Zoeken

GSM

Het was coronatijd. 'Blijf in je kot'-tijd. Dus dat deed ik. Maar op regendagen maakte ik er net zo lief 'blijf in je bed'-tijd van.    Filmpje streamen via gsm op tv? Geen probleem. Foto's uit de galerij casten? Piece of cake. Maar na de zoveelste film of serie begon het plafond op me af te komen. De verveling sloeg onbarmhartig toe. Wat doe je in hemelsnaam in zo'n tijden? Ik lag in bed, met die verveling als enige bedgenote. En aangezien zij niet tot mijn officiële bubbel behoorde, gold de onverbiddelijke regel: blijf aan jouw kant!   "Hou je van Scrabble?" kwam plots in een bericht. Tja, eigenlijk wel. "Download dan Wordfeud. Kies een nickname."   Zo gezegd, zo gedaan. Het zoeken naar "user Ellen1234" had wat meer voeten in de aarde maar uiteindelijk vond ik haar. Toch knaagde de twijfel: hoe wist ik zeker dat zij het was?  "Stuur mij een foto op WhatsApp," typte ik. Hopla. Daar was ze. Geen twijfel mogelijk. Ik herkende haar meteen aan die ene, charmant ontbrekende tand. Let's play.   Ik verloor kansloos. Zij was level 4, ik pas level 1. Nog een spel? Maar deze keer wilde ik de inzet verhogen. "We spelen voor een prijs," stelde ik voor. "Je laat me een borst zien als ik win." De stilte die volgde was hoorbaar. "Oh, sorry," reageerde ze even later. "Mijn broer belt mij, tot straks."   Hopla. Daar lag ik dan weer. Een halve dag. De hele dag. De hele avond. De lange, stille nacht.    Maar ik zat niet stil. Ik oefende stiekem tegen de computer, met twee gsm's tegelijk om het systeem te kraken. De volgende ochtend hield ik het niet meer van de spanning.    "Nog een spelletje? Ik lig nog in bed,"" stuurde ik.    Pas na een klein half uurtje klonk er een verlossende ting.    "Ben net wakker. Had wat ingenomen, kon de slaap niet vatten. Goed, één spelletje voor mijn ontbijt."   Ik zette alles op alles. Mijn stiekeme oefensessies wierpen hun vruchten af: ik won. Mijn vingers vlogen over het scherm. "Waar blijft mijn prijs?" Het bleef ijzig stil .   Ik gaf het op, stond op en maakte mijn eigen ontbijt. Ik ruimde wat en praatte over het terras heen met de buurvrouw om de tijd te doden. En toen, plots: ting.    Mijn prijs verscheen op het scherm. Ademloos keek ik ernaar. "Even kijken, dan deleten, hè?" had ze erbij gezet. Ik keek maar ik delete niet.  Nee, dat deed ik niet.   De adrenaline gierde door mijn lijf. "Nog een spelletje?" vroeg ik meteen. "Vandaag niet," antwoordde ze en de speelse sfeer sloeg in één klap om. "Ik moet naar het ziekenhuis. Mammografie. En daarna bij mijn broer in Hamme." De realiteit sneed plotseling rauw door onze digitale bubble.  "Morgen?" vroeg ik voorzichtig "Ja." typte ze. Dan win jij wist ik.   De volgende ochtend bleef het lang stil. De Wordfeud-app gaf geen teken. Ik scrolde door mijn letters, legde een paar proefwoorden neer op het digitale bord, maar drukte niet op 'speel'.    Het voelde ongepast om haar op te jagen. De onbezorgde spanning van de dagen ervoor was even bevroren Rond de middag trilde de telefoon eindelijk. Geen Wordfeud-melding, maar een bericht.    "Terug thuis. Alles oké. Geen kalkspatjes of rare knobbels te zien."   Ik voelde de spanning uit mijn eigen schouders wegvloeien. Pas nu merkte ik hoe krampachtig ik die telefoon had vastgehouden. Ik typte meteen terug.   "Gelukkig maar. Ongelooflijk blij voor jou."   Een paar minuten later verscheen de vertrouwde melding op mijn scherm: Ellen1234 heeft een woord gelegd. Ze had 'VRIJ' neergelegd. Een driedubbele woordwaarde. Ze stond meteen weer mijlenver voor.   Onderaan het scherm, in de chatfunctie, verscheen een nieuw berichtje: "Zie je wel, vandaag win ik. Dus wat staat er in die virtuele prijzenkast van jou?"   Ik keek naar mijn letters, en toen naar haar chatbericht. De speelse, ondeugende sfeer van de dagen ervoor was weer helemaal terug, maar er zat nu een gouden randje aan.    

