Zoeken

Krijm en zjiepkes

Soms begrijpen onze Nederlandse neefjes niet wat we zeggen. Het zijn trouwens hele neven, maar je kent dat: je blijft het verkleinwoord gebruiken. Zo wordt onze jongste zoon nog ooit aangeduid met 'onze klenne', terwijl hij boven iedereen uittorent. Correcter zou zijn als ikzelf word vermeld als 'onze klenne', wat ze trouwens met het nodige leedvermaak regelmatig doen. Maar terug naar onze neefjes. 'Wat zeg je ome Ruud?', vroeg de jongste van de twee toen ik hem vroeg of we 'ne krijm' gingen eten. Ik weet het. Ik besef dat ik af en toe waakzamer moet zijn met onze spreektaal, maar de woorden zijn sterker dan mezelf. Ze zitten er ingebakken zoals de aardappelschijfjes die te lang in de pan hebben gelegen. Je krijgt ze er moeilijk uit. 'Een ijsje', verbeterde ik mezelf. 'Ah, een ijsje', lachte hij. 'Crème kennen we ook, maar dat is iets anders.' Het lijkt soms een aflevering van FC De Kampioenen als we met elkaar spreken. Door de taalverschillen stapelen de misverstanden zich op. Maar het is altijd lachen. Behalve toen ik vroeg of hij een 'zjiepke' wilde. Hij keek me aan alsof ik hem een chemisch product ging voorschotelen. 'Een wat?' 'Och ja', zei ik. 'Dat kennen jullie niet.' Het was zoeken naar het correcte Nederlandse woord. Een snoepje is te ruim. Een gummy snoepje misschien? Al is dat ook een verzamelnaam. "Als ik in de winkel naar 'grün zjiepkes' vraag, begrijpen ze me ook niet meer", zei ik tegen mijn vrouw. "God weet waar sturen ze me naartoe." Onze pa en grootvader moesten het meegemaakt hebben, dat woorden als 'grün zjiepkes' niet meer zouden bestaan. Verdwijnen met de woorden meteen de 'grün zjiepkes'? Thuis stonden ze op de schouw. Misschien moet ik dat doen. Ze zichtbaar houden. Of waren dat van die bruine 'zjiepkes'?

Rudi Lavreysen
9 1

Tsjiep tsjiep

Op het terras van De Duifkens, een gekend etablissement aan de Antwerpse Graanmarkt, zei de Nederlandse man dat hij hetzelfde verlangde, waarbij hij naar mij wees. Daarmee bedoelde hij niet de tweedehands verhalenbundel van Truman Capote die voor me lag, maar wel de vers getapte Stella. Het boek had ik aangeschaft bij de voortreffelijke Demian aan het Conscienceplein. "Wanneer in Rome, doe zoals de Romeinen doen", luidt het gezegde. Dat geldt ook voor Antwerpen. De combinatie van De Duifkens met een boek is het ideale decor. Zitten, kijken, lezen en genieten. "Een Stella drieëndertig voor meneer?”, vroeg de serveuse aan de Nederlandse man. Hij keek even vertwijfelend, maar bevestigde met een "absoluut". "En voor mevrouw?" "Hebt u een Sauvignon Blanc?", vroeg ze. Nu weet ik niet of u vaak bij De Duifkens komt, maar 'droog' of 'zoet' is de enige omschrijving voor de witte wijn aldaar. Dezelfde beperkte keuze voor het eten waar het koppel naar vroeg. "Chips, nootjes of droge worst", antwoordde de serveuse. Toen de mevrouw iets later na een bezoek aan de kleinste kamer terugkwam, zei ze tegen haar man dat hij dit moest zien. “Dit moet je meegemaakt hebben”, vertelde ze. Na een slok van zijn gerstenat trok hij ook richting koer, wat daar de betere omschrijving is. “Inderdaad”, zei hij bevestigend. “Dat zie je niet meer vaak.” Terug thuis stond ik net voor sluitingsuur aan de kassa van de supermarkt. De mevrouw voor me haalde haar klantenkaart tevoorschijn en wees ermee naar het bakje om haar kaart te scannen. “Moet ik hier van tsjiep tsjiep doen?”, vroeg ze. Maar goed dat het Nederlandse koppel uit Antwerpen dit niet hoort, dacht ik nog. Ze zouden zeggen: “Nou, in België heb je niet alleen De Duifkens, ze doen er ook nog van tsjiep tsjiep.”

