Zoeken

Groeipijnen

Soms ben ik zo bang dat ik mezelf niet meer zal terugvinden. Voor ik kinderen had was ik zorgeloos, chaotisch en een kritische denker. Nu ben ik voortdurend overbezorgd, krijg ik zelfs de meest simpele gedachten niet op een rijtje en ben ik meer uptight dan de gemiddelde Karen. Een broek met een vlek die er maar niet uit geraakt kan de hele nacht door mijn hoofd spoken maar voor discussies over vrijheid van meningsuiting lijk ik geen energie meer te hebben. En dat terwijl ik gezworen had dat het moederschap me niet zou veranderen…  Het idee dat het moederschap je niet zal veranderen is bullshit. Het is een loze belofte die menig moeder zichzelf en haar omgeving wijsmaakt. Het moederschap is niet iets wat je er zo maar even bij neemt. De vraag is niet of kinderen in je leven passen maar of je bereid bent om het leven dat je kende en alles dat je was op te geven voor je kinderen. Die oneindige moederliefde reduceert je leven tot zorg dragen. Dat is alles. De rest is bijkomstig. Ik heb het hier niet over een bewuste keuze om je kinderen voorop te stellen. Het gaat automatisch. Je lijf veranderd je geest. Al wat je was is nu moeder.  Ik hou van mijn kinderen zoals ik nog nooit van iets of iemand gehouden heb maar ik hou ook van de persoon die ik was en ik vind het moeilijk om haar los te laten. Ik ben geen geboren moeder. Ik moet nog groeien in mijn nieuwe ik en vandaag zijn die groeipijnen net iets pijnlijker dan anders. Ik koos voor het moederschap en zei vaarwel tegen mijn zorgeloosheid en scherpe geest.  Kiezen is verliezen maar met die kinderhandjes in de mijne voel ik me toch altijd een winnaar. 

OliviaKort
1 0

Sabeltandtijgers

6:13 Zeven minuten voor de wekker de eerste keer kraait.Klaarwakker.Meteen dat gevoel. Me instant vastklampen aan die ijdele hoop om toch nog snel 420 seconden opnieuw in slaap te vallen. Nog even die werkelijkheid links laten liggen. Snel, snel! Als het nu niet lukt, is het de moeite niet meer. Al is het sowieso de poging niet meer waard. De blinde paniek om niet blind te panikeren en de slaap voor de komende 16 à 17 uur te verjagen, blaast elke korrel van Klaas Vaak finaal uit te ogen. En dus lig ik zeven minuten te staren naar een stel donkerrode cijfers. Te wachten tot dat vermaledijde ding begint te blèren. Waarom zou dat gebeuren? Wakker worden net voor de wekker aan zijn eerste shift begint?Is het de dag die al ongeduldig op je schouder komt tikken? Kom, kom, we beginnen eraan. Ik heb zoveel moois voor je in petto.De maniakale lach die erop moet volgen, krijgt hij nog net ingeslikt. Of is het evolutionair? Voor dag en dauw alert zijn zodat er niet stiekem een sabeltandtijger je grot binnensluipt. Goh, sabeltandtijgers, als dat je enige zorg is. Hoe simpel was het leven toen. Zou dat een echte bekommernis zijn geweest? Of was het een gemene roddel van drie stammen verderop? Opletten voor sabeltandtijgers. Gniffel, gniffel. Ze sluipen ’s morgens graag je hol binnen. Woeha! Ja, er stond wellicht nog meer op de zorgenagenda. Vuur maken, voedsel zoeken, de kinderen entertainen met een tak, blaadjes van de hazelaar en een steen met niet al te veel scherpe randjes. Hadden ze toen ook al stress? Was er een waan van de dag? Of was het leven gewoon een aaneenrijging van eenvoudige momenten? Het ene uur volgde op het andere en plots zette de duisternis is. Nu is vuur maken een klimaatzaak. Voedsel zoeken het moment in het weekend waar je het meest tegenop ziet. En kinderen verzuip je in YouTube, TikTok en Netflix. En in een stevige geut Perdolan als ze heel erg lastig zijn. Het is het lijden van te veel. Zorgen maken over Sinterklaaslijstjes. Onrust omdat Amazon misschien niet tijdig levert. En ja, fuck Jeff Bezos. Dat moet je regelmatig eens declameren op je socials, terwijl je ongeduldig wacht op je volgende pakketje. Je street credibility hangt ervan af. En dat is je pasmunt aan zoveel kassa’s van het leven.   We spelden drukdrukdruk als een ereteken op onze revers. We kloppen eindeloze uren voor arbitrair gelegde deadlines en noemen het een carrière. En tussen milestones en deliverables verzorgen we onze eigen public relations omdat we zo graag die volgende sport op de loopbaanladder willen beklimmen. Dan kunnen we zelf willekeur verpakken als strategie. Wat er van vrije tijd rest pompen we vol. Omdat elke minuut zinvol moet zijn. We leggen lijstjes aan van boeken die we moeten lezen, films en series die we moeten zien, bestemmingen waar we een selfie moeten nemen. Verveling is een zonde. Niets doen een halsmisdrijf. Het leven is stilaan gedegradeerd tot topsport. Met Olympische limieten voor wat je eet, wat je doet, wat je denkt. Een nuchter mens durft het wel eens waanzin noemen. De wekker tiert zijn ochtendsonate. Soms lijkt een sabeltandtijger in de ogen kijken zoveel eenvoudiger. Eén confrontatie die de koers van de dag bepaalt. Jaag je hem een speer tussen de ribben, dan heb je voedsel, vacht en een straf verhaal. Lukt dat niet, nouja, dan zijn je zorgen ook snel voorbij. Ik stap uit bed. 420 seconden denkwerk hebben de confrontaties voor de dag scherpgesteld. Niet één sabeltandtijger. Een massa.   De eerste slok cafeïne van de dag doet al lang niet meer wat hij hoort te doen. Het is hooguit de olie die de onderdelen smeert. Niet meer de injectie benzine die in de verbrandingskamer terechtkomt. De deur van de woonkamer annex keuken zwaait open. Een van de dochters zwaddert slaapdronken binnen. Met haar als een onweerswolk en de laatste droom op de wimpers. Haar winterpyjama maakt haar pluizig en knus. “Knuffie?” vraagt ze terwijl naar de keukentafel stapt. Ze spreidt haar armen.Soms is het alsof ze gedachten kan lezen. Ze knuffelt me zoals een van haar troetelbeesten. Innig. Krachtig. Dodelijk, als ze tien jaar ouder was geweest.Ik voel de glimlach op haar snoet. 420 seconden denkwerk rafelt uiteen en dwarrelt langzaam weg. Die massa sabeltandtijgers? Die maken vandaag geen schijn van kans.

