Zoeken

John en de Heksen

Laten we hem John noemen. Hij heet niet John, maar hier volstaat het voor de heer in kwestie. Eerlijk: soms heb ik een hekel aan hem. Hij stelt vragen die niemand graag krijgt, en hij geniet ervan. Dat irriteert mij mateloos. En net daarom heb ik hem graag. Op een dag vroeg hij waarom ik geen horror schreef.“Alles bij u is zo… chiromeisjes-achtig,” zei hij. “Happy endings. Kussen in de sneeuw. De liefde die wint. ‘You don’t put Baby in a corner!’ en hup: iedereen naar huis met warme voeten en een crush op Patrick Swayze, en die is al dood!” Ik haatte hem op dat moment een beetje. Omwille van dat van Patrick Swayze en ook omdat hij gelijk had en dat is ambetant.  Chiromeisjes hebben geen messen; wel een alcoholstift en grote roze kauwgum in de zakken van hun korte rok. We schrijven onze namen op T-shirts en armgipsen, niet in mensen. Als ik dan toch horror zou schrijven — ik zeg als — zou het iets zijn zoals de heksen van Roald Dahl. Niet één heks, maar een hele lobby vol. Een hotel dat naar stofzuigerzakken en zeewater ruikt. Vrouwen die u aankijken alsof ze net beslist hebben wat ze met u gaan doen,en het antwoord is nooit: thee met melk. Ze dragen nette schoenen, hebben gelakte nagelsen weten perfect hoe ge iemand kunt doen verdwijnen zonder dat ge bloed moet zien.Zo’n soort kwaad. Onderkoeld, beleefd, systematisch. Het soort dat applaudisseert voor uw ondergang. Maar misschien bedoelt John dat niet. Misschien wil hij het soort horror waar de soundtrack uit vioolsnaren bestaat en waar het bos altijd te donker is voor het uur van de dag.Waar niemand ooit het licht aan doet omdat anders de film gedaan is en waar mannen denken dat ze onsterfelijk zijn zolang er ergens nog een kettingzaag in de kelder ligt. En misschien moet ik mij gewoon afvragen waarom mensen horror kijken.Is het om demonen te verjagen? Is het om angst te onderzoeken zonder dat iemand echt gewond raakt? Om te voelen dat ons eigen leven eigenlijk beter meevalt dan dat van het meisje dat binnen acht seconden door een heks onthoofd wordt?Is het om te oefenen in bang zijn? Om de donkere kant van het leven te zien zonder er zelf in te wonen? Ik versta dat niet. En daarmee leg ik — trefbal-meisjeschirogewijs — de bal alweer in het kamp van John. Niet bij de heksen in de lobby, maar bij de mensen die kijken en denken:“Maar waarom zoudt ge dat nu willen?” Dat soort horror ga ik niet schrijven, John. Maar stel dat horror niet per se bloed hoeft te zijn. Stel dat het gevaar veel dichter zit. In iemand die zegt dat hij dringend met u wil praten, maar de telefoon nooit opneemt.In vrienden die bestonden en dan plots niet meer. Niet boos, niet luid, gewoon weg.In mensen die sterven zonder spektakel en zonder dat iemand het moment noteerde. Gemorste koffie, te veel stilte tussen twee zinnen en dingen die in een deuropening blijven hangen maar nooit binnenkomen: dat zijn de kettingzagen en de heksen van alle dag. En als ge dat allemaal samen duwt —de beleefde lobbyheksen,de telefoons die zwijgen,de verdwijners en de sterfelijkerds —dan begint het pas echt te schuren. Dan begint het te spannen.Niet door bloed, maar door tijd: doorgaan zonder bewijs dat het ooit anders was, leven zonder aftiteling. Dat, John. Dat is mijn horror. En het ergste is: ge verlaat de zaal zonder te weten dat het gedaan is.

