Zoeken

Ballen

Die weermannen toch! Met z'n allen voorspellen ze elke dag opnieuw onvervalst winterweer. Wat beelden ze zich in hemelsnaam in? Dat iemand zich gaat bezighouden met het vervalsen of namaken van sneeuw, hagel, winterse neerslag, storm, ijs, ijzel of aanvriezende mist?  Alhoewel, toen ik op kerstavond voor de zesentwintigste keer naar Home Alone keek, viel me op dat de sneeuw in het decor verdacht veel op schuim leek.  En er werd nog meer vervalst. Ik las zopas dat de hoofdrolspeler, Macaulay Culkin, die in mijn beleving elk jaar onnatuurlijker en irritanter acteert, tijdens gevaarlijkere scènes, zoals toen hij met een slede van de trap gleed of aan een zipline door de tuin vloog, vervangen werd door een stuntmannetje. Gelukkig niet door een ander kind, doch door een volwassen man die het qua groeien voor bekeken hield na 140 centimeter (toevallig in die tijd ook de lichaamslengte van Culkin) en desondanks 'uitgroeide' tot een alom gerespecteerde stuntman. En ik? Ik ben ook alleen thuis en uitgegroeid. Vooral tot kok de laatste tijd. Vandaag prepareer ik mijn signature dish, zijnde Meatball Madness. Sorry voor de Engelstalige termen, maar ze bekken nu eenmaal beter dan 'handtekeninggerecht' of 'gehaktbalgekte'. Voor mij dus geen gegooi met sneeuwballen, eerder goochelen met o.a. gehaktballen, tomaten, courgettes uit de diepvries, uien, look, paprika's, pickles, ketchup, worteltjes en wokmie. Mijn specialiteit is eigenlijk helemaal niet het koken op zich, eerder het verzinnen van spectaculaire namen voor schabouwelijke of gewoon middelmatige gerechten.  Maar dat kokkerellen is voor later. Straks eerst opnieuw chauffeur spelen voor vrouw en kinderen, als een volleerde huisman met wel erg glijdende werktijden. Het vriest, het heeft nog maar eens flink gesneeuwd en de wegen liggen er spekglad bij. Vanochtend, tijdens mijn eerste ritje van de dag, stonden we al in de file. Terwijl we stilstonden, werden we voorbijgestoken door twee voetgangers, of beter gezegd voetschuivers. Een ervan was erg groot van gestalte, met blonde wapperende manen. Hij lachte ingetogen. Zijn gezicht had iets kinderachtigs en zijn neus was op z'n zachtst gezegd uitgesproken. Ik nog niet, want uit het niets en zonder enige aanleiding gaf hij zijn metgezel een flinke por in de rug, waardoor die het evenwicht verloor en in een flinke hoop sneeuw belandde. De reus, die ongeveer een meter groter was dan de hierboven besproken stuntman uit Home Alone, lachte zich een breuk. Op dat moment realiseerde ik me dat hij als twee druppels ijswater op Erling Haaland leek, je weet wel, de Noorse spits en scoremachine van Manchester City. Echt, helemaal Erling Haaland. De gelijkenis was verbluffend. Enfin, zijn slachtoffer krabbelde moeizaam recht en vreemd genoeg stapte hij gewoon weer verder, zonder enige reactie naar Haaland toe. Dat was blijkbaar niet naar de zin van de agressor, want die begon nu allerlei nare dingen naar het hoofd van zijn slachtoffer te slingeren. Allerlei scheldwoorden en een welgemikte sneeuwbal. Daarna wandelden ze weer verder. Elk apart. De reus hoorden we nog altijd roepen en wild gesticuleren, al verstonden we hem niet meer. Op een bepaald moment schreeuwde hij zelfs in de richting van een automobilist. Waarom? We hebben er het raden naar. Misschien een rotkarakter, of was hij gewoon met het verkeerde been uit bed gestapt? Echt wat je noemt een moeilijke ochtendspits, dacht ik bij mezelf.  Ik wens hem sneeuwballen toe, Snowball Sadness, in de vorm van bevroren testikels, of een loeihard aangeschoten bal recht in z'n kruis in de dertiende minuut van de eerstvolgende wedstrijd van Manchester City.  

