Zoeken

Hoger dan ik durfde

Onze moeders zaten gezellig te kletsen en koffie te drinken toen ze onderbroken werden door ons gesmeek. We moesten beloven dat we zeker niet zouden oversteken naar 'het tunneltje'. Het was voor het eerst dat we alleen buiten mochten spelen, zonder dat onze oudere zussen erbij waren. Vanaf het balkon hadden onze moeders zicht op de speeltuin, dus ze konden ons in de gaten houden, had mama nog gezegd. We renden jubelend via het trappenhuis naar beneden. We kunnen niet ouder zijn geweest dan 7 jaar. Ze liep enkele passen voor me en hield plotseling halt op het fietspad. Ze keek naar links en naar rechts om te zien of er een fiets aankwam. Vervolgens keek ze vluchtig achterom om zeker te zijn dat niemand ons zag en stak over richting het tunneltje. Ik volgde zonder te twijfelen. Het tunneltje was altijd al een verboden plek geweest, zelfs als onze zussen erbij waren mochten we er niet spelen. Het was een fietstunnel waarover een trein reed die ons dorp verbond met de grote stad. De tunnel zelf was voor ons een doorgang tussen twee werelden. We waren nog nooit in die andere wereld geweest. Het hekwerk volgde de contouren van de fietstunnel, stevig verankerd in een betonnen boord. Het klom langzaam omhoog, om daarna weer af te dalen naar de stoep aan de overkant. We waren er al vaker geweest, dan klommen we op het betonnen boord, dat laag bij de grond begon en klommen we zo hoog dat we door de spijlen van het hekwerk het duivenkot en de weide met afgedankte materialen van de flodders konden zien. Wanneer we waren uitgekeken liepen we weer terug naar beneden, om vervolgens zo hoog als we durfden van het boord op de stoep naar beneden te springen. Ook deze keer stapte ze direct op de boord en haakte haar arm over de reling. Ik volgde haar en al gauw stonden we op de gekende hoogte van waar we de weide konden zien. Ze stopte even, draaide zich om en zei: "Kom, we gaan verder" . Ik aarzelde maar volgde haar toch verder naar boven, terwijl ik mijn arm steviger vastklemde om de reling. Ze bleef stappen, keek niet meer om en zei niks meer, hoger en hoger... Tot ze bij de brug was. Ik stond enkele passen van haar verwijderd, wachtend totdat ze zich zou omdraaien. Maar ze draaide zich niet om, integendeel, ze reikte met haar linkerhand naar het hekwerk van de brug waarover de trein reed. Ik keek voorzichtig naar beneden, maar de afstand naar de grond was zo groot dat ik me niet meer durfde te bewegen. Zij stond ondertussen al volledig op de brug. Omdat daar geen boord was zette ze haar voeten zijwaarts stap voor stap tussen de tralies en schoof telkens mee met haar beide armen over de reling. "Ko-hom!" riep ze me ongeduldig toe. Ik durfde niet te weigeren en volgde met knikkende knieën haar voorbeeld. Voorzichtig schoof ik mijn voeten tussen de tralies en klemde mijn bovenlichaam tegen de spijlen. Beide armen klemde ik tot aan mijn oksels over de bovenste rand van het hek. Met mijn beide ellebogen naar buiten uitstekend en mijn handen die het koude hekwerk zo stevig vastklemde dat mijn knokkels wit werden, begon ik langzaam zijwaart te schuivelen. Mijn hart bonkte zo hard dat ik amper zou kunnen horen of er al een trein aankwam die ons aan een enorme snelheid en oorverdovend kabaal voorbij zou razen. Ik deed iets wat ik niet mocht doen: Ik keek naar beneden en zag verschillende fietsers onder mij uit de fietserstunnel komen. Het was alsof ik boven hen zweefde. Ik versteende; zag mezelf naar beneden vallen en mijn hoofd en rug zich verbrijzelen op het grauwe fietspad. Ik kneep mijn ogen dicht om mijn blik los te rukken van het bloederige tafereel. Toen ik ze weer opendeed stond mijn buurmeisje op het hoogste punt van de betonnen boord. Het gaf me op de een of andere manier moed om verder te gaan. Daar was in ieder geval beter dan waar ik stond. Terwijl ze iets verder op me stond te wachten, riep iemand ons toe dat we daar niet mochten spelen. We daalden zo snel als we konden, uit schrik dat iemand ons zou verklikken, naar beneden. Voor mij was het vooral pure opluchting dat we weer op veilige hoogte stonden. Na dit gevaarlijke avontuur hebben we braafjes in de speeltuin gespeeld, alsof er niks was gebeurd. Zij en ik hebben het er nooit meer over gehad. Ook niet nadat de nachtmerries begonnen die me nog jarenlang hebben achtervolgd. Tegen mama heb ik nooit durven vertellen wat ik die dag heb gedaan. Sterker nog, het is vandaag pas voor het eerst dat ik dit verhaal vertel.

