Zoeken

Elk zijn goestingske

Het was laat toen we gisteren thuiskwamen. Zo laat dat ge twijfelt of het nog de moeite is om de verwarming aan te zetten. Zo laat dat uw lichaam eigenlijk al beslist heeft dat het morgen is, maar uw hoofd koppig zegt: wacht, ik wil nog even een avond. We waren allebei moe. Niet gewoon moe, maar dat soort moe dat achter uw ogen zit. “Ik heb honger,” zei hij. Dat begreep ik. Natuurlijk begreep ik dat. Honger is helder. Honger is eerlijk. Honger dat ken ik. Terwijl hij eerder iemand is die vergeet te eten als de dag hem opslokt. Dat overkomt mij zelden. Maar dat is een ander verhaal. Dus ik zeg: “Schat, dan moet je iets eten.” Ik denk dan in dingen als een boterham met kaas. Als een restje van gisteren.Of, als het echt dringend wordt, iets in de airfryer. Menselijke oplossingen. Dingen met een begin, een midden en een einde. Maar hij zegt: “Ik heb zin in cassoulet. Uit blik. Met kaas.” En toen gebeurde er iets. Mijn hoofd klapt open als een slecht gesloten brooddoos in een boekentas. Cassoulet? Uit blik? Wie bént gij? Is dat iets wat ge bewust koopt? Staat ge in de winkel en denkt ge: ja, vandaag ga ik voor de Franse stoofpot in industriële variant, geef mij maar die nostalgische blikmetaalervaring? Hoe ziet dat eruit als ge dat opendoet? Is dat vloeibaar? Vast? Heeft dat een geluid? Een plop met gevolgen? Ruikt dat naar eten? Of naar oorlog? En die bonen? Zijn dat echte bonen of van die dingen die al drie generaties lang dezelfde textuur hebben? En vlees?.Zit daar überhaupt vlees in? Of iets dat ooit een ambitie had om vlees te worden? En dan.  Kaas.  Kaas?? Is dat een suggestie? Een topping? Een daad van rebellie? Is er ergens een Franse grootmoeder die op dit moment een kruis slaat en fluistert: non? Wie heeft u dat aangeleerd? Waar is dat begonnen? Was er een kamp? Een tent. Natte sokken. Een gamel op een wiebelend gasvuurtje. Iemand die zegt: “Het is dat of niks.” En dat dat dan… iets geworden is? Of een huttentocht? Op hoogte. Te weinig zuurstof. Te veel honger. Alles smaakt naar redding? Of was het bij uw oma? Een keuken waar de tijd bleef hangen. Waar dat blik open ging alsof het een ritueel was. Warm. Zwaar. Veilig. Want misschien is dit geen goesting. Maar herinnering die zich vermomd heeft als honger. Mijn hoofd ontploft maar ik zeg: “Natuurlijk. Goed idee. Doen.” Want liefde is soms zwijgen terwijl ge innerlijk een documentaire aan het maken zijt over de grenzen van het menselijk kunnen. En terwijl hij daar zit, met zijn blik en zijn lepel en zijn volstrekte overtuiging, denk ik: uiteindelijk blijven we toch allemaal een beetje vreemden voor elkaar. Maar misschien moet ge niet alles begrijpen. Dus ge blijft zitten. Kijken. Ruiken. Aanvaarden. Ik zit daar. Te kijken naar zijn cassoulet terwijl ik om elf uur ’s avonds mijn vierde raketijsje eet.

Katrien Daniels
47 3

Weesgezeten - krachtig en direct. Absoluut luisterenswaardig! (relaas over een podcastaflevering)

In de eerste aflevering van rubriek Weesgezeten, een concept van podcast Opmoederswijze, gaat de host in gesprek met Nele. Nele's antwoord op de Weesgezetenvraag "Wat bezigt u?" raakt aan een, volgens mij, even diepgeworteld als universeel ongenoegen. Het verpletterende effect van een doorgeslagen slinger. De in de podcast terecht verguisde wildgroei aan operationele mogelijkheden in publieke toiletten is, alvast ook mij, een doorn in het oog. Het begint al met de eerste te nemen horde: überhaupt binnen geraken. Allerlei poortjes, slagbomen, in- en uitstromen en een fijne selectie, al dan niet defecte, betaalmogelijkheden maken in geen tijd van de hoge nood een hoogste nood.Vervolgens duikt de ene beproeving na de andere op. De toiletten, uitgerust met twee knoppen om te spoelen, grote boodschap/kleine boodschap weet je wel, maar vaak werkt één ervan gewoon niet. Paniek dus, want zal de knop voor de kleine boodschap wel volstaan voor diens meer uit de kluiten gewassen broertje of zusje? De eerste okselvijvers vormen zich. Soms jaagt het toilet je, steels achter je rug, plots de stuipen op het lijf met een geautomatiseerde spoelen-wrijven-drogen cyclus waar menige wasmachine slechts van kan dromen. Vaker echter is het spoelsysteem nog aan het werk op zijn 67ste en slaagt het ding er alleen nog in je drol vermoeid rond te draaien. Daar rest je dan niks anders dan muisstil met het schaamrood op je wangen te wachten, tot je vermoedt dat je ongezien de aftocht kunt blazen.Toiletpapier vinden is er ook immer een queeste. Meestal betrap ik me erop dat ik in dat vervelende bakje zit te grabbelen naar een, altijd onwillig en te snel afscheurend velletje papier, zoals vroeger naar een verloren gegane tampon zonder draadje. Voor de niet-menstruerenden onder ons, geloof me, the struggle is real. Verondersteld dat dit allemaal is gelukt, gaan we over naar de rubriek handen wassen. Is er (nog) zeep, en hoe krijg je ze uit de dispenser? Is de dispenser leeg of defect als er niets uit komt, of ben je zelf gewoon gatachterlijk omdat het niet lukt? Moet je zwaaien, tikken, ergens op duwen of je iris laten scannen voor het water uit de kraan komt? Het vraagt een volleerd mimespeler of contortionist om de code te kraken. In zeldzame gevallen word je zelfs teruggecatapulteerd in de tijd en pomp je het water zelf op met een - dit is geen grap - voetpedaal. Is er papier om je handen af te drogen en hoe komt het in godsnaam uit die dispenser?! Als er handblazers zijn, komt nog maar eens een dodelijk vermoeiend scala aan mogelijkheden aangerold: handen onder of voor het toestel, is er een knop of moet je eerst even zwaaien? Of .. is het gewoon geen handblazer, maar een lege papierdispenser waar je al tig minuten voor staat? En het houdt maar niet op want... waar is op het einde van deze helletocht dat klote betaalbewijsje ook al weer gebleven, zonder hetwelk je nimmer nooit meer naar buiten raakt? Vermakelijk om over te schrijven, maar het wijst volgens de podcastmakers op een veel dieper maatschappelijk onbehagen. De insteek van het leed in publieke toiletten wordt in de podcast vervolgens geëxtrapoleerd naar het leven in het algemeen, waarbij het maken van levenskeuzes en zelfs reizen een immense uitputtingsslag wordt. Leven in een ongelooflijk verlammende keuzestress die van de banaalste zaken zoals mayonaise aankopen, topsport voor je brein maakt en van weekboodschappen een jungletocht waarna je bijna aan een chakra healing of EMDR-sessie toe bent.Verder gaat het dan naar het dilemma van de kinderwens en hormonale anti-conceptie tot post-parfum depressie en maatschappelijke dilemma's in het leven van nu.Een absolute aanrader!

