Zoeken

Start to zetel

Evy Gruyaert is nogal ne keer een patéke. Vroeger leerde ze ons lopen. Heel Vlaanderen hing hijgend aan haar stem terwijl zij opgewekt meldde dat we nog één minuut moesten volhouden. Ik heb meermaals gedacht dat mijn linkerlong langs mijn neus naar buiten zou komen, maar Evy bleef kalm. Goed bezig. Niet opgeven. Nog dertig seconden. Daarna leerde ze ons luisteren. Naar ons hoofd, ons lichaam, onze ademhaling en vermoedelijk ook naar organen waarvan we voordien niet wisten dat ze inspraak hadden. Tegenwoordig analyseert ze op Instagram of we wel genoeg in verbinding staan met onszelf en de wereld. Ik zag het passeren terwijl ik in de zetel koffie zat te drinken, met één oog op mijn gsm en het andere op een boek dat al drie dagen op dezelfde bladzijde lag. Ik dacht dat ik wat zat te niksen. Bleek dat ik tegelijk aan het vertragen, ontprikkelen, opladen, mindful lezen en qualitytime met mezelf aan het doen was. Ik was niet lui. Ik zat midden in een traject. Een mens mag tegenwoordig niet meer gewoon moe zijn. Ge zijt overprikkeld. Ge moogt niet in de zetel liggen, ge moet uw zenuwstelsel reguleren. Ge gaat niet met vakantie, ge gaat herbronnen. En als ge na vier dagen terugkomt zonder iets te hebben losgelaten, geheeld of gemanifesteerd, hebt ge uw verlof eigenlijk verkeerd gedaan. Mijn laatste vakantie bestond uit zetelhangen, vrienden zien, koffiedrinken en boeken lezen. Vroeger heette dat vakantie. Vandaag is dat een holistisch vierdaags programma rond vertraging, verbinding, verstilling en persoonlijk herstel. Had ik één keer op blote voeten in het gras gestaan, dan mocht ik er vermoedelijk ook een factuur voor maken. Een halve dag in de zetel liggen is decompressie. Een boek lezen is bewust offline gaan. Koffie drinken is een mindful ritueel en een vriendin zien is qualitytime. Als ge ondertussen over andere mensen praat, is het geen roddelen maar samen emoties verwerken. En als ge na de vierde koffie hartkloppingen krijgt, is dat uw lichaam dat eindelijk iets probeert duidelijk te maken. Ik woon alleen, dus volgens de huidige terminologie baat ik een permanent me-timecentrum uit. Toch ziet het er minder chic uit dan op Instagram. Er staan geen geurkaarsen naast mijn bad. Ik eet soms een sneetje kaas recht uit de verpakking terwijl de koelkastdeur nog openstaat. Dat voelt niet onmiddellijk als selfcare, maar leg diezelfde kaas op een keramieken bord, strooi er twee walnoten naast en noem het intuïtief eten en ge kunt er zestig euro voor vragen. Me-time was vroeger trouwens gewoon: “Ik wil vanavond niemand zien.” Uw sociale batterij was niet leeg. Ge kondt gewoon geen volk verdragen. Ge hoefde daar geen infographic over te delen. Ge deed de gordijnen dicht, nam uw telefoon niet op en als iemand de volgende dag vroeg waar ge waart, zei ge: “Thuis.” Dat was een volledig