Zoeken

wij die gezien willen worden

Wij, die gezien willen worden, worden dan uiteindelijk ook gezien,maar het is in de nasleep, de nauwe randzone erbuiten dat het schouwspel zich afspeelt.We moesten zeggenschap nemen over het keren van het tij en het is in die verstandhouding dat we dan ook reageren. Er is niets veranderd.Het werd zichtbaar.Het werd zichtbaar dat er niets veranderde. En zo ben je aanbeland bij het weerzien van een oude kameraad die net als jou, nog loopt te ijsberen in niemandsland. Wij hebben wat vreugde is.Wij hebben wat voortkomt uit vreugde.Maar wij hebben weinig aanleiding om aanstalten te maken.Maar er gebeurt te weinig in die toestand.  Wij, pijn, zien onszelf niet al te graag.Liever, slepen we verder onszelf de tijd in en ook altijd weer uit.Hier is de tijd blijven stilstaan en vernielen we ruimte. Het is simpel: zij die willen blijven zijn, blijven zijn. Zij die willen kunnen ontsnappen, zijn niet lang meer, en net dat is afhankelijkheid. Wij werden door de toestand verpletterd. Die verplettering levert ons gelukkig ook wat op:meer toestand.  Na x aantal jaar ben je 'volwassen' en wordt er geopperd dat wij niet gezien werden, maar niets is minder waar:wij die gezien wilden worden, werden dan ook gezien.In het oog van de toeschouwer is alles heerlijk melancholisch. Voor ons is het verpletterende besef dat we ouder worden een egoboost. Wanneer speelt de overgang zich af? Van jong naar oud, van slecht naar op z'n minst beter. Van afscheid tot weerzien. Toen we elkaar tegen het lijf liepen, versnelde de tijd en werd de ruimte ertussen zichtbaar. Was dat geluk hebben.  We werden gezien en dat was al waar het hem om te doen was.Tussen ochtendgloren en avondval heb je tijd. Tussen ruimte en persoon heb je tijd. Tussen mij en jou zat er veel tijd, zichzelf in slaap te wiegen, en wie had gedacht dat ik je zou treffen op de slechtst mogelijke moment? Wij zagen elkaar, deden niet meer dan iets optimistisch,alsof we elkaar daar verwacht hadden. Dit is de overgang naar het andere tijdperk.  Dit is leven in opperste glorie: afzien. 

