Zoeken

Blijven staan

‘Komt allemaal naar hier, vrouwen. Medea is zot geworden. De duvel is in haar lijf gekropen en spreekt door hare mond.’ Zo begon het. Of toch ongeveer. Na bijna dertig jaar zitten die woorden nog altijd ergens in mijn hoofd. Ik was negentien en ik was Medea. Allez. Ik speelde Medea. Ik kende mijn tekst. Mijn wereldproblemen waren nog bijzonder overzichtelijk. Een jongen die niet keek wanneer ik wilde dat hij keek. Een examen waarvoor ik te laat begonnen was. Een moeder die lastig deed. Een broek waarin mijn gat er dik uitzag. Een puist die altijd een uitstekend gevoel voor timing had. En daar stond ik dan, in de toneelklas, een vrouw te spelen die door haar man verlaten was voor een jongere vrouw en die van verdriet, vernedering en razernij zo ver buiten zichzelf trad dat ze bereid was het ondenkbare te doen. Haar kinderen vermoorden. Wist ik veel. Op je negentiende weet je inderdaad niet veel. Je denkt nog dat de wereld min of meer logisch in elkaar zit. Dat wie goed doet, goed ontmoet. Dat grote liefdes groot blijven. Dat mensen die zeggen dat ze blijven, blijven. Dat volwassenen weten waarmee ze bezig zijn. Dat ouders altijd ouders zijn. Dat vriendschappen niet breken. Dat als je iemand je hart geeft, die mens daar toch op zijn minst niet mee gaat voetballen. En vooral: je denkt dat je zelf ongeveer weet wie je bent en hoe je in bepaalde situaties zou reageren. Ik zou nooit. Dat zeggen negentienjarigen nogal gemakkelijk. Ik zou nooit bij iemand blijven die mij pijn doet. Ik zou nooit liegen. Nooit iemand haten die ik ooit graag gezien heb. Nooit jaloers zijn. Nooit wraak willen. Nooit iets zeggen alleen omdat je precies weet waar het bij de ander pijn doet. En dan begint het leven, in beetjes. Een kras. Een barst. Een deur die dichtgaat. Iemand die vertrekt. Iemand die blijft maar er eigenlijk al lang niet meer is. Liefde die niet genoeg blijkt. Een leugen recht in je gezicht. Een afscheid waarvoor je nog niet klaar was. Onrecht waar geen mooie oplossing voor bestaat. Je kinderen die pijn hebben en jij die ontdekt dat moederliefde dan wel enorm is, maar helaas geen superkracht. Je leert dat goede mensen soms rotte dingen doen. Dat mensen van wie je houdt je kunnen verwonden. Dat je iemand tegelijk kunt missen en naar de maan wensen. Dat verdriet niet altijd waardig is. Dat woede soms onder je vel kruipt en daar dagen blijft zitten. En dat je zelf ook niet altijd die redelijke, zachte, verstandige mens bent die je dacht te zijn. Ergens onderweg zit die Medea. Niet de kindermoordenares. Maar de vrouw ervoor. De vrouw die roept: kijk dan wat ge met mij gedaan hebt. De vrouw die niet onmiddellijk wil verwerken, helen, loslaten, verbinden of dankbaar zijn voor de lessen die het universum haar alweer cadeau heeft gedaan. Fuck de lessen van het universum. Soms ben je kwaad. Razend kwaad. En ik weet nu dat de ergste woede soms heel stil is. En dan moet je gewoon gaan staan. Staan. Er staan. Niet flink. Niet geheeld. Niet met een of andere kutquote over loslaten op Instagram. Gewoon recht. Met uw verdriet. Uw woede. Uw goesting om iemand zijn kop tegen een Griekse zuil te kloppen. Met alles wat niet netjes, vrouwelijk, redelijk of vergeven is. Met de duvel in uw lijf gekropen is. Blijf staan. Medea. Staan. ‘Dag Jason. Wat een schoon gedacht van u om naar hier te komen en uw schone jonge bruid achter te laten... Onnozelaar! '

