Zoeken

De gemiste roeping

Luister, lieve kindertjes, naar het korte sprookje van het spookje. Lang, heel lang geleden, toen ik nog jong en onschuldig was, zat ik zomaar wat rond te kijken. Mama deed de was. De behendigheid waarmee ze dat deed, zal ik nooit vergeten. Zo rustgevend, dat hele proces van vies en vuil naar proper en net, van chaos naar geordend, via de wasmachine naar de wasdraad naar het strijkijzer of de tafel en uiteindelijk kreukloos opgeborgen in de kleerkast ...  Ze propte de wasmachine niet vol, maar ze 'vlijde' het wasgoed er zachtjes in. De was ophangen gebeurde niet aan een zijden draadje maar aan een ziedend tempo, in volle concentratie, met twee vliegensvlugge handen, heel af en toe met één oog dichtgeknepen en met één wasknijper in de mond. Na positieve weerberichten van haar weergoden Pien of Pelleboer op de radio was het zover. Tenzij er geen wolkje aan de lucht en dus geen risico was, al heb ik haar meer dan eens naar buiten zien spurten nadat er geheel onverwachte druppeltjes op het keukenraam pletsten. De schuld van Pien en Pelleboer, die hun goddelijke status dan 'weer' voor een tijdje verloren. De regen hield haar niet tegen om de was alsnog geordend en gestructureerd van de draad te halen. De volle wasmand waarmee ze daarna naar binnen kwam gelopen, zag er nog steeds keurig uit. Zo typisch. Bij een ander is perfectionisme goed te verdragen, bij iemand waar je van houdt is het wondermooi om te zien. Het prachtigste was het plooien. De behendigheid waarmee ze dat deed was werkelijk adembenemend. Ware kunst vond ik dat. Hoewel ze het ongelooflijk eenvoudig deed lijken, durfde ik er zelf nooit aan te beginnen. Pas nu, een paar decennia later, plooi ik af en toe hooguit een handdoekje of een paar sokken. Omdat ik van mezelf weet dat ik niet de handigste ben en omdat het contrast met mijn moeder me op zulke momenten telkens weer parten speelt. Zo ben ik, de perfectionist die lijdt aan een verlammende variant. Ik kan het nooit even perfect, waarom zou ik er dan aan beginnen? Het wordt immers sowieso een teleurstelling.  Vol bewondering keek ik toe. Het stapeltje gevouwen beddengoed klom het hoogst. Ineens stropte het behaaglijke plooiritme, bij een wit laken dat aan de randjes een beetje uitgerafeld was. Ze plooide het desondanks mooi op, maar net iets minder onberispelijk dan anders. Daarna legde ze het wat apart op de rand van de tafel, bijna vlak voor m'n neus. Ondertussen mompelde ze iets over papa, knippen, vodden om zijn fiets te kuisen en dat hij toch nooit iets kon weggooien. 'Dat hij er zijn plan mee trekt,' grolde ze nog na. Ze hield ervan om tegen zichzelf pratend de was te doen, maar té lang moest het nu ook weer niet duren. Dan werd ze een tikkeltje sikkeneurig en verlangde ze naar een kopje koffie.  'Mag ik dat afgekeurde laken niet hebben?' vroeg ik plots. Ze keek me aan alsof ze niet eens gemerkt had dat ik in haar nabijheid vertoefde. Met grote ogen, alsof ik net m'n eerste woordjes had gezegd. Verrast, verbaasd en op een vreemde manier een beetje vrolijk. 