nikki_petit
0 0

Vastgereden

We moeten hem een naam geven. Dat blijft helpen. Alsof ge iemand zachter kunt maken door hem te benoemen. Laat ons zeggen: Petar. Petar uit Bulgarije. Met een camion vol wortelen, ajuinen en waarschijnlijk ook een klein beetje haast. Dat zit tegenwoordig standaard mee in de cabine. Ge ziet dat niet op de vrachtbrief, maar het rijdt wel altijd mee. Hij is de derde al. De derde die zich vast rijdt in die ene venijnige bocht, hier een beetje verder. Een bocht die eigenlijk geen bocht is, maar een soort list. Aan beide kanten een beekje… de straat zegt: ge moogt hier zijn, maar ge moet wel weten hoe. Petar wist dat dus niet.Of hij wist het wel en dacht: ik doe het toch. Dat is vaak het verschil. Hij is er ingereden zoals ge soms in dingen rijdt die ge eigenlijk al voelt dat te smal zijn. Relaties. Gesprekken. Situaties waar ge uw eigen draaicirkel een beetje overschat. Nog een beetje vooruit. Nog een beetje draaien. Nog een beetje hopen dat het wel zal passen. Niet dus. Zijn camion stond daar. Scheef. Vast. Lichtjes vernederd. En Petar ook, maar dat zie je minder goed op foto’s. Want ja, hij geraakt ermee weg. Met een artikel op HLN. “Vrachtwagen rijdt zich klem in smalle straat.” Klik. Foto. Klaar. Ge ziet een camion. Ge ziet een beek. Ge ziet wat mensen die staan te kijken alsof het een zondagse attractie is. Wat ge niet ziet: de seconde waarop hij besefte dit komt niet goed. De stilte in de cabine. De vloek in een taal die wij niet begrijpen maar wel herkennen. Ik woon blijkbaar in de straat waar mannen zich vastrijden. Dat klinkt dramatischer dan ik het bedoel. Of misschien bedoel ik het wel een beetje zo. Want het gaat nooit alleen over die camion. Het gaat over denken dat ge ergens door kunt omdat een stem — een app, een baas, een idee — zegt dat het moet. Dat het sneller is. Efficiënter. Beter. Misschien is het Waze die zegt: hier langs. Misschien is het geld dat fluistert: doorrijden. Misschien is het gewoon koppigheid. Dat ook. Maar hier werkt dat niet. Hier zijn de wegen smal. Hier liggen beekjes langs beide kanten, alsof het leven zelf zegt: rustig. Hier moet ge kunnen draaien zonder te duwen. En als ge dat niet kunt, dan staat ge vast. Letterlijk. En wij staan dan te kijken. Met koffie. Met commentaar. Met een licht schuldgevoel dat verdacht veel lijkt op amusement. “Dat zou mij niet overkomen,” zeggen we. Maar we weten beter. Iedereen heeft wel ergens een bocht waar hij zich ooit heeft vastgereden. In iets dat te schoon leek om niet te proberen. Of te dringend om te laten liggen. Petar geraakt los. Uiteindelijk. Altijd. Met wat geschuif. Wat gezucht.  En een artikel dat hem herleidt tot “de Bulgaarse chauffeur”. Maar ik denk dat hij iets meeneemt. Dat gevoel van: het paste niet. En toch heb ik het geprobeerd. En ik? Ik blijf wonen in mijn straat met haar smalle wegen, beekjes, bochten die schoon zijn tot ge erin zit. Met mannen die denken dat het wel zal lukken, tot ze vastzitten. Maar ik weet soms is blijven het enige juiste manoeuvre.

Katrien Daniels
59 3

Verfoeide fooi

'Het is goed zo!' Mijn standaardzinnetje bij het geven van een fooi. Ik zeg het niet meer zo vaak, althans niet bij het vereffenen van een rekening in de horeca. Wél, en misschien nog net wat uitbundiger, in de thuissituatie. Als mijn vrouw heel goed bezig is en het binnen de kortste keren helemaal in orde gaat komen. 'Nog, nog!' kreun ik dan in eerste instantie. Meestal ligt de klemtoon daarna anders en is mijn stemtimbre wat lager, soms op het hijgende af, een grote lust en satisfactie verradend. Voor haar een signaal dat ze heel goed bezig is en dat het einde er zit aan te komen. Ondertussen zijn we zo op elkaar ingespeeld dat het allemaal op gevoel gaat. Echt genieten is dat, zeker omdat ik gewend ben om het bijna altijd zelf te doen, omdat ik regelmatig alleen ben. Tot het voor mij genoeg is, en dan zeg ik met diepe stem dat het goed geweest is, ook al heeft zij altijd nog de drang om even door te gaan. Ja, ik kan het echt enorm waarderen als ze mijn glas cola bijvult, maar ik drink niet graag uit een glas dat tot aan de rand gevuld is.  Een gevoel dat mijn portefeuille al lang niet meer kent. 't Is weer een hele tijd geleden dat hij nog uitpuilde of tot de rand gevuld was. Zoals wij allemaal, betaal ik tegenwoordig doorgaans digitaal. Soms zelfs contactloos. Daardoor geef ik bijna nooit nog een fooi, al zijn er hier en daar ook restaurants met van die betaalkastjes waarop de mogelijkheid geboden wordt om een percentage fooi of een bepaald bedrag extra toe te kennen. In mijn hoofd is dat nog koeler, kunstmatiger, onmenselijker en onnatuurlijker dan contactloos. Vroeger vond ik het ongepast om, weliswaar te gepasten tijde, te betalen met gepast geld. Het waren andere tijden. Uitgaan was nog betaalbaar. Niet dat ik er zelf aan deelnam, maar er werd bijvoorbeeld nog gedanst. Nu doen alleen de prijzen dat, swingend, de pan uit. Tegenwoordig denk je wel eens even na vooraleer je met drinkgeld begint te strooien. Over pannen gesproken, in het verleden ging ik ook veel vaker uit eten dan tegenwoordig. Hoe groter het gezin, hoe groter ook de kans dat niet iedereen zin heeft om de maaltijd buitenshuis te nuttigen. Als thuiskok beschouw ik dat als een groot compliment en zing en swing ik zelf wel een deuntje terwijl ik met de pannen rondzwier. Mijn geswing wordt nog wel gesmaakt, maar mijn zangstem serveert alleen gerechten die niemand lust.  Enfin, ik heb het gisteren dus nog eens gezegd. 'Het is goed zo!' Daarbij wreef ik bijna op sensuele wijze een briefje van vijftig in de handjes van de knappe jeugdige serveerster, nadat ze ons op vriendelijke wijze en met de (mooie) glimlach van spijs en drank had voorzien. Het feit dat ze zelf ook goed voorzien was, speelde zeker niet in haar nadeel. Zeg maar gerust wel in haar twee voordelen. 'Het is goed zo!' zei ik dus als vanouds, een fooi van dik vier euro toestaand. Het voelde fijn en natuurlijk, zoals het hoort. Mijn mee-eter, tegelijk ook mijn echtgenote, vond het maar niks. Ze tssss!-te zelfs, waarmee ze openlijk te kennen gaf dat ze me wel doorhad, zonder veel te zeggen. Die 'vetzak!' die ze gromde, was totaal overbodig. Ook al was het nadat ik gezegd had dat ik die hete serveerster liever die vier euro had laten teruggeven, waarna ik zou zeggen dat ze die in haar spaarpotje mocht steken. Doelend op haar decolleté. Dat ik het indien gewenst met veel plezier zelf zou doen. De jeugd moet ook leren hoe ze met geld moet omgaan.      

