Zoeken

Terug naar de Tour van 1967

De wielerlegende in : terug naar 1967    Dit jaar zouden we in augustus afzakken naar ons geliefkoosd terrein, de Vogezencols maar toen we begin juli via het allesomvattende internetmedium een verwijzing zagen naar “ L’étape de Legende” met vertrek in Straatsburg vroegen we ons af of we niet beter wachten tot eind September om af te reizen. Inderdaad op zaterdag 22 September staan Luc en ondergetekende klaar om te vertrekken; maar deze keer zijn we met drie want onze kameraad en sportveteraan Alfred Schellens zal ook meereizen.  We pikken hem op in Katelijne en rijden omstreeks 10.30h richting Straatsburg. Om de trip zo efficiënt mogelijk te laten verlopen had Dina, de echtgenote van Luc broodjes klaargemaakt, die we op een parking in Luxemburg verorberen. Terwijl we de sandwiches opeten op de houten zitbank in een brandende zon krijgen we het gevoel dat we te midden een zomerse vakantiesfeer vertoeven; maar we moeten wel richting Straatsburg waar we onze inschrijving moeten bevestigen via een fysieke verschijning aldaar, om uiteindelijk te kunnen starten in een competitiewedstrijd over 210 km met aankomst op de top van de mythische Ballon d’Alsace; een rit meer dan een Touretappe waardig want het is een replica van een befaamde rit uit 1967 over 10 cols.  We komen aan in een mooi park, vlakbij het centrum van Straatsburg waar een rennersdorp naar het model van de Tour werd opgebouwd, want tenslotte is het diezelfde ASO, die de TOUR telkens in de maand juli organiseert. Fred bewaakt als begeleider onze fietsen terwijl wij ons aanmelden en meteen een enveloppe met rugnummer, enkelband en fietsplaat meekrijgen. De enkelband wordt elektronisch getest aan de volgende stand, waar een ouder Belgisch echtpaar ons toespreekt. Maar naast twee t-shirts met het wedstrijdlogo erop ontvangen we nog een tas die moet herinneren aan deze eerste editie. Daarna verlaten we Straatsburg om af te zakken naar het hotel waar we twee nachten zullen verblijven. Aangekomen in Rosheim maken we kennis met “Hostellerie du Rosenmeer”, een hotelcomplex met bijbehorend luxerestaurant, dat vlakbij de Elzasser wijnroute ligt. De artisanale keuken bewijst zich niet alleen door de grote keukenzaal die wij bemerken als we langs de achterkant het hotel binnengaan maar ook door de grote voorraad aan voedingsmiddelen die opgeslagen liggen in de kelders van hotel met inbegrip van circa 5 ton aardappelen van alle formaten en soorten. Vooraleer het “laatste avondmaal” te nuttigen verkennen we met de auto de eerste beklimming op het parcours, m.n. de “Col du Kreuzweg”. De beklimming is  14  kilometers lang , niet zo steil wat wel het geval is voor de afdaling. We maken rechtsomkeer vooraleer we terug in het dal zijn want tenslotte willen we nog een stevige maaltijd nemen na deze toch vermoeiende dag. Als Spartaans geïnspireerde schepsels nemen we het standaardmenu van de hotelgasten terwijl het aanpalende restaurant goed is volgelopen met chique volk. Wij zitten tussen een aantal gepensioneerde Franse hotelbezoekers en genieten van een lekker voorgerecht met vis. De sfeer zit er goed in aan tafel want het lijkt wel hoogzomer daar in de Elzas. Het is zo warm binnen dat we na de maaltijd nog een frisse neus halen op het aanpalend terras, waar we op een bank tussen de tuinverlichting mijmeren over wat komen gaat. Zo maken we een prognose voor onze rit van zondag met aankomst op de Vogezentop waar Merckx in 1969 reeds schitterde. We proberen de sportprestaties, die we als jonge veteranen nog aankunnen in te schatten. Onze opinie was dat we blij mogen zijn dat we de eerste test na circa 80 km overleven want de tijden werden scherp berekend. Rond elven is het hoogtijd dat we het bed induiken; Luc slaapt naast mij en Fred op een separaat bed achteraan de kamer; nadat het licht is gedoofd slapen we quasi onmiddellijk in want er wacht ons nog sportspektakel op zondag. Reeds om vijf uur gaat Luc zijn GSM af.  Wij trekken  meteen onze wieleruitrusting van onze club “WTC Berlaar” aan; terwijl Fred zich rustig klaarmaakt. Ik masseer intussen mijn oude spieren met behulp van natuurlijke massageolie. We verplaatsen ons naar het gelijkvloers waar een noodontbijt klaar staat, want het hotel is op zondag niet open en noch de eigenaars, noch het hotelpersoneel zijn aanwezig. We nemen wat brood en confituur en drinken het ananassap op wat in een glazen flesje voor ieder van ons klaar stond. Ik laat wat extra klontjes in een halve tas koffie smelten om wat extra energie op te doen. Om precies dertien minuten na zes vertrekken we met Fred aan het stuur van mijn Peugeot 607; nog 33 kilometer tot aan het vertrek geeft ons navigatiesysteem aan. Buiten is het nog pikdonker en niets laat vermoeden dat we hier straks in de buurt met de fiets voorbijkomen. Ik heb naast onze begeleider plaatsgenomen en tel elke kilometer af want het gaat trager dan verwacht vanwege een aantal stoplichten en om zeven uur klokslag is het vertrek voorzien. Fred maakt hier zijn reputatie als ervaren gids waar want hij weet op circa 100 meter van de startlijn nog te parkeren. Op het ogenblik dat we uitstappen horen we de speaker van dienst roepen; “encore treize minutes”. We nemen vervolgens onze fietsen van het rek en ik pomp mijn gloednieuwe rode achterbandje op tot een druk van 7 kilogram; de zenuwen gieren nu door mijn lijf want ik moet mijn drankbus nog vullen, maar precies 5 minuten voor de start sta ik samen met Luc gans achteraan in de rij van de groep met 2400 als hoogste rugnummer. De Tourorganisatie geeft meteen haar visitekaartje af want om zeven uur bij de start  heeft de donkere ochtend plaats gemaakt voor een mooie en warme ochtend. Precies drie minuten later geef ik de eerste pedaalstamp. Luc rijdt de eerste honderden meters een tiental meters voor mij uit want de straten in de Europese wijk van Straatsburg zijn breed en het peloton giert tegen hoge snelheid en breed verspreid over de baan de stad uit. Veel lokale bewoners moedigen ons reeds aan in de eerste kilometers op dit toch ongewone uur; maar het voelt goed van dit wielercircus deel te mogen uitmaken.  