Zoeken

Therapie

Ik kreeg de vraag om een column te schrijven. Dat klonk aanvankelijk geruststellend eenvoudig. Een column is tenslotte maar een tekst met een mening, dacht ik. Hoe moeilijk kan het zijn om ergens een mening over te hebben? Dat doe ik dagelijks, vaak zelfs ongevraagd. Ik zit al enkele maanden wekelijks aan de schrijftafel, dus in mijn hoofd zou dit het moment zijn waarop alles wat ik daar geleerd heb netjes samenkomt. Theorie, oefening, inspiratie, in een keurige tekst met een begin, een midden en een einde. In de praktijk zat ik vooral naar een leeg blad te kijken alsof het mij persoonlijk had beledigd. Ik merkte al snel dat een column schrijven toch iets anders is dan gewoon een paar zinnen achter elkaar zetten en hopen dat er stijl in kruipt. Het is niet gewoon schrijven wat je denkt. Het is schrijven wat je denkt, maar dan zo dat het lijkt alsof je daar goed over hebt nagedacht. Alsof je je mening eerst hebt gewassen, gestreken en in een mooie zin hebt geplooid. En net daar liep het mis. Want hoe formuleer je een scherpe gedachte of mening als je voelt dat die nog vol kreukels zit? Want een column schrijven is niet gewoon een mening op papier. Een mening mag nog een beetje ruw, halfaf en ongepolijst zijn. Een column moet doen alsof diezelfde mening al een reis heeft afgelegd. Er moet iets bewezen en onderbouwd worden. De schrijver moet een scherpe invalshoek kiezen en er net genoeg ethos, pathos en logos inzetten om de lezer even stil te krijgen. Of minstens zuchtend van instemming zijn koffie doen neerzetten. En net daar begon ik te twijfelen. Hoe onderbouw je iets zonder dat het klinkt alsof je aan het preken bent? Hoe schrijf je iets dat tegelijk slim, grappig en leesbaar moet zijn, zonder dat je meteen in paniek denkt: ik kan dit helemaal niet? Ik merkte dat ik niet alleen aan een column bezig was, maar ook aan een gesprek met mezelf. Waarom wil ik hier eigenlijk zo goed in zijn? Waarom voelt een foute zin meteen alsof ik persoonlijk faal? Ik betrapte mezelf op perfectionisme. Op de behoefte om slim over te komen. Vanaf hoeveel twijfels verandert een column in een therapiesessie? Misschien is dat precies wat een column is: een mening die zich beter voordoet dan ze zich voelt. Een klein stukje tekst dat doet alsof het de wereld bekijkt, terwijl het in werkelijkheid vooral de schrijver zelf ontleedt. Een tekst waarin je probeert helder te zijn, terwijl je ondertussen ook maar aan het uitzoeken bent wat je eigenlijk denkt. En misschien is dat helemaal niet erg. Misschien is dat zelfs het enige eerlijke aan schrijven: dat je eerst denkt dat je iets moet bewijzen, en pas onderweg beseft dat je vooral jezelf aan het lezen bent. Dus ja, ik kreeg de vraag om een column te schrijven. Ik begon eraan, met een beetje lef, en het stille vermoeden dat een goede column soms gewoon begint alsof ze de wereld probeert te begrijpen, maar ergens onderweg bleek het vooral over mezelf te gaan.

Idha Zadel
2 1

Kampvuur in september

De zomer lag op sterven. Niet dramatisch. Geen laatste woorden, geen familie rond het bed. Gewoon nog één keer alles geven. Septemberwarmte. Rijp en zacht. Zo’n avond waarop ge zonder jas buiten kunt zitten, maar hem toch meeneemt omdat ge ondertussen oud genoeg zijt om uw eigen moeder te zijn. Er was wind. En ergens stond de herfst al achter het hoekje met haar sjaal te zwaaien. Kom af. Ik zal buiten een vuurtje stoken. Meer moet ge soms niet zeggen. Dus daar zaten we. Bij een vuur. Met wijn en appelsap. We hadden de draad ergens in februari laten liggen. Denk ik. Toen was er ook vuur, maar binnen. Een haard. Cake. Koffie. Winter. Blijkbaar hadden we toen niet alles gezegd. Gelukkig maar. Ik hou van mensen bij wie ge na een half jaar niet opnieuw moet beginnen. Geen samenvatting van de vorige afleveringen. Geen hoe is het nog met uw werk en de kinderen? Ge gaat zitten, kijkt naar het vuur en vijf minuten later zijt ge alweer vertrokken. Zijn hoofd zat vol. Echt vol. Vol dromen, idealisme, plannen en verhalen waarvan ik soms niet wist of ze al bestonden of nog moesten worden uitgevonden. Neem nu die sauna in Zweden. Ge kunt daar blijkbaar een sauna boeken zonder dat iemand u vertelt waar die precies staat. Ge krijgt coördinaten. Een wandelpad van bijna twee uur. Een kruiwagen met hout die ge zelf tot aan de sauna moet zien te krijgen. En aan het einde van dat pad wacht een desolate sauna aan een meer. Helemaal voor u alleen. Geen receptie. Geen badjassen met een geborduurd logo. Geen mevrouw die om het kwartier komt vragen of alles naar wens is. Alleen gij, dat meer, die sauna en de Zweedse wildernis. Ik zag het helemaal voor mij. De stilte. De damp boven het water. Een mens die daar na twee uur stappen zijn hout opstookt en vervolgens tot inzichten komt waar de gemiddelde psycholoog drie jaar voor nodig heeft. Dit moest wel de meest spraakmakende gebeurtenis van de reis worden. Maar het leven had andere plannen met hem. Een klapband. En voor ge het weet, staat ge ergens in Zweden langs de kant van de weg te wachten op een takeldienst die van zeventig kilometer verder moet komen. Daar staat ge dan. Met uw coördinaten. Uw innerlijke rust. Uw verlangen naar eenzaamheid en een kruiwagen hout die ge wellicht nooit zult ontmoeten. En toen kwam er een bandencentrale. En Cola Zero. En een man met wie het blijkbaar zo goed klikte dat er een nieuwe vriendschap uit ontstond. Iemand die niet alleen een lekke band ziet, maar ook de mens die hem gaat vervangen. En die daar vervolgens een verhaal van maakt. Ik vond dat schoon. Ge vertrekt naar Zweden om alleen te zijn aan een meer en ge komt thuis met een verhaal uit een bandencentrale. Probeer dat maar eens te boeken. En zo ging het verder die avond. Over het uitzicht vanop de drieëntwintigste verdieping. Over Pommeline. Over duurzaamheid en of dat allemaal wel zo duurzaam was. Over dingen die nog moesten gebeuren en dingen die misschien nooit zouden gebeuren, maar waar ge toch al eens over kon nadenken. Ik heb niet alles begrepen. Dat hoeft ook niet. Voor ge het weet, zit ge bij een vuur na te denken over Zweden, duurzaamheid, woorden, wat ge wilt betekenen en wat er nog allemaal moet gebeuren na 56. Er zijn slechtere manieren om een avond door te brengen. We spraken over taal. Over de juiste woorden zoeken voor wat ge doet. Voor wat ge wilt doen. Voor dingen die nog niet bestaan maar in uw hoofd al wel. Ik vind dat schoon. Die goesting. Om iets te maken. Iets te bedenken. Iets in beweging te zetten. En ook om soms de regie uit handen te geven en de dingen te laten gebeuren. Want ge kunt nog zo goed weten waar ge naartoe wilt, het leven heeft soms een ander idee. Ge boekt een sauna en ge krijgt een bandencentrale. Ge plant een avondje bij het vuur en voor ge het weet zit ge uren later nog altijd te luisteren. Net zoals water, zoeken verhalen altijd een weg. Misschien geldt dat ook voor ideeën. Voor mensen. Ge kunt een draad in februari laten liggen en hem in september gewoon weer oprapen. Ge kunt maanden niets zeggen en toch niet opnieuw moeten beginnen. Ge kunt denken dat iets nergens naartoe gaat en plots zit ge daar. Bij een vuur. De zomer in haar laatste stuiptrekkingen. De herfst achter het hoekje. Iemand tegenover u met een hoofd vol verhalen. Soms heeft een avond echt niet meer nodig. Een vuurtje. Een glimlach. Iemand die blijft vertellen. En ik die nog niet naar huis wil.

