Zoeken

Een lange arm

Ik ga u iets verklappen. Het is een soort van aandoening of lichamelijk kenmerk. Kortweg gezegd komt het hier op neer. Ik ben aangedaan met korte armen. Ik hoor u zeggen: dan hebt u wellicht ook korte benen. Ja, maar korte armen hebben is een probleem van een andere grootorde. Bovendien krijg je er in de samenleving alsmaar meer problemen mee. Denk maar aan de drive-in waar je een hamburger bestelt. Als de persoon in het raam ook korte armen heeft, heb je een probleem. Of denk aan een betaalparking. Of het recyclagepark. Omdat ik voorzichtig ben aangelegd, parkeer ik de auto altijd iets te ver. Je kan dan net niet bij de knop of de gleuf voor je identiteitskaart. Je leunt voorover, maar de veiligheidsgordel houdt je met een snok tegen. De deur gaat niet open, want daarvoor sta je toch te dicht. Dan maar uit het raam leunen, maar dan lijk je op een hond die in de wind verkoeling zoekt. Het ziet er niet uit. Het ergste is de péage in Frankrijk. Het moet snel gaan. De Fransen zijn er in getraind, die doen het bijna rijdend, met de Franse flair. Zo zal ik niet snel onze trip naar Normandië vergeten. Aan de eerste péage ging het nog. Maar bij de tweede werd ik overmoedig. Ik moest achteruit rijden, want ik kon er met de beste wil van de wereld niet bij. Maar achter mij stond een Fransman volop gas te geven. Het was me een spektakel. Onze jongste heeft op de achterbank gelachen tot we in Bayeux waren. Nu moet u weten, dat is nog een aardige 400 kilometer. Het lachen stopte pas in de hotelkamer en hij hield er de hele avond de hik aan over. Nee, het heeft zo zijn voordelen, een lange arm hebben.

Rudi Lavreysen
15 0

Gekke sprongen

Je speelde een spel van lang geleden. Ik zie ons bij een familiefeestje nog in de keuken zitten. De grote mensen zaten in de woonkamer. Die twee ruimtes konden we van elkaar scheiden met een harmonicadeur. Die kom je nog zelden tegen. Het zag eruit als het tussenstuk van een lange lijnbus. We zaten toen met een tiental neven en nichten samen en speelden 'Namen zoeken'. Het papier dat we gebruikten kwam van een notablok en was niet wit, maar had eerder een vaalgele kleur. Ik gebruik ze nog altijd. Iemand schreef de letters van het alfabet op een blad. Kriskras door elkaar en telkens duidde iemand met de ogen gesloten een letter aan waarmee je om ter snelst een voornaam, land of automerk moest zoeken. Als je een letter aanstipte die al was geweest, moest je met de balpen zoals een galopperend paard naar een andere letter springen.   Nu speelde jij datzelfde spel in de woonkamer van het woonzorgcentrum. De goedlachse medewerker had jullie rond de tafel verzameld. Ik schoof een krukje bij. Ook gekend als een taboeret. Een meubelstuk met een T. Dat levert punten op, want als je met meer personen dezelfde naam had opgeschreven, kreeg je geen punt. Al waren meubelstukken meestal geen categorie in het spel. Jullie moesten niet schrijven. Het was eerder een spel om jullie geheugen te trainen. Een van de bewoonsters zat niet aan de tafel, maar in de zetel ernaast. Toch deed ze mee. Aan tafel was het misschien te druk. De volgende letter was de H. “Een voornaam met een H”, zei ze. Ik fluisterde 'onze pa' in je oor. Je keek me lachend en niet begrijpend aan. 'Jan', zei je. Maar dat was de naam van jouw pa. Wat maakt het toch ooit gekke sprongen, dat geheugen van ons.  

Rudi Lavreysen
8 1

De tweeprocentvrouw

"Doeme, ik ben bijna plat. Nog maar drie procent.” “Ik heb u dat al gezegd. Ge moet die rapper insteken.” Het jonge koppel achter mij in de krantenwinkel spreekt in raadsels. Via de bolle spiegel boven de toonbank zie ik dat de jongeman met zijn smartphone zwaait, alsof hij hem wil weggooien. Later diezelfde zaterdag zijn we in de provinciehoofdstad voor vroege kerstinkopen. In een taverne houden we een stoel bezet met winkeltassen. Aan de tafel naast ons zetten zich drie dames. De jongste haalt haar telefoon boven en de andere twee vissen een papier uit hun handtas. De garçon scant ze meteen, zoals de kaartjesknipper in de trein. “Jullie mogen blijven”, zegt hij met een knipoog. “Meneer, kunt ge mij meteen scannen? Ik heb nog maar twee procent.” Het is de mevrouw van twee tafels verder die het roept. Ze zit er nog maar net, samen met haar dochtertje. “Misschien had Pythagoras ongelijk”, zeg ik tegen mijn vrouw. Ze kijkt op van haar telefoon. “Met zijn stelling. Niet die van de driehoek, maar hij was er als eerste van overtuigd dat de wereld niet plat was, maar een bol. Als alle telefoons plat gaan, gaat de wereld misschien ook terug plat.” Mijn betoog maakt niet veel indruk. “Wat staat er op het dagmenu?”, vraagt de tweeprocentvrouw. “Aardappelen met rode kool en worst mevrouw. Echte boerenkost vandaag”, antwoordt hij. “Dat is maandageten”, zeg ik. “Bij ons thuis vroeger toch.” We gaan ervoor, net als de tweeprocentvrouw. Nadat hij de borden op tafel heeft gezet, zwaait hij met zijn twee wijsvingers naar de beide tafels. Hij lijkt wel een orkestmeester. “Smakelijk allemaal”, zegt hij. Ik roer de rode kool onder de aardappelen en duw het geheel plat. “Zo heb ik dat het liefst”, zeg ik. “Zullen we nog wat mayonaise vragen?”  