Ik heb mij definitief in het wiel van Luc genesteld, maar de snelheid is er zeker niet minder om. Na één uur hebben we 32 km op de teller staan; ik vraag aan Luc het tempo iets te matigen maar dat heeft weinig zin zolang we in het zog van een pelotonnetje rijden. Na circa 35 km koers stap ik snel af voor een noodplas en kruip daarna snel in het wiel van enkele achterblijvers die mij na enkele honderden meters terug in het wiel van Luc brengen. Na 37 km komen we aan een rond punt in de buurt van Andlau waar we onze begeleider verwacht hadden, maar hij is er niet en we concentreren ons op de eerste beklimming, die zodadelijk aanvangt. Eerst nog door de dorpskom van Andlau over de kleine kasseitjes, die we op zaterdag verkend hadden en dan richting top met weliswaar 13,9 kilometer klimwerk. We halen nog snelheden tussen 14 en 20 km per uur zodat we na iets meer dan 2 uur koers op de top aankomen. Van vermoeidheid heb ik geen last en ik laat mij als het ware naar beneden vallen in de afdaling, maar toch trap ik wat bij om enkele collega’s voorbij te snellen op het nieuwe asfalt; het geeft met name een goed sportgevoel om vrij als een vogel de diepte in te duiken en vooral een kick als mijn Koga tegen 70 km uur of meer over het nieuwe asfalt “vliegt”. Maar het besef dringt spoedig tot mij door dat nog veel klimwerk volgt en dat krachten sparen de boodschap is: dus laat ik mij wat uitbollen met als gevolg dat Luc gauw komt aansluiten. We rijden vervolgens richting Col de Fouchy, maar we rijden nog in het dorpje Villé, gelegen in het dal van het Vogezenmassief en dat in 1914 nog het decor was voor hevige gevechten tussen Fransen en Duitsers, maar nu het vertrekpunt naar een volgende col, deze loopt drie kilometer aan het steilere werk begint daarna met percentages tussen 6% en 7,5%. Maar zoals voorzien zijn de laatste 3 kilometer loodzwaar en Luc presteert het om toch een strak tempo aan te houden. Hij duwt met krachtige pedaalslag zijn  kroontje met 27 tanden rond. Onze snelheid is weliswaar gezakt tot 11 à 12 per uur, maar we rijden opvallend veel collega’s voorbij; op één kilometer van de top balt Luc de vuisten; hij heeft er niet alleen zin in maar bedoeld ook dat we zeker de eliminatielimiet halen bij de eerste bevoorrading. We dalen nu snel om nog 8 kilometer af te werken tot de bevoorrading, waar we hopen Fred te zien. Als we bijna beneden zijn op 2 kilometer van het voorlopige eindpunt gaat mijn mobieltje af, maar opnemen is te gevaarlijk en bel hem op als het bord ‘zone de ravitaillement’ in zicht is. Inderdaad, Fred is ter plaatse en dat is een hart onder de riem. Ik heb wel een beetje honger en probeer die te stillen na precies 3 uur en 19 minuten koers. Fred is goed gepositioneerd en vangt ons op; ik neem wat stukjes appelsien en ook twee stukjes banaan, die al wat verkleurd zijn door het warme weer.  Omdat Fred ons aanmaant niet te lang te dralen neem ik nog een reep mee in mijn achterzaak en vertrek tezamen met Luc.  Na enkele kilometers eet ik die reep gewoon op in de gedachte wat extra krachten op te doen, maar lang houdt die illusie niet staande want de reep wil opnieuw naar boven komen. Ik wil drinken van mijn gevulde bus, maar de sportdrank die met water en poeder was tot stand gekomen krijg ik niet meer naar binnen.  Plots voel ik mij bijzonder slecht; wat verderop giet ik mijn bus leeg terwijl een student mijn drankbus met publiciteit van ‘FERYN’ erop vult met leidingwater, in de hoop toch te kunnen drinken. Wat verderop heeft Luc last van krampen in zijn linkerbeen, maar we bijten door tot op de top van de Col de Ribeauvillé en dit na pas 95 km. We stoppen even om wat naar adem te happen, mijn benen doen het wel maar het lijf voelt slecht aan.  Ik herhaal tegen mezelf de boodschap van de dag tevoren, m.n. dat we het tweede eliminatiepunt absoluut willen overleven. We rijden richting Col de Fréland, die acht kilometer verder en 100 meter hoger ligt. Daar kom ik alleen boven, want ik wil niet forceren en heb Luc laten gaan; ik kan nu wat recupereren want de afdaling duurt 12 kilometer vooraleer de volgende beklimming eraan komt. Inderdaad er volgen 17 klimkilometers richting ‘Collet du Linge”; uiteindelijk moet er een hoogteverschil van circa 600 meter overbrugd worden. Ik begin eraan met enig wanhoopsgevoel maar bijt door op een constant ritme. Onderweg vult een vriendelijke Française mijn bus met flessenwater van het bekende merk Vittel en ze duwt mij nog af ook; in feite een moment waarop de oude krijger glorieert. Ik rij nu richting top van de ‘Col de Wettstein’, die eerst moet overwonnen worden om uiteindelijk het slotgedeelte richting laatste col voor de tweede bevoorrading aan te vatten.  Op één kilometer van de top zie ik bij een grote bocht tientallen collega’s stil staan na hun opgave met hun fiets in de hand; ik schep moed en rij richting top; nog circa 500 meter en ik zie de fotografen met dienst flitsen. Ik besef dat de rits van mijn truitje openstaat, maar dit is een noodzaak vandaag want het windbeschermende ondergoed is in feite te warm voor deze temperaturen.  Uiteindelijk kom ik boven met 129 km in de benen, na een voor mij moeilijk tweede gedeelte en vat de korte maar steile en gevaarlijke afdaling aan; waar we aangemaand worden de snelheid te matigen maar wanneer ik tegen 65 per uur naar beneden duik zie ik nogmaals flitsen afgaan, maar dat interesseert mij maar matig. Ik begin mij zowaar beter te voelen en een enthousiast orkest, opgesteld voor het plaatselijk dorpscafé blaast krachtige muzieknoten wanneer ik gans alleen voorbij kom, vlak na de afdaling. Nog enkele honderden meters en het tweede ijkpunt is in zicht; ik trap nu stevig door en kom slechts drie minuten na Luc aan; wat ik een hele prestatie vind gezien de omstandigheden. Aan de bevoorradingstand gekomen rij ik recht in de lens van mijn eigen digitale camera die Fred in zijn hand vast heeft. Ik wordt samen met Luc verteerd door verdeeldheid; met name of het goed voor ons geweest is of we door moeten gaan; we hebben nog 14 minuten reserve op het schema. Na overleg met Fred, die richting Ballon rijdt met de auto vertrekken we toch; Luc loopt iets harder van stapel want het constant op de tanden bijten kost extra krachten en dat laat zich nu voelen. Ik rij nog altijd door en twee derde van de koers zit erop. Graag had ik samen met Luc over de aankomststreep gereden maar dat zal moeilijk zijn want na 148,5 kilometer precies komt er een wagen van de organisatie naast mij gereden om mij te wijzen op 10 minuten reservetijd en het feit dat dit net niet voldoende zal zijn om de aankomst te halen tijdens het wedstrijdgedeelte. Ik besluit uit koers te stappen want ofschoon de benen niet kapot zijn is het lijf dat wel, wat niet verwonderlijk is met reeds 65 klimkilometers in de benen en met de zwaarste beklimming van de dag, m.n. de ‘Col de Platzerwasel’ nog in het vizier zou het misschien een Col teveel kunnen worden. Mijn ‘responder’ wordt afgenomen en mijn fiets in de aanstormende vrachtwagen geladen, terwijl ikzelf plaats neem in de bus met opgevers.  