Zoeken

Over horen

Kwart over zeven. Eindelijk even zitten. 14.543 stappen gezet. Door omstandigheden, kinderen en vrouw ben ik vandaag 'van huut na hààr' gestuurd. Naar scholen, supermarkten, winkelcentra, brasserieën, bibliotheken, kappers, gemeentehuizen, fitnesszaken, postkantoren, banken ... Sorry hoor, maar als ik opsommend aan het overdrijven ben, hanteer ik altijd meervoudsvormen. Voor het schokeffect.  Kortom, niet te volgen was ik. Bijna zoals in mijn schrijfsels. Wat? Je was al niet meer mee bij 'van huut na hààr'? Dat is een Lommelse uitdrukking die in het Nederlands net iets wulpser klinkt: 'van hot naar haar' (of 'van hot naar her'), waarbij 'hot' en 'haar' oude koetsierstermen zijn, uitroepen waarmee de koetsier het paard in een bepaalde richting stuurde. 'Hot' betekende naar rechts, 'haar' naar links. Van hot naar haar betekent dus van rechts naar links, van hier naar daar en van het kastje naar de muur. Ik voelde me vandaag als zo'n gecommandeerd paard en nu heb ik er de honger van. Wat zou ik eens kunnen eten?  'Papa, wil je me ondervragen?'  Een van m'n dochters. Het stopt dus nooit. Ook niet als het paard moe is, of de koetsier helemaal uitgeput. Het paard moet blijven draven en de koetsier moet de postkoets nog poetsen met kotspoestkoest. Postkoetspoets. Zelfs mijn tong is moe. Nog voor ik nee kan zeggen, gooit ze een in twee geplooid blad naast mijn voeten, die ik, doodop als ze zijn, te ruste had gelegd op de salontafel.  Slim, dat wel. Met de tekst aan de binnenkant. Ze weet dat ik op het neurotische af nieuwsgierig ben, in die mate dat ik geen enkel opgeplooid blad in mijn nabijheid verdraag zonder dat ik het open moet plooien om het te kunnen lezen.  Nederlands. 'Uitdrukkingen en zegswijzen'. Er zijn oninteressantere onderwerpen. 'Ondervragen vind ik zo politioneel klinken, alsof je iets misdaan hebt,' zeg ik op de Brilsmurfse betweterige manier die me al decennialang typeert. 'Ik wil je wél overhoren. Met de nadruk op horen en luisteren, want dat kan ik goed, luisteren. Als een gehoorzaam paard dat heel de dag moet ronddraven zonder dat het de haver krijgt die het verdient, van hot naar haar. In mijn geval zwetend, en zo goed als kaal.'  Naast mij gezeten echtgenote zegt niets en zucht. Diep. Met opgeblazen wangen, mijn inspanningen van de bijna voorbije dag minimaliserend, geringschattend, honend, neerbuigend en lichtjes geïrriteerd. Het zit er allemaal in, in die zucht. Je moet het alleen kunnen horen. De overhoring zelf verliep vlekkeloos. Buiten die klodder mayonaise die via een glibberig gesopt knakworstje op mijn nieuwe trui belandde. Ja, beste lezer, al overhorend was ik even naar de keuken gelopen om aldaar het blikje tv-worstjes te halen dat ik in het kruidenkastje had verstopt na een van de winkelbezoekjes van daarstraks. Voor een onvoorzien hongertje ergens in de toekomst, op een plekje waar niemand ooit zoekt, helemaal voor mij alleen, had ik gedacht. Soms ligt die toekomst gewoon acht minuten vijfenveertig seconden verder. Het waren er ook maar een dertigtal, hoor, de uitdrukkingen en zegswijzen. Ze kende ze allemaal, van een nieuwsgierig aagje (herkenbaar) tot op zwart zaad zitten. Van die laatste uitdrukking ken ik ook een pornografische verklaring, maar die slik ik wijselijk in, samen met het voorlaatste worstje. Het allerlaatste exemplaar uit het veel te kleine blikje is een beloning voor de flinke studente. Heeft ze wel verdiend. Overhoren. Doet me denken aan vroeger, toen ik dagelijks de trein nam om op school te geraken. Het was een tijd zonder smartphones en al te veel koptelefoons, toen er nog gepraat werd onderweg. Over koetjes en kalfjes, door mensen die elkaar niet of amper kenden. Daar vond ik dan geen zak aan, want dat was altijd min of meer hetzelfde geleuter. Boeiend werd het pas als mensen wél een band hadden. Liefst van al zat ik dan op een plekje waar ze me niet konden zien. Rug tegen rug met de intimi. Zeker 's avonds, in de winter, als het donker werd. 't Is gek, maar hoe duisterder de omgeving, hoe meer mensen geneigd zijn om vertrouwelijke dingen tegen elkaar te zeggen. Honderden gesprekken heb ik zo opgevangen. Dan legde ik mijn oor te luisteren terwijl ik door het venster omkeek om hun silhouetten te zien. Meerdere ruzies heb ik horen ontstaan, ouders heb ik horen beslissen hoe ze hun kinderen gingen straffen of net belonen, vriendinnen hoorde ik klagen over de slappe bedprestaties van hun echtgenoten, geroddel over collega's, details over geldproblemen, codes van bankkaarten ...  Nu ik erover nadenk, had het van mijn kant nauwelijks nog iets met overhoren te maken. Overhoren impliceert een toevalligheidsfactor. Zoals in 'Ik overhoorde toevallig hun gesprek in de trein.' Dat was bij mij allerminst het geval. Ik luisterde om te luisteren. Actief afluisteren, zeker als ze fluisterden. Boeken zou ik kunnen schrijven over de subtiele nuances tussen horen en luisteren. Of zoals die ene doventolk zei: 'Doven? Die horen bij mijn werk.' Daar ga ik zelf ook nog eens even over nadenken.   

