Zoeken

Uit mijn dagboek

Shenandoah- National park – Virginia Rileyville, 16 april 2022 Terwijl we die middag dieper in het hart van het bos afdwaalden, wikkelde vermoeidheid zich als een zware mantel om me heen. Mijn metgezellen gingen door, ik bleef alleen achter in een woud dat door de tijd onaangetast was. Hier, in deze desolate wildernis, omhulde de stilte me als een dikke mist, een stilte zo diepgaand dat ze tastbaar was, een scherp contrast met de drukke wereld. Toch vond ik in die griezelige omhelzing een vreemde troost. Welke geheimen lagen verborgen in de schaduwen van de torenhoge bomen? Welke onzichtbare ogen keken vanuit de dichte struiken en achter de scherpe rotsen? De kale takken fluisterden oude verhalen, hun kromme vingers krabbelend aan het canvas van de lucht. Boven cirkelden de gieren met een doel, hun schaduwen glijdend over de grond, wat zochten zij? En terwijl ik in de eindeloze uitgestrektheid van het bos keek, dansten visioenen voor mijn geestesoog, me uitnodigend om hun mysteries te onthullen. De beer en haar drie jongen, een symbool van bescherming en zorgzaamheid, bleven in mijn gedachten hangen, een herinnering aan de kwetsbare balans van de natuur. En dan was er het hert, met zijn nieuwsgierige blik, me uitnodigend om na te denken over wat er onder onze fragiele coëxistentie lag. Waarom had ik ervoor gekozen om net voor de top te stoppen? Was het vermoeidheid of angst? Of misschien iets dieper, een erkenning van mijn eigen beperkingen?  In dit moment van stilte, terwijl ik aandachtig luisterde naar de hartslag van het bos, voelde ik een onverklaarbare verbinding met alles om me heen. De stilte was niet slechts een afwezigheid van geluid, maar een uitnodiging om de diepten van mijn verbeelding te verkennen, waar de weg naar morgen wachtte, kronkelend door de schaduwen en het licht van het onbekende. Welke avonturen wachtten er net achter de sluier, als ik maar durfde ze te onthullen?

Nadia Lang
0 0

Remains of the day

Ondanks de dreigende wolken was het een warme dag, broeierig warm zelfs. De hele namiddag hadden de jongens aan hun zandkasteel gewerkt. Het zou het grootste fort ooit worden, omringd door een wirwar van kanaaltjes en muurtjes die het moesten beschermen tegen het opkomende tij. Ze hadden de piratenvlag gehesen om ongewenste bezoekers op afstand te houden. Andere kinderen keken jaloers toe, en strandbezoekers liepen er eerbiedig, met bewonderende blikken, in een grote boog omheen. Eén stoutmoedige zeemeermin wilde gefotografeerd worden bij de piratenvlag. Dat werd de jeugdige schoonheid graag gegund door de trotse gravers.  De zee was rustig, heel rustig. Toch sloop ze langzaam maar zeker dichterbij. Toen de zon in de late namiddag even door de wolken brak, besloten de jongens een duik te nemen in het koele water. Uitgelaten stoeiden ze in de golven, die stilaan oprukten naar het strand en hun piratenfort. Ondertussen vormden zich kleine geultjes die aan de muurtjes van hun bouwwerk knabbelden. Opgewonden kwamen de jongens teruggerend. Ook de donkere wolken naderden snel. Plots vielen er dikke druppels uit de lucht; strandgangers pakten haastig hun spullen en dropen af. Maar de jongens gaven niet op. Samen schuilden we onder onze grote strandhanddoek. Gefascineerd keken we toe hoe de zee langzaam maar zeker het strand weer in bezit nam. Toen brak de zon opnieuw door de wolken, en de jongens dansten opgewonden rond hun steeds verder afbrokkelende bouwwerk, tot het laatste zandmuurtje verslonden was en elk putje weer door de zee was ingenomen. We namen onze spullen en vertrokken. We keken nog één keer om: het grootste zandkasteel ooit was door de zee veroverd. Alleen de zee bleef achter, stil, alsof er nooit iets geweest was. Het kasteel was verdwenen, maar de dag zou blijven.