'Jij? Wat kan jij daar mee doen?' 'Spookje spelen,' zei ik resoluut. 'Ik knip er gewoon twee gaten in om door te kijken. Hoe moeilijk kan het zijn?'  Het was niet zomaar een ingeving. Spoken fascineerden me. In mijn fantasie konden ze vliegen, onzichtbaar worden, door muren lopen en mensen schrik aanjagen.  Mama lachte en gooide het laken in mijn richting, waarna ik de schaar nam en naarstig en vol ongeduld aan het karweitje begon. Bij het eerste gat dat ik wilde knippen liep het al helemaal mis. Veel te groot. Ik kon er mijn hoofd wel doorheen steken. Dat deed ik dan ook.  Ik ging rechtstaan en opeens scheen de zon felle stralen op m'n gelaat. Het leek een verheven moment, hét tijdstip voor een ingeving. Ik word priester, dacht ik. Spelenderwijs.  Spook of priester, wat maakt het ook uit? In de voetsporen van Jezus kan het ook best fijn zijn. Je kon hem misschien wel vergelijken met een spook. Jezus kon ook vliegen, anders was hij nooit in de hemel geraakt. En zich onzichtbaar maken was evenmin een probleem, want tijdens eucharistievieringen zei de pastoor altijd dat hij bij ons was, terwijl ik 'm nooit heb gezien. Door muren lopen en de mensen schrik aanjagen? Piece of cake voor Jezus. Gelovige mensen zijn immers godvrezend. Dat waren ze vast niet zonder reden. Nog veel meer dan spoken kon hij. Van water wijn maken bijvoorbeeld. Kon ik dat ook maar. Verder dan druiven pletten met m'n blote voeten was ik nooit geraakt, ook al omdat ons ma pas naar de markt was geweest, me betrapte in de badkuip met de pas aangekochte tros witte druiven en me ogenblikkelijk een andere fruitsoort liet ontdekken. De muilpeer.  Daar stond ik dan. Danny de priester in zijn kazuifel. Om het helemaal af te maken haalde ik mijn vaders rode sjaal uit z'n kleerkast en drapeerde die rond m'n schouders. Dit werd serieus. Ik speelde geen priester meer, nee, ik wás een priester. Ons ma leek mijn roeping wel goed te keuren en stemde in met mijn verzoek om nog een tweede laken te gebruiken als tafelkleed voor de tuintafel, mijn altaar. Mijn dikke sprookjesboek met 365 verhalen ('Een sprookje voor elke dag van het jaar') zette ik geopend op een boekstaander. Het was de bijbel waaruit ik mijn evangelie zou voorlezen. Ik profiteerde van de situatie door een kommetje chips (normaal voorbehouden voor weekendavonden) als schaal hosties te gebruiken en de mooie pseudosacrale beker die ik van mijn meter had gekregen voor mijn eerste communie vulde ik met cola, mijn miswijn. Zo was ik er helemaal klaar voor. Daar stond ik dan. Maar wat nu? Uiteindelijk wist ik niet zo veel van eucharistievieringen. Tijdens zondagse kerkbezoeken lette ik eigenlijk nooit op. Dagdromen ja, zoals steeds, en mensen observeren. Meisjes vooral, als die er waren. Wat ik wel eens gehoord had, was dat er gesproken werd over vergeven en vergeten. Dat wist ik nog, dat je dat als goede christen moest kunnen. Vergeten had ik al lang onder de knie. Mijn hoofd speelde voortdurend met pietluttigheden en raakte soms zo vol dat de ogenschijnlijk belangrijkere dingen er af en toe pardoes uit geknikkerd werden, of ik dat nu wilde of niet. Dat vergeten zat dus wel snor.  