Katrien Daniels
31 2

Aan dhr. Georges-Louis Bouchez, voorzitter van de MR

Geachte heer Bouchez,  Dat u een fan bent van Napoleon Bonaparte, is al langer bekend. Zo organiseerde uw partij onlangs een familiedag bij de Leeuw van Waterloo, waar de kleine generaal de nederlaag der nederlagen leed. Sta me toe het een rare keuze te vinden. Maar kom, het is eens iets anders dan Plopsaland of Bellewaerde voor een familiedag.  In café De Kiezel wisten ze te vertellen dat u nog helden hebt. Zo kunt u zich vinden in Nicolas Sarkozy, Silvio Berlusconi en Bernard Tapie. Wat een fout gezelschap. Als jullie samen een kaartclubje in café De Kiezel zouden oprichten, zou er nogal gefoerteld worden. En gefoefeld, rekening houdend met de reputatie van deze heerschappen.  Er zijn natuurlijk meer politici met helden. Bart De Wever heeft het voor het oude Rome, dat is bekend. Zelfs zijn kat werd tot 'Maximus' gedoopt. Zijn idolen zijn onder meer keizer Augustus, Cicero en Julius Caesar. Maar hij pakt het iets slimmer aan. Hij gaat met zijn partijleden niet naar Circus Maximus in Rome, waar de Vlaamse leeuw enkele belgicistische gladiatoren oppeuzelt.  Mijn buurman Gust vertelde me dat er nog andere politici zijn die zich spiegelen aan een idool. "Wist je dat Conner Rousseau het voor de tennisser Roger Federer heeft?”, zei Gust. “Ik snap het wel, want die slaat ook alle kanten op. En je houdt het niet voor mogelijk, maar Frédéric De Gucht is een fan van Fidel Castro. Niet voor de politiek, maar wel voor de dikke sigaren van Fidel. Fredje is een verstokt roker. En bij de volgende verkiezingen zou hij wel eens de sigaar kunnen zijn."  Maar laat me tot de kern van deze brief komen, beste Georges-Louis. Ons vader had het vaak over 'de kleine man'. Nu, die 'kleine man' is niet Napoleon, maar wel de gewone hardwerkende burger die altijd en overal het onderspit moet delven. Ik zeg het graag met de woorden van Gust over de huidige regering. "Met dit hardvochtig beleid van de regering blijft de gewone man in de kou staan, maar hij heeft geen geld voor een nieuwe winterjas."  Trouwens, die bijnaam 'kleine generaal' kreeg Bonapartje omdat hij nogal klein van stuk was. Vandaar het bekende napoleoncomplex. Hij kende bovendien geen glorieus levenseinde. Ik heb ooit bij zijn graf in de Dôme des Invalides in Parijs gestaan. Op latere leeftijd werd hij verbannen naar Elba en hij blies zijn laatste zuchtje uit in Sint-Helena. Het is niet meteen iets om naar uit te kijken als u het mij vraagt. En er zijn nog van die dinges.  Tot slot nog dit. Ik heb Napoleon leren kennen dankzij het stripverhaal 'De hoed van Napoleon', een avontuur van Jommeke en zijn kornuiten. Daaruit heb ik geleerd dat de typische tweekantige hoed van Napoleon een 'steek' wordt genoemd. Het is een binnenkopper van jewelste, maar uw adoratie voor de kleine generaal houdt werkelijk geen steek.  Ik raad u dan ook aan om iemand anders te kiezen als held. Men vertelde me dat u nogal wat tatoeages hebt. Het is misschien een bijzondere keuze, maar wat denkt u van kempenzoon Tijs Vaneste als idool? Hij is zelf een tatoeëerder, maar het is vooral een eerlijke man met veel eerbied voor de echte kleine man.  Aan de andere kant van het Bouchez-spectrum is mediapersoonlijkheid en macho Fabrizio Tzinaridis (bekend van Temptation Island) een optie. Ik hoop dat men deze getatoeëerde kleurplaat in Franstalig België nog niet ontdekt heeft, maar als er bij hem iets uit zijn mond komt, doet het ook pijn aan de oren.  Afijn, u bekijkt het maar.  Ondertussen verblijf ik, met de meeste hoogachting,  Désiré Dinges

