Zoeken

The queen of Zaventem

Het meisje van onder de kerktoren neemt het vliegtuig naar Madrid. Dat klinkt groter dan het is, maar ook kleiner. Want mensen bekijken mij soms als een vrouw van de wereld. Ik die moeiteloos tussen terminals beweeg met zo’n handbagage op wieltjes die nooit omvalt. Ik die gewoon op luchthavens thuis hoor. Maar ergens, diep vanbinnen, ben ik nog altijd dat meisje dat denkt: paspoort mee? Gate juist? Niet te laat? Niet kwijtspelen. Niet panikeren. Luchthavens zijn eigenlijk gigantische middelbare scholen voor volwassenen. Overal mensen die doen alsof ze exact weten wat ze aan het doen zijn, terwijl de helft stiekem ook maar gewoon bordjes volgt en hoopt dat iemand “final call” niet met hun naam combineert. Een maat van mij — laat ons hem Dieter noemen, een naam van een echte dertiger — heeft een grondige hekel aan vliegen. “Brakke zetels, te dicht op elkaar, te veel kinderen die aan staan, onnozele films, eten dat smaakt naar karton en daar hangt altijd een geur van fastfood en nog niet gewassen zweet,” zegt hij dan. En dan komt steevast het punt waarop hij luid uitroept: “En ge moogt daar niet roken!” En dan weet ik het weer. Dieter is geen dertiger. Dieter is een blanke midlifer with an attitude. Een man die geboren is om kwaad te zijn op luchthavenbroodjes van twaalf euro en boardingprocedures. Soit. Ik probeer mij niet te laten meeslepen door Dieters tirade en ook niet door het kerktorenmeisje in mij dat bij grote mensenmassa’s spontaan heimwee krijgt naar een boterham met préparé in een vertrouwde keuken. Ik geef Katy D het heft in handen. Katy D is de versie van mezelf die zonder verpinken “window or aisle?” beantwoordt. Gulzig. Vrolijk. Zelfverzekerd. Check-in? Check. Gate? Check. Taxfree? Why not. En voor ik het weet zit ik op het vliegtuig met The Beautiful South in mijn oren, een liedje dat zingt over schone ogen en rimpels vol betekenis. Daarna stuur ik nog snel een laatste boodschap naar mijn geliefden. Zo één die half grap is en half testament. “Weet dat ik u graag zag. En als ik neerstort: geen koffiekoeken op mijn begrafenis. Pannenkoeken en préparé. En uiteraard Als Ze Lacht van Yevgueni.” Dat is het rare aan vliegen. Ineens wordt ge een beetje dramatisch. Alsof ge elk moment in een documentaire van National Geographic over menselijke kwetsbaarheid kunt belanden. Terwijl ge eigenlijk gewoon onderweg zijt naar gate B14 met een veel te dure fles water. Ik mag in het midden zitten. Dat is de sociale huurwoning van het vliegtuig. Langs de ene kant een man die precies al sinds Kinshasa onderweg is. Moe en waardig. Alsof hij ondertussen al drie continenten en twee existentiële crisissen heeft overleefd. Aan de andere kant een meisje met een iPad. Ze kijkt een Aziatische film met ondertitels die eruitzien alsof iemand per ongeluk een sudoku over het scherm heeft gegooid. Geen van ons spreekt met elkaar. Maar in mijn hoofd worden wij vrienden. Ik denk dan: straks delen wij hier emoties, levenslessen en misschien een zak paprika chips. Terwijl ge in werkelijkheid drie uur zwijgend naast elkaar zit te ademen als kamerplanten met handbagage. Maar toch vind ik dat schoon aan vliegen. Dat ge even dicht tegen andere levens zit geplooid. Mensen die ergens vandaan komen en ergens naartoe gaan. Mensen die iemand gaan missen of net proberen vergeten. Mensen die onderweg zijn naar werk, liefde, verdriet of gewoon zeven dagen all inclusive en sangria uit nen dispenser. En ik? Ik ben onderweg naar Madrid. Een beetje bang. Een beetje blij. Met Katy D aan het stuur en dat meisje van onder de kerktoren nog altijd ergens in de handbagage. Wanneer het vliegtuig landt, knik ik nog even naar mijn tijdelijke medereizigers. Alsof wij samen iets hebben meegemaakt wat niemand ooit nog gaat kunnen uitleggen. De man uit Kinshasa. Het meisje met de iPad. De zwijgende gemeenschap van stoel 14 A tot C. Ik zet mijn gsm terug aan en stuur een berichtje naar huis: “Geland. De préparé zal nog niet voor direct zijn.”

