Zoeken

Valentijn voor gevorderden

Het is weer die tijd van het jaar. Etalages lopen over van rood. Lelijke harten. Rode rozen die al te ver opengebloeid zijn en eruitzien alsof ze zelf ook liever terug naar huis willen. Valentijn. De hoogmis van de liefde. Of beter: van de liefde die aftrekbaar is van de belastingen, denk ik dan. Maar vanwaar komt dat eigenlijk allemaal? Het zou begonnen zijn bij Valentinus van Rome. Een priester met een romantisch temperament in een tijd waarin keizer Claudius II Gothicus dacht dat vrijgezelle mannen betere soldaten waren. Valentinus dacht: ja maar, liefde. De keizer dacht: ja maar, kop. Nog snel een briefje – van uw Valentijn – en hop, twee millennia later staan wij te twijfelen tussen melkchocolade of puur zelfbedrog. En nu zitten wij ermee. Met beren. Met ballonnen. Met restaurants die alleen nog tafels hebben om 17u30 of ergens in april. Vandaag zijn er drie soorten mensen. Ge hebt de koppels die niet meedoen. En die doen daar ook echt niet aan mee. Die eten puree met witloof en worstjes. Zoals altijd. Dat is geen metafoor, dat is een menu. Ze zitten in de zetel. Het nieuws praat tegen niemand in het bijzonder. De man des huizes stelt zich geen vragen, want waarom zou hij. Alles is er. Het leven loopt. En zij? Zij laat een klein kiertje open. Misschien een bloem. Misschien een glas. Misschien iets dat zegt: ik zie u nog. Maar het komt niet. Geen etentje. Geen glaasje. Geen roos. Zelfs geen bibberig hartje in lippenstift op de spiegel dat ge later kunt wegvegen met teleurstelling en wat keukenrol. Officieel doen ze niet mee. Liefde zit in de dagdagelijkse dingen. In het feit dat hij de verwarming al wat hoger heeft gezet. Dat is romantiek. Vooral volgens hem. Dan hebt ge de singles. Die triestig zijn. Die voelen dat ze ergens onderweg verkeerd zijn afgeslagen terwijl iedereen precies wist waar de parking was. Die zich afvragen wat er mis is met hen. Te veel? Te luid? Te eerlijk? Had ik kleiner moeten worden? Of net groter maar met minder inhoud? Zij doen niet mee. Niet omdat ze erboven staan. Maar omdat niemand hun naam heeft geroepen. En dan hebt ge de commerce. Die tussen nieuwjaar en de lentecollectie naar het plafond staart en denkt: komaan, mensen, koopt iets emotioneels. Hier is rood. Hier is eeuwig. Hier is een doos met een strik die zegt dat ge moeite hebt gedaan, zelfs als ge dat niet hebt. En dan vraagt ge u af: wie doet daar dan wél aan mee? Awel ja. Dat is een kleine, statistisch verwaarloosbare categorie van platte vijgen. En ik? Ik kijk daarnaar en ik denk: nee. Niet met mij. Ik ben niet zielig. Ik ben niet vergeten. Ik ben gewoon slimmer dan het systeem. Als niemand mij kiest, dan kies ik zelf wanneer het feestje plaatsvindt. Flexibiliteit is macht. Dus Sofie en ik – mijn vriendin, mijn bondgenoot, partner in crime in plannen voor eigenzinnige vrouwen – wij hebben Valentijn verschoven. Naar 11 februari. Wij doen een beauty-avond. Met leuke meiden die we niet kennen maar dat ongetwijfeld zijn, want zo werkt dat wanneer ge beslist dat het zo werkt. Wij laten ons onderdompelen in eyeliner, concealer, foundation, primer. Dingen die beloven dat ge er uitgerust uitziet, zelfs als uw hart al jaren overuren draait. Wij lachen. Wij klinken. Wij zijn scherp. Wij hebben het begrepen. Wij doen niet mee. En terwijl er zorgvuldig aan onze gezichten wordt gewerkt, terwijl iemand zegt: zo, nu straalt ge, kijk ons eens stralen in de spiegel van onze zelfgekozen onafhankelijkheid, denken wij allebei exact hetzelfde. Goed dat we dit vandaag doen. Dan zien we er op 14 februari tenminste goed uit. Stel dat. Stel dat er iemand belt. Stel dat iemand plots weet wat hij wil. Stel dat wij moeten doen alsof wij totaal verrast zijn. Ge wilt op zo’n moment niet met half afgebladderde mascara staan argumenteren dat liefde een sociaal construct is. Dat is het voordeel van slim zijn. Ge ontwijkt de val. En zet tegelijk een stoel klaar. Wij verwachten niks. Maar als er dan toch iets komt, staan wij daar wel, schoon in de primer.

