Zoeken

Mijn gezicht

Ik weet proefondervindelijk dat ik geen spontaan lachend gezicht heb.  Opmerkingen als 'Lach toch eens' of 'Kijk niet zo lelijk' komen hard aan, geloof me. Maar hoe krijg je dat, zonder op een uitgebluste clown te gelijken? Het toeval wil dat ik iemand met een uitgesproken lachend gezicht ken. Jeanke. Als hij een café binnenkomt, is hij zoals een magneet. Heel wat mensen toveren spontaan dezelfde lach als die van Jeanke op hun gezicht. “Hoe doe je dat toch?”, vroeg ik hem. “Simpel, de regel van drie”, zei hij. “Kent ge die? Nee, niet die van wiskunde. Wacht, ik zal het je tonen.” Hij kwam naast me staan en nam mijn schouders vast. “Laat je schouders zakken”, zei hij. “Je moet ontspannen, anders krijg je een geforceerde glimlach.” “Doe nu je ogen even dicht”, ging hij verder. “Ja, nu openen en naar mij kijken.” Ik deed wat hij me vroeg. “Zie je wel, je begint automatisch te glimlachen. Je moet op het juiste moment naar iemand kijken.” “Dan de laatste regel. Ook je kin mag niet te stijf staan. Dan kan je oplossen door je tong een beetje op je gehemelte te leggen. Zo gaat je mond wat openstaan en krijg je automatisch een glimlach. Je zal die regels overal terugvinden.” Na ze voor de spiegel te hebben geoefend (mijn huisgenoten hadden ei zo na geestelijke spoedgevallenzorg ingeschakeld) trok ik de straat op. Het liep al snel mis. Mijn buurman vroeg me wat er scheelde. Door de stress had ik regels door elkaar gehaald. Ik wist niet meer wat ik met mijn tong moest doen. Ik had ze ietwat uitgestoken. Mijn schouders had ik opgetrokken en ik had naar hem geknipoogd. Och, ik moet het ermee doen, met dat gezicht van mij. We hebben onszelf niet gemaakt, zei vader altijd.

Rudi Lavreysen
10 1

Ik beken... ik ben een romanticus.

