Zoeken

WhatsAppBitches

Bzzt. Bzztbzzt. 47 nieuwe berichten. Kent ge dat? Een ontplofte gsm... En elke keer denk ik: Er is iemand gestorven. Een kind kwijt. Een affaire ontdekt. Een staatsgreep in Haaltert. Maar nee. Het is gewoon Silke die een foto gepost heeft van haar nieuwe puppy. En dan begint het. ❤️❤️❤️ “Oooohhhhhhh!” “SMELT 😍” “Die pootjes!” “Welkom liefjeeee 🐶” Sticker van een hond die “hiiiiiiiii” zwaait. Nancy stuurt: “Dat snoetje 🥹” Binnen de vier minuten zitten we aan 83 berichten en is die puppy emotioneel belangrijker geworden dan de NAVO. Op mijn gsm staan WhatsAppgroepen zoals bij mijn moeder vroeger plastic potjes in de keukenkast stonden: ge houdt ze allemaal bij omdat ge denkt dat ze ooit nog van pas gaan komen, ook al ontbreekt al jaren het juiste deksel en weet niemand nog wat erin zit. “Topteam 🔥” — collega’s die elkaar in het echt amper goeiedag zeggen aan het koffieapparaat maar online veranderen in motivational speakers met emoji-verslavingen. “Ladies only ❤️” — vrouwen die zogezegd eerlijk alles tegen elkaar zeggen maar eerst nog apart naar Cindy sturen: “Zeg gij… vond gij dat van An ook een beetje raar?” “Enfin de vrouwen alleen” — ontstaan na een etentje waarop de mannen zogezegd “toch alleen maar over koers bezig waren”. “Zonder Magda want die is eruit gestapt” — een groepsnaam die tegelijkertijd informatief, dramatisch en licht bedreigend is. “1977 — meisjes van de lagere school ❤️” — een digitale reünie waar trauma’s van de turnles en gestolen fluostiften nog verrassend vers blijken. “BBQ Kim & Stef” — een groep die eigenlijk al drie jaar dood is maar waar niemand durft uit te stappen uit schrik dat Kim dat persoonlijk neemt. WhatsAppgroepen zijn een wonderlijk vrouwelijk ecosysteem. Een digitale zusterkring waar emoties worden uitgewisseld via gifjes van puppy’s in dekentjes en vrouwen elkaar moed inspreken alsof iedereen permanent op weg is naar een halve marathon of een burn-out. Maggy stuurt: “Ik moet zaterdag werken.” En dan begint het. 💪❤️✨ “Gogogo meid!” “Sterkte topper!” “Queen!” Sandra stuurt haar vaste sticker van een vrouw met een glas cava en een bontjas. Nancy kiest voor een babyotter die applaudisseert. Els gooit er standaard drie rode hartjes tegen alsof Maggy zonet een nier aan haar buurvrouw heeft afgestaan in plaats van rekken te vullen in den Aveve. Of in “Weekend Ardennen.” Dat moest gewoon dienen om af te spreken wie kaas meebrengt. Drie dagen later: 642 berichten. Een discussie over quinoa. Karine die vraagt of “matching pyjama’s mss grappig zouden zijn 😂” Iemand die een Pinterestbord deelt genaamd: “Forest girl autumn vibes 🍂” En ergens tussen al die berichten één compleet verloren man: “Moet ik nog hout meenemen?” Niemand antwoordt hem ooit. En toch verwijderen we die groepen niet. Omdat ergens tussen de cava-gifjes, de spierarmen, de slechte memes en de passief-agressieve duimpjes soms iets oprechts zit. Een klein digitaal kampvuur. Iemand die om 22u43 schrijft: “Pff. Lastige dag.” En vijf vrouwen die antwoorden: “Komt goed schat ❤️”

Katrien Daniels
14 1

The queen of Zaventem

Het meisje van onder de kerktoren neemt het vliegtuig naar Madrid. Dat klinkt groter dan het is, maar ook kleiner. Want mensen bekijken mij soms als een vrouw van de wereld. Ik die moeiteloos tussen terminals beweeg met zo’n handbagage op wieltjes die nooit omvalt. Ik die gewoon op luchthavens thuis hoor. Maar ergens, diep vanbinnen, ben ik nog altijd dat meisje dat denkt: paspoort mee? Gate juist? Niet te laat? Niet kwijtspelen. Niet panikeren. Luchthavens zijn eigenlijk gigantische middelbare scholen voor volwassenen. Overal mensen die doen alsof ze exact weten wat ze aan het doen zijn, terwijl de helft stiekem ook maar gewoon bordjes volgt en hoopt dat iemand “final call” niet met hun naam combineert. Een maat van mij — laat ons hem Dieter noemen, een naam van een echte dertiger — heeft een grondige hekel aan vliegen. “Brakke zetels, te dicht op elkaar, te veel kinderen die aan staan, onnozele films, eten dat smaakt naar karton en daar hangt altijd een geur van fastfood en nog niet gewassen zweet,” zegt hij dan. En dan komt steevast het punt waarop hij luid uitroept: “En ge moogt daar niet roken!” En dan weet ik het weer. Dieter is geen dertiger. Dieter is een blanke midlifer with an attitude. Een man die geboren is om kwaad te zijn op luchthavenbroodjes van twaalf euro en boardingprocedures. Soit. Ik probeer mij niet te laten meeslepen door Dieters tirade en ook niet door het kerktorenmeisje in mij dat bij grote mensenmassa’s spontaan heimwee krijgt naar een boterham met préparé in een vertrouwde keuken. Ik geef Katy D het heft in handen. Katy D is de versie van mezelf die zonder verpinken “window or aisle?” beantwoordt. Gulzig. Vrolijk. Zelfverzekerd. Check-in? Check. Gate? Check. Taxfree? Why not. En voor ik het weet zit ik op het vliegtuig met The Beautiful South in mijn oren, een liedje dat zingt over schone ogen en rimpels vol betekenis. Daarna stuur ik nog snel een laatste boodschap naar mijn geliefden. Zo één die half grap is en half testament. “Weet dat ik u graag zag. En als ik neerstort: geen koffiekoeken op mijn begrafenis. Pannenkoeken en préparé. En uiteraard Als Ze Lacht van Yevgueni.” Dat is het rare aan vliegen. Ineens wordt ge een beetje dramatisch. Alsof ge elk moment in een documentaire van National Geographic over menselijke kwetsbaarheid kunt belanden. Terwijl ge eigenlijk gewoon onderweg zijt naar gate B14 met een veel te dure fles water. Ik mag in het midden zitten. Dat is de sociale huurwoning van het vliegtuig. Langs de ene kant een man die precies al sinds Kinshasa onderweg is. Moe en waardig. Alsof hij ondertussen al drie continenten en twee existentiële crisissen heeft overleefd. Aan de andere kant een meisje met een iPad. Ze kijkt een Aziatische film met ondertitels die eruitzien alsof iemand per ongeluk een sudoku over het scherm heeft gegooid. Geen van ons spreekt met elkaar. Maar in mijn hoofd worden wij vrienden. Ik denk dan: straks delen wij hier emoties, levenslessen en misschien een zak paprika chips. Terwijl ge in werkelijkheid drie uur zwijgend naast elkaar zit te ademen als kamerplanten met handbagage. Maar toch vind ik dat schoon aan vliegen. Dat ge even dicht tegen andere levens zit geplooid. Mensen die ergens vandaan komen en ergens naartoe gaan. Mensen die iemand gaan missen of net proberen vergeten. Mensen die onderweg zijn naar werk, liefde, verdriet of gewoon zeven dagen all inclusive en sangria uit nen dispenser. En ik? Ik ben onderweg naar Madrid. Een beetje bang. Een beetje blij. Met Katy D aan het stuur en dat meisje van onder de kerktoren nog altijd ergens in de handbagage. Wanneer het vliegtuig landt, knik ik nog even naar mijn tijdelijke medereizigers. Alsof wij samen iets hebben meegemaakt wat niemand ooit nog gaat kunnen uitleggen. De man uit Kinshasa. Het meisje met de iPad. De zwijgende gemeenschap van stoel 14 A tot C. Ik zet mijn gsm terug aan en stuur een berichtje naar huis: “Geland. De préparé zal nog niet voor direct zijn.”

