Zoeken

Bibliotheekbus

Gggod verr domme! Zijn vloek klonk als aanrollende donder alleen was het voor schuilen al te laat. Zit je nu weer met je kop in een boek, brulde hij terwijl hij haar paardenstaart vastgreep, het rond zijn pols draaide en haar  eraan uit de zetel omhoogtrok tot enkel nog de tippen van haar tenen de grond raakten. Wat hebben we  afgesproken? siste hij in haar oor, Zeg het mij ,wat? De pijn deed haar naar adem happen. Ik wacht, wat hebben wij afgesproken? en hij verstevigde zijn greep nog Ze probeerde de pijn te verbijten.  Ik hoor niets? Kom zeg het dan, wat zijn we overeengekomen? Examens voorbij, …boeken toe, lukte het haar om te zeggen Wat, ik heb het niet goed verstaan, zeg het nog eens? Examens voorbij, boeken toe, perste ze eruit Hij liet haar paardenstaart los. Ze  wankelde  en moest zich vasthouden aan de zetelleuning om niet te vallen. Inderdaad, examens voorbij, boeken toe en wat is dit dan?, zei  hij en hij pikte met twee vingers het boek op dat uit haar handen gegleden was, hief het ter hoogte van zijn linkerknie en schopte het dan met zijn rechtervoet de lucht in.  Als een vogel met kartonnen vleugels vloog het de kamer door om dan met een smak op de koude assen van de haard te vallen. Zo, grijnsde hij tevreden, daar maken we een lekker vuurtje mee. Waag het niet om het eruit te halen! Maar Vake, dat boek is niet van mij! protesteerde ze Ah neen? Van wie is het dan? Wie heeft jou een boek gegeven? Wie? Hij sloeg met zijn vlakke hand op tafel. Het is van de bibliotheek, zei ze met een klein stemmetje en ze ging automatisch aan de andere kant van de zetel staan. Wanneer ben jij naar de bibliotheek geweest? He? Wanneer?  Heeft die van hiernaast je weer meegenomen? Ze schudde haar hoofd. Neen? Dan heeft dat wijf van Tavernier het voor jou meegebracht? Ze schudde opnieuw haar hoofd. Hij zuchtte ostentatief, ga je het  mij nu nog zeggen Lisette of… Hij hief zijn hand dreigend de lucht in. De bibliotheek heeft een bus waarmee ze één keer per week een ronde doet en die stopt aan het erf van Eggers. Die informatie leek hij  even te moeten verwerken. Waarom? Om iedereen de kans te geven om boeken uit te lenen, ook zij die ver weg wonen zoals wij. En die van Eggers die lezen boeken zeker? Ja, allemaal.  Maar Prosper Eggers toch niet. Jawel, Prosper leest graag verhalen over oorlog en spionage, zegt hij en Maria leest graag kasteelromans en de kleinkinderen lezen vooral stripverhalen Mannekesbladeren! Voor kinderen die nog moeten leren lezen? Die kinderen kunnen allemaal allang lezen en heel goed zelfs. Lisette besefte meteen dat ze dit laatste niet had mogen zeggen.  Ze sloot de ogen en kromp ineen, klaar om de eerste slag te incasseren. Maanden, zelfs jaren nadien was de schietpartij terugkerend onderwerp van gesprek aan de toog van café Het Zwarte Schaap. Dat Firmin Spapens op een dag de kleine Lisette zou doodslagen hadden ze allemaal allang gevreesd maar dat hij zijn buren  als loslopend wild zou afschieten dat had niemand zich ooit kunnen indenken. Het was ook nooit helemaal duidelijk geworden wat de aanleiding hiervoor geweest was. Er werd gezegd dat toen de politie bij hem binnenviel hij rustig bij het haardvuur zat een boek te lezen, maar voor wie hem kende was dat flauwekul want Firmin kon amper lezen of schrijven.  Toch moest het iets met boeken te maken hebben wist de waard van het café want de man van de bibliotheekbus had hem verteld dat de boeken die ontleend waren door de Eggers, de Taverniers en de kleine Lisette zelf, nooit zijn teruggevonden.          