Ik beken. Ik ben een volbloed romanticus. Geef mij Tom Cruise. Richard Gere. De jurken van Sisi. Een paar rozenblaadjes. Een viool op de achtergrond. En voor ge het weet, heb ik in mijn hoofd al drie kinderen, een labrador en een gezamenlijke hospitalisatieverzekering. Zo erg is het. Ik geloof in grote liefdes. In blikken die alles zeggen. In handen die vanzelf in elkaar passen. In kussen waarbij ge heel even vergeet dat ge morgen gewoon weer moet gaan werken. Ik ben opgegroeid met Pretty Woman en An Officer and a Gentleman. Met films waarin het huwelijksaanzoek het einde was. De kus. De muziek. Richard Gere die glimlacht. Aftiteling. En ze leefden nog lang en gelukkig. Tenminste... dat dachten we. Want stel. Ge hebt een lief. Een goeie mens. Zo maken ze ze niet veel meer. Hij is lief, zorgzaam en attent. Hij belt om te vragen of ge veilig thuis zijt. Hij kent uw favoriete liedje. Hij onthoudt dat ge koriander lust. Hij zet de verwarming een graadje hoger nog voor ge zelf beseft dat ge het koud hebt. Ja, hij bedoelt het goed. Heel goed zelfs. Op een dag zegt hij dat ge een weekendje naar Parijs gaat. Gewoon met twee. Romantischer wordt het niet. Tot ge aan de trappen van de Sacré-Cœur komt. Daar staat een witte vleugel. Uw favoriete lied wordt gespeeld. Uw drie beste vriendinnen blijken ineens ook in Parijs te zijn, allemaal in een roze kleed. Er zijn bloemen. Champagne. Een fotograaf. Toeristen die spontaan beginnen te applaudisseren. En dan gaat hij op één knie. Ja, dat is schoon. Ja, zo maken ze ze niet meer. Ja, hij heeft weken, misschien maanden, aan dat ene moment gewerkt. Treintickets geboekt. Uw vriendinnen mee in het complot gekregen. Een witte vleugel geregeld. Ik krijg al stress van een barbecue voor acht man georganiseerd te krijgen. Maar nee. Hij mist dat ene. Dat je-ne-sais-quoi. En nee, dat zijn geen grote dingen. Hij gaat niet vreemd. Hij drinkt niet. Hij is gewoon een heel lieve mens. Maar hij kan gerust een halfuur bezig zijn over de voedingsstoffen in Nutella alsof hij een documentaire presenteert. Zijn ideeën over de klimaatopwarming zijn ronduit dom. Hij corrigeert de ober als die de naam van de wijn verkeerd uitspreekt. Hij spoelt de borden af vóór hij ze in de vaatwasser zet "omdat dat properder is". Hij leest luidop de ingrediënten op een pot confituur. Dat zijn geen redenen om iemand niet graag te zien. Maar misschien wel om er niet mee te trouwen. En daar staat ge dan. Met een witte vleugel achter u. Met drie vriendinnen die al aan het snotteren zijn. Met een fotograaf die klaarstaat voor hét beeld van de avond. Met een man die zijn hele hart voor uw voeten legt. En in uw hoofd klinkt maar één zin. Ja... Maar nee. En plots besef ik dat zo'n huwelijksaanzoek misschien helemaal niet romantisch is. Niet omdat hij slechte bedoelingen heeft. Die heeft hij niet. Hij doet alles uit liefde. Hij wil u verrassen. Hij wil u gelukkig maken. Hij wil u een verhaal schenken dat ge over veertig jaar nog altijd vertelt. Maar hij stelt u wel de belangrijkste vraag van uw leven op de enige plek waar ge ze onmogelijk eerlijk kunt beantwoorden. Want ge zegt niet alleen nee tegen hem. Ge zegt nee tegen Parijs. Nee tegen de witte vleugel. Nee tegen uw drie beste vriendinnen die speciaal de trein hebben genomen. Nee tegen de fotograaf. Nee tegen de toeristen die al staan te applaudisseren. Nee tegen een avond waar maanden werk in zit. Eigenlijk vraagt hij niet alleen: "Wil je met mij trouwen?" Hij vraagt ook: "Wilt ge alsjeblieft deze perfecte avond niet kapotmaken?" En dat is een heel andere vraag. In Hollywood is een huwelijksaanzoek het einde van de film. Kus. Fade out. Richard Gere glimlacht. Aftiteling. In het echte leven begint de film dan pas. Met hypotheken. Met schoonfamilies. Met vaatwassers. Met elkaar soms niet kunnen uitstaan. Met elke dag opnieuw kiezen. Ge trouwt uiteindelijk niet met de man die u op de trappen van de Sacré-Cœur ten huwelijk vraagt. Ge trouwt met de man die dertig jaar later nog altijd naast u zit aan de ontbijttafel. Misschien is een huwelijksaanzoek pas echt romantisch als het eigenlijk overbodig is. Omdat ge al honderd keer ja hebt gezegd. In de kleine dingen. In de afwas. In de stiltes. In de dinsdagen. Nog voor er ook maar een halve witte vleugel in beeld is gekomen. Want als ge na al dat spektakel nog altijd niet zeker zijt, dan is "ja, maar..." gewoon een nee.

