Zoeken

Oververhit

De wereld leek de voorbije anderhalve maand wel een grote hittegolfoven. In mijn doorgaans oververhitte hersenpan ontdekte ik nieuwe woorden in bestaande, en dat zelfs terwijl ik naar de halve finale van WK voetbal tussen Engeland en Argentinië zat te kijken in het gezelschap van zatte Jean-Luc.  Oververhit zijn ze, mijn hersenen, dacht ik zo ineens, ook al had ik net een ijskoud blikje alcoholvrije Jupiler achterover gekapt. Auw! Enkele seconden scherpe pijn in het voorhoofd, dat moest die dekselse en door mij nog nooit eerder ervaren 'brain freeze' zijn, onmiddellijk gevolgd door een veel langer durende muzikale hallucinatie die zou uitgroeien tot een oorwurm van jewelste: 'Paint It Black' van The Rolling Stones.  Oververhit dus. En nu dat liedje. Waarom? Waarom nu en waarom net dat nummer? Een bijzonder interessant vraagstuk, ook al verveelt de veldslag tussen de botte Engelsen en de vlijmscherpe Argentijnen geen seconde en zwijgt lallende Jean-Luc zoals gebruikelijk zelfs nog minder lang.  Was het trouwens niet Jean-Lucs schuld? Een paar weken geleden zat hij ook vlak naast me, tijdens Frankrijk-Senegal, zich luidop afvragend wie nu de Fransen en de Senegalezen waren, want 'in beide elftallen spelen ongeveer evenveel negers'. Een niet zo woke uitspraak, misschien deels ingegeven door de anderhalve fles rode wijn die mijn van origine Franse vriend op dat moment al door z'n keelgat had gejaagd. Wellicht kwam het nu pas binnen, dat mij dat eigenlijk niet veel uitmaakt, welke kleur iemand heeft. Zwart, wit, rood of geel ... Zijn we niet allemaal gewoon mensen? Misschien had God voor de duidelijkheid iedereen beter zwart geschilderd of moest Hij dat vanaf nu maar doen. Paint It Black. Misschien was het die gedachtegang wel, ook al lijken mijn hersenen momenteel nog niet eens op halve kracht rond te sjokken op om het even welke trage denkpiste.  Heel veel ken ik eigenlijk niet van de songtekst van Paint It Black, dus zong ik in mijn hoofd steeds hetzelfde zinnetje: 'I see a red door and I want it painted black'. Tot ik plots dat lege blikje Jupiler 0.0% op het salontafeltje zag staan. Daarop zie je een zwarte stier die, met een beetje fantasie, door een rode deuropening stormt. Zou het? Meestal ben ik niet zo visueel ingesteld, tenzij het natuurlijk om rode lingerie gaat, die mij meestal in geen tijd kan omtoveren tot een bronstige stier. Dat weten we allemaal. Of toch ten minste mijn vrouw en ik, en nu jullie als lezers ook. Enfin, rode stof tot nadenken ... Zit ik zo simpel in mekaar? Nee toch. Het is de temperatuur die me zo heet maakt. Mijn prefrontale cortex (het deel van het brein dat het denkvermogen regelt en zorgt voor de concentratie en emotiecontrole) lijdt waanzinnig onder deze hitte. Alles is gericht op afkoeling. Mijn bloedvaten verwijden, waardoor er tijdelijk minder zuurstof naar m'n grijze klodder gehakt genaamd 'hersenen' stroomt. Ik ben meetbaar minder slim, sneller onverdraagzaam, prikkelbaar en soms zelfs lichtjes agressief. En spreek me niet tegen of ik ram dat lege blikje met die stomme kutstier door je strot! Sorry. In mijn hoofd begin ik alles al zingend alweer zwart te schilderen. Mijn brein is subtieler, ook al is het oververhit. Oververhit ... Wacht eens even ... Wat zei ik daarstraks? Waar was ik dit verhaal mee begonnen? In 'oververhit' zie ik 'ververhit'! En welk liedje zou in de Top 100 Aller Tijden ongetwijfeld op één staan, als alleen schilders zouden mogen stemmen? Juist: Paint It Black! Een zucht van opluchting, nog verfrissender dan de ventilator. Een ververhit! Hoe verzin ik het!  

