Zoeken

Diepvrieszakjes, tandenstokers en aluminiumfolie

Een eenvoudig bericht op Smartschool van de juf was voor mij vroeger altijd reden tot lichte paniek. Volgens de juffen zijn dat heel normale vragen. “Graag morgen een wit T-shirt meegeven.” Of: “Wie nog een foto heeft van zijn kind als baby…” Heel gewone dingen, vinden zij. Maar voor ouders zijn dat regelrechte aanslagen op een toch al broze work-life-balans. Want waar, vraag ik u, haalt een mens op een woensdagavond om 21u37 nog een wit T-shirt vandaan dat niet 1) te klein is, 2) een vlek heeft of 3) ergens onderaan een stapel ligt waarvan ge niet meer weet of die proper of vuil is. En die babyfoto. Alsof wij hier een schuif hebben met afgedrukte foto’s. Ik denk soms dat juffen ervan uitgaan dat mama’s een soort kastsysteem hebben. Een schuif met witte T-shirts. Een schuif met witte lakens. (Echt. Serieus. Wie heeft er een schuif met witte lakens?) En ergens ook een schuif met afgedrukte foto’s uit de kindertijd. Zo van die perfect gesorteerde herinneringen. Gelabeld. Per schooljaar. Dat soort schuldgevoel — dat ge niet zo’n goed voorbereide moeder zijt — ligt gelukkig al een tijdje achter mij. Ik hoef het lot niet meer te misleiden met extra zwembroeken in mijn handtas of met duizend plannen B in mijn hoofd. Allemaal om er uit te zien als die ontspannen moeder die alles onder controle heeft. Maar toch. Soms overvalt het mij nog. Mijn zoon vraagt: “Hebt ge elastiekjes?” En ge weet hoe dat gaat. Ge staat aan een kast. Ge trekt een lade open. Ge kijkt naar wat daar allemaal ligt en plots beseft ge: ik heb daar geen schuif voor. Geen elastiekjesschuif. Ik vind elastiekjes trouwens een vies uitgevonden ding. Ze hebben zo’n kleur die nergens echt bij past. Zo’n vuil beige dat eruitziet alsof het al een leven achter de rug heeft nog voor ge het gebruikt. En ze plakken een beetje. Altijd een beetje. En vroeger — toen we ons haar nog in een staart probeerden te trekken met zo’n ding — wist ge één ding zeker: tegen de avond had ge een paar haren minder. Elastiekjes zijn kleine martelwerktuigen met een huishoudfunctie. Maar terwijl ik daar zo in die lade sta te kijken, zie ik wel wat er wél ligt. Diepvrieszakjes bijvoorbeeld. Met zo’n zipsluiting van de Zweedse meubelreus. Dat voelt georganiseerd. Alsof ge iemand zijt die dingen bewaart voor later. Dan ook tandenstokers. Die koopt ge één keer in uw leven en daarna liggen die daar. In een verpakking zo groot dat ge zou denken dat ge elke vrijdag een afterwork organiseert op uw privéterras. Ik in ieder geval niet. En als ge ze nodig hebt — bij de apero bijvoorbeeld — dan zijn ze plots onvindbaar. Dan ligt ge daar olijven te serveren en legt ge uiteindelijk maar vorkjes bij de glazen. Omdat niemand zin heeft om met zijn vingers in een schaaltje te gaan vissen. Tandenstokers zijn zo’n product dat altijd bestaat in theorie, maar zelden op het moment dat ge ze nodig hebt. En dan aluminiumfolie. Ook een moeilijk product eigenlijk. Mag dat nog, in het kader van het milieu? Een bewuste vriendin zei mij ooit: “Weet gij hoeveel energie dat kost om dat te maken?” Sindsdien koop ik aluminiumfolie met een klein schuldgevoel. Maar het blijft wel gemakkelijk. Voor een halve citroen. Voor een stuk kaas. Voor een potje dat ge nog snel moet afdekken. Of voor boterhammen, wanneer de Zweedse diepvrieszakjes op zijn en ik alweer de derde brooddoos op mijn werk heb achtergelaten. In de keuken heb ik zo’n schuif dus niet. Maar ergens anders misschien wel. Eentje met diepvrieszakjes. Om herinneringen in te steken. Van die met een zipsluiting, zodat ge ze voorzichtig kunt dichttrekken. Niet te bruusk. Gewoon zachtjes. Klik. Dicht. Dat ze nog even goed blijven. Dat ze niet uitdrogen of verkruimelen. Dat ge ze later nog eens kunt bovenhalen, openritsen, en kijken of ze nog hetzelfde smaken als toen. Dan ook tandenstokers. Voor de kleine dingen. Om iets weg te pulken dat blijft hangen. Of om, heel precies en beleefd en hygiënisch, dat stukje salami te nemen van het leven waar ge zin in hebt. Niet het hele bord. Gewoon dat ene stukje dat ge gezien had en waarvan ge dacht: ja, dat wil ik. En dan aluminiumfolie. Zo’n rol zilver die ge rond iets legt wanneer ge wilt dat het warm blijft. Of vers. Of beschermd tegen wat er van buiten komt. Ge pakt dat vel, ge plooit dat er rond en ineens is alles een beetje veiliger. De lucht blijft buiten. De warmte blijft binnen. Soms denk ik dat ik dat ook zo doe. Dat ik ergens een stuk aluminiumfolie heb klaarliggen voor mijn hart. Niet om het te verstoppen. Maar om het te bewaren. Voor onderweg. Voor later. Voor wanneer het nog even moet meegaan zonder te verkruimelen. Heel zorgvuldig ingepakt. Niet te strak. Gewoon genoeg om het warm te houden. Tot iemand zegt: "Kom, dit hebt ge niet meer nodig. Geef het maar hier. Ik haal het er wel af. Ik hou het warm. Ik geef het lucht. Dat het kan ademen." Dat zou schoon zijn...  Maar elastiekjes?  Nee. Ik heb geen elastiekjes.  Diepvrieszakjes, tandenstokers en aluminiumfolie heb ik wel. Maar elastiekjes? Nee, die heb ik niet.