Danny Vandenberk
0 0

Van 'petty crime' naar radicalisering. Zaventem Maalbeek.

https://www.2dehands.be/q/verf+ed+cannabis/ ********************************************************************** de link tussen het repressieve drugsbeleid, de sociale dynamiek in wijken als Molenbeek en de radicalisering die leidde tot de aanslagen Tien jaar na de aanslagen is er nog nooit een onderzoek gebeurt: waarom enkele bruine Brusselse ketten zich bekeerde tot de moordpartijen. Het is mijn overtuiging dat: had men tientallen jaren geleden cannabis gelegaliseerd die bruine ketten wel stoned, arbeidsloos, in de zetel haden gelegen maar zich niet tot die moordpartijen overgegaan waren. Waarom gaan ze niet voetballen? Omdat er geen plaats, voetbalvelden zijn. Waarom gaat niemand het zwembad in? Omdat er in Brussel geen enkel zwembad is. De politiek is. TREK UW PLAN. Ik heb het van ver gevolg. Toen de toenmalig P.S. burgemeester van Sint-Jans-Molenbeek zeer tolerant was bij het gebruik en verkoop van cannabis was er geen haar op het hoofd van die ketten om moordenaars te worden.Maar hij werd opgevolgd door een zeer intolerantie opvolger die met de nodige terreur het gebruik van cannabis vernietigde. Het begon in Nederland waar men de cannabis kopers vanuit België vooral Brussel beu was. Na een tijdje was er opeens geen takje cannabis in Brussel meer te vinden. De bruine ketten werden nuchter en zeer kwaad. Toen legden ze hun oor te luisteren bij extreme personen die hen opdagen om hun agressie bot te vieren op een agressieve cultuur die vooral op alcohol dreef. Toen gingen ze naar Syrië en daar kregen ze verder onderricht in terreur.  Het is verschrikkelijk dat de toenmalige politiekers o.a. Louis Tobback jaren gejaagd heeft op vooral arme, bruin, en alternatievelingen die cannabis prefererde voor alcohol en nu sinds hij geen macht meer geeft cannabis wil legaliseren. "De politie werd erdoor opgeslorpt en de gevangenissen raakten overvol. Terwijl miljarden illegaal de grens overgingen, spon het corrupte grootkapitaal garen bij het optreden van Louis Tobback." Alcohol fabriek die miljoenen aan de Leuvense stadskist doneert. IEDERE DAG bereiken ons 300 kreten om hulp vanwege fysiek geweld, intra familiaal geweld, een topje van de ijsberg,  meestal aangewakkerd door alcohol.  P.S. Onderzoekers zoals de Franse socioloog Olivier Roy en de Belgische expert Rik Coolsaet hebben beschreven hoe een deel van de daders een verleden had in de kleine criminaliteit (waaronder drugshandel). Wanneer die vertrouwde sociale structuren en inkomstenbronnen onder druk kwamen te staan door repressie, ontstond er een vacuüm dat door extremistische ronselaars werd opgevuld. De overstap van een "zondig" leven (drugs/criminaliteit) naar een "zuiver" strijdersbestaan in Syrië bood hen een vorm van (valse) verlossing en een uitlaatklep voor hun frustratie tegenover de samenleving.  De veranderende visie van figuren als Louis Tobback weerspiegelt de bredere maatschappelijke verschuiving. Wat decennia geleden taboe was (cannabislegalisatie), wordt nu door voortschrijdend inzicht door steeds meer beleidsmakers gesteund, vaak om de zwarte markt uit handen van criminelen te halen.  De overgang van het tijdperk-Moureaux (vaak bekritiseerd om een gedoogbeleid) naar een strengere aanpak onder latere besturen is inderdaad een veelbesproken kantelpunt in de lokale geschiedenis van de gemeente. **************************** FOTO GALLERY verf ed ed+altaar+de+culturen/ Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen." Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen, ons collectief geheugen, is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig. http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
108 0

Kathy D & Godelieve De Vriendt

Ik wil je voorstellen aan twee vrouwen. De eerste: Kathy D.Kathy D is het soort vrouw dat een ruimte binnenkomt en dat ge automatisch een beetje rechter gaat zitten. Haar haar valt alsof het geoefend heeft, haar kleren zitten alsof ze ervoor gekozen hebben om haar te passen. Kathy D drinkt geen gewone koffie.Kathy D weet alles over single origin coffee. Ze spreekt dat ook zo uit. Single. Origin.Ze heeft het liefst een slow coffee met havermelk, liefst ergens waar ze het water eerst nog even laten ademen voor ze het schenken. Ze heeft geen ontbijt, ze heeft een ochtendritueel.Ze eet geen yoghurt, ze eet een “bowl”.Ze wandelt niet, ze “neemt tijd voor zichzelf”. Kathy D is niet gewoon aanwezig op sociale media. Kathy D is sociale media. Ze post dingen als: “Grateful for slow mornings” met een foto van haar koffie, haar hand, en een boek dat ze niet echt aan het lezen is. Ze lacht op foto’s alsof iemand net iets heel wijs gezegd heeft.Ze kijkt soms weg van de camera, zogezegd spontaan, maar eigenlijk perfect georchestreerd. Ze heeft meningen die klinken als inzichten en inzichten die klinken als quotes die al duizend keer bestaan hebben, maar bij haar toch weer nieuw lijken. Haar agenda is vol. Niet druk — vol.Met dingen die goed voelen. Dingen die kloppen. Dingen die gedeeld kunnen worden. Kathy D is mooi, dynamisch, zelfbewust, grappig.Maar ook… een beetje te. Ze is de vrouw waarvan ge denkt: ja… zo wil ik ook zijn.En tegelijk: amai, dat lijkt vermoeiend. En dan is er Godelieve De Vriendt. Godelieve is 1 meter 61 en weegt 102 kilo. Ze draagt een grijze rok tot over de knie, bruine Marva-kousen die halverwege de dag al beginnen te zakken, en een blouse met een lichtgele gilet zonder mouwen die al zoveel jaren meegaat dat ze bijna erfgoed is. Haar haar…Haar haar ziet eruit alsof ze elke keer aan de kapper vraagt:“Doe maar gelijk Helmut Lotti.”En dat die kapper dan denkt: meent ze dat nu?En dat ze zegt: “Ja, maar niet te modern, hè.” Haar mond ruikt een beetje naar koffie en naar commentaar dat al een paar dagen op voorhand klaar zat. Godelieve zaagt. Niet luid. Niet dramatisch. Maar constant.  Ze zaagt over de zon.Dat die altijd net verkeerd schijnt.“Te fel als ge buiten wilt zitten, en weg als ge eindelijk uw stoel gezet hebt.” Ze zaagt over de politiek.“Ja… die van Brussel allemaal zakkenvullers” Ze zaagt over de jeugd. Natuurlijk over de jeugd.“Altijd maar op hun gsm.” “En werken? Ho maar.” Ze zaagt over de supermarkt.Dat de tomaten geen smaak meer hebben.Dat ge voor een komkommer tegenwoordig precies een lening moet aangaan. Godelieve heeft geen mening. Godelieve heeft een lopende band aan bedenkingen. Ze zit. Ze kijkt. Ze zucht. En ze heeft altijd gelijk.  Godelieve is niet het soort vrouw dat een ruimte binnenkomt. Ze is het soort vrouw waarvan ge plots merkt: ah ja, die zit hier ook. Ik had ze graag aan je willen voorstellen. Of een foto van hen willen tonen. Maar eerlijk… ze bestaan niet echt écht. Ze zitten in mij. Kathy D is de versie die naar voren stapt. Die denkt: kom, nog een beetje beter, nog een beetje mooier, nog een beetje meer. Die gezien wil worden, gehoord wil worden, die haar koffie fotografeert voor ze hem drinkt. En Godelieve… Godelieve is de dag waarop dat allemaal niet moet. Niemand die denkt:“Daarover moet ik met Katrien babbelen.” Niemand die iets van mij verwacht.Geen oordeel over mijn haar.Geen mening over de psyche van het andere geslacht.Geen plannen. Geen “we moeten echt nog eens”. Gewoon ik.Mijn kat.En Netflix. En als ik dan toch iets zeg, is het waarschijnlijk om te zagen. Over de zon. Over Brussel. Over tomaten. Of over de jeugd. Iemand moet het doen.