En vergeven? Ook daar was ik een kei in. Een tijdje geleden hadden we nog Chinees gegeten. Was ik dol op. Eerst garnalen in looksaus en daarna babi pangang. Achteraf lag dat hele zootje nogal zwaar op de maag. Toen ik eindelijk een verlossend, niet zo geluidloos maar nog veel minder geurloos scheetje had geproduceerd, riep onze pa dat ik heel het huis had vergeven. Een natuurtalent, zoals ik al min of meer zei. Zo moeilijk kan zo'n mis dus niet zijn, besloot ik, en ik brabbelde en zong zomaar wat in de rondte. Met m'n handen gespreid las ik voor uit mijn grote sprookjesboek en te gepasten tijde, of om eerlijk te zijn vooral te ongepasten tijde, vrat ik van de chipserige hosties en zoop ik van de miscola.  Zonder publiek stelde het geen zak voor, dus een weekje later, na nog wat oefenen, besloot ik de missionarishouding aan te nemen om een vriendenkliekje van twee straten verderop te bekeren en te amuseren. De voorstelling in hun tuin, met tuintafel, sprookjesboek, kom chips en beker cola was een voltreffer. Ze lagen immers al in een deuk toen ik m'n kazuifel met sjaal aantrok en deed alsof mijn beker gevuld was met echte miswijn. Als priester focuste ik instinctief op de kleine kantjes van het mens-zijn met veel lust voor alcohol en vrouwelijk schoon. Ik veinsde dat ik dronken was en klokte sloten cola achterover. Wat later, net na een uitgebreide preek over zondig onzedig gedrag, wreef ik begerig over de ontblote linkerknie van een van de twee kortgerokte meisjes uit het publiek. En het mocht! Ik deed het nog een keertje, nog langzamer, met m'n tong ostentatief uit m'n bek bungelend, omdat ik zogezegd dronken was. Priestertje spelen was nog leuker dan doktertje spelen! 'Geweldig, Danny!' lachte de oudste en grootste van m'n gelovigen achteraf, toen we voor het zingen de ingebeelde kerk uitgingen. Hij sloeg z'n arm om me heen. 'Kom eens even mee.' Ik gehoorzaamde en liep hem achterna tot achter hun huis. Daar verkocht hij me een flinke stomp in m'n maag. 'Je hebt je eerste en laatste mis hier opgedragen, vies ventje, en in het vervolg blijf je met je vunzige poten van m'n zus, of je volgende mis wordt je eigen begrafenis. Begrepen?'  Dat had ik. Een paar dagen later was onze pa vodden aan het knippen van mijn priestergewaad en nu stond hij er de velgen van zijn fiets mee op te blinken.  En ik? Ik keek nog wat verder rond. Mijmerend over m'n relatief korte verleden en m'n hopelijk nog lange toekomst. Nog geen idee wat ik later worden wilde. Alleszins geen priester. Geen meisjes? Geen seks? Daar heeft niemand celibaat bij.