Katrien Daniels
11 1

Messias

“Wil er iemand mijn messias zijn?”, zingt Bart Peeters. En vroeger dacht ik: ja. Absoluut. Liefst eentje met brede schouders, emotionele intelligentie en een goed hemd. Maar ouder worden is beseffen dat ge eigenlijk helemaal geen Messias wilt. Ik hoef niet gered te worden. Echt niet. Ik kan zelf rijden. Zelf een kast van de Ikea in elkaar vloeken. Zelf mijn belastingen te laat indienen. Zelf huilen in de Colruyt tussen de ravioli en de kattenbrokken. Dat lukt allemaal prima. Nee, wat ik wil, is een Messias, maar dan anders. Geen heilbrenger. Eerder een "Matthias". Of een Jan. Of een Piet. Iemand waarvan ge denkt: ah ja… misschien gij. Iemand die komt, die blijft en misschien veel te luid ademt in zijn slaap. Dat wachten op mijn “Matthias” houdt een mens gaande. Het voedt mijn innerlijke pelgrim. Dat deel in mij met versleten wandelschoenen en veel te veel geloof in wegwijzers. Zo iemand die altijd denkt dat er achter de volgende bocht misschien iets groots wacht. Of iemand. Die "Matthias" zorgt ervoor dat ge plots terug goeie onderbroeken aandoet “voor het geval dat”. Dat ge een berichtje krijgt en direct rechter gaat zitten. Dat ge op de trein een boek leest alsof iemand misschien onder de indruk gaat zijn van uw intellectuele diepgang, en niet van het feit dat ge al drie haltes aan een stuk met een chipke aan uw trui hangt. Ik heb daar ooit over geleerd, in een les geloof en maatschappij. Zo’n vak dat ergens zweefde tussen godsdienst, levensvragen en leerkrachten met sandalen. We leerden over rituelen, over religies, over mensen die hun hele leven bouwen rond iets wat ze nooit echt gezien hebben, maar waar ze toch rotsvast in blijven geloven. En daar zat dat idee van de Messias in. Vooral binnen het Jodendom: het geloof dat er ooit iemand zal komen die alles anders maakt. Niet vandaag. Misschien morgen. Misschien binnen honderd jaar. Maar ooit. En hoe langer ik daar nu over nadenk, hoe meer ik besef dat dat eigenlijk geniaal gevonden is. Een geloof dat blijft bestaan bij gratie van het wachten. Van het onderweg zijn. Van de hoop die zichzelf altijd nét ver genoeg vooruit schuift om te blijven leven. Want eens hij arriveert, is het verhaal eigenlijk gedaan. Misschien bouwen we allemaal kleine privéreligies rond mensen die nog moeten komen. En soms komen ze ook effectief.. maar blijken het  foute generale repetities te zijn. Zoals Dirk bijvoorbeeld. Die ontplofte bij een verkeerde opmerking, alsof ik per ongeluk een nucleaire code had ingetoetst in plaats van te vragen of hij de vuilbak buiten wilde zetten. En toch dacht ik dan: maar hij weet tenminste wat hij voelt en hij kan dat authentiek uitdrukken. Peter dan weer. Zo’n man met een agenda waar ge moe van wordt. Etentjes. Projecten. Mensen die hem “een vrije geest” noemen, terwijl hij eigenlijk gewoon niet kan kiezen. En ik hing daaraan gelijk een toerist aan een trein die al vertrokken is. En dan die derde soort. De mannen met een “ooit”. Ooit gaan we eens echt tijd maken. Ooit komt het goed. Ooit gij en ik. “Ooit” is eigenlijk het kleinste vakantiehuisje van de hoop. Ge kunt daar niet wonen, maar ge blijft wel teruggaan. En toch denk ik niet dat ik echt wacht op een man. Ik wacht op beweging. Op het gevoel dat het verhaal nog niet af is. Dat er nog iemand op een perron kan staan. Dat er nog een bericht kan komen waardoor ge plots uw haar wast op een woensdag. Want stel u voor dat de puzzel klopt. Dat hij er écht is. Een man die blijft. Die koffie brengt. Die zegt: “ik ben onderweg”, en dan effectief aanbelt. Die samen met u naar de wekelijkse markt gaat en discussieert over tomaten alsof dat normaal gedrag is. Dan gebeurt misschien het ergste van allemaal. Dan wordt die innerlijke pelgrim plots een vrouw met een klantenkaart van Aveve en geplande weekends in een bungalowpark. Met grind voor de deur. Een mapje met wandelroutes. Een barbecue om zes uur. En etentjes met bevriende koppels. Help. Want wat als ik daar zit, met lasagne in de oven en iemand die mij echt graag ziet, en ik plots niks meer heb om naar uit te kijken? Maar misschien begrijp ik het verkeerd. Misschien is wachten niet hetzelfde als missen. Misschien gaat het niet over gered worden. Misschien gaat het gewoon over geloven dat er nog iets onderweg is naar u. Een Matthias. Of een Jan. Of een Piet. Niet om mij compleet te maken. Maar om mij zachtjes te laten landen en te zeggen: het is goed zo.

Katrien Daniels
33 2

Nieuwe verhalen van vroeger

“Ga je erover schrijven?”, vroeg ze. “Ik weet het niet”, zei ik. Wat schrijf je over een familiereünie, zoals mijn nicht me vroeg. De verhalen die verteld werden? Toch was er iets. Het was een tante die het quasi achteloos zei. Het voelde ongeveer zoals een verrassingsfeest, waarbij de genodigden verstopt zitten en plots tevoorschijn komen. Ik zag het niet aankomen. “Ge lacht helemaal zoals uw vader”, zei ze. Ik weet eerlijk gezegd niet meer wat ik heb geantwoord, maar wel dat ik er even later over nadacht. Hoe lachte hij alweer? Zoals ik dus. Maar hoe is dat? Mensen nemen soms stemmen op, om later te horen hoe de stem van hun geliefde klonk. Dat snap ik. Voortaan kan ik dus lachen zoals vader. Het gaat vanzelf. We hadden voor placemats gezorgd, met daarop een foto van de stamvaders en -moeders. Alle acht met een voorzichtige glimlach op hun gezicht. Het moet een foto van eind jaren '60 geweest zijn. Ik was er toen nog niet. Wie heeft de foto genomen? Wat zeiden ze tegen elkaar, alvorens de fotograaf de knop indrukte? Besliste iemand waar ze moesten staan? Gingen ze achteraf terug aan het werk? Of was het op een zondag? Het zijn vragen waar we de antwoorden niet van weten. Wat ik wel weet, is dat in elk kind of kleinkind een ander familieverhaal schuilt. Iemand vertelde dat grootvader haar nog van school kwam halen. Bij mij was hij al enkele jaren ouder. Dat deed hij toen niet meer. Ze vertelde ook dat ze als kind wegens omstandigheden enkele weken bij ons had gewoond. Ik heb het nooit geweten, wegens nog te klein. Daarom luister ik graag naar die verhalen. Het zijn nieuwe verhalen van vroeger. Ik vind ze soms beter dan de oude verhalen van nu.    