Nadia Lang
0 0

Naastenliefde

Ze had van kleins af aan verpleegster willen worden.‘Daar ben je te gevoelig voor’, had haar moeder op een donkere maandagochtend gezegd.‘Je bent beter af in de handelsschool’.Terwijl ze een zucht probeerde te onderdrukken, nam Diana haar schooltas op van de vloer.Haar krullende haren gleden zachtjes heen en weer over haar gezicht.Heimelijk teleurgesteld trok ze haar afgezakte sokken weer wat hoger.‘Alsof meedogenloosheid een nodige kwaliteit is in een verpleegster..’, dacht ze in zichzelf. Al herinnerde ze zich snel de boodschap uit de toespraak van de pastoor.Iedereen kan hulp bieden. Je moet er enkel de goede wil voor hebben. Met een gezonde vaart reed ze haar dorp door, richting Brugge, richting Sint-Jozef.De straten die ze passeerde ontluikte haar nieuwsgierigheid.Wat als ze vandaag niet naar school ging?Stel dat ze nu gewoon een andere straat insloeg?Welke onbekende wegen lagen er nog op haar te wachten?De koude wind waaide door haar haren.Later zou ze zelf kunnen kiezen wat ze deed.Met een strenge blik op de weg gericht en een borstbol in haar mond, trapte ze door. Van een jong meisje evolueerde ze in een sterke jonge vrouw.Als prille volwassene kreeg ze een heel rouwproces op haar bord.Haar broer stierf aan tweeëntwintig jaar, haar mama aan achtenveertig.Niets was nog hetzelfde.De discussies met haar moeder speelde zich nu slechts af in haar hoofd.De eerdere geschillen herhaalden zich als een nostalgisch melodietje uit een muziekdoos, maar er kwamen geen nieuwe bij.Elk argument bleef onuitgesproken. De stilte was wreed.Langzaam probeerde ze zaken een plek te geven. Ook zichzelf.Zij had een andere plek nodig. Diana vertrok thuis om op zichzelf te gaan wonen.Ze trapte door het leven en ondanks de tegenslagen onderweg, sloeg ze haar armen open voor om het even wie het nodig had. Van Familiehulp naar de afdeling Orthopedie in de Loofstraat, waar ze de volle dertig jaar werkte en nadien ook de OKRA-vereniging. Ze wou mensen helpen, mensen genezen, mensen terug sterk in hun schoenen zetten. Geleid door haar innerlijke drijfveer stond ze dag in, dag uit klaar om mensen gelukkiger te maken. O Diana van ‘t platteland, in je grootste droomwerp je gelukzalig je oogjes naar ‘t vredespatroon.Uw hand grijpt een handje, stevig en vol moedondersteunt gij het mensdom dat danst aan uw voet.Onze gids zijt gij, uw metgezellen zijn wijach leer onz’ waardering, voor ‘t kleinste blij. Dianas leven is een combinatie van doorzettingsvermogen, een positieve ingesteldheid, een aanstekelijke lach, dankbaarheid en heel veel moed.Als je Diana vraagt of het lot echt bestaat, antwoordt ze,“De wind zie je niet, maar die bestaat toch ook.” Moeder van de herder en het lam;hoed de kudde, leid ons bij de hand.     Silke Van RompaeyMet dank aan de auteur van ‘O moeder van bijstand’ en Diana Schotte voor het vertellen van haar verhaal.20/02/2025

Silkevr
0 0

Controle als tegenreactie

Mijn behoefte aan controle is niet uit het niets ontstaan, hij is gegroeid in een omgeving waarin controle ontbrak, waarin emoties niet werden opgevangen en grenzen niet duidelijk waren, en ergens heeft mijn systeem besloten dat als niemand het overzicht bewaakt, ik dat dan maar moet doen. Waar mijn moeder losliet of afwezig bleef, ben ik gaan vasthouden, plannen, vooruitdenken, omdat onvoorspelbaarheid voor mij geen kleine ongemakkelijkheid is maar een oud alarmsignaal dat direct wordt geactiveerd zodra iets afwijkt van wat ik had verwacht. Controle geeft rust, maar het is een gespannen vorm van rust, een rust die afhankelijk is van het feit dat alles blijft zoals ik het heb uitgedacht, en zodra dat niet zo is voel ik hoe snel mijn lichaam omschakelt naar alertheid, alsof ontspanning alleen veilig is zolang ik de regie behoud. Ik zie het terug in kleine dingen: hoe ik scenario’s vooruitdenk, hoe ik moeite heb met plotselinge veranderingen, hoe ik sneller corrigeer dan misschien nodig is, niet omdat ik streng wil zijn maar omdat ik diep vanbinnen geloof dat als ik het niet bewaak, het misgaat. Het moeilijke is dat controle ooit een oplossing was, een manier om overeind te blijven in een situatie waarin niemand het voor mij deed, maar dat dezelfde strategie nu soms spanning creëert waar die niet nodig is. Ik sla er niet in door omdat ik macht wil, maar omdat mijn systeem veiligheid verwart met beheersing, en loslaten niet voelt als vertrouwen maar als risico. En toch begint er iets te verschuiven, langzaam, niet groots, maar merkbaar, in het besef dat niet alles wat ik probeer te controleren ook daadwerkelijk van mij is om te dragen. Misschien is volwassen worden voor mij niet leren meer grip te krijgen, maar leren verdragen dat niet alles onder controle hoeft te zijn om veilig te blijven.

