Zoeken

Naar de meet

Ik ben gestopt met schreeuwen naar de koers op tv. Vooral naar de supporters die het koersen bijna onmogelijk maken. Onnozelaars. Dan is de koers niet meer van ons. Maar wel van mij en mijn schoonvader. We kwamen net binnen toen de Omloop Het Volk in de finale zat. Neem me niet kwalijk, ik blijf die oude benamingen gebruiken. Dat ‘volk’ was niet alleen de krant. Ik vroeg hoe het zat. Met Jordi en de rest. “Vanspringel is ook gevallen”, zei hij. “Wie? Herman Vanspringel?” Ik moest even nadenken. Toen zag hij ook onmiddellijk dat hij zich van naam had vergist. “Die leeft helaas niet meer”, zei ik lachend. We bleven nog een tijdje grinniken over de vergissing. Een heerlijke lach. Hij bedoelde Philipsen, de Vlam van Ham. De bijnaam van Herman Vanspringel was ‘Monsieur Bordeaux-Paris’, wegens zeven overwinningen in de monsterrit. Hij was een kempenzoon (wat een prachtig woord is dat toch), net zoals veel coureurs. Het moet er in de kempengrond zitten. Frans Verbeeck is er ook eentje. Van hem zijn de legendarische woorden aan de meet, gericht aan commentator Fred Debruyne, toen Eddy Merckx weer eens had gewonnen. “Fred, ik heb formidabel afgezien. Eddy rijdt vijf kilometer te hard voor ons.” Fred Debruyne heeft een pleintje met zijn naam in het zuiden van Frankrijk. Wij gaven die rennersnamen aan onszelf terwijl we in die jaren rond het pleintje bij het huis fietsten. Ik ben wel eens Fred geweest. Het zijn namen, helden. Een mens heeft ze nodig. Een mens zonder helden, daarmee wil ik niet naar de meet. Ik kijk al uit naar de volgende koers. Gaat Wout voor winst in Milaan-San Remo? Van mij mag Vanspringel opnieuw meedoen. Of Rik I en Rik II. De keizers van toen. Wie gaat er nog passeren? Laat ze maar komen.

Rudi Lavreysen
2 1

Liefde, een willekeurige definitie

Ik wilde het weten: ‘Hoeveel keer wordt een mens verliefd in het leven?’. Betrouwbare bronnen als Flair en Cosmopolitan houden het op drie keer. Het geeft de Liefde alvast een flakkerend aura van enige heiligheid. Drie keer is teleurstellend weinig. Kan het zijn dat we Liefde te weinig vleugels geven? Ik ging daarom op zoek naar de definitie. Wat is nu die ‘Liefde’? Ik haalde de Van Dale uit de kast, en tot mijn verwondering keken welgeteld drie definities me aan. Alweer drie. Liefde is: 1. Warme genegenheid. 2. Oprechte en warme belangstelling, het op prijs stellen. 3. Voorwerp van liefde. Als dit de definities zijn van Liefde, dan werd ik al een veelvoud van drie verliefd. Ik kan met gerust hart besluiten: we geven Liefde te weinig vleugels, waarbij we vergeten hoe zij ons zoveel vleugels schenkt. Er zit een sprankeltje Liefde in alles wat we doen: we moedigen aan, we nemen de tijd om iemands verhaal te beluisteren, we gaan zitten en troosten. Liefde moet ook echt wel warm zijn, want ‘warm’ komt twee maal voor in de officiële definitie. Hoe warm, hoor ik mezelf vragen. Een plakkerige 30°C? Zacht knetterend haardvuur? Of is het de winterzon achter glas? Wat ik mis in de definitie is kwetsbaarheid. Naast de vele schakeringen warmte die ik absorbeerde in de vele gedaanten die Liefde is, herinner me ik ook hoe breekbaar Ze in de hand kan liggen: een musje dat tegen het keukenraam vloog, en waarvan je hoopt dat de warmte van je huid het kleine wezen redden kan. Soms lukt het, soms is het ijdele hoop en volgt ijskoud verdriet. Op zo’n moment zit niemand te wachten op hartjes uit chocolade, of geïmporteerde rozen. Ik werd ook verliefd op boeken, op muziekstukken, op dagelijkse tafereeltjes. Zo zag ik hoe een jong meisje een oudere vrouw toesnelde op de roltrap. Ze greep naar de tengere, rimpelige hand van rijstpapier. De oude vrouw barste in een prachtige glimlach uit. Daar kon je de vinger op de warmte leggen. Ik keek nog even om terwijl de roltrap me naar boven bracht. De vrouw en het meisje glinsterden in het lage winterzon. Liefde kan ook het voorwerp zijn. Mijn Liefde. Nu Ze echter een heilige status over zich afriep, vind ik het moeilijk om mij de Liefde toe te eigenen. Zij kan nooit iets of iemand zijn. Liefde kan nooit een voorwerp zijn. Iemand kan nooit iemands bezit zijn. Liefde mag nooit angst zijn om iemand te verliezen. Liefde kan nooit haar betekenis krijgen zonder dat er verlies aan verbonden wordt. In het verlies kennen we Haar echt. Soms zou ik het zo graag willen zeggen: ‘Ik hou van je’. Maar hoe leg je uit dat het ‘houden van’ een compleet andere betekenis heeft dan de enge, romantische manier die wij ervan gemaakt hebben? Wat als het ‘houden van’ gewoon diepmenselijk betekent? Ik blijf het onlogisch vinden dat we enkel maar oog hebben op partnerrelaties. Ergens klopt het niet dat Liefde een grens kent. Ik wens de wereld een plotse herontdekking van diepmenselijke liefde. Hoe mooi zou het niet zijn, mochten we kunnen zeggen: hé, ik herken een deel van jou in mij. We hebben stormen bedwongen. Ik zie de gebroken takken, maar evenals de twijgjes die opnieuw leven brengen. Soms laat iemand je verwonderd achter. Verwonderd over jezelf, omdat je zomaar nieuwe inzichten cadeau krijgt van deze persoon. Verwonderd over de andere, want wat heeft die energie zelfs na alles wat hij of zij meemaakte. Net die empathie, net die liefde, maakt het leven zo mooi. We willen allemaal het geluk vinden. En soms kan het die persoon zijn die net je eigen geluk onthult. We hebben allemaal Liefde in ons. Meer dan we denken, en misschien worden we het ook niet meer geleerd om het te tonen. Ik merk ook de grenzen die we onszelf opleggen. Kwetsbaarheid is ver zoek. Misschien moet ik er dan maar mee beginnen. Met het zeggen van: ‘Ik hou van jou’, en zien wat het teweeg brengt. Wen alvast maar aan die nieuwe vleugels.  

