Zoeken

Thuiswerkpa

"Ze vinden toch wat uit hè", zeg ik aan tafel waar ik de krant lees. Ik kijk boven mijn leesbril de huiskamer in. Mijn huisgenoten zwijgen als vermoord. Geen wedervraag. Geen 'wat vinden ze dan uit?'. Ze turen elk naar hun scherm. De aantrekkingskracht van de tv en de smartphone is zo sterk als de magneet die tegen de ijskast allerlei papiertjes verzamelt. "Thuiswerkmoe. Dat is een titel in de krant. Over een moe die thuis werkt wellicht. Dan ben ik soms een thuiswerkpa." Als ik alleen thuis ben, werk ik in de eetkamer. Anders trek ik naar boven, naar het torentje. Driehoog. Daar zie ik door het dakraam bijna het gebouw van mijn werkplek. Ik ga wel eens naar boven met mijn jas aan. Op mijn sokken. "Waar gaat gij naartoe met die jas?", vragen ze dan. "Naar het werk hè schat. Kus. Tot straks." De mopjes worden wellicht flauw van het lang binnen zitten. Het is zoals soep die je te lang laat koken, dan gaat de smaak van de verse groenten weg. Onze pa was geen thuiswerkpa. Zijn laatste job was die van portier in de fabriek. Dat kon hij thuis niet uitoefenen. Al bracht hij zoals iedereen zijn werk af en toe mee naar huis. Zo beantwoordde hij thuis de rinkelende telefoon ooit met 'hallo portier'. De mensen aan de andere kant van de lijn wisten het, dat hij zich soms vergiste. Er werd nog niet zo veel gebeld in die dagen. Al vanaf de eerste zinnen in het artikel over de thuiswerkmoe blijkt dat ik de titel verkeerd geïnterpreteerd heb. Het gaat over mensen die het thuiswerken moe zijn. Die de babbels bij het koffieapparaat missen. Die de gesprekken over voetbalwedstrijden missen. Mensen die thuis een jas aantrekken als ze de trap naar hun bureau opgaan.  

Rudi Lavreysen
3 0

Zonderling

Hij keek naar me vanuit de klokkentoren. Nu zag ik hem. De contouren van zijn gezicht lijnden zijn neusbrug af tegen de westenzon en de slagschaduw verlengde zijn wimpers. De hoeken van zijn kaken spleten de kille wind. Hij leek nog zwaarder in de toren verankerd dan de klok die achter hem hing. En hij keek naar mij. Was het aan mij om de verrekijker neer te leggen? Was het aan mij om actie te ondernemen? Of zouden we naar elkaar blijven staren door deze vettige glazen die het licht zo buigen, op een manier dat je vlakbij bent? Zou jij nog iets ondernemen? Ik dacht van niet. Je stond doodstil, net een standbeeld, bevroren in de klokkentoren. Maar jij voelde dat niet. Jij leek al dood. Wanneer je zo één bent met de kilheid, voel je die op den duur niet meer. Ik daarentegen, lag hier doorweekt in het natte gras, mijn armen zwaar van de verrekijker te tillen. Ik wist niet eens of ik mocht bewegen. Of je blik dat wel toeliet. Gisterenavond telde ik precies twaalf bosjes sneeuwklokjes in de voortuin. Vanmorgen maar negen. Dat was iets waarvan je dacht dat ik het nooit zou opmerken. Ik weet niet waarom net die sneeuwklokjes de doorslag gaven om je te volgen. Zo bijzonder ben ik niet aan ze gehecht. Misschien was het omdat ik een vrije dag had, zonder plannen. Ik bleef zitten met een benauwdheid die gedurende de dag aanzwelde. Een tinnitus die de ochtend verstoorde, een ambetantigheid tijdens het middageten, een verstorend gebrom in de namiddag. En ’S avonds? Tja, ’s avonds een luide slag toen ik je zag staan.