Katrien Daniels
31 1

De geheime afspraak

Ik denk dat gepensioneerden een geheime afspraak hebben. Niet op papier. Er wordt geen brief gestuurd en ge zult er ook geen WhatsApp-groep van vinden. Maar ik ben er zeker van dat iemand u op uw laatste werkdag even apart neemt. "Nog één ding," fluistert hij. "En ge houdt dit onder ons. Zeg het vooral niet tegen de werkende mensen. Laat hen maar denken dat de zomer in juli begint. Maar de hele maand juni... is de zee van ons." Sinds ik dat weet, kan ik het niet meer níét zien. Terwijl de rest van Vlaanderen zich nog een ongeluk werkt om alles afgewerkt te krijgen voor het bouwverlof, studenten blokken of net bekomen van hun examens en gezinnen aftellen naar de grote vakantie, hebben de gepensioneerden de kust al lang ingenomen. Niet luid. Niet opvallend. Gewoon. Ik ontdekte het per ongeluk. Een paar dagen Middelkerke in juni en meteen had ik het gevoel dat ik ergens was binnengelopen waar ik eigenlijk geen lid van was. Niemand stuurde me weg, maar iedereen leek de spelregels te kennen. Ze wandelen zonder bestemming. Ze kiezen altijd een tafeltje met zicht op zee. Ze bestellen zonder op de klok te kijken. En een aperitief om elf uur? Dat blijkt gewoon een uur te zijn. Daar zit Rosa. Naast Herman. Herman morst zijn fruitsap. Twee keer. Rosa schuift zwijgend een servetje naar hem toe. Ze kijkt niet eens op. Ge ziet dat liefde na vijftig jaar misschien niet meer bestaat uit grote verklaringen, maar uit weten waar de servetten liggen. Een paar tafeltjes verder zit Denise. Lippen gestift, haar alsof ze straks op televisie moet komen. Nog altijd even kwik als vroeger. Alleen wordt ze wat spraakzamer na haar aperitief. Maar dat is haar gegund. Misschien is dat wel het mooiste aan ouder worden. Dat ge eindelijk moogt uitweiden. Dat niemand nog zegt dat ge moet afronden omdat de volgende vergadering begint. En dan André en Willy. Ze kijken naar de zee. Of toch... dat denk ik. Misschien kijken ze wel gewoon naast elkaar. Zoals mensen die al zo lang samen zijn dat stilte geen leegte meer is, maar een taal. Er is iets raars met tijd aan zee in juni. Ze gaat er niet trager. Ze wordt gewoon minder belangrijk. Niemand zegt dat hij nog snel ergens naartoe moet. Misschien is dat wel wat pensioen echt is. Niet stoppen met werken, maar stoppen met haasten. Ik zat daar tussen hen en besefte plots dat ik niet naar oude mensen zat te kijken. Ik keek naar later. Naar ons. Ik probeerde ons uit. Zoals ge een zetel uitprobeert in een meubelwinkel. Zouden wij ook al om elf uur aperitieven? Zou jij nog altijd beweren dat de garnaalkroketten hier beter zijn dan elders? Zou ik nog altijd zeggen dat ik geen honger heb om vervolgens de helft van uw bord leeg te eten? En zouden we nog altijd discussiëren over mijn haar? Ge vraagt nu al geregeld wanneer ik het nog eens blond ga kleuren. Ik antwoord steevast dat ik dat niet ga doen. Ik vermoed dat we die discussie tegen dan nog altijd voeren. Alleen zal het ondertussen nog grijzer zijn. Ik hoop dat ik dan nog altijd even koppig ben. En gij ook. Dat ge nog altijd dezelfde mop vertelt waarvan ik de clou al ken nog voor ge eraan begint. Dat ik eerst met mijn ogen draai. En vijf minuten later toch weer lach. Dat we met onze rollators veel te fanatiek over de dijk racen en valsspelen in de bochten. En dan komt er, heel even, een gedachte binnen die ik liever niet heb. Want statistisch gezien is er een kans dat één van ons daar alleen zit. Dat ik uw naam zeg. En even naar de hemel kijk. Of gij de mijne. Dat kan ook.  Ik laat die gedachte niet lang blijven. Wij zitten daar samen. Met twee lichtblauwe windbrekers. Een aperitief om elf uur. En alle tijd van de wereld. Misschien is dat uiteindelijk wat liefde is. Niet dat ge elkaar jong houdt. Maar dat ge oud genoeg moogt worden om elkaars gewoontes, koppigheden, verhalen en rimpels te verzamelen. Tot ze allemaal deel worden van wie ge samen zijt. En ergens, op een terras in Middelkerke, midden in juni, kijkt ge plots naar mij. Naar wie ik ooit was. Naar wie ik geworden ben. En zegt ge: "Schat... ge zijt beeldig met grijs haar."

