Zoeken

Spaghetti voor vijftig

Er zijn mensen die mediteren om tot rust te komen. Ik schil patatten. Geef mij een keuken vol damp, een industriële pot soep en vijftig jongens in rode Chiro T-shirts en ik ben content. Echt content. Ik denk dat ik daarom zo graag kookmoeke ben. Die schaamteloze zomerdagen waarop ik mag moederen over een halve Chiro. Over dorpskerels tussen vijf en vijfentwintig. Kleine mannen met snottebellen, slungels die plots okselgeur ontwikkelen en leiders die zichzelf volwassen noemen maar nog altijd hun onderbroek vergeten. Daar leef ik van op. Van om zeven uur opstaan om de koffie al te laten doorlopen voor de bende wakker wordt. Van een stille kampplaats die nog ruikt naar nat gras en bier van gisterenavond. Van roze teenslippers die na vijf dagen kamp niet meer roze zijn maar een soort triestig campinggrijs. Van de geur van zweet en vet en look. Veel look. Want ge kookt niet voor vijftig man met een bescheiden teentje look. Ik schud hoeveelheden voor recepten uit mijn mouw alsof het hogere wetenschap is. “Hoeveel spaghetti voor vijftig man?”Simpel.Wat ge voor een gezin van vier maakt, maal twaalf en een half.En dan nog een beetje. Want er is altijd wel ergens nen achttienjarige die eet alsof hij zich voorbereidt op een overwintering in Siberië. Ik schil patatten alsof mijn leven ervan afhangt. Ik maak van spaghetti koken hogere wiskunde. Ik heb een eigen filosofie ontwikkeld over hoeveel keer ge een maaltijd moogt opwarmen zonder dat iemand eraan sterft. Ik geloof rotsvast dat melk in soep soms een uitstekend idee is. Dat zelfgemaakte andalouse saus een vorm van beschaving is. En dat ge nooit — maar dan ook nooit — een deftige barbecue hebt zonder perziken uit blik. Dat laatste klinkt absurd. Tot ge het proeft. En dan die saus. De lekkerste saus van het kamp. “Sex on a plate” Het zijn ook de dagen waarop Yevgueni door een krakende box schalt terwijl wij de afwas doen. Als ze lacht. En wij meebrullen alsof we zelf terug twintig zijn en straks nog een pint gaan drinken op de parking van de parochiezaal. De dagen waarop de kookmoekes elke avond eindigen rond een gammele campingtafel met gezelschapsspelletjes waar wij elk jaar beter in worden. Vals spelen een gave is die met de leeftijd komt. Er wordt gelachen tot iemand bijna stikt in een chipke. Tot de leiding komt vragen of het misschien iets stiller kan omdat de klein mannen slapen. Ik doe dat graag. Misschien té graag. Ik ben al eens met pensioen gegaan. Officieel gestopt. Maar blijkbaar kunt ge uzelf ook terugroepen. Niet door een tekort op de arbeidsmarkt, maar door een diepgeworteld “het niet kunnen laten”. Er volgde een stilzwijgende overeenkomst met de leiding: ge gooit me maar buiten als ik écht te oud geworden ben. En eerlijk?Ik hoop dat ze dat nog efkes uitstellen. Want daar, tussen de kookpotten en de afwasbakken, wordt het leven opvallend simpel. Stress herleidt zich tot de vraag hoeveel kilo wortelen er juist in de soep moeten. Nachtrust wordt relatief. En liefde krijgt een totaal andere vorm. Want die is daar.In alles. In een snelle “merci, moeke”.In een jongen van zes die nog een nachtzoentje komt vragen.In een leider van drieëntwintig die spontaan een apero uitschenkt voor de moekes na een dag van zevenhonderd boterhammen smeren.In een keuken waar iedereen plakt van het zweet en de mayonaise en toch niemand weg wil. En zo reigen we de zomers aan elkaar. Met liefde en herinneringen. Met te veel look en te weinig slaap. Ondertussen loopt mijn huis stilaan leeg. Mijn zonen bouwen hun eigen leven bijeen. En binnenkort zal mijn kookpot zich waarschijnlijk beperken tot hoeveelheden voor één persoon. Dat is dan wat ge voor een gewoon gezin maakt.Gedeeld door vier.   

Katrien Daniels
52 4

Failliet

Ik reed gisteren voorbij mijn favoriete delicatessenzaak. Enfin, gewezen delicatessenzaak. Want de winkel is failliet. En ik vind dat erg. Eerst en vooral voor mezelf, als ik eerlijk ben. Want nergens anders was het kaasassortiment zo uitgebreid, de thee van net dat juiste merk en de broodjes zo rijkelijk belegd dat ge er bijna een kleine familietafel voor nodig had. Maar ook voor hem. Ik kende de man zijn naam niet, maar Georges zou hem absoluut niet misstaan, dus we noemen hem Georges. Georges was een gepassioneerde foodie die zijn zaak bestierde alsof het een klein culinair koninkrijk was. Altijd tijd voor een babbel over een Franse schimmelkaas, een goeie olijfolie of gewoon over het leven. Een mens die wist wat lekker was. Dat is een gave, hoor. Failliet gaan. Dat woord heeft iets vuils. Alsof ge niet alleen uw zaak verliest, maar ook ineens een stuk van uw naam. Uw gevel. Uw waardigheid. Uw routines. Uw morgens. Het doet me denken aan een scheiding. Dat is eigenlijk ook een soort faillissement. Ge verliest geld, liefde, meubels waarvan ge dacht dat ge ze samen oud ging laten worden. En daarna moet ge ergens in uw eigen hol gaan nadenken over hoe het anders had gekund. Maar goed. Het ging over Georges. De man van de uitermate goed belegde broodjes. Misschien té goed belegd. Dat wou ik hem soms zeggen. Dat er op één broodje genoeg krabsalade lag om een klein vissersdorp door de winter te helpen. Dat die tomaten daar precies gratis werden uitgedeeld. Maar ik deed het niet. Uit beleefdheid. Of lafheid. Dat ligt dicht bij elkaar. En nu heb ik daar schuldgevoelens over. Omdat ik denk: misschien had wat minder tomaat zijn zaak gered. Misschien was het verschil tussen overleven en failliet gaan gewoon drie schellen mozzarella minder per sandwich. En ik weet het, zo simpel is het natuurlijk niet. Maar toch. Ge begint terug te tellen. Naar alle keren dat ge iets dacht en zweeg. Zoals die avond dat ge wist dat dat feestje ging ontsporen. Of die keer dat ge wist dat ge taart met echte boter moest maken en niet met die margarine uit promotie. Vroeger zei ik dat soort dingen nog. Nu niet meer. Ik heb mezelf afgeleerd om mij te moeien. Omdat mensen daar zelden dankbaar voor zijn. Omdat iedereen liever elegant kopje-onder gaat dan gered wordt door een bemoeial. Dus ik zwijg tegenwoordig. En rij voorbij. De delicatessenzaak ligt er plots verlaten bij. Leeggehaald. Een vrouw draagt een roestig rekje naar buiten. Drie maanden geleden stonden daar nog cuberdons en nonnenbillen op. En die vrouw lacht. Een gewone lach. Een mens-lacht. En ik zie: die vrouw is nooit failliet geweest. Sommige mensen hebben nog nooit echt iets verloren. Geen zaak. Geen liefde. Geen huis met de stilte er nog in. Ik denk aan Georges, de kaasman. En ik zou eigenlijk naast hem willen gaan zitten. Zonder oplossingen. Zonder analyses over krabsalade of kostenstructuren. Gewoon zeggen: sorry dat ik zweeg. Of misschien gewoon: welkom. Bij de club van de mensen die ooit iets zagen instorten waar ze van hielden. De meeste mensen gaan ooit failliet. En de rest koopt roeste rekjes.