Jolien Van de Velde
4 0

Bekentenis van een overlijdensberichtlezer

Ik wil iets bekennen: ik lees graag de overlijdensberichten in de krant.Niet vluchtig. Echt lezen. Met aandacht. En ik vraag me soms af of ik de enige ben. Ik hoop van niet. Want het zou toch wat gênant zijn als ik de enige trouwe lezer van die rubriek ben. Dus bij deze een kleine outing. Mocht uw oog daar ook altijd eerst naartoe glijden: ge zijt niet alleen. Waarom ik dat doe, weet ik eigenlijk niet goed. Misschien uit dezelfde reflex waarmee we de rest van de krant lezen: om te weten wat er gebeurt in de wereld. Alleen gaat het hier niet over files of ministers die weer iets verkeerd gezegd hebben, maar over levens die afgerond zijn. Ik herinner me dat ik ooit het overlijdensbericht zag van mijn professor psychologie uit het eerste jaar van de sociale hogeschool. Een bijzondere mens. Hij kon een aula van honderd studenten stil krijgen met iets dat begon als droge theorie maar eindigde als een blik op het leven zelf. Over Freud bijvoorbeeld. Over het ES dat alles wil. Het ICH dat probeert te schipperen. En het ÜBER-ICH dat streng in een hoek zit te fluisteren dat we ons toch wat beter moeten gedragen. Of over Maslow en zijn piramide. Eerst eten en veiligheid, daarna liefde en erkenning, en helemaal bovenaan: zelfontplooiing. Het idee dat een mens zijn leven eigenlijk te herleiden is tot een piramide. Toen ik zijn overlijdensbericht zag, bleef ik even hangen. Hij werd ergens in de tachtig. Dat stelde me vreemd genoeg gerust. Mooie mens, mooi leven. Zijn piramide was top. Een andere keer zag ik het bericht van een kotgenoot van vroeger. We waren geen dikke vriendinnen geworden. We hadden gewoon een paar jaar dezelfde gang gedeeld. Dezelfde keuken. Dezelfde geur van pasta, toast en een pan die altijd nét te lang op het vuur en de week daarna bij de afwas stond. En toch was het vreemd. Het idee dat iemand die letterlijk een tijd mijn pad kruiste er plots niet meer was. Alsof er ergens in de wereld een deur dichtvalt waar ge ooit gedachteloos door gelopen zijt. Dat doet een mens nadenken. Over wat geweest is. Over wat nog moet komen. En dat we het leven misschien toch wat steviger moeten vastpakken. Misschien is dat ook waarom ik die rubriek lees. Een soort generale repetitie. Niet voor mijn eigen overlijden, maar voor die momenten waarop het leven plots beslist dat er iemand vertrekt. Want dan moet er ineens veel beslist worden. Veel te snel. Dan moeten er versjes gevonden worden, foto’s gekozen, woorden gezocht voor iets waar eigenlijk geen woorden voor bestaan. En als ge dan al een tijdje die rubriek leest, komt ge toch niet helemaal onbeslagen in zo’n verhaal terecht. Ge weet een beetje hoe mensen afscheid nemen. Wat er kan. Wat er soms staat. En wat ook niet. Ik lees die berichten ook om te kijken hoe families in elkaar zitten. Wie er genoemd wordt. Wie vooraan staat en wie ergens op het einde. Hoe mensen hun geliefde omschrijven. “Zijn geweldig lief.” Dat is toch iets anders dan “echtgenoot van”. Soms kunt ge een heel leven voelen in een paar woorden. Ik kijk ook altijd naar de jaartallen. Dan maak ik onbewust een soort schaal van ernst. Hoe ouder de overledene, hoe meer ge dat kunt lezen met iets als volbrachtheid. Een lange tocht die afgerond is. Ge denkt bijna: goed gedaan, mens. Hoe dichter de geboortedatum bij de mijne komt, hoe ongemakkelijker het wordt. En iedereen die jonger is dan ik vind ik gewoon oneerlijk. En nog iets waar ik altijd op let: de namen van de kinderen. Dat is eigenlijk een klein sociologisch onderzoek op zich. Als er Lou of Georges staat, weet ge meteen dat dat nog kleine mannen zijn die ergens met een loopfiets rondrijden. Terwijl een Ewoud of een Michiel gegarandeerd al boven de twintig is en waarschijnlijk ergens probeert uit te rekenen hoe ge een appartement betaalt. Ik kijk ook altijd naar de foto’s. Dat is misschien nog het meest ontroerende onderdeel. Sommige mensen kiezen een jonge foto. Een zomerjurk. Een brede lach. Alsof ze willen zeggen: zo wil ze herinnerd worden. Anderen kiezen een recente foto. Met rimpels, een bril, een gezicht waar het leven duidelijk overheen is gegaan. Dat vind ik misschien nog het moedigst. Alsof iemand zegt: dit was ze, helemaal. En dan zijn er nog de kleine symbolen. Het kruisje. De duif. Een korenaar. Soms een hartje. De dood heeft al lang zijn eigen emoji’. Daarna komen vaak de zinnen. Die klassieke zinnen die generaties lang lijken mee te reizen van afscheid naar afscheid. “Hij heeft een steen verlegd in een rivier op aarde.” “Wat je in je hart draagt, raak je nooit meer kwijt.” “De hemel is een engel rijker, wij zijn er een kwijt.” Zinnen die misschien al duizend keer zijn gebruikt, maar die toch elke keer opnieuw proberen te zeggen wat eigenlijk niet te zeggen valt. Ik lees ook hoe er afscheid genomen wordt. “In intieme kring, volgens de wens van de overledene.” Dan denk ik soms: is dat wel echt zo? Of hadden de nabestaanden gewoon geen zin in een zaal vol mensen die allemaal beginnen met “weet ge nog dat hij toen…” Of er staat dat het leven gevierd zal worden. Dan stel ik me een zaal voor met foto’s, muziek, wijn die iets te snel wordt bijgeschonken en verhalen die steeds een beetje mooier worden naarmate de avond vordert. En ergens tussen al die gedachten heb ik ooit beslist dat ik een bruine envelop in een lade ga leggen. Met een paar richtlijnen. Misschien een liedje. Misschien een paar zinnen. Eén spreuk weet ik al: “Wat de liefde draagt, is nooit een last.” Tegelijk besef ik dat dat ook een tikkeltje arrogant is. Doe ik dat echt om hen te helpen? Of ben ik ook na mijn dood nog altijd een eigenwijze moeial die zich met alles wil bemoeien? Misschien willen mijn kinderen het net kort en eenvoudig houden. Terwijl ik daar dan lig met een draaiboek van tien pagina’s. Met muziek uit La La Land en The Greatest Showman. Met zonnebloemen overal: ja, dat is zo 'ik'. Met een powerpoint die blijft doorgaan tot zelfs de nonkel op de derde stilletjes vraagt of hij nu al om een prentje mag gaan naar voor. Misschien zelfs met grote schermen buiten, voor het geval er zoveel volk komt dat niet iedereen binnen kan. En dan hoor ik ze al denken: mama, ge hebt het weer wat te groot gezien. Misschien heb ik daar eigenlijk geen recht op. Misschien mag ik alleen hopen dat er op een dag ergens staat: We nemen afscheid van Katrien Daniels. En dat ze zich nog herinneren dat ik alles met passie deed. Dat ik mijn familie graag zag. Mijn vrienden ook. En tegen dan hopelijk ook mijn zes kleinkinderen. En dat er misschien ook ergens staat: ze had haar kuren, maar het was wel een goeie. Maar het liefst van al hoop ik dat er nog één zinnetje staat: 'Het zotte lief van…' En dat hij dan denkt: wat een geluk dat die madam ooit op mijn pad kwam. 

