Zoeken

Aan een Rotvaart Nergens Heen -- de "ik"-versie. Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 2: De eerste ochtend   Ik moest om kwart voor vier ’s morgens aan het postkantoor staan. Dat is geen sinecure en het kwam er dan nog eens bij dat het putje winter was. Ik bekijk alles echter pragmatisch en maak me de bedenking dat zij het niet kunnen maken géén verwarming te hebben, wat wel het geval was in mijn kamer. Op mijn bed lag immers boven het laken nog een wollen deken en daarboven nog een donsdeken, en nog had ik het koud. Dat kwam niet alleen door het ontbreken van centrale verwarming, het gat in het raam speelde ook een rol. Ik stond op rond drie uur, want het kantoor was nog geen kwartier rijden, zelfs niet met lood in de schoenen. Pa had de kwalijke gewoonte het huis bij elkaar te brullen als iemand moest opstaan, maar alleen als het om werken ging. Was het voor iets academisch, dan moest je zelf maar uit je nest zien te geraken. Of liever niet, eigenlijk, want in dat huis wordt gespuwd op alles wat maar een beetje naar kennisvergaring rook. Toen ik naar beneden kwam, had hij al een verkreukeld blikje Jupiler naast zich staan, op de tafel. Er waren ook al drie sigarettenpeuken aan het smeulen in de asbak. Hij keek me aan en leek haast te lachen. Denk ik, want ik heb hem zelf nog maar weinig zien lachen in de negentien jaar dat ik hem ken. Hij haalde een schriftje met daaraan een pen aan bevestigd tevoorschijn. ‘Hier,’ zei hij met dezelfde grijns, ‘houdt dat maar goed bij. Ge moet geen leesboek meepakken naar ’t werk, maar ge gaat wél mogen schrijven. Ge doet dat toch zo graag?’ Ware het niet van de lauwe biergeur uit zijn mond, ik had het misprijzen zo in zijn woorden kunnen proeven. Hij gooide het boekje op tafel en smeerde verder zijn boterhammen. As van zijn sigaret viel op de smeerkaas waarmee hij het brood beboterde maar dat scheen hem niet te deren. Hij ging ook vlot van confituur naar boter naar chocopasta, zonder zijn mes schoon te maken. Voor mij zullen het dus boterhammen met niets worden. Ik prop ze samen met een potje yoghurt in de pastelgroene brooddoos die gedurende mijn secundaire schoolcarrière al zijn nut had bewezen en nog lang niet op pensioen mag gaan. Het ding blijft de stille getuige van de neergang zonder opkomst van zijn eigenaar. Maar kan je wel een eigenaar zijn van iets dat je geen frank heeft gekost? De portokosten van de opgestuurde spaarkaart naar de commerciële dienst van de lokale koekjesfabriek en de kosten om het ding toegestuurd te krijgen daargelaten? Ik mag het hopen, anders ben ik eigenaar van bitter weinig. Vele van mijn weinige boeken heb ik immers verdiend met schrijfwedstrijden hier en daar. Ik werd wel nooit eerste maar vaak viel er wel een boek voor de tweede van de stapel die de eerste mee naar huis nam. We gingen samen naar het werk – hij nam me vooral mee omdat hij zeker wou zijn dat ik niet plots het hazenpad zou kiezen. Allebei op de fiets. Hij op zijn dienstfiets van De Post zelf, ik op die die ik vier jaar geleden kreeg als nieuwjaarscadeau. Het ding was groen-wit-roze, want het waren toen nog de jaren negentig. Het was stikdonker en berekoud. Hier en daar was er een lichte hint van sneeuw, van die kleine poedertjes, niet groot genoeg om een vlok genoemd te worden. Toch waren we niet alleen op baan – vele traiteurs hadden hun familieleden opgetrommeld om de eerste “pla’s” bij de vroege vogels te kunnen afleveren. En of ik veel vogels gezien heb. Het Groeningemonument zat er zwart van. Veel tijd had ik niet om van de schoonheid te genieten, want toen ik me