Zoeken

Metamorfose: verander de wereld,  begin bij je zelf

Ik begon het nieuwe jaar met ‘word jezelf’,dus waste ik mezelf schoon van oude namen,schreef mijn angsten op briefjes, verbrandde ze als offers aan de god van ‘persoonlijke groei’ en hing in mijn kledingkast alleen neutrale tinten:beige voor de ziel, grijs voor de toekomst, zwart voor wat ik niet durfde uit te spreken. Ik stond om vijf uur op, niet uit discipline, maar omdat slapen steeds meer voelde als een belofte die mijn lichaam niet kon houden. Ik dronk citroenwater met mindfulness, terwijl mijn gedachten als ratten aan de binnenkant van mijn schedel knaagden: Ben je genoeg? Ben je genoeg? Ben je… Jij kwam in de lente, met handen vol citaten over ‘voorbestemde ontmoetingen’.We bouwden een liefde van Pinterest-quotes en avonden waarin we ‘geen telefoons gebruikten’. Je zei: Je verdient iemand die je ziel ziet.Maar toen je keek, zag je alleen wat ik had gecureerd: een museum van glimlachen zonder tanden, een tuin waar niets bloeide, maar alles ‘netjes’ was. We probeerden ‘less is more’. Dus gooiden we emoties weg die niet pasten in onze minimalistische relatie. Geen ruzie, geen tranenalleen een stilte die zo dik werd dat we erin vastliepen, alsof het tapijt onder ons was veranderd in beton. Toen zei je: “Groei gebeurt buiten je comfortzone.”Dus stapte ik naar buitenmaar buiten was alleen regen en een wereld die niet wist dat ik bestond. Ik probeerde grenzen te stellen, maar mijn ‘nee’ klonk als een blad dat van een dode boom viel: zacht, onopgemerkt, nutteloos. Op een nacht, om 3:33 uur, zei je: “Misschien moeten we stoppen met proberen te redden wie niet gered wil worden.” Ik knikte. Want ik wist: jij bedoelde mij. Maar ik bedoelde jou. En misschien bedoelden we allebei onszelf. Nu woon ik in een appartement dat perfect is voor Instagram: licht, luchtig, levenloos. Mijn avondroutine eindigt altijd met hetzelfde gebaar: ik kijk in de spiegel en vraag niet meer wie daar staat. Ik zeg gewoon: “Goed gedaan. Je hebt de dag weer overleefd.”Alles op zijn plek. Zelfs mijn afwezigheid.