Katrien Daniels
45 2

De weg naar mezelf

Inleiding Ik weet eerlijk gezegd niet zo goed hoe ik hieraan moet beginnen. Veel mensen hebben mij al verteld dat ik alles wat ik zeg eens moet neerschrijven maar het probleem is dat ik heel vaak vergeet wat ik gezegd heb. Ik denk dat dit een soort samenbundeling zal zijn van ideeën die ik heb over het leven en de maatschappij waarin we ons momenteel bevinden. Ik zal dieper ingaan op veel voorkomende psychologische problemen die zich ook uiten in lichamelijke problemen, ook op het individuele streven naar geluk en de verbinding die we kwijt zijn geraakt met de natuur en met de mensen rondom ons. Dat laatste is iets wat volgens mij heel wat dagdagelijkse maatschappelijke problemen veroorzaakt. Als we ons niet meer verbonden voelen met onze planeet en met de mensen rondom ons, hoe kunnen we ons dan empathisch opstellen? Hoe kunnen we dan handelen zonder onszelf altijd voorop te zetten en zonder persoonlijke belangen maar gewoon voor het belang van een ander of voor het belang van onze planeet?   Voorwoord Wanneer ik opgroeide had ik altijd een gevoel dat ik hier niet op mijn plaats was. Ik stelde mij vragen bij heel wat dingen waarover anderen geen vragen stelden en ik begon te denken dat er iets mis was met mij. Mensen noemden mij heel gevoelig en zeiden dat ik mij te veel aantrok van alles wat er rond mij gebeurde. Ik stelde mij ook heel vaak vragen bij de maatschappij op zijn geheel. Het voelde alsof alles al op de een of andere manier bepaald was voor mij. Mijn pad lag al klaar. Eerst het lager onderwijs, daarna een aansluitende middelbare opleiding, waarna je op een achttienjarige leeftijd de “levensbelangrijke” keuze moet maken voor een vervolgopleiding die het traject van de rest van jouw leven zal bepalen. Zo laten de mensen rondom jou het toch uitblijken. Tijdens het middelbaar kon ik nooit denken over de toekomst. Het was iets wat mij bang maakte omdat het er eerlijk gezegd niet rooskleurig uitzag. Ik had het gevoel dat ik vasthing aan verwachtingen van anderen en dat ik niet volledig vrij was. Ik weet dat het een jonge leeftijd was om dat gevoel al te hebben maar toch was het een heel overheersend gevoel, iets wat ik nooit zal vergeten. Ik had heel veel ideeën in mijn hoofd over wat ik wou doen maar niets leek op dat moment realistisch. Dat werd vooral veroorzaakt door de reacties van mensen uit mijn omgeving. Wanneer ik dan op achttienjarige leeftijd afstudeerde had ik echt geen idee wat ik verder wou doen met mijn leven. Ik stelde voor om een tussenjaar te doen maar daar gingen mijn ouders niet mee akkoord uit schrik dat ik nooit zou verder willen studeren. De voorwaarde was: eerst studeren en daarna reizen. Het voelde alsof ik mijn eigen leven uitstelde. Ik begon eerst met een studie journalistiek zonder hier ook maar iets over te weten. Ik koos deze opleiding enkel en alleen maar met het idee dat ik hiermee veel zou kunnen reizen. Na de eerste week was deze opleiding een heel grote teleurstelling omdat het totaal niet overeenkwam met de verwachtingen die ik hierover had. Natuurlijk was het mijn volledige fout omdat ik geen research gedaan had. Daarna begon ik aan een lerarenopleiding Frans en Engels, puur om te focussen op mijn talen. De lat lag daar onmiddellijk heel hoog en hoewel ik dacht dat ik goed was in talen kreeg ik hier wel een ferme reality-check. Om dit niveau bij te houden ging ik al mijn vrije tijd kwijt zijn om allerlei dingen in te halen om de lessen te kunnen begrijpen en te vertalen naar het Nederlands. Na deze twee pogingen voelde ik mij verschrikkelijk slecht en verloren. Al mijn medestudenten van het middelbaar leken al hun weg gevonden te hebben en waren vol moed begonnen aan hun hogere opleiding. Ik voelde mij nog meer dan ooit een buitenstaander omdat ik eigenlijk totaal niet wou verder studeren en gewoon mijn eigen ding wou doen. Na een paar dagen nadenken kwam de lerarenopleiding lager onderwijs op mijn pad, vooral op aanraden van mijn familie. Ik besloot dan om het toch maar te proberen om iets te doen, gewoon om bezig te blijven. Ik startte met de opleiding en het ging eigenlijk wel beter dan verwacht. Ik denk door het feit dat de focus ligt op kinderen dat de opleiding wel iets voor mij was. Ik ben heel graag omgeven door kinderen omdat zij nog niet zo sterk beïnvloed zijn door de maatschappij en door de verwachtingen die hen worden voorgelegd. Ze zitten nog in hun eigen creatieve wereld en laten zich nog verwonderen door alles rondom zich. Kinderen leven in het hier en nu en onderzoeken alles wat ze tegenkomen in het leven. Ik denk dat we allemaal wel nog die kinderlijke eigenschappen in ons hebben maar dat dit door de serieusheid van het “echte leven” onderdrukt wordt. Dit is iets waar ik in dit boek verder op in zal gaan. Na het afronden van de driejarige bacheloropleiding als leerkracht lager onderwijs dacht ik dat ik eindelijk ging kunnen starten met reizen. Maar toen werd ik wakker geschud door het feit dat mijn rekening zo leeg was als iets. Bovendien startte toen ook de coronacrisis waardoor reizen steeds onmogelijker werd. Ik besloot om aan het werk te gaan als leerkracht in OKAN, een job die ik met hart en ziel deed. Maar toch had ik altijd het gevoel dat ik iets miste. De drang om te reizen en mezelf te ontdekken was zo danig groot dat ik het niet van mij kon afzetten. Ik begon mij opnieuw heel verloren te voelen en mijn situatie leek op dat moment uitzichtloos en onveranderbaar. Ik had het gevoel dat er zo veel verwachtingen werden opgelegd en dat ik hier niet van kon afwijken. Het leek alsof ik geen keuze meer had maar dat was een illusie. Het moeilijkste op dat moment was ook het gevoel dat daaraan gekoppeld was. Ik voelde mij als een buitenstaander en voelde mij bovendien heel onbegrepen. Het ging zo ver dat ik het nut van het leven niet meer zag. Voor mij hoefde het allemaal niet meer, heel gek om te zeggen nu. Ik dacht vaak in mezelf “als dit alles is wat het leven te bieden heeft, dan weet ik eigenlijk niet waarom ik nog in leven ben.” Ik dacht zelf aan manieren om er een einde aan te maken, zo ongelukkig voelde ik mij. Tot ik op een gegeven moment realiseerde dat het niet meer verder kon op die manier en dat ik eigenlijk ook niets meer te verliezen had. Mijn situatie kon op dat moment niet meer erger en dat was voor mij de push om een hele grote sprong te wagen. Al het geld dat ik in de voorbije jaren gespaard had door verschillende jobs en door het feit dat ik nog bij mijn ouders woonde ging ik investeren in mezelf en in mijn geluk. Ik begon een plan te maken dat steeds realistischer leek. Ik maakte de keuze om te luisteren naar mezelf en om mijn eigen supporter te zijn. Vanaf dat moment is mijn leven 360 graden gedraaid.

buttercupfee
0 0

Een traktaat over het bewust omgaan met de fysieke drager

1.      Als hoeder van een soeverein lichaam ben ik mij bewust van de tijdelijkheid van dit vehikel dat mijn ervaringsveld afbakent. Dit doet echter geen enkele afbreuk aan de onvoorwaardelijke liefde waarmee ik mijn verschijningsvorm omring. Tegelijk weet ik dat het bewustzijn van waaruit ik nu spreek deze grenzen van tijd en vorm overstijgt. Ik ben niet dit lichaam. 2.      Als hoeder van een soeverein lichaam heb ik het zeggenschap over wat er met mijn lichaam gebeurt en hoe het behandeld wordt. Zonder mijn bewuste en vrijwillige toestemming is er geen enkele externe bron die over deze hoedanigheid beschikt. Indien ik door uitzonderlijke omstandigheden niet bij machte ben om die toestemming te geven, dient er steeds een universeel respect voor de natuurlijke intelligentie van het lichaam vooropgesteld te worden. 3.      Als hoeder van een soeverein lichaam draag ik de verantwoordelijkheid voor het welzijn van dit lichaam. Ik zie erop toe dat er gehandeld wordt naar de grenzen en noden van mijn lichaam en ben mild voor mezelf als mij dat om bepaalde redenen toch niet lukt. Fundamenteel draag ik de intentie om dit lichaam gezond te houden en tijdig te voorzien van dat wat voedend, heilzaam en herstellend is. Eigenliefde is de bron van waaruit ik mijn lichaam benader. 4.      Als hoeder van een soeverein lichaam heb ik vertrouwen in de natuurlijke intelligentie van dit lichaam en tracht ik hier naar te handelen. Ik raadpleeg mijn lichaam als bron van informatie die het rationele denken overstijgt en stel mezelf open om boodschappen van mijn lichaam te ontvangen. Ik accepteer dat heling geen lineair proces is en hecht waarde aan zowel de subtiele als minder subtiele gewaarwordingen in mijn gevoelsveld.  5.      Als hoeder van een soeverein lichaam behoed ik dit lichaam voor schadelijke externe intenties en ga ik bij het lichaam zelf ten rade om dat onderscheid te kunnen maken. Ik raadpleeg daarvoor mijn intuïtie en bij twijfel zoek ik naar heldere informatie die intern resoneert. De heilzame keuzes kenmerken zich door hun ongedwongenheid en vertrouwen in het lichaam en zijn niet gefundeerd op angst of een plichtsgevoel. 6.      Als hoeder van een soeverein lichaam draag ik de wetenschap dat dit lichaam holistisch verbonden is met mijn denk- en gevoelswereld, met voorouderlijnen en alle externe verschijningen. Dit lichaam maakt deel uit van een oneindig creatief geheel en reageert cyclisch en natuurlijk mee met de bewegingen van dat geheel. Via mijn lichaam kan ik niet alleen gewaarworden wat er speelt in mijn persoonlijk veld, maar ook wat er zich roert in het collectieve veld. 7.      Als hoeder van een soeverein lichaam beschouw ik geen enkele kwaal of fysieke beperking als een ‘fout’ van het lichaam, omdat ik weet dat elke ervaring zijn betekenis en waarde heeft. Omdat de intelligentie en beweegredenen van het lichaam, die verbonden zijn met een universeel geheel, het menselijk perceptievermogen overstijgen, is twijfel niet gegrond. Zelfs al kan ik vanuit deze vorm het geheel niet overzien, toch weet ik dat de reacties van het lichaam vanuit een dieperliggende waarheid voortkomen en behandel ik elke fysieke reactie als betekenisvol. 8.      Als hoeder van een soeverein lichaam bescherm ik dit lichaam tegen commerciële exploitatie. Mijn lichaam is geen handelswaar, noch verbindt het zich aan een contract of verdienmodel. Mijn lichaam is niemands bezit en wordt beschermd tegen de invloed van opportunistische belangen. De essentie van het lichaam overstijgt cijfers, statistiek en elke vorm van dataverwerking.  9.      Als hoeder van een soeverein lichaam sta ik in voor het waarborgen van de natuurlijke vrijheid die mijn lichaam toebehoort. Ik zal waken over de helderheid van mijn perceptie en steeds gegrond trachten in te schatten welke keuzes of overtuigingen deze vrijheid inperken. Ik ben verantwoordelijk voor het bewaken van mijn lichamelijke vrijheid en belichaam die verantwoordelijkheid in een levenshouding. 10.   Als hoeder van een soeverein lichaam volg ik het ritme van mijn lichaam. Uit liefde voor mijn lichaam koppel ik mij los van externe maatstaven die natuurlijke cyclussen overschrijven. Een natuurlijk ritme staat los van planning, verwachting en werkdruk. Mijn lichaam zal rusten als het om rust vraagt, ook als dat indruist tegen overtuigingen, verwachtingen en gewoontes. Ik tracht mijn keuzes en reacties af te stemmen op een gezond en authentiek ritme en vind manieren om dit gebalanceerd te integreren in de praktische werkelijkheid. 11.   Als hoeder van een soeverein lichaam weet ik dat het lichaam, in elke toestand, steeds een perfecte creatie is. Er kunnen wel ideeën en verwachtingen gekoesterd worden die perfectie omschrijven, maar vanuit universeel standpunt is elk natuurlijk lichaam volmaakt in zijn huidige toestand. Alle mogelijke wijzigingen, modificaties, manipulaties of correcties aan het lichaam die niet geworteld zijn in hoogbewuste vrijwilligheid worden voor de hoeder van een soeverein lichaam als ongewenst beschouwd.  12.   Als hoeder van een soeverein lichaam sta ik erop dat elke medische behandeling en interactie gefundeerd is op nederigheid en respect ten opzichte van het lichaam. Dat begint al bij de manier waarop het lichaam taalkundig aangeduid wordt. Het lichaam is geen ‘case’, geen nummer, noch is het woord ‘patiënt’ passend. Het lichaam is de unieke verschijningsvorm van een entiteit die tijd en vorm overstijgt. Het is een sacraal instrument waarvoor er ontzag en verwondering kan opgebracht worden. In plaats van ‘dokters en patiënten’ zouden we bijvoorbeeld kunnen spreken over ‘genezers en ervaringsdragers’. In het beste geval zijn de genezers eveneens ervaringsdragers. 13.   Als hoeder van een soeverein lichaam weet ik dat ik dit lichaam kan helen. Het zelfherstellend vermogen van het lichaam kan op een bewust niveau bekrachtigd worden met aandacht en intentie. Elk lichaam is ontvankelijk voor aandacht en intentie. Het zijn primaire genezingskrachten. 14.   Als hoeder van een soeverein lichaam ben ik mij bewust van de invloed van taal en waak ik over de woorden die ik gebruik wanneer ik over mijn lichaam spreek. De specifieke energie die met een woord verbonden is, kan zowel een magische spreuk als een beperkende vloek zijn. Ik kies er daarom voor om mij te omringen met anderen die zich even bewust zijn van de kracht van taal en ze heilzaam hanteren. Karolien Demanhttps://www.karoliendeman.com/blog/2026/5/22/hoeder-van-een-soeverein-lichaam(Door mij bijgesneden) foto van www.talesofaperture.com

