Zoeken

Het muntje

We staan samen zwijgend op een muntje te sabbelen in de verrassend warme septemberzon, naast een drukke ringlaan. Het is geen lekker Kingmuntje, maar een plakkerig snoepje in een beduimeld papiertje met een veel te sterke pepermuntsmaak dat ze net hiervoor uit een warme handtas heeft tevoorschijn gehaald. Ik begreep het gebaar en had de moed niet het aanbod af te slagen. Het is het 4e snoepje dat we zo eten. Samen in stilte. Ik begrijp haar niet en zij begrijpt mij nog veel minder. We spreken letterlijk dezelfde taal niet, maar ook figuurlijk zijn er geen gemeenschappelijke concepten tussen ons te vinden. Ons raakvlak ligt mijlenver uiteen. Ze kan mijn mama zijn, maar ík voel me meer moeder dan diezelfde ochtend bij mijn 3-jarige dochter. We zijn beide uit balans. Ik begrijp haar niet, maar ik voel veel. En wat ik initieel aanvoelde als weerstand, krijgt stilaan de weëe geur van angst. Ons onvermogen tot babbelen frustreert me. Ik ben nochtans geen prater. Ik denk aan de 10 minuten voor het muntje en hoe ik haar mijn arm aanbood die ze gretig aannam. Ik versta haar niet, maar als ze wrijft over mijn schouder begrijp ik glashelder wat ze wil zeggen. Als ze me het muntje toesteekt, net zoals de dag ervoor, herhaalt ze woordeloos wat ze hiervoor al zonder woorden wist uit te drukken. De volgende dag is ze terug. Ook dat is het: dé ultieme bevestiging. Ik slik frustraties in, samen met dat muntje. Het 4e. Zei ik dat al?  Ik ben volwassen geworden en heb me -ongewild- gewenteld in een bad vol angsten. Dat gaat van heel herkenbare angsten die ik perfect kan uitleggen aan iedereen. Angst voor grotten, of spinnen of hoge en snelle attracties in megagrote parken. Er zijn er ook die al wat moeilijker te verklaren zijn: die megagrote parken zelf of kanalen. En dan heb je angsten waar ik voor altijd over zwijg. Door de mand vallen, oninteressant gezelschap zijn, amateuristisch bevonden worden, doelloos sterven.  De angst van de vrouw daarentegen is next level. Ik probeer me te verplaatsen in het hoofd van het kleine dametje naast me. Ik weet in welk land ze haar hele leven woonde en leefde en groeide en thuis was. Ik weet niets van de omstandigheden waarin ze thuis was, maar ik ben er zeker van dat die omstandigheden in het niets lijken op de chaos waarin ze hier terecht kwam. Mijn eigen zoon die hier geboren werd, loopt ook nog verloren. Hoe gaat zij ooit een pad ontwaarden in de jungle van het vals beloofde Europa. Het valt me zwaar. Ik heb spijt van woorden die ik sprak en bedenkingen die ik uitte. -Is dit mijn taak wel? Hier houdt het op. Ik heb geen tijd.- ik begrijp haar niet, zij begrijpt mij nog veel minder. Maar ik wrijf toch over mijn buik en zie hoe ze dankbaar een muntje zoekt, onderaan in haar tas.  Later stuurt haar dochter dat ze maandag terug komt. "Met muntjes?", wil ik vragen. Maar aangezien wij samen wel dezelfde taal spreken, weet ik dat zij me niet zal begrijpen. 

Sifaka
0 0

Homo dubitantis

Je hebt mensen die bij het ontwaken van de dag de ogen opslaan, het leven uitdagend aankijken en er het beste van maken. Mensen die van bij de eerste bewuste tikken van de secondewijzer weten wat hen te doen staat en hoe ze dat gaan aanpakken. Ik stel me voor dat het van die types zijn met carpe diem of een andere vervelend optimistische motivatiespreuk in donkere krul- of blokletters over de borst getattoeerd. Of misschien ook het gezicht van Jezus, of het woord mama onder een doorschoten hartje. Alsof zij weten waar het in dit leven allemaal op terug te brengen is en waar het dus in sé om draait. Mannen en vrouwen die datgene doen waar het leven ze heeft ingerold en die dat ook nog eens goed doen. Of overtuigd zijn dat ze het goed doen. Ik weet niet wat belangrijker is in dit leven: over een vaardigheid beschikken of geloven dat je er over een beschikt. Misschien komt het finaal wel op hetzelfde neer, als je altijd zonder vragen je doel bereikt. Ik benijd hem, die zekere mens, en zou gerust zijn schoenen willen passen. Jezustattoo incluis.  Want je hebt ook mensen zoals ik. Een soort homo dubitantis die het leven loopt door te scharrelen als een kip in steeds hetzelfde kleine hok. Zoekende naar iets dat gisteren niet in de aarde zat en er morgen ook niet zal zijn. Er zijn weinig dingen in mijn leven waar ik geen spijt van heb, maar geef me de kans om terug opnieuw te beginnen; ik zou het allemaal herhalen. Sterven is moeilijker dan je denkt, las ik ooit in een boek van Marquez. In de jaren dat ik mijn angsten ontwikkelde, heeft het me vaak getroost als het zwart van de nacht en de eenzaamheid van een huilbaby mijn hart op hol joeg. Het is nog maar pas dat ik de zin had opgeschreven en zag dat ik me onbewust had vergist en sterven door leven had vervangen. Leven is moeilijker dan je denkt. Het is misschien wel juist zo, sterven en leven lopen op het pad ook steeds hand in hand. Alles wat ik onderneem in het leven is de eerste keer ook niet helemaal gelukt. Studies, schrijfwedstrijden,volleyballessen, rijbewijs halen, relaties en -hoe pijnlijk ook- zelfs mijn eerste kind. Er bestaat echt zoiets als je toekomst kapot twijfelen. Ik beslis dat ik me een nieuwe tattoo laat zetten en zoek alvast een geschikt lettertype voor een Latijns positivo-leuze. Helvetica of zo, als het maar schreeuwerig duidelijk is dat ik het twijfelende leven vaarwel heb gezegd en vanaf nu de dag niet alleen zal plukken, maar ook nog eens opzichtig te kijk zal zetten in een glazen vaas. Maar bij de schemering van de avond overvalt me het weëe gevoel in mijn maag en vraag ik me af of ik niet beter ik doe ook maar wat op mijn rechterbil laat vereeuwigen. Of misschien wel op mijn linker. En anders een doorschoten mamahartje met het gezicht van een twijfelende Christus? Anders neem ik maar gewoon homo dubitantis, maar dan als afwrijfplaatje. Je weet immers zo dat ik hier weer spijt van krijg. 