antwoord. Dan hebt ge nog de mentale detox. Ik lees dat hardnekkig als metalen detox en zie dan iemand met een grote magneet alle paperclips, bh-beugels, winkelkarmuntjes en oude gourmetvorken uit mijn hoofd trekken. Maar een mentale detox betekent blijkbaar dat ge even geen nieuws leest en niet op sociale media zit. Daar moet ge dan wel eerst een foto over plaatsen op sociale media. Meestal twee blote voeten aan een zwembad met daaronder: Even helemaal offline. En vervolgens om de drie minuten kijken hoeveel hartjes uw offline zijn al heeft opgebracht. Mijn favoriete modewoord blijft verbinden. Op mijn werk hoor ik het zo vaak dat ik voortdurend zin krijg om een verlengkabel te halen. Alles moet verbinden. Een voorstelling mag niet gewoon mooi, ontroerend of plezant zijn. Ze moet mensen samenbrengen, bruggen slaan, dialoog creëren, talent laten groeien en de sociale cohesie duurzaam versterken. Vroeger ging ge bij iemand langs. Die zette koffie. Geen zorgvuldig geselecteerde boon die met de hand gemalen werd tijdens een ademhalingsoefening. Gewone koffie. Uit een machine, zo èèn met een papieren filter en gemalen koffie. Er kwam een doos koekjes op tafel die al drie regeringen had meegemaakt. Ge praatte over de kinderen, uw werk, uw rug en die ene mens die op het rondpunt zijn pinker niet had gebruikt. Iemand zei: “Allez, nog eentje dan”, en schonk voor de vijfde keer bij. Tegen die tijd was de koffie een beetje bitter geworden. Drie uur later ging ge naar huis. Niemand zei bij het afscheid: “Wat fijn dat wij vandaag zo authentiek hebben mogen verbinden.” Ge zei: “We moeten dat meer doen.” Ook vakantie is intussen een opdracht met eindtermen geworden. We moeten vertragen, opladen, loslaten en dichter bij onszelf komen. Alsof we onszelf ergens onderweg aan een tankstation hebben achtergelaten. Mensen komen vermoeider terug van hun ontspanning dan ze vertrokken zijn. Ze hebben bij zonsopgang yoga gedaan, lokaal brood gebakken, in een bos gebaad, hun dankbaarheid opgeschreven en tijdens een stiltewandeling ruzie gekregen omdat iemand te luid ademde. Ik heb dat allemaal niet gedaan. Ik heb in de zetel gelegen. Ik heb koffie gedronken. Ik heb vrienden gezien. Ik heb een boek gelezen, ben na zes bladzijden in slaap gevallen en wakker geworden met de hoek ervan in mijn gezicht. Ik heb niets gemanifesteerd, behalve misschien een zak chips. Ik ben niet dichter bij mijn kern gekomen. Mijn kern lag mee onder het fleecedeken en had kruimels tussen haar borsten. En daarom stel ik voor dat Evy een nieuw programma maakt: Start to Zetel. We beginnen voorzichtig met tien minuten en bouwen in tien weken tijd op naar een volledige namiddag. Met Evy in onze oren. “Ontspan uw schouders. Negeer de deurbel. Reik rustig naar de chips. Nog negen minuten blijven liggen. Ge doet dat goed.” Ik schrijf mij onmiddellijk in.

