Zoeken

Het heeft een naam!

Ik wist het niet, maar dat kleine steentje dat af en toe nog eens tegen mijn hart tikt, heeft blijkbaar een naam. Ik las het in de Flair. Ik geef toe: niet de eerste plek waar ik levenswijsheid verwacht. Tussen de zomerjurken, hydraterende serums en de vraag welk type barbecuegezel ik ben, stond ineens een woord waarvan ik dacht: verdorie... dat ken ik. Vriendschapsverdriet. En plots viel er van alles op zijn plaats. Ik dacht altijd dat dat gewoon hoorde bij ouder worden. Dat er onderweg mensen uit uw leven verdwijnen. Niet omdat ze sterven. Niet omdat ge hen niet meer graag ziet. Maar omdat ge elkaar ergens, tussen een misverstand en een stilte, gewoon bent kwijtgeraakt. Maar dat waren geen gewone mensen. Dat waren die twee handen op één buik. Mensen die wisten waar ge uw reservesleutel verstopte, hoe ge uw koffie dronk en waarom ge nooit een Viennetta kon laten liggen. Mensen die ge om drie uur 's nachts mocht bellen zonder eerst te beginnen met: "Sorry dat ik stoor." Mensen die zagen dat het niet goed ging nog voor ge zelf wist waarom. Met wie ge de chronische aandoening FOMO bestreed door gewoon overal samen naartoe te gaan. We zongen liedjes die veel te luid klonken. We deden zatte handenstanden tegen een muur. We verbeterden de wereld tussen twee pinten door alsof iemand daarop zat te wachten. We lachten tot onze buik pijn deed. Het leken toen gewone avonden. Maar het waren liefdesverklaringen. Niet de romantische soort. De andere. En dan wellicht één verkeerde zin. Ge zei net iets te eerlijk wat ge van zijn nieuwe job vond. Of hij maakte een opmerking over uw kinderen waarvan ge dacht: dat had ge echt niet moeten zeggen. Ge wordt boos. Ge zwijgt. Ge denkt: dit waait wel over. Hij belt wel. Of ik bel morgen wel. Ge kent elkaar al zo lang. Dit kan toch geen einde zijn? Maar dagen worden weken. Weken worden maanden. Maanden worden jaren. En op een bepaald moment is er geen ruzie meer. Alleen stilte. Laatst zag ik hem terug. Ik herkende hem meteen. Nog altijd dezelfde geruite hemdjes. Nog altijd een pet op zijn hoofd. Hij was wat uitgezet. Maar wie is dat niet op onze leeftijd? Zijn lach was nog exact dezelfde. Hij zag mij ook. En dat was het. Terwijl ik eigenlijk wilde vragen hoe het nu met die nieuwe job ging. Of die dakgoot eindelijk vervangen was geraakt. Dat zal ondertussen wel. Dat is intussen vijf jaar geleden. En leeft uw dikke, stinkende schildpad eigenlijk nog? En hoe het met de liefde ging, dat ook.  Ik wilde vertellen dat ik nog altijd dezelfde ben. Of toch bijna. Dat de scherpe kantjes wat afgesleten zijn. Dat de nachten minder wild zijn geworden. Dat mijn chronische aandoening FOMO nog af en toe de kop opsteekt. En dat ik soms nog aan ons denk. Aan hoe vanzelfsprekend wij waren. Hij verdween weer tussen de mensen. Ik bleef nog even staan. Ergens tussen de muziek, de pinten en de gesprekken liep een leven dat we ooit samen hadden. We schrijven romans over de liefde. We maken films over de liefde. We zingen over de liefde. We verklaren de liefde. We vieren de liefde met bloemen, ringen en trouwfeesten. Over vriendschap zijn we opvallend zuinig. Terwijl sommige vrienden langer blijven dan geliefden. Terwijl ze mee aan uw bed zitten na een operatie, uw verhuis helpen doen, uw kinderen zien opgroeien en zonder veel woorden weten wanneer het niet goed gaat. Vriendschap is een bijzondere manier van iemand graag zien. Misschien beseffen we dat pas wanneer er een stoel leeg blijft aan tafel waarvan niemand ooit had gedacht dat die leeg zou komen te staan. En, nog altijd, als ik in de diepvries een Viennetta zie liggen, denk ik aan hem. En blijkbaar bestaat daar dus een woord voor.

