Zoeken

De nieuwe mosselen

Ik had nooit gedacht dat ik ooit een column over mosselen zou schrijven. En toch. Niet omdat ik plots een culinaire recensent geworden ben. Wel omdat mosselen mij iets geleerd hebben over mensen. Iedereen heeft namelijk een mosselritueel. "Waar gaan jullie de eerste eten?" Dat is een volkomen normale vraag. Bij tante Roza. In 'De Gulden Draak'. Op de dijk in Nieuwpoort. Altijd dezelfde zaak. Altijd hetzelfde tafeltje. Alsof de eerste mosselen alleen officieel geopend worden als ze op de juiste plaats gegeten zijn. En dan begint de analyse. Zijn ze groot genoeg? Goed gevuld? Welke soort? Eén kilo of twee? Nonkel Marc vindt dat een kilo vooral dient om de honger wat wakker te maken, die gaat resoluut voor de twee kilo....'om mee te beginnen ' Ik kijk daar met veel bewondering naar. Want tegelijk vraag ik mij af waarom we dat met niets anders doen. Niemand zegt in april: "Waar gaan we dit jaar de eerste steak-friet eten?" Of: "Het is zover. Tijd voor de eerste vol-au-vent van het seizoen." We hebben geen vaste stoverijdag, geen jaarlijkse opening van de vidéekroketten en ook de eerste spaghetti van het jaar passeert geruisloos. Alleen mosselen krijgen een openingsceremonie. En nog eigenaardiger wordt het na die eerste pot. "Ik heb er dit jaar al gegeten." "Meer dan drie keer hoeft dat voor mij niet."."Dan is de charme eraf." Dat vind ik een wonderlijke zin. Want niemand zegt dat over frieten. Of over koffie. Of over chocolade. Blijkbaar worden mosselen alleen lekker omdat ze schaars zijn. Alsof ge ze een beetje moet missen om ze graag te blijven zien. Ik weet niet of dat waar is. Ik weet alleen dat een mossel in kokosmelk met curry ook heerlijk is. Dat ge ze tegenwoordig bijna het hele jaar kunt eten. En dat ik nog nooit iemand heb horen zeggen: "Verdorie, die was te lekker. Volgend jaar misschien maar weer." Misschien zijn wij Vlamingen gewoon bang dat overvloed iets kapotmaakt. Dat geluk minder waard wordt als het te vaak passeert. Ik geloof stilaan het omgekeerde. Misschien is iets niet bijzonder omdat het zeldzaam is. Misschien is het bijzonder omdat ge er telkens opnieuw van kunt genieten alsof het de eerste keer is. En als ge mij zoekt... ik zit waarschijnlijk ergens aan een pot mosselen. Al voor de vierde keer. Zonder schuldgevoel.

