Zoeken

De geur van een Palaroid

Cadzand is altijd een goed idee. Als ik het gevoel heb dat de wereld precies een spelletje speelt waarvan iedereen de regels kent, behalve ik. Als ik weer dat kind ben dat op de speelplaats net iets te laat vraagt of het nog mag meedoen. Of wanneer alles zo hard begint te roepen dat ik mezelf niet meer goed hoor. Dan rij ik naar Cadzand. Daar kunt ge ademen. Echt ademen. Er zijn polders, fietspaden, duinen en van die houten palen op het strand die daar al decennialang staan. Wind? Prima. Storm? Ook goed. Hoogwater? Kom maar op. Ze lijken zich nergens druk om te maken. Alsof ze willen zeggen: Rustig maar, meisje. De zee heeft al erger gezien. Daarom hou ik zo van Cadzand. Maar er is meer. Tussen die duinen en die polders ligt een heel album vol Polaroids van mijn kindertijd. Van die foto's met afgeronde witte randjes, waarvan de kleuren stilaan zijn vervaagd. Waarop ik rondloop met een blond vlaskopje, een sponsen shortje, een Mickey Mouse T-shirt en knieën die nooit helemaal genezen zijn. Foto's waarop de zon altijd schijnt, vakanties eindeloos duren en niemand ooit op de klok kijkt. Op camping De Hoogte. In een stacaravan. Bij bomma en bompa. Daar hoefde ge nooit te vragen of ge mocht meedoen. Ge pakte uw fiets en tegen dat ge aan het einde van de camping waart, waart ge alweer iemand tegengekomen. We reden urenlang rondjes zonder bestemming, gewoon omdat het kon. Tegen de avond verzamelde iedereen zich aan de petanquebaan. De volwassenen gooiden met bloedernstige gezichten metalen ballen naar een klein houten balletje. En wij stonden erachter alsof België elk moment olympisch goud kon winnen. Ge had niet veel nodig in de jaren tachtig. Als het donker werd, doken we ergens een caravan binnen om Super Mario Bros te spelen. Of te kijken hoe iemand anders speelde. Dat weet ik eigenlijk niet meer.  Dat was vakantie. Maar van al die Polaroids is er één die altijd scherper is gebleven dan de rest. Die van de ochtenden. Elke ochtend stond bompa als eerste op. Hij bakte spek. Nog voor mijn ogen goed open waren, kroop die geur al door de caravan. Een mengeling van een beslapen hoofdkussen, warme caravan, koffie en spek dat lag te sissen in een pan waarvan geen enkele cardioloog vandaag nog de inhoud zou goedkeuren. Mijn zus en ik kwamen dan in ons zomerslaapkleedje aangeschuifeld. Bompa keek naar de pan. Dan naar ons. Wij naar de pan. Hij schoof de pan een beetje dichterbij en zei samenzweerderig: "Dopt er maar eens in." Alsof hij ons zojuist had ingewijd in een geheim genootschap. Wij pakten onze boterham en dopten die schaamteloos in het warme spekvet. Bompa keek goedkeurend toe. In de jaren tachtig bestond cholesterol volgens mij gewoon nog niet. Vandaag is Cadzand veranderd. Veel zelfs. Er zijn prachtige appartementen gekomen. Mooie restaurants. Strandpaviljoens waar ge dingen kunt bestellen waarvan mijn bompa waarschijnlijk eerst drie keer zou gevraagd hebben wat het precies was en daarna toch gewoon een koffie zou genomen hebben. Wanneer ik daar ben, stop ik nog altijd aan camping De Hoogte. Ik parkeer mijn auto en loop een beetje verlegen de camping op. Alsof iemand elk moment kan vragen wat ik daar eigenlijk kom doen. En eerlijk? Ik zou het antwoord niet goed weten. Even kijken. Even ruiken. Want het vreemde is: het ruikt daar nog altijd naar vroeger. De beits van de grote schuur wanneer ge binnenkomt. Het rubber van de banden aan de speeltuin. De caravans die warm worden in de zon. Gras. Polder. Een beetje zee. En ergens tussen al die geuren.. het spek van bompa. Geuren zijn vreemde dingen. Ze trekken zich niets aan van tijd. Ze sleuren u zonder waarschuwing veertig jaar terug. Plots zijt ge geen vrouw meer die met een hoofd vol zorgen naar Cadzand is gereden. Ge zijt weer dat meisje met een blond vlaskopje, een sponsen shortje en een Mickey Mouse T-shirt. En ge zit met een stuk brood in uw hand te wachten tot bompa heel even glimlacht en de pan naar u toe schuift om te doppen. Bompa zei eigenlijk nooit dat hij ons graag zag. Dat deden mannen van zijn generatie niet. Die bakten spek. Die repareerden uw fiets. Die wachtten tot iedereen aan tafel zat. Die legden zonder iets te zeggen het beste stukje op uw bord. En die keken. Met zo'n blik waarvan ge als kind nog niet wist dat ge hem later uw hele leven zou proberen terug te vinden. Misschien rij ik daarom nog altijd naar Cadzand. Niet voor de zee,  maar omdat daar nog altijd een klein stukje wereld bestaat waar ze niet zeggen dat ze u graag zien. Ze bakken spek en ze schuiven de pan een beetje dichterbij.