Onzichtbaarkind
0 0

Bekentenis van een overlijdensberichtlezer

Ik wil iets bekennen: ik lees graag de overlijdensberichten in de krant.Niet vluchtig. Echt lezen. Met aandacht. En ik vraag me soms af of ik de enige ben. Ik hoop van niet. Want het zou toch wat gênant zijn als ik de enige trouwe lezer van die rubriek ben. Dus bij deze een kleine outing. Mocht uw oog daar ook altijd eerst naartoe glijden: ge zijt niet alleen. Waarom ik dat doe, weet ik eigenlijk niet goed. Misschien uit dezelfde reflex waarmee we de rest van de krant lezen: om te weten wat er gebeurt in de wereld. Alleen gaat het hier niet over files of ministers die weer iets verkeerd gezegd hebben, maar over levens die afgerond zijn. Ik herinner me dat ik ooit het overlijdensbericht zag van mijn professor psychologie uit het eerste jaar van de sociale hogeschool. Een bijzondere mens. Hij kon een aula van honderd studenten stil krijgen met iets dat begon als droge theorie maar eindigde als een blik op het leven zelf. Over Freud bijvoorbeeld. Over het ES dat alles wil. Het ICH dat probeert te schipperen. En het ÜBER-ICH dat streng in een hoek zit te fluisteren dat we ons toch wat beter moeten gedragen. Of over Maslow en zijn piramide. Eerst eten en veiligheid, daarna liefde en erkenning, en helemaal bovenaan: zelfontplooiing. Het idee dat een mens zijn leven eigenlijk te herleiden is tot een piramide. Toen ik zijn overlijdensbericht zag, bleef ik even hangen. Hij werd ergens in de tachtig. Dat stelde me vreemd genoeg gerust. Mooie mens, mooi leven. Zijn piramide was top. Een andere keer zag ik het bericht van een kotgenoot van vroeger. We waren geen dikke vriendinnen geworden. We hadden gewoon een paar jaar dezelfde gang gedeeld. Dezelfde keuken. Dezelfde geur van pasta, toast en een pan die altijd nét te lang op het vuur en de week daarna bij de afwas stond. En toch was het vreemd. Het idee dat iemand die letterlijk een tijd mijn pad kruiste er plots niet meer was. Alsof er ergens in de wereld een deur dichtvalt waar ge ooit gedachteloos door gelopen zijt. Dat doet een mens nadenken. Over wat geweest is. Over wat nog moet komen. En dat we het leven misschien toch wat steviger moeten vastpakken. Misschien is dat ook waarom ik die rubriek lees. Een soort generale repetitie. Niet voor mijn eigen overlijden, maar voor die momenten waarop het leven plots beslist dat er iemand vertrekt. Want dan moet er ineens veel beslist worden. Veel te snel. Dan moeten er versjes gevonden worden, foto’s gekozen, woorden gezocht voor iets waar eigenlijk geen woorden voor bestaan. En als ge dan al een tijdje die rubriek leest, komt ge toch niet helemaal onbeslagen in zo’n verhaal terecht. Ge weet een beetje hoe mensen afscheid nemen. Wat er kan. Wat er soms staat. En wat ook niet. Ik lees die berichten ook om te kijken hoe families in elkaar zitten. Wie er genoemd wordt. Wie vooraan staat en wie ergens op het einde. Hoe mensen hun geliefde omschrijven. “Zijn geweldig lief.” Dat is toch iets anders dan “echtgenoot van”. Soms kunt ge een heel leven voelen in een paar woorden. Ik kijk ook altijd naar de jaartallen. Dan maak ik onbewust een soort schaal van ernst. Hoe ouder de overledene, hoe meer ge dat kunt lezen met iets als volbrachtheid. Een lange tocht die afgerond is. Ge denkt bijna: goed gedaan, mens. Hoe dichter de geboortedatum bij de mijne komt, hoe ongemakkelijker het wordt. En iedereen die jonger is dan ik vind ik gewoon oneerlijk. En nog iets waar ik altijd op let: de namen van de kinderen. Dat is eigenlijk een klein sociologisch onderzoek op zich. Als er Lou of Georges staat, weet ge meteen dat dat nog kleine mannen zijn die ergens met een loopfiets rondrijden. Terwijl een Ewoud of een Michiel gegarandeerd al boven de twintig is en waarschijnlijk ergens probeert uit te rekenen hoe ge een appartement betaalt. Ik kijk ook altijd naar de foto’s. Dat is misschien nog het meest ontroerende onderdeel. Sommige mensen kiezen een jonge foto. Een zomerjurk. Een brede lach. Alsof ze willen zeggen: zo wil ze herinnerd worden. Anderen kiezen een recente foto. Met rimpels, een bril, een gezicht waar het leven duidelijk overheen is gegaan. Dat vind ik misschien nog het moedigst. Alsof iemand zegt: dit was ze, helemaal. En dan zijn er nog de kleine symbolen. Het kruisje. De duif. Een korenaar. Soms een hartje. De dood heeft al lang zijn eigen emoji’. Daarna komen vaak de zinnen. Die klassieke zinnen die generaties lang lijken mee te reizen van afscheid naar afscheid. “Hij heeft een steen verlegd in een rivier op aarde.” “Wat je in je hart draagt, raak je nooit meer kwijt.” “De hemel is een engel rijker, wij zijn er een kwijt.” Zinnen die misschien al duizend keer zijn gebruikt, maar die toch elke keer opnieuw proberen te zeggen wat eigenlijk niet te zeggen valt. Ik lees ook hoe er afscheid genomen wordt. “In intieme kring, volgens de wens van de overledene.” Dan denk ik soms: is dat wel echt zo? Of hadden de nabestaanden gewoon geen zin in een zaal vol mensen die allemaal beginnen met “weet ge nog dat hij toen…” Of er staat dat het leven gevierd zal worden. Dan stel ik me een zaal voor met foto’s, muziek, wijn die iets te snel wordt bijgeschonken en verhalen die steeds een beetje mooier worden naarmate de avond vordert. En ergens tussen al die gedachten heb ik ooit beslist dat ik een bruine envelop in een lade ga leggen. Met een paar richtlijnen. Misschien een liedje. Misschien een paar zinnen. Eén spreuk weet ik al: “Wat de liefde draagt, is nooit een last.” Tegelijk besef ik dat dat ook een tikkeltje arrogant is. Doe ik dat echt om hen te helpen? Of ben ik ook na mijn dood nog altijd een eigenwijze moeial die zich met alles wil bemoeien? Misschien willen mijn kinderen het net kort en eenvoudig houden. Terwijl ik daar dan lig met een draaiboek van tien pagina’s. Met muziek uit La La Land en The Greatest Showman. Met zonnebloemen overal: ja, dat is zo 'ik'. Met een powerpoint die blijft doorgaan tot zelfs de nonkel op de derde stilletjes vraagt of hij nu al om een prentje mag gaan naar voor. Misschien zelfs met grote schermen buiten, voor het geval er zoveel volk komt dat niet iedereen binnen kan. En dan hoor ik ze al denken: mama, ge hebt het weer wat te groot gezien. Misschien heb ik daar eigenlijk geen recht op. Misschien mag ik alleen hopen dat er op een dag ergens staat: We nemen afscheid van Katrien Daniels. En dat ze zich nog herinneren dat ik alles met passie deed. Dat ik mijn familie graag zag. Mijn vrienden ook. En tegen dan hopelijk ook mijn zes kleinkinderen. En dat er misschien ook ergens staat: ze had haar kuren, maar het was wel een goeie. Maar het liefst van al hoop ik dat er nog één zinnetje staat: 'Het zotte lief van…' En dat hij dan denkt: wat een geluk dat die madam ooit op mijn pad kwam. 

