Zoeken

De papieren man

Ik moest nog snel wat schoolmateriaal gaan kopen, zodat mijn zoon na de les Plastische Opvoeding met een tekening kon thuiskomen in plaats van een aantekening. Het ging om tekenpapier en een kaft. Mijn vrouw had me de details doorgestuurd in een berichtje en ook waar ik deze spullen zou vinden: in de Schleiper, een winkel in de Joodse wijk. Ik was nog nooit in deze winkel geweest, maar toen ik zag waar de gps me liet stoppen, besefte ik dat ik er natuurlijk al talloze keren voorbij was gereden. Ik zette mijn fiets tegen de gevel en maakte hem met een dik slot vast aan de tralie van een kelderraam, dat op een kier stond. Even bleef ik staan. Er steeg een rotte lucht op, oud stof en zure melk. De wind speelde met de vuilwitte resten van wat ooit gordijnen waren. Ik keek nieuwsgierig en met weerzin naar binnen, maar ik kon in de duisternis daarbinnen niets herkennen waar mijn reeds op hol geslagen fantasie een kluif aan had. De ingang was aan de achterkant. Met mijn telefoon in de hand wilde ik iemand aanspreken zodat ik snel kon vinden wat ik zocht: een blok tekenpapier van het merk Steinbach, 270 x 360 mm, gewicht: 250 gram, en een tekenkaft van 28 x 38 cm. Er stond een oude dame aan de kassa die kennelijk hardhorig was en vermoedelijk om die reden haar vriendin had meegenomen. De jongeman achter de kassa stelde een vraag over hun aankoop, maar beide dames reageerden niet. Hij herhaalde wat hij zei, luider, waarop de vriendin nu wel iets had opgepikt, maar opnieuw vroeg wat hij had gezegd. ‘WILT U EEN TASJE MISSCHIEN?’ riep de jongen uit volle borst, toch nog zijn gezicht in de plooi houdend om beleefd te blijven. Daarna herhaalde het tafereel zich tussen de hardhorige dame en haar nog harderhorige vriendin. Een andere medewerker kwam me verlossen en vroeg wat ze voor me kon betekenen. Ik toonde haar wat ik zocht en ze sprak op omineuze wijze: ‘U zal zich hiervoor naar de kelder moeten begeven’. De kelder? Waar dat vieze gordijntje hing? Ik liep in de richting die ze had aangewezen. ‘U zult op het einde van de gang een trap naar beneden zien, achter de hoek.’ Ik rekende erop binnen tien minuten weer buiten te zijn, maar ik vertraagde onderweg naar de trap mijn pas bij het zien van al dat knutsel- en tekengerief. Links en rechts van mij smeekten kalligrafiepennen, scratch art en Japanse aquarelverf om door mij gekocht te worden. Opeens wilde ik een atelier bezitten en de hele dag schilderen en tekenen. Toen ik eindelijk bij de hoek was, zag ik de trap. Per trede die ik afdaalde, klonken de geluiden van de winkel steeds gedempter en werd de geur van onbeschreven papier steeds sterker. Ik kwam in een grote ruimte die ingedeeld was in verschillende gangen. Ik moest om een of andere reden aan een kleine universiteitsbibliotheek denken. Aan de overkant zat een man, verscholen achter een opvallend laag bureau. Hij boog zich wat voorover om me te kunnen zien, maar werd gehinderd door de kasten tussen ons in. Toen ik naderbij kwam, keek hij me aan. Eindelijk is er iemand, moet hij gedacht hebben. ‘Het is hier wel heel rustig hé’, sprak ik onbevangen, tezelfdertijd bedenkend dat ik in zijn situatie altijd muziek zou opzetten. ‘Ja, meestal is het hier wel kalmer dan boven‘. Hij sprak dat laatste woord uit alsof er twee dimensies bestonden. Hij vroeg wat ik nodig had en ik toonde hem mijn screenshot. Hij wreef verlekkerd in zijn handen: hij wist waar alles stond. Ondertussen zocht ik naar dat griezelige raampje maar kon het niet vinden. Toen hij me heel gezwind de kaft en het papier had overhandigd, bedankte ik hem en vond het een beetje sneu dat ik hem nu niets meer kon vragen. Het gebrek aan een radio maakte de stilte tussen ons niet draaglijker. ‘Soms is het hier heel druk hoor!’ zei hij. Ik knikte gretig en maakte aanstalten om te vertrekken. Hij zei: ‘Misschien tot nog eens hé’. Ik wist niet goed of ik hem een hand moest geven.