Katrien Daniels
21 1

Messias

“Wil er iemand mijn messias zijn?”, zingt Bart Peeters. En vroeger dacht ik: ja. Absoluut. Liefst eentje met brede schouders, emotionele intelligentie en een goed hemd. Maar ouder worden is beseffen dat ge eigenlijk helemaal geen Messias wilt. Ik hoef niet gered te worden. Echt niet. Ik kan zelf rijden. Zelf een kast van de Ikea in elkaar vloeken. Zelf mijn belastingen te laat indienen. Zelf huilen in de Colruyt tussen de ravioli en de kattenbrokken. Dat lukt allemaal prima. Nee, wat ik wil, is een Messias, maar dan anders. Geen heilbrenger. Eerder een "Matthias". Of een Jan. Of een Piet. Iemand waarvan ge denkt: ah ja… misschien gij. Iemand die komt, die blijft en misschien veel te luid ademt in zijn slaap. Dat wachten op mijn “Matthias” houdt een mens gaande. Het voedt mijn innerlijke pelgrim. Dat deel in mij met versleten wandelschoenen en veel te veel geloof in wegwijzers. Zo iemand die altijd denkt dat er achter de volgende bocht misschien iets groots wacht. Of iemand. Die "Matthias" zorgt ervoor dat ge plots terug goeie onderbroeken aandoet “voor het geval dat”. Dat ge een berichtje krijgt en direct rechter gaat zitten. Dat ge op de trein een boek leest alsof iemand misschien onder de indruk gaat zijn van uw intellectuele diepgang, en niet van het feit dat ge al drie haltes aan een stuk met een chipke aan uw trui hangt. Ik heb daar ooit over geleerd, in een les geloof en maatschappij. Zo’n vak dat ergens zweefde tussen godsdienst, levensvragen en leerkrachten met sandalen. We leerden over rituelen, over religies, over mensen die hun hele leven bouwen rond iets wat ze nooit echt gezien hebben, maar waar ze toch rotsvast in blijven geloven. En daar zat dat idee van de Messias in. Vooral binnen het Jodendom: het geloof dat er ooit iemand zal komen die alles anders maakt. Niet vandaag. Misschien morgen. Misschien binnen honderd jaar. Maar ooit. En hoe langer ik daar nu over nadenk, hoe meer ik besef dat dat eigenlijk geniaal gevonden is. Een geloof dat blijft bestaan bij gratie van het wachten. Van het onderweg zijn. Van de hoop die zichzelf altijd nét ver genoeg vooruit schuift om te blijven leven. Want eens hij arriveert, is het verhaal eigenlijk gedaan. Misschien bouwen we allemaal kleine privéreligies rond mensen die nog moeten komen. En soms komen ze ook effectief.. maar blijken het  foute generale repetities te zijn. Zoals Dirk bijvoorbeeld. Die ontplofte bij een verkeerde opmerking, alsof ik per ongeluk een nucleaire code had ingetoetst in plaats van te vragen of hij de vuilbak buiten wilde zetten. En toch dacht ik dan: maar hij weet tenminste wat hij voelt en hij kan dat authentiek uitdrukken. Peter dan weer. Zo’n man met een agenda waar ge moe van wordt. Etentjes. Projecten. Mensen die hem “een vrije geest” noemen, terwijl hij eigenlijk gewoon niet kan kiezen. En ik hing daaraan gelijk een toerist aan een trein die al vertrokken is. En dan die derde soort. De mannen met een “ooit”. Ooit gaan we eens echt tijd maken. Ooit komt het goed. Ooit gij en ik. “Ooit” is eigenlijk het kleinste vakantiehuisje van de hoop. Ge kunt daar niet wonen, maar ge blijft wel teruggaan. En toch denk ik niet dat ik echt wacht op een man. Ik wacht op beweging. Op het gevoel dat het verhaal nog niet af is. Dat er nog iemand op een perron kan staan. Dat er nog een bericht kan komen waardoor ge plots uw haar wast op een woensdag. Want stel u voor dat de puzzel klopt. Dat hij er écht is. Een man die blijft. Die koffie brengt. Die zegt: “ik ben onderweg”, en dan effectief aanbelt. Die samen met u naar de wekelijkse markt gaat en discussieert over tomaten alsof dat normaal gedrag is. Dan gebeurt misschien het ergste van allemaal. Dan wordt die innerlijke pelgrim plots een vrouw met een klantenkaart van Aveve en geplande weekends in een bungalowpark. Met grind voor de deur. Een mapje met wandelroutes. Een barbecue om zes uur. En etentjes met bevriende koppels. Help. Want wat als ik daar zit, met lasagne in de oven en iemand die mij echt graag ziet, en ik plots niks meer heb om naar uit te kijken? Maar misschien begrijp ik het verkeerd. Misschien is wachten niet hetzelfde als missen. Misschien gaat het niet over gered worden. Misschien gaat het gewoon over geloven dat er nog iets onderweg is naar u. Een Matthias. Of een Jan. Of een Piet. Niet om mij compleet te maken. Maar om mij zachtjes te laten landen en te zeggen: het is goed zo.

Katrien Daniels
33 2

Bevriende koppels

Bevriende Koppels zijn een natuurfenomeen. Je zou er een documentaire over kunnen maken. Met zo’n rustige stem eroverheen. Hier zien we het koppel in zijn natuurlijke habitat. Let op hoe ze zich groeperen. Altijd in even aantallen. Nooit alleen. Ze spreken ook in een eigen taal. Een soort dialect van het samenleven. Zinnen eindigen steevast op “met bevriende koppels”. Alsof dat de soortaanduiding is. “Wij gaan eten met bevriende koppels.” “Wij doen een weekendje Ardennen met bevriende koppels.” “Wij doen eens iets met de vrouwen… van bevriende koppels.” Ik stel me voor dat daar ergens een draaiboek voor bestaat. Met hoofdstukken. De oprit en zijn klinkers. De juiste school kiezen zonder jezelf te verliezen. Het kookeiland als moreel kompas. Koppels hebben namelijk kookeilanden. En schuiven. Minstens drie. In de derde schuif zit iets dat nooit op dinsdag gebruikt wordt, maar waar wel afspraken over bestaan. De single komt in die wereld voor als een tijdelijke afwijking. Een zeldzame vogel die per ongeluk in beeld vliegt. Interessant, maar storend voor de compositie. Want koppels denken in tafels van vier. Of zes. Of acht. Maar altijd deelbaar door twee. Een single als ik is wiskundig gezien een probleem. Een rest met een komma. Ze nodigen mij soms uit. Dat wel. “Kom anders eens mee, dat is gezellig.” En dat is het ook. Tot de ober vraagt: “De rekening apart of samen?” en iedereen heel vanzelfsprekend naar elkaar kijkt en ik daar zit als een losgekomen vork.   Tafelschikking is een wetenschap. Sofie naast Tom, want die kunnen praten over hun zonnepanelen. Ellen naast Koen, want die hebben ook een jongste in het derde leerjaar. En dan ik. “Zet Katrien misschien naast Marc?” Marc knikt. Marc is sociaal. Marc vangt singles op zoals de vestiaire jassen opvangt. Er worden namen gezegd alsof het personages zijn uit een reeks waar ik één aflevering van gemist heb. “Bij Liesbeth en Pieter is dat ook zo.” “Nee, maar echt, bij An en Frederik hebben ze dat opgelost met een extra kast.” En ik knik. Ik knik altijd. Alsof ik het begrijp. Alsof ik ook een derde schuif heb. Het gaat over de aannemer van de klinkers van de oprit. Altijd die oprit. Alsof geluk begint bij rechte lijnen in steen. “Die van ons, Kevin, die was echt nog betaalbaar.” Kevin. Natuurlijk heet hij Kevin. Kevin legt niet alleen klinkers, Kevin legt ook fundamenten voor gesprekken. En dan, ergens tussen hoofdgerecht en dessert, wordt het een beetje pikant. Niet te veel. Net genoeg. “Ja, en Marc, die heeft er dan toch ne knoop in gelegd.” Gelach. Blikken. Iemand die zegt: “Amai.” Iemand die zegt: “Allê Marc, gij durft.” En Marc lacht zoals mannen lachen wanneer ze weten dat ze nog net binnen de veilige zone zitten. Ik kijk. Ik observeer. Ik maak notities in mijn hoofd. Dit is materiaal. Dit is goud. Dit is een soort volkskunde met wijn. En dan ga ik naar huis. Alleen. Zonder tafelschikking. Zonder derde schuif. Met mijn sleutels in mijn jaszak en niemand die vraagt of ik ze al gevonden heb. Bevriende koppels, zeggen de statistieken, zijn een uitstervend ras. En toch. Ze blijven bestaan. Als hoeksteen van de maatschappij. En van grillrestaurants. Voor tafels groter dan acht. Voor opritten die gelegd moeten worden. Voor gesprekken die alleen werken als iemand zegt: “Wij”. Misschien moeten we ze beschermen. In reservaten. Met voldoende parkeergelegenheid en een degelijke aannemer in de buurt. Met een kookeiland in elke habitat en een derde schuif per koppel. En ergens, aan de rand van dat reservaat, sta ik te kijken. Te denken dat ik misschien ooit één van hen zal worden. En dat ik dan, op een dag, een zin zal zeggen die eindigt op  “met bevriende koppels”. Ik weet alvast genoeg over klinkers en opritten om te kunnen meepraten.