Katrien Daniels
39 1

Het leven is me er eentje

Het kan niet alle dagen feest zijn, maar als het dan geen feest is, dan kan het leven behoorlijk vervelend worden. Ik had deze morgen gerust vrede kunnen nemen met de laatste korsten van mijn brood tot ik ontdekte dat de muizen die de spouwen van mijn ongeïsoleerde bestaan bewonen zich er al te goed aan deden. Als dank kreeg ik een handvol hagelslag cadeau, zo vriendelijk zijn ze wel. Toch bedank ik liever voor dit ontbijt. Heel even nog probeerde mijn koelkast mij te verleiden op zoek te gaan naar de benodigde boter. Met een verwelkomend gebaar strekte ze haar deur zo ver mogelijk open als een kind dat wil tonen dat het weldegelijk zijn tanden had gepoetst. Daar wist toch het kleinste kind al hoe je daar onderuit kan geraken. Je mag je niet laten vangen, een mens houdt ze maar beter in de gaten.  Gelukkig wist ik ook die muizenissen van mij af te schudden. De gang en het vooruitzicht van de razende buitenwereld die zich kenbaar maakt als het verblindend licht door de ruit van mijn voordeur priemt, voelden aan als een zucht van bevrijding. Het geklungel met de veters van mijn schoenen gijzelt mijn vingers en de wisselende druk op mijn borst ontneemt mij meteen weer vrij te ademen. Ik klungel wat aan alsof ik niet meer wet hoe mijn veters te strikken. ‘Doe eens kalm’ wilde ik mezelf niet zeggen en toch hoorde ik het de hele tijd gonzen als een hartslag in mijn oren. Het pompen hoort eerder als een verbrijzelen. Eindelijk zongen mijn voeten en in twee stappen zwaaide de poort van het licht open.  Met een ronde bocht zo groot als zijn draaicirkel, draai ik mijn lichtgrijze Taunus tussen de Fiesta en de Ibiza uit het baanvak op. De linker raam gaat met een piepend geluid in het ritme van mijn draaiende handbeweging naar beneden tot ze zich te slapen legt in mijn portier. De radio kraakt wat maar valt dan midden in een nummer dat bluer than velvet were her eyes kreunt over deze walgelijke ochtendblues. Zo blauw als mijn Taunus, de ogen van mijn siamese kater en de lucht op deze zonovergoten ochtend. Waar zat dat rotbeest eigenlijk? Kon ik dan niet een ding van hem verwachten? Nee zo is het leven.  Inmiddels sta ik op de parking van de supermarkt. In de achteruitspiegel zie ik brave burgers zoeken naar dat inmiddels zeldzaam geworden muntstuk. De sleutel die ons toegang geeft tot onze trouwe charettes altijd klaar om uw toekomstig afval mee te zeulen door de winkel. Eenmaal de rollende slachtbank gepasseerd, scheiden de wegen opnieuw. Eerder onverschillig nu ik het zo bekijk. Ik wacht even tot die halve gare zijn oude gebruikte kar kan slijten aan een nieuwe klant,  maar het duurt even. De hoofdjes van het verse koopvee knikken braaf voorover om elke sociale interactie te kunnen vermijden. Ook andere sociale funerarium technieken worden toegepast. Iemand doet of hij iets zoekt in zijn zakken, een ander begint te bellen met zichzelf, een ander verzint de halfbakken smoes dat ie geen wisselgeld heeft.  Nog even en het wordt irritant. Ik kan niet uitstappen anders verlies ik mijn onverschillige pose. Ik heb altijd wat voorradig om zulke aanstellers te omzeilen, maar nog meer verkies ik te doen alsof het niet bestaat. Beter verdient zulk gespuis eenvoudigweg niet. Je riekt zulke humanisten, ja want dat zijn het, al van ver. Dat heb je dan als je met open ramen van het leven wilt genieten, de geur van zelfvoldane goedzakken want ook zij zijn het waard. Ze rieken naar zeemzoet geloof in een met honing overgoten wereld waar kinderen zichzelf wel zullen opvoeden, een geloof in de mens ontdaan van al haar onaardigheden in het leven. Zoals muizen die je ontbijt verkloten of een huiskater die niet thuis geeft wanneer zijn enige raison d’être zijn opwachting maakt, maar de jacht hem niet roept.  Mijn blik verglijdt naar de zijspiegel op rechts. Een stel lange benen die je kunnen uitbenen vanop het trottoir aan de overkant, kliefde doorheen mijn gezichtsveld als was het door de boter die ik zou gaan halen in de supermarkt. Als omkijk zie nog net een rietenhoed en een witteblouse verdwijnen. Snel frutsel ik een kauwgom of drie uit het potje voor mijn handrem en gooi mijn deur open. Plots was ik op jacht naar de rest van de benen. De deur slaat dicht als ik reeds voorbij mijn kofferbak ben, maar ik zie niet meteen een verschijning die beantwoordt aan de driftigheid waarmee ik mijn Taunus ongesloten achterliet.  Dat is een zeldzaamheid. Ik sta stil en kijk even rond. Als betrapt moet ik lachen al weet ik eigenlijk niet goed om wat dan precies. Toch heb ik iets mispeutert, ik heb alle bloemen uitgetrokken en ik maakte het veel te grof. Zo vroeg op de ochtend en opnieuw laat ik mij mijn onschuld ontnemen. In mijn gedachten vliegen de benen nog verschillende keren door de lucht als concordes in de bovenste lagen van het luchtruim terwijl ik mijn weg naar binnen neem. Ik vergeet de kar en been rechtstreeks naar de gang met drank. Net als ik de textuur van haar blouse weet te ontrafelen, zie ik dat mijn voeten tegen elkaar voor het rek staan met speciaal bieren.  Twee halve liters stout vervoegen mijn handen en fluitend loop ik naar de kassa. Als een slag bij heldere hemel opende het gouden uur zich. In plaats van een brood, hagelslag en boter, had ik nu de oplossing gevonden in boterhammen waar niet op te knabbelen valt.  Opnieuw voelt het leven weer als een deugeniet aan, een kwajongensstreek waar om gelachen kan worden, maar nog steeds heeft het me liggen.   

