Zoeken

De verdwijning van Victorie

Katten sterven niet.Katten verdwijnen. Ze zoeken een plek. Een kier waar niemand kijkt. Onder iets, achter iets, uit de weg. En daar gaan ze zachtjes dood. Dat zeggen wij, omdat sterven te groot klinkt voor iets dat zo weinig ruimte inneemt. Victorie is gisteren verdwenen. Ze had van bij de geboorte iets eigenaardigs.We denken een beperking. Ze wandelde in slowmotion, alsof de wereld altijd net iets te snel ging voor haar. Miauwen kon ze nauwelijks. Meer een poging dan een geluid. Ze was vaak afwezig, alsof ze er niet helemaal bij hoorde. Of al wist hoe je dat doet: een beetje niet hier zijn. Victorie leerde van Rudy wat het was om bij een roedel te horen.Honden weten dat. Dat je gezellig doet als iedereen er is. Dat je blijft liggen waar de warmte zit. Katten weten dat niet vanzelf. Die doen hun eigen ding. Maar zij keek naar Rudy. En leerde. Dat je op oude dagen niet verdwijnt naar boven of onder een bed, maar midden in de kamer gaat liggen. Zichtbaar. Aanwezig. Bij ons. We wisten dat het haar laatste dagen waren.2026 zou een mirakel zijn geweest. En toch: 1 januari was ze er nog. Het huis rook naar eten. Restjes. Overschot. Een beetje alles door elkaar, zoals dat gaat op nieuwjaarsdag. We waren stiller dan anders. We aten, maar keken vooral. Waar ligt ze? Ademt ze nog? Is dit het moment?Ze lag midden op de mat. Niet in de weg — dat deed ze nooit — maar ook niet verstopt. Oud. Stil. Versleten. En toch: erbij. Victorie kwam hier ooit binnen als cadeau.Eerste communie van mijn oudste zoon. Ongevraagd. Nog nooit zo kwaad geweest op iemand met een strik rond een doos.Je geeft geen levend wezen cadeau. Zeker geen kat. Zeker niet aan een kind. Maar qua return on investment: een topcadeau.Noch de fiets, noch de Nintendo — fluogroen, dat was toen mode — haalden de zeventien jaar. Victorie wel. Ze bleef. Door alles heen. Ze zag een huis dat zich vulde.Ze zag feestjes. Chaos. Lawaai.En later zag ze een huis dat langzaam leegliep.Scheiding. Pubers. Gesloten deuren. Stiltes die bleven hangen. Zij keek.Niet oordelend. Niet troostend. Katten doen dat niet.Ze registreerde. Ze was een goed doel op zichzelf. Wat mij het meest fascineert, is hoe een kat verdwijnt.Wij vinden dat zielig. Alsof ze ons achterlaten.Maar misschien is dat net de ultieme consequentie van kat zijn. Foert zeggen. Niet met drama. Niet met afscheid.Gewoon: het is goed geweest. En wat ze nalaat, is klein.Een kattenbak die er nog staat.Een leeg eetbakje.En nog voor een tijdje: zwarte haarplukjes op plekken waar ze graag lag. In een hoek. Op een trui. In het licht. Alsof ze nog even wil zeggen:ik was hier.ik heb gekeken.en nu ga ik. Zoals katten dat doen.

Katrien Daniels
55 3

Wat ik niet begrijp

'De mens, ge kunt gij daar niet aan uit.' Dat dacht ik op het vliegtuig toen we van Lissabon terugkwamen. Gerard Walschap komt niet vaak in mijn hoofd spoken, maar deze prachtige zin van hem was hier toch van toepassing. Laat me beginnen met het gegeven dat we op Portela Airport serieus hadden moeten wachten wegens een vertraging. Zitten, zitten, zitten. Zo lang dat je spijt begon te krijgen dat je geen koersbroek droeg. Met een zeemvel om je achterste te beschermen.  De eetwinkeltjes waren bijna uitverkocht en de rij bij de hamburgerzaak was zo lang dat je het einde niet zag. Mobiele telefoons werden aan de laadpalen massaal opgeladen en ik zag zelfs enkele koppeltjes ruzie krijgen.  Maar eindelijk verscheen het verlossende bericht op het bord met het nummer van de gate. Allen daarheen. Op het vliegtuig zat ik gescheiden van mijn familie. Ik zat naast een koppel. Zij hadden nog geen ruzie gehad. Het vliegtuig was nog aan het taxiën toen de vrouw naast me haar rugzak opende. Ze haalde er een grote bak met - denk ik – quinoa uit. Het deksel ging eraf en de geur van het goedje verspreidde zich over de aanpalende rijen. Ik moet hierbij aanvullen dat ik een vorm van misofonie heb. Het geluid van etende mensen of krakende chipszakjes jagen me behoorlijk op de kast. Daarom had ik bij het instappen al oortjes ingedaan. Want op de een of andere manier beginnen mensen altijd te eten als ze net in het vliegtuig of in de trein zitten.  Maar waarom was die grote bak quinoa niet verorberd tijdens het wachten op Portala Airport? Er was toch tijd genoeg. Dat is wat ik niet begrijp.  Daarom dacht ik aan die zin van Walschap. ‘De mens, ge kunt gij daar niet aan uit.’ Alsmaar minder.