Katrien Daniels
58 3

De wet van drie, zes en negen

 Mijn vriend heeft een perfecte pelouse. Maar echt. Perfect. Geen spriet durft scheef te staan. Ge houdt uw adem in als ge er voorbij loopt. Het gras ligt zo strak dat ge het gevoel hebt dat het ’s nachts nog rechtgetrokken wordt. Het is een voortuin. Dat is belangrijk, want een voortuin is niet van u alleen. Een voortuin is een statement. Een zachtgroene mededeling aan de straat. Het bepaalt de norm.  En elke vrijdag — élke vrijdag — staat hij daar. Alsof zijn leven ervan afhangt. Alsof er een jury komt. Alsof ergens iemand met een clipboard notities maakt. Hij maait. Hij strooit. Hij kijkt. Hij stapt achteruit en dan weer vooruit. Hij buigt zich. Hij recht zich. Hij knikt soms. Naar niemand. Hij kan zorgen voor iets dat eigenlijk nooit af is. Hij blijft geloven dat perfectie bestaat.  “Drie, zes en negen,” zegt hij dan. Alsof het over iets eenvoudigs gaat. Alsof iedereen dat weet. "Drie, zes en negen maanden om uw gazon te bemesten. In maart en september ook kalk. En in die negende maand maakt ge alles klaar voor de winter." Hij zegt dat met een vanzelfsprekendheid waar ik licht ongemakkelijk van word. Maart. Ge begint. Ge strooit. Ge hoopt. Ge denkt: dit wordt schoon. Juni. Ge onderhoudt. Ge kijkt of het pakt. Of het groeit. Of ge het onder controle hebt. Spoiler: dat hebt ge niet. En dan september. Ge strooit opnieuw. Kalk. Zorg. Nog één keer alles geven. Niet om het mooier te maken — maar om het te laten overleven wat komt. Want daarna wordt het koud. Daarna groeit er niks meer. Daarna is het gewoon… wachten. Ik moest daar dus aan denken. Aan die drie, zes en negen. En aan hoe wij mensen elkaar liefhebben. Want wij doen dat ook zo, denk ik. In het begin zaaien we. We geven alles. We willen dat het groeit, dat het schoon is, dat het klopt. In het midden proberen we het gaande te houden. Water geven. Praten. Soms zwijgen. Doen alsof we weten waar we mee bezig zijn. En dan — ergens — komt er ook een september. Een moment waarop ge voelt: nu moet ik zorgen dat dit blijft. Niet dat het nog groter wordt, niet dat het nog beter wordt, maar dat het kan blijven bestaan. Dat het de winter overleeft. Misschien maken we een liefde ook klaar voor de winter. Na die negende. Niet met mest of kalk, maar met zachtheid. Met aanvaarding. Met minder eisen. Niet meer alles willen veranderen. Niet meer alles willen laten groeien. Maar gewoon zeggen: blijf maar, het is goed zo.  Mijn vriend staat in zijn voortuin. Recht. Zeker. Met zijn perfecte pelouse. Voor de straat. Voor de blikken. Voor iets dat misschien buiten hem ligt. En ik? Ik sta ernaast. Met vuile handen. Met vragen. Met iets dat lijkt op liefde. En het lichte besef dat ge sommige dingen perfect kunt onderhouden voor de buitenwereld, maar dat ge ze pas echt leert kennen wanneer niemand kijkt, het stil wordt, en de winter begint.

Katrien Daniels
80 4

De mens als een unieke open-samenleving en de filosofie van Emmanuel Levinas

De mens als een unieke open-samenleving en de filosofie van Emmanuel Levinas   Als ziekenhuishygiënist werd ik geconfronteerd met hygiënische problemen die binnen het gangbare denkkader niet langer oplosbaar waren. Ons mensbeeld had een update nodig. We hadden (en hebben) nood aan een nieuw hygiënedenkkader om alle problemen met betrekking tot zorginfecties en de mondiale verspreiding van zorggerelateerde ‘Multi Drug Resistant Organisms’ (MDRO’s) op te lossen. In 2015-2017 schreef ik hierover een ‘essay’: ‘De noodzaak van een nieuw zorghygiënedenkkader’. Als bij toeval las ik (en lees nog steeds) over de filosofie van Emmanuel Levinas (1906 – 1995), een Franse filosoof die beschouwd wordt als een van de grootste denkers van de twintigste eeuw. Zijn denkbeelden wijken vaak sterk af van wat we gewend zijn te denken maar zijn mensbeeld is, weliswaar in andere woorden, volledig congruent met het mensbeeld dat ik in mijn ‘essay’ beschreef. Klassiek zien we de mens als een enorm groot en enorm complex systeem van eukariotische cellen (10^13) die in een perfecte symbiose leeft met een enorm groot microbioom (10^14 prokaryotische cellen, bacteriën, eencelligen). Het microbioom (de commensale bacteriën) wordt niet als tot de mens behorend beschouwd. Het wordt als een epifenomeen beschouwd, een voor de mens nuttige, maar vrijblijvende, samenleving. Maar dat is niet zo. Het menselijke microbioom is een essentieel subsysteem van ons lichaam. De samenleving is open en noodzakelijk. Ons lichaam is eukaryotisch en prokaryotisch. Er bestaat op aarde geen complex-meercellig organisme zonder een eigen microbieel subsysteem. ‘Als je een menselijke gedaante tegenkomt zonder eigen microbioom, pas dan op! Die gedaante is zeker geen mens en wellicht een ‘alien’ met kolonisatieneiging.’, Yvon Bories. Het denken van Emmanuel Levinas is een differentiedenken of relatiedenken: alles is differentie (relatie) of uit differenties (relaties) afleidbaar en verklaarbaar. De differentie is een contradictie. Voorbeeld: Ik ben geest en materie, onafhankelijkheid en afhankelijkheid, tegelijk. Ik ben een levende contradictie. Hun gelijktijdigheid constitueert het lichaam. Ik ben een hybride werkelijkheid als differentie. In de combinatie krijgen we de derde entiteit (het lichaam), de logisch uitgesloten derde. Als zijnde de ‘vereniging’ is deze derde entiteit iets heel nieuws. Deze kan ervaren worden (Levinas is een fenomenoloog) maar niet gedacht. De vereniging kan niet logisch gedacht worden zonder tegenstrijdigheid. De logica bevat de wet van de niet-tegenstrijdigheid. Ons verstand werkt volgens de categorie van oorzaak en gevolg en weigert een contradictie op te nemen. De gelogificeerbare werkelijkheid, de werkelijkheid dus die door het bewustzijn met zijn denkwetten gevat kan worden, is kleiner dan de werkelijkheid. Maar wat niet logisch is kan nog wel reëel zijn (het lichaam is reëel). Het denken is een instrument om het leven leefbaar te maken maar wellicht niet om het omvattend te vatten. Mijn mensbeeld op de wijze van Levinas: Mijn lichaam is eukaryotisch en niet-eukaryotisch (prokaryotisch) in relatie samen zijn, verenigd in scheiding (niet vermengd). Ik (het eukaryotisch systeem) en ‘Ik’ (het prokaryotisch systeem), ik ben die beide als lichaam. Het lichaam is niet één, maar twee. Ons lichaam is reëel (maar niet logisch) en produceert geen antilichamen tegen de bacteriën van ons microbioom. Ons lichaam heeft weet van de lichaamseigenheid van het microbioom, nu onze geest nog! De werkelijkheid is wat het is of we het nu willen of niet. Het is niet de mens en zijn microbioom, zijn ééncelligen, als epifenomeen maar de mens als epifenomeen in een wereld van ééncelligen. De mens is niet de heerser der aarde, de mens is een vrucht van de aarde.   Gezien voor ‘t leven Ecce homo Kijk de mens En ik Ik heb de mens gezien Nog voor hij door mijn rede stierf Geen één in stukjes Door de rede in lijkwaad gebundeld Neen, ik heb de mens gezien In een wereld van magie Een samen één In magie getooid Ik heb de mens gezien Een feit met een uitroepteken? Een vraagteken? Geen weg terug Geen weg vooruit Ik heb de mens gezien Gezien voor ‘t leven.       Yvon Bories.