Idha Zadel
5 1

de Startdag SA of DE BLOEMEN ZEIDEN MIJ GEDAG

Ik sta om kwart na zes op. Ik heb vrij goed geslapen. Ik rook. Ik drink koffie. Vandaag is het startdag van de Schrijvers Academie. Een nicht uit de Limburg laat weten dat Oma zich gisterenavond erg slecht voelde. Volgens het KMI en de weer app gaat het vandaag niet regenen. Ik doe mijn mocassins aan. Ik neem mijn pilletjes. Het is redelijk fris in de living. Ik smeer zo dadelijk een lunchpakketje. Vandaag wordt een geweldige dag! Sprankeling! Kwart voor acht vertrek ik. Ik ga toch met de trein. Ik doe mijn stemopwarmingsoefeningetjes onderweg. Er staat nog geen trein in het station, dus ik rook nog een sigaretje op een bankje op perron één. Vanaf het rangeerstation komt er een aangereden. Zestien minuten na acht vertrekt die. De temperatuur in de coupé is goed. Ik zit comfortabel. Ik doe een dutje. Ik zuig op een Ricola lemon mint muntje. Een dwaas met zijn hondje op de arm komt voorbij. Rond tien na negen uur arriveren we in Antwerpen Centraal. Ik wandel door de Chinese wijk richting bibliotheek Permeke. Op het De Coninckplein is er een bakkerijtje open waar ik een koffie en een koek koop. Op het terras rook ik een sigaretje en doe een praatje met een juffrouw van het tweede jaar die ik herken van in het Letterenhuis. Tien voor tien ga ik langs een zijdeur de bib binnen. Ik begroet Katrien en Peter. Ik doe pipi in het toilet en ga naar de foyer in de kelder waar er koffie is. Ik begroet de beroemde en beruchte dichter Peter HOHA. Die iets mompelt van ‘ik ben in staat van ontbinding. Vannacht niet geslapen. Ik weet niet wat ik hier kom doen.’ Hij zet zijn petje recht. De dichter Stijn V. heeft een groot wit kruis op zijn revers. Half elf, een half uur te laat, is er een verwelkoming door de directrice van de bib Permeke. Ze beweert dat ‘geletterdheid’ breder is dan ‘lezen van literatuur.’ Dat de bib boetevrij is, af en toe onbemand en zeven op zeven open. In oktober is er een week van het Nederlands en zijn er allerhande activiteiten. Er is sprake van ‘Slow Down’, ‘Save Humanity’, een comunnityspace en een Bronzen Uil. We zijn welkom. De directrice hoopt op een fijne en vruchtbare tijd. Daarna is het de beurt aan een andere directrice, die van de Schrijvers Academie zelf. An: ‘Welkom! Welkom! Welkom!’ en ‘Ja, ik ga dat doen!’ Ze vraagt je lievelingswoord te bedenken, zodat we een ritueel kunnen bekrachtigen.  (trotinette) Ze heeft een veer en een recipient vast, waarmee ze iets doet. Daarna is het de beurt aan projectleider Christophe die weet dat schrijven een manier van leven is. Er volgt nog een derde welkomstwoord. Katrien V. weet dat er vierentwintig docenten zijn. ‘In mijn hoofd zwemmen vissen’ is het debuut van een alumni die een getuigenis komt afleggen. Tom W. is heel de week ziek geweest en droomde ervan astrofysicus of scheepskapitein te worden. Hij moet dienstdoen als levend bewijs. Hij is geen keynote spreker met inspirational quotes, dus geen foto’s van de Hubbletelescoop bijvoorbeeld. Hij gaat speechen zonder audiovisuele ondersteuning. Hij gaat wel af en toe roepen ‘volgende slide’ en dat moeten wij, het publiek, een geluidje doen. Hij heeft drie lessen geleerd. Les één is de mythe van de afgehakte hand of van ‘zero tot hero’. Ik vind de man best grappig en origineel en denk die kan ervoor dienen. Zes jaar geleden ging hij naar een loopbaancoach waar de gepubliceerde auteur zei: ‘Lieve loopbaancoach ik zou graag schrijver willen worden’. Waarop de coach zei: ‘Dien uw ontslag in. Ga in Parijs onder een brug leven.’ Of ‘ga een opleiding volgen en maak tijd voor het schrijven.’ Even ter zijde, de loopbaancoach geeft ook les op de SchrijversAcademie. Na het toelatingsgesprek, waar Tom vertelde aan het welkomstcomité dat hij een heldenverhaal wilde schrijven, kwam hij terecht bij een dichteres die voorstelde zijn schrijfhand af te hakken. Hij vroeg aan de projectleidster of dat wel een goed idee was. Les twee; schrijf wat je wilt, niet wat je kent. Dus als je intuïtief rechte muurtjes wil bouwen; go for it. Beschouw de SA als een buffet. Er zijn geen examens, geen strafpunten. Doe je iets commercieel oninteressant; go for it. Voor je het weet kom je bij Klara op de radio! Daarna volgt er een onduidelijk iets over ‘reuzen onder de grond.’ Les drie. De mensen die naast u zitten zullen je vrienden worden. Niet meteen, later. De lessen zelf zijn het minst belangrijk. Onthoud dat niemand boeken leest, maar je medestudenten (psychopaten, keine zelfstandigen, keynote sprekers, …) willen hetzelfde als jij. Schrijver worden. Daarna is er sprake van een foto van een bakkersconferentie die de grootste taart ter wereld hadden gemaakt. ‘Jullie zullen naar elkaar toe groeien. Vergeet Tik-ToK en voetbal. Iedereen is dysfunctioneel.’ Kortom, je collega schrijvers zijn een clubje van doodgevroren lotgenoten die warmte zoeken. ‘In het begin waren mijn zinnen te lang.’ Plots blijkt er ook een vierde les te zijn; neem het niet te serieus, alhoewel literatuur uiteraard belangrijk is. Dool door de straten, ga op zoek naar Harry Potter, … en vooral wees niet zinvol of nuttig bezig! Het schrijfplezier vooral niet verliezen. Hoe is Tom W. Hero geworden? Hij had zes honderd pagina's aan kortverhalen en de uitgever vond het goed. Daarna werden het honderd vijfenveertig pagina's en was het af en op. Dit alles dankzij de SA? Nee, maar ze geven wel een extra zetje. Het is snikheet in het auditorium en ik heb zin in een sigaretje. Helaas zijn er nog wel enkele sprekers. De volgende is Thomas M. van de erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience. Dat is een bewaarbibliotheek waar je dus niks kunt uitlenen. Wel is er een prachtige leeszaal. Hij heeft het over het berkenbos Borgerhout, een man die na een hartoperatie een pintje wil, de etymologie van het woord 'natuur' (alles wat geboren wordt), het aantal boeken in 1481 en het aantal volumes vandaag de dag, een digitale expo, …  Ik ben moe. Ik hoop dat ze gaan afronden, maar dat is niet het geval. Een Limburger gaat het hebben over narratologie. Een oude vrouw over techniek en ambacht, de schrijfpraktijk, de psychologie van het schrijven en de huiswerkopdrachten. Het wordt stilaan tijd voor middagpauze. Eindigen doet ze met: 'Let's eat the pudding.' Daarna is het de aanstellerij van Christophe V. die een half vol en een half leeg glas vergelijkt met optimisme en pessimisme. Goed dat de zeikerd in Gent lesgeeft. Hij voegt er nog iets aan toe: 'alsof David Bowie klein, klein kleutertje zou zingen.' En tot slot: 'opinions are like assholes, everyone has one.' Dirk vB citeert Kafka: 'Ik zal weer schrijven. Ik ben onbekwaam.' De volgende vragen komen aan bod: 'Wie ben ik? Wie wil ik zijn? Hoe ga ik daar mee om?' Daarna is de beruchte en beroemde dichter Peter Holvoet-Hanssen aan de beurt. Hij geeft literatuurgeschiedenis aan de poeeezie afdeling. Eerst is er reclame voor een poëzie festival dat plaats vindt in de buurt van het geboortehuis van Pol van Ostaijen. Psychologische nazorg is niet voorzien. Je zou op onveilig moeten spelen met je beeldend vermogen tijdens je brokkenparcours. Er komt een paard aan het woord in een bepaald gedicht. Daarna haalt de dichter een banaan uit zijn binnenzak en speelt hij een stukje Bert en Ernie na. 'Ernie?' 'Ja?' 'Er zit een banaan in je oor!' Het laatste dat de grappige man te zeggen heeft gaat over camerastandpunten en werelden die opengaan. Ik hoop nog steeds op pauze, maar er komt alsnog een schrijver aan het woord. Matthijs dR geeft mee dat hij een strakkere timing gaat hebben dan de beruchte dichter. Dat is inderdaad het geval. In het derde jaar komen de zakelijke kanten van het publiceren aan de orde. Hoe zit het literaire veld in elkaar? Het is eindelijk pauze. Op het de Conickplein spreken drie junks me aan voor sigaretten of klein geld. Het is een beetje triest. Rond kwart na één moet ik opnieuw in de bibliotheek zijn voor de lezing van Peter HoHa. 'Het brandend vuur van de poëzie.' Ik drink in een hippe koffiebar een koffie en maak een praatje met de grafisch vormgever van Time Circus, een vriendelijke man. Op de binnenkoer van de bib begroet ik John V. thrillerspecialist van DSL. Ook hij is vriendelijk. Ik eet mijn lunchpakketje aan de picknicktafel. Kwart na één zit ik in de foyer. Peter HoHa heeft weer een hele lading boeken en attributen bij. Hij is goed gemutst. Hij komt naar mij en zegt: 'Gij gaat dat allemaal kennen. Wat is uw rekening in Luxemburg? Dan kunnen we dat regelen.' Daarna doet de beruchte dichter een rondje om zijn lesvoorbereiding te tonen; een volgekrabbelde pagina in een notitieboekje. Het ziet er erg chaotisch en mooi uit. 'Dan kunt ge straks niks zeggen.' Plots roept hij luidkeels: 'We gaan beginnen!' en 'Proficiat allemaal!' en 'Ik heb alleen nog maar een banaan gegeten.' En ‘neem gerust een broodje. Er zijn er nog tien over.' Daarna duwt hij op een belletje en vraagt of er al klachten zijn. Ik moet lachen. Het werkt en het is sympathiek. Hij beweert dat hij visuals had voorbereid en dat zijn dokter heeft gezegd: 'Doe dat niet met uwen rug.' Tegen doktersadvies doet hij het toch. Hij geeft aan dat we twee uur lang zullen praten over poowezie aan de hand van twee intro's en een voordracht. 'Dat is de structuur!' Sommige denken dat Peter HoHa een buitenissige ontdekkingsreiziger is, maar dat klopt uiteraard niet. Hij schets een korte biografie. Zijn grootvader heeft in 1919 per ongeluk de verkeerde trein genomen en drie maanden na zijn rentree in Antwerpen had die al een Bentley met chauffeur, waardoor Peter zijn hele leven lang gratis naar de cinema kon gaan. Hij geeft al jaren lang les aan de SA. Vroeger samen met dikke Freddy die gestopt is toen men Google Classroom heeft ingevoerd. 