Rudi Lavreysen
6 0

Het jaar van de wortelsoep

De ochtend na oudjaar 2026. Nog wat moe. Niet alleen van het feest, maar van die innerlijke klok die na je veertigste plots vindt dat hij het beter weet dan jij. Acht uur is dag. Punt. Of het nu 1 januari is of niet. Oudejaarsavond zit nog ergens in mijn lijf. ‘Hoe heb je gevierd?’ Zo’n vraag die mensen nonchalant stellen, in de veronderstelling dat oudejaarsavond per definitie legendarisch is. Spoiler: not. ‘Bij vrienden,’ zeg ik.Dat kan van alles zijn. Dat kan klinken als een vast stramien waarin iedereen al weet wie wat maakt en hoe er altijd wel iemand dezelfde frats uithaalt. Zoals Luc, die elk jaar net iets te vroeg begint te tellen en dan verongelijkt is omdat niemand mee wil.Het kan evengoed klinken als een chic feest met pailletten, glitters en kleren waarvan ik mij elk jaar opnieuw afvraag wie daar effectief geld aan geeft. Maar goed, hé. Dat mag. Ik vind het gewoon verloren geld. Deze bij vrienden was anders. Spannend zelfs. Het was de eerste keer dat we niet met familie vierden. De kinderen vieren al lang elders. De feesttafel was jaar na jaar kleiner geworden.En laat ons eerlijk zijn: ik kan veel dingen alleen. Alleen naar de sauna. Alleen op restaurant. Alleen op citytrip naar Parijs. Prestaties die ik met enige trots op mijn palmares heb staan.Maar oudjaar… oudjaar is toch nog iets anders. Dat is geen medaille die ik per se wou binnenhalen. Ik had er met een klein bang hartje naar gekeken. Tot er een engel passeerde. Niet als een baby met vleugels, maar gewoon als iemand die op het juiste moment een simpele vraag stelt. Nona. Ik denk zelfs niet dat ze wist dat ik nog geen plannen had. Ze vroeg het gewoon. ‘Wat doe jij met oudjaar?’ Er komen nog andere vrienden, die ken je niet, maar dat klikt wel, zei ze. Salsa-dansers ook nog. Alsof dat alles verklaarde.  Iedereen bracht iets mee. Ik de dessertjes. De anderen hapjes, een hoofdgerecht, wat vis. Nona de soep. Wat ik tof vind aan Nona is dat ze altijd een beetje chaos is. Niet slordig. Gewoon… veel tegelijk. Alsof ze in haar hoofd drie dingen tegelijk aan het doen is en overal nét te weinig tijd voor heeft. Voor haar gaat de tijd sneller. Dat is geen karaktertrek, dat is een fout in de natuurkunde. Of in eender welke wet die beslist hoe tijd zich hoort te gedragen. Alles was in orde. De tafel mooi gedekt. De cava koud. Kaarsjes aan. Alleen de soep. Daar was de tijd te snel voor gegaan. En dus stonden we op oudjaar soep te maken. De toon was gezet. Geen Piet Huysentruyt-wijsheden. Geen recepten. Gewoon vier mensen die elkaar niet kennen en samen wortelsoep maken. Nona die ondertussen nog rap een extra hapje klaar stoomde en bleef jammeren dat ze er écht niets aan kon doen van die soep. Alsof het haar persoonlijk werd aangewreven. En wij die haar daar met veel plezier mee plaagden. Omdat dat kan. Omdat plagen soms gewoon wil zeggen dat je er al bij hoort. We proefden. Nog wat zout. Misschien een beetje extra curry. Of toch nog iets meer.De soep was heerlijk. Zoals eigenlijk alles die avond. Er waren kleine cadeautjes voor iedereen. Want zo is Nona ook. Altijd nog een extraatje. Alsof ze denkt: je weet maar nooit wie dat vandaag net nodig heeft. Er werd gelachen en gebabbeld. Gewoon gezellig. Van die gesprekken die nergens naartoe moeten en net daardoor juist goed zitten. Later op de avond schoof alles wat losser. Schoenen uit. Iemand op kousenvoeten. De salsa-dansers die even lieten zien dat hun lijf sneller beslist dan hun hoofd. We telden niet af maar toen was het plots middernacht. Het uur kwam langs, maar wij waren bezig met iets anders. En ergens tussen de damp, de lach en de iets te luide salsa op de achtergrond besefte ik: dit is hoe een nieuw jaar mag beginnen.Niet luid. Niet perfect. Maar met mensen die blijven roeren tot het warm genoeg is.

Katrien Daniels
50 1

De herfst

Als ik aan de herfst denk, komen allerlei clichés zoals vallende bladeren, frisse ochtenden en steeds warmere truien naar boven.Maar bovenal blijkt de herfst het seizoen van loslaten te zijn. En dat doet me denken aan een ander soort loslaten waar we allemaal weleens mee te maken hebben. Je weet wel.. waar we niet zo gemakkelijk over praten. We doen het ook allemaal op een andere manier: Zo heb je bijvoorbeeld de trompet die als een zelfzekere herfststorm door de bomen raast: luid, aanwezig en onmogelijk te negeren. Hij laat het er gewoon uitknallen, eerlijk en ongefilterd. De bladeren vallen toch, dus waarom tegenhouden? Kortom, de trompet leert ons allemaal een lesje in onbeschaamde authenticiteit. De eenzaat daarentegen pakt het dan weer bescheidener aan en is eerder als een egel die zich klaarmaakt voor zijn winterslaap. Hij zoekt een afgelegen, rustig plekje waar hij niemand tot last is en alles veilig kan laten gebeuren. Maar ook een egel hoor je soms door de herfst stilte heen. Een zacht geritsel is een subtiele herinnering dat hij er nog steeds is. Dan is er ook nog de ontkenner, dat ene koppige herfstblad dat krampachtig aan de tak blijft hangen, ondanks de weersomstandigheden. Het doet alsof het onaantastbaar is en weigert toe te geven dat de herfst eraan komt. Maar vroeg of laat valt ook dit blad. En dan, dan ligt het net zo plat als al de rest. Een stilzitter is als een dam van bladeren en takken in een herfst beek die een sterke waterstroom probeert tegen te houden. Het water hoopt zich op en duwt steeds harder tegen de natuurlijke barrière. Uiteindelijk breekt er toch een straal doorheen, waardoor alles in beweging komt. De vraag is dan: Wat heeft die dam eigenlijk nog voor nut? De laatste - en misschien wel de ergste - is de stille stinker. Een mysterieuze mist die op een frisse herfstochtend plotseling opduikt. Geen geluid, geen aankondiging, alleen een geur die genadeloos toeslaat. Het is vergelijkbaar met een rotte appel die tussen de mooi gekleurde herfstblaadjes verborgen ligt. In alle anonimiteit aanschouwt hij glimlachend de reactie van zijn omgeving. Of jij in de herfst nu een trompet bent of een stille stinker, uiteindelijk hoort het erbij. Net zoals de bladeren vallen in de herfst, moet een mens soms gewoon iets loslaten - met of zonder knal. En nu, in wie of wat herken jij jezelf?