Danny Vandenberk
0 0

De wet van de rek

In dit land zijn we zelden voor perfectie.Perfectie is iets voor Duitsers en Britten — landen die handboeken schrijven over hoe het leven moet, en daar vervolgens ook naar leven.Wij zijn Vlamingen. Bij ons is er altijd marge. Frictie die mag blijven liggen. Een akkoord dat nooit exact getekend wordt maar wel leeft: het is goed genoeg. Neem nu auto’s.Een Mercedes is een perfecte auto — dat voelt ge zelfs in de zetel, daar zakt ge anders in dan in een Skoda. Maar niemand sterft van een Skoda. Een Skoda brengt u waar ge moet zijn. Niet sexy, wel degelijk. Een tweedehands van vijftien jaar oud doet dat ook, en die leidt vooral niet tot ruzie met de boekhouder in huis, maar zorgt alleen maar voor je imago als je die Maggy noemt of Chantal.  Zelfde verhaal bij wellness.Een dag wellness is de absolute max:stoom, eucalyptus, een badjas die uw uitstraling opwaardeert, en een stilte die tot in uw schouderbladen landt. Maar een bad thuis na een te lange dag is ook goed genoeg.Geen detoxwater met komkommer maar kraantjeswater in een plastieken beker.Geen therapeute die uw spanning aanraakt, maar een kat die op uw schoot komt liggen.Goed genoeg. En dan kleding.Natuurlijk is Natan schoon, maar dat is voor Koningin Mathilde.Daar hangt klasse en een prijskaartje aan, dat voelt ge tot in uw vingertoppen.Een jeans van De ZEB is perfect goed genoeg voor de gewone Vlaming: comfortabel, degelijk en aanvaardbaar bij familie-feestjes.Maar of het nu alle dagen van de Zeeman moet komen — dat weet ik niet.Er is een verschil tussen goed genoeg en net iets te ver doorgeduwd in het concept. We noemen het 'De wet van de rek'.  Zo leven we: op het continuum tussen luxe en compromis, tussen ideaal en draaglijk, tussen schoon en doe-maar-gewoon.Onze volksaard is gebouwd op de zone daartussen: daar waar men tevreden kan zijn zonder zich schuldig te voelen dat men niet meer heeft nagestreefd.Dat heet maturiteit. Of luiheid.Waarschijnlijk allebei. En dan de liefde.Daar werkt het niet anders.Geen mens kiest een lief als men een Mercedes kiest: op opties, vermogen en luxe.Wij kiezen een lief volgens 'De wet van de rek'.We beseffen dat perfectie niet bestaat, dat iedereen stekels heeft en ook een handleiding- die soms in een taal geschreven is die ge niet machtig zijt. We kiezen op 'goed genoeg', niet persé op perfectie. De vraag is alleen:Hoeveel rek hebt ge?Hoeveel sokken naast de wasmand zijn aanvaardbaar?Hoeveel stilte? Hoeveel woorden?Hoeveel dromen die nooit gerealiseerd raken, plannen die nooit vertrekken, of trauma’s die meeverhuizen in dozen waar niemand nog weet wat erin zit? Mensen zijn geen wellnessdagen, geen Mercedes en geen Natan.Ze zijn eerder tweedehands, met gebruikerssporen en een verhaal.Ze zijn jeans van De ZEB met een onverwacht mooie pasvorm.Soms zelfs Zeeman, maar ge moet het kunnen dragen. Dan, zachtjes, stelt zich de echte vraag:Hoe werkt liefde eigenlijk?Is er zoiets als één perfect, of bestaan er gewoon meerdere goed-genoeg’s die elkaar op verschillende momenten van het leven kruisen?En verandert de standaard als ge ouder wordt, wijzer, moe, of simpelweg eerlijker? Liefde is geen keuze-examen met juiste antwoorden.Het is een stille wetenschap. Half psychologie, half buikgevoel.Geobserveerd in de keuken, op zondag in de zetel, in het verkeer, in een conversatie die te laat begon of te vroeg eindigde. Onder een dekentje. Of in stilte aan twee kanten van de tafel met koffie die koud werd terwijl niemand het merkte. Stille wetenschap heeft geen woorden nodig. Ze meet geen perfectie, maar compatibiliteit.Ze werkt met marges, met schroom, met het voordeel van de twijfel.Ze rekent niet in status maar in houdbaarheid. Hoe lang kunnen twee systemen samen bestaan zonder te scheuren?Hoeveel frictie kan er ontstaan zonder dat het gevaarlijk wordt?Hoeveel kleine wanverhoudingen kan een mens verdragen zonder dat hij zichzelf verliest? En misschien is liefde daarom zo Vlaams als het maar kan zijn.Omdat we het nooit helemaal op de spits drijven.Omdat we mild zijn in onze verwachtingen en hardnekkig in ons proberen.Omdat we weten dat niet alles spectaculair hoeft te zijn om waarde te hebben.Dat warmte belangrijker is dan glans.Dat de meeste dagen geen wellnessdagen zijn, maar wel badwater dat goed genoeg is. Misschien is dat 'De wet van de rek'. Dat het niet gaat over perfect, maar over blijven.Over wie met u in de zetel wil zitten wanneer ge geen Natan draagt, maar Zeeman.Over wie nog start op maandagochtend, ook al zijt ge zelf een tweedehands met kilometers op.Over wie, met alle rek die er nodig is, zacht genoeg is om u niet te breken

Katrien Daniels
68 4

De buitenbeller

Tijdens het wandelen kom je wonderbaarlijke mensen tegen. Kijk, daar staat een echte buitenbeller. Op het terras van een taverne met een telefoon aan zijn oor. Het is behoorlijk koud, maar toch heeft hij enkel een trui aan. Tja, als je gebeld wordt, heb je geen tijd om snel een jas aan te trekken. Een echte buitenbeller rept zich meteen naar buiten. Hij neemt binnen zijn telefoon op en zegt tegen de persoon aan de andere kant van de lijn iets in de zin van 'Wacht, ik ga naar buiten'. Eenmaal buitengekomen deelt hij eerst zijn locatie met de persoon die hem gebeld heeft. Het is geen nieuw fenomeen, maar je ziet ze minder vaak, de buitenbellers. Dat heeft met de draadloze oortjes te maken. Dan valt het niet zo op en lijkt het alsof ze tegen zichzelf praten. Een buitenbeller kan ook een buitenroker zijn. Dan profiteren ze van het buitenbellen om meteen te gaan buitenroken. Andersom zal het ook wel eens gebeuren, maar toch beduidend minder.  Ik ken deze buitenbeller. Hij zwaait uitbundig. Misschien zegt hij tegen zijn gesprekspartner dat hij naar mij zwaait, want die kan natuurlijk niet zien dat de buitenbeller aan het zwaaien is. Maar zo duurt het gesprek wat langer en kan hij bij het terug binnenkomen tegen zijn tafelgenoten 'sorry, dat was dinges' zeggen en zo een gesprek over dinges op gang brengen. Het lijkt een tegengesteld gegeven, maar buitenbellen kan een meerwaarde voor het sociale gebeuren zijn. Nu steekt hij zijn duim naar mij omhoog. Dat weiger ik pertinent. Gewoon terugzwaaien is genoeg. Destijds waren er alleen binnenbellers. Je zag pas buitenbellers toen de eerste generatie draagbare telefoons eraan kwamen. Die kon je in het begin alleen thuis gebruiken, op het terras. Soms lijkt het alleen maar zo, dat de tijden veranderen.

Rudi Lavreysen
14 0

Lavendel en stekels. wat Francis mij leerde.