Katrien Daniels
19 1

Tiempo robado

Mijn jongste vruchtje woont in Madrid. Als hij voor een paar dagen in het land is, verschuift alles hier een beetje. Agenda’s worden herschikt. Vrienden sturen berichten. Zijn lief wil hem zien. Zijn oma wil hem voeden. En dat is goed. Dat is hoe het hoort. Ik vind het oprecht mooi dat zoveel mensen een stukje van hem willen. Dat hij bemind wordt. Dat hij gewild is. Dat hij ergens thuishoort waar ik niet bij ben. Hij speelt rugby in Madrid. Dat was geen plan. Dat is gewoon gebeurd. Zoals volwassen worden ook gewoon gebeurt. En dus plan ik geen strijd. Ik plan tijd. “Zeg, sauna?” Zo achteloos mogelijk. Dat is ons ding. Al sinds hij klein was. Eerst privé. Later openbaar. Gelijk de echte. Met vreemde lichamen en houten banken en stilte. We hebben zo onze ritueeltjes. We voorspellen de oneliners van het personeel nog voor ze uitgesproken zijn. Aan de inkom:“Hebben jullie alles mee?” Wij kijken elkaar aan. Wat is alles? Het is een naaktsauna. Daarna: “Eerst even het bandje scannen.” En bij het buitengaan — altijd met datzelfde floeren stemmetje: “En hebben jullie ervan genoten?”  Genoten? Zover zijn we nog niet. Binnen hebben we codes: Als hij zacht met zijn voet tegen de mijne tikt: observatie. Als hij “interessant publiek” fluistert: relatie in herstructurering. Als hij plots Spaans begint te spreken — “Madre mía…” — dan weten we: te luid gekwetter, verplaatsen. In de jacuzzi legt een jonge moeder uit dat Winter al zonder zijwieltjes fietst. “Gewoon losgelaten,” zegt ze. Losgelaten. Ik kijk naar hem.Madrid. Rugby. Schouders die breder zijn dan mijn armen ooit konden omvatten. Ik heb hem ook losgelaten. Niet dramatisch. Niet met een speech. Gewoon beetje bij beetje. Eerst zijwieltjes. Dan alleen naar school. Dan naar een andere stad. Dan naar een ander land. In de sauna zit een koppel dat hun relatie probeert te repareren. Hij zegt: “We moeten beter communiceren.” Zij knikt. Hun knieën raken elkaar niet. Zijn voet tikt tegen de mijne. Wij begrijpen het zonder woorden. Een man loopt voorbij met “Gunther” geborduurd op zijn badjas.Ik fluister: “Als ik ooit mijn naam op textiel laat zetten, mag je mij discreet uit het leven begeleiden.” Hij grinnikt. Wij zijn heerlijk spottend samen. Tijdens de opgieting: “Adem diep in.” Eucalyptus. Steranijs. Hitte die binnenkomt als een herinnering. Hij leunt achterover. Grote handen. Rugby-lijf. Een man. En toch zie ik het kind dat ooit tegen mij opklom alsof ik een boom was. Dat in mijn buik woonde. Dat dacht dat ik alles wist. Aan de balie, vier uur later:“En hebben jullie ervan genoten?” En dan volgt de opsomming. Cheesecake. Tapas. Drankjes. Altijd dat kleine biechtmoment. Ik glimlach. We hebben niet gewoon genoten. We hebben tijd gepakt, een beetje gestolen.  Niemand is van iemand. Niet kinderen.Niet liefdes.Niet moeders. We krijgen elkaar in bruikleen. En vandaag, tussen eucalyptus en Spaans gefluister, zat hij naast mij. Niet van mij. Maar even bij mij. Zo een gestolen moment. En dat is meer dan genoeg