Katrien Daniels
43 0

hoarding disorder in fieri

in de reeks bijzondere verzamelingen vertelt raymond (90) in de krant over de 173 egeltjes in zijn twee vitrinekastjes én over dat ene egeltje in de tuin. zelf heb ik mijn verzameling speelkaarten, een slordige 150 boeken, onlangs verkocht aan een zestiger die vooral interesse in de jokers had, liefst van wat later carta mundi zou worden, dus vóór 1970. hij gaf me 40 euro en ik was ze kwijt. het kaderde allemaal in een grote opruimactie. er verdween vanalles uit huis met de bedoeling om ons bestaan 'lichter' te maken.  gisterenavond huilde de oudste omdat hij zijn aapje oe-oe miste, en zijn familie pieter konijn (zeven identitieke knuffeltjes uit zijn babytijd); hij was bang dat hij zijn andere knuffels op een keer ook zou moeten wegdoen. papa zorgt ervoor dat dat niet hoeft, troostte ik hem, maar ik dacht aan hoe hij over een jaar of vijf zes allicht zelf zijn pluchen verzameling zou wegdoen, misschien een paar houden omdat nostalgie nu eenmaal altijd om de hoek loert. dat kon hij zich nu niet voorstellen, maar dat had het leven voor hem nog in petto. hoe had ik ooit kunnen bevroeden dat ik tien grote bananendozen vol naar 'snuffel - antiquariaat en tweedehandsboeken' zou dragen. waarom moest het voor hem zo moeilijk zijn, vroeg mijn zoon, om dingen weg te doen. snoeppapiertjes dat ging nog, vervolgde hij, maar al de rest kon hij toch gerust bijhouden, dat moest toch niet weg. zijn moeder vloekte telkens als er in zijn broekzakken iets was achtergebleven, schroefjes, kastanjes, gras, stenen... dat de wasmachine terroriseerde. elke dag passeer ik langs de luikersteenweg een wit huis waar de spullen buiten gestapeld staan: fietsen, auto's, partijen dakpannen en bakstenen...  door de ramen zie ik hoe alles tot aan het plafond volgestouwd is; rechts onderaan het linkerraam een grote blauwe teddybeer. 

Hans Van Ham
4 0

Eikesvandekiekskes

Ik had ze genoemd naar de vriendinnen van mijn moeder. Lucy. Rita. Monique. Goede Lieve. Vier olijke dames in mijn tuin. Altijd druk. Altijd commentaar. Altijd honger. Ik vond dat geestig. Een klein eerbetoon. Tot die vier echte dames eens langskwamen. Koffie. Cake. Ge kent dat. Zo’n namiddag waarop de tijd een beetje stilvalt en iedereen tegelijk praat en toch hetzelfde verhaal vertelt. En ik — fier, onnozel — zeg: “Ja, en mijn kippen heten dus ook Lucy, Rita, Monique en Goede Lieve.” Stilte. Lucy — de échte — kijkt mij aan. “Dat vind ik eigenlijk niet zo plezant,” zegt ze. Ik lach nog wat. Probeer te redden wat er te redden valt. “Maar allé Lucy, kippen zijn toch schoon beesten. Die geven terug. Dat is eigenlijk een compliment…” Maar ge voelt dat ge aan het zakken zijt. Sommige metaforen moet ge gewoon binnenhouden. Enfin. Ze liepen daar dus. Mijn vier. En ik had een systeem. Een geniaal systeem, vond ik zelf. Afvalverwerking èn eten. Ideaal! Maar kippen denken niet na over vraag en aanbod. Die hebben geen Excel. Geen grafiek. Geen besef van consumptie. Vier kippen is vier eieren per dag. Dat is achtentwintig per week. Dat is honderd twaalf per maand. Dat is… te veel ei voor een mens. Ge kunt uw best doen. Echt waar. Maar er zijn grenzen aan wat een lichaam aankan. Zelfs met pannenkoeken, cake en quarte quarts inbegrepen. En daar begint het. Daar is ze... De vraag: “Kundegij iets doen met eikes?” Want eieren blijven nooit liggen. Die moeten bewegen. Van mens naar mens. Van keuken naar keuken. Eieren. Dat is een project. En mijn ecologisch project draaide. Tot er op een dag… bezoek kwam. Laat ons zeggen dat de natuur ook haar eigen economie heeft. Zeven jaar later kan ik zeggen: de vriendinnen van mijn moeder zijn er nog altijd. Lucy, Rita, Monique en Goede Lieve. Ze drinken nog koffie. Ze eten nog cake. Ze kijken nog altijd een beetje streng als ge iets zegt dat ge beter niet zegt. Mijn kippenvriendinnen zijn er niet meer. Maar de eieren wel. Ze komen nu van iemand anders. Iemand met hetzelfde probleem. Te veel kip. Te veel ei. En de vraag : “Zeg, kundegij iets doen met eikes?” En voor ge het weet zit ge daar terug. Aan tafel. Koffie. Cake. Dezelfde stemmen, dezelfde verhalen die al duizend keer verteld zijn en toch blijven plakken. En ergens in die cake — zacht, boterig, een beetje te veel van alles — zit een ei. Want eikes zijn meer dan ne merci uit de poep van een kip. Het is een beweging. Van mens naar mens. Van cake naar cake. Van moment naar moment. En misschien is dat het wel. Dat die kleine, banale eikesvandekiekskes er telkens opnieuw voor zorgen dat we blijven zitten. Nog een tas koffie. Nog een verhaal dat we eigenlijk al kennen maar toch nog eens willen horen.