Tinne
0 0

Koffieleut

Soms doe ik weleens iets goed. Dan ga ik samen met mijn wederhelft naar een drankgelegenheid, laat ik haar eerst bestellen en herhaal gewoon wat zij zegt. Ik leer, niet snel, maar ik doe het wel. Vroeger dronk ik m'n koffie verkeerd, nu dus vooral latte macchiato, omdat zij het zo zegt.  Niet dat ik het helemaal snap. In de ene zaak ziet een latte macchiato er net hetzelfde uit als een koffie verkeerd in een andere. Ik maak me er niet druk om en volg de leidster. Feit is dat er zich op beide varianten vaak een schuimlaag bevindt en die zorgt dan weer voor een nieuw probleem.  Zij neemt altijd een zoetje. Jammer genoeg bedoel ik dan niet mezelf, maar eerder een 'canderelleke', zoals we zeggen. Een suikervervangertje dat in ons geval al lang niet meer van het merk Canderel is, omdat er nu eenmaal veel goedkopere alternatieven zijn en omdat we het verschil niet proeven. Vroeger deed ik wel meer verkeerd. Dan vroeg ik haar om een canderelleke (het gebeurt regelmatig dat die dingen niet meegeleverd worden door de uitbater en zij heeft sowieso standaard zo'n verdeeldoosje in haar tas) en gooide het daarna onwetend in de schuimlaag, waarna ik ging roeren. Grote fout, want op die manier lik je na de roersessie alleen superzoet schuim en blijft het vloeibare gedeelte eronder ongezoet. Nu sla ik eigenlijk een steeds wederkerend twistmoment over. Zij verdraagt geen echte suiker en ik wel. Bovendien hoor ik niet zo op mijn lijn te letten, omdat ik er tegenwoordig sowieso uitzie als een uitgemergelde windhond, vindt zij.  'Krijg ik eens een zoetje, zoetje?' hijg ik dan soms. Dat verhoogt de weerstand nog meer. We hebben immers niet de gewoonte om elkaar zoetje, liefje of schatje te noemen, zeker niet in het openbaar. Omdat het niet lekker bekt uit onze monden én omdat we weten dat koppels die dat wél doen elkaars bloed meestal kunnen drinken in de privésfeer, als er geen getuigen zijn. Nee, dan liever een koffie verkeerd met een hardbevochten suikervervangertje. En nu, nu komt het. Om te voorkomen dat het canderelleke in de schuimlaag blijft hangen, maak ik met mijn lepel vooraf een strookje schuimvrij, waardoor het rechtstreeks in het vloeibare deel belandt en op die manier zijn smaak op efficiënte wijze kan verdelen. Heel belangrijk!  'Wacht,' zeg ik dan altijd, 'ik maak eerst even een vaargeul.' Een vaargeul. Na wat research ontdek ik dat een vaargeul een waterweg is, speciaal aangelegd om het verkeer over water te vergemakkelijken. Een diepere strook. Een bebakend deel van het vaarwater dat is uitgebaggerd, waardoor schepen veilig kunnen navigeren.  Het is een woord dat ik, afhankelijk van onze uitgaansfrequentie, min of meer wekelijks spontaan gebruikte, zonder ooit de exacte betekenis te kennen. Ik zei het jarenlang zomaar, zonder nadenken, op gevoel. Ik ben als de dood voor water, heb helemaal niks met scheepvaart en heb nooit naast Mathilde gezeten. Ik heb al moeite genoeg om ons huwelijksbootje dobberend te houden.  Ach, ik geef nu wel op haar af, maar ik zie mijn mededobberaar graag, hoor. Ik ben zo blij dat ik haar heb, want het is zoals die Noord-Ierse zanger halverwege de jaren tachtig al zong: 'A good heart, these days, is hard to find'. Zoek het maar eens op. Een prachtig nummer van Vaargeul Sharkey. Excuseer. Feargal Sharkey.  