Rudi Lavreysen
8 0

Bevriende koppels

Bevriende Koppels zijn een natuurfenomeen. Je zou er een documentaire over kunnen maken. Met zo’n rustige stem eroverheen. Hier zien we het koppel in zijn natuurlijke habitat. Let op hoe ze zich groeperen. Altijd in even aantallen. Nooit alleen. Ze spreken ook in een eigen taal. Een soort dialect van het samenleven. Zinnen eindigen steevast op “met bevriende koppels”. Alsof dat de soortaanduiding is. “Wij gaan eten met bevriende koppels.” “Wij doen een weekendje Ardennen met bevriende koppels.” “Wij doen eens iets met de vrouwen… van bevriende koppels.” Ik stel me voor dat daar ergens een draaiboek voor bestaat. Met hoofdstukken. De oprit en zijn klinkers. De juiste school kiezen zonder jezelf te verliezen. Het kookeiland als moreel kompas. Koppels hebben namelijk kookeilanden. En schuiven. Minstens drie. In de derde schuif zit iets dat nooit op dinsdag gebruikt wordt, maar waar wel afspraken over bestaan. De single komt in die wereld voor als een tijdelijke afwijking. Een zeldzame vogel die per ongeluk in beeld vliegt. Interessant, maar storend voor de compositie. Want koppels denken in tafels van vier. Of zes. Of acht. Maar altijd deelbaar door twee. Een single als ik is wiskundig gezien een probleem. Een rest met een komma. Ze nodigen mij soms uit. Dat wel. “Kom anders eens mee, dat is gezellig.” En dat is het ook. Tot de ober vraagt: “De rekening apart of samen?” en iedereen heel vanzelfsprekend naar elkaar kijkt en ik daar zit als een losgekomen vork.   Tafelschikking is een wetenschap. Sofie naast Tom, want die kunnen praten over hun zonnepanelen. Ellen naast Koen, want die hebben ook een jongste in het derde leerjaar. En dan ik. “Zet Katrien misschien naast Marc?” Marc knikt. Marc is sociaal. Marc vangt singles op zoals de vestiaire jassen opvangt. Er worden namen gezegd alsof het personages zijn uit een reeks waar ik één aflevering van gemist heb. “Bij Liesbeth en Pieter is dat ook zo.” “Nee, maar echt, bij An en Frederik hebben ze dat opgelost met een extra kast.” En ik knik. Ik knik altijd. Alsof ik het begrijp. Alsof ik ook een derde schuif heb. Het gaat over de aannemer van de klinkers van de oprit. Altijd die oprit. Alsof geluk begint bij rechte lijnen in steen. “Die van ons, Kevin, die was echt nog betaalbaar.” Kevin. Natuurlijk heet hij Kevin. Kevin legt niet alleen klinkers, Kevin legt ook fundamenten voor gesprekken. En dan, ergens tussen hoofdgerecht en dessert, wordt het een beetje pikant. Niet te veel. Net genoeg. “Ja, en Marc, die heeft er dan toch ne knoop in gelegd.” Gelach. Blikken. Iemand die zegt: “Amai.” Iemand die zegt: “Allê Marc, gij durft.” En Marc lacht zoals mannen lachen wanneer ze weten dat ze nog net binnen de veilige zone zitten. Ik kijk. Ik observeer. Ik maak notities in mijn hoofd. Dit is materiaal. Dit is goud. Dit is een soort volkskunde met wijn. En dan ga ik naar huis. Alleen. Zonder tafelschikking. Zonder derde schuif. Met mijn sleutels in mijn jaszak en niemand die vraagt of ik ze al gevonden heb. Bevriende koppels, zeggen de statistieken, zijn een uitstervend ras. En toch. Ze blijven bestaan. Als hoeksteen van de maatschappij. En van grillrestaurants. Voor tafels groter dan acht. Voor opritten die gelegd moeten worden. Voor gesprekken die alleen werken als iemand zegt: “Wij”. Misschien moeten we ze beschermen. In reservaten. Met voldoende parkeergelegenheid en een degelijke aannemer in de buurt. Met een kookeiland in elke habitat en een derde schuif per koppel. En ergens, aan de rand van dat reservaat, sta ik te kijken. Te denken dat ik misschien ooit één van hen zal worden. En dat ik dan, op een dag, een zin zal zeggen die eindigt op  “met bevriende koppels”. Ik weet alvast genoeg over klinkers en opritten om te kunnen meepraten.