Katrien Daniels
20 1

Oermoeder

Gisteren kreeg ik een beeldje cadeau, een soort oermoeder met kind, een familiestuk, dat generaties overleefde.  Het kreeg een ereplaats op de buffetkast onder de foto van mijn kinderen. Een snapshot van een warm moment op de gevoelige plaat vastgelegd, voor puberteiten en adolescentie het overnamen.  Vannacht zijn mijn kinderen van de muur gevallen, zomaar pardoes op hun gezicht. Mijn op canvas geprinte zoon houdt er alvast een permanente verminking in zijn hals aan over.  Ze hingen nochtans aan een wonderlijk zelfklevende spijker, een even grote hype als elektrische wagens die eigenlijk onblusbare bompakketten blijken te zijn en hormoon restitutie therapie, HRT voor de sisters. Aangeprezen als hét middel tegen overgangsklachten, zoals daar zijn, gewichtstoename, afnemende energie, angst en doemdenken, opduikende stugge kinharen, hart- en vaatziekten, osteoporose, opvliegers, droge ogen, huid en slijmvliezen (we houden dit bewust vaag, maar iedereen weet waarover het gaat), broos haar, dementie, afnemend libido, hersenmist, vermoeidheid, met de horizon verdwenen geduld en als vermist opgegeven zorgreflex. Maar bovenal voor meer levensvreugde voor uzelf en de u omringenden! Hoezee!  Goed voor alles, maar komt met een bijsluiter die men minstens één keer rond de aarde kan wikkelen. Bio-identiek, in pillen, gel of patches, we mikken op de laagst werkzame dosis, bij tussenbloedingen drijven we op tot we weer gaan met die banaan!  Zoals met alles wat zo bejubeld wordt vraag ik me af, waar zit de adder? Waarom is dit wondermiddel weer iets exclusiefs voor vrouwen, net zoals anticonceptie? Want die pil voor mannen, die is toch eigenlijk nooit echt van de grond gekomen, laten we eerlijk wezen. Hebben mannen dat dan niet nodig, die ongelooflijke bescherming tegen al die ouderdomskwalen? Zijn zij dan nog helemaal intact eens de vijftig gepasseerd? De hormonen racen nog alsof ze twintig waren, ze lopen nog steeds met volle haardos achter hun .. euhm .. zorgreflex aan? Geen slijtage dus of wat had je gedacht? Of ... willen ze stiekem gewoon een partner bij wie dat het geval is? Zit dat achter die hele marketingmotor voor HRT en al die nieuwe, breed lachende, halve marathons lopende menopauzeconsulenten, of zouden ze het deze keer écht goed menen met die onderzoeken naar gezondheid bij vrouwen? Die nichemarkt die men al eeuwenlang olijk negeert bij alle medische studies (testpersonen die menstrueren en hysterisch rondlopen met een fladderende uterus in de buik, zijn per definitie onbruikbaar én onbetrouwbaar, dat stond buiten kijf). Bij vrouwen is het pas een hartinfarct als het onomstotelijk bewezen geen stress is, dus als ze dood op de grond liggen …. of zoiets.  Ho maar! Ben ik een complotdenker aan het worden? Is ook dat een overgangssymptoom? Hoog tijd voor een pilletje of gelletje? Kwestie van de productiviteit en de aaibaarheid van de dag naar een maatschappelijk aanvaardbaar niveau te tillen?  Mijn zorgreflex is echter onherroepelijk op z’n retour, daar helpt geen smeren meer aan, van de vraag wat we gaan eten vandaag, ga ik gillen. Mijn kinderen hang ik dus morgen wel weer op, of overmorgen, met het alternatief van de zelfklevende spijker, ook gekend als boorgat, plug & play. De vraag blijft, was het echt de spijker, of probeert de vruchtbaarheidsgodin op de buffetkast me iets te vertellen? Misschien toch die menopauzeconsulent maar even bellen.