'Collega schrijvers ik voer jullie nu mee op een zoektocht van de Oertijd tot nu.' Peter leest driemaandelijks de PoëzieKrant, want je moet weten wat er leeft om een goed beeld te krijgen van de stand van zaken. Oftewel: 'Kan dat ook?' en 'Men vindt het nog goed ook!' Hij vindt zichzelf een oude man. Dichter ben je dag en nacht, ook als je niet aan het schrijven bent. Vroeger waren zijn gedichten niet goed genoeg om 'gedichten' te heten dus gaf hij ze de naam 'baldakijnen' en 'drijvende doodskisten'. Hij had wel geen uitgever. In zijn jonge jaren ging hij vaak naar de zakstraat en café 'de ringeling' om het bruisende stadsleven te kunnen proeven en zien. Redacteurs waren toen erg streng en zeiden: 'Met zulk een titel lezen we het zelfs niet.' Eind jaren negentig schreef hij een toneelstuk dat werd uitgegeven als dichtbundel. Ook is er een keer een bundel verschenen die veel te breed was. Dat mocht toen niet. Daarna heeft hij vijftien jaar gewerkt aan een project genaamd 'De reis naar Inframundo.'  'Enfin'. Plots was hij stadsdichter van Antwerpen, maar hij kreeg geen hulp. Op radio drie van de BRT vroeg men: 'U bent nu negenendertig jaar. Is dat niet té oud om te debuteren?' Welnu, er staat geen leeftijd op. In Engeland is er zelfs een beeldend kunstenares die op drieënnegentig jaar debuteerde. Een dichter is een seismograaf die zelf zijn testament moet schrijven. Denk maar aan François Villon. 'Je weet maar nooit wanneer het gedaan is.' Daarna komen zijn muziekdoosgedichtenverzameling aan bod. Hij heeft een bol bij die muziek maakt. Er dwarrelt sneeuw en een bootje gaat op en neer. 'Libretto' is zijn beste bundel totnogtoe. Een gedicht moet altijd beginnen met een straffe openingszin. Uiteraard kom je dan bij de tweede en derde regel in de problemen. Reus Goleman is een introverte jongen die tot leven komt. Eigenlijk is het een jongetje dat niet in deze wereld past. Het wordt tijd om enkele woorden op te schrijven, zodat je die kan toetsen aan je eigen queeste. We beginnen bij 'wakker worden'.  Leg alles terzijde en kijk! Waar bevinden we ons? Verbreedt uw gezichtsveld, stijg boven uzelf, wordt wakker, heb oog voor de kosmologie, maar ook voor het kleinste, ga op onderzoek,  …    Hij haalt er Walt Whitman bij, negentiende eeuw: 'I celebrate myself. Every atom belongs to me, to you.' Veel van Whitmans gedichten gaan over amputaties. De poëzie stroomt ook na je dood. De Amerikaanse dichter voelde zich een buitenstaander, één die wel een weergaloos landschap zag. Heuvel, rots, bos, … hij schrijft ' de neushoorngrauwe rotsen'. Peter vraagt 'Wat is dit?' 'Bewustzijn? Kippevel? Materie? Is alles bewustzijn? Ik begrijp iets niet, want zonder aanleiding komt plots de echtgenote van de dichter ter sprake; 'je mag de roede niet sparen!' Hij meldt ook dat we nog steeds met Intro één bezig zijn. Als aanstormend dichter moet je dus leren het kleine te zien en dat koppelen aan iets groots. Eén beeld kan een wereld open, dus moet je beter kijken en zien. Humor ook niet vergeten! De lichtheid vindt men soms verdacht. Vraag maar aan Roald Dahl of Annie MG Schmidt. Tweede woord dat we moeten opschrijven is Contrastwerking. 2028 wordt het van Ostaijenjaar. Het laatste gedicht- ge kent het zeker- is het bekende alpenjagerslied. 'Pol was ook erg goed in het bedenken van titels die de lading niet dekken, zodat je een multi-caleidoscopische bril op krijgt.' Vergeet ook de onbehaaglijke humor niet!' De beruchte dichter Peter HoHa vraagt zich ook hardop af 'Waarom zijn wij zo gedwee? We moeten durven grapjes te maken.' Het derde woord dat aan bod komt is Camerastandpunt. Wie komt er aan het woord? Een geliefde? Hij? Zij? Een lichaamsdeel? Een paard? Daarna gaat het terug over zot Polleke en zijn gedicht Melopee. Het is een klagerige, trage zang. Rond 1920 wandelen Gaston Burssens en Pol van Ostaijen langs de Schelde. De laatste moet hoesten en Gaston zegt: 'Pol pas toch op! Heb je TBC?' Pol luistert niet, maar ziet een bootje en de maan. Bij de eerste regel vertraagt de tijd. De klanken hebben ook elk hun effect. De I-klank is lichter. De A-klank vertraagt. De O-klank is de verwondering. Het advies is dan ook gebruik de bezwerende effecten van de klanken en 'zet uw woorden neer'. Speel met ritme en contrast. Je moet ook aan zelfstudie doen. Blijf lezen! Verdiep u passioneel! Simon Vinkenoog zei: 'Poëzie is een vuur.' 'Kijk dus ook buiten u!' De kano, de maan, de zee, de man. Paul pakt zijn eigen metrum, zij eigen regels en de wereld kan ontploffen. Erkenning komt soms pas honderd jaar later. We leven niet zo lang. Plots gaat het over het personeel van de regionale televisie. Een knappe vrouw komt filmen en de beruchte dichter heeft het over schoonheid. Het vierde woord dat erg belangrijk is, is Compositie. Peter zegt: 'Ik geloof in het oraal.' We moeten dus een vorm zoeken met veel klankrijkdom, waardoor het blijft hangen, waardoor de ontvanger wordt meegetrokken in uw wereld. Er komt weer een Nederlandse dichter ter sprake namelijk Remco Campert. 