Merlijn
0 0

Het Julesboek

Lief herstelt van de griep. Gedachteloos begint ze aan de dringende klusjes. Terwijl ze een bord in de vaatwasser zet, dwaalt haar blik naar het raam. De zon valt precies zoals toen, die middag dat hij haar belde vanuit Nairobi. Jules. Ze glimlacht flauwtjes bij de herinnering aan zijn stem, warm, een tikje hees, altijd een beetje gehaast. Na zijn reis naar Kenia had hij gebeld: hij lag in het ziekenhuis met een longontsteking. Ze had hem toen gezegd dat hij beter voor zichzelf moest zorgen. Daarna hadden ze nog één keer kort contact. Sindsdien bleef het stil. Geen telefoontje. Geen teken van leven. Zoals altijd wanneer hij te lang niets van zich laat horen, voelt ze de neiging om zijn naam te googelen.  Een lichte onrust kruipt onder haar huid. Het is niet de eerste keer dat hij verdwijnt, maar dit voelt anders. Zonder erbij na te denken opent ze haar computer en tikt ze zijn naam in. De eerste links zijn vertrouwd: sociale media, zijn bedrijf. Dan valt haar oog op een link naar een begrafenisondernemer. Ze aarzelt. Klikt. Zijn gezicht verschijnt op het scherm, de glimlach die ze zo goed kent. Onder de foto twee datums: de eerste is zijn geboortedag en de tweede? Een duisternis opent zich in haar hoofd. NEE! Dat kan niet. Dat mag niet. De geluidloze kreet vult haar lichaam. Maar de rouwbrief laat geen ruimte voor twijfel: hij is dood. En de uitvaart heeft al plaatsgevonden. Haar mentor, haar geliefde: gestorven. ... Ze plant het al weken, maar het lukt haar slechts vandaag. Ze opent het schrift dat ze Het Julesboek noemt. Het ligt geduldig te wachten. Ze wil schrijven, in de hoop dat het helpt. Misschien doet het dat niet. Maar ze verlangt ernaar om terug te gaan naar wat er was. Naar hem. Naar alles. Ze is moe. Onzeglijk moe. En toch, ze moet het doen. Waarom? Dat weet ze niet. Of misschien wel: omdat ze bang is dat het anders verdwijnt. Bang om verder te gaan zonder hem. Tweeënveertig jaar lang was hij er altijd, aan de andere kant van de telefoon, in haar dagen, in haar toekomst. Nu alleen nog in haar geheugen. Ze begint Het Julesboek met haar dierbaarste herinnering. Ze aarzelt, maar weet: dit is het juiste vertrekpunt. Tijdens de zomer van het vorige jaar bleef haar telefoon lang stil. Ze had het er moeilijk mee. De gedachte dat er iets kon zijn gebeurd, benauwde haar dan. Toen ze hem vertelde dat ze dacht uit zijn gedachten te verdwijnen, antwoordde hij: ‘O, maar dat zal nooit gebeuren. Je bent een deel van mijn leven!’ Ze hoorde het in zijn stem: warm, breekbaar, oprecht. Ze schrijft het op, langzaam, want elke letter is heilig. Die ene zin is het mooiste wat hij haar ooit heeft gezegd, en tegelijk de laatste uiting van genegenheid die ze van hem zal krijgen. Ze leest de zin opnieuw, fluistert hem in de hoop hem zo weer terug te roepen. ... Plots lawaai op straat – een claxon, stemmen die elkaar luid toeroepen – doet haar opschrikken uit haar gedachten en haar blik valt op zijn foto met de hond. Ze vond die foto, niet op zijn Facebookaccount dat zijn vrouw beheerde, maar op de LinkedInpagina van zijn bedrijf. Ze vermoedt dat hij die zelf heeft geplaatst, een beeld dat hij koos en koesterde. Waarschijnlijk is hij gemaakt net voor hij zijn hond, die aan kanker leed, liet inslapen. De straatgeluiden vervagen als zijn blik haar raakt: somber, door verdriet getekend. Het is geen pose, geen officiële weergave voor de buitenwereld, maar een weergave van de man die zij werkelijk kende. Veel meer dan de gladde foto op het rouwbericht toont dit beeld de ware Jules: ernstig, zwaarmoedig, en onmiskenbaar zichzelf. Hij kijkt haar aan. Alleen haar, alsof hij bij haar steun en troost zoekt voor de pijn.  Ze houdt van die foto. Misschien omdat hij niets verborg, geen rol speelde, maar zichtbaar, één laatste keer, zijn hond die hem dierbaar was, koesterde. ... Sinds ze het schrift begon te vullen, sluipt er langzaam vrede in haar. En dan, onverwacht, droomt ze voor het eerst sinds zijn dood over hem. Ze zijn in een station. Ze staan dicht bij elkaar, hand in hand. Hij vertrekt. Ze wil hem nog een kus geven, maar hij weigert, zonder verklaring, alleen die afwijzing. Hij verdwijnt in de mensenmassa, maar hun handen blijven verstrengeld. Als ze wakker wordt, is ze niet triest. Maar nu ze eraan terugdenkt, rollen de tranen over haar wangen. Hun verstrengelde handen voor een band die zelfs zijn dood niet kan verbreken. De geweigerde kus voor alles wat onuitgesproken is gebleven, voor het ongrijpbare en het treurige in hun relatie. Er is zoveel ongezegd, onbegrepen en onbevestigd gebleven. Zoals dat moment van afwijzing bij een afscheid, juist zoals in haar droom. Ze wilde hem omarmen, maar hij duwde haar resoluut weg, zonder uitleg. En zij, uit trots of uit gewoonte, stelde geen vragen. Hij gaf zelden uitleg. Misschien dacht hij dat zwijgen volstond, dat zij hem ook wel begreep. ‘Je intuïtie is goed.’ Maar dat was niet genoeg, niet altijd. ... Ze slaat Het Julesboek open. Even blijft haar pen boven de bladzijde hangen. Dan schrijft ze, niet over zijn dood, maar over hoe hij ooit in een restaurant sprak met een ober die zichtbaar stotterde, zonder één keer ongeduldig te worden.  Eerst vreest ze dat de bron snel zal opdrogen, dat ze te weinig van hem weet om een heel schrift te vullen. Maar de herinneringen dienen zich ongevraagd aan. Een vleugje van een bepaalde geur, een liedje op de radio dat ze jaren niet heeft gehoord, of het ritme van een voorbijganger; het zijn kleine haakjes waar een heel beeld aan vasthangt. Ze noteert ze zorgvuldig, met een bijna religieuze precisie. Ze herinnert zich hoe hij de rechterkant van het bed opeiste, de eerste keer al, alsof die plek altijd al op hem had gewacht. Hij hield van blauw, de kleur van de diepzee en de avondlucht, al zag ze hem er zelden in. Zelfs de kleur van zijn auto was niet van hem; die keuze had hij aan zijn vrouw gelaten, een compromis dat hij nooit hardop toelichtte. Voor haar bleef blauw aan hem kleven, een echo van de blauwe oliejas en sjaal waar ze als tiener van droomde. Zijn auto was zijn tweede thuis, een rijdend eiland van privacy en vrijheid. Als hij haar onderweg belde, hoorde ze op de achtergrond vaak Radio Nostalgie. Op regenachtige dagen vormden de ritmische, droge tikken van de ruitenwissers de soundtrack van hun gesprek. Het was een geluid dat haar maag deed samentrekken; ze hoorde de snelheid van de wagen in de herhaling van de slag, de kwetsbaarheid van zijn bestaan op dat natte asfalt. Hij kon urenlang genieten van de absurde kronkels van Kamagurka, maar bleef onvermurwbaar nuchter als het op lichamen aankwam. ‘Zonde om te beschadigen,’ zei hij over tatoeages, terwijl hij met een afkeurende blik naar een voorbijganger keek. Ze ziet zijn gezicht weer voor zich: die eigenwijze trek om zijn mond, de nuchterheid die haar soms irriteerde, maar haar ook rust gaf. Officieel interesseerde voetbal hem niet, maar ze glimlachte toen ze hem eens betrapte. Terwijl ze tegenover hem zat, zag ze zijn ogen over haar hoofd naar de televisie glippen. Toen Zidane scoorde, bevroor hij; hij hield even op met kauwen, zijn aandacht volledig opgeëist door de herhaling van het doelpunt, totdat hij besefte dat ze naar hem keek. Met chocolade en kreeft kon ze hem verleiden, al vermoedde ze dat de kreeft vooral zijn hang naar status streelde. Eigenlijk hield hij meer van paling in ’t groen, biechtte hij ooit op. Luikse wafels vond hij een volwaardig ontbijt. De lege verpakkingen bleven meestal dagen op de achterbank liggen. ... Ze had gedacht dat het verdriet zacht zou uitdoven, als een lamp die langzaam minder licht geeft. Maar soms komt er iets anders onder vandaan. Geen verdriet. Geen verlangen. Wel woede. Het overvalt haar onverwacht. Terwijl ze boodschappen doet. Terwijl ze een glas afdroogt. Terwijl ze in bed ligt en naar het plafond staart. Dan voelt ze het plots in haar borst omhoogschieten: een harde, hete golf. Hoe heeft hij haar zo kunnen achterlaten? Niet door te sterven, daar kon hij niets aan doen, maar door niets achter te laten. Geen bericht. Geen naam van een vertrouwenspersoon. Geen brief. Geen enkel teken dat zei: als er iets gebeurt, laat haar weten dat ze belangrijk was. Alsof zij moest verdwijnen op hetzelfde moment als hij. Ze probeert mild te blijven. Ze weet hoe bang hij was voor confrontaties, voor ingewikkelde emoties, voor alles wat mensen dwingt kleur te bekennen. Maar soms denkt ze: nee. Nee, dit was niet alleen angst. Dit was ook lafheid. Hij liet haar achter in een niemandsland. Zijn vrouw kreeg bloemen, rituelen, steunbetuigingen, een overlijdensbericht. Zijn dochter kreeg herinneringen die openlijk gedeeld mochten worden. Zijn vrienden spraken over zijn verdiensten. Zelfs verre kennissen mochten zeggen dat ze hem misten. En zij? Zij moest doen alsof er niets was gebeurd. Alsof de man die haar jarenlang had opgebeld, vastgehouden, gekust, beluisterd, nooit werkelijk had bestaan. Dat onrecht brandt soms feller dan het gemis zelf. Ze begrijpt nu waarom geheime geliefden in romans zo vaak eindigen als schimmen. Niet omdat hun liefde minder echt was, maar omdat niemand hun verdriet wil erkennen. De wereld verdraagt het bestaan van zulke relaties zolang iedereen zwijgt. Maar zodra er gerouwd moet worden, vallen ze buiten het verhaal. Terwijl ze weet hoe vaak zulke liefdes voorkomen. Niet alleen vluchtige affaires of bedrog uit verveling, maar hechte verbondenheid. Mensen die elkaar vinden op een plek waar hun leven tekortschiet. Mensen die