Lennart Vanstaen
0 0

Serendipiteit in de kelder

Ik heb het altijd al gehad: wanneer er gewerkt wordt in mijn directe omgeving, word ook ik door die werkmicrobe gebeten. Daarom schrijf ik graag in volle cafés en koffiebars, waar mensen aan hun laptop zitten of een interessante conversatie hebben over wilde plannen. Toen ik gisteren dus met volle overgave en zonder pauze de kelder was aan het opruimen, had ik dat voornamelijk te danken aan het feit dat heden mijn dak wordt gerenoveerd. En ook wel een beetje omdat de kinderen naar Disneyland zijn met de grootouders. Ik wilde net schrijven 'Ken je dat? Je had tien jaar geleden een plan met een kamer en een hoop spullen maar er is nog steeds niets aan veranderd', maar ik dacht, wat als mijn lezers dat niet kennen? Dan ontmasker ik mezelf als schaamteloze huiseigenaar die al tien jaar niets aan zijn kelder heeft gedaan. En dat zou ook niet waar zijn. Het punt is dat ik al snel merkte dat ik rommel van de ene plek naar de andere bracht. Dat is niet opruimen, dat is rommel verplaatsen. Wanneer ik verzamelingen oude rugzakken, reisspullen, tekeningen, cd’s en hopen schoolmateriaal van de slaapkamers in de bureau had gezet, gaf me dat een euforisch gevoel. Eindelijk! Een jaar later zag ik de staat van de bureau en werd er depressief van. Dus maakte ik de omgekeerde beweging. Zo verplaatsen spullen zich telkens. Van slaapkamers naar bureau, van woonkamer naar keuken of berging en weer terug. Een verdieping lager gebeurt hetzelfde: van het keldergedeelte naar de garage, of van de garage naar het tuinkot en dan een tijd later weer naar de kelder. En het was daar dat ik gisteren was aan het zweten. Goedgeluimd en gesteund door de opzwepende ritmes van Halcyon Digest van Deerhunter, had ik al behoorlijk wat werk verzet. Bouwafval zoals stenen en halve buizen had ik vooraan gezet om de volgende dag naar het containerpark te brengen. Voor tuinmateriaal zoals tuingaas, allerlei plantenpotjes en spades voorzag ik een aparte plek. Maar het leukste aan opruimen, zeker na een lange tijd, is dat je dingen terugvindt. Zo vond ik naast tientallen spinnen ook een plat bordeaux schaaltje dat uitstekend kon dienen als asbak voor mijn rokende vrienden die ik vaak een geïmproviseerd exemplaar moet geven. Ik vond ook enkele cd’s van een handboek Nederlands voor anderstaligen uit 2019 en honderden geplastificeerde didactische kaarten met overdreven emoties (bang, moe, triest), de delen van een Vlaamse woning met verdacht veel kamers (de berging, het balkon, de tuin, de garage, het terras, de kelder, de zolder, de woonkamer, de eetkamer…) en de ongelooflijke variëteit aan activiteiten van de Belg (opa leest een krant, moeder strijkt de was, Jan speelt voetbal). Toen ik de barbecue aan het afstoffen was – ik was ook helemaal vergeten dat ik er een had want we barbecueën nooit – vond ik een verkleurd papier onder het deksel. ‘Bedankt voor je bestelling, Gilbert Vanstaen, we gaan meteen voor jou aan de slag!’ Is het toeval dat ik dit vond net na wat ik enkele dagen geleden heb geschreven? Volgende week doen we barbecue.