Katrien Daniels
32 1

HOE ZELFS LINKS MIJ DISKRIMINEERT ALS HOMO a

kwetsbare MAN kwetsbaar mannelijk schoonheidsideaal ¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨ Toen ik op veertienjarige leeftijd verplicht werd om in de fabriek te gaan werken, had de maatschappij al een kiem van ontevredenheid gelegd. De ongelijkheid was mij tijdens mijn schoolperiode al duidelijk geïllustreerd: er werd geen enkele moeite gedaan om mijn interesse voor de leerstof te wekken. Met veel straffen werd ik enkel uit het analfabetisme gehaald, niet meer en niet minder. De traditie eiste immers dat de mensen uit mijn arbeidersbuurt op veertienjarige leeftijd gingen werken. De nonnen trachtten er dan ook geen intellectuelen van te maken.Tot grote spijt van mijn omgeving werd ik later actief in de politieke milieus van mijn stad. Mijn interesse was gewekt door een lieve jongen uit dat milieu, op wie ik onbewust verliefd was geworden. Ik vond er voor het eerst de woorden (en het begrip) voor mijn onderdrukte positie als arbeider. In die omgeving was er iemand die mij, als enige arbeider, interessant genoeg vond om deel te nemen aan de Derde Wereld-beweging (die later AMADA werd en nu PVDA). Nadat ik enkele vergaderingen had bijgewoond, werd ik voor het eerst geconfronteerd met het volstrekt onbegrijpelijke taalgebruik dat zij tegenover mij als arbeider hanteerden — het zou niet de laatste keer zijn — en met de emotionele afstandelijkheid. Alles mocht, zolang men maar de taal van Marx sprak. Toch belette dat niet dat ik me bewuster werd van mijn positie als arbeider; de kiem kreeg wortels. Maar de spanning die werd veroorzaakt door mijn marginalisering als arbeider tussen intellectuelen, en de inconsequente houding in het dagelijkse leven, maakten dat ik me er niet meer thuis voelde. Ik koos de weg naar het apolitieke milieu.Op negentienjarige leeftijd verhuisde ik naar Gent (later naar Leuven, Brussel en nu Antwerpen) en sloot ik me aan bij tal van groepen die één ding gemeen hadden: de zoektocht naar een nieuwe maatschappijvorm. Het was echter duidelijk dat mijn bewustzijn als arbeider en mijn bewustzijn als homo niet gelijk evolueerden. Als kind had ik uitgebreide seksspelletjes met mijn vriendjes (die nu opeens hetero schijnen te zijn), waardoor ik volop mijn homo-erotiek kon uitleven. Ik kreeg in mijn jeugd de indruk dat alle mensen homo-erotische gevoelens hadden en die op de een of andere manier uitten, maar dat ze werden belet om die openlijk te beleven. Over seksbeleving werd immers niet gepraat; het werd belachelijk gemaakt. Toen ik ongeveer twaalf jaar was, hadden de kerk en mijn opvoeding een zodanige invloed op mij dat mijn schuldgevoel me dwong om slecht te vinden wat ik eigenlijk fijn vond. Daarom biechtte ik mijn seksspelletjes op met een jongetje van wie ik ontzettend veel hield en die mij dat prachtige gevoel van spanning gaf. De pater bedacht mij niet met een bedevaart naar het G.O.C., maar met een bidprogramma van een week. Hij verbood mij om 'zulke dingen' nog te doen. Ik moest hetero worden.Ook de linkse beweging, waar fallocratisch gedoe de norm was, sterkte mij in het idee van de heterovanzelfsprekendheid. Dus klasseerde ik mezelf als hetero. Ik wérd hetero. Op twintigjarige leeftijd hield ik dat niet meer vol. Ik voelde me genoodzaakt de bars in Brussel te bezoeken. In mijn dagelijks leven was ik hetero, ’s avonds was ik homo. Mijn verhuizing naar Leuven, mijn werking in de werkgroep Marginaliteit en mijn verblijf in de 'Pimpel' zijn cruciaal geweest voor mijn evolutie. Daar kon ik voor het eerst mijn homo-zijn verwoorden. Daarbuiten ging mijn schizofrene leven echter gewoon door. Op een dag ontmoette ik in de enige bar die Leuven rijk was een lieve jongen die actief bleek bij de Leuvense Studentenwerkgroep Homofilie (LSWH). Als een goed militant sleurde hij me mee naar een van hun vergaderingen. Ik wist destijds maar vaag van hun bestaan, omdat hun werking vooral gericht was op studenten. De rest van de onderdrukte homo’s die geen banden hadden met de universiteit, kon het bestaan ervan hoogstens vermoeden. Alleen voor de toekomstige dokters en intellectuelen werd de rode loper van de hulpverlening uitgelegd. Maar goed, eenmaal binnen werd je getolereerd. Toen ik hoorde wat ze allemaal deden — opvang, wekelijkse vergaderingen, gespreksgroepen — dacht ik dat mijn leven zou veranderen. Geen ellendige bars meer, geen constante uitbuiting van onze gevoelens, en niet meer het gevoel naar de hoeren te moeten lopen als je behoefte had aan affectie.Weg ermee: leven! De LSWH betekende voor mij een lichtpunt. Ik dacht daar mensen te vinden die, net als ik, naar buiten wilden treden. Mensen die ons homo-zijn niet langer wilden verbergen. Ik hoopte bij hen de kracht te vinden om op straat te kussen, gearmd te lopen en mijn homoseksualiteit te tonen. Ik dacht dat de problemen spoedig voorbij zouden zijn. Ik hoopte op mensen die achter me zouden staan en me zouden leren in verzet te komen tegen de constante vernedering van het beloerd, bespot en uitgescholden worden. Maar de droom was kort, de teleurstelling pijnlijk. Er werd gezegd dat we 'de mensen niet moesten choqueren', want we moesten 'die hetero’s de tijd gunnen en hen vragen ons te tolereren'. Hoe zij dan met ons moesten leren leven, bleek uit de vele gesprekken over hoe men 'gelukkig kon leven in deze heteromaatschappij'. Dat betekende in de praktijk: 'hoe leer ik mijn homogevoelens onderdrukken voor de hetero’s'.De heteronormativiteit werd nooit in vraag gesteld; alleen aan ons, homo’s, werd constant getwijfeld. Geen dromen meer over naar buiten treden. Ons bed, onze kamer, de bars en de werkgroep: dat waren de afgebakende plaatsen waar ik mijn homo-zijn mocht beleven. Daarbuiten was het op eigen risico; daar was er niemand die mij hielp. De maatschappij werd niet fundamenteel bekritiseerd, hooguit hier en daar gecorrigeerd. Na een aantal vergaderingen vervloog de droom en zat ik weer in de bar. Daar vond ik tenminste waar het mij om ging: mannen. Door de hele dag mijn homogevoelens te verdringen, zat ik zodanig in de knoop dat ik nog maar één doel had: de bar in en een man opscharrelen. Wie of wat hij was, deed er niet toe. Dat kon ook niet, want de sfeer was meestal zo vervreemdend en de muziek zo luid dat nadenken onmogelijk was. ’s Morgens werd de man na een kop koffie gewoon weer op straat afgezet.Zo ging het verder, tot ik op een dag op een van die 'intieme homofuifjes' een vriendje tegenkwam die bij de Rooie Vlinder bleek te zitten. Hij vertelde dat ze de volgende dag zouden meelopen in de 1 mei-betoging. Dus ging ik de volgende dag mee de straat op, wat meteen mijn aansluiting bij de Rooie Vlinder betekende. De vergaderingen waren leuk. Er werd gelachen en gepraat, maar vooral: er werd iets ondernomen tegen onze onderdrukking. Hier mocht ik zeggen dat ik niet de enige was die zichzelf niet aanvaardde, maar dat de maatschappij mij simpelweg de mogelijkheid daartoe niet gaf. Na de vergadering werd er meestal een pint gedronken in een 'gewone' kroeg. Die hetero’s, aan wie we eerst moesten wennen, vielen ook mee; ze kwamen ons zelfs kusjes geven (niet altijd even overtuigd, maar goed, beter iets dan niets). Daar heb ik de draad van mijn verzet tegen het conservatisme weer opgepakt. Ik wist dat ik niet meer alleen stond. We beseften dat we elkaar nodig hadden als steun in de dagelijkse realiteit. Het werd mooi om 'flikker' te zijn. Mijn schuldgevoel maakte plaats voor een zelfbewustere houding (die me nu soms wordt verweten). Gedaan met het constante rekening houden met hetero’s: vanaf nu moesten zij ook rekening houden met ons. 'Janet' zijn is mooi, en het zou steeds mooier worden.De vakantie stond voor de deur en ik vertrok naar Zuid-Frankrijk naar een alternatief janettenkamp. Daar, veertien dagen samen met homo’s uit heel Europa, ervoeren we de solidariteit die alleen onder onderdrukten mogelijk is. Ook het feit dat mensen mij mooi, lief en erotisch vonden, bevrijdde mij van tal van complexen die ik in het heteroghetto had opgedaan. Ik kwam sterker terug.Na een jaar bij de Rooie Vlinder heeft de boom bladeren gekregen. Hij is nu sterk genoeg om in het verzet te blijven.  Na een jaar ROOIE VLINDER heeft de boom bladeren gekregen. Hij is nu sterk genoeg om in het verzet te blijven. De bloemen zullen echter alle vruchten krijgen als de solidariteit van de progressieve beweging groot genoeg is en steunt op het consequent in-vraag-stellen in de dagelijkse praktijk van het eigen fallokratisch gedrag. De fallocratie is een dynamiek van de conservatieve beweging en de oorzaak van de onderdrukking van zowel vrouw als man. Er resteert geen andere keuze dan de consequente afbraak van die dynamiek. Iedere stap in die richting maakt mijn homoseksualiteit mooier, vrijer. Deze tekst verscheen in de rooie vlinder krant 1978 ****************************************************** De Rooie Vlinder (1976–1981) was een radicale, socialistische actiegroep die een fundamentele rol speelde in de vroege Vlaamse homobeweging. In tegenstelling tot eerdere organisaties die streefden naar maatschappelijke aanpassing, zette deze groep in op de totale homobevrijding en een fundamentele verandering van de samenleving.  Belangrijkste kenmerken en doelstellingenIdeologie: De beweging was expliciet links en socialistisch. Ze beschouwden de onderdrukking van homoseksualiteit als een product van de kapitalistische en patriarchale maatschappijstructuur.Bevrijding vs. Integratie: De Rooie Vlinder verzette zich tegen "integratie" in de heteronormatieve wereld. Ze wilden niet simpelweg geaccepteerd worden, maar streden voor het recht om fundamenteel anders te zijn zonder discriminatie.Locatie: De kernactiviteiten vonden voornamelijk plaats in Gent (verbonden aan de UGent) en Antwerpen.  De groep lag aan de basis van vele "primeurs" in de Vlaamse LGBTQ+-geschiedenis:De Eerste Homodag: In 1978 organiseerde De Rooie Vlinder de allereerste Belgische homodag in Antwerpen, de voorloper van de huidige Pride.Eerste Homofilmfestival: Ze gebruikten cultuur als strijdmiddel en organiseerden het eerste festival voor homofilms in Antwerpen.Militante actie: Ze stonden bekend om hun confronterende stijl en betogingen, zoals de protesten rond de omstreden musical Snoepjes.  Erfenis en opvolgingDe beweging werd in oktober 1981 ontbonden, maar hun radicale gedachtegoed leefde voort in het Roze Aktiefront (RAF), dat direct na de opheffing werd opgericht. Tot op de dag van vandaag, in 2026, wordt De Rooie Vlinder herinnerd als de groep die de holebibeweging in Vlaanderen uit de onzichtbaarheid trok en politiseerde. Documentatie over hun acties is onder meer terug te vinden in het Fonds Suzan Daniel, het holebi- en transgenderarchief van België.     ********************************************************************* ****************************************************************************   GALLERIJ VERF ED Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen."Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig.   http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e https://www.2dehands.be/q/verf+ed+encyclopedische+mens/ https://www.2dehands.be/q/verf+ed+altaar+de+culturen/     

