Zoeken

Waar is de andijvie?

"Kan u dat herhalen, meneer? Ik versta u niet zo goed". Opnieuw fluistert hij, ditmaal iets nadrukkelijker. ” Weet u waar de andijvie ligt, mevrouw?” We bevinden ons in de groenteafdeling van de supermarkt. Schouders opgetrokken, alsof dat de kou zou wegnemen. Het gefluister klinkt vreemd en komt ook van een vreemde man. Hij is vreemd in alle betekenissen. Omdat ik hem niet ken, maar ook omdat hij vreemd aandoet. Ik herken hem nochtans. Ben hem al meermaals gekruist. Net als ik lijkt hij vrijdagavonden voor te behouden voor de supermarkt.  Hij beneemt me telkens de adem, zijn verschijning en wat hij uitschijnt: hopeloosheid. Hij lijkt zo grondeloos dat hij schuifelt, als wil hij grond zoeken, houvast. Een bergbeklimmer met hoogtevrees. Een vreemde vreemde. Een derde maal herhaalt hij zich, in een poging me uit mijn staren te verlossen. “De andijvie, mevrouw?” Een onhandige openingszin, gezien de andijvie als een groen juweel schittert in zijn verder lege winkelkar. Ik besluit het spel mee te spelen: “zelf ben ik geen fan van andijvie, meneer, maar ik vermoed dat u ze naast de kolen zal vinden.” Hij lijkt weinig moeite te doen richting kolen te stappen, schuifelt terplekke. Nog steeds bang voor zijn moeras. Het gesprek krijgt geen vervolg. Ik trek me uit het spel terug, nog voor de kaarten goed en wel geschud zijn. Ik knik vriendelijk en gebaar naar mijn boodschappenlijstje.  Toch voel ik me aangesproken. Het appèl vertraagt mijn winkelkar. De vreemde man zit in het moeras. Alleen dus. En schreeuwt op fluistertoon. “Waar is de andijvie, mevrouw?”  Hij voelt zich veilig bij me. En reikt uit. Hoewel het me ontroert, zet ik er de pas in.  Op naar de chocolade rayon, wat endorfines kunnen nooit kwaad.        

Lien Van Droogenbroeck😉
20 3

Brievenpost van Dinges | Aan dhr. Jeroen Meus

Beste Jeroen Het was weer zover. Ik neem je niets kwalijk, maar je bakt ze soms wat bruin. Pas op, ik ben je grootste fan. Zo heb ik al eens staan zwaaien voor het raam van je studiokeuken in de Schrijnmakersstraat in Leuven. Toen het op tv kwam, had ik nogal bekijks in café De Kiezel. Naast ‘Dagelijkse Kost’ was ik ook fan van programma’s zoals ‘De mosterd van Meus’ en ‘Goed volk’. Zo zal ik je reis naar Japan niet snel vergeten, toen je voor een groep sumoworstelaars mosselen met friet bereidde. Of de bouchée à la reine voor de vier vrijgezelle broers in Frans-Vlaanderen. Historische televisie. Voor mijn moeder en mezelf was het dagelijkse kost om je kookkunsten te aanschouwen. Dankzij jouw gerechten kwamen er verhalen van vroeger naar boven. Nu mijn moeder er niet meer is, zijn dan dubbel mooie herinneringen. Maar terug naar de reden van dit epistel. Nadat witlof met ham en kaassaus werd uitgeroepen tot ons nationaal gerecht, deed er zich iets voor in de buurtsupermarkt. De dag erna was er geen enkel strookje witlof meer te vinden. Hetzelfde heb ik al eens meegemaakt toen je kabeljauw met spinaziepuree en dijonaise op het menu had staan. Werkelijk alle kabeljauw en spinazie was uitverkocht. En er zijn nog van die dinges geweest. Terwijl ik dus hopeloos op zoek was naar witlof, zag ik Leon Légume bij de appels staan. Hij draagt altijd een grijze stofjas en kijkt boven zijn leesbrilletje uit. Hij is er de verantwoordelijke voor het fruit en de groenten. Zijn echte naam is trouwens Leon De Smet, maar iedereen kent hem als Leon Légume. Een kwalijk kenmerk van hem is dat hij durft overdrijven. “Helemaal niks Désiré, echt geen velleke witlof meer”, zei hij. “Het is natuurlijk de schuld van dieje tv-kok uit Leuven. Ik zal zelfs meer zeggen. Ze hebben hier gevochten voor het laatste witlof. Het was zo erg dat ik de politie heb gebeld. Toen de wijkagent ze eindelijk uit elkaar kreeg, vroeg hij of er toevallig nog wat witlof was.” Ik zei het al, Leon Légume kan geweldig overdrijven. Maar ik zou je willen vragen om voortaan de supermarkten te waarschuwen bij het maken van een bijzonder gerecht of iets dat in de kijker staat. Kwestie van dat ze extra voorraden inslaan. Dat moet in deze digitale tijden toch lukken. Dat gezegd zijnde, wil ik nog kwijt dat je me elke dag gelukkig maakt met je stoverij en toverij in de keuken. Zonder overdrijven. Ondertussen verblijf ik Met de meeste hoogachting Désiré Dinges