Lennart Vanstaen
1 0

Mr. Bean en ik

Plots verscheen Mr. Bean op de Deense hotel-tv. In koor riepen mijn kinderen enthousiast zijn naam. Alsof je in een ver, vreemd land opeens een stuk Belgische chocolade ziet liggen in de rekken van een lokale krantenboer. Wanneer de aflevering uit was, klonk de droevige eindgeneriek. Dat pakt me altijd. Dan word ik meteen naar mijn jeugd gekatapulteerd, op de bruinleren divan van mijn grootvaders villa in ’s-Gravenwezel. Mijn grootvader was een man van vele talenten. Hij had lang voor ESSO gewerkt en voer als kapitein zijn hele leven naar Afrika op grote schepen. In zijn typische jaren ‘70 villa hingen dan ook allerlei maritieme parafernalia, zoals zonnewijzers, scheepsknopen, kompassen en uiteraard foto’s van zijn schip, De Mercator. Hij mocht daar gretig over vertellen, maar deed ook uit de doeken hoe kwik in een thermometer werkte of hoe je eigenhandig een binnenzwembad graaft. Het maakte niet uit wat het was, ik wilde graag alles begrijpen. We gingen niet vaak op bezoek, een aantal keer per jaar. Ik herinner me vrijwel nooit slecht weer, dus ik vermoed dat we vaker in de lente of zomer gingen. Wat ik als kind leuk vond, was dat onze bezoekjes in ’s-Gravenwezel altijd op dezelfde manier verliepen. Wanneer we arriveerden, stonden dezelfde hapjes klaar: kaasblokjes met mosterd, mini-uitjes en augurkjes, kerstomaatjes, schijfjes chorizo, druppelpaprika en natuurlijk kaviaar. Eerst dronk ik cola of ice-tea, later champagne. Na deze amuse-bouche stak hij plichtsbewust de barbecue aan, waarnaar veel aandacht uitging. Wat valt er nu telkens weer te zeggen over hete kolen, dacht ik. Later vermoedde ik dat het een ijsbreker vormde tussen hem en zijn zoon. Als de barbecue eenmaal op gang was, en wij waren uitgevoetbald, stonden we al als katten aan de glazen deur van het zwembadhuis te krabben, dat achteraan in de tuin stond. Daarbij moest en zou mijn grootvader ons eerst informeren over de water- en omgevingstemperatuur, die hij in het woonhuis kon aflezen. Rond 16u gingen we aan tafel. Ik vond dat vreemd. ‘Opa eet gewoon vroeger, omdat hij vroeger gaat slapen en vroeger opstaat. Veel oudere mensen doen dat zo. Elke ochtend om 6u zwemt hij voor het ontbijt’, zei mijn moeder.   Er volgde steevast ijs met fruit (vanille of mokka) waarna de volwassen mensen nog wat zouden napraten bij de koffie. Soms gingen we weer voetballen, maar vaker vroegen we om tv te kijken. ‘Deze keer moet jij het vragen’. Een van ons drie trok aan het kortste eind. Wie verloor, durfde ook wel eens zeggen: Lennart wil iets vragen, opa.’ Op Ketnet was er op dat uur meestal niets meer te zien dat mijn jongste broer ook leuk vond. Daarom vroegen we om een film. Maar opa had geen tekenfilms, alleen Mr. Bean. ‘Ken je dat niet? Dat is heel grappig.’ Mijn moeder gaf haar goedkeuring. Al snel werd het me duidelijk dat Mr. Bean ook vaak niet leek te begrijpen hoe de zaken in elkaar zaten. Routine en voorspelbaarheid gaven hem houvast. Hij dacht over de dingen na op een andere manier. Hij deed niet zomaar wat iedereen deed. Ik vond dat inspirerend, of hoopgevend. Ook al lachte iedereen hem uit. Over de begin- en eindgeneriek (een soort zoeklicht schijnt vanuit de hemel op een verlaten straat in Londen en een seconde later valt Mr. Bean als een afgedankte alien uit een UFO), had ik toen veel vragen. ‘Mr. Bean is een alien, iemand van een andere planeet’, verklaarde mijn moeder. Iemand van een andere planeet. Dat zeiden mijn ouders ook wel eens tegen mij. Mensen vroegen of ik soms van een andere planeet kwam wanneer ik weer eens iets vreemds deed. Sindsdien heb ik te doen met Mr. Bean. Maar het engelengezang brengt troost. Ook al zingen ze letterlijk: ‘Hier is de man, die een boon is.’