Sifaka
3 1

Identiteitscrisis

Vrouw komt thuis van haar werk. Ze blaast. Haar wangetjes zijn rood aangelopen en ze stapt net iets sneller en met kleinere pasjes dan normaal. Geen goed teken. Gelukkig had ik de tafel al gedekt en twee sneetjes rozijnenbrood beboterd en keurig op haar bord gelegd. Ik gooi nog vlug een drietal spiegeleitjes vanuit mijn favoriete pannetje in het mijne, bespuit ze overvloedig met curryketchup en haal vliegensvlug de laatste vier bruine boterhammen uit de broodzak. Verder geen enerverende randgeluiden meer produceren en een actieve luisterhouding aannemen.  'Wat een dag! Zo vermoeiend! Ik ga niet in detail treden, want daar heb ik de puf niet meer voor. Kort gezegd: hier en daar probeer ik genuanceerd aan te geven dat er wat moet veranderen en niemand die het snapt! Helemaal niemand! Moet ik het dan echt vlakaf in hun gezicht zeggen? Werkt dat zo in deze mannenwereld? Hebben we dat nu nog altijd niet gehad? Iedereen draait maar in cirkeltjes terwijl de oplossingen voor de hand liggen. Maar nee, hoor, niet in HUN brein. Ze snappen het niet, of ze willen het niet snappen. Tussendoor probeer ik dan ook nog om ze subtiel uit te leggen hoe ik me daarbij voel, maar ook daar heeft niemand oren naar. Geen greintje empathie. En ik maar rekening houden met hun ego's! En maar hints geven, zodat ze achteraf denken dat ze het allemaal zelf bedacht hebben. Maar nee, ze zijn gewoon niet mee. Dat heb je als je bijna uitsluitend met mannen werkt.' In deze omstandigheden laat je haar best uitrazen. Ik knik en bevestig me suf. Bijna na elk zinnetje geef ik feedback door middel van een bevestigend knikje, een frons, een zucht die aangeeft dat ik zoiets zelf ook heel vervelend zou vinden, soms zelf een wegwerpgebaar, terwijl ik naarstig mijn boterham in de mix van ketchup en eigeel sop. 'Ach, ik zal er mij maar bij neerleggen. Volgens mij bestaat er geen enkele man die een vrouw begrijpt. Geen enkele!' Pijlsnel steek ik mijn rechterwijsvinger in de hoogte, draai mijn kin een stukje naar rechts, trek mijn wenkbrauwen op en kijk haar enigszins verwijtend aan. 'Goh, ja, jij. Ik zei geen enkele MAN!'  Mijn wijsvinger valt naar beneden en belandt met een klap op de tafel. Daar kijkt ze van op, zij het maar heel even. 'Dat is toch zo! Ik ben er nog steeds niet achter WAT jij nu precies bent. Ik denk dat de wetenschap daar nog een leemte op te vullen heeft. Seksueel gezien ben je een man, maar je denkt en gedraagt je af en toe als een wijf. Dan laat ik je vreemde loopje en je talrijke Martien Meiland-imitaties nog buiten beschouwing. En dan denk ik: is hij nu non-binair of hoe heet dat ... genderneutraal? Nee, als het bijvoorbeeld op borsten aankomt, denk je overduidelijk als een man. Twee minuten later drink je van je koffie en dan gaat dat pinkje omhoog! Nog wat later hoor ik je luidop tegen jezelf praten, lachen en vloeken en zit je jezelf voortdurend aan te sturen en dan denk ik weer: hij is niet van deze planeet. Hij is een het. Er hangt trouwens een klodder ketchup op je kin. Als je een zak popcorn zit te vreten of een zak chips uit de handen van de kinderen rukt, lijk je wel een of ander beest en een Bicky Burger eet je dan weer heel langzaam en gedistingeerd, met mes en vork. Soms staat er een grote vrachtwagen voor de deur en die heb je dan niet opgemerkt bij het binnenkomen en even later zie je vanuit de keuken dat er een fruitvliegje op de televisie in de living zit, terwijl die niet eens aanstaat. Jij bent ... raar. Echt waar. Man, of 'ding', wat ben jij raar!'  Daarna veert ze recht en loopt zo de deur uit. Boos. Haar stapjes nog kleiner dan daarstraks en haar wangetjes gloeiend. Tien seconden later hoor ik haar auto starten en wegrijden. Ik heb letterlijk geen woord gezegd. Alleen geluisterd.  En dan begin ik me vragen te stellen terwijl ik de ketchupklodder afveeg en van m'n hand lik. Zeg nu nog eens dat wij androgyne buitenaardse wezens niet kunnen multitasken. Welke vragen?  Ligt het aan mij? Moet ik me zorgen beginnen te maken? Vast niet. Waarom zit er eigenlijk verdikkingsmiddel in deze ketchup, net nu ik op dieet ben?   

Danny Vandenberk
4 1

Spaghetti voor vijftig

Er zijn mensen die mediteren om tot rust te komen. Ik schil patatten. Geef mij een keuken vol damp, een industriële pot soep en vijftig jongens in rode Chiro T-shirts en ik ben content. Echt content. Ik denk dat ik daarom zo graag kookmoeke ben. Die schaamteloze zomerdagen waarop ik mag moederen over een halve Chiro. Over dorpskerels tussen vijf en vijfentwintig. Kleine mannen met snottebellen, slungels die plots okselgeur ontwikkelen en leiders die zichzelf volwassen noemen maar nog altijd hun onderbroek vergeten. Daar leef ik van op. Van om zeven uur opstaan om de koffie al te laten doorlopen voor de bende wakker wordt. Van een stille kampplaats die nog ruikt naar nat gras en bier van gisterenavond. Van roze teenslippers die na vijf dagen kamp niet meer roze zijn maar een soort triestig campinggrijs. Van de geur van zweet en vet en look. Veel look. Want ge kookt niet voor vijftig man met een bescheiden teentje look. Ik schud hoeveelheden voor recepten uit mijn mouw alsof het hogere wetenschap is. “Hoeveel spaghetti voor vijftig man?”Simpel.Wat ge voor een gezin van vier maakt, maal twaalf en een half.En dan nog een beetje. Want er is altijd wel ergens nen achttienjarige die eet alsof hij zich voorbereidt op een overwintering in Siberië. Ik schil patatten alsof mijn leven ervan afhangt. Ik maak van spaghetti koken hogere wiskunde. Ik heb een eigen filosofie ontwikkeld over hoeveel keer ge een maaltijd moogt opwarmen zonder dat iemand eraan sterft. Ik geloof rotsvast dat melk in soep soms een uitstekend idee is. Dat zelfgemaakte andalouse saus een vorm van beschaving is. En dat ge nooit — maar dan ook nooit — een deftige barbecue hebt zonder perziken uit blik. Dat laatste klinkt absurd. Tot ge het proeft. En dan die saus. De lekkerste saus van het kamp. “Sex on a plate” Het zijn ook de dagen waarop Yevgueni door een krakende box schalt terwijl wij de afwas doen. Als ze lacht. En wij meebrullen alsof we zelf terug twintig zijn en straks nog een pint gaan drinken op de parking van de parochiezaal. De dagen waarop de kookmoekes elke avond eindigen rond een gammele campingtafel met gezelschapsspelletjes waar wij elk jaar beter in worden. Vals spelen een gave is die met de leeftijd komt. Er wordt gelachen tot iemand bijna stikt in een chipke. Tot de leiding komt vragen of het misschien iets stiller kan omdat de klein mannen slapen. Ik doe dat graag. Misschien té graag. Ik ben al eens met pensioen gegaan. Officieel gestopt. Maar blijkbaar kunt ge uzelf ook terugroepen. Niet door een tekort op de arbeidsmarkt, maar door een diepgeworteld “het niet kunnen laten”. Er volgde een stilzwijgende overeenkomst met de leiding: ge gooit me maar buiten als ik écht te oud geworden ben. En eerlijk?Ik hoop dat ze dat nog efkes uitstellen. Want daar, tussen de kookpotten en de afwasbakken, wordt het leven opvallend simpel. Stress herleidt zich tot de vraag hoeveel kilo wortelen er juist in de soep moeten. Nachtrust wordt relatief. En liefde krijgt een totaal andere vorm. Want die is daar.In alles. In een snelle “merci, moeke”.In een jongen van zes die nog een nachtzoentje komt vragen.In een leider van drieëntwintig die spontaan een apero uitschenkt voor de moekes na een dag van zevenhonderd boterhammen smeren.In een keuken waar iedereen plakt van het zweet en de mayonaise en toch niemand weg wil. En zo reigen we de zomers aan elkaar. Met liefde en herinneringen. Met te veel look en te weinig slaap. Ondertussen loopt mijn huis stilaan leeg. Mijn zonen bouwen hun eigen leven bijeen. En binnenkort zal mijn kookpot zich waarschijnlijk beperken tot hoeveelheden voor één persoon. Dat is dan wat ge voor een gewoon gezin maakt.Gedeeld door vier.   