Kwansuis
1 0

vierde golf

We zitten er midden in, ontkennen heeft geen zin. Net als bij de vorige golven beginnen nu opnieuw verschillende niveaus soloslim maatregelen af te kondigen. Wat opvalt is dat, mijns inziens, de jeugd het opnieuw moet ontgelden. Een scoutsfuif kan niet doorgaan, een afsluitend feestje op de sportclub passeert niet. Ondertussen blijven de discotheken volstromen, maar tja dat is niet de bevoegdheid van deze of gene gouverneur. Verder wordt de zwartepiet graag doorgegeven aan zij die, om god weet welke reden, zich niet laten vaccineren. Zij zijn de marginalen, de boosdoeners, deze keer. In maart 2020 waren we nog ‘one team’, naar analogie met dat ander team dat maar blijft bakkeleien waarom het sociale zekerheid op een billijke manier zou betalen. Enfin, een andere discussie, één van de vele andere twistpunten. Wat we niet kunnen ontkennen is dat wij ons nu laten verdelen. Wij zijn verscheurd, wij zijn niet langer één. Terwijl ik denk dat we met de vrij hoge vaccinatiegraad die er is wel iets kunnen tegenhouden. Maar ik denk dat er een veel performanter track en trace systeem zou moeten zijn. Want laten we wel wezen, daar loopt het helemaal spaak. Wie is daar verantwoordelijk voor? Zou het de politiek kunnen zijn? Die, alweer, na bijna 20 maanden eigenlijk nog steeds papt en nathoudt? Waarom wordt daar weinig over gezegd? De politiek had toch iets meer kunnen doen dan nu? Zij verdelen nu, door de maatschappij op te delen in goed en slecht. Zij leveren nu toch al keer op keer een diploma van onbekwaamheid af. Waarom komen ze daar zo makkelijk mee weg. Klopt het dan toch dat misdaad loont. Want daar begint het op te lijken: misdadig beleid. Waarom zijn er nog steeds geen bedden bij in de zorg, of handen? Want dat is een ware pandemie: er zijn te weinig middelen in alle lagen van de zorg (ik wens het niemand toe, maar je moet eens worstelen met mentale problemen). Begint dit niet een beetje op schuldig verzuim te lijken en moet dat niet op zijn minst eens bevraagd worden? Verder nog een kleine ergernis. Volgens de federale regering zitten we in een noodsituatie. Kan kloppen, natuurlijk. Maar hoe wenselijk is het wanneer een land in een noodsituatie terechtkomt dat beleidsmensen opdraven in quizjes en spelprogramma’s. Ondergraaft dat niet een beetje de sense of urgency die nodig is om iedereen bij de les te houden. Dit verwijt maak ik ook aan tal van virologen en andere intensivisten.  

brandnetel
6 0

De versleten broek

Een vriend van me zit in de broekenindustrie. De groothandel. Geen grote broeken, maar gewoon veel broeken. Hij heeft altijd verhalen bij uit het buitenland. Broekavonturen. We hebben afgesproken in de stad, waar hij woont en waar hij me van het station haalt. We zaten samen in de lagere school. Terwijl de trein het Centraal Station binnenrijdt denk ik aan de anekdote van meester Ivo die hij altijd vertelt. “Weet ge nog van meester Ivo? Hij zei altijd dat ik mijn broek zat te verslijten in de klas.” Hij is mooi op tijd en het weerzien is hartelijk. We proberen dit eenmaal per jaar te doen. Een koffie, een museumbezoek en daarna een hapje. Zijn telefoon rinkelt voortdurend. Het lijkt er eentje van het type te zijn dat ze pas gisteren hebben gelanceerd. “Ik bel wel terug”, zegt hij terwijl hij op de rode knop drukt. “Druk precies?”, zeg ik. “Ge wilt het niet weten. Ze bellen me van overal voor nieuwe partijen broeken. Maar ik heb er een theorie over.” Daar komt één van zijn verhalen. “Mensen moeten alsmaar meer meesleuren. Vroeger waren het alleen autosleutels, een portefeuille of een zakdoek. Maar tegenwoordig? Iedereen heeft een smartphone in zijn broek zitten. En een mondmasker. En een attest om binnen te mogen.” “Oké”, zeg ik. “Maar daar verslijten toch geen broeken van.” “Nee, maar mensen kloppen   continu op hun broek. Mondmasker? Check. Portefeuille? Ja. GSM? Check. En ze voelen maar. Daar gaan broeken sneller van verslijten. Ze vertelden het me in de fabriek. Stof is onderhevig aan wrijvingen.” Bij het koffiehuis voel ik in mijn broek naar mijn telefoon. Ik zie hem grijnzen. "Weet ge nog van meester Ivo", zegt hij als de koffie verschijnt. "Die zei altijd dat ik mijn broek zat te verslijten in de klas. Geweldig toch."