Lennart Vanstaen
0 0

Pompoenmensen

Vandaag wil ik het hebben over de pompoen. Ja, de pompoen. Want een courgette, daar valt weinig over te vertellen. Een courgette kent haar plaats. Mes erop, schijfjes, klaar. Een tomaat geeft zich zelfs iets te gemakkelijk. Een champignon kunt ge met één hand klein krijgen. Maar een pompoen? Een pompoen is een middeleeuws fort. Ge snijdt hem niet. Ge neemt hem in. Hij ligt op uw aanrecht, rond en ongenaakbaar, met denkbeeldige kantelen en een slotgracht errond. Ge haalt uw grootste mes boven. Dat mes waarvan ge bij het uitpakken dacht: waarvoor heeft een normaal mens dit nodig? Hiervoor dus. Ge zet de punt erin. Duwt. Wringt. Vloekt. Op den duur hangt ge met uw volledige lichaamsgewicht boven het aanrecht, in een houding waarvan uw kinesist later zal zeggen dat het zo niet bedoeld is. De pompoen geeft geen krimp. Ik vermoed zelfs dat hij ervan geniet. En dan heeft hij ook nog een imagoprobleem. Vanaf oktober wordt de pompoen collectief veroordeeld tot twee carrières: soep of Halloween. Ofwel koken we hem plat, zetten er de staafmixer in en gieten er room bij. Ofwel hollen we hem uit, geven hem drie driehoeken en een slecht gebit en zetten hem aan de voordeur. Wat een vernedering. Heel uw zomer hebt ge op een veld liggen rijpen. Zon gepakt. Regen doorstaan. Met uw gat in de aarde gelegen. Vol smaak en grootse plannen. Komt er iemand met een Action-mesje ogen in u snijden. Terwijl er zoveel meer in zit. Ge moet er alleen door geraken. Want de pompoen heeft iets van een grumpy old man. Zo eentje die de wereld met enig wantrouwen bekijkt en niet van plan is daar voor uw plezier verandering in te brengen. Een mening heeft hij altijd klaar. Liefst kort, krachtig en zonder overbodige verpakking. Nuance wordt beschouwd als tijdverlies, diplomatie als een overbodige luxe. Ge kunt daartegen argumenteren, maar ge kunt evengoed tegen een pompoen beginnen praten. Die luistert ongeveer even aandachtig. En op zo'n moment denkt ge: waarom heb ik in godsnaam niet gewoon een courgette gekocht? Toch zit er iets fascinerends in dat stugge karakter. Niet alles moet onmiddellijk toegankelijk zijn. Sommige dingen hebben nu eenmaal een dikke schil, een eigen gebruiksaanwijzing en weinig belangstelling voor uw goede bedoelingen. Ge kunt blijven duwen, trekken en peuteren, maar daar wordt niemand zachter van. Integendeel. Voor ge het weet gaat de ophaalbrug omhoog en staat er boven op de kantelen kokende olie klaar. Ge moet weten waar de kleine poortjes zitten. Een pompoen moet ge roosteren. Olijfolie. Peper. Zout. Tijm. Rozemarijn. Een beetje masseren. Niet te bruusk. De oven in. En wachten. De randen worden donker en kleverig. De suikers karamelliseren. Het vruchtvlees wordt zacht en zoet. Aards. Nootachtig. Warm. Pompoen smaakt naar grond waar de zon nog in zit. De laatste jaren ben ik van die aardse smaken gaan houden. Paddenstoelen. Knolselder. Boter die bruin mag worden. Pompoen met zwarte randjes. Smaken die niet meteen hun beste beentje voorzetten, maar langzaam binnenkomen en blijven hangen. En ik hou ook van mensen die zich niet zomaar laten kruiden. Die niet bij de eerste kennismaking hun volledige binnenkant op tafel gooien. Geen grote verklaringen, geen emotionele ontboezemingen en al zeker geen demonstraties van kwetsbaarheid op een bergtop in een linnen broek. God verhoede. Soms zit de zachtheid in iets kleins. Een onverwachte grap. Een ogenblik van aandacht. Een gebaar dat nergens om vraagt. Een beetje warmte die er plots blijkt te zijn en even snel weer verdwijnt, alsof iemand vergeten was de ophaalbrug op te halen. En dan denkt ge dat ge binnen zijt. Dat ge de slotgracht overgestoken hebt en eindelijk aan de andere kant van die vervloekte muur geraakt zijt. Maar zo eenvoudig is het natuurlijk niet. Want soms staat ge daar met al uw goede bedoelingen, uw geduld, uw olijfolie en uw grootste mes en geraakt ge nog altijd geen centimeter verder. Ge kunt masseren tot uw armen eraf vallen, kruiden tot ge naar een Provençaalse markt ruikt en wachten tot de oven het begeeft. Maar een pompoen die niet wil, die wil niet. En op den duur moet ge u toch eens afvragen of al dat gewrik nog wel de moeite loont. Of ge niet meer energie in dat oranje kreng steekt dan ge er ooit aan smaak zult uithalen. Want niet achter iedere dikke schil zit goudgeel vruchtvlees. Soms zit er gewoon een heleboel niks achter. Of iets wat zo bitter is dat zelfs een halve kilo boter er geen redden meer aan heeft. En misschien is dat ook iets wat ge moet leren. Dat ge niet alles moet openbreken. Niet iedere ophaalbrug moet neerlaten. Niet iedere grumpy old man moet ontdooien. Sommige smaken hebben tijd nodig, maar tijd alleen maakt iets nog niet lekker. Sommige pompoenen moet ge gewoon pompoen laten. Die vragen erom tot een smakeloze soep gemixt te worden. Of uitgehold, met drie driehoeken en een mottig gebit aan de voordeur gezet te worden. Een beetje assorti met plastieken doodskoppen en chemische spinnenwebben. Ge houdt die echt letterlijk beter buiten.

