Zoeken

HOE ZELFS LINKS MIJ DISKRIMINEERT ALS HOMO

kwetsbare MAN kwetsbaar mannelijk schoonheidsideaal ¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨ Toen ik op veertienjarige leeftijd verplicht werd om in de fabriek te gaan werken, had de maatschappij al een kiem van ontevredenheid gelegd. De ongelijkheid was mij tijdens mijn schoolperiode al duidelijk geïllustreerd: er werd geen enkele moeite gedaan om mijn interesse voor de leerstof te wekken. Met veel straffen werd ik enkel uit het analfabetisme gehaald, niet meer en niet minder. De traditie eiste immers dat de mensen uit mijn arbeidersbuurt op veertienjarige leeftijd gingen werken. De nonnen trachtten er dan ook geen intellectuelen van te maken.Tot grote spijt van mijn omgeving werd ik later actief in de politieke milieus van mijn stad. Mijn interesse was gewekt door een lieve jongen uit dat milieu, op wie ik onbewust verliefd was geworden. Ik vond er voor het eerst de woorden (en het begrip) voor mijn onderdrukte positie als arbeider. In die omgeving was er iemand die mij, als enige arbeider, interessant genoeg vond om deel te nemen aan de Derde Wereld-beweging (die later AMADA werd en nu PVDA). Nadat ik enkele vergaderingen had bijgewoond, werd ik voor het eerst geconfronteerd met het volstrekt onbegrijpelijke taalgebruik dat zij tegenover mij als arbeider hanteerden — het zou niet de laatste keer zijn — en met de emotionele afstandelijkheid. Alles mocht, zolang men maar de taal van Marx sprak. Toch belette dat niet dat ik me bewuster werd van mijn positie als arbeider; de kiem kreeg wortels. Maar de spanning die werd veroorzaakt door mijn marginalisering als arbeider tussen intellectuelen, en de inconsequente houding in het dagelijkse leven, maakten dat ik me er niet meer thuis voelde. Ik koos de weg naar het apolitieke milieu.Op negentienjarige leeftijd verhuisde ik naar Gent (later naar Leuven, Brussel en nu Antwerpen) en sloot ik me aan bij tal van groepen die één ding gemeen hadden: de zoektocht naar een nieuwe maatschappijvorm. Het was echter duidelijk dat mijn bewustzijn als arbeider en mijn bewustzijn als homo niet gelijk evolueerden. Als kind had ik uitgebreide seksspelletjes met mijn vriendjes (die nu opeens hetero schijnen te zijn), waardoor ik volop mijn homo-erotiek kon uitleven. Ik kreeg in mijn jeugd de indruk dat alle mensen homo-erotische gevoelens hadden en die op de een of andere manier uitten, maar dat ze werden belet om die openlijk te beleven. Over seksbeleving werd immers niet gepraat; het werd belachelijk gemaakt. Toen ik ongeveer twaalf jaar was, hadden de kerk en mijn opvoeding een zodanige invloed op mij dat mijn schuldgevoel me dwong om slecht te vinden wat ik eigenlijk fijn vond. Daarom biechtte ik mijn seksspelletjes op met een jongetje van wie ik ontzettend veel hield en die mij dat prachtige gevoel van spanning gaf. De pater bedacht mij niet met een bedevaart naar het G.O.C., maar met een bidprogramma van een week. Hij verbood mij om 'zulke dingen' nog te doen. Ik moest hetero worden.Ook de linkse beweging, waar fallocratisch gedoe de norm was, sterkte mij in het idee van de heterovanzelfsprekendheid. Dus klasseerde ik mezelf als hetero. Ik wérd hetero. Op twintigjarige leeftijd hield ik dat niet meer vol. Ik voelde me genoodzaakt de bars in Brussel te bezoeken. In mijn dagelijks leven was ik hetero, ’s avonds was ik homo. Mijn verhuizing naar Leuven, mijn werking in de werkgroep Marginaliteit en mijn verblijf in de 'Pimpel' zijn cruciaal geweest voor mijn evolutie. Daar kon ik voor het eerst mijn homo-zijn