Tiktaalik
4 0

De beul van de duivelsputten

Sage: De beul van de duivelsputten  Een woord van waarschuwing aan de argeloze bezoeker van de oude steengroeven te Hekelgem: indien je lichtjes ontwaart die voortbewegen in het duister, volg die dan zeker niet. Dat zijn de dwaallichtjes van de duivelsputten en deze leiden alleen maar verder het moeras in. Het zijn zielen uit donkere tijden die ronddwalen in de schemerzone van leven en dood. Het zijn de geesten van struikrovers, criminelen en armoedzaaiers die, verscheurd door pijn, zich voeden met wraak over hun vreselijke eind. Een laatste misdaad strikte hen als vliegen in draden van een meedogenloos gesponnen web. Hoe zondig ook hun daad, de straf die volgde, was veel te zwaar.  Reis mee in de tijd waar dit web reikte tot in de verste uithoeken. Hoor de voetstappen van de macht drukken in aarden wegen en hoe harde soldatenvuisten bonken op misdadigers houten deuren. Ze dreigen met puntige zwaarden en snijden door een laatste omhelzing met hen die achterblijven. Handen en voeten worden gekneveld; de schelmenhuid omslaan met stalen boeien. De oren vullen zich met bevelen die afsnauwen en tot spoed oproepen. Voortaan is het enkel nog luisteren dat ze mogen doen; hun antwoord telt niet meer. Uit het zicht verdwijnen nu ook de dorpen, huizen en bossen waar ze ooit leefden en lief hebben gehad. Zak verder door in het web en draai mee met geplaveide wegen naar het centrum van het hertogdom. Hier is de vuiligheid uit de straten verdwenen maar in de harten van de inwoners belandt. Kijk mee door hun wrede ogen waar nijd en afgunst zich uiten in oordelen tegen onbekenden. Lach ook, nu deze worden bespuwd en bespot opdat de eigen gebreken kunnen worden vergeten. Volg hoe de beschuldigden nu worden voortgeduwd om te verschijnen voor hun rechter. Op afstand en uit de hoogte preekt hij wet, de kasteelheer, over het volk dat hem toebehoort.  Zijn perkamenten gezicht is van elke emotie beroofd en verveling in zijn geest heeft hem gemaakt tot roofdier van het gesproken woord. Merk hoe ambitie zijn ziel heeft overwoekerd en deze schuilgaat achter lofredes van gelijkheid en rechtvaardigheid. In zijn kleurrijk gewaad predikt hij, nu met scherpe tong, het zwarte vonnis van de dood. Zijn priemende vingers wijzen de duivelsputten als plaats van strafvoltrekking aan. Bespeur de gezichten van de veroordeelden en merk hoe die plek hen zonet deed verstijven van de schrik. Het is niet langer meer de dood die zij vrezen, maar dát wat er aan vooraf zal gaan. De beul van de duivelsputten was een onopvallende, ietwat gedrongen man, die tussen het gewone volk had in geleefd. Ooit een dokter – zo werd gezegd – die zieken verveeld bekeek als het slechts om koorts of een vervelend kuchje ging. Ging het slechter met zijn patiënten dan nam de duur van zijn bezoek en interesse zienderogen toe. Zo nam hij alle tijd in de laatste uren aan het ziekbed en bracht hij zijn gezicht bij een doodsreutel erg akelig dichtbij. Hij liet zich ooit ontvallen dat het in deze laatste ogenblikken was waarin hij zichzelf het meest voelde leven. Dat verdwijnen van het levenslicht uit ogen, bood hem een glimp voorbij de dood. Het was een begeerte waar hij geen vat op kreeg en ook niet langer wilde. Hij liet zich meeglijden in de diepte waar een mysterieuze macht hem warm omarmde en verder aan hem trok.  Toch was ieders verbazing groot toen deze respectabele heer zich aanbood voor de aanstelling als lands executeur. Vanaf die dag ging hij rechtop lopen en vormde zich een gemene lach rond zijn strakke lippen.  Hij wendde zich af van het publieke leven en trok zich terug in een spelonk nabij de putten. Laat ons terugkeren naar de boosdoeners die thans naar dit hol van de beul worden gedreven: enig vertragen doet bloedhonden aan kettingen met ontblote tanden dreigen, een val wordt gevolgd door de klap van een lans, stilstaan doet soldaten de kettingen lossen en de honden naar reeds bebloede enkels happen. Elke stap brengt hen nu dichter naar het eind.   De lijven sidderen van angst, waardoor het web trilt en schudt. De beul verschijnt. Zijn lichaam heft zich dreigend voor hen op. Geklemde kaken verbergen de klauwen die hij in zich draagt. Gif welt op vanonder in zijn buik.  Zijn borst zwelt aan en maakt een hijgend geluid. De soldaten huiveren en verdwijnen; opgelucht dat hun plicht is vervuld. Het zijn immers de anderen die met hun ketenen aan in de duivelsputten blijven. De beul is alleen nu en schiet vooruit. Zijn blik is donker en genade schijnt er niet in door. De beul neemt zijn tijd. Hij geniet, bijt en … spuit zijn zwarte gif. Zij die heel hun leven om aandacht smeekten krijgen nu meer dan wat ze wilden in hun laatste ogenblikken: monden sperren zich van angst wijd open, lichamen krimpen, krommen en vluchten weg in onmogelijke bochten. Het zijn enkel de dwazen die nog vasthouden aan het leven; ieder ander hoopt op een snelle dood. Hoor hoe de lucht zich vult met gekrijs en kermen.  Merk hoe omwonenden vrezen voor hun eigen lot.  Ze trekken zich terug in hun huizen: de ramen gaan dicht en de deuren op slot. Weg zijn nu de buren met hun argwanende en schuldige blikken. Er rest hen enkel de stille medeplichtigheid die een geweten schopt.

