Zoeken

Septembermensen

Stel u voor: Freddie Mercury, Agatha Christie, Sophia Loren, Leonard Cohen, Roald Dahl, Karl Lagerfeld, Tolstoj en ik zitten samen aan tafel. Freddie zorgt voor ambiance. Agatha onthoudt wie er van welk glas gedronken heeft. Sophia hoeft alleen maar te zitten. Leonard filosofeert over schoonheid. Karl zet zijn zonnebril op en Tolstoj is nog bezig aan zijn antwoord op de vraag hoe het gaat. Ik zit naast Roald Dahl. Dat heb ik zo geregeld. Het is mijn column en hij is mijn idool. Ik hoor u al mompelen: waarom dat zootje bij elkaar? Dat is duidelijk: het zijn septembermensen. Allemaal. Wat zijn septembermensen en wat drijft hen? Tijd voor een grondig, geheel onafhankelijk onderzoek. Onder leiding van mezelf. Ik ben er zeker van dat gij er ook minstens één kent: Ge ging maar een halfuur blijven. Twee uur later zit ge er nog, weet die mens iets wat ge eigenlijk niet ging vertellen en ligt er thuis iets in de diepvries dat al lang in de oven had gemoeten. Uw jas hebt ge ondertussen uitgedaan. Zo iemand. Volgens mij hebben die mensen iets meegekregen van hun maand. September is de maand waarin zomer en herfst elkaar de hand geven en dan nog even blijven staan praten. Ze hebben geen haast. De ene heeft nog van alles te vertellen, de andere moet zijn jas nog niet uitdoen. Er wordt nog gezwommen, maar het bos wordt alweer herontdekt. Aan de achterdeur staan slippers naast bergschoenen. Ge vertrekt met blote benen en een pull over uw arm, die ge overdag overal laat liggen en ’s avonds dankbaar over uw hoofd trekt.  Het licht wordt zachter. Het strijkt langs gevels, blijft hangen in kruinen en valt schuin over een tafel waaraan ge eigenlijk allang had moeten opruimen. Zelfs de kruimels liggen daar schoon. De zon moet niet meer bewijzen dat ze de hele wereld kan platleggen. Ze verwarmt uw knieën, uw gezicht, dat stukje nek boven uw kraag.  En dan die geur. Die rijpe, zwoele geur van september, alsof de wereld zelf op zijn zondags is. Gewassen, maar nog warm van het slapen. Ergens hangt was buiten, ergens staat een raam open waaruit de geur van gestoofde appels komt. Onder de bomen ligt fruit in het gras. Sommige appels zijn opengebarsten, wespen zitten met hun hele lijf in het zoet. Ge ruikt aarde, vochtige bladeren, warm gras en iets dat bijna te rijp is. Een geur waar ge trager van gaat lopen, zonder goed te weten waarom. De natuur is hoogzwanger. Alles hangt, zwelt en weegt. Takken buigen onder hun appels, pompoenen liggen breeduit in de moestuin alsof ze daar betaald worden per ingenomen vierkante meter. Ge kunt nauwelijks ergens op bezoek gaan of er moet iets mee naar huis. Courgettes, peren, een zak appels. "Neemt nog wat. Echt, wij krijgen dat niet op." In keukens staat confituur te pruttelen en op aanrechten wachten potten waarvan de etiketten niet helemaal zijn losgekomen. Daar gaat straks de zomer in. Ondertussen geeft september orde. Na twee maanden waarin ‘we zien wel’ een volwaardige dagindeling was, kopen we een schrift. Een agenda. Een balpen die schoon schrijft. We gaan weer koken, op tijd slapen en mails beantwoorden voordat de afzender vraagt of we zijn vorige mail goed ontvangen hebben. Buiten barst alles uit zijn voegen, binnen steken wij papieren in mapjes. Dat vind ik schoon aan september: dat ge nog gulzig aan het leven kunt zitten en tegelijk denkt dat ge het dit jaar misschien eens georganiseerd krijgt. Misschien zit het daarin, bij die septembermensen. Dat ze weten hoe fijn het is als er nog iets bij kan. Nog een uur buiten. Nog iemand aan tafel. Nog een verhaal terwijl de koffie eigenlijk al op is. Ze schuiven wel wat op. Er is genoeg. Dat ik zelf op zestien september geboren ben, maakt mij uiteraard bijzonder geschikt om dat allemaal vast te stellen. Ik zeg ook nergens dat ik al die kwaliteiten voortdurend ter beschikking heb. Er zijn openingsuren. Bovendien heb ik mijn onderzoek uitgebreid naar mensen van wie ik wél weet of ze na het feest de stoelen helpen stapelen. Mijn lievelingschiroleiders: in elke generatie is er zeker één. September. Van die mensen aan wie ge een bende kinderen toevertrouwt en denkt: dat komt goed. Er gaat misschien een schoen verloren, maar iedereen zal mee zijn. Mijn favoriete vriendin? September. Mijn lievelingsverkoopster van jeansbroeken? Ook september. Onderschat dat laatste niet. Iemand aan wie ge uw achterwerk onder tl-licht toevertrouwt, staat behoorlijk hoog in de hiërarchie van de liefde. Mijn schrijfjuf? Ja hoor. Zij ook.  Dat ik uitsluitend mensen heb geselecteerd die ik graag zie, lijkt me geen bezwaar. Ge moet ergens beginnen. In Touché hoorde ik Guido Belcanto zeggen: ‘De twee belangrijkste dagen in je leven zijn de dag dat je geboren wordt en de dag dat je te weten komt waarom.’ Misschien weten andere mensen dat tweede soms eerder dan gijzelf. Die Chiroleider is allang vergeten wat hij voor dat ene kind gedaan heeft. Dat kind weet het nog. Mijn vriendin neemt haar telefoon op. Voor haar is dat gewoon haar telefoon opnemen. Voor mij kan het precies zijn wat die dag nog nodig had. Ik zie die septembermensen zo graag. Ge komt thuis en iets zit wat losser. Ge hebt uzelf horen lachen. Op het aanrecht zet ge een pot confituur die ge bij het vertrekken in uw handen geduwd kreeg. Er zijn ongetwijfeld ook fantastische mensen uit andere maanden. Die mogen mij altijd overtuigen. Ik wil daar gerust eens een halfuurtje voor langskomen.