verwoorden. Daarbuiten ging mijn schizofrene leven echter gewoon door. Op een dag ontmoette ik in de enige bar die Leuven rijk was een lieve jongen die actief bleek bij de Leuvense Studentenwerkgroep Homofilie (LSWH). Als een goed militant sleurde hij me mee naar een van hun vergaderingen. Ik wist destijds maar vaag van hun bestaan, omdat hun werking vooral gericht was op studenten. De rest van de onderdrukte homo’s die geen banden hadden met de universiteit, kon het bestaan ervan hoogstens vermoeden. Alleen voor de toekomstige dokters en intellectuelen werd de rode loper van de hulpverlening uitgelegd. Maar goed, eenmaal binnen werd je getolereerd. Toen ik hoorde wat ze allemaal deden — opvang, wekelijkse vergaderingen, gespreksgroepen — dacht ik dat mijn leven zou veranderen. Geen ellendige bars meer, geen constante uitbuiting van onze gevoelens, en niet meer het gevoel naar de hoeren te moeten lopen als je behoefte had aan affectie.Weg ermee: leven! De LSWH betekende voor mij een lichtpunt. Ik dacht daar mensen te vinden die, net als ik, naar buiten wilden treden. Mensen die ons homo-zijn niet langer wilden verbergen. Ik hoopte bij hen de kracht te vinden om op straat te kussen, gearmd te lopen en mijn homoseksualiteit te tonen. Ik dacht dat de problemen spoedig voorbij zouden zijn. Ik hoopte op mensen die achter me zouden staan en me zouden leren in verzet te komen tegen de constante vernedering van het beloerd, bespot en uitgescholden worden. Maar de droom was kort, de teleurstelling pijnlijk. Er werd gezegd dat we 'de mensen niet moesten choqueren', want we moesten 'die hetero’s de tijd gunnen en hen vragen ons te tolereren'. Hoe zij dan met ons moesten leren leven, bleek uit de vele gesprekken over hoe men 'gelukkig kon leven in deze heteromaatschappij'. Dat betekende in de praktijk: 'hoe leer ik mijn homogevoelens onderdrukken voor de hetero’s'.De heteronormativiteit werd nooit in vraag gesteld; alleen aan ons, homo’s, werd constant getwijfeld. Geen dromen meer over naar buiten treden. Ons bed, onze kamer, de bars en de werkgroep: dat waren de afgebakende plaatsen waar ik mijn homo-zijn mocht beleven. Daarbuiten was het op eigen risico; daar was er niemand die mij hielp. De maatschappij werd niet fundamenteel bekritiseerd, hooguit hier en daar gecorrigeerd. Na een aantal vergaderingen vervloog de droom en zat ik weer in de bar. Daar vond ik tenminste waar het mij om ging: mannen. Door de hele dag mijn homogevoelens te verdringen, zat ik zodanig in de knoop dat ik nog maar één doel had: de bar in en een man opscharrelen. Wie of wat hij was, deed er niet toe. Dat kon ook niet, want de sfeer was meestal zo vervreemdend en de muziek zo luid dat nadenken onmogelijk was. ’s Morgens werd de man na een kop koffie gewoon weer op straat afgezet.Zo ging het verder, tot ik op een dag op een van die 'intieme homofuifjes' een vriendje tegenkwam die bij de Rooie Vlinder bleek te zitten. Hij vertelde dat ze de volgende dag zouden meelopen in de 1 mei-betoging. Dus ging ik de volgende dag mee de straat op, wat meteen mijn aansluiting bij de Rooie Vlinder betekende. De vergaderingen waren leuk. Er werd gelachen en gepraat, maar vooral: er werd iets ondernomen tegen onze onderdrukking. Hier mocht ik zeggen dat ik niet de enige was die zichzelf niet aanvaardde, maar dat de maatschappij mij simpelweg de mogelijkheid daartoe niet gaf. Na de vergadering werd er meestal een pint gedronken in een 'gewone' kroeg. Die hetero’s, aan wie we eerst moesten wennen, vielen ook mee; ze kwamen ons zelfs kusjes geven (niet altijd even overtuigd, maar goed, beter iets dan niets). Daar heb ik de draad van mijn verzet tegen het conservatisme weer opgepakt. Ik wist dat ik niet meer alleen stond. We beseften dat we elkaar nodig hadden als steun in de dagelijkse realiteit. Het werd mooi om 'flikker' te zijn. Mijn schuldgevoel maakte plaats voor een zelfbewustere houding (die me nu soms wordt verweten). Gedaan met het constante rekening houden met hetero’s: vanaf nu moesten zij ook rekening houden met ons. 