Désiré Dinges
4 0

Pensioenleeftijd

Ik las in de krant een interview met de voorzitter van een politieke vereniging die zich anders wil opstellen. Hij stelde zelf een vraag. ‘Waarom bestaat er een pensioenleeftijd? Dat moeten ze me toch eens uitleggen.’ Ik begrijp wat hij bedoelt en ik zou daar samen met u een boom over kunnen opzetten, maar het nadeel van het opzetten van een boom is dat het nogal snel op ‘zagen’ uitdraait. Dat wil ik u niet aandoen beste lezer. Ook de boom niet. Ik heb, net zoals u, nogal wat gepensioneerden gekend in mijn leven. Mijn vader ging al op jonge leeftijd met brugpensioen en dat was nergens goed voor. Dan zou ik op mijn leeftijd nu ook al thuiszitten. Daar zie ik het nut niet van in. En iedereen werkt tegenwoordig toch zolang als hij of zij wil. Afijn, tot daar deze boom over het pensioen. Maar ik wil daar nog iets anders over kwijt. Daarvoor heb ik uw eerlijke mening nodig. De vraag is eenvoudig. Schat u me ouder in? Ik vraag het omdat ik – weeral eens – iemand tegenkwam die dacht dat ik al met pensioen was. Ik passeerde een oud-collega en het weerzien was hartelijk. “Ik ben blij je nog eens te zien”, zei ze. “Zo gepensioneerden onder elkaar.” Ik heb haar toch moeten overtuigen van het feit dat ik nog niet aan mijn pensioenleeftijd zit. Ze keek me ongelovig aan. Maar het moet dus iets te maken hebben met het feit dat mensen me ouder inschatten. De vorige keer dat het gebeurde is zelfs al enkele jaren geleden. Misschien ben ik oud geboren? Een oude ziel heb ik altijd gehad. Misschien uit zich die oude ziel nu ook aan de buitenzijde. Wie zal het zeggen? Misschien de voorzitter van de politieke vereniging die zich anders wil opstellen.