Hans Fraeyman
7 0

De hond in de winterzon

"Je bent bijna zoals een hond", zegt mijn vrouw. "Die doet dat ook." Het klopt. Een hond schuift telkens mee op met de zon, als die haar stralen op een andere plek in huis richt. Zodat hij de warmte blijft voelen. Ook ik verleg me op de bank voor het raam tot ik het laatste stukje winterzon op mijn gezicht krijg. Om halftwee komt ze voor het eerst piepen in onze woonkamer. Als ze zin heeft natuurlijk. Een winterzon op zondag, dat is geld waard. Met een boek of de krant en de radio die op de achtergrond zachtjes speelt. De krant vertelt me dat er ook in ons land alsmaar meer voor- en tegenstanders zijn. Dat we de Nederlandse toer opgaan. Voor of tegen een vaccinatie. Voor of tegen de klimaatopwarming. Voor of tegen Zwarte Piet. Samenzweringstheorieën steken de kop op Leren ‘akkerderen’, zoals pa het vroeger al rijmend zei, is niet meer van deze wereld. De radio speelt een vrolijk lied. Al is het eigenlijk de tv die radio speelt, want de provider zendt het radiosignaal niet langer uit via de kabel. Kijk, daar ben ik wel tegen. Ik zou het oude radiotoestel van de zolder moeten halen, maar daar is niet iedereen in huis voorstander van. De zon richt ondertussen haar stralen op het schilderij dat onze jongste ooit creëerde in de tekenles. Het heeft een vaste plek in huis. Stel je een man voor in Picasso stijl, een geschilderd borstbeeld in diverse tinten grijs. In zijn grijnzende mond, aangekleed met een fraaie snor, zit een dikke sigaar waaruit grote rookwolken komen. Hij lijkt wel te zeggen dat we allemaal de sigaar zijn. Je kan daar tegen zijn, maar helemaal gelogen is het niet. Al ben ik voorlopig nog de hond op de bank in de winterzon.

Rudi Lavreysen
8 0

De vijf ingrediënten...