Anton Nymand
0 0

De kunst van het loslaten

Eind juli 2002 werd hij geboren. Mijn eerstgeborene. Mijn eerste vruchtje. Mijn Betterfoodkindje. Mijn volmaakt zelfgemaakt gelukje. Meer dan vier kilo zwaar en vijfenvijftig centimeter lang. Hij was bij de geboorte precies al half vertrokken in het leven. Alsof hij onderweg gedacht had: kom, ik neem ineens een voorsprong. We gaven hem een naam die klonk als een grote, stevige beer. En dat werd hij ook. Groot. Een hoog knuffelgehalte. Geen kerel die ge zomaar omver blaast. Eerder eentje waarvan ge denkt: die trekt zijn plan wel. En dan begon het. Van wieg naar maxi-cosi. Van de kleine schuifaf in de veranda naar juf Frieda. Van een vuilgeravotte speelclubber die met grasvlekken, schrammen en modder thuiskwam, naar leider van een hele bende kinderen die nu naar hem opkijken zoals hij vroeger naar zijn leiders opkeek. En ergens tussen al die gewone dagen groeit een kind op. Dat is misschien nog het strafste van heel het verhaal. Ge ziet het niet gebeuren. Ge denkt dat ge nog alle tijd van de wereld hebt. Dat die kleine hand altijd in de uwe zal passen. Dat ge nog jaren boterhammen zult smeren, turnpantoffels zult zoeken en boterhamdozen uit schooltassen zult vissen. Tot ge op een dag beseft dat ge eigenlijk al een hele tijd naar een volwassen mens zit te kijken. Ik denk dat ik dat zelf pas voor het eerst doorhad bij de huisarts. Hij zal een jaar of veertien geweest zijn. Griep. De dokter vroeg of ik hem al een paracetamol had gegeven. "Ja," zei ik. "Een vijfhonderdje." Hij keek eens naar hem. Dan naar mij. En hij begon te lachen. "Katrien," zei hij. "Hij is ondertussen een kop groter dan gij. Ik denk dat hij gerust een duizendje aankan." Aja. Juist. Dat was dus ongemerkt gebeurd. Hij was groter geworden dan zijn moeder. En nu zijn we eind juli 2026. Net als vierentwintig jaar geleden voelt het een beetje alsof we in verwachting zijn. Niet van een baby deze keer, maar van een nieuw hoofdstuk. Plots gaat het thuis niet meer over tutjes en pampers, maar over IKEA-meubels. Over een bed en een matras. Over glazen, borden en bestek. Over handdoeken, een vuilnisbak en een droogrek. Ge staat ineens met een winkelkar vol dingen waarvan ge nooit gedacht had dat ge die ooit cadeau zou doen. Een vergiet. Een wc-borstel. Een afdruiprek. Een snijplank. Een emmer. Volgende maand trekt mijn eerstgeborene de deur achter zich dicht. Niet voorgoed, gelukkig. Maar wel om zijn eigen leven te beginnen. Ze zeggen dat opvoeden loslaten is. Ik weet eigenlijk niet of dat waar is. Ik denk dat opvoeden vooral hopen is dat ge genoeg hebt meegegeven. Niet alleen de grote dingen. Waarden en normen, liefde en respect. Maar ook de kleine dingen. Dat hij weet hoe een wasmachine werkt. Dat ge witte was niet bij rode steekt. Dat ge een pan niet met een mes uitkrabt. En voor de rest... Voor de rest trekt hij zijn plan wel. Dat deed hij eigenlijk altijd al. Ik ga mij daar ook wel in moeten oefenen.   Maar ik ga hem toch nog één keer bellen. Gewoon om te vragen of hij ook aan een pepermolen gedacht heeft.