Danny Vandenberk
3 0

Vluchtroutes

We gaan hem Marc noemen. Dat is veiliger. Marc is verantwoordelijk voor veiligheid in een grote eventlocatie. Dat maakt hem, per definitie, de partypoeper van dienst. Terwijl anderen denken in confetti, rookmachines en wauw, denkt Marc in doorgangen. In meters. In dingen die vrij moeten blijven. Hier geen auto. Daar geen foodtruck. Nee, ook niet “maar heel even”.Hij is degene die zegt: “Als het misgaat, moet dit leeg zijn.” En niemand wil horen over misgaan wanneer het net gezellig begint te worden. Zijn collega’s dromen van feest, entertainment en spektakel. Marc droomt van een nooduitgang die zichtbaar blijft. Van een deur die niet geblokkeerd is door een goedbedoelde plantenbak. Van pijlen die nog exact wijzen waar ze gisteren ook wezen. En net daarom vind ik hem leuk. Marc kan gepassioneerd vertellen over dingen die niemand sexy vindt. Vluchtroutes. Brandcompartimenten. Fluohesjes die op de juiste plaats hangen. Luidsprekers die het altijd moeten doen, ook als niemand ze wil horen. Tussen pot en pint vertelt hij over brandoefeningen. Over hoe nodig het is om alles opnieuw te doen. Niet omdat het spannend is, maar omdat je anders vergeet waar alles ligt en of het nog werkt. En terwijl hij praat over controleren, over eens testen, over zeker zijn, glijden mijn gedachten weg. Dat gebeurt wel vaker bij mij. Ik denk aan die one night stand van een half jaar geleden.Niet omdat hij spectaculair was.Net niet. Ik vond hem eigenlijk wel leuk. Warm genoeg om er iets bij te denken. Te warm, blijkbaar. Bij one night stands wordt het mij altijd pas de week nadien duidelijk.Nooit die nacht zelf.Altijd daarna.Op het moment dat ik, tegen beter weten in, in gedachten al mijn trouwkleed begin te kiezen.Niet eens wit. Gebroken wit. Praktisch. Met zakken misschien. En dan komt hij. De keiharde waarheid.Het was maar één keer.Eens om te kijken.Eens om te voelen of alles nog lag waar het moest liggen.Of alles nog marcheerde. Geen vervolg. Geen verhaal. Geen nooduitgang richting samen. Enfin. Een brandoefening. Marc praat intussen verder.Over procedures. Over hoe belangrijk het is dat zo’n oefening geen drama wordt, maar een test. Gewoon even nagaan of je in paniek niet verkeerd zou lopen. Ik neem een slok en denk: sommige mensen doen dat ook met anderen.Even binnen.Even voelen.En daarna weer naar buiten, alsof er niets aan de hand was. Behalve dan bij degene die dacht dat het een feest was en achteraf merkt dat het alleen maar ging om te zien of de alarmen het nog deden. Marc is een vriendwaarbij je je vanzelf veilig voelt.Niet omdat hij je vasthoudt, maar omdat hij al gekeken heeft waar je naartoe kan als het donker wordt. En misschien is dat het verschil tussen liefde en een oefening:de één blijft wanneer het alarm afgaat, de ander was alleen even aan het testen of de uitgang nog vrij was. Katrien Daniels

Katrien Daniels
74 2

Jaren luisteren

Ik maak elk jaar een playlist op Spotify.Niet omdat ik ordelijk ben - wie mij kent, weet beter - maar omdat sommige dingen anders verdwijnen. Alsof ze nooit echt zijn gebeurd. Alsof ik ze mij inbeeldde om het leven wat draaglijker te maken. Het idee leende ik ooit van een beste vriend. Zoals je de beste ideeën altijd leent en ze daarna achteloos inpakt in je eigen bestaan. Hij zei: als er iets gebeurt en er speelt op dat moment een liedje, zet dat in een lijst. De rest doet de tijd wel. Zo maak ik mijn jaaroverzichten. Geen hoogtepunten. Geen successen. Maar momenten die zich vastbijten in muziek zoals een geur in een jas die je eigenlijk had willen weggooien maar toch blijft dragen. Ik weet dat het 2017 was omdat “I Miss You” daarin staat. Dat was Steven.Liefdesverdriet heeft blijkbaar versterkers nodig. In datzelfde jaar staat ook “Lena Lena”. Omdat Rembert De Smet stierf. Ik heb daar geen datum bij nodig. Dat nummer is die dag. Zo werkt rouw: niet netjes, niet chronologisch, maar op repeat. En “Waar Jij Niet Bent”. Weer Steven. Sommige mensen verhuizen niet met dozenmaar met stilte. Ze laten een lege plek achter die je pas hoort als een lied begint. Dan plots “Love of My Life”. Van Queen. Dat moet Peter geweest zijn.Ik weet het niet meer precies. Maar mijn lijf weet het nog. Mijn lijf onthoudt dingen waar mijn hoofd liever niet meer komt. Dat lijf is een koppig archief. Zo werkt het dus. Mijn hoofd poetst weg. Mijn Spotify niet. En dan is er 2025. Die lijst begint met “Magnificent”.En dat klopt. Omdat goed soms niet jubelt maar blijft staan. Omdat niet alles een punt moet zijn. Sommige dingen mogen ook een halve zin blijven die nergens heen hoeft. Ik zette ook “Behind the Walls” van Ward D’Hoore erin .Jong. En precies daarom zo raak. Omdat hij muziek maakt die niet bewijst maar blijft.Omdat hij durft fluisteren waar anderen hun gelijk uitschreeuwen. Omdat eerlijkheid ook een vorm van lef is en je daar soms stiller van wordt dan je had verwacht. En dan “Chiquitita”. De bananendans op kamp. Omdat niets heilig is behalve samen belachelijk doen met volle overtuiging. Lachen als zorgvorm. Dat nummer ruikt naar kinderen die nog niet weten dat dit later een herinnering wordt. “Nightswimming”. Zo puur dat het schuurt. Zo zomer dat je er nat van wordt zonder ooit echt te zwemmen. Een lied waarin je mag blijven hangen zonder plan, zonder richting, zonder belofte. En ergens - als een ruggengraat die niet altijd recht staat - de soundtrack van Paris, Texas.Ry Cooder die precies daar schuurt waar je liever zou wegkijken. Liefde die wringt. Kijken zonder aanraken. Blijven terwijl je beter zou vertrekken. Niet kapot. Maar ook niet passend. Er staat ook “Feel So Different” tussen. Van Sinéad O’Connor. Een zomer. Een huid die sneller ja zei dan het verstand kon bijhouden. Een liefde zonder toekomst maar met alles wat er toen was. Warm. Helder. Maar voorbij. En “Perfect Symphony”. Een auto. Mijn twee grote zonen aan boord. Wij drieën, ramen dicht, volume belachelijk hoog, uit volle borst meezingen. Omdat het kan. En omdat we zo zijn. Nog altijd. Gelukkig. Als ik de afspeellijst van 2025 beluister, hoor ik geen drama. Ik hoor leven. In verschillende toonaarden. Met rafels. Met humor als reddingsvest. Met ademruimte en hier en daar een lichte schaafwonde. Misschien is dat de zoetheid van dit jaar: het hoefde niets te worden. Het mocht er gewoon zijn. Zoals een goed lied dat je niet begrijpt maar ook niet afzet. En helemaal op het einde staat “Jardin Secret”. Niet om iets af te sluiten. Maar om iets verborgen te houden. Een geheim. Een onbeantwoorde liefde. Iets wat nooit uitgesproken werd omdat het anders misschien zijn kracht zou verliezen. Dat nummer is geen slot. Het is een kamer waar ik soms nog binnen ga zonder het licht aan te doen. Waar iets blijft liggen dat nooit gekozen werd maar ook niet verdween. Een gevoel dat nergens heen moest om echt te zijn. Niet alles is van iedereen.Niet alles moet gedeeld.Niet alles wil opgelost.Sommige liedjes bewaar je omdat ze blijven vragen en nooit antwoorden.  