Katrien Daniels
51 3

Een Vlaamse eskimo met mediterrane ambities

Ik heb altijd kou!  Regen en wind zijn mijn natuurlijke vijanden. In de winter horen een fleecedeken en een kersenpittenkussen tot mijn basisuitrusting. Vergeet sexy lingerie. Wie mij op een koude avond richting slaapkamer ziet trekken, ziet geen vrouw maar een expeditielid. Twee lagen kousen, een pyjama, een fleecevest en een kap op mijn hoofd. Ik slaap alsof ik elk moment door een sneeuwstorm verrast kan worden. Ik droom dus al jaren van het zuiden. Van een leven op de tonen van de soundtrack van La Vita è Bella. Van linnen kleedjes. Van lange tafels onder witte schaduwdoeken. Van stokbrood, kaas uit de streek, tomaten uit de tuin en een grote schaal salade. Van rosé die koud genoeg is om kleine levensvragen op te lossen. Van droog gras, lavendel en krekels die ergens in de verte hun beste leven leiden. In mijn hoofd ben ik zo'n Italiaanse vrouw van onbepaalde leeftijd. Zo eentje die moeiteloos mooi oud wordt. Met een strohoed, bruine armen en een geheim familierecept voor limoncello. Maar dagen zoals vandaag? Dagen zoals vandaag zijn geen Toscane. Dagen zoals vandaag zijn een middeleeuwse straf. Om acht uur 's morgens heeft het al de temperatuur van een aangename fietstocht midden op de namiddag. Ge stapt buiten en het is alsof iemand een haardroger in uw gezicht houdt. Mijn huid staat drie maten te klein. Mijn bloed voelt aan als warme confituur. Ik ben ervan overtuigd dat mijn aders elk moment kunnen openspringen als overvolle tuinslangen. Mijn lichaam vraagt niet om water. Mijn lichaam vraagt om een infuus. Een baxter Aquarius citroen. Een intraveneuze Calippo. Desnoods een Raketijsje rechtstreeks in de bloedbaan. Vooral dat laatste. Mijn gedachten bestaan vandaag voor negentig procent uit Raketijsjes. Altijd al meer dan gezond was, maar vandaag in hoeveelheden die ergens tussen zwangerschap, verslaving en religieuze roeping liggen. Ik zou een diepgaand gesprek over de zin van het leven onderbreken voor een Raketijsje. Ik zou familiegeheimen verklappen. Mijn pincode geven. Mijn plaats afstaan in de wachtrij van de bakker. Geef mij gewoon iets met drie kleuren en een houten stokje. Wat het extra onrechtvaardig maakt, is dat er op zulke dagen nog gewerkt moet worden. Dat mensen verwachten dat ge nadenkt. Dat ge vergadert. Dat ge mails leest. Dat ge beslissingen neemt. Dit zijn geen werkdagen, dit zijn overlevingsdagen. Hitte is fantastisch als ge onder een olijfboom een salade maakt terwijl een vrolijke soundtrack speelt en iemand u een glas rosé aanreikt. Hitte is aanzienlijk minder charmant als ge een Excelbestand moet openen of een vergadering moet volgen terwijl uw hersenen de consistentie hebben aangenomen van lauwwarme pudding. Rond de middag begon ik te begrijpen waarom mensen in zuiderse landen een siësta hebben uitgevonden. Dat is geen culturele gewoonte. Dat is een humanitaire maatregel. En ergens tussen mijn derde fles water, mijn vijfde natte washandje en mijn zevende verlangen naar een Raketijsje viel het kwartje. Misschien droom ik niet van het zuiden. Misschien droom ik van het leven dat ik met het zuiden associeer. Van traagheid. Van lange avonden. Van mensen die blijven zitten als de koffie op is. Van tomaten die naar tomaten smaken. Van tijd. Misschien ben ik helemaal geen Italiaanse. Misschien ben ik gewoon een Vlaamse eskimo met mediterrane ambities. En dat is helemaal niet erg. Zeker niet als er thuis een goede airco draait en een lange tafel staat te wachten én waar tomaten echt naar tomaten smaken.  

