Zoeken

Chat TNT

verbeter tekst: Het grote probleem bij IA is dat hij ieder probleem oplost met de informatie die hij rondscharrelt op een bepaald moment. Als hij die informatie gebruikt dan blijft het met informatie op dat moment. De vraag is waaruit zal de vernieuwing bestaan. Of blijft alles in een rondje draaien? De menselijke natuur heeft de mogelijkheid om bliksemsnel de bliksemsnele veranderingen in de samenleving te ondergaan. Mischien vertraagt IA dat proces. Ik zal het eens vraagen aan Chat TNT   Hier is een verbeterde versie van je tekst. De fouten tegen spelling en grammatica (zoals "IA" in plaats van "AI", "mischien" en "vraagen") zijn gecorrigeerd. Ook lopen de zinnen nu vloeiender, zonder de kern van je boodschap te verliezen. Verbeterde tekstHet grote probleem bij AI is dat het elk probleem oplost met de informatie die het op dat specifieke moment verzamelt. Als het die informatie gebruikt, blijft de kennis beperkt tot dat moment. De vraag is waaruit de vernieuwing dan zal bestaan. Of blijft alles in een cirkel draaien? De menselijke natuur heeft het vermogen om bliksemsnel mee te bewegen met veranderingen in de samenleving. Misschien vertraagt AI dat proces juist. Ik zal het eens aan Chat TNT vragen. Belangrijkste aanpassingenIA naar AI: In het Nederlands gebruiken we Artificial Intelligence (AI) of Kunstmatige Intelligentie (KI).Verzamelt: "Rondscharrelt" is erg informeel; "verzamelt" past beter in een beschouwende tekst.Cirkel draaien: "In een rondje draaien" is aangepast naar "in een cirkel draaien" voor een betere schrijfstijl.Spelling: "Mischien" is gecorrigeerd naar "misschien" en "vraagen" naar "vragen".Verwijzing: AI is een onzijdig woord (het AI-systeem), dus we gebruiken "het" en "dat" in plaats van "hij" en "die". Als je wilt, kan ik deze tekst nog verder aanscherpen. Ik kan hem bijvoorbeeld formeler maken voor een artikel, of juist creatiever herschrijven voor een blogpost. Laat maar weten welke richting je op wilt! AI-reacties kunnen fouten bevatten. Meer informatie     

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
5 0

Hyo

Feiten zijn een goed startpunt om een waarheid neer te schrijven.  Mijn eigen waarheid verplaatst zich van continent. In Vlaanderen kruist, botst en loopt deze naast die van anderen. In Huancayo stroomt het op gelijke snelheid. Hier en daar zijn er oneffenheden, ontwikkelingen die het interessant houden.   Ik lach.  Mijn avontuur in ‘La Selva Central’ geeft vonken en bij mijn thuiskomst wordt er geluisterd, gepraat, geknuffeld, gegeten en gedronken. Verbinding is hier geen modewoord maar een dagelijkse realiteit.  We vragen ons af waarom er de laatste tijd zo weinig mensen hun weg vinden naar Huancayo. Een stad vol uitdagingen maar ook vol mogelijkheden. Een streling voor de avontuurlijke ziel.  Ik stel voor om de reisadviezen voor Peru te bekijken. Google brengt me naar de website van de FOD Buitenlandse Zaken.  Feiten zijn er om te checken, dubbel te checken. De nauwkeurigheid waarmee dit gebeurt is persoonsgebonden.  Ik lees. Verbazing verdrijft de lach die ik tien zinnen geleden nog bezat. Ongeloof neemt het over. Feit is dat als ik niet beter zou weten, ik ook weg zou blijven.  Mijn waarheid versus deze van de FOD Buitenlandse zaken. “Noodtoestand in Lima vanwege de strijd tegen de georganiseerde misdaad.”Deze info is relatief juist. Wat ze vergeten te vermelden is dat Lima groot genoeg is om deze probleemzones te vermijden. De verhoogde aanwezigheid van het leger en politie in de straten is waar, maar het is ook een herkenbaar beeld dichter bij huis.  “Noodtoestand aan de grens Tacna en Chili.” De afstand tussen Huancayo en Tacna is overbrugbaar door een autorit die 28 uur van je tijd in beslag neemt. Vanuit Brussel ben je 20 uur onderweg om in die andere realiteit van Kiev terecht te komen.  Feiten zijn erom gedeeld te worden en een gewaarschuwd burger is er twee waard. Een feit kan beïnvloed worden door waarnemingen. Mijn perceptie ontstaat vanuit het dagdagelijkse leven. Mijn waarheid vindt het overdreven en verwacht enige nuance.  Voor degene die nog niet afgeschrikt zijn door de laatste updates is er vervolgens de pagina algemene veiligheid. Ik heb nog steeds het gevoel dat het Belg in Peru versus FOD is.  ‘Ook in de rest van het land en vaak in toeristische regio’s komen vanwege sociale onrust regelmatig protestdemonstraties, wegblokkades en stakingen voor.’Nog niet zo lang geleden vielen er aardappelen te rapen in Brussel, versperden tractoren de weg en werden er vuurwerkpijlen in de verkeerde richting afgeschoten.  Ik lees vol ongeloof verder en kom bij het deel dat gaat over busreizen. De bus nemen is een soort van missie die enkel weggelegd is voor mensen zoals Tom Waes. Na 18 uur is dit een onoverkomelijke opdracht. Iedereen die een beetje gekend is met Peru weet dat het vooral nachtbussen zijn die de verschillende steden met elkaar verbinden. ‘La Carretera Central’ is niet te vergelijken met de E313 richting Antwerpen, maar ik vraag me oprecht af welke van de twee wegen het meeste moed vergt.  Dan komt het.De informatie die -om het in de woorden van de lokale bevolking te zeggen- niet meer geüpdatet is sinds de jaren ’90.  "Terreurdreiging; In sommige streken van het binnenland vinden nog steeds terroristische activiteiten plaats, die verbonden zijn met de illegale teelt van coca en drugshandel. Aanvallen op de ordediensten, waarbij ook burgerslachtoffers vallen, komen regelmatig voor. Daarom wordt het afgeraden te reizen in die gebieden die beschouwd worden als basis van deze gewapende groepen."  "Eén van de regio’s om te vermijden: Junín, provincies Satipo, Huancayo en Concepción" Terwijl ik cocabladeren kauw vraag ik me af welk reisadvies ze geven voor Antwerpen en Brussel. Ik denk aan de mensen die me hier omringen, aan de mensen die ik tegenkom op straat, aan de willekeurige passanten en taxichauffeurs waar ik mee aan de praat raak. De chaos die rust en vrijheid uitstraalt. Het veiligheidsgevoel dat ik hier ervaar, het geluk, de warmte, de liefde en zo kan ik nog wel even doorgaan. Ik denk aan Concepción, het kleine Andesstadje hier wat verderop. Het enige angstaanjagende dat ik kan bedenken is het vijfentwintig meter hoge Maagd Maria standbeeld dat je aankijkt en blijft achtervolgen tot ver in de Andes. Het gekende artisanale ijs dat je diarree bezorgt, maar niets dat niet op te lossen is met de juiste dosis Imodium Instant.  Ik heb mijn waarheid en beslis om deze naast te feiten te leggen. Ik stuur een mail naar de FOD Buitenlandse Zaken met de vraag hoe ze informatie verzamelen en op welke manier ze deze verifiëren.  Hun feiten ondermijnen voor even mijn waarheid. Het antwoord is doordacht. Ze praten over nauwkeurig samengestelde reisadviezen uitgevoerd op basis van grondige analyses. Ambassades en consulaten denken grondig na en vergelijken met wat naburige landen zeggen.  Om dit te beamen krijg ik drie links die doorverwijzen naar de reisinfo van Nederland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk.  Voor even delft de Belg in Peru het onderspit. Mijn waarheid verdrongen door een goed opgestelde mail.  Ik laat het tot me doordringen, weeg mijn verwachtingen af tegen de realiteit. Dat ik in de eerste plaats antwoord krijg is een plus. Meer krijg ik niet, een ‘bedankt voor de info, we zullen dit onderzoeken’ is niet aan de orde.  Ik klik door naar de informatie die ze doorsturen. Ik anticipeer op dezelfde berichtgeving. De algemene informatie is even afschrikwekkend. Maar. Zowel in Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk valt Huancayo buiten de rode zone. Het gevaar is geweken.   