Danny Vandenberk
3 1

Een voetnoot

“Misschien ben je dan toch maar een voetnoot in mijn leven.” Of hij zei het omgekeerd. Dat hij misschien maar een voetnoot was in het mijne. Soit. Het doet er eigenlijk niet toe wie van ons precies de voetnoot was. Feit is dat het woord viel. Voetnoot. Ik vond dat geen aangenaam woord. Een voetnoot is iets kleins onderaan een bladzijde. In lettertype acht. Iets wat ge alleen leest als ge bijzonder geïnteresseerd zijt of een examen hebt. Een verduidelijking bij iets wat blijkbaar nét niet belangrijk genoeg was om in de eigenlijke tekst te staan. En ja. Dat kwam even binnen. Want uiteindelijk wilt ge dat toch graag iets als 'voor het leven'. Dat klinkt heerlijk groots. Als lang en gelukkig. Als samen oud worden, dezelfde verhalen honderd keer vertellen en op den duur allebei vergeten wie ze oorspronkelijk heeft meegemaakt. Uiteraard hoort daar ook de kleinelettertjesversie van de eeuwigheid bij. Onderhandelingen over de strijk. Over wie de vuilzakken buitenzet. Over natte handdoeken die blijkbaar volgens één van de twee perfect op de grond kunnen drogen. Over thermostaten, vaatwasmachines en de vraag waarom er naast een lege wc-rol altijd een nieuwe rol staat, maar nooit óp de houder. Niet alleen zonsondergangen, grote verklaringen en samen hand in hand richting horizon. Ook: “Als gij straks naar boven gaat, pakt ge dat dan mee?” Enfin... Als ge iemand graag ziet, wilt ge dus liefst niet ergens onderaan pagina 247 eindigen met een sterretje voor uw naam. Ge wilt een hoofdrol. Ge wilt hoofdstukken. Een verhaallijn. Karakterontwikkeling. Een beetje spanning mag. Een onverwachte plotwending hier en daar. Desnoods een cliffhanger. Maar ge wilt vooral dat de lezer denkt: die twee, daar komt nog iets van. Dus, nee...mijn lief is geen voetnoot. Ge kunt moeilijk een voetnoot zijn als ge ondertussen overal tussen de regels zit. In mijn dagen. In mijn plannen. In mijn keuken. In mijn hoofd. In kleine gewoontes die ongemerkt gewoontes van twee zijn geworden. In zinnen die beginnen met “wij zouden eens…” en waarvan niemand nog schrikt. Dat is geen voetnoot meer. Dat is een serieus aandeel in de publicatie. Misschien is hij een hoofdstuk..Een heel schoon hoofdstuk. Of misschien zijn we ondertussen aan een trilogie bezig. Dat vind ik eigenlijk nog mooier. Deel één waarin de heldin jarenlang denkt dat ze bijzonder goed weet hoe het leven werkt, terwijl werkelijk iedereen behalve zijzelf kan zien dat ze maar wat doet. Deel twee waarin zowat alles passeert wat een mens liever niet op de achterflap zet, maar waar recensenten achteraf waarschijnlijk iets pompeus over schrijven als een noodzakelijke zoektocht naar zichzelf. Terwijl het vooral veel drama was. En dan deel drie. Eindelijk. Geen grootse violen. Geen paard dat in galop over een strand komt aanzetten. Geen man die op één knie gaat zitten terwijl er toevallig 48 perfect witte duiven overvliegen. Gewoon twee mensen die elkaar gevonden hebben. Die lachen. Die soms botsen. Die af en toe iets stoms zeggen en gelukkig meestal slim genoeg zijn om daar later op terug te komen. Die stilaan hun eigen taal krijgen. Hun eigen gewoontes. Hun eigen verhaal. En als alles een beetje vanzelf blijft gaan zoals het nu gaat, misschien wordt dit dan wel het sluitstuk van een trilogie. Niet omdat we daar plechtig voor getekend hebben. Niet omdat iemand kan beloven hoe de laatste bladzijde eruitziet. Maar omdat het goed zit. Omdat mijn jas tegenwoordig gewoon aan de kapstok hangt. En omdat sommige verhalen helemaal geen spectaculair einde nodig hebben. Sommige mogen gewoon steeds dikker worden. Met ezelsoren, koffievlekken, een paar bladzijden die ge achteraf beter had kunnen schrappen en hier en daar een scène waarvan ge denkt: moest dat nu echt? Maar vooral met veel liefde. En voor één keer hoeft de schrijver niet voortdurend vooruit te bladeren om te kijken hoe het afloopt. Ze zit goed waar ze zit, midden in het verhaal.