Katrien Daniels
28 1

Niemand heeft het gezien

De deur valt achter me in het slot. Mijn veilige ruimte waar ik steeds weer naar terugkeer is goed afgesloten. Deze keer verlaat ik mijn huis om me naar mijn werkplaats te begeven. Omdat die niet vlakbij ligt neem ik de auto. Mijn huis ligt weliswaar achter mij maar trekt nog aan me, de lekkende kraan in de badkamer bijvoorbeeld en de was die nog in de droogkast moet. Er zijn buiten echter ook verplichtingen.Hoe moe ik me ook nog voel, het maakt niet uit, ik stap met de autosleutel in de hand naar de overkant van de straat. De dag ervoor parkeerde ik er mijn auto.   Elke dag opnieuw plof ik me met dezelfde lichtheid neer, breng ik de bestuurderszetel in een comfortabele positie en zet ik de motor en de radio aan. De radio verbindt me met de mensheid terwijl ik alleen in de auto zit, net als al diegenen die achter, voor en naast me rijden, in bakken die in principe voor één persoon te groot zijn, in bakken waar een gans gezin in past.  Half zo brede wagens waarmee je met grote snelheid over de snelweg mag rijden bestaan niet. Een soort van overdekte motoren die over half zo brede rijstroken zouden mogen rijden. Een drievaksbaan zou dan een zesvaksbaan kunnen worden. Ik weet goed genoeg dat zoiets enkel in een wereld zonder vrachtwagens kan bestaan. Dat ik hun klevende bumpers niet meer zou zien in de achteruitkijkspiegel zou ik niet erg vinden. Om niet meer tussen die mastodonten die de helft van je uitzicht wegnemen te moeten laveren, zou ik niet missen. Om er niet meer achter te moeten hangen terwijl ze tergend traag elkaar proberen in te halen, om niet meer te moeten vrezen dat ik de afrit zal missen omdat ze me geen plaats gunnen, dat alles zou ik heerlijk ontspannend vinden. Nachtelijke dromen krijgen een vervolg in dagdromen terwijl ik de sleutel, die aan dezelfde sleutelhanger van de huissleutel hangt, in mijn hand houd. Ik steek de sleutel in het slot. Een handeling die ik talloze keren heb uitgevoerd. Ik krijg hem er niet in en dat stopt meteen de hele gedachtenstroom over vrachtwagenvrije snelwegen. De sleutel hapert en daarmee ook mijn hele timing! Ik weet perfect hoe lang ik over de weg doe en ook hoeveel tijd ik er moet aan toevoegen voor onvoorziene omstandigheden. Het mag dus niet te lang meer duren. Ik wrikkel nog even met de sleutel, hopend dat hij vlotjes in het slot wil glijden.  Het lukt me niet. In fracties van seconden verschijnen bij mij alle mogelijke fouten die ik bij deze eenvoudige handeling gemaakt kan hebben. Ik kijk of ik wel degelijk de autosleutel tussen mijn vingers heb en niet mijn huissleutel. Ik probeer opnieuw, zonder succes. Dan draai ik de sleutel om. Dat zal het zijn. Opnieuw krijg ik er hem niet in! De ontreddering slaat toe. Een handeling die me nooit enige moeite heeft gekost wordt een probleem. Een routine die soepel zou moeten verlopen blokkeert de rest van de dag en misschien wel de rest van mijn leven. Mijn reputatie van altijd stipte en betrouwbare werknemer wordt in luttele seconden vernietigd. Hoe moet ik dit gaan uitleggen? ‘Ik kreeg mijn sleutel niet in het slot’ . Het klinkt als de meest onnozele uitleg bij het te laat komen. ‘Het zal wel zijn dat je je sleutel er niet inkreeg’. Vóór mij staand zie ik ze al gniffelend naar elkaar kijken ‘Dat laatste slaapmutsje zal wel een shotje teveel geweest zijn ‘ . ‘Ze zal door haar wekker heen geslapen zijn.’ Ja, dat zullen ze denken.  Vanuit de spoeddienst in tranen bellen naar mijn werkgever omdat ik voor mijn deur zwaar ben aangereden door een bromfiets die blindelings vanachter de hoek is komen aanrijden, dat zou een goede reden zijn. Dat zou ook medelijden opwekken. Daar zouden mijn collega’s het er de hele dag over hebben, over de pech die ik heb gehad , over hoe ze het werk nu zullen moeten verdelen en of ze de geplande vergadering zonder mij wel kunnen laten doorgaan.  Maar nee, ik sta hier ongedeerd met een sleutel in mijn hand. Hoe kan ik dat straks geloofwaardig maken. Dat vraag ik me af terwijl ik nog een laatste poging doe om die verdomde sleutel erin te krijgen. Er moet iets mis zijn met dat slot. Het lijkt onmogelijk, maar het klinkt voorlopig als de meest logische verklaring. Ik trek nerveus aan de klink en kijk door het raam naar de bestuurderszetel waarop ik al had moeten zitten. Misschien heeft iemand aan mijn auto gezeten. Ik kijk door het achterste raam. Alles lijkt op het eerste zicht in orde te zijn. Op de achterbank staan drie kartonnen dozen. Ik herken deze dozen niet. Ik kijk nogmaals en probeer me te herinneren waar ze vandaan komen. Had ik iets gekocht en op de achterbank laten staan? Ik lees de teksten op de dozen voor zover ik ze in het donker kan zien. De afbeelding van een stofzuiger op de ene doos zag ik nooit eeder. Op de andere doos kleeft een etiket van een chinese leverancier. Op de derde doos zie ik boven een amper te lezen adres de naam van …. Mijn hoofd wordt licht, de diepe mist waar ik ondertussen in verzeild was geraakt klaart onmiddellijk op. De puzzelstukken vallen op hun plaats. Dit is niet mijn auto. Mijn auto staat achter deze auto geparkeerd! Er valt een ton ijsblokken smeltend neer op de straatstenen. Ik draai mijn hoofd discreet naar alle ramen en deuren vanwaaruit men mij had kunnen zien en stel vast dat er geen getuigen zijn geweest.  Niemand heeft het gezien. Ik open de deur en plof me neer op de bestuurdersstoel. Ik start de auto. De mensheid zal niet weten wat voor een drama ik heb meegemaakt deze ochtend. Voorlopig toch niet. Later misschien, wanneer ik op pensioen ben. Ik zal mooi op tijd aankomen op de werkplaats. Niemand zal aan mij twijfelen. De autozetel voelde nooit eerder zo relaxt. De radio op volle bak verbond me nooit eerder zo sterk met de mensheid. Ik kijk in de achteruitkijkspiegel, steek de lichten en richtingaanwijzer aan, rijd voorbij de auto die voor me geparkeerd staat en geef volle bak gas.      

Alma lavado
0 0

Schurken in Brugge

We stappen door Brugge. Het is altijd fijn terugkomen in de stad van ridders, heiligen, schurken en ander geboefte. Er is veel volk op de been. Niet zozeer de mensen uit de vorige zin, dat is lang geleden, maar eerder toeristen uit alle windstreken. Wat ook opvalt? Het gemotoriseerd verkeer blijft samen met de koetsen door smalle straten rijden. Het is uitkijken geblazen, of ze maaien je van de weg. Een fietser zie ik ei zo na gekneld raken tussen een vrachtwagen en de rand van het voetpad. Moeilijk om te begrijpen, net zoals hun taaltje. Als we de volgende ochtend voor dag en dauw in de Wulfhagestraat wandelen, zien we voor ons door de ochtendmist de toren van de Sint-Salvathorskatedraal opduiken. Ik kan me voorstellen dat zoiets in de middeleeuwen een nog meer mystiek beeld was.  Iets later gaan we de supermarkt met de leeuw binnen, brullend van de honger bijna. Ik wacht in het portaal om de zaak wat af te kijken. Een afwijking van mezelf, genezing is niet nodig. Een man rekent af aan de kassa. Zijn boodschappentrolley staat naast hem. Hij ziet niet dat een binnenkomende man een ‘sssst’-gebaar maakt naar de kassière. Met zijn wijsvinger op de lippen. Hij neemt de trolley van de man en zet die opzij. De eerste man wil zijn portefeuille in de trolley steken en schrikt dat die niet op zijn plaats staat. Hij kijkt opzij en daar ziet hij de andere man lachend staan. Ze kennen elkaar. “Maar gij schurk”, zegt hij. Samen met de mevrouw aan de kassa lach ik met het vrolijke tafereel. Daarna zeggen ze iets dat ik niet begrijp, enkel ‘tot straks’ versta ik. Vervolgens gaan ze elk hun weg, met de trolley achter zich aan. Zoals moderne ridders in Brugge. Schurken zijn het niet.

Rudi Lavreysen
8 1

Wat kan het mij?