Rudi Lavreysen
0 0

Haakjesdagen

Of het nu ochtend, middag, avond of nacht is, met hangende pootjes, van een koude kermis of een gezellig feest ... Ik hou van thuiskomen. Ik doe het nooit langs de voordeur. Die is immers voor officiële bezoekers, desnoods voor pizza- en pakjesbezorgers. Thuiskomen doe ik langs de zijdeur. Huppelend de trapjes op, sleutel in het sleutelgat, drie draaitjes en hupsakee.  In het donker doe ik alles op de tast. Achter mij de deur weer sluiten en pas daarna gaat het licht aan. Wie thuiskomt in het donker en vermoedt dat alle andere gezinsleden er al zijn, sluit de deur en hangt de sleutel aan het haakje aan de muur. Dat is een huisregel. Niet dat officieuze bezoekers 's avonds niet meer welkom zijn, maar regels zijn regels. Ze zijn de sleutel tot succes. Daar valt niet over te discussiëren. Het zijn gewoontes die uitgegroeid zijn tot wetten, eens ze hun nut bewezen hebben.  Gewoonten zijn nog losjes, zoals het woord zelf. Daarom heeft het woord ook twee meervoudsvormen. Gewoontes en gewoonten. Ze zijn gewoon, je wordt ze gewoon. Een gewoonte impliceert vrijheid. Kies maar. Wat je ook doet, het is nooit fout. Mensen die je kennen zullen bij afwijkingen hooguit de wenkbrauwen even fronsen en denken: dat is niet van zijn gewoonte. Op zich nog geen reden tot paniek. Huisregels daarentegen zijn wetten. Hard en onwrikbaar. Die overtreed je niet. Die leef je na. 'Hou je haaks,' zeg ik telkens tegen de sleutel, nadat ik hem gezwind aan het haakje heb gehangen. Hij lijkt er altijd mee te schuddebuiken, wiebelend van links naar rechts. Pas als hij uitgedanst is, loop ik door. Als het licht is, gaat het er veel losser aan toe. In de zomer staat de zijdeur bij wijze van spreken altijd open. Ze is de actiefste deur van heel het huis. Ze is binnen en buiten. De sociale deur, die in principe altijd en voor iedereen openstaat. De deur waarlangs je welkom bent. Het toegangspoortje tot ons knusse huis, onze veilige thuis en tegelijkertijd de grote poort naar de buitenwereld.  En toch ... Toch zijn er van die dagen ... Kerstdag is al een paar keer zo'n dag geweest. Soms gebeurt het maar één keer op een jaar en meestal besef je pas 's avonds dat het zo was, met een glimlach. Een dag waarop de sleutel niet van het haakje komt. Een haakjesdag, een dag waarop niemand van het gezin nood had aan de buitenwereld. Alleen aan elkaar. Een gezinsonderonsje. Ongeveer het tegenovergestelde van een gezinsuitstap. Een dag waarop je beseft dat je gezin je alles is. Een dag die voorbereid is en tegelijkertijd verrassend verloopt. Een genietdag die letterlijk en figuurlijk alles in huis heeft om gezellig te zijn, ook al omdat je de dagen ervoor alles in huis hebt gehaald qua mondvoorraad.  Waar ik nu ineens aan moet denken ... Als je een vogeltje als huisdier hebt, opgesloten in een kooitje, weet je nooit of het vogeltje echt van je houdt. Open je het deurtje, en blijft het toch altijd bij je in de buurt, dan weet je 't zeker.  Een haakjesdag is een dag waarop we opgesloten zitten, zonder het te beseffen. Cocoonend, zoals dat heet, zo met elkaar verweven dat we ons ontpoppen als vrolijk fladderende vlinders. Smullend van elkaars gezelschap en eventueel af en toe van een hapje uit de oven. Huismusserij en toch vrij. Niet dat we dan constant aan het haardvuur zeemzoete liedjes zitten te zingen uit The Sound of Music, samen wafels bakken of ganzenbord spelen. Zo romantisch is het nu ook weer niet. En dat afgeslotene van de buitenwereld neem je best ook met een flinke korrel zout, want via het internet haal je heel de wereld naar binnen, ook als het buiten naar is. Maar we amuseren ons, ongedwongen. En niemand haakt af. Zelfs de sleutel geniet in stilte mee.  Tussen haakjes, ze zijn zeldzaam, haakjesdagen. Echt veel te zeldzaam.             