Hugoleo
9 0

Septembermensen

Stel u voor: Freddie Mercury, Agatha Christie, Sophia Loren, Leonard Cohen, Roald Dahl, Karl Lagerfeld, Tolstoj en ik zitten samen aan tafel. Freddie zorgt voor ambiance. Agatha onthoudt wie er van welk glas gedronken heeft. Sophia hoeft alleen maar te zitten. Leonard filosofeert over schoonheid. Karl zet zijn zonnebril op en Tolstoj is nog bezig aan zijn antwoord op de vraag hoe het gaat. Ik zit naast Roald Dahl. Dat heb ik zo geregeld. Het is mijn column en hij is mijn idool. Ik hoor u al mompelen: waarom dat zootje bij elkaar? Dat is duidelijk: het zijn septembermensen. Allemaal. Wat zijn septembermensen en wat drijft hen? Tijd voor een grondig, geheel onafhankelijk onderzoek. Onder leiding van mezelf. Ik ben er zeker van dat gij er ook minstens één kent: Ge ging maar een halfuur blijven. Twee uur later zit ge er nog, weet die mens iets wat ge eigenlijk niet ging vertellen en ligt er thuis iets in de diepvries dat al lang in de oven had gemoeten. Uw jas hebt ge ondertussen uitgedaan. Zo iemand. Volgens mij hebben die mensen iets meegekregen van hun maand. September is de maand waarin zomer en herfst elkaar de hand geven en dan nog even blijven staan praten. Ze hebben geen haast. De ene heeft nog van alles te vertellen, de andere moet zijn jas nog niet uitdoen. Er wordt nog gezwommen, maar het bos wordt alweer herontdekt. Aan de achterdeur staan slippers naast bergschoenen. Ge vertrekt met blote benen en een pull over uw arm, die ge overdag overal laat liggen en ’s avonds dankbaar over uw hoofd trekt.  Het licht wordt zachter. Het strijkt langs gevels, blijft hangen in kruinen en valt schuin over een tafel waaraan ge eigenlijk allang had moeten opruimen. Zelfs de kruimels liggen daar schoon. De zon moet niet meer bewijzen dat ze de hele wereld kan platleggen. Ze verwarmt uw knieën, uw gezicht, dat stukje nek boven uw kraag.  En dan die geur. Die rijpe, zwoele geur van september, alsof de wereld zelf op zijn zondags is. Gewassen, maar nog warm van het slapen. Ergens hangt was buiten, ergens staat een raam open waaruit de geur van gestoofde appels komt. Onder de bomen ligt fruit in het gras. Sommige appels zijn opengebarsten, wespen zitten met hun hele lijf in het zoet. Ge ruikt aarde, vochtige bladeren, warm gras en iets dat bijna te rijp is. Een geur waar ge trager van gaat lopen, zonder goed te weten waarom. De natuur is hoogzwanger. Alles hangt, zwelt en weegt. Takken buigen onder hun appels, pompoenen liggen breeduit in de moestuin alsof ze daar betaald worden per ingenomen vierkante meter. Ge kunt nauwelijks ergens op bezoek gaan of er moet iets mee naar huis. Courgettes, peren, een zak appels. "Neemt nog wat. Echt, wij