Katrien Daniels
141 7

De Pelgrim

Ik ben voor een paar dagen in Frankrijk. In het noorden. Een beetje vakantie, een beetje vriendendienst en een beetje retraite. De precieze verhoudingen durf ik niet te zeggen. Sommige dagen voelen voor zeventig procent als vakantie, andere vooral als vluchten met een cultureel verantwoord excuus. En ik heb ze zo graag, die dagen waarop ik helemaal alleen op stap ben. In een land waar de taal tegelijk klinkt naar romantiek en chagrijn. Waar zelfs een parkeerverbod klinkt alsof iemand u eerst nog even in de nek zal kussen. Een land waar ze gul water en brood op tafel zetten nog vóór ge beslist hebt of ge de formule du midi zult nemen. Waar de bebouwde kom echt bebouwd is en dan ook ineens gedaan. Gewoon: huizen, een bord met een rode streep erdoor en daarna velden. Uitgestrekt, glooiend en leeg genoeg om uw hoofd eindelijk eens zijn mond te laten houden. Ik had de dag doorgebracht zoals een cultuurmens dat doet: met een bezoek aan een museum. Ge kunt mij drie dagen vrij geven en toch zal ik op een bepaald moment vrijwillig voor een schilderij gaan staan met mijn handen op mijn rug. Daarna was ik gaan cruisen door de velden. Raampje open, muziek aan en wegen volgen waarvan zelfs Google Maps leek te denken: als gij het echt wilt. Later bracht ik nog een bezoek aan Saint-Quentin. Gezellig. Mooi zelfs. Maar verwacht niet te veel. Dat is trouwens een uitstekende levenshouding, niet alleen voor Saint-Quentin. Voor de nacht had ik een kamer geboekt ergens in een gat met een naam die alleen door mijn gps werd onthouden. Zo’n plek waar rust nog gewoon rust is, gastvrijheid gastvrijheid en een badkamer iets wat ge deelt met mensen van wie ge hoopt dat ze ongeveer dezelfde normen hanteren als gij. De bedden piepten, de vloer ook en vermoedelijk had zelfs het nachtkastje iets te vertellen wanneer ge er een glas water op zette. Het fijne aan alleen reizen zijn de ontmoetingen. Alleen zijt ge beschikbaar voor de wereld. En ik geloof niet dat toeval bestaat. Dus zat daar die avond, aan de boord van een kanaaltje, bij een ondergaande zon die overdreven haar best deed, een Nederlander op mij te wachten. We waren allebei bijna kinderlijk blij dat we onze eigen taal konden spreken. Na een paar dagen Frans wordt een mens al gelukkig van iemand die zonder aarzelen begrijpt wat ge bedoelt met “amai”.  Hij was muzikant. Dat hielp. Voor we goed en wel wisten hoe de ander heette, hadden we al professioneel en cultureel een paar raakvlakken gevonden. We praatten over muziek, over jonge talenten en over hoe het is wanneer iemand op een podium nog niet heeft geleerd om zich kleiner te maken dan hij is. Over mensen die iets kunnen maar nog niet helemaal weten wat ze daarmee moeten aanvangen. En waarschijnlijk ook een beetje over onszelf. Want er komt blijkbaar een leeftijd waarop ge de dingen eens moet kunnen overschouwen. Niet omdat alles voorbij is, maar omdat er al genoeg achter u ligt om eindelijk een uitzicht te hebben. Ge kijkt naar wat ge hebt gedaan, wat ge nog wilt doen en welke stukken van uw leven ondertussen vooral bestaan uit veel lawaai en weinig muziek. Hij had beslist om dat nu te doen. Een paar maanden niets. Hij had zijn gitaar ingeruild voor een fiets. Amsterdam voor de onvoorspelbare wegen van de Camino. Optredens, afspraken en vertrouwde straten voor iedere ochtend opnieuw vertrekken zonder precies te weten wat de dag hem zou brengen. Geen strak schema. Geen agenda. Geen applaus. Alleen een fiets, een weg en Santiago ergens ver voor hem. En vertragen. Dat was toch de bedoeling. Hij was een week onderweg en dat laatste moest hij nog een beetje leren. Want ge kunt uw gitaar thuislaten, uw agenda leegmaken en Amsterdam achter u laten, maar uw eigen tempo fietst gewoon mee. Ge stapt niet op een fiets en wordt bij het eerste Franse dorp plots een zacht glimlachende pelgrim die bij iedere zonnebloem de zin van het leven begrijpt. Sommige mensen beginnen zelfs aan onthaasten met een strak dagschema. Ik vond dat geruststellend. We maken van vertrekken graag iets groots en zuivers. Alsof ge bij het overschrijden van een grens automatisch alles achterlaat wat zwaar is. Maar zo werkt het niet. Uw twijfels reizen gratis mee. Uw onrust hoeft geen kamer te boeken. Uw gedachten zitten achterop en vragen om de paar kilometer of het nog ver is. Misschien is dat net de Camino. Niet de weg naar Santiago, maar de afstand die ge nodig hebt om eindelijk wat trager te worden dan uw eigen hoofd. Ik keek naar hem en voelde iets wat verdacht veel op bewondering leek. Misschien ook een beetje jaloezie. Niet op de kilometers, begrijp me niet verkeerd. Mijn spirituele ontwikkeling kent grenzen en zadelpijn hoort daar voorlopig niet bij. Maar wel op de eenvoud. Eén weg. Eén richting. Een paar maanden waarin ge niet voortdurend iets moet beantwoorden, organiseren of uitleggen. Een pelgrim hoeft ’s morgens niet te beslissen wie hij wil zijn. Hij moet alleen vertrekken. Hij zou de volgende ochtend opnieuw op zijn fiets stappen. Altijd in dezelfde richting, dichter bij Santiago. Hopelijk ook een beetje dichter bij het tempo waarnaar hij op zoek was. Ik zou mijn gps aanzetten en verder rijden naar plekken waarvan ik de naam niet kon onthouden. Een beetje vakantie, een beetje vriendendienst en een beetje retraite. Zonder fiets, zonder schelp aan mijn rugzak en voorlopig ook zonder maandenlange sabbatperiode. Maar wel met een ontmoeting die daar volgens mij niet toevallig aan dat kanaaltje zat. Misschien hoeft een pelgrim niet altijd naar Santiago. Misschien is het soms al genoeg dat ge vertrekt. Dat ge alleen door vreemde velden rijdt, met iemand praat die ge gisteren nog niet kende en onderweg even stilstaat bij waar ge vandaan komt.  