Katrien Daniels
34 4

STIP IT

Ik vroeg me af of ik er dit jaar nog eens iets over zou schrijven of niet. Want er zijn nog steeds kinderen en bij uitbreiding volwassenen die gepest worden. Men kan er niet langs kijken. De jaarlijkse actie STIP IT staat weer in de kijker. Als kind heb ik zelf die stippen nooit gehaald, ze waren er eenvoudig nog niet en ik werd zelf gepest. Uit ervaring leid ik af dat pesters niet zo bezig zijn met latere gevolgen voor de gepeste. Zijn zij nog bezig met wat ze als kind uitgevreten hebben? Ik schreef er ooit over een aantal jaren geleden. Toen ik droomde van die jongen...   Het betekent vaak dat meneerke of mevrouwtje Niemand beter gezelschap is dan het vermoeiende geblaat van de pesters. Het betekent dat je een antenne krijgt voor andere gepeste kinderen en je niet weet of je moet ingrijpen of niet. Je hebt al zoveel ellende op je - inmiddels door de pesters verfrommelde - boterham liggen. Kennismaken met kinderen buiten de school of buren, op vakantie bijvoorbeeld, verloopt moeizaam. Opgeven in de kennismaking is sneller dan de teleurstelling tegemoet kijken! Een plaats in een groep vinden wordt even benauwend als ergens in het midden aan een tafel zitten waarbij je niet weet welke conversatie je moet volgen; links van je, rechts van je of tegenover je. Dus je zwijgt! Zelf ook een kind pesten, want je denkt dat je dan wél populair wordt, is pas een afknapper. De echte pesters zijn de eersten om je over te brieven. Je bent weer de klos! Je poppen, speelgoed, je fantasie worden je beste vrienden! En alles, echt alles wat je probeert om jezelf te kunnen zijn en dat te tonen lijkt telkens net niet goed genoeg. Nogal wiedes want je durft niet meer!  Veel van die dingen lopen door in het volwassen leven. Als je een pester van vroeger tegenkomt, of zelfs zo iemand uit je volwassen leven, word je bijna fysiek ziek. Enig duidelijk en kordaat gedrag hielp mij om er komaf mee te maken: Me omdraaien en mijn rug laten zien die in hun verte verdwijnt!  ‘Boeit niet!’ en ik ben stiekem blij dat deze uitdrukking in ons taalgebruik is geslopen. Het zegt zoveel meer dan het beleefd blijven en is minder energie rovend. Al word je er niet blij van. Wie ligt daar ook nog van wakker? Hopelijk ouders van kinderen en andere betrokkenen.

Anemos
0 0

Vergissingen

Als kleuter presteerde ik het ooit om na het rinkelen van de schoolbel achter op de fiets van een mevrouw te springen van wie ik abusievelijk dacht dat het ons ma was. Ze droeg dezelfde beige regenjas. Toen ik haar aanspoorde met een "Allez, ju ma", keek ze achterom en viel ik van het verschieten bijna van het stoeltje. Een mens kan zich vergissen. Ondertussen is die lapsus opgeborgen in de nevelen van de tijd en dacht ik alles gezien en gehoord te hebben. Maar ook daarin vergiste ik me. Zo ging ik afgelopen zomer op een warme ochtend nietsvermoedend puffend de deur uit. Met een ovenvers brood in de ene hand en een zakdoek in de andere om het vroege zweet te deppen, liet ik kort daarna diezelfde neusdoek van het schrikken bijna vallen. De oorzaak was een uitroep van een voorlopig verborgen mevrouw. "Doeme, Rudi, luister nu toch." Het kon natuurlijk zijn dat een naamgenoot op dat ochtenduur al naar zijn voeten kreeg. Er bekroop me een gevoel van compassie, want wij Rudi's steunen elkaar. Kort daarna stootte diezelfde stem een tweede reprimande uit. "Zit, Rudi. En wel nu meteen." Dat ging me toch wat ver. Ik besloot de stem van de mevrouw te volgen. Ze kwam van achter het steegje. Maar daar zag ik alleen een mevrouw die in de weer was met haar hondje. Pas toen ik "Allez Rudi, kom" hoorde en het hondje vervolgens traag op gang kwam en me droevig aankeek, alsof het dier ook besefte wat er gaande was, begreep ik het. De hond was een naamgenoot. Dat had ik niet zien aankomen. Daarom een oproep aan alle Eriken, Danny's en Patricken. Verschiet niet, want binnenkort zijn jullie aan de beurt. Al is het van den hond, laat daar geen twijfel over bestaan.

Rudi Lavreysen
7 0

Slecht in overgangen

Hij zegt dat ik slecht ben in overgangen. Overgangen? Ja, blijkbaar kan ik dat niet. Ik had dat nog nooit zo gezien. Er had mij ook nog nooit iemand dat gezegd. Ik wist zelfs niet dat het iets was waarin ge slecht kon zijn. Hoofdrekenen: ja. Achteruit inparkeren: absoluut. Een hoeslaken opvouwen: dat ook. Maar ... Overgangen, dat wist ik niet.  Ik ben slecht in de overgang van wakker worden naar opstaan. Van ontbijten naar kleren aandoen. Van aangekleed zijn naar vertrekken. Vooral die laatste blijkt een dingetje. Ik kan volledig klaarstaan, schoenen aan, handtas gepakt, jas binnen handbereik, en dan zie ik de vaatwasmachine. Nu kunt ge natuurlijk vertrekken en die vaatwasmachine daar gewoon laten staan. Kan. Maar ge kunt hem ook uitladen. Of ik bedenk dat ik vandaag eigenlijk beter voor de dag zou komen met dat nieuwe geurtje waarop ik mezelf zaterdag getrakteerd heb. Waar staat dat eigenlijk? Boven. En als ik toch boven ben, kan ik evengoed andere oorbellen aandoen. Die met dat groen passen eigenlijk beter. Onderweg zie ik dat mijn bed nog openligt. Dat is nu ook geen zicht. En als ik dan toch bezig ben, kan dat kussen ook eens goed liggen. “We moeten vertrekken.” Ja. Dat weet ik. Ik ben bezig. Traagheid, noemt hij het. Ik vind dat een zwaar woord. Ik word wakker maar vind dat nog geen reden om meteen op te staan. Eerst moet ik even bekomen van het feit dat er alweer een dag begonnen is zonder dat iemand mij daarin heeft gekend. Na het ontbijt hetzelfde. Koffie op, bord leeg. In principe is het volgende agendapunt: aankleden. In principe. Er staat ook nog een stoel. En koffie. En niemand is ooit gestorven omdat hij om 8.17 uur nog geen broek aanhad. Denk ik. “We moeten vertrekken.” Voor hem is dat een mededeling. Voor mij de start van een proces. Het vreemde is dat niemand mij traag vindt. Integendeel. De meeste mensen kennen mij als een Duracellkonijn met een lichte afwijking. Ik werk snel, praat snel, denk snel. Ik kan op één dag werken, schrijven, koken, boodschappen doen, een film bekijken, drie mensen bellen, een crisis oplossen die er een uur eerder nog niet was en tussendoor beslissen dat de living anders moet. En uitvoeren. Dat laatste is belangrijk. Maar ergens tussen al die bedrijven door zit een vrouw in een badjas die nog niet van plan is haar sokken aan te doen. Ik mag haar wel. En sinds hij het gezegd heeft, zie ik ineens dat het niet alleen over sokken gaat. Verdomme. Ik ben altijd al slecht geweest in overgangen. Ik vond het bijvoorbeeld behoorlijk ingewikkeld om ineens een werkende mens te zijn. Het ene moment zijt ge iemand die op woensdagavond pinten drinkt en donderdagvoormiddag twee Dafalgans als ontbijt beschouwt, het volgende hebt ge een agenda, een loonbrief en iemand die vraagt of ge dat verslag tegen vrijdag kunt bezorgen. "Tegen vrijdag? Oké, dan". Moeder worden was nog zoiets. Het ene moment zijt ge zelf nog een beetje aan het puberen, het volgende geven ze u een kind mee naar huis. Gewoon mee. Hier. Van u. En vanaf dan zijt gij dus de verantwoordelijke. Ik vond dat een bijzonder gewaagde beslissing. Plots krijgt ge een kind mee naar huis. Succes ermee. Ik heb lang gedacht dat er op een dag een soort definitieve volwassenheid zou intreden. Dat ik wakker zou worden en spontaan zou weten wanneer een brandverzekering betaald moet worden, hoeveel groenten een mens nodig heeft en waarom ge in godsnaam de meterstand van uw water moet doorgeven. Die dag is nooit gekomen. Er kwamen wel kinderen, werk, rekeningen, huizen, verantwoordelijkheden en mensen die mij dingen kwamen vragen alsof ik daar verstand van had. Dus deed ik mee. Vrij overtuigend zelfs. Dat is misschien volwassen worden: lang genoeg doen alsof tot niemand nog vragen stelt. Met mensen heb ik het ook. Daar ben ik misschien nog slechter in overgangen. Ik kan niet zo goed uit een verhaal stappen terwijl het in mijn hoofd nog bezig is. Als iets voorbij is, is het voor mij niet noodzakelijk voorbij. Onpraktisch. Mijn hoofd kent geen aftiteling. Dat blijft nog wat napraten, scènes opnieuw spelen, zinnen herschrijven. Denken aan wat grappig was, wat schoon was, wat anders had gekund, wat ik nog had moeten zeggen. Vooral dat laatste. Drie dagen later heb ik soms een fantastisch antwoord. Daar hebt ge dus niks aan. Ik blijf nog even in het verhaal terwijl de andere personages hun jas al aan hebben. Sommige mensen kunnen een deur dichtdoen. Ik blijf nog even in de gang staan. Niet omdat ik terug naar binnen wil, gewoon omdat ik nog niet helemaal buiten ben. Sinds hij mijn overgangen ontdekt heeft, is hij eigenlijk medeplichtig. Had hij er niks van gezegd, dan was ik gewoon blijven denken dat ik ’s morgens graag koffie drink en soms dringend mijn vaatwasmachine moet uitladen op het moment dat we al vijf minuten weg hadden moeten zijn. Maar nee. Hij moest er een naam aan geven. Overgangen. En nu ik weet dat ik ze heb, koester ik ze. Nog één koffie. Nog twee minuten in bed. Nog even in de auto blijven zitten als ik ergens aankom. Een liedje uitluisteren, ook al staat de motor al af. Een gesprek nog eens door mijn hoofd laten gaan. Nog even blijven waar ik eigenlijk al weg ben. Kleine gestolen stukjes tijd waarin het ene nog niet helemaal voorbij hoeft te zijn en het volgende nog niet begonnen. Mijn tussenverdieping. Ik woon daar blijkbaar. Er staat een stoel. En koffie. De dag is alweer begonnen, misschien moet ik daar maar eens werk van maken. Maar niet nu. Ik moet nog even. Wacht.