Katrien Daniels
17 1

Rotselaar

De dikke en de dunne. Een van de populairste komische duo's uit de geschiedenis. Ik vind ze nog steeds geweldig, ook al is slapstick zeker niet mijn favoriete genre. Stan Laurel en Oliver Hardy maakten nog de overstap mee van geluidloze naar gesproken film. Wat je misschien niet weet, is dat ze die switch aanvankelijk met tegenzin maakten, omdat die voor veel van hun collega-acteurs uit die tijd al een ondergang van hun carrière had betekend. Stan en Ollie daarentegen werden er alleen maar populairder door. Ook bij mij, want geluidloze films vind ik daadwerkelijk stom en het contrast tussen het iele stemmetje van Laurel met z'n Brits accent en het sappige Amerikaans van Hardy is hilarisch.  Zelf heb ik ook een dikke en een dunne. Ik heb het dan over m'n darmen, voor alle duidelijkheid. Op zich eveneens een komisch duo dat de omschakeling van stil naar luid door de jaren heen probleemloos maakte.  Samen zouden ze een slordige acht meter lang zijn. 't Is een schatting. Nameten gaan we niet doen, want ze zitten netjes opgerold in m'n buik. Alhoewel, ik vermoed dat het woord 'slordig' in mijn interne ingewandkeuken eveneens van toepassing is.  Vroeger maakte ik me daar ernstig zorgen over. Mijn buik produceerde toen al een indrukwekkend oeuvre aan opvallende geluiden, gaande van lachwekkende piepjes tot onheilspellend donderachtig gerommel. Enigszins beschamend. De dokter gaf me toen het advies om langzamer te eten, zodat ik tussendoor minder lucht zou happen. Ik probeer het al vijfendertig jaar. Het is me nog steeds niet gelukt.  Gisteren las ik nog over voedselneofobie, de automatische reactie van kinderen tussen de twee en de zes jaar om afkerig te zijn van voedsel dat ze niet kennen. Een natuurlijke reflex die hen behoedt voor giftig eten omdat ze nog moeten leren dat ze niet zomaar alles in hun mond mogen steken. Frustrerend soms voor jonge ouders, maar ik vermoed dat de mijne er met kleine Danny nooit problemen mee hebben gehad.  Nog steeds wil ik altijd en overal dingen proeven en steek ik alles zonder nadenken in m'n smikkel. Gisteren veegde ik nog kruimels van tafel en at ze op. Plots voelde ik een hard, langwerpig stukje dat ik niet geknabbeld kreeg. Bleek een vingernagel te zijn. Jaren geleden raapte ik argeloos een bruin balletje op dat naast de eettafel lag. Niet zou nauw kijkend en in de veronderstelling dat het een bruine M&M was, stond ik op het punt om het in mijn mond te gooien, toen mijn vrouw mompelde dat ze net een pamper had ververst en er ergens een keuteltje was weggerold dat ze niet meteen kon terugvinden. Enfin, verder was het volledig onschuldig, zei de dokter, als ik verder geen klachten had. Misschien stress vermijden, en spanningen. Ook gemakkelijker gezegd dan gedaan natuurlijk. Ondertussen is het een way of life geworden. Omstanders interpreteren en ik tracht te camoufleren. 'Hongertje, Danny?' zeggen ze dan smalend, terwijl ik meestal net daarvoor nog veel te snel heb zitten schransen annex lucht happen. Weten zij veel. Je kan het zo niet kwalijk nemen.  'Nee, mijn buik rotselt gewoon,' zeg ik dan, 'daar moet je niet op letten, want dat is normaal. Ik ben afkomstig van Rotselaar. Daar doet iedereen dat. Ik bén gewoon een rotselaar.'  Een belabberd en kinderachtig excuus, temeer omdat het woord 'rotselen' officieel niet eens bestaat en ik uiteraard geboren en getogen ben in Lommel, in een andere provincie, een dikke tachtig kilometer verderop. Om dit soort zinloze gesprekken te voorkomen, kruis ik mijn armen meestal stevig en geluiddempend tegen m'n buik of begin volop te praten als er stiltes dreigen te vallen, zodat mijn persoonlijke laboratorium toch op volle toeren kan blijven borrelen en reutelen. Op die wijze ontstaan mijn ratelmonologen, tijdens dewelke ik de vreemdste dingen zeg en aan elkaar vastknoop. Alles om stiltes te vermijden. Nu ik er zo over nadenk, schrijf ik ook op die manier. Druk, ratelend, van de hak op de tak springend, niet beseffend dat alleen ik, de rotselaar, mezelf bezig hoor.  't Is allemaal de schuld van mijn luidruchtige darmen. Ik geef ze hoe dan ook een hardverdarmend applaus, want ze hebben het hard te verduren en desondanks werkt mijn spijsvertering uitstekend. Werken ... Hé, eigenlijk liggen mijn darmen helemaal in lijn met mezelf. Als IK hard moet werken, protesteer ik ook luid. Ik ga het toch nog eens proberen, dat trager tafelen, sloom slurpen en treuzelend peuzelen. Je weet maar nooit.  