Vera Eef
0 0

Spaghetti voor vijftig

Er zijn mensen die mediteren om tot rust te komen. Ik schil patatten. Geef mij een keuken vol damp, een industriële pot soep en vijftig jongens in rode Chiro T-shirts en ik ben content. Echt content. Ik denk dat ik daarom zo graag kookmoeke ben. Die schaamteloze zomerdagen waarop ik mag moederen over een halve Chiro. Over dorpskerels tussen vijf en vijfentwintig. Kleine mannen met snottebellen, slungels die plots okselgeur ontwikkelen en leiders die zichzelf volwassen noemen maar nog altijd hun onderbroek vergeten. Daar leef ik van op. Van om zeven uur opstaan om de koffie al te laten doorlopen voor de bende wakker wordt. Van een stille kampplaats die nog ruikt naar nat gras en bier van gisterenavond. Van roze teenslippers die na vijf dagen kamp niet meer roze zijn maar een soort triestig campinggrijs. Van de geur van zweet en vet en look. Veel look. Want ge kookt niet voor vijftig man met een bescheiden teentje look. Ik schud hoeveelheden voor recepten uit mijn mouw alsof het hogere wetenschap is. “Hoeveel spaghetti voor vijftig man?”Simpel.Wat ge voor een gezin van vier maakt, maal twaalf en een half.En dan nog een beetje. Want er is altijd wel ergens nen achttienjarige die eet alsof hij zich voorbereidt op een overwintering in Siberië. Ik schil patatten alsof mijn leven ervan afhangt. Ik maak van spaghetti koken hogere wiskunde. Ik heb een eigen filosofie ontwikkeld over hoeveel keer ge een maaltijd moogt opwarmen zonder dat iemand eraan sterft. Ik geloof rotsvast dat melk in soep soms een uitstekend idee is. Dat zelfgemaakte andalouse saus een vorm van beschaving is. En dat ge nooit — maar dan ook nooit — een deftige barbecue hebt zonder perziken uit blik. Dat laatste klinkt absurd. Tot ge het proeft. En dan die saus. De lekkerste saus van het kamp. “Sex on a plate” Het zijn ook de dagen waarop Yevgueni door een krakende box schalt terwijl wij de afwas doen. Als ze lacht. En wij meebrullen alsof we zelf terug twintig zijn en straks nog een pint gaan drinken op de parking van de parochiezaal. De dagen waarop de kookmoekes elke avond eindigen rond een gammele campingtafel met gezelschapsspelletjes waar wij elk jaar beter in worden. Vals spelen een gave is die met de leeftijd komt. Er wordt gelachen tot iemand bijna stikt in een chipke. Tot de leiding komt vragen of het misschien iets stiller kan omdat de klein mannen slapen. Ik doe dat graag. Misschien té graag. Ik ben al eens met pensioen gegaan. Officieel gestopt. Maar blijkbaar kunt ge uzelf ook terugroepen. Niet door een tekort op de arbeidsmarkt, maar door een diepgeworteld “het niet kunnen laten”. Er volgde een stilzwijgende overeenkomst met de leiding: ge gooit me maar buiten als ik écht te oud geworden ben. En eerlijk?Ik hoop dat ze dat nog efkes uitstellen. Want daar, tussen de kookpotten en de afwasbakken, wordt het leven opvallend simpel. Stress herleidt zich tot de vraag hoeveel kilo wortelen er juist in de soep moeten. Nachtrust wordt relatief. En liefde krijgt een totaal andere vorm. Want die is daar.In alles. In een snelle “merci, moeke”.In een jongen van zes die nog een nachtzoentje komt vragen.In een leider van drieëntwintig die spontaan een apero uitschenkt voor de moekes na een dag van zevenhonderd boterhammen smeren.In een keuken waar iedereen plakt van het zweet en de mayonaise en toch niemand weg wil. En zo reigen we de zomers aan elkaar. Met liefde en herinneringen. Met te veel look en te weinig slaap. Ondertussen loopt mijn huis stilaan leeg. Mijn zonen bouwen hun eigen leven bijeen. En binnenkort zal mijn kookpot zich waarschijnlijk beperken tot hoeveelheden voor één persoon. Dat is dan wat ge voor een gewoon gezin maakt.Gedeeld door vier.   

Katrien Daniels
55 5

Failliet

Ik reed gisteren voorbij mijn favoriete delicatessenzaak. Enfin, gewezen delicatessenzaak. Want de winkel is failliet. En ik vind dat erg. Eerst en vooral voor mezelf, als ik eerlijk ben. Want nergens anders was het kaasassortiment zo uitgebreid, de thee van net dat juiste merk en de broodjes zo rijkelijk belegd dat ge er bijna een kleine familietafel voor nodig had. Maar ook voor hem. Ik kende de man zijn naam niet, maar Georges zou hem absoluut niet misstaan, dus we noemen hem Georges. Georges was een gepassioneerde foodie die zijn zaak bestierde alsof het een klein culinair koninkrijk was. Altijd tijd voor een babbel over een Franse schimmelkaas, een goeie olijfolie of gewoon over het leven. Een mens die wist wat lekker was. Dat is een gave, hoor. Failliet gaan. Dat woord heeft iets vuils. Alsof ge niet alleen uw zaak verliest, maar ook ineens een stuk van uw naam. Uw gevel. Uw waardigheid. Uw routines. Uw morgens. Het doet me denken aan een scheiding. Dat is eigenlijk ook een soort faillissement. Ge verliest geld, liefde, meubels waarvan ge dacht dat ge ze samen oud ging laten worden. En daarna moet ge ergens in uw eigen hol gaan nadenken over hoe het anders had gekund. Maar goed. Het ging over Georges. De man van de uitermate goed belegde broodjes. Misschien té goed belegd. Dat wou ik hem soms zeggen. Dat er op één broodje genoeg krabsalade lag om een klein vissersdorp door de winter te helpen. Dat die tomaten daar precies gratis werden uitgedeeld. Maar ik deed het niet. Uit beleefdheid. Of lafheid. Dat ligt dicht bij elkaar. En nu heb ik daar schuldgevoelens over. Omdat ik denk: misschien had wat minder tomaat zijn zaak gered. Misschien was het verschil tussen overleven en failliet gaan gewoon drie schellen mozzarella minder per sandwich. En ik weet het, zo simpel is het natuurlijk niet. Maar toch. Ge begint terug te tellen. Naar alle keren dat ge iets dacht en zweeg. Zoals die avond dat ge wist dat dat feestje ging ontsporen. Of die keer dat ge wist dat ge taart met echte boter moest maken en niet met die margarine uit promotie. Vroeger zei ik dat soort dingen nog. Nu niet meer. Ik heb mezelf afgeleerd om mij te moeien. Omdat mensen daar zelden dankbaar voor zijn. Omdat iedereen liever elegant kopje-onder gaat dan gered wordt door een bemoeial. Dus ik zwijg tegenwoordig. En rij voorbij. De delicatessenzaak ligt er plots verlaten bij. Leeggehaald. Een vrouw draagt een roestig rekje naar buiten. Drie maanden geleden stonden daar nog cuberdons en nonnenbillen op. En die vrouw lacht. Een gewone lach. Een mens-lacht. En ik zie: die vrouw is nooit failliet geweest. Sommige mensen hebben nog nooit echt iets verloren. Geen zaak. Geen liefde. Geen huis met de stilte er nog in. Ik denk aan Georges, de kaasman. En ik zou eigenlijk naast hem willen gaan zitten. Zonder oplossingen. Zonder analyses over krabsalade of kostenstructuren. Gewoon zeggen: sorry dat ik zweeg. Of misschien gewoon: welkom. Bij de club van de mensen die ooit iets zagen instorten waar ze van hielden. De meeste mensen gaan ooit failliet. En de rest koopt roeste rekjes.