Katrien Daniels
96 9

Ben ik een goed mens of werk ik gewoon voor een vzw?

Ben ik een goed mens of werk ik gewoon voor een vzw? Het is een vraag die  om de zoveel tijd  de kop even op komt steken.     Tijdens periodes waarin ik mezelf betrap op de gedachte: “zoveel vrijwiligers in onze organisatie, zou ik dit werk ook doen als ik er niet voor betaald zou worden?”   En waarbij ik dan de reflex opmerk van zowel mezelf als mijn omgeving om me te verbergen achter “ik heb daar geen tijd voor”, “dat past nu niet in mijn leven”, enzovoort... Als je mijn professionele loopbaan bekijkt dan zie je een vreemd kronkelbaantje met hier en daar een onverwachte wending, een haarspeldbocht of wat heuvels en dalen.   Een rode draad is er wel ten dienste staan van anderen en soms stel ik mezelf de vraag: waarom?   Ben ik behulpzaam of ben ik graag nodig?   Kan ik me nuttig voelen als ik niet het gevoel heb dat ik anderen help?   En (hoelang) hou ik dit vol als het aan blijft voelen als ter plaatse trappelen (wat wel eens durft voorvallen in de hulpverlening)?   7 jaar geleden dook ik het werkveld in En alsof dat op zich al niet spannend genoeg was deed ik dat ineens in Brussel.   Andere talen.  Dezelfde (maar ook extra) problemen. Meer obstakels. Meer organisaties. Een lappendeken aan  doorverwijzers,  cliënten en collega’s.   Mijn voornemen om louter te focussen op preventief werk werd al snel overboord gegooid.   (Want bestaat dat nog - preventief werk? Soms lijkt het van niet).   En soms neemt het allemaal even de bovenhand Is mijn geduld helemaal opgebruikt Of mijn vertrouwen in de mensheid verdampt.   Mijn wereldbeeld aangetast door het onrecht dat ik dagelijks voorgeschoteld krijg en waarvan je haast zou denken het treft precies de meerderheid (wat gelukkig niet zo is)   Soms kom ik thuis met een verhaal “vandaag heb ik een nieuwe vicieuze cirkel ontdekt” of “een nieuwe manier om mensen in de kou te zetten”   En dan denk ik -heel even- zou het niet fijn zijn om die dingen allemaal gewoon niet te weten?   Als het waar is dat ge een product zijt van uw omgeving   Zou ge u dan niet beter omringen door mensen   die reiken naar de sterren?   en niet zij   die achterblijven in het stof?   Of is dat niet waar de echte menselijkheid zich verstopt?