Katrien Daniels
79 2

Ik ben mij er eentje

Een wachtzaal. Zeg maar wachtkamer. Saai? Wat kan je er doen, buiten wachten? Buiten wachten? Er zijn er die dat doen. Claustrofoben bijvoorbeeld. Of rokers. Of mensen die dringend een luchtje willen scheppen of laten ontsnappen. Hier kan alles. Makelaars zouden dit vertrek omschrijven als knus, gezellig en authentiek. Ik als armetierig, klein, muf en gedemodeerd. Zelfs het schrale behangpapier heeft geen zin om hier lang te blijven.  De deur sluit niet meer. Auto's en vrachtwagens razen voorbij. Van dichtbij. Het leven is een zoektocht, maar hier hoef je niet ver te zoeken. De tocht komt me zomaar tegemoet, samen met de uitlaatgassen. Ook die van de claustrofobische man die volgens mij niet claustrofobisch is, maar eerder flatulent. Een roker is hij niet, althans geen traditionele. In gedachten zie ik een groene rookwalm uit zijn broek ontsnappen. Hij is een buitenstaander die hoe dan ook een beetje binnen blijft rondhangen. Eventuele conversaties in dit wachthol kan hij niet volgen, door het onophoudelijke geraas van het verkeer. Ik hoop voor hem dat hij wel zijn naam hoort als die afgeroepen wordt, al hoeft dat wat mij betreft niet meteen te gebeuren. Wat ben ik toch weer empathisch. Zelfs voor mensen die stinkend (en) asociaal zijn.  Die laatste eigenschap typeert ook mijn overblijvende medewachters. Het zijn eerder mediawatchers. Alle vier hebben ze uitsluitend aandacht voor hun smartphone. Uitsluitend, zich afsluitend, van alles en iedereen. Had de deur ook maar een smartphone, dan had ik tenminste geen ijskoude linkerdij en last van geur- en geluidshinder.  Asociaal is het alleszins niet, dat krakkemikkige draaihek dat zichzelf deur noemt. Het staat open voor alles en iedereen. Ook voor de vrouw die nu binnenkomt en pal tegenover me komt zitten. Geschatte afstand: 1,95 meter. Geschatte leeftijd: 48 jaar. Geschatte lichaamslengte: 1,65 meter. Ik hou van getallen. Ze ruikt naar 4711. Keuls water. Een klassieke en vertrouwde geur die alleszins heel wat aangenamer is dan (lichamelijke) uitlaatgassen. Saai wel, en inspiratieloos.  Mooi is ze niet. Ik zou haar kunnen beschrijven, tot in het kleinste detail, maar dat zou denigrerend overkomen. Dit komt misschien als een schok voor veel vrouwen, maar mannen houden van makkelijk. Een vrouw zou je doen of niet doen. Deze zou ik niet doen. Het siert haar wel dat ze niet onmiddellijk naar haar smartphone grijpt.  Ze kijkt zomaar wat rond. Naar het plafond en het afbladderende behangpapier. Niet naar mensen, zoals ik. Zo mist ze hoe de kalende man met zijn grijze snorretje rechts, voor haar links, snot uit z'n aardbeineus pulkt, het vervolgens tussen wijsvinger en duim tot een bolletje kneedt en het daarna met behulp van dezelfde vingers wegschiet. Walgelijk, want het belandt op het glazen bovenblad van het centrale tafeltje, net naast een scheef stapeltje tijdschriften dat er vermoedelijk al jaren stof ligt te verzamelen.  Zijn blik bleef en blijft op z'n schermpje gericht. Bedankt, kale neusplukker, de bijna onweerstaanbare drang die ik net had om het hoopje boekjes recht te leggen en eventueel op verschijningsdatum te rangschikken is nu helemaal verdwenen. Ik zie alleen nog dat snotbolletje. Is het nu lichtgroen of wit? Ik twijfel. Het lijkt qua vorm in elk geval op een miniatuurdruif. Zo'n witte die eigenlijk groen is. Met een zwart puntje middenin dat er een beetje uit lijkt te steken. Een neushaartje, denk ik. 