Katrien Daniels
55 5

Failliet

Ik reed gisteren voorbij mijn favoriete delicatessenzaak. Enfin, gewezen delicatessenzaak. Want de winkel is failliet. En ik vind dat erg. Eerst en vooral voor mezelf, als ik eerlijk ben. Want nergens anders was het kaasassortiment zo uitgebreid, de thee van net dat juiste merk en de broodjes zo rijkelijk belegd dat ge er bijna een kleine familietafel voor nodig had. Maar ook voor hem. Ik kende de man zijn naam niet, maar Georges zou hem absoluut niet misstaan, dus we noemen hem Georges. Georges was een gepassioneerde foodie die zijn zaak bestierde alsof het een klein culinair koninkrijk was. Altijd tijd voor een babbel over een Franse schimmelkaas, een goeie olijfolie of gewoon over het leven. Een mens die wist wat lekker was. Dat is een gave, hoor. Failliet gaan. Dat woord heeft iets vuils. Alsof ge niet alleen uw zaak verliest, maar ook ineens een stuk van uw naam. Uw gevel. Uw waardigheid. Uw routines. Uw morgens. Het doet me denken aan een scheiding. Dat is eigenlijk ook een soort faillissement. Ge verliest geld, liefde, meubels waarvan ge dacht dat ge ze samen oud ging laten worden. En daarna moet ge ergens in uw eigen hol gaan nadenken over hoe het anders had gekund. Maar goed. Het ging over Georges. De man van de uitermate goed belegde broodjes. Misschien té goed belegd. Dat wou ik hem soms zeggen. Dat er op één broodje genoeg krabsalade lag om een klein vissersdorp door de winter te helpen. Dat die tomaten daar precies gratis werden uitgedeeld. Maar ik deed het niet. Uit beleefdheid. Of lafheid. Dat ligt dicht bij elkaar. En nu heb ik daar schuldgevoelens over. Omdat ik denk: misschien had wat minder tomaat zijn zaak gered. Misschien was het verschil tussen overleven en failliet gaan gewoon drie schellen mozzarella minder per sandwich. En ik weet het, zo simpel is het natuurlijk niet. Maar toch. Ge begint terug te tellen. Naar alle keren dat ge iets dacht en zweeg. Zoals die avond dat ge wist dat dat feestje ging ontsporen. Of die keer dat ge wist dat ge taart met echte boter moest maken en niet met die margarine uit promotie. Vroeger zei ik dat soort dingen nog. Nu niet meer. Ik heb mezelf afgeleerd om mij te moeien. Omdat mensen daar zelden dankbaar voor zijn. Omdat iedereen liever elegant kopje-onder gaat dan gered wordt door een bemoeial. Dus ik zwijg tegenwoordig. En rij voorbij. De delicatessenzaak ligt er plots verlaten bij. Leeggehaald. Een vrouw draagt een roestig rekje naar buiten. Drie maanden geleden stonden daar nog cuberdons en nonnenbillen op. En die vrouw lacht. Een gewone lach. Een mens-lacht. En ik zie: die vrouw is nooit failliet geweest. Sommige mensen hebben nog nooit echt iets verloren. Geen zaak. Geen liefde. Geen huis met de stilte er nog in. Ik denk aan Georges, de kaasman. En ik zou eigenlijk naast hem willen gaan zitten. Zonder oplossingen. Zonder analyses over krabsalade of kostenstructuren. Gewoon zeggen: sorry dat ik zweeg. Of misschien gewoon: welkom. Bij de club van de mensen die ooit iets zagen instorten waar ze van hielden. De meeste mensen gaan ooit failliet. En de rest koopt roeste rekjes.