Katrien Daniels
58 1

roxette

Listen to your heart.When he’s calling for you.   Serieus! Is dat nu een manier om mensen wakker te maken? Alsof mijn wekker denkt dat hij een life coach is. Ik luister al genoeg naar mijn hart. Meer dan genoeg zelfs. En tot nu toe heeft het mij vooral wallen opgeleverd, omwegen en een abonnement op melancholie. Geen duidelijkheid.Geen plan.Zeker geen hulpmiddel om kwart voor acht fris en monter richting werk te vertrekken.Ik druk het nummer weg net voor het refrein. Kwart voor acht. Een rit van drie kwartier én de wil om om acht uur te beginnen werken. Dat is een zelf uitgevonden wiskunde die elke ochtend opnieuw haar ongelijk bewijst. Dus: de kortste weg. Altijd de kortste. Maar wat is de kortste?  Door de stad, zeggen de apps.Alleen starten de scholen straks.Dus fluohesjes, bakfietsen, ouders met haast in de ogen en kinderen die treuzelen. Dan maar de binnenwegen.Iets langer.Meer bochten. Ik blijf even staan.Motor draait. En daar is ze.Mijn maag. Niet als fluistering.Als ultimatum. Mijn honger is geen klein ongemak.Geen oei, ik zou iets kunnen eten.Mijn honger is een karaktertrek.Een persoonlijkheidsstoornis met een agenda. Ze komt niet zacht.Ze komt niet vriendelijk vragen.Ze neemt plaats.Zet haar ellebogen op tafel.Eist aandacht. Als ik zo vertrek, zonder eten,dan word ik iemand anders. Iemand die dingen zegt die al lang gedacht zijn maar normaal netjes achter een filter blijven steken. Angela zal het voelen. Ze zal enthousiast beginnen over haar kleinkinderen. Foto’s tonen. Filmpjes. Zeggen hoe schattig ze zijn. Hoe slim. Hoe echt al zichzelf En ik zal lachen. Niet mee. Maar nét hard genoeg dat ze twijfelt. Ik zal iets zeggen als: “Ja amai… ze lijken precies allemaal op elkaar.” Luc ook. Altijd net iets te dichtbij. Zijn adem die al voor hem binnen is. Ik zal hem aankijkenen eindelijk zeggen wat al maanden klaarzit: “Zeg Luc, een deodorant is geen luxe, hè.Dat is een investering. Voor u. Voor ons. Voor de wereld.” En Ronny. Ronny zal iets laten slingeren. Papieren. Een koffietas. Zijn rommel, altijd voor straks. Ik zal niet meer wachten. Niet meer tellen tot drie.Ik zal zeggen: “Ruim het op. Niet straks. Nu. We werken hier niet in uw living.” Dat is wie ik word als ik honger heb. Niet slecht. Wel eerlijk. Te eerlijk. In het winkeltje doe ik snel ochtendgymnastiekmet vier bananen. Goudakaas ook. En ja.Een chocoladebroodje. Of twee. Dit is geen luxe. Dit is onderhoud. Terug in de auto. Acht uur. Ik start de afspeellijst nostalgie mama.Die mama ben ik. De lijst bestaat sinds 2015. Sinds de ritten naar het zuiden. Frankrijk.Vroeg vertrekken. De achterbank slapend. Dat ene uur tussen vijf en zes waarin ik de auto en de rit helemaal voor mij alleen had. Ik vond het stoer. Dat ik dat deed. Zo ver rijden. Met kinderen. Met muziek. Met péages en wegbeschrijvingen. Een ultieme manier om tegen de wereld te zeggen: Ik heb geen man nodig! Die muziek droeg mij. Gitaarintro’s die langzaam open gingen. Stemmen die bleven. Liedjes die wisten wanneer ze moesten zwijgen. Nu rijdt diezelfde playlist mee op een maandag in december. Onderweg naar the office. Naar vergaderingen en plannen. Mijn kaas rolt zich vanzelf op. De bananenschil ligt op de passagierszetel. Een lege verpakking schuift bij elke bocht tegen de deur. Buiten is het zacht. Niet wat je verwacht van een ochtend in december. De lucht is lichtblauw, wit, met een randje roze. Alsof de dag zich even vergist heeft van seizoen. Er was een tijd dat er ontbijt klaar stond.Niet groot. Maar juist genoeg om te voorkomen dat alles ontspoorde.Iemand die wist dat het anders mis ging nog voor de middag. En dan -  Lay a whisper on my pillowLeave the winter on the groundI wake up lonely… Het nummer vult de auto. Niet te luid. Net genoeg om alles wat los ligt samen te trekken. De lucht. De rommel. Mijn handen aan het stuur. It must have been love,but it’s over now. Katrien Daniels