Amper twee kilometer verder zie ik mijn maat zoals verwacht terug. Luc heeft, zijn mentaliteit eigen het beste van zichzelf gegeven ondanks spierkramp en een weerbarstige linkerknie maar stapt zelfvoldaan en goedlachs de bus op; we zijn tevreden dat de inspanning erop zit voor ons na meer dan zeven uur fietsen. De bus recupereert nu hordes opgevers en er wordt langdurig halt gehouden bij de derde bevoorrading in ‘la Bresse’. Daarna zou de bus doorrijden tot op de top van de ‘Ballon d’Alsace’. Maar dat laatste lukt niet want de bus mag om veiligheidsredenen niet op de berg. Noodgedwongen maakt de bus een ommetje van circa 80 kilometer, maar dat loopt slecht af want er is onderweg file maar ook de beklimming is steil na het bekende dorpje MASEVEAUX zodat wij pas na 19.00h s’avonds arriveren. We zijn dolblij onze Peugeot langs de kant van de weg te zien staan,want Fred had de aankomst van de laatste overlevenden meegemaakt en voor ons zelfs twee maaltijdpakketten opgepikt, alsook één voor hemzelf. Fred is namelijk een soldaat van vele oorlogen en zowel in de sport als het volkse leven heeft hij zijn strepen verdiend en die sociale vaardigheden komen hem hier van pas. Na onze fietsen gerecupereerd te hebben voert Fred ons richting hotel in Rosheim, maar dit zal nog twee uur in beslag nemen want onze boordcomputer wijst nog 153 km te gaan aan en in die omgeving loopt het verkeer so wie so traag. Goed dat we ook nu het hotel gereserveerd hadden want het is erg laat vooraleer we na een warm badje in ons bed terechtkomen. De sfeer zit er ook nu goed in want we hebben het stokbrood met beleg verorbert, wat blijkbaar de recuperatie bevorderd heeft. Ook s ’anderendaags zet het herstel zich verder; het is dan maandag en één dag na de eerste ‘ETAPE DE LEGENDE‘ ooit. We zetten ons neer in het restaurant en schuiven aan langs het buffet om zo wat extra calorieën op te slaan. Inmiddels schotelt de bazin van het hotel ons een volle pagina voor uit de regionale krant terwijl ze vraagt hoe het met ons is afgelopen. We lezen een verklaring van wielerlegende  Laurent Jalabert, die ook deelnam als voorbereiding op zijn triatlonavonturen en betrokkene was verrast door het loodzware parcours.  We voelen ons nu geestelijk en fysiek heel goed en tevreden dat we in een fantastisch sfeer dit wielerevenement hebben mogen meemaken. We genieten van een heerlijk ochtendbuffet terwijl we rustig de gebeurtenissen van zondag overlopen. Van maagproblemen of stramme spieren is geen sprake meer en ik zet mij een uurtje later zelf aan het stuur om Fred in Luxemburg tot bij zijn werkgever te brengen. Het bekende tweetal zakt nu af richting Vlaanderen, waar we in de wintermaanden de basis zullen leggen voor een nieuw wieleravontuur.     Lambrechts Eduard Lier, 14 Oktober 2007 Copyright GCV Lambrechts

Eduard Lambrechts
1 0

Vitaminen voor klimtalent

Vitaminen voor klimtalent (het jaar 2005)    We waren naar de Vogezen gekomen om de Ballon d’Alsace te beklimmen, want namen trekken nu éénmaal aan, maar omdat ons hotel in Le Tholy gelegen was (ongeveer 13 km van Gérardmer) zagen we af van een tocht die meer dan 160 km zou duren. Dan maar overgestapt op tochten die we vooraf hadden uitgestippeld, met vertrek vanuit ons minikuuroord, vlakbij de Col de Bonne Fontaine. Op zondag 29 Mei omstreeks 10.15h met een schitterende zon aan de hemel draaien we dan richting Gérardmer; eerst drie kilometer afdaling en dan gedurende 10 km lichtjes bergop tot aan het meer. Vervolgens rijden we langs het meer heen richting Bas-Rupts. Het is de bedoeling de D486 te volgen tot in La Bresse. De eerste echte klimkilometers komen er nu aan en zoals altijd zet Luc zich op kop want hij weegt toch lichter dan ikzelf. Na circa drie kilometer komen we boven op de Col du Haut de la Côte, de voorloper van de Col de Grosse Pierre, die we aanvatten na een korte afdaling (eerste col in de zware Vogezenrit van 10 juli dit jaar). Deze col is al wat zwaarder met een maximumstijgingspercentage van 7%. Na enkele kiekjes genomen te hebben boven op de top, vatten we op een mooie weg de afdaling aan richting la Bresse. Ik probeer nog in het spoor te blijven van enkele motorrijders, maar tevergeefs. We hebben er circa 30 km opzitten en de klok staat bijna op 12.00h en we besluiten een noodzakelijke bevoorrading te organiseren in het centrum van la Bresse. Terwijl de marktkramers zich opmaken voor de terugtocht zetten wij ons neer op een terras van een koffiehuis. We besluiten beide een pannenkoek met suiker te eten. Mijn neef Luc drinkt Perrier terwijl ikzelf thee bestel aan de waardin en eigenares op leeftijd. Na enkele minuten komt de dochter met gedurfd topje ons bedienen en wij genieten van de zonnestralen, ofschoon de heuvels in de verte al een schakering vertonen. Na een kwartier vragen we de echtgenoot van de waardin om uitleg want hoewel we zelf een gedetailleerde kaart bij ons hebben op A4-formaat is het niet duidelijk hoe we de Col de Bramont moeten bereiken. We draaien omheen het grote ronde punt links van het koffiehuis en volgen een vijftal kilometer de D34 en zien zoals voorspeld door de waard het bordje met de naam van de col erop. We draaien nu rechts richting Col de Bramont en na drie moeilijke kilometers bereiken we de top van de Col die ook in juli de renners moeten