Rudi Lavreysen
17 0

Winkelen is wankelen

Een winkelkar gebruik je om ongegeneerd tegen iemands schenen te schoppen.  Dat zit zo: waar je in 2019 nog als lomperik werd beschouwd wanneer je met je kar tegen de schenen van een winkelende medemens reed, is dat vandaag de dag helemaal niet meer erg.  Want het is niet zo bedoeld.  De winkelkar gebruiken als fysieke barrière tegen een onzichtbare virus-vijand: het is helemaal ingeburgerd.   Daar ga je dan.  Even winkelen.  De bar van je kar stevig tussen je handen geklemd. Alsof je zo meteen een hondenslee zult besturen.  Droit devant, recht vooruit!  Maar de kar heeft een wiel dat moeilijk doet.  Dat wiel draait koppig autonoom pirouettes en doet jouw kar driften als een muscle car uit the fast and the furious. “Een vijfde wiel aan een wagen is even vervelend als een venijnig vierde wiel aan een kar”, bedenk je je plots.   Dan moet je schoppen, een eerste keer.  Tegen het wiel, niet tegen iemands schenen.  Schoppen tot de spelbreker in beweging komt en weer verder hobbelt.  Dat eigenzinnige wiel hobbelt en bobbelt verder, net niet geheel synchroon met de andere drie.  Kwestie van jou een beetje te jennen.  Soms geeft dat ene wiel er plots de brui aan en gaat dan haaks op je traject staan.  Zodat de kar met een snok tot stilstand komt en je er - boenk- zelf tegenaan botst.  Maar dat is oké.  Je vergeeft het je kar want je loopt liever tegen haar nette, ontsmette ijzeren geraamte aan dan tegen de ongewassen rug van een gestagneerde welriekende klant.  Tegenwoordig is dat soort fysiek ongemak passé.  Dankzij jouw barrière-kar. Je kar doet ook dienst als geïmproviseerde slagboom.  Wanneer je zin hebt om een gang met welbepaalde producten eens op je dooie gemak te bekijken bijvoorbeeld.  Alleen, zonder pottenkijkers.  Dan zet je je kar haaks op de gang.  Doelbewust, niet door toedoen van een toevallig haaks uitslaand wiel.  Jouw dappere kar blokkeert met ijzeren wil de doorgang.  “Halt!”  Hier wordt serieus gewikt en gewogen en gekozen.  “Geen toegang, zelfs niet met Covid Safe-ticket!”  Wanneer jij besluit dat de slagboom weer open kan, ga je samen met je dierbare kar opnieuw op pad.  Schijnbaar met elkaar versmolten als een Siamese tweeling.  Zo hobbelen jullie gezapig verder.  Het is goed toeven in winkelland. Aan de horizon wacht een vredelievende winkelkar-rij.  Een mens-een kar.  Een mens-een kar.  Een mens-een kar-een kassabediende.   De inhoud van je kar wordt zo snel mogelijk gescand.  De bediende buigt zijn hoofd en je ziet hem graaien naar een tube tandpasta die irritant ver naar achter in jouw kar is gerold.  Net buiten zijn bereik.  In een reflex buig jij je ook, om de tube aan te reiken.  Om te helpen.  Hoffelijk, zoals altijd.  Jullie beider hoofden scheren rakelings langs elkaar heen.  “Afstand houden!” roept hij.  Je schrikt je een half ongeluk.  Doet een bizarre hinkstapsprong en valt onbedoeld tegen de kar van de wachtende klant achter je.  Zoals verwacht rolt die andere kar uitstekend: er is altijd maar een kar in de ganse winkel die niet goed bolt en dat is die van jou.  Jij zoeft neerwaarts. Tegelijk bolt de irritant-perfect-rollende kar een halve meter naar achter en botst -boenk- tegen de achter-jou-wachtende-klant.  “Je moet afstand houden!” roept hij nu ook. Al dat moeten, een mens wordt er moe van.  “Ik moet juust niks!!” zou je willen schreeuwen.  In realiteit rollen er rustige woorden uit jouw mond.  Want je bent beschaafd en welopgevoed.  “Mijn excuses, ik wou niet met mijn kar tegen jullie schenen schoppen.”  Beide heren kijken nors, het blijft een wankel evenwicht.   Empathie of agressie.  Winkelen is wankelen.        