Désiré Dinges
9 1

Blijven staan

‘Komt allemaal naar hier, vrouwen. Medea is zot geworden. De duvel is in haar lijf gekropen en spreekt door hare mond.’ Zo begon het. Of toch ongeveer. Na bijna dertig jaar zitten die woorden nog altijd ergens in mijn hoofd. Ik was negentien en ik was Medea. Allez. Ik speelde Medea. Ik kende mijn tekst. Mijn wereldproblemen waren nog bijzonder overzichtelijk. Een jongen die niet keek wanneer ik wilde dat hij keek. Een examen waarvoor ik te laat begonnen was. Een moeder die lastig deed. Een broek waarin mijn gat er dik uitzag. Een puist die altijd een uitstekend gevoel voor timing had. En daar stond ik dan, in de toneelklas, een vrouw te spelen die door haar man verlaten was voor een jongere vrouw en die van verdriet, vernedering en razernij zo ver buiten zichzelf trad dat ze bereid was het ondenkbare te doen. Haar kinderen vermoorden. Wist ik veel. Op je negentiende weet je inderdaad niet veel. Je denkt nog dat de wereld min of meer logisch in elkaar zit. Dat wie goed doet, goed ontmoet. Dat grote liefdes groot blijven. Dat mensen die zeggen dat ze blijven, blijven. Dat volwassenen weten waarmee ze bezig zijn. Dat ouders altijd ouders zijn. Dat vriendschappen niet breken. Dat als je iemand je hart geeft, die mens daar toch op zijn minst niet mee gaat voetballen. En vooral: je denkt dat je zelf ongeveer weet wie je bent en hoe je in bepaalde situaties zou reageren. Ik zou nooit. Dat zeggen negentienjarigen nogal gemakkelijk. Ik zou nooit bij iemand blijven die mij pijn doet. Ik zou nooit liegen. Nooit iemand haten die ik ooit graag gezien heb. Nooit jaloers zijn. Nooit wraak willen. Nooit iets zeggen alleen omdat je precies weet waar het bij de ander pijn doet. En dan begint het leven, in beetjes. Een kras. Een barst. Een deur die dichtgaat. Iemand die vertrekt. Iemand die blijft maar er eigenlijk al lang niet meer is. Liefde die niet genoeg blijkt. Een leugen recht in je gezicht. Een afscheid waarvoor je nog niet klaar was. Onrecht waar geen mooie oplossing voor bestaat. Je kinderen die pijn hebben en jij die ontdekt dat moederliefde dan wel enorm is, maar helaas geen superkracht. Je leert dat goede mensen soms rotte dingen doen. Dat mensen van wie je houdt je kunnen verwonden. Dat je iemand tegelijk kunt missen en naar de maan wensen. Dat verdriet niet altijd waardig is. Dat woede soms onder je vel kruipt en daar dagen blijft zitten. En dat je zelf ook niet altijd die redelijke, zachte, verstandige mens bent die je dacht te zijn. Ergens onderweg zit die Medea. Niet de kindermoordenares. Maar de vrouw ervoor. De vrouw die roept: kijk dan wat ge met mij gedaan hebt. De vrouw die niet onmiddellijk wil verwerken, helen, loslaten, verbinden of dankbaar zijn voor de lessen die het universum haar alweer cadeau heeft gedaan. Fuck de lessen van het universum. Soms ben je kwaad. Razend kwaad. En ik weet nu dat de ergste woede soms heel stil is. En dan moet je gewoon gaan staan. Staan. Er staan. Niet flink. Niet geheeld. Niet met een of andere kutquote over loslaten op Instagram. Gewoon recht. Met uw verdriet. Uw woede. Uw goesting om iemand zijn kop tegen een Griekse zuil te kloppen. Met alles wat niet netjes, vrouwelijk, redelijk of vergeven is. Met de duvel in uw lijf gekropen is. Blijf staan. Medea. Staan. ‘Dag Jason. Wat een schoon gedacht van u om naar hier te komen en uw schone jonge bruid achter te laten... Onnozelaar! '