KarolienDeman
0 0

Team Bus

Tom en ik, we noemen onszelf Team Bus. Hij langs de kant van de busplanning. Ik langs de kant van de uitstapplanning. En ergens tussen vertrekuren, parkeerplaatsen, zieke chauffeurs en “oei, dat is precies verkeerd doorgegeven”, vinden wij mekaar regelmatig. Normale dingen regelen we via mail. Dat hoort zo. “Beste, graag een offerte voor twee bussen richting Oostende.” Dat soort dingen. Maar als er ergens een schoolgroep staat te blauwbekken in de regen of een chauffeur plots in Dendermonde blijkt te zitten terwijl hij eigenlijk in Asse moest zijn, dan bellen we. Dan komen de echte gesprekken. “Wacht hè Katrien, ik ga eens kijken.”“Ah nee, dat is den anderen bus.”“Ge zijt zeker?”“Tiens. Da’s wel speciaal.” Zo van die gesprekken. En het vreemde is: ik heb het gevoel dat Tom stilaan een vriend aan het worden is. Zo iemand waarvan ge denkt dat ge hem eigenlijk al jaren kent. Dat we misschien samen op school hebben gezeten. Dat we mekaar ooit halfdronken zijn tegengekomen in een bruin café ergens naast een biljarttafel. Dat hij mij ooit al eens een sigaret heeft gegeven op een parking van een fuif in 1998. Soms voelt het alsof wij al een heel traject samen afleggen. Alsof wij collega’s zijn in een kleine oorlog tegen verloren chauffeurs, dubbele reservaties en kinderen die dringend moeten plassen net wanneer de bus de autostrade opdraait. Ik hoor zijn stem vaker dan die van sommige echte vrienden. Wij maken mini-crisissen mee samen. Kleine rampen die altijd dringend lijken maar achteraf geweldige verhalen worden. En elke keer opnieuw lossen wij dat op. Tom aan zijn kant van de dispatching. Ik aan mijn kant van de chaos. Terwijl ik hem eigenlijk niet ken. Ik weet niet hoe hij eruitziet. Ik heb nog nooit met hem aan een tafel gezeten. Geen koffie gedronken. Geen pannenkoeken gegeten. Niets. Maar in mijn hoofd bestaat Tom heel duidelijk. Tom is groot. Niet dik dik, maar zo’n geruststellend buikje van iemand die graag eens een goed stuk vlees eet en daar een Duvel bij drinkt. Hij heeft een stoppelbaard. Draagt jeans. Altijd jeans. En van die blauwe River Woods-truien over een hemd. Geen modieuze sneakers maar degelijke schoenen waar ge desnoods ook ne keer een camion mee kunt lossen. Enfin. Zo ziet Tom eruit in mijn hoofd. Ik zou hem kunnen googelen. Maar dat gaat nu niet meer. Het beeld is af. Het decor staat recht. En ik ben bang dat de realiteit het gaat verpesten. Want stel u voor dat Tom eigenlijk klein is. Smal. Blond. Dat hij beige geruite hemden draagt en een klein beetje naar natte boekentas ruikt. Dat zou verschrikkelijk zijn. Dan zou geen enkele buscrisis nog hetzelfde voelen. Dat had ik vroeger ook met stemmen op de radio. Michel Follet bijvoorbeeld. Man man man. Ik hoorde die op Radio 2 en in mijn hoofd was dat een soort filmster met charisma tot tegen de muur. Tot ik hem ooit zag in de TV Story. Ik was oprecht ontgoocheld. Niet omdat hij lelijk was. Maar omdat hij niet klopte met mijn versie van Michel Follet. Of die vrouw van het circus waar ik maanden telefoons mee deed. Ik zag een warme, donkere, voluptueuze zigeunervrouw voor mij. Veel armbanden. Grote rokken. Zware parfum. Maar toen kwam ze toe en bleek ze blond, klein en Duits-modern-jaren-tachtig te zijn. Zo iemand die waarschijnlijk kiwi in blokjes snijdt bij het ontbijt. Dat was lastig. Dus misschien moet ik Tom gewoon laten bestaan zoals hij nu bestaat. In die gezellige parallelle werkelijkheid waar hij nog altijd groot is, lichtjes naar Duvel ruikt en met één hand een busprobleem oplost terwijl hij met de andere een broodje préparé vasthoudt. En wie weet hoe Tom mij ziet. Misschien denkt hij dat ik slank ben. Dat ik lang blond haar heb dat altijd goed ligt. Dat ik zo’n vrouw ben die zelfs tijdens een crisis nog elegant klinkt aan de telefoon. Zo iemand die rustig “dat komt wel goed” zegt terwijl achter haar een school vol kinderen collectief in paniek staat. Misschien denkt hij dat ik met een zonnebril op in een cabrio rondrijd tussen culturele uitstappen door. Dat ik nooit vloek. Dat ik georganiseerd ben. Zo’n madam met kleurcodes in haar agenda en muntthee in een thermos. Of misschien ben ik voor hem een soort deftige mevrouw in een lange beige jas die proper “goeiedag” zegt en naar lavendel ruikt. Iemand die nog nooit een préparébroodje boven een stuur heeft gegeten onderweg naar een schoolvoorstelling. En eerlijk? Ik hoop het een beetje. Want zolang wij mekaar niet echt kennen, mogen wij nog vanalles zijn. Dan blijft Team Bus iets schoon. Twee mensen die mekaar eigenlijk alleen kennen in stresssituaties, omringd door zwetende chauffeurs en kinderen met fluohesjes, maar die intussen wel een volledig personage van mekaar hebben gemaakt. Dus nee. Ik ga Tom niet googelen.