Katrien Daniels
34 3

Lenn en zijn bord spaghetti

Ik ben op kamp. Mijn vijftiende kamp ondertussen.  Vijftien kampen, dat wil zeggen massa’s gehakt en ajuinen. Hoeveel kilo precies weet ik niet, maar vermoedelijk genoeg om een bescheiden frituur een jaar draaiende te houden. Het betekent elk jaar minstens één plakker door een iets te enthousiast mes en minstens twee brandwondjes door opspattend bakvet. Vijftien jaar ervaring heeft mij op culinair vlak veel geleerd, maar blijkbaar nog altijd niet dat heet vet echt heet is. Vijftien kampen zijn ook vijftien jaar anekdotes. Kamphuizen waarvan ge de kampbaas ondertussen kent. Kringwinkels in godvergeten dorpen waar ge binnenstapt voor iets wat ge écht nodig hebt en buitenkomt met een gordijn dat perfect dienst kan doen als tafellaken en een koffiemok met Wild Animal erop. Er zijn keukens geweest waarin ge met drie mensen tegelijk uw gat niet kon keren en toch voor een kleine volksverhuizing moest koken. Afwasbergen waarop een bekende bergbeklimmer spontaan zijn stijgijzers zou hebben aangetrokken. Regenweken, hittegolven, vergeten ingrediënten en maaltijden die door een kleine culinaire interventie plots een totaal andere naam kregen dan oorspronkelijk op het menu stond. En er waren chirojongen. Heel veel chirojongens. Sommige passeren een paar jaar door uw kampkeuken en verdwijnen daarna weer uit beeld. Andere blijven hangen. Lenn bijvoorbeeld. De grote Lenn, moet ik tegenwoordig zeggen. Hij was helemaal geen Chirojongen pur sang. Hij werd nen echten toen hij een jaar of tien was. Ik weet dat nog omdat ik hem op zijn eerste kamp zag passeren met een bord spaghetti. Dat is mijn eerste echte beeld van Lenn. Geen grootse entree. Geen tromgeroffel. Gewoon een manneke met een bord spaghetti. Later bleek hij ook nog probleemloos te geloven dat we op dag twee spruiten zouden eten. Uiteraard. Voor het slapengaan passeerde hij nog heel even stiekem op mijn schoot. Niet te lang. Ge waart tenslotte op kamp en er was een reputatie hoog te houdenm Daarna werd Lenn groter. Op een bepaald moment zat hij niet meer stiekem op mijn schoot, maar stond hij naast mij aan de afwas en keelden wij samen 'Als ze lacht'. De afwasborstel als microfoon, de kampkeuken als Sportpaleis en een publiek dat vooral niet weg kon omdat de borden nog vuil waren. Nog wat later kwamen de meisjes. En dus ook de gesprekken over de liefde. Ik leerde Lenn de geheimen ervan. Ik had daar blijkbaar verstand van. Zo leerde ik hem dat ge met schaarste ook liefde kunt oogsten. Dat hij zijn lief dus vooral niet té veel brieven moest schrijven. Doseren, Lenn. Een beetje mysterie. Ge moet een mens ook de kans geven u te missen. Ik verkondigde dat met het gezag van een vrouw die duidelijk alle geheimen van de menselijke liefde had ontsluierd en toevallig op dat moment kilo’s ajuinen stond te snijden in een kampkeuken. En nu is Lenn bijna leider. Volgend jaar. Samen met de andere lieverds van zijn groep. En dan kijk ik hier rond en loopt er ineens weer een kleine Lenn. Een andere Lenn. Op zijn eerste kamp. Hij komt zijn bord spaghetti halen en deelt mij plagend mee dat die van zijn eigen moeke lekkerder is. Uiteraard. Ik kijk naar hem en ineens zie ik ze allebei. De grote Lenn met zijn spaghetti van toen. De kleine Lenn met zijn spaghetti van nu. De ene staat op het punt leider te worden. De andere moet nog ontdekken wat kamp eigenlijk is. Hoe lang een week kan duren. Welke liedjes ge uit volle borst moet meebrullen. Welke verhalen ge later honderd keer opnieuw zult vertellen en waarom eten op kamp nooit zo lekker is als dat van uw eigen moeke. Ergens tussen die twee Lenns liggen al die jaren. De spruiten die er nooit kwamen. Een schoot voor het slapengaan. 'Als ze lacht' boven een berg vuile afwas. Liefdesbrieven die met mate verstuurd moesten worden. En heel veel spaghetti.