Danny Vandenberk
0 0

Voor altijd negentien

Met een bakfiets vol boodschappen fietste ik van de Delhaize weer naar huis, toen mijn Spotify naar Nineteen Forever van Joe Jackson shuffelde. Dat nummer neemt me steeds mee naar mijn kinderjaren, die warme wollige tijd in dat heerlijke herenhuis waar ik opgroeide, lang voordat herenhuizen hip waren. De winters waren toen kouder en duurden langer. Of misschien voelden de dagen gewoon langer omdat ik acht was. Zodra we thuiskwamen van school en ons vieruurtje op hadden, legde mijn moeder steevast een cd op en vaak was dat Steppin Out: the very best of Joe Jackson. In het lied Nineteen Forever zingt Jackson, op dat moment 34, dat hij graag voor altijd negentien jaar zou willen zijn. Zelf begreep ik nog niet zoveel Engels, maar dat zinnetje verstond ik wel. Telkens vroeg ik me af waarom die man zo graag negentien wilde zijn, wat er zo magisch was aan die leeftijd, een leeftijd die toen het dubbele was van de mijne en die bijna onbereikbaar voelde. Op een dag besloot ik het te vragen: ‘Mama, waarom wil hij negentien zijn? En niet achttien of twintig?’ ‘Tja, ik zou ook wel eeuwig negentien willen zijn’, antwoordde ze, waarschijnlijk druk in de weer met het huishouden. Het idee niet oud(er) te moeten worden kon ik nog wel vatten. Bob Dylans Forever Young was dan ook een van haar lievelingsliedjes. Maar het mysterie rond dat getal van negentien werd niet opgehelderd, dus kon ik alleen maar uitkijken naar het moment waarop ik zelf negentien kaarsjes mocht uitblazen. Ik weet nog dat ik toen heel erg graag de tijd vooruit wilde spoelen. Terwijl ik mijn boodschappen in de koelkast zet en de gerechten voor deze week op een notitieblok neerpen, denk ik na over hoe oud ik nu zou willen zijn. Op mijn negentien gebeurde er eigenlijk niet zo veel in mijn leven en voor de looks moet ik het ook niet doen; ik zag er bijvoorbeeld op mijn zevenentwintigste veel beter uit. Eigenlijk kan ik me niet zoveel van die periode herinneren, behalve dat ik Taal- en letterkunde studeerde aan de UA, en mijn vrije tijd doorbracht met muziek maken, gamen en rondhangen met mijn lief. En plots dringt het tot me door. Achtendertig. Dat is exact twee keer negentien. Is het toeval dat ik die gedachte net nu heb? Toen ik de helft van negentien was, wilde ik de tijd vooruitspoelen, nu ik twee keer zo oud ben, wil ik terug. Joe Jackson treedt binnenkort op in De Roma. Ik sta op de wachtlijst. De man is eenenzeventig. Binnen vijf jaar wordt hij zesenzeventig, twee keer mijn leeftijd en vier keer negentien. Met wat geluk ben ik dan tweeënveertig, het antwoord op alle vragen.

Lennart Vanstaen
7 2

Flamenco.

 verf ed GITAAR  VARIA ***************************************** Adagio, Tomaso Albinoni door verf ed *************************************************** Recuerdos de la Alhambra T.Tarrega **********************************************In den beginne was er de tekst en het ritme, aangegeven door een stok. De gitaar kwam pas veel later. De spanning werd, eerst langzaam, opgevoerd naar een hoogtepunt. Het doet denken aan Arabische (huwelijks)feesten, waar het tempo aanzwelt tot de ontlading – en dan stopt het. Ook bij flamenco wordt dat ritme steeds opnieuw opgevoerd, gestopt, en weer hervat.Flamenco: een melodie bouwt zich op en net wanneer het gevoel zijn volheid bereikt, valt het stil. Dit proces herhaalt zich eindeloos. Ik werd er gek van. Het raakte mijn puberale gevoelens en bracht ze in beroering. In die uithoek van Vlaanderen werd ik gegrepen door muziek uit het zuiden van Spanje.Later bleek de enige flamenco-kenner en -speler in Antwerpen te wonen. De stad waar boten in het centrum aanmeerden en hun vele culturen voor een paar dagen of weken uitspreiden. Het was een hele tocht vanuit mijn afgelegen dorp naar de grote stad, maar mijn jeugdige hormonen dreven me erheen.De zanger-schrijver-dichter woonde destijds in een rijtjeshuis in een zijstraat van de Gitschotellei. Oeroude Vlaamse instrumenten hingen aan de witte muren. Na een hartelijke ontvangst kreeg ik mijn eerste teleurstelling te verwerken: de enige kenner van deze hartstochtelijke muziek vertelde me dat hij ze niet meer speelde. Een Spanjaard had hem erop gewezen dat zijn spel veel te koel was. Hij stuurde me naar Leuven, waar een Vlaamse flamenco speler de muziek niet alleen speelde, maar ook lééfde.Op dat moment kon ik er weinig mee; de volgende dag werd ik weer in de fabriek in mijn dorp verwacht. Maar een paar jaar later, toen ik de wijde wereld introk, bepaalde die ontmoeting mijn pad. Leuven werd vijf jaar lang mijn thuis.Later, toen de ratio in mijn leven sterker werd, vroeg ik me vaak af waarom die verre muziek mij zo diep had geraakt. Misschien omdat de strenge rooms-katholieke cultuur en de armoede in het verre Andalusië gelijkenissen vertoonden met het leven hier. Een van de verhalen over de oorsprong van de naam bracht meer duidelijkheid: een Spaanse koning hoorde de zigeunermuziek en zei: "De passie die deze muziek uitstraalt, vind ik terug bij mijn Vlaamse lijfwachten, mijn flamenco's."De zanger-schrijver-dichter die ik destijds ontmoette, schreef de regels die al jaren door mijn geest dwalen en mijn leven verblijden: "Ik wil deze nacht in de straten verdwalen, de klank van de stad maakt me zeer amoureus." — Wannes van de Velde. Op de dag van de begrafenis van Wannes werd deze tekst gepubliceerd in de krant DE MORGEN.