Katrien Daniels
45 2

De weg naar mezelf

Inleiding Ik weet eerlijk gezegd niet zo goed hoe ik hieraan moet beginnen. Veel mensen hebben mij al verteld dat ik alles wat ik zeg eens moet neerschrijven maar het probleem is dat ik heel vaak vergeet wat ik gezegd heb. Ik denk dat dit een soort samenbundeling zal zijn van ideeën die ik heb over het leven en de maatschappij waarin we ons momenteel bevinden. Ik zal dieper ingaan op veel voorkomende psychologische problemen die zich ook uiten in lichamelijke problemen, ook op het individuele streven naar geluk en de verbinding die we kwijt zijn geraakt met de natuur en met de mensen rondom ons. Dat laatste is iets wat volgens mij heel wat dagdagelijkse maatschappelijke problemen veroorzaakt. Als we ons niet meer verbonden voelen met onze planeet en met de mensen rondom ons, hoe kunnen we ons dan empathisch opstellen? Hoe kunnen we dan handelen zonder onszelf altijd voorop te zetten en zonder persoonlijke belangen maar gewoon voor het belang van een ander of voor het belang van onze planeet?   Voorwoord Wanneer ik opgroeide had ik altijd een gevoel dat ik hier niet op mijn plaats was. Ik stelde mij vragen bij heel wat dingen waarover anderen geen vragen stelden en ik begon te denken dat er iets mis was met mij. Mensen noemden mij heel gevoelig en zeiden dat ik mij te veel aantrok van alles wat er rond mij gebeurde. Ik stelde mij ook heel vaak vragen bij de maatschappij op zijn geheel. Het voelde alsof alles al op de een of andere manier bepaald was voor mij. Mijn pad lag al klaar. Eerst het lager onderwijs, daarna een aansluitende middelbare opleiding, waarna je op een achttienjarige leeftijd de “levensbelangrijke” keuze moet maken voor een vervolgopleiding die het traject van de rest van jouw leven zal bepalen. Zo laten de mensen rondom jou het toch uitblijken. Tijdens het middelbaar kon ik nooit denken over de toekomst. Het was iets wat mij bang maakte omdat het er eerlijk gezegd niet rooskleurig uitzag. Ik had het gevoel dat ik vasthing aan verwachtingen van anderen en dat ik niet volledig vrij was. Ik weet dat het een jonge leeftijd was om dat gevoel al te hebben maar toch was het een heel overheersend gevoel, iets wat ik nooit zal vergeten. Ik had heel veel ideeën in mijn hoofd over wat ik wou doen maar niets leek op dat moment realistisch. Dat werd vooral veroorzaakt door de reacties van mensen uit mijn omgeving. Wanneer ik dan op achttienjarige leeftijd afstudeerde had ik echt geen idee wat ik verder wou doen met mijn leven. Ik stelde voor om een tussenjaar te doen maar daar gingen mijn ouders niet mee akkoord uit schrik dat ik nooit zou verder willen studeren. De voorwaarde was: eerst studeren en daarna reizen. Het voelde alsof ik mijn eigen leven uitstelde. Ik begon eerst met een studie journalistiek zonder hier ook maar iets over te weten. Ik koos deze opleiding enkel en alleen maar met het idee dat ik hiermee veel zou kunnen reizen. Na de eerste week was deze opleiding een heel grote teleurstelling omdat het totaal niet overeenkwam met de verwachtingen die ik hierover had. Natuurlijk was het mijn volledige fout omdat ik geen research gedaan had. Daarna begon ik aan een lerarenopleiding Frans en Engels, puur om te focussen op mijn talen. De lat lag daar onmiddellijk heel hoog en hoewel ik dacht dat ik goed was in talen kreeg ik hier wel een ferme reality-check. Om dit niveau bij te houden ging ik al mijn vrije tijd kwijt zijn om allerlei dingen in te halen om de lessen te kunnen begrijpen en te vertalen naar het Nederlands. Na deze twee pogingen voelde ik mij verschrikkelijk slecht en verloren. Al mijn medestudenten van het middelbaar leken al hun weg gevonden te hebben en waren vol moed begonnen aan hun hogere opleiding. Ik voelde mij nog meer dan ooit een buitenstaander omdat ik eigenlijk totaal niet wou verder studeren en gewoon mijn eigen ding wou doen. Na een paar dagen nadenken kwam de lerarenopleiding lager onderwijs op mijn pad, vooral op aanraden van mijn familie. Ik besloot dan om het toch maar te proberen om iets te doen, gewoon om bezig te blijven. Ik startte met de opleiding en het ging eigenlijk wel beter dan verwacht. Ik denk door het feit dat de focus ligt op kinderen dat de opleiding wel iets voor mij was. Ik ben heel graag omgeven door kinderen omdat zij nog niet zo sterk beïnvloed zijn door de maatschappij en door de verwachtingen die hen worden voorgelegd. Ze zitten nog in hun eigen creatieve wereld en laten zich nog verwonderen door alles rondom zich. Kinderen leven in het hier en nu en onderzoeken alles wat ze tegenkomen in het leven. Ik denk dat we allemaal wel nog die kinderlijke eigenschappen in ons hebben maar dat dit door de serieusheid van het “echte leven” onderdrukt wordt. Dit is iets waar ik in dit boek verder op in zal gaan. Na het afronden van de driejarige bacheloropleiding als leerkracht lager onderwijs dacht ik dat ik eindelijk ging kunnen starten met reizen. Maar toen werd ik wakker geschud door het feit dat mijn rekening zo leeg was als iets. Bovendien startte toen ook de coronacrisis waardoor reizen steeds onmogelijker werd. Ik besloot om aan het werk te gaan als leerkracht in OKAN, een job die ik met hart en ziel deed. Maar toch had ik altijd het gevoel dat ik iets miste. De drang om te reizen en mezelf te ontdekken was zo danig groot dat ik het niet van mij kon afzetten. Ik begon mij opnieuw heel verloren te voelen en mijn situatie leek op dat moment uitzichtloos en onveranderbaar. Ik had het gevoel dat er zo veel verwachtingen werden opgelegd en dat ik hier niet van kon afwijken. Het leek alsof ik geen keuze meer had maar dat was een illusie. Het moeilijkste op dat moment was ook het gevoel dat daaraan gekoppeld was. Ik voelde mij als een buitenstaander en voelde mij bovendien heel onbegrepen. Het ging zo ver dat ik het nut van het leven niet meer zag. Voor mij hoefde het allemaal niet meer, heel gek om te zeggen nu. Ik dacht vaak in mezelf “als dit alles is wat het leven te bieden heeft, dan weet ik eigenlijk niet waarom ik nog in leven ben.” Ik dacht zelf aan manieren om er een einde aan te maken, zo ongelukkig voelde ik mij. Tot ik op een gegeven moment realiseerde dat het niet meer verder kon op die manier en dat ik eigenlijk ook niets meer te verliezen had. Mijn situatie kon op dat moment niet meer erger en dat was voor mij de push om een hele grote sprong te wagen. Al het geld dat ik in de voorbije jaren gespaard had door verschillende jobs en door het feit dat ik nog bij mijn ouders woonde ging ik investeren in mezelf en in mijn geluk. Ik begon een plan te maken dat steeds realistischer leek. Ik maakte de keuze om te luisteren naar mezelf en om mijn eigen supporter te zijn. Vanaf dat moment is mijn leven 360 graden gedraaid.

buttercupfee
0 0

Een traktaat over het bewust omgaan met de fysieke drager

1.      Als hoeder van een soeverein lichaam ben ik mij bewust van de tijdelijkheid van dit vehikel dat mijn ervaringsveld afbakent. Dit doet echter geen enkele afbreuk aan de onvoorwaardelijke liefde waarmee ik mijn verschijningsvorm omring. Tegelijk weet ik dat het bewustzijn van waaruit ik nu spreek deze grenzen van tijd en vorm overstijgt. Ik ben niet dit lichaam. 2.      Als hoeder van een soeverein lichaam heb ik het zeggenschap over wat er met mijn lichaam gebeurt en hoe het behandeld wordt. Zonder mijn bewuste en vrijwillige toestemming is er geen enkele externe bron die over deze hoedanigheid beschikt. Indien ik door uitzonderlijke omstandigheden niet bij machte ben om die toestemming te geven, dient er steeds een universeel respect voor de natuurlijke intelligentie van het lichaam vooropgesteld te worden. 3.      Als hoeder van een soeverein lichaam draag ik de verantwoordelijkheid voor het welzijn van dit lichaam. Ik zie erop toe dat er gehandeld wordt naar de grenzen en noden van mijn lichaam en ben mild voor mezelf als mij dat om bepaalde redenen toch niet lukt. Fundamenteel draag ik de intentie om dit lichaam gezond te houden en tijdig te voorzien van dat wat voedend, heilzaam en herstellend is. Eigenliefde is de bron van waaruit ik mijn lichaam benader. 4.      Als hoeder van een soeverein lichaam heb ik vertrouwen in de natuurlijke intelligentie van dit lichaam en tracht ik hier naar te handelen. Ik raadpleeg mijn lichaam als bron van informatie die het rationele denken overstijgt en stel mezelf open om boodschappen van mijn lichaam te ontvangen. Ik accepteer dat heling geen lineair proces is en hecht waarde aan zowel de subtiele als minder subtiele gewaarwordingen in mijn gevoelsveld.  5.      Als hoeder van een soeverein lichaam behoed ik dit lichaam voor schadelijke externe intenties en ga ik bij het lichaam zelf ten rade om dat onderscheid te kunnen maken. Ik raadpleeg daarvoor mijn intuïtie en bij twijfel zoek ik naar heldere informatie die intern resoneert. De heilzame keuzes kenmerken zich door hun ongedwongenheid en vertrouwen in het lichaam en zijn niet gefundeerd op angst of een plichtsgevoel. 6.      Als hoeder van een soeverein lichaam draag ik de wetenschap dat dit lichaam holistisch verbonden is met mijn denk- en gevoelswereld, met voorouderlijnen en alle externe verschijningen. Dit lichaam maakt deel uit van een oneindig creatief geheel en reageert cyclisch en natuurlijk mee met de bewegingen van dat geheel. Via mijn lichaam kan ik niet alleen gewaarworden wat er speelt in mijn persoonlijk veld, maar ook wat er zich roert in het collectieve veld. 7.      Als hoeder van een soeverein lichaam beschouw ik geen enkele kwaal of fysieke beperking als een ‘fout’ van het lichaam, omdat ik weet dat elke ervaring zijn betekenis en waarde heeft. Omdat de intelligentie en beweegredenen van het lichaam, die verbonden zijn met een universeel geheel, het menselijk perceptievermogen overstijgen, is twijfel niet gegrond. Zelfs al kan ik vanuit deze vorm het geheel niet overzien, toch weet ik dat de reacties van het lichaam vanuit een dieperliggende waarheid voortkomen en behandel ik elke fysieke reactie als betekenisvol. 8.      Als hoeder van een soeverein lichaam bescherm ik dit lichaam tegen commerciële exploitatie. Mijn lichaam is geen handelswaar, noch verbindt het zich aan een contract of verdienmodel. Mijn lichaam is niemands bezit en wordt beschermd tegen de invloed van opportunistische belangen. De essentie van het lichaam overstijgt cijfers, statistiek en elke vorm van dataverwerking.  9.      Als hoeder van een soeverein lichaam sta ik in voor het waarborgen van de natuurlijke vrijheid die mijn lichaam toebehoort. Ik zal waken over de helderheid van mijn perceptie en steeds gegrond trachten in te schatten welke keuzes of overtuigingen deze vrijheid inperken. Ik ben verantwoordelijk voor het bewaken van mijn lichamelijke vrijheid en belichaam die verantwoordelijkheid in een levenshouding. 10.   Als hoeder van een soeverein lichaam volg ik het ritme van mijn lichaam. Uit liefde voor mijn lichaam koppel ik mij los van externe maatstaven die natuurlijke cyclussen overschrijven. Een natuurlijk ritme staat los van planning, verwachting en werkdruk. Mijn lichaam zal rusten als het om rust vraagt, ook als dat indruist tegen overtuigingen, verwachtingen en gewoontes. Ik tracht mijn keuzes en reacties af te stemmen op een gezond en authentiek ritme en vind manieren om dit gebalanceerd te integreren in de praktische werkelijkheid. 11.   Als hoeder van een soeverein lichaam weet ik dat het lichaam, in elke toestand, steeds een perfecte creatie is. Er kunnen wel ideeën en verwachtingen gekoesterd worden die perfectie omschrijven, maar vanuit universeel standpunt is elk natuurlijk lichaam volmaakt in zijn huidige toestand. Alle mogelijke wijzigingen, modificaties, manipulaties of correcties aan het lichaam die niet geworteld zijn in hoogbewuste vrijwilligheid worden voor de hoeder van een soeverein lichaam als ongewenst beschouwd.  12.   Als hoeder van een soeverein lichaam sta ik erop dat elke medische behandeling en interactie gefundeerd is op nederigheid en respect ten opzichte van het lichaam. Dat begint al bij de manier waarop het lichaam taalkundig aangeduid wordt. Het lichaam is geen ‘case’, geen nummer, noch is het woord ‘patiënt’ passend. Het lichaam is de unieke verschijningsvorm van een entiteit die tijd en vorm overstijgt. Het is een sacraal instrument waarvoor er ontzag en verwondering kan opgebracht worden. In plaats van ‘dokters en patiënten’ zouden we bijvoorbeeld kunnen spreken over ‘genezers en ervaringsdragers’. In het beste geval zijn de genezers eveneens ervaringsdragers. 13.   Als hoeder van een soeverein lichaam weet ik dat ik dit lichaam kan helen. Het zelfherstellend vermogen van het lichaam kan op een bewust niveau bekrachtigd worden met aandacht en intentie. Elk lichaam is ontvankelijk voor aandacht en intentie. Het zijn primaire genezingskrachten. 14.   Als hoeder van een soeverein lichaam ben ik mij bewust van de invloed van taal en waak ik over de woorden die ik gebruik wanneer ik over mijn lichaam spreek. De specifieke energie die met een woord verbonden is, kan zowel een magische spreuk als een beperkende vloek zijn. Ik kies er daarom voor om mij te omringen met anderen die zich even bewust zijn van de kracht van taal en ze heilzaam hanteren. Karolien Demanhttps://www.karoliendeman.com/blog/2026/5/22/hoeder-van-een-soeverein-lichaam(Door mij bijgesneden) foto van www.talesofaperture.com