Katrien Daniels
93 1

Gepasseerde stations

Spijt, dat is een vreemd woord. Het spijt me. Ik heb er spijt van. Spijtig dat. Drie keer ongeveer hetzelfde en toch telkens een heel ander gewicht. Soms is spijt een station waar ge liever nooit waart uitgestapt. Een bruut woord dat eigenlijk niet gezegd moest worden. Een deur die ge iets te hard hebt dichtgeslagen. Iemand die ge pijn hebt gedaan terwijl ge die mens net graag zag. Een verdriet dat ge nooit helemaal hebt uitgepraat omdat ge dacht dat er later nog wel tijd voor zou zijn. En soms is spijt net het omgekeerde: een station waar ge níét zijt uitgestapt. Ge ziet het nog liggen als ge achteromkijkt. Dat jaar dat ge toch niet naar het buitenland ging. Die grote liefde die misschien een grote liefde had kunnen worden als ge op het juiste moment iets moediger, slimmer of gewoon minder koppig waart geweest. Dat ene grote verhaal waaraan ge nooit begonnen zijt. Ik heb van best veel dingen spijt. Ik heb  tijdens mijn dwaaltochten mensen gekwetst die ik graag zag. Niet omdat ik dat wilde, maar omdat een mens soms verdwaalt en onderweg nogal onhandig met zijn bagage tegen andere mensen hun benen botst. Daar heb ik spijt van. Dat zijn stations waar ik niet wilde zijn. Maar er zijn ook de gemiste stations. Bij mij heet er eentje: de toneelschool. Ik wilde ooit iets met theater doen. Nu klinkt dat meteen alsof ik op mijn zestiende voor de spiegel stond met een haarborstel als Oscar in mijn hand, ervan overtuigd dat de wereld eigenlijk maar één probleem had: dat ze mij nog niet ontdekt had. De grote actrice worden. Premières. Rode lopers. Interviews waarin ik ernstig zou vertellen dat ik “heel dicht bij mezelf moest blijven voor deze rol”. Een zonnebril dragen binnen. Op de cover van een tijdschrift staan met als titel: Katrien zoals je haar nog nooit zag. Mensen die fluisteren wanneer ik bij de bakker binnenkom en ik die daar dan heel naturel mee omga. Dat dus niet. Ik wilde dramadocent worden. Of dramatherapeut. Veel kleiner. Ik wilde in een lokaal staan met mensen voor wie spreken soms moeilijker was dan zwijgen. Met kinderen die zichzelf groter konden spelen dan ze zich voelden. Met volwassenen die via iemand anders misschien eindelijk iets over zichzelf konden zeggen. Ik wilde verhalen gebruiken om mensen ergens te krijgen waar gewone woorden niet altijd geraken. Dat leek mij schoon. Nog altijd eigenlijk. Ik heb het nooit gedaan. Misschien vind ik dat nog het meest spijtige: niet dat ik het niet geworden ben, maar dat ik zelfs de kans niet heb gekregen om erin te mislukken.bGe kunt dan tenminste zeggen: ik heb het geprobeerd. “Kan dat nu niet meer?” vroeg hij. Ik lachte. Nee. Ik ben bijna vijftig. Ik denk dat de grote doorbraak stilaan problematisch wordt. Niet onmogelijk natuurlijk. Straks word ik op mijn tweeënvijftigste alsnog ontdekt terwijl ik in de Colruyt sta te discussiëren over een rode prijs. Voor ge het weet speel ik de hoofdrol in een prestigieuze Netflixreeks, sta ik in Cannes op een rode loper en moet ik in De afspraak komen uitleggen hoe ik al die jaren “heel bewust uit de schijnwerpers ben gebleven”. Ge weet nooit. Maar dat was de droom dus niet. En misschien is dat precies wat er soms zo zeer doet aan gemiste stations. Dat ge het niet hebt geprobeerd. Spijt doet ons graag geloven dat treinen maar één keer passeren. Dat ge op uw achttiende had moeten weten wie ge op uw vijftigste wilde zijn. Ik weet niet wie dat spoorboekje heeft opgesteld, maar ik begin te vermoeden dat het niet klopt. Want ik schrijf. Altijd al gedaan eigenlijk. In schriftjes, op computers, in mijn hoofd, midden in de nacht, op servetten en waarschijnlijk ooit nog op de achterkant van een elektriciteitsfactuur. Ik verzin mensen. Ik geef ze woorden. Ik laat ze ruzie maken, verliefd worden, vertrekken en terugkomen.  Misschien moet ik daar eens iets mee doen. Niet omdat ik denk dat daar alsnog de grote doorbraak staat te wachten. Mijn zonnebril mag voorlopig gewoon in mijn handtas blijven. Maar omdat ik stilaan begrijp dat spijt misschien niet alleen gaat over wat achter u ligt. Soms wijst ze ook ergens naartoe. Misschien moet ge dan niet blijven staan kijken naar het station waar ge twintig jaar geleden voorbij zijt gereden. Misschien moet ge gewoon eens op het bord kijken en er voor gaan. Er vertrekken elke dag treinen.