Katrien Daniels
20 1

Gekooid

Gevangen in mijn eigen gedachten, slenter ik door het lege labyrint van mijn leven. Eenzaam dool ik door doodse gangen en lege kamers die stilte echoën. De hoge muren die ik zelf heb gebouwd, vormen het fundament van mijn zijn.Door het sleutelgat van een voor mij nieuwe en onbekende deur sprankelt een streepje hoop, als de zon die haar stralen door het kleine gaatje perst. Mijn hand rust behoedzaam op de deurknop en laat mijn vingers flirten met het idee van een nieuwe opportuniteit. Een nieuwe kans om mezelf te laten zien, om gezien te worden voor wie ik echt ben. De mogelijkheid biedt zich aan als een zachte bries die me door de kier tegemoet komt. Twijfel loopt langs mijn ruggengraat omhoog en ik hou mijn voet achter de deur zodat de wind ze onmogelijk volledig kan openzwaaien. Nieuwsgierig laat ik mijn blik door de kamer, die in schril contrast staat met de grijze en sombere gangen waar ik in heb rondgedoold, glijden. Ze is gevuld met kleur, gelach, plezier, vriendschap met een gouden randje. Alles waar ik al die tijd zo hevig naar heb verlangd, het gevoel ergens bij te horen. Gehuld in overschaduwd zelfvertrouwen stap ik het uitnodigende onbekende in. De onwetende spotlight keert zich in mijn richting en ik heb maar één doel, één kans om de echte ik te laten zien. Overmand door een angst die zich als donderslag bij heldere hemel aandient, verstijf ik. De schijnwerper dooft zachtjes uit. Ik moet nu mijn kans grijpen vooraleer de aandacht verslapt en haal het vrolijkste masker uit mijn koffer tevoorschijn. Gejoel en luid applaus worden mijn richting uitgestuurd. Goedlachs maak ik een diepe buiging, terwijl stille tranen mijn ogen vullen. Enigszins opgelucht schuif ik mee aan de feesttafel. De eerste indruk ik gemaakt. Starende blikken prikken als kleine kopspeldjes in mijn huid, mogelijke oordelen branden op vreemde lippen. Onzekerheid werpt de hoogste kaart en vult mijn mond met een onophoudelijke woordenvloed gevolgd door een misselijkmakende, valse bulderlach. Een schaamrode paraplu opent zich, woede raast door mijn hoofd als de bui aan ongeloof zich over mij heen stort. Wat heb ik in godsnaam allemaal uitgekraamd? De woorden waarmee ik zopas de kamer heb gevuld hebben geen betekenis, geen waarde. Ze vormen niet meer dan gebakken, zoete lucht. Met een in steen gehouwen glimlach neem ik weemoedig afscheid. Een vertrek dat gepaard gaat met de aankondiging van mijn terugkomst, die met weinig enthousiasme wordt onthaald. Teleurgesteld in het zelfvertrouwen dat me in de steek heeft gelaten, werp ik nog een laatste blik op de warme sfeer die als een roze wolk in de kamer drijft en verdwijn geruisloos in de somberheid van mijn labyrint. Een doolhof waarin de weg naar zelfzekerheid en moed steeds moeilijker te vinden is.Zelfbewustzijn grijpt me bij de keel en slaat mijn hoofd hard tegen de pas gesloten deur. Het schreeuwt en brult, een woede die diep vanbinnen brandt. Opnieuw een kans verpest. Het geroezemoes aan de andere kant van de deur is oorverdovend. Een klaagzang van zelfmedelijden weerklinkt in de gehoorgang. Ik draag het gewicht van een leven vol twijfels en onzekerheden op mijn schouders en voel hoe ik er langzaamaan onder bezwijk. Mijn zelfvertrouwen barst en valt kapot. Buiten adem veeg ik de scherven samen. Met een uiterste precisie tracht ik alle stukjes weer op hun plaats te lijmen, maar mijn trillende handen maken er een zware opdracht van.  Een voorzichtige hand vlijt zich op mijn schouder en geeft er een bemoedigend kneepje in. De warme steun waar hij me mee omringt laat me zweven, alsof mijn lichaam zich vult met helium. We hebben elkaars vertrouwen gewonnen en met een bang hartje laat ik hem toe om mijn strakke jurkje van valse perfectie open te ritsen. Plots kan ik weer ademhalen, mijn longen vullen zich met frisse lucht nadat ze bevrijd zijn uit een veel te spannend korset. Met een met rozenwater doordrenkt wattenschijfje wrijft hij behoedzaam de restanten van de hardnekkige make-up van mijn gezicht en legt zo mijn natuurlijke schoonheid bloot. Liefdevol neemt hij mijn gezicht in zijn handen en drukt zijn lippen op de mijne.  Plots dringt het tot me door. Ik heb geen masker nodig, geen perfectie, want alles is er al. Alles is er altijd al geweest. Een overvloed die zich heeft schuilgehouden in het diepste van mijn zijn. Al die tijd ben ik op zoek geweest naar iets wat altijd al aanwezig was. Ik ben compleet, ik ben heel, ik had gewoon iemand nodig die het zag. Iemand die het geduld in zich droeg om steen per steen mijn muren af te breken en me kon laten zien welke herinneringen mijn hart vullen. Ik ben wie ik wil zijn, ik ben genoeg. Eindelijk word ik gezien. Dat besef bevrijdt me. Als een vogeltje dat veel te lang in zijn gouden kooitje opgesloten zat, sla ik eindelijk mijn vleugels uit en vlieg over de muren van mijn labyrint heen. Ver weg van de overdreven zelfbescherming van gouden tralies en muffe gangen vol angst.