krijgen dat niet op." In keukens staat confituur te pruttelen en op aanrechten wachten potten waarvan de etiketten niet helemaal zijn losgekomen. Daar gaat straks de zomer in. Ondertussen geeft september orde. Na twee maanden waarin ‘we zien wel’ een volwaardige dagindeling was, kopen we een schrift. Een agenda. Een balpen die schoon schrijft. We gaan weer koken, op tijd slapen en mails beantwoorden voordat de afzender vraagt of we zijn vorige mail goed ontvangen hebben. Buiten barst alles uit zijn voegen, binnen steken wij papieren in mapjes. Dat vind ik schoon aan september: dat ge nog gulzig aan het leven kunt zitten en tegelijk denkt dat ge het dit jaar misschien eens georganiseerd krijgt. Misschien zit het daarin, bij die septembermensen. Dat ze weten hoe fijn het is als er nog iets bij kan. Nog een uur buiten. Nog iemand aan tafel. Nog een verhaal terwijl de koffie eigenlijk al op is. Ze schuiven wel wat op. Er is genoeg. Dat ik zelf op zestien september geboren ben, maakt mij uiteraard bijzonder geschikt om dat allemaal vast te stellen. Ik zeg ook nergens dat ik al die kwaliteiten voortdurend ter beschikking heb. Er zijn openingsuren. Bovendien heb ik mijn onderzoek uitgebreid naar mensen van wie ik wél weet of ze na het feest de stoelen helpen stapelen. Mijn lievelingschiroleiders: in elke generatie is er zeker één. September. Van die mensen aan wie ge een bende kinderen toevertrouwt en denkt: dat komt goed. Er gaat misschien een schoen verloren, maar iedereen zal mee zijn. Mijn favoriete vriendin? September. Mijn lievelingsverkoopster van jeansbroeken? Ook september. Onderschat dat laatste niet. Iemand aan wie ge uw achterwerk onder tl-licht toevertrouwt, staat behoorlijk hoog in de hiërarchie van de liefde. Mijn schrijfjuf? Ja hoor. Zij ook.  Dat ik uitsluitend mensen heb geselecteerd die ik graag zie, lijkt me geen bezwaar. Ge moet ergens beginnen. In Touché hoorde ik Guido Belcanto zeggen: ‘De twee belangrijkste dagen in je leven zijn de dag dat je geboren wordt en de dag dat je te weten komt waarom.’ Misschien weten andere mensen dat tweede soms eerder dan gijzelf. Die Chiroleider is allang vergeten wat hij voor dat ene kind gedaan heeft. Dat kind weet het nog. Mijn vriendin neemt haar telefoon op. Voor haar is dat gewoon haar telefoon opnemen. Voor mij kan het precies zijn wat die dag nog nodig had. Ik zie die septembermensen zo graag. Ge komt thuis en iets zit wat losser. Ge hebt uzelf horen lachen. Op het aanrecht zet ge een pot confituur die ge bij het vertrekken in uw handen geduwd kreeg. Er zijn ongetwijfeld ook fantastische mensen uit andere maanden. Die mogen mij altijd overtuigen. Ik wil daar gerust eens een halfuurtje voor langskomen.