Katrien Daniels
56 3

Niemand heeft het gezien

De deur valt achter me in het slot. Mijn veilige ruimte waar ik steeds weer naar terugkeer is goed afgesloten. Deze keer verlaat ik mijn huis om me naar mijn werkplaats te begeven. Omdat die niet vlakbij ligt neem ik de auto. Mijn huis ligt weliswaar achter mij maar trekt nog aan me, de lekkende kraan in de badkamer bijvoorbeeld en de was die nog in de droogkast moet. Er zijn buiten echter ook verplichtingen.Hoe moe ik me ook nog voel, het maakt niet uit, ik stap met de autosleutel in de hand naar de overkant van de straat. De dag ervoor parkeerde ik er mijn auto.   Elke dag opnieuw plof ik me met dezelfde lichtheid neer, breng ik de bestuurderszetel in een comfortabele positie en zet ik de motor en de radio aan. De radio verbindt me met de mensheid terwijl ik alleen in de auto zit, net als al diegenen die achter, voor en naast me rijden, in bakken die in principe voor één persoon te groot zijn, in bakken waar een gans gezin in past.  Half zo brede wagens waarmee je met grote snelheid over de snelweg mag rijden bestaan niet. Een soort van overdekte motoren die over half zo brede rijstroken zouden mogen rijden. Een drievaksbaan zou dan een zesvaksbaan kunnen worden. Ik weet goed genoeg dat zoiets enkel in een wereld zonder vrachtwagens kan bestaan. Dat ik hun klevende bumpers niet meer zou zien in de achteruitkijkspiegel zou ik niet erg vinden. Om niet meer tussen die mastodonten die de helft van je uitzicht wegnemen te moeten laveren, zou ik niet missen. Om er niet meer achter te moeten hangen terwijl ze tergend traag elkaar proberen in te halen, om niet meer te moeten vrezen dat ik de afrit zal missen omdat ze me geen plaats gunnen, dat alles zou ik heerlijk ontspannend vinden. Nachtelijke dromen krijgen een vervolg in dagdromen terwijl ik de sleutel, die aan dezelfde sleutelhanger van de huissleutel hangt, in mijn hand houd. Ik steek de sleutel in het slot. Een handeling die ik talloze keren heb uitgevoerd. Ik krijg hem er niet in en dat stopt meteen de hele gedachtenstroom over vrachtwagenvrije snelwegen. De sleutel hapert en daarmee ook mijn hele timing! Ik weet perfect hoe lang ik over de weg doe en ook hoeveel tijd ik er moet aan toevoegen voor onvoorziene omstandigheden. Het mag dus niet te lang meer duren. Ik wrikkel nog even met de sleutel, hopend dat hij vlotjes in het slot wil glijden.  Het lukt me niet. In fracties van seconden verschijnen bij mij alle mogelijke fouten die ik bij deze eenvoudige handeling gemaakt kan hebben. Ik kijk of ik wel degelijk de autosleutel tussen mijn vingers heb en niet mijn huissleutel. Ik probeer opnieuw, zonder succes. Dan draai ik de sleutel om. Dat zal het zijn. Opnieuw krijg ik er hem niet in! De ontreddering slaat toe. Een handeling die me nooit enige moeite heeft gekost wordt een probleem. Een routine die soepel zou moeten verlopen blokkeert de rest van de dag en misschien wel de rest van mijn leven. Mijn reputatie van altijd stipte en betrouwbare werknemer wordt in luttele seconden vernietigd. Hoe moet ik dit gaan uitleggen? ‘Ik kreeg mijn sleutel niet in het slot’ . Het klinkt als de meest onnozele uitleg bij het te laat komen. ‘Het zal wel zijn dat je je sleutel er niet inkreeg’. Vóór mij staand zie ik ze al gniffelend naar elkaar kijken ‘Dat laatste slaapmutsje zal wel een shotje teveel geweest zijn ‘ . ‘Ze zal door haar wekker heen geslapen zijn.’ Ja, dat zullen ze denken.  Vanuit de spoeddienst in tranen bellen naar mijn werkgever omdat ik voor mijn deur zwaar ben aangereden door een bromfiets die blindelings vanachter de hoek is komen aanrijden, dat zou een goede reden zijn. Dat zou ook medelijden opwekken. Daar zouden mijn collega’s het er de hele dag over hebben, over de pech die ik heb gehad , over hoe ze het werk nu zullen moeten verdelen en of ze de geplande vergadering zonder mij wel kunnen laten doorgaan.  Maar nee, ik sta hier ongedeerd met een sleutel in mijn hand. Hoe kan ik dat straks geloofwaardig maken. Dat vraag ik me af terwijl ik nog een laatste poging doe om die verdomde sleutel erin te krijgen. Er moet iets mis zijn met dat slot. Het lijkt onmogelijk, maar het klinkt voorlopig als de meest logische verklaring. Ik trek nerveus aan de klink en kijk door het raam naar de bestuurderszetel waarop ik al had moeten zitten. Misschien heeft iemand aan mijn auto gezeten. Ik kijk door het achterste raam. Alles lijkt op het eerste zicht in orde te zijn. Op de achterbank staan drie kartonnen dozen. Ik herken deze dozen niet. Ik kijk nogmaals en probeer me te herinneren waar ze vandaan komen. Had ik iets gekocht en op de achterbank laten staan? Ik lees de teksten op de dozen voor zover ik ze in het donker kan zien. De afbeelding van een stofzuiger op de ene doos zag ik nooit eeder. Op de andere doos kleeft een etiket van een chinese leverancier. Op de derde doos zie ik boven een amper te lezen adres de naam van …. Mijn hoofd wordt licht, de diepe mist waar ik ondertussen in verzeild was geraakt klaart onmiddellijk op. De puzzelstukken vallen op hun plaats. Dit is niet mijn auto. Mijn auto staat achter deze auto geparkeerd! Er valt een ton ijsblokken smeltend neer op de straatstenen. Ik draai mijn hoofd discreet naar alle ramen en deuren vanwaaruit men mij had kunnen zien en stel vast dat er geen getuigen zijn geweest.  Niemand heeft het gezien. Ik open de deur en plof me neer op de bestuurdersstoel. Ik start de auto. De mensheid zal niet weten wat voor een drama ik heb meegemaakt deze ochtend. Voorlopig toch niet. Later misschien, wanneer ik op pensioen ben. Ik zal mooi op tijd aankomen op de werkplaats. Niemand zal aan mij twijfelen. De autozetel voelde nooit eerder zo relaxt. De radio op volle bak verbond me nooit eerder zo sterk met de mensheid. Ik kijk in de achteruitkijkspiegel, steek de lichten en richtingaanwijzer aan, rijd voorbij de auto die voor me geparkeerd staat en geef volle bak gas.      

Alma lavado
0 0

Brugse schurken

We stappen door Brugge. Het is altijd fijn terugkomen in de stad van ridders, heiligen, schurken en ander geboefte. Er is veel volk op de been. Niet zozeer de mensen uit de vorige zin, dat is lang geleden, maar eerder toeristen uit alle windstreken. Wat ook opvalt? Het gemotoriseerd verkeer blijft samen met de koetsen door smalle straten rijden. Het is uitkijken geblazen, of ze maaien je van de weg. Een fietser zie ik ei zo na gekneld raken tussen een vrachtwagen en de rand van het voetpad. Moeilijk om te begrijpen, net zoals hun taaltje. Als we de volgende ochtend voor dag en dauw in de Wulfhagestraat wandelen, zien we voor ons door de ochtendmist de toren van de Sint-Salvathorskatedraal opduiken. Ik kan me voorstellen dat zoiets in de middeleeuwen een nog meer mystiek beeld was.  Iets later gaan we de supermarkt met de leeuw binnen, brullend van de honger bijna. Ik wacht in het portaal om de zaak wat af te kijken. Een afwijking van mezelf, genezing is niet nodig. Een man rekent af aan de kassa. Zijn boodschappentrolley staat naast hem. Hij ziet niet dat een binnenkomende man een ‘sssst’-gebaar maakt naar de kassière. Met zijn wijsvinger op de lippen. Hij neemt de trolley van de man en zet die opzij. De eerste man wil zijn portefeuille in de trolley steken en schrikt dat die niet op zijn plaats staat. Hij kijkt opzij en daar ziet hij de andere man lachend staan. Ze kennen elkaar. “Maar gij schurk”, zegt hij. Samen met de mevrouw aan de kassa lach ik met het vrolijke tafereel. Daarna zeggen ze iets dat ik niet begrijp, enkel ‘tot straks’ versta ik. Vervolgens gaan ze elk hun weg, met de trolley achter zich aan. Zoals moderne ridders in Brugge. Schurken zijn het niet.

Rudi Lavreysen
10 1

Wat kan het mij?