Katrien Daniels
40 2

Oververhit

De wereld leek de voorbije anderhalve maand wel een grote hittegolfoven. In mijn doorgaans oververhitte hersenpan ontdekte ik nieuwe woorden in bestaande, en dat zelfs terwijl ik naar de halve finale van WK voetbal tussen Engeland en Argentinië zat te kijken in het gezelschap van zatte Jean-Luc.  Oververhit zijn ze, mijn hersenen, dacht ik zo ineens, ook al had ik net een ijskoud blikje alcoholvrije Jupiler achterover gekapt. Auw! Enkele seconden scherpe pijn in het voorhoofd, dat moest die dekselse en door mij nog nooit eerder ervaren 'brain freeze' zijn, onmiddellijk gevolgd door een veel langer durende muzikale hallucinatie die zou uitgroeien tot een oorwurm van jewelste: 'Paint It Black' van The Rolling Stones.  Oververhit dus. En nu dat liedje. Waarom? Waarom nu en waarom net dat nummer? Een bijzonder interessant vraagstuk, ook al verveelt de veldslag tussen de botte Engelsen en de vlijmscherpe Argentijnen geen seconde en zwijgt lallende Jean-Luc zoals gebruikelijk zelfs nog minder lang.  Was het trouwens niet Jean-Lucs schuld? Een paar weken geleden zat hij ook vlak naast me, tijdens Frankrijk-Senegal, zich luidop afvragend wie nu de Fransen en de Senegalezen waren, want 'in beide elftallen spelen ongeveer evenveel negers'. Een niet zo woke uitspraak, misschien deels ingegeven door de anderhalve fles rode wijn die mijn van origine Franse vriend op dat moment al door z'n keelgat had gejaagd. Wellicht kwam het nu pas binnen, dat mij dat eigenlijk niet veel uitmaakt, welke kleur iemand heeft. Zwart, wit, rood of geel ... Zijn we niet allemaal gewoon mensen? Misschien had God voor de duidelijkheid iedereen beter zwart geschilderd of moest Hij dat vanaf nu maar doen. Paint It Black. Misschien was het die gedachtegang wel, ook al lijken mijn hersenen momenteel nog niet eens op halve kracht rond te sjokken op om het even welke trage denkpiste.  Heel veel ken ik eigenlijk niet van de songtekst van Paint It Black, dus zong ik in mijn hoofd steeds hetzelfde zinnetje: 'I see a red door and I want it painted black'. Tot ik plots dat lege blikje Jupiler 0.0% op het salontafeltje zag staan. Daarop zie je een zwarte stier die, met een beetje fantasie, door een rode deuropening stormt. Zou het? Meestal ben ik niet zo visueel ingesteld, tenzij het natuurlijk om rode lingerie gaat, die mij meestal in geen tijd kan omtoveren tot een bronstige stier. Dat weten we allemaal. Of toch ten minste mijn vrouw en ik, en nu jullie als lezers ook. Enfin, rode stof tot nadenken ... Zit ik zo simpel in mekaar? Nee toch. Het is de temperatuur die me zo heet maakt. Mijn prefrontale cortex (het deel van het brein dat het denkvermogen regelt en zorgt voor de concentratie en emotiecontrole) lijdt waanzinnig onder deze hitte. Alles is gericht op afkoeling. Mijn bloedvaten verwijden, waardoor er tijdelijk minder zuurstof naar m'n grijze klodder gehakt genaamd 'hersenen' stroomt. Ik ben meetbaar minder slim, sneller onverdraagzaam, prikkelbaar en soms zelfs lichtjes agressief. En spreek me niet tegen of ik ram dat lege blikje met die stomme kutstier door je strot! Sorry. In mijn hoofd begin ik alles al zingend alweer zwart te schilderen. Mijn brein is subtieler, ook al is het oververhit. Oververhit ... Wacht eens even ... Wat zei ik daarstraks? Waar was ik dit verhaal mee begonnen? In 'oververhit' zie ik 'ververhit'! En welk liedje zou in de Top 100 Aller Tijden ongetwijfeld op één staan, als alleen schilders zouden mogen stemmen? Juist: Paint It Black! Een zucht van opluchting, nog verfrissender dan de ventilator. Een ververhit! Hoe verzin ik het!  