Ja, 't is waar. Ik heb succes bij de vrouwen. Ik ben geen opschepper, het is gewoon zo. Ze cirkelen bijna voortdurend rond me. Waarom, dat zou ik wel eens willen weten. Overdreven knap ben ik niet. En dan spreek ik over alle interpretaties van dat woord. Niet aantrekkelijk, niet intelligent, niet handig. Dan kan het bijna niets anders dan mijn goedlachsheid en humor zijn, misschien wel in combinatie met mijn gedrag en uiterlijk. Dat zullen ze grappig vinden. En heel aanstekelijk. In de vorige paragraaf had ik het over muggen, dat had je misschien wel begrepen. Ik ben de voorbije week herhaaldelijk gestoken en gebeten, op plaatsen die je niet wil weten. Door een aantal vrouwelijke exemplaren, want zij zijn de stekers, de wakkerhouders. Omdat ze bloed nodig hebben voor de ontwikkeling van hun eitjes, zegt Wikipedia. Wat kan het mij? (Tegenwoordig stel ik mezelf vragen, op zich al een vermoeiende bezigheid, zeker in deze periode van slapeloosheid, daarom laat ik doorgaans de vermoeiende werkwoorden achterwege.) Verrekken, schelen, fucken of verdommen, verdomme! Excuseer.  Mannelijke muggen daarentegen drinken alleen nectar en sapjes, planten zich in stilte voort en bemoeien zich verder nergens mee. Ik zou een goede mug zijn. Maar mensen zijn geen muggen, al komen muggenzifters in de buurt. Op zich is dat nog een troetelnaampje voor degenen die ik beoog. Ik heb het dan over de zogeheten klavierhelden of toetsenbordridders, de assertieven op azerty, de quertyquerulanten. De bijna ziekelijke klagers die voortdurend denken dat hen onrecht aangedaan is of zij die constant de behoefte voelen om anderen te schofferen.  Ik heb de indruk dat het bij mensen meestal over de mannetjes gaat. Zij steken. Cru gezegd geloof ik dat het vooral diegenen zijn die vroeger frequent de spade, borstel, hamer, schroevendraaier, biljartkeu of misschien wel de breinaald hanteerden, maar die tegenwoordig, uit professionele of vrijetijdsoverwegingen vooral in de buurt van hun toetsenbord vertoeven.  Hebben ze ongelijk? Schoenmakers die bij hun leest bleven, zijn inmiddels al lang failliet. Je moet mee met de moderne tijd, maar sommigen doen dat zo onbehouwen dat het lijkt alsof ze het idee hebben dat ze ongenaakbaar zijn. Het is niet omdat de kwaliteit en de waarde van schoeisel zo gezakt zijn, dat ze het niveau van het geschrevene daarom op evenredige wijze moeten neerhalen. 'De wereld zou doodvervelend zijn als niet ieder zich stiekem superieur achtte aan bijna ieder ander mens,' zei de Amerikaanse schrijver Don Marquis honderd jaar geleden al.  Dat het stiekeme, of beter gezegd het niet uitgesprokene of -geschrevene, steeds vaker achterwege blijft, is in dit geval erg jammer. Vooral omdat het superioriteitsgevoel van velen niet alleen overontwikkeld maar ook nog eens totaal misplaatst is. Het kwalijkste zijn de anoniemen, je weet wel, de geniepstypers. Die met de schuilnamen, die het met een walgelijke welwillendheid doen en zich op een laffe manier verstoppen achter namen à la Jan Oniem, Wim Cognito of iets dergelijks. Waar stiekem nog een luchtige bijklank heeft, iets 'om bestwillerigs', wordt het hier heimelijk en hatelijk. Ben ik dan zelf zonder zonden? Ik denk grotendeels van wel, eerlijk gezegd. Toegegeven, achter het scherm neem ik ook veel sneller het voortouw. Tijdens groepsbijeenkomsten voel ik me veel comfortabeler op de achtergrond. Toch kom ik zo nu en dan ad rem uit de hoek, op welke manier dan ook. Ook al ben ik, volgens sommigen, een babbelaar van jewelste, toch heb ik zelf altijd het gevoel gehad dat ik me al schrijvend heel wat gemakkelijker en genuanceerder uitdruk.  Wat Don Marquis zei, klopt volgens mij wel. In elk van ons schuilt effectief een soort superioriteitsgevoel ten opzichte van bijna ieder ander mens. Ik zou het zo gedaan hebben. Dat vind ik dom van haar. Wat heeft ze nu toch weer uitgestoken? Waarom heeft hij dat in hemelsnaam gekocht? Had hij niet beter twee keer nagedacht? Was dat nu echt nodig? We weten het allemaal, van bijna iedereen. De afstand tussen denken en zeggen is voor velen gelukkig groot. Dat voorkomt een hoop miserie. Maar de afstand tussen denken en schrijven is voor anderen veel te klein geworden omdat het toetsenbord een veel te grote rol is gaan spelen in hun bestaan. Wat gezegd wordt, vervliegt. Het geschrevene of getypte blijft je achtervolgen.  Als schrijver neem ik dat erbij. Omdat ik een schrijver ben. Ik kan niet anders. Vergelijk het met de vrouwtjesmug. Voor sommigen ben ik aanstekelijk, voor anderen houd ik geen steek. De mug doet het ook niet om irritant te zijn, maar omwille van haar voortbestaan en wat ze is. Zij heeft het bloed nodig, ik de inkt. Het zij zo. Ik schreef zo. En dat zal ik blijven doen. Toch mijn excuses aan eenieder die dit leest en opvat zoals het misschien niet bedoeld is, ook aan die eventueel geschoffeerde schoenmaker.  

Danny Vandenberk
2 1

De vergeten schrijver?

