mannen en vrouwen die datgene doen waar het leven ze heeft ingerold en die dat ook nog eens goed doen. Of overtuigd zijn dat ze het goed doen. Ik weet niet wat belangrijker is in dit leven: over een vaardigheid beschikken of geloven dat je er over een beschikt. Misschien komt het finaal wel op hetzelfde neer, als je altijd zonder vragen je doel bereikt. Ik benijd hem, die zekere mens, en zou gerust zijn schoenen willen passen. Jezustattoo incluis.  Want je hebt ook mensen zoals ik. Een soort homo dubitantis die het leven loopt door te scharrelen als een kip in steeds hetzelfde kleine hok. Zoekende naar iets dat gisteren niet in de aarde zat en er morgen ook niet zal zijn. Er zijn weinig dingen in mijn leven waar ik geen spijt van heb, maar geef me de kans om terug opnieuw te beginnen; ik zou het allemaal herhalen. Sterven is moeilijker dan je denkt, las ik ooit in een boek van Marquez. In de jaren dat ik mijn angsten ontwikkelde, heeft het me vaak getroost als het zwart van de nacht en de eenzaamheid van een huilbaby mijn hart op hol joeg. Het is nog maar pas dat ik de zin had opgeschreven en zag dat ik me onbewust had vergist en sterven door leven had vervangen. Leven is moeilijker dan je denkt. Het is misschien wel juist zo, sterven en leven lopen op het pad ook steeds hand in hand. Alles wat ik onderneem in het leven is de eerste keer ook niet helemaal gelukt. Studies, schrijfwedstrijden,volleyballessen, rijbewijs halen, relaties en -hoe pijnlijk ook- zelfs mijn eerste kind. Er bestaat echt zoiets als je toekomst kapot twijfelen. Ik beslis dat ik me een nieuwe tattoo laat zetten en zoek alvast een geschikt lettertype voor een Latijns positivo-leuze. Helvetica of zo, als het maar schreeuwerig duidelijk is dat ik het twijfelende leven vaarwel heb gezegd en vanaf nu de dag niet alleen zal plukken, maar ook nog eens opzichtig te kijk zal zetten in een glazen vaas. Maar bij de schemering van de avond overvalt me het weëe gevoel in mijn maag en vraag ik me af of ik niet beter ik doe ook maar wat op mijn rechterbil laat vereeuwigen. Of misschien wel op mijn linker. En anders een doorschoten mamahartje met het gezicht van een twijfelende Christus? Anders neem ik maar gewoon homo dubitantis, maar dan als afwrijfplaatje. Je weet immers zo dat ik hier weer spijt van krijg. 

Sifaka
6 2