Katrien Daniels
69 0

Vliegensvlug

Het leven zit vol plottwists. Een plot is dan een verhaal of een intrige en een twist een omslag, een verandering. Plottwists maken een verhaal memorabel, of een boek verrassend. In het leven lopen meerdere plots kriskras door elkaar heen. Plots die plots kunnen veranderen. Zomaar ineens. Onverwachte wendingen noemen we dat. Klinkt als een contradictio in terminis, want hoe kan je wennen aan dingen die onverwachts gebeuren? Toch is dat de essentie van het leven. Alles verandert. Als ik vroeger iets nodig had van de winkel, sprong ik op mijn fiets en ging het halen. Vervlogen tijden. Mijn kinderen doen dat al lang niet meer. Ze surfen, vinden wat ze zoeken en laten het aan huis brengen. Gelukkig fungeer ik nog als administratieve tussenschakel, al vermoed ik dat mijn bankkaart daar een grote rol in speelt. Als tegenreactie op al dat online shoppen ontstond er hier een paar jaar geleden een nieuwe trend, vooral onder de vrouwelijke pubers. In plaats van vanuit de luie zetel sites te bezoeken, swipend en scrollend speurend naar de juiste productjes voor de laagste prijs, gaan ze, in real life, zoals dat heet, op zoek naar écht avontuur en naar de kick van het realiseren van impulsaankopen. Die toevalstreffers willen ze vooral scoren in winkels met een groot assortiment aan spotgoedkope hebbedingetjes.  Naast betaalkaartenlegger heb ik nu dus ook een flexi-job als chauffeur, want die winkels liggen toch o zo ver en je weet maar nooit wat voor groot of zwaar materiaal je er koopt voor een appel en een ei. Terwijl zij, mijn dochters dus, de adrenaline laten vloeien, kan het mij geen hol boeien. Ze doen maar. Soms blijf ik gewoon in de auto zitten en wacht ik. Soms ga ik mee, al betrap ik er mezelf op dat ik meer naar de mensen kijk dan naar al die grote en kleine bakken vol rommel. En toen gebeurde het. Zomaar opeens. Het overkwam me. Hoewel ik altijd had gedacht dat ik er immuun voor was, dat ik er mij niet aan zou laten vangen. Er ontstond een behoefte. Niet terwijl ik een jong, zwartharig en schaars gekleed mokkel zat af te gapen, zoals je zou verwachten, maar gewoon, tijdens het ... Ja, hoe heet dat? Het snuisteren.  Ja, ik snuisterde. En ineens zag ik 'm liggen. Voor drie euro. Ik zag en ik kocht. Bijna zonder na te denken gaf ik toe aan een behoefte die ik vijf seconden eerder in de verste verte niet had.  En nu zit ik hier. Met een oranje vliegenmepper in m'n poten. Nog steeds geen spijt van. Hij ziet eruit als een degen, een soort sabel, met een goed in de hand liggende greep met zo'n gebogen stangetje. En de steel zelf kan je uitrekken. Net zoals de antenne op m'n oude radiootje. Verrekte handig om die klotekrengen vanop afstand onverwachts neer te sabelen. Niet zomaar een vliegenmepper dus. Een wapen. Nee, ik heb het niet op vliegen. Ik vind ze vies, en vervelend. Al lang voor ik de film 'The Fly' had gezien. Wie zit er graag op een stinkende drol? Een vlieg. Wie kakt er zelf stiekem op je eten als ze de kans krijgt? Een vlieg. Wie komt er op de rand van je bierglas zitten en laat zich welwillend in het schuim vallen? Een vlieg. Wie komt er tien opeenvolgende keren net boven je enkel zitten, net op dat stukje bloot vel tussen je lange broek en je sokken? Juist.  Ze maken me gek! Huisvliegen, fruitvliegen, groene vliegen, aasvliegen, bromvliegen, vleesvliegen ... Doe me een lol! Ik haat ze, die stomme beesten.  Waarom noemen we een vlieg een vlieg? Omdat ze niks anders kan dan vliegen! Daarom! En kakken. En irritant zijn. Jaja, ik hoor je al denken: van die drie dingen kan je er zelf maar twee, dus wie is er dan stom?  Vliegen dus niet. Ze hebben gewoon een heel klein brein. 'Gebruik toch eens je verstand,' moet je tegen een vlieg niet zeggen. Ze doen het ten volle om bliksemsnel weg te vliegen van naderend onheil en om 'vliegensvlug' van koers te wijzigen als dat nodig is. Ze onderscheiden wel 300 beelden per seconde, dat is meer dan tien keer zoveel als de doorsnee mens en ook veel meer dan ik toen ik in mijn jonge jaren op een zomerse zaterdag de Playboycollectie van mijn neef ontdekte. Het probleem is dat ik geen vlieg kwaad doe. Maak daar 'deed' van, want sinds ik mijn oranje sabel heb, ben ik een meedogenloze seriemoordenaar geworden. Ik zoek ze, ik ruik hun angst en ik vermorzel ze. Liefst van al na het uitrekken van m'n steel. Trots ben ik er niet op, maar soms mep ik niet eens met volle kracht, zodat ik na de slag hun pootjes nog even zie bewegen en stuiptrekken vlak voor ik ze met een tissue helemaal plat knijp.  Wat een plottwist. De ietwat saaie huisvader die via het spontane shopgedrag van z'n kinderen en de marketingstrategie van een discountwinkelketen transformeert tot een bloeddorstig monster dat geniet van het lijden van z'n slachtoffers. Niet zomaar een vliegenmepper dus.