Rudi Lavreysen
18 0

De versleten broek

Een vriend van me zit in de broekenindustrie. De groothandel. Geen grote broeken, maar gewoon veel broeken. Hij heeft altijd verhalen bij uit het buitenland. Broekavonturen. We hebben afgesproken in de stad, waar hij woont en waar hij me van het station haalt. We zaten samen in de lagere school. Terwijl de trein het Centraal Station binnenrijdt denk ik aan de anekdote van meester Ivo die hij altijd vertelt. “Weet ge nog van meester Ivo? Hij zei altijd dat ik mijn broek zat te verslijten in de klas.” Hij is mooi op tijd en het weerzien is hartelijk. We proberen dit eenmaal per jaar te doen. Een koffie, een museumbezoek en daarna een hapje. Zijn telefoon rinkelt voortdurend. Het lijkt er eentje van het type te zijn dat ze pas gisteren hebben gelanceerd. “Ik bel wel terug”, zegt hij terwijl hij op de rode knop drukt. “Druk precies?”, zeg ik. “Ge wilt het niet weten. Ze bellen me van overal voor nieuwe partijen broeken. Maar ik heb er een theorie over.” Daar komt één van zijn verhalen. “Mensen moeten alsmaar meer meesleuren. Vroeger waren het alleen autosleutels, een portefeuille of een zakdoek. Maar tegenwoordig? Iedereen heeft een smartphone in zijn broek zitten. En een mondmasker. En een attest om binnen te mogen.” “Oké”, zeg ik. “Maar daar verslijten toch geen broeken van.” “Nee, maar mensen kloppen   continu op hun broek. Mondmasker? Check. Portefeuille? Ja. GSM? Check. En ze voelen maar. Daar gaan broeken sneller van verslijten. Ze vertelden het me in de fabriek. Stof is onderhevig aan wrijvingen.” Bij het koffiehuis voel ik in mijn broek naar mijn telefoon. Ik zie hem grijnzen. "Weet ge nog van meester Ivo", zegt hij als de koffie verschijnt. "Die zei altijd dat ik mijn broek zat te verslijten in de klas. Geweldig toch."

Rudi Lavreysen
17 0

Het pistool

Ik moet zes of zeven jaar geweest zijn. Meer dan vier decennia later steekt het niet op een jaar. Het was zomer. Ik sta voor het huis in mijn korte broek en een bruin cowboyvest. Op mijn hoofd draag ik een cowboyhoed van dezelfde kleur, met vooraan een zilveren ster. Een echte Texas Ranger, dat zag je zo. Het kledingsetje kreeg ik van Sinterklaas. De revolver had ik al. In die tijd lag er naast ons huis een schrijnwerkerij. Het was er een komen en gaan van vrachtwagens, kopers en vertegenwoordigers. Al wist ik toen nog niet wat een vertegenwoordiger was. Ik herinner me dat er op vrijdagmiddag altijd dezelfde auto voor het huis stond, met daarin twee mannen. Ze droegen een pak en das en bleven minstens een uur in de auto zitten. Wat raar was, want ze stonden niet eens verdekt opgesteld. Het waren spannende tijden voor een cowboy. “Handen omhoog”, riep ik naar onze buurman-schrijnwerker. “Niet schieten”, antwoordde hij met zijn handen in de lucht. In de revolver moest je een rolletje steken. Echte kogels kreeg ik niet. Dat rode lint kwam uit de revolver als je geschoten had. Je hoorde bijna niets van de knal. De buurman merkte niet dat ik een schot had gelost, ook al had hij gevraagd om het niet te doen. Ons ma vertelde me dat ik buiten moest spelen, toen ik ‘handen omhoog’ zei terwijl ze net de aardappelen wou afgieten.   Ik had gezien dat aan de broek van onze buurman een holster hing, met daarin een pistool. De buurjongen die aan de andere kant van de schrijnwerkerij woonde, zei dat het een spijkerpistool was. “Toch ook een pistool”, zei ik. Ik wilde niet toegeven dat hij gelijk had. Maar het klopte wel. Het was de nagel op de kop.

Rudi Lavreysen
14 0