torsen. Bijna op de top roept Luc mij toe “het regent verdomme” en inderdaad enkele druppels komen neergestreken en vooraleer de afdaling in te kunnen zetten barst er een onweer los en zetten we onze fietsen tegen een hele grote eik. Beiden hebben we een rugzakje mee, waarvan we ons ontdoen om ons regenvestje te kunnen nemen. Er is nu een hels onweer losgebarsten met bliksem en donder als mokerslagen. Een wandelend Frans koppel probeert ons moreel op te krikken door een foto te nemen van ons beiden voor het bord met de naam van de col erop en de hoogte die 956 meter bedraagt. Na bijna een uur wachten onder de immens grote bomen brengt een fietsende Koreaan ons een blijde boodschap. Hij komt langs de andere kant de col opgereden en wijst ons in  het engels erop dat het niet regent in het dal. Hij kraamt nu enkele engelse slagzinnen uit waaruit we begrijpen dat hij met éénzelfde fiets rijdt dan het CSC-team waarvan Yvan Basso de kopman is voor de Tour. We trekken ons niets meer aan van de enkele druppels die nog uit de lucht vallen en vatten voorzichtig de afdaling aan en wonder bij wonder, na slechts 300 meter is het wegdek kurkdroog. In razende vaart vervolgen we onze weg op de D13 richting Wildenstein. We zijn net 8,5 kilometer terug op de fiets en nadat we het enige dorpscafé voorbij zijn breekt een hels onweer los, schijnbaar nog erger dan wat we net onder de bomen getrotseerd hadden. We knijpen wel de remmen dicht maar vinden niet direct een schuilplaats. We staan nu beiden onder een veel te kleine boom en dreigen nat te worden. Ik loop naar een aanpalend huis waar ik onder een klein afdakje aanbel en na enige aarzeling een slecht geschoren Fransman opendoet. Hij geeft te kennen dat we onder het afdak van zijn niet meer in gebruik zijnde schuur kunnen schuilen. Luc haalt nu ook onze fietsen naar het afdak waar we ons wat moedeloos op het beton neerzetten. Ik trek zelf een droog T-shirt aan maar na meer dan een uur wordt ik wel nerveus want we moeten nog bijna 70 km afleggen en we worden tussen 7 en 8 s’avonds in het restaurant van het hotel verwacht voor het avondmaal. Ik stel aan Luc voor om 16.30h als deadline te stellen want we moeten toch weg uit dit niemandsland want we zien zelfs in de verte geen huis meer staan. Nog tot 16.20h hebben we de forse regen getrotseerd en zijn auto’s, moto’s en zelfs de fietsende Koreaan voor onze ogen voorbijgereden. Het regent nog wel wat maar in de richting van de afdaling, die nog niet helemaal ten einde was zien we enige opklaring en tegen beter weten in stappen we op de fiets. De eerste drie kilometer zijn zwaar want het wegdek is kletsnat en het blijft lichtjes regenen. Ik heb zo hard doorgetrokken dat ik 100 meter voorsprong genomen heb op mijn fietsmaat maar zoals gewoonlijk wacht ik hem op aan het punt waar we links af moeten afslaan richting Le Markstein. Le Markstein is een zeer bekend punt voor echte wielerfanaten want daar lopen drie wegen samen die allen leiden naar de top van de Col du Grand Ballon, de hoogste Vogezentop (die ook de renners zullen doen in de Tour van dit jaar). Onze derde Rondebeklimming is nu aangevat en op het bordje staat er 14 km aangegeven. We zeggen niets tegen elkaar omdat we beseffen dat deze klim veel van onze krachten zal vragen en hoewel de regen gestopt is blijft het wegdek toch nat. Ik zet mij nu op kop, terwijl Luc dat gewoonlijk doet, omdat hij een uitstekende temporijder is. Luc trapt nu 39X26 als versnelling terwijl ik tracht de beklimming rond te maken met 30X21. Af en toe maak ik een klein gaatje omdat ik niet zo goed de kunst versta om een egaal tempo te ontwikkelen en nerveus de beklimming aanvat want ik zie ons al na achten volkomen uitgeput aankomen in het hotel en het avondeten aan onze neus voorbijgaan. Toch wacht ik Luc telkens op want hij heeft wat last van de luchtwegen en rijdt dus niet op 100% van zijn krachten. Twee kilometer voor de top vul ik mijn drinkbus nog snel bij want mijn lichaam schreeuwt om vocht. Ik heb gelukkig nog een halve liter sportdrank op overschot in mijn rugzak, die ik snel overgiet in mijn bus. Het venijn zit in de staart zegt het spreekwoord en dat is op deze col niet anders want de laatste twee kilometer, die we beiden gelijk aanvatten zijn verschroeiend, vermoedelijk omdat er sleet komt op de spieren van de twee veteranen hier aanwezig.  Naar mijn hartslagmeter, die ik voor de eerste keer gebruik kijk ik nu niet meer ofschoon die zelden boven de 150 is uitgekomen, wat mij wel positief verrast. Het is een opluchting om na bijna een uur na het vertrek uit ons schuiloord boven op Le Markstein aan te komen. We zijn nu aangekomen op 1190 meter en in normale omstandigheden hadden we snel de 6 kilometer lange beklimming richting Grand Ballon gedaan (een jaar eerder was Luc daar met goede benen als eerste boven gekomen) maar de tijd verhindert ons dat. Het is nu circa 22 graden, het wegdek is volledig droog en we besluiten snel een cola light te drinken in één van de twee grote tavernes daar. Een Fransman probeert ons nog te overtuigen het plaatselijke museum te bezoeken middenin zijn zaak, hij zegt tot twee keer toe dat de echte koersfiets van Richard Virenque er te bewonderen is, maar we houden de boot af; het is bijna 18.00h en Virenque heb ik nooit echt vereenzelvigd met de grote ronderenners zoals Merckx, Hinault, Indurain,Van Impe e.d. Hij roept mij eerder herinneringen op als vooraanstaand epogebruiker en een renner die ze laten rijden als hij weer van bij de start was weggesprongen. Het was blijkbaar geen goed idee om een cola light te drinken want we hebben nog 22 km voor de boeg richting Col de la Schlucht en dat is afwisselend dalen en klimmen, wat enorm veel krachten vraagt. Luc maakt nu fors tempo op de kleine maar scherpe klimmetjes terwijl ik blijkbaar door mijn beste krachten heen zit. De rollen zijn nu omgekeerd en ik zit nu voortdurend aan het wiel van Luc. We stoppen nog snel twee keer om een paar foto’s te maken want zowel temperatuur als panorama zijn nu perfect.  