Katrien Daniels
42 2

Mijn focus groeit uit ruis

Ik leg mijn oor tegen de grond, beluister muren en hoeken. Na het ontkoppelen van diverse stekkers en het onderzoeken van toestellen in en rond huis concludeer ik dat het geluid niet van bij mij komt. Toch blijf ik zoeken en raden. Mijn brein denkt controle te kunnen verwerven door het te begrijpen. Maar het is zoals met de diagnose van een ziekte: het benoemen en categoriseren van kwalen, lost ze niet op. Iets begrijpen garandeert niet dat je het kan transformeren. Het geluid is nieuw sinds een aantal weken. Er was al een constant laag gezoem waar ik doorheen de jaren vrede mee gesloten heb, vergelijkbaar met een generator die ergens in de verte staat te trillen, maar nu is dit geluid erbij gekomen. Het nieuwe geluid klinkt als een soort waterpomp die met onregelmatige intervallen aan en af slaat. Het is dat onregelmatige ritme dat het zo doet opvallen. Van het moment dat het geluid stopt, valt de reeds geaccepteerde soort van ‘stilte’ van voorheen weer als een warm deken over me heen. Het stopt telkens slechts voor enkele minuten of seconden. Mijn gekke geest kwam al op het idee om de intervallen van stilte te timen, om te zien of er misschien een patroon in zat. Allerlei absurde ideeën dienden zich aan met de wens om te begrijpen wat ik niet kan veranderen. Als het op omgaan met geluidsoverlast aankomt, voel ik me doorleefd. Levend als een hypersensitief wezen in een druk bevolkte welvaartsmaatschappij, waar iedereen wel over één of andere zeurende machine beschikt die instaat voor comfort of onderhoud, waar eenzame blaffende honden meer regel dan uitzondering zijn en bluetooth speakers vrolijk beats de ether in knallen, heb ik al heel wat training in wat je ‘mindfulness’ zou kunnen noemen, achter de rug. Met enige trots en opluchting dacht ik mezelf verlost te hebben van de frustratie over lawaai. Ik was door processen gegaan en had mijn focus weten te verleggen. Want dat is dan ook het sleutelwoord van dit hele gegeven: focus! Wie zijn focus kan beheersen is een vrij mens, zo klinkt het inzicht dat eruit voortkwam. Maar na een aantal lessen vruchtbaar te hebben afgerond, komt natuurlijk het examen. Het levensspel brengt van tijd tot tijd een uitdaging die ik een ‘bosslevel’ noem. Een level of stadium dat alle voorgaande oefeningen en lessen samenvat in één groot monster van een uitdaging. Alsof het universum wil testen of de transformatie die ik doorgemaakt heb wel gegrond is, stevig geworteld zit. Dit nieuwe geluid test mijn mentale oriëntatie. Het laat zich niet uitblokken met oordopjes, integendeel, ik hoor het zelfs nog beter met afgesloten oren. Ook lijkt mijn huisje als een soort klankkast te fungeren, want ik hoor het ook beter binnenshuis dan buiten. Ik vermoed dat de trillingen via de grond tot mij komen en zo doorheen mijn gebeente vibreren. Er is geen fysieke manier om eraan te ontsnappen, tenzij misschien verhuizen dan, een gedachte die doorheen de jaren wel eens de kop opstak. Maar het idee dat ik niet kan vluchten van triggers zou met mij mee verhuizen. De triggers zouden enkel veranderen, niet verdwijnen. Want de sleutel ben ikzelf natuurlijk, niet mijn omgeving. Paradoxaal genoeg woon ik al op een plek die mensen als ‘rustig’ omschrijven, in een klein huisje in de natuur, maar het blijft wel het immer bedrijvige Vlaanderen. Deze tekst had ik een paar dagen geleden als oninteressant gezeur van een overprikkeld mens geklasseerd en wou hem dan ook half geschreven laten liggen. Ware het niet dat ik online op een artikel botste waarin beschreven wordt hoe een ondefinieerbaar laag brommend geluid een man tot waanzin drijft. Die man was overgegaan tot stappen die voor mij geen optie lijken, zoals het contacteren van instanties. Maar er was alsnog geen verlossend antwoord gekomen. In het artikel werd het probleem serieus genomen, men had er zelfs een term voor: LFG of laagfrequent geluid. Het zijn geluiden tussen de 20 en 125 Hz, lage tonen die zeer grote afstanden kunnen afleggen en dwars doorheen muren en isolatie trillen. Toen ik de reacties onder het artikel opende, vond ik tot mijn verbazing sympathieke bijval in plaats van de ongevoelige kritiek die ik had verwacht. Tal van mensen leken hiermee te maken te hebben. De erkenning en herkenning die ik vond via dit artikel trok me over de schreef om er toch over te schrijven. Het lijkt mij dat de sensitiviteit van het collectief gestaag aan het verscherpen is, dat er met andere woorden steeds meer mensen gevoeliger worden. Die verhoogde gevoeligheid uit zich in de eerste plaats vaak in ongemak, maar het is dankzij dat ongemak dat er uiteindelijk transformatie of vergroting van het bewustzijn kan plaatsvinden. Gevoeligheid krijgt langzaam maar zeker weer een plaats in deze met ratio dicht geplamuurde maatschappij. Het is een traag proces dat mij enige hoop geeft.  Overlevend tussen warmtepompen, windturbines, koelinstallaties, generatoren, compressors, ventilatiesystemen, dreunend vrachtverkeer, servers, ongedierteverjagers, elektriciteitscabines en tal van andere machinerie, krijgt het zenuwstelsel van een fijngevoelig mens dagelijks heel wat te verduren. En dan zijn er nog de ultrasone trillingen die we niet kunnen horen, maar die het lichaam wel opvangt. Geen wonder dat ik zo snel op de grenzen van mijn energievoorraad bots. Er is zoveel dat ik onbewust te verwerken krijg. Iets uitblokken of negeren kost natuurlijk ook energie. Onlangs werd ik eraan herinnerd dat iets uitblokken of negeren niet hetzelfde is als de focus verleggen. Ik vind het niet evident om dat verschil te omschrijven. Het lijkt me dat negatie alsnog een soort van onzichtbare energetische verbinding in stand houdt met het te negeren onderwerp. Het negeren of uitblokken blijft doorgaan zolang het te negeren onderwerp zich voordoet. Terwijl ik het verleggen van de focus als een onafhankelijk zoeklicht kan zien, als een soort spot die zich ergens op richt. Het licht, of de aandacht, die ik op een bepaald onderwerp laat schijnen is niet verbonden aan een externe situatie. Dat licht is er altijd, het schijnt onvoorwaardelijk.  Dat licht is de aandacht of focus die ik ergens aan kan schenken. Ik kom erop uit dat dit het meest waardevolle is dat ik ‘bezit’. Of dat ik ben? Ik zie mijn licht niet schijnen zoals een lamp, maar eerder als een projector, want ik creëer tegelijk ook wat ik zie. Dit projector-gegeven zou ik nog verder kunnen uitdiepen, maar het punt dat ik hier wil maken is: leven is schijnen en creëren. En  meester zijn over de focus is cruciaal in deze wereld om gezond te blijven. Er zijn immers maar al teveel afleidingen, zoveel dat om onze aandacht roept.  Waar mijn aandacht naartoe gaat, daar gaat mijn licht, energie en levenskracht naartoe. De lage bromtoon die zich nu als extra afleider in mijn leven heeft aangediend, kroon ik tot de zoveelste motivator om mij te focussen. Het had de druppel kunnen zijn die mijn emmer vol prikkels en uitdagingen deed overlopen, maar ik kies er bewust voor om het een stimulans te laten zijn die mij naar binnen drijft. Het herinnert mij aan de kracht van mijn focus en de vrijheid die er is om die op elk mogelijk onderwerp te schijnen. Ik zet daarmee ook de spot op het ongenaakbare in mij: dat wat immer stabiel, stil en oneindig is. Het is mijn essentie die al het vergankelijke ervaart, maar in wezen altijd heel en volledig is.  Ik kan het misschien wel lyrisch verwoorden, maar natuurlijk is er ook weerstand, frustratie en boosheid. Het is van belang gebleken dat deze emoties en gevoelens in beweging blijven. Erin blijven hangen door ze dagelijks te voeden met aandacht is moordend. Ik kan ze op z’n minst als een vruchtbare ondergrond gebruiken. Zo bevat het vuur van boosheid een stuwkracht die de koers van mijn aandacht kan wijzigen. Een boosheid die zegt: ik laat me niet afleiden, leegzuigen of verstoren. En de weerstand en frustratie tonen mij waar er oude energieverslindende patronen liggen waarmee ik mezelf hinder. Patronen die mij zodanig uitputten dat ik het verlangen om iets te veranderen bij mezelf sterker voel worden. Het is de wrijving die de stroom vertraagt en doet stilstaan bij wat er getransformeerd wil worden. Het gaat natuurlijk met ups en downs. De ene dag is mijn focus al wat scherper dan de andere. Het is een proces. Zonder enige rustpunten in dat proces is het niet leefbaar, die moeten er op één of andere manier wel zijn. Tussen alle herrie vind ik gelukkig wel nog gaten of intermezzo’s van waaruit ik alles kan laten bezinken en opnieuw rangschikken volgens prioriteit. In de spaties van het bestaan vind ik de klaarheid die nodig is om mijn focus scherp te stellen. Het is eigenlijk zoals het afstellen van een lens. Iets ontwijken, afblokken of proberen te negeren zijn als vlekken op die lens. Het bekrachtigen en verfijnen van onze projectorlens is een ander werk dat volgens mij zuiverend werkt. Zoals je wel doorhebt, gaat deze tekst niet over geluidsoverlast, maar over innerlijke focus. De geluidsoverlast was in dit geval het middel of de uitnodiging om daartoe te komen. En zo beschouw ik elke externe uitdaging als een motiverende duw richting mijn essentiële Zelf. Ik heb niet het gevoel dat ik alles al helemaal klaar zie, laat staan dat ik dit kan beschrijven zonder mezelf ergens tegen te spreken. Ik vertrouw er hier weer op dat er tussen de lijnen gelezen kan worden. Dat je als lezer doorheen de woorden prikt en daarbij misschien de herkenning voelt die verbondenheid bevestigt. Want de bewegingen van persoonlijke processen deinen steeds uit in de poel van het collectief. https://www.karoliendeman.com/blog/2026/5/18/mijn-focus-groeit-uit-ruisFoto door Dries Luyten

KarolienDeman
0 0

Barry White en de geur van vergeten

“I never take pain for granted, only a fool takes things for granted.” Zo begon het. Dat liedje van Barry White.Onze mannen hadden achter de rug van de andere collega’s om, zendtijd geregeld in een radioprogramma. “Topteam van cc Nova". Eric droeg het nummer op aan “zijn vrouwtje”. Zo noemde hij haar altijd, met die glimlach alsof hij zelf niet goed wist hoe hij zoveel chance had gehad. Nu, jaren later, kan ik dat nummer niet meer horen zonder aan hem te denken. Eric.De immervrolijke collega. De man van de kleine kwinkslag, de mop die altijd nog ergens in zijn jaszak zat, de handen vol goede bedoelingen. Ik weet zelfs niet meer exact welk jaar het was. Maar ik weet nog wel dat er plots een bom ontplofte in ons leven en dat ik een maatje kwijt was. En het absurde was: terwijl wij hem verloren, speelde er zich buiten een aflevering van Fata Morgana af. Dorpse gekte. Vlaggen. Ambiance. Mensen die pinten dronken op pleinen en bezig waren met spektakel terwijl ergens tussendoor een leven wegviel. Ik herinner ik het me daarom nog zo scherp. Omdat verdriet zich altijd afspeelt terwijl de wereld compleet ongepast gewoon verder feestviert. Zo voelt verlies achteraf ook vaak: alsof ge uit een scène stapt terwijl de rest van het decor gewoon doorspeelt. En toch verdwijnen mensen nooit helemaal. Dat is het vreemde aan herinneringen. Ge denkt dat ge verder zijt gegaan. Dat het stof erop ligt. Dat het leven er ondertussen andere lagen overheen heeft gelegd. Tot daar ineens een liedje is. Of een geur. Of een plek waar het licht toevallig hetzelfde valt als toen. En hop. Daar staat iemand weer voor u. Soms twintig jaar later. Een paar noten van Barry White en Eric staat terug tegen een toog geleund, monkelend alsof hij iets weet dat de rest nog moet ontdekken. Een vleugje parfum in de gang en ge zijt weer twintig. Een geur van koffie en iemand zit opnieuw tegenover u alsof die nooit is weggeweest. Zo dragen mensen elkaar mee zonder dat ze het beseffen. Niet in grote monumenten of indrukwekkende speeches, maar in kleine absurde dingen. In een nummer op de radio. In een scène uit Notting Hill. In Roxette op een verkeerd moment in de auto. In de geur van een septemberochtend. In koffie die net op tijd gekomen is. Misschien is dat wat liefde uiteindelijk doet. Ze verstopt mensen in details zodat ze nooit helemaal weg kunnen. En gisteren dacht ik daar opnieuw aan. Aan afscheid nemen. Aan hoe ge soms met twee volwassen mensen tegenover elkaar zit terwijl ge allebei weet dat ge elkaar moet lossen en geen van beiden daar eigenlijk talent voor heeft. Hoe ge probeert flink te klinken. Redelijk. Bijna modern in het loslaten. Terwijl er onder tafel nog duizend dingen naar elkaars hand grijpen. En ik vroeg me plots af: wat blijft er eigenlijk hangen van een breuk? Niet de grote gesprekken, denk ik. Niet wie gelijk had of wie te laat beseft heeft wat er op het spel stond. Misschien blijven mensen uiteindelijk plakken in de kleinste dingen. In een geur van koffie die net op tijd gekomen is. In een ochtend in september. In een nummer van Roxette dat onverwacht opduikt in een supermarkt. Of in die ene scène uit Notting Hill die ge nooit meer gewoon kunt bekijken. Misschien zit ge ooit jaren later ergens in de file en hoort ge toevallig een nummer dat ge al eeuwen niet meer gehoord hebt. Misschien ruikt iemand naar dezelfde regenjas, dezelfde shampoo, dezelfde ochtend. En misschien denkt ge dan heel even: daar zijt ge weer, ik wou dat ik u kon vastpakken. Nog één knuffel, nog één pintje, nog één mopje. Een één moment waarop ik kan zeggen hoe bijzonder ge zijt.  En dan hoor ik Barry White opnieuw zingen dat alleen dwazen dingen vanzelfsprekend vinden. Hij had gelijk.