'Het begint met vragen stellen en je blijft vragen stellen,  zodat je ontdekkingen blijft doen.' Daarna wordt het iets filosofischer: 'Tijd; wat is dat in het ruimteveld?' Iedereen moet op adem komen. Vervolgens komen de zeven V's aan bod. Verdieping, Verbreding, Verbeeldingskracht, Verwondering, Verplaatsing, Vervoering, Vorm, Vuur. Peter HoHa wordt even persoonlijker. Vannacht heeft hij bij een familielid aan bed gezeten die een beroerte heeft gehad. Je moet als dichter dus alles op alles zetten. Je moet het beste van jezelf geven. Je moet verbittering en frustratie toelaten, maar je mag daardoor niet afhaken. Soms moet je er dus voor vechten. Gelukkig is het tijd voor pauze. Ik rook een sigaretje op het de Coninckplein en ga naar het toilet. Ik zeg Nico gedag. De beruchte dichter laat de cover van een boek zien. Het is Italo Calvino 'Zes Memo's'. Het boek 'De baron in de bomen' van dezelfde auteur spreekt me onmiddellijk aan. Het gaat over een jongetje dat geen zin heeft in school en in een boom kruipt om er nooit meer uit te komen. In sprookjes zit de ware gruwel. Ik hou net als Peter HoHa erg veel van sprookjes. 'Het is gewoon mooi.' De kernwoorden van Calvino zijn, om te beginnen, Lichtheid. Hij bedoelt 'witty', een sprankel humor. 'In de bibliotheek is de zwaartekracht erger, daarom heb ik ook een caddy mee, zodat ik alle boeken kan meenemen. Vandaar ook dat ik geen Visuals heb. Vergeet Powerpoint.' De beruchte dichter spreekt een jongeman aan. 'Ge ziet er uit of ge twee jaar moogt overslaan.' Daarna laat hij op de computer een filmpje zien van Tommy Cooper. 'Ik ben daar grote fan van. Zijn trucs mislukken ook altijd.' 'Soms vind ik dingen té grappig. Ik moet dan twee jaar later ineens lachen.' Tweede kernwoord van Calvino Snelheid. Dit betekent niet dat je moderne middelen moet gebruiken. De Italiaanse schrijver bedoelt dat de betekenisoverdracht, de woorden en de beelden, als een blikseminslag moeten zijn. Derde kernwoord Exactheid. Dus de woordkeus is helder, indringend, memorabel, op de kop. Je gebruikt precieze taal, desnoods verzin je zelf nieuwe woorden. 'Le bon dieu est dans le détail.' Daarna vraagt de dichter: 'Zijn jullie nog niet moe?' Ja, iedereen is moe. Dus zegt de dichter: ‘goed zo, dan gaan we verder met Intro twee. Of zo.’ Daarna gaat het over de gravin van Carcassonne, vrouwelijke troubadours, het Gilgamesj-epos, kermen als meeuwen, de aanspreking 'Oh, liefste', slavinnen gevangen in een tent, een gedicht dat Peter HoHa niet durft voorlezen, Ierland, 'ik ben de wind!',  sjamanen/ druïdes/ tovenaars/ zieners, de krijger Amergin, vreemde schepen, en de vraag; Wie heeft het vuur aangestoken?, … Daarna doet de beruchte dichter enkele rare klanken opwellen uit zijn longen en roept hij: 'Ik ben de wind. Ik ben de golf. Ik ben het ruisen van de zee, ik zie wat gij niet ziet, die havik dat ben ik, ik ben de dodende speerpunt.' Met minder volume gaat het verder met vragen: 'Waar gaat de zon rusten? Is iemand zo oud als de maan? Heb jij ooit al alle sterren kunnen tellen?' Ik vind zijn lezing leuker en leuker. Ik voel dat we het hoogtepunt gaan bereiken. En dat komt nadat Peter HoHa enkele boekjes heeft uitgedeeld. Hij begint over Arthur Rimbaud. 'Sommige zeggen dat het té moeilijk is, maar luister naar die klanken.' en hij leest prachtige stukjes voor. 'De man had soms geestverruimende middelen nodig, maar luister naar die klanken.' 'Geelgoude munten gezaaid, boeketjes van blank satijn, het was een fonkelend aquarium, de strijdlustige dageraad, … en de fantastische eindregel 'de bloemen zeiden mij gedag'. Bravo. Daarna volgt nog een grap. 'Zijn er nog vragen?' We krijgen niet de tijd en de kans te reageren.  'Aah, da's mooi meegenomen.' Besluit Peter HoHa. In station Antwerpen - centraal zie ik de trein naar Turnhout net wegrijden. Ik stap dan maar op de trein naar Herentals van tien na vier. Ik zit comfortabel. Het is koel op de trein. Ik vond de lezing van Peter Holvoet-Hanssen oké. Ik hou wel van die humor. Het is vrij rustig in de coupé. Misschien kan ik in Herentals een koffie drinken en een sigaretje roken. Een Afrikaan met zwarte  kledij en zwarte pet komt in de coupé zitten. Hij kijkt op zijn smartphone. Voor mijn vertrek in bib Permeke Peter deV nog begroet. Ik vraag me af of die fritchinees in Lier of in Herentals is. Een Afrikaanse vrouw  met dik gat en fluo oranje trui komt langs. Ze ruikt fruitig. Een oma met haar kleindochter die vraagt: waar gaan we zitten? komen langs. Op het plein voor de bibliotheek zag ik veel junkies en daklozen. De conductrice is obees, maar heeft wel een mooie stem. Ik bedenk me dat dit eigenlijk al meteen de eerste les is. Ik vraag me ook af of we de trein naar Turnhout niet inhalen, want die moet nog drie tussenstops doen. Ik probeer dat te controleren aan de hand van de NMBS app, maar dat lukt niet. De zwarte Afrikaan in het zwart spreekt Frans. Hij gaapt. De NMBS wenst me trouwens een fijne reis. Twintig na vier razen we door het station van Boechout. De conductrice heeft ook een neuspiercing. Op de vraag of wij voor de trein van Turnhout in Herentals zijn antwoordt ze vriendelijk: 'Neen, wij komen pas aan om 16uur41 in H.' 