Paula Dumont
1 0

Knisperende lolly's in oorlogstijd

Het was donker en stilde golven glinsterden zonder geluidgeen mens op straatbehalve dat ene paar onder het zwakke lantaarnlichtals in een filmset. Hij 500 kilometer van huis, voor het werkzoon van een Joodse vader en Palestijnse moederglanzend lang zwart haar met pijpenkrullenamberkleurige grote ronde ogenlosse broek en lange zwarte jasspeelse tred. Zij 5000 kilometer van huis, op vakantiedochter van Gentse bourgeoisiestijl blond haargroene ogenzomers kleedjevoorzichtig volgend. Hij praatte er op losstak een kauwgum in haar mondomdat haar mond te vies rook om te kussen dacht zemaar hij kuste haar nietstak vervolgens kaaschips in haar monden praatte verderaf en toe een danspasje of theatraal gebaar.In haar mond vormden de kaaschips en kauwgum een vieze brijde walgelijke smaak eiste al haar aandachtzijn lieve woorden drongen niet meer doormaar nu kuste hij haar wel. Misschien rook haar mond nu zoals hij dat wouhaar deed het kokhalzeneen vreemde gewaarwording in combinatie met de opwindende kussenin een donker portiekin een lege vreemde badstadop een eerste date met deze vreemde man die recht van de catwalk leek te komen.  De laatste date begon op een vroege ochtendop de hoek van de straat wachtte hij haar opnam haar kin in zijn hand fluisterde Principessazette zijn zwarte hoed op haar hoofden kuste haar daarondernam haar dan bij de handen huppelde aan haar zijdeeen voet op en af het trottoirtot bij de snoepwinkelkocht haar daar een lolly met knispertjes wachtte vol verwondering en met kinderlijke ogentot de knispertjes in haar mond zouden ontploffenen een vreugdekreetje veroorzakenzij zag vuurwerk hij toverde hun leven tot een speleen feest.In zijn appartement haalden ze herinneringen ophij wou haar nog eens onder de douchewaste haar haren met bloemengeurstiftte haar lippen roodlegde haar op bed. Ze wandelden terug naar de bushaltehij opnieuw honderduit vertellend zij voorzichtig om het betoverend verhaal niet te doorbrekenhij terug naar zijn stad in oorlogzij terug naar haar huisen bij elk nieuwsbericht over een bomaanslag die hartverscheurende vraag"zat hij op die bus?"      

Fien SB
18 1

Whodunit

“Henri, haal de kap er maar af.”“Zoals meneer wenst.”Henri is al sinds de vijftiger jaren de trouwe chauffeur en toeverlaat van Emile-François de Chercheville, de notoire speurneus uit Antwerpen. Vroeger haatte hij autoritten, maar sinds Henri hem overhaalde deze felrode Austin A40 Somerset Convertible aan te schaffen, is meneer er dol op. Hij vouwt het dak achterwaarts, reikt meneer de linnen en zijden Stetson cabriomuts en Burberry sjaal aan. De prille lentebries kan nog geniepig uit de hoek komen. Wanneer ze via de leien de stad buiten rijden, verlustigt Emile-François zich aan de bewonderende blikken van de sinjoren. Soms ergert hij zich aan hen die op de fraai bewerkte brievenbussen van de luxueuze herenhuisdeuren het woord  ‘locataires’  vervingen door ‘huurlingen’.Emile-François opent het pakje dat Henri bij de drukker heeft opgehaald. Hij bewondert zijn nieuwe tweetalige en dubbelzijdige naamkaartjes:                                              Emile-François de Chercheville,                                             Privé detective /Détective privé                                      Frankrijklei , 625 B, Avenue de France                                                  Antwerpen – Anvers                                                    z.o.z – voir verso Hij is op weg naar zijn vroegere klasgenote barones Eulalie Dundergem de Strathove, die als weduwe van haar Nederlandse echtgenoot in hun ‘Seigneurie’ verblijft in Hertervoorde,  een provincienest net over de grens.Emile-François begroet haar met een handkus:  “Madame, chère copine, waar is de tijd?”“Noem mij toch Eulalie, zoals vroeger. Komt uw chauffeur niet binnen?”“Henri wacht wel in de wagen. Wat zie je er overstuur uit, wat  is er gebeurd?”“Hij ligt in de keuken, ik heb niets aangeraakt. Oh, Emile-François wat vreselijk.”“Kalm Eulalie, vertel.”“Toen ik vanmorgen wakker werd zag ik Chouchou, mijn Bichon frisé, nergens meer. Ik riep hem maar kreeg geen antwoord tot ik hem bebloed en roerloos vond in de keuken. Ik kon het niet aanzien, ben naar de vestibule gerend waar ik meteen aan jou dacht en je opbelde.”“Wie heeft er toegang tot de woonst, Eulalie?”“Jean-Louis, de tuinman, Bram, de klusjesman en Mariette, de huishoudster hebben  een loper van de keukendeur. Vandaag gaan ze pas vanaf veertien uur aan het werk.”  “Dan heb ik nog wat tijd. Sta mij toe dat ik even in huis rondloop. Ik sluit de keukendeur en laat de sleutel in het slot zodat Mariette en de beide heren moeten aanbellen om binnen te raken. Laat ze zodra ze toekomen plaats nemen  in de woonkamer. Laat niemand naar de keuken gaan en ga er zelf ook niet heen.” Aan de voordeur roept de detective Henri. Samen gaan ze naar de keuken. Met zijn vinnige mopshondogen kijkt Henri meewarig naar het toegetakelde witte hondenlijf. Hij vervangt zijn Salt&Hide tankleurige chauffeurshandschoenen door twee plastic exemplaren, waarvan hij er ook een paar aan de speurder overhandigt. Hun meticuleuze onderzoek van het kadaver levert snel resultaten op. Tijdens hun werk horen ze hoe er onverrichter zake aan de keukendeur wordt gerommeld. Even later begeven ze zich naar de living waar de drie huisbedienden raar naar hen opkijken. Zonder een woord uit te brengen bekijkt Emile-François hen van top tot teen en verzoekt hij Eulalie en Henri de kamer te verlaten.In de vestibule vraagt Henri aan Eulalie om de veldwachter te bellen en te vragen met de dievenwagen naar ‘Heerlijkheid Hertervoorde’ te komen.“Uw nieuwe blauwe salopette heeft u verraden, meneer Bram. Ik beschuldig u van moord op Chouchou. Hier hebt u het stukje stof dat ik in de muil van het beestje vond. Het zal precies passen in het gaatje onderaan uw broekspijp.” “Het rotbeest!” is alles wat de klusjesman kan uitbrengen terwijl de inmiddels toegekomen veldwachter hem wegvoert.“Hij blafte steeds naar Bram en had hem al meermaals gebeten, mijnheer de inspecteur,” tracht Mariette de situatie te vergoelijken.“Al goed,” oppert Emile-François: “ga maar met Jean-Louis de boel opruimen in de keuken...” 