In de kringloopwinkel “De Loods” te Maastricht vond ik voor 1 EUR een boek van Jeroen Brouwers. Hij is voor mij een halfgod binnen de Nederlandse literatuur. Dit boekje had ik nog niet: Winterlicht, met een zijvakje binnen op de verharde voorkant waarop de samengevatte info staat van een bibliotheek te Gulpen. Op de eerste pagina prijkt in lichtblauw gedrukt “Afgeschreven”. Het ironische is dat het boek net gaat over een auteur (een ik-verteller en alter ego van de auteur) die werkt als lector voor een uitgeverij en daarbij de oudere miskende auteur Jacob Voorlandt leert kennen. Het werk gaat daarbij over schrijvers die nooit echt doorgebroken zijn en over zijn angst om zelf een vergeten auteur te worden. Het niet-eeuwige en het eeuwige vormen hierbij met zijn dromen, personages en geschreven impressies een deel van het boek en zijn verhaal.  Hij spaart hierbij noch de uitgeverswereld en de mens en diens kijk op het schrijverschap, noch de schrijver zelf, wentelend in zelfbeklag. Waarbij hij zichzelf op de korrel neemt en in toekomstvisioenen ziet hoe hij wel eens zou kunnen eindigen, net als de schrijver die hij volgt: Jacob Voorlandt. Het beangstigende is dat sommige van de uitspraken van de verbitterde schrijver die hij ontmoet zo juist  aanvoelen: “Wie wil schrijven moet uitsluitend schrijven (…) alles wat hij doet of meemaakt in het teken stellen van het oeuvre dat hij maakt, zijn hele leven lang, en het beschouwen als zijn lot dat hij niet kan ontlopen en overigens tot in de uiterste consequentie ook niet wil ontlopen, - dàt is een schrijver.” Hij laat het personage dit vertellen aan de ik-figuur, die hem als een soort mentor aanvuurt om uit de uitgeverswereld te stappen en zich volledig toe te leggen op het schrijven. Iets wat hij hem vertelt  terwijl deze zelf dronken wegkwijnt, alleen en ergens ver weg van de rest van de wereld.  Wat hij hem vertelt is een herkenbaar gegeven, mits je zo effectief kan overleven en toegevingen doet, met de nodige broodschrijverij, inspelend op wat men je vraagt, aanbiedt en wat net in die periode hip is om over te schrijven. Niet helemaal mijn weg, maar het klopt wel: erken wie je in wezen bent en organiseer je leven daarnaar – met wel deze grote maar die ik daarachter plaats – maar laat ruimte over zodat je niet verengt en in vergetelheid geraakt. Of is dit laatste mijn grote angst die opspeelt na het lezen van dit werk?  Goed, de (vergeten) schrijver dus. Hij is voor mij meer dan een mannetje dat hele dagen achter zijn schrijfgestoelte zit, een schrijver moet ook buitenkomen, ontmoeten, beleven en inspiratie opdoen om het tot zich te nemen, om als flexibel wezen diens schrijverij te heruitvinden en te kunnen getuigen van de wereld zoals die nu is. Dat naar buiten gaan moet in balans zijn met het schrijven, het mag geen vlucht zijn van wat het in essentie hoort te doen. Zoals je leest, inspireert dit boek ook mij. Het is een metaboek omdat het personage dat hij beschrijft als een spiegel voor hem en de lezer dienst doet. Tegelijk druipt de ironie ervan af, hij is zelf een gevierd auteur en zeer begenadigd schrijver, waarvan een werk ergens in de kringloopwinkel ligt; verzeild geraakt vanuit een bibliotheek die om de zoveel tijd boeken afschrijft. Terwijl ik, een onbekend schrijver – die niet schrijft om eeuwig te blijven, maar omdat ik nu eenmaal niet(s) anders kan – het vind en zo verheugd ben over de inzichten omtrent het schrijven.  Ik licht er hier nog een ander mooi citaat uit, waarin het ik-personage uitlegt waarom hij zelfs ‘s nachts zijn dromen opschrijft, iets wat ik ook doe als het intens is en in grote beelden blijft hangen:  (…) een droom die men opschrijft, is daarna opgehouden een droom te zijn: - door de droom te reproduceren heeft men een tekst geproduceerd. Wat vervolgens blijft bestaan (zolang het niet wordt vernietigd) is niet de droom, maar de geproduceerde tekst, ‘het geschrevene’: een tot werkelijkheid gemaakt feit, dat afkomstig is uit een onfeitelijk nietbestaan, waar werkelijkheid bestaat uit onwerkelijkheid. Dit is het wezen van literatuur.”*.  Eigenlijk zou je heel die pagina moeten lezen, want hij vertelt over wat autobiografisch is en tegelijk fictie wordt en daarbij een nieuwe werkelijkheid aanneemt. Waarbij de schrijver exploreert, en niet bezig is met verhalen vertellen, want dat metier is overgenomen door de (toen televisie) media van nu en heel binnenkort voor een groot deel door AI, maar dat is geen literatuur, niet zoals het ik-personage en J. Voorlandt bedoelen.   En ja, wie wil er nu niet vereeuwigd worden als kunstenaar? Dat is jouw erfenis, dat is wat je nalaat en al zeker als je zelf geen nazaten hebt. Nochtans mag wat je creëert evengoed een plezier zijn onderweg, omdat je het graag doet of omdat je van verhalen houdt, zonder meer, en het kan een tijdsdocument zijn en niet meer dan dat. In een zeldzaam geval kan het uitgroeien tot net die grote literaire roman die een hap uit de eeuwigheid bijt, maar je weet niet wat de lange termijn brengt. Het kan even snel zoek geraken ergens in een stoffige rommelruimte en niet ontdekt worden, niet afgestoft en onder het daglicht gebracht worden, en net als duizenden andere boeken verdwijnen. Of zoals het nu gaat van hun kaft ontkleed, de rand weggesneden, als wees onthoofd en ingescand door een machine die dan weer andere would-be schrijvers adviseert hoe het moet, maar jouw naam, koud zweet en tranen die verdwijnen, tenzij, tenzij het nog even in het licht komt door een andere verbeten schrijver spittend in een nog net bestaand archief wat ooit een boekenwinkel was of een archeoloog van het woord die het in een multimediacomplex vindt, deel van wat ooit een bibliotheek was, op zoek naar de oorspronkelijke woorden van de schrijver zelf.  En zo blijf je nog even, tot je verstuift in het licht van de eeuwigheid, het onmetelijke van het universum waarvan soms een restje nazindert, het plankton dat nog ergens bleef kleven, omdat het goed genoeg was, mooi en inspirerend genoeg om te blijven, en al de rest… Misschien is dat net de troost, dat hoe groots je het zelf ook ziet, en hoe hard je er ook onder zwoegt, je je niet zo druk moet maken, want enkel de eeuwigheid zelf is eeuwig. Behalve hij, de schrijver, en de persoon die hem telkens opnieuw ontdekt.    *Jeroen Brouwers, Winterlicht. p. 12 en p. 116  (1984) – kort verschenen na De laatste deur, met essays over zelfmoord in de Nederlandstalige letteren (1983).    