We noemen hem Francis, omdat hij Francis heet.Ik leerde hem kennen in het zuiden van Frankrijk. Lavendel, lichte wind, en gezinnen die functioneren zonder dat iemand doet alsof. Francis was daar met zijn vrouw en twee kinderen, een jongen en een meisje. Ze leefden op zo’n vanzelfsprekende manier samen dat je bijna zou vergeten dat dat inspanning vraagt. Francis was leerkracht geschiedenis. Je herkent leerkrachten tijdens de vakantie aan hun uitstappen: niet naar waterparken, maar naar geschiedenis. En als de dames willen shoppen - dat mag!- dan gaat hij met zijn zoon naar een boekenwinkel.  Ik vond dat schoon, maar ook confronterend. Want oprecht functionerende gezinnen zijn voor mij altijd een beetje gruwel. Niet om hen, maar om wat ze kunnen. Ze weten hoe samenleven werkt. Hoe je ruzie maakt zonder te verdwijnen. Hoe je terugkomt zonder drama. Relationele bekwaamheid, maar dan in een beige verpakking: niet opvallend, niet luid, maar wel efficiënt. Dat is een soort luxeproduct dat je niet op Tinder kunt bestellen. Ik oefen relatiebekwaamheid via Tinder — de avondschool van de liefde voor volwassenen die geen handleiding kregen. Tinder is geen gezin, het is proefwerk. Geen eindtermen, geen klassenraad, geen titularis. Alleen swipen, koffies, hoop en bij slecht weer ghosting. Feedback zonder commentaar. Trial & error, en soms vooral error. Onlangs postte Francis iets op Facebook. Zo houden 40+ers contact na een fijne vakantie: geen brieven, geen telefoons, maar Facebookstatussen en likes op foto’s. Hij schreef: “In het zesde jaar werken we rond relaties, liefde en seksualiteit. Wat betekent het dat we relationele wezens zijn, en wat doet ‘alleen zijn’ met ons bestaan?”“Samenleven vraagt geen perfecte nabijheid, maar een juiste afstand.”“Nabijheid kan troosten, maar ook kwetsen. Afstand kan beschermen, maar ook eenzaam maken.” Hij legt dat uit met stekelvarkens. Dat die elkaar in de winter nodig hebben om warm te blijven, maar elkaar prikken als ze te dicht komen. En met Magritte’s Les Amants II: twee geliefden, heel nabij, maar met een doek over hun hoofd. Samen, maar toch niet gezien. Ik las dat en dacht: dat is onderwijs waar we later nog iets aan hebben. En dat is misschien het verschil tussen Francis en mij. Hij leerde relationele bekwaamheid in een gezin, en geeft die nu door aan leerlingen. Ik leer via datingapps. Tijdens één van die Tinder-dansen kwam hij op mijn pad. Niet Francis, maar de man aan de andere kant van de Antwerpse ring. Hij is geen case study, maar iemand die ik graag zie. Niet romcom-graag, niet bombastisch, maar met die stille warmte die je voelt in iemand die luistert en lacht op de juiste plaatsen. Iemand die boeken kan aanraden zonder uitleg, en toch precies weet welke zin voor je blijft hangen. Maar hij heeft ook stekels. Niet de agressieve soort, maar die van iemand die ooit geleerd heeft dat te dichtbij gevaarlijk kan zijn. Nabijheid ja, maar nooit zonder nooduitgang. En nog voor ik het doorheb, kan hij verdwijnen. Niet met deuren of drama, maar met stilte. Ghosting als zelfbescherming, vermoed ik. Of als vergeten vak van relationele bekwaamheid. En toch komt hij daarna weer op hetzelfde ritme terug, alsof hij nooit weg was en wij niets gemist hebben. En dat vind ik soms ontroerender dan blijven. Ik herhaal wel 'soms'.  Ik stel me voor dat ik op een dag met hem in het zuiden zou verblijven. Lavendel in juli. Boeken in augustus. Hij in een ligstoel met te veel zon op zijn schouders, ik aan tafel met een glas water waar citroen inzit. We zouden wandelen, kijken en zwijgen. Nabij genoeg om te voelen dat we bestaan, ver genoeg om niet te prikken. Warm, maar met ventilatie. Soms denk ik: misschien had hij Francis moeten kennen. Als gids. Als iemand die uitlegt dat warmte en afstand geen vijanden zijn, maar parameters. Misschien had ik Francis zijn inzichten ook vroeger moeten kennen. Maar kijk: iedereen krijgt zijn eigen handleiding.Misschien leren we graag zien zoals men in het zuiden dingen leert: door tijd, door zon, door nabijheid die niet dringt maar uitnodigt.Francis leerde het in een gezin. Ik leerde het via trail and error.  En hij, met zijn stekels, zijn pauzes en zijn zachtheid, leert het op zijn eigen tempo. En misschien is dat het enige wat telt: nabij genoeg om iemand te voelen, ver genoeg om hem niet kwijt te spelen.