Katrien Daniels
45 2

Team Bus

Tom en ik, we noemen onszelf Team Bus. Hij langs de kant van de busplanning. Ik langs de kant van de uitstapplanning. En ergens tussen vertrekuren, parkeerplaatsen, zieke chauffeurs en “oei, dat is precies verkeerd doorgegeven”, vinden wij mekaar regelmatig. Normale dingen regelen we via mail. Dat hoort zo. “Beste, graag een offerte voor twee bussen richting Oostende.” Dat soort dingen. Maar als er ergens een schoolgroep staat te blauwbekken in de regen of een chauffeur plots in Dendermonde blijkt te zitten terwijl hij eigenlijk in Asse moest zijn, dan bellen we. Dan komen de echte gesprekken. “Wacht hè Katrien, ik ga eens kijken.”“Ah nee, dat is den anderen bus.”“Ge zijt zeker?”“Tiens. Da’s wel speciaal.” Zo van die gesprekken. En het vreemde is: ik heb het gevoel dat Tom stilaan een vriend aan het worden is. Zo iemand waarvan ge denkt dat ge hem eigenlijk al jaren kent. Dat we misschien samen op school hebben gezeten. Dat we mekaar ooit halfdronken zijn tegengekomen in een bruin café ergens naast een biljarttafel. Dat hij mij ooit al eens een sigaret heeft gegeven op een parking van een fuif in 1998. Soms voelt het alsof wij al een heel traject samen afleggen. Alsof wij collega’s zijn in een kleine oorlog tegen verloren chauffeurs, dubbele reservaties en kinderen die dringend moeten plassen net wanneer de bus de autostrade opdraait. Ik hoor zijn stem vaker dan die van sommige echte vrienden. Wij maken mini-crisissen mee samen. Kleine rampen die altijd dringend lijken maar achteraf geweldige verhalen worden. En elke keer opnieuw lossen wij dat op. Tom aan zijn kant van de dispatching. Ik aan mijn kant van de chaos. Terwijl ik hem eigenlijk niet ken. Ik weet niet hoe hij eruitziet. Ik heb nog nooit met hem aan een tafel gezeten. Geen koffie gedronken. Geen pannenkoeken gegeten. Niets. Maar in mijn hoofd bestaat Tom heel duidelijk. Tom is groot. Niet dik dik, maar zo’n geruststellend buikje van iemand die graag eens een goed stuk vlees eet en daar een Duvel bij drinkt. Hij heeft een stoppelbaard. Draagt jeans. Altijd jeans. En van die blauwe River Woods-truien over een hemd. Geen modieuze sneakers maar degelijke schoenen waar ge desnoods ook ne keer een camion mee kunt lossen. Enfin. Zo ziet Tom eruit in mijn hoofd. Ik zou hem kunnen googelen. Maar dat gaat nu niet meer. Het beeld is af. Het decor staat recht. En ik ben bang dat de realiteit het gaat verpesten. Want stel u voor dat Tom eigenlijk klein is. Smal. Blond. Dat hij beige geruite hemden draagt en een klein beetje naar natte boekentas ruikt. Dat zou verschrikkelijk zijn. Dan zou geen enkele buscrisis nog hetzelfde voelen. Dat had ik vroeger ook met stemmen op de radio. Michel Follet bijvoorbeeld. Man man man. Ik hoorde die op Radio 2 en in mijn hoofd was dat een soort filmster met charisma tot tegen de muur. Tot ik hem ooit zag in de TV Story. Ik was oprecht ontgoocheld. Niet omdat hij lelijk was. Maar omdat hij niet klopte met mijn versie van Michel Follet. Of die vrouw van het circus waar ik maanden telefoons mee deed. Ik zag een warme, donkere, voluptueuze zigeunervrouw voor mij. Veel armbanden. Grote rokken. Zware parfum. Maar toen kwam ze toe en bleek ze blond, klein en Duits-modern-jaren-tachtig te zijn. Zo iemand die waarschijnlijk kiwi in blokjes snijdt bij het ontbijt. Dat was lastig. Dus misschien moet ik Tom gewoon laten bestaan zoals hij nu bestaat. In die gezellige parallelle werkelijkheid waar hij nog altijd groot is, lichtjes naar Duvel ruikt en met één hand een busprobleem oplost terwijl hij met de andere een broodje préparé vasthoudt. En wie weet hoe Tom mij ziet. Misschien denkt hij dat ik slank ben. Dat ik lang blond haar heb dat altijd goed ligt. Dat ik zo’n vrouw ben die zelfs tijdens een crisis nog elegant klinkt aan de telefoon. Zo iemand die rustig “dat komt wel goed” zegt terwijl achter haar een school vol kinderen collectief in paniek staat. Misschien denkt hij dat ik met een zonnebril op in een cabrio rondrijd tussen culturele uitstappen door. Dat ik nooit vloek. Dat ik georganiseerd ben. Zo’n madam met kleurcodes in haar agenda en muntthee in een thermos. Of misschien ben ik voor hem een soort deftige mevrouw in een lange beige jas die proper “goeiedag” zegt en naar lavendel ruikt. Iemand die nog nooit een préparébroodje boven een stuur heeft gegeten onderweg naar een schoolvoorstelling. En eerlijk? Ik hoop het een beetje. Want zolang wij mekaar niet echt kennen, mogen wij nog vanalles zijn. Dan blijft Team Bus iets schoon. Twee mensen die mekaar eigenlijk alleen kennen in stresssituaties, omringd door zwetende chauffeurs en kinderen met fluohesjes, maar die intussen wel een volledig personage van mekaar hebben gemaakt. Dus nee. Ik ga Tom niet googelen.

Katrien Daniels
42 2

De broek

In het café zit een man wezenloos voor zich uit te kijken. Zijn koffie heeft hij half opgedronken. Het lijkt alsof zijn gemoed ook maar voor de helft gevuld is. De kastelein ziet me naar hem kijken. “Misschien vertelt hij het nog eens”, fluistert hij. Het klinkt alsof de man het verhaal ononderbroken heeft verteld. “Ik had het niet gezien”, zegt de man. De cafébaas droogt zijn handen aan een handdoek en gebaart van ‘even te wachten, de rest komt wel.’ De man neemt nog een slokje koffie en gaat verder. “Haal je mijn broek bij de naaister?, vroeg ze. Hier is het bonnetje. Wat kan er fout lopen? Ik deed wat me gevraagd werd. Ik bracht het tasje naar huis en legde het in de keuken. Een perfecte avond. Maar dan, na het avondeten. Ze nam het tasje en haalde de broek eruit. Ik zag ze kijken. Ze draaide de broek drie keer om. Ze keek me aan alsof ik een dictator ben die het leven van de helft van zijn bevolking op zijn geweten heeft. " "Zie je het niet?, riep ze. Dat is mijn broek niet. Zie hoe groot die is. Daar pas ik drie keer in.” "Nee, ik ga verdomd niet rechtstaan, ging ze verder. Dat je zoiets nog maar durft denken.” “Ze moet het in mijn ogen hebben gezien. Maar ik 'dacht' het alleen maar." De man denkt even na. “De naaister heeft die broek wellicht getoond, maar ik was er met mijn gedachten niet bij. Ze heeft zich vermoedelijk van bonnetje vergist.” “Thuis zou het enkel beeld en geen klank zijn. Dan maar naar hier.” Hij kijkt me aan. Nog steeds met diezelfde lege blik. Ik zeg niks.  Misschien is het geluid van de cafébaas die de glazen spoelt voor hem genoeg.

