Zoeken

De papieren man

Ik moest nog snel wat schoolmateriaal gaan kopen, zodat mijn zoon na de les Plastische Opvoeding met een tekening kon thuiskomen in plaats van een aantekening. Het ging om tekenpapier en een kaft. Mijn vrouw had me de details doorgestuurd in een berichtje en ook waar ik deze spullen zou vinden: in de Schleiper, een winkel in de Joodse wijk. Ik was nog nooit in deze winkel geweest, maar toen ik zag waar de gps me liet stoppen, besefte ik dat ik er natuurlijk al talloze keren voorbij was gereden. Ik zette mijn fiets tegen de gevel en maakte hem met een dik slot vast aan de tralie van een kelderraam, dat op een kier stond. Even bleef ik staan. Er steeg een rotte lucht op, oud stof en zure melk. De wind speelde met de vuilwitte resten van wat ooit gordijnen waren. Ik keek nieuwsgierig en met weerzin naar binnen, maar ik kon in de duisternis daarbinnen niets herkennen waar mijn reeds op hol geslagen fantasie een kluif aan had. De ingang was aan de achterkant. Met mijn telefoon in de hand wilde ik iemand aanspreken zodat ik snel kon vinden wat ik zocht: een blok tekenpapier van het merk Steinbach, 270 x 360 mm, gewicht: 250 gram, en een tekenkaft van 28 x 38 cm. Er stond een oude dame aan de kassa die kennelijk hardhorig was en vermoedelijk om die reden haar vriendin had meegenomen. De jongeman achter de kassa stelde een vraag over hun aankoop, maar beide dames reageerden niet. Hij herhaalde wat hij zei, luider, waarop de vriendin nu wel iets had opgepikt, maar opnieuw vroeg wat hij had gezegd. ‘WILT U EEN TASJE MISSCHIEN?’ riep de jongen uit volle borst, toch nog zijn gezicht in de plooi houdend om beleefd te blijven. Daarna herhaalde het tafereel zich tussen de hardhorige dame en haar nog harderhorige vriendin. Een andere medewerker kwam me verlossen en vroeg wat ze voor me kon betekenen. Ik toonde haar wat ik zocht en ze sprak op omineuze wijze: ‘U zal zich hiervoor naar de kelder moeten begeven’. De kelder? Waar dat vieze gordijntje hing? Ik liep in de richting die ze had aangewezen. ‘U zult op het einde van de gang een trap naar beneden zien, achter de hoek.’ Ik rekende erop binnen tien minuten weer buiten te zijn, maar ik vertraagde onderweg naar de trap mijn pas bij het zien van al dat knutsel- en tekengerief. Links en rechts van mij smeekten kalligrafiepennen, scratch art en Japanse aquarelverf om door mij gekocht te worden. Opeens wilde ik een atelier bezitten en de hele dag schilderen en tekenen. Toen ik eindelijk bij de hoek was, zag ik de trap. Per trede die ik afdaalde, klonken de geluiden van de winkel steeds gedempter en werd de geur van onbeschreven papier steeds sterker. Ik kwam in een grote ruimte die ingedeeld was in verschillende gangen. Ik moest om een of andere reden aan een kleine universiteitsbibliotheek denken. Aan de overkant zat een man, verscholen achter een opvallend laag bureau. Hij boog zich wat voorover om me te kunnen zien, maar werd gehinderd door de kasten tussen ons in. Toen ik naderbij kwam, keek hij me aan. Eindelijk is er iemand, moet hij gedacht hebben. ‘Het is hier wel heel rustig hé’, sprak ik onbevangen, tezelfdertijd bedenkend dat ik in zijn situatie altijd muziek zou opzetten. ‘Ja, meestal is het hier wel kalmer dan boven‘. Hij sprak dat laatste woord uit alsof er twee dimensies bestonden. Hij vroeg wat ik nodig had en ik toonde hem mijn screenshot. Hij wreef verlekkerd in zijn handen: hij wist waar alles stond. Ondertussen zocht ik naar dat griezelige raampje maar kon het niet vinden. Toen hij me heel gezwind de kaft en het papier had overhandigd, bedankte ik hem en vond het een beetje sneu dat ik hem nu niets meer kon vragen. Het gebrek aan een radio maakte de stilte tussen ons niet draaglijker. ‘Soms is het hier heel druk hoor!’ zei hij. Ik knikte gretig en maakte aanstalten om te vertrekken. Hij zei: ‘Misschien tot nog eens hé’. Ik wist niet goed of ik hem een hand moest geven.