Katrien Daniels
58 3

Ik hang

Wat als je blijft hangen, ergens tussenin? Wat als je struikelt over de drempel van de deur waar je door wil. Wat als je je droom voor je ziet vliegen en je kan er net niet bij?   Op dat moment, zie je net iets meer, net iets meer dan de rest. Je kan terugkeren en erover vertellen in het verleden, of de ervaring meenemen en er nieuwe paden mee leggen. Paden die steviger, mooier en dragend zijn. Soms stappen er mensen met je mee. Mensen die bruggen helpen bouwen, zelfs helpen rouwen en je naar boven hijsen met touwen. En dan is er dankbaarheid, die dankbaarheid brengt licht op je pad.   Wat als je ziet, dat mensen blijven hangen, ergens tussenin? Dan kan je ze lezen, tussen de lijnen. Kan je ze voelen, tussen stilte en spraak. Dan kan je ze laten zien, wat er nog bestaat.   “Wat is er?”   Een niet- afgelijnde vraag. Want er is iets, tussen goed en kwaad, tussen zwart en wit, tussen liefde en haat, …   Als je ooit bent blijven hangen, tussen leven en dood, dan wordt tijd relatief. Negativiteit een dief. Want, wat is het mooi, als je niet meer moest blijven hangen. Als je terug mocht verlangen.   Wat is het mooi om zonnestralen in regendruppels te zien schijnen, om mist te zien verdwijnen, om vogels te zien landen, ouderen elkaar te zien dragen op handen. Om naar luchtschilderijen te staren en Kunst te mogen ervaren.   Een kunstenaar bouwt aan paden, voor zichzelf maar ook voor de ander. De kunstenaar voelt, verft, tekent, behandelt, boetseert, schuurt, … de werken. Werken die jou kunnen meetrekken in een diepere dimensie. Waar je verhalen in voelt. Soms is het mogelijk om de werken te horen, te ruiken, en niet gewoon te bekijken maar te zien.   Ikzelf schrijf graag bij Kunst, want zoals bij velen, maakt het veel los.   Kunst lijkt de donkere lagen weg te schuren, zodat het licht er terug op kan vallen. Zo raakt het ook onze ziel.   Je zou het kunnen zien als het neerslaan van muurtjes die die oppervlakkigheid beschermen en dan precies weten waar je je vinger op moet leggen. Het doorzien van pijnpunten en erop duwen tot het licht erdoor komt. Tot je eruit leert en een prachtig pad bouwt. Tot je ook je droom najaagt, ongeacht de rugzak die je draagt.         In 2018 begon ik aan de opleiding fotografie en koppelde poëzie aan mijn beelden bij een eindwerk. Vanaf 2024 kreeg dit concept een diepere dynamiek door poëzie aan andermans Kunst/beelden te koppelen. ©Griet Decabooter (mei 2026/revised okt.'26)