de bedenking maakte, was ik al de Veemarkt voorbij en reed ik omhoog langs de Sint-Janslaan. Dan rechts en we arriveerden aan het postkantoor. Toen ik klein was – afijn, jonger – kwam ik er soms wel eens om in het restaurant van het postkantoor te eten, als ik met ma op pad was. Toentertijd kon je in het restaurant van De Post heel goedkoop, heel lekker en heel veel eten, zolang je een band met de openbare dienst kon aantonen. Maar de plaats waar mijn leven zich voortaan vaak zou afspelen, de postmannenzaal, die had ik behalve eens vluchtig nog nooit gezien. Het eerste wat mij opviel waren de grote, zware deuren, precies deuren van een gevangenis, die de mannen moeten binnenhouden. Ik dacht aan de zinsnede van Dante toen ik er voor de eerste keer door wandelde, “laat alle hoop wegvaren, gij die hier binnenkomt”. De poorten tot de Hel. Het zag er ook zo uit. Geüniformeerde chaos, darren als in een bijen- of wespennest, de individualiteit gedood. Wolken rook van alle slag tabak kringelden in de lucht. Zeker de helft van de postmannen had een asbak op zijn werkpost staan – één er van was een hand met een tet in, waarop stond “ik hou van tetten en van sigaretten”. Dat was nu mijn milieu. Mijn vertrouwd milieu, zoals thuis, maar tot in het oneindige uitgerekt. Mijn ogen traanden, zij het van consternatie, zij het van de tabak, ik weet het niet. Pa distantieerde zich al gauw van mij en iemand leidde me bij mijn arm naar vooraan de postmannenzaal, als was ik een chimpansee die ontsnapt was uit de zoo en terug naar zijn kooi werd geleid, met de vinger in de mond en een banaan in de andere hand. Ik zou toegewezen worden aan een zekere Bruno, op een dienst 18. Elke dienst heeft zijn nummer en in die tijd – voor de Georoutes er flinke gaten in sloegen – liep dat van 1 tot 48 in Kortrijk.  In Heule en Bissegem, beiden in datzelfde gebouw gevestigd, respectievelijk van 49 tot 57 en van 58 dan tot 62. Zo waren de straten verdeeld onder de postmannen. Die van mij waren de buurt van het Ring Shopping Center. Veel mensen denken verkeerdelijk dat dat Kuurne is, maar niets is minder waar. Dat heb ik tot mijn scha en schande moeten ondervinden toen ik er stagiair was. Ooit nam ik de telefoon verkeerd op – het is te zeggen, ik begroette mijn gesprekspartner met “Ring Shopping Center Kuurne, goeiemorgen” terwijl dat Kortrijk had moeten zijn, wat me op een uitbrander kwam te staan. En zo keert alles terug want de eerste dag van de rest van mijn leven zou ik doorbrengen in de streek waar mijn vorig leven zich ontspon. Ik heb ook nog wat straten daarrond, het Ringerf zoals ze dat noemen en dan de Ieper- en Izegemsestraat. Bruno was een tiental jaar ouder dan ikzelf. Vol van zichzelf, letterlijk en figuurlijk. Een eerder papperig aandoende man die niet veel thuis te zeggen had en het dan maar op kantoor deed. Hij was één van de enigen die niet rookte in de rij waar ik zat en daar was ik ergens wel dankbaar voor. Hij stelde zich voor als Bruno Derycke en die zou mijn peter worden. Ware het niet dat hij het een goed jaar later zou aftrappen om kranten te gaan ronddragen. Ik heb er nooit meer iets van gehoord. Raf, de postbode van dienst 17 werd komisch “de Chinees” genoemd omdat hij er volgens de collega’s uit zag als een Chinees, t.t.z. hij had spleetoogjes. We hadden ook een Marokkaan, de postbode van dienst 20. Die zag er blijkbaar als een Marokkaan uit. Want zo origineel waren de collega’s wel. Zelf was ik voorlopig wel gespeend van een bijnaam, of het zou moeten te maken hebben met mijn familiebanden. De kleine van Reginald, Junior, Billy 2 enzovoort.