Katrien Daniels
84 1

02/02/2022

Ik word wakker in een bed dat niet van mij is. De lakens zijn te strak. Het licht te wit.Dit is geen hotel. Geen logeerkamer. Geen vergissing. Crisisafdeling, zegt mijn hoofd. Al weet ik niet wanneer iemand dat woord heeft uitgesproken. Het hangt hier gewoon. Zoals de stilte. Zoals de vraag. Wat kom ik hier doen? Hoe is het zover kunnen komen dat ik wakker word op een plekwaar deuren zacht sluiten en niets vanzelfsprekend is? Mijn lichaam voelt ouder dan gisteren. Mijn gedachten zijn een doos waarin alles tegelijk ligt: angst, schaamte, vermoeidheid, een klein restje hoop dat zich verstopt. Ik probeer me te herinneren wat de laatste juiste beslissing was. En waar ik daarna ben afgeweken. Alsof dit een wandeling was en geen glijbaan. Dan staat er plots een verpleger in mijn kamer. Niet dreigend. Niet plechtig. Gewoon… daar. Hij vraagt of ik witte of bruine suiker wil op mijn pannenkoek. Een pannenkoek. Hier. Nu. Mijn hoofd hapert. Niet omdat ik geen zin heb. Maar omdat ik alles wil.Ik wil wit. Ik wil bruin. Ik wil niet kiezen. Ik wil vooral niet dat dit afhangt van mij. Ik zeg dat ik het niet weet. Dat ik het allebei wil. Dat ik vandaag geen beslissingen kan nemen. Hij lacht niet eens. Hij knikt. Alsof dat het meest normale antwoord ter wereld is. Later zal ik weten dat hij Davy heet en dat hij een nobelprijs verdient. Later zal ik begrijpen dat dit zorg was. Zorg in zijn zuiverste vorm: iemand die je pannenkoeken aanbiedt op het moment dat jij denkt dat alles verloren is. 02/02. Lichtmis. De dag waarop pannenkoeken traditie zijn. Voor overvloed. Voor hoop. Voor een nieuw begin. Ik wist dat toen niet.  Ik wist alleen dat er iets warms mijn dag binnenkwamzonder dat ik erom had gevraagd. Sindsdien heb ik een pannenkoeken-fetisj. Ik noem het zo, omdat het anders te groot klinkt. Pannenkoeken zijn altijd goed. Om te troosten. Om te vieren. Om een verloren dag toch te beginnen. Ze zijn rond. Vergevingsgezind. Ze laten zich omdraaien. Ze mislukken zelden definitief. Als ik geen woorden heb, maak ik pannenkoeken. Als ik iets te vieren heb, ook. En als alles op instorten staat, dan zeker. Elk jaar op 2 februari bak ik ze. Op de gezondheid van Davy.En van iedereen die ooit dacht: dit komt niet meer goed en toch iets kreeg aangereikt dat zei: je mag hier nog even zijn. Witte of bruine suiker? Vandaag weet ik het antwoord. Allebei. Katrien Daniels

Katrien Daniels
28 1

Een dankjewel

Een dankwoord Het leven zit vol onzin, tot het plots heel concreet wordt. Tot het gaat over geld dat niet van ons is, en over veiligheid die wél van ons is. En dan staat daar één man. Bart De Wever. Van hem krijg ik de laatste dagen een brok in mijn keel. Oprechte dankbaarheid. Ik hoop dat half België hetzelfde voelt. De held van Europa? Hij stond daar, eenzaam als een standbeeld op een verlaten plein, terwijl een heel koor van hyena's om hem heen cirkelde. Hun ogen glinsterden van het Russische goud dat wij 'in bewaring' houden. Alsof het een pot jam is die zomaar open kan. Hij vocht voor een vredestroef. Met niets anders dan zijn overtuiging en een lijf dat vastbesloten was door te zetten. Urenlang. Tot zijn gezicht de kleur aannam van krijt. Je zou voor minder. Maar hij bezweek niet. En in dat niet-bezwijken werd hij iets wat ik dacht dat uitgestorven was: een wandelend, ademend bewijs van ruggengraat. Een koppig soort gezond verstand dat weigerde mee te gaan in de waanzin van de dag. Want serieus: wat was het alternatief? Dachten de anderen werkelijk dat we onze eigen veiligheid konden wegschenken? Om dan te wachten tot de poppenkast van Poetin, Xi en Kim Jong-un een triomftocht door onze straten zouden houden? Slaat de kortzichtigheid soms op hol? Beseft niemand meer wat dat manneke in het Kremlin allemaal in zijn mars heeft? De gedachte alleen al doet me huiveren. Rillingen die niet die van de kou zijn, maar van een nakend onheil dat je voelt eer je het ziet. Voor dit moment, nu, even, is er lucht. Een broze, tijdelijke rust. Laten we ervan genieten…. En laten we, bij alle hemellichamen, hopen dat in 2026 het gezond verstand de laatste lach heeft. Het zou een mirakel zijn. Maar soms, heel soms, gebeuren er mirakels.

Heidi Schoefs
4 0

Den tweede tijm

“Ge kijkt precies zoveel naar uzelf”, zei onze jongste. Het was zo. Hij hield me een spiegel voor. Ik zag mijn spiegelbeeld in het grote raam. Een aangename nazomerdag zorgde voor een mooie weerspiegeling in het glas op het terras. We zaten bij familie. “Ja, het is zo”, zei ik. “Maar het is geen kwestie van ijdelheid. Zeker niet. Ik verbaas me nog elke dag over mijn grijze haren.” Die grijze haren staan ‘op’ mijn hoofd, maar ze zitten niet ‘in’ mijn hoofd. Wat beliegt een mens zichzelf toch. Natuurlijk heb ik een grijze leeftijd. Natuurlijk ben ik over de helft. Nog niet in de verlengingen, maar toch minstens in ‘den tweede tijm’, zoals men vroeger de tweede helft van het voetbal noemde.  Diezelfde avond ging het grijze avontuur verder. We zaten ergens anders, maar het was precies het thema van de dag. Iemand zei dat er een modeshow was geweest met enkel grijze mannen. Geen saaie mannen, maar mannen met een natuurlijk grijs kapsel. Iemand anders zei dat grijsheid voor wijsheid staat en toen was het hek helemaal van de dam. Een discussie tussen de grijzen en de zwarten.  Toen vertelde ik het verhaal van ‘Kojak’. Kennen jullie die serie uit de jaren ’70 nog? De acteur had altijd een lekstok in zijn mond. Enkel om te spreken ging die lolly even uit zijn mond. “Iedereen keek naar zijn lekstok”, zei ik. “Het was zijn middel om met roken te stoppen, maar door die lolly waren de mensen ook minder gefocust op zijn kaal hoofd.”  Toen begon iemand anders over ‘Columbo’, die andere detective uit de jaren ’70. En daarna had iemand het over ‘The Streets of San Francisco’.  Het bewijst alleen maar dat we ouder worden. We zitten in ‘den tweede tijm’, maar we kunnen nog altijd winnen.