Danny Vandenberk
2 0
Tip

Wat ik later worden wil

‘Wat wil je later worden?’ Het is een van de vragen die we graag aan kinderen stellen.  Ik wilde schoonheidspecialiste worden. Geen idee waarom. Misschien omdat ik graag met potjes en crèmes speelde, misschien omdat ik het een bijzonder chic beroep vond. Ik zag mezelf later in een witte schort, met perfect gelakte nagels, in een salon waar het altijd heerlijk rook en waar vrouwen met een gerimpeld voorhoofd binnenkwamen en met een stralende glimlach weer buitenstapten. Ik zou ze allemaal mooi maken. En ondertussen hun levensverhaal aanhoren. Dat laatste zat er toen blijkbaar al in. Het is er niet van gekomen. Van die witte schort niet, van die perfect gelakte nagels evenmin.  Soms vraag ik me af hoeveel levens er eigenlijk in één mens passen. Hoeveel versies van jezelf er onderweg zijn blijven staan, met een boekentas in de hand, een schort om de nek of een diploma dat je nooit hebt gehaald. Niet omdat je er niet goed in zou zijn geweest, maar omdat je op een bepaald moment links bent afgeslagen en rechts sindsdien een doodlopende straat lijkt. Ik ben 49. Ik heb een beroep, een huis, twee volwassen zonen en een redelijk goed idee van wie ik ben. En toch betrap ik mezelf er regelmatig op dat ik in gedachten een compleet ander leven leid. Eentje waarin ik 's morgens opsta, mijn boterhammen smeer en naar een werk vertrek dat ik nooit heb gehad. Juf Katrien van het derde leerjaar, bijvoorbeeld. Dat zie ik helemaal zitten. Ik zou een juf zijn die voorleest met verschillende stemmetjes, af en toe een rekenles opoffert voor een goed gesprek over het leven en op vrijdagmiddag de bananendans doet op Chiquitita van ABBA. Achtentwintig kinderen die zich compleet belachelijk maken. Juf Katrien voorop. De inspectie mag gerust komen kijken. Ik zou ook een lievelingsleerling hebben. Dat mag natuurlijk niet, maar ik zou er wel een hebben. Waarschijnlijk het kind dat altijd zijn turnzak vergeet en bij wie thuis niet alles vanzelf gaat. Of Katrien de masseuse. Van veel te rijke vrouwen. Met een eigen praktijk waar het altijd naar eucalyptus ruikt en waar mijn klanten binnenkomen met een hoofd vol problemen die ik me niet kan veroorloven. Een aannemer die de verkeerde kleur marmer heeft geleverd. Een man die voor de derde keer dit jaar naar Dubai moet. Een dochter die haar paard niet meer graag ziet. Ik zou begrijpend knikken, wat extra olie op hun schouders gieten en ondertussen uitrekenen hoeveel massages ik nog moet geven om zelf eens naar Dubai te kunnen. Ik zou ook boerin kunnen zijn. Met een overall, een paar stevige laarzen en een erf vol dieren die allemaal een naam hebben. Ik zou met mijn handen in de aarde zitten, mijn eigen groenten kweken en iedere ochtend een vers ei rapen. Wellicht zou ik na drie dagen ontdekken dat koeien ook op zondag gemolken moeten worden en dat mijn romantische beeld van het boerenleven niet helemaal strookt met de hoeveelheid stront die erbij komt kijken. Maar ik zou wel een fantastische boerin zijn. Eentje met een grote keukentafel, een erf vol bezoek en een koe die naar mijn moeder genoemd is. Of actrice. Niet noodzakelijk een hoofdrol, maar zo'n heerlijk personage dat in drie scènes de hele film steelt. De excentrieke tante, de cafébazin met een verleden of de buurvrouw die alles weet en haar mond niet kan houden. Ik zou ook bijzonder goed kunnen sterven op een podium. Met een laatste, dramatische zucht en een hand die nog net iets te lang in de lucht blijft hangen. Applaus. Rechtstaan. Buigen. Nog eens buigen. Ik zou het allemaal heel bescheiden ondergaan. En dan zie ik mezelf soms als onthaaldame in een ziekenhuis. Niet zo eentje die zonder opkijken een nummertje uitdeelt en naar de derde verdieping wijst. Nee, ik zou de mensen zien. De man die al twintig minuten voor de ingang staat omdat hij niet durft binnen te gaan. De vrouw die haar uitslag komt halen en haar handtas zo stevig vasthoudt dat haar knokkels wit worden. Ik zou hen de weg wijzen, maar ook een beetje moed meegeven. Ook al staat dat waarschijnlijk niet in de functieomschrijving. Leidinggevende op de dienst burgerzaken lijkt me ook iets. Ik zou mensen trouwen met een persoonlijke speech en een zakdoek binnen handbereik. Bij geboortes zou ik de namen luidop uitproberen en bij overlijdens zou ik net iets langer de tijd nemen. Ik zou wel moeite hebben om professioneel te blijven wanneer iemand zijn dochter Priscilliana-Mercedes wil noemen en bij de derde echtscheiding van hetzelfde koppel. En ooit heb ik een broodjeszaak. Geen gewone broodjeszaak waar je een smos kaas bestelt en er vervolgens een halve krop sla uit moet peuteren. Nee, ik zou broodjes uitvinden. Combinaties waar mensen speciaal voor omrijden. Met namen die minstens even belangrijk zijn als het beleg. De Scheve Schaats. De Grote Verzoening. Het Laatste Woord.  En dan is er nog dat beroep waarbij je geluiden verzint voor auto's. Dat móét toch bestaan? Iemand moet beslissen welk geluid een wagen maakt wanneer je je gordel niet om hebt. Of wanneer je achteruitrijdt. Ik zie mezelf in een studio zitten met een koptelefoon op, terwijl ik voor de zoveelste keer een piepje laat horen aan een vergadertafel vol ingenieurs. Te agressief. Te vrolijk. Te veel microgolfoven. We zoeken iets dat urgentie uitstraalt, maar de bestuurder niet het gevoel geeft dat hij persoonlijk gefaald heeft. Ik zou daar bijzonder goed in zijn. Vooral in het verzinnen van het geluid dat een auto maakt wanneer je de verkeerde afslag neemt. Een diepe, teleurgestelde zucht. Het vreemde is dat ik in al die levens gelukkig zou kunnen zijn. Denk ik toch. Misschien zou ik als juf na drie weken gek worden van de ouders, als masseuse van de schijn, als boerin van de stront en als broodjesmadam van mensen die vragen of de mayonaise apart kan. Misschien zou ik op de burgerlijke stand al na twee huwelijken de bruid willen adviseren om toch nog eens goed na te denken. En misschien zou ik als actrice nooit verder geraken dan een figurantenrol als lijk in een Vlaamse politieserie. En er is het besef dat je, door één leven te leiden, onvermijdelijk een heleboel andere levens niet leidt. Dat je ergens onderweg keuzes maakt zonder te beseffen dat het keuzes voor altijd kunnen zijn. Dat is dus wat de tijd met je doet. Je slaat ergens een weg in, bouwt er een huis, krijgt kinderen, maakt vrienden en voor je het weet, ben je er thuis. En al die andere wegen? Die verdwijnen langzaam achter de bomen. Niet omdat je ze bewust hebt afgesloten, maar omdat je nu eenmaal niet overal tegelijk kunt zijn. Zelfs niet als je heel goed kunt multitasken. En toch blijven ze ergens bestaan, die andere versies van jezelf. Juf Katrien met haar bananendans. De boerin met stront aan haar laarzen. De actrice die al drie keer gestorven is en nog altijd applaus krijgt. De masseuse die inmiddels zelf een villa in Dubai heeft. Misschien open ik op mijn zestigste alsnog een broodjeszaak. Met achteraan een massagetafel, boven een klaslokaal en op de parking auto's die bij het achteruitrijden een klein, tevreden zuchtje slaken. En als iemand me dan vraagt wat ik later wil worden, zeg ik gewoon opnieuw schoonheidspecialiste. Ik ben tenslotte nog lang niet 'uitgeworden'.  