Rudi Lavreysen
13 1

Harige Handy

'Ik ben gelukkig getrouwd met een Harige Handy!' Ik hoor het haar nog steeds zeggen. Zeker nu. Jarenlang deelden we, samen met nog een paar anderen, een groot kantoor. En lief. En leed. Op zich vulden we elkaar prima aan, vooral op professioneel vlak. Zij was een aanpakster. Aanvankelijk wilde ik pragmaticus schrijven, maar dat zou te intellectueel klinken. In elk geval, als er zich een probleem voordeed, loste zij het op. Meestal door, zonder de kwestie helemaal te begrijpen, meteen naar de telefoon te grijpen om hulp te vragen of, als we erachter kwamen dat iemand een fout had gemaakt , iemand op zijn plichten te wijzen. Heel af en toe brutaal of bot, bijna beledigend. Altijd recht voor z'n raap. Onomwonden, zoals een uitgepakte mummie of van die slingers toiletpapier die voetbalsupporters op het veld gooien als de spelers hun opwachting maken voor een belangrijke wedstrijd.  Zelf ben ik veel ingetogener. Ik denk meestal twee, drie of vier keer na vooraleer ik enige actie onderneem. Waarschijnlijk te veel, waardoor ik in het dagelijkse leven al eens als terughoudend of zelfs besluiteloos overkom. Het jammere is dat ik dat zelf besef, waardoor ik, om tegen mezelf te rebelleren of om aan mezelf te bewijzen dat ik geen saai of angstig mens ben, soms opzettelijk ondoordachte dingen doe.  Van de andere kant ben en was ik wel een stuk taliger dan zij. Op zich geen glansprestatie, want zij maakte er een sport van om allerlei voor de hand liggende uitdrukkingen, zegswijzen of zinsconstructies verkeerd te gebruiken of op ongewilde en bijgevolg lachwekkende wijze door elkaar te haspelen.  'Ik ben gelukkig getrouwd met een Harige Handy!' riep ze dus op een keer, nadat ik uitvoerig verteld had over mijn voorbije verlofdag, tijdens dewelke ik erin geslaagd was om al kokkerellend in mijn linkerwijsvinger te snijden, al klussend - stel je er niet te veel van voor, gewoon een fotokadertje ophangen - mijn duim én diezelfde linkerwijsvinger plat te hameren, het desbetreffende kadertje op mijn voet te laten vallen en daarna op mijn sokken in de glasscherven te trappen. 'Wij zijn ook gelukkig getrouwd,' repliceerde ik, zonder het cliché van zij gelukkig en ik getrouwd (of omgekeerd) boven te halen, 'en nee, ik ben zeker geen Handige Harry, want dat was ongetwijfeld wat je bedoelde.'  Kalf, dacht ik daarna nog. Dat zeg ik er eerlijkheidshalve even bij. Ik was een beetje boos. Dat zou me vandaag de dag niet meer overkomen, want ik heb me al decennialang neergelegd bij het feit dat ik legendarisch onhandig ben. In die mate dat ik er met gemak een titel of vermelding in het Guinness Book of Records mee zou kunnen verdienen.  Enfin, dat heb je dus met herinneringen. Soms komen ze ongewild naar boven, en soms, als je in de mood bent of er echt behoefte aan hebt, lukt het niet om ze op te halen. Een herkenbaar probleem voor ouder wordende mannen en hun aanpalende of naastliggende lichaamsdelen, doch dit terzijde.  Zoals je ongetwijfeld weet, heeft alles een oorzaak. Deze keer was die het feit dat ik al ontbijtend, net nadat ik vrolijk en energiek had geopperd dat het een zonovergoten dag zou worden, per ongeluk met mijn mespunt achter het oor van mijn kopje koffie haakte, waardoor ik het onopzettelijk kantelde en heel de tafel onder de koffie kliederde. 'Volgens mij wordt het eerder een koffie-overgoten dag,' grinnikte mijn wederhelft terwijl ik met vaatdoek en stukjes keukenrol heel het boeltje zat te deppen en weg te vegen.  Onze jongste dochter deed er nog een schepje bovenop: 'Jakkes, papa, ik zie nu pas voor het eerst dat er haar op je vingers groeit! Ie-juw!' 'Wist je dat dan niet? Dat heeft hij al lang, op beide linkerhanden!' Mijn vrouw weer. Hilariteit alom.  Ze beseft niet eens hoe gelukkig ze getrouwd is. Harig ben ik al, maar dat handy zal er nooit van komen, vrees ik.  

Danny Vandenberk
4 0

Alma Mater

Mijn grootmoeder heette Alma. Wij zeiden meter, maar eigenlijk heette ze Alma. Ze haatte die naam, omdat dat volgens haar “ne naam van den Duits” was. In haar hoofd was het een vaststaand feit. Alma was geen naam voor een mens gelijk zij. En toch heeft geen naam ooit beter bij iemand gepast. Alma Mater. De voedende moeder. De moeder der moeders. Al zou ze zelf gezegd hebben: “Doe normaal, kind, en eet nog een stuk appeltaart.” Want dat was meter ook. Geen grote woorden. Wel zoete citroenthee bij griep. Extra lang op haar schoot bij een geschaafde knie. Rijstpap op vrijdag. Appeltaart op zaterdag. Rituelen waar ge als kind op vertrouwt gelijk de zon die opkomt. En katholiek dat die vrouw was. Wij moesten elke week naar de mis. Geen discussie mogelijk. Of ge moe waart, of het regende, of ge liever in uwe pyjama naar Niels Holgerson keek, deed er niet toe. God wachtte niet. Dus zaten wij daar braaf in de kerk terwijl meter ondertussen alle heiligen persoonlijk leek te kennen. Voor examens werd er gebeden. Voor een operatie werd er gebeden. Voor slecht weer op het communiefeest werd er een noveenkaars aangestoken alsof ze rechtstreeks met de hemel onderhandelde. Ik ben dat geloof onderweg ergens kwijtgeraakt. Maar nog altijd, als er echt iets is, iets groot, iets waar ge zelf geen vat meer op hebt, denk ik soms: “Almake… spreek uwe God daar eens op aan.” En eerlijk? Een stuk van mij gelooft dat ze dat doet. Bij meter thuis was het altijd warm. Letterlijk ook. Een kleine leefruimte met een kachel die precies heel de familie draaiende hield. Vijf kleinkinderen door elkaar. Een tafel vol kaarten. Beeldjes op de schouw. Mijn grootvader in zijn vaste hoek van de zetel. Mensen die luid praatten, luid lachten en soms luid ruzie maakten om daarna gewoon verder cake te eten. Daar werden liedjes gezongen over nen bleken blauwe hond alsof dat cultureel erfgoed was. Daar werd uren gekaart. En meter, die smeet haar kaarten op tafel met de grandeur van een casino in Las Vegas en riep: “Zevenen! Dat kan alleman!” waarop wij allemaal tegelijk begonnen roepen dat het ni waar was. Het was een huis van commentaar geven zonder rem. Van elkaar plagen. Van verhalen die elk jaar straffer terugkwamen. Van te luid soms zo luid dat de ramen ervan trilden. Ik heb het duidelijk van geen vreemden. Later, toen ik zelf moeder werd, veranderden onze gesprekken. Ze gingen minder over kinderknieën en meer over het grote modderen. Over hoe ge uw best kunt doen en toch soms denkt: is dit het nu? Over kinderen die moeten vliegen, terwijl ge zelf nog met hun jas in uw handen staat. Jaren later noemde ik mijn bedrijf naar haar: Huis Alma. Niet omdat ik een heilige wilde eren, maar omdat ik iets van haar wilde meenemen. Haar nuchterheid. Haar pragmatisme. Haar massa’s liefde. Haar relativeringshumor. En altijd ergens die geur van soep of versgebakken cake. Zelfs op het einde, toen wij voor haar mochten zorgen, bleef ze Alma. Kleiner misschien. Brozer. Maar nog altijd een huis. Nog altijd iemand bij wie ge dacht: hier mag ik zijn. Misschien is dat moederschap. Niet perfect zijn. Niet altijd zacht. Niet altijd geduldig. Soms kijven. Soms zuchten. Soms de verkeerde dingen zeggen en daarna toch koffie zetten. Maar vooral: een veilige haven zijn voor vogels die moeten vliegen. Een plek die zegt: het is goed. Bij mij zijt ge veilig. Gelijk wat. Ik blijf. En ondertussen modderen we allemaal maar wat aan. Met onze soep, onze kinderen, onze zorgen, onze appeltaart. Zoals meter het ons geleerd heeft.

