Zoeken

Lenn en zijn bord spaghetti

Ik ben op kamp. Mijn vijftiende kamp ondertussen.  Vijftien kampen, dat wil zeggen massa’s gehakt en ajuinen. Hoeveel kilo precies weet ik niet, maar vermoedelijk genoeg om een bescheiden frituur een jaar draaiende te houden. Het betekent elk jaar minstens één plakker door een iets te enthousiast mes en minstens twee brandwondjes door opspattend bakvet. Vijftien jaar ervaring heeft mij op culinair vlak veel geleerd, maar blijkbaar nog altijd niet dat heet vet echt heet is. Vijftien kampen zijn ook vijftien jaar anekdotes. Kamphuizen waarvan ge de kampbaas ondertussen kent. Kringwinkels in godvergeten dorpen waar ge binnenstapt voor iets wat ge écht nodig hebt en buitenkomt met een gordijn dat perfect dienst kan doen als tafellaken en een koffiemok met Wild Animal erop. Er zijn keukens geweest waarin ge met drie mensen tegelijk uw gat niet kon keren en toch voor een kleine volksverhuizing moest koken. Afwasbergen waarop een bekende bergbeklimmer spontaan zijn stijgijzers zou hebben aangetrokken. Regenweken, hittegolven, vergeten ingrediënten en maaltijden die door een kleine culinaire interventie plots een totaal andere naam kregen dan oorspronkelijk op het menu stond. En er waren chirojongen. Heel veel chirojongens. Sommige passeren een paar jaar door uw kampkeuken en verdwijnen daarna weer uit beeld. Andere blijven hangen. Lenn bijvoorbeeld. De grote Lenn, moet ik tegenwoordig zeggen. Hij was helemaal geen Chirojongen pur sang. Hij werd nen echten toen hij een jaar of tien was. Ik weet dat nog omdat ik hem op zijn eerste kamp zag passeren met een bord spaghetti. Dat is mijn eerste echte beeld van Lenn. Geen grootse entree. Geen tromgeroffel. Gewoon een manneke met een bord spaghetti. Later bleek hij ook nog probleemloos te geloven dat we op dag twee spruiten zouden eten. Uiteraard. Voor het slapengaan passeerde hij nog heel even stiekem op mijn schoot. Niet te lang. Ge waart tenslotte op kamp en er was een reputatie hoog te houdenm Daarna werd Lenn groter. Op een bepaald moment zat hij niet meer stiekem op mijn schoot, maar stond hij naast mij aan de afwas en keelden wij samen 'Als ze lacht'. De afwasborstel als microfoon, de kampkeuken als Sportpaleis en een publiek dat vooral niet weg kon omdat de borden nog vuil waren. Nog wat later kwamen de meisjes. En dus ook de gesprekken over de liefde. Ik leerde Lenn de geheimen ervan. Ik had daar blijkbaar verstand van. Zo leerde ik hem dat ge met schaarste ook liefde kunt oogsten. Dat hij zijn lief dus vooral niet té veel brieven moest schrijven. Doseren, Lenn. Een beetje mysterie. Ge moet een mens ook de kans geven u te missen. Ik verkondigde dat met het gezag van een vrouw die duidelijk alle geheimen van de menselijke liefde had ontsluierd en toevallig op dat moment kilo’s ajuinen stond te snijden in een kampkeuken. En nu is Lenn bijna leider. Volgend jaar. Samen met de andere lieverds van zijn groep. En dan kijk ik hier rond en loopt er ineens weer een kleine Lenn. Een andere Lenn. Op zijn eerste kamp. Hij komt zijn bord spaghetti halen en deelt mij plagend mee dat die van zijn eigen moeke lekkerder is. Uiteraard. Ik kijk naar hem en ineens zie ik ze allebei. De grote Lenn met zijn spaghetti van toen. De kleine Lenn met zijn spaghetti van nu. De ene staat op het punt leider te worden. De andere moet nog ontdekken wat kamp eigenlijk is. Hoe lang een week kan duren. Welke liedjes ge uit volle borst moet meebrullen. Welke verhalen ge later honderd keer opnieuw zult vertellen en waarom eten op kamp nooit zo lekker is als dat van uw eigen moeke. Ergens tussen die twee Lenns liggen al die jaren. De spruiten die er nooit kwamen. Een schoot voor het slapengaan. 'Als ze lacht' boven een berg vuile afwas. Liefdesbrieven die met mate verstuurd moesten worden. En heel veel spaghetti.