Ja, 't is waar. Ik heb succes bij de vrouwen. Ik ben geen opschepper, het is gewoon zo. Ze cirkelen bijna voortdurend rond me. Waarom, dat zou ik wel eens willen weten. Overdreven knap ben ik niet. En dan spreek ik over alle interpretaties van dat woord. Niet aantrekkelijk, niet intelligent, niet handig. Dan kan het bijna niets anders dan mijn goedlachsheid en humor zijn, misschien wel in combinatie met mijn gedrag en uiterlijk. Dat zullen ze grappig vinden. En heel aanstekelijk. In de vorige paragraaf had ik het over muggen, dat had je misschien wel begrepen. Ik ben de voorbije week herhaaldelijk gestoken en gebeten, op plaatsen die je niet wil weten. Door een aantal vrouwelijke exemplaren, want zij zijn de stekers, de wakkerhouders. Omdat ze bloed nodig hebben voor de ontwikkeling van hun eitjes, zegt Wikipedia. Wat kan het mij? (Tegenwoordig stel ik mezelf vragen, op zich al een vermoeiende bezigheid, zeker in deze periode van slapeloosheid, daarom laat ik doorgaans de vermoeiende werkwoorden achterwege.) Verrekken, schelen, fucken of verdommen, verdomme! Excuseer.  Mannelijke muggen daarentegen drinken alleen nectar en sapjes, planten zich in stilte voort en bemoeien zich verder nergens mee. Ik zou een goede mug zijn. Maar mensen zijn geen muggen, al komen muggenzifters in de buurt. Op zich is dat nog een troetelnaampje voor degenen die ik beoog. Ik heb het dan over de zogeheten klavierhelden of toetsenbordridders, de assertieven op azerty, de quertyquerulanten. De bijna ziekelijke klagers die voortdurend denken dat hen onrecht aangedaan is of zij die constant de behoefte voelen om anderen te schofferen.  Ik heb de indruk dat het bij mensen meestal over de mannetjes gaat. Zij steken. Cru gezegd geloof ik dat het vooral diegenen zijn die vroeger frequent de spade, borstel, hamer, schroevendraaier, biljartkeu of misschien wel de breinaald hanteerden, maar die tegenwoordig, uit professionele of vrijetijdsoverwegingen vooral in de buurt van hun toetsenbord vertoeven.  Hebben ze ongelijk? Schoenmakers die bij hun leest bleven, zijn inmiddels al lang failliet. Je moet mee met de moderne tijd, maar sommigen doen dat zo onbehouwen dat het lijkt alsof ze het idee hebben dat ze ongenaakbaar zijn. Het is niet omdat de kwaliteit en de waarde van schoeisel zo gezakt zijn, dat ze het niveau van het geschrevene daarom op evenredige wijze moeten neerhalen. 'De wereld zou doodvervelend zijn als niet ieder zich stiekem superieur achtte aan bijna ieder ander mens,' zei de Amerikaanse schrijver Don Marquis honderd jaar geleden al.  Dat het stiekeme, of beter gezegd het niet uitgesprokene of -geschrevene, steeds vaker achterwege blijft, is in dit geval erg jammer. Vooral omdat het superioriteitsgevoel van velen niet alleen overontwikkeld maar ook nog eens totaal misplaatst is. Het kwalijkste zijn de anoniemen, je weet wel, de geniepstypers. Die met de schuilnamen, die het met een walgelijke welwillendheid doen en zich op een laffe manier verstoppen achter namen à la Jan Oniem, Wim Cognito of iets dergelijks. Waar stiekem nog een luchtige bijklank heeft, iets 'om bestwillerigs', wordt het hier heimelijk en hatelijk. Ben ik dan zelf zonder zonden? Ik denk grotendeels van wel, eerlijk gezegd. Toegegeven, achter het scherm neem ik ook veel sneller het voortouw. Tijdens groepsbijeenkomsten voel ik me veel comfortabeler op de achtergrond. Toch kom ik zo nu en dan ad rem uit de hoek, op welke manier dan ook. Ook al ben ik, volgens sommigen, een babbelaar van jewelste, toch heb ik zelf altijd het gevoel gehad dat ik me al schrijvend heel wat gemakkelijker en genuanceerder uitdruk.  Wat Don Marquis zei, klopt volgens mij wel. In elk van ons schuilt effectief een soort superioriteitsgevoel ten opzichte van bijna ieder ander mens. Ik zou het zo gedaan hebben. Dat vind ik dom van haar. Wat heeft ze nu toch weer uitgestoken? Waarom heeft hij dat in hemelsnaam gekocht? Had hij niet beter twee keer nagedacht? Was dat nu echt nodig? We weten het allemaal, van bijna iedereen. De afstand tussen denken en zeggen is voor velen gelukkig groot. Dat voorkomt een hoop miserie. Maar de afstand tussen denken en schrijven is voor anderen veel te klein geworden omdat het toetsenbord een veel te grote rol is gaan spelen in hun bestaan. Wat gezegd wordt, vervliegt. Het geschrevene of getypte blijft je achtervolgen.  Als schrijver neem ik dat erbij. Omdat ik een schrijver ben. Ik kan niet anders. Vergelijk het met de vrouwtjesmug. Voor sommigen ben ik aanstekelijk, voor anderen houd ik geen steek. De mug doet het ook niet om irritant te zijn, maar omwille van haar voortbestaan en wat ze is. Zij heeft het bloed nodig, ik de inkt. Het zij zo. Ik schreef zo. En dat zal ik blijven doen. Toch mijn excuses aan eenieder die dit leest en opvat zoals het misschien niet bedoeld is, ook aan die eventueel geschoffeerde schoenmaker.  

Danny Vandenberk
2 1

De vergeten schrijver?