Danny Vandenberk
0 0

Babbelen, een aandoening

Ik weet dat mijn collega’s het doen. Met post-its. Stiekem. Tussen koffietassen en laptops.Kleine gekleurde briefjes die zogezegd ergens anders voor dienen. Post-its met tijdstippen.Met pijltjes. Met hoofdletters. (LIEFST VOOR 11U) Post-its met voorzorgen. Met alternatieven. Met stilzwijgende afspraken. Ik zie het voor me. Een muur. Een kastdeur. Een prikbord. Een soort commandocentrum. Plan Katrien. Want vóór elf uur in de ochtend hebben de avondmensen het zwaar. Dan krijgen ze het te verduren:  de actieven, de vroege vogels, het type mens dat al drie ideeën heeft voor er koffie is. Dan zijn ze nog niet bestand tegen enthousiasme. En al zeker niet tegen iemand die praat zoals ik. Ik geef hen mee dat ik stil te krijgen ben in twee mogelijke situaties.Ofwel ben ik de overtreffende trap van boos en dat wil je echt niet.Ofwel ben ik dood. Of ze dat willen, laat ik wijselijk in het midden. Ik weet het.Ik ben een babbelgat. Mijn mond staat nooit stil.Ik praat tegen onbekenden in de lift alsof we samen op reis zijn en niet gewoon onderwegnaar verdieping drie. Alsof we straks nog een koffie gaan drinken en elkaars levens gaan samenvatten in twee minuten en een halve spiegel. Ik praat tegen de kassierster van de GB over welke chocolade vandaag echt mee moet.Omdat ge dat voelt, hé. Dat dat zo’n dag is. Over dat ge eigenlijk maar voor twee dingen binnenkwam en nu toch weer met een kar staat waarvan ge zelf zegt: ja bon, ’t zal nodig geweest zijn. Over hoe een winkelkar altijd trekt naar de verkeerde kant, en dat dat niet uw fout is maar een fabricageprobleem. Ik praat op vergaderingen over nog te evalueren punten, over dingen die we zeker moeten meenemen, over dingen die misschien ook nog belangrijk zijn en die we dan later nog wel eens bekijken. Ik praat tijdens de middagpauze over wat ik morgen ga eten. Planning in het leven is alles.  En ondertussen denkt iedereen:Die zegt alles.Die is rechtuit.Die kan niet zwijgen. Laat ons even ernstig zijn. Dat babbelen is geen afwijking. Geen charme. Geen karaktertrek.Het is een stoornis. Een aandoening. Diagnose: subassertief (pratend zwijgen voor de buitenstaanders) Kenmerken:overmatige woordproductie,vermijden van directe benoeming,stilte ervaren als bedreigend. Onderliggende factoren:angst om te kwetsen,angst om te verliezen,angst voor wat volgtna de waarheid. Prognose: chronisch, maar sociaal aanvaard. Behandeling: zelfinzicht, en een omgeving die leert luisteren naar wat niet gezegd wordt. Mijn babbelen is geen spreken.Het is camouflage.Een rookgordijn van woorden waarachter ik netjes verberg wat ik niet durf benoemen.Mijn praten is geen lawaai. Het is oorverdovend zwijgen. Wat ik niet zeg, verdwijnt niet.Het gaat pruttelen.Sudderen.Slowcooken.En in het beste gevalbrouw ik er een schrijfsel mee,zoals nu. Dat is mijn manier van zwijgen.Maar ik ben niet alleen. Er is het zwijgen van wie alles netjes op een rij heeft. Het zwijgen dat klinkt als duidelijkheid en zich verstopt achter schema’s en rust. Het zwijgen uit beleefdheid. Dat glimlacht, knikt en later zegt: “Het was eigenlijk niet oké.” Het zwijgen uit angst. Dat bang is om iets los te maken wat niet meer terug in de doos wil. Het strategische zwijgen. Dat wacht. En timing als excuus gebruikt. Het zwijgen van de vermoeiden. Van wie geen woorden meer over heeft omdat ze te vaak niet gehoord zijn. En dan is er het zwijgen in de liefde. Dat kan sterk zijn. Zoals: wij hebben geen woorden nodig. Een stilte die draagt. Maar soms schuurt het. Dan wordt zwijgen een afstand. Een lijn. Een stil afgesproken even niet. Menselijk. Maar nooit plezant. En dan is er nog het collectieve zwijgen. Dat van veronderstellen. Van hopen dat de ander het wel weet. Van samen niets zeggen en dat zorg noemen. Soms denk ik dat het eenvoudiger zou zijn als we niet zoveel moesten raden. Stel je voor. Een ideale wereld.Een wereld waarin we allemaal rondlopen met een gedachtenscherm boven ons hoofd. Gewoon een sober venster waarop verschijnt wat je eigenlijk verzwijgt. Dan staat het er.Dan weet Tom hoe leuk ik hem vind. Dan leest Maggy wanneer ze weer aan het zagen is. Dan kan Paul eindelijk werk maken van die deo. Dan weet Els dat ik eigenlijk vind dat ze gelijk heeft. Ook al heb ik dat nog nooit toegegeven. Tak.Tak.Tak. Eindelijk alles duidelijk. Eindelijk plaatsvervangend spreken tijdens het zwijgen.  En als dan dat ene moment komt waarop ik wél stil word. Daar... bij de overtreffende trap van boos. Dan verschijnt het eindelijk op mijn scherm. Eén zin. In drukletters. In rood. PAK MIJ NU GEWOON EENS NE KEER VAST. Dat is alles. Dat is eigenlijk alles waarover ik de hele tijd aan het zwijgen was.