Carolien Libbrecht
0 0

De bladblazer

Voor veel mensen is werken in de tuin een hobby. Je kunt er je energie en je creativiteit in kwijt. En als het goed gaat, heb je in de zomer veel eer van je werk. Er bestaat ook een heel regiment aan gereedschappen waar mee je je kunt uitleven. Maar een van de meest verfoeide tuingereedschappen is toch wel de bladblazer. Waar je vroeger nog mannen vol trots het apparaat ter hand zag nemen, hoor je nu enkel maar klachten. Het is tegenwoordig not done om op zaterdagmorgen als een echte hero de tuin in te trekken en meer dan 100 decibel te produceren. Je krijgt de hele goegemeente over je heen. En terecht natuurlijk ook wel, zaterdagmorgen is bij uitstek de ochtend om heerlijk langzaam wakker te worden met een croissantje en een bakje koffie. En daar hoort geen geloei bij. Nu vind ik het gebruik van een bladblazer sowieso wel eens te ver gaan. In sommige tuinen lijkt wel geen sprake meer van seizoenen. Nergens ligt een blaadje. Ik kan me voorstellen dat je het blad van je gazon wilt hebben, dat geeft maar plekken, maar in de tuin verder mag het toch wel blijven liggen? Sommige mensen gaan de herfst te lijf met een energie waar je bang van wordt. Terwijl allerlei dieren heerlijk scharrelen door al dat dorre blad. Bovendien ruikt het ook lekker. Natuurlijk, naar rottend en afstervend blad, maar het is toch de geur van de herfst. En waarom zou je die wegblazen. Straks als het winter wordt, wordt het nog kaal genoeg. Gelukkig komt er in de strijd tegen de bladblazer hulp uit onverwachte hoek. Er is nl. onderzoek gedaan in het kader van het milieu. En wat blijkt? Bladblazers blazen giftige stoffen als stikstofdioxiden en fijnstof de lucht in, schadelijk voor mens en klimaat. Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat viertakt- en tweetakt-varianten van de bladblazer meer verontreinigende stoffen uitstoten dan een Ford F-150 SVT Raptor, een pick-up met een gewicht van bijna 3000 kilo. Oei, en die wil je niet op je rug hebben hangen. Dus zit er volgens mij maar één ding op. Terug naar de ouderwetse bladhark. Ik zie mijn vader nog ijverig aan het werk. Al het blad op een grote hoop harken en dan in de (toen nog) vuilnisbak. Nu moet dat natuurlijk in de groencontainer of naar het depot, maar daar hadden ze al die jaren geleden nog niet van gehoord. Het maakte ook geluid, die hark, vooral als je over grind of tegels ging. Maar het maakte geen lawaai. En als hij even niet keek, banjerden wij vrolijk door de bladerenheuvel. Natuurlijk hielpen we naderhand wel met opruimen. Dat was niet meer dan eerlijk.        

Machteld
0 0

Kabouter Wouter

Aan de rand van de derde boosterprik voor iedereen, verschijnt de gehoornde kabouter Wouter Beke opnieuw ten tonele. Stoer en los uit de pols schudt hij de waarheid uit zijn mouw. Dat wat hij altijd al wist, maar waar de geesten nog niet rijp voor waren. Hij wil de veren op zijn hoed, de pluimen in zijn reet. Wanneer hij een moeilijkere vraag voorgeschoteld krijgt schuift hij de schuld graag af op anderen. Zelfs zijn eigen kabinet ontsnapt niet als het moet. Als het ruikt naar kannibalisme, klinkt als kannibalisme en eruitziet als kannibalisme dan is het verdorie kannibalisme. Binnenkort vreet de man zijn eigen huig op, gedrenkt in een sausje van onzin. Als het hem dan toch te heet onder de amechtige voeten wordt dan kan hij nog altijd het antwoord schuldig blijven. ‘Daar moet ik het antwoord op schuldig blijven’ en een beetje onhandig schuiven op je stoel, lukt altijd. Wouter Beke neemt geen verantwoordelijkheid, gewoon omdat hij geen idee heeft wat verantwoordelijkheid is. De dronken chauffeur die zijn wagen te pletter rijdt is Wouter Beke.De hond die zijn eigen mand vol schijt, Beke.Het kind dat -tegen de afspraken in- uit het vliegtuigje hangt op de molen, Beke.De korst kankerverwekkend aangebakken restje vlees in de pan, Beke. Welk beleid? Van Wouter en zijn gehoefde kornuiten moeten jongeren in de klas een mondmasker dragen, want ja het virus is niet weg. Dat dit mentale problemen met zich mee kan brengen is niet aan de orde, dat er te weinig bedden zijn in de noodopvang –waarlijk een andere pandemie trouwens- deert hem niet. Noodopvang bekt minder sexy dan covid. Het is ook minder zichtbaar en kost eigenlijk alleen maar geld. Want dat doet welzijn in de ogen van deze non-figuur: een geldverslindende post. Hij zit tegen wil en dank in een sociaal keurslijf en het past voor geen meter. Voor iemand van een zelfverklaarde volkspartij, voor de gewone man dus, nogal onhandig. Al is hij niet de eerste en al helemaal niet de enige. Voor deze sujetten is democratie een wel erg rekbaar begrip. Een beetje een voetmat waar je het slijk van het slagveld aan afveegt. Een klein handigheidje in het beste geval, een joekel van een obstakel in alle andere gevallen. Het moge duidelijk zijn dat we met vaccineren alleen er niet zullen geraken, we hebben meer middelen nodig. Een contacttracing die perfect op punt staat bijvoorbeeld, voldoende ventilatie in openbare gebouwen en klaslokalen. Dat had al lang in orde moeten zijn. Een beetje leiderschap had gezorgd dat het nu als een gesmeerde trein liep, maar Wouter sliep door, af en toe geruggesteund door zijn vrouw, die de menigte suste en stelde dat hij wel een goede echtgenoot was. Welk beleid dus, Wouter in ieder geval zal het antwoord schuldig moeten blijven. Maar mocht je hem vragen wat zijn bestaansrecht is, ook dan zou hij prevelen als een gekapte pater.