jarenlang een tweede waarheid meedragen naast hun officiële bestaan. Ze heeft het rondom zich gezien, vaker dan mensen durven toe te geven. Er wordt over gefluisterd, nooit openlijk gesproken. Alsof liefde alleen waardigheid verdient wanneer ze administratief correct is. Dat maakt haar kwaad. Alsof haar verdriet minder zuiver zou zijn omdat hij een trouwring droeg. Alsof zorg, tederheid, verlangen en intimiteit alleen tellen binnen de grenzen die anderen aanvaardbaar vinden. Ze loopt door de woonkamer terwijl de woede door haar heen jaagt. Haar adem zit hoog. Ze blijft staan bij zijn foto. ‘Je had me niet zo mogen achterlaten,’ zegt ze, hardop nu. De woorden blijven in de kamer hangen. Voor het eerst slikt ze hen niet terug in. En toch voelt haar boosheid niet eenvoudig. Want onder dat alles blijft liefde liggen. Dat maakt het juist zo moeilijk te dragen. Ze kan hem niet haten. Zelfs in haar woede beschermt ze hem. Ze gaat zitten en kijkt opnieuw naar zijn gezicht. Misschien, denkt ze, is dat het laatste wat ze nog moet leren: dat liefde niet verdwijnt wanneer woede verschijnt. Dat beide naast elkaar kunnen bestaan. Zoals verdriet en dankbaarheid. Zoals gemis en opluchting. Ze ademt diep in. Ja. Ze is boos op hem. Maar misschien nog het meest op een wereld waarin iemand intens bemind kan worden en toch officieel niemand blijkt te zijn. ... De wekelijkse markt golft van de mensen, badend in het zonlicht. De lucht ruikt naar vers fruit, warme wafels en het zoute spoor van kazen. Ze wandelt erdoor, geen haast in haar tred, geen lijstje in haar hand, enkel groenten en wat kaas; meer vraagt de dag niet van haar. Dan vangt haar oog terloops iets op: ‘Gratis koffie tot 11 uur.’ De woorden staan op een wit bord naast een foodtruck. Ze glimlacht. Waarom niet? De geur van gemalen bonen omarmt haar. Even later staat ze, met een dampende cappuccino in de hand, aan een partytafel. Ze neemt een slok. Het schuim blijft even aan haar bovenlip hangen. Ze lacht, een diep lachje van binnenuit. Een paar voorbijgangers vangen dat lachje op en geven haar er één terug. Slok na slok drinkt ze haar beker leeg. Met een zucht van genoegen dumpt ze hem en wandelt verder naar de kaaskraam.  De zon speelt over haar vingers. Wanneer ze later, met haar tas halfvol, haar straat inloopt, valt de stilte weer om haar heen. Ze merkt dat ze haar schouders minder hoog optrekt. Ze blijft even staan kijken naar een vrouw die haar hond uitlaat. Wanneer ze verder stapt, hoort ze in het ritme van haar voetstappen haar eigen hartslag, rustig en vastberaden. ... Ze wandelt langs het water tot ze bij een bankje komt. Ze gaat zitten en sluit de ogen. Eindelijk rust, vanbinnen en vanbuiten. Het voert haar terug naar die keer toen ze hier ook zat. In de verte zag ze een groepje mensen naderen. Jules! Ze herkende zijn korte, blonde haar en zijn manier van stappen. Gedachten schoten door haar hoofd. Moest ze omkeren, zich verstoppen, of gewoon blijven zitten en hem en zijn gezelschap negeren? Ze hoopte dat hij het was, en vreesde het tegelijk. Toen de groep haar passeerde, zag ze dat hij het niet was. De dubbelganger groette vriendelijk. Haar benen voelden slap aan. De teleurstelling stak feller dan de verademing. Nu ze opnieuw op dat bankje zit, voelt ze vooral opluchting. Om hem voorbij te laten gaan, zomaar alsof hij niets betekende, dat zou ondraaglijk zijn geweest. En hij? Ze beseft hoe beheerst hij zou hebben gegroet, hoe hij gewoon zou zijn doorgelopen. Dat inzicht snijdt vlijmscherp, maar ze vlucht niet langer voor de pijn. ... Ze sluit Het Julesboek af en laat haar hand nog even op de kaft rusten.  Ze schreef hoe haar begrip groeide, langzaam maar zeker, en begreep wie hij voor haar was. Wat haar geheugen haar misschien ooit zal ontnemen, heeft ze nu vastgelegd. Onwillekeurig vraagt ze zich af wat hij van haar herinneringsboek zou hebben gevonden. Ze weet wel dat hij het nooit zal lezen, maar de vraag blijft hangen. Zou hij zich herkennen? Of zou hij zijn wenkbrauwen fronsen en zeggen: ‘Wat haal jij je toch allemaal in je hoofd?’ Ze heeft geen antwoord. Het beeld dat zij van hem draagt, is genoeg. De bladzijden zijn gevuld met fragmenten: zinnen die ze hem hoorde zeggen, momenten die ze samen beleefden, gedachten die pas na zijn dood vorm kregen. Sommige passages zijn helder, andere rafelig. Maar ze zijn van haar. Ze haalt diep adem en houdt het boek dat ze alleen voor zichzelf bedoelde losjes in haar handen. Maar nu voelt ze iets verschuiven. Misschien mag het ook zichtbaar worden. Niet voor iedereen, maar voor wie het wil openen. Ze herleest de passage over hun eerste ruzie. Hoe hij haar aankeek met dat scheve lachje: ‘Onze eerste ruzie.’ Ze glimlacht terug, nu, alleen. Dan legt ze het boek rustig neer. ...