Katrien Daniels
38 2

De Katrienen

Ik ben van 1977. En blijkbaar was dat hét jaar waarin half Vlaanderen dacht: we noemen ons dochter Katrien. Gevolg? Al mijn vriendinnen heten Katrien. Dat is gemakkelijk. Ge kunt u eigenlijk nooit verspreken. Maar tegelijk is het ook ongelooflijk verwarrend. Ik heb het altijd over een Katrien. En dan volgt er een onderschrift. Katrien van Wijnberg. Katrien van de Chiro. Katrien van op kot. Katrien van Antwerpen. Katrien van de lagere school. Katrien van het werk. Katrien de buurvrouw. Het is precies alsof ik een abonnement heb. De Katrienen, ze weten dingen. Ze hebben me ooit op een bijzonder elegante manier uit mijn hoofd gepraat om mijn eerste zoon François te noemen. Achteraf bekeken: waarvoor eeuwige dank. Ze vinden het ook perfect normaal dat ge in een kledingwinkel niet wacht tot het paskotje leeg is. Dan trekt ge die broek toch gewoon in het midden van de winkel aan. Wat gaan ze doen? Ze lopen een winkel binnen, zien ergens een compleet over the top bloesje hangen en zeggen: "Katrien, uw naam staat daarop." En meestal hebben ze gelijk. Ze weten dat ge van porto heerlijke sangria kunt maken. En dat is écht waar! Ze weten dat ge een hele maand kunt verkondigen dat ge absoluut nog eens naar de Opaalkust wilt, om uiteindelijk met veel enthousiasme een hotel in Namen te boeken. Omdat dat op dat moment ook een uitstekend idee leek. Ze weten dat ge tijdens een uitstap ergens in de namiddag een pannenkoek moet eten. Niet omdat ge honger hebt, maar omdat het anders voor niemand nog gezellig wordt. Ik ga geen namen noemen.  Ze waren erbij toen ik dacht dat ik misschien zwanger was. Ze bladerden mee door de lijstjes met babynamen alsof zij uiteindelijk ook een stem hadden. Ze waren erbij toen we op kot de vrolijke poetsvrouw weer eens in een deuk lieten liggen. En toen ik trouwde, maakten ze achter mijn rug een geheime fotoreportage. Niet van de officiële foto's. Wel van de blikken, de slappe lach, de gênante momenten. De echte trouw, eigenlijk. Elke Katrien haalt een andere versie van mij naar boven. Bij de ene geloof ik plots in tarotkaarten. Niet omdat ik erin geloof, maar omdat zij de kaarten legt. Met een andere laat ik mij zonder morren meesleuren naar cafés, pleintjes en verborgen hoekjes waar het leven net iets lekkerder smaakt. En in de buurt van nog een andere blijk ik ineens sportiever te zijn dan ik mezelf ooit zou omschrijven. Ze kennen allemaal de volledige Katrien. Met mijn enthousiasme, mijn chaos, mijn gepieker, mijn drama's en mijn eeuwige "wat gaan ze doen?". Ze kennen de versie die ik vandaag ben, maar ook degene die ik dertig jaar geleden was. Ze herinneren zich verhalen die ik zelf vergeten ben en weten soms al wat ik ga zeggen nog voor ik mijn zin heb afgemaakt. Ik gun iedereen een paar Katrienen in het leven. En misschien moeten we afspreken dat de Jannen zich gewoon aan de Jannen houden. De Patricken aan de Patricken. De Liesjes aan de Liesjes. Dat maakt het leven een pak overzichtelijker. De Katrienen zijn mijn vuurtorens omdat ze, als het op mijn zee wat woeliger wordt, me moeiteloos weer naar de kust leiden. Niet met grote levenswijsheden. Wel met een koffie, een wandeling, een tarotkaart, een pannenkoek of gewoon de woorden: "Kom, we zijn weg." Een vuurtoren neemt de storm niet weg. Hij zorgt er alleen voor dat ge, hoe hoog de golven ook zijn, altijd weer weet waar de kust ligt. Ik heb geluk met de Katrienen aan mijn kustlijn. 