Katrien Daniels
88 3

Mijn moeder

    In de kleuterschool vroeg mijn beste vriendje of ik later, wanneer we groot waren, met hem wilde trouwen. Ik aarzelde om op zijn aanzoek in te gaan, want er was iets nog niet helemaal duidelijk : mag je, als je trouwt, bij je moeder blijven wonen? Na even nadenken stelde hij me gerust: hij dacht dat het wel kon, en hij leek er zelf geen bezwaar tegen te hebben. Ik had een knuffelbeer, Jan. Hij zag er niet uit: één poot hing er nog half aan, hij miste een oog en zijn gele, zachte pels was vuil en grauw geworden. Mijn moeder vond dat hij zijn beste tijd gehad had.'Zouden we die oude, versleten Jan niet weggooien?' Ik was verontwaardigd: 'Wie gooit er nu zijn kind weg?' Moederliefde. Ik kreeg het van mijn moeder en gaf het door aan mijn knuffels. Ik ben nooit getrouwd en heb geen kinderen, maar dat doet er hier niet toe.                                                                     *** Het is bijna moederdag en elke dag zie ik op tv dezelfde reclamespot voorbijkomen: 'Ik ben blij dat ik steeds meer op je lijk.'Er zit iets in. Ik hoor mezelf iets zeggen en het is alsof ik mijn moeder hoor praten. Dezelfde woorden, op dezelfde manier uitgesproken. Mijn moeder was sterk in tegeltjeswijsheden. Dingen als: 'Draai het blad maar om' of 'De slimste zwijgt.'Ik vertel ook steeds vaker dezelfde verhalen.'Mama, dat verhaal heb je nu al honderd keer verteld.''Ja, maar…' en ze ging onverstoorbaar verder, en ik hoorde het voor de honderdeneerste keer. En nu zegt mijn petekindje : 'Dat heb je al gezegd. Al drie keer.' Het zit ook in de kleine dingen: op dezelfde manier soep eten, in een appel bijten, op mijn horloge kijken. Over iemands schouder meelezen — ik vond het zo irritant wanneer ze dat deed. Ik zie dingen niet die vlak voor mijn neus staan. Ik loop verzonken in gedachten over straat en merk niet dat iemand naar me zwaait. Dat heb ik allemaal van haar. Ze was als kind verlegen en stil, vertelde ze. Net zoals ik. Hier houdt de vergelijking op. Ik heb haar alleen gekend als iemand die altijd bezig was, het goed kon uitleggen en als geen ander kon organiseren. Zeven kinderen grootbrengen, voltijds lesgeven en dan nog voorzitster zijn van de Boerinnenbond.Truien breien, gordijnen stikken.  Doe het maar eens na. Ik ben al moe wanneer ik eraan denk. Hoe deed ze het? Waar haalde ze die energie? Hoe werkte haar hoofd? Had ze allemaal verschillende schuifjes die ze opendeed en weer dicht? Eén voor de kinderen, één voor de kleinkinderen, één voor haar bond, één voor de les die ze ging geven, en ga zo maar door. Schuifje open, schuifje dicht, volgend schuifje open.In mijn hoofd blijven de schuifjes haperen, of ze springen allemaal tegelijk open en alles valt eruit. Moet ik alles weer oprapen en steek ik het in de verkeerde schuifjes. ‘Ja, papa, het is Ilse, is ons mama daar?’ Mijn moeder was het centrale aanspreekpunt, maar jammer genoeg ook de botsabsorbeerder van de familie. Want als je zeven kinderen hebt, is er altijd wel iets, met iemand.  In de slaapkamer van mijn ouders hing een tegeltje:‘Heb vertrouwen. God is liefde. De mens is goed.’ Soms wilde ik dat ze dat wat minder geloofde, het had haar wat miserie bespaard.                                                            *** 'Ik heb het begin van Parkinson.' Ze zei het zo nuchter en zonder dramatiek, alsof het ging over een tand die getrokken moest worden, dat het eerst niet goed tot me doordrong.Beetje bij beetje zagen we hoe ze achteruitging. Hoe ze steeds moeizamer stapte, eerst met een wandelstok, aan de arm van mijn vader. Dan met een rollator, tenslotte een rolstoel. Familiehulp - die maakte slechte, zoutloze soep, klaagde papa. Dagopvang, nachtzorg. En dan de terminus: het woonzorgcentrum.                                                              *** Mijn vader kijkt naar de koers en mijn moeder zit in haar relax en staart mee naar het scherm, met een glazige blik. Ze lacht wanneer ik de kamer binnenkom.‘Ben je met je nieuwe fiets gekomen? Je hebt een mooie trui aan.' Dat doet ze altijd : de ene keer geeft ze een compliment over een trui, dan over een broek, een jas, schoenen. Haar kamer hebben we zo gezellig mogelijk ingericht, met veel foto’s: kinderen, kleinkinderen, nu zelfs achterkleinkinderen — ze lachen haar allemaal toe. Ze zegt dat ze verdrietig is, elke keer wanneer ze naar de foto van mijn broer kijkt.Er komt een verzorgende binnen, ze brengt een drankje en blijft even babbelen.‘Iedereen is vriendelijk,’ zegt mama. Doe normaal, denk ik, mijn moeder is toch geen kleuter. 'Vertel eens, Leake, hoeveel kinderen hebt ge?''Ik had er acht, nu nog zeven.'Nu moet ik haar toch corrigeren.'Nee, mama, je had er zeven en nu nog zes.' ‘Blijf je eten?’ ‘Nee, mama, dat gaat toch niet.’ ‘Ik zou niet weten waarom niet.’ We brengen haar naar de eetkamer, mijn vader smeert haar boterhammen,  giet haar koffie in en doet haar een grote slab om. Ze vraagt of ik ook een boterham wil.                                                                         *** Ze moet naar het ziekenhuis, het gaat steeds slechter. Ze heeft koorts, ijlt. Pas wanneer de koorts zakt, mag ze naar huis, naar haar kamer in het woonzorgcentrum. Ze is beter, denkt mijn vader. Ze wordt niet meer beter, weten wij.   Pling! Een bericht in de familieapp: het gaat niet lang meer duren. Familieleden wisselen af aan haar bed, maar dat weet ze niet. Ik moet af en toe naar het toilet om stilletjes te wenen. Op Facebook krijg ik hartjes en troostende berichtjes. Ik bedank en schrijf:‘Ik ben verdrietig omdat ze er niet meer is. Ik ben opgelucht omdat ze geen pijn meer heeft.  En ik ben blij omdat ik een lieve mama had.’  