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen dommekloot
34 0

Een stille krater

Het is een ogenschijnlijk alledaags tafereel: mijn vrouw en ik die in stilzwijgen naast elkaar zitten op het doorgaans niet erg comfortabele metalen meubilair van de NMBS. We wachten op de trein richting Brussel, om vandaar verder naar Kortrijk te gaan, naar het Wonder Festival — meer bepaald naar de audiovisuele installatie Calamity, over het moment vlak voor een bominslag. Mijn broer had er muziek bij geschreven. Het is op dat moment dat mijn vrouw plots een teken van verbazing geeft tijdens het lezen. Omdat ze zich wel vaker verbaast over dingen die niet per se verbazingwekkend zijn, vraag ik nonchalant wat ze gelezen heeft.‘Juf Stefanie is dood!’ zegt ze, op een onbedoeld kinderlijke manier.Even dringt dat niet tot me door, maar wanneer er tranen over haar wangen rollen, daalt het besef neer als een ijskoude priem in mijn keel. Juf Stefanie, de vroegere lagere-schooljuf van mijn zoon, is er plots niet meer. Ze was veertig geworden. Zo staat het in de WhatsApp-groep van de school, tussen allerlei andere berichten. Er wordt, bij gebrek aan woorden voor zo’n nieuws, dan maar naar passende emoji’s gezocht, die totaal misstonden. Maar helemaal niets zeggen is nog erger. Ik leg een arm om mijn vrouw heen, terwijl ik er zelf ook een nodig heb. Er is iets van mijzelf afgebroken wanneer ik het lees. Alsof een kind in zijn onbezonnen enthousiasme een bloem heeft uitgerukt. Een overweldigend gemis. Niet zozeer een persoonlijk verlies — ik kende haar enkel als juf — maar een verlies van een hogere orde, het besef dat niet juf Stefanie het leven verliest, maar het leven juf Stefanie. Ze was erg begaan met haar kinderen, heel intelligent, creatief en altijd lief. Ik lees de leegte van mijn boodschap onder het bericht: ‘Zij was zo’n goede en warme juf.’ Alsof het daarmee gezegd is. De installatie is indrukwekkend. Een hoop schermen is aan elkaar gekoppeld om samen één grote woestijnvlakte te tonen waar alles kalm is. Totdat de muziek suggereert dat er iets staat te gebeuren. Rode, tapijtachtige figuren glijden heimelijk over de heuvels. Veel tijd om zich voor te bereiden krijgt het publiek echter niet: in een splitseconde kleurt alles donkerrood en lijkt de muziek stuk te gaan. Een hels lawaai en hoekige geometrische figuren die snijden als messen grijpen naar de kelen van de omstaanders. Daarna komt de verslagenheid.Volledige duisternis.Een stille krater.