Bart Vermeer
11 1

Start to zetel

Evy Gruyaert is nogal ne keer een patéke. Vroeger leerde ze ons lopen. Heel Vlaanderen hing hijgend aan haar stem terwijl zij opgewekt meldde dat we nog één minuut moesten volhouden. Ik heb meermaals gedacht dat mijn linkerlong langs mijn neus naar buiten zou komen, maar Evy bleef kalm. Goed bezig. Niet opgeven. Nog dertig seconden. Daarna leerde ze ons luisteren. Naar ons hoofd, ons lichaam, onze ademhaling en vermoedelijk ook naar organen waarvan we voordien niet wisten dat ze inspraak hadden. Tegenwoordig analyseert ze op Instagram of we wel genoeg in verbinding staan met onszelf en de wereld. Ik zag het passeren terwijl ik in de zetel koffie zat te drinken, met één oog op mijn gsm en het andere op een boek dat al drie dagen op dezelfde bladzijde lag. Ik dacht dat ik wat zat te niksen. Bleek dat ik tegelijk aan het vertragen, ontprikkelen, opladen, mindful lezen en qualitytime met mezelf aan het doen was. Ik was niet lui. Ik zat midden in een traject. Een mens mag tegenwoordig niet meer gewoon moe zijn. Ge zijt overprikkeld. Ge moogt niet in de zetel liggen, ge moet uw zenuwstelsel reguleren. Ge gaat niet met vakantie, ge gaat herbronnen. En als ge na vier dagen terugkomt zonder iets te hebben losgelaten, geheeld of gemanifesteerd, hebt ge uw verlof eigenlijk verkeerd gedaan. Mijn laatste vakantie bestond uit zetelhangen, vrienden zien, koffiedrinken en boeken lezen. Vroeger heette dat vakantie. Vandaag is dat een holistisch vierdaags programma rond vertraging, verbinding, verstilling en persoonlijk herstel. Had ik één keer op blote voeten in het gras gestaan, dan mocht ik er vermoedelijk ook een factuur voor maken. Een halve dag in de zetel liggen is decompressie. Een boek lezen is bewust offline gaan. Koffie drinken is een mindful ritueel en een vriendin zien is qualitytime. Als ge ondertussen over andere mensen praat, is het geen roddelen maar samen emoties verwerken. En als ge na de vierde koffie hartkloppingen krijgt, is dat uw lichaam dat eindelijk iets probeert duidelijk te maken. Ik woon alleen, dus volgens de huidige terminologie baat ik een permanent me-timecentrum uit. Toch ziet het er minder chic uit dan op Instagram. Er staan geen geurkaarsen naast mijn bad. Ik eet soms een sneetje kaas recht uit de verpakking terwijl de koelkastdeur nog openstaat. Dat voelt niet onmiddellijk als selfcare, maar leg diezelfde kaas op een keramieken bord, strooi er twee walnoten naast en noem het intuïtief eten en ge kunt er zestig euro voor vragen. Me-time was vroeger trouwens gewoon: “Ik wil vanavond niemand zien.” Uw sociale batterij was niet leeg. Ge kondt gewoon geen volk verdragen. Ge hoefde daar geen infographic over te delen. Ge deed de gordijnen dicht, nam uw telefoon niet op en als iemand de volgende dag vroeg waar ge waart, zei ge: “Thuis.” Dat was een volledig antwoord. Dan hebt ge nog de mentale detox. Ik lees dat hardnekkig als metalen detox en zie dan iemand met een grote magneet alle paperclips, bh-beugels, winkelkarmuntjes en oude gourmetvorken uit mijn hoofd trekken. Maar een mentale detox betekent blijkbaar dat ge even geen nieuws leest en niet op sociale media zit. Daar moet ge dan wel eerst een foto over plaatsen op sociale media. Meestal twee blote voeten aan een zwembad met daaronder: Even helemaal offline. En vervolgens om de drie minuten kijken hoeveel hartjes uw offline zijn al heeft opgebracht. Mijn favoriete modewoord blijft verbinden. Op mijn werk hoor ik het zo vaak dat ik voortdurend zin krijg om een verlengkabel te halen. Alles moet verbinden. Een voorstelling mag niet gewoon mooi, ontroerend of plezant zijn. Ze moet mensen samenbrengen, bruggen slaan, dialoog creëren, talent laten groeien en de sociale cohesie duurzaam versterken. Vroeger ging ge bij iemand langs. Die zette koffie. Geen zorgvuldig geselecteerde boon die met de hand gemalen werd tijdens een ademhalingsoefening. Gewone koffie. Uit een machine, zo èèn met een papieren filter en gemalen koffie. Er kwam een doos koekjes op tafel die al drie regeringen had meegemaakt. Ge praatte over de kinderen, uw werk, uw rug en die ene mens die op het rondpunt zijn pinker niet had gebruikt. Iemand zei: “Allez, nog eentje dan”, en schonk voor de vijfde keer bij. Tegen die tijd was de koffie een beetje bitter geworden. Drie uur later ging ge naar huis. Niemand zei bij het afscheid: “Wat fijn dat wij vandaag zo authentiek hebben mogen verbinden.” Ge zei: “We moeten dat meer doen.” Ook vakantie is intussen een opdracht met eindtermen geworden. We moeten vertragen, opladen, loslaten en dichter bij onszelf komen. Alsof we onszelf ergens onderweg aan een tankstation hebben achtergelaten. Mensen komen vermoeider terug van hun ontspanning dan ze vertrokken zijn. Ze hebben bij zonsopgang yoga gedaan, lokaal brood gebakken, in een bos gebaad, hun dankbaarheid opgeschreven en tijdens een stiltewandeling ruzie gekregen omdat iemand te luid ademde. Ik heb dat allemaal niet gedaan. Ik heb in de zetel gelegen. Ik heb koffie gedronken. Ik heb vrienden gezien. Ik heb een boek gelezen, ben na zes bladzijden in slaap gevallen en wakker geworden met de hoek ervan in mijn gezicht. Ik heb niets gemanifesteerd, behalve misschien een zak chips. Ik ben niet dichter bij mijn kern gekomen. Mijn kern lag mee onder het fleecedeken en had kruimels tussen haar borsten. En daarom stel ik voor dat Evy een nieuw programma maakt: Start to Zetel. We beginnen voorzichtig met tien minuten en bouwen in tien weken tijd op naar een volledige namiddag. Met Evy in onze oren. “Ontspan uw schouders. Negeer de deurbel. Reik rustig naar de chips. Nog negen minuten blijven liggen. Ge doet dat goed.” Ik schrijf mij onmiddellijk in.