Danny Vandenberk
0 0

Het Meirregat

Ik woon in de Berkestraat. Dat is een straat waar ge niet graag een tegenligger tegenkomt. Niet omdat de mensen hier onvriendelijk zijn, maar omdat de straat op sommige plaatsen ongeveer even breed is als een politieke consensus. Ge moet er uw plan trekken. Gelukkig hebben wij hier merregaten. Voor wie niet van den buiten is: een merregat is een uitsparing in de kant van de weg. Een plaats waar ge u even kunt inschieten zodat een tegenligger kan passeren. Letterlijk betekent het het gat van de merrie. Waarom precies, weet ik niet. Sommige woorden zijn te schoon om kapot te analyseren. Mijn tante, die ook mijn buurvrouw is, kent de straat zoals een schipper zijn rivier kent. Elke bocht. Elke haag. Elke put die al twintig jaar gerepareerd zou worden. En vooral: elk merregat. Als er een tegenligger aankomt, heeft zij de situatie al opgelost voor ik doorheb dat er een probleem is. "Die kan daar in." Of: "Nee, wacht gij maar. Verderop is er plaats genoeg." Ze zegt dat met dezelfde vanzelfsprekendheid waarmee ge zegt dat water nat is. En dan zijn er de mensen die hier niet moeten zijn. Mensen met een gps. Mensen die denken dat elke straat hetzelfde werkt. Mensen die midden op de baan blijven staan kijken alsof ze zonet in een natuurdocumentaire zijn terechtgekomen. Mijn tante krijgt daar zenuwen van. Niet omdat ze die mensen iets misgunt. Maar omdat ze de gebruiksaanwijzing van de straat niet kennen. Dat is wat een merregat eigenlijk is: een stukje lokale wijsheid. Een ongeschreven afspraak. Een manier om tegen elkaar te zeggen: ik maak even plaats zodat wij allebei verder kunnen. Hoe ouder ik word, hoe meer ik denk dat het leven vol merregaten zit. Op het werk bijvoorbeeld. Ge hebt collega's die overal rechtdoor willen. Hun idee. Hun planning. Hun waarheid. Ze rijden een vergadering binnen alsof ze een voorrangsweg hebben aangelegd speciaal voor zichzelf. En ge hebt collega's die de merregaten kennen. Die weten wanneer ze moeten spreken en wanneer ze beter luisteren. Die begrijpen dat ge niet elk gelijk moet binnenhalen om samen vooruit te geraken. Dat zijn meestal ook de mensen bij wie ge graag binnenstapt. Omdat ge weet dat er plaats is. Vriendschap werkt zo. Liefde ook. Ge leert elkaars merregaten kennen. De gevoelige plekken. De oude pijn. De onderwerpen waar ge beter wat trager rijdt. En familie misschien nog het meest: in elke familie rijdt wel eens iemand te snel door de bocht. Wordt er al eens getoeterd. Wordt er al eens achteruit gestoken waar dat eigenlijk niet meer kan. Maar de families die blijven werken, zijn vaak de families waar nog iemand weet waar de merregaten liggen. Waar nog iemand bereid is een beetje op te schuiven. Niet om te verliezen. Niet om ongelijk te krijgen. Maar omdat de relatie belangrijker is dan de discussie. Misschien is dat ook waarom mijn tante zich zo stoort aan mensen die hier niet moeten zijn. Niet omdat ze tegen vreemden is. Maar omdat ze weet wat ge alleen leert door ergens lang genoeg te blijven. Dat samenleven niet draait om wie het midden van de baan krijgt. Maar om weten waar ge een beetje plaats kunt maken. En eerlijk? Dat zouden ze niet alleen in de Berkestraat mogen leren. Ge zou ervan verschieten hoeveel miserie er opgelost raakt als mensen het merregat weten zijn.