Yvo
0 0

Een oefening in sterven

Elke dag is een oefening in sterven. Die gedachte bekruipt me iedere ochtend weer; doorgaans wanneer ik op de trein wacht en me overgeef aan mijn meest walgelijke tics. Ik pulk bijvoorbeeld de randen van mijn vingernagels om ze vervolgens naast de vuilbak te gooien. Daar dienen ze als voedsel voor de vogels, de insecten, het ongedierte. Ze zijn een voorschot op de rest van mijn lijf. Want we zijn wormenvoeding, we leven om ander leven tot voedsel te dienen. Mensen noemen me cynisch wanneer ik dat zeg. ‘Wormenvoeding’ is zelden een epitaaf, hoewel het dichter bij de waarheid ligt dan het ‘Requiescat in pace’ dat de meeste grafstenen siert. Op botte nuchterheid rust blijkbaar een groter taboe dan op schaamteloze dronkenschap. Wat de goegemeente vereist is ingetogen zelfbedrog. Maar geen dodenwake, boek der doden of transhumanistisch manifest kan de waarheid verhullen: de natuur is een recyclagefabriek en wij zijn de grondstoffen. Van wouden maakt ze steenkool, algen vermaalt ze tot krijt. Miljarden jaren maalt ze al. Ooit zal ze ook ons vermalen. Zelfs de sauropoden dwong ze op de knieën. Het leven komt met een prijs. In het menselijke bestel wordt die vooral door andere wezens betaald. We vissen de zeeën leeg en kappen de wouden kaal. Kuikens, biggen en kalveren versnijden we tot steaks, burgers en worsten. Maar al dat voedsel, die massa organisch materiaal die ligt opgeslagen in onze botten, spieren, pezen en ingewanden, wacht slechts op het moment om opnieuw te ontbinden. Ook wij liggen ooit horizontaal in de aardkorst, uitgestald als een feestdis voor maden, schimmels en bacteriën. Mensen zijn biefstukken met kapsones, en daar ben ik geen uitzondering op. Die wetenschap voegt geen el toe aan mijn levenslijn, maar maakt de streken waar ik normaal zo gewichtig over doe plots een pak lichter. Inzicht brengt opluchting. Zelfs het zwaarste boek uit onze literaire traditie onderkent dat. ‘Lucht en leegte’, zegt het Bijbelboek Prediker, ‘Lucht en leegte, alles is leegte.’ Laat me dus maar genieten van het leven, inclusief van mijn walgelijke tics. Wie goed kijkt ziet wat mijn vingernagels werkelijk zijn: dankoffers voor het korte bestaan dat me op deze planeet is gegund. Pieter Van der Schoot Deze column verscheen ook op mijn blog Observaties uit het ondermaanse. Afbeelding: Koning Salomo, volgens de traditie de auteur van het boek Prediker.© Gustave Doré, Public domain, via Wikimedia Commons

Pieter Van der Schoot
9 1

Magnolia's

In de binnentuin van het oude Gasthuis staat een magnolia. Ik zie hem elke dag door de grote glazen wand van het cultuurcentrum waar ik werk. Oude muren rondom, een modern gebouw van glas en beton ervoor, en daartussen een boom die elk voorjaar roze ontploft. Vandaag staat hij in volle bloei. Bloesems groot als porseleinen soepkommen. Roze, zacht, een beetje overdreven. Alsof iemand met een brede kwast de lente op de takken heeft gesmeerd. Magnolia’s hebben weinig geduld. Terwijl andere bomen nog zitten te twijfelen — gaan we al? nog even wachten? — staat deze madam al in avondjurk. De rest van het park nog half in pyjama en zij al klaar voor het feest. Ik hou van magnolia’s. Misschien een beetje te veel. Want een magnolia brengt me altijd terug naar een andere tuin. Een klein stadstuintje van een grote liefde van vroeger. Daar stond ook een magnolia. En als die begon te bloeien, wist je: het seizoen is open. Stoelen naar buiten. Aperitieven die plots om vier uur begonnen. Een barbecue die al warm stond terwijl we nog deden alsof het maar voor straks was. Hij met een tang in zijn hand alsof hij een Michelinchef was. Ik met een glas wijn en grote theorieën over het leven. Er werd gelachen. Veel te luid. Buurmannen die over de haag kwamen hangen. Vlees dat te lang op het rooster lag omdat we weer eens een verhaal moesten afmaken. En ergens tussen een schaal sla en een aangebrande merguez zat dat grote gevoel waarvan ge denkt: voilà, zo moet het dus. Het jaar na onze breuk zag ik overal magnolia’s. Echt overal. Iemand had de stad volgezet met roze herinneringen waar ik niet om had gevraagd. Ze stonden te bloeien in voortuinen, langs straten, in parken. Roze wolken van gezelligheid waar ik niet meer bij hoorde. Dat was liefdesverdriet in de prille zon. Uitgesmeerd over een hele stad. Ik werd er kwaad van. Op die bomen. Op hun overdreven romantiek. Alsof ze mij stonden uit te lachen met hun bloesems. En dan gebeurt wat elk jaar gebeurt met magnolia’s. Eén nacht vorst. Eén. En het is gedaan. Die majestueuze bloemen vallen plots uit de lucht. Niet meer poëtisch. Niet meer zacht. Maar bruin. Vettig. Plat. Een soort slijmerige bloesemdrek die zich over de tuin verspreidt. Daar ligt dan uw romantiek. Als een nat tapijt waar ge beter niet over loopt. Ik heb ooit echt gedacht: wie zet er nu vrijwillig een magnolia in zijn tuin? Ge weet toch hoe dat eindigt. Eerst een paar dagen operette. En daarna een hoop bruine pulp waar ge met uw schoenen door moet. Gelukkig doet de tijd zijn werk. Verdriet verplaatst zich. De scherpe kantjes verdwijnen. Wat overblijft zijn de verhalen. De avonden. Het gelach. De liefde die er wél was. En zelfs die magnolia. Vandaag kijk ik opnieuw door de glazen wand naar de boom in de binnentuin van het oude Gasthuis. Hij staat daar weer schaamteloos te bloeien. Alsof hij elk jaar opnieuw denkt dat het deze keer anders zal zijn. Roze bloemen. Zon. Lente. En ik denk: ja ja. Wacht maar tot morgen.