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser.
0 0

Over wachten

Sofie, mijn beste vriendin, wou me voor Kerst het nieuwste boek van Dirk De Wachter kopen.“Over wachten,” zei ze.Ik hoorde in haar stem iets wat ik goed ken: een lichte pedagogiek. Want Sofie weet maar al te goed hoe vreselijk ik wachten vind. Dat ik graag heb dat het vooruit gaat, dat beweging beter is dan bezinning. Dat ik de tijd ‘zijn ding laten doen’ een bijzonder overroepen concept vind. Voor Sofie is wachten iets wijs. Een uitnodiging tot stilte, tot mildheid, tot menselijkheid.Voor mij voelt wachten als strafwerk voor gevorderden. Aan de kassa wordt dat het duidelijkst. Daar staat het leven stil, maar in een tempo dat je kan horen. Zo’n trage, nare stilstand met het geluid van plastic zakjes, rinkelend kleingeld en iemand die nog net beslist om sigaretten te kopen. Altijd precies vóór mij alsof het universum wil dat ik zevenendertig seconden langer mijn eigen adem voel.Dan begint mijn hersenpan al te koken van micro-irritaties:het schijfje prei dat uit een zak valt,de kortingsbon die blijkbaar niet werkt,het loze gesprek over zegels voor pannen.Ik herbekijk daar mijn hele leven tussen kattenvoer en yoghurt. Wachten aan de kassa is de hel in fluolicht. In de dokterswachtzaal is het anders. Daar hangt het wachten in de lucht. Vochtig, traag en zwaar. Iedereen kijkt naar zijn knieën, alsof daar een antwoord verscholen ligt. In ziekenhuizen is wachten een vorm van statistiek: het beste én het slechtste scenario in één adem. Daar denkt niemand nog aan efficiëntie.Daar is wachten verlangen vermomd als angst. Aan de schoolpoort is wachten weer een ander dier. Daar wachten moeders en vaders met koffie achter hun tanden en nog een drukke avondrush voor de boeg.Wachten daar heeft niets met stilte te maken, maar met meer 'een stilte voor de storm'.  Met ouder worden ben ik dus beginnen schaken met het wachten.Als ik vermoed dat het op de loer ligt, zet ik tegenzetten in.Structureel te laat komen, bijvoorbeeld — puur preventief.Eindeloos Scrabble spelen op mijn gsm.Nog snel een was insteken.Een mail beantwoorden.Een lijstje.Een lijstje over het lijstje.Alles om niet oog in oog te moeten staan met tijd die weigert te rennen. Zo speel ik kleine wedstrijdjes met de klok. De inzet is simpel: niet gepakt worden door de stilstand. Af en toe wint de tijd. Af en toe ik. En soms is mijn omgeving het slachtoffer, want dan moeten ze op míj wachten.Maar kom. Ik vind dat eerlijk verdeeld. Het interessante aan wachten is dat je het het best verdraagt door net níét te wachten.Wachten is het meest draaglijk wanneer het zich vermomt.Als bezigheid.Als afleiding.Als vooruitgang.In de liefde noemen ze dat dan: gewoon 'leven'. Ze zeggen dat als je op de liefde wacht, ze niet komt.Daarom wacht ik daar ook niet meer op. Ik vul dat wachten op met leven.Met gulzig zijn.Met dingen doen.Met mensen zien.Met beginnen.Mijn omgeving profiteert daarvan mee. Ze krijgen een versie van mij die vooruit wil, die niet op pauze staat, die weigert om bij het loket van het lot in een rij te gaan aanschuiven. Maar wachten heeft ook een melancholische kant die ik niet graag toegeef.Wachten is verlangen in vertraagde modus. Een hart dat zegt: nog niet, maar misschien straks. En soms is een ‘straks’ voldoende om door te gaan. En toch, ergens achterin, goed opgeborgen tussen ambitie en koppigheid, bestaat er een klein stuk in mij dat stiekem hoopt dat er ooit iemand zegt:“Ik heb op jou gewacht.”Zonder drama.Zonder zuchten.Gewoon zacht, alsof vertellen dat wachten soms ook een vorm van kiezen is.En dan kust hij me terwijl het net begint te sneeuwen, want in films waarin het goed komt sneeuwt het altijd op het einde. Soms moet je wachten tot het begint te sneeuwen om te weten dat je niet voor niets gewacht hebt.