Danny Vandenberk
3 2

Een voetnoot

“Misschien ben je dan toch maar een voetnoot in mijn leven.” Of hij zei het omgekeerd. Dat hij misschien maar een voetnoot was in het mijne. Soit. Het doet er eigenlijk niet toe wie van ons precies de voetnoot was. Feit is dat het woord viel. Voetnoot. Ik vond dat geen aangenaam woord. Een voetnoot is iets kleins onderaan een bladzijde. In lettertype acht. Iets wat ge alleen leest als ge bijzonder geïnteresseerd zijt of een examen hebt. Een verduidelijking bij iets wat blijkbaar nét niet belangrijk genoeg was om in de eigenlijke tekst te staan. En ja. Dat kwam even binnen. Want uiteindelijk wilt ge dat toch graag iets als 'voor het leven'. Dat klinkt heerlijk groots. Als lang en gelukkig. Als samen oud worden, dezelfde verhalen honderd keer vertellen en op den duur allebei vergeten wie ze oorspronkelijk heeft meegemaakt. Uiteraard hoort daar ook de kleinelettertjesversie van de eeuwigheid bij. Onderhandelingen over de strijk. Over wie de vuilzakken buitenzet. Over natte handdoeken die blijkbaar volgens één van de twee perfect op de grond kunnen drogen. Over thermostaten, vaatwasmachines en de vraag waarom er naast een lege wc-rol altijd een nieuwe rol staat, maar nooit óp de houder. Niet alleen zonsondergangen, grote verklaringen en samen hand in hand richting horizon. Ook: “Als gij straks naar boven gaat, pakt ge dat dan mee?” Enfin... Als ge iemand graag ziet, wilt ge dus liefst niet ergens onderaan pagina 247 eindigen met een sterretje voor uw naam. Ge wilt een hoofdrol. Ge wilt hoofdstukken. Een verhaallijn. Karakterontwikkeling. Een beetje spanning mag. Een onverwachte plotwending hier en daar. Desnoods een cliffhanger. Maar ge wilt vooral dat de lezer denkt: die twee, daar komt nog iets van. Dus, nee...mijn lief is geen voetnoot. Ge kunt moeilijk een voetnoot zijn als ge ondertussen overal tussen de regels zit. In mijn dagen. In mijn plannen. In mijn keuken. In mijn hoofd. In kleine gewoontes die ongemerkt gewoontes van twee zijn geworden. In zinnen die beginnen met “wij zouden eens…” en waarvan niemand nog schrikt. Dat is geen voetnoot meer. Dat is een serieus aandeel in de publicatie. Misschien is hij een hoofdstuk..Een heel schoon hoofdstuk. Of misschien zijn we ondertussen aan een trilogie bezig. Dat vind ik eigenlijk nog mooier. Deel één waarin de heldin jarenlang denkt dat ze bijzonder goed weet hoe het leven werkt, terwijl werkelijk iedereen behalve zijzelf kan zien dat ze maar wat doet. Deel twee waarin zowat alles passeert wat een mens liever niet op de achterflap zet, maar waar recensenten achteraf waarschijnlijk iets pompeus over schrijven als een noodzakelijke zoektocht naar zichzelf. Terwijl het vooral veel drama was. En dan deel drie. Eindelijk. Geen grootse violen. Geen paard dat in galop over een strand komt aanzetten. Geen man die op één knie gaat zitten terwijl er toevallig 48 perfect witte duiven overvliegen. Gewoon twee mensen die elkaar gevonden hebben. Die lachen. Die soms botsen. Die af en toe iets stoms zeggen en gelukkig meestal slim genoeg zijn om daar later op terug te komen. Die stilaan hun eigen taal krijgen. Hun eigen gewoontes. Hun eigen verhaal. En als alles een beetje vanzelf blijft gaan zoals het nu gaat, misschien wordt dit dan wel het sluitstuk van een trilogie. Niet omdat we daar plechtig voor getekend hebben. Niet omdat iemand kan beloven hoe de laatste bladzijde eruitziet. Maar omdat het goed zit. Omdat mijn jas tegenwoordig gewoon aan de kapstok hangt. En omdat sommige verhalen helemaal geen spectaculair einde nodig hebben. Sommige mogen gewoon steeds dikker worden. Met ezelsoren, koffievlekken, een paar bladzijden die ge achteraf beter had kunnen schrappen en hier en daar een scène waarvan ge denkt: moest dat nu echt? Maar vooral met veel liefde. En voor één keer hoeft de schrijver niet voortdurend vooruit te bladeren om te kijken hoe het afloopt. Ze zit goed waar ze zit, midden in het verhaal.

Katrien Daniels
53 2

Het gat in de sok

Just call me old-fashioned, maar ik kan de nieuwe modeverschijnselen niet altijd volgen. Desalniettemin vind ik de wisseling der kledingdrachten buitengewoon interessant. Je ziet er de tijdsgeest in weerspiegeld. En van spiegels gesproken, als er iets is dat voor fashionistas belangrijk is, is het wel die reflectie van zichzelf. Narcissus heeft veel volgelingen. Maar laat mij aan die spiegel een grondige hekel hebben. “Ik ken hem ergens van”, meen ik dan te denken.Tot daar de filosofie. Ik stel voor om even naar het voetbalspel te kijken. Daar gebeurt iets op modegebied.  Een eerste hype is het gat in de sok. Hebben jullie dat gezien? Sommige spelers hebben aan de achterzijde van hun voetbalsok een scheur gemaakt. Het zou de bloedsomloop verbeteren en het kan helpen bij het voorkomen van krampen en blessures. Mochten we vroeger een scheur in onze voetbalkousen hebben gemaakt, de voorzitter zou ons persoonlijk met diezelfde sok een draai rond de oren hebben gegeven. Een ander fenomeen is het oprollen van hun korte broek. Het dient werkelijk nergens toe. Het zou wat extra ventilatie geven aan hetgeen zich daar bevindt, maar het is vooral ijdelheid. 'Streek', zou onze trainer hebben gezegd. Tot slot, de derde hype. De roze voetbalschoenen die je nu overal op het WK voetbal ziet. Het contrasteert met het groene gras, zodat spelers opvallen, maar als ze allemaal dezelfde kleuren dragen, valt er niemand op. Daar hebben ze bij de grote merken wellicht niet aan gedacht. Ik droeg vroeger zwarte voetbalschoenen van het merk 'Quick', met een sierlijke Q als logo. Ik dacht dat ik er nog sneller mee kon lopen. Ik was – niet gelogen en verleden tijd – nogal een rappe. Maar je ziet die schoenen nog zelden. Het is de tijdsgeest zeker? Af en toe geeft die een laatste zucht.  (illustratie: Dirk Van Bun)

Rudi Lavreysen
0 0

Homerus THE ODYSSEY en I.A.

