De Pelgrim
Ik ben voor een paar dagen in Frankrijk. In het noorden. Een beetje vakantie, een beetje vriendendienst en een beetje retraite. De precieze verhoudingen durf ik niet te zeggen. Sommige dagen voelen voor zeventig procent als vakantie, andere vooral als vluchten met een cultureel verantwoord excuus.
En ik heb ze zo graag, die dagen waarop ik helemaal alleen op stap ben. In een land waar de taal tegelijk klinkt naar romantiek en chagrijn. Waar zelfs een parkeerverbod klinkt alsof iemand u eerst nog even in de nek zal kussen. Een land waar ze gul water en brood op tafel zetten nog vóór ge beslist hebt of ge de formule du midi zult nemen. Waar de bebouwde kom echt bebouwd is en dan ook ineens gedaan. Gewoon: huizen, een bord met een rode streep erdoor en daarna velden. Uitgestrekt, glooiend en leeg genoeg om uw hoofd eindelijk eens zijn mond te laten houden.
Ik had de dag doorgebracht zoals een cultuurmens dat doet: met een bezoek aan een museum. Ge kunt mij drie dagen vrij geven en toch zal ik op een bepaald moment vrijwillig voor een schilderij gaan staan met mijn handen op mijn rug. Daarna was ik gaan cruisen door de velden. Raampje open, muziek aan en wegen volgen waarvan zelfs Google Maps leek te denken: als gij het echt wilt.
Later bracht ik nog een bezoek aan Saint-Quentin. Gezellig. Mooi zelfs. Maar verwacht niet te veel. Dat is trouwens een uitstekende levenshouding, niet alleen voor Saint-Quentin.
Voor de nacht had ik een kamer geboekt ergens in een gat met een naam die alleen door mijn gps werd onthouden. Zo’n plek waar rust nog gewoon rust is, gastvrijheid gastvrijheid en een badkamer iets wat ge deelt met mensen van wie ge hoopt dat ze ongeveer dezelfde normen hanteren als gij. De bedden piepten, de vloer ook en vermoedelijk had zelfs het nachtkastje iets te vertellen wanneer ge er een glas water op zette.
Het fijne aan alleen reizen zijn de ontmoetingen. Alleen zijt ge beschikbaar voor de wereld. En ik geloof niet dat toeval bestaat. Dus zat daar die avond, aan de boord van een kanaaltje, bij een ondergaande zon die overdreven haar best deed, een Nederlander op mij te wachten. We waren allebei bijna kinderlijk blij dat we onze eigen taal konden spreken. Na een paar dagen Frans wordt een mens al gelukkig van iemand die zonder aarzelen begrijpt wat ge bedoelt met “amai”.
Hij was muzikant. Dat hielp. Voor we goed en wel wisten hoe de ander heette, hadden we al professioneel en cultureel een paar raakvlakken gevonden. We praatten over muziek, over jonge talenten en over hoe het is wanneer iemand op een podium nog niet heeft geleerd om zich kleiner te maken dan hij is. Over mensen die iets kunnen maar nog niet helemaal weten wat ze daarmee moeten aanvangen. En waarschijnlijk ook een beetje over onszelf.
Want er komt blijkbaar een leeftijd waarop ge de dingen eens moet kunnen overschouwen. Niet omdat alles voorbij is, maar omdat er al genoeg achter u ligt om eindelijk een uitzicht te hebben. Ge kijkt naar wat ge hebt gedaan, wat ge nog wilt doen en welke stukken van uw leven ondertussen vooral bestaan uit veel lawaai en weinig muziek.
Hij had beslist om dat nu te doen. Een paar maanden niets. Hij had zijn gitaar ingeruild voor een fiets. Amsterdam voor de onvoorspelbare wegen van de Camino. Optredens, afspraken en vertrouwde straten voor iedere ochtend opnieuw vertrekken zonder precies te weten wat de dag hem zou brengen. Geen strak schema. Geen agenda. Geen applaus. Alleen een fiets, een weg en Santiago ergens ver voor hem.
En vertragen.
Dat was toch de bedoeling.
Hij was een week onderweg en dat laatste moest hij nog een beetje leren. Want ge kunt uw gitaar thuislaten, uw agenda leegmaken en Amsterdam achter u laten, maar uw eigen tempo fietst gewoon mee. Ge stapt niet op een fiets en wordt bij het eerste Franse dorp plots een zacht glimlachende pelgrim die bij iedere zonnebloem de zin van het leven begrijpt.
Sommige mensen beginnen zelfs aan onthaasten met een strak dagschema. Ik vond dat geruststellend.
We maken van vertrekken graag iets groots en zuivers. Alsof ge bij het overschrijden van een grens automatisch alles achterlaat wat zwaar is. Maar zo werkt het niet. Uw twijfels reizen gratis mee. Uw onrust hoeft geen kamer te boeken. Uw gedachten zitten achterop en vragen om de paar kilometer of het nog ver is.
Misschien is dat net de Camino. Niet de weg naar Santiago, maar de afstand die ge nodig hebt om eindelijk wat trager te worden dan uw eigen hoofd.
Ik keek naar hem en voelde iets wat verdacht veel op bewondering leek. Misschien ook een beetje jaloezie. Niet op de kilometers, begrijp me niet verkeerd. Mijn spirituele ontwikkeling kent grenzen en zadelpijn hoort daar voorlopig niet bij. Maar wel op de eenvoud. Eén weg. Eén richting. Een paar maanden waarin ge niet voortdurend iets moet beantwoorden, organiseren of uitleggen.
Een pelgrim hoeft ’s morgens niet te beslissen wie hij wil zijn. Hij moet alleen vertrekken.
Hij zou de volgende ochtend opnieuw op zijn fiets stappen. Altijd in dezelfde richting, dichter bij Santiago. Hopelijk ook een beetje dichter bij het tempo waarnaar hij op zoek was.
Ik zou mijn gps aanzetten en verder rijden naar plekken waarvan ik de naam niet kon onthouden. Een beetje vakantie, een beetje vriendendienst en een beetje retraite. Zonder fiets, zonder schelp aan mijn rugzak en voorlopig ook zonder maandenlange sabbatperiode.
Maar wel met een ontmoeting die daar volgens mij niet toevallig aan dat kanaaltje zat.
Misschien hoeft een pelgrim niet altijd naar Santiago. Misschien is het soms al genoeg dat ge vertrekt. Dat ge alleen door vreemde velden rijdt, met iemand praat die ge gisteren nog niet kende en onderweg even stilstaat bij waar ge vandaan komt.