Katrien Daniels
97 1

Ballen

Die weermannen toch! Met z'n allen voorspellen ze elke dag opnieuw onvervalst winterweer. Wat beelden ze zich in hemelsnaam in? Dat iemand zich gaat bezighouden met het vervalsen of namaken van sneeuw, hagel, winterse neerslag, storm, ijs, ijzel of aanvriezende mist?  Alhoewel, toen ik op kerstavond voor de zesentwintigste keer naar Home Alone keek, viel me op dat de sneeuw in het decor verdacht veel op schuim leek.  En er werd nog meer vervalst. Ik las zopas dat de hoofdrolspeler, Macaulay Culkin, die in mijn beleving elk jaar onnatuurlijker en irritanter acteert, tijdens gevaarlijkere scènes, zoals toen hij met een slede van de trap gleed of aan een zipline door de tuin vloog, vervangen werd door een stuntmannetje. Gelukkig niet door een ander kind, doch door een volwassen man die het qua groeien voor bekeken hield na 140 centimeter (toevallig in die tijd ook de lichaamslengte van Culkin) en desondanks 'uitgroeide' tot een alom gerespecteerde stuntman. En ik? Ik ben ook alleen thuis en uitgegroeid. Vooral tot kok de laatste tijd. Vandaag prepareer ik mijn signature dish, zijnde Meatball Madness. Sorry voor de Engelstalige termen, maar ze bekken nu eenmaal beter dan 'handtekeninggerecht' of 'gehaktbalgekte'. Voor mij dus geen gegooi met sneeuwballen, eerder goochelen met o.a. gehaktballen, tomaten, courgettes uit de diepvries, uien, look, paprika's, pickles, ketchup, worteltjes en wokmie. Mijn specialiteit is eigenlijk helemaal niet het koken op zich, eerder het verzinnen van spectaculaire namen voor schabouwelijke of gewoon middelmatige gerechten.  Maar dat kokkerellen is voor later. Straks eerst opnieuw chauffeur spelen voor vrouw en kinderen, als een volleerde huisman met wel erg glijdende werktijden. Het vriest, het heeft nog maar eens flink gesneeuwd en de wegen liggen er spekglad bij. Vanochtend, tijdens mijn eerste ritje van de dag, stonden we al in de file. Terwijl we stilstonden, werden we voorbijgestoken door twee voetgangers, of beter gezegd voetschuivers. Een ervan was erg groot van gestalte, met blonde wapperende manen. Hij lachte ingetogen. Zijn gezicht had iets kinderachtigs en zijn neus was op z'n zachtst gezegd uitgesproken. Ik nog niet, want uit het niets en zonder enige aanleiding gaf hij zijn metgezel een flinke por in de rug, waardoor die het evenwicht verloor en in een flinke hoop sneeuw belandde. De reus, die ongeveer een meter groter was dan de hierboven besproken stuntman uit Home Alone, lachte zich een breuk. Op dat moment realiseerde ik me dat hij als twee druppels ijswater op Erling Haaland leek, je weet wel, de Noorse spits en scoremachine van Manchester City. Echt, helemaal Erling Haaland. De gelijkenis was verbluffend. Enfin, zijn slachtoffer krabbelde moeizaam recht en vreemd genoeg stapte hij gewoon weer verder, zonder enige reactie naar Haaland toe. Dat was blijkbaar niet naar de zin van de agressor, want die begon nu allerlei nare dingen naar het hoofd van zijn slachtoffer te slingeren. Allerlei scheldwoorden en een welgemikte sneeuwbal. Daarna wandelden ze weer verder. Elk apart. De reus hoorden we nog altijd roepen en wild gesticuleren, al verstonden we hem niet meer. Op een bepaald moment schreeuwde hij zelfs in de richting van een automobilist. Waarom? We hebben er het raden naar. Misschien een rotkarakter, of was hij gewoon met het verkeerde been uit bed gestapt? Echt wat je noemt een moeilijke ochtendspits, dacht ik bij mezelf.  Ik wens hem sneeuwballen toe, Snowball Sadness, in de vorm van bevroren testikels, of een loeihard aangeschoten bal recht in z'n kruis in de dertiende minuut van de eerstvolgende wedstrijd van Manchester City.  