'Oké, geen probleem.' zeg ik. Ik zie nu ook dat ze een gigantische tattoo op haar linker arm heeft.  Ik heb dus pas om half zes een trein naar huis. Rond twintig voor vijf steken we het Albert kanaal over.   Ik zit in de Panos van het station van Herentals. Er staat een vrouw met een rugzak met daarop ‘De mens van nu is vrijzinnig humanistisch.’ Ze kijkt wel lelijk. Haar dochter wil een broodje. Een jonge vrouw met purperen legging en een half zwart kindje op de arm dat raar lawaai maakt heeft twee broodjes besteld. Een oudere werkneemster van de NMBS kijkt ook lelijk. Ze koopt voor zes euro frisdrank. De vrijzinnig humanistische, die op het puntje van haar stoeltje zit, kijkt nu alsof de Panos gaat kapseizen en zinken. Een apparaat begint te piepen. De stoeltjes stinken. Ik krijg een chocoladebroodje in plaats van een chocolade cookie. De Panos juffrouw heeft Indiase roots. De koffie is goed, het broodje niet. Ik betaal vier euro zeventig. Ik ga buiten roken. Blue Bike maakt reclame met ‘Altijd een fiets op zak.’ Alle meisjes die langskomen zijn zestien en dragen een spannende legging of hebben een bloot buikje. Roze en purper zijn de favoriete kleuren. De zon schijnt. Een vrouw met een wit hemd staat naast een tas ‘Essential Antwerp’ en haar kleindochter. Ze hoest en is op zoek naar een toilet. Een dikke Audi pikt haar op. ‘Papa, doe jij de koffer open?’ roept de kleuter. Op de achterbank zit een poedel. Op het derde verdiep van een appartementsblok aan het stationsplein staat een vrouw door de raam te turen. Ze heeft rode bloemen op haar balkon. Een zwarte Jaguar toetert. Ik rook. Ik zie nu pas dat er op dat kartonnen koffiebekertje staat: ‘Want je wil een koffie die zich zelf niet te serieus neemt.’ Ik ga naar perron twee. Ik moet denken aan al die keren dat ik hier ’s avonds in de vrieskou op maandagavond heb gezeten toen ik bij Runa in Berchem schrijflessen had. Ik was dan op weg naar huis. De trein naar Mol rijdt niet. Er komt een goederentrein voorbij. Diesel stinkt. De deur van de intercity naar Antwerpen op spoor vijf doet ‘teut’ en klapt dicht. Een man zet het op een lopen. Ik rook op het perron. De trein naar Antwerpen vertrekt. Ik ben blij dat ik mijn Ray Ban zonnebril bij heb. Ik moet nog twaalf minuten wachten. Er waait een aangenaam windje. Een jongetje op tennissloefen rommelt in zijn rugzak. Rond kwart voor zes zou ik thuis moeten zijn. Ondertussen staat er op perron één veel volk. Een wesp is geïnteresseerd in mijn rechter sok. Ik denk aan de hersendode man die alsnog bezweken is aan een steek van een Aziatische hoornnaar. De wesp vliegt naar de MacDonalds reclame, een affiche met ‘voor big goesting’. Aankondiging: ‘de IC trein met bestemming Turnhout komt zo dadelijk aan’. Een mottige doos met een plooifiets struikelt bijna. De onheilspellende wesp is terug. In de verte zie ik mijn trein aankomen. Deze trein maakt pas echt veel lawaai. Hij piept. Hij kreunt. Hij ratelt. Hij zucht. Hij blaast. Hij stinkt ook en staat vol graffiti. Kortom, dit moet die naar terminus Turnhout zijn, vast en zeker. De conducteur blaast drie maal op zijn fluit. De trein zegt: ‘de volgende halte is Tielen.’ Het vertrek zelf is, verbazingwekkend, haast geruisloos, enkel de bagagedrager van de rechter helft van de coupé rammelt. Een man leest een Franstalige krant. De watertoren en de Avevewinkel van Herentals staan er nog. We trekken op. Er staan drie raampjes open. Dat is de airco. Ik heb nu ook terug een tafeltje om mijn notitieboekje op te leggen. ‘Laisser sa place, ça c’est classe.’ is niet van toepassing. Voor mij zit er een zestienjarig meisje in, jawel, een purpere legging. Ik verzin het niet beste lezer. Naast het maïsveld staat een kapel. Ik zie geen koeien, wel een rijtje populieren. Het zestienjarig mormel verplettert een plastic flesje en foefelt het in het veel te kleine vuilbakje. ‘We komen aan in Tielen.’ zegt de trein. Nu trilt werkelijk alles. Boven het het kabaal hoor ik precies een fluitsignaal. Frituur Den Hoek is open. Men heeft het fietspad rood geverfd. De Franstalige man kucht een eeuh-euhm. De prikkeldraad rond het militair domein is verroest of verdwenen. De heide ziet paars. Dit keer moet de man echt hoesten. De zon flikkert door het struikgewas. Het lijkt of er een discobol in de coupé hangt. Home Sweet Home, bijna. Dit keer kraakt de trein, want we remmen. De conducteur roept boven het gekraakpiep van de remmen: ‘Turnhout eindstation. Niets of niemand achterlaten!’ Op het perron zegt de conducteur, in vol ornaat, prachtige kepi: ‘Prettige avond verder.’ De trein blaast. Een Citroën C4 met Parijse nummerplaat probeert te parkeren. Een kleuter op een fatbike ramt bijna een bejaarde. Ik hoor een sirene. De zon schijnt nog steeds. Een man zegt tegen zijn hond: ‘Gedaan nu!’ en ‘Wa dist?’, omdat de hond blaft. Ik begroet de Togoleze buurman met ‘Bonsoir’. Zes uur. Oma belt. Ik neem niet op.        