Lennart Vanstaen
0 0

Serendipiteit in de kelder

Ik heb het altijd al gehad: wanneer er gewerkt wordt in mijn directe omgeving, word ook ik door die werkmicrobe gebeten. Daarom schrijf ik graag in volle cafés en koffiebars, waar mensen aan hun laptop zitten of een interessante conversatie hebben over wilde plannen. Toen ik gisteren dus met volle overgave en zonder pauze de kelder was aan het opruimen, had ik dat voornamelijk te danken aan het feit dat heden mijn dak wordt gerenoveerd. En ook wel een beetje omdat de kinderen naar Disneyland zijn met de grootouders. Ik wilde net schrijven 'Ken je dat? Je had tien jaar geleden een plan met een kamer en een hoop spullen maar er is nog steeds niets aan veranderd', maar ik dacht, wat als mijn lezers dat niet kennen? Dan ontmasker ik mezelf als schaamteloze huiseigenaar die al tien jaar niets aan zijn kelder heeft gedaan. En dat zou ook niet waar zijn. Het punt is dat ik al snel merkte dat ik rommel van de ene plek naar de andere bracht. Dat is niet opruimen, dat is rommel verplaatsen. Wanneer ik verzamelingen oude rugzakken, reisspullen, tekeningen, cd’s en hopen schoolmateriaal van de slaapkamers in de bureau had gezet, gaf me dat een euforisch gevoel. Eindelijk! Een jaar later zag ik de staat van de bureau en werd er depressief van. Dus maakte ik de omgekeerde beweging. Zo verplaatsen spullen zich telkens. Van slaapkamers naar bureau, van woonkamer naar keuken of berging en weer terug. Een verdieping lager gebeurt hetzelfde: van het keldergedeelte naar de garage, of van de garage naar het tuinkot en dan een tijd later weer naar de kelder. En het was daar dat ik gisteren was aan het zweten. Goedgeluimd en gesteund door de opzwepende ritmes van Halcyon Digest van Deerhunter, had ik al behoorlijk wat werk verzet. Bouwafval zoals stenen en halve buizen had ik vooraan gezet om de volgende dag naar het containerpark te brengen. Voor tuinmateriaal zoals tuingaas, allerlei plantenpotjes en spades voorzag ik een aparte plek. Maar het leukste aan opruimen, zeker na een lange tijd, is dat je dingen terugvindt. Zo vond ik naast tientallen spinnen ook een plat bordeaux schaaltje dat uitstekend kon dienen als asbak voor mijn rokende vrienden die ik vaak een geïmproviseerd exemplaar moet geven. Ik vond ook enkele cd’s van een handboek Nederlands voor anderstaligen uit 2019 en honderden geplastificeerde didactische kaarten met overdreven emoties (bang, moe, triest), de delen van een Vlaamse woning met verdacht veel kamers (de berging, het balkon, de tuin, de garage, het terras, de kelder, de zolder, de woonkamer, de eetkamer…) en de ongelooflijke variëteit aan activiteiten van de Belg (opa leest een krant, moeder strijkt de was, Jan speelt voetbal). Toen ik de barbecue aan het afstoffen was – ik was ook helemaal vergeten dat ik er een had want we barbecueën nooit – vond ik een verkleurd papier onder het deksel. ‘Bedankt voor je bestelling, Gilbert Vanstaen, we gaan meteen voor jou aan de slag!’ Is het toeval dat ik dit vond net na wat ik enkele dagen geleden heb geschreven? Volgende week doen we barbecue.