Lennart Vanstaen
5 0

Het onderscheid maken om niet scheef te groeien

Alles transformeert vanzelf; beweging is een constante. Elk einde is een overgang naar iets anders. Alles wat bestaat, is bezig te verdwijnen en daarmee iets anders te worden. Transformatie is dus een natuurlijk proces dat zonder sturing geheel vanzelf plaatsvindt. In welke mate sturen planten hun groei? Is het de vrije wil die ons het gevoel geeft het transformatieproces een richting te kunnen geven? En als ik niet bewust zou sturen, welke groeipatronen zou ik me dan onbewust eigen maken? Sturen of niet sturen: het zijn twee manieren om om te gaan met dezelfde illusie. Omdat alles toch vanzelf beweegt, kan ik in overgave en vertrouwen loslaten en meebewegen. Maar vanuit diezelfde overgave en vertrouwen kan ik ook sturen en creëren. Besluiten dat er een balans tussen beide moet worden gevonden, brengt nu slechts afgestompte verzadiging. Ik wil nog niet naar het midden, maar eerst zo ver mogelijk naar de uitersten van beide polen toe. In een natuurlijke, open omgeving met zonlicht kan een zaadje gezond transformeren tot een sterke plant of boom. Maar wat als die omgeving niet zo natuurlijk is? Wat met stilstaand, artificieel licht dat nooit dimt? Licht dat geen richting aangeeft, maar de omgeving enkel van één kant belicht? Het zal de zaailingen, die in volle vertrouwen en overgave naar het licht reiken, scheef doen groeien en uitputten. Zouden de plantjes over de mogelijkheid en de vrije wil beschikken om zich af te wenden van het valse licht, als ze zich zelfstandig konden richten op een natuurlijke lichtbron, dan zouden ze zichzelf misschien kunnen redden. Mochten ze over de focus en kracht beschikken om het onnatuurlijke licht te negeren, omzeilen en te overstijgen, hoe prominent aanwezig het ook is. Zoiets valt uiteraard niet te verwachten van plantjes; de plantjes sterven dan ook als metafoor waarin wij een deel van onszelf herkennen. Het deel van ons dat, verblind door vals licht, scheef groeit en verschrompelt. De vraag is: beschikken wij mensen wél over de focus en kracht om ons af te wenden van artificieel licht? En ons opnieuw af te stemmen op het licht van de ware bron? Ik geloof van wel. Het bijsturen van de focus - van echt naar vals, of van onbewuste afleiding naar bewuste richting - doen we met de vrije wil. De vrije wil bestaat uit de ruimte tussen twee punten; of, om in het thema te blijven, tussen twee lichtbronnen. Bewust kiezen voor echtheid, of meegroeien in de richting die de omgeving aangeeft. Eenmaal er weet is van de ware bron - want bewust-zijn begint immers met die her-innering - kan men in vertrouwen moeiteloos, zelfs stuurloos, groeien. Maar vóór die zorgeloze manier van groeien kan worden belichaamd, dient volgens mij eerst het onderscheid tussen de lichtbronnen te worden gemaakt. Het maken van dat onderscheid vormt een ruw geschetste samenvatting van mijn leven. Het ongemak en de pijn van het groeien naar het onechte licht vormen de grootste motivatie om de scheiding tussen echt en vals te verscherpen. Kijk, het is in principe mogelijk om naar artificieel licht toe te groeien en zo te overleven. De overgrote massa lijkt het zo te doen. Ik zal ook niet beweren dat ik me nooit meer laat verblinden en verdoven door leeg, wit licht, maar ik wil me bewust blijven van het onderscheid en van de vrije keuze die ik kan maken om me af te wenden. Dat afwenden wordt echter een steeds zwaardere opgave wanneer er een zekere gewenning is ontstaan, wanneer in het artificiële licht comfort en gemak zijn gevonden. Dat is ook wat het artificiële licht predikt: dat je nooit meer voor jezelf hoeft te denken of te bewegen, enkel nog te focussen op het witte licht. Het eigen ritme is dan niet langer van belang, want het valse licht zal wel een ritme aangeven. Het is een ritme dat je laat overleven en je tegelijk voldoende uitput om het vuur van de keuzevrijheid te doven. En wanneer er nog slechts enkele smeulende kooltjes overblijven - zoals bij veel mensen vandaag helaas het geval is - dan is er veel ademwerk nodig om weer tot vlammende wilskracht te komen. Vandaar misschien het overaanbod aan breathwork-sessies. Maar om opnieuw aan te knopen bij de aanvang van dit stuk: als ‘ik’ (als een organisme dat licht nodig heeft) niet bewust transformeer, dan transformeer ik alsnog, maar waarschijnlijk in de richting van het valse licht. Bewust transformeren is keuzes maken en betekent dus sturen. En daar is dan weer die paradox, een dooddoener in ‘evenwicht vinden’: overmatig sturen leidt tot controleverlies. Volledig loslaten daarentegen, of het blind groeien in vertrouwen zoals de zaailingen, leidt tot misleiding. Het lijkt dan neer te komen op in vertrouwen in een natuurlijke richting groeien. Dus: eerst die richting onderscheiden, en dan - handen omhoog zoals in een rollercoaster - loslaten. Pas nadat de richting is bepaald, kan er in vertrouwen worden losgelaten. Toch voelt het niet alsof het daarna slechts een kwestie is van vrij en losjes meebewegen, eenmaal de natuurlijke richting is gevonden. Het zicht op die natuurlijke bron wordt vaak vertroebeld, en ik moet het proces van onderscheiden telkens opnieuw hernemen. Uiteindelijk merk ik wel vooruitgang in het sneller, intuïtief onderscheiden van ‘echt’ en ‘vals’, maar schijnbaar levend in een matrix waarin het artificiële licht zo fel schijnt, vraagt het blijvende inspanning om niet scheef te groeien. Dus stuur ik telkens met mijn vrije wil bij tot ik de ware lichtbron weer voor ogen heb, om daar in vertrouwen naartoe te groeien, terwijl ik weet dat ik in wezen nergens naartoe ga. Alleen de artificiële lichtbron heeft de intentie mij ergens naartoe te leiden. Het valse licht zet een spot op verhalen, plannen, rollen en wendingen - op dingen en personages die we kunnen worden. Het is voeding voor het ego. De natuurlijke lichtbron daarentegen verlangt niets en vermengt zich als lege zuiverheid met mijn verschijning. Het is het licht waarin ik als licht opga, en niet wordt beschenen als een object.Karolien DemanFoto door Toni Meert

