Zoeken

Een potentiële bestseller

Ik beken: ik ben een waardeloze verkoper. Als diëtist weiger ik mijn patiënten vervangmaaltijden voor te schotelen en loop duizelingwekkend vette commissies mis. Ik doe niet aan lichaamsanalyses met dure weegschalen, omdat ik niet geloof in mensen extra laten betalen voor een bonnetje met rode cijfers waarvan ze alleen maar zenuwachtiger  worden. Ik verkoop geen supplementen voor problemen die met normaal eten opgelost raken. Als schrijver ben ik nog een grotere ramp.  Ik schaafde uren aan mijn eerste manuscript. Leurde ermee bij bekende en minder bekende uitgeverijen. In het beste geval kreeg ik een standaardafwijzing dat ik niet in het fonds paste. Enige tijd geleden was er een redacteur die de moeite genomen had en me een met redenen omkleed njet stuurde: ze zag onvoldoende potentie voor mijn roman. Potentie is iets wat ik eerder associeer met carrièretijgers met een indrukwekkend cv. Denk aan een vuilnisophaler die activist geworden is. Of een activist die vuilnisman wordt. Toen viel mijn euro! Zo iemand heeft iets te vertellen. Een schrijver moet vooraleer hij ook maar één letter op papier zet, zelf een verhaal zijn. Hoe verkoop ik mezelf? Ik heb gebrainstormd en opperde tijdens ons aperitiefmoment  op vrijdag om een affaire te beginnen, een vechtscheiding te ensceneren of polyamoureus te worden. Helaas, mijn echtgenoot vindt het teveel gedoe voor een betere flaptekst. Ergens kan ik hem wel begrijpen, want diep in mijn hart wil ik schrijven over ouder worden. Over keuzes die ik maakte en keuzes die ik nog moet maken. Over liefde in tijden van twijfel, maar probeer daar maar eens een acquirerend redacteur warm voor te krijgen. Stel je voor dat ik die op de boekenbeurs aanspreek: ‘Dag, ik ben een witte vrouw van bijna zestig die al eenenveertig jaar met dezelfde man is. Allebei zonder burn-out of bijna-doodervaring. Ik heb wel ervaring met: Alles in vraag stellen. Een trap op lopen en halverwege vergeten waarom. Drie keer per dag vijftien minuten wandelen om mijn bilspieren te rekken. Met een peesontsteking en een brace om mijn pols verdomd onhandig typen. Me afvragen of de kleinkinderen op de eerste plaats moeten komen.’ En dan, als uitsmijter. ‘Ik weet het allemaal niet meer. En al helemaal niet  waarom ik nooit mijn eicellen heb laten invriezen of naar Oekraïne ben gefietst om de oorlog daar te verslaan.’ Die redacteur zal me peinzend aankijken. In werkelijkheid zijn redacteuren doorgaans vrouwen, maar gênant om toe te geven, soms laat ook ik me verleiden door de verpakking. Ik lees hele dagen de kleine lettertjes op voedingsverpakkingen, maar een man in een strak pak, met een knap, zelfverzekerd gezicht heeft bij mij altijd een lengte voorsprong. Bij een vrouw zie ik meteen wat ik liever niet zie: mijn leeftijd, mijn rimpels, mijn onzekerheid. Zo’n jonge redacteur ziet er gewoon goed uit. Dat leidt minder af. Hij zal zeggen:  ‘Ik zal eerlijk met je zijn. Op dit moment ben jij onvoldoende materiaal voor een bestseller. Je moet absoluut eerst aan je personal branding werken. Begin met een  professionele foto voor je website en je auteursprofiel. Liefst tegen een verweerde muur.  In gedachten verzonken, maar niet te ernstig. Je moet eruitzien alsof je iets te vertellen hebt.’ Op het moment dat hij beseft dat hij iets te enthousiast op mijn vervaldatum heeft ingezoomd, zal hij proberen de schade te herstellen met een stortvloed aan advies. ‘Een  Unique Selling Proposition. Dat  heb je nodig! Vermeld in je  LinkedIn dat je zwerfvuil verzamelt. Maatschappelijk geëngageerd. Benadert activisme.Speel je leeftijd uit. De menopauze. Daar kun je zeker een boek uit persen.’ ‘Zonder epidurale,’ zeg ik. ‘Je hebt hem beet. Dat zoeken we. Humor. Storytelling.’ ‘Mijn brace?’ ‘Ook storytelling.’ ‘Mijn bilspieren?’ ‘Daar kan een zelfhulpboek over personal growth in zitten.’ Ik beken vervolgens dat ik tijdens mijn dagelijkse wandeling in mijn hoofd naar Oekraïne fiets om de blikken te ontwijken van de koeien die me aanstaren. En verder dat ik dat wandelen alleen volhoud om mijn fysiotherapeut zoet te houden. De redacteur knikt gewichtig. ‘Relatiemarketing heet zoiets.’ ‘Ik heb kleinkinderen.’ ‘Dat is duidelijk human interest.’ Ik aarzel even. ‘En een roman over een traumatische ervaring? De dag dat ik tijdens de eclips bijna het zonlicht niet meer zag.’ ‘Dat is het! Daar kan een redactie iets mee.’ Dan buigt hij zich naar voren. ‘Persoonlijk denk ik voor jou aan een roman met de titel Het leven van een grijze muis. Daar zit potentie in!’