Katrien Daniels
168 10

De Pelgrim

Ik ben voor een paar dagen in Frankrijk. In het noorden. Een beetje vakantie, een beetje vriendendienst en een beetje retraite. De precieze verhoudingen durf ik niet te zeggen. Sommige dagen voelen voor zeventig procent als vakantie, andere vooral als vluchten met een cultureel verantwoord excuus. En ik heb ze zo graag, die dagen waarop ik helemaal alleen op stap ben. In een land waar de taal tegelijk klinkt naar romantiek en chagrijn. Waar zelfs een parkeerverbod klinkt alsof iemand u eerst nog even in de nek zal kussen. Een land waar ze gul water en brood op tafel zetten nog vóór ge beslist hebt of ge de formule du midi zult nemen. Waar de bebouwde kom echt bebouwd is en dan ook ineens gedaan. Gewoon: huizen, een bord met een rode streep erdoor en daarna velden. Uitgestrekt, glooiend en leeg genoeg om uw hoofd eindelijk eens zijn mond te laten houden. Ik had de dag doorgebracht zoals een cultuurmens dat doet: met een bezoek aan een museum. Ge kunt mij drie dagen vrij geven en toch zal ik op een bepaald moment vrijwillig voor een schilderij gaan staan met mijn handen op mijn rug. Daarna was ik gaan cruisen door de velden. Raampje open, muziek aan en wegen volgen waarvan zelfs Google Maps leek te denken: als gij het echt wilt. Later bracht ik nog een bezoek aan Saint-Quentin. Gezellig. Mooi zelfs. Maar verwacht niet te veel. Dat is trouwens een uitstekende levenshouding, niet alleen voor Saint-Quentin. Voor de nacht had ik een kamer geboekt ergens in een gat met een naam die alleen door mijn gps werd onthouden. Zo’n plek waar rust nog gewoon rust is, gastvrijheid gastvrijheid en een badkamer iets wat ge deelt met mensen van wie ge hoopt dat ze ongeveer dezelfde normen hanteren als gij. De bedden piepten, de vloer ook en vermoedelijk had zelfs het nachtkastje iets te vertellen wanneer ge er een glas water op zette. Het fijne aan alleen reizen zijn de ontmoetingen. Alleen zijt ge beschikbaar voor de wereld. En ik geloof niet dat toeval bestaat. Dus zat daar die avond, aan de boord van een kanaaltje, bij een ondergaande zon die overdreven haar best deed, een Nederlander op mij te wachten. We waren allebei bijna kinderlijk blij dat we onze eigen taal konden spreken. Na een paar dagen Frans wordt een mens al gelukkig van iemand die zonder aarzelen begrijpt wat ge bedoelt met “amai”.  Hij was muzikant. Dat hielp. Voor we goed en wel wisten hoe de ander heette, hadden we al professioneel en cultureel een paar raakvlakken gevonden. We praatten over muziek, over jonge talenten en over hoe het is wanneer iemand op een podium nog niet heeft geleerd om zich kleiner te maken dan hij is. Over mensen die iets kunnen maar nog niet helemaal weten wat ze daarmee moeten aanvangen. En waarschijnlijk ook een beetje over onszelf. Want er komt blijkbaar een leeftijd waarop ge de dingen eens moet kunnen overschouwen. Niet omdat alles voorbij is, maar omdat er al genoeg achter u ligt om eindelijk een uitzicht te hebben. Ge kijkt naar wat ge hebt gedaan, wat ge nog wilt doen en welke stukken van uw leven ondertussen vooral bestaan uit veel lawaai en weinig muziek. Hij had beslist om dat nu te doen. Een paar maanden niets. Hij had zijn gitaar ingeruild voor een fiets. Amsterdam voor de onvoorspelbare wegen van de Camino. Optredens, afspraken en vertrouwde straten voor iedere ochtend opnieuw vertrekken zonder precies te weten wat de dag hem zou brengen. Geen strak schema. Geen agenda. Geen applaus. Alleen een fiets, een weg en Santiago ergens ver voor hem. En vertragen. Dat was toch de bedoeling. Hij was een week onderweg en dat laatste moest hij nog een beetje leren. Want ge kunt uw gitaar thuislaten, uw agenda leegmaken en Amsterdam achter u laten, maar uw eigen tempo fietst gewoon mee. Ge stapt niet op een fiets en wordt bij het eerste Franse dorp plots een zacht glimlachende pelgrim die bij iedere zonnebloem de zin van het leven begrijpt. Sommige mensen beginnen zelfs aan onthaasten met een strak dagschema. Ik vond dat geruststellend. We maken van vertrekken graag iets groots en zuivers. Alsof ge bij het overschrijden van een grens automatisch alles achterlaat wat zwaar is. Maar zo werkt het niet. Uw twijfels reizen gratis mee. Uw onrust hoeft geen kamer te boeken. Uw gedachten zitten achterop en vragen om de paar kilometer of het nog ver is. Misschien is dat net de Camino. Niet de weg naar Santiago, maar de afstand die ge nodig hebt om eindelijk wat trager te worden dan uw eigen hoofd. Ik keek naar hem en voelde iets wat verdacht veel op bewondering leek. Misschien ook een beetje jaloezie. Niet op de kilometers, begrijp me niet verkeerd. Mijn spirituele ontwikkeling kent grenzen en zadelpijn hoort daar voorlopig niet bij. Maar wel op de eenvoud. Eén weg. Eén richting. Een paar maanden waarin ge niet voortdurend iets moet beantwoorden, organiseren of uitleggen. Een pelgrim hoeft ’s morgens niet te beslissen wie hij wil zijn. Hij moet alleen vertrekken. Hij zou de volgende ochtend opnieuw op zijn fiets stappen. Altijd in dezelfde richting, dichter bij Santiago. Hopelijk ook een beetje dichter bij het tempo waarnaar hij op zoek was. Ik zou mijn gps aanzetten en verder rijden naar plekken waarvan ik de naam niet kon onthouden. Een beetje vakantie, een beetje vriendendienst en een beetje retraite. Zonder fiets, zonder schelp aan mijn rugzak en voorlopig ook zonder maandenlange sabbatperiode. Maar wel met een ontmoeting die daar volgens mij niet toevallig aan dat kanaaltje zat. Misschien hoeft een pelgrim niet altijd naar Santiago. Misschien is het soms al genoeg dat ge vertrekt. Dat ge alleen door vreemde velden rijdt, met iemand praat die ge gisteren nog niet kende en onderweg even stilstaat bij waar ge vandaan komt.  

Katrien Daniels
111 9

Ben ik een goed mens of werk ik gewoon voor een vzw?

Ben ik een goed mens of werk ik gewoon voor een vzw? Het is een vraag die  om de zoveel tijd  de kop even op komt steken.     Tijdens periodes waarin ik mezelf betrap op de gedachte: “zoveel vrijwiligers in onze organisatie, zou ik dit werk ook doen als ik er niet voor betaald zou worden?”   En waarbij ik dan de reflex opmerk van zowel mezelf als mijn omgeving om me te verbergen achter “ik heb daar geen tijd voor”, “dat past nu niet in mijn leven”, enzovoort... Als je mijn professionele loopbaan bekijkt dan zie je een vreemd kronkelbaantje met hier en daar een onverwachte wending, een haarspeldbocht of wat heuvels en dalen.   Een rode draad is er wel ten dienste staan van anderen en soms stel ik mezelf de vraag: waarom?   Ben ik behulpzaam of ben ik graag nodig?   Kan ik me nuttig voelen als ik niet het gevoel heb dat ik anderen help?   En (hoelang) hou ik dit vol als het aan blijft voelen als ter plaatse trappelen (wat wel eens durft voorvallen in de hulpverlening)?   7 jaar geleden dook ik het werkveld in En alsof dat op zich al niet spannend genoeg was deed ik dat ineens in Brussel.   Andere talen.  Dezelfde (maar ook extra) problemen. Meer obstakels. Meer organisaties. Een lappendeken aan  doorverwijzers,  cliënten en collega’s.   Mijn voornemen om louter te focussen op preventief werk werd al snel overboord gegooid.   (Want bestaat dat nog - preventief werk? Soms lijkt het van niet).   En soms neemt het allemaal even de bovenhand Is mijn geduld helemaal opgebruikt Of mijn vertrouwen in de mensheid verdampt.   Mijn wereldbeeld aangetast door het onrecht dat ik dagelijks voorgeschoteld krijg en waarvan je haast zou denken het treft precies de meerderheid (wat gelukkig niet zo is)   Soms kom ik thuis met een verhaal “vandaag heb ik een nieuwe vicieuze cirkel ontdekt” of “een nieuwe manier om mensen in de kou te zetten”   En dan denk ik -heel even- zou het niet fijn zijn om die dingen allemaal gewoon niet te weten?   Als het waar is dat ge een product zijt van uw omgeving   Zou ge u dan niet beter omringen door mensen   die reiken naar de sterren?   en niet zij   die achterblijven in het stof?   Of is dat niet waar de echte menselijkheid zich verstopt?

