Zoeken

Florence, 39 jaar

1944Trein Oostende-BrusselEr zijn genoeg lege banken in deze wagon, maar ik ben toch maar tegenover die meneer gaan zitten. Hij ziet er vriendelijk en deftig uit. Welgemanierd is hij ook. Hij vraagt of ik er bezwaar tegen heb dat hij zijn pijp aansteekt. Ik schud mijn hoofd en geef hem mijn schoonste glimlach. Ge moet de mensen tegemoet komen, ik zit niet graag alleen. Het kan gemakkelijk een uur of vier duren eer we in Brussel zijn. Als er tenminste geen vertragingen zijn.  Hij haalt een boek uit zijn boekentas en begint te lezen. Spijtig, ik had graag een babbelke gedaan. Er zit een blauwe kaft rond zijn boek. Een zorgzame mens, dat ziet ge.  Er staan prentjes in van bloemen en planten. Curieus.  Zeker geen sukkelaar, aan zijn vest en zijn broek te zien. Zijn schoenen blinken. De mijne ook. Ik ben blij dat ik mijn beste jas en mijn visonkraag heb aangedaan. Ge kunt onderweg nooit weten wie ge tegen komt. Hij draagt een trouwring. Spijtig. Een fatsoenlijke man is moeilijk te vinden voor een weduwe gelijk ik. Ofwel zijn ze getrouwd, ofwel zijn ze in dienst. Van soldaten moet ik niets hebben. Die zijn hun zelve niet in deze tijd.  Als we Gent gepasseerd zijn, zal ik mijn boterhammen bovenhalen. Misschien wil hij er een.  ‘Een stutte?’ vraag ik.Ik steek een boterham met gebakken eieren in zijn richting. Er vallen wat kruimels op de bladzijden van zijn plantenboek. Hij blaast ze weg en kijkt op.  ‘Een stutte? Gij komt zeker van Bachten De Kupe?’ ‘Nee’, zeg ik, ‘van Watervliet’ ‘Watervliet, daar is geen station’, zegt hij.  Ik vraag hoe hij dat zo goed weet. Is hij al eens in Watervliet geweest, misschien?  Nee, hij werkt bij de Spoorwegen. Hij kent alle stations van Vlaanderen en Henegouwen uit zijn hoofd.  Ik vertel hem dat ik in Watervliet bij mijn moeder geweest ben en daarna bij een tante in Brugge. Nu ben ik onderweg naar Brussel want ik werk in de bakkerij van mijn nonkel. Morgenvroeg moet ik om zes uur de winkel opendoen.  Hij vraagt waar die bakkerij ergens is. Toch wel vlakbij zijn werk zeker! Is dat niet toevallig? Hij zegt dat hij bij mij eens koeken zal komen kopen. Tijdens de middag maakt hij soms een wandeling in de straten rond het Noordstation. Ik vraag of hij misschien naar zee is geweest. Hij steekt zijn boek in zijn boekentas. Veel van de zee heeft hij niet gezien, hij was daar voor zijn werk. Bij de spoorwegen moet ge nogal eens op zondag werken. Hij vindt dat niet erg, dan kan hij in de week soms een dag op zijn gemak thuisblijven en in de hof werken.  Of hij kinderen heeft, vraag ik, want dat hij getrouwd is, weet ik al. Een dochter van zeventien, op pensionaat in de Staatschool van Laken. En zijn vrouw dan? Zit die dan alleen thuis?  ‘Ze is schooljuffrouw in de gemeenteschool in ons dorp.’ En dan zwijgt hij. Ik ben misschien te nieuwsgierig geweest. We kijken wat door ’t venster en weten niet meer goed wat te zeggen. Het landschap wordt al heuvelachtiger en meer bebouwd. We naderen Brussel. Als hij in mijn richting kijkt, lach ik nog eens.  Hopelijk komt hij morgenmiddag naar de bakkerij. Dan zal ik hem eens goed bedienen. Ik kan hem laten proeven van onze frangipanekoeken. Het zijn de beste van Brussel en omstreken.