Hubert Grimmelt
4 0

Kampvuur in september

De zomer lag op sterven. Niet dramatisch. Geen laatste woorden, geen familie rond het bed. Gewoon nog één keer alles geven. Septemberwarmte. Rijp en zacht. Zo’n avond waarop ge zonder jas buiten kunt zitten, maar hem toch meeneemt omdat ge ondertussen oud genoeg zijt om uw eigen moeder te zijn. Er was wind. En ergens stond de herfst al achter het hoekje met haar sjaal te zwaaien. Kom af. Ik zal buiten een vuurtje stoken. Meer moet ge soms niet zeggen. Dus daar zaten we. Bij een vuur. Met wijn en appelsap. We hadden de draad ergens in februari laten liggen. Denk ik. Toen was er ook vuur, maar binnen. Een haard. Cake. Koffie. Winter. Blijkbaar hadden we toen niet alles gezegd. Gelukkig maar. Ik hou van mensen bij wie ge na een half jaar niet opnieuw moet beginnen. Geen samenvatting van de vorige afleveringen. Geen hoe is het nog met uw werk en de kinderen? Ge gaat zitten, kijkt naar het vuur en vijf minuten later zijt ge alweer vertrokken. Zijn hoofd zat vol. Echt vol. Vol dromen, idealisme, plannen en verhalen waarvan ik soms niet wist of ze al bestonden of nog moesten worden uitgevonden. Neem nu die sauna in Zweden. Ge kunt daar blijkbaar een sauna boeken zonder dat iemand u vertelt waar die precies staat. Ge krijgt coördinaten. Een wandelpad van bijna twee uur. Een kruiwagen met hout die ge zelf tot aan de sauna moet zien te krijgen. En aan het einde van dat pad wacht een desolate sauna aan een meer. Helemaal voor u alleen. Geen receptie. Geen badjassen met een geborduurd logo. Geen mevrouw die om het kwartier komt vragen of alles naar wens is. Alleen gij, dat meer, die sauna en de Zweedse wildernis. Ik zag het helemaal voor mij. De stilte. De damp boven het water. Een mens die daar na twee uur stappen zijn hout opstookt en vervolgens tot inzichten komt waar de gemiddelde psycholoog drie jaar voor nodig heeft. Dit moest wel de meest spraakmakende gebeurtenis van de reis worden. Maar het leven had andere plannen met hem. Een klapband. En voor ge het weet, staat ge ergens in Zweden langs de kant van de weg te wachten op een takeldienst die van zeventig kilometer verder moet komen. Daar staat ge dan. Met uw coördinaten. Uw innerlijke rust. Uw verlangen naar eenzaamheid en een kruiwagen hout die ge wellicht nooit zult ontmoeten. En toen kwam er een bandencentrale. En Cola Zero. En een man met wie het blijkbaar zo goed klikte dat er een nieuwe vriendschap uit ontstond. Iemand die niet alleen een lekke band ziet, maar ook de mens die hem gaat vervangen. En die daar vervolgens een verhaal van maakt. Ik vond dat schoon. Ge vertrekt naar Zweden om alleen te zijn aan een meer en ge komt thuis met een verhaal uit een bandencentrale. Probeer dat maar eens te boeken. En zo ging het verder die avond. Over het uitzicht vanop de drieëntwintigste verdieping. Over Pommeline. Over duurzaamheid en of dat allemaal wel zo duurzaam was. Over dingen die nog moesten gebeuren en dingen die misschien nooit zouden gebeuren, maar waar ge toch al eens over kon nadenken. Ik heb niet alles begrepen. Dat hoeft ook niet. Voor ge het weet, zit ge bij een vuur na te denken over Zweden, duurzaamheid, woorden, wat ge wilt betekenen en wat er nog allemaal moet gebeuren na 56. Er zijn slechtere manieren om een avond door te brengen. We spraken over taal. Over de juiste woorden zoeken voor wat ge doet. Voor wat ge wilt doen. Voor dingen die nog niet bestaan maar in uw hoofd al wel. Ik vind dat schoon. Die goesting. Om iets te maken. Iets te bedenken. Iets in beweging te zetten. En ook om soms de regie uit handen te geven en de dingen te laten gebeuren. Want ge kunt nog zo goed weten waar ge naartoe wilt, het leven heeft soms een ander idee. Ge boekt een sauna en ge krijgt een bandencentrale. Ge plant een avondje bij het vuur en voor ge het weet zit ge uren later nog altijd te luisteren. Net zoals water, zoeken verhalen altijd een weg. Misschien geldt dat ook voor ideeën. Voor mensen. Ge kunt een draad in februari laten liggen en hem in september gewoon weer oprapen. Ge kunt maanden niets zeggen en toch niet opnieuw moeten beginnen. Ge kunt denken dat iets nergens naartoe gaat en plots zit ge daar. Bij een vuur. De zomer in haar laatste stuiptrekkingen. De herfst achter het hoekje. Iemand tegenover u met een hoofd vol verhalen. Soms heeft een avond echt niet meer nodig. Een vuurtje. Een glimlach. Iemand die blijft vertellen. En ik die nog niet naar huis wil.

Katrien Daniels
32 2

Heroïne

1968: Ik was 16 jaar toen ik voor het eerst in aanraking kwam met heroïne. Ik had destijds verschillende vriendengroepjes. Een van de groepen waar ik regelmatig over de vloer kwam, was een vriendenclub zoals alle andere: we praatten over nieuwe muziek, politiek, uitgaan en alles wat jongeren bezighoudt. In die groep ontstond er plotseling interesse in drugs; ze wilden weleens experimenteren met heroïne. Na een jaar waren ze onherkenbaar. Het was gedaan met de gesprekken over van alles en nog wat. Het enige gespreksonderwerp dat overbleef, was: waar is het te krijgen, wie gaat het halen en hoe gaan we het betalen? Ze begonnen ook geld te lenen zonder het ooit nog terug te betalen. Vanaf dat moment heb ik iedereen van wie ik wist dat ze aan de heroïne zaten, resoluut uit mijn vriendenkring gegooid. Toen mijn eigen geliefde broer ook wilde experimenteren met heroïne, heb ik direct ingegrepen en iets georganiseerd waardoor hij er twee jaar lang vanaf is gebleven. Na twee jaar heroïnevrij te zijn, werd hij door omstandigheden onzeker. Dat was het perfecte moment om hem terug naar ons geboortedorp te lokken. Hij kreeg een nieuwe auto, een huurhuis dat volledig werd ingericht, en 300.000 frank. De enige voorwaarde was dat hij moest trouwen met zijn vroegere liefde. Zij was toen echter niet meer aan het experimenteren met heroïne; ze was al zwaar verslaafd. Dat heeft geduurd tot zijn dood, twintig jaar later. In die tijd heeft hij een paar pogingen ondernomen om van de heroïne af te geraken. Maar destijds werd hij niet gezien als een zieke, maar als een crimineel. Geloof mij: dat is geen startpunt om van een verslaving af te geraken. Heroïne is nu eenmaal vele malen verslavender dan alcohol. 2026: Onlangs vernam ik iets over een kennis. Hij werkt in de bouwsector, is daar een zeer gewaardeerde werknemer, is 45 jaar oud, getrouwd en heeft drie opgroeiende kinderen. Na zijn werk en in het weekend gebruikt hij echter heroïne – en dat zeker al de afgelopen twintig jaar. Tegenwoordig kost heroïne zo'n tien euro per gram. Dit zette me aan het denken: al die tonnen heroïne die het land binnenkomen, kunnen onmogelijk allemaal gebruikt worden door de groep verslaafden wiens ellende op straat zichtbaar is. Hoeveel duizenden mensen zouden er zijn die normaal functioneren in de samenleving, maar wiens drugsgebruik volledig onzichtbaar blijft voor de buitenwereld? Mischien is het uw kind, uw vader, uw moeder, vriend, famillie, buren?    