Katrien Daniels
89 4

Naar de meet

Ik ben gestopt met schreeuwen naar de koers op tv. Vooral naar de supporters die het koersen bijna onmogelijk maken. Onnozelaars. Dan is de koers niet meer van ons. Maar wel van mij en mijn schoonvader. We kwamen net binnen toen de Omloop Het Volk in de finale zat. Neem me niet kwalijk, ik blijf die oude benamingen gebruiken. Dat ‘volk’ was niet alleen de krant. Ik vroeg hoe het zat. Met Jordi en de rest. “Vanspringel is ook gevallen”, zei hij. “Wie? Herman Vanspringel?” Ik moest even nadenken. Toen zag hij ook onmiddellijk dat hij zich van naam had vergist. “Die leeft helaas niet meer”, zei ik lachend. We bleven nog een tijdje grinniken over de vergissing. Een heerlijke lach. Hij bedoelde Philipsen, de Vlam van Ham. De bijnaam van Herman Vanspringel was ‘Monsieur Bordeaux-Paris’, wegens zeven overwinningen in de monsterrit. Hij was een kempenzoon (wat een prachtig woord is dat toch), net zoals veel coureurs. Het moet er in de kempengrond zitten. Frans Verbeeck is er ook eentje. Van hem zijn de legendarische woorden aan de meet, gericht aan commentator Fred Debruyne, toen Eddy Merckx weer eens had gewonnen. “Fred, ik heb formidabel afgezien. Eddy rijdt vijf kilometer te hard voor ons.” Fred Debruyne heeft een pleintje met zijn naam in het zuiden van Frankrijk. Wij gaven die rennersnamen aan onszelf terwijl we in die jaren rond het pleintje bij het huis fietsten. Ik ben wel eens Fred geweest. Het zijn namen, helden. Een mens heeft ze nodig. Een mens zonder helden, daarmee wil ik niet naar de meet. Ik kijk al uit naar de volgende koers. Gaat Wout voor winst in Milaan-San Remo? Van mij mag Vanspringel opnieuw meedoen. Of Rik I en Rik II. De keizers van toen. Wie gaat er nog passeren? Laat ze maar komen.

Rudi Lavreysen
2 1

Bekentenis van een overlijdensberichtlezer

Ik wil iets bekennen: ik lees graag de overlijdensberichten in de krant.Niet vluchtig. Echt lezen. Met aandacht. En ik vraag me soms af of ik de enige ben. Ik hoop van niet. Want het zou toch wat gênant zijn als ik de enige trouwe lezer van die rubriek ben. Dus bij deze een kleine outing. Mocht uw oog daar ook altijd eerst naartoe glijden: ge zijt niet alleen. Waarom ik dat doe, weet ik eigenlijk niet goed. Misschien uit dezelfde reflex waarmee we de rest van de krant lezen: om te weten wat er gebeurt in de wereld. Alleen gaat het hier niet over files of ministers die weer iets verkeerd gezegd hebben, maar over levens die afgerond zijn. Ik herinner me dat ik ooit het overlijdensbericht zag van mijn professor psychologie uit het eerste jaar van de sociale hogeschool. Een bijzondere mens. Hij kon een aula van honderd studenten stil krijgen met iets dat begon als droge theorie maar eindigde als een blik op het leven zelf. Over Freud bijvoorbeeld. Over het ES dat alles wil. Het ICH dat probeert te schipperen. En het ÜBER-ICH dat streng in een hoek zit te fluisteren dat we ons toch wat beter moeten gedragen. Of over Maslow en zijn piramide. Eerst eten en veiligheid, daarna liefde en erkenning, en helemaal bovenaan: zelfontplooiing. Het idee dat een mens zijn leven eigenlijk te herleiden is tot een piramide. Toen ik zijn overlijdensbericht zag, bleef ik even hangen. Hij werd ergens in de tachtig. Dat stelde me vreemd genoeg gerust. Mooie mens, mooi leven. Zijn piramide was top. Een andere keer zag ik het bericht van een kotgenoot van vroeger. We waren geen dikke vriendinnen geworden. We hadden gewoon een paar jaar dezelfde gang gedeeld. Dezelfde keuken. Dezelfde geur van pasta, toast en een pan die altijd nét te lang op het vuur en de week daarna bij de afwas stond. En toch was het vreemd. Het idee dat iemand die letterlijk een tijd mijn pad kruiste er plots niet meer was. Alsof er ergens in de wereld een deur dichtvalt waar ge ooit gedachteloos door gelopen zijt. Dat doet een mens nadenken. Over wat geweest is. Over wat nog moet komen. En dat we het leven misschien toch wat steviger moeten vastpakken. Misschien is dat ook waarom ik die rubriek lees. Een soort generale repetitie. Niet voor mijn eigen overlijden, maar voor die momenten waarop het leven plots beslist dat er iemand vertrekt. Want dan moet er ineens veel beslist worden. Veel te snel. Dan moeten er versjes gevonden worden, foto’s gekozen, woorden gezocht voor iets waar eigenlijk geen woorden voor bestaan. En als ge dan al een tijdje die rubriek leest, komt ge toch niet helemaal onbeslagen in zo’n verhaal terecht. Ge weet een beetje hoe mensen afscheid nemen. Wat er kan. Wat er soms staat. En wat ook niet. Ik lees die berichten ook om te kijken hoe families in elkaar zitten. Wie er genoemd wordt. Wie vooraan staat en wie ergens op het einde. Hoe mensen hun geliefde omschrijven. “Zijn geweldig lief.” Dat is toch iets anders dan “echtgenoot van”. Soms kunt ge een heel leven voelen in een paar woorden. Ik kijk ook altijd naar de jaartallen. Dan maak ik onbewust een soort schaal van ernst. Hoe ouder de overledene, hoe meer ge dat kunt lezen met iets als volbrachtheid. Een lange tocht die afgerond is. Ge denkt bijna: goed gedaan, mens. Hoe dichter de geboortedatum bij de mijne komt, hoe ongemakkelijker het wordt. En iedereen die jonger is dan ik vind ik gewoon oneerlijk. En nog iets waar ik altijd op let: de namen van de kinderen. Dat is eigenlijk een klein sociologisch onderzoek op zich. Als er Lou of Georges staat, weet ge meteen dat dat nog kleine mannen zijn die ergens met een loopfiets rondrijden. Terwijl een Ewoud of een Michiel gegarandeerd al boven de twintig is en waarschijnlijk ergens probeert uit te rekenen hoe ge een appartement betaalt. Ik kijk ook altijd naar de foto’s. Dat is misschien nog het meest ontroerende onderdeel. Sommige mensen kiezen een jonge foto. Een zomerjurk. Een brede lach. Alsof ze willen zeggen: zo wil ze herinnerd worden. Anderen kiezen een recente foto. Met rimpels, een bril, een gezicht waar het leven duidelijk overheen is gegaan. Dat vind ik misschien nog het moedigst. Alsof iemand zegt: dit was ze, helemaal. En dan zijn er nog de kleine symbolen. Het kruisje. De duif. Een korenaar. Soms een hartje. De dood heeft al lang zijn eigen emoji’. Daarna komen vaak de zinnen. Die klassieke zinnen die generaties lang lijken mee te reizen van afscheid naar afscheid. “Hij heeft een steen verlegd in een rivier op aarde.” “Wat je in je hart draagt, raak je nooit meer kwijt.” “De hemel is een engel rijker, wij zijn er een kwijt.” Zinnen die misschien al duizend keer zijn gebruikt, maar die toch elke keer opnieuw proberen te zeggen wat eigenlijk niet te zeggen valt. Ik lees ook hoe er afscheid genomen wordt. “In intieme kring, volgens de wens van de overledene.” Dan denk ik soms: is dat wel echt zo? Of hadden de nabestaanden gewoon geen zin in een zaal vol mensen die allemaal beginnen met “weet ge nog dat hij toen…” Of er staat dat het leven gevierd zal worden. Dan stel ik me een zaal voor met foto’s, muziek, wijn die iets te snel wordt bijgeschonken en verhalen die steeds een beetje mooier worden naarmate de avond vordert. En ergens tussen al die gedachten heb ik ooit beslist dat ik een bruine envelop in een lade ga leggen. Met een paar richtlijnen. Misschien een liedje. Misschien een paar zinnen. Eén spreuk weet ik al: “Wat de liefde draagt, is nooit een last.” Tegelijk besef ik dat dat ook een tikkeltje arrogant is. Doe ik dat echt om hen te helpen? Of ben ik ook na mijn dood nog altijd een eigenwijze moeial die zich met alles wil bemoeien? Misschien willen mijn kinderen het net kort en eenvoudig houden. Terwijl ik daar dan lig met een draaiboek van tien pagina’s. Met muziek uit La La Land en The Greatest Showman. Met zonnebloemen overal: ja, dat is zo 'ik'. Met een powerpoint die blijft doorgaan tot zelfs de nonkel op de derde stilletjes vraagt of hij nu al om een prentje mag gaan naar voor. Misschien zelfs met grote schermen buiten, voor het geval er zoveel volk komt dat niet iedereen binnen kan. En dan hoor ik ze al denken: mama, ge hebt het weer wat te groot gezien. Misschien heb ik daar eigenlijk geen recht op. Misschien mag ik alleen hopen dat er op een dag ergens staat: We nemen afscheid van Katrien Daniels. En dat ze zich nog herinneren dat ik alles met passie deed. Dat ik mijn familie graag zag. Mijn vrienden ook. En tegen dan hopelijk ook mijn zes kleinkinderen. En dat er misschien ook ergens staat: ze had haar kuren, maar het was wel een goeie. Maar het liefst van al hoop ik dat er nog één zinnetje staat: 'Het zotte lief van…' En dat hij dan denkt: wat een geluk dat die madam ooit op mijn pad kwam. 