Katrien Daniels
43 0

De zachte dood en de harde rails, tussen infuus en spoor

Het was een van die avonden waarop mijn rijhuis in Heist aan Zee stil genoeg was om de golven in de verte te horen rollen. Ik, Stefan, treinbegeleider sinds een 1  jaar, zat aan de keukentafel met een glas alcoholvrij bier dat ik nauwelijks aanraakte, en keek naar de muur waar nog steeds de oude kalender hing van mijn tijd als thuisverpleger. De data waren allang verlopen, maar de herinneringen niet. Buiten viel de regen zachtjes tegen de smalle gevel, vermengd met de zoute wind die vanaf de duinen kwam aanwaaien, zoals altijd in deze rij van bakstenen huizen die allemaal op elkaar leken en toch elk hun eigen stilte droegen. De zee was dichtbij, je hoorde haar ’s nachts ademen, een laag, constant geruis dat nooit helemaal zweeg, alsof ze de doden die ik had gezien nog steeds meevoerde in haar ritme. Binnenin mij hing dezelfde melancholie die me al jaren vergezelde. Niet de scherpe pijn van woede, niet de koude kilte van oordeel, alleen een diep, drukkend gevoel om hoe dezelfde dood twee totaal verschillende gezichten kan hebben. Euthanasie toen, zelfdoding nu. Zelfde resultaat: een mens die ophoudt te ademen. Maar de weg ernaartoe, de manier waarop, de echo die het achterlaat – dat is een wereld van verschil. Maatschappelijk en menselijk. Vroeger, als thuisverpleger in de straten van knokke en de omliggende dorpen, was euthanasie iets wat ik leerde kennen als een ritueel dat bijna beschaafd was geworden. België had het geregeld, met wetten en commissies en papieren die alles in goede banen leidden. Mensen belden me niet in paniek, maar met een soort rustige vastberadenheid. “Stefan, het is tijd.” Dan reed ik naar een huis in de Dumortierlaan of de Lippenslaan waar de geur van verse koffie al in de gang hing en de familie in de woonkamer zat alsof ze een verjaardag vierden die niemand wilde vieren. Zo herinner ik mij een man van achtenzeventig met pancreaskanker, zijn lichaam uitgeput maar zijn geest nog helder. Hij had zijn testament getekend, zijn kleinkinderen nog één keer geknuffeld, en nu lag hij in zijn eigen bed, met schone lakens en een foto van zijn overleden vrouw op het nachtkastje. De huisarts kwam, de tweede arts voor de controle, en ik bereidde de spuiten voor. Er was geen haast, geen drama. Er was een gesprek. “Ik kies dit,” zei hij, en iedereen knikte, met tranen maar zonder verwijt. De injectie ging traag, de ademhaling werd rustiger, en dan was het voorbij. Geen bloed, geen ravage. Alleen een lichaam dat er vredig uitzag, alsof het eindelijk mocht rusten. De familie bleef zitten, dronk nog een kop koffie, praatte over hoe hij altijd had gehouden van de zee. Daarna belde ik de begrafenisondernemer. Het was netjes. Het was humaan. Westerse waarden, noemden ze het: autonomie tot het bittere einde. De samenleving had besloten dat dit een recht was, geen zonde. En de naasten gingen naar huis met een afgerond verhaal. Ze konden zeggen: “Hij heeft het zelf beslist. We waren erbij.” Geen gapend gat van onwetendheid, geen schuld die als een steen op hun borst lag. Rouw, ja, maar een rouw met contouren, met een begin en een einde dat ze zelf hadden meegekleurd. Ik herinner me een vrouw in heist aan zee, begin zestig, met een neurodegeneratieve ziekte die haar langzaam had opgeslokt. Ze kon nog praten, nog lachen om een mop over de burgemeester van Knokke die de lapnaam Pietje Poep had, maar haar lichaam was een gevangenis geworden. Haar man zat naast haar, hield haar hand vast terwijl ik de medicijnen klaarmaakte. “Dank je, Stefan,” zei ze tegen mij, en tegen hem: “Ik hou van je, tot in de volgende wereld.” De spuit ging in, haar ogen vielen dicht met een zucht van opluchting, en de kamer vulde zich met een stilte die bijna heilig aanvoelde. Geen treinbestuurder die schreeuwde in zijn cabine, geen passagiers die mopperden over vertraging. Alleen een dood die paste in het leven, die de familie een laatste moment van waardigheid gaf. Maatschappelijk was het geaccepteerd, bijna gevierd als vooruitgang. Kranten schreven erover als compassie, artsen spraken erover op congressen, en ik naar huis met het gevoel dat ik iets had bijgedragen aan een zachte uitweg. De naasten droegen het mee als een erfenis, niet als een wond die nooit heelde. Ze konden rouwen zonder de eeuwige vraag: “Had ik het kunnen voorkomen?” Want het was niet voorkomen, het was gekozen. Met getuigen, met handtekeningen, met liefde die nog op tijd was. Nu, als treinbegeleider, is het anders. Heel anders. Zelfdoding – het woord alleen al voelt ruw in de mond, alsof het niet thuishoort in een beschaafde zin. Het komt niet met een telefoontje en een afspraak. Het komt plots, als een klap op een dinsdagochtend wanneer de centrale belt: “Incident op het spoor, chef.” En dan weet ik het. Iemand heeft gekozen voor de rails. Niet met een infuus en een arts, maar met een sprong in het niets, een lichaam dat wordt verscheurd door metaal en snelheid. Hetzelfde resultaat: leven dat stopt. Maar de modus operandi is een breuk met alles wat netjes is. Geen schone lakens, geen familie aan het bed. Alleen bloed op het ballastbed, stukken die de hulpdiensten in zakken stoppen, en een treinestuurder die daarna maanden niet slaapt.  Een jonge vader uit Brugge, net gescheiden, die bij Lichtervelde op de sporen sprong. Geen briefje, geen waarschuwing voor zijn kinderen. Alleen een tas met een portemonnee en een sleutelbos die later aan de politie werd gegeven. De trein staat stil, de treinbegeleider loopt door de rijtuigen met uitleg en excuses, terwijl binnenin hem de melancholie en weemoed opwelde als de regen buiten. En de familie, die kreeg later het nieuws via een politieman die aan de deur belde. Geen afscheid, geen hand die ze vasthielden. Alleen een lichaam dat niet te herkennen was, en de vraag die hen zou achtervolgen tot in hun dromen: “Waarom heb je niet gebeld? Waarom heb je dit gedaan? waarom heb je.....?”  De maatschappij kijkt anders naar zelfdoding. Het is geen recht, het is een falen. Geen wet die het omarmt, geen commissie die het goedkeurt. Het is taboe, het is statistiek in een rapport, het is iets waarover we spreken met zachte stemmen en preventieposters op stations. Oja en dat verdomde nummer van de zelfmoordlijn als het nieuws op VTM uitvergroot triestig wordt gebracht. Maar het gebeurt. 3 keer per week. En het laat sporen na die euthanasie nooit nalaat. De naasten dragen niet alleen rouw, ze dragen schuldgevoel. Een gevoel die de samenleving hen onbewust tracht uit het hoofd te praten: “hij was altijd al een stille, het is juist van dat soort dat ge moet opletten....” Geen laatste woorden, geen “ik kies dit”. Alleen een leegte die schreeuwt. Geen koffie met de familie, geen speeches op de begrafenis over een moedige keuze. Alleen een graf dat te vroeg was gedolven, en kinderen die opgroeiden zonder een vader die nog eens gedag had gezegd. Voor de treinbestuurder was het een trauma dat in de rails bleef liggen, zichtbaar en voelbaar. Ik zit hier in mijn rijhuis in Heist aan Zee, en denk aan het verschil dat zo klein lijkt en toch alles verandert. Zelfde einde: stilte in een borstkas. Maar euthanasie is een gesprek dat eindigt in vrede. Het is voorbereid, het is getuigd, het is maatschappelijk goedgekeurd als een laatste vrijheid. De patiënt beslist, de verpleger helpt, de naasten nemen afscheid met een kus en een bedankje. Ze gaan naar huis met een verhaal dat ze kunnen vertellen: “We hebben hem laten gaan zoals hij wilde.” Rouw met een kader, met foto’s die nog lachen, met een uitvaart waar iedereen zegt dat het mooi was. Zelfdoding op het spoor – of waar dan ook, maar voor mij altijd op die rails – is een explosie zonder publiek. Het is een schreeuw in het donker, een dood die niemand ziet aankomen behalve de bestuurder en de kraaien die later komen. De naasten krijgen geen handdruk, geen “dank je”. Ze krijgen een telefoontje, een identificatie in een koud mortuarium, en daarna de nachten vol “wat als”. Wat als ik beter had geluisterd? Wat als ik die avond was gebleven? Maatschappelijk is het geen triomf van autonomie, het is een symptoom van een samenleving die faalt. We hebben euthanasie getemd tot een medische procedure, maar zelfdoding blijft wild, oncontroleerbaar, en het scheurt de levenden in stukken. Ik vind dat dit anders mag, maar hoe: ik heb geen flauw gedacht. Toch denk ik dat het slachtoffer liever een autonome trein zou nemen als middel dan het leven van een treinbestuurder te hypothekeren.  Soms, in dit rijhuis en de kleine achtertuin die uitkijkt op de buren en verderop de duinen, typ ik ’s avonds op de oude computer wat zinnen die niemand ooit zal lezen. Over hoe ik van thuisverpleger naar treinbegeleider ben gegaan, en toch dezelfde dood blijf tegenkomen. De ene dood is een zachte hand die je begeleidt naar de deur. De andere is een trein die je meesleurt. Bij euthanasie blijft er ruimte voor liefde, voor woorden, voor een laatste blik die zegt: het is goed zo. Bij zelfdoding blijft er alleen de echo van de klap, de schuld die zich nestelt in de harten van moeders, vaders, kinderen. Geen commissie die het voorkomt, geen infuus dat het verzacht. Alleen de vraag die nooit beantwoord wordt, en de melancholie die blijft hangen als de regen op het dak van dit rijhuis, vermengd met het zout van de Noordzee die nooit ophoudt met fluisteren. Ik sta op, loop naar het raam en kijk naar de straat. De buren hebben hun lichten al uit, de rijhuizen staan in het donker als stille getuigen van al die levens die hier aan zee beginnen en soms te vroeg eindigen. De wind rukt aan de luiken, de golven rollen verderop over het strand, en ik denk na. Aan de patiënt die ik had verpleegd, een leraar, die zei: “Ik wil niet dat men mij zo herinnert me in mijn huidige situatie.” Zijn vrouw had hem gekust, de dokter de dosis gegeven, en de kamer was gevuld met een vreemde rust. De begrafenis was mooi, met bloemen en speeches. De kinderen spraken over papa’s keuze. Ze droegen het als een erfenis, niet als een wond. Euthanasie is een gesprek, een handdruk, een einde met getuigen. Zelfdoding is een schreeuw in het niets, een einde zonder publiek, een last voor iedereen die achterblijft. De zee ademt door, hier in Heist aan Zee. Ik drink mijn kop koffie leeg, niet omdat ik dorst heb, maar omdat de avond dat vraagt. En ik denk: misschien is dat het diepste verdriet. Dat we de dood hebben proberen te temmen met wetten en spuiten, maar dat hij zich toch altijd weer losrukt op de meest brute plekken. Voor de patiënt maakt het niet meer uit. Voor ons, de levenden, maakt het alles uit. De euthanasie laat een stille kamer achter. De zelfdoding laat een gebroken trein achter, en families die nooit meer heel worden. Misschien dat  VTM analisten zoals FAROUK NO-GUINNESS en tafelspringers van de TAFEL VAN GERT het debat dat niemand wil voeren, toch eens wil aanraken…. Dit is het verschil dat ik draag, hier in mijn rijhuis aan zee, tussen twee levens die ik heb geleid. Als verpleger gaf ik een zachte uitweg. Als treinbegeleider kijk ik op tegen de brokstukken. En de melancholie? Die blijft. Als de regen die nooit helemaal ophoudt, als de wind die het zout meevoert, en de golven die altijd verder gaan, ongeacht wie erin verdwijnt.  