Lennart Vanstaen
1 0

Mr. Bean en ik

Plots verscheen Mr. Bean op de Deense hotel-tv. In koor riepen mijn kinderen enthousiast zijn naam. Alsof je in een ver, vreemd land opeens een stuk Belgische chocolade ziet liggen in de rekken van een lokale krantenboer. Wanneer de aflevering uit was, klonk de droevige eindgeneriek. Dat pakt me altijd. Dan word ik meteen naar mijn jeugd gekatapulteerd, op de bruinleren divan van mijn grootvaders villa in ’s-Gravenwezel. Mijn grootvader was een man van vele talenten. Hij had lang voor ESSO gewerkt en voer als kapitein zijn hele leven naar Afrika op grote schepen. In zijn typische jaren ‘70 villa hingen dan ook allerlei maritieme parafernalia, zoals zonnewijzers, scheepsknopen, kompassen en uiteraard foto’s van zijn schip, De Mercator. Hij mocht daar gretig over vertellen, maar deed ook uit de doeken hoe kwik in een thermometer werkte of hoe je eigenhandig een binnenzwembad graaft. Het maakte niet uit wat het was, ik wilde graag alles begrijpen. We gingen niet vaak op bezoek, een aantal keer per jaar. Ik herinner me vrijwel nooit slecht weer, dus ik vermoed dat we vaker in de lente of zomer gingen. Wat ik als kind leuk vond, was dat onze bezoekjes in ’s-Gravenwezel altijd op dezelfde manier verliepen. Wanneer we arriveerden, stonden dezelfde hapjes klaar: kaasblokjes met mosterd, mini-uitjes en augurkjes, kerstomaatjes, schijfjes chorizo, druppelpaprika en natuurlijk kaviaar. Eerst dronk ik cola of ice-tea, later champagne. Na deze amuse-bouche stak hij plichtsbewust de barbecue aan, waarnaar veel aandacht uitging. Wat valt er nu telkens weer te zeggen over hete kolen, dacht ik. Later vermoedde ik dat het een ijsbreker vormde tussen hem en zijn zoon. Als de barbecue eenmaal op gang was, en wij waren uitgevoetbald, stonden we al als katten aan de glazen deur van het zwembadhuis te krabben, dat achteraan in de tuin stond. Daarbij moest en zou mijn grootvader ons eerst informeren over de water- en omgevingstemperatuur, die hij in het woonhuis kon aflezen. Rond 16u gingen we aan tafel. Ik vond dat vreemd. ‘Opa eet gewoon vroeger, omdat hij vroeger gaat slapen en vroeger opstaat. Veel oudere mensen doen dat zo. Elke ochtend om 6u zwemt hij voor het ontbijt’, zei mijn moeder.   Er volgde steevast ijs met fruit (vanille of mokka) waarna de volwassen mensen nog wat zouden napraten bij de koffie. Soms gingen we weer voetballen, maar vaker vroegen we om tv te kijken. ‘Deze keer moet jij het vragen’. Een van ons drie trok aan het kortste eind. Wie verloor, durfde ook wel eens zeggen: Lennart wil iets vragen, opa.’ Op Ketnet was er op dat uur meestal niets meer te zien dat mijn jongste broer ook leuk vond. Daarom vroegen we om een film. Maar opa had geen tekenfilms, alleen Mr. Bean. ‘Ken je dat niet? Dat is heel grappig.’ Mijn moeder gaf haar goedkeuring. Al snel werd het me duidelijk dat Mr. Bean ook vaak niet leek te begrijpen hoe de zaken in elkaar zaten. Routine en voorspelbaarheid gaven hem houvast. Hij dacht over de dingen na op een andere manier. Hij deed niet zomaar wat iedereen deed. Ik vond dat inspirerend, of hoopgevend. Ook al lachte iedereen hem uit. Over de begin- en eindgeneriek (een soort zoeklicht schijnt vanuit de hemel op een verlaten straat in Londen en een seconde later valt Mr. Bean als een afgedankte alien uit een UFO), had ik toen veel vragen. ‘Mr. Bean is een alien, iemand van een andere planeet’, verklaarde mijn moeder. Iemand van een andere planeet. Dat zeiden mijn ouders ook wel eens tegen mij. Mensen vroegen of ik soms van een andere planeet kwam wanneer ik weer eens iets vreemds deed. Sindsdien heb ik te doen met Mr. Bean. Maar het engelengezang brengt troost. Ook al zingen ze letterlijk: ‘Hier is de man, die een boon is.’