Troja!
7 1

Scheur de speldenprik open en voel doorheen de sluier

Als ik denk aan mijn spirituele capaciteiten als oneindig lichtwezen en die vergelijk met mijn gewaarwordingen als vergankelijk mens, dan lijk ik zo goed als blind, doof en gevoelloos door het leven te gaan. En dat voor een hooggevoelig mens! Oké, ik overdrijf, ik zie, hoor en voel wel wat, maar er zit ook wat tussen. Een laag die tegenwerkt en afleidt. Iets dat mij de focus en helderheid ontneemt. Ik gluur en tast dan doorheen een dikke sluier en tracht in te schatten waar ik mee te maken heb. Ik herinner me dat de sluier tijdens mijn kindertijd dun en soepel was. Het was vanzelfsprekend dat ik erdoorheen kon zien, ermee kon spelen en dansen. Maar synchroon met het volwassen worden werd die grens naar andere dimensies steeds stugger en dikker. Het was alsof de materiële wereld als een verstikkende modder door mijn personage geabsorbeerd werd, met een alarm slaand spijsverteringsstelsel als gevolg. Ik kon en wou die zwaarte niet verteren. De wijsheid van mijn lichaam stuurde me telkens weer op pad. Weer scherper voelen en zien doorheen de sluier der vergetelheid, gecombineerd met onvoorwaardelijke eigenliefde: dat bleek mijn formule te zijn om gezond te kunnen functioneren in deze realiteit. Het antwoord vinden was gemakkelijker dan de uitvoering ervan. Dat werd een proces van zoeken, vinden, twijfelen, loslaten, vergeten, opnieuw zoeken, hervinden en zo nog even voort. De functie van de sluier is om (gedeeltelijk) te vergeten. Maar daar bovenop is er nog een onnatuurlijk mechanisme van afleiding werkzaam. Hard werken en geld tellen om te overleven, dat is bijvoorbeeld afleiding. Materiële overvloed en een oneindige stroom aan vermakelijke prikkels ook. Het comfort dat we ervaren, gespeld tussen handhaving en dreigementen van verlies, wil ons doen vergeten dat er überhaupt een sluier is. Gehechtheid aan materie reduceert lichtwezens tot slaven die energie, tijd en aandacht inleveren. Het pretendeert dat de fysieke praktische realiteit alles is wat we hebben en dat al het onzichtbare en mysterieuze wetenschappelijk en rationeel te verklaren is. Er heerst een soort van arrogante hoogmoed die woorden als ‘mysterie’ en ‘magie’ weglacht, om elke deur naar een spirituele ervaring (of herinnering) gesloten te houden. Deze fysieke realiteit is nochtans nog minder dan een speldenprik groot ten opzichte van de oneindige veelzijdigheid van andere ervaringsvormen, werelden en dimensies. Een speldenprik die we ten volle uitvergroot ervaren, alsof er inderdaad niets anders is. De sluier gaat in essentie over ‘doen alsof’. Een deel wordt afgedekt, zodat de levenservaring scherper en intenser naar voren komt. Als bij een theaterstuk waarin we mens-zijn spelen. De hele ervaring van het hebben van een lichaam en vanuit dat perspectief andere zielen en hun lichaam te ontmoeten, is op zich iets wonderlijks. Iets waarvan ik me wel kan voorstellen dat ik er vrijwillig voor zou kiezen. Daarom voelt deze bestaansvorm ook niet helemaal als onnatuurlijk. Het is de programmering die overheen dat bestaan wordt gelegd, wat ik de matrix noem, die onnatuurlijk en verstorend werkt. Die programmering maakt de sluier zodanig hard en ondoordringbaar dat ze een kasteelmuur lijkt geworden. Of de wand van een grot, om nog eens aan Plato’s allegorie te refereren. Je kan naar de wand zitten staren, niet zien, horen of voelen wat er zich daarbuiten bevindt, maar daarbij wel het vermoeden of een intuïtief gevoel hebben dat er meer is dan wat zich binnen de grenzen van de grot bevindt. Er zijn ook velen die de grot volledig ontkennen en de beperkte illusie als absoluut waar beschouwen. Hun bewustzijn beweegt dan enkel binnen de reikwijdte van de speldenprik. Ik werd steeds zieker naarmate mijn perceptie doorheen de sluier troebeler werd. Helder kunnen waarnemen en voelen wat er achter de verschijningsvormen beweegt, bleek een noodzaak. Een