annakdotes
4 0

De geur van een Palaroid

Cadzand is altijd een goed idee. Als ik het gevoel heb dat de wereld precies een spelletje speelt waarvan iedereen de regels kent, behalve ik. Als ik weer dat kind ben dat op de speelplaats net iets te laat vraagt of het nog mag meedoen. Of wanneer alles zo hard begint te roepen dat ik mezelf niet meer goed hoor. Dan rij ik naar Cadzand. Daar kunt ge ademen. Echt ademen. Er zijn polders, fietspaden, duinen en van die houten palen op het strand die daar al decennialang staan. Wind? Prima. Storm? Ook goed. Hoogwater? Kom maar op. Ze lijken zich nergens druk om te maken. Alsof ze willen zeggen: Rustig maar, meisje. De zee heeft al erger gezien. Daarom hou ik zo van Cadzand. Maar er is meer. Tussen die duinen en die polders ligt een heel album vol Polaroids van mijn kindertijd. Van die foto's met afgeronde witte randjes, waarvan de kleuren stilaan zijn vervaagd. Waarop ik rondloop met een blond vlaskopje, een sponsen shortje, een Mickey Mouse T-shirt en knieën die nooit helemaal genezen zijn. Foto's waarop de zon altijd schijnt, vakanties eindeloos duren en niemand ooit op de klok kijkt. Op camping De Hoogte. In een stacaravan. Bij bomma en bompa. Daar hoefde ge nooit te vragen of ge mocht meedoen. Ge pakte uw fiets en tegen dat ge aan het einde van de camping waart, waart ge alweer iemand tegengekomen. We reden urenlang rondjes zonder bestemming, gewoon omdat het kon. Tegen de avond verzamelde iedereen zich aan de petanquebaan. De volwassenen gooiden met bloedernstige gezichten metalen ballen naar een klein houten balletje. En wij stonden erachter alsof België elk moment olympisch goud kon winnen. Ge had niet veel nodig in de jaren tachtig. Als het donker werd, doken we ergens een caravan binnen om Super Mario Bros te spelen. Of te kijken hoe iemand anders speelde. Dat weet ik eigenlijk niet meer.  Dat was vakantie. Maar van al die Polaroids is er één die altijd scherper is gebleven dan de rest. Die van de ochtenden. Elke ochtend stond bompa als eerste op. Hij bakte spek. Nog voor mijn ogen goed open waren, kroop die geur al door de caravan. Een mengeling van een beslapen hoofdkussen, warme caravan, koffie en spek dat lag te sissen in een pan waarvan geen enkele cardioloog vandaag nog de inhoud zou goedkeuren. Mijn zus en ik kwamen dan in ons zomerslaapkleedje aangeschuifeld. Bompa keek naar de pan. Dan naar ons. Wij naar de pan. Hij schoof de pan een beetje dichterbij en zei samenzweerderig: "Dopt er maar eens in." Alsof hij ons zojuist had ingewijd in een geheim genootschap. Wij pakten onze boterham en dopten die schaamteloos in het warme spekvet. Bompa keek goedkeurend toe. In de jaren tachtig bestond cholesterol volgens mij gewoon nog niet. Vandaag is Cadzand veranderd. Veel zelfs. Er zijn prachtige appartementen gekomen. Mooie restaurants. Strandpaviljoens waar ge dingen kunt bestellen waarvan mijn bompa waarschijnlijk eerst drie keer zou gevraagd hebben wat het precies was en daarna toch gewoon een koffie zou genomen hebben. Wanneer ik daar ben, stop ik nog altijd aan camping De Hoogte. Ik parkeer mijn auto en loop een beetje verlegen de camping op. Alsof iemand elk moment kan vragen wat ik daar eigenlijk kom doen. En eerlijk? Ik zou het antwoord niet goed weten. Even kijken. Even ruiken. Want het vreemde is: het ruikt daar nog altijd naar vroeger. De beits van de grote schuur wanneer ge binnenkomt. Het rubber van de banden aan de speeltuin. De caravans die warm worden in de zon. Gras. Polder. Een beetje zee. En ergens tussen al die geuren.. het spek van bompa. Geuren zijn vreemde dingen. Ze trekken zich niets aan van tijd. Ze sleuren u zonder waarschuwing veertig jaar terug. Plots zijt ge geen vrouw meer die met een hoofd vol zorgen naar Cadzand is gereden. Ge zijt weer dat meisje met een blond vlaskopje, een sponsen shortje en een Mickey Mouse T-shirt. En ge zit met een stuk brood in uw hand te wachten tot bompa heel even glimlacht en de pan naar u toe schuift om te doppen. Bompa zei eigenlijk nooit dat hij ons graag zag. Dat deden mannen van zijn generatie niet. Die bakten spek. Die repareerden uw fiets. Die wachtten tot iedereen aan tafel zat. Die legden zonder iets te zeggen het beste stukje op uw bord. En die keken. Met zo'n blik waarvan ge als kind nog niet wist dat ge hem later uw hele leven zou proberen terug te vinden. Misschien rij ik daarom nog altijd naar Cadzand. Niet voor de zee,  maar omdat daar nog altijd een klein stukje wereld bestaat waar ze niet zeggen dat ze u graag zien. Ze bakken spek en ze schuiven de pan een beetje dichterbij.

Katrien Daniels
46 4

Meisje van bijna 50

Ik vraag me al een tijdje af op welk moment, welk exacte moment een mens oud wordt. Niet écht oud. Dat is nog een ander hoofdstuk. Ik bedoel het moment waarop de buitenwereld stilletjes beslist dat ge niet langer bij de jonge mensen hoort. Ik dacht eerst dat het mijn haar was. Dat wordt grijs. Ik probeer dat sportief op te nemen. Echt waar. Ik heb helemaal niets tegen grijs haar. Bij andere mensen vind ik dat zelfs mooi. Karakter. Ervaring. Charme. Alleen heb ik precies het soort grijs haar waardoor mensen spontaan beginnen te vragen hoe lang het nog duurt voor mijn pensioen. En dan trekt het laatste kind het huis uit. Plots woonde ik alleen. Geen geroep meer dat de shampoo op was. Niemand die om tien uur 's avonds nog bitterballen in de airfryer gooide. Geen schoenen meer midden in de gang. Dacht ik. Tot ik na drie dagen besefte dat die schoenen... van mij waren. Blijkbaar was ik al die jaren zelf de huisgenoot waar ik me mateloos aan kon ergeren. Misschien begint ouder worden daar. Wanneer ge ruzie krijgt met uzelf. Vorige week kreeg ik op de Lokerse Feesten het volgende signaal. Ik keek rond en dacht: Amai... wanneer zijn al die oude mensen hier binnengeraakt? Overal mannen met bierbuiken die eruitzagen alsof ze al vijftien jaar gingen beginnen lopen. Van die indrukwekkende grijze baarden waardoor ge spontaan "meneer" zegt. Mensen die niet meer dansen, maar voorzichtig meebewegen. Niet op het ritme van de muziek, maar op het ritme waarop hun knieën het nog net verantwoord vinden. Er liepen opvallend veel mensen rond met een trui rond hun middel. Niet omdat dat plots weer mode was, maar omdat ge weet dat het na tien uur fris wordt. En de vrouwen... die hadden allemaal een handtas mee waar ge zonder problemen een klein Decathlon-filiaal mee kunt openen. Een regenjas. Een leesbril (uiteraard! Een leesbril!). Lippenbalsem. Een powerbank. Pleisters. Een Dafalgan. Waarschijnlijk ook nog een pepermuntje. Vroeger zocht ik op een festival de toog. Nu betrapte ik mezelf op de gedachte: "Amai... die toiletten zijn hier eigenlijk proper." En toen hoorde ik mezelf ook nog zeggen: "Zullen we stilletjes vertrekken? Dan zijn we de file voor." Dat was het moment waarop ik besefte dat ik niet naar oude mensen stond te kijken. Ik was één van die oude mensen.  Maar de echte genadeslag kwam deze zomer op kamp. Ik stond aardappelen te schillen toen een jongetje van zes naast mij kwam zitten. Kinderen zijn fantastische wezens. Ze zeggen altijd de waarheid. Ook wanneer niemand daarom gevraagd heeft. Hij keek een hele tijd naar mij. Heel aandachtig. En vroeg toen: "Jij bent al zestig, hè, moeke?" Ge kent dat gevoel dat uw hart heel even stopt, terwijl ge tegelijkertijd al uw rimpels voelt? "Nee hoor," zei ik. "Bijna vijftig." Hij dacht daar misschien drie seconden over na. "Da's eigenlijk bijna hetzelfde." Er zijn discussies die ge niet kunt winnen. Ik heb hem nog een extra worst gegeven. Niet omdat hij gelijk had, maar omdat ik op mijn leeftijd geleerd heb dat zwijgen goud is. Misschien is dát ouder worden. Niet dat ge u oud voelt. Maar dat ge steeds vaker mensen tegenkomt die u eraan herinneren. Al moet ik eerlijk toegeven... Ik word nog altijd verliefd alsof ik zestien ben. Ik zet de radio nog altijd veel te luid. Ik ga nog altijd naar de Lokerse Feesten. Alleen kom ik tegenwoordig thuis met twee conclusies: Het is goed waar de toiletten proper zijn en dat manneke, die krijgt volgend jaar spruiten.