Hildegarde
0 0

De kunst van het loslaten

Eind juli 2002 werd hij geboren. Mijn eerstgeborene. Mijn eerste vruchtje. Mijn Betterfoodkindje. Mijn volmaakt zelfgemaakt gelukje. Meer dan vier kilo zwaar en vijfenvijftig centimeter lang. Hij was bij de geboorte precies al half vertrokken in het leven. Alsof hij onderweg gedacht had: kom, ik neem ineens een voorsprong. We gaven hem een naam die klonk als een grote, stevige beer. En dat werd hij ook. Groot. Een hoog knuffelgehalte. Geen kerel die ge zomaar omver blaast. Eerder eentje waarvan ge denkt: die trekt zijn plan wel. En dan begon het. Van wieg naar maxi-cosi. Van de kleine schuifaf in de veranda naar juf Frieda. Van een vuilgeravotte speelclubber die met grasvlekken, schrammen en modder thuiskwam, naar leider van een hele bende kinderen die nu naar hem opkijken zoals hij vroeger naar zijn leiders opkeek. En ergens tussen al die gewone dagen groeit een kind op. Dat is misschien nog het strafste van heel het verhaal. Ge ziet het niet gebeuren. Ge denkt dat ge nog alle tijd van de wereld hebt. Dat die kleine hand altijd in de uwe zal passen. Dat ge nog jaren boterhammen zult smeren, turnpantoffels zult zoeken en boterhamdozen uit schooltassen zult vissen. Tot ge op een dag beseft dat ge eigenlijk al een hele tijd naar een volwassen mens zit te kijken. Ik denk dat ik dat zelf pas voor het eerst doorhad bij de huisarts. Hij zal een jaar of veertien geweest zijn. Griep. De dokter vroeg of ik hem al een paracetamol had gegeven. "Ja," zei ik. "Een vijfhonderdje." Hij keek eens naar hem. Dan naar mij. En hij begon te lachen. "Katrien," zei hij. "Hij is ondertussen een kop groter dan gij. Ik denk dat hij gerust een duizendje aankan." Aja. Juist. Dat was dus ongemerkt gebeurd. Hij was groter geworden dan zijn moeder. En nu zijn we eind juli 2026. Net als vierentwintig jaar geleden voelt het een beetje alsof we in verwachting zijn. Niet van een baby deze keer, maar van een nieuw hoofdstuk. Plots gaat het thuis niet meer over tutjes en pampers, maar over IKEA-meubels. Over een bed en een matras. Over glazen, borden en bestek. Over handdoeken, een vuilnisbak en een droogrek. Ge staat ineens met een winkelkar vol dingen waarvan ge nooit gedacht had dat ge die ooit cadeau zou doen. Een vergiet. Een wc-borstel. Een afdruiprek. Een snijplank. Een emmer. Volgende maand trekt mijn eerstgeborene de deur achter zich dicht. Niet voorgoed, gelukkig. Maar wel om zijn eigen leven te beginnen. Ze zeggen dat opvoeden loslaten is. Ik weet eigenlijk niet of dat waar is. Ik denk dat opvoeden vooral hopen is dat ge genoeg hebt meegegeven. Niet alleen de grote dingen. Waarden en normen, liefde en respect. Maar ook de kleine dingen. Dat hij weet hoe een wasmachine werkt. Dat ge witte was niet bij rode steekt. Dat ge een pan niet met een mes uitkrabt. En voor de rest... Voor de rest trekt hij zijn plan wel. Dat deed hij eigenlijk altijd al. Ik ga mij daar ook wel in moeten oefenen.   Maar ik ga hem toch nog één keer bellen. Gewoon om te vragen of hij ook aan een pepermolen gedacht heeft.