Katrien Daniels
49 5

De rol van twijfel

Twijfel zorgt ervoor dat alles los blijft staan, dat wankelheid de toestand is waarin bepaalde ideeën blijven hangen. Twijfel schept ruimte tussen mezelf en de wereld; een ruimte die geen vast verhaal wil dragen, maar enkel in mogelijkheden verschijnt. Twijfel kan iemand tot stilstand brengen of alles doen vertragen. Wie niet twijfelt, is te vast aangedraaid en kent de speling of beweeglijkheid van een onbepaald bestaan niet. Het is immers het onbepaalde dat vrijheid brengt; de vrijheid om te fantaseren, speculeren, dromen, visualiseren, bedenken, voelen, hopen en nog zoveel meer. Een leven zonder twijfel mist magie en maakt alles hard, terwijl er zo te genieten valt van magische misschiens als zachte wolkjes. Er zijn echter verschillende soorten twijfel, de ene al wat moeilijker dan de andere. Want hoewel twijfel vrijheid en ruimte schept, kan ze ook fel beperken. Zoals zelftwijfel bijvoorbeeld. Twijfel over mezelf maakt me klein, terwijl twijfel over de wereld diezelfde wereld juist groter en onbegrensder maakt. Mysterieuzer. Ik vind mezelf niet mysterieuzer als ik aan mezelf twijfel, eerder banaler en minder interessant. Zelftwijfel wil zich ook weleens als introspectie voordoen. Onder het mom van ‘jezelf onder de loep leggen’ kan zelftwijfel een loopje nemen met je eigenwaarde. Twijfel is iets dat op ervaringen dient te worden geprojecteerd, en op de interpretaties van die ervaringen, maar niet op de interpretator zelf, want dat vernauwt het perspectief. Ik zou zeggen: kijk in de spiegel, neem je intenties, gedachten en gevoelens waar, toets hun integriteit en weet dat je niets weet. Maar ga niet twijfelen aan de waarde van de twijfelaar. Je kan twijfelen aan het twijfelen, maar vanaf het moment dat je de bron van al dat twijfelen in twijfel trekt, implodeert de eens zo onbegrensde ruimte. Want de schepper van de ruimte, de twijfelaar, is de ruimte zelf. De observator mag twijfelen aan zijn observaties en zou ook kunnen twijfelen aan wie de observator in essentie is, maar dat is niet wat we in deze wereld met zelftwijfel bedoelen. Zelftwijfel gaat over de waardebepaling van de observator; je afvragen waaruit de observator bestaat, is iets geheel anders. Twijfelen aan de waarde van de observator, aan de waarde van het zelf van waaruit wordt waargenomen, bracht me geen verruimende inzichten, integendeel. Ik kan aan alles twijfelen, behalve aan de bron van waaruit dat twijfelen voortkomt. Het woord twijfelaar heeft in deze wereld een negatieve bijklank: iemand die wankel op zijn benen staat. Niet kunnen kiezen wordt als zwak beschouwd. Er wordt ‘kieskracht’ verwacht van een vitaal subject. Toch is het belangrijk dat er speling blijft, in het belang van vreugde en verwondering. Het is mogelijk om gedecideerd keuzes te maken en daarbij toch te blijven twijfelen. Je kan de twijfel aanvaarden, maar er niet naar handelen. Alles is twijfelachtig, de wereld kent geen zekerheden, en toch kunnen we dat naast ons