In de kringloopwinkel “De Loods” te Maastricht vond ik voor 1 EUR een boek van Jeroen Brouwers. Hij is voor mij een halfgod binnen de Nederlandse literatuur. Dit boekje had ik nog niet: Winterlicht, met een zijvakje binnen op de verharde voorkant waarop de samengevatte info staat van een bibliotheek te Gulpen. Op de eerste pagina prijkt in lichtblauw gedrukt “Afgeschreven”. Het ironische is dat het boek net gaat over een auteur (een ik-verteller en alter ego van de auteur) die werkt als lector voor een uitgeverij en daarbij de oudere miskende auteur Jacob Voorlandt leert kennen. Het werk gaat daarbij over schrijvers die nooit echt doorgebroken zijn en over zijn angst om zelf een vergeten auteur te worden. Het niet-eeuwige en het eeuwige vormen hierbij met zijn dromen, personages en geschreven impressies een deel van het boek en zijn verhaal.  Hij spaart hierbij noch de uitgeverswereld en de mens en diens kijk op het schrijverschap, noch de schrijver zelf, wentelend in zelfbeklag. Waarbij hij zichzelf op de korrel neemt en in toekomstvisioenen ziet hoe hij wel eens zou kunnen eindigen, net als de schrijver die hij volgt: Jacob Voorlandt. Het beangstigende is dat sommige van de uitspraken van de verbitterde schrijver die hij ontmoet zo juist  aanvoelen: “Wie wil schrijven moet uitsluitend schrijven (…) alles wat hij doet of meemaakt in het teken stellen van het oeuvre dat hij maakt, zijn hele leven lang, en het beschouwen als zijn lot dat hij niet kan ontlopen en overigens tot in de uiterste consequentie ook niet wil ontlopen, - dàt is een schrijver.” Hij laat het personage dit vertellen aan de ik-figuur, die hem als een soort mentor aanvuurt om uit de uitgeverswereld te stappen en zich volledig toe te leggen op het schrijven. Iets wat hij hem vertelt  terwijl deze zelf dronken wegkwijnt, alleen en ergens ver weg van de rest van de wereld.  Wat hij hem vertelt is een herkenbaar gegeven, mits je zo effectief kan overleven en toegevingen doet, met de nodige broodschrijverij, inspelend op wat men je vraagt, aanbiedt en wat net in die periode hip is om over te schrijven. Niet helemaal mijn weg, maar het klopt wel: erken wie je in wezen bent en organiseer je leven daarnaar – met wel deze grote maar die ik daarachter plaats – maar laat ruimte over zodat je niet verengt en in vergetelheid geraakt. Of is dit laatste mijn grote angst die opspeelt na het lezen van dit werk?  Goed, de (vergeten) schrijver dus. Hij is voor mij meer dan een mannetje dat hele dagen achter zijn schrijfgestoelte zit, een schrijver moet ook buitenkomen, ontmoeten, beleven en inspiratie opdoen om het tot zich te nemen, om als flexibel wezen diens schrijverij te heruitvinden en te kunnen getuigen van de wereld zoals die nu is. Dat naar buiten gaan moet in balans zijn met het schrijven, het mag geen vlucht zijn van wat het in essentie hoort te doen. Zoals je leest, inspireert dit boek ook mij. Het is een metaboek omdat het personage dat hij beschrijft als een spiegel voor hem en de lezer dienst doet. Tegelijk druipt de ironie ervan af, hij is zelf een gevierd auteur en zeer begenadigd schrijver, waarvan een werk ergens in de kringloopwinkel ligt; verzeild geraakt vanuit een bibliotheek die om de zoveel tijd boeken afschrijft. Terwijl ik, een onbekend schrijver – die niet schrijft om eeuwig te blijven, maar omdat ik nu eenmaal niet(s) anders kan – het vind en zo verheugd ben over de inzichten omtrent het schrijven.  Ik licht er hier nog een ander mooi citaat uit, waarin het ik-personage uitlegt waarom hij zelfs ‘s nachts zijn dromen opschrijft, iets wat ik ook doe als het intens is en in grote beelden blijft hangen:  (…) een droom die men opschrijft, is daarna opgehouden een droom te zijn: - door de droom te reproduceren heeft men een tekst geproduceerd. Wat vervolgens blijft bestaan (zolang het niet wordt vernietigd) is niet de droom, maar de geproduceerde tekst, ‘het geschrevene’: een tot werkelijkheid gemaakt feit, dat afkomstig is uit een onfeitelijk nietbestaan, waar werkelijkheid bestaat uit onwerkelijkheid. Dit is het wezen van literatuur.”*.  Eigenlijk zou je heel die pagina moeten lezen, want hij vertelt over wat autobiografisch is en tegelijk fictie wordt en daarbij een nieuwe werkelijkheid aanneemt. Waarbij de schrijver exploreert, en niet bezig is met verhalen vertellen, want dat metier is overgenomen door de (toen televisie) media van nu en heel binnenkort voor een groot deel door AI, maar dat is geen literatuur, niet zoals het ik-personage en J. Voorlandt bedoelen.   En ja, wie wil er nu niet vereeuwigd worden als kunstenaar? Dat is jouw erfenis, dat is wat je nalaat en al zeker als je zelf geen nazaten hebt. Nochtans mag wat je creëert evengoed een plezier zijn onderweg, omdat je het graag doet of omdat je van verhalen houdt, zonder meer, en het kan een tijdsdocument zijn en niet meer dan dat. In een zeldzaam geval kan het uitgroeien tot net die grote literaire roman die een hap uit de eeuwigheid bijt, maar je weet niet wat de lange termijn brengt. Het kan even snel zoek geraken ergens in een stoffige rommelruimte en niet ontdekt worden, niet afgestoft en onder het daglicht gebracht worden, en net als duizenden andere boeken verdwijnen. Of zoals het nu gaat van hun kaft ontkleed, de rand weggesneden, als wees onthoofd en ingescand door een machine die dan weer andere would-be schrijvers adviseert hoe het moet, maar jouw naam, koud zweet en tranen die verdwijnen, tenzij, tenzij het nog even in het licht komt door een andere verbeten schrijver spittend in een nog net bestaand archief wat ooit een boekenwinkel was of een archeoloog van het woord die het in een multimediacomplex vindt, deel van wat ooit een bibliotheek was, op zoek naar de oorspronkelijke woorden van de schrijver zelf.  En zo blijf je nog even, tot je verstuift in het licht van de eeuwigheid, het onmetelijke van het universum waarvan soms een restje nazindert, het plankton dat nog ergens bleef kleven, omdat het goed genoeg was, mooi en inspirerend genoeg om te blijven, en al de rest… Misschien is dat net de troost, dat hoe groots je het zelf ook ziet, en hoe hard je er ook onder zwoegt, je je niet zo druk moet maken, want enkel de eeuwigheid zelf is eeuwig. Behalve hij, de schrijver, en de persoon die hem telkens opnieuw ontdekt.    *Jeroen Brouwers, Winterlicht. p. 12 en p. 116  (1984) – kort verschenen na De laatste deur, met essays over zelfmoord in de Nederlandstalige letteren (1983).    