Katrien Daniels
34 3

Lenn en zijn bord spaghetti

Ik ben op kamp. Mijn vijftiende kamp ondertussen.  Vijftien kampen, dat wil zeggen massa’s gehakt en ajuinen. Hoeveel kilo precies weet ik niet, maar vermoedelijk genoeg om een bescheiden frituur een jaar draaiende te houden. Het betekent elk jaar minstens één plakker door een iets te enthousiast mes en minstens twee brandwondjes door opspattend bakvet. Vijftien jaar ervaring heeft mij op culinair vlak veel geleerd, maar blijkbaar nog altijd niet dat heet vet echt heet is. Vijftien kampen zijn ook vijftien jaar anekdotes. Kamphuizen waarvan ge de kampbaas ondertussen kent. Kringwinkels in godvergeten dorpen waar ge binnenstapt voor iets wat ge écht nodig hebt en buitenkomt met een gordijn dat perfect dienst kan doen als tafellaken en een koffiemok met Wild Animal erop. Er zijn keukens geweest waarin ge met drie mensen tegelijk uw gat niet kon keren en toch voor een kleine volksverhuizing moest koken. Afwasbergen waarop een bekende bergbeklimmer spontaan zijn stijgijzers zou hebben aangetrokken. Regenweken, hittegolven, vergeten ingrediënten en maaltijden die door een kleine culinaire interventie plots een totaal andere naam kregen dan oorspronkelijk op het menu stond. En er waren chirojongen. Heel veel chirojongens. Sommige passeren een paar jaar door uw kampkeuken en verdwijnen daarna weer uit beeld. Andere blijven hangen. Lenn bijvoorbeeld. De grote Lenn, moet ik tegenwoordig zeggen. Hij was helemaal geen Chirojongen pur sang. Hij werd nen echten toen hij een jaar of tien was. Ik weet dat nog omdat ik hem op zijn eerste kamp zag passeren met een bord spaghetti. Dat is mijn eerste echte beeld van Lenn. Geen grootse entree. Geen tromgeroffel. Gewoon een manneke met een bord spaghetti. Later bleek hij ook nog probleemloos te geloven dat we op dag twee spruiten zouden eten. Uiteraard. Voor het slapengaan passeerde hij nog heel even stiekem op mijn schoot. Niet te lang. Ge waart tenslotte op kamp en er was een reputatie hoog te houdenm Daarna werd Lenn groter. Op een bepaald moment zat hij niet meer stiekem op mijn schoot, maar stond hij naast mij aan de afwas en keelden wij samen 'Als ze lacht'. De afwasborstel als microfoon, de kampkeuken als Sportpaleis en een publiek dat vooral niet weg kon omdat de borden nog vuil waren. Nog wat later kwamen de meisjes. En dus ook de gesprekken over de liefde. Ik leerde Lenn de geheimen ervan. Ik had daar blijkbaar verstand van. Zo leerde ik hem dat ge met schaarste ook liefde kunt oogsten. Dat hij zijn lief dus vooral niet té veel brieven moest schrijven. Doseren, Lenn. Een beetje mysterie. Ge moet een mens ook de kans geven u te missen. Ik verkondigde dat met het gezag van een vrouw die duidelijk alle geheimen van de menselijke liefde had ontsluierd en toevallig op dat moment kilo’s ajuinen stond te snijden in een kampkeuken. En nu is Lenn bijna leider. Volgend jaar. Samen met de andere lieverds van zijn groep. En dan kijk ik hier rond en loopt er ineens weer een kleine Lenn. Een andere Lenn. Op zijn eerste kamp. Hij komt zijn bord spaghetti halen en deelt mij plagend mee dat die van zijn eigen moeke lekkerder is. Uiteraard. Ik kijk naar hem en ineens zie ik ze allebei. De grote Lenn met zijn spaghetti van toen. De kleine Lenn met zijn spaghetti van nu. De ene staat op het punt leider te worden. De andere moet nog ontdekken wat kamp eigenlijk is. Hoe lang een week kan duren. Welke liedjes ge uit volle borst moet meebrullen. Welke verhalen ge later honderd keer opnieuw zult vertellen en waarom eten op kamp nooit zo lekker is als dat van uw eigen moeke. Ergens tussen die twee Lenns liggen al die jaren. De spruiten die er nooit kwamen. Een schoot voor het slapengaan. 'Als ze lacht' boven een berg vuile afwas. Liefdesbrieven die met mate verstuurd moesten worden. En heel veel spaghetti.