'Johan!' Ik schrik me rot. Alsof het in Keulen dondert. Het onbeschreven vrouwmens van tegenover. Ze zal iemand herkend hebben. Misschien de snotschutter, of die jonge spichtige kerel ernaast die op een gele markeerstift lijkt in zijn flashy trainingspak. 'Johan! Waarom heb je niks gezegd toen ik binnenkwam? Typisch jij! Onnozelaar!' Tien ogen kijken me aan. De twee grootste zijn de hare. Het lijken wel pingpongballen. Twee seconden later kijken de acht andere gelukkig weer op hun kleine schermpjes. Het slechte nieuws was wel dat ze nu vlak naast me kwam zitten. Ik schoof instinctief een beetje op naar rechts, misschien omdat ik niet hou van te dichte nabijheid en omdat ik onderhuids vermoedde dat ze een vochtig sprekertje was, ook al omdat ze links vooraan een tand miste. Ik zou gelijk krijgen. Het was een van de weinige keren in mijn leven dat ik dat jammer vond. 'Ik, euh ...' 'Waren jullie nog lang gebleven vorige week op het feestje van Edwin? Ik vond het echt jammer dat wij naar huis moesten, 't was zo gezellig. En jij ... je was weer in topvorm! Echt jaren geleden dat ik nog zo gelachen heb! Die mop van die kikker en dat luipaard! Haha! Wat een giller! En de manier waarop jij dat dan vertelt, hé. Zo hilarisch! Ik had er achteraf buikpijn van,' sprak ze vochtig. 'Sorry, mevrouw. Ik heet Danny, niet Johan.' 'Whaaaahahaa! Mevrouw zegt ie! Jij weet ook niet van ophouden, hé! Johan, Johan, Johan toch! Jij bent me er eentje.' 'Ik ben er eigenlijk twee. Of nee. Johan en ik zijn twee verschillende personen, bedoel ik. Johan is Johan en die ken je blijkbaar, maar ik ben Danny. Danny die jou niet kent. Edwin ken ik evenmin en moppen vertellen is al helemaal niks voor mij. Ben ik heel slecht in, vooral omdat ik ze nooit kan onthouden. Soms hoor ik weleens een goede mop en dan denk ik: die ga ik onthouden. En dat lukt dus nooit. Heel frustrerend. Hoe dan ook: ik ben Danny. Niet Johan.' 'Onnozelaar! On-noo-ze-lahahaaar! Je blijft goed. Zo in je rol blijven! Het is weinigen gegeven, hoor. Danny zegt hij dan. Danny!' Een por in m'n linkerzij. En een beetje speeksel in m'n oor. De gele sportieveling rechts van ons gniffelt wat mee. Hij vindt het blijkbaar ook grappig. 'Ik kan je mijn identiteitskaart laten zien, hoor, als je wilt.'  'Dat zal wel, Johan. Dat zal wel! Jij kan alles.' En toen kwam de dokter binnen. Hij keek even rond en zei toen: 'Danny, jij bent de volgende.' Ik veerde recht en grijnsde triomfantelijk naar m'n buurvrouw. De magere jongen met z'n fluogele trainingspak deed achter m'n rug hetzelfde. 'Kom maar, Danny,' zei de dokter terwijl hij hem een schouderklopje gaf. En weg waren ze. Ik werd genegeerd. Jammer genoeg niet door iedereen. 'Whahahaaa! Johan! Niet te filmen ben jij! Echt niet te filmen!' Het daaropvolgende kwartier vertelde Marleen, want zo heette ze, lachend en speekselend over haar griepje en dat ze eigenlijk een mondmasker had moeten dragen maar dat vergeten was, over de citytrip naar Londen die ze vorig jaar gemaakt had met mijn vrouw Cindy (terwijl mijn vrouw Sabrina heet), over haar twee deugnieten van hondjes, over haar nakende tandartsbezoek en over de tijd dat we samen op school zaten.  Ik heb me op geen enkel moment verzet. Ik was Johan. Tot ze uit de wachtkamer werd geplukt door een andere dokter. Ze was blij dat we nog eens hadden kunnen bijpraten, want op het feestje vorige week was dat niet gelukt. Al dat grappen en grollen is prima, toch is het maar een façade, dat weet ze. Een rolletje dat ik speel. Fijn dat ik ook eens mezelf kon zijn. En dat ik dat altijd mócht zijn bij haar. Ze weet dat ik daar af en toe behoefte aan heb. Omdat ze me zo goed kent.  