Katrien Daniels
57 4

WhatsAppBitches

Bzzt. Bzztbzzt. 47 nieuwe berichten. Kent ge dat? Een ontplofte gsm... En elke keer denk ik: Er is iemand gestorven. Een kind kwijt. Een affaire ontdekt. Een staatsgreep in Haaltert. Maar nee. Het is gewoon Silke die een foto gepost heeft van haar nieuwe puppy. En dan begint het. ❤️❤️❤️ “Oooohhhhhhh!” “SMELT 😍” “Die pootjes!” “Welkom liefjeeee 🐶” Sticker van een hond die “hiiiiiiiii” zwaait. Nancy stuurt: “Dat snoetje 🥹” Binnen de vier minuten zitten we aan 83 berichten en is die puppy emotioneel belangrijker geworden dan de NAVO. Op mijn gsm staan WhatsAppgroepen zoals bij mijn moeder vroeger plastic potjes in de keukenkast stonden: ge houdt ze allemaal bij omdat ge denkt dat ze ooit nog van pas gaan komen, ook al ontbreekt al jaren het juiste deksel en weet niemand nog wat erin zit. “Topteam 🔥” — collega’s die elkaar in het echt amper goeiedag zeggen aan het koffieapparaat maar online veranderen in motivational speakers met emoji-verslavingen. “Ladies only ❤️” — vrouwen die zogezegd eerlijk alles tegen elkaar zeggen maar eerst nog apart naar Cindy sturen: “Zeg gij… vond gij dat van An ook een beetje raar?” “Enfin de vrouwen alleen” — ontstaan na een etentje waarop de mannen zogezegd “toch alleen maar over koers bezig waren”. “Zonder Magda want die is eruit gestapt” — een groepsnaam die tegelijkertijd informatief, dramatisch en licht bedreigend is. “1977 — meisjes van de lagere school ❤️” — een digitale reünie waar trauma’s van de turnles en gestolen fluostiften nog verrassend vers blijken. “BBQ Kim & Stef” — een groep die eigenlijk al drie jaar dood is maar waar niemand durft uit te stappen uit schrik dat Kim dat persoonlijk neemt. WhatsAppgroepen zijn een wonderlijk vrouwelijk ecosysteem. Een digitale zusterkring waar emoties worden uitgewisseld via gifjes van puppy’s in dekentjes en vrouwen elkaar moed inspreken alsof iedereen permanent op weg is naar een halve marathon of een burn-out. Maggy stuurt: “Ik moet zaterdag werken.” En dan begint het. 💪❤️✨ “Gogogo meid!” “Sterkte topper!” “Queen!” Sandra stuurt haar vaste sticker van een vrouw met een glas cava en een bontjas. Nancy kiest voor een babyotter die applaudisseert. Els gooit er standaard drie rode hartjes tegen alsof Maggy zonet een nier aan haar buurvrouw heeft afgestaan in plaats van rekken te vullen in den Aveve. Of in “Weekend Ardennen.” Dat moest gewoon dienen om af te spreken wie kaas meebrengt. Drie dagen later: 642 berichten. Een discussie over quinoa. Karine die vraagt of “matching pyjama’s mss grappig zouden zijn 😂” Iemand die een Pinterestbord deelt genaamd: “Forest girl autumn vibes 🍂” En ergens tussen al die berichten één compleet verloren man: “Moet ik nog hout meenemen?” Niemand antwoordt hem ooit. En toch verwijderen we die groepen niet. Omdat ergens tussen de cava-gifjes, de spierarmen, de slechte memes en de passief-agressieve duimpjes soms iets oprechts zit. Een klein digitaal kampvuur. Iemand die om 22u43 schrijft: “Pff. Lastige dag.” En vijf vrouwen die antwoorden: “Komt goed schat ❤️”

Katrien Daniels
69 2

The queen of Zaventem

Het meisje van onder de kerktoren neemt het vliegtuig naar Madrid. Dat klinkt groter dan het is, maar ook kleiner. Want mensen bekijken mij soms als een vrouw van de wereld. Ik die moeiteloos tussen terminals beweeg met zo’n handbagage op wieltjes die nooit omvalt. Ik die gewoon op luchthavens thuis hoor. Maar ergens, diep vanbinnen, ben ik nog altijd dat meisje dat denkt: paspoort mee? Gate juist? Niet te laat? Niet kwijtspelen. Niet panikeren. Luchthavens zijn eigenlijk gigantische middelbare scholen voor volwassenen. Overal mensen die doen alsof ze exact weten wat ze aan het doen zijn, terwijl de helft stiekem ook maar gewoon bordjes volgt en hoopt dat iemand “final call” niet met hun naam combineert. Een maat van mij — laat ons hem Dieter noemen, een naam van een echte dertiger — heeft een grondige hekel aan vliegen. “Brakke zetels, te dicht op elkaar, te veel kinderen die aan staan, onnozele films, eten dat smaakt naar karton en daar hangt altijd een geur van fastfood en nog niet gewassen zweet,” zegt hij dan. En dan komt steevast het punt waarop hij luid uitroept: “En ge moogt daar niet roken!” En dan weet ik het weer. Dieter is geen dertiger. Dieter is een blanke midlifer with an attitude. Een man die geboren is om kwaad te zijn op luchthavenbroodjes van twaalf euro en boardingprocedures. Soit. Ik probeer mij niet te laten meeslepen door Dieters tirade en ook niet door het kerktorenmeisje in mij dat bij grote mensenmassa’s spontaan heimwee krijgt naar een boterham met préparé in een vertrouwde keuken. Ik geef Katy D het heft in handen. Katy D is de versie van mezelf die zonder verpinken “window or aisle?” beantwoordt. Gulzig. Vrolijk. Zelfverzekerd. Check-in? Check. Gate? Check. Taxfree? Why not. En voor ik het weet zit ik op het vliegtuig met The Beautiful South in mijn oren, een liedje dat zingt over schone ogen en rimpels vol betekenis. Daarna stuur ik nog snel een laatste boodschap naar mijn geliefden. Zo één die half grap is en half testament. “Weet dat ik u graag zag. En als ik neerstort: geen koffiekoeken op mijn begrafenis. Pannenkoeken en préparé. En uiteraard Als Ze Lacht van Yevgueni.” Dat is het rare aan vliegen. Ineens wordt ge een beetje dramatisch. Alsof ge elk moment in een documentaire van National Geographic over menselijke kwetsbaarheid kunt belanden. Terwijl ge eigenlijk gewoon onderweg zijt naar gate B14 met een veel te dure fles water. Ik mag in het midden zitten. Dat is de sociale huurwoning van het vliegtuig. Langs de ene kant een man die precies al sinds Kinshasa onderweg is. Moe en waardig. Alsof hij ondertussen al drie continenten en twee existentiële crisissen heeft overleefd. Aan de andere kant een meisje met een iPad. Ze kijkt een Aziatische film met ondertitels die eruitzien alsof iemand per ongeluk een sudoku over het scherm heeft gegooid. Geen van ons spreekt met elkaar. Maar in mijn hoofd worden wij vrienden. Ik denk dan: straks delen wij hier emoties, levenslessen en misschien een zak paprika chips. Terwijl ge in werkelijkheid drie uur zwijgend naast elkaar zit te ademen als kamerplanten met handbagage. Maar toch vind ik dat schoon aan vliegen. Dat ge even dicht tegen andere levens zit geplooid. Mensen die ergens vandaan komen en ergens naartoe gaan. Mensen die iemand gaan missen of net proberen vergeten. Mensen die onderweg zijn naar werk, liefde, verdriet of gewoon zeven dagen all inclusive en sangria uit nen dispenser. En ik? Ik ben onderweg naar Madrid. Een beetje bang. Een beetje blij. Met Katy D aan het stuur en dat meisje van onder de kerktoren nog altijd ergens in de handbagage. Wanneer het vliegtuig landt, knik ik nog even naar mijn tijdelijke medereizigers. Alsof wij samen iets hebben meegemaakt wat niemand ooit nog gaat kunnen uitleggen. De man uit Kinshasa. Het meisje met de iPad. De zwijgende gemeenschap van stoel 14 A tot C. Ik zet mijn gsm terug aan en stuur een berichtje naar huis: “Geland. De préparé zal nog niet voor direct zijn.”