treinbegeleider stefan
6 0

hoarding disorder in fieri

in de reeks bijzondere verzamelingen vertelt raymond (90) in de krant over de 173 egeltjes in zijn twee vitrinekastjes én over dat ene egeltje in de tuin. zelf heb ik mijn verzameling speelkaarten, een slordige 150 boeken, onlangs verkocht aan een zestiger die vooral interesse in de jokers had, liefst van wat later carta mundi zou worden, dus vóór 1970. hij gaf me 40 euro en ik was ze kwijt. het kaderde allemaal in een grote opruimactie. er verdween vanalles uit huis met de bedoeling om ons bestaan 'lichter' te maken.  gisterenavond huilde de oudste omdat hij zijn aapje oe-oe miste, en zijn familie pieter konijn (zeven identitieke knuffeltjes uit zijn babytijd); hij was bang dat hij zijn andere knuffels op een keer ook zou moeten wegdoen. papa zorgt ervoor dat dat niet hoeft, troostte ik hem, maar ik dacht aan hoe hij over een jaar of vijf zes allicht zelf zijn pluchen verzameling zou wegdoen, misschien een paar houden omdat nostalgie nu eenmaal altijd om de hoek loert. dat kon hij zich nu niet voorstellen, maar dat had het leven voor hem nog in petto. hoe had ik ooit kunnen bevroeden dat ik tien grote bananendozen vol naar 'snuffel - antiquariaat en tweedehandsboeken' zou dragen. waarom moest het voor hem zo moeilijk zijn, vroeg mijn zoon, om dingen weg te doen. snoeppapiertjes dat ging nog, vervolgde hij, maar al de rest kon hij toch gerust bijhouden, dat moest toch niet weg. zijn moeder vloekte telkens als er in zijn broekzakken iets was achtergebleven, schroefjes, kastanjes, gras, stenen... dat de wasmachine terroriseerde. elke dag passeer ik langs de luikersteenweg een wit huis waar de spullen buiten gestapeld staan: fietsen, auto's, partijen dakpannen en bakstenen...  door de ramen zie ik hoe alles tot aan het plafond volgestouwd is; rechts onderaan het linkerraam een grote blauwe teddybeer. 

Hans Van Ham
4 0

Eikesvandekiekskes

Ik had ze genoemd naar de vriendinnen van mijn moeder. Lucy. Rita. Monique. Goede Lieve. Vier olijke dames in mijn tuin. Altijd druk. Altijd commentaar. Altijd honger. Ik vond dat geestig. Een klein eerbetoon. Tot die vier echte dames eens langskwamen. Koffie. Cake. Ge kent dat. Zo’n namiddag waarop de tijd een beetje stilvalt en iedereen tegelijk praat en toch hetzelfde verhaal vertelt. En ik — fier, onnozel — zeg: “Ja, en mijn kippen heten dus ook Lucy, Rita, Monique en Goede Lieve.” Stilte. Lucy — de échte — kijkt mij aan. “Dat vind ik eigenlijk niet zo plezant,” zegt ze. Ik lach nog wat. Probeer te redden wat er te redden valt. “Maar allé Lucy, kippen zijn toch schoon beesten. Die geven terug. Dat is eigenlijk een compliment…” Maar ge voelt dat ge aan het zakken zijt. Sommige metaforen moet ge gewoon binnenhouden. Enfin. Ze liepen daar dus. Mijn vier. En ik had een systeem. Een geniaal systeem, vond ik zelf. Afvalverwerking èn eten. Ideaal! Maar kippen denken niet na over vraag en aanbod. Die hebben geen Excel. Geen grafiek. Geen besef van consumptie. Vier kippen is vier eieren per dag. Dat is achtentwintig per week. Dat is honderd twaalf per maand. Dat is… te veel ei voor een mens. Ge kunt uw best doen. Echt waar. Maar er zijn grenzen aan wat een lichaam aankan. Zelfs met pannenkoeken, cake en quarte quarts inbegrepen. En daar begint het. Daar is ze... De vraag: “Kundegij iets doen met eikes?” Want eieren blijven nooit liggen. Die moeten bewegen. Van mens naar mens. Van keuken naar keuken. Eieren. Dat is een project. En mijn ecologisch project draaide. Tot er op een dag… bezoek kwam. Laat ons zeggen dat de natuur ook haar eigen economie heeft. Zeven jaar later kan ik zeggen: de vriendinnen van mijn moeder zijn er nog altijd. Lucy, Rita, Monique en Goede Lieve. Ze drinken nog koffie. Ze eten nog cake. Ze kijken nog altijd een beetje streng als ge iets zegt dat ge beter niet zegt. Mijn kippenvriendinnen zijn er niet meer. Maar de eieren wel. Ze komen nu van iemand anders. Iemand met hetzelfde probleem. Te veel kip. Te veel ei. En de vraag : “Zeg, kundegij iets doen met eikes?” En voor ge het weet zit ge daar terug. Aan tafel. Koffie. Cake. Dezelfde stemmen, dezelfde verhalen die al duizend keer verteld zijn en toch blijven plakken. En ergens in die cake — zacht, boterig, een beetje te veel van alles — zit een ei. Want eikes zijn meer dan ne merci uit de poep van een kip. Het is een beweging. Van mens naar mens. Van cake naar cake. Van moment naar moment. En misschien is dat het wel. Dat die kleine, banale eikesvandekiekskes er telkens opnieuw voor zorgen dat we blijven zitten. Nog een tas koffie. Nog een verhaal dat we eigenlijk al kennen maar toch nog eens willen horen.

Katrien Daniels
33 1

Vlaamse leeuw.