Lennart Vanstaen
0 0

Pompoenmensen

Vandaag wil ik het hebben over de pompoen. Ja, de pompoen. Want een courgette, daar valt weinig over te vertellen. Een courgette kent haar plaats. Mes erop, schijfjes, klaar. Een tomaat geeft zich zelfs iets te gemakkelijk. Een champignon kunt ge met één hand klein krijgen. Maar een pompoen? Een pompoen is een middeleeuws fort. Ge snijdt hem niet. Ge neemt hem in. Hij ligt op uw aanrecht, rond en ongenaakbaar, met denkbeeldige kantelen en een slotgracht errond. Ge haalt uw grootste mes boven. Dat mes waarvan ge bij het uitpakken dacht: waarvoor heeft een normaal mens dit nodig? Hiervoor dus. Ge zet de punt erin. Duwt. Wringt. Vloekt. Op den duur hangt ge met uw volledige lichaamsgewicht boven het aanrecht, in een houding waarvan uw kinesist later zal zeggen dat het zo niet bedoeld is. De pompoen geeft geen krimp. Ik vermoed zelfs dat hij ervan geniet. En dan heeft hij ook nog een imagoprobleem. Vanaf oktober wordt de pompoen collectief veroordeeld tot twee carrières: soep of Halloween. Ofwel koken we hem plat, zetten er de staafmixer in en gieten er room bij. Ofwel hollen we hem uit, geven hem drie driehoeken en een slecht gebit en zetten hem aan de voordeur. Wat een vernedering. Heel uw zomer hebt ge op een veld liggen rijpen. Zon gepakt. Regen doorstaan. Met uw gat in de aarde gelegen. Vol smaak en grootse plannen. Komt er iemand met een Action-mesje ogen in u snijden. Terwijl er zoveel meer in zit. Ge moet er alleen door geraken. Want de pompoen heeft iets van een grumpy old man. Zo eentje die de wereld met enig wantrouwen bekijkt en niet van plan is daar voor uw plezier verandering in te brengen. Een mening heeft hij altijd klaar. Liefst kort, krachtig en zonder overbodige verpakking. Nuance wordt beschouwd als tijdverlies, diplomatie als een overbodige luxe. Ge kunt daartegen argumenteren, maar ge kunt evengoed tegen een pompoen beginnen praten. Die luistert ongeveer even aandachtig. En op zo'n moment denkt ge: waarom heb ik in godsnaam niet gewoon een courgette gekocht? Toch zit er iets fascinerends in dat stugge karakter. Niet alles moet onmiddellijk toegankelijk zijn. Sommige dingen hebben nu eenmaal een dikke schil, een eigen gebruiksaanwijzing en weinig belangstelling voor uw goede bedoelingen. Ge kunt blijven duwen, trekken en peuteren, maar daar wordt niemand zachter van. Integendeel. Voor ge het weet gaat de ophaalbrug omhoog en staat er boven op de kantelen kokende olie klaar. Ge moet weten waar de kleine poortjes zitten. Een pompoen moet ge roosteren. Olijfolie. Peper. Zout. Tijm. Rozemarijn. Een beetje masseren. Niet te bruusk. De oven in. En wachten. De randen worden donker en kleverig. De suikers karamelliseren. Het vruchtvlees wordt zacht en zoet. Aards. Nootachtig. Warm. Pompoen smaakt naar grond waar de zon nog in zit. De laatste jaren ben ik van die aardse smaken gaan houden. Paddenstoelen. Knolselder. Boter die bruin mag worden. Pompoen met zwarte randjes. Smaken die niet meteen hun beste beentje voorzetten, maar langzaam binnenkomen en blijven hangen. En ik hou ook van mensen die zich niet zomaar laten kruiden. Die niet bij de eerste kennismaking hun volledige binnenkant op tafel gooien. Geen grote verklaringen, geen emotionele ontboezemingen en al zeker geen demonstraties van kwetsbaarheid op een bergtop in een linnen broek. God verhoede. Soms zit de zachtheid in iets kleins. Een onverwachte grap. Een ogenblik van aandacht. Een gebaar dat nergens om vraagt. Een beetje warmte die er plots blijkt te zijn en even snel weer verdwijnt, alsof iemand vergeten was de ophaalbrug op te halen. En dan denkt ge dat ge binnen zijt. Dat ge de slotgracht overgestoken hebt en eindelijk aan de andere kant van die vervloekte muur geraakt zijt. Maar zo eenvoudig is het natuurlijk niet. Want soms staat ge daar met al uw goede bedoelingen, uw geduld, uw olijfolie en uw grootste mes en geraakt ge nog altijd geen centimeter verder. Ge kunt masseren tot uw armen eraf vallen, kruiden tot ge naar een Provençaalse markt ruikt en wachten tot de oven het begeeft. Maar een pompoen die niet wil, die wil niet. En op den duur moet ge u toch eens afvragen of al dat gewrik nog wel de moeite loont. Of ge niet meer energie in dat oranje kreng steekt dan ge er ooit aan smaak zult uithalen. Want niet achter iedere dikke schil zit goudgeel vruchtvlees. Soms zit er gewoon een heleboel niks achter. Of iets wat zo bitter is dat zelfs een halve kilo boter er geen redden meer aan heeft. En misschien is dat ook iets wat ge moet leren. Dat ge niet alles moet openbreken. Niet iedere ophaalbrug moet neerlaten. Niet iedere grumpy old man moet ontdooien. Sommige smaken hebben tijd nodig, maar tijd alleen maakt iets nog niet lekker. Sommige pompoenen moet ge gewoon pompoen laten. Die vragen erom tot een smakeloze soep gemixt te worden. Of uitgehold, met drie driehoeken en een mottig gebit aan de voordeur gezet te worden. Een beetje assorti met plastieken doodskoppen en chemische spinnenwebben. Ge houdt die echt letterlijk beter buiten.

Katrien Daniels
54 3