Katrien Daniels
104 2

Voor vorst, voor vrijheid en voor recht

Ik ben geen voetballiefhebber. Nooit geweest. Sterker nog: het geluid van een voetbalwedstrijd op televisie behoort voor mij tot de top drie van de auditieve foltertechnieken. Een commentator die moeiteloos tweeëntwintig namen uit zijn mouw schudt alsof hij met al die mannen samen op internaat heeft gezeten. Die typische voetbalintonatie waarbij zelfs een inworp klinkt alsof de wereldvrede ervan afhangt. Op de achtergrond tienduizenden supporters die al negentig minuten dezelfde klinkers staan uit te rekken. Er zijn maar twee geluiden die ik nog erger vind: een Formule 1-race op televisie en een jengelend kind op een vlucht van drie uur na een veel te korte nacht. Voetbal is dus, laat ons zeggen, niet mijn habitat. Behalve tijdens een WK. Dan gebeurt er iets vreemds. Plots heb ik een mening over een gele kaart voor Brazilië. Maak ik me zorgen over de blessure van een middenvelder van wie ik vijf minuten eerder het bestaan niet kende. Ik zeg zinnen als: "Die had hij toch moeten laten staan." Alsof bondscoaches al jaren op mijn analyse zitten te wachten. Ik blijf op om "de Belgen" te zien, ook al moet ik de volgende ochtend gewoon werken. Ineens weet ik tegen wie we beter wel of beter niet uitkomen in de volgende ronde. Ik betrap mezelf erop dat ik "we" zeg, terwijl mijn grootste sportprestatie van de voorbije maand erin bestond de trap op te lopen zonder mijn boodschappentas neer te zetten. Een WK doet rare dingen met een mens. Zelfs met een cultuurmens. Misschien hou ik uiteindelijk zelfs niet het meest van het voetbal. Misschien hou ik van alles errond. Van pleinen die vollopen. Van cafés die ineens vreemden samenbrengen. Van buren die elkaar plots high fives geven terwijl ze de rest van het jaar niet verder komen dan een beleefd knikje. En vooral van de volksliederen. Het kippenvelmoment van de match.Geef mij maar die paar minuten voor de aftrap. De Spaanse hymne, die het zonder woorden moet doen en daardoor misschien net alles zegt. De Marokkaanse, waardig en ingetogen. En dan de absolute klassiekers: de Marseillaise, God Save the King en The Star-Spangled Banner. Liederen die zelfs zonder stadion al iets groots oproepen. En dan ons eigen volkslied. Voor Vorst, voor Vrijheid en voor Recht. Ik zing nooit verder dan die ene regel. Omdat ik de rest niet ken. Zoals de helft van het land, vermoed ik. Misschien is dat ook het mooie aan een WK. Dat ge een maand lang ergens bij hoort zonder dat ge de spelregels helemaal begrijpt. En dat zelfs mensen zoals ik, die elf maanden per jaar zweren dat voetbal hen koud laat, zich ineens luidop afvragen of de bondscoach niet beter wat vroeger had gewisseld.