Tijdens de laatste korte stop eet ik de laatste koekjes op die in mijn achterzak zitten in een poging om alsnog wat energie te vergaren. Er ligt zelfs nog wat sneeuw langs de weg want er zijn belangrijke skipistes in deze buurt, maar we laten ons niet afleiden door de enkele toeristen die we op onze weg nog tegenkomen want we doen er alles aan om nog op een aanvaardbaar uur in het hotel aan te komen. Ik neem trouwens tijdens de laatste korte stop telefonisch contact op met de eigenares van het hotel met de belofte dat we tegen kwart na acht zouden arriveren en we doen er dan ook alles aan om die doelstelling te halen. Na precies 22 km kruisen we de klim richting Col de la Schlucht en draaien links af op de D417  zodat we de afdaling richting Gérardmer inzetten; na twee kilometer licht bergaf begint bij het bord 13 km de echte afdaling. We stuiven nu naar beneden en met mijn 80 kilogram lichaamsgewicht ga ik steeds als eerste de afdaling in, want dat is een afspraak die ik met Luc heb. Ofschoon het wegdek daar nog niet helemaal droog is haal ik toch meer dan 67 km per uur want beneden wil ik absoluut een klein filmpje maken van Luc met mijn digitale Sony. Ik slaag er net op tijd dat te doen mede dankzij de voorzichtige aanpak van Luc. Dan rijden we wiel in wiel naar het hotel en nemen afwisselend de kop. De koekjes hebben blijkbaar gewerkt want we halen nu bijna 40 per uur op een licht afhellend parcours en ik blijf gas geven tot wanneer we het meer verlaten; dan neemt Luc weer over want we moeten nog 3,5 kilometer de Col de Bonne Fontaine op als laatste hindernis richting hotel. Uiteindelijk arriveren we om precies 20.10h aan het “Hotel de la Grande Cascade”, dat duidelijk recent in het geel geschilderd werd; de eigenares zou ons nog diezelfde avond vertellen dat het hotel door de organisatie van de Tour werd afgehuurd voor de nacht van 9 op 10 Juli, vlak voor de zware Vogezenrit. Welke ploeg er zou komen was ook voor haar nog een geheim. Het voorgerecht was niet lang een geheim die avond want het stond reeds klaar als we ons bij het raam neerzetten aan onze vaste tafel in het restaurant. Als hoofdgerecht eten we smakelijk calorierijk schapenvlees om het zware verlies energieverlies na een rit van 113 km over een moeilijk parcours beter te verteren. En dat zijn geen holle woorden want in de avonduren genieten we nog van een lokaal biertje (Meteor) in het uitgangscentrum van Gérardmer waar Franse dames luchtig gekleed met hun minnaars de nacht voorbereiden en waar het idee voor deze sportieve literaire oefening is ontstaan dankzij neef en soulmate Luc.   Vitaminen voor klimtalent - vervolg  (2006)     Gezien de ervaringen van 2005 hadden we deze keer een slaapplaats uitgezocht in Wildenstein, een klein dorpje gelegen op de D 13BIS wat we ons voornamelijk herinneren vanwege het langdurig schuilen vorig jaar toen we op weg waren naar ”Le Markstein”. Deze keer was ons vast voornemen de Ballon d’Alsace te beklimmen; tenslotte had ik samen met mijn vrouw en dochter Astrid de renners nog aangemoedigd tijdens de laatste Ronde van Lance Armstrong in 2005 en alle wielerliefhebbers van mijn generatie zullen zich zeker nog het Tourexploot van Eddy Merckx herrinneren op de Ballon, want daar legde Eddy de eerste steen voor een jarenlange overheersing van het rondewerk. Deze legendarische Col wilde ik samen met Luc dus te lijf gaan op donderdag 22 juni. De weervoorspellers waren het er allen over eens dat het een zonovergoten dag zou worden en omstreeks 10.45h vertrekken we vanuit het hotel richting Kruth, nadat Luc achteraan en ikzelf vooraan onze fietsen van een nieuwe buitenband hadden voorzien. Na 11 kilometer draaien we linksaf op de N66, bekent bij iedere Vogezenkenner. Na precies 21 kilometer draaien we af aan het bord “ Col du Hundsruck”. Ik controleer nog even mijn kleurenkaartje op A4-formaat dat in mijn rennerstruitje zit en merk dat we inderdaad op het goede spoor zitten. Luc neemt  zoals onze ongeschreven afspraak het voorschrijft de kop en weg zijn we voor de eerste beklimming van de dag. Al snel wordt het steil want Luc gebruikt noodgedwongen zijn 26 achteraan en tracht het tempo egaal te houden waarin hij altijd weer slaagt. Er is een geweldige tegenwind opgestoken en na circa 7 kilometer klimmen, komen we boven in de druilerige regen. We zijn beiden geschrokken van de moeilijkheidsgraad en het zweet loopt vanonder onze helm  naar beneden. Luc was toch geschrokken van de lastige klim en accepteert mijn voorstel om volgend jaar vooraan een blad met 39 kronen te laten monteren i.p.v. 42 nu; tenslotte zitten we beiden in de categorie van de veteranen. Ik trek zoals gewoonlijk mijn plastic jasje aan teneinde geen kou te vatten en we vragen een Fransman een foto te nemen voor het bord waarop de naam van de Col staat geblokletterd, doch achteraf merken we dat die fransman geen kaas had gegeten van digitale camera’s want er staat gewoon niks op.  De bedoeling was in Maseveaux halt te houden voor onze klassieke rustpauze en we rijden tot in wat op hoogdagen een drukke winkelstraat moet voorstellen. De straat is smal maar bijzonder netjes opgeruimd maar toeristen zijn er op dat ogenblik niet te bespeuren althans die zitten zeker niet op een van de terrasjes want wij nemen plaats voor een mooi restaurant met taverne en een dame die blijkbaar de kwaliteit van het etablissement moet uitstralen staat ons te woord. We bestellen uit noodzaak thee en fruitsap want het prestigieuze huis had duidelijk niet gerekend op toerisme vandaag want geen cola light noch ice tea in de ijskast. We werken elk een energiereep met kokos alsook een graanreep met bosvruchten naar binnen want tenslotte moet het zwaarste klimwerk nog komen. Gezien de mislukte fotosessie van hedenochtend vraag ik tot twee keer toe de hoffelijke Française om een kiekje te nemen maar blijkbaar is er op de eerste verdieping een feestje aan de gang dat alle aandacht vraagt en we besluiten te betalen en ons klaar te maken voor vertrek. Terwijl ik mijn geldbeugel orden wordt Luc aangesproken door een Hollander gevolgd door drie landgenoten. Het blijken twee koppels op pensioen die genieten van hun rente maar wegens gebrek aan zonneschijn door de straten aldaar slenteren. De man in kwestie polst naar het aantal kilometer dat we nog moeten doen, waarop Luc repliceert “ nog 70 om zo op circa 100 uit te komen”. De man schrikt en zegt: “er is gisteren een Nederlander van 23 aan een hartstilstand overleden tijden het fietsen”. We kunnen duidelijk aflezen op hun gezicht dat ze het blijkbaar niet zien zitten dat wij ons zo afbeulen op de Vogezencols. We vragen of zij wel een foto kunnen nemen van ons twee wat met veel enthousiasme ook gebeurt. Vervolgens vragen we om na te kijken of de foto er wel goed uit ziet waarvan de dame in kwestie schrikt want zij kon niet geloven dat een directe controle mogelijk was; maar het blijkt al dadelijk waarom want zij vraagt ons een foto van hun vieren te nemen met een verouderde analoge camera. Blijkbaar is hun pensioenrente niet zo hoog ofwel dragen zij nog altijd de zuinigheidsrichtlijn van hun voorouders uit. Na door de straten van Maseveaux te hebben gereden rijden we plots in het spoor van een groepje wielertoeristen die duidelijk gewapend zijn om ook de Ballon d’Alsace te lijf te gaan. Na enkele kilometers blijkt dat het groepje gevolgd wordt door een rode Renault Scenic met twee oudere dames erin. Het blijkt een organisatie van TC de Pinte. Luc wil graag in groep naar boven rijden maar ik vraag toch even te stoppen vooraleer de beklimming aan te vatten want het worden lastige kilometers want enkele honderden meters voorbij de plashalte rapen we enkele andere veteranen op die duidelijk ons tempo niet kunnen volgen maar de groep wielertoeristen is nu helemaal uit elkaar gevallen want in de verte zien we de jongere elementen uit de groep al verderop in de klim. Luc voert nu weer het tempo aan en ik nestel mij weer in het wiel. De beklimming wordt alsmaar lastiger en voor het gebrek aan trainingsarbeid tijdens de wintermaanden moet ik nu wel boeten want ik krijg het lastig en ik zie af, maar bijt door. Ik tel dan ook langzaam de kilometers af die aangegeven staan op de paaltjes rechts van ons in het gras. Ik zie het bordje twee kilometer maar mijn rug is nu ook slachtoffer van deze robuuste Vogezencol  want de pijn is niet meer te harden; want ondanks vijf massagebeurten bij een plaatselijke massagebeul in Lier de week voor ons vertrek moet ik nu noodgedwongen loslaten; de benen willen nog wel maar de pijn is zo indringend dat ik besluit het tempo te milderen om het vervolg van onze fietsvakantie niet in gevaar te brengen.    Ik kom nu op een kruispunt en het lastigste deel van de col is nu achter de rug maar de top is nog circa twee kilometer af. Ik heb intussen gezelschap gekregen van een Vlaamse wielertoerist en samen rijden we op een minder stijl stuk; ik geraak nog tot op vijftig meter van Luc, maar forceren heeft weinig nut want er staat nog maar 55 kilometer op de teller en we moeten nog een eind door. Het idee was om op de top iets te drinken en te genieten van het panorama maar de weergoden hebben anders beslist want we rijden in de mist naar de top toe en we worden ook bestookt met lichte druilregen. Als ik afstap contrasteert dan ook mijn zweterige lichaam met de onverwacht lage temperatuur. Ik neem dan ook mijn rugzakje en trek een droog T-shirt aan bovenop mijn koersonderlijfje, ook met oog op de afdaling, waarbij mijn rode plastic jasje een zekerheid is. Bovendien heb ik het jasje speciaal behandeld voor de afreis zodat het ook als regenjasje kan gebruikt worden. Luc wil ook zijn regenjasje aantrekken maar een lieve grijzende dame die de wielerclub uit de Pinte volgt bied zich spontaan aan als fotograaf want vele jaren hebben wij alleen maar foto’s gezien op het internet van fietsende wielertoeristen die fier poseren op de top van de Ballon d’Alsace. Nu staan we er zelf en ofschoon het redelijk koud is zijn we toch tevreden van onze prestatie en Luc heeft weer eens getoond hoe sterk hij is. Aangezien het wegdek stilaan nat wordt besluiten we onmiddellijk na de kleine fotocessie de afdaling in te zetten. Ik laat mij nu naar beneden zakken richting Maurice sur Moselle in de hoop in het dal de zon terug te zien. Mijn snelheid situeert zich tussen 55 en 65 kilometer per uur maar voluit gaan durf ik toch niet, maar na circa elf minuten kom ik beneden aan op de plaats waar ik de renners vorig jaar heb opgewacht samen met Monique en Astrid, toen ze langs de andere zijde de col opreden richting Mulhouse. Beneden is de temperatuur wel iets hoger maar het dreigt nu echt te gaan regenen maar noodgedwongen wacht ik anderhalve minuut op Luc die nu ook zijn gele regenjasje heeft aangetrokken. We draaien nu rechtsaf op de N66 richting Col du Bussang maar na enkele honderden meters houden even stil aan een bushokje op verzoek van Luc. Na nauwelijks een drietal minuten stopt het met regenen en we vervolgen de weg richting laatste col van de dag want we beklimmen gelukkig de col du Bussang langs de makkelijkste zijde; de afdaling is weliswaar hels maar op een mooie brede weg. Ik zit bijna steeds boven de zestig per uur en terug op het vlakke gekomen begint zowaar de zon te schijnen. We bergen dan ook onze regenjasjes op en vervolgen onze weg tot op het kruispunt waar we vanochtend de N66 zijn opgereden en draaien nu linksaf richting Kruth en dus ook richting hotel. Net de weg ingeslagen maan ik Luc aan tot stilstand om een Franse krant te kunnen kopen. Buitengekomen bel ik met mijn mobieltje een vriend die blijkt aan de Belgische kust in goed gezelschap te zijn en bovendien een Duvel te drinkt. Nu vatten we de laatste kilometers aan en bereiken omstreeks 17.30h het hotel. Na een plons in het bad van ons bescheiden hotel gaan we richting bijbehorend restaurant waar we bijna alleen zitten want na enige tijd komt er nog een man aanzetten die alleen aan een tafel plaats neemt maar andere gasten zijn niet te verwachten want donderdag is de wekelijkse sluitingsdag van het restaurant. We krijgen droge pasta met schnitsel  aangerukt en daar is mijn fietsmaat niet zo happy mee. Gelukkig is er de dessertkeuze die voorziet in een authentieke chocomousse die we de dag van onze aankomst al geproefd hadden maar we die we vandaag wegens te zwaar links laten liggen. We werken het menu zoals volgzame Vlamingen past helemaal af inbegrepen twee literflessen bruisend water want tenslotte hebben we veel vocht