annakdotes
4 0

De geur van een Palaroid

Cadzand is altijd een goed idee. Als ik het gevoel heb dat de wereld precies een spelletje speelt waarvan iedereen de regels kent, behalve ik. Als ik weer dat kind ben dat op de speelplaats net iets te laat vraagt of het nog mag meedoen. Of wanneer alles zo hard begint te roepen dat ik mezelf niet meer goed hoor. Dan rij ik naar Cadzand. Daar kunt ge ademen. Echt ademen. Er zijn polders, fietspaden, duinen en van die houten palen op het strand die daar al decennialang staan. Wind? Prima. Storm? Ook goed. Hoogwater? Kom maar op. Ze lijken zich nergens druk om te maken. Alsof ze willen zeggen: Rustig maar, meisje. De zee heeft al erger gezien. Daarom hou ik zo van Cadzand. Maar er is meer. Tussen die duinen en die polders ligt een heel album vol Polaroids van mijn kindertijd. Van die foto's met afgeronde witte randjes, waarvan de kleuren stilaan zijn vervaagd. Waarop ik rondloop met een blond vlaskopje, een sponsen shortje, een Mickey Mouse T-shirt en knieën die nooit helemaal genezen zijn. Foto's waarop de zon altijd schijnt, vakanties eindeloos duren en niemand ooit op de klok kijkt. Op camping De Hoogte. In een stacaravan. Bij bomma en bompa. Daar hoefde ge nooit te vragen of ge mocht meedoen. Ge pakte uw fiets en tegen dat ge aan het einde van de camping waart, waart ge alweer iemand tegengekomen. We reden urenlang rondjes zonder bestemming, gewoon omdat het kon. Tegen de avond verzamelde iedereen zich aan de petanquebaan. De volwassenen gooiden met bloedernstige gezichten metalen ballen naar een klein houten balletje. En wij stonden erachter alsof België elk moment olympisch goud kon winnen. Ge had niet veel nodig in de jaren tachtig. Als het donker werd, doken we ergens een caravan binnen om Super Mario Bros te spelen. Of te kijken hoe iemand anders speelde. Dat weet ik eigenlijk niet meer.  Dat was vakantie. Maar van al die Polaroids is er één die altijd scherper is gebleven dan de rest. Die van de ochtenden. Elke ochtend stond bompa als eerste op. Hij bakte spek. Nog voor mijn ogen goed open waren, kroop die geur al door de caravan. Een mengeling van een beslapen hoofdkussen, warme caravan, koffie en spek dat lag te sissen in een pan waarvan geen enkele cardioloog vandaag nog de inhoud zou goedkeuren. Mijn zus en ik kwamen dan in ons zomerslaapkleedje aangeschuifeld. Bompa keek naar de pan. Dan naar ons. Wij naar de pan. Hij schoof de pan een beetje dichterbij en zei samenzweerderig: "Dopt er maar eens in." Alsof hij ons zojuist had ingewijd in een geheim genootschap. Wij pakten onze boterham en dopten die schaamteloos in het warme spekvet. Bompa keek goedkeurend toe. In de jaren tachtig bestond cholesterol volgens mij gewoon nog niet. Vandaag is Cadzand veranderd. Veel zelfs. Er zijn prachtige appartementen gekomen. Mooie restaurants. Strandpaviljoens waar ge dingen kunt bestellen waarvan mijn bompa waarschijnlijk eerst drie keer zou gevraagd hebben wat het precies was en daarna toch gewoon een koffie zou genomen hebben. Wanneer ik daar ben, stop ik nog altijd aan camping De Hoogte. Ik parkeer mijn auto en loop een beetje verlegen de camping op. Alsof iemand elk moment kan vragen wat ik daar eigenlijk kom doen. En eerlijk? Ik zou het antwoord niet goed weten. Even kijken. Even ruiken. Want het vreemde is: het ruikt daar nog altijd naar vroeger. De beits van de grote schuur wanneer ge binnenkomt. Het rubber van de banden aan de speeltuin. De caravans die warm worden in de zon. Gras. Polder. Een beetje zee. En ergens tussen al die geuren.. het spek van bompa. Geuren zijn vreemde dingen. Ze trekken zich niets aan van tijd. Ze sleuren u zonder waarschuwing veertig jaar terug. Plots zijt ge geen vrouw meer die met een hoofd vol zorgen naar Cadzand is gereden. Ge zijt weer dat meisje met een blond vlaskopje, een sponsen shortje en een Mickey Mouse T-shirt. En ge zit met een stuk brood in uw hand te wachten tot bompa heel even glimlacht en de pan naar u toe schuift om te doppen. Bompa zei eigenlijk nooit dat hij ons graag zag. Dat deden mannen van zijn generatie niet. Die bakten spek. Die repareerden uw fiets. Die wachtten tot iedereen aan tafel zat. Die legden zonder iets te zeggen het beste stukje op uw bord. En die keken. Met zo'n blik waarvan ge als kind nog niet wist dat ge hem later uw hele leven zou proberen terug te vinden. Misschien rij ik daarom nog altijd naar Cadzand. Niet voor de zee,  maar omdat daar nog altijd een klein stukje wereld bestaat waar ze niet zeggen dat ze u graag zien. Ze bakken spek en ze schuiven de pan een beetje dichterbij.