Katrien Daniels
40 1

hoe een pvda er denkt.

Ik had het er een paar jaar geleden over met een oud-Amadees, nu een PVDA'er. Ik zei tegen hem: "Jullie weten niet hoe een arbeider denkt." Hij was in zijn gat gebeten, zoals dat heet. Hij vond dat ik juist niet wist hoe een arbeider denkt. Hij wist het zogezegd wel, omdat hij een tijdje in een fabriek was gaan werken.Ik daarentegen ben op mijn 14e in een fabriek beginnen te werken. Vanaf mijn 21e als vrachtwagenchauffeur. Op mijn 29e maakte ik mijn eerste kunstwerk: een alternatieve ontmoetingsplaats voor de lgbtqia+-gemeenschap. Na tien jaar, op mijn 39e, ben ik weer op de camion gesprongen tot aan mijn pensioen.Volgens de PVDA'er was ik een anarchist en wist ik niet hoe een arbeider denkt. Daar stopte het gesprek. En toen ontvriendde hij mij. Toen ik zestien was en al twee jaar als arbeider in een fabriek werkte, hadden de Amadezen mij gevonden in de jeugdclub die ik destijds bezocht. Ze stelden me voor om deur aan deur te gaan om de voordelen van de revolutie met andere arbeiders te delen. Zo stond ik op een bepaald moment voor een arbeider die zijn auto stond te wassen voor zijn sociale woning. De student, een vurige Amadees, was met me meegekomen. Later vermoedde ik dat hij me moest controleren. Opeens begreep ik het. Die student was opgegroeid in een groter, vrijstaand huis met een enorme tuin eromheen. Hij werd rondgereden in een veel grotere auto, waar hij de opvoedingsregels van zijn ouders moest volgen. Misschien haatte hij hen wel. Ik ben het geklaag over het 'monster' dat kapitalisme heet grondig beu. Men blijkt te vergeten dat de emancipatie van de lgbtqia+ gemeenschap is begonnen in het meest kapitalistische land ter wereld. Ook de aanzet tot natuurbescherming vond daar plaats. Zelfs de armoede is wereldwijd massaal verminderd. Zo kelderde de armoede in China pas nadat het land het kapitalisme invoerde. Wat Cuba betreft, is het bijna misdadig dat men nog altijd weigert toe te geven dat het systeem daar totaal mislukt is. Maar volgens de aanhangers ligt dat niet aan hun eigen systeem, maar aan hun grote, kapitalistische buurman. Hoe blind kun je zijn? Iedere Amerikaan herinnert zich nog hoe ze leerden te schuilen onder de tafel bij een atoomaanval, toen Cuba Russische atoomraketten stationeerde. Misschien vergeven, maar niet vergeten. LEEF  In de oudheid had de mens angst voor de natuur. Hij aanbad die natuur zelfs. Tijdens de industriële revolutie wilde de mens de natuur echter overheersen. Nu weten we dat we geen angst hoeven te hebben, maar ook dat we de natuur niet kunnen controleren. Dus zullen we ermee moeten leren leven.   **************************** FOTO GALLERY verf ed https://www.2dehands.be/q/verf+ed+altaar+de+culturen/ Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen." Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen, ons collectief geheugen, is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig. http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e  

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
18 0

Het heeft een naam!