nikki_petit
3 0

Diepvrieszakjes, tandenstokers en aluminiumfolie

Een eenvoudig bericht op Smartschool van de juf was voor mij vroeger altijd reden tot lichte paniek. Volgens de juffen zijn dat heel normale vragen. “Graag morgen een wit T-shirt meegeven.” Of: “Wie nog een foto heeft van zijn kind als baby…” Heel gewone dingen, vinden zij. Maar voor ouders zijn dat regelrechte aanslagen op een toch al broze work-life-balans. Want waar, vraag ik u, haalt een mens op een woensdagavond om 21u37 nog een wit T-shirt vandaan dat niet 1) te klein is, 2) een vlek heeft of 3) ergens onderaan een stapel ligt waarvan ge niet meer weet of die proper of vuil is. En die babyfoto. Alsof wij hier een schuif hebben met afgedrukte foto’s. Ik denk soms dat juffen ervan uitgaan dat mama’s een soort kastsysteem hebben. Een schuif met witte T-shirts. Een schuif met witte lakens. (Echt. Serieus. Wie heeft er een schuif met witte lakens?) En ergens ook een schuif met afgedrukte foto’s uit de kindertijd. Zo van die perfect gesorteerde herinneringen. Gelabeld. Per schooljaar. Dat soort schuldgevoel — dat ge niet zo’n goed voorbereide moeder zijt — ligt gelukkig al een tijdje achter mij. Ik hoef het lot niet meer te misleiden met extra zwembroeken in mijn handtas of met duizend plannen B in mijn hoofd. Allemaal om er uit te zien als die ontspannen moeder die alles onder controle heeft. Maar toch. Soms overvalt het mij nog. Mijn zoon vraagt: “Hebt ge elastiekjes?” En ge weet hoe dat gaat. Ge staat aan een kast. Ge trekt een lade open. Ge kijkt naar wat daar allemaal ligt en plots beseft ge: ik heb daar geen schuif voor. Geen elastiekjesschuif. Ik vind elastiekjes trouwens een vies uitgevonden ding. Ze hebben zo’n kleur die nergens echt bij past. Zo’n vuil beige dat eruitziet alsof het al een leven achter de rug heeft nog voor ge het gebruikt. En ze plakken een beetje. Altijd een beetje. En vroeger — toen we ons haar nog in een staart probeerden te trekken met zo’n ding — wist ge één ding zeker: tegen de avond had ge een paar haren minder. Elastiekjes zijn kleine martelwerktuigen met een huishoudfunctie. Maar terwijl ik daar zo in die lade sta te kijken, zie ik wel wat er wél ligt. Diepvrieszakjes bijvoorbeeld. Met zo’n zipsluiting van de Zweedse meubelreus. Dat voelt georganiseerd. Alsof ge iemand zijt die dingen bewaart voor later. Dan ook tandenstokers. Die koopt ge één keer in uw leven en daarna liggen die daar. In een verpakking zo groot dat ge zou denken dat ge elke vrijdag een afterwork organiseert op uw privéterras. Ik in ieder geval niet. En als ge ze nodig hebt — bij de apero bijvoorbeeld — dan zijn ze plots onvindbaar. Dan ligt ge daar olijven te serveren en legt ge uiteindelijk maar vorkjes bij de glazen. Omdat niemand zin heeft om met zijn vingers in een schaaltje te gaan vissen. Tandenstokers zijn zo’n product dat altijd bestaat in theorie, maar zelden op het moment dat ge ze nodig hebt. En dan aluminiumfolie. Ook een moeilijk product eigenlijk. Mag dat nog, in het kader van het milieu? Een bewuste vriendin zei mij ooit: “Weet gij hoeveel energie dat kost om dat te maken?” Sindsdien koop ik aluminiumfolie met een klein schuldgevoel. Maar het blijft wel gemakkelijk. Voor een halve citroen. Voor een stuk kaas. Voor een potje dat ge nog snel moet afdekken. Of voor boterhammen, wanneer de Zweedse diepvrieszakjes op zijn en ik alweer de derde brooddoos op mijn werk heb achtergelaten. In de keuken heb ik zo’n schuif dus niet. Maar ergens anders misschien wel. Eentje met diepvrieszakjes. Om herinneringen in te steken. Van die met een zipsluiting, zodat ge ze voorzichtig kunt dichttrekken. Niet te bruusk. Gewoon zachtjes. Klik. Dicht. Dat ze nog even goed blijven. Dat ze niet uitdrogen of verkruimelen. Dat ge ze later nog eens kunt bovenhalen, openritsen, en kijken of ze nog hetzelfde smaken als toen. Dan ook tandenstokers. Voor de kleine dingen. Om iets weg te pulken dat blijft hangen. Of om, heel precies en beleefd en hygiënisch, dat stukje salami te nemen van het leven waar ge zin in hebt. Niet het hele bord. Gewoon dat ene stukje dat ge gezien had en waarvan ge dacht: ja, dat wil ik. En dan aluminiumfolie. Zo’n rol zilver die ge rond iets legt wanneer ge wilt dat het warm blijft. Of vers. Of beschermd tegen wat er van buiten komt. Ge pakt dat vel, ge plooit dat er rond en ineens is alles een beetje veiliger. De lucht blijft buiten. De warmte blijft binnen. Soms denk ik dat ik dat ook zo doe. Dat ik ergens een stuk aluminiumfolie heb klaarliggen voor mijn hart. Niet om het te verstoppen. Maar om het te bewaren. Voor onderweg. Voor later. Voor wanneer het nog even moet meegaan zonder te verkruimelen. Heel zorgvuldig ingepakt. Niet te strak. Gewoon genoeg om het warm te houden. Tot iemand zegt: "Kom, dit hebt ge niet meer nodig. Geef het maar hier. Ik haal het er wel af. Ik hou het warm. Ik geef het lucht. Dat het kan ademen." Dat zou schoon zijn...  Maar elastiekjes?  Nee. Ik heb geen elastiekjes.  Diepvrieszakjes, tandenstokers en aluminiumfolie heb ik wel. Maar elastiekjes? Nee, die heb ik niet.

Katrien Daniels
30 2

Een vrouw

Een vrouw. Ze staat er. Ze valt en staat weer op. Ze valt op. Een eigenzinnige vrouw. Een vrouw met handen in de aarde en haar hoofd in de lucht. Een vrije vrouw.Een vrouw met donkere ogen en een verlichte geest.Een tache de beauté, vlak bij haar neus. Ze heeft een boek onder haar arm. Ze is een boek van een vrouw, dat je niet gelezen krijgt. Een stijlvolle vrouw, zonder stijl. Een eeuwige vrouw. Zonder trends. Een vrouw die laarzen draagt, enkel om er regels aan te lappen. Een vrouw die op de lappen gaat. En die alles afzweert. Een vrouw die weet, van wanten en planten. Een volle vrouw. Een vrouw die geen blad voor de mond neemt. Rad van tong. Met daarop haar hart. Een vrouw die kiest. Een vrouw die zich niet laat kennen. Die zich laat verwennen. Die verwent. Een verwende vrouw. Een vrouw die spreekt. Een vrouw die veelzeggend zwijgt. Staalhard. Die je het zwijgen oplegt. Een vrouw die je de mond snoert. Een snoerende vrouw, die zich niet laat insnoeren. Een snoevende vrouw. Een stoere vrouw. Een vrouw die smacht en smeekt, siddert en beeft. Voor zichzelf. Die zich overgeeft, aan zichzelf. Een vrouw die niet van ophouden weet. Geen vrouw bij de vleet. Een vrouw van vol vlees. Die geurt naar kruiden en buiten.Een vrouw die leeft. Die kansen gretig grijpt. Die oogst wat je haar geeft. Een straffe vrouw. Een vrouw die straft. Een vrouw met straffe stoten, een vrouw met kloten. Een vrouw die tegen een stoot kan. Een vrouw die het hard te verduren krijgt. Een vrouw die wordt aangeraakt. Een vrouw die slikt maar niet vergeet. Een wilde vrouw. Een wulpse en weldadige vrouw. Wildevrouw. Een weergaloze vrouw. Een oervrouw die de oerkreet uit. Die het uitschreeuwt van pijn of genot. Dat maakt niet uit. Een vrouw die de weg toont, een vrouw die je weg tovert. Van het pad gaat.Een vrouw die durft drinken, durft stinken. Een vrouw die bedwelmt. Een vrouw die zalft en geneest. Planten leest.Een vrouw die zorgt en zoogt. Een vrouw die poogt. Probeert en faalt en opnieuw probeert. Die opbokst. Ze wikt en weegt. Ze pleegt. Ze doet, ze onderneemt. Een gevaarlijke vrouw. Een slimme vrouw. Een sluwe vrouw. Een wereldse vrouw, een vrouw van de wereld. Een vrouw waar geen sleutel op past. Een vrouw als een bloem. Als een eenogige kat.Een onomwonden vrouw. Een wonde van een vrouw. Een wonder van een vrouw. naar aanleiding van het debat tussen Soundos en Bart Schols, gebaseerd op De wonderen van Jeroen Olyslaegers