Christine Van den Hove
0 0

Een aarzelende schoonheid

We zijn op weg naar Brussel, voor een concert van onze favoriete band. Ze spelen voor de tweede avond op rij een uitverkochte show. "Heb je gezien wat ze gisteren speelden?", vraagt mijn vriend aan het stuur naast me. "Serieus, staat die playlist online?", vraag ik terwijl ik mijn telefoon uit mijn broekzak haal. "Ze spelen nooit twee avonden na elkaar allemaal dezelfde nummers", zegt hij. "Anders is het voor hen ook niet plezant." "Ja, daar is iets van", zeg ik. "Dat is alsof je elke dag hetzelfde zou eten. Alhoewel, vroeger bakten we thuis op maandag de overschot van de op zondag gekookte aardappelen in de pan. Met wat er over was van de groenten. Ik vond het dan nog beter smaken.” We hebben tijd om over vroeger te mijmeren. "Ze hebben gisteren 'Hesitating beauty' gespeeld", zeg ik met een blik op de setlist. "Wist je dat Woody Guthrie die song geschreven heeft?" Natuurlijk weet hij dat. “Dat wordt geen aarzelende schoonheid vanavond”, zegt hij. We hebben tijd om taallolligheden in het rond te strooien. Nog meer dan het liedje zelf, is de titel van de song een parel. Schoonheid begint aarzelend. Het laat zich niet meteen zien. Soms moet je twintig keer naar een schilderij kijken om die schoonheid te zien. Of een song telkens opnieuw beluisteren. Of dertig keer een gedicht lezen. Echte pracht neemt een aarzelende start, maar blijft dan hangen. Maar dat vertel ik allemaal niet in de auto. "Van Brussel zeggen ze ook dat het een aarzelende schoonheid is”, zeg ik. “Na een tijdje ga je ervan houden.” Dat aarzelend blijkt te kloppen. De bus die ons vanaf de randparking naar de concertzaal brengt, moet aan een slakkengangetje rijden. Brussel zit potdicht. Alsof het prachtig concert ook aarzelend op gang moest komen.  

Rudi Lavreysen
19 1

Aliens Alliance

Op de kerktoren wijst het verlichte uurwerk vijf over acht aan.  Klokslag acht is hij begonnen aan zijn dagelijkse avondwandeling met zijn Golden Retriever. Vreemd, dat het kerkplein leeg is op dit uur. Er hangt iets onheilspellend in de lucht, alsof er elk moment iets te gebeuren staat. Dan merkt hij het vliegend gevaarte dat achter de kerktoren vandaan komt alsof het er zich al die tijd had verscholen. Hij ziet ook de lege lijnbus die voor de kerk geparkeerd staat. De hond gromt vervaarlijk. Het plein baadt plots in een oogverblindend licht. Hij moet de ogen sluiten. Als hij de ogen terug opent, ziet hij de totaal uitgebrande bus aan de bushalte.  Het ding dat hij als een ruimtetuig bestempelt verdwijnt zo snel het gekomen is in het wolkendek. Later leest hij in zijn favoriete krant: Was het de kleur of het nummer van de lijnbus?  Men had er het raden naar wat deze creaturen bezielde toen ze het stilstaande voertuig aan de halte eerst met een alles verschroeiende vuurstraal bestookten om het meteen daarna met ijskoud sneeuwschuim  te blussen. Gelukkig zat niemand op de bus en de bestuurder, die net terugkeerde van een plaspauze was de enige getuige. Het idee werd als ongeloofwaardig afgevoerd dat dit een reclamestunt betrof van een lokaal wellnesscenter. Hun poster  op het wachthuisje had het over:  ‘Eerst heerlijk warm in de sauna, dan lekker rillen in de ijskamer.’ De bekende roddelkrant  had een fortuin betaald voor het exclusieve verhaal van de buschauffeur. Veel later had hij vernomen dat de (on)fortuinlijke man ontslag had genomen en nooit nog met een bus had gereden. Hij had nochtans  ook op het plein gestaan maar had zijn ogen hard dicht geknepen bij de lichtflits. Wie zal dit ooit geloven?  

Vic de Bourg
8 0

Bijdrage aan een schrijfwedstrijd.