Katrien Daniels
33 1

Bedorven

Vanwege mijn aangeboren onhandigheid doe ik het niet zo graag, een kar kopen. Je weet wel, aan de ingang van de supermarkt staan wriemelen met een muntstuk, het in zo'n rondje passen, dat metalen dingetje dichtschuiven en daarna een winkelwagentje losrukken uit het winkelwagentjestreintje. Altijd loopt er bij mij wel iets fout, of toch bijna. Deze keer dacht ik geen kleingeld bij te hebben. Gelukkig vond ik in een bijna vergeten uithoekje van mijn portefeuille nog een muntstuk van twee euro.  Twee euro is best veel, dacht ik bij mezelf. Het zou de eerste keer niet zijn dat ik bij het terugbrengen van zo'n boodschappenvoertuig problemen heb om het muntje er weer uit te krijgen, of het ding gewoon terug in het treintje schuif en het geleende bedrag vergeet te recupereren. Wie zonder verstrooidheid is, werpe de eerste steen. Of keitje. Of korreltje zout. Gezouten chips, niet vergeten straks. Gaat ook niet gebeuren. Ik ben een kei in winkelen. Samen met vrouw en oudste dochter ben ik er even tussenuit voor wat funshopping, winkelen terwijl je in principe niets nodig hebt. Dat klinkt misschien heel luxueus en welvarend, maar mijn gezinsleden en ik zijn al snel tevreden. We doen het in de grootste supermarkt in de buurt. Een totaalbeleving, want je vindt er zo ongeveer alles, ook kleding, elektronica, huishoudelijke apparaten, boeken ...  Desalniettemin stappen we een uurtje later buiten met een aantal nietigheden zoals speciale frisdrankjes die je in andere supermarkten nauwelijks kan vinden, een paar flesjes bier die je in principe overal kan krijgen (soms is de lust groter dan het karakter en dan kan je daar maar beter aan toegeven, anders word je sikkeneurig en gefrustreerd), een aantal snacks en chipsvariëteiten, een paar heerlijke kazen, wat druifjes, cocktailsaus en 'verse garnalen', volgens het etiket.  Altijd beter dan bedorven garnalen, grapte ik nog, want een beetje bedorven zijn we zelf al. Ontaard, decadent, slecht, verrot en corrupt in het algemeen Nederlands, maar in dit specifieke geval is het Nederlands een beetje te gemeen. In mijn dialect staat 'bedorven' voor 'verwend', dat klinkt al heel wat milder. Op de parking worden we aangeklampt door een vrouw van een jaar of dertig. Beetje angstaanjagend, want ze kwam werkelijk uit het niets tevoorschijn. Alsof ze zich vooraf achter een auto had verscholen. Bovendien, en nu stel ik me niet eens kritisch op, zag ze er nogal onverzorgd uit. Armetierig en onderkomen. Misschien hád ze geeneens een onderkomen. Haar lange donkerbruine haren waren volgens mij gewassen met oud frituurvet en haar tanden leken een samenraapsel van bruingele willekeurige stukjes en brokjes die me deden denken aan de onderste overblijfseltjes van een bijna opgevreten puntzak gekaramelliseerde popcorn. Ze rook bijzonder onfris en oogde vrij mollig in haar helrode fleece vest. 'Dag meneer, mag ik iets vragen?' Een mens zou geneigd zijn om nee te zeggen. Een vraag stellen om te vragen of je iets mag vragen ... Doet me denken aan mijn vroegere vriend Kris die op 'n avond in een discotheek plots gretig in de tieten van een meisje kneep en meteen daarna doodserieus vroeg of hij haar borsten eens mocht aanraken. Het leverde hem een paar flinke muilperen op. Van het meisje zelf én van haar vriend. Of hoe plots meteen plotsklaps werd. 'Ja,' zei ik kalm. Ze zit aan de drugs, dacht ik bij mezelf. Of aan de drank. Of allebei. Alhoewel, meestal zijn dat soort types nogal mager, op het uitgemergelde af. Eigenlijk vond ik het vreselijk dat ik zo dacht, maar ik dacht het wel zo, eerlijk waar. 'Heeft u misschien een klein centje voor mij, zodat ik straks misschien naar de winkel kan gaan om iets te kopen voor mijn twee kinderen?' 'Goh,' won ik tijd, nadenkend en smoesverzinnend tegen honderd per uur, 'ik betaal tegenwoordig altijd met de kaart. Cash geld heb ik niet op zak.' Schaam je, Danny, schaam je diep. Volgens mij zag ik zwart.  Ze keek naar mijn vrouw en die herhaalde min of meer wat ik had gelogen. 'Dat snap ik, meneer en mevrouw, maar ik zou al heel blij zijn met het centje dat u daarstraks in uw winkelwagentje hebt gestopt om het te gebruiken.' 'Haha! Dat is waar ook! Er zit nog twee euro in. Die mag je zo hebben.'  Ze bedankte me en trok het winkelwagentje uit mijn handen. Ineens leek ze erg gehaast. We keken haar heel eventjes na terwijl we onze luxeproductjes in de auto legden en net toen ik de koffer dichtklapte, stond ze alweer achter me. 'Nogmaals dank, meneer. Er zouden veel meer mensen moeten zijn zoals u. Dank u wel. U hebt een warm hart.' Ik glimlachte wat ongemakkelijk, knikte en stapte in. Met moeite, want alles wrong. Vooral in m'n hoofd. Hadden we haar niet beter meegenomen naar de winkel, haar eens onbezorgd laten kiezen wat ze nodig had en alles betaald? Mijn warme hart voelde als een ijskoude steen. Hoe ben ik zo geworden? Ligt het aan de wereld of aan mezelf? Mijn bijna kinderlijke naïviteit heeft door de jaren heen plaats gemaakt voor achterdocht en wantrouwen. Is deze vrouw werkelijk een radeloze moeder met twee hongerige kindjes of is ze alleenstaande en loopt ze zo dadelijk vrolijk en verslaafd de winkel binnen voor een bij elkaar gebedelde fles wodka? Ik zal het nooit weten. Twee euro armer, een schuldgevoel rijker. Het ene voel ik al wat meer dan het andere.