Katrien Daniels
87 1

Gepasseerde stations

Spijt, dat is een vreemd woord. Het spijt me. Ik heb er spijt van. Spijtig dat. Drie keer ongeveer hetzelfde en toch telkens een heel ander gewicht. Soms is spijt een station waar ge liever nooit waart uitgestapt. Een bruut woord dat eigenlijk niet gezegd moest worden. Een deur die ge iets te hard hebt dichtgeslagen. Iemand die ge pijn hebt gedaan terwijl ge die mens net graag zag. Een verdriet dat ge nooit helemaal hebt uitgepraat omdat ge dacht dat er later nog wel tijd voor zou zijn. En soms is spijt net het omgekeerde: een station waar ge níét zijt uitgestapt. Ge ziet het nog liggen als ge achteromkijkt. Dat jaar dat ge toch niet naar het buitenland ging. Die grote liefde die misschien een grote liefde had kunnen worden als ge op het juiste moment iets moediger, slimmer of gewoon minder koppig waart geweest. Dat ene grote verhaal waaraan ge nooit begonnen zijt. Ik heb van best veel dingen spijt. Ik heb  tijdens mijn dwaaltochten mensen gekwetst die ik graag zag. Niet omdat ik dat wilde, maar omdat een mens soms verdwaalt en onderweg nogal onhandig met zijn bagage tegen andere mensen hun benen botst. Daar heb ik spijt van. Dat zijn stations waar ik niet wilde zijn. Maar er zijn ook de gemiste stations. Bij mij heet er eentje: de toneelschool. Ik wilde ooit iets met theater doen. Nu klinkt dat meteen alsof ik op mijn zestiende voor de spiegel stond met een haarborstel als Oscar in mijn hand, ervan overtuigd dat de wereld eigenlijk maar één probleem had: dat ze mij nog niet ontdekt had. De grote actrice worden. Premières. Rode lopers. Interviews waarin ik ernstig zou vertellen dat ik “heel dicht bij mezelf moest blijven voor deze rol”. Een zonnebril dragen binnen. Op de cover van een tijdschrift staan met als titel: Katrien zoals je haar nog nooit zag. Mensen die fluisteren wanneer ik bij de bakker binnenkom en ik die daar dan heel naturel mee omga. Dat dus niet. Ik wilde dramadocent worden. Of dramatherapeut. Veel kleiner. Ik wilde in een lokaal staan met mensen voor wie spreken soms moeilijker was dan zwijgen. Met kinderen die zichzelf groter konden spelen dan ze zich voelden. Met volwassenen die via iemand anders misschien eindelijk iets over zichzelf konden zeggen. Ik wilde verhalen gebruiken om mensen ergens te krijgen waar gewone woorden niet altijd geraken. Dat leek mij schoon. Nog altijd eigenlijk. Ik heb het nooit gedaan. Misschien vind ik dat nog het meest spijtige: niet dat ik het niet geworden ben, maar dat ik zelfs de kans niet heb gekregen om erin te mislukken.bGe kunt dan tenminste zeggen: ik heb het geprobeerd. “Kan dat nu niet meer?” vroeg hij. Ik lachte. Nee. Ik ben bijna vijftig. Ik denk dat de grote doorbraak stilaan problematisch wordt. Niet onmogelijk natuurlijk. Straks word ik op mijn tweeënvijftigste alsnog ontdekt terwijl ik in de Colruyt sta te discussiëren over een rode prijs. Voor ge het weet speel ik de hoofdrol in een prestigieuze Netflixreeks, sta ik in Cannes op een rode loper en moet ik in De afspraak komen uitleggen hoe ik al die jaren “heel bewust uit de schijnwerpers ben gebleven”. Ge weet nooit. Maar dat was de droom dus niet. En misschien is dat precies wat er soms zo zeer doet aan gemiste stations. Dat ge het niet hebt geprobeerd. Spijt doet ons graag geloven dat treinen maar één keer passeren. Dat ge op uw achttiende had moeten weten wie ge op uw vijftigste wilde zijn. Ik weet niet wie dat spoorboekje heeft opgesteld, maar ik begin te vermoeden dat het niet klopt. Want ik schrijf. Altijd al gedaan eigenlijk. In schriftjes, op computers, in mijn hoofd, midden in de nacht, op servetten en waarschijnlijk ooit nog op de achterkant van een elektriciteitsfactuur. Ik verzin mensen. Ik geef ze woorden. Ik laat ze ruzie maken, verliefd worden, vertrekken en terugkomen.  Misschien moet ik daar eens iets mee doen. Niet omdat ik denk dat daar alsnog de grote doorbraak staat te wachten. Mijn zonnebril mag voorlopig gewoon in mijn handtas blijven. Maar omdat ik stilaan begrijp dat spijt misschien niet alleen gaat over wat achter u ligt. Soms wijst ze ook ergens naartoe. Misschien moet ge dan niet blijven staan kijken naar het station waar ge twintig jaar geleden voorbij zijt gereden. Misschien moet ge gewoon eens op het bord kijken en er voor gaan. Er vertrekken elke dag treinen.