Rudi Lavreysen
9 0

Over horen

Kwart over zeven. Eindelijk even zitten. 14.543 stappen gezet. Door omstandigheden, kinderen en vrouw ben ik vandaag 'van huut na hààr' gestuurd. Naar scholen, supermarkten, winkelcentra, brasserieën, bibliotheken, kappers, gemeentehuizen, fitnesszaken, postkantoren, banken ... Sorry hoor, maar als ik opsommend aan het overdrijven ben, hanteer ik altijd meervoudsvormen. Voor het schokeffect.  Kortom, niet te volgen was ik. Bijna zoals in mijn schrijfsels. Wat? Je was al niet meer mee bij 'van huut na hààr'? Dat is een Lommelse uitdrukking die in het Nederlands net iets wulpser klinkt: 'van hot naar haar' (of 'van hot naar her'), waarbij 'hot' en 'haar' oude koetsierstermen zijn, uitroepen waarmee de koetsier het paard in een bepaalde richting stuurde. 'Hot' betekende naar rechts, 'haar' naar links. Van hot naar haar betekent dus van rechts naar links, van hier naar daar en van het kastje naar de muur. Ik voelde me vandaag als zo'n gecommandeerd paard en nu heb ik er de honger van. Wat zou ik eens kunnen eten?  'Papa, wil je me ondervragen?'  Een van m'n dochters. Het stopt dus nooit. Ook niet als het paard moe is, of de koetsier helemaal uitgeput. Het paard moet blijven draven en de koetsier moet de postkoets nog poetsen met kotspoestkoest. Postkoetspoets. Zelfs mijn tong is moe. Nog voor ik nee kan zeggen, gooit ze een in twee geplooid blad naast mijn voeten, die ik, doodop als ze zijn, te ruste had gelegd op de salontafel.  Slim, dat wel. Met de tekst aan de binnenkant. Ze weet dat ik op het neurotische af nieuwsgierig ben, in die mate dat ik geen enkel opgeplooid blad in mijn nabijheid verdraag zonder dat ik het open moet plooien om het te kunnen lezen.  Nederlands. 'Uitdrukkingen en zegswijzen'. Er zijn oninteressantere onderwerpen. 'Ondervragen vind ik zo politioneel klinken, alsof je iets misdaan hebt,' zeg ik op de Brilsmurfse betweterige manier die me al decennialang typeert. 'Ik wil je wél overhoren. Met de nadruk op horen en luisteren, want dat kan ik goed, luisteren. Als een gehoorzaam paard dat heel de dag moet ronddraven zonder dat het de haver krijgt die het verdient, van hot naar haar. In mijn geval zwetend, en zo goed als kaal.'  Naast mij gezeten echtgenote zegt niets en zucht. Diep. Met opgeblazen wangen, mijn inspanningen van de bijna voorbije dag minimaliserend, geringschattend, honend, neerbuigend en lichtjes geïrriteerd. Het zit er allemaal in, in die zucht. Je moet het alleen kunnen horen. De overhoring zelf verliep vlekkeloos. Buiten die klodder mayonaise die via een glibberig gesopt knakworstje op mijn nieuwe trui belandde. Ja, beste lezer, al overhorend was ik even naar de keuken gelopen om aldaar het blikje tv-worstjes te halen dat ik in het kruidenkastje had verstopt na een van de winkelbezoekjes van daarstraks. Voor een onvoorzien hongertje ergens in de toekomst, op een plekje waar niemand ooit zoekt, helemaal voor mij alleen, had ik gedacht. Soms ligt die toekomst gewoon acht minuten vijfenveertig seconden verder. Het waren er ook maar een dertigtal, hoor, de uitdrukkingen en zegswijzen. Ze kende ze allemaal, van een nieuwsgierig aagje (herkenbaar) tot op zwart zaad zitten. Van die laatste uitdrukking ken ik ook een pornografische verklaring, maar die slik ik wijselijk in, samen met het voorlaatste worstje. Het allerlaatste exemplaar uit het veel te kleine blikje is een beloning voor de flinke studente. Heeft ze wel verdiend. Overhoren. Doet me denken aan vroeger, toen ik dagelijks de trein nam om op school te geraken. Het was een tijd zonder smartphones en al te veel koptelefoons, toen er nog gepraat werd onderweg. Over koetjes en kalfjes, door mensen die elkaar niet of amper kenden. Daar vond ik dan geen zak aan, want dat was altijd min of meer hetzelfde geleuter. Boeiend werd het pas als mensen wél een band hadden. Liefst van al zat ik dan op een plekje waar ze me niet konden zien. Rug tegen rug met de intimi. Zeker 's avonds, in de winter, als het donker werd. 't Is gek, maar hoe duisterder de omgeving, hoe meer mensen geneigd zijn om vertrouwelijke dingen tegen elkaar te zeggen. Honderden gesprekken heb ik zo opgevangen. Dan legde ik mijn oor te luisteren terwijl ik door het venster omkeek om hun silhouetten te zien. Meerdere ruzies heb ik horen ontstaan, ouders heb ik horen beslissen hoe ze hun kinderen gingen straffen of net belonen, vriendinnen hoorde ik klagen over de slappe bedprestaties van hun echtgenoten, geroddel over collega's, details over geldproblemen, codes van bankkaarten ...  Nu ik erover nadenk, had het van mijn kant nauwelijks nog iets met overhoren te maken. Overhoren impliceert een toevalligheidsfactor. Zoals in 'Ik overhoorde toevallig hun gesprek in de trein.' Dat was bij mij allerminst het geval. Ik luisterde om te luisteren. Actief afluisteren, zeker als ze fluisterden. Boeken zou ik kunnen schrijven over de subtiele nuances tussen horen en luisteren. Of zoals die ene doventolk zei: 'Doven? Die horen bij mijn werk.' Daar ga ik zelf ook nog eens even over nadenken.   