Danny Vandenberk
5 1

Zelfontwikkeling als de vruchtbaarste maatschappelijke interventie

Wat is jouw bijdrage aan de ‘maatschappij’? En wat houdt het juist in om een bijdrage te leveren? Ik zou denken dat het gaat over het maken van persoonlijke keuzes die ook een positieve invloed uitoefenen op het collectief. In het huidige mainstream narratief klinkt die bijdrage als een offer: persoonlijke energie en tijd die ten dienste staat van een collectief systeem. Het individu dat iets ‘inlevert’ en ‘opbrengt’; belastingen, diensten en goederen die de economie draaiende houden. Iedereen moet zijn steentje bijdragen. Welk steentje precies, dat moet je voor jezelf uitmaken, zolang je maar iets te dragen hebt. Wie niets bijdraagt profiteert. We hebben tegenwoordig te maken met een ‘solidaire afscheiding’. Juist omdat we het zogezegd voor een ander doen, verliezen we het contact met die ander. Klinkt dat bekend? Iedereen dient een offer te leveren door in zekere mate geoccupeerd te zijn met het bijdragen van zijn of haar steentje. Aan de toename van het fenomeen burn-out te merken, voelt het voor velen niet langer als een steentje, eerder als een blok aan hun been. Wat ooit een samenleving was, is een maatschappij geworden. Zoveel mensen die gebukt gaan onder hun werk- en levensritme en er tegelijk op toezien dat hun ‘maten’ het zeker niet beter hebben. De ‘maat’ in maatschappij verwijst nu naar een maatstaf waarmee het gewicht van jouw bijdrage wordt beoordeeld. De collectieve energie, die onder andere te lezen valt in reacties op sociale media, bevat veel bitterheid en afgunst. Als er bijvoorbeeld iemand aankondigt een camper te hebben gekocht en voortaan off-grid wil leven, dan wordt er spottend gewezen op de regels en verplichtingen die zo’n keuze bemoeilijken. Iemand die stiekem, of zeg maar onbewust, droomt van zo’n vrij leven, maar zichzelf diep heeft ingeprent dat zo’n levensstijl onmogelijk is, zal deze overtuiging ook op anderen projecteren. De beperkingen die mensen zichzelf opleggen, willen ze evenzeer een ander opleggen. Het gaat hier over beperkingen die aangeleerd en ingeprent zijn en dus in essentie niet eigen zijn. Het zijn in feite externe verhalen die zich zodanig prominent opdringen dat we ernaar zijn gaan leven. Ik zie hoe beperkingen die van ‘bovenaf’ komen, gestuurd door autoritaire krachten, eigen gemaakt en verdedigd worden alsof het gaat om een persoonlijke waarheid. Mensen die ontwaken uit deze massahypnose, en dat zijn er steeds meer, voelen hoe onnatuurlijk de druk is die het systeem uitoefent. Mensen blijven soms in een destructieve relatie omdat het alles is dat ze hebben en kennen. Het alternatief is het onzekere onbekende. Liever de voorspelbare ellende, dan een sprong in het ongewisse. De relatie die mensen met het huidige systeem hebben, zal niet zomaar opgegeven worden. Uit angst voor verlies van comfort en zekerheid. De polariteit van vandaag gaat over de kloof tussen mensen die de relatie reeds hebben opgegeven en mensen die ze nog hartstochtelijk verdedigen. Niet authentiek kunnen leven levert frustratie op, en die frustratie zorgt ervoor dat men het anderen ook niet gunt. Men zit geklemd in de klauwen van een systeem dat alles dat natuurlijk is op zijn kop zet, onder het mom van zekerheid en controle. Intuïtief weten en voelen we dat,  ons lichaam bezit die natuurlijke intelligentie waarmee we het onderscheid tussen ‘echt’ en ‘onnatuurlijk’ kunnen maken. Dat verklaart ook de enorme toename aan auto-immuunziekten en andere welvaartsziekten. Onze lichamen schreeuwen dat er iets niet klopt. Maar op rationeel vlak zitten we collectief met diepe indoctrinatie en hypnose. Wat nu als ‘normaal’ wordt geaccepteerd, wordt overeind gehouden met drogredeneringen en angst. Angst voor het mogelijke ongemak van verandering. De sociale zekerheid is al lang niet meer sociaal in een wereld waar mensen elkaar verklikken en benijden. De meerderheid doet exact wat het systeem (of de overheid) verlangt, wat een kernzaak is in het ontwerp van dat systeem. Want de motor of batterij van het systeem bestaat uit de mensen voor wie het ontworpen is. Terwijl er wordt geploeterd in de materie, schuift de energetische kant van de realiteit naar de achtergrond. Menselijke energie is niet enkel te vergelijken met een motor of batterij, maar ook met een antenne. De energie die we uitzenden als we een authentiek vrij leven leiden, heeft een heel andere frequentie dan wanneer we ons beperkt en geforceerd voelen. De vraag naar wat iemand bijdraagt aan het collectieve veld, link ik daarom aan de energie die iemand de ether inzendt en niet aan fysieke prestaties. Iemand die de natuurlijke voeling met zichzelf verliest door hard te werken en in te staan voor anderen, draagt vanuit dat opzicht minder bij aan het collectieve energieveld dan iemand die vanuit zelfzorg en dankbaarheid thuis op de sofa zit. Een zienswijze die op heel wat weerstand kan rekenen! Weerstand die het product is van een prestatiegerichte maatschappij en niet van een gezond functionerende samenleving. Wat mij betreft zijn de handelingen die we uitvoeren ondergeschikt aan de manier waarop ze uitgevoerd worden. In een natuurlijke samenleving primeert de trillingsfrequentie of gemoedstoestand waarin taken worden uitgevoerd en voelt het leveren van een bijdrage niet als een sleur of uitputtingsslag. En omdat we allemaal anders zijn, zou het dan ook meer dan normaal zijn dat er verschillende ritmes naast elkaar bestaan, in plaats van één algemene maatstaf te hanteren. Het collectieve veld is de co-creatie waar we allemaal mee te maken hebben en soms op botsen. Er is momenteel een omwenteling gaande waarbij de vorm van die co-creatie wordt herzien. De moeilijkheid is natuurlijk dat er meerdere krachten aan het werk zijn. En dat veel krachtbronnen zich niet bewust zijn van hun kracht. Ik ben erop uitgekomen dat zelfvertrouwen en eigenliefde de efficiëntste middelen zijn die iemand ter verzachting van de huidige co-creatie kan inzetten. En dat het belangrijk is om goed te onderscheiden welke intentie, en dus energie, elke persoonlijke keuze en handeling drijft. Want het is die energie die je bijdraagt aan het collectieve veld. Ik zou daarom bewuste zelfontwikkeling de vruchtbaarste maatschappelijke interventie noemen. Het is de basis die vereist is om ook in de praktische sociale wereld een positief verschil te kunnen maken. Schaamte, angsten en schuldgevoelens die gepaard gaan met het ‘uitvallen’ door burn-out of ziekte, horen bij een wereld die natuurlijke processen ridiculiseert, ontmoedigt en onderdrukt. Het is een geprogrammeerde respons met een lage trillingsfrequentie die indruist tegen onze ware aard en bovendien heling bemoeilijkt. Wie de wereld wil zuiveren van donkere vlekken, dient zichzelf aan te pakken. Een uitzuivering van de eigen beperkende overtuigingen is het meest waardevolle dat je aan het collectieve veld kunt schenken. Ik wens dat je je dit herinnert op een moment dat jouw kern om een ‘nee’ vraagt terwijl jouw persona zich verplicht voelt om ‘ja’ te zeggen, en omgekeerd.  www.karoliendeman.com    