Katrien Daniels
152 5

Op de helling staan

Bij opmaak van deze tekst sta ik beter niet op een helling; mijn woorden lopen het risico afgeschaft te worden. Onze reisplannen dreigden in het water te vallen maar konden toch doorgaan. Misschien gaat jouw reis richting Oostenrijk of twijfel je nog? Twijfels staan op voeten, niet op hoeven, dat leer ik tijdens de almwandelingen. Tijdens onze urenlange bergtochten over de weiden zie ik geen wankele koeien. Ze staan zelfzeker het gras kort te houden precies zoals kappers doen met de sprieten op ons hoofd. Tijdens de lunch in een prachtig dal observeer ik een hele tijd de vele grazers. Ik wil weten waaraan ze hun zelfzekerheid ontlenen; zijn enkel de hoeven verantwoordelijk voor hun stabiliteit? Mijn wankele passen richting lagergelegen gebied indachtig, zoek ik naar een verklaring. Ik zie een koe over boomwortels stappen om het groenste gras te kunnen bereiken, ze lijkt daarbij zelfs menselijk. Wil ik echt mijn voeten inruilen voor hoeven om nooit meer wankel te staan, om zelfs op een schuin vlak alle standvastigheid te kunnen behouden? Langdurige afdalingen bijten nijdig in mijn kuiten, tijdens de klim houd ik me dankbaar vast aan wortelstelsels, en wat is de beloning groot! Het lukt me bijna om een wolk aan te raken! Ik bedenk dat gelijk welk evenwicht mijn kijkervaring niet kan bieden aan stabiele koeien. Zelfs al ligt dat evenwicht aan het zwaartepunt van de beesten, zij kunnen met hun buiken niet genieten van de anatomie van het schilderachtige meer genaamd Wolfgangsee. Geen grashalm op mijn hoofd dat eraan denkt om vetter te worden in functie van mijn vastigheid. Ik zou de poëzie van het landschap mislopen. Onze reis naar het mooie Oostenrijk heeft even op de helling gestaan, maar mijn beide voeten hebben ervoor gezorgd dat de almwandelingen onvergetelijk zijn geworden.    

Ingrid Strobbe
6 0

Twee straten verder

Het voorgerecht kozen we op goed geluk: “Münchner Weißwürste mit ofenfrischer Brezel”. Er verscheen een steelpannetje en daarbovenop een dessertbord met een pretzel. In het steelpannetje dreef een witte worst eenzaam in het water, alsof het een zwemmer was die na sluitingstijd nog in het zwembad lag. Voor het hoofdgerecht hadden we iets gekozen waaraan we niet konden weerstaan. Sauerkraut. Jawel, in volle zomer, in het ‘Brauhaus zum Stiefel’ in Saarbrücken. Die werd geserveerd met ‘zwei kartoffelteigklöße’. Dat waren een soort van pureebollen met daarin gehakt. Niet verkeerd, maar behoorlijk zwaar. Gelukkig was de smaak van de zuurkool bijna identiek aan die van thuis. Alhoewel ik het verhaal al vaak heb verteld, kon ik het niet laten om het nog een keer op tafel te gooien. “We gingen thuis in de vakantie zelden weg. Eind augustus werd er geoogst. Onze pa bracht de witte kolen rechtstreeks uit ‘den hof’ naar binnen. Ons ma en mijn meter zaten naast elkaar aan de keukentafel, met aardappelmesjes en een mandoline in de aanslag.” “Het was hun taak, jaar na jaar, om de zuurkool in te maken. De snippers zuurkool verdwenen in een stenen pot, die de wintermaanden in de kelder doorbracht. Laagje zuurkool, zout, aanstampen en zo telkens opnieuw tot de pot vol was. Bovenop lag een houten deksel.” “In het voorjaar werd de pot terug uit de kelder gehaald. Het had iets van een processie. Enkel de fanfare ontbrak nog.” “Daar zaten ze opnieuw aan tafel. De zuurkool werd verdeeld in lege dame blanche ijsdozen. Het was een feest, want we konden opnieuw verse zuurkool eten. Mijn meter en nonkel Jos namen hun gedeelte mee naar huis. Maar vooraleer ze thuis waren, hadden ze met hun tweeën al een portie koude zuurkool verorberd. En je moet weten, dat was maar twee straten verder.”

Rudi Lavreysen
6 0

Therapie

Ik kreeg de vraag om een column te schrijven. Dat klonk aanvankelijk geruststellend eenvoudig. Een column is tenslotte maar een tekst met een mening, dacht ik. Hoe moeilijk kan het zijn om ergens een mening over te hebben? Dat doe ik dagelijks, vaak zelfs ongevraagd. Ik zit al enkele maanden wekelijks aan de schrijftafel, dus in mijn hoofd zou dit het moment zijn waarop alles wat ik daar geleerd heb netjes samenkomt. Theorie, oefening, inspiratie, in een keurige tekst met een begin, een midden en een einde. In de praktijk zat ik vooral naar een leeg blad te kijken alsof het mij persoonlijk had beledigd. Ik merkte al snel dat een column schrijven toch iets anders is dan gewoon een paar zinnen achter elkaar zetten en hopen dat er stijl in kruipt. Het is niet gewoon schrijven wat je denkt. Het is schrijven wat je denkt, maar dan zo dat het lijkt alsof je daar goed over hebt nagedacht. Alsof je je mening eerst hebt gewassen, gestreken en in een mooie zin hebt geplooid. En net daar liep het mis. Want hoe formuleer je een scherpe gedachte of mening als je voelt dat die nog vol kreukels zit? Want een column schrijven is niet gewoon een mening op papier. Een mening mag nog een beetje ruw, halfaf en ongepolijst zijn. Een column moet doen alsof diezelfde mening al een reis heeft afgelegd. Er moet iets bewezen en onderbouwd worden. De schrijver moet een scherpe invalshoek kiezen en er net genoeg ethos, pathos en logos inzetten om de lezer even stil te krijgen. Of minstens zuchtend van instemming zijn koffie doen neerzetten. En net daar begon ik te twijfelen. Hoe onderbouw je iets zonder dat het klinkt alsof je aan het preken bent? Hoe schrijf je iets dat tegelijk slim, grappig en leesbaar moet zijn, zonder dat je meteen in paniek denkt: ik kan dit helemaal niet? Ik merkte dat ik niet alleen aan een column bezig was, maar ook aan een gesprek met mezelf. Waarom wil ik hier eigenlijk zo goed in zijn? Waarom voelt een foute zin meteen alsof ik persoonlijk faal? Ik betrapte mezelf op perfectionisme. Op de behoefte om slim over te komen. Vanaf hoeveel twijfels verandert een column in een therapiesessie? Misschien is dat precies wat een column is: een mening die zich beter voordoet dan ze zich voelt. Een klein stukje tekst dat doet alsof het de wereld bekijkt, terwijl het in werkelijkheid vooral de schrijver zelf ontleedt. Een tekst waarin je probeert helder te zijn, terwijl je ondertussen ook maar aan het uitzoeken bent wat je eigenlijk denkt. En misschien is dat helemaal niet erg. Misschien is dat zelfs het enige eerlijke aan schrijven: dat je eerst denkt dat je iets moet bewijzen, en pas onderweg beseft dat je vooral jezelf aan het lezen bent. Dus ja, ik kreeg de vraag om een column te schrijven. Ik begon eraan, met een beetje lef, en het stille vermoeden dat een goede column soms gewoon begint alsof ze de wereld probeert te begrijpen, maar ergens onderweg bleek het vooral over mezelf te gaan.