Katrien Daniels
66 1

Zorgen

Wat is dat eigenlijk: zorgen? Zorgen begint klein. Met pampers en sussen. Met lange nachten en roze wolken. Met wiegen en fluisteren en doen alsof ge het allemaal onder controle hebt, terwijl ge eigenlijk gewoon moe zijt. Daarna worden het koekjes in de brooddoos, boterhammen met een hoek af, plakkende briefjes en sokken die altijd verdwijnen. Zorgen groeit mee. Het wordt huiswerk en oudercontact, turnpantoffels die ineens vandaag nodig zijn, onderhandelen over hoe laat ze thuis moeten zijn van een fuif. Het wordt hobby’s en engagement, leren hoe ge met mensen omgaat, hoe ge ruzie maakt zonder te breken, hoe ge vriendschappen onderhoudt zonder uzelf te verliezen. Dat is zorgen in zijn eerste, pure vorm: nabij zijn, voordoen, vasthouden. En dan, onvermijdelijk en ook gelukkig,  wordt zorgen loslaten. Vogels laten vliegen. Stilletjes bidden dat ze hun vleugels niet bezeren. Doen alsof ge niet wakker ligt. Zorgen door ruimte te maken. Door niet te bellen. Door wel te luisteren. Door te vertrouwen, zelfs als dat voelt als springen zonder vangnet. Ge denkt: nu ben ik uitgezorgd! Maar dat is niet waar. Nog voor er een eerste kleinkind wordt aangekondigd—nee, wees gerust, ik heb geen nieuws te melden—komt die andere zorg. De zorg voor zij die voor u gezorgd hebben. En dat is een zorg waar ge geen rekening mee hield. Die stond niet in de handleiding. Vroeg of laat is er die ouder die niet meer kan. En dan wordt ge een zorgende dochter voor een moeder. Dat is zorgen met weerhaken. Met goede bedoelingen die botsen op weerstand. Met echt wel willen, maar op één of andere manier niet kunnen. Met liefde die niet altijd dankbaar wordt ontvangen. Zorgen wordt dan iets ingewikkelds. Ge schuift papieren. Ge herhaalt. Ge onderhandelt. Ge zwijgt. Ge zet door. Ge gaat naar huis met vragen die geen antwoord willen. Ik denk vaak terug aan die korte tijd dat ik in ‘de zorg’ werkte. Animatie in een rusthuis. Een vreemd woord eigenlijk, animatie, alsof ge leven kunt opwekken met een sjoelbak en een cd-speler. Dat rusthuis was een wereld op zich. Mensen die hun dagen kleiner zagen worden tot ze pasten in één kamer. Een kamer die meer weg had van een ziekenhuis dan van een thuis. Een bed, een nachtkastje, een stoel die te recht stond om comfortabel te zijn. Foto’s aan de muur die fluisterden dat er ooit iets anders was geweest: een trouwdag, een zee, kinderen in korte broek. Het rook er altijd hetzelfde. Een mengeling van te lang gekookte spruiten, amoniak en mottebollen. Een geur die zich vastzet in uw kleren, in uw haar, in uw hoofd. Alsof ouderdom zelf een geur