Katrien Daniels
78 1

Halve verhalen / I know him so well

Het leven is een verhaal dat we schrijven terwijl we het beleven.Niemand weet hoeveel hoofdstukken er nog komen, of wat er in cursief gezet zal worden, of wat nooit voorbij de eerste zin geraakt. Ondertussen lezen anderen mee, selectief, slordig en met hun eigen interpretaties, zoals lezers horen te doen. Ik vraag me vaak af: welke hoofdstukken zien zij eigenlijk? De hoogtepunten, vermoed ik. De triomfen. Maar ook de scènewissels — vooral als ze met wat soucy details verlopen: een scheve scheiding, een veel te dramatische ziekte, een luide ruzie op het verkeerde moment. En natuurlijk de onuitgesproken familiedrama’s, verhalen waarvan iedereen alles weet maar niemand iets zegt, behalve aan de toog, in de auto of bij de afwas. En wie met wie en waarom — of waarom net niet. Het soort informatie dat altijd zonder bron, zonder nuance en zonder voetnoten de ronde doet. Want geen beter vermaak dan leedvermaak. Dat weten ze in het land van de bestsellers: het publiek leest het liefst als iemand anders op zijn bek gaat, en het liefst in kleur, geur en tijdstip. De echte aantekeningen in de kantlijn verdwijnen vaak. Die worden niet gelezen. Die leven ergens tussen het voornemen, de planning en de vergetelheid. Dan denk ik aan mijn grootmoeder.Een dijk van een vrouw. Niet door spierballen of standpunten, maar door warmte en volume. Ze was royaal in alles. Ze schepte altijd te veel eten op, ze gaf te veel kleingeld mee, ze hield de deur te lang open voor Jan en alleman. Bij haar leek niets half.Ze maakte bouillon waar drie gezinnen van konden eten.Ze vouwde lakens alsof er een militaire inspectie op de oprit stond te wachten.Ze had geen halfvol glas: ze dronk het, schonk bij of zette het weg. Doortastend. Het zit ons in het bloed.  En op vrijdag, een traditie, maakte ze rijstpap in kleine witte potjes. Eén per kleinkind.Met een dikke laag bruine suiker bovenop, als een winterdekentje dat smolt zodra het de warmte raakte. Wij aten dat op zonder er iets van te vinden en ondertussen schreef zij de eerste hoofdstukken van onze jeugdherinneringen. En toch vraag ik me af of er bij haar ook halve verhalen lagen netjes opgevouwen in de kasten waar wij niet in mochten. Misschien gebeurt dat met halve verhalen: we zien ze van een ander niet. We denken dat het een vloeiend verhaal is, terwijl het net zo gefragmenteerd is als het onze. Misschien leert ouder worden ons vooral beter verbergen. Wat zijn halve verhalen dan? Dat zijn wilde plannen voor theatervoorstellingen die nooit in première gingen, maar waarvan de titel toch al in een notitieboekje stond, omcirkeld en met uitroepteken. Dat zijn Basic-Fit-abonnementen die vooral dienen om een licht schuldgevoel op te bouwen in de boekentas.  Dat zijn vegetarische intenties die sneuvelen zodra iemand stoofvlees-friet op tafel zet “zoals de oma’s dat kunnen”, inclusief de geur van tijm en laurier. En dat zijn amourettes die alleen echt bestaan in de verbeelding: half bedachte kussen, half uitgekristalliseerde weekenden in Parijs, half uitgesproken verwachtingen die nooit verder raakten dan een glimlach, een emoji of een blik die net te lang duurde. Verhalen die begonnen zijn, maar nergens moesten aankomen om waar te zijn.Verhalen die soms liever in de coulissen blijven, gewoon omdat ze daar mooier lijken. En eerlijk: soms ook veiliger. Daar zit sowieso muziek onder. Niet in majeur, niet in refrein, maar meer als een soundtrack die zacht meeloopt. Een jaren tachtig-ballad die je niet bewust hebt gekozen, maar die toch aanslaat als je het raam een stukje laat zakken.Geen groot drama. Geen koor. Alleen een melodie die fluistert dat het had kunnen zijn — en dat dat ook een verhaal is. Misschien is dat het mooie aan halve verhalen: ze hoeven geen einde te hebben om waar te zijn. De wereld zal nooit weten dat ik steels een hartje via WhatsApp stuur als startschot van de dag. Dat ik luidkeels meezing met foute ballads op de ring. I know him so well. Dat ik op maandag hoofdstukken vol verwachting schrijf, en ze op dinsdag herschrijf omdat het zo altijd loopt. Misschien zijn we allemaal samengesteld uit halve verhalen. Misschien is niemand een afgerond boek, zelfs mijn grootmoeder niet, met haar lakens, haar bouillon en haar rijstpap met bruine suiker. Misschien zijn we eerder een verzameling onafgewerkte scènes, losse eindjes, verlangens en stiltes met een soundtrack die niet altijd op tijd valt maar toch meespeelt. Misschien is dat het hele verhaal. It was good. It was fine. En uiteraard is het madness — he can’t be mine.Maar kom: ik ken hem absoluut zeer well.

Katrien Daniels
40 1

Jurgen. Of Gunther.

Ik noem hem Jurgen.Of Gunther.Eerlijk: ik weet het niet helemaal zeker. Ik vraag me al langer af waarom die twee namen zo vaak door elkaar gehaald worden.Gunther en Jurgen.Beiden Duits.Beiden met een u en een n.Beiden klinken degelijk.Dat soort degelijk dat niet vraagt hoe het met u gaatmaar wel weet hoe je een WC ontstopt en een hallogeenschijner vervangt. Maar dus Jurgen. Dat is zachter. En dus beter passend bij hem. Jurgen draagt een werkmanspak.Oranje fluo. Niet om gezien te worden maar omdat hij anders niet gezien wordt. Op zijn hoofd een muts met een ingebouwd fietslicht.Of een wandellicht. Iets praktisch. Jurgen en ik hebben een gelijkaardige interne klok. We ontmoeten elkaar elke ochtendwanneer ik naar het werk vertrek. Altijd hetzelfde uur. Altijd dezelfde stoep. We zeggen goedemorgen. Niet groots. Niet enthousiast. Gewoon juist genoeg. Vandaag sneeuwt het. Veel. Ik wil op tijd vertrekken en net wanneer ik licht onelegant uitglijd bij het wegleggen van de PMD-zak die gisteren niet werd opgehaald, hoor ik het vertrouwde: ‘Goedemorgen’. Het is Jurgen. Vandaag praat hij wat meer dan anders. Of hij  zich afvraagt of ze vandaag wél gaan uitrijden."Gisteren niet, hé", hij schudde zijn hoofd en keek vol overtuiging naar de besneeuwde straat. Nu pas kan ik de link leggen tussen mijn PMD-zak en Jurgen zijn werkplunje. Ik zeg 'Ah nee' en wijs naar mijn PMD-zak. Dat is een kort gesprek. Maar wel eentje met inhoud. Ik zeg: “Dat zal moeten lukken vandaag, want het gaat meer sneeuwen dan gisteren." Ik vraag of ze ook meenemen zonder compensatiestickers. Want de zakken zijn duurder geworden. Er moeten stickers op. Die stickers zijn niet beschikbaar. En Dendermonde is collectief in paniek. Online lees ik meningen. Veel meningen. “Dat ze het expres doen.”“Dat het schandalig is.”“Dat iemand “zijn job niet kan”.”“Dat het vroeger beter was.”Altijd vroeger. Iemand roept dat hij zijn afval nu “in Brussel gaat dumpen”.Iemand anders zweert bij verbranding in de tuin“zoals mijn grootvader dat deed”.Er wordt gegoogeld naar wie verantwoordelijk isen meteen ook naar wie ontslagen mag worden. Ik lees dat en denk: “Amai, wat een luxe, zoveel verontwaardiging over een zak." Ik heb ook een mening. Maar ik hou die klein. Ik probeer dat toch, met wisselend succes. En ik schrijf ze niet zo snel. Liever het gesproken woord.  Jurgen geeft me een de gelijke uitleg.“Op de blauwe zakken niet. Op de gele wel. Aan de GFT-bak: ofwel drie stickers ofwel een nieuwe. PMD blijft hetzelfde." Het is duidelijke taal, zonder hashtags. Ik ben er, ondanks de sneeuw, vlot geraakt deze morgen. De banen lagen er goed bij. Terwijl ik mijn mailbox open en mezelf verder in de dag sleur, sneeuwt het onophoudelijk.  Ik denk aan Gunther. Nee... Jurgen. Ik zie hem voor me, bij hem thuis, waar dat ook moge zijn. Warme chocomelk.Een sciencefictionfilm met een te ingewikkelde titel en een einde waarbij een onbekende planeet net niet gered wordt. Ik denk aan mensen met meningen.En aan mezelf, die daar weer iets van vindt. Maar vooral denk ik: dit is hoe een jaar mag beginnen. Met iemand die gewoon elke dag zijn ronde doet speciaal voor ons (behalve als het echt te fel sneeuwt), lichtje op de muts, uitleg op zak. En dat ik hem stiekem mijn nieuwe vriend mag noemen. En dat ik voor hem maar al te graag een extra compensatiesticker plak Jurgen.Of Gunther. Ik denk Jurgen.