verloren tijdens onze tocht. We hebben geen zin om s’avonds WK-voetbal te kijken en nemen we na het avondmaal de auto en rijden via de col du Bramont naar La Bresse, de bedoeling is wel een stuk van het parcours van de volgende dag te verkennen alvorens een plaatselijke kroeg in te duiken. We arriveren uiteindelijk in het centrum van La Bresse om daar ‘Bar Le Slim’ in te duiken. Binnengekomen besef  ik daar de vorige zomer met vrouw en kind ook vertoefde  maar toen zat dit mooie café helemaal vol om de aankomst van de Tourrit naar Mulhouse te volgen terwijl nu in de aanpalende zaal er niemand kijkt naar het grote scherm waar Brazilie tegen de WK-bal trapt maar dat is uiteraard geen spek voor de bek van het Franse publiek. We zetten ons aan een tafel en terwijl ikzelf een fruitsapje bestel drinkt Luc een pilsje van het merk Kronenburg 1664. Een jong koppeltje achter ons besteld Maredsous, althans dat had ik begrepen want tenslotte zijn we  in  een klein Vogezenstadje en niet in Vlaanderen. Ik sta dan ook recht en ga de tapkast bekijken en merk dat naast de klassieke pils er ook Maredsous met een alcoholgehalte van 6 graden getapt wordt; Duvel wordt er ook verkocht maar wel voor 3,80 EUR wat duidelijk geafficheerd staat boven de lange toog waar duidelijk enkele liefhebbers van Belgische bieren hebben plaatsgenomen en zij drinken naast pilsbier ook trappist van Orval en Brugs witbier. Maar tegen onze gewoonte in gaan we de nacht in met elk een oerfranse Perrier teneinde het opgelopen vochtverlies definitief te compenseren. Maar aan het hotel gekomen wacht ons  een verrassing; want in tegenstelling tot de afspraak die we gemaakt hadden met de vrouw van de eigenaar-kok is de deur van de receptie achteraan het hotel op slot. We zijn licht in paniek want er is geen licht te bespeuren in de kamers van het hotel en besluiten aan te bellen bij de buren. Een jongen van vijftien maar met het gewicht van een zwaargewichtbokser doet de deur open en na mijn noodkreet haalt deze er onmiddellijk zijn vader bij. Het is duidelijk dat de twee naaste bloedverwanten zijn want zijn vader kan de strijd aanbinden met elke sumoworstelaar en deze trekt snel een T-shirt aan om met mij naar het hotel te wandelen. Hij roept alsmaar en zeer krachtig; Christian, Christian; blijkbaar de voornaam van de eigenaar die blijkbaar in het in onbruik geraakte deel van het hotel woont met zijn vrouw en twee kinderen. Hoe hard de galm van deze imponerende man ook weerklinkt; er komt geen reactie ofschoon we duidelijk schemerlicht zien in wat het appartement van de eigenaars moet voorstellen.  De man is ten einde raad en geeft mij het advies te claxonneren met mijn autoclaxon; wat ik dan ook doe. Luc die bij de deur heeft plaatsgenomen hoort Christian nu naar beneden komen en met de “smile” van een Fransman die net de Tour gewonnen heeft opent hij de hoteldeur. Het is 23 juni s’ochtends; we eten weer stukjes Frans brood met een droge koffiekoek zoals gisteren; blijkbaar hebben we het meest sobere hotel uit de streek uitgezocht; gelukkig voor ons gaat dit ook gepaard met een sobere prijszetting. We vertrekken omstreeks 10.00h onder een stralende zon. Na zeven kilometer draaien we rechts af richting de Col d’Oderen. Amper een kilometer verder begint de klim en Luc zet algauw weer in het goede tempo en we zijn vertrokken voor circa zeven kilometer bergop. De zon brandt nu als het ware op onze hoofden en ik zit algauw de zweetdruppels op Luc zijn aangezicht verschijnen. Tot twee keer toe worden we geconfronteerd met wegenwerken. De tweede keer worden we als het ware begeleid zolang we langs een strook rijden waar nieuw asphalt wordt aanlegd want tenslotte rijden we langzaam bergop en aan de overkant wachten ongeduldige franse chauffeurs.  Terug op de normale baan merken we dat ook daar het asfalt eivers is; we voelen nu de straatbedekking aan onze wielen kleven en Luc geeft het sein af te stappen. We kijken naar onze wielen en merken dat stukjes asphalt zich aan onze dunne bandjes gehecht heeft. Ik probeer met een stuk textiel wat ik uit mijn rugzakje haal de bandjes weer schoon te vegen, maar dat blijkt een hopeloze onderneming. Ik stel voor met gras een poging te wagen maar het gras is schaars langs de kant van de weg en doe een verwoede poging met wat wij klasseren onder de noemer van konijnenvoer en jawel het blijkt te lukken want door steeds weerkerend wrijven wordt het rubber nat gemaakt en komt het kleverige asfalt stilaan los.  Als we terug op de fiets stappen blijken we amper 500 meter van de top te zijn en na opnieuw een inspectie van onze bandjes vatten we toch de afdaling aan. Het is nu bloedheet en zetten onze tocht verder richting Cornimont. Als we echter in Ventron aankomen stop ik spontaan aan een krantenwinkel maar in plaats van een krant te kopen koop ik twee ansichtkaarten van de streek. Naast de winkel is het postkantoor gevestigd en plak er  twee bijbehorende zegels op. Nog snel een boodschap voor mijn vader en een trouwe vriend en we zijn weer weg; althans dat was de bedoeling want ik wil de ketting van mijn “triple” vooraan op het grootste blad leggen aangezien het verder licht bergaf gaat, maar dat lukt niet meer.  De hendel aan de linkerkant van mijn stuur waar ik het versnellingsapparaat bedien lijkt wel geblokkeerd. We besluiten evenwel eerst af te dalen en dan nog eens een poging te wagen maar als we rechts zijn afgedraaid richting  Cornimont en La Bresse legt Luc de ketting met de hand op het middenblad, want het is nu licht bergop.   We genieten in taverne “Le Slim” van thee en cola en verorberen alle repen die we in onze rugzak hebben want we  hebben besloten ons parcours nog wat bij te stellen. Die ochtend hadden we in het hotel met de enige andere gast gesproken en het bleek een Westvlaming die een week in het hotel verbleef om te genieten van een fietsvakantie en hij kende de streek als het zeemvel van zijn fietsbroek want hij deed de vakantie van vorig jaar gewoon over. Daarom hadden we besloten na de Col des Feignes ook verder door te rijden naar de Col de la Schlucht om zo via “Le Markstein” naar Wildenstein te rijden.  