KarolienDeman
0 0

Team Bus

Tom en ik, we noemen onszelf Team Bus. Hij langs de kant van de busplanning. Ik langs de kant van de uitstapplanning. En ergens tussen vertrekuren, parkeerplaatsen, zieke chauffeurs en “oei, dat is precies verkeerd doorgegeven”, vinden wij mekaar regelmatig. Normale dingen regelen we via mail. Dat hoort zo. “Beste, graag een offerte voor twee bussen richting Oostende.” Dat soort dingen. Maar als er ergens een schoolgroep staat te blauwbekken in de regen of een chauffeur plots in Dendermonde blijkt te zitten terwijl hij eigenlijk in Asse moest zijn, dan bellen we. Dan komen de echte gesprekken. “Wacht hè Katrien, ik ga eens kijken.”“Ah nee, dat is den anderen bus.”“Ge zijt zeker?”“Tiens. Da’s wel speciaal.” Zo van die gesprekken. En het vreemde is: ik heb het gevoel dat Tom stilaan een vriend aan het worden is. Zo iemand waarvan ge denkt dat ge hem eigenlijk al jaren kent. Dat we misschien samen op school hebben gezeten. Dat we mekaar ooit halfdronken zijn tegengekomen in een bruin café ergens naast een biljarttafel. Dat hij mij ooit al eens een sigaret heeft gegeven op een parking van een fuif in 1998. Soms voelt het alsof wij al een heel traject samen afleggen. Alsof wij collega’s zijn in een kleine oorlog tegen verloren chauffeurs, dubbele reservaties en kinderen die dringend moeten plassen net wanneer de bus de autostrade opdraait. Ik hoor zijn stem vaker dan die van sommige echte vrienden. Wij maken mini-crisissen mee samen. Kleine rampen die altijd dringend lijken maar achteraf geweldige verhalen worden. En elke keer opnieuw lossen wij dat op. Tom aan zijn kant van de dispatching. Ik aan mijn kant van de chaos. Terwijl ik hem eigenlijk niet ken. Ik weet niet hoe hij eruitziet. Ik heb nog nooit met hem aan een tafel gezeten. Geen koffie gedronken. Geen pannenkoeken gegeten. Niets. Maar in mijn hoofd bestaat Tom heel duidelijk. Tom is groot. Niet dik dik, maar zo’n geruststellend buikje van iemand die graag eens een goed stuk vlees eet en daar een Duvel bij drinkt. Hij heeft een stoppelbaard. Draagt jeans. Altijd jeans. En van die blauwe River Woods-truien over een hemd. Geen modieuze sneakers maar degelijke schoenen waar ge desnoods ook ne keer een camion mee kunt lossen. Enfin. Zo ziet Tom eruit in mijn hoofd. Ik zou hem kunnen googelen. Maar dat gaat nu niet meer. Het beeld is af. Het decor staat recht. En ik ben bang dat de realiteit het gaat verpesten. Want stel u voor dat Tom eigenlijk klein is. Smal. Blond. Dat hij beige geruite hemden draagt en een klein beetje naar natte boekentas ruikt. Dat zou verschrikkelijk zijn. Dan zou geen enkele buscrisis nog hetzelfde voelen. Dat had ik vroeger ook met stemmen op de radio. Michel Follet bijvoorbeeld. Man man man. Ik hoorde die op Radio 2 en in mijn hoofd was dat een soort filmster met charisma tot tegen de muur. Tot ik hem ooit zag in de TV Story. Ik was oprecht ontgoocheld. Niet omdat hij lelijk was. Maar omdat hij niet klopte met mijn versie van Michel Follet. Of die vrouw van het circus waar ik maanden telefoons mee deed. Ik zag een warme, donkere, voluptueuze zigeunervrouw voor mij. Veel armbanden. Grote rokken. Zware parfum. Maar toen kwam ze toe en bleek ze blond, klein en Duits-modern-jaren-tachtig te zijn. Zo iemand die waarschijnlijk kiwi in blokjes snijdt bij het ontbijt. Dat was lastig. Dus misschien moet ik Tom gewoon laten bestaan zoals hij nu bestaat. In die gezellige parallelle werkelijkheid waar hij nog altijd groot is, lichtjes naar Duvel ruikt en met één hand een busprobleem oplost terwijl hij met de andere een broodje préparé vasthoudt. En wie weet hoe Tom mij ziet. Misschien denkt hij dat ik slank ben. Dat ik lang blond haar heb dat altijd goed ligt. Dat ik zo’n vrouw ben die zelfs tijdens een crisis nog elegant klinkt aan de telefoon. Zo iemand die rustig “dat komt wel goed” zegt terwijl achter haar een school vol kinderen collectief in paniek staat. Misschien denkt hij dat ik met een zonnebril op in een cabrio rondrijd tussen culturele uitstappen door. Dat ik nooit vloek. Dat ik georganiseerd ben. Zo’n madam met kleurcodes in haar agenda en muntthee in een thermos. Of misschien ben ik voor hem een soort deftige mevrouw in een lange beige jas die proper “goeiedag” zegt en naar lavendel ruikt. Iemand die nog nooit een préparébroodje boven een stuur heeft gegeten onderweg naar een schoolvoorstelling. En eerlijk? Ik hoop het een beetje. Want zolang wij mekaar niet echt kennen, mogen wij nog vanalles zijn. Dan blijft Team Bus iets schoon. Twee mensen die mekaar eigenlijk alleen kennen in stresssituaties, omringd door zwetende chauffeurs en kinderen met fluohesjes, maar die intussen wel een volledig personage van mekaar hebben gemaakt. Dus nee. Ik ga Tom niet googelen.