HildeDS
2 0

Mijn schuld

Onder het motto 'Er is geen betere leerschool dan het leven zelf' brachten we in onze studentenjaren minstens evenveel tijd door op caféstoelen als op de schoolbanken. Ik heb niet alles onthouden van die jaren (mocht u iets anders denken: het is gewoon te lang geleden), maar Staf staat me nog helder voor de geest. Hij was barman in een van die etablissementen en gaf Nederlands in een middelbare school, maar in de avonduren kluste hij wat bij. Als barman, maar ook als filosoof en politicus. Als we op het einde van de avond vroegen wat onze schuld was, antwoordde hij vaak met dit: “Jullie schuld? Dat is 750.000 frank per persoon, hè mannen. Ge weet toch dat elke Belg met dat schuldbedrag geboren wordt?” Op een avond, toen we als laatsten aan de toog zaten, ging hij verder over dat woordje schuld. “Jullie weten toch dat schuld een prachtig homoniem is?” Als we het al wisten, konden we er die nacht zeker niet opkomen. “Een woord dat exact hetzelfde is, maar een totaal andere betekenis heeft. Zoals een kater, dat kennen jullie wel. Het is een kat, maar ook datgene wat jullie morgenvroeg gaan hebben. Bij schuld is dat ook zo. Ge hebt de juridische term, waarbij iemand schuldig is aan een overtreding of een misdaad. Maar er is ook een financiële betekenis. Het bedrag dat jullie nu moeten betalen. Dertig frank de pint, maal tien, dat is 300 frank per man.” Ik speelde in die jaren op zondag nog voetbal. Als er iemand langs de zijlijn riep dat het mijn schuld was dat die aanvaller had kunnen scoren, had ik veel zin om te antwoorden dat vooral de regering veel schulden had. Maar ik zei het natuurlijk niet. Dat was voor de weekdagen, aan de toog, bij Staf.