Katrien Daniels
5 0

Gepasseerde stations

Spijt, dat is een vreemd woord. Het spijt me. Ik heb er spijt van. Spijtig dat. Drie keer ongeveer hetzelfde en toch telkens een heel ander gewicht. Soms is spijt een station waar ge liever nooit waart uitgestapt. Een bruut woord dat eigenlijk niet gezegd moest worden. Een deur die ge iets te hard hebt dichtgeslagen. Iemand die ge pijn hebt gedaan terwijl ge die mens net graag zag. Een verdriet dat ge nooit helemaal hebt uitgepraat omdat ge dacht dat er later nog wel tijd voor zou zijn. En soms is spijt net het omgekeerde: een station waar ge níét zijt uitgestapt. Ge ziet het nog liggen als ge achteromkijkt. Dat jaar dat ge toch niet naar het buitenland ging. Die grote liefde die misschien een grote liefde had kunnen worden als ge op het juiste moment iets moediger, slimmer of gewoon minder koppig waart geweest. Dat ene grote verhaal waaraan ge nooit begonnen zijt. Ik heb van best veel dingen spijt. Ik heb  tijdens mijn dwaaltochten mensen gekwetst die ik graag zag. Niet omdat ik dat wilde, maar omdat een mens soms verdwaalt en onderweg nogal onhandig met zijn bagage tegen andere mensen hun benen botst. Daar heb ik spijt van. Dat zijn stations waar ik niet wilde zijn. Maar er zijn ook de gemiste stations. Bij mij heet er eentje: de toneelschool. Ik wilde ooit iets met theater doen. Nu klinkt dat meteen alsof ik op mijn zestiende voor de spiegel stond met een haarborstel als Oscar in mijn hand, ervan overtuigd dat de wereld eigenlijk maar één probleem had: dat ze mij nog niet ontdekt had. De grote actrice worden. Premières. Rode lopers. Interviews waarin ik ernstig zou vertellen dat ik “heel dicht bij mezelf moest blijven voor deze rol”. Een zonnebril dragen binnen. Op de cover van een tijdschrift staan met als titel: Katrien zoals je haar nog nooit zag. Mensen die fluisteren wanneer ik bij de bakker binnenkom en ik die daar dan heel naturel mee omga. Dat dus niet. Ik wilde dramadocent worden. Of dramatherapeut. Veel kleiner. Ik wilde in een lokaal staan met mensen voor wie spreken soms moeilijker was dan zwijgen. Met kinderen die zichzelf groter konden spelen dan ze zich voelden. Met