Katrien Daniels
25 3

Dagelijkse aandacht 5 januari 2026

Ik schrijf over Venezuela terwijl de ramen openstaan en de lucht blijft hangen. Niet omdat niemand wil luchten, maar omdat geuren bij momenten een grotere greep hebben dan woorden. Ze heten toezicht, druk, correctie. Zelfs nu de straten leeg zijn en mensen zich alleen nog verplaatsen uit noodzaak, is hun aanwezigheid voelbaar. Venezuela is geen casus en geen les. Het land ademt in een eigen cadans, maar de schema’s van anderen dwingen het keer op keer te pauzeren. Wat vandaag voorzichtigheid heet, krijgt morgen een andere betekenis. Beweging is schaars, geluid gedempt. In keukens bereiden mensen arepas terwijl de radio zachtjes speelt, niet uit gewoonte, maar om de stilte te doorbreken. Ik kijk niet als buitenstaander en ook niet als vertegenwoordiger. Ik herken de aarzeling vóór een beslissing, het zorgvuldig afwegen van elke stap. Venezuela vraagt niet om redding en zoekt geen podium. Het handelt zoals het heeft geleerd: door zich aan te passen, te onthouden en tijd te nemen. Mensen onderschatten het geheugen van dit land. Het herinnert zich momenten waarop mensen orde beloofden en ruimte beperkten, en herkent daaruit patronen. Dat geheugen is geen nostalgie, maar een vorm van waakzaamheid. Stilte betekent hier geen instemming, maar aandacht. Niemand hoeft Venezuela te sturen, en al helemaal niet van buitenaf. Het vraagt geen uitleg en geen scenario’s. Alleen ruimte. Wie die ruimte blijft invullen namens anderen, moet niet verbaasd zijn als stilte een andere vorm aanneemt. Mephis (aka) Evelyn Mérida   

Mephis
6 1

Brievenpost van Dinges | Aan dhr. Johan Hendrik van Dale

Geachte heer van Dale "Wat voor zin heeft het nu om een brief te schrijven naar iemand die in 1872 is gestorven?", zegt mijn vrouw. Ze heeft natuurlijk een punt. Wellicht gaat u dit niet lezen, want u verblijft al heel wat jaren geleden in de eeuwige jachtvelden. Of in uw geval: de eeuwige taalvelden. Maar daar gaat het niet om. In mijn hoofd schrijf ik u deze brief en in datzelfde hoofd hebt u de brief gelezen. Noem het gezonde fantasie. Taal doet soms rare dingen met een mens. Daar weet u alles van, als schepper van het ‘Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal’, dat heden ten dage nog altijd uw naam draagt. Ik wil u op de hoogte brengen van een verontrustende evolutie in onze taal. Nu zal u zeggen: 'Mijn beste Désiré, taal is altijd in beweging'. Wel, daar kan ik u in volgen, mijn beste Johan Hendrik. Maar nu maken ze het te bont. U hebt niet meer meegemaakt dat er een verkiezing voor het woord van het jaar wordt georganiseerd. Gelukkig maar.  Het kinder- en tienerwoord van dit jaar ontstond op Tik Tok. Wat dat voor een vehikel is leg ik een volgende keer wel eens uit. Het tienerwoord was ‘67’. Uit te spreken in de Engelse taal. Six seven. Tot daar niets aan de hand, want we kennen ondertussen wel meer Engelse woorden in het Nederlands. Maar dit heeft geen enkele betekenis. Niks, nul, nada. Ze gebruiken het hooguit om 'cool' te klinken, zelfs als ze niet precies weten wat het betekent. En er zijn nog van die dinges. Waar gaat het toch naartoe?  Ook in café De Kiezel was dit nietszeggende woord het onderwerp van gesprek. Mijn buurman Ömer geeft training aan de miniemen van de lokale voetbalploeg. Ik geef u even zijn verslag. "Tijdens de rust zei ik tegen onze spits Jordy dat hij wat feller moest zijn. Weet je wat zijn antwoord was? 'Six seven', zei hij. Ik wist totaal niet wat hij bedoelde, vooral omdat het nog maar 1-1 was. En helemaal geen 6-7. Achteraf hebben ze me uitgelegd dat het een tienerwoord is. Ik versta ze nog maar de helft van de tijd. Hoe kan ik ze dan iets bijbrengen?" Ömer heeft gelijk. Als we de jongeren niet meer begrijpen, kunnen we ook niet tot hen doordringen. En ze hebben het al zo moeilijk. Mijn vraag aan u, beste Johan Hendrik, is of u – mijn vrouw verklaart me gek als ze dit leest - op de een of andere manier een seintje kan geven aan uw opvolgers bij de Van Dale Uitgevers. Dat ze dergelijke taaluitspattingen niet opnemen in het woordenboek, in de hoop dat we binnenkort terug gewoon Nederlands spreken.  U kan misschien een paar woordenboeken uit de kast laten vallen bij de uitgeverij. Of u bedenkt maar iets. Aan tijd zal het u niet ontbreken in de eeuwige taalvelden. Ondertussen verblijf ik  Met de meeste hoogachting  Désiré Dinges  PS: Ik beraam nog een optocht naar uw standbeeld in Sluis, het dorp waar u altijd hebt gewoond, om aandacht te geven aan deze problematiek. Ömer en Gust, mijn twee buurmannen, gaan alvast mee. Maar mijn vrouw zegt dat ze bereid is om de politie te bellen als we overdrijven.