neerleggen en keuzes maken. Twijfelen en kiezen staan daarom niet loodrecht tegenover elkaar als twee uitersten, maar kunnen elkaar overlappen. Er zijn keuzes waarbij geen enkele twijfel voelbaar is en er zijn keuzes die twijfel in zich meedragen, als een zaadje waarvan niemand wil dat het uitgroeit tot spijt. Het wordt interessant als men gaat twijfelen aan grote, hardnekkig ingeprente ideeën of overtuigingen, zoals het wereldbeeld, de geschiedenis, de maatschappelijke consensus, gewoontes, tradities en protocollen. Het in vraag stellen van wat de meerderheid als ‘vaststaand’ beschouwt, is een bodem van waaruit twijfel kan uitgroeien tot iets verruimends en verrijkends, iets dat openheid en vrijheid kan brengen. Conclusie: twijfel trekt de grenzen van het denken open, zolang die niet gericht is op de eigenwaarde of op de generator van twijfel. Karolien Deman  

KarolienDeman
0 0

AI en ik

De dag dat ik, na maanden van ‘letterstilte’, eindelijk mijn laptop open deed, liep er een ijskoude rilling over mijn rug. Het voelde alsof íets me dwong. Alsof de woorden er gewoon uit moesten. Geloof me, ik ben nu niet meteen het type dat in witte jurken door mistige velden danst en fluistert over ‘de universele leiding’. Nee, geef mij maar een loep, een scalpel, en een degelijke wetenschappelijke verklaring, en dan kom ik er meestal wel uit. Op een creatieve manier, toegegeven. Maar toch. Toen AI kwam aanwaaien – met haar perfecte zinnen, haar vlekkeloze stijl, haar literaire bovenkamer die de onze in één seconde inhaalt – viel mijn pen even stil.Waarom zou ik nog zweten over een alinea als een robot het beter kan? Sneller? Pijnlozer? Ik heb het allemaal laten bezinken. Ik keek toe. Films, reclame, apps, animaties, songteksten, zelfs muziek – alles zuigt zich vol met algoritmes. AI is overal. En op het eerste gezicht neemt ze álles over. Maar toch.  Er is dat ene randje. Dat gekartelde. Dat niet-gladgestreken. De scheefte. De vlek. De vingerafdruk. De fout, godzijdank. Ons heerlijk incapabele vermogen om te knoeien, te vallen, te herstellen, te groeien als een wildgeworden klimop tegen een scheef huis. Kijk naar de natuur: chaotisch, onvoorspelbaar, adembenemend. Niemand die dat namaakt. De krachten die er heersen, de biologische drang die alles ondersteboven gooit om er even later weer iets van te maken – dat artificiële geklungel blaast ze weg. Dat is van ons. En dat zal ons nooit worden afgepakt. Dus ben ik terug in de pen geklommen. Kruipend, een beetje roestig, maar met de koppige overtuiging dat niets – maar dan ook niets – mijn eigen, rare, scheve, eerlijke stem kan vervangen. Mijn schoonheidsfoutjes. Mijn menselijkheid. En die ijskoude rilling, die duidelijke stem die me dwong om terug te schrijven? Die kwam niet van AI. Die kwam van de natuur, van onze natuur. Uit het vaatje van menselijkheid waar wij tot in de eeuwigheid uit zullen blijven tappen. AI mag af en toe een handje toesteken. Geen probleem.  Maar ik ben en blijf de kapitein van mijn eigen schip!