Danny Vandenberk
0 0

De wet van de rek

In dit land zijn we zelden voor perfectie.Perfectie is iets voor Duitsers en Britten — landen die handboeken schrijven over hoe het leven moet, en daar vervolgens ook naar leven.Wij zijn Vlamingen. Bij ons is er altijd marge. Frictie die mag blijven liggen. Een akkoord dat nooit exact getekend wordt maar wel leeft: het is goed genoeg. Neem nu auto’s.Een Mercedes is een perfecte auto — dat voelt ge zelfs in de zetel, daar zakt ge anders in dan in een Skoda. Maar niemand sterft van een Skoda. Een Skoda brengt u waar ge moet zijn. Niet sexy, wel degelijk. Een tweedehands van vijftien jaar oud doet dat ook, en die leidt vooral niet tot ruzie met de boekhouder in huis, maar zorgt alleen maar voor je imago als je die Maggy noemt of Chantal.  Zelfde verhaal bij wellness.Een dag wellness is de absolute max:stoom, eucalyptus, een badjas die uw uitstraling opwaardeert, en een stilte die tot in uw schouderbladen landt. Maar een bad thuis na een te lange dag is ook goed genoeg.Geen detoxwater met komkommer maar kraantjeswater in een plastieken beker.Geen therapeute die uw spanning aanraakt, maar een kat die op uw schoot komt liggen.Goed genoeg. En dan kleding.Natuurlijk is Natan schoon, maar dat is voor Koningin Mathilde.Daar hangt klasse en een prijskaartje aan, dat voelt ge tot in uw vingertoppen.Een jeans van De ZEB is perfect goed genoeg voor de gewone Vlaming: comfortabel, degelijk en aanvaardbaar bij familie-feestjes.Maar of het nu alle dagen van de Zeeman moet komen — dat weet ik niet.Er is een verschil tussen goed genoeg en net iets te ver doorgeduwd in het concept. We noemen het 'De wet van de rek'.  Zo leven we: op het continuum tussen luxe en compromis, tussen ideaal en draaglijk, tussen schoon en doe-maar-gewoon.Onze volksaard is gebouwd op de zone daartussen: daar waar men tevreden kan zijn zonder zich schuldig te voelen dat men niet meer heeft nagestreefd.Dat heet maturiteit. Of luiheid.Waarschijnlijk allebei. En dan de liefde.Daar werkt het niet anders.Geen mens kiest een lief als men een Mercedes kiest: op opties, vermogen en luxe.Wij kiezen een lief volgens 'De wet van de rek'.We beseffen dat perfectie niet bestaat, dat iedereen stekels heeft en ook een handleiding- die soms in een taal geschreven is die ge niet machtig zijt. We kiezen op 'goed genoeg', niet persé op perfectie. De vraag is alleen:Hoeveel rek hebt ge?Hoeveel sokken naast de wasmand zijn aanvaardbaar?Hoeveel stilte? Hoeveel woorden?Hoeveel dromen die nooit gerealiseerd raken, plannen die nooit vertrekken, of trauma’s die meeverhuizen in dozen waar niemand nog weet wat erin zit? Mensen zijn geen wellnessdagen, geen Mercedes en geen Natan.Ze zijn eerder tweedehands, met gebruikerssporen en een verhaal.Ze zijn jeans van De ZEB met een onverwacht mooie pasvorm.Soms zelfs Zeeman, maar ge moet het kunnen dragen. Dan, zachtjes, stelt zich de echte vraag:Hoe werkt liefde eigenlijk?Is er zoiets als één perfect, of bestaan er gewoon meerdere goed-genoeg’s die elkaar op verschillende momenten van het leven kruisen?En verandert de standaard als ge ouder wordt, wijzer, moe, of simpelweg eerlijker? Liefde is geen keuze-examen met juiste antwoorden.Het is een stille wetenschap. Half psychologie, half buikgevoel.Geobserveerd in de keuken, op zondag in de zetel, in het verkeer, in een conversatie die te laat begon of te vroeg eindigde. Onder een dekentje. Of in stilte aan twee kanten van de tafel met koffie die koud werd terwijl niemand het merkte. Stille wetenschap heeft geen woorden nodig. Ze meet geen perfectie, maar compatibiliteit.Ze werkt met marges, met schroom, met het voordeel van de twijfel.Ze rekent niet in status maar in houdbaarheid. Hoe lang kunnen twee systemen samen bestaan zonder te scheuren?Hoeveel frictie kan er ontstaan zonder dat het gevaarlijk wordt?Hoeveel kleine wanverhoudingen kan een mens verdragen zonder dat hij zichzelf verliest? En misschien is liefde daarom zo Vlaams als het maar kan zijn.Omdat we het nooit helemaal op de spits drijven.Omdat we mild zijn in onze verwachtingen en hardnekkig in ons proberen.Omdat we weten dat niet alles spectaculair hoeft te zijn om waarde te hebben.Dat warmte belangrijker is dan glans.Dat de meeste dagen geen wellnessdagen zijn, maar wel badwater dat goed genoeg is. Misschien is dat 'De wet van de rek'. Dat het niet gaat over perfect, maar over blijven.Over wie met u in de zetel wil zitten wanneer ge geen Natan draagt, maar Zeeman.Over wie nog start op maandagochtend, ook al zijt ge zelf een tweedehands met kilometers op.Over wie, met alle rek die er nodig is, zacht genoeg is om u niet te breken

Katrien Daniels
64 4

De buitenbeller

Tijdens het wandelen kom je wonderbaarlijke mensen tegen. Kijk, daar staat een echte buitenbeller. Op het terras van een taverne met een telefoon aan zijn oor. Het is behoorlijk koud, maar toch heeft hij enkel een trui aan. Tja, als je gebeld wordt, heb je geen tijd om snel een jas aan te trekken. Een echte buitenbeller rept zich meteen naar buiten. Hij neemt binnen zijn telefoon op en zegt tegen de persoon aan de andere kant van de lijn iets in de zin van 'Wacht, ik ga naar buiten'. Eenmaal buitengekomen deelt hij eerst zijn locatie met de persoon die hem gebeld heeft. Het is geen nieuw fenomeen, maar je ziet ze minder vaak, de buitenbellers. Dat heeft met de draadloze oortjes te maken. Dan valt het niet zo op en lijkt het alsof ze tegen zichzelf praten. Een buitenbeller kan ook een buitenroker zijn. Dan profiteren ze van het buitenbellen om meteen te gaan buitenroken. Andersom zal het ook wel eens gebeuren, maar toch beduidend minder.  Ik ken deze buitenbeller. Hij zwaait uitbundig. Misschien zegt hij tegen zijn gesprekspartner dat hij naar mij zwaait, want die kan natuurlijk niet zien dat de buitenbeller aan het zwaaien is. Maar zo duurt het gesprek wat langer en kan hij bij het terug binnenkomen tegen zijn tafelgenoten 'sorry, dat was dinges' zeggen en zo een gesprek over dinges op gang brengen. Het lijkt een tegengesteld gegeven, maar buitenbellen kan een meerwaarde voor het sociale gebeuren zijn. Nu steekt hij zijn duim naar mij omhoog. Dat weiger ik pertinent. Gewoon terugzwaaien is genoeg. Destijds waren er alleen binnenbellers. Je zag pas buitenbellers toen de eerste generatie draagbare telefoons eraan kwamen. Die kon je in het begin alleen thuis gebruiken, op het terras. Soms lijkt het alleen maar zo, dat de tijden veranderen.

Rudi Lavreysen
14 0

Lavendel en stekels. wat Francis mij leerde.