Rudi Lavreysen
6 1

Waardig ouder worden

Elke dag. Elke minuut. Elke seconde gebeurt het. Je wordt ouder waar je bij staat.  Drieëntwintig. Dat is al decennialang mijn gevoelsleeftijd. Dat zit veel dieper dan je op het eerste gezicht zou denken. Zo schat ik telkens weer de leeftijd in van nieuwe mensen die ik tegenkom. Van een man van pakweg achtendertig zal ik al gauw denken dat hij meer levenservaring of -wijsheid heeft dan ik en soms ben ik er rotsvast van overtuigd dat een jonge vrouw van zesentwintig best wel in mij geïnteresseerd kan zijn, ook op lichamelijk vlak. Je leest het gelukkig niet van me af. Verdorie ja, nu wel natuurlijk. En toch, toch ben ik dezer dagen op bijna onverklaarbare wijze bezig met mijn oude dag. Onlangs droomde ik dat ik zat te kienen in het woonzorgcentrum, in een rolstoel, met een geruit dekentje over m'n krakkemikkige knieën. Toen de getalletjesafroeper '87!' kweelde, sloeg mijn zwakke, soms lichtjes haperende hart twee keer over en trachtte ik uit volle borst 'kien!' te roepen. Ik schrok er zelf van hoe fragiel mijn stemmetje klonk. Het kwam amper boven het geroezemoes in de cafetaria uit. 'Net op 87 dan nog,' mompelde ik tegen Robert, mijn vaste buurman tijdens spelnamiddagen, 'dat is toevallig ook mijn leeftijd.'  Robert trok er zich zoals gewoonlijk niks van aan. Hij was ook bijna gewoon lijk en speelde niet eens mee, omdat hij weer eens vergeten was zijn gehoorapparaat op te laden. Al jaren leefde hij als een plant. In zijn geval als een dovenetel.  Een paar dagen geleden hoorde ik op het radionieuws dat de gemiddelde prijs voor een maandelijks verblijf in een woonzorgcentrum ongeveer 700 euro hoger ligt dan het gemiddelde pensioen. Daar wordt een mens toch een tikkeltje ongemakkelijk van. Woonzorgcentra zijn bijna onrusthuizen geworden. Als het zo doorgaat alleen nog weggelegd voor de happy few, als je tenminste goed verzorgd en voor de rest met rust gelaten wordt, want gisteren nog las ik over kwetsbare bejaarden die er bestolen en zelfs mishandeld werden door het personeel. Dat slaat toch nergens op, zou je verkeerdelijk denken. Ik realiseer me nu dat ik in 2028 even lang in het vorige als in het huidige millennium geleefd zal hebben. Typisch zo'n bedenking die ik vroeger nooit zou maken. Waken moet ik. Waken over mijn geestelijke gezondheid. Focussen op die drieëntwintig dus. Zoals ik dat gewend ben. Rustig negeren hoe ik de lettergrootte van mijn tekstverwerker tegenwoordig twee puntjes hoger moet zetten om mijn eigen schrijfsels nog te kunnen volgen, hoe ik in het fitnesscentrum mijn fietsrecord van twee jaar geleden maar niet verbeterd krijg, hoe de dagen steeds sneller voorbij lijken te gaan, hoe mijn knietjes soms kraken als ik de trappen naar de zijdeur oploop en hoe ik soms van een mug een olifant maak, tenzij het over mijn geheugen gaat, want dat lijkt hoe langer hoe minder op dat van een olifant maar eerder op dat van een mug met jongdementie, terwijl ik instinctief veel minder drink, in die mate zelfs dat ik de voorbije acht weken geen druppel alcohol genuttigd heb en bijgevolg geheelonthouder zou moeten zijn. Wel, allesbehalve! Ik ben een vergetend vergiet. Mijn dokter hint bijvoorbeeld wel eens dat vijftigers baat hebben bij een jaarlijks of tweejaarlijks prostaatonderzoek. Dan denk ik ijskoud: en wat dan nog? Wat heb ik daar mee te maken? Dat zijn zorgen voor later. Veel later! En ik ontken dat het een ontkenningsfase is. 'Hoe voel je je?' Dat vraagt hij de laatste jaren telkens weer als ik 'm zie (als ik onze afspraak niet vergeet). Zomaar. Zonder aanwijsbare reden. Vreemd toch. 'De eerste vijf dagen na het weekend zijn het beroerdst, daarna gaat het wel weer,' antwoordde ik overlaatst. En ernstig kijken dat hij deed! Erg toch, op zijn leeftijd. Hij is ongeveer tien jaar ouder dan ik. Drieëndertig, en nog steeds geen greintje gevoel voor humor. Dat moet erg zijn.  