Bart Vermeer
11 1

Start to zetel

Evy Gruyaert is nogal ne keer een patéke. Vroeger leerde ze ons lopen. Heel Vlaanderen hing hijgend aan haar stem terwijl zij opgewekt meldde dat we nog één minuut moesten volhouden. Ik heb meermaals gedacht dat mijn linkerlong langs mijn neus naar buiten zou komen, maar Evy bleef kalm. Goed bezig. Niet opgeven. Nog dertig seconden. Daarna leerde ze ons luisteren. Naar ons hoofd, ons lichaam, onze ademhaling en vermoedelijk ook naar organen waarvan we voordien niet wisten dat ze inspraak hadden. Tegenwoordig analyseert ze op Instagram of we wel genoeg in verbinding staan met onszelf en de wereld. Ik zag het passeren terwijl ik in de zetel koffie zat te drinken, met één oog op mijn gsm en het andere op een boek dat al drie dagen op dezelfde bladzijde lag. Ik dacht dat ik wat zat te niksen. Bleek dat ik tegelijk aan het vertragen, ontprikkelen, opladen, mindful lezen en qualitytime met mezelf aan het doen was. Ik was niet lui. Ik zat midden in een traject. Een mens mag tegenwoordig niet meer gewoon moe zijn. Ge zijt overprikkeld. Ge moogt niet in de zetel liggen, ge moet uw zenuwstelsel reguleren. Ge gaat niet met vakantie, ge gaat herbronnen. En als ge na vier dagen terugkomt zonder iets te hebben losgelaten, geheeld of gemanifesteerd, hebt ge uw verlof eigenlijk verkeerd gedaan. Mijn laatste vakantie bestond uit zetelhangen, vrienden zien, koffiedrinken en boeken lezen. Vroeger heette dat vakantie. Vandaag is dat een holistisch vierdaags programma rond vertraging, verbinding, verstilling en persoonlijk herstel. Had ik één keer op blote voeten in het gras gestaan, dan mocht ik er vermoedelijk ook een factuur voor maken. Een halve dag in de zetel liggen is decompressie. Een boek lezen is bewust offline gaan. Koffie drinken is een mindful ritueel en een vriendin zien is qualitytime. Als ge ondertussen over andere mensen praat, is het geen roddelen maar samen emoties verwerken. En als ge na de vierde koffie hartkloppingen krijgt, is dat uw lichaam dat eindelijk iets probeert duidelijk te maken. Ik woon alleen, dus volgens de huidige terminologie baat ik een permanent me-timecentrum uit. Toch ziet het er minder chic uit dan op Instagram. Er staan geen geurkaarsen naast mijn bad. Ik eet soms een sneetje kaas recht uit de verpakking terwijl de koelkastdeur nog openstaat. Dat voelt niet onmiddellijk als selfcare, maar leg diezelfde kaas op een keramieken bord, strooi er twee walnoten naast en noem het intuïtief eten en ge kunt er zestig euro voor vragen. Me-time was vroeger trouwens gewoon: “Ik wil vanavond niemand zien.” Uw sociale batterij was niet leeg. Ge kondt gewoon geen volk verdragen. Ge hoefde daar geen infographic over te delen. Ge deed de gordijnen dicht, nam uw telefoon niet op en als iemand de volgende dag vroeg waar ge waart, zei ge: “Thuis.” Dat was een volledig antwoord. Dan hebt ge nog de mentale detox. Ik lees dat hardnekkig als metalen detox en zie dan iemand met een grote magneet alle paperclips, bh-beugels, winkelkarmuntjes en oude gourmetvorken uit mijn hoofd trekken. Maar een mentale detox betekent blijkbaar dat ge even geen nieuws leest en niet op sociale media zit. Daar moet ge dan wel eerst een foto over plaatsen op sociale media. Meestal twee blote voeten aan een zwembad met daaronder: Even helemaal offline. En vervolgens om de drie minuten kijken hoeveel hartjes uw offline zijn al heeft opgebracht. Mijn favoriete modewoord blijft verbinden. Op mijn werk hoor ik het zo vaak dat ik voortdurend zin krijg om een verlengkabel te halen. Alles moet verbinden. Een voorstelling mag niet gewoon mooi, ontroerend of plezant zijn. Ze moet mensen samenbrengen, bruggen slaan, dialoog creëren, talent laten groeien en de sociale cohesie duurzaam versterken. Vroeger ging ge bij iemand langs. Die zette koffie. Geen zorgvuldig geselecteerde boon die met de hand gemalen werd tijdens een ademhalingsoefening. Gewone koffie. Uit een machine, zo èèn met een papieren filter en gemalen koffie. Er kwam een doos koekjes op tafel die al drie regeringen had meegemaakt. Ge praatte over de kinderen, uw werk, uw rug en die ene mens die op het rondpunt zijn pinker niet had gebruikt. Iemand zei: “Allez, nog eentje dan”, en schonk voor de vijfde keer bij. Tegen die tijd was de koffie een beetje bitter geworden. Drie uur later ging ge naar huis. Niemand zei bij het afscheid: “Wat fijn dat wij vandaag zo authentiek hebben mogen verbinden.” Ge zei: “We moeten dat meer doen.” Ook vakantie is intussen een opdracht met eindtermen geworden. We moeten vertragen, opladen, loslaten en dichter bij onszelf komen. Alsof we onszelf ergens onderweg aan een tankstation hebben achtergelaten. Mensen komen vermoeider terug van hun ontspanning dan ze vertrokken zijn. Ze hebben bij zonsopgang yoga gedaan, lokaal brood gebakken, in een bos gebaad, hun dankbaarheid opgeschreven en tijdens een stiltewandeling ruzie gekregen omdat iemand te luid ademde. Ik heb dat allemaal niet gedaan. Ik heb in de zetel gelegen. Ik heb koffie gedronken. Ik heb vrienden gezien. Ik heb een boek gelezen, ben na zes bladzijden in slaap gevallen en wakker geworden met de hoek ervan in mijn gezicht. Ik heb niets gemanifesteerd, behalve misschien een zak chips. Ik ben niet dichter bij mijn kern gekomen. Mijn kern lag mee onder het fleecedeken en had kruimels tussen haar borsten. En daarom stel ik voor dat Evy een nieuw programma maakt: Start to Zetel. We beginnen voorzichtig met tien minuten en bouwen in tien weken tijd op naar een volledige namiddag. Met Evy in onze oren. “Ontspan uw schouders. Negeer de deurbel. Reik rustig naar de chips. Nog negen minuten blijven liggen. Ge doet dat goed.” Ik schrijf mij onmiddellijk in.