Miguel
0 0

Na de hittedagen.

Simultaan met het golvende pluimpje op mijn buik word ik wakker. Onmiddellijk voel ik dat mijn huid me weer als gegoten zit. Een ware verademing! De ochtend geeft me een knipoog, nodigt me uit om opnieuw deel te nemen aan de dag. Gestreeld worden mijn benen die via de trap naar beneden, naar buiten naar het midden van de tuin. Een frisse lucht walst als een dans, wikkelt zich rondom elke vorm van leven, een kleed dat zich gedragen weet. De planten krijgen weer zintuigen, de vele vogels krijgen hun partituren terug, de huppel ontwaakt in de kat en ik...ik voel me opgetild om gedoopt te worden, dit is het lichaam dat kan ademhalen zonder overmatig te transpireren, zonder te kleven. Dit is het lichaam dat mijn geest vertrouwen geeft, een diep soort geloof dat onze planeet niet zal opbranden onder de agressieve zon.   #zwembad met twee figuren   Het zwembad had altijd al een aantrekkingskracht op mij die de voorbije dagen enkel maar sterker werd. In het popart-schilderij heb ik er alle plaats die nodig is om af te koelen tijdens het trage voortbewegen onder water. In het plaatselijke bassin kwam een massa mensen aangestormd, in haast en spoed sprongen ze in het levensnoodzakelijke water. Buiten het gebouw bleef de zon met in de handen het mes en alle goesting om het gebod te kerven in mensenhuid: sterf jij stuk verderf! Van dat horrorbeeld ben ik nu en hier verlost, sinds dat ene golvende pluimpje op mijn buik toen ik wakker werd. En toch, ergens blijft de hitte nazinderen met een boodschap die ontcijferd wil worden, waar meningen zich over buigen.

Ingrid Strobbe
8 0

MY ASS.

"De herinneringen die ons het meest bijblijven, zijn gekoppeld aan sterke emoties. Als iemand dus laaiend enthousiast of juist doodziek van woede op mij wordt, is het dan niet logisch dat ik hem of haar nog heel lang zal bijblijven?" ******************************************************* https://www.2dehands.be/q/verf+ed+my+1975+rotselaar+torenhof/ *************************************************** FOTO GALLERY verf ed https://www.2dehands.be/q/verf+ed+altaar+de+culturen/ Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen." Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen, ons collectief geheugen, is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig. http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
52 1

Ik beken... ik ben een romanticus.