Idha Zadel
2 1

Kampvuur in september

De zomer lag op sterven. Niet dramatisch. Geen laatste woorden, geen familie rond het bed. Gewoon nog één keer alles geven. Septemberwarmte. Rijp en zacht. Zo’n avond waarop ge zonder jas buiten kunt zitten, maar hem toch meeneemt omdat ge ondertussen oud genoeg zijt om uw eigen moeder te zijn. Er was wind. En ergens stond de herfst al achter het hoekje met haar sjaal te zwaaien. Kom af. Ik zal buiten een vuurtje stoken. Meer moet ge soms niet zeggen. Dus daar zaten we. Bij een vuur. Met wijn en appelsap. We hadden de draad ergens in februari laten liggen. Denk ik. Toen was er ook vuur, maar binnen. Een haard. Cake. Koffie. Winter. Blijkbaar hadden we toen niet alles gezegd. Gelukkig maar. Ik hou van mensen bij wie ge na een half jaar niet opnieuw moet beginnen. Geen samenvatting van de vorige afleveringen. Geen hoe is het nog met uw werk en de kinderen? Ge gaat zitten, kijkt naar het vuur en vijf minuten later zijt ge alweer vertrokken. Zijn hoofd zat vol. Echt vol. Vol dromen, idealisme, plannen en verhalen waarvan ik soms niet wist of ze al bestonden of nog moesten worden uitgevonden. Neem nu die sauna in Zweden. Ge kunt daar blijkbaar een sauna boeken zonder dat iemand u vertelt waar die precies staat. Ge krijgt coördinaten. Een wandelpad van bijna twee uur. Een kruiwagen met hout die ge zelf tot aan de sauna moet zien te krijgen. En aan het einde van dat pad wacht een desolate sauna aan een meer. Helemaal voor u alleen. Geen receptie. Geen badjassen met een geborduurd logo. Geen mevrouw die om het kwartier komt vragen of alles naar wens is. Alleen gij, dat meer, die sauna en de Zweedse wildernis. Ik zag het helemaal voor mij. De stilte. De damp boven het water. Een mens die daar na twee uur stappen zijn hout opstookt en vervolgens tot inzichten komt waar de gemiddelde psycholoog drie jaar voor nodig heeft. Dit moest wel de meest spraakmakende gebeurtenis van de reis worden. Maar het leven had andere plannen met hem. Een klapband. En voor ge het weet, staat ge ergens in Zweden langs de kant van de weg te wachten op een takeldienst die van zeventig kilometer verder moet komen. Daar staat ge dan. Met uw coördinaten. Uw innerlijke rust. Uw verlangen naar eenzaamheid en een kruiwagen hout die ge wellicht nooit zult ontmoeten. En toen kwam er een bandencentrale. En Cola Zero. En een man met wie het blijkbaar zo goed klikte dat er een nieuwe vriendschap uit ontstond. Iemand die niet alleen een lekke band ziet, maar ook de mens die hem gaat vervangen. En die daar vervolgens een verhaal van maakt. Ik vond dat schoon. Ge vertrekt naar Zweden om alleen te zijn aan een meer en ge komt thuis met een verhaal uit een bandencentrale. Probeer dat maar eens te boeken. En zo ging het verder die avond. Over het uitzicht vanop de drieëntwintigste verdieping. Over Pommeline. Over duurzaamheid en of dat allemaal wel zo duurzaam was. Over dingen die nog moesten gebeuren en dingen die misschien nooit zouden gebeuren, maar waar ge toch al eens over kon nadenken. Ik heb niet alles begrepen. Dat hoeft ook niet. Voor ge het weet, zit ge bij een vuur na te denken over Zweden, duurzaamheid, woorden, wat ge wilt betekenen en wat er nog allemaal moet gebeuren na 56. Er zijn slechtere manieren om een avond door te brengen. We spraken over taal. Over de juiste woorden zoeken voor wat ge doet. Voor wat ge wilt doen. Voor dingen die nog niet bestaan maar in uw hoofd al wel. Ik vind dat schoon. Die goesting. Om iets te maken. Iets te bedenken. Iets in beweging te zetten. En ook om soms de regie uit handen te geven en de dingen te laten gebeuren. Want ge kunt nog zo goed weten waar ge naartoe wilt, het leven heeft soms een ander idee. Ge boekt een sauna en ge krijgt een bandencentrale. Ge plant een avondje bij het vuur en voor ge het weet zit ge uren later nog altijd te luisteren. Net zoals water, zoeken verhalen altijd een weg. Misschien geldt dat ook voor ideeën. Voor mensen. Ge kunt een draad in februari laten liggen en hem in september gewoon weer oprapen. Ge kunt maanden niets zeggen en toch niet opnieuw moeten beginnen. Ge kunt denken dat iets nergens naartoe gaat en plots zit ge daar. Bij een vuur. De zomer in haar laatste stuiptrekkingen. De herfst achter het hoekje. Iemand tegenover u met een hoofd vol verhalen. Soms heeft een avond echt niet meer nodig. Een vuurtje. Een glimlach. Iemand die blijft vertellen. En ik die nog niet naar huis wil.

Katrien Daniels
54 2

HARAM.