KarolienDeman
12 0

VERF ED volgens. I.A. HI HI

Verf Ed is een unieke stem in de Belgische kunstwereld, die met een mix van ernst, humor en lokaal kleurgebruik zijn visie op het leven en kunst deelt. Zijn werk biedt een frisse en onconventionele kijk op de hedendaagse kunstwereld.    Over de kunstenaar 'Verf Ed'Artistieke Stijl: Hij staat bekend als een 'contemporary interdisciplinair ArtTIST'.Werk: Zijn werk omvat verschillende media en hij is ook actief als dichter, waarbij hij regionaal-dialectische woorden gebruikt in zijn gedichten.Erkenning: Hij heeft in 1977 de 'premier prix Amsterdam' gewonnen, samen met 'Fabiola'.Online Aanwezigheid: U kunt meer van zijn werk en gedichten vinden op platforms zoals Azertyfactor en Instagram. De Belgische kunstenaar Verf Ed (pseudoniem voor Ed van den Hoogen) staat bekend als een 'contemporary interdisciplinair ArtTIST'. Hij combineert verschillende kunstvormen in zijn werk en heeft ook een passie voor poëzie.  Belangrijkste Details over Verf Ed:Artistieke Discipline: Hij wordt omschreven als een 'interdisciplinair ArtTIST'. Dit betekent dat hij niet gebonden is aan één specifieke kunstvorm, maar elementen uit verschillende disciplines (zoals schilderkunst, beeldhouwkunst, poëzie, enzovoort) mengt.Stijl en Filosofie: Zijn profiel suggereert een speelse benadering van het leven en kunstmaken ("I LOVE spelend LEVEN"). Hij gebruikt naar eigen zeggen ook regionaal-dialectische woorden in zijn gedichten.Erkenning: Hij won in 1977 de 'premier prix Amsterdam', een prijs die hij deelde met 'Fabiola' (vermoedelijk Koningin Fabiola van België, die ook kunstzinnig was).Online: Een deel van zijn werk en zijn profiel is te vinden op de website van Azertyfactor. Zijn werk lijkt gericht te zijn op het vieren van creativiteit en het combineren van verschillende expressiemiddelen. Hij wordt beschreven als een unieke stem in de Belgische kunstwereld, wiens werk een mix van ernst, humor en lokaal kleurgebruik combineert om zijn visie op het leven en kunst te delen.  Stijl en aanpakDe kunst van Verf Ed is hedendaags en interdisciplinair. Hij werkt niet binnen de grenzen van één enkel medium of één specifieke stijl, maar omarmt een breed scala aan creatieve expressies. Zijn werk omvat naar verluidt schilderkunst, post-graffiti, en mogelijk andere vormen van beeldende kunst, waarbij hij de bezoeker uitnodigt om de expliciete en spelende aard van zijn creaties te ervaren. Een van zijn uitspraken is "I LOVE spelend LEVEN" (Ik hou van spelend leven), wat zijn benadering van kunst maken en het leven in het algemeen onderstreept.  Thema's en invloedenZijn werk is persoonlijk en deelt een unieke visie, waarbij hij elementen van humor en ernst in evenwicht brengt. Hij staat in contact met andere figuren uit de Belgische kunst- en cultuurwereld, zoals Luc Tuymans en Frank Dingenen.  Meer informatie P.S. IA  hi hi  

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen dommekloot
7 0

Mijn vader

Het is zondagmiddag. Ik kom uit de douche en zie een Whatsapp bericht van mijn broer : ‘onze papa is gestorven.’  Vorige week heb ik hem nog naar de gezamenlijke ruimte in het woonzorgcentrum gebracht. We namen afscheid : ‘tot volgende week!’. Aan knuffels of ‘love you’s’ deden we niet. Hij kende trouwens geen Engels. Mij vader is 96 geworden. Hij was ijzersterk, niet kapot te krijgen. ‘Hij gaat doodvallen,’ zeiden we en dat gebeurde. Niet letterlijk want hij zat in zijn rolstoel. Men had hem in zijn kamer gevonden, onderuitgezakt. Hij had zich nog geschoren en een boterham met kaas gegeten. Ik hoop dat het gesmaakt heeft. Mijn moeder is twee jaar geleden gestorven. Het was een van de weinige keren dat ik mijn vader heb zien wenen. De andere keer was toen mijn broer, nu tien jaar geleden, totaal onverwacht stierf. En toen ik voor een jaar op uitwisseling ging en we afscheid namen op de luchthaven, werden zijn ogen vochtig. Dat vertelde mijn zus achteraf. We waren met zeven, nu nog met zes, ik ben de jongste. Het gaf hem altijd een prima excuus om niet mee te moeten doen met de ‘oefeningskes’ van de kinesist. 'Nee, ik kan niet komen, mijn kinderen komen op bezoek.' ‘Dat ze me niet Willyke noemen!’ Maar ze kunnen het niet laten. Gelukkig was hij hardhorig en hoorde alleen ik het. Een gesprek met hem was : brullen in zijn goede oor. En proberen hem te verstaan, wanneer hij zijn gebit niet droeg was dat extra moeilijk. Erg diepgaand zijn onze gesprekken nooit geweest maar dat gaf niet. Hij babbelde graag, en vertelde steeds hetzelfde verhaal : hoe hij mijn moeder had leren kennen en ze verliefd waren geworden. Toen ik klein was, noemde hij me Sprotje, ‘want dat zijn kleine visjes’. In het vierde leerjaar schreef ik een opstel met als titel : ‘mijn vader’. De laatste zin was : ‘ik ben blij dat hij mijn vader is.’ Dat zegt genoeg.