Désiré Dinges
3 0

Dagelijkse aandacht 3 januari 2026

De solden zijn begonnen in Antwerpen. Zodra ik de winkel binnenstap, voel ik het: het gangpad is smaller dan vorige week. Niet omdat de ruimte veranderd is, maar omdat alles naar voren is geschoven. Rekken staan dichter op elkaar, jassen hangen met de mouwen verstrengeld, kartonnen pijlen met “-50%” duwen zich in mijn gezichtsveld. Boven het geroezemoes roept een stem: “Laatste stuks”, schel en opgewekt, alsof haast een gunst is. Het licht komt van lage spots die alles warmer maken dan het is. Wol oogt zachter, zwart niet zo definitief. Ik beweeg mee met de stroom, schouder aan schouder, en merk dat mijn handen sneller zijn dan mijn blik. Een trui wordt losgetrokken, tegen mijn borst gehouden, weer teruggehangen. Naast mij doet een andere klant hetzelfde. We kijken niet naar elkaar. Mijn lichaam reageert automatisch: plaats maken, doorlopen, stoppen, weer door. In mijn hoofd begint een inventaris te groeien die niets met maten of prijzen te maken heeft. Wat draag ik echt? Wat ligt achteraan in de kast, ongedragen maar te duur om weg te doen? Wat zou ik kiezen als hier niemand was die keek? Elke jas is tijdelijk. Elke korting ook. Bij de paskamers staat een rij mensen met armen vol textiel en gezichten die al beslissen voordat de spiegel heeft gesproken. Twijfel hangt hier niet in de lucht, hij ligt opgevouwen over elke arm. Solden gaan niet over geld; ze meten hoe snel je toegeeft, hoe makkelijk “ja” over je lippen rolt en hoe zwaar “nee” in je handen ligt. Ze onthullen hoe dun de grens is tussen wat werkelijk bij je hoort en wat je slechts vluchtig wilt vasthouden. Ik koop niets. Niet uit principe, niet uit verzet. Het is geen overwinning. Het is een vaststelling, zoals merken dat je geen honger hebt terwijl het eten voor je staat. Ik heb genoeg vastgehad om te weten wat ik niet nodig heb. Buiten ligt de stad er onverschillig bij. De stoep is dezelfde, het licht ook. Dat verandert niet — en precies daarom kan ik weer ademen. Mephis (aka) Evelyn Mérida   

Mephis
0 0

De verdwijning van Victorie

Katten sterven niet.Katten verdwijnen. Ze zoeken een plek. Een kier waar niemand kijkt. Onder iets, achter iets, uit de weg. En daar gaan ze zachtjes dood. Dat zeggen wij, omdat sterven te groot klinkt voor iets dat zo weinig ruimte inneemt. Victorie is gisteren verdwenen. Ze had van bij de geboorte iets eigenaardigs.We denken een beperking. Ze wandelde in slowmotion, alsof de wereld altijd net iets te snel ging voor haar. Miauwen kon ze nauwelijks. Meer een poging dan een geluid. Ze was vaak afwezig, alsof ze er niet helemaal bij hoorde. Of al wist hoe je dat doet: een beetje niet hier zijn. Victorie leerde van Rudy wat het was om bij een roedel te horen.Honden weten dat. Dat je gezellig doet als iedereen er is. Dat je blijft liggen waar de warmte zit. Katten weten dat niet vanzelf. Die doen hun eigen ding. Maar zij keek naar Rudy. En leerde. Dat je op oude dagen niet verdwijnt naar boven of onder een bed, maar midden in de kamer gaat liggen. Zichtbaar. Aanwezig. Bij ons. We wisten dat het haar laatste dagen waren.2026 zou een mirakel zijn geweest. En toch: 1 januari was ze er nog. Het huis rook naar eten. Restjes. Overschot. Een beetje alles door elkaar, zoals dat gaat op nieuwjaarsdag. We waren stiller dan anders. We aten, maar keken vooral. Waar ligt ze? Ademt ze nog? Is dit het moment?Ze lag midden op de mat. Niet in de weg — dat deed ze nooit — maar ook niet verstopt. Oud. Stil. Versleten. En toch: erbij. Victorie kwam hier ooit binnen als cadeau.Eerste communie van mijn oudste zoon. Ongevraagd. Nog nooit zo kwaad geweest op iemand met een strik rond een doos.Je geeft geen levend wezen cadeau. Zeker geen kat. Zeker niet aan een kind. Maar qua return on investment: een topcadeau.Noch de fiets, noch de Nintendo — fluogroen, dat was toen mode — haalden de zeventien jaar. Victorie wel. Ze bleef. Door alles heen. Ze zag een huis dat zich vulde.Ze zag feestjes. Chaos. Lawaai.En later zag ze een huis dat langzaam leegliep.Scheiding. Pubers. Gesloten deuren. Stiltes die bleven hangen. Zij keek.Niet oordelend. Niet troostend. Katten doen dat niet.Ze registreerde. Ze was een goed doel op zichzelf. Wat mij het meest fascineert, is hoe een kat verdwijnt.Wij vinden dat zielig. Alsof ze ons achterlaten.Maar misschien is dat net de ultieme consequentie van kat zijn. Foert zeggen. Niet met drama. Niet met afscheid.Gewoon: het is goed geweest. En wat ze nalaat, is klein.Een kattenbak die er nog staat.Een leeg eetbakje.En nog voor een tijdje: zwarte haarplukjes op plekken waar ze graag lag. In een hoek. Op een trui. In het licht. Alsof ze nog even wil zeggen:ik was hier.ik heb gekeken.en nu ga ik. Zoals katten dat doen.