Joni Motmans
5 0

Diepvrieszakjes, tandenstokers en aluminiumfolie

Een eenvoudig bericht op Smartschool van de juf was voor mij vroeger altijd reden tot lichte paniek. Volgens de juffen zijn dat heel normale vragen. “Graag morgen een wit T-shirt meegeven.” Of: “Wie nog een foto heeft van zijn kind als baby…” Heel gewone dingen, vinden zij. Maar voor ouders zijn dat regelrechte aanslagen op een toch al broze work-life-balans. Want waar, vraag ik u, haalt een mens op een woensdagavond om 21u37 nog een wit T-shirt vandaan dat niet 1) te klein is, 2) een vlek heeft of 3) ergens onderaan een stapel ligt waarvan ge niet meer weet of die proper of vuil is. En die babyfoto. Alsof wij hier een schuif hebben met afgedrukte foto’s. Ik denk soms dat juffen ervan uitgaan dat mama’s een soort kastsysteem hebben. Een schuif met witte T-shirts. Een schuif met witte lakens. (Echt. Serieus. Wie heeft er een schuif met witte lakens?) En ergens ook een schuif met afgedrukte foto’s uit de kindertijd. Zo van die perfect gesorteerde herinneringen. Gelabeld. Per schooljaar. Dat soort schuldgevoel — dat ge niet zo’n goed voorbereide moeder zijt — ligt gelukkig al een tijdje achter mij. Ik hoef het lot niet meer te misleiden met extra zwembroeken in mijn handtas of met duizend plannen B in mijn hoofd. Allemaal om er uit te zien als die ontspannen moeder die alles onder controle heeft. Maar toch. Soms overvalt het mij nog. Mijn zoon vraagt: “Hebt ge elastiekjes?” En ge weet hoe dat gaat. Ge staat aan een kast. Ge trekt een lade open. Ge kijkt naar wat daar allemaal ligt en plots beseft ge: ik heb daar geen schuif voor. Geen elastiekjesschuif. Ik vind elastiekjes trouwens een vies uitgevonden ding. Ze hebben zo’n kleur die nergens echt bij past. Zo’n vuil beige dat eruitziet alsof het al een leven achter de rug heeft nog voor ge het gebruikt. En ze plakken een beetje. Altijd een beetje. En vroeger — toen we ons haar nog in een staart probeerden te trekken met zo’n ding — wist ge één ding zeker: tegen de avond had ge een paar haren minder. Elastiekjes zijn kleine martelwerktuigen met een huishoudfunctie. Maar terwijl ik daar zo in die lade sta te kijken, zie ik wel wat er wél ligt. Diepvrieszakjes bijvoorbeeld. Met zo’n zipsluiting van de Zweedse meubelreus. Dat voelt georganiseerd. Alsof ge iemand zijt die dingen bewaart voor later. Dan ook tandenstokers. Die koopt ge één keer in uw leven en daarna liggen die daar. In een verpakking zo groot dat ge zou denken dat ge elke vrijdag een afterwork organiseert op uw privéterras. Ik in ieder geval niet. En als ge ze nodig hebt — bij de apero bijvoorbeeld — dan zijn ze plots onvindbaar. Dan ligt ge daar olijven te serveren en legt ge uiteindelijk maar vorkjes bij de glazen. Omdat niemand zin heeft om met zijn vingers in een schaaltje te gaan vissen. Tandenstokers zijn zo’n product dat altijd bestaat in theorie, maar zelden op het moment dat ge ze nodig hebt. En dan aluminiumfolie. Ook een moeilijk product eigenlijk. Mag dat nog, in het kader van het milieu? Een bewuste vriendin zei mij ooit: “Weet gij hoeveel energie dat kost om dat te maken?” Sindsdien koop ik aluminiumfolie met een klein schuldgevoel. Maar het blijft wel gemakkelijk. Voor een halve citroen. Voor een stuk kaas. Voor een potje dat ge nog snel moet afdekken. Of voor boterhammen, wanneer de Zweedse diepvrieszakjes op zijn en ik alweer de derde brooddoos op mijn werk heb achtergelaten. In de keuken heb ik zo’n schuif dus niet. Maar ergens anders misschien wel. Eentje met diepvrieszakjes. Om herinneringen in te steken. Van die met een zipsluiting, zodat ge ze voorzichtig kunt dichttrekken. Niet te bruusk. Gewoon zachtjes. Klik. Dicht. Dat ze nog even goed blijven. Dat ze niet uitdrogen of verkruimelen. Dat ge ze later nog eens kunt bovenhalen, openritsen, en kijken of ze nog hetzelfde smaken als toen. Dan ook tandenstokers. Voor de kleine dingen. Om iets weg te pulken dat blijft hangen. Of om, heel precies en beleefd en hygiënisch, dat stukje salami te nemen van het leven waar ge zin in hebt. Niet het hele bord. Gewoon dat ene stukje dat ge gezien had en waarvan ge dacht: ja, dat wil ik. En dan aluminiumfolie. Zo’n rol zilver die ge rond iets legt wanneer ge wilt dat het warm blijft. Of vers. Of beschermd tegen wat er van buiten komt. Ge pakt dat vel, ge plooit dat er rond en ineens is alles een beetje veiliger. De lucht blijft buiten. De warmte blijft binnen. Soms denk ik dat ik dat ook zo doe. Dat ik ergens een stuk aluminiumfolie heb klaarliggen voor mijn hart. Niet om het te verstoppen. Maar om het te bewaren. Voor onderweg. Voor later. Voor wanneer het nog even moet meegaan zonder te verkruimelen. Heel zorgvuldig ingepakt. Niet te strak. Gewoon genoeg om het warm te houden. Tot iemand zegt: "Kom, dit hebt ge niet meer nodig. Geef het maar hier. Ik haal het er wel af. Ik hou het warm. Ik geef het lucht. Dat het kan ademen." Dat zou schoon zijn...  Maar elastiekjes?  Nee. Ik heb geen elastiekjes.  Diepvrieszakjes, tandenstokers en aluminiumfolie heb ik wel. Maar elastiekjes? Nee, die heb ik niet.