heeft. Tijd die te lang heeft staan pruttelen. Ik zag handen die niet meer wisten wat ze moesten vasthouden. Mensen die boos werden om niks en verdrietig om alles. Vragen die telkens opnieuw gesteld werden, niet omdat ze het antwoord wilden, maar omdat ze bang waren voor de stilte die daarna kwam. Sommigen wilden naar huis, terwijl ze al thuis waren. Anderen wachtten op mensen die al jaren dood waren. En toch: tussen dat alles door zat leven. Een lach bij een vals gezongen lied. Een hand die even de uwe zoekt. Ogen die oplichten bij een stukje cake op zondag. Zorgen in zijn meest rauwe vorm: traag, onhandig, confronterend. Na de legerplicht pleit ik trouwens voor een 'zorgplicht'. We zouden allemaal een half jaar verplicht in de zorg moeten werken. Om te relativeren. Om dankbaar te leren zijn. Om te begrijpen hoe fragiel gezondheid is en hoe relatief tijd wordt als ge oud zijt. En ook om te zien hoe we het anders kunnen doen. Hoe we toch allemaal verlangen naar meer dan platgekookte broccoli. En ondertussen zorgen we verder. Voor geliefden, natuurlijk. In ziekte en in gezondheid — dat zeggen we zo vlot, alsof het een belofte is die zichzelf wel zal uitleggen. Maar wat als ziek zijn écht ziek zijn wordt. Niet grieperig. Niet een paar dagen onder een deken. Maar ziek als in: het lichaam dat zijn eigen plannen begint te maken. Als in: afspraken die verdwijnen, woorden die halverwege blijven steken, vermoeidheid die niet meer slaapt. Zorg is thee zetten die koud wordt omdat ge eerst nog iets anders moet doen. Het is fluisteren: ‘het is niet erg’ terwijl ge niet weet of dat waar is. Het is lachen om dingen die eigenlijk niet grappig zijn, omdat lachen soms het enige is dat nog werkt. Zorg is ook ontzorgen. Liefdevol kunnen zeggen: ik zal dat wel doen. Blijf maar zitten. Drink uw kopje koffie. Zorg is ook absurd. Onderhandelen met het leven.  Prijzen vergelijken van incontinentiemateriaal alsof het over wijn gaat. Trots zijn op een goede dag alsof ge samen een marathon hebt gelopen. Zorg maakt klein en groot tegelijk. Ze schuurt uw grenzen af en rekt ze uit. Ze leert u dat liefde niet altijd mooi is, maar wel volhardend. En soms, heel soms, is zorg gewoon samen zwijgen. Omdat er niets meer uit te leggen valt.  Zorg is tanden op elkaar en toch zacht blijven. Elkaar wassen zonder erotiek, maar met vertrouwen. Sokjes aantrekken. Een jas dichtdoen. De hand vasthouden terwijl ge eigenlijk nog duizend andere dingen moet doen. Uiteindelijk is zorg pure liefde. Het is naast iemand gaan zitten, niets oplossen, een kopje koffie inschenken, en blijven. Ook als die koffie koud wordt.