De klap kwam harder aan dan ze verwacht had. Nadat de schrijfcursus gisterenavond was afgelopen, was ze als een vat adrenaline in bed gesprongen. Procrastinatie was absoluut niet een van haar eigenschappen en ideeën had ze zat! Pas na enkele uren was ze uiteindelijk toch in slaap gevallen. Als huiswerk moesten ze iets maken met de vijf ingrediënten. Nou, dat zou een makkie worden. Ze overliep nog eens wat ze tot nog toe al had bedacht. Locatie. Een romantisch restaurantje? Nah, een exotisch eiland was beter. Wuivende palmbomen, zachtjes aanrollende azuurblauwe golven en een nagelwit strand dat afgezien van hun ligstoelen, parasol en een handvol verdwaalde papegaaien compleet verlaten was. En een groot strandlaken. Extra large. Personage. Een man. Een lange, gespierde, gebruinde man. In een spannende zwembroek. Definitely. Antagonist. Hihihi, daar hoefde ze niet over na te denken: dat was ze zelf! Uiteraard. Tijd. Jee, wat zou ze zeggen? Met geniepige oogjes en een smeuïge glimlach bedacht ze dat ze volgende week wel een paar daagjes tussen de ontplofte afspraken in haar agenda kon wurmen. Spanning. Oh, ze had voldoende input om de dingen met hem spannend te maken. Meer dan genoeg… Ze kreeg het al warm. Héél warm. Ze zag het al helemaal voor zich! Maar wat ze in haar dagdromen níét had gezien, was de ijsplek op het fietspad. En het was te laat om hem te ontwijken. Daar lag ze dan, in een ondiepe gracht, haar mond net niet vol met bevroren modder. Nou, de zonsopgang vanuit kikvorssperspectief was anders ook niet mis. Al lagen de bevroren bulten nu ook niet bepaald comfortabel. Voor ze het wist staarde ze in diepe, donkere ogen, die verbonden waren met de stevige armen die haar in één ruk uit haar geïmproviseerde prinsessenbed trokken. Oh... My... God… Had ik vanochtend dan toch maar mijn wenkbrauwen bijgewerkt, verfoeide ze zichzelf, terwijl ze met haar mooiste glimlach zijn aandacht naar haar gestifte lippen probeerde af te leiden.

Tinkelbel
6 1

Eddy Enhoenog

Het is een opvallend fenomeen. Nu de cafés, tavernes en eethuizen al een tijdje dicht zijn, begin ik ze te missen. Een aantal zaken hebben ze gelijk, deze onbekende vrienden. Meestal weet je niet waar ze wonen. Een gsm-nummer heb je niet. Met een beetje geluk ken je hun familienaam, maar vaak niet. Nu denk je misschien: ik heb die niet, van die cafévrienden. Ik durf het te betwijfelen. Ik denk dat iedereen er heeft. Bijvoorbeeld iemand die je vaak ontmoet in de cafetaria van het zwembad als de kinderen in het water ravotten. Of het koppel met wie je na de film een praatje maakt. Of met de man die elke woensdag met de markt op hetzelfde tijdstip een koffie drinkt in het koffiehuis. Nu al die plekken gesloten zijn, ontmoet je elkaar ooit in de supermarkt.  Of op straat. Dan knik je beleefd of je zwaait naar elkaar, zoals truckchauffeurs of bikers dat doen, omdat ze tot dezelfde groep behoren. Maar een praatje maken doe je daar niet. De magie zit tegelijk in de locatie waar je elkaar in normale omstandigheden tegenkomt. Ook is er meestal een gemeenschappelijke interesse. Bijvoorbeeld sport, kunst of politiek. Zo heb ik het thuis ooit over Eddy. Ik zag hem regelmatig in de zaak met de Parijse terrastafels. “Eddy heeft die film gezien”, zeg ik dan. Of: “Eddy is pas in dat restaurant geweest.” “Welke Eddy?” “Tja, Eddy van dinges”. “Eddy en hoe nog?” “Zijn familienaam ken ik niet.” “Waar woont hij?” “Dat weet ik ook niet.”Er wordt al eens smalend over hem gedaan. “Aaaah, Eddy vertelde dat zeker.” Alsof ik hem verzonnen heb. Dat hij een onzichtbare of een denkbeeldige vriend is, zoals kinderen er ooit eentje hebben in een film of in een jeugdboek.Maar hij bestaat echt. Al zie ik hem nu niet meer zo vaak. Eddy Enhoenog.

Rudi Lavreysen
20 3