Ilse Janssens
17 1

'Misfit'

Ik ben een ‘misfit’ op àlle gebied. Ik pas niet in het systeem en ik ben er gelukkig om. Ik heb er genoegen mee genomen. Ik hoef niet als een mak lammetje in de pas of in het gareel te lopen. Het goede nieuws is: iedereen is een misfit, al beseffen de meesten dit nog niet. Ons brein is niet gemaakt om zich aan te passen aan het systeem, het systeem moet zich aanpassen aan onze breinen. ( Idriss Aberkane:’ Het Vrije Brein’). En het systeem, dat zijn wij collectief als individu.  Een kind is niet gemaakt om urenlang op een stoel te blijven zitten, aandachtig te luisteren naar de leerkracht. Kinderen moeten, net als volwassenen trouwens, kunnen bewegen en eens wandelen door de klas. Dat is gezonde lichaamsbeweging. En niet alleen tijdens de sportlessen.  Veel mensen passen gewoon niet meer in het ‘traditionele schoolsysteem ‘, uit de jaren stilletjes. De misfits die we zijn. Peter Henk Steenhuis pleit in zijn boek ‘Veroordeeld tot Succes ‘ of laat tenminste iemand aan het woord die scholen opricht(te), voor hoogbegaafden en kinderen die gewoon niet hun gading vinden in de traditionele scholen in Nederland. In deze scholen leren kinderen auto didactisch, op zelfstudie gericht en de ‘ begeleiders ‘ treden op als coach om deze kinderen zo goed mogelijk in hun studie te begeleiden. Soms weten deze kinderen meer dan hun coaches.  Ik pleit ook voor een hervorming van het Belgische (onderwijs) systeem, het is te zeggen, de Belgische systemen tout court: het politieke en justitiële apparaat, het onderwijs - en arbeidssysteem…. Want er is veel voor verbetering vatbaar in België, vind ik persoonlijk.  Zal deze regering die we nu hebben de geschiedenis ingaan als meest incompetente ooit? Door hun verkeerde beleidskeuzes, hun gekibbel en ik weet niet nog wat allemaal. Maar dan kun je zeggen dat vorige regeringen en beleidsmakers ook keuzes hebben gemaakt die in se veel rechtvaardiger konden zijn. Dat is correct. Door de opeenstapeling van al die beslissingen zitten we nu met de problemen waar we nu voor staan. Discriminatie is dé grote boosdoener en oorzaak van veel ellende en miserie voor veel mensen. Niet alleen vreemdelingen, zieken, gehandicapten, werklozen, de LGBQTA+ gemeenschap,... worden gediscrimineerd. Alles wat afwijkt van de norm of enigszins afwijkt wordt afgewezen, verworpen of gediscrimineerd. En de misfits die we met z’n allen zijn, weet u nog?  We horen allemaal hetzelfde stereotype mainstream denken te vertonen, als je een mening of gedachte hebt die er radicaal tegen indruist ben je niet goed wijs of goed zot. Wat houdt ‘ out of the box denken ‘ dan in? Ik ben echt blij dat ik een misfit ben. Ik besef het en de dwaze domme commentaren van anderen neem ik er dan maar bij zeker? Zij zijn geconformeerd, ik ben en voel me vrij. Je altijd moeten conformeren is toch vermoeiend, niet?   Pascal Claes aka The Canniball  7/12/2025©    