Katrien Daniels
30 2

Tiempo robado

Mijn jongste vruchtje woont in Madrid. Als hij voor een paar dagen in het land is, verschuift alles hier een beetje. Agenda’s worden herschikt. Vrienden sturen berichten. Zijn lief wil hem zien. Zijn oma wil hem voeden. En dat is goed. Dat is hoe het hoort. Ik vind het oprecht mooi dat zoveel mensen een stukje van hem willen. Dat hij bemind wordt. Dat hij gewild is. Dat hij ergens thuishoort waar ik niet bij ben. Hij speelt rugby in Madrid. Dat was geen plan. Dat is gewoon gebeurd. Zoals volwassen worden ook gewoon gebeurt. En dus plan ik geen strijd. Ik plan tijd. “Zeg, sauna?” Zo achteloos mogelijk. Dat is ons ding. Al sinds hij klein was. Eerst privé. Later openbaar. Gelijk de echte. Met vreemde lichamen en houten banken en stilte. We hebben zo onze ritueeltjes. We voorspellen de oneliners van het personeel nog voor ze uitgesproken zijn. Aan de inkom:“Hebben jullie alles mee?” Wij kijken elkaar aan. Wat is alles? Het is een naaktsauna. Daarna: “Eerst even het bandje scannen.” En bij het buitengaan — altijd met datzelfde floeren stemmetje: “En hebben jullie ervan genoten?”  Genoten? Zover zijn we nog niet. Binnen hebben we codes: Als hij zacht met zijn voet tegen de mijne tikt: observatie. Als hij “interessant publiek” fluistert: relatie in herstructurering. Als hij plots Spaans begint te spreken — “Madre mía…” — dan weten we: te luid gekwetter, verplaatsen. In de jacuzzi legt een jonge moeder uit dat Winter al zonder zijwieltjes fietst. “Gewoon losgelaten,” zegt ze. Losgelaten. Ik kijk naar hem.Madrid. Rugby. Schouders die breder zijn dan mijn armen ooit konden omvatten. Ik heb hem ook losgelaten. Niet dramatisch. Niet met een speech. Gewoon beetje bij beetje. Eerst zijwieltjes. Dan alleen naar school. Dan naar een andere stad. Dan naar een ander land. In de sauna zit een koppel dat hun relatie probeert te repareren. Hij zegt: “We moeten beter communiceren.” Zij knikt. Hun knieën raken elkaar niet. Zijn voet tikt tegen de mijne. Wij begrijpen het zonder woorden. Een man loopt voorbij met “Gunther” geborduurd op zijn badjas.Ik fluister: “Als ik ooit mijn naam op textiel laat zetten, mag je mij discreet uit het leven begeleiden.” Hij grinnikt. Wij zijn heerlijk spottend samen. Tijdens de opgieting: “Adem diep in.” Eucalyptus. Steranijs. Hitte die binnenkomt als een herinnering. Hij leunt achterover. Grote handen. Rugby-lijf. Een man. En toch zie ik het kind dat ooit tegen mij opklom alsof ik een boom was. Dat in mijn buik woonde. Dat dacht dat ik alles wist. Aan de balie, vier uur later:“En hebben jullie ervan genoten?” En dan volgt de opsomming. Cheesecake. Tapas. Drankjes. Altijd dat kleine biechtmoment. Ik glimlach. We hebben niet gewoon genoten. We hebben tijd gepakt, een beetje gestolen.  Niemand is van iemand. Niet kinderen.Niet liefdes.Niet moeders. We krijgen elkaar in bruikleen. En vandaag, tussen eucalyptus en Spaans gefluister, zat hij naast mij. Niet van mij. Maar even bij mij. Zo een gestolen moment. En dat is meer dan genoeg