Ik beken. Ik ben een volbloed romanticus. Geef mij Tom Cruise. Richard Gere. De jurken van Sisi. Een paar rozenblaadjes. Een viool op de achtergrond. En voor ge het weet, heb ik in mijn hoofd al drie kinderen, een labrador en een gezamenlijke hospitalisatieverzekering. Zo erg is het. Ik geloof in grote liefdes. In blikken die alles zeggen. In handen die vanzelf in elkaar passen. In kussen waarbij ge heel even vergeet dat ge morgen gewoon weer moet gaan werken. Ik ben opgegroeid met Pretty Woman en An Officer and a Gentleman. Met films waarin het huwelijksaanzoek het einde was. De kus. De muziek. Richard Gere die glimlacht. Aftiteling. En ze leefden nog lang en gelukkig. Tenminste... dat dachten we. Want stel. Ge hebt een lief. Een goeie mens. Zo maken ze ze niet veel meer. Hij is lief, zorgzaam en attent. Hij belt om te vragen of ge veilig thuis zijt. Hij kent uw favoriete liedje. Hij onthoudt dat ge koriander lust. Hij zet de verwarming een graadje hoger nog voor ge zelf beseft dat ge het koud hebt. Ja, hij bedoelt het goed. Heel goed zelfs. Op een dag zegt hij dat ge een weekendje naar Parijs gaat. Gewoon met twee. Romantischer wordt het niet. Tot ge aan de trappen van de Sacré-Cœur komt. Daar staat een witte vleugel. Uw favoriete lied wordt gespeeld. Uw drie beste vriendinnen blijken ineens ook in Parijs te zijn, allemaal in een roze kleed. Er zijn bloemen. Champagne. Een fotograaf. Toeristen die spontaan beginnen te applaudisseren. En dan gaat hij op één knie. Ja, dat is schoon. Ja, zo maken ze ze niet meer. Ja, hij heeft weken, misschien maanden, aan dat ene moment gewerkt. Treintickets geboekt. Uw vriendinnen mee in het complot gekregen. Een witte vleugel geregeld. Ik krijg al stress van een barbecue voor acht man georganiseerd te krijgen. Maar nee. Hij mist dat ene. Dat je-ne-sais-quoi. En nee, dat zijn geen grote dingen. Hij gaat niet vreemd. Hij drinkt niet. Hij is gewoon een heel lieve mens. Maar hij kan gerust een halfuur bezig zijn over de voedingsstoffen in Nutella alsof hij een documentaire presenteert. Zijn ideeën over de klimaatopwarming zijn ronduit dom. Hij corrigeert de ober als die de naam van de wijn verkeerd uitspreekt. Hij spoelt de borden af vóór hij ze in de vaatwasser zet "omdat dat properder is". Hij leest luidop de ingrediënten op een pot confituur. Dat zijn geen redenen om iemand niet graag te zien. Maar misschien wel om er niet mee te trouwen. En daar staat ge dan. Met een witte vleugel achter u. Met drie vriendinnen die al aan het snotteren zijn. Met een fotograaf die klaarstaat voor hét beeld van de avond. Met een man die zijn hele hart voor uw voeten legt. En in uw hoofd klinkt maar één zin. Ja... Maar nee. En plots besef ik dat zo'n huwelijksaanzoek misschien helemaal niet romantisch is. Niet omdat hij slechte bedoelingen heeft. Die heeft hij niet. Hij doet alles uit liefde. Hij wil u verrassen. Hij wil u gelukkig maken. Hij wil u een verhaal schenken dat ge over veertig jaar nog altijd vertelt. Maar hij stelt u wel de belangrijkste vraag van uw leven op de enige plek waar ge ze onmogelijk eerlijk kunt beantwoorden. Want ge zegt niet alleen nee tegen hem. Ge zegt nee tegen Parijs. Nee tegen de witte vleugel. Nee tegen uw drie beste vriendinnen die speciaal de trein hebben genomen. Nee tegen de fotograaf. Nee tegen de toeristen die al staan te applaudisseren. Nee tegen een avond waar maanden werk in zit. Eigenlijk vraagt hij niet alleen: "Wil je met mij trouwen?" Hij vraagt ook: "Wilt ge alsjeblieft deze perfecte avond niet kapotmaken?" En dat is een heel andere vraag. In Hollywood is een huwelijksaanzoek het einde van de film. Kus. Fade out. Richard Gere glimlacht. Aftiteling. In het echte leven begint de film dan pas. Met hypotheken. Met schoonfamilies. Met vaatwassers. Met elkaar soms niet kunnen uitstaan. Met elke dag opnieuw kiezen. Ge trouwt uiteindelijk niet met de man die u op de trappen van de Sacré-Cœur ten huwelijk vraagt. Ge trouwt met de man die dertig jaar later nog altijd naast u zit aan de ontbijttafel. Misschien is een huwelijksaanzoek pas echt romantisch als het eigenlijk overbodig is. Omdat ge al honderd keer ja hebt gezegd. In de kleine dingen. In de afwas. In de stiltes. In de dinsdagen. Nog voor er ook maar een halve witte vleugel in beeld is gekomen. Want als ge na al dat spektakel nog altijd niet zeker zijt, dan is "ja, maar..." gewoon een nee.