KarolienDeman
14 2

Een Leven op de verkeerde rails

Soms, wanneer mijn gedachten zich in de schaduw van het bewustzijn verbergen, vraag ik me af of het de trein is die door het landschap schuift, of het landschap dat zich beweegt, geleid door de rails die zich ver onder de huid van de aarde verschuilen. Het is een vraag die zichzelf voortdurend herhaalt, zonder ooit een definitief antwoord te vinden. Het is niet zo dat ik onwetend ben, maar de kennis aan de oppervlakte is zo flinterdun dat ik me afvraag of het werkelijk de moeite waard is om te zoeken naar een antwoord dat er niet toe doet. Schuif ik door het leven? Of schuift het leven door mij? En waarheen schuiven de dingen? Vragen zijn mijn vervoersmiddel. Elke antwoord rijden ze voorbij. Zo ben ik geworden wat ik ben. Een lang verhaal zonder inhoud. Samen te vatten als: “Er was eens, en hij leefde ongelukkig en te lang.” De trein. Mijn eigen metronoom, de regelmaat van een leven dat zich in het ritme van de rails voortzet. Iedere ochtend weer, de vertrouwde rit van woonplaats naar werk, als een onvermijdelijk ritueel. Helaas bevindt deze metronoom zich in een andere dimensie van tijd, één die zich niet strikt aan het uurwerk houdt. Soms kom ik met een beetje geluk op de juiste bestemming aan, maar wanneer precies blijft altijd een verrassing. Gelukkig kruipt de trein altijd over dezelfde sporen, alsof dit de enige zekerheid is. Maar zelfs dat is betrekkelijk. En zo rijdt mijn leven voort. Een afgeleefde flat in Kortrijk. Een frustrerende job in Brussel. Mijn bestaan lijkt wel een… euh… trein. Waarin de bestemming niet altijd duidelijk is, maar de beweging nooit stopt. Hoe ik hier beland ben? Dat is een lang verhaal, en eerlijk gezegd, niet het soort verhaal dat de moeite waard is om te vertellen. De reflecties naar vroeger voelen als kleine wondjes die je vergeten bent, totdat je weer iets aanraakt en de pijn plotseling opkomt, scherp en ongemakkelijk. Het zijn de papiersneetjes van het leven – onmerkbaar, maar hardnekkig. Bespiegelingen vermijd ik. Wat laat een spiegel nu werkelijk zien? Alleen jezelf, en alles wat achter je ligt. Maar wat als je liever vooruit kijkt? Wat als er een spiegel was waarin je alles wat voor je ligt zou kunnen zien? Waar zou je dan staan? Een raam? Mijn ramen zijn stuk voor stuk verduisterd, reflecteren alleen de schemering van een leven dat niet altijd zichtbaar wil zijn. Trots, zelfvertrouwen, perspectief. Ik weet niet precies wat het is, maar het zijn geen vrienden van mij. Het leven leidt mij, en de mensen die zich rondom mij verzamelen – hoe miniem die groep ook is – sturen me verder, vaak tegen mijn wil. Ik volg, denk ik, niet omdat ik het wil, maar omdat ik het gevoel heb dat er geen andere keuze is. Een hond tegen wil en dank. Behalve dan dat ik zelf mijn poep zelf moet opruimen. Dwarrelen, ja, dat is wat ik doe. Al 26 jaar lang. Naar beneden, het grote smelten in. Het gevoel dat ik meer in de richting van iets verdwijn dan dat ik iets bereik. Gedachten zijn mijn schuilplaatsen. Daar is ruimte voor niemand anders, tenzij ik hen uitnodig. Alles kan er, maar niet alles mag. Het zijn geen eindeloze vlaktes die zich uitstrekken in de verte. Nee, mijn gedachten hebben grenzen. Variabele grenzen. Handig instelbare palen langs de weg die ik soms volg, maar die ook vaak in de weg staan. Ik breng veel tijd door in mijn gedachten, vaak zittend in een trein die wel rijdt, maar nooit weet waarheen. Mijn flat in Kortrijk, een bescheiden uitvalsbasis voor dit wankele bestaan, is niet veel meer dan een verzameling ruimte. Een piepkleine hal die rechtstreeks naar de woonkamer leidt, gevuld met meubels die niet meer van deze tijd zijn. Een bank die ooit comfortabel was, maar nu in een soort schrijnende leegte zit. De boekenkasten lijken zichzelf een rol toe te schrijven die ze niet kunnen vervullen, en de eettafel is het enige meubelstuk dat nog redelijk in harmonie is met de ruimte. De keuken, een open eiland zonder veel ziel, loopt door in de slaapkamer, die je alleen betreedt als het echt nodig is. En dan is er de badkamer, gescheiden van de woonkamer door een deur die net zo betekenisloos is als de kleur van de muren. Wat voor kleur? Een soort wit, maar je zou het niet kunnen zeggen. Het is kleurloos. Er is geen televisie, geen dressoir – ik heb nooit begrepen waarom mensen dressoirs nodig hebben. Twee grote ramen laten wat daglicht binnen, hoewel ik betwijfel of dit voldoende is om mijn bestaan echt te verlichten. Trots, dat ken ik niet. Maar ik houd mijn flat in een redelijke staat, opgeruimd. De bank is chaos, maar de rest is in enige mate in balans. Ik eet altijd aan de eettafel, nooit op de bank. Slapen doe ik in mijn bed, dat net genoeg ruimte biedt om tot rust te komen. De kleren die ik heb hangen netjes in de kast. Schoenen staan keurig in een rek. De enige uitzondering zijn de boeken. Die leg ik overal neer. Boeken zijn voor mij een soort gedachten die in papier gevangen zitten. Ze zijn alles, ze zijn evenwaardig aan mijn eigen reflecties. Ik leef er in. Mijn lichaam? Het krijgt de zorg die het nodig heeft, al is het niet veel. Ik wandel, ik loop. De lange afstanden, die is mijn ding. Niets valt te vergeleken met het gevoel dat ik krijg van een drie- of vier uur lange wandeling of looptocht. Terwijl mijn gedachten zich verliezen in de tijd, in de regen of zon, dat maakt niet uit. Beide kunnen naast elkaar bestaan. Denk ik. Er is zoveel waar ik van hou, maar het is niet altijd duidelijk waarom. Mijn begrip lijkt zo beperkt. Wat ik niet begrijp? Het dagelijkse ritueel van het woon-werkverkeer. Waarom blijf ik iedere dag opnieuw in die trein stappen? Wat bezielt me om deze absurditeit te herhalen? Dit, dit is mijn grootste raadsel. En dan, daar in Brussel, de stad die zichzelf met moeite bijeenhoudt, een oude man in een te strak wit hemd, altijd maar proberen te passen in het steeds kleinere jasje van de tijd. Brussel is een hutsepot zonder recept. Steeds maar hopen dat het ooit op smaak komt door er extra ingrediënten bij te gooien.