Katrien Daniels
79 2

Ik ben mij er eentje

Een wachtzaal. Zeg maar wachtkamer. Saai? Wat kan je er doen, buiten wachten? Buiten wachten? Er zijn er die dat doen. Claustrofoben bijvoorbeeld. Of rokers. Of mensen die dringend een luchtje willen scheppen of laten ontsnappen. Hier kan alles. Makelaars zouden dit vertrek omschrijven als knus, gezellig en authentiek. Ik als armetierig, klein, muf en gedemodeerd. Zelfs het schrale behangpapier heeft geen zin om hier lang te blijven.  De deur sluit niet meer. Auto's en vrachtwagens razen voorbij. Van dichtbij. Het leven is een zoektocht, maar hier hoef je niet ver te zoeken. De tocht komt me zomaar tegemoet, samen met de uitlaatgassen. Ook die van de claustrofobische man die volgens mij niet claustrofobisch is, maar eerder flatulent. Een roker is hij niet, althans geen traditionele. In gedachten zie ik een groene rookwalm uit zijn broek ontsnappen. Hij is een buitenstaander die hoe dan ook een beetje binnen blijft rondhangen. Eventuele conversaties in dit wachthol kan hij niet volgen, door het onophoudelijke geraas van het verkeer. Ik hoop voor hem dat hij wel zijn naam hoort als die afgeroepen wordt, al hoeft dat wat mij betreft niet meteen te gebeuren. Wat ben ik toch weer empathisch. Zelfs voor mensen die stinkend (en) asociaal zijn.  Die laatste eigenschap typeert ook mijn overblijvende medewachters. Het zijn eerder mediawatchers. Alle vier hebben ze uitsluitend aandacht voor hun smartphone. Uitsluitend, zich afsluitend, van alles en iedereen. Had de deur ook maar een smartphone, dan had ik tenminste geen ijskoude linkerdij en last van geur- en geluidshinder.  Asociaal is het alleszins niet, dat krakkemikkige draaihek dat zichzelf deur noemt. Het staat open voor alles en iedereen. Ook voor de vrouw die nu binnenkomt en pal tegenover me komt zitten. Geschatte afstand: 1,95 meter. Geschatte leeftijd: 48 jaar. Geschatte lichaamslengte: 1,65 meter. Ik hou van getallen. Ze ruikt naar 4711. Keuls water. Een klassieke en vertrouwde geur die alleszins heel wat aangenamer is dan (lichamelijke) uitlaatgassen. Saai wel, en inspiratieloos.  Mooi is ze niet. Ik zou haar kunnen beschrijven, tot in het kleinste detail, maar dat zou denigrerend overkomen. Dit komt misschien als een schok voor veel vrouwen, maar mannen houden van makkelijk. Een vrouw zou je doen of niet doen. Deze zou ik niet doen. Het siert haar wel dat ze niet onmiddellijk naar haar smartphone grijpt.  Ze kijkt zomaar wat rond. Naar het plafond en het afbladderende behangpapier. Niet naar mensen, zoals ik. Zo mist ze hoe de kalende man met zijn grijze snorretje rechts, voor haar links, snot uit z'n aardbeineus pulkt, het vervolgens tussen wijsvinger en duim tot een bolletje kneedt en het daarna met behulp van dezelfde vingers wegschiet. Walgelijk, want het belandt op het glazen bovenblad van het centrale tafeltje, net naast een scheef stapeltje tijdschriften dat er vermoedelijk al jaren stof ligt te verzamelen.  Zijn blik bleef en blijft op z'n schermpje gericht. Bedankt, kale neusplukker, de bijna onweerstaanbare drang die ik net had om het hoopje boekjes recht te leggen en eventueel op verschijningsdatum te rangschikken is nu helemaal verdwenen. Ik zie alleen nog dat snotbolletje. Is het nu lichtgroen of wit? Ik twijfel. Het lijkt qua vorm in elk geval op een miniatuurdruif. Zo'n witte die eigenlijk groen is. Met een zwart puntje middenin dat er een beetje uit lijkt te steken. Een neushaartje, denk ik. 'Johan!' Ik schrik me rot. Alsof het in Keulen dondert. Het onbeschreven vrouwmens van tegenover. Ze zal iemand herkend hebben. Misschien de snotschutter, of die jonge spichtige kerel ernaast die op een gele markeerstift lijkt in zijn flashy trainingspak. 'Johan! Waarom heb je niks gezegd toen ik binnenkwam? Typisch jij! Onnozelaar!' Tien ogen kijken me aan. De twee grootste zijn de hare. Het lijken wel pingpongballen. Twee seconden later kijken de acht andere gelukkig weer op hun kleine schermpjes. Het slechte nieuws was wel dat ze nu vlak naast me kwam zitten. Ik schoof instinctief een beetje op naar rechts, misschien omdat ik niet hou van te dichte nabijheid en omdat ik onderhuids vermoedde dat ze een vochtig sprekertje was, ook al omdat ze links vooraan een tand miste. Ik zou gelijk krijgen. Het was een van de weinige keren in mijn leven dat ik dat jammer vond. 'Ik, euh ...' 'Waren jullie nog lang gebleven vorige week op het feestje van Edwin? Ik vond het echt jammer dat wij naar huis moesten, 't was zo gezellig. En jij ... je was weer in topvorm! Echt jaren geleden dat ik nog zo gelachen heb! Die mop van die kikker en dat luipaard! Haha! Wat een giller! En de manier waarop jij dat dan vertelt, hé. Zo hilarisch! Ik had er achteraf buikpijn van,' sprak ze vochtig. 'Sorry, mevrouw. Ik heet Danny, niet Johan.' 'Whaaaahahaa! Mevrouw zegt ie! Jij weet ook niet van ophouden, hé! Johan, Johan, Johan toch! Jij bent me er eentje.' 'Ik ben er eigenlijk twee. Of nee. Johan en ik zijn twee verschillende personen, bedoel ik. Johan is Johan en die ken je blijkbaar, maar ik ben Danny. Danny die jou niet kent. Edwin ken ik evenmin en moppen vertellen is al helemaal niks voor mij. Ben ik heel slecht in, vooral omdat ik ze nooit kan onthouden. Soms hoor ik weleens een goede mop en dan denk ik: die ga ik onthouden. En dat lukt dus nooit. Heel frustrerend. Hoe dan ook: ik ben Danny. Niet Johan.' 'Onnozelaar! On-noo-ze-lahahaaar! Je blijft goed. Zo in je rol blijven! Het is weinigen gegeven, hoor. Danny zegt hij dan. Danny!' Een por in m'n linkerzij. En een beetje speeksel in m'n oor. De gele sportieveling rechts van ons gniffelt wat mee. Hij vindt het blijkbaar ook grappig. 'Ik kan je mijn identiteitskaart laten zien, hoor, als je wilt.'  'Dat zal wel, Johan. Dat zal wel! Jij kan alles.' En toen kwam de dokter binnen. Hij keek even rond en zei toen: 'Danny, jij bent de volgende.' Ik veerde recht en grijnsde triomfantelijk naar m'n buurvrouw. De magere jongen met z'n fluogele trainingspak deed achter m'n rug hetzelfde. 'Kom maar, Danny,' zei de dokter terwijl hij hem een schouderklopje gaf. En weg waren ze. Ik werd genegeerd. Jammer genoeg niet door iedereen. 'Whahahaaa! Johan! Niet te filmen ben jij! Echt niet te filmen!' Het daaropvolgende kwartier vertelde Marleen, want zo heette ze, lachend en speekselend over haar griepje en dat ze eigenlijk een mondmasker had moeten dragen maar dat vergeten was, over de citytrip naar Londen die ze vorig jaar gemaakt had met mijn vrouw Cindy (terwijl mijn vrouw Sabrina heet), over haar twee deugnieten van hondjes, over haar nakende tandartsbezoek en over de tijd dat we samen op school zaten.  Ik heb me op geen enkel moment verzet. Ik was Johan. Tot ze uit de wachtkamer werd geplukt door een andere dokter. Ze was blij dat we nog eens hadden kunnen bijpraten, want op het feestje vorige week was dat niet gelukt. Al dat grappen en grollen is prima, toch is het maar een façade, dat weet ze. Een rolletje dat ik speel. Fijn dat ik ook eens mezelf kon zijn. En dat ik dat altijd mócht zijn bij haar. Ze weet dat ik daar af en toe behoefte aan heb. Omdat ze me zo goed kent.  