CurieusWest organiseerde onlangs een schrijfwedstrijd. In "One Moment in Time" vind je het hoofdstuk Verhaal nummer 40 , mijn oorspronkelijke bijdrage vind je hier. Saskia De Coster schreef begin, midden en einde in dit spannend schrijfavontuur.  De volgende dag vallen de maskers af. ‘Jullie worden over een uur verwacht. Sofie.’ las Michel op zijn gsm. Het wordt geen koffiekransje, weet hij. ‘Kleed je aan, we vertrekken,’ beveelt hij Maris. ‘Michel, wat…’ en kleedt zich snel aan. ‘Stel geen vragen, schiet op.’ Ze heeft nochtans op dit moment gewacht. In de auto die hen van Oostende naar Brussel brengt, beseft ze dat de wereld niet is veranderd; gedichten, teksten van werkloze auteurs, kleffe televisieprogramma’s, domme influencers en arrogante opiniemakers ten spijt. Iedereen heeft plotseling iets te zeggen en iedereen zegt uiteindelijk hetzelfde. Altijd dat ik. Altijd dat ego. Altijd dat showgehalte. Altijd geschreeuw en gegil. Huidhonger vindt ze een irritant woord.             Maris zucht. Michel zegt geen woord. ‘Ik ben geen Madame Soleil. Ik voel de dingen aan, ik leg verbanden,’ terwijl ze aanwijzingen probeert te zoeken op haar gsm maar de gezichtsherkenning ontgrendelt het apparaat niet. Idiote trut, denkt ze. Het is haar mondmasker. Sterke software toch.             Na anderhalf uur rijden doemt de basiliek van Koekelberg op. Via Molenbeek rijden ze richting Zuidstation naar hun eindbestemming. Ze weet wel naar waar. Brussel ontwaakt als uit een roes, dat doet de stad iedere ochtend, maar vandaag lijkt de stad slecht te hebben geslapen. Mensen met blauwe mondmaskers negeren het afstandswandelen. Ze buigen de hoofden naar hun schermpje, ze kijken niet naar elkaar. Verderop staan mensen te wachten voor gesloten prularia-winkels die straks hun koopverslaving zullen weten te temmen. Het monster van de graai-economie is terug.             Mensen hebben veel van zichzelf verloren, bedenkt ze. Het lijkt ook niemand te storen dat de overheid zomaar in de privacy van je huis en van je leven kan komen. Tok tok op de deur, kom maar binnen en kijk maar rond. Wat is er met hun kritische blik op de wereld gebeurd? Ze mist de lockdown al. Ze wil berusting. Nog even en dan… Haar kleding schuurt over haar lichte brandwonden en brengt het ongeluk terug in haar geheugen. Ze herinnert zich dat ze wakker werd in de kliniek waar verpleegster Saskia zich over haar ontfermde. Ze vergeet nooit haar warme strelen, haar goedlachse ogen en haar flauwe humor die haar erdoor hebben gesleurd. Hoe goed het voelde toen ze afspraken eens te gaan ontbijten in hotel du Parc of cava te drinken in beachbar Polé-Polé. Nu had ze perspectief. Een nieuwe vriendin misschien om mee op het podium te staan.             Op de radio klinkt een treurig liedje van Whitney Houston. Nooit meer Whitney, denkt ze bij zichzelf. Whitney is vallen en uitschuiven. Te veel miserie. Als ik terug op het podium sta, wil ik iets krachtiger. Iets wat een hit had moeten zijn, de hele wereld had moeten wakker schudden. Iets met tekst, met inhoud, met ballen en met borsten. In alle kleuren. In alle tonen. In alle stijlen.             De auto rijdt de ondergrondse parking van het ministerie in. De chauffeur parkeert de wagen. De deur gaat open. Ze voelt een lichte opwinding opkomen. Ze is er klaar voor. Game over.  

Erwin Abbeloos
0 0

Het monster op mijn zolder

Heb ik je al verteld over het monster op mijn zolder? Gulzig als het is, vreet het de kennis uit mijn oude schoolboeken. Bittere wiskunde moest er eerst aan geloven. Momenteel verwerkt het monster het zure schoonschrift maar het nadert zienderogen onze kruidige geschiedenis en mijn honingzoete taal. Met zijn vlijmscherpe tanden trekt het grote gaten in uit de mode zijnde kledij die niemand nog wil dragen. Het herleidt mijn stoere forten en droomkastelen tot een miezerig hoopje blokken. Met een rode pen past het onverbiddelijk de liefdesbrieven die ik nooit heb durven versturen aan de nieuwe spelling aan. Met een rietje zuigt het koortsig alle kleuren uit steeds fletser wordende vakantiefoto’s.   Ik heb ooit geprobeerd om het monster te weren uit dichtgeplakte kartonnen dozen onder een dikke laag stof, uit antieke kasten aangetast door houtworm, uit poëzieschriftjes en vriendjesboeken met een klein slotje erop, uit dagboeken die niemand anders dan ikzelf mocht lezen, uit verbleekte cassettedoosjes en gebroken CD hoesjes van al lang overleden tieneridolen maar toch steeds weer vindt het ergens een minuscuul gaatje om naar binnen te sluipen.   Ik heb al meermaals wanhopig getracht om het monster te vangen in een troostende gedachte, een melancholisch lied, een mooie rijm, … In elke naïeve poging van mezelf om iets tijdloos en uniek te creëren. In de ondergaande zon, de schoonheid van haar glimlach of de warme omhelzing van een bad na een lange werkdag in december maar na de hoop en de roes hoor ik de zoldervloer weer kraken en vervalt het genadeloos in zijn oude gewoonten.   Sinds kort gooi ik het over een andere boeg. Ik werp zonder scrupules al zijn potentiële prooien in de vuilnisbak.   Sindsdien is het stiller in huis.   Ongetwijfeld waart het monster nog ergens rond maar ik slaag er steeds beter in zijn aanwezigheid te negeren, ja, zelfs te vergeten.   De zolder wordt binnenkort een kinderkamer.