Ilse Janssens
0 0

Open Brief omtrent discriminatie tegenover uitkeringsgerechtigden

Geachte Minister David Clarinval en Minister Caroline Gennez;    Mijn naam is Kiya Lee Levy Runaya Goethals, 37, man; autistisch, adhd, depressie, suicidal; te Waregem.  Ik schrijf deze open brief aan jullie, rechtstreeks, omwille van jullie functies. Want, corrigeer me als ik fout zit: maar zijn jullie beide niet verantwoordelijk voor volgende functies:  Werk, economie, welzijn, armoedebestrijding, cultuur en gelijke kansen?  Dat is wel een hele boterham, he? Best wel veel verantwoordelijkheden voor slechts 2 individuen.  Maar rest mij de vraag; begrijpen jullie je eigen taken wel? Dat bedoel ik niet beledigend, maar vraag ik uit bezorgdheid.  Om mensen aan het werk te krijgen, en de economie zogezegd te boosten, gaan jullie meer armoede aanmaken door minderbedeelden aan te vallen via media, en hun rechten en uitkeringen te ontnemen.  En daar stokt het dan ook meteen.  Er wordt helemaal geen aandacht geschonken aan het welzijn van deze mensen. Integendeel zelfs, jullie schilderen hen af alsof men criminelen en profiteurs zijn, énkel omdat men minderbedeeld is.  Ministers die verantwoordelijk zijn voor de taken waarvoor jullie beide verantwoordelijk zijn gemaakt horen hun motivaties niet te laten leiden door vooroordelen of klassenhaat. Want jullie zijn een leidend voorbeeld. Wat jullie zeggen, geloven en doen; dat zal de maatschappij nabootsen.  Jullie beweren dat alle uitkeringsgerechtigden profiteurs zijn van de staat. Van werklozen tot langdurig zieken. Geen enkel persoon die één of andere vorm van uitkering ontvangt is veilig voor de discriminatie die jullie de wereld in sturen. En daardoor alleen al een hele reeks aan kansen aan zich zien voorbijgaan. Niemand wil hen aannemen, door hetgeen dat, door jullie, wordt verteld in het nieuws; en vervolgens ga je hen het verwijt aanspelden dat men profiteerd net omdat men niet aan een job geraakt tussendoor alle discriminatie tegen mensen in hun positie dat in leven wordt gehouden door mensen als jullie.  En ik stel mezelf dan luidop de vraag waar dit allemaal goed voor is.  Even een persoonlijk voorbeeld; al sinds ik 21 jaar oud ben, ben ik op zoek naar een job. Het ging zo slecht dat ik meermaals ben gestart via art. 60 (sociale tewerkstelling). Waar ik op iedere werkplaats werd gepest door werkleiders, niet door mijn directe collega's. Neen. Zij waren de enigen die elkaar steunden. Maar de werkleiders. De mensen die trainingen hebben opgelopen om om te kunnen gaan met moeilijke mensen, mensen met mentale en psychische problemen alsook mensen met autisme, adhd, etc. Hulpverleners, m.a.w.  Mensen die hun rol misbruiken om anderen, die het al moeilijk hebben en voor wie de geloofwaardigheid onbestaande is, het leven nog moeilijker te maken. Ik werkte bijvoorbeeld 2 jaar lang via een vervangingscontract. In mijn laatste 8 maanden kregen wij een plotse vervanging van de leiding. De nieuwe baas had mij niet graag, meteen, zonder ooit tegen me te praten. Ik verloor al mijn verantwoordelijkheden, geloofwaardigheid en het vertrouwen dat ik had opgebouwd binnen deze werkplaats. Ik werd dagelijks gepest en toen ik na 8 maanden nog steeds weigert om op te geven besloot deze persoon om mijn aanwezigheid niet meer op te schrijven, werd ik niet meer uitbetaald en werd ik ontslagen. Waarna ik dakloos werd. Ik sliep 11 maanden in een bos. Ik had nog geprobeerd om klacht in te dienen, maar ik werd uitgelachen door de politie, door mijn vakbond, en door de grote bazen van het art. 60 bedrijf toen ik vroeg om de camerabeelden te bekijken om mijn aanwezigheid te controleren. Ik werd niet geloofd, zoals jullie mij beiden waarschijnlijk niet zullen geloven. Ik stuurde uiteindelijk 1 kwade email. Hij kon mij daarvoor blijkbaar wél aanklagen. De politie nam hem wél serieus. Ook zijn vakbond nam zijn klacht serieus. En het bedrijf steunde hem 100%. Hij klaagde mij zowel aan via het vredegerecht, als via de correctionele rechtbank. Voor 1 en dezelfde e-mail. De zaak kwam voor toen ik nog dakloos was. Daar werd geen enkele rekening mee gehouden. Voor beide zaken werd énkel naar zijn kant van het verhaal geluisterd en vervolgens een verstekvonnis gegeven in mijn nadeel, en zijn voordeel. De vrederechter besloot om hem een schadevergoeding toe te kennen van 1000 euro, en de correctionele rechtbank besloot dat een gevangenisstraf van 6 maanden een gepaste straf was voor een eenmalige e-mail. Ik moest langsgaan bij de gevangenis om mijn situatie uit te leggen. Daarna zou een nieuwe rechter beslissen of ik de gevangenis in moest, een enkelband moest dragen of de straf kwijtgescholden werd.  Dus, ik legde alles uit. Met handen en voeten. Men ging zelfs mijn verhaal controleren bij mijn begeleidsters en gaf op het einde van de dag de zekerheid dat ik vrijuit zou gaan.  Maar niks was minder waar. De rechter besliste dat mijn 1 kwade e-mail erger was dan 8 maanden gepest worden, onterecht ontslagen worden, niet uitbetaald worden en vervolgens 11 maanden dakloos in een bos overleven. En gaf mij 6 maanden elektronisch toezicht, wat vandaag begint. Op de uitspraak staat letterlijk: “De periode dakloosheid veroorzaakt door het ontslag is geen reden om zulke woorden te gebruiken”.  Dat wil dus zeggen dat ik nu een strafblad heb. En zoals jullie mijn verhaal sowieso niet gaan geloven, zal ook geen enkele werkgever het geloven wanneer men daarnaar vraagt. Er zijn ook tal van jobs waarvoor ik niet eens meer in aanmerking kom nu ik een strafblad heb. Allemaal omwille van een e-mail.  Ik ben een artiest, allereerst. Ik teken, maar vooral: ik schrijf Engelstalige fantasy epics.  Weet u wat verboden/illegaal is voor werklozen met het risico je uitkering te verliezen? Een boek schrijven. Ik heb hier nu een talent waarop ik kan rekenen, en zelfs dat nemen jullie van mij weg. In de Belgische literaire geschiedenis bestaat er niet 1 auteur die een hele fantasy franchise heeft neergepend. Al zeker niet in de Engelse taal. Ik kan zomaar geschiedenis schrijven. Maar omdat jullie, vanuit de regering, beslissen dat alle mensen met een uitkering profiteurs zijn die alleen maar frauderen: is het illegaal gemaakt voor werklozen om te werken in de kunst. Dit boven op het feit dat ik niet langer kan werken in de sector waarvoor ik al mijn ervaring heb opgebouwd, en mijn studies in heb gedaan.  En wat verwachten jullie dan van mij?  Jullie verwachten dat ik, tegen alle tegenslag in, tegen alle verloren rechten in, tegen alle logica in: kan doen waar jullie mij niet willen in laten slagen. Een carrière uitbouwen zodat ik een bijdrage kan leveren aan de maatschappij.  Ik wilde zelfs een goed doel opgeven als ontvanger van mijn royalty's. Zodanig dat ik geen cent verdien aan mijn eigen talent. Maar zelfs dat mag ik niet. Zelfs dat hebben jullie illegaal gemaakt voor werklozen.  Ook de aanvraag tot een kunstwerkattest is compleet onmogelijk gemaakt. De voorwaarden alleen al ontnemen de kansen van laaggeschoolden en werklozen.    En dan staan jullie in voor werk, economie, armoedebestrijding en gelijke kansen?  Vertel mij eens hoe je dat voor elkaar krijgt als je minderbedeelden hun inkomens wegneemt? Vertel mij eens hoe je dat voor elkaar krijgt als je minderbedeelden hun reputatie vuil maakt via media? Vertel mij eens hoe je dat voor elkaar krijgt als je minderbedeelden hun kansen wegneemt nog voor men deze kan benutten?  Vertel mij eens hoe exact jullie mij helpen, en het beste voor mij, en anderen in mijn positie, doen? Want hoe hard ik ook zoek en kijk en excuses probeer te verzinnen voor jullie motivaties: ik vind de antwoorden niet.    Wij krijgen de toestemming niet om aan armoede te ontsnappen.  Wij krijgen de toestemming niet om onze eigen wegen in te slaan, of onze eigen carrières te maken.  Wij krijgen niet eens de toestemming om onder de armoedegrens te overleven zonder dat wij daarvoor de beschuldigende vinger voor krijgen.    Om vervolgens verwijten naar ons hoofd geslingerd te krijgen zoals “profiteur”, “niksnut”, “luiaard”, “onvrijwillig”, “opstandig”, etc.   Laten we de klok eens enkele maanden terugdraaien om het verschil te zien als deze wetten, die mensen als ik limiteren, niet bestonden. Dan had ik ondertussen, op z’n minst, 8 zelf-gepubliceerde boeken uitgebracht.  Dan zou ik al ruim 2 jaar een gepubliceerd auteur zijn, en gebaseerd op de verkoop toen ik slechts 2 weken gepubliceerd was (97 boeken verkocht), zou ik al ruim 1000, of meer, boeken verkocht hebben (om niet te overdrijven). Dan zou ik al contact kunnen hebben gelegd met een agent en buitenlandse uitgeverij om mijn boeken via een officiële uitgeverij te publiceren. Dan had ik, op dit moment, een job en was ik officieel een auteur. Dan had ik met mijn publicaties ook een bijbaan kunnen bemachtigen in de wereld van journalisme, als columnist, recensent, etc.    Maar, in plaats daarvan leven wij in een land dat wetten in het leven heeft geroepen die mensen, in mijn positie, sterk limiteren. Daardoor ben ik nog steeds werkloos, verloor ik ondertussen mijn werkloosheid, waardoor ik nu van 100 euro onder de armoedegrens naar ben gezakt naar 200 euro onder de armoedegrens. Ik heb geen vooruitzichten. Ben ik niet gepubliceerd, heb ik geen opties en dankzij die enkelband verlies ik ook de sector waarin ik al ervaring en werk had, waardoor alles dus nog moeilijker wordt in de toekomst.  En dan stel ik mezelf de vraag: waarom?  Wat heb ik in godsnaam gedaan dat ik zo’n behandeling verdien?  Omdat ik in armoede ben geboren? Omdat mijn vader in Engeland is geboren en pas op zijn achtste kwam emigreren naar dit land? Omdat ik werkloos ben? Omdat ik laaggeschoold ben, ook al kwam dat door dakloosheid? Omdat ik dakloos ben geweest?  Wat heb ik verkeerd gedaan in jullie ogen dat ik dit verdien? Dat ik het verdien om in deze erbarmelijke omstandigheden te leven in 1 van de duurste landen ter wereld?    Door minderbedeelden hun talenten en opties te blokkeren/limiteren énkel vanwege hun status, en door het corrupte/veroordelende rechtssysteem, zijn jullie net de grootste oorzaak van armoede, werkloosheid én dakloosheid binnen ons land. En ik begrijp heel goed hoe aanvallend deze ene opmerking zal overkomen. Maar het verbleekt in het niets met hoe jullie minderbedeelden behandelen. Alsof we op 1 of andere manier minder mens zijn dan jullie.    Hoe moet ik nu vooruit?  Hoe moeten duizenden mensen in dezelfde situatie nu in godsnaam vooruit?  Wanneer onze beste uitweg plotseling aan het einde van een strop bengelt? Want de politiek heeft beslist dat wij, minderbedeelden, niet langer mensen zijn met mensenrechten.   Ik heb jullie beide een multitude aan e-mails gestuurd. Smekend naar jullie hulp en begrip. Zelfs nog voor jullie hadden aangekondigd om werklozen hun uitkeringen weg te nemen.  Jullie hebben mij slechts eenmalig van antwoord gediend. En dat was toen enkel om jullie verantwoordelijkheid uit de weg te gaan, de schuld door te spelen naar een ander en bezorgdheid/medeleven veinzen. Toen ik op die mail antwoorde, om een gesprek te starten, werd ik gewoon opnieuw genegeerd.  Ik vermoed zomaar dat deze open brief, net als mijn e-mails, zal genegeerd worden. Het toont aan wat jullie werkelijk motiveert. Als het zo moeilijk is om met jullie eigen burgers in gesprek te gaan en de ravage te erkennen die jullie aan het aanrichten zijn, waarom bekleedt je dan in godsnaam de positie waar je nu werkt? Enkel voor een dikke paycheck? Want het alleszins niet omdat jullie een hart hebben voor minderbedeelden, werklozen, laaggeschoolden, etc. De mensen die jullie als zondebokken gebruiken, ondanks dat jullie posities de bewering maken dat jullie hier zijn om ons, en onze rechten, te beschermen. Maar niks is minder waar in een rechtse regering.    Weten jullie dat ik schaamte voel als Belg?    Wat kan dan een oplossing zijn?  Wel, laten we eerst beginnen bij mijn persoonlijke probleem.  Door de voorwaarden te versoepelen voor het verkrijgen van een kunstwerkattest, of de kunstwerkcommissie direct aanspreekbaar te maken; verhoog je al meteen de kansen van enorm veel getalenteerde mensen die niet terecht kunnen op een werkvloer.  Vooral de 2 voorwaarden die werklozen en laaggeschoolden de weg naar voren blokkeert. Namelijk de eis om een bachelor of diploma hoger onderwijs te hebben: en de eis om minstens 300 euro verdiend te hebben (wat illegaal is voor werklozen) te elimineren.  Beseffen jullie dan niet dat niet iedereen met artistiek talent op vroege leeftijd heeft beslist om in de kunst te gaan studeren? Het wordt in de meeste huishoudens zelfs afgewezen en verboden omdat het niet “haalbaar” is.  Een andere/bijkomende oplossing kan dan een betere omkadering zijn. Dat behaal je door uitzendkrachten en hulpverleners minder klanten te geven waardoor de hulp persoonlijker wordt en meer gedreven zal zijn. Bovendien opent het perspectief om van hulpverlener een knelpuntberoep te maken omdat er dan méér hulpverleners aangenomen moeten worden.  Een volgende oplossing kan bv ook zijn, ipv dat men hulpverleners omtovert tot een knelpuntberoep; men in de plaats daarvan de terugkomst inluidt van de armoededeskundige. Minderbedeelden die bijscholen om armoededeskundigen te worden zodat zij kunnen ingezet worden om hulpverleners bij te staan, als ook de regering (dat foutief denkt dat zij kunnen denken en redeneren voor minderbedeelden, terwijl jullie armoede niet eens begrijpen. Wat duidelijk is bij jullie verwijten van profiteurisme aan deze mensen hun adres, zonder hen, of hun levensverhalen, zelfs te kennen).  Er is ook het feit dat sommige werklozen/zieken gewoon niet in staat zijn, psychisch/mentaal, om voltijds sociaal te zijn. Want dat is wat werken is, in essentie. Je bent 8u/dag sociaal. Voor veel mensen brengt dit enorme stress met zich mee. Deze mensen worden niet, tot amper, begeleid, en er is al zeker helemaal geen begrip voor. Deze mensen werken door tot men een burn-out ervaart of in diepe depressie zakt. Vervolgens wordt men langdurig werkloos omdat werkgevers vaak de wenkbrauwen fronsen bij zulke verhalen en deze ervaren als “toont geen motivatie” of “wil niet werken”. Omdat dat nu net is hoe jullie politici over deze mensen praten. Door bv deze mensen thuiswerk te laten doen, of deeltijds werk, of gedeeld thuiswerk met ter plaatse werken: met extra begeleiding in de vorm van presentatie, niet in de vorm van verplichte gesprekken en antalgische relaties.    Maar de béste oplossing is zeer simpel. Investeer in de mensen. Niet in de geruchten. Niet in de vooroordelen. Focus op de meerderheid, en niet op het kleine percentage rot fruit. Laat deuren op een kiertje staan, ipv mensen buiten te sluiten. Doe het juiste! Ipv discriminatie in leven te houden.  Maar helemaal niks doen en mensen gewoon hun uitkeringen wegnemen, en vervolgens nieuwe leugens de wereld in sturen via de media om deze mensen het leven nog zuurder te maken .. is géén oplossing. Dat is hét probleem.   Ik dank jullie voor uw aandacht.    Mvg  Kiya Lee Levy Runaya Goethals.  