Katrien Daniels
49 1

Viswijven

Op kot leert ge al snel dat er twee soorten mensen bestaan. Mensen die hun leven op orde hebben. En mensen zoals ik. Els hoorde zonder enige twijfel bij de eerste categorie. De kamer recht tegenover de mijne. Zij had een bed dat opgemaakt was. Ik had een bed waarvan ge soms niet meer wist welke kant boven lag. Zij had yoghurt in de koelkast die niet over datum ging. Ik had vooral goede bedoelingen en een collectie koffietassen met een biologisch experiment onderaan. Els kon zonder moeite een weekmenu maken. Ik leefde volgens het gastronomische principe: we zien wel. Wij hadden een waterdicht plan voor als onze studies grandioos zouden mislukken. Wij gingen surimi, garnalen en wulken verkopen aan de kaai van Oostende. Niet zomaar een viskraam. Wij gingen de twee gezelligste viswijven van de kaai worden. Mensen zouden eigenlijk geen garnalen komen kopen. Ze zouden blijven plakken voor de sfeer. Voor een babbeltje. Voor een gratis levensadvies tussen de wulken. Achteraf bekeken hadden we geen flauw idee hoe ge een viskraam runt. Maar we waren er wel rotsvast van overtuigd dat we fantastische viswijven zouden zijn. Het is er nooit van gekomen. Wij konden uren praten. Over alles en niks. En vooral over dingen die een normaal mens nooit bedenkt. Toen mijn goudvis stierf, vonden wij dat een begrafenis op zijn plaats was. Niet zomaar een minuut stilte boven de wc-pot. Nee. Een plechtigheid. Met speeches. En omdat een goede uitvaart ook een koffietafel verdient, aten wij achteraf fishsticks.  En dan was er het Songfestival. Volgens Els en mij is het nog altijd een schande dat de finale geen officiële betaalde feestdag is. Ge kunt toch niet verwachten dat mensen de dag nadien productief zijn nadat ge tot één uur 's nachts hebt gediscussieerd over de puntentelling van Moldavië?  Dat soort avonden. Van die avonden die ge later onmogelijk kunt uitleggen zonder dat iemand zich zorgen begint te maken. En daarna gebeurde wat altijd gebeurt. Het leven. Voor Els ging dat wonderwel volgens plan. Ze bouwde samen met haar vriendin een warm en rustig leven uit. Zo'n huis waar ge spontaan uw schoenen wilt uitdoen. En vier prachtige dochters die het bewijs zijn dat sommige dromen gewoon uitkomen. Ik maakte van mijn leven eerder een opstapeling van plots uit een weekendfilm. Met iets te veel onverwachte wendingen, een paar personages die ge halverwege liever had herschreven en gelukkig ook af en toe een scène waarvan ge denkt: daarvoor kijkt een mens nu televisie.   En wij. Wij bleven elkaar horen. Soms zat er een paar maanden tussen. Soms nog wat langer. Maar dat bleek nooit een probleem. Een vriendschap tussen twee toekomstige viswijven heeft blijkbaar maar een halve pannenkoek nodig om opnieuw midden in een gesprek te belanden dat dertig jaar geleden even was onderbroken. Els heeft trouwens altijd volgehouden dat ze eigenlijk met mij had moeten trouwen. Dat ik ooit wel zou inzien dat mannen mij vooral veel kopzorgen hebben bezorgd en dat zij al die tijd gewoon geduldig op mij heeft gewacht. Ik heb haar beloofd dat ik haar haar zin geef. Later. In het woonzorgcentrum. Dan racen we met onze scootmobielen door de gangen, leiden we de nachtwakers af zodat we nog uren kunnen babbelen en doen we alsof we opnieuw op kot zitten. En daarna eten we fishsticks. Dat viskraam....Dat vind ik nog altijd een gemiste kans.

Katrien Daniels
107 2

De spiegel

We zitten te puffen op een Antwerps terras, niet ver van het Rubenshuis. Het is een van de warmste dagen van de zomer. Al zeggen ze dat bijna elke dag. Om enige verkoeling te zoeken zetten we onze pollen aan een fris bolleke.  “Wat gij nog Jaak?”, vraagt de waardin aan het tafeltje naast ons. “Ah, nog een bolleke hè Marion”, antwoordt hij met een smakelijke Antwerpse tongval. Ooit zie je dat iemand zijn naam niet gestolen heeft. Deze Jaak doet me aan Jacob (of Jacques) Jordaens denken. Niet aan de kunstschilder zelf, maar wel aan de koning op één van de versies van het schilderij ‘De koning drinkt’. Het heeft lange grijze haren en als hij even later dat bolleke aan zijn lippen zet, met een even smakelijke lach als de koning van het schilderij, is hij het helemaal. Dat doet me weer denken aan een ander prachtig werk van Jordaens. ‘Mozes en zijn Ethiopische vrouw’ uit 1650. Hierop maakt Mozes een ‘et alors’ gebaar met zijn rechterhand. Daarmee zegt hij iets aan ons, de kijkers. Hij houdt ons een geniale spiegel voor. "Maakt het iets uit, dat ik met een zwarte vrouw ben getrouwd?'  Het werk is door het Rubenshuis uitgeleend aan een museum in Balimore. Tot 2030, dan gaan de deuren van Peter Pauls woonhuis terug open. Blijkbaar hangt het niet zomaar in Baltimore, want gemengde huwelijken waren daar lange tijd verboden. Opnieuw, die spiegel. De heren naast ons slaan zich ondertussen op de dijen van het lachen. Ik weet niet waar hun gesprek over gaat, maar amusant is het zeker. Alsof het toeval niet zomaar iets is dat af en toe voorvalt, maar eerder iets dat het leven bepaalt, zegt Jaak plots vrij luid tegen zijn compagnon: “Et alors?”, waarna ze terug in de lach schieten.

Rudi Lavreysen
1 0