Katrien Daniels
55 3

Wat ik niet begrijp

'De mens, ge kunt gij daar niet aan uit.' Dat dacht ik op het vliegtuig toen we van Lissabon terugkwamen. Gerard Walschap komt niet vaak in mijn hoofd spoken, maar deze prachtige zin van hem was hier toch van toepassing. Laat me beginnen met het gegeven dat we op Portela Airport serieus hadden moeten wachten wegens een vertraging. Zitten, zitten, zitten. Zo lang dat je spijt begon te krijgen dat je geen koersbroek droeg. Met een zeemvel om je achterste te beschermen.  De eetwinkeltjes waren bijna uitverkocht en de rij bij de hamburgerzaak was zo lang dat je het einde niet zag. Mobiele telefoons werden aan de laadpalen massaal opgeladen en ik zag zelfs enkele koppeltjes ruzie krijgen.  Maar eindelijk verscheen het verlossende bericht op het bord met het nummer van de gate. Allen daarheen. Op het vliegtuig zat ik gescheiden van mijn familie. Ik zat naast een koppel. Zij hadden nog geen ruzie gehad. Het vliegtuig was nog aan het taxiën toen de vrouw naast me haar rugzak opende. Ze haalde er een grote bak met - denk ik – quinoa uit. Het deksel ging eraf en de geur van het goedje verspreidde zich over de aanpalende rijen. Ik moet hierbij aanvullen dat ik een vorm van misofonie heb. Het geluid van etende mensen of krakende chipszakjes jagen me behoorlijk op de kast. Daarom had ik bij het instappen al oortjes ingedaan. Want op de een of andere manier beginnen mensen altijd te eten als ze net in het vliegtuig of in de trein zitten.  Maar waarom was die grote bak quinoa niet verorberd tijdens het wachten op Portala Airport? Er was toch tijd genoeg. Dat is wat ik niet begrijp.  Daarom dacht ik aan die zin van Walschap. ‘De mens, ge kunt gij daar niet aan uit.’ Alsmaar minder.

Rudi Lavreysen
6 0

Het jaar van de wortelsoep

De ochtend na oudjaar 2026. Nog wat moe. Niet alleen van het feest, maar van die innerlijke klok die na je veertigste plots vindt dat hij het beter weet dan jij. Acht uur is dag. Punt. Of het nu 1 januari is of niet. Oudejaarsavond zit nog ergens in mijn lijf. ‘Hoe heb je gevierd?’ Zo’n vraag die mensen nonchalant stellen, in de veronderstelling dat oudejaarsavond per definitie legendarisch is. Spoiler: not. ‘Bij vrienden,’ zeg ik.Dat kan van alles zijn. Dat kan klinken als een vast stramien waarin iedereen al weet wie wat maakt en hoe er altijd wel iemand dezelfde frats uithaalt. Zoals Luc, die elk jaar net iets te vroeg begint te tellen en dan verongelijkt is omdat niemand mee wil.Het kan evengoed klinken als een chic feest met pailletten, glitters en kleren waarvan ik mij elk jaar opnieuw afvraag wie daar effectief geld aan geeft. Maar goed, hé. Dat mag. Ik vind het gewoon verloren geld. Deze bij vrienden was anders. Spannend zelfs. Het was de eerste keer dat we niet met familie vierden. De kinderen vieren al lang elders. De feesttafel was jaar na jaar kleiner geworden.En laat ons eerlijk zijn: ik kan veel dingen alleen. Alleen naar de sauna. Alleen op restaurant. Alleen op citytrip naar Parijs. Prestaties die ik met enige trots op mijn palmares heb staan.Maar oudjaar… oudjaar is toch nog iets anders. Dat is geen medaille die ik per se wou binnenhalen. Ik had er met een klein bang hartje naar gekeken. Tot er een engel passeerde. Niet als een baby met vleugels, maar gewoon als iemand die op het juiste moment een simpele vraag stelt. Nona. Ik denk zelfs niet dat ze wist dat ik nog geen plannen had. Ze vroeg het gewoon. ‘Wat doe jij met oudjaar?’ Er komen nog andere vrienden, die ken je niet, maar dat klikt wel, zei ze. Salsa-dansers ook nog. Alsof dat alles verklaarde.  Iedereen bracht iets mee. Ik de dessertjes. De anderen hapjes, een hoofdgerecht, wat vis. Nona de soep. Wat ik tof vind aan Nona is dat ze altijd een beetje chaos is. Niet slordig. Gewoon… veel tegelijk. Alsof ze in haar hoofd drie dingen tegelijk aan het doen is en overal nét te weinig tijd voor heeft. Voor haar gaat de tijd sneller. Dat is geen karaktertrek, dat is een fout in de natuurkunde. Of in eender welke wet die beslist hoe tijd zich hoort te gedragen. Alles was in orde. De tafel mooi gedekt. De cava koud. Kaarsjes aan. Alleen de soep. Daar was de tijd te snel voor gegaan. En dus stonden we op oudjaar soep te maken. De toon was gezet. Geen Piet Huysentruyt-wijsheden. Geen recepten. Gewoon vier mensen die elkaar niet kennen en samen wortelsoep maken. Nona die ondertussen nog rap een extra hapje klaar stoomde en bleef jammeren dat ze er écht niets aan kon doen van die soep. Alsof het haar persoonlijk werd aangewreven. En wij die haar daar met veel plezier mee plaagden. Omdat dat kan. Omdat plagen soms gewoon wil zeggen dat je er al bij hoort. We proefden. Nog wat zout. Misschien een beetje extra curry. Of toch nog iets meer.De soep was heerlijk. Zoals eigenlijk alles die avond. Er waren kleine cadeautjes voor iedereen. Want zo is Nona ook. Altijd nog een extraatje. Alsof ze denkt: je weet maar nooit wie dat vandaag net nodig heeft. Er werd gelachen en gebabbeld. Gewoon gezellig. Van die gesprekken die nergens naartoe moeten en net daardoor juist goed zitten. Later op de avond schoof alles wat losser. Schoenen uit. Iemand op kousenvoeten. De salsa-dansers die even lieten zien dat hun lijf sneller beslist dan hun hoofd. We telden niet af maar toen was het plots middernacht. Het uur kwam langs, maar wij waren bezig met iets anders. En ergens tussen de damp, de lach en de iets te luide salsa op de achtergrond besefte ik: dit is hoe een nieuw jaar mag beginnen.Niet luid. Niet perfect. Maar met mensen die blijven roeren tot het warm genoeg is.