Danny Vandenberk
0 0

Lijst van dingen die de dag een gouden randje geven

De eerste hap van een warme croissant met echte boter. Frieten van de frituur met nét iets te veel zout. Een toast met préparé op zondag terwijl ge eigenlijk “licht” ging eten. Verse pannenkoeken met gesmolten suiker die knispert. Gelukkig zijn er pannenkoeken. De korst van lasagne. Alleen de korst. Met uw vinger door de saus gaan terwijl ge zogezegd aan het afruimen zijt. Chocolade die eigenlijk “voor het bezoek” was. Een raketijsje in november. Omdat het mag. A sunday in the middle of the week.  De eerste slok koffie wanneer ge al te laat zijt. Nieuwe lakens. Zon-gedroogd. Fris als een nieuw begin. Een parkingplaats vlak voor de deur. Een dutje van twintig minuten dat voelt als een wedergeboorte. Een leeg huis met uw muziek te luid. Solden waar ge 70% korting krijgt en denkt dat ge winst maakt. (Vrouwenwiskunde.) Iemand die zegt: “Ik heb gekookt.” Een hand op uw onderrug in een drukke ruimte. Lepeltje-lepeltje terwijl het buiten regent en ge nergens moet zijn. Het moment vlak voor een kus. Dat zweven. Uw hoofd op iemands borst leggen en het ritme vertrouwen. Een man die spontaan de vuilzak buitenzet zonder zucht of PowerPoint. Een berichtje dat begint met: “Ik moest aan u denken.” Uw naam horen fluisteren. Iemand die zegt: “Ik regel dat wel.” Een applaus dat nét iets langer duurt dan beleefd. De stilte na muziek waar niemand doorheen durft te praten. Een opgegroeid kind dat onverwacht uw hand vastpakt. Een volwassen zoon die plots groter is dan gij, maar nog altijd “mama” zegt met dezelfde stem. Vriendinnen voor het leven die geen cava nodig hebben, maar weten dat het vandaag koffie moet zijn. Die niet vragen “hoe gaat het?” maar zeggen: “Kom. Zitten. Vertel.” De eerste zon op uw gezicht na weken grijs. Een lege stoel die pijn doet, maar ook bewijst dat ge kunt houden. Denken dat ge het niet meer gaat doen… en het toch doen. En heel even geloven: misschien wordt het toch nog schoon.