Katrien Daniels
27 3

Messias

“Wil er iemand mijn messias zijn?”, zingt Bart Peeters. En vroeger dacht ik: ja. Absoluut. Liefst eentje met brede schouders, emotionele intelligentie en een goed hemd. Maar ouder worden is beseffen dat ge eigenlijk helemaal geen Messias wilt. Ik hoef niet gered te worden. Echt niet. Ik kan zelf rijden. Zelf een kast van de Ikea in elkaar vloeken. Zelf mijn belastingen te laat indienen. Zelf huilen in de Colruyt tussen de ravioli en de kattenbrokken. Dat lukt allemaal prima. Nee, wat ik wil, is een Messias, maar dan anders. Geen heilbrenger. Eerder een "Matthias". Of een Jan. Of een Piet. Iemand waarvan ge denkt: ah ja… misschien gij. Iemand die komt, die blijft en misschien veel te luid ademt in zijn slaap. Dat wachten op mijn “Matthias” houdt een mens gaande. Het voedt mijn innerlijke pelgrim. Dat deel in mij met versleten wandelschoenen en veel te veel geloof in wegwijzers. Zo iemand die altijd denkt dat er achter de volgende bocht misschien iets groots wacht. Of iemand. Die "Matthias" zorgt ervoor dat ge plots terug goeie onderbroeken aandoet “voor het geval dat”. Dat ge een berichtje krijgt en direct rechter gaat zitten. Dat ge op de trein een boek leest alsof iemand misschien onder de indruk gaat zijn van uw intellectuele diepgang, en niet van het feit dat ge al drie haltes aan een stuk met een chipke aan uw trui hangt. Ik heb daar ooit over geleerd, in een les geloof en maatschappij. Zo’n vak dat ergens zweefde tussen godsdienst, levensvragen en leerkrachten met sandalen. We leerden over rituelen, over religies, over mensen die hun hele leven bouwen rond iets wat ze nooit echt gezien hebben, maar waar ze toch rotsvast in blijven geloven. En daar zat dat idee van de Messias in. Vooral binnen het Jodendom: het geloof dat er ooit iemand zal komen die alles anders maakt. Niet vandaag. Misschien morgen. Misschien binnen honderd jaar. Maar ooit. En hoe langer ik daar nu over nadenk, hoe meer ik besef dat dat eigenlijk geniaal gevonden is. Een geloof dat blijft bestaan bij gratie van het wachten. Van het onderweg zijn. Van de hoop die zichzelf altijd nét ver genoeg vooruit schuift om te blijven leven. Want eens hij arriveert, is het verhaal eigenlijk gedaan. Misschien bouwen we allemaal kleine privéreligies rond mensen die nog moeten komen. En soms komen ze ook effectief.. maar blijken het  foute generale repetities te zijn. Zoals Dirk bijvoorbeeld. Die ontplofte bij een verkeerde opmerking, alsof ik per ongeluk een nucleaire code had ingetoetst in plaats van te vragen of hij de vuilbak buiten wilde zetten. En toch dacht ik dan: maar hij weet tenminste wat hij voelt en hij kan dat authentiek uitdrukken. Peter dan weer. Zo’n man met een agenda waar ge moe van wordt. Etentjes. Projecten. Mensen die hem “een vrije geest” noemen, terwijl hij eigenlijk gewoon niet kan kiezen. En ik hing daaraan gelijk een toerist aan een trein die al vertrokken is. En dan die derde soort. De mannen met een “ooit”. Ooit gaan we eens echt tijd maken. Ooit komt het goed. Ooit gij en ik. “Ooit” is eigenlijk het kleinste vakantiehuisje van de hoop. Ge kunt daar niet wonen, maar ge blijft wel teruggaan. En toch denk ik niet dat ik echt wacht op een man. Ik wacht op beweging. Op het gevoel dat het verhaal nog niet af is. Dat er nog iemand op een perron kan staan. Dat er nog een bericht kan komen waardoor ge plots uw haar wast op een woensdag. Want stel u voor dat de puzzel klopt. Dat hij er écht is. Een man die blijft. Die koffie brengt. Die zegt: “ik ben onderweg”, en dan effectief aanbelt. Die samen met u naar de wekelijkse markt gaat en discussieert over tomaten alsof dat normaal gedrag is. Dan gebeurt misschien het ergste van allemaal. Dan wordt die innerlijke pelgrim plots een vrouw met een klantenkaart van Aveve en geplande weekends in een bungalowpark. Met grind voor de deur. Een mapje met wandelroutes. Een barbecue om zes uur. En etentjes met bevriende koppels. Help. Want wat als ik daar zit, met lasagne in de oven en iemand die mij echt graag ziet, en ik plots niks meer heb om naar uit te kijken? Maar misschien begrijp ik het verkeerd. Misschien is wachten niet hetzelfde als missen. Misschien gaat het niet over gered worden. Misschien gaat het gewoon over geloven dat er nog iets onderweg is naar u. Een Matthias. Of een Jan. Of een Piet. Niet om mij compleet te maken. Maar om mij zachtjes te laten landen en te zeggen: het is goed zo.

Katrien Daniels
44 3

Nieuwe verhalen van vroeger

“Ga je erover schrijven?”, vroeg ze. “Ik weet het niet”, zei ik. Wat schrijf je over een familiereünie, zoals mijn nicht me vroeg. De verhalen die verteld werden? Toch was er iets. Het was een tante die het quasi achteloos zei. Het voelde ongeveer zoals een verrassingsfeest, waarbij de genodigden verstopt zitten en plots tevoorschijn komen. Ik zag het niet aankomen. “Ge lacht helemaal zoals uw vader”, zei ze. Ik weet eerlijk gezegd niet meer wat ik heb geantwoord, maar wel dat ik er even later over nadacht. Hoe lachte hij alweer? Zoals ik dus. Maar hoe is dat? Mensen nemen soms stemmen op, om later te horen hoe de stem van hun geliefde klonk. Dat snap ik. Voortaan kan ik dus lachen zoals vader. Het gaat vanzelf. We hadden voor placemats gezorgd, met daarop een foto van de stamvaders en -moeders. Alle acht met een voorzichtige glimlach op hun gezicht. Het moet een foto van eind jaren '60 geweest zijn. Ik was er toen nog niet. Wie heeft de foto genomen? Wat zeiden ze tegen elkaar, alvorens de fotograaf de knop indrukte? Besliste iemand waar ze moesten staan? Gingen ze achteraf terug aan het werk? Of was het op een zondag? Het zijn vragen waar we de antwoorden niet van weten. Wat ik wel weet, is dat in elk kind of kleinkind een ander familieverhaal schuilt. Iemand vertelde dat grootvader haar nog van school kwam halen. Bij mij was hij al enkele jaren ouder. Dat deed hij toen niet meer. Ze vertelde ook dat ze als kind wegens omstandigheden enkele weken bij ons had gewoond. Ik heb het nooit geweten, wegens nog te klein. Daarom luister ik graag naar die verhalen. Het zijn nieuwe verhalen van vroeger. Ik vind ze soms beter dan de oude verhalen van nu.    