Katrien Daniels
46 5

Slecht in overgangen

Hij zegt dat ik slecht ben in overgangen. Overgangen? Ja, blijkbaar kan ik dat niet. Ik had dat nog nooit zo gezien. Er had mij ook nog nooit iemand dat gezegd. Ik wist zelfs niet dat het iets was waarin ge slecht kon zijn. Hoofdrekenen: ja. Achteruit inparkeren: absoluut. Een hoeslaken opvouwen: dat ook. Maar ... Overgangen, dat wist ik niet.  Ik ben slecht in de overgang van wakker worden naar opstaan. Van ontbijten naar kleren aandoen. Van aangekleed zijn naar vertrekken. Vooral die laatste blijkt een dingetje. Ik kan volledig klaarstaan, schoenen aan, handtas gepakt, jas binnen handbereik, en dan zie ik de vaatwasmachine. Nu kunt ge natuurlijk vertrekken en die vaatwasmachine daar gewoon laten staan. Kan. Maar ge kunt hem ook uitladen. Of ik bedenk dat ik vandaag eigenlijk beter voor de dag zou komen met dat nieuwe geurtje waarop ik mezelf zaterdag getrakteerd heb. Waar staat dat eigenlijk? Boven. En als ik toch boven ben, kan ik evengoed andere oorbellen aandoen. Die met dat groen passen eigenlijk beter. Onderweg zie ik dat mijn bed nog openligt. Dat is nu ook geen zicht. En als ik dan toch bezig ben, kan dat kussen ook eens goed liggen. “We moeten vertrekken.” Ja. Dat weet ik. Ik ben bezig. Traagheid, noemt hij het. Ik vind dat een zwaar woord. Ik word wakker maar vind dat nog geen reden om meteen op te staan. Eerst moet ik even bekomen van het feit dat er alweer een dag begonnen is zonder dat iemand mij daarin heeft gekend. Na het ontbijt hetzelfde. Koffie op, bord leeg. In principe is het volgende agendapunt: aankleden. In principe. Er staat ook nog een stoel. En koffie. En niemand is ooit gestorven omdat hij om 8.17 uur nog geen broek aanhad. Denk ik. “We moeten vertrekken.” Voor hem is dat een mededeling. Voor mij de start van een proces. Het vreemde is dat niemand mij traag vindt. Integendeel. De meeste mensen kennen mij als een Duracellkonijn met een lichte afwijking. Ik werk snel, praat snel, denk snel. Ik kan op één dag werken, schrijven, koken, boodschappen doen, een film bekijken, drie mensen bellen, een crisis oplossen die er een uur eerder nog niet was en tussendoor beslissen dat de living anders moet. En uitvoeren. Dat laatste is belangrijk. Maar ergens tussen al die bedrijven door zit een vrouw in een badjas die nog niet van plan is haar sokken aan te doen. Ik mag haar wel. En sinds hij het gezegd heeft, zie ik ineens dat het niet alleen over sokken gaat. Verdomme. Ik ben altijd al slecht geweest in overgangen. Ik vond het bijvoorbeeld behoorlijk ingewikkeld om ineens een werkende mens te zijn. Het ene moment zijt ge iemand die op woensdagavond pinten drinkt en donderdagvoormiddag twee Dafalgans als ontbijt beschouwt, het volgende hebt ge