brandnetel
0 0

Ticket to the moon

Toen ik vanochtend een ommetje maakte met de honden door de lommerrijke straten van Barcelona, liep ik voorbij twee lange rijen mensen. De eerste stond aan te schuiven voor de derde booster van het Covid vaccin. De tweede voor een lotto-briefje. Het enthousiasme bij de twee rijen was vergelijkbaar. Gelatenheid hing als een mist over hen heen. In beide gevallen wachtte men op wat het ‘lot’ beslissen zou. De grote G&G van het leven: Gezondheid en Geld, dé tickets bij uitstek naar vrijheid.  Dat eerste ticket, het fameus covidpasje, de nieuwe leiband van de staat, beslist waar we wel en niet mogen zitten en waar we mogen pissen of kakken. Mét of zonder masker weliswaar. De mens wikt en big brother beschikt. Onze vermeende vrijheid zoals we die kenden onder de illusie van democratie, ligt nu definitief aan diggelen. Het is spuiten en slikken of je ligt eruit. Geen bioscoop, geen romantisch dineetje en al helemaal geen Spa-weekendjes voor degenen die opteren om te mogen beschikken over hun eigen lijf. Onder het mom dat je niet meer kan overlijden aan de gevolgen van covid en de garantie dat je je vrijheid behoudt, groeien de wachtrijen bij de vaccinatiecentra. Dat steeds meer mensen zich onverklaarbaar vermoeid voelen of extreem haarverlies hebben, wordt genegeerd. De ongeziene stijging van hartfalen, TIA’s en andere kwalen waar men voorheen geen last van had, inbegrepen. Nee hoor, dit staat los van de bijwerkingen. De overvolle ziekenhuizen met gevaccineerden aan de beademing, stemmen toch tot nadenken. Nieuwe lockdowns liggen op de loer. Niemand wil dit horen. Niemand wil het er over hebben, want straks is er dat bedrijfsfeestje waar we persé naartoe moeten. En volgende week komt de nieuwe James Bond uit…Krampachtig grijpen we naar onze vermaarde vrijheid die als ijle lucht door onze vingers glijdt. Terwijl ik mijmerend mijn weg verder zet, vraag ik me af of ik toch maar opteer voor een lotto-briefje in plaats van een derde booster…  

Heidi Schoefs
13 0

Het pistool

Ik moet zes of zeven jaar geweest zijn. Meer dan vier decennia later steekt het niet op een jaar. Het was zomer. Ik sta voor het huis in mijn korte broek en een bruin cowboyvest. Op mijn hoofd draag ik een cowboyhoed van dezelfde kleur, met vooraan een zilveren ster. Een echte Texas Ranger, dat zag je zo. Het kledingsetje kreeg ik van Sinterklaas. De revolver had ik al. In die tijd lag er naast ons huis een schrijnwerkerij. Het was er een komen en gaan van vrachtwagens, kopers en vertegenwoordigers. Al wist ik toen nog niet wat een vertegenwoordiger was. Ik herinner me dat er op vrijdagmiddag altijd dezelfde auto voor het huis stond, met daarin twee mannen. Ze droegen een pak en das en bleven minstens een uur in de auto zitten. Wat raar was, want ze stonden niet eens verdekt opgesteld. Het waren spannende tijden voor een cowboy. “Handen omhoog”, riep ik naar onze buurman-schrijnwerker. “Niet schieten”, antwoordde hij met zijn handen in de lucht. In de revolver moest je een rolletje steken. Echte kogels kreeg ik niet. Dat rode lint kwam uit de revolver als je geschoten had. Je hoorde bijna niets van de knal. De buurman merkte niet dat ik een schot had gelost, ook al had hij gevraagd om het niet te doen. Ons ma vertelde me dat ik buiten moest spelen, toen ik ‘handen omhoog’ zei terwijl ze net de aardappelen wou afgieten.   Ik had gezien dat aan de broek van onze buurman ook een holster hing, maar daarin een pistool. De buurjongen die aan de andere kant van de schrijnwerkerij woonde, zei dat het een spijkerpistool was. “Toch ook een pistool”, zei ik. Ik wilde niet toegeven dat hij gelijk had. Maar het klopte wel. Het was de nagel op de kop.

Rudi Lavreysen
9 0

Niet alleen schoenmakers moeten bij hun leest blijven

Een relatief bekend  radiopresentator vond het onlangs nodig politieke commentaar te geven op zijn FB pagina. FB kent wel het systeem van volgers maar wie op berichten wil reageren is verplicht een ‘vriendenstatuut’ aan te vragen.  Bekende personen zijn door de band ijdel en vinden het fijn er een brede (would-be) vriendenkring op na te houden. Dus jan en alleman mag vriend worden, tenzij… Mijn aanwezigheid op het vriendenlijstje weerhield mij er niet van op het politieke statement negatief te reageren.  Ik liet ook doorschemeren dat ik niet begreep waarom zoveel andere ‘vrienden’ hem domweg volgden in zijn opinie, ja er hem zelfs voor prezen.  Zelf een reactie bedenken of zijn meute medestanders de kans geven mij onder hun kritiek te bedelven (of wie weet mij gelijk te geven), deed hij niet.  Meteen defrienden en klaar was kees. Over politiek gesproken: de houding van mijn ex-FB-vriend doet mij denken aan wat er in Wit Rusland gebeurt. Loekasjenko doet net hetzelfde. De oppositie monddood maken. Er is nog een tweede gelijkenis met Alexander Loekasjenko: hij is lang niet de knapste maar laat zich  niettemin dolgraag fotograferen. De inhoud van zijn FB berichten zijn doorgaans boeiend en interessant. Wie ze wil lezen moet dan dus wel regelmatig tegen zijn foto aankijken. Voor wat hoort wat. Mogelijk kan hij daar zelf niets aan verhelpen en is het de opdringerige bevriende fotograaf die zijn materiaal telkens weer wil aanprijzen.  