Rudi Lavreysen
10 0

Bevriende koppels

Bevriende Koppels zijn een natuurfenomeen. Je zou er een documentaire over kunnen maken. Met zo’n rustige stem eroverheen. Hier zien we het koppel in zijn natuurlijke habitat. Let op hoe ze zich groeperen. Altijd in even aantallen. Nooit alleen. Ze spreken ook in een eigen taal. Een soort dialect van het samenleven. Zinnen eindigen steevast op “met bevriende koppels”. Alsof dat de soortaanduiding is. “Wij gaan eten met bevriende koppels.” “Wij doen een weekendje Ardennen met bevriende koppels.” “Wij doen eens iets met de vrouwen… van bevriende koppels.” Ik stel me voor dat daar ergens een draaiboek voor bestaat. Met hoofdstukken. De oprit en zijn klinkers. De juiste school kiezen zonder jezelf te verliezen. Het kookeiland als moreel kompas. Koppels hebben namelijk kookeilanden. En schuiven. Minstens drie. In de derde schuif zit iets dat nooit op dinsdag gebruikt wordt, maar waar wel afspraken over bestaan. De single komt in die wereld voor als een tijdelijke afwijking. Een zeldzame vogel die per ongeluk in beeld vliegt. Interessant, maar storend voor de compositie. Want koppels denken in tafels van vier. Of zes. Of acht. Maar altijd deelbaar door twee. Een single als ik is wiskundig gezien een probleem. Een rest met een komma. Ze nodigen mij soms uit. Dat wel. “Kom anders eens mee, dat is gezellig.” En dat is het ook. Tot de ober vraagt: “De rekening apart of samen?” en iedereen heel vanzelfsprekend naar elkaar kijkt en ik daar zit als een losgekomen vork.   Tafelschikking is een wetenschap. Sofie naast Tom, want die kunnen praten over hun zonnepanelen. Ellen naast Koen, want die hebben ook een jongste in het derde leerjaar. En dan ik. “Zet Katrien misschien naast Marc?” Marc knikt. Marc is sociaal. Marc vangt singles op zoals de vestiaire jassen opvangt. Er worden namen gezegd alsof het personages zijn uit een reeks waar ik één aflevering van gemist heb. “Bij Liesbeth en Pieter is dat ook zo.” “Nee, maar echt, bij An en Frederik hebben ze dat opgelost met een extra kast.” En ik knik. Ik knik altijd. Alsof ik het begrijp. Alsof ik ook een derde schuif heb. Het gaat over de aannemer van de klinkers van de oprit. Altijd die oprit. Alsof geluk begint bij rechte lijnen in steen. “Die van ons, Kevin, die was echt nog betaalbaar.” Kevin. Natuurlijk heet hij Kevin. Kevin legt niet alleen klinkers, Kevin legt ook fundamenten voor gesprekken. En dan, ergens tussen hoofdgerecht en dessert, wordt het een beetje pikant. Niet te veel. Net genoeg. “Ja, en Marc, die heeft er dan toch ne knoop in gelegd.” Gelach. Blikken. Iemand die zegt: “Amai.” Iemand die zegt: “Allê Marc, gij durft.” En Marc lacht zoals mannen lachen wanneer ze weten dat ze nog net binnen de veilige zone zitten. Ik kijk. Ik observeer. Ik maak notities in mijn hoofd. Dit is materiaal. Dit is goud. Dit is een soort volkskunde met wijn. En dan ga ik naar huis. Alleen. Zonder tafelschikking. Zonder derde schuif. Met mijn sleutels in mijn jaszak en niemand die vraagt of ik ze al gevonden heb. Bevriende koppels, zeggen de statistieken, zijn een uitstervend ras. En toch. Ze blijven bestaan. Als hoeksteen van de maatschappij. En van grillrestaurants. Voor tafels groter dan acht. Voor opritten die gelegd moeten worden. Voor gesprekken die alleen werken als iemand zegt: “Wij”. Misschien moeten we ze beschermen. In reservaten. Met voldoende parkeergelegenheid en een degelijke aannemer in de buurt. Met een kookeiland in elke habitat en een derde schuif per koppel. En ergens, aan de rand van dat reservaat, sta ik te kijken. Te denken dat ik misschien ooit één van hen zal worden. En dat ik dan, op een dag, een zin zal zeggen die eindigt op  “met bevriende koppels”. Ik weet alvast genoeg over klinkers en opritten om te kunnen meepraten.

