Zoeken

Systeemproblemen blootleggen

Meneer Ridouani is een soft, een sissy. Leuven heeft nood aan een kordate, strenge burgemeester. Onder het beleid van Louis Tobback was het allemaal niet waar geweest wat nu gebeurt in ons ' rustige vredige centrumstadje '. Veel inwoners zijn gewoon ontevreden. Punt. Dat de heer Ridouani en de zijnen maar leven in hun leugen, hun bel dat alles goed gaat. In plaats van ons belastingsgeld letterlijk te verspillen aan megalomane projecten zouden ze beter zorgen voor meer vergroening, accommodatie en faciliteiten in de stad als ze dan toch aan ' stadsontwikkeling ' willen doen. Waar blijven die openbare toiletten, douches, speelpleintjes,... voor de mensen? Ik dacht: ik schrijf het hier maar op, op dit prachtige platform, want als ik een mail stuur naar de burgemeester zal deze toch waarschijnlijk niet worden gelezen.  Veel Leuvenaars voelen zich gewoon niet veilig. En dan vragen ze zichzelf af hoe het komt.  Ik ben absoluut geen racist hoewel de criminele vreemdelingen dit zo graag in hun mond nemen dat per definitie alle Vlamingen en Belgen racistisch zijn. Maar zij moeten eens gaan beseffen dat ze volop aan angst conditionering doen met hun gedrag en dat ze mensen schrik aanjagen. Als iemand moedig hen hierop aanspreekt doen ze aan omgekeerd racisme en dat mag niet gezegd worden. Nee dat moet doodgezwegen worden. 's Vrijdags in de moskee naar de boodschap van liefde en respect luisteren en buiten de moskee, na het gebed baldadig gedrag stellen. Hey het zijn allemaal zo' n doetjes en lieverdjes nietwaar meneer Ridouani?  Ik krijg er écht schijt van en stenen kloten. Pasklare oplossingen zijn er niet. We worden nu geconfronteerd met problemen en uitdagingen waar van de zaadjes in een ver verleden zijn gezaaid. Als er toen destijds andere keuzes waren gemaakt had het er misschien anders kunnen uitzien. Wie weet? Ik kan er misschien dan weinig aan verhelpen maar ik ben blij dat ik het heb kunnen aankaarten.  P. Claes, 2026©

Canniball
3 0

Mezelf

Wanneer ik alleen op kantoor ben, werk ik niet. Dan doe ik niets, zoals elk verstandig mens zou doen. Als ik productief wil zijn, moet er bijna altijd iemand in dezelfde ruimte zijn—een stilzwijgende getuige, een adem die bewijst dat ik besta. Alleen, in die stille kamers, geef ik mezelf over aan wat men nutteloos noemt: naar buiten staren, gedachten laten meanderen, dromen, hopen. Voor mij is dit geen luiheid, maar de logische aard van dingen. Pas wanneer iemand kijkt, begin ik te bewegen. Hun ogen dwingen mijn handen. Zodra ze zich afwenden, verstil ik opnieuw, als in een omgekeerde versie van het spel 1, 2, 3 piano. Hun blik is het sein; zonder dat signaal sta ik stil, als een klok die niet meer tikt. Vrij voel ik me zelden in het gezelschap van anderen. Hun nabijheid is een muur, hun ogen een last. Ik word me hyperbewust van hoe zij kijken, hoe zij denken, hoe zij oordelen. Mijn meningen zijn geen rotsen maar rimpelingen in water, altijd verschuivend met hun gemoedstoestand. Als zij lachen, vind ik ernst; als zij huilen, zoek ik lichtheid. Ik word een spiegel waarin zij zichzelf zien, maar nooit mij. Mijn vrijheid ligt verstopt in momenten van eenzaamheid, als de wereld slaapt en ik dans in stilte. Dan ben ik lichtvoetig, onbekommerd, een kind dat zingt zonder publiek.   ’s Morgens vroeg, wanneer de huizen zwijgen en de lucht nog koud is, eet ik mijn portie vrijheid als ontbijt. Soms verzaak ik mijn plichten, ontvlucht de kaders van het alledaagse en wandel alleen het bos in. Daar, onder het baldakijn van bladeren, deel ik mijn gedachten enkel met bomen en vogels. Zij oordelen niet, zij vellen geen vonnis over mijn bestaan. Voor hen ben ik niet meer dan een voorbijgaande schim, en juist daarom voel ik mij vrij.   In het bos dans ik, maar mijn dans is vermomd als traag wandelen. Mijn lied klinkt stil, opgeslokt door de ruis van de bladeren. Ik probeer de omgeving op te snuiven, haar vast te houden, haar in mij op te slaan—wetend dat het vergeefs is, dat ik slechts een flard kan meenemen. En toch doe ik het, steeds opnieuw, alsof dat kleine stukje genoeg kan zijn om alles te dragen.    

Piet V.
6 0