Vic de Bourg
12 0

Column van een niet-roker

Column van een niet-roker   Met meer wallen dan waarvan men kan eten en schoenen zo zwaar dat zelfs een loodgieter er niets van gieten kan trek ik de deur achter me dicht. Bah, bijna winter, dat ook nog eens. Ik zet de looppas erin en begin na twee jaar geheel onthouding aan mijn ronde van zeven kilometer. We zien wel hoe ver ik geraak, vandaag moet niets en mag alles. Behalve roken… Het is vandaag dag twee van mijn nieuwe leven als niet-roker en ik moet zeggen dat het beter meevalt dan ik had gedacht. Uitgezonderd dan die verdomde zenuwen! Het zijn diezelfde zenuwen die me nu tot lopen hebben gedreven, anders zou ik de kassierster deze avond zeker een flinke rechter verkocht hebben. Tijdens het lopen beeld ik me in dat ik een ex-heroïne junk ben die probeert af te kicken. Spontaan trek ik mijn capuchon over mijn hoofd en begin ik harder te rennen. Die verdomde zenuwen! Door mijn hoofd waaien één voor één alle voordelen van het roken en ik begin me af te vragen of stoppen wel zo’n goed idee is. Zo ben ik bijvoorbeeld altijd iemand geweest die heel vlot uit bed geraakt. Nog voor mijn oogleden zich helemaal naar boven hebben gewerkt hebben mijn beide mondhoeken hun weg richting mijn oorlellen al gevonden: ‘Ha! Een nieuwe dag! De opkomende zon vergezeld van een goede straffe koffie en die eerste sigaret, dàt is nu eens de dag goed beginnen.’ Het contrast met vandaag kan niet groter zijn. Zie me hier nu lopen, capuchon over het hoofd, wallen die getuigen over een niet meer in te halen slaaptekort en een conditie die niet beter of slechter is dan toen ik elke dag met een sigaret liep te pronken. En vooral dat opstaan. Het klinkt werkelijk belachelijk, dat weet ik wel, maar waarom staan niet-rokers op? Je kan me toch echt niet vertellen dat de gemiddelde niet-roker glimlachend zijn bed uit rolt omdat hij of zij (of het, maar dat is taalkundig nog even wennen) mag gaan werken? Het lijkt erop dat ik zonder mijn dagelijkse portie nicotine los in een ware existentiële crisis ben terechtgekomen. Is dit waarom zo weinig mensen zonder medicatie stoppen? Als ik al niet weet waarvoor ik opsta terwijl ik één van de weinige mensen in ons Belgenlandje ben die haar job met passie uitvoert? Goed, we waren bij de voordelen van roken gebleven. De laatste nachten ben ik al bij al aan 2 uur slaap (en heel veel zweet) gekomen per nacht, enkel door het idee te moeten opstaan zonder sigaret. Ook de werkdagen gingen lekker vlot vooruit. Wanneer een niet-rokende collega ’s ochtends de leefgroep binnen wandelt om zijn 11 uur durende werkdag aan te vatten, wordt er hem meteen een to-do lijstje in de handen geschoven door de collega die de nachtdienst heeft gehad. Nog voor hij twee letters heeft kunnen lezen staan de puberjongens al voor zijn neus, tot hun licht vettige hoofdharen gevuld met levensbelangrijke vragen: ‘Is mijn zakgeld er al?, Mag ik op de Playstation?, Ga je mijn ouders vertellen dat ik niet naar school ben vertrokken?, Mag ik op weekend?, Er is niets van beleg dat ik lust als ontbijt, kan je naar de winkel gaan?, …’ Als ìk de leefgroep binnen kom gaat het er lichtjes anders aan toe. Alle jongeren weten wat er volgt en wachten geduldig hun moment af, want een vraag stellen als puber, dat moet je op het juiste moment doen. Je kan het vergelijken met wanneer je als kind je slechte rapport door je ouders moest laten tekenen en je het niet op vrijdag, maar op maandag deed zodat je nog naar het verjaardagsfeestje van je beste vriendinnetje mocht. Ik plof mijn handtas naast het bureau, wenk mijn collega dat de briefing buiten zal gebeuren, neem me een vers gezette koffie en zet me op het terras. We overlopen de briefing en ik blijf nog even buiten staan. Eén voor één en enkel met vragen die het waard zijn om er de koude voor te trotseren in hun boxershort komen ze naar buiten geschoffeld. Het doet me telkens opnieuw lachen: ‘Ha, de werkdag is begonnen.’ Op diezelfde manier is het in vele sociale situaties, zowel op het werk als in privésituaties, aangeraden een rasechte roker te zijn. Dan heb ik het bijvoorbeeld over wanneer die knappe man buiten met zijn vrienden staat te praten en jij toch wel net toevallig een nicotineshot kan gebruiken. Of wanneer nonkel Jos op het familiefeest zijn handen niet van Rita kan houden en je kan kiezen tussen je mond open trekken of om de hoek rustig een sigaretje gaan roken met de neefjes die blij zijn dat ze stiekem een sigaret krijgen van hun tante. Of wanneer je met vrienden op een barbecue bent en Lana haar verlovingsring tentoon spreid, Lore klaagt over de notaris die maar op zich laat wachten terwijl ze zo graag haar nieuwe thuis wil intrekken, Marthe die trots de foto’s van haar Bordercollie pups boven haalt en Janthe die klaagt over de achterstand die haar kleine Louise heeft op school. Dàn verwijder ik me met gratie van de groep (want Marthe moet kuchen van sigarettenrook) en steek met grote dankbaarheid voor de uitvinder van sigaretten een peuk op. Ik heb misschien geen man, geen geld voor een woning waar een hond in past, geen kinderen en geen grote familie, maar ook ik heb elke dag een reden om vrolijk op te staan. En plots, 7 kilometer, 44 minuten en 56 seconden later sta ik voor mijn huurappartement. Het is alsof mijn zweet me verdrinkt in besef. Stond elke peuk werkelijk voor een moment van ondraaglijke eenzaamheid? De junk in mij heeft intussen de strijdbijl begraven, haar volgende shot zal alvast niet meer vandaag komen. En ook de kassierster kan vanavond op haar beide oren slapen.