Dries Verhaegen
14 1

Kruidvat

Waar liefdesverdriet precies begint, weet ik nog altijd niet. Het begint niet bij die ene zin. Niet bij “we zien elkaar beter even niet”. Dat is te netjes. Te laat ook. Dat is zoals in de geschiedenisles. Bij mevrouw Bracke. Mevrouw Bracke rook altijd naar Acqua di Giò. Fris, een beetje zwoel ook, alsof ze net van ergens kwam waar de zon scheen en de dingen helder waren. Ze stond vooraan in de klas, krijtje in de hand, en ze kon dat uitleggen alsof ze er zelf bij was geweest. Alsof ze persoonlijk had staan kijken in Sarajevo, die dag dat aartshertog Franz Ferdinand werd doodgeschoten door Gavrilo Princip. Maar ze begon daar nooit. Nee, ze begon met: “Kinderen, een oorlog begint nooit op één dag.” En dan vertelde ze over dat kruidvat. Over landen die elkaar niet vertrouwden. Over bondgenootschappen die eerder op ruzies leken. Over dingen die gezegd werden en dingen die vooral niet gezegd werden. Ze tekende pijlen op het bord. Veel pijlen. Te veel pijlen. En wij zaten daar en dachten: amai, dat komt hier niet goed. En dan, pas dan, kwam dat schot. De aanleiding. Niet de oorzaak. Bij ons was dat ook zo. Een broeiend kruidvat.Van alles wat er was maar niet gezegd werd.Halve zinnen die bleven hangen.Te lange interpretaties.Te veel gedacht vanuit ik en te weinig vanuit ons.(maar gij ook, hé. Zeker gij ook.) En dan dat kleine, bijna puberale verzet.Een beetje testen.Wat langer wegblijven.Iets “vergeten” te zeggen.Die rommel net groot genoeg maken om hem te voelen, maar niet groot genoeg om hem op te ruimen. En ergens daar, in dat spel van bijna’s en misschien’s, valt het schot. Niet in Sarajevo, maar in een berichtje.Jij die per se die andere moest kussen.Ik die daar een drama van maakte.Of die avond met te veel cava waarop ik te vaak zei dat “ze allemaal hetzelfde zijn”. En dan komt hij.De zin.Alsof hij niets met de rest te maken heeft.Alsof hij uit de lucht valt. “Misschien moeten we elkaar wat minder zien.” In een berichtje nog wel. Van u. Dat vond ik minder. Om niet te zeggen: degoutant. En nu zitten we elk op onze berg. Afstand. Even mezelf terug voelen, zeggen ze.Mijn vriendinnen knikken verstandig en zeggen dat het goed is. Dat ik beter verdien.Mijn kinderen kijken mij aan en zeggen dat ik mijn lat eens wat hoger moet leggen.Mijn zus zegt dat ik het misschien allemaal niet zo dramatisch moet bekijken.Buurman zegt dat elk einde een nieuw begin is.En de Flair zegt dat ik dringend iets moet doen aan mijn buikvet en dat ze daar een wandelapp voor hebben. Mijn kat kijkt naar mij en vraagt vooral hoe lang het nog gaat duren voor ze eten krijgt. En dat is misschien nog het eerlijkste van allemaal. Want op die berg moet ik ook eten. Zelf koken. Zelf zorgen. Zonder een berichtje dat “goedemorgen” zegt. Zonder een “x, ly” midden op de dag. Dat doet pijn. Dat is wat ze liefdesverdriet noemen. Maar het is ook gewoon dit: dat ge plots alleen zit met alles wat er daarvoor nog samen was. En soms denk ik terug aan mevrouw Bracke.Hoe ze daar stond, voor dat bord vol pijlen en spanningen en kleine dingen die te groot waren geworden. Ze heeft ons veel geleerd over oorlog. Over oorzaken en aanleidingen. Over hoe iets klein kan ontsporen in iets dat ge niet meer terug in uw handen krijgt. Maar over bergen heeft ze het eigenlijk nooit gehad. Behalve dan die ene keer, over Hannibal Barca die met olifanten over de Alpen trok. Maar dat was iets anders. Want daar ging iemand tenminste nog ergens naartoe. En wij… wij zitten gewoon elk op onze eigen berg.