Katrien Daniels
46 4

Meisje van bijna 50

Ik vraag me al een tijdje af op welk moment, welk exacte moment een mens oud wordt. Niet écht oud. Dat is nog een ander hoofdstuk. Ik bedoel het moment waarop de buitenwereld stilletjes beslist dat ge niet langer bij de jonge mensen hoort. Ik dacht eerst dat het mijn haar was. Dat wordt grijs. Ik probeer dat sportief op te nemen. Echt waar. Ik heb helemaal niets tegen grijs haar. Bij andere mensen vind ik dat zelfs mooi. Karakter. Ervaring. Charme. Alleen heb ik precies het soort grijs haar waardoor mensen spontaan beginnen te vragen hoe lang het nog duurt voor mijn pensioen. En dan trekt het laatste kind het huis uit. Plots woonde ik alleen. Geen geroep meer dat de shampoo op was. Niemand die om tien uur 's avonds nog bitterballen in de airfryer gooide. Geen schoenen meer midden in de gang. Dacht ik. Tot ik na drie dagen besefte dat die schoenen... van mij waren. Blijkbaar was ik al die jaren zelf de huisgenoot waar ik me mateloos aan kon ergeren. Misschien begint ouder worden daar. Wanneer ge ruzie krijgt met uzelf. Vorige week kreeg ik op de Lokerse Feesten het volgende signaal. Ik keek rond en dacht: Amai... wanneer zijn al die oude mensen hier binnengeraakt? Overal mannen met bierbuiken die eruitzagen alsof ze al vijftien jaar gingen beginnen lopen. Van die indrukwekkende grijze baarden waardoor ge spontaan "meneer" zegt. Mensen die niet meer dansen, maar voorzichtig meebewegen. Niet op het ritme van de muziek, maar op het ritme waarop hun knieën het nog net verantwoord vinden. Er liepen opvallend veel mensen rond met een trui rond hun middel. Niet omdat dat plots weer mode was, maar omdat ge weet dat het na tien uur fris wordt. En de vrouwen... die hadden allemaal een handtas mee waar ge zonder problemen een klein Decathlon-filiaal mee kunt openen. Een regenjas. Een leesbril (uiteraard! Een leesbril!). Lippenbalsem. Een powerbank. Pleisters. Een Dafalgan. Waarschijnlijk ook nog een pepermuntje. Vroeger zocht ik op een festival de toog. Nu betrapte ik mezelf op de gedachte: "Amai... die toiletten zijn hier eigenlijk proper." En toen hoorde ik mezelf ook nog zeggen: "Zullen we stilletjes vertrekken? Dan zijn we de file voor." Dat was het moment waarop ik besefte dat ik niet naar oude mensen stond te kijken. Ik was één van die oude mensen.  Maar de echte genadeslag kwam deze zomer op kamp. Ik stond aardappelen te schillen toen een jongetje van zes naast mij kwam zitten. Kinderen zijn fantastische wezens. Ze zeggen altijd de waarheid. Ook wanneer niemand daarom gevraagd heeft. Hij keek een hele tijd naar mij. Heel aandachtig. En vroeg toen: "Jij bent al zestig, hè, moeke?" Ge kent dat gevoel dat uw hart heel even stopt, terwijl ge tegelijkertijd al uw rimpels voelt? "Nee hoor," zei ik. "Bijna vijftig." Hij dacht daar misschien drie seconden over na. "Da's eigenlijk bijna hetzelfde." Er zijn discussies die ge niet kunt winnen. Ik heb hem nog een extra worst gegeven. Niet omdat hij gelijk had, maar omdat ik op mijn leeftijd geleerd heb dat zwijgen goud is. Misschien is dát ouder worden. Niet dat ge u oud voelt. Maar dat ge steeds vaker mensen tegenkomt die u eraan herinneren. Al moet ik eerlijk toegeven... Ik word nog altijd verliefd alsof ik zestien ben. Ik zet de radio nog altijd veel te luid. Ik ga nog altijd naar de Lokerse Feesten. Alleen kom ik tegenwoordig thuis met twee conclusies: Het is goed waar de toiletten proper zijn en dat manneke, die krijgt volgend jaar spruiten.