Katrien Daniels
33 4

Viswijven

Op kot leert ge al snel dat er twee soorten mensen bestaan. Mensen die hun leven op orde hebben. En mensen zoals ik. Els hoorde zonder enige twijfel bij de eerste categorie. De kamer recht tegenover de mijne. Zij had een bed dat opgemaakt was. Ik had een bed waarvan ge soms niet meer wist welke kant boven lag. Zij had yoghurt in de koelkast die niet over datum ging. Ik had vooral goede bedoelingen en een collectie koffietassen met een biologisch experiment onderaan. Els kon zonder moeite een weekmenu maken. Ik leefde volgens het gastronomische principe: we zien wel. Wij hadden een waterdicht plan voor als onze studies grandioos zouden mislukken. Wij gingen surimi, garnalen en wulken verkopen aan de kaai van Oostende. Niet zomaar een viskraam. Wij gingen de twee gezelligste viswijven van de kaai worden. Mensen zouden eigenlijk geen garnalen komen kopen. Ze zouden blijven plakken voor de sfeer. Voor een babbeltje. Voor een gratis levensadvies tussen de wulken. Achteraf bekeken hadden we geen flauw idee hoe ge een viskraam runt. Maar we waren er wel rotsvast van overtuigd dat we fantastische viswijven zouden zijn. Het is er nooit van gekomen. Wij konden uren praten. Over alles en niks. En vooral over dingen die een normaal mens nooit bedenkt. Toen mijn goudvis stierf, vonden wij dat een begrafenis op zijn plaats was. Niet zomaar een minuut stilte boven de wc-pot. Nee. Een plechtigheid. Met speeches. En omdat een goede uitvaart ook een koffietafel verdient, aten wij achteraf fishsticks.  En dan was er het Songfestival. Volgens Els en mij is het nog altijd een schande dat de finale geen officiële betaalde feestdag is. Ge kunt toch niet verwachten dat mensen de dag nadien productief zijn nadat ge tot één uur 's nachts hebt gediscussieerd over de puntentelling van Moldavië?  Dat soort avonden. Van die avonden die ge later onmogelijk kunt uitleggen zonder dat iemand zich zorgen begint te maken. En daarna gebeurde wat altijd gebeurt. Het leven. Voor Els ging dat wonderwel volgens plan. Ze bouwde samen met haar vriendin een warm en rustig leven uit. Zo'n huis waar ge spontaan uw schoenen wilt uitdoen. En vier prachtige dochters die het bewijs zijn dat sommige dromen gewoon uitkomen. Ik maakte van mijn leven eerder een opstapeling van plots uit een weekendfilm. Met iets te veel onverwachte wendingen, een paar personages die ge halverwege liever had herschreven en gelukkig ook af en toe een scène waarvan ge denkt: daarvoor kijkt een mens nu televisie.   En wij. Wij bleven elkaar horen. Soms zat er een paar maanden tussen. Soms nog wat langer. Maar dat bleek nooit een probleem. Een vriendschap tussen twee toekomstige viswijven heeft blijkbaar maar een halve pannenkoek nodig om opnieuw midden in een gesprek te belanden dat dertig jaar geleden even was onderbroken. Els heeft trouwens altijd volgehouden dat ze eigenlijk met mij had moeten trouwen. Dat ik ooit wel zou inzien dat mannen mij vooral veel kopzorgen hebben bezorgd en dat zij al die tijd gewoon geduldig op mij heeft gewacht. Ik heb haar beloofd dat ik haar haar zin geef. Later. In het woonzorgcentrum. Dan racen we met onze scootmobielen door de gangen, leiden we de nachtwakers af zodat we nog uren kunnen babbelen en doen we alsof we opnieuw op kot zitten. En daarna eten we fishsticks. Dat viskraam....Dat vind ik nog altijd een gemiste kans.

Katrien Daniels
100 1