Katrien Daniels
96 6
Tip

Een papa voor mij

Soms begint een verhaal met een naam die ge niet moet verzinnen. Emile. We zullen hem gewoon Emile noemen. Dat is het gemakkelijkst. Want zo heet hij ook. En zijn familienaam smaakt naar chocolade, maar als we daar nu op ingaan, geraken we nooit tot aan de bakker. Ik lag te slapen op de zetel. De avond hing nog in mijn mond. Rode wijn, een beetje te laat gaan slapen, een lichaam dat nog niet helemaal mee was met de ochtend. En dan voelde ik het. Geen geluid eerst, maar aanwezigheid. Zo’n kleine aanwezigheid die zich groot houdt. Hij kwam op zijn kousenvoeten naar mij geslopen. Half acht. En ja, het mocht. We hadden dat afgesproken. Wij twee. Naar de bakker. Zijn mama en zijn papa moesten dat niet weten. Ons geheimpje. Ik sprong recht. Jeans aan. Dikke trui. Geen spiegel, geen plan. Gewoon vertrekken. De kou in, de straat op, de Bredabaan over. Zo’n ochtend die nog niet beslist heeft wat ze wil zijn. Emile babbelde honderduit. Dat doet hij altijd. Emile heeft veel woorden. En hij deelt ze gul met mij. Over Louise in zijn klas. Over dat ze volgende week over het bos gaan leren. Over tekenen, dat hij dat graag doet, maar dat zijn zus dat eigenlijk beter kan. Dat laatste zei hij zachter. Alsof hij dat niet helemaal wilde weten. En dan werd het stil. Zijn handje in de mijne. Koude wind in ons gezicht. Auto’s die door plassen rijden. De geur van diesel in het ochtengloren zoals je dat alleen in de stad kan ruiken.  Ik voelde het nog voor hij het zei. Zo’n vraag die eerst in een lijf zit en dan pas in woorden. “Waarom heb jij geen papa, Katrien?” Het ging niet over mijn vader. Dat wist ik meteen. Het ging over een man. Over een plek naast mij. Over een leegte die blijkbaar zelfs voor kinderen zichtbaar is. “Ik had eens een papa,” zei ik.“Maar die woont nu in een ander huisje. Omdat hij me niet meer zo graag ziet.” “Ah,” zei Emile.“Oh jammer.” En we wandelden verder. Sommige dingen moet je gewoon naast u laten stappen. Hoe dichter we bij de bakker kwamen, hoe sneller hij ging. Hij geloofde volgens mij dat verdriet iets is dat ge kunt inhalen met suiker. Zijn woorden kwamen terug. Koeken met chocolade. Met crème. Met pecannoten. Hoeveel per persoon?  Of ik wel genoeg centen mee had? En of we het gingen doen zoals anders?  "Natuurlijk nemen we een geheime koek voor onszelf onderweg, Emile."  De bakkerij was warm. Vol volk. Zondagochtend in zijn meest eerlijke vorm: te veel mensen in te dikke jassen, kinderen met plakkerige neuzen, een rij die net traag vooruitgaat en veel geuren. Gelukkig kon die van 'vers gebak' die van 'nog niet gewassen' overstijgen.  Ik bestelde. En natuurlijk ook onze extra koek voor onderweg. We waren niet voor niets als eerste opgestaan. Buiten, ergens tussen deur en stoep, beet hij al zijn eerste stiekeme hap. Dat was echt ons moment.  En toen stopte hij. Hij keek mij aan. Serieus. Zoals alleen kinderen dat kunnen. Zonder ironie. Zonder reserve. “Ik vind het zo erg dat je geen papa hebt,” zei hij.“Maar weet je… als jij nu stopt met jarig zijn, en ik probeer elk jaar twee keer zo snel te groeien… dan kan ik toch jouw papa worden.” Ik zei hem dat dat misschien wel een idee was om over na te denken. Nu zijn we jaren later. De kleine Emile is verdwenen. Of nee, hij zit ergens verstopt in een jongen die plots schouders heeft. Blond. Knap. Waarschijnlijk al eens gekust. Misschien al eens zijn hart een beetje kwijtgespeeld. Ons groeiplan is mislukt. Ik ben blijven verjaren. Hij is niet snel genoeg gegroeid. Maar soms, als ik langs een bakker wandel op een zondagochtend, denk ik eraan. En vraag ik me af, heel even maar,  of hij nog altijd mijn papa wil zijn.

Katrien Daniels
148 11

Humoristische plantennamen

Als walvisolie uit walvissen wordt gehaald, waar wordt babyolie dan uit gehaald? Dit stond op een gelig A3 blad dat ik ooit in handen kreeg. Er stonden echt grappige vragen op die de lezer filosofisch deed nadenken en de betekenis van woorden totaal in de soep liet draaien.Het kip of het ei verhaal gecombineerd met absurde woorddefinities. Bij het lezen van plantennamen schiet er zo regelmatig ook een binnenpretje binnen. De laatste keer was ik syringa's aan het verplaatsen van tafels en riep ik naar mijn collega:"hier is een lamme tamme". Zijn gezicht sprak boekdelen toen hij dit hoorde maar al snel liet ik het kaartje zien waar Syringa Tamelan op stond. Hij was gelukkig flexibel om de humor ervan in te zien. De pauzes kwamen in onze richting en ik vroeg hem: "heeft Tom al gegeten?" Tom aat... Flauw? Dat dacht mijn collega ook! De eerste keer dat het begon was met Pinus. Ik denk niet dat de lezer ver moet nadenken wat hiervan te maken is. Als je nog twijfelt neem je maar een Pennisetum mee naar huis om te weten waar ik over spreek. Of de vrouwen kunnen Sagina er bij halen als ze willen.  Ondertussen begint mijn hoofd al spontaan associaties te leggen: Liquidambar: Amber is in bad geweest en nog nat Magnolia: ja, Nolia mag Forsythia: gespierde  Sythia Erica: Eric die liever vrouw wou zijn Alnus: een poepgaatje met een typfout Ostrya: struisvogel uit Oostenrijk  Hamamelis: Elis die pas  letters mama kent maar de volgorde nog niet juist heeft Cydonia: personage uit Suske en Wiske Pioen: wiskundig symbool voor uilskuikens  Rammenas: afwachten tot vuurtje uit is om dan het eindproduct weg te rammen  Volgende keer hoop ik dat als je in een tuincentrum komt, zelfs binnenpretjes krijgt. Er zijn veel mogelijkheden. Te veel om allemaal te noteren. Er mag wel wat meer gelachen worden want lachen is... Nee, niet gezond, maar het breder worden van je mond. Hoe poëtisch om af te sluiten.      