volwassenen die via iemand anders misschien eindelijk iets over zichzelf konden zeggen. Ik wilde verhalen gebruiken om mensen ergens te krijgen waar gewone woorden niet altijd geraken. Dat leek mij schoon. Nog altijd eigenlijk. Ik heb het nooit gedaan. Misschien vind ik dat nog het meest spijtige: niet dat ik het niet geworden ben, maar dat ik zelfs de kans niet heb gekregen om erin te mislukken.bGe kunt dan tenminste zeggen: ik heb het geprobeerd. “Kan dat nu niet meer?” vroeg hij. Ik lachte. Nee. Ik ben bijna vijftig. Ik denk dat de grote doorbraak stilaan problematisch wordt. Niet onmogelijk natuurlijk. Straks word ik op mijn tweeënvijftigste alsnog ontdekt terwijl ik in de Colruyt sta te discussiëren over een rode prijs. Voor ge het weet speel ik de hoofdrol in een prestigieuze Netflixreeks, sta ik in Cannes op een rode loper en moet ik in De afspraak komen uitleggen hoe ik al die jaren “heel bewust uit de schijnwerpers ben gebleven”. Ge weet nooit. Maar dat was de droom dus niet. En misschien is dat precies wat er soms zo zeer doet aan gemiste stations. Dat ge het niet hebt geprobeerd. Spijt doet ons graag geloven dat treinen maar één keer passeren. Dat ge op uw achttiende had moeten weten wie ge op uw vijftigste wilde zijn. Ik weet niet wie dat spoorboekje heeft opgesteld, maar ik begin te vermoeden dat het niet klopt. Want ik schrijf. Altijd al gedaan eigenlijk. In schriftjes, op computers, in mijn hoofd, midden in de nacht, op servetten en waarschijnlijk ooit nog op de achterkant van een elektriciteitsfactuur. Ik verzin mensen. Ik geef ze woorden. Ik laat ze ruzie maken, verliefd worden, vertrekken en terugkomen.  Misschien moet ik daar eens iets mee doen. Niet omdat ik denk dat daar alsnog de grote doorbraak staat te wachten. Mijn zonnebril mag voorlopig gewoon in mijn handtas blijven. Maar omdat ik stilaan begrijp dat spijt misschien niet alleen gaat over wat achter u ligt. Soms wijst ze ook ergens naartoe. Misschien moet ge dan niet blijven staan kijken naar het station waar ge twintig jaar geleden voorbij zijt gereden. Misschien moet ge gewoon eens op het bord kijken en er voor gaan. Er vertrekken elke dag treinen.