Danny Vandenberk
0 0

Afmaken

Ik schrijf gedichten.Dat is iets wat ik doe.Dingen laten borrelen en ze met taal ergens parkeren zodat mijn hoofd niet overloopt. Soms, heel soms, zo twee keer per dag, krijgt mijn hoofd ideeën. Grote. Dan denk ik bijvoorbeeld: 'Allez vooruit. Ik maak een gedichtenbundel.' De gedichten zijn er. Ze liggen in mapjes. Sommige zelfs met een datum.Alsof ik een schrijver ben met een echt plan. Ik heb ze herlezen.Verbeterd.Nog eens verbeterd. Een komma verplaatst, wat in mijn hoofd gelijkstaat aan literaire maturiteit.Ik ben content. Trots zelfs. Maar tussen trots en doen zit uitstel.Uitstel met argumenten.Uitstel in kamerjas.Uitstel dat zegt: 'Ge zijt nog aan het groeien.' En dan zegt hij:Lieveke, wanneer ga je jezelf eens een plezier doen en die bundel afmaken? Hij kan dat zeggen. Hij zegt dat rustig.  Maar hij zegt: leg uw ei.Ik hoor: doe eens moeite. Hij zegt: ge gaat dat goed doen.Ik hoor: dit wordt gênant. Hij zegt: het mag er zijn.Ik hoor: nu gaan ze kijken. Hij zegt: het is klaar.Ik hoor: nu kunt ge niet meer terug. Want afmaken betekent ook: het uitmaken. En ja, zelfs dat andere.Afmaken zoals ge een hond af maakt. Ik weet dat ik overdrijf.Hij is zachtheid. Gelijk The Bodyguard. Ik ben rampenfilm. Ja, eerder de Titanic.  Maar die schrik is echt. Dat een bundel afmaken betekent dat hij niet meer veilig bij mij ligt.Dat ik mezelf tentoon leg.Ongefilterd.Zonder bijsluiter. Dat iemand zegt: prachtig.Dat iemand zegt: meh.Dat iemand zegt: ik snap het niet.Dat iemand het niet uitleest maar wel een mening heeft - ik weet nu al wie. En trouwens.... Voor ge iets afmaakt, vraagt ge het aan. Zo gaat dat!  Ik ben al maanden aan het aanvragen.Intern loket.Nummerke trekken.Formulier B vergeten.Terugkomen met bewijs dat ik besta. Maar afmaken? Dat is tekenen. Dat is zeggen: oké. Pak maar mee. En ik weet nog van vroeger hoe dat ging. Dan was afmaken nog intenser!  Ik was zestien. En ik ging het afmaken met Steven. Steven was al namen voor onze kinderen aan het verzinnen.Praktisch ook.Welke auto.Of de hond binnen mocht. Ik wou gewoon niet meer tongzoenen. Of ja. Misschien wel. Maar niet met Steven. En ik had niet het fatsoen om dat eerlijk te zeggen.Dus deed ik wat ik altijd doe wanneer helderheid te veel verantwoordelijkheid vraagt: ik maakte er een opera van. Ik kwam aan met een gezicht alsof ik drie landen moest ontvluchten.Zucht. Tranen die nog niet bestonden maar zich al aanmeldden.Ik sprak in metaforen.Over ruimte nodig hebben.Over mezelf zoeken.Over groei. Ik groeide vooral richting uitgang. Steven stond daar.Open.Lief. Hij vroeg: is het gedaan? En ik gaf hem mist.Bijlagen.Voetnoten. Voor mij was het al weken gedaan.Voor hem begon het gesprek nog. Dat is afmaken. En misschien is dat waarom die bundel zo weegt.Omdat ik hem eerst moest aanvragen en nu moet zeggen: hier, pakt hem maar. Ik maak daar natuurlijk een spektakel van.Wind. Muziek. Internationale aandacht en kans op een Oscar. En hij zegt dan zacht: “Als ge het niet afmaakt, blijft ge voor altijd aanvragen.”  