Katrien Daniels
55 2

De zachte dood en de harde rails, tussen infuus en spoor

Het was een van die avonden waarop mijn rijhuis in Heist aan Zee stil genoeg was om de golven in de verte te horen rollen. Ik, Stefan, treinbegeleider sinds een 1  jaar, zat aan de keukentafel met een glas alcoholvrij bier dat ik nauwelijks aanraakte, en keek naar de muur waar nog steeds de oude kalender hing van mijn tijd als thuisverpleger. De data waren allang verlopen, maar de herinneringen niet. Buiten viel de regen zachtjes tegen de smalle gevel, vermengd met de zoute wind die vanaf de duinen kwam aanwaaien, zoals altijd in deze rij van bakstenen huizen die allemaal op elkaar leken en toch elk hun eigen stilte droegen. De zee was dichtbij, je hoorde haar ’s nachts ademen, een laag, constant geruis dat nooit helemaal zweeg, alsof ze de doden die ik had gezien nog steeds meevoerde in haar ritme. Binnenin mij hing dezelfde melancholie die me al jaren vergezelde. Niet de scherpe pijn van woede, niet de koude kilte van oordeel, alleen een diep, drukkend gevoel om hoe dezelfde dood twee totaal verschillende gezichten kan hebben. Euthanasie toen, zelfdoding nu. Zelfde resultaat: een mens die ophoudt te ademen. Maar de weg ernaartoe, de manier waarop, de echo die het achterlaat – dat is een wereld van verschil. Maatschappelijk en menselijk. Vroeger, als thuisverpleger in de straten van knokke en de omliggende dorpen, was euthanasie iets wat ik leerde kennen als een ritueel dat bijna beschaafd was geworden. België had het geregeld, met wetten en commissies en papieren die alles in goede banen leidden. Mensen belden me niet in paniek, maar met een soort rustige vastberadenheid. “Stefan, het is tijd.” Dan reed ik naar een huis in de Dumortierlaan of de Lippenslaan waar de geur van verse koffie al in de gang hing en de familie in de woonkamer zat alsof ze een verjaardag vierden die niemand wilde vieren. Zo herinner ik mij een man van achtenzeventig met pancreaskanker, zijn lichaam uitgeput maar zijn geest nog helder. Hij had zijn testament getekend, zijn kleinkinderen nog één keer geknuffeld, en nu lag hij in zijn eigen bed, met schone lakens en een foto van zijn overleden vrouw op het nachtkastje. De huisarts kwam, de tweede arts voor de controle, en ik bereidde de spuiten voor. Er was geen haast, geen drama. Er was een gesprek. “Ik kies dit,” zei hij, en iedereen knikte, met tranen maar zonder verwijt. De injectie ging traag, de ademhaling werd rustiger, en dan was het voorbij. Geen bloed, geen ravage. Alleen een lichaam dat er vredig uitzag, alsof het eindelijk mocht rusten. De familie bleef zitten, dronk nog een kop koffie, praatte over hoe hij altijd had gehouden van de zee. Daarna belde ik de begrafenisondernemer. Het was netjes. Het was humaan. Westerse waarden, noemden ze het: autonomie tot het bittere einde. De samenleving had besloten dat dit een recht was, geen zonde. En de naasten gingen naar huis met een afgerond verhaal. Ze konden zeggen: “Hij heeft het zelf beslist. We waren erbij.” Geen gapend gat van onwetendheid, geen schuld die als een steen op hun borst lag. Rouw, ja, maar een rouw met contouren, met een begin en een einde dat ze zelf hadden meegekleurd. Ik herinner me een vrouw in heist aan zee, begin zestig, met een neurodegeneratieve ziekte die haar langzaam had opgeslokt. Ze kon nog praten, nog lachen om een mop over de burgemeester van Knokke die de lapnaam Pietje Poep had, maar haar lichaam was een gevangenis geworden. Haar man zat naast haar, hield haar hand vast terwijl ik de medicijnen klaarmaakte. “Dank je, Stefan,” zei ze tegen mij, en tegen hem: “Ik hou van je, tot in de volgende wereld.” De spuit ging in, haar ogen vielen dicht met een zucht van opluchting, en de kamer vulde zich met een stilte die bijna heilig aanvoelde. Geen treinbestuurder die schreeuwde in zijn cabine, geen passagiers die mopperden over vertraging. Alleen een dood die paste in het leven, die de familie een laatste moment van waardigheid gaf. Maatschappelijk was het geaccepteerd, bijna gevierd als vooruitgang. Kranten schreven erover als compassie, artsen spraken erover op congressen, en ik naar huis met het gevoel dat ik iets had bijgedragen aan een zachte uitweg. De naasten droegen het mee als een erfenis, niet als een wond die nooit heelde. Ze konden rouwen zonder de eeuwige vraag: “Had ik het kunnen voorkomen?” Want het was niet voorkomen, het was gekozen. Met getuigen, met handtekeningen, met liefde die nog op tijd was. Nu, als treinbegeleider, is het anders. Heel anders. Zelfdoding – het woord alleen al voelt ruw in de mond, alsof het niet thuishoort in een beschaafde zin. Het komt niet met een telefoontje en een afspraak. Het komt plots, als een klap op een dinsdagochtend wanneer de centrale belt: “Incident op het spoor, chef.” En dan weet ik het. Iemand heeft gekozen voor de rails. Niet met een infuus en een arts, maar met een sprong in het niets, een lichaam dat wordt verscheurd door metaal en snelheid. Hetzelfde resultaat: leven dat stopt. Maar de modus operandi is een breuk met alles wat netjes is. Geen schone lakens, geen familie aan het bed. Alleen bloed op het ballastbed, stukken die de hulpdiensten in zakken stoppen, en een treinestuurder die daarna maanden niet slaapt.  Een jonge vader uit Brugge, net gescheiden, die bij Lichtervelde op de sporen sprong. Geen briefje, geen waarschuwing voor zijn kinderen. Alleen een tas met een portemonnee en een sleutelbos die later aan de politie werd gegeven. De trein staat stil, de treinbegeleider loopt door de rijtuigen met uitleg en excuses, terwijl binnenin hem de melancholie en weemoed opwelde als de regen buiten. En de familie, die kreeg later het nieuws via een politieman die aan de deur belde. Geen afscheid, geen hand die ze vasthielden. Alleen een lichaam dat niet te herkennen was, en de vraag die hen zou achtervolgen tot in hun dromen: “Waarom heb je niet gebeld? Waarom heb je dit gedaan? waarom heb je.....?”  De maatschappij kijkt anders naar zelfdoding. Het is geen recht, het is een falen. Geen wet die het omarmt, geen commissie die het goedkeurt. Het is taboe, het is statistiek in een rapport, het is iets waarover we spreken met zachte stemmen en preventieposters op stations. Oja en dat verdomde nummer van de zelfmoordlijn als het nieuws op VTM uitvergroot triestig wordt gebracht. Maar het gebeurt. 3 keer per week. En het laat sporen na die euthanasie nooit nalaat. De naasten dragen niet alleen rouw, ze dragen schuldgevoel. Een gevoel die de samenleving hen onbewust tracht uit het hoofd te praten: “hij was altijd al een stille, het is juist van dat soort dat ge moet opletten....” Geen laatste woorden, geen “ik kies dit”. Alleen een leegte die schreeuwt. Geen koffie met de familie, geen speeches op de begrafenis over een moedige keuze. Alleen een graf dat te vroeg was gedolven, en kinderen die opgroeiden zonder een vader die nog eens gedag had gezegd. Voor de treinbestuurder was het een trauma dat in de rails bleef liggen, zichtbaar en voelbaar. Ik zit hier in mijn rijhuis in Heist aan Zee, en denk aan het verschil dat zo klein lijkt en toch alles verandert. Zelfde einde: stilte in een borstkas. Maar euthanasie is een gesprek dat eindigt in vrede. Het is voorbereid, het is getuigd, het is maatschappelijk goedgekeurd als een laatste vrijheid. De patiënt beslist, de verpleger helpt, de naasten nemen afscheid met een kus en een bedankje. Ze gaan naar huis met een verhaal dat ze kunnen vertellen: “We hebben hem laten gaan zoals hij wilde.” Rouw met een kader, met foto’s die nog lachen, met een uitvaart waar iedereen zegt dat het mooi was. Zelfdoding op het spoor – of waar dan ook, maar voor mij altijd op die rails – is een explosie zonder publiek. Het is een schreeuw in het donker, een dood die niemand ziet aankomen behalve de bestuurder en de kraaien die later komen. De naasten krijgen geen handdruk, geen “dank je”. Ze krijgen een telefoontje, een identificatie in een koud mortuarium, en daarna de nachten vol “wat als”. Wat als ik beter had geluisterd? Wat als ik die avond was gebleven? Maatschappelijk is het geen triomf van autonomie, het is een symptoom van een samenleving die faalt. We hebben euthanasie getemd tot een medische procedure, maar zelfdoding blijft wild, oncontroleerbaar, en het scheurt de levenden in stukken. Ik vind dat dit anders mag, maar hoe: ik heb geen flauw gedacht. Toch denk ik dat het slachtoffer liever een autonome trein zou nemen als middel dan het leven van een treinbestuurder te hypothekeren.  Soms, in dit rijhuis en de kleine achtertuin die uitkijkt op de buren en verderop de duinen, typ ik ’s avonds op de oude computer wat zinnen die niemand ooit zal lezen. Over hoe ik van thuisverpleger naar treinbegeleider ben gegaan, en toch dezelfde dood blijf tegenkomen. De ene dood is een zachte hand die je begeleidt naar de deur. De andere is een trein die je meesleurt. Bij euthanasie blijft er ruimte voor liefde, voor woorden, voor een laatste blik die zegt: het is goed zo. Bij zelfdoding blijft er alleen de echo van de klap, de schuld die zich nestelt in de harten van moeders, vaders, kinderen. Geen commissie die het voorkomt, geen infuus dat het verzacht. Alleen de vraag die nooit beantwoord wordt, en de melancholie die blijft hangen als de regen op het dak van dit rijhuis, vermengd met het zout van de Noordzee die nooit ophoudt met fluisteren. Ik sta op, loop naar het raam en kijk naar de straat. De buren hebben hun lichten al uit, de rijhuizen staan in het donker als stille getuigen van al die levens die hier aan zee beginnen en soms te vroeg eindigen. De wind rukt aan de luiken, de golven rollen verderop over het strand, en ik denk na. Aan de patiënt die ik had verpleegd, een leraar, die zei: “Ik wil niet dat men mij zo herinnert me in mijn huidige situatie.” Zijn vrouw had hem gekust, de dokter de dosis gegeven, en de kamer was gevuld met een vreemde rust. De begrafenis was mooi, met bloemen en speeches. De kinderen spraken over papa’s keuze. Ze droegen het als een erfenis, niet als een wond. Euthanasie is een gesprek, een handdruk, een einde met getuigen. Zelfdoding is een schreeuw in het niets, een einde zonder publiek, een last voor iedereen die achterblijft. De zee ademt door, hier in Heist aan Zee. Ik drink mijn kop koffie leeg, niet omdat ik dorst heb, maar omdat de avond dat vraagt. En ik denk: misschien is dat het diepste verdriet. Dat we de dood hebben proberen te temmen met wetten en spuiten, maar dat hij zich toch altijd weer losrukt op de meest brute plekken. Voor de patiënt maakt het niet meer uit. Voor ons, de levenden, maakt het alles uit. De euthanasie laat een stille kamer achter. De zelfdoding laat een gebroken trein achter, en families die nooit meer heel worden. Misschien dat  VTM analisten zoals FAROUK NO-GUINNESS en tafelspringers van de TAFEL VAN GERT het debat dat niemand wil voeren, toch eens wil aanraken…. Dit is het verschil dat ik draag, hier in mijn rijhuis aan zee, tussen twee levens die ik heb geleid. Als verpleger gaf ik een zachte uitweg. Als treinbegeleider kijk ik op tegen de brokstukken. En de melancholie? Die blijft. Als de regen die nooit helemaal ophoudt, als de wind die het zout meevoert, en de golven die altijd verder gaan, ongeacht wie erin verdwijnt.  

treinbegeleider stefan
6 0