Rudi Lavreysen
13 1
Tip

alles, behalve

Ik voel mij onwennig in de kledij die ik gisteren heb gekocht.  Niet omdat ik niets had om aan te doen. Hetgeen ik had, een lang aansluitend zwart kleed met blote schouders, ging me té goed af. Ik had het online gekocht toen ik vijftien was en was te laat om het te retourneren. Vijf jaar later wurmde ik me er met lage verwachtingen opnieuw in en complimenteerde het plots mijn vormen. Ik heb niet veel vormen, dus het was quite the surprise. Hierna keek de spiegel me er ongemakkelijk in en kocht ik iets nieuw.  Ik sta derde in de rij.  De mensen die mij eerst benaderden werden vriendelijk verzocht op hun stappen terug te keren. Ofwel om de goede vrede te bewaren, de traditie in stand te houden of de volgorde in grootte van verdriet te waarborgen – alsof die bestaat. Ik ben erachter gekomen dat ik redelijk wat verborgen familie heb. Ik ben er ook meteen achter gekomen waarom dat best hebben blijft i.p.v. kennen. Iedereen deed alsof ze wisten wat aan te vangen met het voorwerp dat ze in hun handen geduwd kregen. Ze deden duidelijk gewoon hun voorganger na met het kruis dat ze maakten. Het was zodanig lang stil dat ik maar niet gevraagd heb of ze het thuis misschien eerst snel gegoogeld hadden. Aan de handen te zien die ik schudde - bezaaid met bloed-verdunde aders - wist ik het antwoord daarop eigenlijk al.  Ik ben verward.  De zon scheen en ik had het koud. Er liepen overschilderde elektriciteitsdraden langs het kaderment van de gegraveerde eiken deur. Ik vroeg me af waarvoor die dienden. Er waren geen lampen in de kamer. De pastoor zwierde het excentrieke broertje van een doordrenkte wc-borstel uit op de assepot. Het bleek een wijwaterkwast en ongepast om hierbij je lach in te houden. Niet omdat je niet hoort te lachen, maar omdat je niet de intentie hoort te hebben om te lachen. Ik weet dit. Ik weet ook dat je niet hoort bij te houden wie er weent en dat je niet bewust hoeft te zijn van hoe jij daar zelf niet toe behoort.  Ik denk aan alle automobilisten die niet claxonneren.  Naar het kerkhof toe liepen we de straat op, in volle verkeer, achter de lijkwagen. Ik had geen zonnecrème op mijn gezicht gesmeerd. Na drie opeenvolgende dagen was ik mijn nieuwe gewoonte om rimpels tegen te gaan, uitgerekend vandaag, vergeten. Ik liep vooraan, de wagen ging trager dan stapvoets. Ik ergerde mij aan de andere automobilisten. Ik hoorde ze niet claxonneren. Ik hoorde ze zich inhouden. Ik dacht aan wat voor een vreemde ervaring het is om in klaarlichte dag op straat te slenteren. Ik wist niet hoe ver het kerkhof was en hoe lang mijn samengeperste tenen het nog gingen uithouden. Ik dacht aan hoe snel kanker zich zou ontwikkelen na al die uitlaatgassen ingeademd te hebben en aan wat voor een goede chauffeur je niet moet zijn om zo traag te rijden en te stoppen en te rijden en te stoppen en te rijden, zonder stil te vallen. Ik dacht aan de motor in de auto en hoe spijtig het is dat die nooit eens goed kan optrekken. De bloemstukken op het dak van de wagen merkte ik pas op toen ze die eraf haalden om bij de asweide te leggen. Ik dacht aan hoe ik aan alles dacht, behalve. 