Katrien Daniels
108 4

Aan een Rotvaart Nergens Heen -- de "ik"-versie. Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 2: De eerste ochtend   Ik moest om kwart voor vier ’s morgens aan het postkantoor staan. Dat is geen sinecure en het kwam er dan nog eens bij dat het putje winter was. Ik bekijk alles echter pragmatisch en maak me de bedenking dat zij het niet kunnen maken géén verwarming te hebben, wat wel het geval was in mijn kamer. Op mijn bed lag immers boven het laken nog een wollen deken en daarboven nog een donsdeken, en nog had ik het koud. Dat kwam niet alleen door het ontbreken van centrale verwarming, het gat in het raam speelde ook een rol. Ik stond op rond drie uur, want het kantoor was nog geen kwartier rijden, zelfs niet met lood in de schoenen. Pa had de kwalijke gewoonte het huis bij elkaar te brullen als iemand moest opstaan, maar alleen als het om werken ging. Was het voor iets academisch, dan moest je zelf maar uit je nest zien te geraken. Of liever niet, eigenlijk, want in dat huis wordt gespuwd op alles wat maar een beetje naar kennisvergaring rook. Toen ik naar beneden kwam, had hij al een verkreukeld blikje Jupiler naast zich staan, op de tafel. Er waren ook al drie sigarettenpeuken aan het smeulen in de asbak. Hij keek me aan en leek haast te lachen. Denk ik, want ik heb hem zelf nog maar weinig zien lachen in de negentien jaar dat ik hem ken. Hij haalde een schriftje met daaraan een pen aan bevestigd tevoorschijn. ‘Hier,’ zei hij met dezelfde grijns, ‘houdt dat maar goed bij. Ge moet geen leesboek meepakken naar ’t werk, maar ge gaat wél mogen schrijven. Ge doet dat toch zo graag?’ Ware het niet van de lauwe biergeur uit zijn mond, ik had het misprijzen zo in zijn woorden kunnen proeven. Hij gooide het boekje op tafel en smeerde verder zijn boterhammen. As van zijn sigaret viel op de smeerkaas waarmee hij het brood beboterde maar dat scheen hem niet te deren. Hij ging ook vlot van confituur naar boter naar chocopasta, zonder zijn mes schoon te maken. Voor mij zullen het dus boterhammen met niets worden. Ik prop ze samen met een potje yoghurt in de pastelgroene brooddoos die gedurende mijn secundaire schoolcarrière al zijn nut had bewezen en nog lang niet op pensioen mag gaan. Het ding blijft de stille getuige van de neergang zonder opkomst van zijn eigenaar. Maar kan je wel een eigenaar zijn van iets dat je geen frank heeft gekost? De portokosten van de opgestuurde spaarkaart naar de commerciële dienst van de lokale koekjesfabriek en de kosten om het ding toegestuurd te krijgen daargelaten? Ik mag het hopen, anders ben ik eigenaar van bitter weinig. Vele van mijn weinige boeken heb ik immers verdiend met schrijfwedstrijden hier en daar. Ik werd wel nooit eerste maar vaak viel er wel een boek voor de tweede van de stapel die de eerste mee naar huis nam. We gingen samen naar het werk – hij nam me vooral mee omdat hij zeker wou zijn dat ik niet plots het hazenpad zou kiezen. Allebei op de fiets. Hij op zijn dienstfiets van De Post zelf, ik op die die ik vier jaar geleden kreeg als nieuwjaarscadeau. Het ding was groen-wit-roze, want het waren toen nog de jaren negentig. Het was stikdonker en berekoud. Hier en daar was er een lichte hint van sneeuw, van die kleine poedertjes, niet groot genoeg om een vlok genoemd te worden. Toch waren we niet alleen op baan – vele traiteurs hadden hun familieleden opgetrommeld om de eerste “pla’s” bij de vroege vogels te kunnen afleveren. En of ik veel vogels gezien heb. Het Groeningemonument zat er zwart van. Veel tijd had ik niet om van de schoonheid te genieten, want toen ik me