Edsauti
0 0

Relevant

“Ik lees uw teksten, hé,” zegt hij fier. Telkens weer opnieuw, alsof het een opdracht voor hem is. Ik weet het is zijn manier om van alles te zeggen: Dat het hem boeit. Dat hij mij wil lezen. Dat ik voor hem tel. Maar hij is en blijft mijn kritisch klankbord. “Ik vind ze altijd wel heel banaal, die teksten van je. Leuk en aangenaam, maar ook banaal.” Ik denk dat hij twee keer overdrijft. Met het woord 'altijd' sowieso. Met 'banaal' ook. Toch? Wat is dat eigenlijk, banaal. Een woord dat klinkt als een verwijt, maar verdacht dicht in de buurt komt van het leven zelf. Dus goed. Ik neem de uitdaging aan. Vandaag geen banaliteit. Vandaag relevantie. Een tekst die ertoe doet. Ik denk: ik graaf eens diep. Zieleroerselen. Oude kwetsuren. Verborgen verlangens. Dingen waarvan ik wakker lig. Onzekerheden die zich ’s nachts groter maken dan ze overdag durven zijn. Onuitgesproken liefdes die ergens tussen mijn ribben blijven hangen alsof ze nog altijd een kans hebben. Goed weggestoken kinderverdriet dat zich vastgezet heeft op plekken waar ik zelf niet meer goed bij kan. Op mijn ziel geplakt, zoals van die oude stickers die ge er nooit helemaal af krijgt. Maar ik ken hem. Hij gaat dat wegzetten als te emo. Goed voor de Flair. Zweverige vrouwenpraat. Te veel introspectie. Soit. Flair 2.0. En dus even banaal als de ‘voor’ en ‘na’. Dus ik draai het om. ik ga op zoek naar de grote dingen. Dingen waar écht over geschreven wordt. Zoals in de krant. Want wat in de media komt, dat zou per definitie toch relevant moeten zijn. Daar wordt over nagedacht. Daar zitten redacties op. Mensen die beslissen: dit doet ertoe. Dus ik laat me inspireren. Dat kan niet misgaan. Het eerste wat mij aankijkt is een quote van de nieuwste liefde van een bekende Vlaming. Ze zegt dat ze zijn enige liefde is. Dat ze werken aan monogamie. En dat het een beetje jammer is dat hij ondertussen een andere vrouw zwanger gemaakt heeft. Ik blijf daar even op hangen. Omdat jammer hier een woord is dat zich uitrekt tot iets dat eigenlijk niet meer in dat woord past. En ik vind jammer sowieso een woord waarvan ik het jammer vind dat het bestaat. Maar dat verdwijnt natuurlijk in het niets bij het verhaal van het komende bastaard kind. Ik klik verder. Een titel: Alveringem grijpt in. En ik zweer het u, heel even dacht ik dat Alveringem het middelpunt van de aarde was. Een plek waar alles samenkomt. Grote beslissingen. Kleine drama’s. Een centrum van het universum waar de dingen eindelijk zo scheef lopen dat — ja — dat de overheid móét ingrijpen. Maar het gaat over een jaagpad. Te veel valpartijen. Een vrouw met blauwe plekken als bewijs dat zelfs kleine wegen pijn kunnen doen. Ik klik verder. Wereldnieuws. Oorlogen. Namen die botsen als stenen.Leiders die dingen zeggen waar geen mens iets mee kan. Een staakt-het-vuren dat geen staakt-het-vuren is. Te groot. Te ver weg. Te weinig houvast. En dat is het moment waarop ik besef: het probleem is niet dat banaliteit klein is. Het probleem is dat sommige dingen zo groot zijn dat ge er niets meer mee kunt. Ge kunt daar geen verhaal van maken. Geen zin die ergens landt. Geen gedachte die ge even meeneemt terwijl ge een boterham smeert. En dus kom ik terug waar ik altijd uitkom... Bij mijn zalige banaliteitjes. Mijn kat die van de planten glijdt, zwaartekracht als een losse suggestie. Hij kijkt zelf ook even verbaasd, alsof hij niet goed begrijpt hoe hij daar ooit op geraakt is en nu gewoon meegaat in de logica van het vallen. Een stuk kaas dat plots smaakt naar de picknick van vorige week. Waarbij ge het gevoel had dat grote verhalen op kleine momenten worden geschreven. De geur van koffie die al even staat en toch nog goed genoeg is. Een bericht dat ge nog eens opnieuw leest, niet omdat er iets nieuws in staat, maar omdat ge hoopt dat er iets nieuws in zal staan. De sokken van uw zoon die in de zetel rondslingeren en die eigenlijk gewoon zeggen: maak u geen zorgen, moeder, volgende week is hij terug. Iemand die iets onnozels zegt, u doet lachen en dat die dan zegt: “Ge zijt zo schoon als ge lacht.” Dan denk ik: "Ja. Dat dus."