een agenda, een loonbrief en iemand die vraagt of ge dat verslag tegen vrijdag kunt bezorgen. "Tegen vrijdag? Oké, dan". Moeder worden was nog zoiets. Het ene moment zijt ge zelf nog een beetje aan het puberen, het volgende geven ze u een kind mee naar huis. Gewoon mee. Hier. Van u. En vanaf dan zijt gij dus de verantwoordelijke. Ik vond dat een bijzonder gewaagde beslissing. Plots krijgt ge een kind mee naar huis. Succes ermee. Ik heb lang gedacht dat er op een dag een soort definitieve volwassenheid zou intreden. Dat ik wakker zou worden en spontaan zou weten wanneer een brandverzekering betaald moet worden, hoeveel groenten een mens nodig heeft en waarom ge in godsnaam de meterstand van uw water moet doorgeven. Die dag is nooit gekomen. Er kwamen wel kinderen, werk, rekeningen, huizen, verantwoordelijkheden en mensen die mij dingen kwamen vragen alsof ik daar verstand van had. Dus deed ik mee. Vrij overtuigend zelfs. Dat is misschien volwassen worden: lang genoeg doen alsof tot niemand nog vragen stelt. Met mensen heb ik het ook. Daar ben ik misschien nog slechter in overgangen. Ik kan niet zo goed uit een verhaal stappen terwijl het in mijn hoofd nog bezig is. Als iets voorbij is, is het voor mij niet noodzakelijk voorbij. Onpraktisch. Mijn hoofd kent geen aftiteling. Dat blijft nog wat napraten, scènes opnieuw spelen, zinnen herschrijven. Denken aan wat grappig was, wat schoon was, wat anders had gekund, wat ik nog had moeten zeggen. Vooral dat laatste. Drie dagen later heb ik soms een fantastisch antwoord. Daar hebt ge dus niks aan. Ik blijf nog even in het verhaal terwijl de andere personages hun jas al aan hebben. Sommige mensen kunnen een deur dichtdoen. Ik blijf nog even in de gang staan. Niet omdat ik terug naar binnen wil, gewoon omdat ik nog niet helemaal buiten ben. Sinds hij mijn overgangen ontdekt heeft, is hij eigenlijk medeplichtig. Had hij er niks van gezegd, dan was ik gewoon blijven denken dat ik ’s morgens graag koffie drink en soms dringend mijn vaatwasmachine moet uitladen op het moment dat we al vijf minuten weg hadden moeten zijn. Maar nee. Hij moest er een naam aan geven. Overgangen. En nu ik weet dat ik ze heb, koester ik ze. Nog één koffie. Nog twee minuten in bed. Nog even in de auto blijven zitten als ik ergens aankom. Een liedje uitluisteren, ook al staat de motor al af. Een gesprek nog eens door mijn hoofd laten gaan. Nog even blijven waar ik eigenlijk al weg ben. Kleine gestolen stukjes tijd waarin het ene nog niet helemaal voorbij hoeft te zijn en het volgende nog niet begonnen. Mijn tussenverdieping. Ik woon daar blijkbaar. Er staat een stoel. En koffie. De dag is alweer begonnen, misschien moet ik daar maar eens werk van maken. Maar niet nu. Ik moet nog even. Wacht.