Danny Vandenberk
0 0

Voor altijd negentien

Met een bakfiets vol boodschappen fietste ik van de Delhaize weer naar huis, toen mijn Spotify naar Nineteen Forever van Joe Jackson shuffelde. Dat nummer neemt me steeds mee naar mijn kinderjaren, die warme wollige tijd in dat heerlijke herenhuis waar ik opgroeide, lang voordat herenhuizen hip waren. De winters waren toen kouder en duurden langer. Of misschien voelden de dagen gewoon langer omdat ik acht was. Zodra we thuiskwamen van school en ons vieruurtje op hadden, legde mijn moeder steevast een cd op en vaak was dat Steppin Out: the very best of Joe Jackson. In het lied Nineteen Forever zingt Jackson, op dat moment 34, dat hij graag voor altijd negentien jaar zou willen zijn. Zelf begreep ik nog niet zoveel Engels, maar dat zinnetje verstond ik wel. Telkens vroeg ik me af waarom die man zo graag negentien wilde zijn, wat er zo magisch was aan die leeftijd, een leeftijd die toen het dubbele was van de mijne en die bijna onbereikbaar voelde. Op een dag besloot ik het te vragen: ‘Mama, waarom wil hij negentien zijn? En niet achttien of twintig?’ ‘Tja, ik zou ook wel eeuwig negentien willen zijn’, antwoordde ze, waarschijnlijk druk in de weer met het huishouden. Het idee niet oud(er) te moeten worden kon ik nog wel vatten. Bob Dylans Forever Young was dan ook een van haar lievelingsliedjes. Maar het mysterie rond dat getal van negentien werd niet opgehelderd, dus kon ik alleen maar uitkijken naar het moment waarop ik zelf negentien kaarsjes mocht uitblazen. Ik weet nog dat ik toen heel erg graag de tijd vooruit wilde spoelen. Terwijl ik mijn boodschappen in de koelkast zet en de gerechten voor deze week op een notitieblok neerpen, denk ik na over hoe oud ik nu zou willen zijn. Op mijn negentien gebeurde er eigenlijk niet zo veel in mijn leven en voor de looks moet ik het ook niet doen; ik zag er bijvoorbeeld op mijn zevenentwintigste veel beter uit. Eigenlijk kan ik me niet zoveel van die periode herinneren, behalve dat ik Taal- en letterkunde studeerde aan de UA, en mijn vrije tijd doorbracht met muziek maken, gamen en rondhangen met mijn lief. En plots dringt het tot me door. Achtendertig. Dat is exact twee keer negentien. Is het toeval dat ik die gedachte net nu heb? Toen ik de helft van negentien was, wilde ik de tijd vooruitspoelen, nu ik twee keer zo oud ben, wil ik terug. Joe Jackson treedt binnenkort op in De Roma. Ik sta op de wachtlijst. De man is eenenzeventig. Binnen vijf jaar wordt hij zesenzeventig, twee keer mijn leeftijd en vier keer negentien. Met wat geluk ben ik dan tweeënveertig, het antwoord op alle vragen.

Lennart Vanstaen
8 2

Een stille krater

Het is een ogenschijnlijk alledaags tafereel: mijn vrouw en ik die in stilzwijgen naast elkaar zitten op het doorgaans niet erg comfortabele metalen meubilair van de NMBS. We wachten op de trein richting Brussel, om vandaar verder naar Kortrijk te gaan, naar het Wonder Festival — meer bepaald naar de audiovisuele installatie Calamity, over het moment vlak voor een bominslag. Mijn broer had er muziek bij geschreven. Het is op dat moment dat mijn vrouw plots een teken van verbazing geeft tijdens het lezen. Omdat ze zich wel vaker verbaast over dingen die niet per se verbazingwekkend zijn, vraag ik nonchalant wat ze gelezen heeft.‘Juf Stefanie is dood!’ zegt ze, op een onbedoeld kinderlijke manier.Even dringt dat niet tot me door, maar wanneer er tranen over haar wangen rollen, daalt het besef neer als een ijskoude priem in mijn keel. Juf Stefanie, de vroegere lagere-schooljuf van mijn zoon, is er plots niet meer. Ze was veertig geworden. Zo staat het in de WhatsApp-groep van de school, tussen allerlei andere berichten. Er wordt, bij gebrek aan woorden voor zo’n nieuws, dan maar naar passende emoji’s gezocht, die totaal misstonden. Maar helemaal niets zeggen is nog erger. Ik leg een arm om mijn vrouw heen, terwijl ik er zelf ook een nodig heb. Er is iets van mijzelf afgebroken wanneer ik het lees. Alsof een kind in zijn onbezonnen enthousiasme een bloem heeft uitgerukt. Een overweldigend gemis. Niet zozeer een persoonlijk verlies — ik kende haar enkel als juf — maar een verlies van een hogere orde, het besef dat niet juf Stefanie het leven verliest, maar het leven juf Stefanie. Ze was erg begaan met haar kinderen, heel intelligent, creatief en altijd lief. Ik lees de leegte van mijn boodschap onder het bericht: ‘Zij was zo’n goede en warme juf.’ Alsof het daarmee gezegd is. De installatie is indrukwekkend. Een hoop schermen is aan elkaar gekoppeld om samen één grote woestijnvlakte te tonen waar alles kalm is. Totdat de muziek suggereert dat er iets staat te gebeuren. Rode, tapijtachtige figuren glijden heimelijk over de heuvels. Veel tijd om zich voor te bereiden krijgt het publiek echter niet: in een splitseconde kleurt alles donkerrood en lijkt de muziek stuk te gaan. Een hels lawaai en hoekige geometrische figuren die snijden als messen grijpen naar de kelen van de omstaanders. Daarna komt de verslagenheid.Volledige duisternis.Een stille krater.

Lennart Vanstaen
5 0