Katrien Daniels
184 10

De Pelgrim

Ik ben voor een paar dagen in Frankrijk. In het noorden. Een beetje vakantie, een beetje vriendendienst en een beetje retraite. De precieze verhoudingen durf ik niet te zeggen. Sommige dagen voelen voor zeventig procent als vakantie, andere vooral als vluchten met een cultureel verantwoord excuus. En ik heb ze zo graag, die dagen waarop ik helemaal alleen op stap ben. In een land waar de taal tegelijk klinkt naar romantiek en chagrijn. Waar zelfs een parkeerverbod klinkt alsof iemand u eerst nog even in de nek zal kussen. Een land waar ze gul water en brood op tafel zetten nog vóór ge beslist hebt of ge de formule du midi zult nemen. Waar de bebouwde kom echt bebouwd is en dan ook ineens gedaan. Gewoon: huizen, een bord met een rode streep erdoor en daarna velden. Uitgestrekt, glooiend en leeg genoeg om uw hoofd eindelijk eens zijn mond te laten houden. Ik had de dag doorgebracht zoals een cultuurmens dat doet: met een bezoek aan een museum. Ge kunt mij drie dagen vrij geven en toch zal ik op een bepaald moment vrijwillig voor een schilderij gaan staan met mijn handen op mijn rug. Daarna was ik gaan cruisen door de velden. Raampje open, muziek aan en wegen volgen waarvan zelfs Google Maps leek te denken: als gij het echt wilt. Later bracht ik nog een bezoek aan Saint-Quentin. Gezellig. Mooi zelfs. Maar verwacht niet te veel. Dat is trouwens een uitstekende levenshouding, niet alleen voor Saint-Quentin. Voor de nacht had ik een kamer geboekt ergens in een gat met een naam die alleen door mijn gps werd onthouden. Zo’n plek waar rust nog gewoon rust is, gastvrijheid gastvrijheid en een badkamer iets wat ge deelt met mensen van wie ge hoopt dat ze ongeveer dezelfde normen hanteren als gij. De bedden piepten, de vloer ook en vermoedelijk had zelfs het nachtkastje iets te vertellen wanneer ge er een glas water op zette. Het fijne aan alleen reizen zijn de ontmoetingen. Alleen zijt ge beschikbaar voor de wereld. En ik geloof niet dat toeval bestaat. Dus zat daar die avond, aan de boord van een kanaaltje, bij een ondergaande zon die overdreven haar best deed, een Nederlander op mij te wachten. We waren allebei bijna kinderlijk blij dat we onze eigen taal konden spreken. Na een paar dagen Frans wordt een mens al gelukkig van iemand die zonder aarzelen begrijpt wat ge bedoelt met “amai”.  Hij was muzikant. Dat hielp. Voor we goed en wel wisten hoe de ander heette, hadden we al professioneel en cultureel een paar raakvlakken gevonden. We praatten over muziek, over jonge talenten en over hoe het is wanneer iemand op een podium nog niet heeft geleerd om zich kleiner te maken dan hij is. Over mensen die iets kunnen maar nog niet helemaal weten wat ze daarmee moeten aanvangen. En waarschijnlijk ook een beetje over onszelf. Want er komt blijkbaar een leeftijd waarop ge de dingen eens moet kunnen overschouwen. Niet omdat alles voorbij is, maar omdat er al genoeg achter u ligt om eindelijk een uitzicht te hebben. Ge kijkt naar wat ge hebt gedaan, wat ge nog wilt doen en welke stukken van uw leven ondertussen vooral bestaan uit veel lawaai en weinig muziek. Hij had beslist om dat nu te doen. Een paar maanden niets. Hij had zijn gitaar ingeruild voor een fiets. Amsterdam voor de onvoorspelbare wegen van de Camino. Optredens, afspraken en vertrouwde straten voor iedere ochtend opnieuw vertrekken zonder precies te weten wat de dag hem zou brengen. Geen strak schema. Geen agenda. Geen applaus. Alleen een fiets, een weg en Santiago ergens ver voor hem. En vertragen. Dat was toch de bedoeling. Hij was een week onderweg en dat laatste moest hij nog een beetje leren. Want ge kunt uw gitaar thuislaten, uw agenda leegmaken en Amsterdam achter u laten, maar uw eigen tempo fietst gewoon mee. Ge stapt niet op een fiets en wordt bij het eerste Franse dorp plots een zacht glimlachende pelgrim die bij iedere zonnebloem de zin van het leven begrijpt. Sommige mensen beginnen zelfs aan onthaasten met een strak dagschema. Ik vond dat geruststellend. We maken van vertrekken graag iets groots en zuivers. Alsof ge bij het overschrijden van een grens automatisch alles achterlaat wat zwaar is. Maar zo werkt het niet. Uw twijfels reizen gratis mee. Uw onrust hoeft geen kamer te boeken. Uw gedachten zitten achterop en vragen om de paar kilometer of het nog ver is. Misschien is dat net de Camino. Niet de weg naar Santiago, maar de afstand die ge nodig hebt om eindelijk wat trager te worden dan uw eigen hoofd. Ik keek naar hem en voelde iets wat verdacht veel op bewondering leek. Misschien ook een beetje jaloezie. Niet op de kilometers, begrijp me niet verkeerd. Mijn spirituele ontwikkeling kent grenzen en zadelpijn hoort daar voorlopig niet bij. Maar wel op de eenvoud. Eén weg. Eén richting. Een paar maanden waarin ge niet voortdurend iets moet beantwoorden, organiseren of uitleggen. Een pelgrim hoeft ’s morgens niet te beslissen wie hij wil zijn. Hij moet alleen vertrekken. Hij zou de volgende ochtend opnieuw op zijn fiets stappen. Altijd in dezelfde richting, dichter bij Santiago. Hopelijk ook een beetje dichter bij het tempo waarnaar hij op zoek was. Ik zou mijn gps aanzetten en verder rijden naar plekken waarvan ik de naam niet kon onthouden. Een beetje vakantie, een beetje vriendendienst en een beetje retraite. Zonder fiets, zonder schelp aan mijn rugzak en voorlopig ook zonder maandenlange sabbatperiode. Maar wel met een ontmoeting die daar volgens mij niet toevallig aan dat kanaaltje zat. Misschien hoeft een pelgrim niet altijd naar Santiago. Misschien is het soms al genoeg dat ge vertrekt. Dat ge alleen door vreemde velden rijdt, met iemand praat die ge gisteren nog niet kende en onderweg even stilstaat bij waar ge vandaan komt.  

Katrien Daniels
119 9