Katrien Daniels
36 2

Oermoeder

Gisteren kreeg ik een beeldje cadeau, een soort oermoeder met kind, een familiestuk, dat generaties overleefde.  Het kreeg een ereplaats op de buffetkast onder de foto van mijn kinderen. Een snapshot van een warm moment op de gevoelige plaat vastgelegd, voor puberteiten en adolescentie het overnamen.  Vannacht zijn mijn kinderen van de muur gevallen, zomaar pardoes op hun gezicht. Mijn op canvas geprinte zoon houdt er alvast een permanente verminking in zijn hals aan over.  Ze hingen nochtans aan een wonderlijk zelfklevende spijker, een even grote hype als elektrische wagens die eigenlijk onblusbare bompakketten blijken te zijn en hormoon restitutie therapie, HRT voor de sisters. Aangeprezen als hét middel tegen overgangsklachten, zoals daar zijn, gewichtstoename, afnemende energie, angst en doemdenken, opduikende stugge kinharen, hart- en vaatziekten, osteoporose, opvliegers, droge ogen, huid en slijmvliezen (we houden dit bewust vaag, maar iedereen weet waarover het gaat), broos haar, dementie, afnemend libido, hersenmist, vermoeidheid, met de horizon verdwenen geduld en als vermist opgegeven zorgreflex. Maar bovenal voor meer levensvreugde voor uzelf en de u omringenden! Hoezee!  Goed voor alles, maar komt met een bijsluiter die men minstens één keer rond de aarde kan wikkelen. Bio-identiek, in pillen, gel of patches, we mikken op de laagst werkzame dosis, bij tussenbloedingen drijven we op tot we weer gaan met die banaan!  Zoals met alles wat zo bejubeld wordt vraag ik me af, waar zit de adder? Waarom is dit wondermiddel weer iets exclusiefs voor vrouwen, net zoals anticonceptie? Want die pil voor mannen, die is toch eigenlijk nooit echt van de grond gekomen, laten we eerlijk wezen. Hebben mannen dat dan niet nodig, die ongelooflijke bescherming tegen al die ouderdomskwalen? Zijn zij dan nog helemaal intact eens de vijftig gepasseerd? De hormonen racen nog alsof ze twintig waren, ze lopen nog steeds met volle haardos achter hun .. euhm .. zorgreflex aan? Geen slijtage dus of wat had je gedacht? Of ... willen ze stiekem gewoon een partner bij wie dat het geval is? Zit dat achter die hele marketingmotor voor HRT en al die nieuwe, breed lachende, halve marathons lopende menopauzeconsulenten, of zouden ze het deze keer écht goed menen met die onderzoeken naar gezondheid bij vrouwen? Die nichemarkt die men al eeuwenlang olijk negeert bij alle medische studies (testpersonen die menstrueren en hysterisch rondlopen met een fladderende uterus in de buik, zijn per definitie onbruikbaar én onbetrouwbaar, dat stond buiten kijf). Bij vrouwen is het pas een hartinfarct als het onomstotelijk bewezen geen stress is, dus als ze dood op de grond liggen …. of zoiets.  Ho maar! Ben ik een complotdenker aan het worden? Is ook dat een overgangssymptoom? Hoog tijd voor een pilletje of gelletje? Kwestie van de productiviteit en de aaibaarheid van de dag naar een maatschappelijk aanvaardbaar niveau te tillen?  Mijn zorgreflex is echter onherroepelijk op z’n retour, daar helpt geen smeren meer aan, van de vraag wat we gaan eten vandaag, ga ik gillen. Mijn kinderen hang ik dus morgen wel weer op, of overmorgen, met het alternatief van de zelfklevende spijker, ook gekend als boorgat, plug & play. De vraag blijft, was het echt de spijker, of probeert de vruchtbaarheidsgodin op de buffetkast me iets te vertellen? Misschien toch die menopauzeconsulent maar even bellen.