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
4 0

De corrupte, eco kleinburgerij.

  In plaats dat de groene en eco-wereldverbeteraars de armen hun mobiliteit afpakken terwijl ze zelf citytrips maken en wekenlang rondtoeren, zouden ze beter luisteren naar de Franse filosoof en wiskundige Blaise Pascal (1623–1662). In zijn meesterwerk Pensées (Gedachten) formuleerde hij het oorspronkelijk als volgt: "Alle ellende van de mensen komt voort uit één ding: dat ze niet in staat zijn om rustig in een kamer te blijven." Ik begin een verschrikkelijke hekel te krijgen aan die corrupte kleinburgerij. Ze worden vanuit de steden massaal naar het midden van de Vlaamse Ardennen gelokt met hun stinkende voertuigen. Daar krijgen ze in een restaurant, voor veel geld, eten opgediend dat vroeger gewoon onkruid werd genoemd. "Ja, maar we rijden elektrisch," zeggen ze dan. Elektrische voertuigen waarvan de onderdelen uit plekken komen waar slavernij en kinderarbeid de norm zijn. Ze gaan drie keer per jaar op citytrip met een vliegtuig  en trekken een maand lang met hun elektrische wagen door Europa. Ondertussen vinden ze wel dat de armen in de steden hun dieseltje moeten inleveren, zodat de lucht in hún leefomgeving zo zuiver mogelijk blijft. Ze schermen met statistieken over fijnstof en gezondheid, maar met diezelfde statistieken kun je evengoed het tegendeel bewijzen. Ze gaan in hun eigen stad nog niet eens te voet naar de supermarkt om de hoek, maar verpesten met hun wagens wel het platteland om bij de boer een zakje patatten te gaan halen. De corrupte, ecologische kleinburgerij betaalt liever geen belasting. In hun ogen gaat dat geld immers toch maar naar 'het plebs', dat er in hun optiek een onproductieve levensstijl op nahoudt. Wanneer ze echter zelf buiten de boot vallen, eisen ze prompt de meeste steun op. Hun uitstekende, door de overheid gefinancierde opleiding en de infrastructuur die hen ter beschikking staat, vergeten ze voor het gemak. Al hun successen hebben ze – zo menen ze zelf – immers volledig aan zichzelf te danken.

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
0 0

Leren lezen

Ik leerde lezen dankzij een strip, nog vóór ik naar de nonnenschool ging. Mijn grootvader nam me regelmatig op schoot en wees met zijn vinger naar het wekelijkse stripje in Het Volk: ‘Het kapoentje’. Een van die stripjes ging over een fietser die riep: "Zonder handen, zonder tanden!" toen het misging bij het leren fietsen. De nonnen wisten later op school niet goed wat ze met me aan moesten toen de leeslessen begonnen, want ik kon het al.Spijtig genoeg mocht ik tijdens mijn gehele jeugd daarna niet meer lezen. Mijn moeder heeft zelfs eens een boek dat ik stiekem las in de kachel gegooid: Old Shatterhand en Winnetou. Arbeiderszonen lazen niet, die moesten werken. Wie veel las, werd gek; dat was toen de opvatting. In de jaren vijftig stond immers alles in het teken van de wederopbouw. "Voor arbeiderszonen zoals ik gold: ‘arbeid maakt vrij’." Onder leiding van de kerk werden de kinderen van collaborateurs richting de universiteit geloodst.  Dit diende als beloning voor de monetaire steun tijdens de Operatie Gutt, de monetaire sanering na de Tweede Wereldoorlog. "Toen is het corrupte Vlaanderen ontstaan." Vermogende collaborateurs sluisden destijds grote sommen zwart geld naar de kerk om inbeslagname door de staat te voorkomen—een historische dynamiek die nu nog steeds zichtbaar is in de huidige politiek.  Wat later leerde ik lezen en schrijven en ik deed er stiekem leuke dingen mee. Ik merkte dat wanneer ik een brief naar een ambassade stuurde voor inlichtingen over het land, ik een heel pakket informatie kreeg toegestuurd. Tot grote verbazing van mijn ouders, die plots volledige documentatiemappen in de bus kregen. Toch heb ik me ook een paar keer vergist. Zo beantwoordde ik eens een advertentie voor inlichtingen, waarna er op een dag een vertegenwoordiger voor de deur stond: hij bleek complete bakkerij-inrichtingen te verkopen. Een andere keer werd een naamgenoot uit het dorp het slachtoffer van mijn schrijfdrang. Ondertussen heb ik mijn schade wel ingehaald. 

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
11 1