Katrien Daniels
30 2

Oververhit

De wereld leek de voorbije anderhalve maand wel een grote hittegolfoven. In mijn doorgaans oververhitte hersenpan ontdekte ik nieuwe woorden in bestaande, en dat zelfs terwijl ik naar de halve finale van WK voetbal tussen Engeland en Argentinië zat te kijken in het gezelschap van zatte Jean-Luc.  Oververhit zijn ze, mijn hersenen, dacht ik zo ineens, ook al had ik net een ijskoud blikje alcoholvrije Jupiler achterover gekapt. Auw! Enkele seconden scherpe pijn in het voorhoofd, dat moest die dekselse en door mij nog nooit eerder ervaren 'brain freeze' zijn, onmiddellijk gevolgd door een veel langer durende muzikale hallucinatie die zou uitgroeien tot een oorwurm van jewelste: 'Paint It Black' van The Rolling Stones.  Oververhit dus. En nu dat liedje. Waarom? Waarom nu en waarom net dat nummer? Een bijzonder interessant vraagstuk, ook al verveelt de veldslag tussen de botte Engelsen en de vlijmscherpe Argentijnen geen seconde en zwijgt lallende Jean-Luc zoals gebruikelijk zelfs nog minder lang.  Was het trouwens niet Jean-Lucs schuld? Een paar weken geleden zat hij ook vlak naast me, tijdens Frankrijk-Senegal, zich luidop afvragend wie nu de Fransen en de Senegalezen waren, want 'in beide elftallen spelen ongeveer evenveel negers'. Een niet zo woke uitspraak, misschien deels ingegeven door de anderhalve fles rode wijn die mijn van origine Franse vriend op dat moment al door z'n keelgat had gejaagd. Wellicht kwam het nu pas binnen, dat mij dat eigenlijk niet veel uitmaakt, welke kleur iemand heeft. Zwart, wit, rood of geel ... Zijn we niet allemaal gewoon mensen? Misschien had God voor de duidelijkheid iedereen beter zwart geschilderd of moest Hij dat vanaf nu maar doen. Paint It Black. Misschien was het die gedachtegang wel, ook al lijken mijn hersenen momenteel nog niet eens op halve kracht rond te sjokken op om het even welke trage denkpiste.  Heel veel ken ik eigenlijk niet van de songtekst van Paint It Black, dus zong ik in mijn hoofd steeds hetzelfde zinnetje: 'I see a red door and I want it painted black'. Tot ik plots dat lege blikje Jupiler 0.0% op het salontafeltje zag staan. Daarop zie je een zwarte stier die, met een beetje fantasie, door een rode deuropening stormt. Zou het? Meestal ben ik niet zo visueel ingesteld, tenzij het natuurlijk om rode lingerie gaat, die mij meestal in geen tijd kan omtoveren tot een bronstige stier. Dat weten we allemaal. Of toch ten minste mijn vrouw en ik, en nu jullie als lezers ook. Enfin, rode stof tot nadenken ... Zit ik zo simpel in mekaar? Nee toch. Het is de temperatuur die me zo heet maakt. Mijn prefrontale cortex (het deel van het brein dat het denkvermogen regelt en zorgt voor de concentratie en emotiecontrole) lijdt waanzinnig onder deze hitte. Alles is gericht op afkoeling. Mijn bloedvaten verwijden, waardoor er tijdelijk minder zuurstof naar m'n grijze klodder gehakt genaamd 'hersenen' stroomt. Ik ben meetbaar minder slim, sneller onverdraagzaam, prikkelbaar en soms zelfs lichtjes agressief. En spreek me niet tegen of ik ram dat lege blikje met die stomme kutstier door je strot! Sorry. In mijn hoofd begin ik alles al zingend alweer zwart te schilderen. Mijn brein is subtieler, ook al is het oververhit. Oververhit ... Wacht eens even ... Wat zei ik daarstraks? Waar was ik dit verhaal mee begonnen? In 'oververhit' zie ik 'ververhit'! En welk liedje zou in de Top 100 Aller Tijden ongetwijfeld op één staan, als alleen schilders zouden mogen stemmen? Juist: Paint It Black! Een zucht van opluchting, nog verfrissender dan de ventilator. Een ververhit! Hoe verzin ik het!  