Katrien Daniels
42 2

Mijn focus groeit uit ruis

Ik leg mijn oor tegen de grond, beluister muren en hoeken. Na het ontkoppelen van diverse stekkers en het onderzoeken van toestellen in en rond huis concludeer ik dat het geluid niet van bij mij komt. Toch blijf ik zoeken en raden. Mijn brein denkt controle te kunnen verwerven door het te begrijpen. Maar het is zoals met de diagnose van een ziekte: het benoemen en categoriseren van kwalen, lost ze niet op. Iets begrijpen garandeert niet dat je het kan transformeren. Het geluid is nieuw sinds een aantal weken. Er was al een constant laag gezoem waar ik doorheen de jaren vrede mee gesloten heb, vergelijkbaar met een generator die ergens in de verte staat te trillen, maar nu is dit geluid erbij gekomen. Het nieuwe geluid klinkt als een soort waterpomp die met onregelmatige intervallen aan en af slaat. Het is dat onregelmatige ritme dat het zo doet opvallen. Van het moment dat het geluid stopt, valt de reeds geaccepteerde soort van ‘stilte’ van voorheen weer als een warm deken over me heen. Het stopt telkens slechts voor enkele minuten of seconden. Mijn gekke geest kwam al op het idee om de intervallen van stilte te timen, om te zien of er misschien een patroon in zat. Allerlei absurde ideeën dienden zich aan met de wens om te begrijpen wat ik niet kan veranderen. Als het op omgaan met geluidsoverlast aankomt, voel ik me doorleefd. Levend als een hypersensitief wezen in een druk bevolkte welvaartsmaatschappij, waar iedereen wel over één of andere zeurende machine beschikt die instaat voor comfort of onderhoud, waar eenzame blaffende honden meer regel dan uitzondering zijn en bluetooth speakers vrolijk beats de ether in knallen, heb ik al heel wat training in wat je ‘mindfulness’ zou kunnen noemen, achter de rug. Met enige trots en opluchting dacht ik mezelf verlost te hebben van de frustratie over lawaai. Ik was door processen gegaan en had mijn focus weten te verleggen. Want dat is dan ook het sleutelwoord van dit hele gegeven: focus! Wie zijn focus kan beheersen is een vrij mens, zo klinkt het inzicht dat eruit voortkwam. Maar na een aantal lessen vruchtbaar te hebben afgerond, komt natuurlijk het examen. Het levensspel brengt van tijd tot tijd een uitdaging die ik een ‘bosslevel’ noem. Een level of stadium dat alle voorgaande oefeningen en lessen samenvat in één groot monster van een uitdaging. Alsof het universum wil testen of de transformatie die ik doorgemaakt heb wel gegrond is, stevig geworteld zit. Dit nieuwe geluid test mijn mentale oriëntatie. Het laat zich niet uitblokken met oordopjes, integendeel, ik hoor het zelfs nog beter met afgesloten oren. Ook lijkt mijn huisje als een soort klankkast te fungeren, want ik hoor het ook beter binnenshuis dan buiten. Ik vermoed dat de trillingen via de grond tot mij komen en zo doorheen mijn gebeente vibreren. Er is geen fysieke manier om eraan te ontsnappen, tenzij misschien verhuizen dan, een gedachte die doorheen de jaren wel eens de kop opstak. Maar het idee dat ik niet kan vluchten van triggers zou met mij mee verhuizen. De triggers zouden enkel veranderen, niet verdwijnen. Want de sleutel ben ikzelf natuurlijk, niet mijn omgeving. Paradoxaal genoeg woon ik al op een plek die mensen als ‘rustig’ omschrijven, in een klein huisje in de natuur, maar het blijft wel het immer bedrijvige Vlaanderen. Deze tekst had ik een paar dagen geleden als oninteressant gezeur van een overprikkeld mens geklasseerd en wou hem dan ook half geschreven laten liggen. Ware het niet dat ik online op een artikel botste waarin beschreven wordt hoe een ondefinieerbaar laag brommend geluid een man tot waanzin drijft. Die man was overgegaan tot stappen die voor mij geen optie lijken, zoals het contacteren van instanties. Maar er was alsnog geen verlossend antwoord gekomen. In het artikel werd het probleem serieus genomen, men had er zelfs een term voor: LFG of laagfrequent geluid. Het zijn geluiden tussen de 20 en 125 Hz, lage tonen die zeer grote afstanden kunnen afleggen en dwars doorheen muren en isolatie trillen. Toen ik de reacties onder het artikel opende, vond ik tot mijn verbazing sympathieke bijval in plaats van de ongevoelige kritiek die ik had verwacht. Tal van mensen leken hiermee te maken te hebben. De erkenning en herkenning die ik vond via dit artikel trok me over de schreef om er toch over te schrijven. Het lijkt mij dat de sensitiviteit van het collectief gestaag aan het verscherpen is, dat er met andere woorden steeds meer mensen gevoeliger worden. Die verhoogde gevoeligheid uit zich in de eerste plaats vaak in ongemak, maar het is dankzij dat ongemak dat er uiteindelijk transformatie of vergroting van het bewustzijn kan plaatsvinden. Gevoeligheid krijgt langzaam maar zeker weer een plaats in deze met ratio dicht geplamuurde maatschappij. Het is een traag proces dat mij enige hoop geeft.  Overlevend tussen warmtepompen, windturbines, koelinstallaties, generatoren, compressors, ventilatiesystemen, dreunend vrachtverkeer, servers, ongedierteverjagers, elektriciteitscabines en tal van andere machinerie, krijgt het zenuwstelsel van een fijngevoelig mens dagelijks heel wat te verduren. En dan zijn er nog de ultrasone trillingen die we niet kunnen horen, maar die het lichaam wel opvangt. Geen wonder dat ik zo snel op de grenzen van mijn energievoorraad bots. Er is zoveel dat ik onbewust te verwerken krijg. Iets uitblokken of negeren kost natuurlijk ook energie. Onlangs werd ik eraan herinnerd dat iets uitblokken of negeren niet hetzelfde is als de focus verleggen. Ik vind het niet evident om dat verschil te omschrijven. Het lijkt me dat negatie alsnog een soort van onzichtbare energetische verbinding in stand houdt met het te negeren onderwerp. Het negeren of uitblokken blijft doorgaan zolang het te negeren onderwerp zich voordoet. Terwijl ik het verleggen van de focus als een onafhankelijk zoeklicht kan zien, als een soort spot die zich ergens op richt. Het licht, of de aandacht, die ik op een bepaald onderwerp laat schijnen is niet verbonden aan een externe situatie. Dat licht is er altijd, het schijnt onvoorwaardelijk.  Dat licht is de aandacht of focus die ik ergens aan kan schenken. Ik kom erop uit dat dit het meest waardevolle is dat ik ‘bezit’. Of dat ik ben? Ik zie mijn licht niet schijnen zoals een lamp, maar eerder als een projector, want ik creëer tegelijk ook wat ik zie. Dit projector-gegeven zou ik nog verder kunnen uitdiepen, maar het punt dat ik hier wil maken is: leven is schijnen en creëren. En  meester zijn over de focus is cruciaal in deze wereld om gezond te blijven. Er zijn immers maar al teveel afleidingen, zoveel dat om onze aandacht roept.  Waar mijn aandacht naartoe gaat, daar gaat mijn licht, energie en levenskracht naartoe. De lage bromtoon die zich nu als extra afleider in mijn leven heeft aangediend, kroon ik tot de zoveelste motivator om mij te focussen. Het had de druppel kunnen zijn die mijn emmer vol prikkels en uitdagingen deed overlopen, maar ik kies er bewust voor om het een stimulans te laten zijn die mij naar binnen drijft. Het herinnert mij aan de kracht van mijn focus en de vrijheid die er is om die op elk mogelijk onderwerp te schijnen. Ik zet daarmee ook de spot op het ongenaakbare in mij: dat wat immer stabiel, stil en oneindig is. Het is mijn essentie die al het vergankelijke ervaart, maar in wezen altijd heel en volledig is.  Ik kan het misschien wel lyrisch verwoorden, maar natuurlijk is er ook weerstand, frustratie en boosheid. Het is van belang gebleken dat deze emoties en gevoelens in beweging blijven. Erin blijven hangen door ze dagelijks te voeden met aandacht is moordend. Ik kan ze op z’n minst als een vruchtbare ondergrond gebruiken. Zo bevat het vuur van boosheid een stuwkracht die de koers van mijn aandacht kan wijzigen. Een boosheid die zegt: ik laat me niet afleiden, leegzuigen of verstoren. En de weerstand en frustratie tonen mij waar er oude energieverslindende patronen liggen waarmee ik mezelf hinder. Patronen die mij zodanig uitputten dat ik het verlangen om iets te veranderen bij mezelf sterker voel worden. Het is de wrijving die de stroom vertraagt en doet stilstaan bij wat er getransformeerd wil worden. Het gaat natuurlijk met ups en downs. De ene dag is mijn focus al wat scherper dan de andere. Het is een proces. Zonder enige rustpunten in dat proces is het niet leefbaar, die moeten er op één of andere manier wel zijn. Tussen alle herrie vind ik gelukkig wel nog gaten of intermezzo’s van waaruit ik alles kan laten bezinken en opnieuw rangschikken volgens prioriteit. In de spaties van het bestaan vind ik de klaarheid die nodig is om mijn focus scherp te stellen. Het is eigenlijk zoals het afstellen van een lens. Iets ontwijken, afblokken of proberen te negeren zijn als vlekken op die lens. Het bekrachtigen en verfijnen van onze projectorlens is een ander werk dat volgens mij zuiverend werkt. Zoals je wel doorhebt, gaat deze tekst niet over geluidsoverlast, maar over innerlijke focus. De geluidsoverlast was in dit geval het middel of de uitnodiging om daartoe te komen. En zo beschouw ik elke externe uitdaging als een motiverende duw richting mijn essentiële Zelf. Ik heb niet het gevoel dat ik alles al helemaal klaar zie, laat staan dat ik dit kan beschrijven zonder mezelf ergens tegen te spreken. Ik vertrouw er hier weer op dat er tussen de lijnen gelezen kan worden. Dat je als lezer doorheen de woorden prikt en daarbij misschien de herkenning voelt die verbondenheid bevestigt. Want de bewegingen van persoonlijke processen deinen steeds uit in de poel van het collectief. https://www.karoliendeman.com/blog/2026/5/18/mijn-focus-groeit-uit-ruisFoto door Dries Luyten