Katrien Daniels
40 2

Oververhit

De wereld leek de voorbije anderhalve maand wel een grote hittegolfoven. In mijn doorgaans oververhitte hersenpan ontdekte ik nieuwe woorden in bestaande, en dat zelfs terwijl ik naar de halve finale van WK voetbal tussen Engeland en Argentinië zat te kijken in het gezelschap van zatte Jean-Luc.  Oververhit zijn ze, mijn hersenen, dacht ik zo ineens, ook al had ik net een ijskoud blikje alcoholvrije Jupiler achterover gekapt. Auw! Enkele seconden scherpe pijn in het voorhoofd, dat moest die dekselse en door mij nog nooit eerder ervaren 'brain freeze' zijn, onmiddellijk gevolgd door een veel langer durende muzikale hallucinatie die zou uitgroeien tot een oorwurm van jewelste: 'Paint It Black' van The Rolling Stones.  Oververhit dus. En nu dat liedje. Waarom? Waarom nu en waarom net dat nummer? Een bijzonder interessant vraagstuk, ook al verveelt de veldslag tussen de botte Engelsen en de vlijmscherpe Argentijnen geen seconde en zwijgt lallende Jean-Luc zoals gebruikelijk zelfs nog minder lang.  Was het trouwens niet Jean-Lucs schuld? Een paar weken geleden zat hij ook vlak naast me, tijdens Frankrijk-Senegal, zich luidop afvragend wie nu de Fransen en de Senegalezen waren, want 'in beide elftallen spelen ongeveer evenveel negers'. Een niet zo woke uitspraak, misschien deels ingegeven door de anderhalve fles rode wijn die mijn van origine Franse vriend op dat moment al door z'n keelgat had gejaagd. Wellicht kwam het nu pas binnen, dat mij dat eigenlijk niet veel uitmaakt, welke kleur iemand heeft. Zwart, wit, rood of geel ... Zijn we niet allemaal gewoon mensen? Misschien had God voor de duidelijkheid iedereen beter zwart geschilderd of moest Hij dat vanaf nu maar doen. Paint It Black. Misschien was het die gedachtegang wel, ook al lijken mijn hersenen momenteel nog niet eens op halve kracht rond te sjokken op om het even welke trage denkpiste.  Heel veel ken ik eigenlijk niet van de songtekst van Paint It Black, dus zong ik in mijn hoofd steeds hetzelfde zinnetje: 'I see a red door and I want it painted black'. Tot ik plots dat lege blikje Jupiler 0.0% op het salontafeltje zag staan. Daarop zie je een zwarte stier die, met een beetje fantasie, door een rode deuropening stormt. Zou het? Meestal ben ik niet zo visueel ingesteld, tenzij het natuurlijk om rode lingerie gaat, die mij meestal in geen tijd kan omtoveren tot een bronstige stier. Dat weten we allemaal. Of toch ten minste mijn vrouw en ik, en nu jullie als lezers ook. Enfin, rode stof tot nadenken ... Zit ik zo simpel in mekaar? Nee toch. Het is de temperatuur die me zo heet maakt. Mijn prefrontale cortex (het deel van het brein dat het denkvermogen regelt en zorgt voor de concentratie en emotiecontrole) lijdt waanzinnig onder deze hitte. Alles is gericht op afkoeling. Mijn bloedvaten verwijden, waardoor er tijdelijk minder zuurstof naar m'n grijze klodder gehakt genaamd 'hersenen' stroomt. Ik ben meetbaar minder slim, sneller onverdraagzaam, prikkelbaar en soms zelfs lichtjes agressief. En spreek me niet tegen of ik ram dat lege blikje met die stomme kutstier door je strot! Sorry. In mijn hoofd begin ik alles al zingend alweer zwart te schilderen. Mijn brein is subtieler, ook al is het oververhit. Oververhit ... Wacht eens even ... Wat zei ik daarstraks? Waar was ik dit verhaal mee begonnen? In 'oververhit' zie ik 'ververhit'! En welk liedje zou in de Top 100 Aller Tijden ongetwijfeld op één staan, als alleen schilders zouden mogen stemmen? Juist: Paint It Black! Een zucht van opluchting, nog verfrissender dan de ventilator. Een ververhit! Hoe verzin ik het!  

Danny Vandenberk
3 2