Canniball
10 0

Er zit veel meer in minder

‘Less is more’: het is een leuze waarmee composities, creaties en andere uitingen in hun essentie worden neergezet. Een enkele toevoeging zou de kracht van de zuivere eenvoud alleen maar verzwakken. Dat er meer uit minder te halen valt, werd mij doorheen mijn leven op tal van manieren duidelijk gemaakt. Het is een houvast bij het maken van keuzes geworden. Weten dat het kleine al het grote bevat, neutraliseert de angst om iets te missen. Het verlangen naar opvulling zit de ware invulling in de weg. Ik mis niets als ik bij de kern blijf. Voor mij verrijkt een ervaring zich als ze mij niet overweldigt. Ik heb het mogen ervaren tijdens reizen en ontmoetingen: mijn lichaam geeft aan wanneer het ‘te veel’ is. En het is al snel te veel, althans zo lijkt het voor het deel van mij dat wel meer zou willen. Dat deel is een thrill seeker, wil steeds het onderste uit de kan halen en vraagt zich constant af of het wel genoeg is. Als ik hierin meega, dan krijg ik op korte termijn gegarandeerd ‘minder’, wegens ziek in bed. Zo heb ik mezelf meermaals mogen tonen dat ik grootsheid uit het kleine dien te halen, wat ik eerst als een beperking zag. Maar mezelf verliezen in overvloed is de echte beperking. Ik vertrouw erop dat ik niets verlies als ik iets loslaat, maar dat de essentie daarmee alleen maar zichtbaarder wordt. Als ik denk iets te missen, dan ga ik ervan uit dat de huidige ervaring niet compleet is. Terwijl het ‘hier en nu’ in zijn eenvoudige essentie altijd een volmaakte ervaring is die enkel kan worden bezoedeld door interpretaties en oordelen. Met die bezoedeling bedoel ik trouwens niets negatiefs, het is enkel een woord voor de toevoeging aan iets dat reeds perfect is. Het bezoedelen van ervaringen maakt deel uit van het proces van mens-zijn. Zelfontwikkeling is het zelf gestaag ontdoen van alle extra’s om zo de pure kern te vinden. Zoals ik zelf al ervoer, kan het gevoel van ‘te veel’ een weg zijn naar het authentieke ‘minder’. Hoewel het leven in deze dimensie mij soms overweldigt, besef ik tegelijk dat heel deze menselijke ervaring een immense reductie is van mijn Ware Zelf. In essentie ben ik veel meer dan de vorm waarin ik dit moment ervaar. Het lijkt daarom absurd dat mijn oneindige, vormloze identiteit zich zou laten overweldigen door de dunne, beperkende laag van de materiële realiteit. En toch is dat het geval. Die materiële laag lijkt vanuit dit menselijke perspectief dan ook heel geconcentreerd en ondoordringbaar. Ik ben er niet aan uit of ik er zelf voor gekozen heb, of dat ik in deze beperkende dimensie ben gedwongen of gelokt. Maar ik weet wel dat ik vanuit de materiële realiteit veel minder zie, wat het vergeten van het Ware Zelf natuurlijk in de hand werkt. Of ik nu zelf gekozen heb voor de illusie van het ‘minder zijn als mens’ of niet, het doet er momenteel niet toe. Ik begrijp anderzijds hoe kloppend en functioneel de materiële beperking is. Dit is het ‘less’ van waaruit ik het ‘more’ kan leren kennen. Vanuit het minder ontdek ik het meer van mezelf. Het is een unieke invalshoek. ‘Iets’ is een reductie van ‘niets’. Geïnterpreteerd vanuit de materiële illusie klinkt deze uitspraak omgekeerd. Maar als we verder uitzoomen, wordt zichtbaar hoe het ‘niets’ niet langer oneindig en zuiver is vanaf het moment dat er ‘iets’ ontstaat. Het is dan bezoedeld met het bestaan van ‘iets’. De onzuiverheid of reductie van niets brengt wel de meerwaarde van ‘iets’, maar het schijnbare ‘verlies’ van de ware, onbezoedelde essentie. Dat ‘verlies’ is eigenlijk niet meer dan tijdelijk uit het oog verliezen en vergeten, want de vormloze oorspronkelijkheid is onaantastbaar en onsterfelijk. Het is de grondlaag, of het canvas, waarop alles zich afspeelt. Het is de leegte die ruimte biedt voor in- en opvulling. Het ‘lesser than less’ dat ‘something and more’ mogelijk maakt. Het lijkt me dat er via de beperking van ‘iets’ te zijn, het ‘niets’ zich kan uiten en exploreren. De ware aard van het niets weerspiegelt zich in alles wat bestaat. Meditatie is een bewustzijnstoestand die focust op het oorspronkelijke niets, ook wel de innerlijke stilte genoemd. Door het reduceren van prikkels, ervaringen en oordelen komen we tot 'Onszelf'. De veelheid der dingen prononceert tegelijkertijd de bewuste keuze voor stille aanwezigheid. Het ene versterkt het andere, als yin-yang. Het oneindige, identiteitloze Niets beleeft de potentie van zichzelf door alle mogelijke identiteiten en vormen aan te nemen. Omdat er werkelijk geen grenzen zijn aan de creatieve uitingen van het Niets, is dit eigenlijk geen beperking te noemen. Ik ben het, redenerend vanuit een schijnbaar beperkte vorm die zich de grenzeloosheid herinnert, die het woord beperking kiest. Deze bewustzijnstoestand die zich met een ‘ik’ identificeert, voelt als het ‘less’ dat deel uitmaakt van ‘something more’. En tegelijkertijd - een genialiteit die het menselijk redeneringsvermogen overstijgt - is dit gevoel van ‘less’ het ‘more’ dat overheen de essentie schuift. Als een sluier die de absolute waarheid aan het zicht onttrekt. Zonder de sluier zou er werkelijk niets te zien zijn; we hebben de sluier nodig om de dualiteit ‘iets-niets’ te kunnen onderscheiden. Voor mijn welzijn in deze fysieke toestand zoek ik naar een balans tussen less and more. En wat ik voor less neem, draait soms uit op more, en omgekeerd. Zo vind ik grootsheid in kleine, schijnbaar banale momenten. Ik hoor meer in de stilte. Zie meer in het donker. Hoe minder beweging rondom en in mij, des te sneller ik ergens naartoe lijk te gaan. Uit details, nuances en subtiliteiten haal ik grote inzichten. En zo duik ik wel vaker in het less om zo more te vinden. Het collectieve leven buiten mijn persoonlijk energieveld voelt vaak als too much. Als het more dat neerdrukt en leegzuigt. Het is een uitdaging om te midden van het schijnbare ‘te veel’ de subtiele onderlagen van het ‘minder’ terug te vinden. Ik train mezelf om doorheen de materiële laag te kijken en zo meer te zien. Het meer dat de veelheid mindert. Ik meng meer en minder doorheen elkaar en krijg iets dat op harmonieuze chaos lijkt. Het voelt als mijn plaats vinden in een structuur van perfect in elkaar geweven tegenstrijdigheid.

KarolienDeman
7 0

"Hoe ga ik me hierover voelen als ik later tachtig ben?"