KarolienDeman
0 0
Tip

Barry White en de geur van vergeten

“I never take pain for granted, only a fool takes things for granted.” Zo begon het. Dat liedje van Barry White.Onze mannen hadden achter de rug van de andere collega’s om, zendtijd geregeld in een radioprogramma. “Topteam van cc Nova". Eric droeg het nummer op aan “zijn vrouwtje”. Zo noemde hij haar altijd, met die glimlach alsof hij zelf niet goed wist hoe hij zoveel chance had gehad. Nu, jaren later, kan ik dat nummer niet meer horen zonder aan hem te denken. Eric.De immervrolijke collega. De man van de kleine kwinkslag, de mop die altijd nog ergens in zijn jaszak zat, de handen vol goede bedoelingen. Ik weet zelfs niet meer exact welk jaar het was. Maar ik weet nog wel dat er plots een bom ontplofte in ons leven en dat ik een maatje kwijt was. En het absurde was: terwijl wij hem verloren, speelde er zich buiten een aflevering van Fata Morgana af. Dorpse gekte. Vlaggen. Ambiance. Mensen die pinten dronken op pleinen en bezig waren met spektakel terwijl ergens tussendoor een leven wegviel. Ik herinner ik het me daarom nog zo scherp. Omdat verdriet zich altijd afspeelt terwijl de wereld compleet ongepast gewoon verder feestviert. Zo voelt verlies achteraf ook vaak: alsof ge uit een scène stapt terwijl de rest van het decor gewoon doorspeelt. En toch verdwijnen mensen nooit helemaal. Dat is het vreemde aan herinneringen. Ge denkt dat ge verder zijt gegaan. Dat het stof erop ligt. Dat het leven er ondertussen andere lagen overheen heeft gelegd. Tot daar ineens een liedje is. Of een geur. Of een plek waar het licht toevallig hetzelfde valt als toen. En hop. Daar staat iemand weer voor u. Soms twintig jaar later. Een paar noten van Barry White en Eric staat terug tegen een toog geleund, monkelend alsof hij iets weet dat de rest nog moet ontdekken. Een vleugje parfum in de gang en ge zijt weer twintig. Een geur van koffie en iemand zit opnieuw tegenover u alsof die nooit is weggeweest. Zo dragen mensen elkaar mee zonder dat ze het beseffen. Niet in grote monumenten of indrukwekkende speeches, maar in kleine absurde dingen. In een nummer op de radio. In een scène uit Notting Hill. In Roxette op een verkeerd moment in de auto. In de geur van een septemberochtend. In koffie die net op tijd gekomen is. Misschien is dat wat liefde uiteindelijk doet. Ze verstopt mensen in details zodat ze nooit helemaal weg kunnen. En gisteren dacht ik daar opnieuw aan. Aan afscheid nemen. Aan hoe ge soms met twee volwassen mensen tegenover elkaar zit terwijl ge allebei weet dat ge elkaar moet lossen en geen van beiden daar eigenlijk talent voor heeft. Hoe ge probeert flink te klinken. Redelijk. Bijna modern in het loslaten. Terwijl er onder tafel nog duizend dingen naar elkaars hand grijpen. En ik vroeg me plots af: wat blijft er eigenlijk hangen van een breuk? Niet de grote gesprekken, denk ik. Niet wie gelijk had of wie te laat beseft heeft wat er op het spel stond. Misschien blijven mensen uiteindelijk plakken in de kleinste dingen. In een geur van koffie die net op tijd gekomen is. In een ochtend in september. In een nummer van Roxette dat onverwacht opduikt in een supermarkt. Of in die ene scène uit Notting Hill die ge nooit meer gewoon kunt bekijken. Misschien zit ge ooit jaren later ergens in de file en hoort ge toevallig een nummer dat ge al eeuwen niet meer gehoord hebt. Misschien ruikt iemand naar dezelfde regenjas, dezelfde shampoo, dezelfde ochtend. En misschien denkt ge dan heel even: daar zijt ge weer, ik wou dat ik u kon vastpakken. Nog één knuffel, nog één pintje, nog één mopje. Een één moment waarop ik kan zeggen hoe bijzonder ge zijt.  En dan hoor ik Barry White opnieuw zingen dat alleen dwazen dingen vanzelfsprekend vinden. Hij had gelijk.