We noemen hem Francis, omdat hij Francis heet.Ik leerde hem kennen in het zuiden van Frankrijk. Lavendel, lichte wind, en gezinnen die functioneren zonder dat iemand doet alsof. Francis was daar met zijn vrouw en twee kinderen, een jongen en een meisje. Ze leefden op zo’n vanzelfsprekende manier samen dat je bijna zou vergeten dat dat inspanning vraagt. Francis was leerkracht geschiedenis. Je herkent leerkrachten tijdens de vakantie aan hun uitstappen: niet naar waterparken, maar naar geschiedenis. En als de dames willen shoppen - dat mag!- dan gaat hij met zijn zoon naar een boekenwinkel.  Ik vond dat schoon, maar ook confronterend. Want oprecht functionerende gezinnen zijn voor mij altijd een beetje gruwel. Niet om hen, maar om wat ze kunnen. Ze weten hoe samenleven werkt. Hoe je ruzie maakt zonder te verdwijnen. Hoe je terugkomt zonder drama. Relationele bekwaamheid, maar dan in een beige verpakking: niet opvallend, niet luid, maar wel efficiënt. Dat is een soort luxeproduct dat je niet op Tinder kunt bestellen. Ik oefen relatiebekwaamheid via Tinder — de avondschool van de liefde voor volwassenen die geen handleiding kregen. Tinder is geen gezin, het is proefwerk. Geen eindtermen, geen klassenraad, geen titularis. Alleen swipen, koffies, hoop en bij slecht weer ghosting. Feedback zonder commentaar. Trial & error, en soms vooral error. Onlangs postte Francis iets op Facebook. Zo houden 40+ers contact na een fijne vakantie: geen brieven, geen telefoons, maar Facebookstatussen en likes op foto’s. Hij schreef: “In het zesde jaar werken we rond relaties, liefde en seksualiteit. Wat betekent het dat we relationele wezens zijn, en wat doet ‘alleen zijn’ met ons bestaan?”“Samenleven vraagt geen perfecte nabijheid, maar een juiste afstand.”“Nabijheid kan troosten, maar ook kwetsen. Afstand kan beschermen, maar ook eenzaam maken.” Hij legt dat uit met stekelvarkens. Dat die elkaar in de winter nodig hebben om warm te blijven, maar elkaar prikken als ze te dicht komen. En met Magritte’s Les Amants II: twee geliefden, heel nabij, maar met een doek over hun hoofd. Samen, maar toch niet gezien. Ik las dat en dacht: dat is onderwijs waar we later nog iets aan hebben. En dat is misschien het verschil tussen Francis en mij. Hij leerde relationele bekwaamheid in een gezin, en geeft die nu door aan leerlingen. Ik leer via datingapps. Tijdens één van die Tinder-dansen kwam hij op mijn pad. Niet Francis, maar de man aan de andere kant van de Antwerpse ring. Hij is geen case study, maar iemand die ik graag zie. Niet romcom-graag, niet bombastisch, maar met die stille warmte die je voelt in iemand die luistert en lacht op de juiste plaatsen. Iemand die boeken kan aanraden zonder uitleg, en toch precies weet welke zin voor je blijft hangen. Maar hij heeft ook stekels. Niet de agressieve soort, maar die van iemand die ooit geleerd heeft dat te dichtbij gevaarlijk kan zijn. Nabijheid ja, maar nooit zonder nooduitgang. En nog voor ik het doorheb, kan hij verdwijnen. Niet met deuren of drama, maar met stilte. Ghosting als zelfbescherming, vermoed ik. Of als vergeten vak van relationele bekwaamheid. En toch komt hij daarna weer op hetzelfde ritme terug, alsof hij nooit weg was en wij niets gemist hebben. En dat vind ik soms ontroerender dan blijven. Ik herhaal wel 'soms'.  Ik stel me voor dat ik op een dag met hem in het zuiden zou verblijven. Lavendel in juli. Boeken in augustus. Hij in een ligstoel met te veel zon op zijn schouders, ik aan tafel met een glas water waar citroen inzit. We zouden wandelen, kijken en zwijgen. Nabij genoeg om te voelen dat we bestaan, ver genoeg om niet te prikken. Warm, maar met ventilatie. Soms denk ik: misschien had hij Francis moeten kennen. Als gids. Als iemand die uitlegt dat warmte en afstand geen vijanden zijn, maar parameters. Misschien had ik Francis zijn inzichten ook vroeger moeten kennen. Maar kijk: iedereen krijgt zijn eigen handleiding.Misschien leren we graag zien zoals men in het zuiden dingen leert: door tijd, door zon, door nabijheid die niet dringt maar uitnodigt.Francis leerde het in een gezin. Ik leerde het via trail and error.  En hij, met zijn stekels, zijn pauzes en zijn zachtheid, leert het op zijn eigen tempo. En misschien is dat het enige wat telt: nabij genoeg om iemand te voelen, ver genoeg om hem niet kwijt te spelen.