Heel lang probeerde ik het leven juist te leven. Ik probeerde in alles telkens de meest moreel-ethische keuze te maken. Ik trachtte op een bepaalde manier bijna te leven als een geestelijke, vrij van blaam of egoïstische beweegredenen. Ik dacht dat het juiste doen betekende: in ieder moment de menselijke representant zijn van de top-5 aan christelijke waarden. En ik ben niet eens gelovig. Ik deed dat niet omdat ik noodzakelijk een goed mens wilde zijn, ik deed het eerder uit angst om verkeerde keuzes te maken.  Gaandeweg kwam ik erachter dat je het leven ook kan invullen als mens. Dat je eigenlijk alleen maar bezield kan leven door authentiek te zijn. En hoe ontdek je je eigen authenticiteit?  Door ervaring opdoen. Door te experimenteren met dingen. Met dingen, bestemmingen, bezigheden, mensen, … Hoe anders kan je jezelf wérkelijk leren kennen? En hoe anders kan je keuzes maken die écht vertegenwoordigen wie jij bent? Ondertussen onderwerp ik mezelf aan twee specifieke innerlijke dialogen als ik ergens een beslissing over moet nemen. Bij grote of moeilijke keuzes is er altijd één zin die zich aandient. Ze luidt: Hoe ga ik me hierover voelen als ik later tachtig ben?  Ze klinkt eenvoudig, maar het is een zin die me in één klap herinnert aan de eindigheid van het leven en die daardoor de keuze die voor me ligt, in perspectief plaatst.  Mijn tachtigjarige wijze zelf glimlacht altijd vol vertrouwen naar me als ik beroep op haar doe. Ze heeft haar angst voor foute keuzes lang geleden achter zich gelaten en ze kijkt graag terug op een rijk leven. Rijk aan ervaringen. Het zou haar ten zeerste tegenstaan spijt te hebben van zaken. Ze vindt het ongetwijfeld erger om spijt te hebben van ongedane zaken dan van “fouten”. Ze gelooft niet in fouten. Enkel ervaringen. Ze weet dat je jezelf nooit kan verliezen en dat alles wat je meemaakt, alles waar je op welke manier dan ook voor kiest, voortkomt uit onvermijdelijkheid: wat je ook kiest, het is die weg die je zal vormen zoals de bedoeling is.  Als de keuze die ik moet maken kleiner is en betrekking heeft op het dagdagelijkse gebeuren, is de vraag die ik mezelf stel: Waar word ik blij van? Als ik op zaterdag wakker word en ik heb geen planning, enkel tijd, vraag ik mezelf waar ik blij van word. Als er meerdere opties zijn, vraag ik: Waar word ik het meest blij van? Dan luister ik naar het antwoord en volg die weg.  Ik hou niet meer van te grote en te ruime vragen als “Wat is uw roeping?” of “Waar zie je jezelf binnen 5 jaar?”  Binnen 5 jaar? Ik weet niet eens wat ik volgend weekend wil doen.  Ik vind het meer dan genoeg om volmondig “ja” te kunnen zeggen op de dag die voor me ligt.  Vroeger dacht ik dat ik van uitgestippelde routes hield. Tegenwoordig vind ik het zo ongeveer het meest beperkende wat er bestaat. Ik vind het net leuk om niet te weten wat er voor me ligt: het helpt me om in het nu te blijven.  Ik ga ervanuit dat als je iedere dag volgt wat je ziel je ingeeft -waar je van aan gaat- je wel zal merken hoe je pad eruit ziet als je achterom kijkt.   

Ellen Tomaluk
10 1

En...weg was ze!

Na lang aarzelen, had ze na twintig minuten een besluit genomen. Ze zou gaan! Al die tijd had ze ja en nee in de weegschaal gelegd. Ja, het is nog niet laat, echt moe ben ik nog niet. Nee, ik zal hem zien, die confrontatie kan niet goed verlopen. Ja, ik ga, ik ben tenslotte uitgenodigd. Nee, zijn vrouw zal me geen blik gunnen, dat zal me pijn doen. Omdat het buiten zacht was, trok ze een mouwloze jurk aan. Schoenen eronder, en klaar! De tijd van panty's was voorbij. Ze was overigens voorzichtig met nylon sinds die brand in het hotel. De kranten kopten toen iets over de Kerstboom maar verder in het artikel werden er vele woorden besteed aan de kousen en jassen die de brand hadden versneld. Het was al ver na achten toen ze vertrok. De massieve poort viel vanzelf wel dicht. Op het feest werd ze niet ontvangen door hem maar door een ingehuurde buitenwipper. Was dat nodig? Ze vroeg het zich af. Meteen kwam Ina naar haar toe, zoende haar op de wang met de woorden: wat fijn dat je toch bent gekomen. Ina's sterrenbeeld was boogschutter, zij twijfelde nooit zo lang vooraleer een besluit te nemen. Wanneer Roos bleef wikken en wegen, durfde ze al eens Ina op te bellen. Zal ik je helpen, vroeg ze dan. En Ina hakte de knoop door. Roos keek rond met de coupe champagne in haar hand maar zag weinig bekenden. Veel glitter, dat wel. Opvallend veel rood ook; rokken en oorbellen en lippen. Dirk zag haar en stak zijn hand op. Een glimlach, wist ze, is altijd een mooie reactie maar hij had zich al omgedraaid. Staat hij in een andere kamer te praten met zijn gasten? Zou hij zenuwachtig zijn om haar weer te zien? Jacob was nu wereldnieuws en zij, zij was niets bijzonders geworden, zij had niets gedaan om de mensheid enige vorm van geluk te brengen. Hij was zo goed geworden in zijn vakgebied waardoor hij rijen mensen kon helpen langer te leven, zij was daarentegen een onopvallende kantoormedewerker gebleven.  Een banaal gegeven, dat ben ik. Haar hart sloeg een tel over toen ze hem zag, nog een keer moest kijken om zeker te zijn. Het is Jacob! Wat nu? Ze keek naar Ina's mond die druk bezig was met praten, ze zag de bodem van haar glas. Ze begreep dat ze hem zou passeren op weg naar de lange tafel met drankjes.    wordt vervolgd...  

Ingrid Strobbe
3 0