Katrien Daniels
42 4

De treden zullen niet meer weten wie je bent

Ik sta in het huis waar we lang samen gewoond hebben. Na een lange werkdag en een avondspits van jewelste. Ik geraak niet verder dan de hal. De geur is veranderd. Alsof je hier nooit geweest bent. Het ruikt naar mij, naar kattenbak en ik merk ook toetsen appelshampoo op, waarschijnlijk afkomstig van de handdoek die ik vanmorgen nog snel in de gang over de trap heen drapeerde bij het vertrekken.  Toen je vertrok nam je meer mee dan ik aanvankelijk dacht. Planten, meubels, je geur, de recepten die je me nooit uitgelegd had, je aanwezige ouders, je ongevraagde meningen en oplossingen voor alles waar ik gewoon een knuffel voor wou. De stapel leeggoed die razendsnel leek te groeien, de chaos in de papiermand en vaatwas. De orde op alle oppervlakken. De T uit “thuis”.  Je liet me achter in het huis, een woning, een gebouw. Zonder ziel. Zonder liefde. Met onvolledige inboedel.  Wist je dat -naast de geur van een huis- ook de klank zo vreselijk verandert na iemands vertrek? Alsof alles een echo, elke klank een schaduw, heeft? Soms lijkt het een voordeel, dan lijk ik door de herhaling minder alleen.  Ik zet me neer op de trap en trek mijn schoenen uit. Nu je er niet meer bent hoeven die niet in de kast op stok gezet te worden. Ik laat ze van de trede vallen en kijk hoe ze daar roerloos blijven liggen.  De trap kraakt wanneer ik me langzaam rechttrek. Het heeft naast iets geruststellend ook iets heel zwaar. Want jouw gekraak - de trage passen, zwaarder dan de mijne, gedecideerd - die zal de trap nooit meer verspreiden. Ze blijven wel kraken. Zonder jou.  “Het is hier weer akelig stil, vind je niet?” “...” “Je zou denken dat het wel went, na zo’n tijd, maar dat is voorlopig nog niet het geval, vrees ik.”  “...” “Weet je nog hoe het vroeger was? Het gekraak groeide mee in het tempo van de kinderen. Tot het stilaan wegebde toen ze hun eigen weg vonden.” Ik kijk er melancholisch bij, mijn ogen zoeken de muur af naar de vegen van kinderhandafdrukjes die ik nooit afgekuist heb. Er moet toch iets overblijven van het gezinsleven dat zich hier jarenlang afgespeeld heeft.  De kat maakt zijn intrede, vlijt zich tegen mijn been aan en verliest daarbij heel wat vacht die zich aan mijn bezwete been hecht.  “Miauw.” “Gelukkig ben jij er nog.”   - - - De tekst waarmee we aan de slag gingen:   Straffeloos - Toon Tellegen   Ik zal je vergeten en weer ontmoeten Ik zal je vergeten, ontmoeten en weer vergeten En ik zal je weer ontmoeten   Ik zal je vergeten en weer vergeten en weer vergeten ik zal wandelen door dozijnen parken lichtgroene, violette en roze parken, onopvallend in de regen   ‘s Avonds zal ik je weer vergeten   De treden zullen niet meer weten wie je bent Maar ze zullen kraken De voordeur zal weer aarzelen.

annakdotes
8 0

Het Meirregat

Ik woon in de Berkestraat. Dat is een straat waar ge niet graag een tegenligger tegenkomt. Niet omdat de mensen hier onvriendelijk zijn, maar omdat de straat op sommige plaatsen ongeveer even breed is als een politieke consensus. Ge moet er uw plan trekken. Gelukkig hebben wij hier merregaten. Voor wie niet van den buiten is: een merregat is een uitsparing in de kant van de weg. Een plaats waar ge u even kunt inschieten zodat een tegenligger kan passeren. Letterlijk betekent het het gat van de merrie. Waarom precies, weet ik niet. Sommige woorden zijn te schoon om kapot te analyseren. Mijn tante, die ook mijn buurvrouw is, kent de straat zoals een schipper zijn rivier kent. Elke bocht. Elke haag. Elke put die al twintig jaar gerepareerd zou worden. En vooral: elk merregat. Als er een tegenligger aankomt, heeft zij de situatie al opgelost voor ik doorheb dat er een probleem is. "Die kan daar in." Of: "Nee, wacht gij maar. Verderop is er plaats genoeg." Ze zegt dat met dezelfde vanzelfsprekendheid waarmee ge zegt dat water nat is. En dan zijn er de mensen die hier niet moeten zijn. Mensen met een gps. Mensen die denken dat elke straat hetzelfde werkt. Mensen die midden op de baan blijven staan kijken alsof ze zonet in een natuurdocumentaire zijn terechtgekomen. Mijn tante krijgt daar zenuwen van. Niet omdat ze die mensen iets misgunt. Maar omdat ze de gebruiksaanwijzing van de straat niet kennen. Dat is wat een merregat eigenlijk is: een stukje lokale wijsheid. Een ongeschreven afspraak. Een manier om tegen elkaar te zeggen: ik maak even plaats zodat wij allebei verder kunnen. Hoe ouder ik word, hoe meer ik denk dat het leven vol merregaten zit. Op het werk bijvoorbeeld. Ge hebt collega's die overal rechtdoor willen. Hun idee. Hun planning. Hun waarheid. Ze rijden een vergadering binnen alsof ze een voorrangsweg hebben aangelegd speciaal voor zichzelf. En ge hebt collega's die de merregaten kennen. Die weten wanneer ze moeten spreken en wanneer ze beter luisteren. Die begrijpen dat ge niet elk gelijk moet binnenhalen om samen vooruit te geraken. Dat zijn meestal ook de mensen bij wie ge graag binnenstapt. Omdat ge weet dat er plaats is. Vriendschap werkt zo. Liefde ook. Ge leert elkaars merregaten kennen. De gevoelige plekken. De oude pijn. De onderwerpen waar ge beter wat trager rijdt. En familie misschien nog het meest: in elke familie rijdt wel eens iemand te snel door de bocht. Wordt er al eens getoeterd. Wordt er al eens achteruit gestoken waar dat eigenlijk niet meer kan. Maar de families die blijven werken, zijn vaak de families waar nog iemand weet waar de merregaten liggen. Waar nog iemand bereid is een beetje op te schuiven. Niet om te verliezen. Niet om ongelijk te krijgen. Maar omdat de relatie belangrijker is dan de discussie. Misschien is dat ook waarom mijn tante zich zo stoort aan mensen die hier niet moeten zijn. Niet omdat ze tegen vreemden is. Maar omdat ze weet wat ge alleen leert door ergens lang genoeg te blijven. Dat samenleven niet draait om wie het midden van de baan krijgt. Maar om weten waar ge een beetje plaats kunt maken. En eerlijk? Dat zouden ze niet alleen in de Berkestraat mogen leren. Ge zou ervan verschieten hoeveel miserie er opgelost raakt als mensen het merregat weten zijn.