In de moslimgemeenschap betekent haram hetzelfde als zonde in de christelijke gemeenschap: iets wat niet hoort en vermeden moet worden. Als je op de onderstaande link klikt, zie je een artistieke interpretatie van een verboden woord. https://www.2dehands.be/q/verf+ed+haram/   ************************************************************************************ foto gallery verf ed https://www.2dehands.be/q/verf+ed+altaar+der+culturen/   Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen."Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig.   http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
39 0

Aan dhr. Georges-Louis Bouchez, voorzitter van de MR

Geachte heer Bouchez,  Dat u een fan bent van Napoleon Bonaparte, is al langer bekend. Zo organiseerde uw partij onlangs een familiedag bij de Leeuw van Waterloo, waar de kleine generaal de nederlaag der nederlagen leed. Sta me toe het een rare keuze te vinden. Maar kom, het is eens iets anders dan Plopsaland of Bellewaerde voor een familiedag.  In café De Kiezel wisten ze te vertellen dat u nog helden hebt. Zo kunt u zich vinden in Nicolas Sarkozy, Silvio Berlusconi en Bernard Tapie. Wat een fout gezelschap. Als jullie samen een kaartclubje in café De Kiezel zouden oprichten, zou er nogal gefoerteld worden. En gefoefeld, rekening houdend met de reputatie van deze heerschappen.  Er zijn natuurlijk meer politici met helden. Bart De Wever heeft het voor het oude Rome, dat is bekend. Zelfs zijn kat werd tot 'Maximus' gedoopt. Zijn idolen zijn onder meer keizer Augustus, Cicero en Julius Caesar. Maar hij pakt het iets slimmer aan. Hij gaat met zijn partijleden niet naar Circus Maximus in Rome, waar de Vlaamse leeuw enkele belgicistische gladiatoren oppeuzelt.  Mijn buurman Gust vertelde me dat er nog andere politici zijn die zich spiegelen aan een idool. "Wist je dat Conner Rousseau het voor de tennisser Roger Federer heeft?”, zei Gust. “Ik snap het wel, want die slaat ook alle kanten op. En je houdt het niet voor mogelijk, maar Frédéric De Gucht is een fan van Fidel Castro. Niet voor de politiek, maar wel voor de dikke sigaren van Fidel. Fredje is een verstokt roker. En bij de volgende verkiezingen zou hij wel eens de sigaar kunnen zijn."  Maar laat me tot de kern van deze brief komen, beste Georges-Louis. Ons vader had het vaak over 'de kleine man'. Nu, die 'kleine man' is niet Napoleon, maar wel de gewone hardwerkende burger die altijd en overal het onderspit moet delven. Ik zeg het graag met de woorden van Gust over de huidige regering. "Met dit hardvochtig beleid van de regering blijft de gewone man in de kou staan, maar hij heeft geen geld voor een nieuwe winterjas."  Trouwens, die bijnaam 'kleine generaal' kreeg Bonapartje omdat hij nogal klein van stuk was. Vandaar het bekende napoleoncomplex. Hij kende bovendien geen glorieus levenseinde. Ik heb ooit bij zijn graf in de Dôme des Invalides in Parijs gestaan. Op latere leeftijd werd hij verbannen naar Elba en hij blies zijn laatste zuchtje uit in Sint-Helena. Het is niet meteen iets om naar uit te kijken als u het mij vraagt. En er zijn nog van die dinges.  Tot slot nog dit. Ik heb Napoleon leren kennen dankzij het stripverhaal 'De hoed van Napoleon', een avontuur van Jommeke en zijn kornuiten. Daaruit heb ik geleerd dat de typische tweekantige hoed van Napoleon een 'steek' wordt genoemd. Het is een binnenkopper van jewelste, maar uw adoratie voor de kleine generaal houdt werkelijk geen steek.  Ik raad u dan ook aan om iemand anders te kiezen als held. Men vertelde me dat u nogal wat tatoeages hebt. Het is misschien een bijzondere keuze, maar wat denkt u van kempenzoon Tijs Vaneste als idool? Hij is zelf een tatoeëerder, maar het is vooral een eerlijke man met veel eerbied voor de echte kleine man.  Aan de andere kant van het Bouchez-spectrum is mediapersoonlijkheid en macho Fabrizio Tzinaridis (bekend van Temptation Island) een optie. Ik hoop dat men deze getatoeëerde kleurplaat in Franstalig België nog niet ontdekt heeft, maar als er bij hem iets uit zijn mond komt, doet het ook pijn aan de oren.  Afijn, u bekijkt het maar.  Ondertussen verblijf ik, met de meeste hoogachting,  Désiré Dinges

Désiré Dinges
9 1

Blijven staan

‘Komt allemaal naar hier, vrouwen. Medea is zot geworden. De duvel is in haar lijf gekropen en spreekt door hare mond.’ Zo begon het. Of toch ongeveer. Na bijna dertig jaar zitten die woorden nog altijd ergens in mijn hoofd. Ik was negentien en ik was Medea. Allez. Ik speelde Medea. Ik kende mijn tekst. Mijn wereldproblemen waren nog bijzonder overzichtelijk. Een jongen die niet keek wanneer ik wilde dat hij keek. Een examen waarvoor ik te laat begonnen was. Een moeder die lastig deed. Een broek waarin mijn gat er dik uitzag. Een puist die altijd een uitstekend gevoel voor timing had. En daar stond ik dan, in de toneelklas, een vrouw te spelen die door haar man verlaten was voor een jongere vrouw en die van verdriet, vernedering en razernij zo ver buiten zichzelf trad dat ze bereid was het ondenkbare te doen. Haar kinderen vermoorden. Wist ik veel. Op je negentiende weet je inderdaad niet veel. Je denkt nog dat de wereld min of meer logisch in elkaar zit. Dat wie goed doet, goed ontmoet. Dat grote liefdes groot blijven. Dat mensen die zeggen dat ze blijven, blijven. Dat volwassenen weten waarmee ze bezig zijn. Dat ouders altijd ouders zijn. Dat vriendschappen niet breken. Dat als je iemand je hart geeft, die mens daar toch op zijn minst niet mee gaat voetballen. En vooral: je denkt dat je zelf ongeveer weet wie je bent en hoe je in bepaalde situaties zou reageren. Ik zou nooit. Dat zeggen negentienjarigen nogal gemakkelijk. Ik zou nooit bij iemand blijven die mij pijn doet. Ik zou nooit liegen. Nooit iemand haten die ik ooit graag gezien heb. Nooit jaloers zijn. Nooit wraak willen. Nooit iets zeggen alleen omdat je precies weet waar het bij de ander pijn doet. En dan begint het leven, in beetjes. Een kras. Een barst. Een deur die dichtgaat. Iemand die vertrekt. Iemand die blijft maar er eigenlijk al lang niet meer is. Liefde die niet genoeg blijkt. Een leugen recht in je gezicht. Een afscheid waarvoor je nog niet klaar was. Onrecht waar geen mooie oplossing voor bestaat. Je kinderen die pijn hebben en jij die ontdekt dat moederliefde dan wel enorm is, maar helaas geen superkracht. Je leert dat goede mensen soms rotte dingen doen. Dat mensen van wie je houdt je kunnen verwonden. Dat je iemand tegelijk kunt missen en naar de maan wensen. Dat verdriet niet altijd waardig is. Dat woede soms onder je vel kruipt en daar dagen blijft zitten. En dat je zelf ook niet altijd die redelijke, zachte, verstandige mens bent die je dacht te zijn. Ergens onderweg zit die Medea. Niet de kindermoordenares. Maar de vrouw ervoor. De vrouw die roept: kijk dan wat ge met mij gedaan hebt. De vrouw die niet onmiddellijk wil verwerken, helen, loslaten, verbinden of dankbaar zijn voor de lessen die het universum haar alweer cadeau heeft gedaan. Fuck de lessen van het universum. Soms ben je kwaad. Razend kwaad. En ik weet nu dat de ergste woede soms heel stil is. En dan moet je gewoon gaan staan. Staan. Er staan. Niet flink. Niet geheeld. Niet met een of andere kutquote over loslaten op Instagram. Gewoon recht. Met uw verdriet. Uw woede. Uw goesting om iemand zijn kop tegen een Griekse zuil te kloppen. Met alles wat niet netjes, vrouwelijk, redelijk of vergeven is. Met de duvel in uw lijf gekropen is. Blijf staan. Medea. Staan. ‘Dag Jason. Wat een schoon gedacht van u om naar hier te komen en uw schone jonge bruid achter te laten... Onnozelaar! '