Danny Vandenberk
0 0

Open brief aan Johan Vandevelde

Helaas is er op Azertyfactor geen mogelijkheid om commentaar te leveren; vandaar dat ik het op deze manier via een open brief doe.  Allereerst wil ik Idha Zadel feliciteren met het feit dat het gedicht Deze ochtend werd ik wakker op 7 oktober als tip van de week in de kijker is gezet door Johan Vandevelde. Een goede keuze en terechte tip.  Toen las ik het commentaar van Johan. Ik ken deze meneer niet, maar ik wil graag iets zeggen over wat je zijn juryrapport zou kunnen noemen. Ik kan mij voor het grootste deel in zijn betoog vinden, maar de volgende passage schoot mij volledig in het verkeerde keelgat. Terwijl we Rusland terecht isoleren omwille van brutale oorlog in Oekraïne, sturen we volop wapens naar Israël, dat een brutale genocide uitvoert tegen net zo onschuldige mannen, vrouwen en kinderen in Gaza. Meneer Vandevelde, u mag een tip van de week wat mij betreft gebruiken om uw politieke standpunten en morele verontwaardiging te laten blijken, maar had u dat niet beter op een andere datum kunnen doen? Zijn de mannen, vrouwen, baby’s die op 7 oktober zijn vermoord ook niet onschuldig? Hebben die het verdiend om door de barbaren van Hamas willekeurig te worden afgeslacht? Had uit respect even een dag gewacht. U heeft het over de hypocrisie van het ‘westen’ en hoe de onschuldigsten niet ontzien worden. Hoe witte mensen belangrijker zijn dan donkere mensen. Maar de term onschuldigsten geldt klaarblijkelijk niet voor Joden. Die moeten allemaal over een kam geschoren worden. Ik sluit mijn betoog daarom graag af met mijn eigen tekst:    Als men zelfreflectie ontbeert Van de geschiedenis Niets heeft geleerd   Dan is daar altijd weer De Jood De eeuwige zondebok