Katrien Daniels
53 6

Blauwe olijven

Wat is het toch een prachtig fenomeen, onze seizoenen. Ze komen en gaan en bepalen elke dag ons doen en laten. Bij de eerste zon moet er een nieuwe korte broek worden gekocht, want die van vorig jaar is afgeschenen door de zon. Maar dan die tl-buizen onder de korte broekspijpen. Daar is nog werk aan.  Dan heb je het eten. In de zomer zetten we niet hetzelfde op het fornuis en op de tafel als in de winter. Alhoewel, sommige zaken smaken altijd.  In de supermarkt vind je altijd alles. Maar we proberen die seizoenen in ere te houden. Vader had in zijn hof ook niet hele jaar door prinsessenbonen. Die ging na de oogst de diepvries in, zodat we ook in de andere seizoenen een stukje zomer binnenkregen.  Onze olijfbomen geven elk jaar petieterige olijven. Mooi om te zien, maar niet geschikt voor consumptie. Ik fietste naar de winkel, want een spaghetti alla puttanesca zonder olijven is als een ochtend zonder koffie. Het werkt niet. In de koelkast stonden nog groene exemplaren, maar voor deze pasta zijn het de andere. Ik vond ze niet meteen in de supermarkt.  “Kan u me zeggen waar de blauwe olijven staan?”, vroeg ik aan de vriendelijke medewerkster. “Euh”, stamelde ze. “Kom maar even mee. De olijven in blik en glas staan daar.” We waren er vlakbij. “Kijk”, zei ze. “Dat zijn de groene en daarnaast de …” Ze pauzeerde even. Alsof ze op me wachtte. “De zwarte. Zoekt u die?”  Natuurlijk. Zwarte olijven. Welke idioot heeft het nu over blauwe olijven? Ik kon me wel met een blik olijven of het hoofd slaan. “Ja natuurlijk”, zei ik. “Zwarte olijven, die bedoel ik.” Ik stootte een schaapachtig lachje uit. Het was meer mekkeren dan lachen.  Mijn geheugen beleefde wellicht een zwarte zomerdag. Het kan gebeuren.

Rudi Lavreysen
7 1

Ketters.

"Wie zich niet onderwerpt aan de christelijke drug alcohol, wordt beschouwd als een ketter. Dit soort mensen mag men onderwerpen, en geestelijk en fysiek martelen. Dat is wat men ketters eeuwenlang heeft aangedaan." Er zijn DAGELIJKS 400 meldingen van huishoudelijk geweld door alcohol. Een topje van de ijsberg, zegt men.   ******************************************************* FOTO GALLERY verf ed https://www.2dehands.be/q/verf+ed+altaar+de+culturen/ Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen." Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen, ons collectief geheugen, is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig. http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e  