Koenraad Vuncker
3 0

Binnendieren.

 Samen met mijn kater zit ik achter frisgewassen tralies van glas. De wereld ging op slot, alweer vijftig dagen geleden. Het nieuwe gewoon.De anderhalvemetermaatschappij en burgerzin zijn begrippen geworden die we dagelijks lezen in de krant. Een gemeten geweten, toch lossen cijfers niet alles op.De lente doet haar best, knoppen ontploffen, zelfs binnen tranen mijn ogen als gevolg van een pollenallergie, deze kent geen grenzen. De zon probeert ons uit onze tent te lokken maar we zijn moedig en houden vol. Kinderstemmetjes klinken door de dunne stadsmuren waar ze eigenlijk buiten zouden moeten klateren, als fris water na lange droogte. De wolken razen voorbij, enkel de wolken, mensen razen niet meer. Ik praat tegen de planten, de kat en natuurlijk tegen mezelf. Zoveel verloren woorden, die vallen voordat ze zijn aangekomen. We luisteren naar elkaars verhalen, draadloos verbonden verdrinken we in eenzaamheid. De glimlach, verstopt achter een zelf genaaid masker, zo zien we eruit als bandieten in een western. Ogen blikken angstig weg. We zijn allemaal potentieel gevaarlijk, virusdragers, tot de dood erop volgt. Pijlen op de grond als een speurtocht voor kinderen, moeten verhinderen dat we elkaar voor de voeten lopen in leeg gehamsterde winkels.Haren groeien onverstoorbaar verder net als het gras in het park. Waar je niet mag gaan zitten, enkel in beweging, snel snel een frisse neus. Boetes voor te dichtbij worden uitgedeeld als zoete broodjes op een zondagochtend. De dagen verliezen hun betekenis. Kinderen verwelken nog in de knop, oudere worden behandeld als dor hout. Ramen zijn etalages van verstilt leven waaruit witte lakens wapperen vol overgave. Elke avond klappen we ons naar de waanzin voor helden die tot voor kort wegbezuinigd werden.Economisch gezien is het een ramp, orakelt het nieuws. Mentaal een catastrofe fluisteren we zacht tegen de muren. Mijn huid hongert waar stille hoop groeit dat we mogen beseffen wat er werkelijk toe doet in een gelukkig leven.Ik sta op, geef de kat zijn brokjes en maak de essentiële verplaatsing naar de bank. Weer een dag op de kalender en de zon gaat onder. Hanneke van de Kerkhof    (2-5-2020)

Miss Blue Sky.
14 2

De vraag van de dag

Hij ligt op tafel. De vraag van elke dag. "Wat eten we straks?" Als het compromis er eindelijk is, schrijven we de benodigdheden en de rest van de boodschappen op een geel notitiepapiertje. Inkopen doen, het kleurt tegenwoordig je dag. Bij de supermarkt worden we in de wachtrij begroet door een kennis. "Ik ga naar Italië", lacht hij. "Straks maken we zelf pizza. En jullie? Naar de zee? Dan moet ge naar de visafdeling. Och, je mag toch een beetje plezier hebben." Aan de winkelkarren wacht een medewerker ons op. Met de beste wil van de wereld versta ik niet wat hij zegt. Zijn mondkapje zit er voor iets tussen. Ik schakel over op mijn dovemansmechanisme. Doen alsof je het begrepen hebt, tegelijk ja en nee knikken, hm hm murmelen, maar in werkelijkheid niet weten wat er gezegd wordt. Maar mijn tactiek werkt niet. Hij houdt me tegen. "We moeten allebei een kar nemen", zegt onze jongste. “Oké”, zeg ik, waarna ik een jeton uit mijn portefeuille haal en de tweede winkelkar losmaak. Het doet me plots aan een botsauto van de kermis denken. Wat in de groenteafdeling niet overdreven is, want door de drukte is een botsing niet uitgesloten. We besluiten om elk een deel van de boodschappen te doen. Om hem terug te zoeken ga ik achteraan in de supermarkt de rijen af om ze volledig te overzien. Maar hij doet tegelijkertijd hetzelfde, waardoor we elkaar missen. Gelukkig hebben we allebei een telefoon. Ik hoor hem vlakbij ‘hallo’ zeggen. Bij het inladen krijg we een stortbui op ons hoofd. Kletsnat stappen we de auto in. We lijken wel twee kletsnatte honden die uit het water komen en zich droogschudden. Ik doe er nog een luid hondengeblaf bij. Maar soms moet je ook weten wanneer het genoeg is geweest.  

Rudi Lavreysen
7 0