Katrien Daniels
56 3

Niemand heeft het gezien

De deur valt achter me in het slot. Mijn veilige ruimte waar ik steeds weer naar terugkeer is goed afgesloten. Deze keer verlaat ik mijn huis om me naar mijn werkplaats te begeven. Omdat die niet vlakbij ligt neem ik de auto. Mijn huis ligt weliswaar achter mij maar trekt nog aan me, de lekkende kraan in de badkamer bijvoorbeeld en de was die nog in de droogkast moet. Er zijn buiten echter ook verplichtingen.Hoe moe ik me ook nog voel, het maakt niet uit, ik stap met de autosleutel in de hand naar de overkant van de straat. De dag ervoor parkeerde ik er mijn auto.   Elke dag opnieuw plof ik me met dezelfde lichtheid neer, breng ik de bestuurderszetel in een comfortabele positie en zet ik de motor en de radio aan. De radio verbindt me met de mensheid terwijl ik alleen in de auto zit, net als al diegenen die achter, voor en naast me rijden, in bakken die in principe voor één persoon te groot zijn, in bakken waar een gans gezin in past.  Half zo brede wagens waarmee je met grote snelheid over de snelweg mag rijden bestaan niet. Een soort van overdekte motoren die over half zo brede rijstroken zouden mogen rijden. Een drievaksbaan zou dan een zesvaksbaan kunnen worden. Ik weet goed genoeg dat zoiets enkel in een wereld zonder vrachtwagens kan bestaan. Dat ik hun klevende bumpers niet meer zou zien in de achteruitkijkspiegel zou ik niet erg vinden. Om niet meer tussen die mastodonten die de helft van je uitzicht wegnemen te moeten laveren, zou ik niet missen. Om er niet meer achter te moeten hangen terwijl ze tergend traag elkaar proberen in te halen, om niet meer te moeten vrezen dat ik de afrit zal missen omdat ze me geen plaats gunnen, dat alles zou ik heerlijk ontspannend vinden. Nachtelijke dromen krijgen een vervolg in dagdromen terwijl ik de sleutel, die aan dezelfde sleutelhanger van de huissleutel hangt, in mijn hand houd. Ik steek de sleutel in het slot. Een handeling die ik talloze keren heb uitgevoerd. Ik krijg hem er niet in en dat stopt meteen de hele gedachtenstroom over vrachtwagenvrije snelwegen. De sleutel hapert en daarmee ook mijn hele timing! Ik weet perfect hoe lang ik over de weg doe en ook hoeveel tijd ik er moet aan toevoegen voor onvoorziene omstandigheden. Het mag dus niet te lang meer duren. Ik wrikkel nog even met de sleutel, hopend dat hij vlotjes in het slot wil glijden.  Het lukt me niet. In fracties van seconden verschijnen bij mij alle mogelijke fouten die ik bij deze eenvoudige handeling gemaakt kan hebben. Ik kijk of ik wel degelijk de autosleutel tussen mijn vingers heb en niet mijn huissleutel. Ik probeer opnieuw, zonder succes. Dan draai ik de sleutel om. Dat zal het zijn. Opnieuw krijg ik er hem niet in! De ontreddering slaat toe. Een handeling die me nooit enige moeite heeft gekost wordt een probleem. Een routine die soepel zou moeten verlopen blokkeert de rest van de dag en misschien wel de rest van mijn leven. Mijn reputatie van altijd stipte en betrouwbare werknemer wordt in luttele seconden vernietigd. Hoe moet ik dit gaan uitleggen? ‘Ik kreeg mijn sleutel niet in het slot’ . Het klinkt als de meest onnozele uitleg bij het te laat komen. ‘Het zal wel zijn dat je je sleutel er niet inkreeg’. Vóór mij staand zie ik ze al gniffelend naar elkaar kijken ‘Dat laatste slaapmutsje zal wel een shotje teveel geweest zijn ‘ . ‘Ze zal door haar wekker heen geslapen zijn.’ Ja, dat zullen ze denken.  Vanuit de spoeddienst in tranen bellen naar mijn werkgever omdat ik voor mijn deur zwaar ben aangereden door een bromfiets die blindelings vanachter de hoek is komen aanrijden, dat zou een goede reden zijn. Dat zou ook medelijden opwekken. Daar zouden mijn collega’s het er de hele dag over hebben, over de pech die ik heb gehad , over hoe ze het werk nu zullen moeten verdelen en of ze de geplande vergadering zonder mij wel kunnen laten doorgaan.  Maar nee, ik sta hier ongedeerd met een sleutel in mijn hand. Hoe kan ik dat straks geloofwaardig maken. Dat vraag ik me af terwijl ik nog een laatste poging doe om die verdomde sleutel erin te krijgen. Er moet iets mis zijn met dat slot. Het lijkt onmogelijk, maar het klinkt voorlopig als de meest logische verklaring. Ik trek nerveus aan de klink en kijk door het raam naar de bestuurderszetel waarop ik al had moeten zitten. Misschien heeft iemand aan mijn auto gezeten. Ik kijk door het achterste raam. Alles lijkt op het eerste zicht in orde te zijn. Op de achterbank staan drie kartonnen dozen. Ik herken deze dozen niet. Ik kijk nogmaals en probeer me te herinneren waar ze vandaan komen. Had ik iets gekocht en op de achterbank laten staan? Ik lees de teksten op de dozen voor zover ik ze in het donker kan zien. De afbeelding van een stofzuiger op de ene doos zag ik nooit eeder. Op de andere doos kleeft een etiket van een chinese leverancier. Op de derde doos zie ik boven een amper te lezen adres de naam van …. Mijn hoofd wordt licht, de diepe mist waar ik ondertussen in verzeild was geraakt klaart onmiddellijk op. De puzzelstukken vallen op hun plaats. Dit is niet mijn auto. Mijn auto staat achter deze auto geparkeerd! Er valt een ton ijsblokken smeltend neer op de straatstenen. Ik draai mijn hoofd discreet naar alle ramen en deuren vanwaaruit men mij had kunnen zien en stel vast dat er geen getuigen zijn geweest.  Niemand heeft het gezien. Ik open de deur en plof me neer op de bestuurdersstoel. Ik start de auto. De mensheid zal niet weten wat voor een drama ik heb meegemaakt deze ochtend. Voorlopig toch niet. Later misschien, wanneer ik op pensioen ben. Ik zal mooi op tijd aankomen op de werkplaats. Niemand zal aan mij twijfelen. De autozetel voelde nooit eerder zo relaxt. De radio op volle bak verbond me nooit eerder zo sterk met de mensheid. Ik kijk in de achteruitkijkspiegel, steek de lichten en richtingaanwijzer aan, rijd voorbij de auto die voor me geparkeerd staat en geef volle bak gas.      

Alma lavado
0 0