Elle Hart
17 1

Septembermensen

Stel u voor: Freddie Mercury, Agatha Christie, Sophia Loren, Leonard Cohen, Roald Dahl, Karl Lagerfeld, Tolstoj en ik zitten samen aan tafel. Freddie zorgt voor ambiance. Agatha onthoudt wie er van welk glas gedronken heeft. Sophia hoeft alleen maar te zitten. Leonard filosofeert over schoonheid. Karl zet zijn zonnebril op en Tolstoj is nog bezig aan zijn antwoord op de vraag hoe het gaat. Ik zit naast Roald Dahl. Dat heb ik zo geregeld. Het is mijn column en hij is mijn idool. Ik hoor u al mompelen: waarom dat zootje bij elkaar? Dat is duidelijk: het zijn septembermensen. Allemaal. Wat zijn septembermensen en wat drijft hen? Tijd voor een grondig, geheel onafhankelijk onderzoek. Onder leiding van mezelf. Ik ben er zeker van dat gij er ook minstens één kent: Ge ging maar een halfuur blijven. Twee uur later zit ge er nog, weet die mens iets wat ge eigenlijk niet ging vertellen en ligt er thuis iets in de diepvries dat al lang in de oven had gemoeten. Uw jas hebt ge ondertussen uitgedaan. Zo iemand. Volgens mij hebben die mensen iets meegekregen van hun maand. September is de maand waarin zomer en herfst elkaar de hand geven en dan nog even blijven staan praten. Ze hebben geen haast. De ene heeft nog van alles te vertellen, de andere moet zijn jas nog niet uitdoen. Er wordt nog gezwommen, maar het bos wordt alweer herontdekt. Aan de achterdeur staan slippers naast bergschoenen. Ge vertrekt met blote benen en een pull over uw arm, die ge overdag overal laat liggen en ’s avonds dankbaar over uw hoofd trekt.  Het licht wordt zachter. Het strijkt langs gevels, blijft hangen in kruinen en valt schuin over een tafel waaraan ge eigenlijk allang had moeten opruimen. Zelfs de kruimels liggen daar schoon. De zon moet niet meer bewijzen dat ze de hele wereld kan platleggen. Ze verwarmt uw knieën, uw gezicht, dat stukje nek boven uw kraag.  En dan die geur. Die rijpe, zwoele geur van september, alsof de wereld zelf op zijn zondags is. Gewassen, maar nog warm van het slapen. Ergens hangt was buiten, ergens staat een raam open waaruit de geur van gestoofde appels komt. Onder de bomen ligt fruit in het gras. Sommige appels zijn opengebarsten, wespen zitten met hun hele lijf in het zoet. Ge ruikt aarde, vochtige bladeren, warm gras en iets dat bijna te rijp is. Een geur waar ge trager van gaat lopen, zonder goed te weten waarom. De natuur is hoogzwanger. Alles hangt, zwelt en weegt. Takken buigen onder hun appels, pompoenen liggen breeduit in de moestuin alsof ze daar betaald worden per ingenomen vierkante meter. Ge kunt nauwelijks ergens op bezoek gaan of er moet iets mee naar huis. Courgettes, peren, een zak appels. "Neemt nog wat. Echt, wij krijgen dat niet op." In keukens staat confituur te pruttelen en op aanrechten wachten potten waarvan de etiketten niet helemaal zijn losgekomen. Daar gaat straks de zomer in. Ondertussen geeft september orde. Na twee maanden waarin ‘we zien wel’ een volwaardige dagindeling was, kopen we een schrift. Een agenda. Een balpen die schoon schrijft. We gaan weer koken, op tijd slapen en mails beantwoorden voordat de afzender vraagt of we zijn vorige mail goed ontvangen hebben. Buiten barst alles uit zijn voegen, binnen steken wij papieren in mapjes. Dat vind ik schoon aan september: dat ge nog gulzig aan het leven kunt zitten en tegelijk denkt dat ge het dit jaar misschien eens georganiseerd krijgt. Misschien zit het daarin, bij die septembermensen. Dat ze weten hoe fijn het is als er nog iets bij kan. Nog een uur buiten. Nog iemand aan tafel. Nog een verhaal terwijl de koffie eigenlijk al op is. Ze schuiven wel wat op. Er is genoeg. Dat ik zelf op zestien september geboren ben, maakt mij uiteraard bijzonder geschikt om dat allemaal vast te stellen. Ik zeg ook nergens dat ik al die kwaliteiten voortdurend ter beschikking heb. Er zijn openingsuren. Bovendien heb ik mijn onderzoek uitgebreid naar mensen van wie ik wél weet of ze na het feest de stoelen helpen stapelen. Mijn lievelingschiroleiders: in elke generatie is er zeker één. September. Van die mensen aan wie ge een bende kinderen toevertrouwt en denkt: dat komt goed. Er gaat misschien een schoen verloren, maar iedereen zal mee zijn. Mijn favoriete vriendin? September. Mijn lievelingsverkoopster van jeansbroeken? Ook september. Onderschat dat laatste niet. Iemand aan wie ge uw achterwerk onder tl-licht toevertrouwt, staat behoorlijk hoog in de hiërarchie van de liefde. Mijn schrijfjuf? Ja hoor. Zij ook.  Dat ik uitsluitend mensen heb geselecteerd die ik graag zie, lijkt me geen bezwaar. Ge moet ergens beginnen. In Touché hoorde ik Guido Belcanto zeggen: ‘De twee belangrijkste dagen in je leven zijn de dag dat je geboren wordt en de dag dat je te weten komt waarom.’ Misschien weten andere mensen dat tweede soms eerder dan gijzelf. Die Chiroleider is allang vergeten wat hij voor dat ene kind gedaan heeft. Dat kind weet het nog. Mijn vriendin neemt haar telefoon op. Voor haar is dat gewoon haar telefoon opnemen. Voor mij kan het precies zijn wat die dag nog nodig had. Ik zie die septembermensen zo graag. Ge komt thuis en iets zit wat losser. Ge hebt uzelf horen lachen. Op het aanrecht zet ge een pot confituur die ge bij het vertrekken in uw handen geduwd kreeg. Er zijn ongetwijfeld ook fantastische mensen uit andere maanden. Die mogen mij altijd overtuigen. Ik wil daar gerust eens een halfuurtje voor langskomen.