Danny Vandenberk
0 0

Lijst van dingen die de dag een gouden randje geven

De eerste hap van een warme croissant met echte boter. Frieten van de frituur met nét iets te veel zout. Een toast met préparé op zondag terwijl ge eigenlijk “licht” ging eten. Verse pannenkoeken met gesmolten suiker die knispert. Gelukkig zijn er pannenkoeken. De korst van lasagne. Alleen de korst. Met uw vinger door de saus gaan terwijl ge zogezegd aan het afruimen zijt. Chocolade die eigenlijk “voor het bezoek” was. Een raketijsje in november. Omdat het mag. A sunday in the middle of the week.  De eerste slok koffie wanneer ge al te laat zijt. Nieuwe lakens. Zon-gedroogd. Fris als een nieuw begin. Een parkingplaats vlak voor de deur. Een dutje van twintig minuten dat voelt als een wedergeboorte. Een leeg huis met uw muziek te luid. Solden waar ge 70% korting krijgt en denkt dat ge winst maakt. (Vrouwenwiskunde.) Iemand die zegt: “Ik heb gekookt.” Een hand op uw onderrug in een drukke ruimte. Lepeltje-lepeltje terwijl het buiten regent en ge nergens moet zijn. Het moment vlak voor een kus. Dat zweven. Uw hoofd op iemands borst leggen en het ritme vertrouwen. Een man die spontaan de vuilzak buitenzet zonder zucht of PowerPoint. Een berichtje dat begint met: “Ik moest aan u denken.” Uw naam horen fluisteren. Iemand die zegt: “Ik regel dat wel.” Een applaus dat nét iets langer duurt dan beleefd. De stilte na muziek waar niemand doorheen durft te praten. Een opgegroeid kind dat onverwacht uw hand vastpakt. Een volwassen zoon die plots groter is dan gij, maar nog altijd “mama” zegt met dezelfde stem. Vriendinnen voor het leven die geen cava nodig hebben, maar weten dat het vandaag koffie moet zijn. Die niet vragen “hoe gaat het?” maar zeggen: “Kom. Zitten. Vertel.” De eerste zon op uw gezicht na weken grijs. Een lege stoel die pijn doet, maar ook bewijst dat ge kunt houden. Denken dat ge het niet meer gaat doen… en het toch doen. En heel even geloven: misschien wordt het toch nog schoon.

Katrien Daniels
32 2