Piet V.
4 0

Sense of Purpose

Ik ben altijd zot geweest van muziek. In mijn tienerjaren, de vroege jaren tachtig, was ik van de post punk en de new wave. Ik was er helemaal door bezeten, ik kon er uren naar luisteren, mij uitleven op de dansvloer, en er troost in vinden. Muziek was kostbaar, een plaat kostte driehonderd frank. Ik kocht van mijn zakgeld alleen de allerbeste, andere muziek nam ik op cassettebandjes op : ik leende platen van vrienden of nam gewoon muziek op van de radio. De aanschaf van een vinylplaat was telkens een evenement. Met de trein naar Antwerpen, in de platenwinkel Brabo op de grote markt een paar fragmenten beluisteren met de koptelefoon en thuis het ritueel : ze uit de hoes halen, op de platendraaier leggen, de naald erop, een paar tikjes, de eerste noten … de hoes bewonderen met de foto’s, de teksten bestuderen. In december 1982 werd ik zeventien. Ik kreeg van mijn vriendinnen ‘A Kiss in the Dreamhouse’ van Siouxsie and the Banshees. Voor kerstmis kregen wij van onze ouders geld voor een cadeau dat we zelf mochten uitkiezen. Ik nam de bus naar Lier en kocht ‘From the Lions Mouth’ van the Sound, een Britse post punk band, die lovende kritieken kreeg, maar nooit echt is doorgebroken. Ik pakte de plaat in en legde ze onder de kerstboom. Het uitkijken naar het uiteindelijke moment waarop ik mijn cadeau eindelijk mocht uitpakken, maakten het extra waardevol.  Ik speelde ze tot ik elke noot, elke gitaarriff, elk baslijntje, alle lyrics vanbuiten kende. Ze staat nog in mijn platenkast, ik vind ze nog altijd even sterk. Toen ik ze onlangs nog eens speelde, kwamen de herinneringen terug en het gevoel dat ik toen had, dat ik moeilijk in woorden kan vatten. ‘From the Lions Mouth’ was de soundtrack van mijn laatste jaar menswetenschappen in het Instituut Heilig hart van Maria in Berlaar. Het nummer dat mij het meeste raakte was ‘Sense of Purpose’. Ik dacht dat het ging over weten wat je wil, een doel hebben in je leven maar ook over zingeving en engagement. ‘I'll take my life into my own hands  What are we going to do? I'm asking, I'm asking you!’   Dat was de vraag. Wat ging ik nu eigenlijk doen? Voor mijn klasgenoten was het duidelijk. ‘Ik ga studeren voor maatschappelijk werker.’ ‘Ik word onderwijzeres.’ Anderen werden kleuterleidster, nog iemand ging in de slagerij van haar vriend werken. Ik wist het niet. Engagement vond ik wel tof. Een van mijn vriendinnen noemde zich feministe en was sociaal geëngageerd. Voor abortus, tegen kernergie. Pacifist, anti-racist. Haar oudere zussen stemden PVDA. 'Dat is goed, hoor, Ilse, het communisme. Alles is van iedereen.' Ze gaf me een button die ik fier opspeldde. Mijn zus was niet onder de indruk. 'Wat is dat voor iets. Fascisme? Gooi maar snel weg!’  ‘Nee, kijk dan, destroy fascism.'   Op een dag werd er op de deur van ons klaslokaal geklopt. Een jonge vrouw stak haar hoofd binnen en vroeg of ze even mocht storen. De les onderbreken vonden wij altijd prima. Ze ging voor de klas staan en stak van wal. ‘Wie heeft er zin om volgend schooljaar naar het buitenland te gaan? Bij een gastgezin wonen en het laatste secundair overdoen?’ De helft van de klas was ze kwijt, de anderen luisterden, uit beleefdheid, met een half oor. Maar mij had ze meteen mee. Ik, die mijn tijd op de schoolbanken grotendeels doorbracht met uit het raam staren, dromen en in mijn hoofd ‘Sense of Purpose en ‘New Dark Age’ zingen, was een en al aandacht. Zo kwam het dat ik die avond thuiskwam met de vraag :  ‘Mag ik volgend schooljaar naar Australië gaan?’ Dit hadden mijn ouders niet zien aankomen.De volgende morgen kwam mijn moeder mijn kamer binnen en schoof de gordijnen open. 'Ik ga heel hard wenen maar je mag gaan.’ Mijn zussen, broers, klasgenoten, vonden het 'speciaal’. Onze klastitularis, mevrouw Broos, vond het een heel goed idee : ‘Je gaat uit je schulp moeten komen.’ Samen met mijn ouders ging ik naar een infomiddag van Youth For Understanding en de procedure werd in gang gezet : aanvraagformulieren, motivatiegesprekken. Wat eerst een ingeving was, werd nu een concreet plan. Het begrip comfortzone kende ik nog niet en als ik er al van had gehoord, weet ik niet of ik er wel uit wilde. Maar ik wilde geen saai leven onder de kerktoren, ik wilde de wijde wereld in. En wat ik daarna ging doen, dat zou ik dan toch zien? ‘Maar waarom wil je precies naar Noorwegen gaan?’ vroeg mijn vader. Australië bleek te ver, te ingewikkeld en te duur, het werd een Europees land en ik had een romantisch beeld van Noorwegen : fjorden, bergen, sneeuw en een leuke taal, met die streepjes en bolletjes. Terwijl de aanvraagprocedure liep en ik wachtte op een positief advies, ging het leven in de menswetenschappen zijn gangetje. Met mijn feministische vriendin ging ik naar de opening van Happy House, een club in Aarschot waar ik tot een kot in de nacht danste op 'Happy House' en op muziek van Echo and the Bunnymen, New Order en The Sisters of Mercy. Iedereen bewoog zich alsof hij vijf frank van de grond wilde oprapen. De houterigste hark transformeerde in stroboscooplicht tot een ster op de dansvloer. Op de driedaagse retraite staarden we samen met mevrouw Broos en een pater naar een kaars en moesten dan zeggen welke diepe gedachten en gevoelens er bij ons opkwamen. De uitslovers zagen warmte en liefde, een schitterende toekomst, de zon. Ik zag een brandende kaars. Optredens van The Cure en Siouxsie and The Banshees in zaal Lux in Herenthout, legendarisch! De bassen bonkten door mijn lijf en ik lag in bed met fluitende oren. Niemand droeg oordopjes. Een andere vriendin had een vriendje met een migratieachtergrond. Nadat in Lier een Marokkaanse jongen slaags was geraakt met een buitenwipper, die een paar tanden was kwijtgespeeld, raakte geen enkele ‘vreemde’ nog binnen in een Lierse discotheek. Niemand protesteerde. Wanneer ik me verdrietig en eenzaam voelde deed ik het licht uit en zette Joy Division op. 'Isolation', 'A Means to an End'. Op het einde van het schooljaar kladden we onze nylon schorten, die we over onze kleren moesten dragen, helemaal vol en gooiden ze in de vuilbak.  Toen kreeg ik het bericht dat ik was toegelaten en naar Noorwegen zou gaan. Met de opwinding sloeg ook de twijfel toe. Ga ik dat wel kunnen? Ik ben toch veel te verlegen, veel te stil? ‘Natuurlijk ga je dat kunnen,’ zei mijn moeder. Alle voorbereidingen werden getroffen, ik pakte mijn koffer en toen zei mijn vader : ‘ Als je nu eens gewoon thuisbleef?’ Met een bonzend hart stond ik op de luchthaven van Schiphol, samen met mijn ouders en mijn zus. Ik droeg mijn  jasje met de button ‘destroy fascism’ en op mijn handbagage kleefde een sticker : 'Atoomenergie? Nee bedankt!'. In mijn bagage had ik dertig cassettebandjes gestopt. Op een ervan had ik ‘Jeopardy’ van the Sound opgenomen. Het eerste nummer van de plaat is ‘I can’t escape myself'. Dat wist ik toen nog niet.                          