Heidi Schoefs
7 1

De bereidheid om los te laten

‘Wees bereid om alles los te laten,’ luidde het advies van een veel oudere versie van mezelf toen ik haar vroeg wat ze mij vanuit al haar levenswijsheid kon meedelen. Het ego focust zich natuurlijk angstvallig op dat woord ‘loslaten’ en interpreteert dit als een boodschap van verlies en ellende. Maar andere aspecten van mijn eigenheid kijken voorbij dat angstkader. Het is al enkele jaren geleden dat ik mezelf in dit visioen ontmoette, en die zin heeft intussen al verschillende dimensies gekregen. Ik ken mezelf; als mij gevraagd wordt naar een advies of mededeling die een half leven lang en in diverse situaties houvast kan bieden, dan ga ik daar niet licht over. Dan kom ik gegarandeerd met een weldoordachte en doorvoelde uitspraak die diverse lagen van betekenis bevat. Een zin met meerdere deuren waarachter diepe tunnels liggen. En in elke levensfase ontdek ik een nieuwe deur en een nieuwe tunnel, of een nieuwe manier waarop ik deze zin kan interpreteren. Het is een korte zin; op het eerste gezicht lijkt er weinig ruimte voor dubbelzinnigheid of diversiteit in interpretatie. Maar het is een boodschap die iets heel kleins en beperkts grenzeloos groot kan maken. Ze trekt een volledig nieuwe wereld open waarin ik wil vertrouwen, een wereld die ik anders misschien angstvallig zou proberen te weren. Het advies lijkt me het energieverlies van gehechtheid en weerstand te willen besparen. Wees nu al maar bereid, want tot loslaten komt het sowieso. Nu zit ik in de levensfase waarin ik die bereidheid aan het ontwikkelen ben. Ik ben aan het onderzoeken en ervaren op welke manieren ik die bereidheid kan belichamen. En zoals altijd zit de volledigheid van het leven harmonisch verdeeld in zowel de grote als de kleine dingen. Want ‘alles loslaten’ klinkt nogal fatalistisch, althans voor het ego. Maar dat loslaten hoeft niet zo groots, verscheurend en beperkend te zijn. Het kan juist heel bevrijdend, verlichtend en verhelderend zijn, beginnend bij kleine dingen zoals het loslaten van ongezonde gewoontes. Het op zelfbehoud gefundeerde ego leest in die zin zijn ondergang. Het verlies van comfort, huisvesting, privacy en het persoonlijke leven zelf. En misschien komt het ooit wel daartoe, maar momenteel zit de bereidheid om los te laten vooral in symbolische daden, zoals het durven stellen van grenzen terwijl ik de angst voor afwijzing loslaat. Het gaat niet alleen om de bereidheid om te sterven, maar evenzeer om de bereidheid om te leven. Ook om voluit te kunnen leven dient er te worden losgelaten. Ik draag een voornemen met me mee dat stelt dat ik bereid ben om comfort en ‘zekerheid’ los te laten voor mijn waarheid. Tijdens de coronaperiode werd dat voornemen, die levensinstelling, vastgezet in mijn systeem. Achteraf gezien diende er geen al te hoge prijs betaald te worden voor het voet bij stuk houden. Niet uit eten kunnen gaan of niet mogen reizen waren voor mij totaal geen offers. Maar ergens verwacht ik dat er in de toekomst grotere offers gebracht zullen moeten worden als men de eigen waarheid en integriteit in ere wil houden. Corona was slechts een test, een simulatie in de vooravond van een veel grotere omwenteling. Intern ben ik mezelf al een tijdje aan het voorbereiden op oorlog en vluchtscenario’s. In de juiste kringen deel ik wel eens mijn bereidheid om alles los te laten. Wat voor mij innerlijk resoneert, zal niet omgekocht of opgeofferd worden, neem ik me met enige vurigheid voor. Maar lieve schat, sprak ik mezelf deze namiddag toe, zelfs nu alle comfort nog aanwezig is en er zich geen directe dreiging voordoet, zelfs nu offer je je waarheid nog op uit angst om anderen op de tenen te trappen. En verdomme, het is waar! Het gebeurt nog dat, als mensen vragen om mij te zien en ik daar helemaal geen nood aan heb, ik toch een toegeving doe. Ik verantwoord het dan voor mezelf door te zeggen: ‘Ja, maar het is maar voor even.’ Of: ‘Ik moet niet zo moeilijk doen, wat flexibeler zijn.’ Maar dit is wel degelijk het oefenveld alvorens de grotere vraagstukken eraan komen. Mijn bereidheid om alles op te geven kan ik hier en nu al oefenen en laten groeien, simpelweg door ‘nee’ te zeggen in elke situatie, groot of klein, waarin ik een ‘nee’ voel. Terwijl ik zat te wachten op het grote, zag ik de grootsheid van de kleine oefeningen over het hoofd. En dat het ‘kleine’ echt niet zo klein is als het lijkt, daar herinnert mijn lichaam mij geregeld aan. Nee, mijn lichaam overdrijft nooit; het is mijn denkende geest die minimaliseert. Soms word ik ziek om iets schijnbaar ‘kleins’, om dan te beseffen dat de intense fysieke reactie mij toont dat het euvel dieper geworteld zit dan aanvankelijk lijkt. Dat als ik hier, in deze ‘kleine’ situatie, doorheen mijn angst toch ‘nee’ durf te zeggen en voet bij stuk houd, ik daarmee symbolisch en energetisch iets veel groters losmaak. En ik voel enthousiasme om mijn inzichten te belichamen en uit te oefenen. Maar het is natuurlijk ook een beetje eng. Het vraagt moed om door oude beschermingsmechanismen heen te prikken. Ik hecht veel waarde aan de persoonlijke wijsheden die zich openbaren. De zelftwijfel krijgt lang niet alles meer van tafel geveegd; er blijft nu een blauwdruk van mijn waarheid liggen. En ik eer die. Mijn werktafel is ook een altaar geworden.  