Lennart Vanstaen
3 0

Vriendelijke man

Onder het motto 'ook als het niet regent kan je schuilen' stap ik met mijn krant een bruin getinte horecazaak binnen. Mijn vrouw en het gezelschap vergapen zich aan de Antwerpse uitstalramen. Terwijl ik aan de toog een artikel uit de vuistdikke weekendkrant lees, komt er een struise man in een donkerblauw kostuum binnen. Hij mankt en heeft moeite om op de kruk naast me te klauteren. Hij bestelt net als ik een koffie. Ik haal mijn beste sociale zelf naar boven en vouw de krant dicht en leg ze voor mij op de toog. De man kijkt naar de krant en wijst ernaar. Hij zegt niets maar zijn mimiek is duidelijk. Of hij die mag lezen. “Het is niet de krant van het café”, zeg ik. “Wel die van mij, maar je die mag best lezen’. Hij slaat de krant open en neemt zijn tijd voor het eerste artikel uit de weekendbijlage. Daar zit ik. De patron heeft zijn stem nog thuis liggen. Er zijn geen andere klanten en mijn buurman leest mijn krant. Op zijn dode gemak. Een stroom aan onrustwekkende gedachten stapelen zich op. Ik kan hem die krant toch niet terugvragen? Wat als mijn vrouw en het gezelschap naar mij op zoek gaan? Hij is toch maar onbeleefd. Hij heeft nog geen woord gezegd. Kijk, nu maakt hij zijn vinger nat om de pagina om te slaan. Ondertussen is er een half uur gepasseerd. Ik zit al aan mijn derde koffie. Terwijl ik hem ietwat stuurs aankijk, verorbert hij nog een artikel. Drie kwartier al. Wat een asociaal geval. Wat kan ik doen? Plots slaat hij de verlossende pagina om. “Leuke krant”, zegt hij. “En er staat veel in. Dank je wel om ze even te mogen lezen. Mag ik een pintje patron?” Vriendelijke man, dat wel.  

Rudi Lavreysen
4 0

Tiempo robado

Mijn jongste vruchtje woont in Madrid. Als hij voor een paar dagen in het land is, verschuift alles hier een beetje. Agenda’s worden herschikt. Vrienden sturen berichten. Zijn lief wil hem zien. Zijn oma wil hem voeden. En dat is goed. Dat is hoe het hoort. Ik vind het oprecht mooi dat zoveel mensen een stukje van hem willen. Dat hij bemind wordt. Dat hij gewild is. Dat hij ergens thuishoort waar ik niet bij ben. Hij speelt rugby in Madrid. Dat was geen plan. Dat is gewoon gebeurd. Zoals volwassen worden ook gewoon gebeurt. En dus plan ik geen strijd. Ik plan tijd. “Zeg, sauna?” Zo achteloos mogelijk. Dat is ons ding. Al sinds hij klein was. Eerst privé. Later openbaar. Gelijk de echte. Met vreemde lichamen en houten banken en stilte. We hebben zo onze ritueeltjes. We voorspellen de oneliners van het personeel nog voor ze uitgesproken zijn. Aan de inkom:“Hebben jullie alles mee?” Wij kijken elkaar aan. Wat is alles? Het is een naaktsauna. Daarna: “Eerst even het bandje scannen.” En bij het buitengaan — altijd met datzelfde floeren stemmetje: “En hebben jullie ervan genoten?”  Genoten? Zover zijn we nog niet. Binnen hebben we codes: Als hij zacht met zijn voet tegen de mijne tikt: observatie. Als hij “interessant publiek” fluistert: relatie in herstructurering. Als hij plots Spaans begint te spreken — “Madre mía…” — dan weten we: te luid gekwetter, verplaatsen. In de jacuzzi legt een jonge moeder uit dat Winter al zonder zijwieltjes fietst. “Gewoon losgelaten,” zegt ze. Losgelaten. Ik kijk naar hem.Madrid. Rugby. Schouders die breder zijn dan mijn armen ooit konden omvatten. Ik heb hem ook losgelaten. Niet dramatisch. Niet met een speech. Gewoon beetje bij beetje. Eerst zijwieltjes. Dan alleen naar school. Dan naar een andere stad. Dan naar een ander land. In de sauna zit een koppel dat hun relatie probeert te repareren. Hij zegt: “We moeten beter communiceren.” Zij knikt. Hun knieën raken elkaar niet. Zijn voet tikt tegen de mijne. Wij begrijpen het zonder woorden. Een man loopt voorbij met “Gunther” geborduurd op zijn badjas.Ik fluister: “Als ik ooit mijn naam op textiel laat zetten, mag je mij discreet uit het leven begeleiden.” Hij grinnikt. Wij zijn heerlijk spottend samen. Tijdens de opgieting: “Adem diep in.” Eucalyptus. Steranijs. Hitte die binnenkomt als een herinnering. Hij leunt achterover. Grote handen. Rugby-lijf. Een man. En toch zie ik het kind dat ooit tegen mij opklom alsof ik een boom was. Dat in mijn buik woonde. Dat dacht dat ik alles wist. Aan de balie, vier uur later:“En hebben jullie ervan genoten?” En dan volgt de opsomming. Cheesecake. Tapas. Drankjes. Altijd dat kleine biechtmoment. Ik glimlach. We hebben niet gewoon genoten. We hebben tijd gepakt, een beetje gestolen.  Niemand is van iemand. Niet kinderen.Niet liefdes.Niet moeders. We krijgen elkaar in bruikleen. En vandaag, tussen eucalyptus en Spaans gefluister, zat hij naast mij. Niet van mij. Maar even bij mij. Zo een gestolen moment. En dat is meer dan genoeg