breder bewustzijn bracht mij een betere gezondheid, en omgekeerd, dat is hoe de dingen voor mij werken. Het verbaasde me dan ook om zoveel mensen onbewust en blind, maar in een schijnbaar blakende gezondheid, door het leven te zien razen. Hoe deden zij dat dan? Waarom kregen zij geen auto-immuunziekte? Hoe verschilde hun innerlijke wereld van de mijne? Die auto-immuunziekte leek op maat gemaakt voor mij; het schudde me telkens weer hardhandig wakker als ik vergat te voelen in die diepere lagen. Daarmee werd het ook meer dan duidelijk dat een oppervlakkig leven in de grot geen optie was voor mij, toch niet als ik gezond wilde zijn. Mijn lichaam liet geen speling om af te dwalen of spiritueel in te dommelen. Het motiveerde me om mijn bewustzijn te blijven verruimen. De moeilijkheid is dat het sociale systeem waarin een kind hier opgroeit ontworpen lijkt om de sluier alleen maar te verharden. Omgaan met de weelderige gevoelswereld en de connectie met onzichtbare sferen komen meestal niet aan bod in de opvoeding van vandaag. Integendeel, alles leidt af in de richting van de speldenprik. We leren ons blindstaren op illusies. Wie zichzelf wil uitzuiveren van alle aangeleerde beperkende patronen en de sluier weer transparanter wil maken, dient zichzelf te ontkoppelen van die illusies. Spiritualiteit wordt tegenwoordig niet alleen onderdrukt, maar ook geconsumeerd en opgeslokt door een commerciële mindset. Wat volgens mij ook een strategie is om de geloofwaardigheid en natuurlijke kracht van spirituele gewaarwordingen doorheen de sluier te verstoren. De drempel werd zogezegd verlaagd, nu iedereen zich in de naam van eigenliefde een btw-nummer kan aanvragen en zich vervolgens sjamaan of healer kan noemen. Het gaat hier echter over het vervangen van de ene illusie door een andere. Omringd door de geur van gebrande salie, met pluimen in het haar en kristallen rond de nek, ontwaakt er niets anders dan een ego in een nieuw jasje. Dit is als het decoreren van de grot. Objecten, rituelen en woorden zijn hol zolang er geen transcendentaal gevoel in zit. Het echte werk zit in het verruimen van de gevoelswereld. En in het dragen van epistemologische verantwoordelijkheid; een levenswerk waarbij je onderzoekt wat waarheid inhoudt. Ik hoor geregeld mensen in al hun kwetsbare eerlijkheid en twijfel zeggen dat ze niets voelen. Er wordt hen bijvoorbeeld verteld dat er iets te voelen valt; een sfeer op een plek of de uitstraling van een object of persoon. Ze ontvangen die informatie dan rationeel, maar weten niet hoe ze kunnen overschakelen naar de andere kant van de medaille, namelijk naar het gevoelsmatige. Ze zijn het verleerd, vergeten en werden ook niet omringd door mensen die hen daarin inspireerden. Maar de wil, of het steeds luider klinkende verlangen van de ziel om zich uit te strekken naar een ruimer bewustzijnsveld, maakt wel dat er stappen van ontwikkeling worden gezet. Op momenten dat de zwaarte van het materieel bestaan als dood gewicht op mijn schouders hangt, vervloek ik die sluier wel eens. Het vraagt dan zoveel moeite, focus en zelfvertrouwen om een glimp van het spirituele bestaan achter de sluier te kunnen opvangen. Ik voel me op die momenten zo gevangen en beperkt in de materie. Elke dag voel ik de zwaarte trekken, en elke dag vergt het een zekere discipline en doorzettingsvermogen om daar bovenuit te stijgen. Om de sluier transparant te houden. Om helder te blijven zien, horen en voelen. Het is ook een kwestie van keuzes maken: ga ik in op de lokroep van het materiële comfort, of wijk ik af van het voorspelbare geplaveide pad? De speldenprik is een scheur geworden en ik heb begrepen dat de sluier als één geheel met mijn bewustzijn mee beweegt. Ik ben de sluier die mezelf verhult, evenals ik het licht ben dat mijn ware zelf openbaart. Het licht- en schaduwspel dat plaatsvindt tussen beide zijn de bewegingen van mijn leven.www.karoliendeman.com Foto door Lieven Herreman