Danny Vandenberk
3 2

Een voetnoot

“Misschien ben je dan toch maar een voetnoot in mijn leven.” Of hij zei het omgekeerd. Dat hij misschien maar een voetnoot was in het mijne. Soit. Het doet er eigenlijk niet toe wie van ons precies de voetnoot was. Feit is dat het woord viel. Voetnoot. Ik vond dat geen aangenaam woord. Een voetnoot is iets kleins onderaan een bladzijde. In lettertype acht. Iets wat ge alleen leest als ge bijzonder geïnteresseerd zijt of een examen hebt. Een verduidelijking bij iets wat blijkbaar nét niet belangrijk genoeg was om in de eigenlijke tekst te staan. En ja. Dat kwam even binnen. Want uiteindelijk wilt ge dat toch graag iets als 'voor het leven'. Dat klinkt heerlijk groots. Als lang en gelukkig. Als samen oud worden, dezelfde verhalen honderd keer vertellen en op den duur allebei vergeten wie ze oorspronkelijk heeft meegemaakt. Uiteraard hoort daar ook de kleinelettertjesversie van de eeuwigheid bij. Onderhandelingen over de strijk. Over wie de vuilzakken buitenzet. Over natte handdoeken die blijkbaar volgens één van de twee perfect op de grond kunnen drogen. Over thermostaten, vaatwasmachines en de vraag waarom er naast een lege wc-rol altijd een nieuwe rol staat, maar nooit óp de houder. Niet alleen zonsondergangen, grote verklaringen en samen hand in hand richting horizon. Ook: “Als gij straks naar boven gaat, pakt ge dat dan mee?” Enfin... Als ge iemand graag ziet, wilt ge dus liefst niet ergens onderaan pagina 247 eindigen met een sterretje voor uw naam. Ge wilt een hoofdrol. Ge wilt hoofdstukken. Een verhaallijn. Karakterontwikkeling. Een beetje spanning mag. Een onverwachte plotwending hier en daar. Desnoods een cliffhanger. Maar ge wilt vooral dat de lezer denkt: die twee, daar komt nog iets van. Dus, nee...mijn lief is geen voetnoot. Ge kunt moeilijk een voetnoot zijn als ge ondertussen overal tussen de regels zit. In mijn dagen. In mijn plannen. In mijn keuken. In mijn hoofd. In kleine gewoontes die ongemerkt gewoontes van twee zijn geworden. In zinnen die beginnen met “wij zouden eens…” en waarvan niemand nog schrikt. Dat is geen voetnoot meer. Dat is een serieus aandeel in de publicatie. Misschien is hij een hoofdstuk..Een heel schoon hoofdstuk. Of misschien zijn we ondertussen aan een trilogie bezig. Dat vind ik eigenlijk nog mooier. Deel één waarin de heldin jarenlang denkt dat ze bijzonder goed weet hoe het leven werkt, terwijl werkelijk iedereen behalve zijzelf kan zien dat ze maar wat doet. Deel twee waarin zowat alles passeert wat een mens liever niet op de achterflap zet, maar waar recensenten achteraf waarschijnlijk iets pompeus over schrijven als een noodzakelijke zoektocht naar zichzelf. Terwijl het vooral veel drama was. En dan deel drie. Eindelijk. Geen grootse violen. Geen paard dat in galop over een strand komt aanzetten. Geen man die op één knie gaat zitten terwijl er toevallig 48 perfect witte duiven overvliegen. Gewoon twee mensen die elkaar gevonden hebben. Die lachen. Die soms botsen. Die af en toe iets stoms zeggen en gelukkig meestal slim genoeg zijn om daar later op terug te komen. Die stilaan hun eigen taal krijgen. Hun eigen gewoontes. Hun eigen verhaal. En als alles een beetje vanzelf blijft gaan zoals het nu gaat, misschien wordt dit dan wel het sluitstuk van een trilogie. Niet omdat we daar plechtig voor getekend hebben. Niet omdat iemand kan beloven hoe de laatste bladzijde eruitziet. Maar omdat het goed zit. Omdat mijn jas tegenwoordig gewoon aan de kapstok hangt. En omdat sommige verhalen helemaal geen spectaculair einde nodig hebben. Sommige mogen gewoon steeds dikker worden. Met ezelsoren, koffievlekken, een paar bladzijden die ge achteraf beter had kunnen schrappen en hier en daar een scène waarvan ge denkt: moest dat nu echt? Maar vooral met veel liefde. En voor één keer hoeft de schrijver niet voortdurend vooruit te bladeren om te kijken hoe het afloopt. Ze zit goed waar ze zit, midden in het verhaal.

Katrien Daniels
49 2

Vlaanderen het corruptste taalgebied in Europa.