Katrien Daniels
65 4

John en de Heksen

Laten we hem John noemen. Hij heet niet John, maar hier volstaat het voor de heer in kwestie. Eerlijk: soms heb ik een hekel aan hem. Hij stelt vragen die niemand graag krijgt, en hij geniet ervan. Dat irriteert mij mateloos. En net daarom heb ik hem graag. Op een dag vroeg hij waarom ik geen horror schreef.“Alles bij u is zo… chiromeisjes-achtig,” zei hij. “Happy endings. Kussen in de sneeuw. De liefde die wint. ‘You don’t put Baby in a corner!’ en hup: iedereen naar huis met warme voeten en een crush op Patrick Swayze, en die is al dood!” Ik haatte hem op dat moment een beetje. Omwille van dat van Patrick Swayze en ook omdat hij gelijk had en dat is ambetant.  Chiromeisjes hebben geen messen; wel een alcoholstift en grote roze kauwgum in de zakken van hun korte rok. We schrijven onze namen op T-shirts en armgipsen, niet in mensen. Als ik dan toch horror zou schrijven — ik zeg als — zou het iets zijn zoals de heksen van Roald Dahl. Niet één heks, maar een hele lobby vol. Een hotel dat naar stofzuigerzakken en zeewater ruikt. Vrouwen die u aankijken alsof ze net beslist hebben wat ze met u gaan doen,en het antwoord is nooit: thee met melk. Ze dragen nette schoenen, hebben gelakte nagelsen weten perfect hoe ge iemand kunt doen verdwijnen zonder dat ge bloed moet zien.Zo’n soort kwaad. Onderkoeld, beleefd, systematisch. Het soort dat applaudisseert voor uw ondergang. Maar misschien bedoelt John dat niet. Misschien wil hij het soort horror waar de soundtrack uit vioolsnaren bestaat en waar het bos altijd te donker is voor het uur van de dag.Waar niemand ooit het licht aan doet omdat anders de film gedaan is en waar mannen denken dat ze onsterfelijk zijn zolang er ergens nog een kettingzaag in de kelder ligt. En misschien moet ik mij gewoon afvragen waarom mensen horror kijken.Is het om demonen te verjagen? Is het om angst te onderzoeken zonder dat iemand echt gewond raakt? Om te voelen dat ons eigen leven eigenlijk beter meevalt dan dat van het meisje dat binnen acht seconden door een heks onthoofd wordt?Is het om te oefenen in bang zijn? Om de donkere kant van het leven te zien zonder er zelf in te wonen? Ik versta dat niet. En daarmee leg ik — trefbal-meisjeschirogewijs — de bal alweer in het kamp van John. Niet bij de heksen in de lobby, maar bij de mensen die kijken en denken:“Ooooo jaaaaa!” Dat soort horror ga ik niet schrijven, John. Maar stel dat horror niet per se bloed hoeft te zijn. Stel dat het gevaar veel dichter zit. In iemand die zegt dat hij dringend met u wil praten, maar de telefoon nooit opneemt.In vrienden die bestonden en dan plots niet meer. Niet boos, niet luid, gewoon weg.In mensen die sterven zonder spektakel en zonder dat iemand het moment noteerde. Of kinderen die je de ene moment nog in slaap sust en twee knippers met je ogen in pakweg Madrid wonen. Of wakker liggen omdat zekerheden wegglippen en je niet meer weet in welke wieg je precies geboren bent.  Gemorste koffie, te veel stilte tussen twee zinnen en dingen die in een deuropening blijven hangen maar nooit binnenkomen: dat zijn de kettingzagen en de heksen van alle dag. En als ge dat allemaal samen duwt —de beleefde lobbyheksen,de telefoons die zwijgen,de verdwijners en de sterfelijkerds —dan begint het pas echt te schuren. Dan begint het te spannen.Niet door bloed, maar door tijd: doorgaan zonder bewijs dat het ooit anders was, leven zonder aftiteling. Dat, John. Dat is mijn horror. En het ergste is: ge verlaat de zaal zonder te weten dat het gedaan is.

Katrien Daniels
62 1