Katrien Daniels
58 1

De herfst

Als ik aan de herfst denk, komen allerlei clichés zoals vallende bladeren, frisse ochtenden en steeds warmere truien naar boven.Maar bovenal blijkt de herfst het seizoen van loslaten te zijn. En dat doet me denken aan een ander soort loslaten waar we allemaal weleens mee te maken hebben. Je weet wel.. waar we niet zo gemakkelijk over praten. We doen het ook allemaal op een andere manier: Zo heb je bijvoorbeeld de trompet die als een zelfzekere herfststorm door de bomen raast: luid, aanwezig en onmogelijk te negeren. Hij laat het er gewoon uitknallen, eerlijk en ongefilterd. De bladeren vallen toch, dus waarom tegenhouden? Kortom, de trompet leert ons allemaal een lesje in onbeschaamde authenticiteit. De eenzaat daarentegen pakt het dan weer bescheidener aan en is eerder als een egel die zich klaarmaakt voor zijn winterslaap. Hij zoekt een afgelegen, rustig plekje waar hij niemand tot last is en alles veilig kan laten gebeuren. Maar ook een egel hoor je soms door de herfst stilte heen. Een zacht geritsel is een subtiele herinnering dat hij er nog steeds is. Dan is er ook nog de ontkenner, dat ene koppige herfstblad dat krampachtig aan de tak blijft hangen, ondanks de weersomstandigheden. Het doet alsof het onaantastbaar is en weigert toe te geven dat de herfst eraan komt. Maar vroeg of laat valt ook dit blad. En dan, dan ligt het net zo plat als al de rest. Een stilzitter is als een dam van bladeren en takken in een herfst beek die een sterke waterstroom probeert tegen te houden. Het water hoopt zich op en duwt steeds harder tegen de natuurlijke barrière. Uiteindelijk breekt er toch een straal doorheen, waardoor alles in beweging komt. De vraag is dan: Wat heeft die dam eigenlijk nog voor nut? De laatste - en misschien wel de ergste - is de stille stinker. Een mysterieuze mist die op een frisse herfstochtend plotseling opduikt. Geen geluid, geen aankondiging, alleen een geur die genadeloos toeslaat. Het is vergelijkbaar met een rotte appel die tussen de mooi gekleurde herfstblaadjes verborgen ligt. In alle anonimiteit aanschouwt hij glimlachend de reactie van zijn omgeving. Of jij in de herfst nu een trompet bent of een stille stinker, uiteindelijk hoort het erbij. Net zoals de bladeren vallen in de herfst, moet een mens soms gewoon iets loslaten - met of zonder knal. En nu, in wie of wat herken jij jezelf?

Tinne
0 0

Koffieleut

Soms doe ik weleens iets goed. Dan ga ik samen met mijn wederhelft naar een drankgelegenheid, laat ik haar eerst bestellen en herhaal gewoon wat zij zegt. Ik leer, niet snel, maar ik doe het wel. Vroeger dronk ik m'n koffie verkeerd, nu dus vooral latte macchiato, omdat zij het zo zegt.  Niet dat ik het helemaal snap. In de ene zaak ziet een latte macchiato er net hetzelfde uit als een koffie verkeerd in een andere. Ik maak me er niet druk om en volg de leidster. Feit is dat er zich op beide varianten vaak een schuimlaag bevindt en die zorgt dan weer voor een nieuw probleem.  Zij neemt altijd een zoetje. Jammer genoeg bedoel ik dan niet mezelf, maar eerder een 'canderelleke', zoals we zeggen. Een suikervervangertje dat in ons geval al lang niet meer van het merk Canderel is, omdat er nu eenmaal veel goedkopere alternatieven zijn en omdat we het verschil niet proeven. Vroeger deed ik wel meer verkeerd. Dan vroeg ik haar om een canderelleke (het gebeurt regelmatig dat die dingen niet meegeleverd worden door de uitbater en zij heeft sowieso standaard zo'n verdeeldoosje in haar tas) en gooide het daarna onwetend in de schuimlaag, waarna ik ging roeren. Grote fout, want op die manier lik je na de roersessie alleen superzoet schuim en blijft het vloeibare gedeelte eronder ongezoet. Nu sla ik eigenlijk een steeds wederkerend twistmoment over. Zij verdraagt geen echte suiker en ik wel. Bovendien hoor ik niet zo op mijn lijn te letten, omdat ik er tegenwoordig sowieso uitzie als een uitgemergelde windhond, vindt zij.  'Krijg ik eens een zoetje, zoetje?' hijg ik dan soms. Dat verhoogt de weerstand nog meer. We hebben immers niet de gewoonte om elkaar zoetje, liefje of schatje te noemen, zeker niet in het openbaar. Omdat het niet lekker bekt uit onze monden én omdat we weten dat koppels die dat wél doen elkaars bloed meestal kunnen drinken in de privésfeer, als er geen getuigen zijn. Nee, dan liever een koffie verkeerd met een hardbevochten suikervervangertje. En nu, nu komt het. Om te voorkomen dat het canderelleke in de schuimlaag blijft hangen, maak ik met mijn lepel vooraf een strookje schuimvrij, waardoor het rechtstreeks in het vloeibare deel belandt en op die manier zijn smaak op efficiënte wijze kan verdelen. Heel belangrijk!  'Wacht,' zeg ik dan altijd, 'ik maak eerst even een vaargeul.' Een vaargeul. Na wat research ontdek ik dat een vaargeul een waterweg is, speciaal aangelegd om het verkeer over water te vergemakkelijken. Een diepere strook. Een bebakend deel van het vaarwater dat is uitgebaggerd, waardoor schepen veilig kunnen navigeren.  Het is een woord dat ik, afhankelijk van onze uitgaansfrequentie, min of meer wekelijks spontaan gebruikte, zonder ooit de exacte betekenis te kennen. Ik zei het jarenlang zomaar, zonder nadenken, op gevoel. Ik ben als de dood voor water, heb helemaal niks met scheepvaart en heb nooit naast Mathilde gezeten. Ik heb al moeite genoeg om ons huwelijksbootje dobberend te houden.  Ach, ik geef nu wel op haar af, maar ik zie mijn mededobberaar graag, hoor. Ik ben zo blij dat ik haar heb, want het is zoals die Noord-Ierse zanger halverwege de jaren tachtig al zong: 'A good heart, these days, is hard to find'. Zoek het maar eens op. Een prachtig nummer van Vaargeul Sharkey. Excuseer. Feargal Sharkey.  

Danny Vandenberk
3 0