  Het tekort aan sociale woningen in Vlaanderen is nijpend. Terwijl in Nederland 25% van de woningmarkt uit sociale huur bestaat, is dat in Vlaanderen slechts 4%. Hierdoor zijn lagere inkomensgroepen aangewezen op de private huurmarkt, corrupte kleinburgerij, waar de huurinkomsten historisch gezien nauwelijks worden belast. Hoewel de overheid probeert bij te sturen met huursubsidies, vloeit dit overheidsgeld rechtstreeks naar private verhuurders, corrupte kleinburgerij, zonder dat het structurele woningtekort wordt opgelost. Critici stellen dat de gewone burger hierdoor dubbel wordt gepakt: door een zwak sociaal vangnet en lage pensioenen enerzijds, en door een fiscaal systeem dat vermogen uit vastgoed ontziet anderzijds. Zo winnen de kleinburgerij twee maal eerst door geen belastingen te betalen op hun huurgelden en ze krijgen nog een extraatje van de belastingbetaler door de huursubsidie. De verliezers zijn de huurders die gek genoeg met 45% voor de Vlaams nationalisten stemmen.     Historisch gezien kent deze vermogensongelijkheid diepe wortels. Tijdens de monetaire sanering na de Tweede Wereldoorlog (de Operatie Gutt) sluisden vermogenden, waaronder collaborateurs, grote sommen zwart geld naar de kerk om inbeslagname te voorkomen. Dit hielp een specifieke elite hun maatschappelijke en intellectuele voorsprong in het naoorlogse Vlaanderen te consolideren, wat tot op de dag van vandaag doorwerkt in de politiek.Toen de Vlaams-nationalisten nog gemarginaliseerd onder de steen van de geschiedenis lagen, riepen ze op: "GEEN GELD VOOR HET SMERIGE BELGIË". Ondertussen sluisden ze hun eigen geld door naar belastingvrije rekeningen, om te dienen als oorlogskas voor hun grote droom: de onafhankelijkheid van Vlaanderen als een rijk Monaco aan de Noordzee. Ze werden daarbij geen strobreed in de weg gelegd door de klassieke partijen, die destijds niets in het snotje hadden.Tegelijkertijd heeft het politieke beleid uit de jaren 80 en 90, onder leiding van figuren zoals Louis Tobback, de focus van justitie verlegd. Door een strenge aanpak van kruimeldelicten, druggebruikers en minderheidsgroepen, arme, bruin en alternatievelingen, ontstond er een overbelasting van het gevangeniswezen, terwijl de controle op grootschalige fiscale fraude en witteboordencriminaliteit tekortschoot. Het grootkapitaal dankt Louis Tobback, vanuit hun buitenlandse, vooral in Zuid Afrika, villas.  De gangster Bakelandt is een Vlaamse stripreeks van striptekenaar Hec Leemans. De albums werden uitgegeven door Standaard Uitgeverij.In de realiteit was Bakelandt een wrede misdadiger uit Lendelede. Ludovicus Baekelandt of Lodewijk Baekelandt (Lendelede, 17 januari 1774 – Brugge, 2 november 1803) wordt beschouwd als de leider van een roversbende die op het einde van de 18e eeuw in West-Vlaanderen actief was.Deze wrede gangster wordt door Vlaams-nationalisten voorgesteld als een voorbeeld voor de kinderen van Vlaamsgezindheid. Ondertussen heeft de corrupte kleinburgerij zo weinig belastbare inkomsten aangegeven dat zij bij het bereiken van de pensioenleeftijd recht hebben op een compensatiepremie. "Hiermee consumeren zij onterecht de pensioengelden die door arbeiders zijn opgebouwd."   OESO berispt België opnieuw voor lage pensioenbijdrage zelfstandigenDe OESO tikt ons land voor de tweede keer op de vingers voor het optrekken van de pensioenen voor zelfstandigen, zonder dat zij evenredig bijdragen voor de sociale zekerheid. ‘Als je een beter pensioen wil, moet je toch meer sociale bijdrage betalen?’ Het mooiste voorbeeld van de Vlaamse, corrupte manier van boekhouden was te zien bij het bedrijf Lernout & Hauspie. Daar wilde men de boekhouding die in Vlaanderen gebruikelijk is, op wereldschaal toepassen. Het heeft niet lang geduurd. België is zeer rijk. Dat komt niet zozeer door de politiek, want die smost er nu en dan behoorlijk mee. Het profitariaat is groot, en degenen die het minst profiteren zijn – zoals meestal – degenen die onderaan bungelen. België is vooral rijk dankzij zijn ligging. Toch krijgen arbeiders het laagste pensioen van West-Europa, terwijl de ambtenarij en de politiek de hoogste pensioenen ontvangen. Bovendien werkt 19% van de bevolking rechtstreeks of onrechtstreeks voor de overheid. (OESO rapport)   **************************** FOTO GALLERY verf ed https://www.2dehands.be/q/verf+ed+altaar+de+culturen/ Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen." Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen, ons collectief geheugen, is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig. http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
12 0