'Janet' zijn is mooi, en het zou steeds mooier worden.De vakantie stond voor de deur en ik vertrok naar Zuid-Frankrijk naar een alternatief janettenkamp. Daar, veertien dagen samen met homo’s uit heel Europa, ervoeren we de solidariteit die alleen onder onderdrukten mogelijk is. Ook het feit dat mensen mij mooi, lief en erotisch vonden, bevrijdde mij van tal van complexen die ik in het heteroghetto had opgedaan. Ik kwam sterker terug.Na een jaar bij de Rooie Vlinder heeft de boom bladeren gekregen. Hij is nu sterk genoeg om in het verzet te blijven.  Na een jaar ROOIE VLINDER heeft de boom bladeren gekregen. Hij is nu sterk genoeg om in het verzet te blijven. De bloemen zullen echter alle vruchten krijgen als de solidariteit van de progressieve beweging groot genoeg is en steunt op het consequent in-vraag-stellen in de dagelijkse praktijk van het eigen fallokratisch gedrag. De fallocratie is een dynamiek van de conservatieve beweging en de oorzaak van de onderdrukking van zowel vrouw als man. Er resteert geen andere keuze dan de consequente afbraak van die dynamiek. Iedere stap in die richting maakt mijn homoseksualiteit mooier, vrijer. Deze tekst verscheen in de rooie vlinder krant 1978 ****************************************************** De Rooie Vlinder (1976–1981) was een radicale, socialistische actiegroep die een fundamentele rol speelde in de vroege Vlaamse homobeweging. In tegenstelling tot eerdere organisaties die streefden naar maatschappelijke aanpassing, zette deze groep in op de totale homobevrijding en een fundamentele verandering van de samenleving.  Belangrijkste kenmerken en doelstellingenIdeologie: De beweging was expliciet links en socialistisch. Ze beschouwden de onderdrukking van homoseksualiteit als een product van de kapitalistische en patriarchale maatschappijstructuur.Bevrijding vs. Integratie: De Rooie Vlinder verzette zich tegen "integratie" in de heteronormatieve wereld. Ze wilden niet simpelweg geaccepteerd worden, maar streden voor het recht om fundamenteel anders te zijn zonder discriminatie.Locatie: De kernactiviteiten vonden voornamelijk plaats in Gent (verbonden aan de UGent) en Antwerpen.  De groep lag aan de basis van vele "primeurs" in de Vlaamse LGBTQ+-geschiedenis:De Eerste Homodag: In 1978 organiseerde De Rooie Vlinder de allereerste Belgische homodag in Antwerpen, de voorloper van de huidige Pride.Eerste Homofilmfestival: Ze gebruikten cultuur als strijdmiddel en organiseerden het eerste festival voor homofilms in Antwerpen.Militante actie: Ze stonden bekend om hun confronterende stijl en betogingen, zoals de protesten rond de omstreden musical Snoepjes.  Erfenis en opvolgingDe beweging werd in oktober 1981 ontbonden, maar hun radicale gedachtegoed leefde voort in het Roze Aktiefront (RAF), dat direct na de opheffing werd opgericht. Tot op de dag van vandaag, in 2026, wordt De Rooie Vlinder herinnerd als de groep die de holebibeweging in Vlaanderen uit de onzichtbaarheid trok en politiseerde. Documentatie over hun acties is onder meer terug te vinden in het Fonds Suzan Daniel, het holebi- en transgenderarchief van België.     