KarolienDeman
0 0
Tip

Ik beken: ik heb een man

Ik moet iets bekennen. Ik heb een man. Zo. Het is eruit. Niet dat de politie mij zocht of dat er een persconferentie nodig was, maar toch. Ik heb een man. Een collega van mij keek mij deze week aan alsof ik net verteld had dat ik thuis een lama houd. "Maar Katrien," zei hij, "gij hebt geen man?" Hij klonk oprecht verbaasd. "Ge zijt mooi. Ge zijt slim. Ge zijt grappig. Ik versta dat niet." En toen hoorde ik mezelf antwoorden: "Maar ik héb een man." Het was vreemd. Alsof ik het voor de eerste keer luidop zei. Alsof ik mezelf betrapte. Ik heb een man. Niet: ik date iemand. Niet: er is iemand. Niet: ik ben iemand aan het leren kennen. Niet: het is ingewikkeld. Gewoon: ik heb een man. Dat klinkt volwassen. Dat klinkt alsof ik een gezamenlijke rekening heb, een vaste loodgieter en een mening over isolatiepremies. Dat klinkt als iemand die haar leven op orde heeft. Terwijl ik vorige week nog twintig minuten gezocht heb naar mijn bril terwijl die op mijn hoofd stond. Toch heb ik blijkbaar een man. Of een lief. Of een vriend. Of een partner. Al vind ik dat laatste een verschrikkelijk woord. Partner. Dat klinkt alsof wij samen een boekhoudkantoor hebben. Of een verzekeringsmakelaar zijn. "Mijn partner en ik." Dat zijn mensen die op zondag Nordic Walking doen. Wij discussiëren nog over wie het licht in de gang heeft laten branden. Lief vind ik dan weer iets voor mensen van zestien. Vriend wordt ingewikkeld zodra ge elkaar zonder kleren hebt gezien. En meneertje klinkt alsof ik hem op de rommelmarkt gekocht heb. Dus ik weet het eigenlijk niet. Ik weet alleen dat hij er is. En dat hij geweldig is. Zorgzaam. Grappig. Slim. Lief. Mooi. Een lot uit de tweedekansloterij. Een occasieke. Een onwaarschijnlijke herkansing van het leven. Zo eentje waarvan ge denkt: allee jong, was dat nog beschikbaar? Over hem heb ik geen klagen. Integendeel. Hij is een maatje waarmee ik oud wil worden. Echt oud. Met een rollator. Compressiekousen. Een pillendoos met vakjes voor elke dag van de week. En een verpleegster van het Wit-Gele Kruis die ons allebei tegelijk komt zeggen dat we meer water moeten drinken. Dat soort oud. En toch merk ik dat ik het moeilijk vind om te zeggen: dat is hem nu. Dat is mijn man. Niet omdat ik twijfel aan hem. Maar omdat ik blijkbaar nog altijd een beetje twijfel aan het geluk. Aan het blijven. Aan het idee dat iets goeds ook gewoon goed mag zijn. Ik voel mij soms als iemand die op bezoek is en voor alle zekerheid haar jas aanhoudt. "Want ik blijf niet lang." Terwijl ik ondertussen al lang binnen ben. Ik weet waar de koekjes staan. Ik weet hoe de koffiemachine werkt. Ik weet welke films hij al tien keer gezien heeft en toch opnieuw wil bekijken. Ik weet hoe hij kijkt als hij moe is. Ik weet hoe hij lacht. Ik weet hoe hij zwijgt. Maar ergens staat die jas nog altijd klaar. Misschien is dat wat er gebeurt als ge al eens serieus zeer hebt gehad. Ge leert dat liefde niet vanzelfsprekend is. Dat mensen vertrekken. Dat verhalen eindigen. Dat ge soms heel uw hart inzet en toch verliest. En dan wordt ge voorzichtig. Niet aan de buitenkant. Daar ziet niemand iets van. Maar vanbinnen begint ge nooduitgangen te tellen. Zoals iemand in het Sportpaleis die eerst kijkt waar hij buiten kan voor hij van het concert geniet. Niet omdat hij weg wil. Maar omdat hij gerust wil zijn dat het kan. En misschien is dat uiteindelijk wat ik nog aan het leren ben. Niet hoe ge iemand graag ziet. Dat kan ik al. Maar hoe ge uw jas uitdoet. Hoe ge ophoudt met denken aan vertrekken. Hoe ge durft geloven dat ge niet zomaar op bezoek zijt in iemands leven. Ik beken: ik heb een man. En stilaan denk ik dat het tijd is om mijn jas uit te doen. 

Katrien Daniels
226 14