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
84 0
Tip

Ik beken: ik heb een man

Ik moet iets bekennen. Ik heb een man. Zo. Het is eruit. Niet dat de politie mij zocht of dat er een persconferentie nodig was, maar toch. Ik heb een man. Een collega van mij keek mij deze week aan alsof ik net verteld had dat ik thuis een lama houd. "Maar Katrien," zei hij, "gij hebt geen man?" Hij klonk oprecht verbaasd. "Ge zijt mooi. Ge zijt slim. Ge zijt grappig. Ik versta dat niet." En toen hoorde ik mezelf antwoorden: "Maar ik héb een man." Het was vreemd. Alsof ik het voor de eerste keer luidop zei. Alsof ik mezelf betrapte. Ik heb een man. Niet: ik date iemand. Niet: er is iemand. Niet: ik ben iemand aan het leren kennen. Niet: het is ingewikkeld. Gewoon: ik heb een man. Dat klinkt volwassen. Dat klinkt alsof ik een gezamenlijke rekening heb, een vaste loodgieter en een mening over isolatiepremies. Dat klinkt als iemand die haar leven op orde heeft. Terwijl ik vorige week nog twintig minuten gezocht heb naar mijn bril terwijl die op mijn hoofd stond. Toch heb ik blijkbaar een man. Of een lief. Of een vriend. Of een partner. Al vind ik dat laatste een verschrikkelijk woord. Partner. Dat klinkt alsof wij samen een boekhoudkantoor hebben. Of een verzekeringsmakelaar zijn. "Mijn partner en ik." Dat zijn mensen die op zondag Nordic Walking doen. Wij discussiëren nog over wie het licht in de gang heeft laten branden. Lief vind ik dan weer iets voor mensen van zestien. Vriend wordt ingewikkeld zodra ge elkaar zonder kleren hebt gezien. En meneertje klinkt alsof ik hem op de rommelmarkt gekocht heb. Dus ik weet het eigenlijk niet. Ik weet alleen dat hij er is. En dat hij geweldig is. Zorgzaam. Grappig. Slim. Lief. Mooi. Een lot uit de tweedekansloterij. Een occasieke. Een onwaarschijnlijke herkansing van het leven. Zo eentje waarvan ge denkt: allee jong, was dat nog beschikbaar? Over hem heb ik geen klagen. Integendeel. Hij is een maatje waarmee ik oud wil worden. Echt oud. Met een rollator. Compressiekousen. Een pillendoos met vakjes voor elke dag van de week. En een verpleegster van het Wit-Gele Kruis die ons allebei tegelijk komt zeggen dat we meer water moeten drinken. Dat soort oud. En toch merk ik dat ik het moeilijk vind om te zeggen: dat is hem nu. Dat is mijn man. Niet omdat ik twijfel aan hem. Maar omdat ik blijkbaar nog altijd een beetje twijfel aan het geluk. Aan het blijven. Aan het idee dat iets goeds ook gewoon goed mag zijn. Ik voel mij soms als iemand die op bezoek is en voor alle zekerheid haar jas aanhoudt. "Want ik blijf niet lang." Terwijl ik ondertussen al lang binnen ben. Ik weet waar de koekjes staan. Ik weet hoe de koffiemachine werkt. Ik weet welke films hij al tien keer gezien heeft en toch opnieuw wil bekijken. Ik weet hoe hij kijkt als hij moe is. Ik weet hoe hij lacht. Ik weet hoe hij zwijgt. Maar ergens staat die jas nog altijd klaar. Misschien is dat wat er gebeurt als ge al eens serieus zeer hebt gehad. Ge leert dat liefde niet vanzelfsprekend is. Dat mensen vertrekken. Dat verhalen eindigen. Dat ge soms heel uw hart inzet en toch verliest. En dan wordt ge voorzichtig. Niet aan de buitenkant. Daar ziet niemand iets van. Maar vanbinnen begint ge nooduitgangen te tellen. Zoals iemand in het Sportpaleis die eerst kijkt waar hij buiten kan voor hij van het concert geniet. Niet omdat hij weg wil. Maar omdat hij gerust wil zijn dat het kan. En misschien is dat uiteindelijk wat ik nog aan het leren ben. Niet hoe ge iemand graag ziet. Dat kan ik al. Maar hoe ge uw jas uitdoet. Hoe ge ophoudt met denken aan vertrekken. Hoe ge durft geloven dat ge niet zomaar op bezoek zijt in iemands leven. Ik beken: ik heb een man. En stilaan denk ik dat het tijd is om mijn jas uit te doen. 

Katrien Daniels
237 14