Katrien Daniels
76 1

Halve verhalen / I know him so well

Het leven is een verhaal dat we schrijven terwijl we het beleven.Niemand weet hoeveel hoofdstukken er nog komen, of wat er in cursief gezet zal worden, of wat nooit voorbij de eerste zin geraakt. Ondertussen lezen anderen mee, selectief, slordig en met hun eigen interpretaties, zoals lezers horen te doen. Ik vraag me vaak af: welke hoofdstukken zien zij eigenlijk? De hoogtepunten, vermoed ik. De triomfen. Maar ook de scènewissels — vooral als ze met wat soucy details verlopen: een scheve scheiding, een veel te dramatische ziekte, een luide ruzie op het verkeerde moment. En natuurlijk de onuitgesproken familiedrama’s, verhalen waarvan iedereen alles weet maar niemand iets zegt, behalve aan de toog, in de auto of bij de afwas. En wie met wie en waarom — of waarom net niet. Het soort informatie dat altijd zonder bron, zonder nuance en zonder voetnoten de ronde doet. Want geen beter vermaak dan leedvermaak. Dat weten ze in het land van de bestsellers: het publiek leest het liefst als iemand anders op zijn bek gaat, en het liefst in kleur, geur en tijdstip. De echte aantekeningen in de kantlijn verdwijnen vaak. Die worden niet gelezen. Die leven ergens tussen het voornemen, de planning en de vergetelheid. Dan denk ik aan mijn grootmoeder.Een dijk van een vrouw. Niet door spierballen of standpunten, maar door warmte en volume. Ze was royaal in alles. Ze schepte altijd te veel eten op, ze gaf te veel kleingeld mee, ze hield de deur te lang open voor Jan en alleman. Bij haar leek niets half.Ze maakte bouillon waar drie gezinnen van konden eten.Ze vouwde lakens alsof er een militaire inspectie op de oprit stond te wachten.Ze had geen halfvol glas: ze dronk het, schonk bij of zette het weg. Doortastend. Het zit ons in het bloed.  En op vrijdag, een traditie, maakte ze rijstpap in kleine witte potjes. Eén per kleinkind.Met een dikke laag bruine suiker bovenop, als een winterdekentje dat smolt zodra het de warmte raakte. Wij aten dat op zonder er iets van te vinden en ondertussen schreef zij de eerste hoofdstukken van onze jeugdherinneringen. En toch vraag ik me af of er bij haar ook halve verhalen lagen netjes opgevouwen in de kasten waar wij niet in mochten. Misschien gebeurt dat met halve verhalen: we zien ze van een ander niet. We denken dat het een vloeiend verhaal is, terwijl het net zo gefragmenteerd is als het onze. Misschien leert ouder worden ons vooral beter verbergen. Wat zijn halve verhalen dan? Dat zijn wilde plannen voor theatervoorstellingen die nooit in première gingen, maar waarvan de titel toch al in een notitieboekje stond, omcirkeld en met uitroepteken. Dat zijn Basic-Fit-abonnementen die vooral dienen om een licht schuldgevoel op te bouwen in de boekentas.  Dat zijn vegetarische intenties die sneuvelen zodra iemand stoofvlees-friet op tafel zet “zoals de oma’s dat kunnen”, inclusief de geur van tijm en laurier. En dat zijn amourettes die alleen echt bestaan in de verbeelding: half bedachte kussen, half uitgekristalliseerde weekenden in Parijs, half uitgesproken verwachtingen die nooit verder raakten dan een glimlach, een emoji of een blik die net te lang duurde. Verhalen die begonnen zijn, maar nergens moesten aankomen om waar te zijn.Verhalen die soms liever in de coulissen blijven, gewoon omdat ze daar mooier lijken. En eerlijk: soms ook veiliger. Daar zit sowieso muziek onder. Niet in majeur, niet in refrein, maar meer als een soundtrack die zacht meeloopt. Een jaren tachtig-ballad die je niet bewust hebt gekozen, maar die toch aanslaat als je het raam een stukje laat zakken.Geen groot drama. Geen koor. Alleen een melodie die fluistert dat het had kunnen zijn — en dat dat ook een verhaal is. Misschien is dat het mooie aan halve verhalen: ze hoeven geen einde te hebben om waar te zijn. De wereld zal nooit weten dat ik steels een hartje via WhatsApp stuur als startschot van de dag. Dat ik luidkeels meezing met foute ballads op de ring. I know him so well. Dat ik op maandag hoofdstukken vol verwachting schrijf, en ze op dinsdag herschrijf omdat het zo altijd loopt. Misschien zijn we allemaal samengesteld uit halve verhalen. Misschien is niemand een afgerond boek, zelfs mijn grootmoeder niet, met haar lakens, haar bouillon en haar rijstpap met bruine suiker. Misschien zijn we eerder een verzameling onafgewerkte scènes, losse eindjes, verlangens en stiltes met een soundtrack die niet altijd op tijd valt maar toch meespeelt. Misschien is dat het hele verhaal. It was good. It was fine. En uiteraard is het madness — he can’t be mine.Maar kom: ik ken hem absoluut zeer well.

Katrien Daniels
40 1

Jurgen. Of Gunther.

Ik noem hem Jurgen.Of Gunther.Eerlijk: ik weet het niet helemaal zeker. Ik vraag me al langer af waarom die twee namen zo vaak door elkaar gehaald worden.Gunther en Jurgen.Beiden Duits.Beiden met een u en een n.Beiden klinken degelijk.Dat soort degelijk dat niet vraagt hoe het met u gaatmaar wel weet hoe je een WC ontstopt en een hallogeenschijner vervangt. Maar dus Jurgen. Dat is zachter. En dus beter passend bij hem. Jurgen draagt een werkmanspak.Oranje fluo. Niet om gezien te worden maar omdat hij anders niet gezien wordt. Op zijn hoofd een muts met een ingebouwd fietslicht.Of een wandellicht. Iets praktisch. Jurgen en ik hebben een gelijkaardige interne klok. We ontmoeten elkaar elke ochtendwanneer ik naar het werk vertrek. Altijd hetzelfde uur. Altijd dezelfde stoep. We zeggen goedemorgen. Niet groots. Niet enthousiast. Gewoon juist genoeg. Vandaag sneeuwt het. Veel. Ik wil op tijd vertrekken en net wanneer ik licht onelegant uitglijd bij het wegleggen van de PMD-zak die gisteren niet werd opgehaald, hoor ik het vertrouwde: ‘Goedemorgen’. Het is Jurgen. Vandaag praat hij wat meer dan anders. Of hij  zich afvraagt of ze vandaag wél gaan uitrijden."Gisteren niet, hé", hij schudde zijn hoofd en keek vol overtuiging naar de besneeuwde straat. Nu pas kan ik de link leggen tussen mijn PMD-zak en Jurgen zijn werkplunje. Ik zeg 'Ah nee' en wijs naar mijn PMD-zak. Dat is een kort gesprek. Maar wel eentje met inhoud. Ik zeg: “Dat zal moeten lukken vandaag, want het gaat meer sneeuwen dan gisteren." Ik vraag of ze ook meenemen zonder compensatiestickers. Want de zakken zijn duurder geworden. Er moeten stickers op. Die stickers zijn niet beschikbaar. En Dendermonde is collectief in paniek. Online lees ik meningen. Veel meningen. “Dat ze het expres doen.”“Dat het schandalig is.”“Dat iemand “zijn job niet kan”.”“Dat het vroeger beter was.”Altijd vroeger. Iemand roept dat hij zijn afval nu “in Brussel gaat dumpen”.Iemand anders zweert bij verbranding in de tuin“zoals mijn grootvader dat deed”.Er wordt gegoogeld naar wie verantwoordelijk isen meteen ook naar wie ontslagen mag worden. Ik lees dat en denk: “Amai, wat een luxe, zoveel verontwaardiging over een zak." Ik heb ook een mening. Maar ik hou die klein. Ik probeer dat toch, met wisselend succes. En ik schrijf ze niet zo snel. Liever het gesproken woord.  Jurgen geeft me een de gelijke uitleg.“Op de blauwe zakken niet. Op de gele wel. Aan de GFT-bak: ofwel drie stickers ofwel een nieuwe. PMD blijft hetzelfde." Het is duidelijke taal, zonder hashtags. Ik ben er, ondanks de sneeuw, vlot geraakt deze morgen. De banen lagen er goed bij. Terwijl ik mijn mailbox open en mezelf verder in de dag sleur, sneeuwt het onophoudelijk.  Ik denk aan Gunther. Nee... Jurgen. Ik zie hem voor me, bij hem thuis, waar dat ook moge zijn. Warme chocomelk.Een sciencefictionfilm met een te ingewikkelde titel en een einde waarbij een onbekende planeet net niet gered wordt. Ik denk aan mensen met meningen.En aan mezelf, die daar weer iets van vindt. Maar vooral denk ik: dit is hoe een jaar mag beginnen. Met iemand die gewoon elke dag zijn ronde doet speciaal voor ons (behalve als het echt te fel sneeuwt), lichtje op de muts, uitleg op zak. En dat ik hem stiekem mijn nieuwe vriend mag noemen. En dat ik voor hem maar al te graag een extra compensatiesticker plak Jurgen.Of Gunther. Ik denk Jurgen.