Ik wist het niet, maar dat kleine steentje dat af en toe nog eens tegen mijn hart tikt, heeft blijkbaar een naam. Ik las het in de Flair. Ik geef toe: niet de eerste plek waar ik levenswijsheid verwacht. Tussen de zomerjurken, hydraterende serums en de vraag welk type barbecuegezel ik ben, stond ineens een woord waarvan ik dacht: verdorie... dat ken ik. Vriendschapsverdriet. En plots viel er van alles op zijn plaats. Ik dacht altijd dat dat gewoon hoorde bij ouder worden. Dat er onderweg mensen uit uw leven verdwijnen. Niet omdat ze sterven. Niet omdat ge hen niet meer graag ziet. Maar omdat ge elkaar ergens, tussen een misverstand en een stilte, gewoon bent kwijtgeraakt. Maar dat waren geen gewone mensen. Dat waren die twee handen op één buik. Mensen die wisten waar ge uw reservesleutel verstopte, hoe ge uw koffie dronk en waarom ge nooit een Viennetta kon laten liggen. Mensen die ge om drie uur 's nachts mocht bellen zonder eerst te beginnen met: "Sorry dat ik stoor." Mensen die zagen dat het niet goed ging nog voor ge zelf wist waarom. Met wie ge de chronische aandoening FOMO bestreed door gewoon overal samen naartoe te gaan. We zongen liedjes die veel te luid klonken. We deden zatte handenstanden tegen een muur. We verbeterden de wereld tussen twee pinten door alsof iemand daarop zat te wachten. We lachten tot onze buik pijn deed. Het leken toen gewone avonden. Maar het waren liefdesverklaringen. Niet de romantische soort. De andere. En dan wellicht één verkeerde zin. Ge zei net iets te eerlijk wat ge van zijn nieuwe job vond. Of hij maakte een opmerking over uw kinderen waarvan ge dacht: dat had ge echt niet moeten zeggen. Ge wordt boos. Ge zwijgt. Ge denkt: dit waait wel over. Hij belt wel. Of ik bel morgen wel. Ge kent elkaar al zo lang. Dit kan toch geen einde zijn? Maar dagen worden weken. Weken worden maanden. Maanden worden jaren. En op een bepaald moment is er geen ruzie meer. Alleen stilte. Laatst zag ik hem terug. Ik herkende hem meteen. Nog altijd dezelfde geruite hemdjes. Nog altijd een pet op zijn hoofd. Hij was wat uitgezet. Maar wie is dat niet op onze leeftijd? Zijn lach was nog exact dezelfde. Hij zag mij ook. En dat was het. Terwijl ik eigenlijk wilde vragen hoe het nu met die nieuwe job ging. Of die dakgoot eindelijk vervangen was geraakt. Dat zal ondertussen wel. Dat is intussen vijf jaar geleden. En leeft uw dikke, stinkende schildpad eigenlijk nog? En hoe het met de liefde ging, dat ook.  Ik wilde vertellen dat ik nog altijd dezelfde ben. Of toch bijna. Dat de scherpe kantjes wat afgesleten zijn. Dat de nachten minder wild zijn geworden. Dat mijn chronische aandoening FOMO nog af en toe de kop opsteekt. En dat ik soms nog aan ons denk. Aan hoe vanzelfsprekend wij waren. Hij verdween weer tussen de mensen. Ik bleef nog even staan. Ergens tussen de muziek, de pinten en de gesprekken liep een leven dat we ooit samen hadden. We schrijven romans over de liefde. We maken films over de liefde. We zingen over de liefde. We verklaren de liefde. We vieren de liefde met bloemen, ringen en trouwfeesten. Over vriendschap zijn we opvallend zuinig. Terwijl sommige vrienden langer blijven dan geliefden. Terwijl ze mee aan uw bed zitten na een operatie, uw verhuis helpen doen, uw kinderen zien opgroeien en zonder veel woorden weten wanneer het niet goed gaat. Vriendschap is een bijzondere manier van iemand graag zien. Misschien beseffen we dat pas wanneer er een stoel leeg blijft aan tafel waarvan niemand ooit had gedacht dat die leeg zou komen te staan. En, nog altijd, als ik in de diepvries een Viennetta zie liggen, denk ik aan hem. En blijkbaar bestaat daar dus een woord voor.

Katrien Daniels
139 4