Amarant Plas
84 3

Akkefrietjes

  De koeien kennen het. Dat groen met zijn gradaties. Het goud van boterbloemen dat de tong zo heerlijk prikkelt en er zijn ginds in de stroom felrode forellen die het durven, die sneller groeien dan tomaten. Heb bovenal veel leefplezier! Kom eens langs bij Alfred! Hij heeft een frietkot. Daar aan de rand. Bij het bos. Zijn tijdelijk bestaan, zijn job, het is op minder, helemaal op niets, een akkefietje uitgedraaid. Ingace heeft geprobeerd. Te leven. Te bestaan en vóór zijn opname heeft hij nog gewerkt. Bij Doe-Het-Zelf Noël De Beule. De tank van een zitmaaier volgezeikt, want die dingen zijn vreselijk. Ze boren gaten in je brein. Maken kabaal en geluid. Geen uil die het verdraagt. Het frietkot is nu nog niet afgebrand. Je kan er alsnog komen. Frikandellen, meisjesbillen die wat warmte, die kroketten willen, zo krokant als zand tussen de tanden van een zeemeermin. Weet je wat het is. Ik mis je. Ook dat leefplezier, mijn schat. Als de rug van de wellust zich krult, dan weet ik het. Ik heb te veel gegeten. Slang met schubben. Het kan ook zijn dat liefde weer meandert en verandert naargelang de maan haar ziel laat zien. Bestel nog iets, mijn liefde, want ik wil het voelen. Straks. Dan loeien de sirenes, raden we de oplossing en groeien er weer dromen in mijn linkernier. Mi amor, ik ben te zot. Ik heb het verteld. Aan alleman. Ook aan Ignace. Dat werelden vergaan, nog sneller dan de kleuren, dan de vleugels van een vlinder die geen water vond. Mijn keel is droog en als ik traag vooroverbuig, terugdenk aan de bodem van die frietketel. Ja. Daar leeft het zwarte gruis. Laat ons nog eens samenkomen. Wij. Met zijn allen. De onderkant, onbemind gespuis, het uitschot van de zwarte stad. Ignace Somers, bijgenaamd 'de kameraad'. Op welgezinde dagen kon hij nog verdoken leven aan de rand. Nu is het tijd gekeerd, de maan is leeg, het laatste bloed dat in de tenen leeft, het wordt gebruikt voor voetsporen, twee lauwe stapjes richting ondergang. Ze loeien nog een keer, de koeien, de sirenes. In zijn eerste afscheidsbrief stond dat Ignace zijn have en goed wilde schenken aan een gek uit Niemendal, aan een bevertje uit Wezembeek. Alfred lacht. Hij is doorgaans zacht en bezadigd. En toch. Hij durft wel eens een kikker levend in de olie laten zakken. Voor die billen. Voor wie ze wilt en alle meisjes eten vandaag met hun lange nagels korte frietjes. Echt. Ik zie het en ik zit. Hier. Op mijn vaste plaats en straks, dan komt hij weer. Ignace. Diens eenzaamheid leeft in de wolken. Toe te dekken is de dag met een hemel, grijs gewelf en straks, als het alweder regent, Madelief, mijn Zonnestraal, dan zal ik denken aan die keer, toen onschuld van mij hield.     uit de reeks 'Alfred Frietkabouter'

Bernd Vanderbilt
12 1

De anatomie van een suikerspin

Mijn zusje wil het zelf doen. Haar pukkelpopje inenten. Tegen de pokken en de zever van de wereld. Er is ook de vader. Hij zit daar tussen zijn beesten, om ze te strelen en te vergeten. Om te beslissen. Want hij heeft wel iets met leven en de dood. Is dit geen goddelijk gezicht? De spuit met de lange naald boort zich door de kop, door het plastic van roze speelgoied en mazelvlekjes kan je tekenen, op je eigen hoofd, om niet naar school te moeten gaan. De leerstof is niet weg te blazen. Dit moet ik dan begrijpen. Mensendinges, de anatomie van een suikerspin en op twee poten gaat hij weg. Vadertjelief. Het monster van de geitenstal. Ik heb erover gelezen en ze zijn van de reinste inteelt die lammetjes. Hij laat maar begaan. Vader met dochter. Eén oog bleekrood, het ander grijs noch blauw. De pop is intussen al die tijd, zelfs door de jaren heen rustig gebleven. Geloof me. Mijn zus heeft wenkbrauwen als een duiveltje en ze mag straks op de schoot van de vader. Apennootjes eten. Papegaaienpraat proberen. Zeggen dat ze drinken wil. Weet. Het water en de keukenkraan. Het zijn de beste vrienden. Altijd. Bij heet, koud en troebel. Zie daar. De kalkaanslag hij is gebroken wit, een beetje groen. Weldra. Jawel, het water loopt en vader neemt het glas al bij de kraag. Ik moet nu eerst nog schrijven, leren, denken, beter weten. Alles over botten, beenderen, een studie voor Meneer De Lijn, die krijtjes breekt als ik een zin vergeten ben. Het is mijn zusje of mijn vader, zeg ik dan. Ze prikken gaten in de kleinste dingen. Ja. Echt. Ze doen maar wat. Ze snijden stukken weg uit mijn gedachten, soms gewoon uit het heelal.     uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
7 0