Katrien Daniels
25 3

Dagelijkse aandacht 5 januari 2026

Ik schrijf over Venezuela terwijl de ramen openstaan en de lucht blijft hangen. Niet omdat niemand wil luchten, maar omdat geuren bij momenten een grotere greep hebben dan woorden. Ze heten toezicht, druk, correctie. Zelfs nu de straten leeg zijn en mensen zich alleen nog verplaatsen uit noodzaak, is hun aanwezigheid voelbaar. Venezuela is geen casus en geen les. Het land ademt in een eigen cadans, maar de schema’s van anderen dwingen het keer op keer te pauzeren. Wat vandaag voorzichtigheid heet, krijgt morgen een andere betekenis. Beweging is schaars, geluid gedempt. In keukens bereiden mensen arepas terwijl de radio zachtjes speelt, niet uit gewoonte, maar om de stilte te doorbreken. Ik kijk niet als buitenstaander en ook niet als vertegenwoordiger. Ik herken de aarzeling vóór een beslissing, het zorgvuldig afwegen van elke stap. Venezuela vraagt niet om redding en zoekt geen podium. Het handelt zoals het heeft geleerd: door zich aan te passen, te onthouden en tijd te nemen. Mensen onderschatten het geheugen van dit land. Het herinnert zich momenten waarop mensen orde beloofden en ruimte beperkten, en herkent daaruit patronen. Dat geheugen is geen nostalgie, maar een vorm van waakzaamheid. Stilte betekent hier geen instemming, maar aandacht. Niemand hoeft Venezuela te sturen, en al helemaal niet van buitenaf. Het vraagt geen uitleg en geen scenario’s. Alleen ruimte. Wie die ruimte blijft invullen namens anderen, moet niet verbaasd zijn als stilte een andere vorm aanneemt. Mephis (aka) Evelyn Mérida   

Mephis
6 1

Brievenpost van Dinges | Aan dhr. Johan Hendrik van Dale

Geachte heer van Dale "Wat voor zin heeft het nu om een brief te schrijven naar iemand die in 1872 is gestorven?", zegt mijn vrouw. Ze heeft natuurlijk een punt. Wellicht gaat u dit niet lezen, want u verblijft al heel wat jaren geleden in de eeuwige jachtvelden. Of in uw geval: de eeuwige taalvelden. Maar daar gaat het niet om. In mijn hoofd schrijf ik u deze brief en in datzelfde hoofd hebt u de brief gelezen. Noem het gezonde fantasie. Taal doet soms rare dingen met een mens. Daar weet u alles van, als schepper van het ‘Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal’, dat heden ten dage nog altijd uw naam draagt. Ik wil u op de hoogte brengen van een verontrustende evolutie in onze taal. Nu zal u zeggen: 'Mijn beste Désiré, taal is altijd in beweging'. Wel, daar kan ik u in volgen, mijn beste Johan Hendrik. Maar nu maken ze het te bont. U hebt niet meer meegemaakt dat er een verkiezing voor het woord van het jaar wordt georganiseerd. Gelukkig maar.  Het kinder- en tienerwoord van dit jaar ontstond op Tik Tok. Wat dat voor een vehikel is leg ik een volgende keer wel eens uit. Het tienerwoord was ‘67’. Uit te spreken in de Engelse taal. Six seven. Tot daar niets aan de hand, want we kennen ondertussen wel meer Engelse woorden in het Nederlands. Maar dit heeft geen enkele betekenis. Niks, nul, nada. Ze gebruiken het hooguit om 'cool' te klinken, zelfs als ze niet precies weten wat het betekent. En er zijn nog van die dinges. Waar gaat het toch naartoe?  Ook in café De Kiezel was dit nietszeggende woord het onderwerp van gesprek. Mijn buurman Ömer geeft training aan de miniemen van de lokale voetbalploeg. Ik geef u even zijn verslag. "Tijdens de rust zei ik tegen onze spits Jordy dat hij wat feller moest zijn. Weet je wat zijn antwoord was? 'Six seven', zei hij. Ik wist totaal niet wat hij bedoelde, vooral omdat het nog maar 1-1 was. En helemaal geen 6-7. Achteraf hebben ze me uitgelegd dat het een tienerwoord is. Ik versta ze nog maar de helft van de tijd. Hoe kan ik ze dan iets bijbrengen?" Ömer heeft gelijk. Als we de jongeren niet meer begrijpen, kunnen we ook niet tot hen doordringen. En ze hebben het al zo moeilijk. Mijn vraag aan u, beste Johan Hendrik, is of u – mijn vrouw verklaart me gek als ze dit leest - op de een of andere manier een seintje kan geven aan uw opvolgers bij de Van Dale Uitgevers. Dat ze dergelijke taaluitspattingen niet opnemen in het woordenboek, in de hoop dat we binnenkort terug gewoon Nederlands spreken.  U kan misschien een paar woordenboeken uit de kast laten vallen bij de uitgeverij. Of u bedenkt maar iets. Aan tijd zal het u niet ontbreken in de eeuwige taalvelden. Ondertussen verblijf ik  Met de meeste hoogachting  Désiré Dinges  PS: Ik beraam nog een optocht naar uw standbeeld in Sluis, het dorp waar u altijd hebt gewoond, om aandacht te geven aan deze problematiek. Ömer en Gust, mijn twee buurmannen, gaan alvast mee. Maar mijn vrouw zegt dat ze bereid is om de politie te bellen als we overdrijven.

Désiré Dinges
3 0