Ninke
0 0

Ruim toch gewoon op, die rotzooi.

In de Amerikaanse staat Colorado is eindelijk een rendier gevangen dat al twee jaar rondliep met een zware autoband om zijn nek. Het verwijderen van de band moest onder narcose en zelfs het gewei van het rendier moest afgesneden worden. Het scheelt het arme dier 16 kilo meeslepen nu hij bevrijd is. En ik vraag me af, waarom gooi je zo’n band gewoon in de natuur. Denk je dan helemaal niet na over de consequenties daarvan? Volgens natuurbeheerders is het niet voor het eerst dat een dier in menselijk afval verstrikt raakt. Zo zagen ze eerder al herten, elanden, beren en andere dieren verward in onder andere schommels, hangmatten, waslijnen, vakantieverlichting, meubels, wasmanden, voetbaldoelen en volleybalnetten. Onvoorstelbaar, wat een troep er verdwijnt in de natuur. Ik las dat er ongeveer een vrachtwagen plastic per minuut in de oceaan verdwijnt. Op internet gaan opnames rond van rondzwevend plastic. En van zeehonden, schildpadden en andere dieren die verstrikt raken in deze ellende en alleen als ze geluk hebben gered worden. Mijn zussen en ik leerden vroeger thuis dat je geen troep in de natuur mocht gooien. Als je het mee kon nemen op de heenweg, kon je het ook meedragen op de terugweg. Natuurlijk waren wij niet de enigen. En gelukkig zijn er ook tegenwoordig mensen die zo door hun ouders worden opgevoed.  Er is een jongeman, Boyan Slat, die niet gaat voor het grote geld dat hij met zijn intelligentie ongetwijfeld kan verdienen, maar die zichzelf ten doel heeft gesteld om de aarde een beetje schoner te maken. Met zijn bedrijf Ocean Cleanup heeft hij al bijna een miljoen kilo afval uit de zeeën en rivieren gehaald. Een miljoen kilo, dat is onvoorstelbaar veel. Wie gooit dat dan toch allemaal ìn de zee. Waar komt dat dan allemaal vandaan. Moeten we ons daar dan eens niet over buigen en kijken of we daar iets aan kunnen veranderen. Misschien kunnen we starten met het verminderen van verpakkingen. Die blisterverpakkingen zijn toch al iedereen een doorn in het oog. Een normaal mens krijgt die al niet open, laat staan mensen die of niet handig zijn of last hebben van een verminderde handfunctie. Dat laatste is onderzocht, dat verzin ik niet. Dat eerste ook niet trouwens, dat is eigen ondervinding. Het is te hopen dat daar eindelijk eens aandacht voor komt. En op die manier is een verbetering van het milieu ook gelijk een verbetering van het gebruiksgemak.          

Machteld
5 0

IKEA-zetel

Vandaag ben ik keihard met de neus op de feiten gedrukt. Een sluimerend gevaar overschaduwt al jaren mijn leven en ik heb niets minder gedaan dan de oorzaak daarvan botweg genegeerd: mijn IKEA-zetel. Ik ben best een angsthaas. Als kind had ik een duivelse schrik van elke volwassene die in mijn buurt kwam en die niet naar de naam ‘mama’ of ‘papa’ luisterde. Ik was zelfs bang voor mijn eigen oma. Als puber was ik vaak doodsbenauwd om de verkeerde dingen te zeggen of te doen, dus werd ik het type muurbloem dat het liefst in het behang zou opgaan. Nu ik volwassen ben, beperken de angstaanvallen zich vooral tot slapeloze nachten waarin ik plots tot het besef kom dat de wereld om zeep is en dat we hopeloos verloren zijn. Of dat mijn relatie gedoemd is te mislukken omdat mijn wederhelft zonder overleg de laatste zak chips leeg at. Of dat ik ooit in mijn verwardheid een fietser van de weg zal maaien, een leven zal verwoesten en vervolgens zal wegkwijnen in de gevangenis. Of dat ik zelf die fietser zal zijn. Geen scenario dat ’s nachts niet de pretentie uitstraalt van in steen gebeiteldezekerheid. Maar ik ben gezond, ik leef niet in oorlogsgebied en ik kan mijn rekeningen betalen. Dus al bij al gaat het best goed met mij. Dacht ik. Een prachtig uitgegeven lifestyle magazine wist die waanballon te doorprikken. Ik moet wel degelijk bevreesd zijn voor iets: de banaliteit van mijn meubilair. In het blad bestempelden twee sympathieke mensen, met wie ik me wat graag zou vereenzelvigen, een kleinburgerlijk interieur als hun grote angst. Zo stond het er, zwart op wit. De nieuwe IKEA-zetel, tegen wil en dank aangeschaft bij gebrek aan alternatief– maar weinig designstoelen zitten echt fantastisch – , bezorgde hun een gigantisch onzekerheidsgevoel: was hij niet té banaal? Ik dacht even dat ik een satirisch stukje aan het lezen was, een parodie op een parodie. Maar nee. De fotoreportage toonde echte mensen, die het doodserieus meenden. Ik vond het statement van dit koppel wel dapper: wat als de goegemeente van authentieke, bewust in het leven staande millennials via deze openbaring de IKEA-zetel op het spoor komt? Wat zullen ze wel niet zeggen? Wat zullen ze wel niet dénken? De weerslag kwam pas een paar tellen later: ik heb zélf een IKEA-zetel. Ik, met mijn vegetarisch dieet en mijn voorliefde voor David Bowie. Ik, met mijn lidkaart van Amnesty International en mijn unieke verzameling vertalingen van The Hobbit. Een IKEA-zetel. Hij zit lekker en staat zo mooi in mijn interieur, maar was dat, nu ik er zo over nadacht, werkelijk een excuus om er niet gillend van weg te lopen? Had ik al die jaren niet in ontkenning geleefd, ondanks mijn verder perfecte parcours? Ik moest uiteindelijk de waarheid onder ogen zien. Ik sla meaculpa. Ja, ik ben banaal en kleinburgerlijk. Ja, ik ben bekrompen en kleingeestig. Ik stel voor dat ik nu even van schaamte onder mijn IKEA-zetel kruip en daarna heel erg aan mezelf ga werken. Shortlist columnwedstrijd 2021 van boekenblog This Is How We Read.Eerder hier verschenen.