Katrien Daniels
61 1

Daar waar twee harten verloren lopen

Het was slechts een simpele swipe naar rechts. De beste tindermatch ooit. Een bedwelmend geluk dat het fundament van ons huis werd. Tegenwoordig blijft het geluk op de stoep achter als de deur zich achter ons sluit, vult een oorverdovende stilte onze ooit zo warme thuis.Erwtjes dansen op mijn bord, springen weg onder mijn prikkende vork. Het ritmische getik op onze borden vormt een harmonieus samenspel met de stilte die tussen ons in hangt. Er wordt niet meer gepraat. Verwijten schieten als kogels die we angstvallig willen ontwijken door de lucht. De harde, pijnlijke woorden die uitgesproken worden, zinderen na, hangen als dreigende zwart-witfoto’s in de woonkamer. De vanzelfsprekendheid van ‘ons’ wandelt samen met jou de deur uit. Mijn enige zekerheid voor de toekomst zet alles op losse schroeven.De waarheid hangt als pastasaus die van mijn vork dreigt te vallen boven mijn witte t-shirt. De rode indringende vlekken laten onuitwisbare sporen na. Fantastische uitzichten vanop de hoogste bergtoppen maken plaats voor het diep en duister dal dat ik in wandel.  Gebroken dromen stromen door mijn aderen, snijden in het diepste van mijn ziel. Herinneringen aan ons dansen als dorre bladeren in de wind door mijn hoofd, ongrijpbaar. Vraagtekens vullen de eenzame stiltes. Onze thuis, een ruïne. Een puinhoop die niet meer in zijn oorspronkelijke staat te herstellen is.  Een gebroken hart, opgelapt met windels van vriendschap, steun die alles bij elkaar houdt.De wolken persen de laatste regendruppels uit hun grijze massa en maken stilaan plaats voor de warme zomerzon die alles weer leven inblaast.

Joni Motmans
8 2

Vriendschap in al zijn pracht

Uit het niets en compleet ongevraagd dagen ze plots op. Mensen uit een vervlogen verleden, personages uit een afgesloten hoofdstuk in het boek dat je nog aan het schrijven bent. Zoekend naar contact met de vraag om de draad weer op te pikken, hun hoofdstuk te heropenen. De twijfel slaat toe, de intentie niet duidelijk. Oprechte interesse, nieuwsgierigheid, gemis naar wat ooit was. Een levenslange vriendschap waar met een warm hart en mooie herinneringen maanden geleden eenzijdig afscheid van werd genomen na een lange stilte van de overkant.  Overspoeld door kwaadheid. Het litteken opnieuw opengereten, niet in staat het hoofdstuk te herbeleven. Ik voel het in elke vezel van mijn lijf, het hoofdstuk moet herschreven worden. Aan elke herinnering die ooit een glimlach op mijn gezicht toverde, hangt een wrange nasmaak. Ruzies die als banaal werden bestempeld, geven nu een heldere kijk op het verleden. De trouwe volgeling die plots een eigen mening kreeg, stuitend op onbegrip, gestraft door de leider. Wat van mij was, werd ingepalmd, afgepakt. De restjes voor mijn voeten op de grond gespuwd, besmeurd met kwaadsprekerij en roddels. Als een kameleon aanpassend aan de omgeving. Keer op keer op keer. Tot al mijn kleuren op waren, mijn hart leeg gegeven. De onbeantwoorde vraag waar het ooit is misgelopen dreunde oorverdovend voort. Een allesoverweldigend vriendschapsverdriet dat maanden in stille tranen bleef aanslepen. Tot ik mezelf terugvond. Opgesloten in de kerker waar jij me jarenlang in bedwang hield. Een cel zonder keuzemogelijkheden, zonder inspraak over de invulling van onze vriendschap.  Een bang vogeltje, voorzichtig haar kwetsbare vleugels uitslaand, ontdekkend wat echte vriendschap is. Vriendschap in al zijn pracht, een bomvolle dansvloer waarop iedereen danst, geniet en oprecht glimlacht. Het hoofdstuk herschreven, maar even afgesloten als voorheen. Het afscheid definitief.