KarolienDeman
0 0

Nog een pareltje

Ik ben iemand die haar geschreven zinnen meticuleus afweegt in een weegschaaltje dat het evenwicht zoekt tussen rationele aarde en intuïtieve wind. Een deel van de inspiratie komt vanuit mijn aardse ervaring en een ander deel wordt mij, rechtsboven, ingeblazen. Het snijpunt tussen beide tracht ik zo scherp en esthetisch mogelijk vorm te geven. Hier haal ik een gevoel uit dat als een soort van vreugde kan worden omschreven. Of ‘vervulling’ is misschien nog treffender. Het is geen uitgesproken gevoel, maar mocht ik de drang om te schrijven negeren, dan zou er in mij wel iets gaan schreeuwen. De zinnen die het halen, groeien bovenop een kerkhof van gewiste woorden. Ik durf wel eens afdwalen, met als gevolg dat hele blokken tekst worden gesloopt. Zonder mededogen of een gevoel van spijt, snij ik die zijsprongen eraf. ‘To the point blijven, Karolien!’ Maan ik mezelf dan aan, al spreek ik mezelf nooit aan met mijn naam. Net zoals ik mijn lief nooit bij zijn naam noem, want dat zou alleen maar betekenen dat er iets ernstig aan de hand is. Onze namen zijn voor de buitenwereld, voor elkaar zijn we het naamloze alles. Dat was nu een kleine zijsprong die ik eraan laat hangen. Het kan sympathiek zijn als er zijwaartse bewegingen van de maker zichtbaar blijven in het resultaat. Maar ik vind wel dat er een lijn in het algehele resultaat moet zitten. Gestroomlijnde samenhang met een nog zichtbare toets van de hand van de meester. Ik schrijf zoals ik schilder: fotorealistisch zonder de textuur van de penseelstreken te verliezen.   Het lezen van een ‘goede tekst’ is als een zachte vacht waar je met een voldoeninggevend gevoel van begin tot eind overheen streelt. Hij neemt je mee in een bepaalde richting. Het is een belangeloze beweging die je zin na zin afloopt. Het is de vrije wil die zich laat leiden door iets dat herkenbaar voelt, maar dat tegelijk toch vreemd is. En daardoor blijf je doorgaan. Wie ben ik om te bepalen wat een ‘goede tekst’ is, hoor ik mijn innerlijke zelfsloper opperen. We kunnen ignorant gaan lullen dat dit een subjectief waardeoordeel is, maar als we eerlijk en zelfbewust durven zijn, dan is literaire kwaliteit echt wel voelbaar. Zeker nu er een overload aan vluchtig in elkaar geflanste, AI-gegeneerde bagger overheerst, is het een zeldzame verademing om nog eens een authentiek gesculpteerd pareltje te vinden. Iets waar echt tijd voor werd genomen en verankerd zit in een doorleefde kern.   De troebele waters van het internet leveren meer bijvangst dan vette vis. De mening van de menigte is als ruis waarin niets wezenlijks blijft hangen. Nu de toegang tot zelfverheerlijking werd vergroot, iedereen een platform heeft om zich op te etaleren en ook de drempel om een boek uit te brengen werd verlaagd, is er een oververzadiging die mij wel eens demotiveert. Waarom zou ik daar nog iets aan toevoegen? Wat maakt mij anders? Er is ook nog de door de veelheid aangetaste focus van de lezer. Teksten langer dan 500 woorden zijn voor de constant geëntertainde massa een te hoge horde. Poëzie vindt men hapklaar het mooist en wordt liefst diagonaal gelezen. Alles scrolt voorbij op een oneindige loopband van korte impulsen, als tijdelijkheid die in herhaling valt. Steeds hetzelfde telkens anders gebracht. Het brengt stagnatie zonder werkelijk ergens bij stil te staan. En toch gooi ik mijn parels in een oceaan van zwijnen. Ze verdwijnen tussen de knorrende commotie. Het doet me denken aan ‘guerrilla gardening’, waarbij je bloemenzaad in het rond gooit op kleurloze plekken in de veronderstelling dat er wel enkele zaadjes zullen ontkiemen. In de veelheid aan beton zal er wel ergens een zacht kiertje zijn waarin een zaadje kan nestelen. Leuk als dat zo zou zijn, maar ook geen must. Want al deze woorden hebben hun plaatsje gevonden, deze tekst is geschreven. En dat is waar het om ging. Al wat er eventueel uit volgt zijn extraatjes, maar geen noodzaak. De noodzaak werd bij deze vervuld.www.karoliendeman.comFoto door Lieven Herreman

KarolienDeman
3 1

Lieve "N"

Ik wil geen beuzak zijn, maar soms lijk je op die ene +1 die meekomt naar een feestje waar niemand op jou zit te wachten. Die persoon die niet beseft dat het de anderen niet meer interesseert wat je te vertellen hebt, en onverstoorbaar door blijft leuteren. Waarom wring je je er soms zo tussen en ben je er anders niet? Het is de onvoorspelbaarheid die me zo onrustig stemt.   De zon en de bloemen mogen elkaar beroeren zonder jouw regels, maar de pad en de stoel lijken jou nodig te hebben. Ben je een verbinder of een stoorzender? Ik weet het soms ook niet. Kan de pan de koek niet bakken zonder jouw hulp, (en waarom vroeger dan wel?) alsof je een blokje vetstof bent. Heb je iets gedaan om hen afhankelijk van jou te maken of ben je hen in de weg gaan staan?   Pas op, ik wil je heus niet kwetsen. Soms heb je de kracht met zo weinig verandering een heel concept op zijn kop te zetten en blijft er ineens niemand meer over of is er plots niets meer aan de hand. En ik besef ook dat we je soms wat stiefmoederlijk behandelen wanneer we je aan het einde van een gewoon gewoon plots late(n) valle(n), kan je me vertellen waar je dan naartoe gaat?  Nergens.   Is dat waarom je soms in paren reist? Waarom jullie met z’n tweetjes in mijn naam huizen en andere klanken daarmee een kopje kleiner maken? Het is geen oordeel, gewoon een vraag. Ik probeer je te begrijpen zodat ik de fout niet meer maak. Je voor lief te nemen, in een hoekje gesmeten.   Als er één iets is dat je niet mag vergeten... Je hebt een gave, een talent waarin niemand je kan evenaren: die om woorden, zinnen en zinsdelen aan elkaar te rijgen.  Want alleen jij bent al genoeg  om werelden aan elkaar te hangen N [en] dat is een kracht als geen ander.

annakdotes
6 0