Katrien Daniels
123 5

Mijn moeder

    In de kleuterschool vroeg mijn beste vriendje of ik later, wanneer we groot waren, met hem wilde trouwen. Ik aarzelde om op zijn aanzoek in te gaan, want er was iets nog niet helemaal duidelijk : mag je, als je trouwt, bij je moeder blijven wonen? Na even nadenken stelde hij me gerust: hij dacht dat het wel kon, en hij leek er zelf geen bezwaar tegen te hebben. Ik had een knuffelbeer, Jan. Hij zag er niet uit: één poot hing er nog half aan, hij miste een oog en zijn gele, zachte pels was vuil en grauw geworden. Mijn moeder vond dat hij zijn beste tijd gehad had.'Zouden we die oude, versleten Jan niet weggooien?' Ik was verontwaardigd: 'Wie gooit er nu zijn kind weg?' Moederliefde. Ik kreeg het van mijn moeder en gaf het door aan mijn knuffels. Ik ben nooit getrouwd en heb geen kinderen, maar dat doet er hier niet toe.                                                                     *** Het is bijna moederdag en elke dag zie ik op tv dezelfde reclamespot voorbijkomen: 'Ik ben blij dat ik steeds meer op je lijk.'Er zit iets in. Ik hoor mezelf iets zeggen en het is alsof ik mijn moeder hoor praten. Dezelfde woorden, op dezelfde manier uitgesproken. Mijn moeder was sterk in tegeltjeswijsheden. Dingen als: 'Draai het blad maar om' of 'De slimste zwijgt.'Ik vertel ook steeds vaker dezelfde verhalen.'Mama, dat verhaal heb je nu al honderd keer verteld.''Ja, maar…' en ze ging onverstoorbaar verder, en ik hoorde het voor de honderdeneerste keer. En nu zegt mijn petekindje : 'Dat heb je al gezegd. Al drie keer.' Het zit ook in de kleine dingen: op dezelfde manier soep eten, in een appel bijten, op mijn horloge kijken. Over iemands schouder meelezen — ik vond het zo irritant wanneer ze dat deed. Ik zie dingen niet die vlak voor mijn neus staan. Ik loop verzonken in gedachten over straat en merk niet dat iemand naar me zwaait. Dat heb ik allemaal van haar. Ze was als kind verlegen en stil, vertelde ze. Net zoals ik. Hier houdt de vergelijking op. Ik heb haar alleen gekend als iemand die altijd bezig was, het goed kon uitleggen en als geen ander kon organiseren. Zeven kinderen grootbrengen, voltijds lesgeven en dan nog voorzitster zijn van de Boerinnenbond.Truien breien, gordijnen stikken.  Doe het maar eens na. Ik ben al moe wanneer ik eraan denk. Hoe deed ze het? Waar haalde ze die energie? Hoe werkte haar hoofd? Had ze allemaal verschillende schuifjes die ze opendeed en weer dicht? Eén voor de kinderen, één voor de kleinkinderen, één voor haar bond, één voor de les die ze ging geven, en ga zo maar door. Schuifje open, schuifje dicht, volgend schuifje open.In mijn hoofd blijven de schuifjes haperen, of ze springen allemaal tegelijk open en alles valt eruit. Moet ik alles weer oprapen en steek ik het in de verkeerde schuifjes. ‘Ja, papa, het is Ilse, is ons mama daar?’ Mijn moeder was het centrale aanspreekpunt, maar jammer genoeg ook de botsabsorbeerder van de familie. Want als je zeven kinderen hebt, is er altijd wel iets, met iemand.  In de slaapkamer van mijn ouders hing een tegeltje:‘Heb vertrouwen. God is liefde. De mens is goed.’ Soms wilde ik dat ze dat wat minder geloofde, het had haar wat miserie bespaard.                                                            *** 'Ik heb het begin van Parkinson.' Ze zei het zo nuchter en zonder dramatiek, alsof het ging over een tand die getrokken moest worden, dat het eerst niet goed tot me doordrong.Beetje bij beetje zagen we hoe ze achteruitging. Hoe ze steeds moeizamer stapte, eerst met een wandelstok, aan de arm van mijn vader. Dan met een rollator, tenslotte een rolstoel. Familiehulp - die maakte slechte, zoutloze soep, klaagde papa. Dagopvang, nachtzorg. En dan de terminus: het woonzorgcentrum.                                                              *** Mijn vader kijkt naar de koers en mijn moeder zit in haar relax en staart mee naar het scherm, met een glazige blik. Ze lacht wanneer ik de kamer binnenkom.‘Ben je met je nieuwe fiets gekomen? Je hebt een mooie trui aan.' Dat doet ze altijd : de ene keer geeft ze een compliment over een trui, dan over een broek, een jas, schoenen. Haar kamer hebben we zo gezellig mogelijk ingericht, met veel foto’s: kinderen, kleinkinderen, nu zelfs achterkleinkinderen — ze lachen haar allemaal toe. Ze zegt dat ze verdrietig is, elke keer wanneer ze naar de foto van mijn broer kijkt.Er komt een verzorgende binnen, ze brengt een drankje en blijft even babbelen.‘Iedereen is vriendelijk,’ zegt mama. Doe normaal, denk ik, mijn moeder is toch geen kleuter. 'Vertel eens, Leake, hoeveel kinderen hebt ge?''Ik had er acht, nu nog zeven.'Nu moet ik haar toch corrigeren.'Nee, mama, je had er zeven en nu nog zes.' ‘Blijf je eten?’ ‘Nee, mama, dat gaat toch niet.’ ‘Ik zou niet weten waarom niet.’ We brengen haar naar de eetkamer, mijn vader smeert haar boterhammen,  giet haar koffie in en doet haar een grote slab om. Ze vraagt of ik ook een boterham wil.                                                                         *** Ze moet naar het ziekenhuis, het gaat steeds slechter. Ze heeft koorts, ijlt. Pas wanneer de koorts zakt, mag ze naar huis, naar haar kamer in het woonzorgcentrum. Ze is beter, denkt mijn vader. Ze wordt niet meer beter, weten wij.   Pling! Een bericht in de familieapp: het gaat niet lang meer duren. Familieleden wisselen af aan haar bed, maar dat weet ze niet. Ik moet af en toe naar het toilet om stilletjes te wenen. Op Facebook krijg ik hartjes en troostende berichtjes. Ik bedank en schrijf:‘Ik ben verdrietig omdat ze er niet meer is. Ik ben opgelucht omdat ze geen pijn meer heeft.  En ik ben blij omdat ik een lieve mama had.’  

Ilse Janssens
0 0