K.L. Runaya
41 2

Glimlach

Het is 12 januari 2012 als mijn leven voorgoed verandert. Wacht, mijn leven, zeg ik. Ik bedoel misschien meer mezelf, mijn kijk op dat leven, mijn voorkeur, mijn gevoel voor schoonheid, mijn hoop in de toekomst, mijn idee over het zijn. Mijn beleving van... de liefde. Het is de aanblik van het kleine hoofdje dat een aardverschuiving met zich meebrengt. Ik ben er zeker van, net op het moment dat ik dit wonderlijke kind het leven schenk, gebeurt er ergens op de wereld het onmogelijke. Ik weet niet waar, ik weet niet hoe en ik zal het nooit ontdekken. Maar ik voel het, in elke vezel van mijn lijf, nagloeiend van de arbeid. Ik voel het in mijn leeggelaten ballonbuik, ik voel het in mijn slaperige benen, ik voel het in het lijfje dat op mijn borst wordt gelegd: Ergens is een klein wonder geschied. Het kindje dat zonet uit als een vrucht uit de moederboom werd geplukt, heeft dit veroorzaakt. Ik geloof niet dat iemand anders in de kamer zich van dit moment bewust is geweest, of het was misschien zoiets als een kleine rilling langs de ruggengraat, een milde bries door de haren of een plotse fluittoon in het linkeroor. Heel even waan ik mij in nieuw universum, het universum van hem en mij, van het kind en mij. Maar als ik mijn blik afwend naar de vader van dit schepseltje, zie ik meteen dat er niet enkel een milde verschuiving binnen dit heelal heeft plaatsgevonden, maar dat de man naast mij voor altijd een andere zal zijn. We kijken samen voor het eerst naar het kleine gezichtje. Het is op dat moment dat het begrip schoonheid opnieuw wordt vormgegeven in ons brein. Alle verbindingen met dit concept die we voor dit ontiegelijk vroege uur hadden, worden in één aanblik weggeveegd. Schoonheid is niet langer meer wat de mens ervan maakt. Schoonheid ligt in mijn armen. Het kindje, ons kindje, lijkt niet op het kindje dat een uur eerder hier hulpeloos en geliefd in de armen van een uitgeputte moeder lag, het kindje lijkt nog minder op het kindje dat een uur later, hier, op deze tafel waar moeders geboren worden, het levenslicht zal zien. Zijn glimlach is groter. Veel groter. Dit hier, denk ik, dit hier is wat de wereld nodig heeft. Een gouden jongetje, met een veel te grote glimlach. Om het hart van ons allen te verwarmen. Ik denk aan het wonder, dat op de andere kant van de wereld zich in de voorbijgaande uren heeft voltrokken. En ik hoop dat er ergens iemand huilt van geluk.

Sifaka
14 2
Tip

Tussen etenstijd en bedtijd

Het is het moment van de rust, ergens tussen avondeten en bedtijd, en hij en ik zitten samen aan de tafel. De kinderen zijn na de gegeerde toestemming als gnoes de keuken uit gestoven. Voor ons staat de vuile vaat als een metafoor van ons rommelig leven ons grijzend in het gezicht te staren. We moeten ons geen illusies maken. Dit moment duurt maar heel even. Straks tikt de klok weer ongenadig verder en verdwijnen we weer zachtjes in de maalstroom van de dag. Maar nu zitten we, samen, en de klok tikt niet meer. De vaat mag grijnzen wat ie wil, de kinderen zijn verdacht stiller, maar ook dat dringt amper tot ons door. Ik kijk naar mijn man en ik zie de zwaarte van de dag langzaam zijn schouders afglijden. Het is pas in dit moment, wanneer alles wat eerst moet al klaar is en alles wat daarna moet nog enkele tellen op zich laat wachten, dat we echt kunnen thuis komen.  Het is vreemd, maar nu en elke dag op deze nu, moet er niemand dringend plassen, staat er nooit een kat te janken om naar buiten - of nee toch maar binnen - te gaan; op dit moment belt er niemand aan en als men het toch zou wagen, zou de bel zeker dienst weigeren. Dat hebben we nog nooit getest, maar sommige dingen staan vast zonder dat ze ooit werden uitgesproken of opgeschreven.  We kijken elkaar niet aan, we spreken ook niet. Ik vraag me af of hij wel weet dat ik hier zit, hoewel we net samen gekookt, opgevoed, gepakt, gekuist, gegeven, gesneden, geprikt, aangemoedigd en - oh ja - gegeten hebben. Ik voel me rustig en stabiel, we voelen het vast allebei: we kunnen dit. Meer zelfs: we doen dit.  Het is het moment van de dag dat ik het meeste koester, een gouden randje omhult op dit moment ons huis, ons gezin, onze toekomst. Buiten regent het of het is net veel te warm, maar dat geeft niet. Nee, dat geeft niet. We worden immers nergens meer verwacht en niemand zit nog op ons te wachten. Het is hier te doen, bij ons. Ondertussen liggen de uren en de ervaringen van vandaag onder zijn stoel en het is stil in mijn hoofd, voor heel even. Voor heel even zijn wij wie willen zijn - altijd tussen etenstijd en bedtijd. Voor heel even hebben we de touwtjes in handen. Ik begrijp hem. Hij zegt niks, maar ik begrijp zijn onuitgesproken woord. Ik vind dat ook, jongen, ik vind dat ook. Ik denk heel erg hard aan hem en hoop dat hij dit voelt. Via de liefde ofzo, denk ik naïef. Dat mag nu, in dit moment mag dat. Naïviteit heeft een plaats tussen etenstijd en bedtijd. We zouden kunnen spreken, bedenk ik me, maar ik voel en weet dat dit moment dat niet nodig heeft. In deze tijd kan alles, mag alles, in deze tijd zijn we de best mogelijke versie van onszelf. Thuisgekomen. Wat is het stil. Thuis is waar het stil is, hoe luid we met zijn allen ook zijn.  Langzaamaan hoor ik weer kinderstemmen in mijn hoofd en ik zie in mijn ooghoek dat er een kat voor de deur zit. Hoelang zit dat beest daar al? Het is alsof mijn man me aanvoelt, want ik hoor hem zeggen dat hij seffens de tafel gaat opruimen en op dat ogenblik is het onvermijdelijk voorbij. Het gouden moment is ingehaald door het leven, vanaf nu is het wachten op een nieuwe dag. De klok tikt oorverdovend hard in mijn hoofd en ik roep de kuikens toe dat we seffens moeten gaan slapen en dat ze eerst nog moeten douchen, opruimen, tv kijken, kaka doen, nog wat opruimen en zeker niet vergeten om ... op te ruimen. Ik kijk terug naar hem en zie dat hij de zwaarte van dag van onder zijn stoel heeft bijeengescharreld en terug op zijn schouders heeft geladen. Ik stel hem volwassen vragen over zaken waar ik eigenlijk veel te weinig van snap en vraag me af wanneer mensen eigenlijk echt volwassen zijn? Is volwassen zijn altijd afwas hebben staan of is volwassen zijn nooit alle antwoorden hebben op moeilijke vragen? Hij kijkt in mijn ogen en nu voelen we het zo: Kunnen we dit wel? Meer nog: Wat zijn we eigenlijk aan het doen? Het maakt me onzeker en ik probeer een stukje zwaarte van zijn schouders te lichten en op de mijne te laden. Dat moet de liefde zijn. Ondertussen hangt er een kind aan mijn broek, is een ander kuiken kasten aan het leeghalen en vertelt de laatste een mop waar ik eigenlijk niet mee moet lachen. Volwassen zijn is een poging doen om overtuigend te lachen met oerslechte moppen. We doen allemaal maar wat, zeg ik. En er is niemand die me ongelijk geeft. Morgen, wanneer de klok weer even stilstaat tussen etenstijd en bedtijd, neem ik me voor om de zwaarte onder de stoel van hem weg te keren nog voor de tijd ons weer voortduwt. Het zal me niet lukken, weet ik, en dat is helemaal oké. Het is immers altijd een voornemen dat ons doet leven.  Morgen, zeg ik, morgen neem ik me voor om wat meer te leven. 