Katrien Daniels
46 2

De geheime afspraak

Ik denk dat gepensioneerden een geheime afspraak hebben. Niet op papier. Er wordt geen brief gestuurd en ge zult er ook geen WhatsApp-groep van vinden. Maar ik ben er zeker van dat iemand u op uw laatste werkdag even apart neemt. "Nog één ding," fluistert hij. "En ge houdt dit onder ons. Zeg het vooral niet tegen de werkende mensen. Laat hen maar denken dat de zomer in juli begint. Maar de hele maand juni... is de zee van ons." Sinds ik dat weet, kan ik het niet meer níét zien. Terwijl de rest van Vlaanderen zich nog een ongeluk werkt om alles afgewerkt te krijgen voor het bouwverlof, studenten blokken of net bekomen van hun examens en gezinnen aftellen naar de grote vakantie, hebben de gepensioneerden de kust al lang ingenomen. Niet luid. Niet opvallend. Gewoon. Ik ontdekte het per ongeluk. Een paar dagen Middelkerke in juni en meteen had ik het gevoel dat ik ergens was binnengelopen waar ik eigenlijk geen lid van was. Niemand stuurde me weg, maar iedereen leek de spelregels te kennen. Ze wandelen zonder bestemming. Ze kiezen altijd een tafeltje met zicht op zee. Ze bestellen zonder op de klok te kijken. En een aperitief om elf uur? Dat blijkt gewoon een uur te zijn. Daar zit Rosa. Naast Herman. Herman morst zijn fruitsap. Twee keer. Rosa schuift zwijgend een servetje naar hem toe. Ze kijkt niet eens op. Ge ziet dat liefde na vijftig jaar misschien niet meer bestaat uit grote verklaringen, maar uit weten waar de servetten liggen. Een paar tafeltjes verder zit Denise. Lippen gestift, haar alsof ze straks op televisie moet komen. Nog altijd even kwik als vroeger. Alleen wordt ze wat spraakzamer na haar aperitief. Maar dat is haar gegund. Misschien is dat wel het mooiste aan ouder worden. Dat ge eindelijk moogt uitweiden. Dat niemand nog zegt dat ge moet afronden omdat de volgende vergadering begint. En dan André en Willy. Ze kijken naar de zee. Of toch... dat denk ik. Misschien kijken ze wel gewoon naast elkaar. Zoals mensen die al zo lang samen zijn dat stilte geen leegte meer is, maar een taal. Er is iets raars met tijd aan zee in juni. Ze gaat er niet trager. Ze wordt gewoon minder belangrijk. Niemand zegt dat hij nog snel ergens naartoe moet. Misschien is dat wel wat pensioen echt is. Niet stoppen met werken, maar stoppen met haasten. Ik zat daar tussen hen en besefte plots dat ik niet naar oude mensen zat te kijken. Ik keek naar later. Naar ons. Ik probeerde ons uit. Zoals ge een zetel uitprobeert in een meubelwinkel. Zouden wij ook al om elf uur aperitieven? Zou jij nog altijd beweren dat de garnaalkroketten hier beter zijn dan elders? Zou ik nog altijd zeggen dat ik geen honger heb om vervolgens de helft van uw bord leeg te eten? En zouden we nog altijd discussiëren over mijn haar? Ge vraagt nu al geregeld wanneer ik het nog eens blond ga kleuren. Ik antwoord steevast dat ik dat niet ga doen. Ik vermoed dat we die discussie tegen dan nog altijd voeren. Alleen zal het ondertussen nog grijzer zijn. Ik hoop dat ik dan nog altijd even koppig ben. En gij ook. Dat ge nog altijd dezelfde mop vertelt waarvan ik de clou al ken nog voor ge eraan begint. Dat ik eerst met mijn ogen draai. En vijf minuten later toch weer lach. Dat we met onze rollators veel te fanatiek over de dijk racen en valsspelen in de bochten. En dan komt er, heel even, een gedachte binnen die ik liever niet heb. Want statistisch gezien is er een kans dat één van ons daar alleen zit. Dat ik uw naam zeg. En even naar de hemel kijk. Of gij de mijne. Dat kan ook.  Ik laat die gedachte niet lang blijven. Wij zitten daar samen. Met twee lichtblauwe windbrekers. Een aperitief om elf uur. En alle tijd van de wereld. Misschien is dat uiteindelijk wat liefde is. Niet dat ge elkaar jong houdt. Maar dat ge oud genoeg moogt worden om elkaars gewoontes, koppigheden, verhalen en rimpels te verzamelen. Tot ze allemaal deel worden van wie ge samen zijt. En ergens, op een terras in Middelkerke, midden in juni, kijkt ge plots naar mij. Naar wie ik ooit was. Naar wie ik geworden ben. En zegt ge: "Schat... ge zijt beeldig met grijs haar."

Katrien Daniels
62 4