Katrien Daniels
41 3

Waar is de andijvie?

"Kan u dat herhalen, meneer? Ik versta u niet zo goed". Opnieuw fluistert hij, ditmaal iets nadrukkelijker. ” Weet u waar de andijvie ligt, mevrouw?” We bevinden ons in de groenteafdeling van de supermarkt. Schouders opgetrokken, alsof dat de kou zou wegnemen. Het gefluister klinkt vreemd en komt ook van een vreemde man. Hij is vreemd in alle betekenissen. Omdat ik hem niet ken, maar ook omdat hij vreemd aandoet. Ik herken hem nochtans. Ben hem al meermaals gekruist. Net als ik lijkt hij vrijdagavonden voor te behouden voor de supermarkt.  Hij beneemt me telkens de adem, zijn verschijning en wat hij uitschijnt: hopeloosheid. Hij lijkt zo grondeloos dat hij schuifelt, als wil hij grond zoeken, houvast. Een bergbeklimmer met hoogtevrees. Een vreemde vreemde. Een derde maal herhaalt hij zich, in een poging me uit mijn staren te verlossen. “De andijvie, mevrouw?” Een onhandige openingszin, gezien de andijvie als een groen juweel schittert in zijn verder lege winkelkar. Ik besluit het spel mee te spelen: “zelf ben ik geen fan van andijvie, meneer, maar ik vermoed dat u ze naast de kolen zal vinden.” Hij lijkt weinig moeite te doen richting kolen te stappen, schuifelt terplekke. Nog steeds bang voor zijn moeras. Het gesprek krijgt geen vervolg. Ik trek me uit het spel terug, nog voor de kaarten goed en wel geschud zijn. Ik knik vriendelijk en gebaar naar mijn boodschappenlijstje.  Toch voel ik me aangesproken. Het appèl vertraagt mijn winkelkar. De vreemde man zit in het moeras. Alleen dus. En schreeuwt op fluistertoon. “Waar is de andijvie, mevrouw?”  Hij voelt zich veilig bij me. En reikt uit. Hoewel het me ontroert, zet ik er de pas in.  Op naar de chocolade rayon, wat endorfines kunnen nooit kwaad.        

Lien Van Droogenbroeck✍️
27 3