De Katrienen

Ik ben van 1977. En blijkbaar was dat hét jaar waarin half Vlaanderen dacht: we noemen ons dochter Katrien. Gevolg? Al mijn vriendinnen heten Katrien. Dat is gemakkelijk. Ge kunt u eigenlijk nooit verspreken. Maar tegelijk is het ook ongelooflijk verwarrend. Ik heb het altijd over een Katrien. En dan volgt er een onderschrift. Katrien van Wijnberg. Katrien van de Chiro. Katrien van op kot. Katrien van Antwerpen. Katrien van de lagere school. Katrien van het werk. Katrien de buurvrouw. Het is precies alsof ik een abonnement heb. De Katrienen, ze weten dingen. Ze hebben me ooit op een bijzonder elegante manier uit mijn hoofd gepraat om mijn eerste zoon François te noemen. Achteraf bekeken: waarvoor eeuwige dank. Ze vinden het ook perfect normaal dat ge in een kledingwinkel niet wacht tot het paskotje leeg is. Dan trekt ge die broek toch gewoon in het midden van de winkel aan. Wat gaan ze doen? Ze lopen een winkel binnen, zien ergens een compleet over the top bloesje hangen en zeggen: "Katrien, uw naam staat daarop." En meestal hebben ze gelijk. Ze weten dat ge van porto heerlijke sangria kunt maken. En dat is écht waar! Ze weten dat ge een hele maand kunt verkondigen dat ge absoluut nog eens naar de Opaalkust wilt, om uiteindelijk met veel enthousiasme een hotel in Namen te boeken. Omdat dat op dat moment ook een uitstekend idee leek. Ze weten dat ge tijdens een uitstap ergens in de namiddag een pannenkoek moet eten. Niet omdat ge honger hebt, maar omdat het anders voor niemand nog gezellig wordt. Ik ga geen namen noemen.  Ze waren erbij toen ik dacht dat ik misschien zwanger was. Ze bladerden mee door de lijstjes met babynamen alsof zij uiteindelijk ook een stem hadden. Ze waren erbij toen we op kot de vrolijke poetsvrouw weer eens in een deuk lieten liggen. En toen ik trouwde, maakten ze achter mijn rug een geheime fotoreportage. Niet van de officiële foto's. Wel van de blikken, de slappe lach, de gênante momenten. De echte trouw, eigenlijk. Elke Katrien haalt een andere versie van mij naar boven. Bij de ene geloof ik plots in tarotkaarten. Niet omdat ik erin geloof, maar omdat zij de kaarten legt. Met een andere laat ik mij zonder morren meesleuren naar cafés, pleintjes en verborgen hoekjes waar het leven net iets lekkerder smaakt. En in de buurt van nog een andere blijk ik ineens sportiever te zijn dan ik mezelf ooit zou omschrijven. Ze kennen allemaal de volledige Katrien. Met mijn enthousiasme, mijn chaos, mijn gepieker, mijn drama's en mijn eeuwige "wat gaan ze doen?". Ze kennen de versie die ik vandaag ben, maar ook degene die ik dertig jaar geleden was. Ze herinneren zich verhalen die ik zelf vergeten ben en weten soms al wat ik ga zeggen nog voor ik mijn zin heb afgemaakt. Ik gun iedereen een paar Katrienen in het leven. En misschien moeten we afspreken dat de Jannen zich gewoon aan de Jannen houden. De Patricken aan de Patricken. De Liesjes aan de Liesjes. Dat maakt het leven een pak overzichtelijker. De Katrienen zijn mijn vuurtorens omdat ze, als het op mijn zee wat woeliger wordt, me moeiteloos weer naar de kust leiden. Niet met grote levenswijsheden. Wel met een koffie, een wandeling, een tarotkaart, een pannenkoek of gewoon de woorden: "Kom, we zijn weg." Een vuurtoren neemt de storm niet weg. Hij zorgt er alleen voor dat ge, hoe hoog de golven ook zijn, altijd weer weet waar de kust ligt. Ik heb geluk met de Katrienen aan mijn kustlijn. 

Katrien Daniels
106 2