Katrien Daniels
79 2

De broodbotsing

Ik weet niet waarvoor ze naar de bakker ging. Kwam ze, net als ik, voor een brood? Of moest ze trakteren op haar werk en ging ze gebak en taart kopen?  Ze had haast, dat was zeker. Ze rende letterlijk naar binnen. De automatische deur had moeite om haar te volgen. Maar dat was buiten deze vroege vogel gerekend. Ik had net afgerekend en stapte naar buiten. De binnenstormende mevrouw was zo gefocust op haar toekomstige koopwaar dat ze me niet zag. Ze botste letterlijk tegen me aan. Ik kon nog net mijn 7granenbrood in bescherming nemen. Anders was het van 7 naar 3 gegaan.  “Sorry”, mompelde ze, waarna ze even gehaast verder stapte.  Wat kon er nu zo dringend zijn? Wilde ze de files in Antwerpen voor zijn? Het was half acht ‘s morgens. Een onmogelijke taak. Of moest ze onderweg iemand oppikken? Ik weet het niet.  Maar ik moet eigenlijk niet veel zeggen. “Gij hebt het geduld van een goudvis”, zegt mijn vrouw soms. Op zaterdagochtend sta ik als een springveer aan mijn brievenbus te huppelen. Kijken of de weekendkrant al is geweest.  In het huis van vroeger kwam de postbode pas tegen de middag. We woonden op het einde van zijn ronde. Terwijl er rond dat tijdstip bijna een nieuwe tourrit begon, lazen we in de krant nog het verslag van gisteren. Het leek ons niet te deren.  De bakker, de groenteboer en de soepboer kwamen in die tijd aan huis. Het waren voorlopers van HelloFresh. Ik vroeg me toen al af of de bakker overal hetzelfde praatje maakte. Het is een nobele kunst, praatjes maken. Tegenwoordig is een gesprek beginnen een kunst. Zelfs bij de dokter hadden de mensen tijd. Afspraken bestonden niet. Iedereen ziek in de wachtzaal.  Als het maar geen fenomeen wordt, die broodbotsingen.  

Rudi Lavreysen
0 0

Een Nooteboom in de winter

Beste heer Nooteboom, Al enkele keren heb ik mezelf betrapt op de gedachte. Dat je* er niet meer was. Af en toe verscheen je in mijn nieuws van de dag of gesprek aan de tafel, en telkens dacht ik: je bent weeral ouder. Hetzelfde gevoel bekruipt me soms met andere helden zoals Kees Van Kooten en Toon Tellegen. Ik had het je gegund 100 te worden, met zulke mooie nullen. Maar die eeuwige slaap, waar je zelf dichterlijk leek naar te verlangen bij momenten, kon niet uitblijven. Met weemoed denk ik terug aan de masterthesis die ik over jouw poëzie (vanaf 1982) heb geschreven. Die vele uren in de bibliotheek van de UA. Aan de correspondentie met de heer Rennenberg, wiens werk ik wilde voortzetten. Hij had het in zijn onderzoek over een labyrint, en hoe je er telkens tevergeefs uit wilde ontsnappen. Hij had het over de tijd en de dood in je gedichten. En over de weg naar boven, die hij ‘ascentionalisme’ doopte. Hoewel ik niet de grootste onderscheiding kreeg voor mijn eigen werk, ben ik nog steeds trots op en overtuigd van mijn kleine bijdrage: je spiritualiteit en de gnosis in je poëzie (waar ook Claus en vooral Mulisch zich mee inlieten) als ultieme ontsnapping. Ik hoop dat je jezelf uiteindelijk hebt gevonden. Dat je nu op een van die talloze geliefde plekken bent. In Duitsland of Spanje wellicht. Of misschien zit je nu wel op de Koude Berg, in China. Eindelijk dicht bij jezelf. ‘Van het begin af was Koude Berg mijn woningZwervend tussen de heuvels, ver van het rumoer.Weg, en duizend dingen laten geen spoor na.Los, en alles stroomt langs oneindig veel sterren.Geen ding, en toch staat het voor me.Nu ken ik de parel van het Boeddha-wezenEn ken zijn gebruik: grenzeloos en volmaakt enzo rond als een nul.’ Ik zou nog zoveel kunnen schrijven, maar ik laat mezelf nu hier achter. En wel met mijn lievelingsgedicht van jou. Rust zacht, Cees Nooteboom. Trinidad Dit ben ik vaak geweest:een man op een landweg,een man in een vliegtuig,een man met een vrouw. En dit ben ik vaak geweest:een man die zich onder een steenwou verbergenom geen licht meer te zien. Deze twee mannen,ze dragen mijn koffers,ze lezen mijn kranten,ze verdienen mijn brood. Samen trekken wedoor het geluid en de lucht van de wereldop zoek naar het onzichtbare standbeeldwaar ze alledrie opstaanin de gedaante van één.*Eerst wilde ik je met u aanschrijven uit respect, maar ik kies toch voor een jij. Als er iets is wat ik je wil geven, is het nabijheid.  

Lennart Vanstaen
11 4

Lijst van dingen die de dag een gouden randje geven

De eerste hap van een warme croissant met echte boter. Frieten van de frituur met nét iets te veel zout. Een toast met préparé op zondag terwijl ge eigenlijk “licht” ging eten. Verse pannenkoeken met gesmolten suiker die knispert. Gelukkig zijn er pannenkoeken. De korst van lasagne. Alleen de korst. Met uw vinger door de saus gaan terwijl ge zogezegd aan het afruimen zijt. Chocolade die eigenlijk “voor het bezoek” was. Een raketijsje in november. Omdat het mag. A sunday in the middle of the week.  De eerste slok koffie wanneer ge al te laat zijt. Nieuwe lakens. Zon-gedroogd. Fris als een nieuw begin. Een parkingplaats vlak voor de deur. Een dutje van twintig minuten dat voelt als een wedergeboorte. Een leeg huis met uw muziek te luid. Solden waar ge 70% korting krijgt en denkt dat ge winst maakt. (Vrouwenwiskunde.) Iemand die zegt: “Ik heb gekookt.” Een hand op uw onderrug in een drukke ruimte. Lepeltje-lepeltje terwijl het buiten regent en ge nergens moet zijn. Het moment vlak voor een kus. Dat zweven. Uw hoofd op iemands borst leggen en het ritme vertrouwen. Een man die spontaan de vuilzak buitenzet zonder zucht of PowerPoint. Een berichtje dat begint met: “Ik moest aan u denken.” Uw naam horen fluisteren. Iemand die zegt: “Ik regel dat wel.” Een applaus dat nét iets langer duurt dan beleefd. De stilte na muziek waar niemand doorheen durft te praten. Een opgegroeid kind dat onverwacht uw hand vastpakt. Een volwassen zoon die plots groter is dan gij, maar nog altijd “mama” zegt met dezelfde stem. Vriendinnen voor het leven die geen cava nodig hebben, maar weten dat het vandaag koffie moet zijn. Die niet vragen “hoe gaat het?” maar zeggen: “Kom. Zitten. Vertel.” De eerste zon op uw gezicht na weken grijs. Een lege stoel die pijn doet, maar ook bewijst dat ge kunt houden. Denken dat ge het niet meer gaat doen… en het toch doen. En heel even geloven: misschien wordt het toch nog schoon.