Mart
16 0

Een verraderlijk ding

Kent u het tv-programma waarbij je om ter snelst een stoel moet trachten te vinden? Wij hebben ook zo'n stoel. Al is de onze geen strandstoel, maar een canapé. Daarenboven staat die canapé altijd op dezelfde plek. "Wat heeft het dan met dat tv-programma te maken?", hoor ik u zeggen. Wel, het is ook vechten om er als eerste in te zitten. Nog een verschil: de winnaar krijgt geen reischeque naar een exotisch land. Tenzij naar dromenland, want onze lange canapé nodigt uit om er uitgestrekt in te gaan liggen. We hebben hem nog maar een tijdje. "Krijgen we hem wel binnen langs de deur?", vroeg ik aan de man die hem leverde. "Ik denk het wel", zei hij. Ik twijfelde serieus, maar anderzijds heb ik niet zo veel ervaring met het plaatsen van canapés. Het lukte natuurlijk voor geen meter. Langs het raam dan maar. Ook dat was niet eenvoudig. Het leek wel een Laurel en Hardy film, zoals we met ons tweeën met die canapé van voor naar achter sjokten. Nu de canapé binnen is, wil niemand hem nog buiten. De familie nestelt zich er 's avonds in zoals een stel poezen in een kattenmand. Ik zit er zelden als eerste in. Mijn tijd komt pas als iedereen naar bed is. Dan is het aan mij om me te nestelen en kijk ik wat de tv me te bieden heeft. Een slaapmutsje is niet nodig, want na 5 minuten knor ik zoals een kat met slaapapneu. Drie uur later word ik wakker van de afstandsbediening die op de grond klettert. Eenmaal in bed doe ik geen oog meer dicht. Wat nu gedaan? Terug naar de bank dan maar. Maar ook daar kan ik de slaap niet meer vatten. Wat is het me toch een verraderlijk ding, die canapé.

Rudi Lavreysen
2 0

Modieuze recepten

De herfst is van oudsher de periode van de recepten uit grootmoeders tijd. Heerlijk, stoofpot, stamppot, wild. Ik hou ervan. Eerlijk eten met de ingrediënten die in dit jaargetijde voorhanden zijn. Jarenlang ben ik ervan overtuigd geweest dat het prima was om dergelijke gerechten op tafel te zetten. Mijn familie heb ik er eigenlijk ook nooit over horen klagen. Maar toch, als ik zo naar alle reclames kijk, dan doe ik het toch helemaal verkeerd. Ik moet over op vegan. Trouwens, ik moet ook af van het Nederlandse eten. Dat is helemaal uit. Tegenwoordig eet je geen punt meer, maar een slice. En we eten voortaan uit een bucket. Nou klinkt dat wel prima, want eten uit een emmer lijkt dan weer helemaal niet smakelijk. Natuurlijk klinkt het ook allemaal veel hipper, een aardappel, wat is dat nou voor een burgerlijk geval. Nee, dan noemen we het potatoe, en dat moet dan natuurlijk wel crispy zijn. We laten ons eten bezorgen in een box, helemaal fresh en healthy. De kleuren zijn er ook helemaal op aangepast. Helder wit is uit, alles is verantwoord bruin. Alleen, bruinbrood kan zelf niet meer hè, dat moet havermoutbrood zijn. Liefst dan nog met lijnzaad en pitten. Ook helemaal verantwoord. We drinken er een smoothie bij. Liefst in de kleur groen, dat ziet er ook helemaal te gek uit. Ik kan er niet aan wennen hoor. Groene drankjes, da’s niks voor mij. Net zomin als blauw eten, dan kan ook niet. Nu heb ik ook wel het idee dat fabrikanten bepaalde producten ‘gezonder’ in de markt zetten dan ze eigenlijk zijn. Veel lightproducten zijn helemaal niet zo gezond. Maar we slaan in Nederland altijd zo door. Ineens mag er niks meer. En moet alles in het Engels. Want dat is hip. “And happening.” En veel duurder dan de eerlijke producten die je gewoon bij de groenteboer koopt. En dan denk ik met weemoed terug aan de keer dat ik naar de serie Grijpstra en De Gier zat te kijken. Op zaterdagmorgen. Zij zaten in een cafeetje een broodje halfom te eten. Een wit broodje met lever en pekelvlees. Mijn maatje en ik keken elkaar aan, ik ben in de auto gesprongen en naar de bakker en de slager gereden. Heerlijk. En het zal best helemaal niet verantwoord zijn, ik geloof het zo maar. Alle zichzelf respecterende foodies halen nu waarschijnlijk griezelend hun neus op. Maar ik heb er heerlijk van genoten. Dat wel.    

Machteld
1 0