Katrien Daniels
69 0

Vliegensvlug

Het leven zit vol plottwists. Een plot is dan een verhaal of een intrige en een twist een omslag, een verandering. Plottwists maken een verhaal memorabel, of een boek verrassend. In het leven lopen meerdere plots kriskras door elkaar heen. Plots die plots kunnen veranderen. Zomaar ineens. Onverwachte wendingen noemen we dat. Klinkt als een contradictio in terminis, want hoe kan je wennen aan dingen die onverwachts gebeuren? Toch is dat de essentie van het leven. Alles verandert. Als ik vroeger iets nodig had van de winkel, sprong ik op mijn fiets en ging het halen. Vervlogen tijden. Mijn kinderen doen dat al lang niet meer. Ze surfen, vinden wat ze zoeken en laten het aan huis brengen. Gelukkig fungeer ik nog als administratieve tussenschakel, al vermoed ik dat mijn bankkaart daar een grote rol in speelt. Als tegenreactie op al dat online shoppen ontstond er hier een paar jaar geleden een nieuwe trend, vooral onder de vrouwelijke pubers. In plaats van vanuit de luie zetel sites te bezoeken, swipend en scrollend speurend naar de juiste productjes voor de laagste prijs, gaan ze, in real life, zoals dat heet, op zoek naar écht avontuur en naar de kick van het realiseren van impulsaankopen. Die toevalstreffers willen ze vooral scoren in winkels met een groot assortiment aan spotgoedkope hebbedingetjes.  Naast betaalkaartenlegger heb ik nu dus ook een flexi-job als chauffeur, want die winkels liggen toch o zo ver en je weet maar nooit wat voor groot of zwaar materiaal je er koopt voor een appel en een ei. Terwijl zij, mijn dochters dus, de adrenaline laten vloeien, kan het mij geen hol boeien. Ze doen maar. Soms blijf ik gewoon in de auto zitten en wacht ik. Soms ga ik mee, al betrap ik er mezelf op dat ik meer naar de mensen kijk dan naar al die grote en kleine bakken vol rommel. En toen gebeurde het. Zomaar opeens. Het overkwam me. Hoewel ik altijd had gedacht dat ik er immuun voor was, dat ik er mij niet aan zou laten vangen. Er ontstond een behoefte. Niet terwijl ik een jong, zwartharig en schaars gekleed mokkel zat af te gapen, zoals je zou verwachten, maar gewoon, tijdens het ... Ja, hoe heet dat? Het snuisteren.  Ja, ik snuisterde. En ineens zag ik 'm liggen. Voor drie euro. Ik zag en ik kocht. Bijna zonder na te denken gaf ik toe aan een behoefte die ik vijf seconden eerder in de verste verte niet had.  En nu zit ik hier. Met een oranje vliegenmepper in m'n poten. Nog steeds geen spijt van. Hij ziet eruit als een degen, een soort sabel, met een goed in de hand liggende greep met zo'n gebogen stangetje. En de steel zelf kan je uitrekken. Net zoals de antenne op m'n oude radiootje. Verrekte handig om die klotekrengen vanop afstand onverwachts neer te sabelen. Niet zomaar een vliegenmepper dus. Een wapen. Nee, ik heb het niet op vliegen. Ik vind ze vies, en vervelend. Al lang voor ik de film 'The Fly' had gezien. Wie zit er graag op een stinkende drol? Een vlieg. Wie kakt er zelf stiekem op je eten als ze de kans krijgt? Een vlieg. Wie komt er op de rand van je bierglas zitten en laat zich welwillend in het schuim vallen? Een vlieg. Wie komt er tien opeenvolgende keren net boven je enkel zitten, net op dat stukje bloot vel tussen je lange broek en je sokken? Juist.  Ze maken me gek! Huisvliegen, fruitvliegen, groene vliegen, aasvliegen, bromvliegen, vleesvliegen ... Doe me een lol! Ik haat ze, die stomme beesten.  Waarom noemen we een vlieg een vlieg? Omdat ze niks anders kan dan vliegen! Daarom! En kakken. En irritant zijn. Jaja, ik hoor je al denken: van die drie dingen kan je er zelf maar twee, dus wie is er dan stom?  Vliegen dus niet. Ze hebben gewoon een heel klein brein. 'Gebruik toch eens je verstand,' moet je tegen een vlieg niet zeggen. Ze doen het ten volle om bliksemsnel weg te vliegen van naderend onheil en om 'vliegensvlug' van koers te wijzigen als dat nodig is. Ze onderscheiden wel 300 beelden per seconde, dat is meer dan tien keer zoveel als de doorsnee mens en ook veel meer dan ik toen ik in mijn jonge jaren op een zomerse zaterdag de Playboycollectie van mijn neef ontdekte. Het probleem is dat ik geen vlieg kwaad doe. Maak daar 'deed' van, want sinds ik mijn oranje sabel heb, ben ik een meedogenloze seriemoordenaar geworden. Ik zoek ze, ik ruik hun angst en ik vermorzel ze. Liefst van al na het uitrekken van m'n steel. Trots ben ik er niet op, maar soms mep ik niet eens met volle kracht, zodat ik na de slag hun pootjes nog even zie bewegen en stuiptrekken vlak voor ik ze met een tissue helemaal plat knijp.  Wat een plottwist. De ietwat saaie huisvader die via het spontane shopgedrag van z'n kinderen en de marketingstrategie van een discountwinkelketen transformeert tot een bloeddorstig monster dat geniet van het lijden van z'n slachtoffers. Niet zomaar een vliegenmepper dus.

Danny Vandenberk
2 0