Katrien Daniels
49 1

Viswijven

Op kot leert ge al snel dat er twee soorten mensen bestaan. Mensen die hun leven op orde hebben. En mensen zoals ik. Els hoorde zonder enige twijfel bij de eerste categorie. De kamer recht tegenover de mijne. Zij had een bed dat opgemaakt was. Ik had een bed waarvan ge soms niet meer wist welke kant boven lag. Zij had yoghurt in de koelkast die niet over datum ging. Ik had vooral goede bedoelingen en een collectie koffietassen met een biologisch experiment onderaan. Els kon zonder moeite een weekmenu maken. Ik leefde volgens het gastronomische principe: we zien wel. Wij hadden een waterdicht plan voor als onze studies grandioos zouden mislukken. Wij gingen surimi, garnalen en wulken verkopen aan de kaai van Oostende. Niet zomaar een viskraam. Wij gingen de twee gezelligste viswijven van de kaai worden. Mensen zouden eigenlijk geen garnalen komen kopen. Ze zouden blijven plakken voor de sfeer. Voor een babbeltje. Voor een gratis levensadvies tussen de wulken. Achteraf bekeken hadden we geen flauw idee hoe ge een viskraam runt. Maar we waren er wel rotsvast van overtuigd dat we fantastische viswijven zouden zijn. Het is er nooit van gekomen. Wij konden uren praten. Over alles en niks. En vooral over dingen die een normaal mens nooit bedenkt. Toen mijn goudvis stierf, vonden wij dat een begrafenis op zijn plaats was. Niet zomaar een minuut stilte boven de wc-pot. Nee. Een plechtigheid. Met speeches. En omdat een goede uitvaart ook een koffietafel verdient, aten wij achteraf fishsticks.  En dan was er het Songfestival. Volgens Els en mij is het nog altijd een schande dat de finale geen officiële betaalde feestdag is. Ge kunt toch niet verwachten dat mensen de dag nadien productief zijn nadat ge tot één uur 's nachts hebt gediscussieerd over de puntentelling van Moldavië?  Dat soort avonden. Van die avonden die ge later onmogelijk kunt uitleggen zonder dat iemand zich zorgen begint te maken. En daarna gebeurde wat altijd gebeurt. Het leven. Voor Els ging dat wonderwel volgens plan. Ze bouwde samen met haar vriendin een warm en rustig leven uit. Zo'n huis waar ge spontaan uw schoenen wilt uitdoen. En vier prachtige dochters die het bewijs zijn dat sommige dromen gewoon uitkomen. Ik maakte van mijn leven eerder een opstapeling van plots uit een weekendfilm. Met iets te veel onverwachte wendingen, een paar personages die ge halverwege liever had herschreven en gelukkig ook af en toe een scène waarvan ge denkt: daarvoor kijkt een mens nu televisie.   En wij. Wij bleven elkaar horen. Soms zat er een paar maanden tussen. Soms nog wat langer. Maar dat bleek nooit een probleem. Een vriendschap tussen twee toekomstige viswijven heeft blijkbaar maar een halve pannenkoek nodig om opnieuw midden in een gesprek te belanden dat dertig jaar geleden even was onderbroken. Els heeft trouwens altijd volgehouden dat ze eigenlijk met mij had moeten trouwen. Dat ik ooit wel zou inzien dat mannen mij vooral veel kopzorgen hebben bezorgd en dat zij al die tijd gewoon geduldig op mij heeft gewacht. Ik heb haar beloofd dat ik haar haar zin geef. Later. In het woonzorgcentrum. Dan racen we met onze scootmobielen door de gangen, leiden we de nachtwakers af zodat we nog uren kunnen babbelen en doen we alsof we opnieuw op kot zitten. En daarna eten we fishsticks. Dat viskraam....Dat vind ik nog altijd een gemiste kans.

Katrien Daniels
107 2