Sifaka
80 5

Harige Handy

'Ik ben gelukkig getrouwd met een Harige Handy!' Ik hoor het haar nog steeds zeggen. Zeker nu. Jarenlang deelden we, samen met nog een paar anderen, een groot kantoor. En lief. En leed. Op zich vulden we elkaar prima aan, vooral op professioneel vlak. Zij was een aanpakster. Aanvankelijk wilde ik pragmaticus schrijven, maar dat zou te intellectueel klinken. In elk geval, als er zich een probleem voordeed, loste zij het op. Meestal door, zonder de kwestie helemaal te begrijpen, meteen naar de telefoon te grijpen om hulp te vragen of, als we erachter kwamen dat iemand een fout had gemaakt , iemand op zijn plichten te wijzen. Heel af en toe brutaal of bot, bijna beledigend. Altijd recht voor z'n raap. Onomwonden, zoals een uitgepakte mummie of van die slingers toiletpapier die voetbalsupporters op het veld gooien als de spelers hun opwachting maken voor een belangrijke wedstrijd.  Zelf ben ik veel ingetogener. Ik denk meestal twee, drie of vier keer na vooraleer ik enige actie onderneem. Waarschijnlijk te veel, waardoor ik in het dagelijkse leven al eens als terughoudend of zelfs besluiteloos overkom. Het jammere is dat ik dat zelf besef, waardoor ik, om tegen mezelf te rebelleren of om aan mezelf te bewijzen dat ik geen saai of angstig mens ben, soms opzettelijk ondoordachte dingen doe.  Van de andere kant ben en was ik wel een stuk taliger dan zij. Op zich geen glansprestatie, want zij maakte er een sport van om allerlei voor de hand liggende uitdrukkingen, zegswijzen of zinsconstructies verkeerd te gebruiken of op ongewilde en bijgevolg lachwekkende wijze door elkaar te haspelen.  'Ik ben gelukkig getrouwd met een Harige Handy!' riep ze dus op een keer, nadat ik uitvoerig verteld had over mijn voorbije verlofdag, tijdens dewelke ik erin geslaagd was om al kokkerellend in mijn linkerwijsvinger te snijden, al klussend - stel je er niet te veel van voor, gewoon een fotokadertje ophangen - mijn duim én diezelfde linkerwijsvinger plat te hameren, het desbetreffende kadertje op mijn voet te laten vallen en daarna op mijn sokken in de glasscherven te trappen. 'Wij zijn ook gelukkig getrouwd,' repliceerde ik, zonder het cliché van zij gelukkig en ik getrouwd (of omgekeerd) boven te halen, 'en nee, ik ben zeker geen Handige Harry, want dat was ongetwijfeld wat je bedoelde.'  Kalf, dacht ik daarna nog. Dat zeg ik er eerlijkheidshalve even bij. Ik was een beetje boos. Dat zou me vandaag de dag niet meer overkomen, want ik heb me al decennialang neergelegd bij het feit dat ik legendarisch onhandig ben. In die mate dat ik er met gemak een titel of vermelding in het Guinness Book of Records mee zou kunnen verdienen.  Enfin, dat heb je dus met herinneringen. Soms komen ze ongewild naar boven, en soms, als je in de mood bent of er echt behoefte aan hebt, lukt het niet om ze op te halen. Een herkenbaar probleem voor ouder wordende mannen en hun aanpalende of naastliggende lichaamsdelen, doch dit terzijde.  Zoals je ongetwijfeld weet, heeft alles een oorzaak. Deze keer was die het feit dat ik al ontbijtend, net nadat ik vrolijk en energiek had geopperd dat het een zonovergoten dag zou worden, per ongeluk met mijn mespunt achter het oor van mijn kopje koffie haakte, waardoor ik het onopzettelijk kantelde en heel de tafel onder de koffie kliederde. 'Volgens mij wordt het eerder een koffie-overgoten dag,' grinnikte mijn wederhelft terwijl ik met vaatdoek en stukjes keukenrol heel het boeltje zat te deppen en weg te vegen.  Onze jongste dochter deed er nog een schepje bovenop: 'Jakkes, papa, ik zie nu pas voor het eerst dat er haar op je vingers groeit! Ie-juw!' 'Wist je dat dan niet? Dat heeft hij al lang, op beide linkerhanden!' Mijn vrouw weer. Hilariteit alom.  Ze beseft niet eens hoe gelukkig ze getrouwd is. Harig ben ik al, maar dat handy zal er nooit van komen, vrees ik.  

Danny Vandenberk
4 0

Alma Mater

Mijn grootmoeder heette Alma. Wij zeiden meter, maar eigenlijk heette ze Alma. Ze haatte die naam, omdat dat volgens haar “ne naam van den Duits” was. In haar hoofd was het een vaststaand feit. Alma was geen naam voor een mens gelijk zij. En toch heeft geen naam ooit beter bij iemand gepast. Alma Mater. De voedende moeder. De moeder der moeders. Al zou ze zelf gezegd hebben: “Doe normaal, kind, en eet nog een stuk appeltaart.” Want dat was meter ook. Geen grote woorden. Wel zoete citroenthee bij griep. Extra lang op haar schoot bij een geschaafde knie. Rijstpap op vrijdag. Appeltaart op zaterdag. Rituelen waar ge als kind op vertrouwt gelijk de zon die opkomt. En katholiek dat die vrouw was. Wij moesten elke week naar de mis. Geen discussie mogelijk. Of ge moe waart, of het regende, of ge liever in uwe pyjama naar Niels Holgerson keek, deed er niet toe. God wachtte niet. Dus zaten wij daar braaf in de kerk terwijl meter ondertussen alle heiligen persoonlijk leek te kennen. Voor examens werd er gebeden. Voor een operatie werd er gebeden. Voor slecht weer op het communiefeest werd er een noveenkaars aangestoken alsof ze rechtstreeks met de hemel onderhandelde. Ik ben dat geloof onderweg ergens kwijtgeraakt. Maar nog altijd, als er echt iets is, iets groot, iets waar ge zelf geen vat meer op hebt, denk ik soms: “Almake… spreek uwe God daar eens op aan.” En eerlijk? Een stuk van mij gelooft dat ze dat doet. Bij meter thuis was het altijd warm. Letterlijk ook. Een kleine leefruimte met een kachel die precies heel de familie draaiende hield. Vijf kleinkinderen door elkaar. Een tafel vol kaarten. Beeldjes op de schouw. Mijn grootvader in zijn vaste hoek van de zetel. Mensen die luid praatten, luid lachten en soms luid ruzie maakten om daarna gewoon verder cake te eten. Daar werden liedjes gezongen over nen bleken blauwe hond alsof dat cultureel erfgoed was. Daar werd uren gekaart. En meter, die smeet haar kaarten op tafel met de grandeur van een casino in Las Vegas en riep: “Zevenen! Dat kan alleman!” waarop wij allemaal tegelijk begonnen roepen dat het ni waar was. Het was een huis van commentaar geven zonder rem. Van elkaar plagen. Van verhalen die elk jaar straffer terugkwamen. Van te luid soms zo luid dat de ramen ervan trilden. Ik heb het duidelijk van geen vreemden. Later, toen ik zelf moeder werd, veranderden onze gesprekken. Ze gingen minder over kinderknieën en meer over het grote modderen. Over hoe ge uw best kunt doen en toch soms denkt: is dit het nu? Over kinderen die moeten vliegen, terwijl ge zelf nog met hun jas in uw handen staat. Jaren later noemde ik mijn bedrijf naar haar: Huis Alma. Niet omdat ik een heilige wilde eren, maar omdat ik iets van haar wilde meenemen. Haar nuchterheid. Haar pragmatisme. Haar massa’s liefde. Haar relativeringshumor. En altijd ergens die geur van soep of versgebakken cake. Zelfs op het einde, toen wij voor haar mochten zorgen, bleef ze Alma. Kleiner misschien. Brozer. Maar nog altijd een huis. Nog altijd iemand bij wie ge dacht: hier mag ik zijn. Misschien is dat moederschap. Niet perfect zijn. Niet altijd zacht. Niet altijd geduldig. Soms kijven. Soms zuchten. Soms de verkeerde dingen zeggen en daarna toch koffie zetten. Maar vooral: een veilige haven zijn voor vogels die moeten vliegen. Een plek die zegt: het is goed. Bij mij zijt ge veilig. Gelijk wat. Ik blijf. En ondertussen modderen we allemaal maar wat aan. Met onze soep, onze kinderen, onze zorgen, onze appeltaart. Zoals meter het ons geleerd heeft.

Katrien Daniels
53 4