Katrien Daniels
32 2
Tip

Verzamel ze allemaal

Ik beken. Ik was er deze middag. En ik ben door de drive-thru gereden. Ik at een kleine friet. Een cheeseburger. En water. Dat detail vind ik belangrijk. Water. Ik doe dat nooit natuurlijk. Behalve soms. Zoals vandaag. Het was geen wilde uitspatting. Geen rock-’n-roll. Gewoon een middag waarop ge denkt: vooruit, snel, efficiënt. En dan rijdt ge onder dat grote gele M-teken door, dat u ontvangt alsof ge thuiskomt in een wereld waar keuzes simpel zijn. Menu 1, 2 of 3. Groot of klein. Met saus of zonder. En toen zag ik het.Dat kon ook niet anders. In grote letters. Met kleuren die roepen. 'Verzamel de Friends-mokken.' Mokken. Ik stond daar met mijn kleine friet en mijn moreel verantwoorde water en voelde iets wat ik niet had zien aankomen: nostalgie. Want mokken doen iets met mij. Ze sleuren mij meteen naar die Smurfenmokken in de kringloopwinkel. Altijd per twee of drie. Nooit volledig. Een Brilsmurf zonder Grote Smurf. Een Smurfin die haar dorp kwijt is. En ik kan dat niet gewoon zien. Ik verzin daar levens bij. Een oma die stempels spaarde voor haar kleinkinderen. Zondagen met chocomelk. Koekjes die te lang in de tas bleven hangen en dan met een lepeltje gered moesten worden. Of een man — noemden we dat toen al een geek? Bestond dat woord in de jaren tachtig? — iemand die ze opstelde in een vitrinekast. Met spotjes. Nooit gebruikt. Want koffie in een verzamelobject, dat is heiligschennis. Of gewoon gewonnen op een quiz. Ge zijt laatste. Ge moogt nog kiezen tussen Smurfenmokken of onderleggers van de KBC. En ge kiest dan toch de mokken. Omdat dat nog het meest lijkt op een overwinning. En dan? Wordt dat uw vaste tas? Of verdwijnt die achteraan in een kast, wachtend op een betekenis die nooit meer komt? Ik ga niet sparen voor die Friends-mokken. Zeg ik nu. Ik zag die reeks trouwens niet eens zoooo graag. Die lachband was mij te veel. Dat publiek dat applaudisseert omdat iemand een kamer binnenkomt. Rustig jongens, hij komt gewoon binnen. Maar ik begrijp het wel. Het gaat niet over mokken. Het gaat over compleetheid. Over iets kunnen afvinken. Over een rijtje in uw kast dat klopt. Misschien verzamelen mensen geen dingen. Misschien verzamelen ze momenten waarop alles simpel leek. Twintig minuten. Een grap. Gelach op commando. En daarna opgelost. Ik dronk mijn water. Alsof dat iets rechtzette. En ik reed door zonder mok. Maar ik geef toe, ik heb wel even gekeken welke er allemaal waren.

Katrien Daniels
134 8
Tip

Kiezen is verliezen (maar soms ook winnen, blijkbaar)

Kiezen is verliezen, zeggen ze. Als dat waar is, wil dat zeggen dat het moment waarop ge beslist eigenlijk een rouwmoment is. Een begrafenis. Een koffietafel voor alle levens die ge niet gaat leiden. Ge staat daar met uw keuze in uw handen terwijl ergens een andere versie van uzelf zachtjes wordt dichtgeschoven. Ik zie dat voor mij. Dat vage witte tafelpapier. Niet wit, niet proper, niet hoopvol. Met kringen waarvan ge hoopt dat het koffie is maar waarvan ge weet: hier heeft al iemand anders geprobeerd het te begrijpen. De zaal ruikt nog naar het eetfestijn van de voetbal van vorige week. Frituurvet, dweilwater en de restanten van goeie moed. Er staan pistolees. Met kaas. Met hesp. En ja, er wáren er met préparé. Maar die zijn al weg. Uiteraard. De préparé is voor de mensen die durven. Voor wie niet eerst nog drie scenario’s wil doorrekenen met het universum. Twijfelaars krijgen kaas. Dat is de wet van de vooruitgang.Daarnaast koffiekoeken. Met rozijnen – wie eet dat vrijwillig? – en die met dat witte glazuur dat blinkt alsof het u persoonlijk uitlacht.En de koffie: ofwel te straf, ofwel te slap, maar nooit juist. Ik ben een kookmoeke, ik weet dat een perculator een ambacht is. Dat maakt ge met een pakske van een halve kilo, water en veel liefde.  En iedereen knikt dan. Ja. Kiezen is verliezen. Ge pakt iets vast en tegelijk voelt ge wat niet meer zal gebeuren. Het andere werk. De andere liefde. Het parallel universum waarin ge misschien spectaculairder waart. Maar soms, op dagen dat ik mild ben voor mezelf, denk ik: misschien is kiezen ook winnen. Misschien wint ge rust. Misschien wint ge een plek waar uw jas vanzelf thuishoort. Misschien wint ge het zwijgen van de eeuwige vraag: wat nu weer? Neem nu het paradijs van de beslissing. Het land zonder twijfel. Uw loon elke maand op tijd, als een golden retriever die aanbelt met zijn staart in overdrive en zegt: ik ben hier en ik blijf.Zoiets als werken bij een FOD. En ik meen dit oprecht: daar heb ik bewondering voor. Dat ge kunt zeggen: dit is goed. Dit is genoeg. Dat ge vertrouwen hebt in procedures zoals andere mensen vertrouwen hebben in sterrenbeelden. Wat moet dat zalig zijn, een hoofd dat niet elke ochtend denkt: vandaag zou ik ook kunnen verdwijnen en iemand anders worden. Ge hebt daar badgekes. Vergaderingen met water in kannen. Mensen die “goeie vraag” zeggen en het menen. Mensen die Excel openen zoals ge een raam openzet: om lucht te maken. En één keer per jaar gaan de remmen los. Dan komen de post-its. Fluo tegen de muur. Er wordt buiten de box gedacht, maar veilig, met catering.In de lente is er teambuilding. Touwen. Vertrouwen. Een facilitator die vraagt wat verbinding vandaag met u doet. En tien keer zegt iemand: zot van ons, hè. En ze hebben gelijk. Het is schoon. Mensen die samen blijven. Die niet voortdurend denken dat het leven hen ergens anders verwacht. Ik kijk daarnaar en iets in mij ontspant. Zie hoe volwassen. Zie hoe geruststellend. Zie hoe niemand hier plots naar Peru vertrekt omdat een liedje dat suggereert. En tegelijk begint er iets in mij te roepen. Want ik weet: zet mij daar neer en ik ben binnen de maand verliefd op een nooduitgang. Dan zie ik een raam en denk ik: wat als daar betere dialogen liggen? Dan voelt geluk zo definitief dat ik er bijna allergisch aan word. Dat is mijn talent. Ontroerd raken door zekerheid en tegelijk mijn loopschoenen zoeken. Dus ik kies niet. Ik hou alles open. Voor passie. Voor toeval. Voor het grote moment waarop iemand mij bij mijn kraag grijpt en zegt: gij daar, nu. Ik noem dat vrijheid. Dat klinkt beter dan besluiteloosheid. Alleen heeft vrijheid een marketingprobleem. Want vaak betekent het dat ge aan de kant staat terwijl anderen hun meubels al hebben gezet. Zij weten bij wie ze horen als het donker wordt. Zij hebben gewoontes die hen terugroepen. Ik zeg dat ik blij ben met mijn mogelijkheden. En dat is waar. Maar sommige nachten is mijn bed zo groot dat het een landkaart wordt. Ge draait u om en botst op karakterontwikkeling. Ge steekt uw arm uit en vindt persoonlijk groeipotentieel. Fantastisch gezelschap. Soms overweeg ik om er entree voor te vragen. En dan denk ik aan Margot van den bakker. Met Mike. Sinds haar vijftiende. Ze zijn samen dikker geworden, rustiger, minder verbaasd. Hun liefde zit waarschijnlijk in praktische afspraken en gedeelde boodschappen. Maar zij moet nooit alleen wakker worden in haar gekozen leven. Nooit dat moment waarop ge denkt: ah ja. Ik ben het weer. Ik en mijn schitterende opties. Ik zie hen wandelen. Niet romantisch. Gewoon onafwendbaar. Er is altijd iemand naast haar.En ik sta daar met mijn vrijheid als een dieet waarvan ik hoop dat iemand het bewondert. Dus wie kiest er uiteindelijk voor mij? Niemand. En misschien is dát het echte verliezen. Dat ge zo lang wacht op het juiste moment, tot ge beseft dat de durvers al terug aan de toog staan. Dat de toekomst verdeeld is. Dat de préparé al jaren op is. En dat iemand vriendelijk zegt: er is nog kaas. En dat ge zelfs dan nog vraagt of ge misschien eerst eens moogt proeven.Terwijl ge diep vanbinnen weet dat ge lactose-intolerant zijt voor beslissingen