  In marroko lopen er nog leeuwen rond. Niet veel maar ze houden er wel van. Hun nationale voetbal ploeg noemt zelfs AtlasLeeuwen. Daarom voelen mijn marrokaanse vrienden zich thuis tussen al die leeuwen vlaggen.   **************************** FOTO GALLERY verf ed verf+ed+altaar+de+culturen/ Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen." Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen, ons collectief geheugen, is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig. http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
33 0

Kruidvat

Waar liefdesverdriet precies begint, weet ik nog altijd niet. Het begint niet bij die ene zin. Niet bij “we zien elkaar beter even niet”. Dat is te netjes. Te laat ook. Dat is zoals in de geschiedenisles. Bij mevrouw Bracke. Mevrouw Bracke rook altijd naar Acqua di Giò. Fris, een beetje zwoel ook, alsof ze net van ergens kwam waar de zon scheen en de dingen helder waren. Ze stond vooraan in de klas, krijtje in de hand, en ze kon dat uitleggen alsof ze er zelf bij was geweest. Alsof ze persoonlijk had staan kijken in Sarajevo, die dag dat aartshertog Franz Ferdinand werd doodgeschoten door Gavrilo Princip. Maar ze begon daar nooit. Nee, ze begon met: “Kinderen, een oorlog begint nooit op één dag.” En dan vertelde ze over dat kruidvat. Over landen die elkaar niet vertrouwden. Over bondgenootschappen die eerder op ruzies leken. Over dingen die gezegd werden en dingen die vooral niet gezegd werden. Ze tekende pijlen op het bord. Veel pijlen. Te veel pijlen. En wij zaten daar en dachten: amai, dat komt hier niet goed. En dan, pas dan, kwam dat schot. De aanleiding. Niet de oorzaak. Bij ons was dat ook zo. Een broeiend kruidvat.Van alles wat er was maar niet gezegd werd.Halve zinnen die bleven hangen.Te lange interpretaties.Te veel gedacht vanuit ik en te weinig vanuit ons.(maar gij ook, hé. Zeker gij ook.) En dan dat kleine, bijna puberale verzet.Een beetje testen.Wat langer wegblijven.Iets “vergeten” te zeggen.Die rommel net groot genoeg maken om hem te voelen, maar niet groot genoeg om hem op te ruimen. En ergens daar, in dat spel van bijna’s en misschien’s, valt het schot. Niet in Sarajevo, maar in een berichtje.Jij die per se die andere moest kussen.Ik die daar een drama van maakte.Of die avond met te veel cava waarop ik te vaak zei dat “ze allemaal hetzelfde zijn”. En dan komt hij.De zin.Alsof hij niets met de rest te maken heeft.Alsof hij uit de lucht valt. “Misschien moeten we elkaar wat minder zien.” In een berichtje nog wel. Van u. Dat vond ik minder. Om niet te zeggen: degoutant. En nu zitten we elk op onze berg. Afstand. Even mezelf terug voelen, zeggen ze.Mijn vriendinnen knikken verstandig en zeggen dat het goed is. Dat ik beter verdien.Mijn kinderen kijken mij aan en zeggen dat ik mijn lat eens wat hoger moet leggen.Mijn zus zegt dat ik het misschien allemaal niet zo dramatisch moet bekijken.Buurman zegt dat elk einde een nieuw begin is.En de Flair zegt dat ik dringend iets moet doen aan mijn buikvet en dat ze daar een wandelapp voor hebben. Mijn kat kijkt naar mij en vraagt vooral hoe lang het nog gaat duren voor ze eten krijgt. En dat is misschien nog het eerlijkste van allemaal. Want op die berg moet ik ook eten. Zelf koken. Zelf zorgen. Zonder een berichtje dat “goedemorgen” zegt. Zonder een “x, ly” midden op de dag. Dat doet pijn. Dat is wat ze liefdesverdriet noemen. Maar het is ook gewoon dit: dat ge plots alleen zit met alles wat er daarvoor nog samen was. En soms denk ik terug aan mevrouw Bracke.Hoe ze daar stond, voor dat bord vol pijlen en spanningen en kleine dingen die te groot waren geworden. Ze heeft ons veel geleerd over oorlog. Over oorzaken en aanleidingen. Over hoe iets klein kan ontsporen in iets dat ge niet meer terug in uw handen krijgt. Maar over bergen heeft ze het eigenlijk nooit gehad. Behalve dan die ene keer, over Hannibal Barca die met olifanten over de Alpen trok. Maar dat was iets anders. Want daar ging iemand tenminste nog ergens naartoe. En wij… wij zitten gewoon elk op onze eigen berg.

Katrien Daniels
116 6
Tip

Een papa voor mij

Soms begint een verhaal met een naam die ge niet moet verzinnen. Emile. We zullen hem gewoon Emile noemen. Dat is het gemakkelijkst. Want zo heet hij ook. En zijn familienaam smaakt naar chocolade, maar als we daar nu op ingaan, geraken we nooit tot aan de bakker. Ik lag te slapen op de zetel. De avond hing nog in mijn mond. Rode wijn, een beetje te laat gaan slapen, een lichaam dat nog niet helemaal mee was met de ochtend. En dan voelde ik het. Geen geluid eerst, maar aanwezigheid. Zo’n kleine aanwezigheid die zich groot houdt. Hij kwam op zijn kousenvoeten naar mij geslopen. Half acht. En ja, het mocht. We hadden dat afgesproken. Wij twee. Naar de bakker. Zijn mama en zijn papa moesten dat niet weten. Ons geheimpje. Ik sprong recht. Jeans aan. Dikke trui. Geen spiegel, geen plan. Gewoon vertrekken. De kou in, de straat op, de Bredabaan over. Zo’n ochtend die nog niet beslist heeft wat ze wil zijn. Emile babbelde honderduit. Dat doet hij altijd. Emile heeft veel woorden. En hij deelt ze gul met mij. Over Louise in zijn klas. Over dat ze volgende week over het bos gaan leren. Over tekenen, dat hij dat graag doet, maar dat zijn zus dat eigenlijk beter kan. Dat laatste zei hij zachter. Alsof hij dat niet helemaal wilde weten. En dan werd het stil. Zijn handje in de mijne. Koude wind in ons gezicht. Auto’s die door plassen rijden. De geur van diesel in het ochtengloren zoals je dat alleen in de stad kan ruiken.  Ik voelde het nog voor hij het zei. Zo’n vraag die eerst in een lijf zit en dan pas in woorden. “Waarom heb jij geen papa, Katrien?” Het ging niet over mijn vader. Dat wist ik meteen. Het ging over een man. Over een plek naast mij. Over een leegte die blijkbaar zelfs voor kinderen zichtbaar is. “Ik had eens een papa,” zei ik.“Maar die woont nu in een ander huisje. Omdat hij me niet meer zo graag ziet.” “Ah,” zei Emile.“Oh jammer.” En we wandelden verder. Sommige dingen moet je gewoon naast u laten stappen. Hoe dichter we bij de bakker kwamen, hoe sneller hij ging. Hij geloofde volgens mij dat verdriet iets is dat ge kunt inhalen met suiker. Zijn woorden kwamen terug. Koeken met chocolade. Met crème. Met pecannoten. Hoeveel per persoon?  Of ik wel genoeg centen mee had? En of we het gingen doen zoals anders?  "Natuurlijk nemen we een geheime koek voor onszelf onderweg, Emile."  De bakkerij was warm. Vol volk. Zondagochtend in zijn meest eerlijke vorm: te veel mensen in te dikke jassen, kinderen met plakkerige neuzen, een rij die net traag vooruitgaat en veel geuren. Gelukkig kon die van 'vers gebak' die van 'nog niet gewassen' overstijgen.  Ik bestelde. En natuurlijk ook onze extra koek voor onderweg. We waren niet voor niets als eerste opgestaan. Buiten, ergens tussen deur en stoep, beet hij al zijn eerste stiekeme hap. Dat was echt ons moment.  En toen stopte hij. Hij keek mij aan. Serieus. Zoals alleen kinderen dat kunnen. Zonder ironie. Zonder reserve. “Ik vind het zo erg dat je geen papa hebt,” zei hij.“Maar weet je… als jij nu stopt met jarig zijn, en ik probeer elk jaar twee keer zo snel te groeien… dan kan ik toch jouw papa worden.” Ik zei hem dat dat misschien wel een idee was om over na te denken. Nu zijn we jaren later. De kleine Emile is verdwenen. Of nee, hij zit ergens verstopt in een jongen die plots schouders heeft. Blond. Knap. Waarschijnlijk al eens gekust. Misschien al eens zijn hart een beetje kwijtgespeeld. Ons groeiplan is mislukt. Ik ben blijven verjaren. Hij is niet snel genoeg gegroeid. Maar soms, als ik langs een bakker wandel op een zondagochtend, denk ik eraan. En vraag ik me af, heel even maar,  of hij nog altijd mijn papa wil zijn.