de bedenking maakte, was ik al de Veemarkt voorbij en reed ik omhoog langs de Sint-Janslaan. Dan rechts en we arriveerden aan het postkantoor. Toen ik klein was – afijn, jonger – kwam ik er soms wel eens om in het restaurant van het postkantoor te eten, als ik met ma op pad was. Toentertijd kon je in het restaurant van De Post heel goedkoop, heel lekker en heel veel eten, zolang je een band met de openbare dienst kon aantonen. Maar de plaats waar mijn leven zich voortaan vaak zou afspelen, de postmannenzaal, die had ik behalve eens vluchtig nog nooit gezien. Het eerste wat mij opviel waren de grote, zware deuren, precies deuren van een gevangenis, die de mannen moeten binnenhouden. Ik dacht aan de zinsnede van Dante toen ik er voor de eerste keer door wandelde, “laat alle hoop wegvaren, gij die hier binnenkomt”. De poorten tot de Hel. Het zag er ook zo uit. Geüniformeerde chaos, darren als in een bijen- of wespennest, de individualiteit gedood. Wolken rook van alle slag tabak kringelden in de lucht. Zeker de helft van de postmannen had een asbak op zijn werkpost staan – één er van was een hand met een tet in, waarop stond “ik hou van tetten en van sigaretten”. Dat was nu mijn milieu. Mijn vertrouwd milieu, zoals thuis, maar tot in het oneindige uitgerekt. Mijn ogen traanden, zij het van consternatie, zij het van de tabak, ik weet het niet. Pa distantieerde zich al gauw van mij en iemand leidde me bij mijn arm naar vooraan de postmannenzaal, als was ik een chimpansee die ontsnapt was uit de zoo en terug naar zijn kooi werd geleid, met de vinger in de mond en een banaan in de andere hand. Ik zou toegewezen worden aan een zekere Bruno, op een dienst 18. Elke dienst heeft zijn nummer en in die tijd – voor de Georoutes er flinke gaten in sloegen – liep dat van 1 tot 48 in Kortrijk.  In Heule en Bissegem, beiden in datzelfde gebouw gevestigd, respectievelijk van 49 tot 57 en van 58 dan tot 62. Zo waren de straten verdeeld onder de postmannen. Die van mij waren de buurt van het Ring Shopping Center. Veel mensen denken verkeerdelijk dat dat Kuurne is, maar niets is minder waar. Dat heb ik tot mijn scha en schande moeten ondervinden toen ik er stagiair was. Ooit nam ik de telefoon verkeerd op – het is te zeggen, ik begroette mijn gesprekspartner met “Ring Shopping Center Kuurne, goeiemorgen” terwijl dat Kortrijk had moeten zijn, wat me op een uitbrander kwam te staan. En zo keert alles terug want de eerste dag van de rest van mijn leven zou ik doorbrengen in de streek waar mijn vorig leven zich ontspon. Ik heb ook nog wat straten daarrond, het Ringerf zoals ze dat noemen en dan de Ieper- en Izegemsestraat. Bruno was een tiental jaar ouder dan ikzelf. Vol van zichzelf, letterlijk en figuurlijk. Een eerder papperig aandoende man die niet veel thuis te zeggen had en het dan maar op kantoor deed. Hij was één van de enigen die niet rookte in de rij waar ik zat en daar was ik ergens wel dankbaar voor. Hij stelde zich voor als Bruno Derycke en die zou mijn peter worden. Ware het niet dat hij het een goed jaar later zou aftrappen om kranten te gaan ronddragen. Ik heb er nooit meer iets van gehoord. Raf, de postbode van dienst 17 werd komisch “de Chinees” genoemd omdat hij er volgens de collega’s uit zag als een Chinees, t.t.z. hij had spleetoogjes. We hadden ook een Marokkaan, de postbode van dienst 20. Die zag er blijkbaar als een Marokkaan uit. Want zo origineel waren de collega’s wel. Zelf was ik voorlopig wel gespeend van een bijnaam, of het zou moeten te maken hebben met mijn familiebanden. De kleine van Reginald, Junior, Billy 2 enzovoort.

Miguel
0 0