Katrien Daniels
191 6

Valentijn voor gevorderden

Het is weer die tijd van het jaar. Etalages lopen over van rood. Lelijke harten. Rode rozen die al te ver opengebloeid zijn en eruitzien alsof ze zelf ook liever terug naar huis willen. Valentijn. De hoogmis van de liefde. Of beter: van de liefde die aftrekbaar is van de belastingen, denk ik dan. Maar vanwaar komt dat eigenlijk allemaal? Het zou begonnen zijn bij Valentinus van Rome. Een priester met een romantisch temperament in een tijd waarin keizer Claudius II Gothicus dacht dat vrijgezelle mannen betere soldaten waren. Valentinus dacht: ja maar, liefde. De keizer dacht: ja maar, kop. Nog snel een briefje – van uw Valentijn – en hop, twee millennia later staan wij te twijfelen tussen melkchocolade of puur zelfbedrog. En nu zitten wij ermee. Met beren. Met ballonnen. Met restaurants die alleen nog tafels hebben om 17u30 of ergens in april. Vandaag zijn er drie soorten mensen. Ge hebt de koppels die niet meedoen. En die doen daar ook echt niet aan mee. Die eten puree met witloof en worstjes. Zoals altijd. Dat is geen metafoor, dat is een menu. Ze zitten in de zetel. Het nieuws praat tegen niemand in het bijzonder. De man des huizes stelt zich geen vragen, want waarom zou hij. Alles is er. Het leven loopt. En zij? Zij laat een klein kiertje open. Misschien een bloem. Misschien een glas. Misschien iets dat zegt: ik zie u nog. Maar het komt niet. Geen etentje. Geen glaasje. Geen roos. Zelfs geen bibberig hartje in lippenstift op de spiegel dat ge later kunt wegvegen met teleurstelling en wat keukenrol. Officieel doen ze niet mee. Liefde zit in de dagdagelijkse dingen. In het feit dat hij de verwarming al wat hoger heeft gezet. Dat is romantiek. Vooral volgens hem. Dan hebt ge de singles. Die triestig zijn. Die voelen dat ze ergens onderweg verkeerd zijn afgeslagen terwijl iedereen precies wist waar de parking was. Die zich afvragen wat er mis is met hen. Te veel? Te luid? Te eerlijk? Had ik kleiner moeten worden? Of net groter maar met minder inhoud? Zij doen niet mee. Niet omdat ze erboven staan. Maar omdat niemand hun naam heeft geroepen. En dan hebt ge de commerce. Die tussen nieuwjaar en de lentecollectie naar het plafond staart en denkt: komaan, mensen, koopt iets emotioneels. Hier is rood. Hier is eeuwig. Hier is een doos met een strik die zegt dat ge moeite hebt gedaan, zelfs als ge dat niet hebt. En dan vraagt ge u af: wie doet daar dan wél aan mee? Awel ja. Dat is een kleine, statistisch verwaarloosbare categorie van platte vijgen. En ik? Ik kijk daarnaar en ik denk: nee. Niet met mij. Ik ben niet zielig. Ik ben niet vergeten. Ik ben gewoon slimmer dan het systeem. Als niemand mij kiest, dan kies ik zelf wanneer het feestje plaatsvindt. Flexibiliteit is macht. Dus Sofie en ik – mijn vriendin, mijn bondgenoot, partner in crime in plannen voor eigenzinnige vrouwen – wij hebben Valentijn verschoven. Naar 11 februari. Wij doen een beauty-avond. Met leuke meiden die we niet kennen maar dat ongetwijfeld zijn, want zo werkt dat wanneer ge beslist dat het zo werkt. Wij laten ons onderdompelen in eyeliner, concealer, foundation, primer. Dingen die beloven dat ge er uitgerust uitziet, zelfs als uw hart al jaren overuren draait. Wij lachen. Wij klinken. Wij zijn scherp. Wij hebben het begrepen. Wij doen niet mee. En terwijl er zorgvuldig aan onze gezichten wordt gewerkt, terwijl iemand zegt: zo, nu straalt ge, kijk ons eens stralen in de spiegel van onze zelfgekozen onafhankelijkheid, denken wij allebei exact hetzelfde. Goed dat we dit vandaag doen. Dan zien we er op 14 februari tenminste goed uit. Stel dat. Stel dat er iemand belt. Stel dat iemand plots weet wat hij wil. Stel dat wij moeten doen alsof wij totaal verrast zijn. Ge wilt op zo’n moment niet met half afgebladderde mascara staan argumenteren dat liefde een sociaal construct is. Dat is het voordeel van slim zijn. Ge ontwijkt de val. En zet tegelijk een stoel klaar. Wij verwachten niks. Maar als er dan toch iets komt, staan wij daar wel, schoon in de primer.

Katrien Daniels
71 2