Katrien Daniels
154 11

Relevant

“Ik lees uw teksten, hé,” zegt hij fier. Telkens weer opnieuw, alsof het een opdracht voor hem is. Ik weet het is zijn manier om van alles te zeggen: Dat het hem boeit. Dat hij mij wil lezen. Dat ik voor hem tel. Maar hij is en blijft mijn kritisch klankbord. “Ik vind ze altijd wel heel banaal, die teksten van je. Leuk en aangenaam, maar ook banaal.” Ik denk dat hij twee keer overdrijft. Met het woord 'altijd' sowieso. Met 'banaal' ook. Toch? Wat is dat eigenlijk, banaal. Een woord dat klinkt als een verwijt, maar verdacht dicht in de buurt komt van het leven zelf. Dus goed. Ik neem de uitdaging aan. Vandaag geen banaliteit. Vandaag relevantie. Een tekst die ertoe doet. Ik denk: ik graaf eens diep. Zieleroerselen. Oude kwetsuren. Verborgen verlangens. Dingen waarvan ik wakker lig. Onzekerheden die zich ’s nachts groter maken dan ze overdag durven zijn. Onuitgesproken liefdes die ergens tussen mijn ribben blijven hangen alsof ze nog altijd een kans hebben. Goed weggestoken kinderverdriet dat zich vastgezet heeft op plekken waar ik zelf niet meer goed bij kan. Op mijn ziel geplakt, zoals van die oude stickers die ge er nooit helemaal af krijgt. Maar ik ken hem. Hij gaat dat wegzetten als te emo. Goed voor de Flair. Zweverige vrouwenpraat. Te veel introspectie. Soit. Flair 2.0. En dus even banaal als de ‘voor’ en ‘na’. Dus ik draai het om. ik ga op zoek naar de grote dingen. Dingen waar écht over geschreven wordt. Zoals in de krant. Want wat in de media komt, dat zou per definitie toch relevant moeten zijn. Daar wordt over nagedacht. Daar zitten redacties op. Mensen die beslissen: dit doet ertoe. Dus ik laat me inspireren. Dat kan niet misgaan. Het eerste wat mij aankijkt is een quote van de nieuwste liefde van een bekende Vlaming. Ze zegt dat ze zijn enige liefde is. Dat ze werken aan monogamie. En dat het een beetje jammer is dat hij ondertussen een andere vrouw zwanger gemaakt heeft. Ik blijf daar even op hangen. Omdat jammer hier een woord is dat zich uitrekt tot iets dat eigenlijk niet meer in dat woord past. En ik vind jammer sowieso een woord waarvan ik het jammer vind dat het bestaat. Maar dat verdwijnt natuurlijk in het niets bij het verhaal van het komende bastaard kind. Ik klik verder. Een titel: Alveringem grijpt in. En ik zweer het u, heel even dacht ik dat Alveringem het middelpunt van de aarde was. Een plek waar alles samenkomt. Grote beslissingen. Kleine drama’s. Een centrum van het universum waar de dingen eindelijk zo scheef lopen dat — ja — dat de overheid móét ingrijpen. Maar het gaat over een jaagpad. Te veel valpartijen. Een vrouw met blauwe plekken als bewijs dat zelfs kleine wegen pijn kunnen doen. Ik klik verder. Wereldnieuws. Oorlogen. Namen die botsen als stenen.Leiders die dingen zeggen waar geen mens iets mee kan. Een staakt-het-vuren dat geen staakt-het-vuren is. Te groot. Te ver weg. Te weinig houvast. En dat is het moment waarop ik besef: het probleem is niet dat banaliteit klein is. Het probleem is dat sommige dingen zo groot zijn dat ge er niets meer mee kunt. Ge kunt daar geen verhaal van maken. Geen zin die ergens landt. Geen gedachte die ge even meeneemt terwijl ge een boterham smeert. En dus kom ik terug waar ik altijd uitkom... Bij mijn zalige banaliteitjes. Mijn kat die van de planten glijdt, zwaartekracht als een losse suggestie. Hij kijkt zelf ook even verbaasd, alsof hij niet goed begrijpt hoe hij daar ooit op geraakt is en nu gewoon meegaat in de logica van het vallen. Een stuk kaas dat plots smaakt naar de picknick van vorige week. Waarbij ge het gevoel had dat grote verhalen op kleine momenten worden geschreven. De geur van koffie die al even staat en toch nog goed genoeg is. Een bericht dat ge nog eens opnieuw leest, niet omdat er iets nieuws in staat, maar omdat ge hoopt dat er iets nieuws in zal staan. De sokken van uw zoon die in de zetel rondslingeren en die eigenlijk gewoon zeggen: maak u geen zorgen, moeder, volgende week is hij terug. Iemand die iets onnozels zegt, u doet lachen en dat die dan zegt: “Ge zijt zo schoon als ge lacht.” Dan denk ik: "Ja. Dat dus."

Katrien Daniels
62 1

Stom brood

We hebben een nieuw favoriet brood. Ik vermoed dat iedereen er eentje heeft. Maar na een tijd ben je dat brood beu gegeten en moet je op zoek gaan naar een ander.  Nu hebben we de stomme fout gemaakt om het tegen een paar mensen te zeggen. Een favoriet brood is zoals een onbekend idyllisch dorpje in Zuid-Frankrijk of Toscane, waar eigenlijk geen fluit te beleven valt, maar dat speelt geen rol want het is nog onbekend. Of een stuk strand waar de toerist zijn espadrilles nog niet heeft gezet. Zeg het thuis tegen een paar vrienden en volgend jaar zit de halve wereld er.   Zo verging het ook met ons favoriet brood. Ik zei het tegen dinges, waarna hij het tegen een andere dinges zei en de broodbal was aan het rollen. Het is niet langer een goed bewaard geheim. Het ligt op de straat.  Het moet gezegd, dat rond volkorenbrood is een topper. Ze verkopen het in de supermarkt (nee, ik vertel niet welke) en het is elke dag snel uitverkocht. Ik heb al gevraagd om er eentje te reserveren, maar dan kom ik op de wachtlijst en daar staan al 70 mensen op. Ze kunnen er ook geen extra bakken. Het strafste was dat een vriend afgelopen weekend me vertelde dat, jawel, ons favoriet brood in supermarkt x geweldig lekker was. “Ik heb een exclusieve tip gehad”, zei hij. “Niemand weet het.” Afijn, ik heb me er niet over uitgelaten. Vroeger had je dat niet, favoriete broden. Je had hooguit een favoriete wielrenner of voetballer. Of een favoriete nieuwslezer. Er was ook maar één soort biefstuk. Of één soort kabeljauw.  Nu heb ik geprobeerd om het recht te zetten en een ander favoriet brood in de kijker te zetten, maar dat plannetje is mislukt. Stom brood ook.