"Er was een tijd waarin Homerus zijn meesterwerken kon schrijven dankzij de overvloed aan vrije tijd die slaven hem gaven. Vandaag zijn technische wonderen onze 'slaven', waardoor de mens die enorme hoeveelheid vrije tijd kan gebruiken om nieuwe meesterwerken te creëren." **************************** FOTO GALLERY verf ed https://www.2dehands.be/q/verf+ed+altaar+de+culturen/ Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen." Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen, ons collectief geheugen, is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig. http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
6 0

De Katrienen

Ik ben van 1977. En blijkbaar was dat hét jaar waarin half Vlaanderen dacht: we noemen ons dochter Katrien. Gevolg? Al mijn vriendinnen heten Katrien. Dat is gemakkelijk. Ge kunt u eigenlijk nooit verspreken. Maar tegelijk is het ook ongelooflijk verwarrend. Ik heb het altijd over een Katrien. En dan volgt er een onderschrift. Katrien van Wijnberg. Katrien van de Chiro. Katrien van op kot. Katrien van Antwerpen. Katrien van de lagere school. Katrien van het werk. Katrien de buurvrouw. Het is precies alsof ik een abonnement heb. De Katrienen, ze weten dingen. Ze hebben me ooit op een bijzonder elegante manier uit mijn hoofd gepraat om mijn eerste zoon François te noemen. Achteraf bekeken: waarvoor eeuwige dank. Ze vinden het ook perfect normaal dat ge in een kledingwinkel niet wacht tot het paskotje leeg is. Dan trekt ge die broek toch gewoon in het midden van de winkel aan. Wat gaan ze doen? Ze lopen een winkel binnen, zien ergens een compleet over the top bloesje hangen en zeggen: "Katrien, uw naam staat daarop." En meestal hebben ze gelijk. Ze weten dat ge van porto heerlijke sangria kunt maken. En dat is écht waar! Ze weten dat ge een hele maand kunt verkondigen dat ge absoluut nog eens naar de Opaalkust wilt, om uiteindelijk met veel enthousiasme een hotel in Namen te boeken. Omdat dat op dat moment ook een uitstekend idee leek. Ze weten dat ge tijdens een uitstap ergens in de namiddag een pannenkoek moet eten. Niet omdat ge honger hebt, maar omdat het anders voor niemand nog gezellig wordt. Ik ga geen namen noemen.  Ze waren erbij toen ik dacht dat ik misschien zwanger was. Ze bladerden mee door de lijstjes met babynamen alsof zij uiteindelijk ook een stem hadden. Ze waren erbij toen we op kot de vrolijke poetsvrouw weer eens in een deuk lieten liggen. En toen ik trouwde, maakten ze achter mijn rug een geheime fotoreportage. Niet van de officiële foto's. Wel van de blikken, de slappe lach, de gênante momenten. De echte trouw, eigenlijk. Elke Katrien haalt een andere versie van mij naar boven. Bij de ene geloof ik plots in tarotkaarten. Niet omdat ik erin geloof, maar omdat zij de kaarten legt. Met een andere laat ik mij zonder morren meesleuren naar cafés, pleintjes en verborgen hoekjes waar het leven net iets lekkerder smaakt. En in de buurt van nog een andere blijk ik ineens sportiever te zijn dan ik mezelf ooit zou omschrijven. Ze kennen allemaal de volledige Katrien. Met mijn enthousiasme, mijn chaos, mijn gepieker, mijn drama's en mijn eeuwige "wat gaan ze doen?". Ze kennen de versie die ik vandaag ben, maar ook degene die ik dertig jaar geleden was. Ze herinneren zich verhalen die ik zelf vergeten ben en weten soms al wat ik ga zeggen nog voor ik mijn zin heb afgemaakt. Ik gun iedereen een paar Katrienen in het leven. En misschien moeten we afspreken dat de Jannen zich gewoon aan de Jannen houden. De Patricken aan de Patricken. De Liesjes aan de Liesjes. Dat maakt het leven een pak overzichtelijker. De Katrienen zijn mijn vuurtorens omdat ze, als het op mijn zee wat woeliger wordt, me moeiteloos weer naar de kust leiden. Niet met grote levenswijsheden. Wel met een koffie, een wandeling, een tarotkaart, een pannenkoek of gewoon de woorden: "Kom, we zijn weg." Een vuurtoren neemt de storm niet weg. Hij zorgt er alleen voor dat ge, hoe hoog de golven ook zijn, altijd weer weet waar de kust ligt. Ik heb geluk met de Katrienen aan mijn kustlijn. 

Katrien Daniels
107 2

HET NIEUWE NORMAAL.

Vele Die tegen de bruine of zwarte medemens zijnLaten zich bruin garen In kankerverwekkende Machines. **************************** FOTO GALLERY verf ed https://www.2dehands.be/q/verf+ed+altaar+de+culturen/ Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen." Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen, ons collectief geheugen, is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig. http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
6 0