Katrien Daniels
29 1

Zeven zonden

Wandelweekend dag 3 Ze zijn terug thuis in de Vlaamse Ardennen. Ze ligt in bed, hij kruipt erbij en knipt het licht uit. Zo onverwacht. De routine om te lezen in bed doorbreekt hij zelden, maar als hij het doet wordt ze meteen stil. Ze luistert, voelt en kijkt in het duister. Hij ligt op zijn rug, zijn handen gevouwen. Er is rust. Hij lijkt te wachten. Ze denkt aan gisteren, aan de abdij en de pot met erwtjes die op tafel stond. Hij vroeg of ze echt waren en wou ze mee naar huis om te laten groeien. Ze nam er zeven uit het potje en stak ze in zijn borstzak. Hij vroeg of het wel genoeg was, of ze er niet beter 70 meenam of het hele potje. Ze zei: je hebt gelijk, de kans dat ze allemaal groeien is klein. Dus stak ze er nog zeven in haar broekzak om de kans te verdubbelen. Ze begint zacht te praten. Vraagt of hij weet waarom ze zeven erwtjes nam. Mijn zeven zonden, vraagt hij. Nee, dan had ik er toch zeventig meegenomen zoals je voorstelde antwoordt ze al lachend. Jij bent diegene die al lang niet meer te biecht is geweest reageert hij. Ik wou anders vandaag wel, kaatst ze terug, maar je durfde mijn biecht niet afnemen. Het is wel een kerk, die fantasieën van jou kunnen echt niet in een kerk, zegt hij alsof hij altijd de heilige is geweest, en daarbij het gaat nu toch niet, ik kan en wil het niet. Dat begrijpt ze.  Dan vertelt ze zacht dat hij haar op de zevende voor het eerst gezoend had en dat zij op een zevende verjaart en zeven altijd haar lievelingsgetal was, samen met drie en éénentwintig. En dat ze naarmate ze ouder werd ontdekte dat haar lievelingsgetallen ook magische getallen waren. Hij zegt dat zijn lievelingsgetal drie was en hij op een derde verjaart. Zij zegt: dan moeten we misschien op een éénentwintigste trouwen, maar het jaar dertig zal te vroeg zijn met al die blokkades van jou, we zullen het jaar zeventig nemen, tegen dan weet je het misschien wel. Hij lacht. Hij wacht even, dan veert hij recht en neemt zijn telefoon. Hij wil weten waarom het magische getallen zijn. Hij leest voor. De uitleg is passend voor wie zij zijn. Ze wordt slaperig en brabbelt nog: drie en zeven, het kan geen toeval zijn, we passen gewoon. Ze denkt aan de erwtjes in haar broekzak. Morgen moet ze die een veilig plaatsje geven. Mijn erwtjes ben ik kwijt, zegt hij droevig, en ik weet precies waar: bij de boomstronk waar we gerust hebben. De wandeling vandaag ging eerst weer door het bos. Het was koud, maar zonnig. Zij deed een sjaal aan, maar was meteen aan het zweten. Hij vroeg om het half uur of hij haar rugzak niet moest dragen en wist dat ze nee ging zeggen en dan volgde zijn hoofdschudden en een omhoog getrokken mondlijn omwille van haar koppigheid. Ze vond die mondlijn fijn. Die veranderde samen met zijn ogen naargelang zijn gemoed. Na een goed uur wandelen kregen ze aan de rechterzijde de weidsheid van de hoge venen te zien. Prachtig vonden ze het. Hij deed zijn hemd uit en legde het op een boomstronk om te gaan zitten turen in de verte. Zij ging naast hem zitten. Ze vertelde over haar angst van vleesetende planten en afgevroren voeten als je vast kwam te zitten in de venen. Hij deelde zijn herinneringen uit zijn kindertijd. Hij ademde diep in en zei dat hij zo graag in vrijheid en weidsheid wou leven, maar zo vast zat en geen uitweg zag. Zij wreef over zijn rug. Ze begreep hem. Bij het opstaan vielen de erwtjes uit zijn hemd, daar in niemandsland, zij waren wel ontsnapt om in de lente uit te breiden, in alle weidsheid en vrijheid, net als hun liefde.  De erwtjes liggen daar perfect zegt ze. Ze zoekt zijn hand en valt in slaap. 