Rudi Lavreysen
4 0

Elk zijn goestingske

Het was laat toen we gisteren thuiskwamen. Zo laat dat ge twijfelt of het nog de moeite is om de verwarming aan te zetten. Zo laat dat uw lichaam eigenlijk al beslist heeft dat het morgen is, maar uw hoofd koppig zegt: wacht, ik wil nog even een avond. We waren allebei moe. Niet gewoon moe, maar dat soort moe dat achter uw ogen zit. “Ik heb honger,” zei hij. Dat begreep ik. Natuurlijk begreep ik dat. Honger is helder. Honger is eerlijk. Honger dat ken ik. Terwijl hij eerder iemand is die vergeet te eten als de dag hem opslokt. Dat overkomt mij zelden. Maar dat is een ander verhaal. Dus ik zeg: “Schat, dan moet je iets eten.” Ik denk dan in dingen als een boterham met kaas. Als een restje van gisteren.Of, als het echt dringend wordt, iets in de airfryer. Menselijke oplossingen. Dingen met een begin, een midden en een einde. Maar hij zegt: “Ik heb zin in cassoulet. Uit blik. Met kaas.” En toen gebeurde er iets. Mijn hoofd klapt open als een slecht gesloten brooddoos in een boekentas. Cassoulet? Uit blik? Wie bént gij? Is dat iets wat ge bewust koopt? Staat ge in de winkel en denkt ge: ja, vandaag ga ik voor de Franse stoofpot in industriële variant, geef mij maar die nostalgische blikmetaalervaring? Hoe ziet dat eruit als ge dat opendoet? Is dat vloeibaar? Vast? Heeft dat een geluid? Een plop met gevolgen? Ruikt dat naar eten? Of naar oorlog? En die bonen? Zijn dat echte bonen of van die dingen die al drie generaties lang dezelfde textuur hebben? En vlees?.Zit daar überhaupt vlees in? Of iets dat ooit een ambitie had om vlees te worden? En dan.  Kaas.  Kaas?? Is dat een suggestie? Een topping? Een daad van rebellie? Is er ergens een Franse grootmoeder die op dit moment een kruis slaat en fluistert: non? Wie heeft u dat aangeleerd? Waar is dat begonnen? Was er een kamp? Een tent. Natte sokken. Een gamel op een wiebelend gasvuurtje. Iemand die zegt: “Het is dat of niks.” En dat dat dan… iets geworden is? Of een huttentocht? Op hoogte. Te weinig zuurstof. Te veel honger. Alles smaakt naar redding? Of was het bij uw oma? Een keuken waar de tijd bleef hangen. Waar dat blik open ging alsof het een ritueel was. Warm. Zwaar. Veilig. Want misschien is dit geen goesting. Maar herinnering die zich vermomd heeft als honger. Mijn hoofd ontploft maar ik zeg: “Natuurlijk. Goed idee. Doen.” Want liefde is soms zwijgen terwijl ge innerlijk een documentaire aan het maken zijt over de grenzen van het menselijk kunnen. En terwijl hij daar zit, met zijn blik en zijn lepel en zijn volstrekte overtuiging, denk ik: uiteindelijk blijven we toch allemaal een beetje vreemden voor elkaar. Maar misschien moet ge niet alles begrijpen. Dus ge blijft zitten. Kijken. Ruiken. Aanvaarden. Ik zit daar. Te kijken naar zijn cassoulet terwijl ik om elf uur ’s avonds mijn vierde raketijsje eet.

Katrien Daniels
47 3

Weesgezeten - krachtig en direct. Absoluut luisterenswaardig! (relaas over een podcastaflevering)

In de eerste aflevering van rubriek Weesgezeten, een concept van podcast Opmoederswijze, gaat de host in gesprek met Nele. Nele's antwoord op de Weesgezetenvraag "Wat bezigt u?" raakt aan een, volgens mij, even diepgeworteld als universeel ongenoegen. Het verpletterende effect van een doorgeslagen slinger. De in de podcast terecht verguisde wildgroei aan operationele mogelijkheden in publieke toiletten is, alvast ook mij, een doorn in het oog. Het begint al met de eerste te nemen horde: überhaupt binnen geraken. Allerlei poortjes, slagbomen, in- en uitstromen en een fijne selectie, al dan niet defecte, betaalmogelijkheden maken in geen tijd van de hoge nood een hoogste nood.Vervolgens duikt de ene beproeving na de andere op. De toiletten, uitgerust met twee knoppen om te spoelen, grote boodschap/kleine boodschap weet je wel, maar vaak werkt één ervan gewoon niet. Paniek dus, want zal de knop voor de kleine boodschap wel volstaan voor diens meer uit de kluiten gewassen broertje of zusje? De eerste okselvijvers vormen zich. Soms jaagt het toilet je, steels achter je rug, plots de stuipen op het lijf met een geautomatiseerde spoelen-wrijven-drogen cyclus waar menige wasmachine slechts van kan dromen. Vaker echter is het spoelsysteem nog aan het werk op zijn 67ste en slaagt het ding er alleen nog in je drol vermoeid rond te draaien. Daar rest je dan niks anders dan muisstil met het schaamrood op je wangen te wachten, tot je vermoedt dat je ongezien de aftocht kunt blazen.Toiletpapier vinden is er ook immer een queeste. Meestal betrap ik me erop dat ik in dat vervelende bakje zit te grabbelen naar een, altijd onwillig en te snel afscheurend velletje papier, zoals vroeger naar een verloren gegane tampon zonder draadje. Voor de niet-menstruerenden onder ons, geloof me, the struggle is real. Verondersteld dat dit allemaal is gelukt, gaan we over naar de rubriek handen wassen. Is er (nog) zeep, en hoe krijg je ze uit de dispenser? Is de dispenser leeg of defect als er niets uit komt, of ben je zelf gewoon gatachterlijk omdat het niet lukt? Moet je zwaaien, tikken, ergens op duwen of je iris laten scannen voor het water uit de kraan komt? Het vraagt een volleerd mimespeler of contortionist om de code te kraken. In zeldzame gevallen word je zelfs teruggecatapulteerd in de tijd en pomp je het water zelf op met een - dit is geen grap - voetpedaal. Is er papier om je handen af te drogen en hoe komt het in godsnaam uit die dispenser?! Als er handblazers zijn, komt nog maar eens een dodelijk vermoeiend scala aan mogelijkheden aangerold: handen onder of voor het toestel, is er een knop of moet je eerst even zwaaien? Of .. is het gewoon geen handblazer, maar een lege papierdispenser waar je al tig minuten voor staat? En het houdt maar niet op want... waar is op het einde van deze helletocht dat klote betaalbewijsje ook al weer gebleven, zonder hetwelk je nimmer nooit meer naar buiten raakt? Vermakelijk om over te schrijven, maar het wijst volgens de podcastmakers op een veel dieper maatschappelijk onbehagen. De insteek van het leed in publieke toiletten wordt in de podcast vervolgens geëxtrapoleerd naar het leven in het algemeen, waarbij het maken van levenskeuzes en zelfs reizen een immense uitputtingsslag wordt. Leven in een ongelooflijk verlammende keuzestress die van de banaalste zaken zoals mayonaise aankopen, topsport voor je brein maakt en van weekboodschappen een jungletocht waarna je bijna aan een chakra healing of EMDR-sessie toe bent.Verder gaat het dan naar het dilemma van de kinderwens en hormonale anti-conceptie tot post-parfum depressie en maatschappelijke dilemma's in het leven van nu.Een absolute aanrader!

nikki_petit
0 0