Ilse Janssens
0 0

wij die gezien willen worden

Wij, die gezien willen worden, worden dan uiteindelijk ook gezien,maar het is in de nasleep, de nauwe randzone erbuiten dat het schouwspel zich afspeelt.We moesten zeggenschap nemen over het keren van het tij en het is in die verstandhouding dat we dan ook reageren. Er is niets veranderd.Het werd zichtbaar.Het werd zichtbaar dat er niets veranderde. En zo ben je aanbeland bij het weerzien van een oude kameraad die net als jou, nog loopt te ijsberen in niemandsland. Wij hebben wat vreugde is.Wij hebben wat voortkomt uit vreugde.Maar wij hebben weinig aanleiding om aanstalten te maken.Maar er gebeurt te weinig in die toestand.  Wij, pijn, zien onszelf niet al te graag.Liever, slepen we verder onszelf de tijd in en ook altijd weer uit.Hier is de tijd blijven stilstaan en vernielen we ruimte. Het is simpel: zij die willen blijven zijn, blijven zijn. Zij die willen kunnen ontsnappen, zijn niet lang meer, en net dat is afhankelijkheid. Wij werden door de toestand verpletterd. Die verplettering levert ons gelukkig ook wat op:meer toestand.  Na x aantal jaar ben je 'volwassen' en wordt er geopperd dat wij niet gezien werden, maar niets is minder waar:wij die gezien wilden worden, werden dan ook gezien.In het oog van de toeschouwer is alles heerlijk melancholisch. Voor ons is het verpletterende besef dat we ouder worden een egoboost. Wanneer speelt de overgang zich af? Van jong naar oud, van slecht naar op z'n minst beter. Van afscheid tot weerzien. Toen we elkaar tegen het lijf liepen, versnelde de tijd en werd de ruimte ertussen zichtbaar. Was dat geluk hebben.  We werden gezien en dat was al waar het hem om te doen was.Tussen ochtendgloren en avondval heb je tijd. Tussen ruimte en persoon heb je tijd. Tussen mij en jou zat er veel tijd, zichzelf in slaap te wiegen, en wie had gedacht dat ik je zou treffen op de slechtst mogelijke moment? Wij zagen elkaar, deden niet meer dan iets optimistisch,alsof we elkaar daar verwacht hadden. Dit is de overgang naar het andere tijdperk.  Dit is leven in opperste glorie: afzien. 

Dries Verhaegen
14 1