Katrien Daniels
46 5

STIP IT

Ik vroeg me af of ik er dit jaar nog eens iets over zou schrijven of niet. Want er zijn nog steeds kinderen en bij uitbreiding volwassenen die gepest worden. Men kan er niet langs kijken. De jaarlijkse actie STIP IT staat weer in de kijker. Als kind heb ik zelf die stippen nooit gehaald, ze waren er eenvoudig nog niet en ik werd zelf gepest. Uit ervaring leid ik af dat pesters niet zo bezig zijn met latere gevolgen voor de gepeste. Zijn zij nog bezig met wat ze als kind uitgevreten hebben? Ik schreef er ooit over een aantal jaren geleden. Toen ik droomde van die jongen...   Het betekent vaak dat meneerke of mevrouwtje Niemand beter gezelschap is dan het vermoeiende geblaat van de pesters. Het betekent dat je een antenne krijgt voor andere gepeste kinderen en je niet weet of je moet ingrijpen of niet. Je hebt al zoveel ellende op je - inmiddels door de pesters verfrommelde - boterham liggen. Kennismaken met kinderen buiten de school of buren, op vakantie bijvoorbeeld, verloopt moeizaam. Opgeven in de kennismaking is sneller dan de teleurstelling tegemoet kijken! Een plaats in een groep vinden wordt even benauwend als ergens in het midden aan een tafel zitten waarbij je niet weet welke conversatie je moet volgen; links van je, rechts van je of tegenover je. Dus je zwijgt! Zelf ook een kind pesten, want je denkt dat je dan wél populair wordt, is pas een afknapper. De echte pesters zijn de eersten om je over te brieven. Je bent weer de klos! Je poppen, speelgoed, je fantasie worden je beste vrienden! En alles, echt alles wat je probeert om jezelf te kunnen zijn en dat te tonen lijkt telkens net niet goed genoeg. Nogal wiedes want je durft niet meer!  Veel van die dingen lopen door in het volwassen leven. Als je een pester van vroeger tegenkomt, of zelfs zo iemand uit je volwassen leven, word je bijna fysiek ziek. Enig duidelijk en kordaat gedrag hielp mij om er komaf mee te maken: Me omdraaien en mijn rug laten zien die in hun verte verdwijnt!  ‘Boeit niet!’ en ik ben stiekem blij dat deze uitdrukking in ons taalgebruik is geslopen. Het zegt zoveel meer dan het beleefd blijven en is minder energie rovend. Al word je er niet blij van. Wie ligt daar ook nog van wakker? Hopelijk ouders van kinderen en andere betrokkenen.

Anemos
8 1

Vergissingen

Als kleuter presteerde ik het ooit om na het rinkelen van de schoolbel achter op de fiets van een mevrouw te springen van wie ik abusievelijk dacht dat het ons ma was. Ze droeg dezelfde beige regenjas. Toen ik haar aanspoorde met een "Allez, ju ma", keek ze achterom en viel ik van het verschieten bijna van het stoeltje. Een mens kan zich vergissen. Ondertussen is die lapsus opgeborgen in de nevelen van de tijd en dacht ik alles gezien en gehoord te hebben. Maar ook daarin vergiste ik me. Zo ging ik afgelopen zomer op een warme ochtend nietsvermoedend puffend de deur uit. Met een ovenvers brood in de ene hand en een zakdoek in de andere om het vroege zweet te deppen, liet ik kort daarna diezelfde neusdoek van het schrikken bijna vallen. De oorzaak was een uitroep van een voorlopig verborgen mevrouw. "Doeme, Rudi, luister nu toch." Het kon natuurlijk zijn dat een naamgenoot op dat ochtenduur al naar zijn voeten kreeg. Er bekroop me een gevoel van compassie, want wij Rudi's steunen elkaar. Kort daarna stootte diezelfde stem een tweede reprimande uit. "Zit, Rudi. En wel nu meteen." Dat ging me toch wat ver. Ik besloot de stem van de mevrouw te volgen. Ze kwam van achter het steegje. Maar daar zag ik alleen een mevrouw die in de weer was met haar hondje. Pas toen ik "Allez Rudi, kom" hoorde en het hondje vervolgens traag op gang kwam en me droevig aankeek, alsof het dier ook besefte wat er gaande was, begreep ik het. De hond was een naamgenoot. Dat had ik niet zien aankomen. Daarom een oproep aan alle Eriken, Danny's en Patricken. Verschiet niet, want binnenkort zijn jullie aan de beurt. Al is het van den hond, laat daar geen twijfel over bestaan.

Rudi Lavreysen
12 0