Joni Motmans
5 1

Elk zijn goestingske

Het was laat toen we gisteren thuiskwamen. Zo laat dat ge twijfelt of het nog de moeite is om de verwarming aan te zetten. Zo laat dat uw lichaam eigenlijk al beslist heeft dat het morgen is, maar uw hoofd koppig zegt: wacht, ik wil nog even een avond. We waren allebei moe. Niet gewoon moe, maar dat soort moe dat achter uw ogen zit. “Ik heb honger,” zei hij. Dat begreep ik. Natuurlijk begreep ik dat. Honger is helder. Honger is eerlijk. Honger dat ken ik. Terwijl hij eerder iemand is die vergeet te eten als de dag hem opslokt. Dat overkomt mij zelden. Maar dat is een ander verhaal. Dus ik zeg: “Schat, dan moet je iets eten.” Ik denk dan in dingen als een boterham met kaas. Als een restje van gisteren.Of, als het echt dringend wordt, iets in de airfryer. Menselijke oplossingen. Dingen met een begin, een midden en een einde. Maar hij zegt: “Ik heb zin in cassoulet. Uit blik. Met kaas.” En toen gebeurde er iets. Mijn hoofd klapt open als een slecht gesloten brooddoos in een boekentas. Cassoulet? Uit blik? Wie bént gij? Is dat iets wat ge bewust koopt? Staat ge in de winkel en denkt ge: ja, vandaag ga ik voor de Franse stoofpot in industriële variant, geef mij maar die nostalgische blikmetaalervaring? Hoe ziet dat eruit als ge dat opendoet? Is dat vloeibaar? Vast? Heeft dat een geluid? Een plop met gevolgen? Ruikt dat naar eten? Of naar oorlog? En die bonen? Zijn dat echte bonen of van die dingen die al drie generaties lang dezelfde textuur hebben? En vlees?.Zit daar überhaupt vlees in? Of iets dat ooit een ambitie had om vlees te worden? En dan.  Kaas.  Kaas?? Is dat een suggestie? Een topping? Een daad van rebellie? Is er ergens een Franse grootmoeder die op dit moment een kruis slaat en fluistert: non? Wie heeft u dat aangeleerd? Waar is dat begonnen? Was er een kamp? Een tent. Natte sokken. Een gamel op een wiebelend gasvuurtje. Iemand die zegt: “Het is dat of niks.” En dat dat dan… iets geworden is? Of een huttentocht? Op hoogte. Te weinig zuurstof. Te veel honger. Alles smaakt naar redding? Of was het bij uw oma? Een keuken waar de tijd bleef hangen. Waar dat blik open ging alsof het een ritueel was. Warm. Zwaar. Veilig. Want misschien is dit geen goesting. Maar herinnering die zich vermomd heeft als honger. Mijn hoofd ontploft maar ik zeg: “Natuurlijk. Goed idee. Doen.” Want liefde is soms zwijgen terwijl ge innerlijk een documentaire aan het maken zijt over de grenzen van het menselijk kunnen. En terwijl hij daar zit, met zijn blik en zijn lepel en zijn volstrekte overtuiging, denk ik: uiteindelijk blijven we toch allemaal een beetje vreemden voor elkaar. Maar misschien moet ge niet alles begrijpen. Dus ge blijft zitten. Kijken. Ruiken. Aanvaarden. Ik zit daar. Te kijken naar zijn cassoulet terwijl ik om elf uur ’s avonds mijn vierde raketijsje eet.

Katrien Daniels
47 3