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen dommekloot
0 0

Niet alles wat in mij spreekt, is van mij

Ik voel me nog elke dag slecht over mezelf.Niet omdat er steeds iets misgaat, maar omdat die stem er nog is.Die stem die zegt dat ik tekortschiet, te veel ben, of het nooit helemaal goed doe. Die stem is niet ontstaan uit zelfkritiek. Hij is ontstaan uit afwezigheid. Als niemand je leert dat jouw gevoelens ertoe doen,ga je vanzelf aannemen dat ze het probleem zijn. Als niemand blijft wanneer het moeilijk wordt, ga je denken dat jij degene bent die niet de moeite waard is om voor te blijven. Zo wordt emotionele afwezigheid een innerlijke waarheid. Ik heb mezelf jarenlang beoordeeld met maatstaven die nooit van mij waren.Ik noemde het zelfreflectie, verantwoordelijkheid, realisme. Maar in werkelijkheid was het aangeleerde afwijzing. Een oude overlevingsstrategie die bleef hangen toen het gevaar al voorbij was. Het lastige is: die stem klinkt logisch. Rustig. Redelijk. Hij schreeuwt niet, hij concludeert. En juist daarom geloof je hem. Maar hoe vaker ik keek, hoe duidelijker het werd: die stem zegt niets over wie ik ben,maar alles over wat ik heb gemist. Je kunt jezelf niet goed leren zien als niemand je ooit heeft gespiegeld met zachtheid. Je kunt geen zelfvertrouwen opbouwen als je innerlijke wereld nooit welkom was. Dat ik me slecht voel over mezelf, is geen karakterfout.Het is een restant. Een vervolg van een jeugd waarin ik mezelf moest dragenzonder dat iemand het overnam. En misschien is dit het moeilijkste om te accepteren:dit verdwijnt niet zomaar. Niet door inzicht, niet door begrijpen. Niet door harder mijn best doen. Maar het verandert wél zodra ik stop met die stem behandelen als waarheid. Niet elke gedachte verdient geloof. Sommige gedachten verdienen context. Soms is vooruitgang niets anders dan dit: dat ik mezelf niet langer veroordeel voor iets wat ooit nodig was om te overleven.

Onzichtbaarkind
0 0

En jij? Tussen 2026 en Allerheiligen?

De januarilucht is nog zoet van goede voornemens. Alsof de wereld nog even collectief haar zuchten inhoudt en nog champagne-zoete beloftes uitademt. Ik zie ze, voel ze bijna, die vluchtige verlangens naar heruitvinding. Papieren vliegtuigjes met zoetgevooisde woorden, intenties en blijdschap –  de met zorg geschreven nieuwjaarsbrieven. Helaas tonen de statistieken een andere werkelijkheid. Tegen de tijd dat de kerstboom aan de straatkant staat, keert het oude vertrouwde stilletjes terug. In de schemer van een woonkamer gloeit een sigaret weer op, en is het wijnglas alweer gevuld. De nieuwe sportschoenen zijn ondertussen stofvangers onder de bank, terwijl het ritueel van de chips zak en het flikkerende televisielicht zijn troostrijke, onverbiddelijke regelmaat hervat. Het is geen verraad. Het is de zachte, maar meedogenloze terugkeer van de gewoonte. De zwaartekracht van de gewoonte is genadeloos. Men zegt dat eenentwintig dagen nodig zijn. Eenentwintig dagen om het lichaam en de geest een nieuw pad in te prenten. Maar hoe vaak worden voornemens gebakken in de oven van emotionele overvloed, gevoed door schuimwijn en peerpressure? We gooien ze feestelijk in de  lucht als confetti: licht, vrolijk, en gedoemd om neer te dwarrelen. Levensveranderingen zijn geen confetti’s met een moment van vrolijkheid. Het is een langzaam, vaak ongemakkelijk verschuiven van het fundament van je bestaan. Het vraagt niet om bubbels, maar om harde discipline, de sleur van herhaling, het geduld van de lange adem. Daarom schrijf ik mijn brief nu pas. Nu de laatste slingers zijn opgeruimd en de stilte is teruggekeerd. Een stilte die gevuld is met het gestage getik van regen tegen het raam. Dit is het uur van de rauwe helderheid. Geen glitter, geen voornemens, alleen maar het naakte feit van de dag. En juist hier, in deze nuchtere leegte, kan het echte werk beginnen. Het is in deze zelfreflectie dat een andere, diepere vraag opwelt. Niet: wat wil ik veranderen? Maar: waarvoor ben ik dankbaar? Wat heb ik nog steeds lief? Omdat dit de grondtoon is die alle veranderingen mogelijk maakt. Een leven geleefd in overgave is geen leven van passiviteit, maar een leven dat vertrekt vanuit die kern van erkende rijkdom. Het is de liefde voor de gewone dagen, het vertrouwen in de zoektocht, de zuivere intentie om aanwezig te zijn – niet enkel op de feestdagen, maar vooral op druilerige dagen. Daar ligt de echte vernieuwing. Niet in het afweren van wat was, maar in het omhelzen van wat ís, met een hart dat vol zit van dankbaarheid. De enige echte basis voor grote veranderingen in het leven.        

Heidi Schoefs
4 1