Fien SB
17 2
Tip

Erwtensoep

Wandelweekend tweede dag Ze zijn op één kilometer van hun vertrekplaats. Zij herkent plots de baan. Ik ben hier al geweest, zegt ze. Gisteren had ze op kaart zitten kijken welke wandeling ze vandaag konden doen. Ze toonde welke haar interessant leek. Een wandeling van 15 kilometer, een stukje bos, een stukje langs de rivier en ook langs een abdij. Zijn interesse was meteen gewekt. Toon eens, had hij gevraagd. Ze toonde hem de foto's van de abdij en las de beschrijving: “In de abdij van Mariawald kan je nog steeds de welbefaamde erwtensoep eten.” Hij veerde enthousiast op achter zijn stuur “Het is die, het is die abdij!”. Zij voelde vuurvonkjes in haar binnenste. Ze had de abdij uit zijn jeugd waar hij vorige maand naar zocht gevonden. En hoe fijn vond ze het om hem blij te maken. Kon ze dit maar alle dagen doen! Ze komen aan op de parking. Zij gelooft haar ogen niet. Ze trilt. Haar buik voelt warm. Ik ben hier al geweest, zegt ze nog eens. Ze loopt in de richting van de abdij, als betoverd. Ze was er inderdaad al geweest, 2 zomers ervoor. Ze had haar toenmalige partner doen stoppen langs de baan omdat ze een mooie witte muur had gezien en wou weten wat daarachter zat. Hij had gereageerd dat de stopplaats niet ideaal was, maar zij wou absoluut uitstappen. Ze was langs de muur gelopen en had getrild. Ze wist niet waarom, maar ze wou hier even rondlopen. Haar partner en kinderen waren gevolgd. Ze liepen langs de abdijmuur naar boven. Daar was zij op het bankje gaan zitten. Ze was stil. Ze voelde iets maar kon dat niet delen. Ze zou wel weer horen “ben je daar weer met je rare gewaarwordingen”. Dus was ze stil en genoot van het gevoel te zweven, langs de abdij, over de uitgestrekte velden, in de zon, naar het verleden. Ze voelde liefde, de liefde die ze vaak miste. Ze lachtte naar haar kinderen. Wat was het leven mooi zo. Ze wou dat gevoel zo lang mogelijk vasthouden. Ze was thuis en ze wist niet waarom. Voor ze de plek weer verliet ging ze nog eens binnen in de kerk en keek door het raam van de cafetaria. Er was niemand. Alles was verlaten. Hij komt naast haar staan. Jouw abdij is mijn abdij, zegt ze en vertelt haar verhaal al wandelend. Er is veel zon, maar ze moeten eerst door het bos en zitten daarna aan de verkeerde kant van de vallei. Toch geniet ze. Hij is speelser vandaag. Ze kruisen een Vlaams koppel met hond. Ze praten wat over het ras en dan over de streek. Hij en de dame hebben vooral het woord. Haar introverte man kan wel heel gemakkelijk met vreemden praatjes maken en dat vindt ze fijn. Na een zin of drie doet hij het weer: hij brengt tijdens het gesprek zo subtiel zijn liefde voor haar naar boven dat ze gloeit. Hoe kan hij toch zo zacht duidelijk maken dat ze de vrouw is waarmee hij oud wil worden? Het laatste stukje is een ommegang, een klim naar boven. De zon recht in het gezicht. Ze zweten. Een zestiger komt naar beneden met een paternoster, strak gezicht. Hij zegt dat ze helemaal toe zit, madam paternoster. Zij lacht dat hij dat net moet zeggen met zijn blokkades. Dan lacht hij: “ik had die reactie zien aankomen”. Ze bekent dat zij ook zou toe zitten als hun relatie zou kapot gaan. Jij bent het, zegt ze, jij en niemand anders meer. Eindelijk zijn ze er. Hij gaat met de hond een plaatsje zoeken in de cafetaria, zij schuift aan voor zijn erwtensoep met worst. Hij zit in de zon. Ze zet de soepkom voor zijn neus, maar hij schuift hem naar het midden om met haar te delen. Zijn ogen spreken liefde en weemoed, hij neemt haar hand, zij wrijft over zijn vingers, kijkt hem in de ogen. Ze delen het abdijbier en de kaastaart. Ze voelt een gelukzalige vermoeidheid opkomen. De emoties van het goddelijke. Zijn abdij is haar abdij. Het was voorbestemd. Ze passen bij elkaar als twee erwtjes in één peul.

Fien SB
79 2