nikki_petit
3 0

Diepvrieszakjes, tandenstokers en aluminiumfolie

Een eenvoudig bericht op Smartschool van de juf was voor mij vroeger altijd reden tot lichte paniek. Volgens de juffen zijn dat heel normale vragen. “Graag morgen een wit T-shirt meegeven.” Of: “Wie nog een foto heeft van zijn kind als baby…” Heel gewone dingen, vinden zij. Maar voor ouders zijn dat regelrechte aanslagen op een toch al broze work-life-balans. Want waar, vraag ik u, haalt een mens op een woensdagavond om 21u37 nog een wit T-shirt vandaan dat niet 1) te klein is, 2) een vlek heeft of 3) ergens onderaan een stapel ligt waarvan ge niet meer weet of die proper of vuil is. En die babyfoto. Alsof wij hier een schuif hebben met afgedrukte foto’s. Ik denk soms dat juffen ervan uitgaan dat mama’s een soort kastsysteem hebben. Een schuif met witte T-shirts. Een schuif met witte lakens. (Echt. Serieus. Wie heeft er een schuif met witte lakens?) En ergens ook een schuif met afgedrukte foto’s uit de kindertijd. Zo van die perfect gesorteerde herinneringen. Gelabeld. Per schooljaar. Dat soort schuldgevoel — dat ge niet zo’n goed voorbereide moeder zijt — ligt gelukkig al een tijdje achter mij. Ik hoef het lot niet meer te misleiden met extra zwembroeken in mijn handtas of met duizend plannen B in mijn hoofd. Allemaal om er uit te zien als die ontspannen moeder die alles onder controle heeft. Maar toch. Soms overvalt het mij nog. Mijn zoon vraagt: “Hebt ge elastiekjes?” En ge weet hoe dat gaat. Ge staat aan een kast. Ge trekt een lade open. Ge kijkt naar wat daar allemaal ligt en plots beseft ge: ik heb daar geen schuif voor. Geen elastiekjesschuif. Ik vind elastiekjes trouwens een vies uitgevonden ding. Ze hebben zo’n kleur die nergens echt bij past. Zo’n vuil beige dat eruitziet alsof het al een leven achter de rug heeft nog voor ge het gebruikt. En ze plakken een beetje. Altijd een beetje. En vroeger — toen we ons haar nog in een staart probeerden te trekken met zo’n ding — wist ge één ding zeker: tegen de avond had ge een paar haren minder. Elastiekjes zijn kleine martelwerktuigen met een huishoudfunctie. Maar terwijl ik daar zo in die lade sta te kijken, zie ik wel wat er wél ligt. Diepvrieszakjes bijvoorbeeld. Met zo’n zipsluiting van de Zweedse meubelreus. Dat voelt georganiseerd. Alsof ge iemand zijt die dingen bewaart voor later. Dan ook tandenstokers. Die koopt ge één keer in uw leven en daarna liggen die daar. In een verpakking zo groot dat ge zou denken dat ge elke vrijdag een afterwork organiseert op uw privéterras. Ik in ieder geval niet. En als ge ze nodig hebt — bij de apero bijvoorbeeld — dan zijn ze plots onvindbaar. Dan ligt ge daar olijven te serveren en legt ge uiteindelijk maar vorkjes bij de glazen. Omdat niemand zin heeft om met zijn vingers in een schaaltje te gaan vissen. Tandenstokers zijn zo’n product dat altijd bestaat in theorie, maar zelden op het moment dat ge ze nodig hebt. En dan aluminiumfolie. Ook een moeilijk product eigenlijk. Mag dat nog, in het kader van het milieu? Een bewuste vriendin zei mij ooit: “Weet gij hoeveel energie dat kost om dat te maken?” Sindsdien koop ik aluminiumfolie met een klein schuldgevoel. Maar het blijft wel gemakkelijk. Voor een halve citroen. Voor een stuk kaas. Voor een potje dat ge nog snel moet afdekken. Of voor boterhammen, wanneer de Zweedse diepvrieszakjes op zijn en ik alweer de derde brooddoos op mijn werk heb achtergelaten. In de keuken heb ik zo’n schuif dus niet. Maar ergens anders misschien wel. Eentje met diepvrieszakjes. Om herinneringen in te steken. Van die met een zipsluiting, zodat ge ze voorzichtig kunt dichttrekken. Niet te bruusk. Gewoon zachtjes. Klik. Dicht. Dat ze nog even goed blijven. Dat ze niet uitdrogen of verkruimelen. Dat ge ze later nog eens kunt bovenhalen, openritsen, en kijken of ze nog hetzelfde smaken als toen. Dan ook tandenstokers. Voor de kleine dingen. Om iets weg te pulken dat blijft hangen. Of om, heel precies en beleefd en hygiënisch, dat stukje salami te nemen van het leven waar ge zin in hebt. Niet het hele bord. Gewoon dat ene stukje dat ge gezien had en waarvan ge dacht: ja, dat wil ik. En dan aluminiumfolie. Zo’n rol zilver die ge rond iets legt wanneer ge wilt dat het warm blijft. Of vers. Of beschermd tegen wat er van buiten komt. Ge pakt dat vel, ge plooit dat er rond en ineens is alles een beetje veiliger. De lucht blijft buiten. De warmte blijft binnen. Soms denk ik dat ik dat ook zo doe. Dat ik ergens een stuk aluminiumfolie heb klaarliggen voor mijn hart. Niet om het te verstoppen. Maar om het te bewaren. Voor onderweg. Voor later. Voor wanneer het nog even moet meegaan zonder te verkruimelen. Heel zorgvuldig ingepakt. Niet te strak. Gewoon genoeg om het warm te houden. Tot iemand zegt: "Kom, dit hebt ge niet meer nodig. Geef het maar hier. Ik haal het er wel af. Ik hou het warm. Ik geef het lucht. Dat het kan ademen." Dat zou schoon zijn...  Maar elastiekjes?  Nee. Ik heb geen elastiekjes.  Diepvrieszakjes, tandenstokers en aluminiumfolie heb ik wel. Maar elastiekjes? Nee, die heb ik niet.

Katrien Daniels
45 2

Een vrouw

Een vrouw. Ze staat er. Ze valt en staat weer op. Ze valt op. Een eigenzinnige vrouw. Een vrouw met handen in de aarde en haar hoofd in de lucht. Een vrije vrouw.Een vrouw met donkere ogen en een verlichte geest.Een tache de beauté, vlak bij haar neus. Ze heeft een boek onder haar arm. Ze is een boek van een vrouw, dat je niet gelezen krijgt. Een stijlvolle vrouw, zonder stijl. Een eeuwige vrouw. Zonder trends. Een vrouw die laarzen draagt, enkel om er regels aan te lappen. Een vrouw die op de lappen gaat. En die alles afzweert. Een vrouw die weet, van wanten en planten. Een volle vrouw. Een vrouw die geen blad voor de mond neemt. Rad van tong. Met daarop haar hart. Een vrouw die kiest. Een vrouw die zich niet laat kennen. Die zich laat verwennen. Die verwent. Een verwende vrouw. Een vrouw die spreekt. Een vrouw die veelzeggend zwijgt. Staalhard. Die je het zwijgen oplegt. Een vrouw die je de mond snoert. Een snoerende vrouw, die zich niet laat insnoeren. Een snoevende vrouw. Een stoere vrouw. Een vrouw die smacht en smeekt, siddert en beeft. Voor zichzelf. Die zich overgeeft, aan zichzelf. Een vrouw die niet van ophouden weet. Geen vrouw bij de vleet. Een vrouw van vol vlees. Die geurt naar kruiden en buiten.Een vrouw die leeft. Die kansen gretig grijpt. Die oogst wat je haar geeft. Een straffe vrouw. Een vrouw die straft. Een vrouw met straffe stoten, een vrouw met kloten. Een vrouw die tegen een stoot kan. Een vrouw die het hard te verduren krijgt. Een vrouw die wordt aangeraakt. Een vrouw die slikt maar niet vergeet. Een wilde vrouw. Een wulpse en weldadige vrouw. Wildevrouw. Een weergaloze vrouw. Een oervrouw die de oerkreet uit. Die het uitschreeuwt van pijn of genot. Dat maakt niet uit. Een vrouw die de weg toont, een vrouw die je weg tovert. Van het pad gaat.Een vrouw die durft drinken, durft stinken. Een vrouw die bedwelmt. Een vrouw die zalft en geneest. Planten leest.Een vrouw die zorgt en zoogt. Een vrouw die poogt. Probeert en faalt en opnieuw probeert. Die opbokst. Ze wikt en weegt. Ze pleegt. Ze doet, ze onderneemt. Een gevaarlijke vrouw. Een slimme vrouw. Een sluwe vrouw. Een wereldse vrouw, een vrouw van de wereld. Een vrouw waar geen sleutel op past. Een vrouw als een bloem. Als een eenogige kat.Een onomwonden vrouw. Een wonde van een vrouw. Een wonder van een vrouw. naar aanleiding van het debat tussen Soundos en Bart Schols, gebaseerd op De wonderen van Jeroen Olyslaegers

Lennart Vanstaen
3 0