In de taverne vragen we echter het adres van de dichtstbijzijnde fietsenzaak teneinde mijn nieuwe maar gehavende ”Specialized” onder de loep te nemen.  Aangekomen in de dorpskern zetten we ons voor de vitrine waar blijkt dat de zaak pas om 14.00h open gaat; terwijl het circa 13.20h is op onze klok. Luc is altijd pienter en hij merkt dat iemand langs de achterkant de zaak wil binnenkomen en we snellen naar hem toe en wat wij vermoeden bleek waar; het was de mecanicien zelve. Hij stelt vast dat de stalen kabel die het versnellingsapparaat moet aansturen vast zit in de behuizing en tien minuten later zijn we weer vertrokken. We draaien even terug en draaien rechts de D34 op richting Col des Feignes. De eerste kilometers zijn niet zo steil en ik gebruik deze keer een veel grotere versnelling dan Luc. We transpireren hevig want de zon staat loodrecht op onze hoofden en we glijden over het wegdek tegen 12 tot 14 per uur. Ten behoeve van de Tourdoortocht in 2005  had het wegdek een  nieuwe slijtlaag gekregen.  We zien vooral namen van lokale renners op het wegdek geschilderd en deze van Jean-Patrick Nazon steekt er qua oppervlak helemaal bovenuit. Het wordt nu alsmaar stiller want huizen of auto’s zijn hier niet meer te bespeuren. We naderen nu “Le Lac de Lispach” waar we nog uitsluitend het geruis van onze fietsen horen en af en toe het zachte gekreun van twee veteranen die hun benen afwisselend soepel en stampend bewegen. Na dit bijna mystieke plekje rijden we nog een eindje verder bergop om zo de top van de Col des Feignes te bereiken die ironisch genoeg iets lager ligt. We maken nog even een babbeltje met een Duitse geestesgenoot en draaien links af richting D417. Aan het kruispunt gekomen draaien we uiteraard rechts en het is nu twee kilometer stevig klimmen, vervolgens draaien we de D430 op richting “Grand Ballon”, maar zover laten  we het vandaag niet komen, want we hebben mekaar beloofd de meest duistere klimmetjes van de Vogezen te bestormen en met de beklimming van de Col du Hohneck doen we dat letterlijk en figuurlijk want eens links afgedraaid aan een mooie taverne rijden we op een zeer slecht wegdek vol gaten al kreunend omhoog want het stijgingspercentage doet hier eerder denken aan de Berendries of de Taaienberg. Het is twee kilometer precies vooraleer we de top van 1366 meter bereiken. Het staat er vol zware motoren en hun bestuurders en we maken van de gelegenheid gebruik om even uit te rusten. Ofschoon  beneden in het dal vermoedelijk de temperatuur hoog oploopt is het zelfs frisjes maar we genieten van de skipistes waar zelfs nog sneeuw ligt en de top van de Grand ballon evenals  het Schwarzwald aan de overkant van de grens zijn in zicht.  Als we afdalen moeten we voortdurend de remmen dichtknijpen om niet uit de veel te smalle bochten te gaan, maar nog circa 16 kilometer en we komen in ” Le Markstein” aan waar zovele wielerliefhebbers stoppen voor een oponthoud of zoals wij genieten van het mooie panorama en beseffen dat het telkens weer zwoegen is om hier te komen; op dit plateau van circa 1100 meter hoogte. Na een frisse cola genieten we van een zalige afdaling richting Wildenstein, waar ons hotel op ons wacht na weer meer dan 90 kilometer op de teller; eerst een korte knik en dan liefst bijna dertien kilometer bergafwaarts op een breed wegdek. Ik probeer de kaap van de 70 per uur te halen maar het lukt net niet maar toch genieten we van deze vogelvrijheid en hopen volgend jaar terug te keren naar dit fietsparadijs.     Lambrechts Eduard Lier, Juni 2005 en 2006 Copyright GCV Lambrechts      

Eduard Lambrechts
0 0

Bom Dia

In Portugal, Italië of Spanje stap ik onder een stralende zon in het vliegtuig en in ons land stap ik er onder de ‘drache nationale’  weer uit. Het waren de woorden van een bevriend zakenman die er aan toevoegde dat het tijd werd  om een beslissing te nemen.  Met wat de fiscus hem hier afhandig maakte kon hij in Portugal een riante villa kopen. Een tijdje later voegde hij de daad bij het woord. Om ter plaatse naar een geschikt onderkomen op zoek te gaan, huurde hij in de winterperiode een vakantieverblijf. Het optrekje was een enorme villa met een zevental kamers en badkamers en een zwembad.  Inbegrepen in de huurprijs  was ook een bediende die er dagelijks kookte en de was en de plas deed. Wij kregen al snel een aanbod dat wij niet konden weigeren om met  onze twee dochters enkele weken het gure decemberweer in ons landje te ontvluchten. Ter plekke begeleidden wij onze vrienden soms bij hun zoektocht naar een geschikte woonst.  Het was de periode dat vele Engelse grootgrondbezitters en eigenaars de biezen namen na de politieke omwenteling in het land.  Gewiekste advocaten, een soort surrogaat-notarissen, verkochten er eigendommen  tegen tien keer de prijs die je zou betalen als je rechtstreeks van de eigenaar kocht. Maar er was dus die Portugese ‘ajuda doméstica’, die naast het opdekken van de bedden en het schrobben van de badkamers en vloeren , ons ook dagelijks deed genieten van haar kookkunst. Erg verfijnd was die niet, want ze had voor een langere periode een soort tomatensaus bereid, die elke dag opnieuw werd geserveerd.  Maar er  was ook dagelijks verse vis.  Overheerlijk, het leek wel of die rechtstreeks vanuit de zee in haar keuken was aangespoeld. Als deze lieve ‘faxineira’  toekwam  en wij aan de ontbijttafel zaten klonk er steeds een luide begroeting: ‘Bom dia’. Af en toe hoorden wij hoe ze tijdens het werk liedjes zong.  Ze legde uit wat ‘saudades’ betekent , het Portugese begrip  voor heimwee of zielesmart, die zo prachtig vertolkt wordt in de fado, de nationale zangkunst of  het levenslied. Wanneer wij al een tijdje terug  waren in het druilige vaderland vroeg onze jongste dochter: ‘Hoe zou het nog met Bomdia zijn?’  Dan bleek  dat ze dacht dat het de naam was van de Portugese mevrouw die de kook en plas deed. Nadien hadden we  zelf een aantal werksters en huishoudhulpen van Braziliaanse afkomst die wij tot hun groot jolijt, steevast Bomdia noemden.   Een van hen zong ook regelmatig tijdens het werk maar het voorstel om een cd met fado’s op te leggen  wimpelde ze af. “ Veel te triestig”, zei ze: “deze Bomdia zingt liever de Samba!”   

Vic de Bourg
6 0