Vic de Bourg
10 1

De oude man en het bankje

A is een tachtig jarige Antwerps sprekende man B is een veertig jarige vrouw die voor het eerst op dat bankje gaat zitten.   A: Stoort het als ik er eventjes bij komen zitten, mevrouw? B: Natuurlijk niet mijnheer, plaats genoeg. ’t Is mijn bank niet, he. A: Nee, da’s waar, maar ik vraag dat altijd. Er zijn mensen die liever alleen zitten. B: Echt? A: Ja, dat gebeurt wel. B: Straf. A: Wat een dag, he! B: ’t Zonnetje doet deugd na die lange winter. A: Ja, ’t is goed nu. Ik kom elke dag efkes op deze bank zitten, weer of geen weer. B: Dan moet dit voor u wel een speciale bank zijn. A: Dat is ze wel zeker, ja. Hier op deze bank heb ik zestig jaar geleden mijn vrouw leren kennen. B: Echt? A: Ja, ongelofelijk, he? Zestig jaar geleden. Ik zag ze zitten en we zijn beginnen babbelen. B: Letterlijk en figuurlijk dan. A: Hoe bedoelt u? B: Zien zitten? A: Haha, ja, just! Goed gezien! Een beeld van een meiske was dat toen. Met grote blauwe ogen en van dat lang blond haar dat over haar schouders krulde. Ik was op slag verkocht. Stoort het dat ik erbij kom zitten, heb ik gevraagd. Nee mijnheer, natuurlijk niet, zei ze. En van het een kwam het ander … B: Amai, dat is romantisch. A: Het was alsof wij elkaar al heel ons leven kenden. Uren hebben wij gebabbeld. B: Dat moest zo zijn dan, dat kan niet anders A: Pas op! Gemakkelijk was dat niet in die tijd, he! Ze kwam uit een heel katholiek gezin en haar vader heeft lang tegen gewrongen. B: Mijn grootmoeder heeft mij daar ook verhalen over verteld. Mensen konden in die tijd niet altijd doen wat ze graag wilden doen, he? A: Nee, dat is zo. Maar pas op. Nu zijn er weer andere dingen die niet juist zijn. B: Ook waar. A: In elk geval, we waren smoorverliefd. Waar zij ging, ging ik. We waren niet te stoppen. En dat is altijd zo gebleven. B: Dat is prachtig. A: Hier se! Hier hebben we toen een hartje gekerfd, ziet ge het? Hier vanachter op de bank, L & E. B: Ik zie het. Wat een schoon verhaal, mijnheer. Dat is toch wel heel speciaal, zo lang samen zijn. A: Leo, zeg maar Leo. En u heb ik hier nog nooit gezien, denk ik. B: Nee, dit is de eerste keer dat ik hier eens kom zitten. A: Dat ontspant een mens. Ge moet dat meer doen. B: En uw vrouw, komt die soms mee? A: Mijn vrouw is overleden. B: Oh, excuseer, dat is heel erg. A: Maar ze is hier nog altijd. Ge moet me niet verkeerd verstaan. B: Uw vrouw? A: Elke avond rond deze tijd staat ze daar, se. Ziet ge ’t? Tussen die rododendron en die ouwe eik. Recht voor ons. B: Ik zie niks. A: Seffens is ze daar en dan zwaait ze naar mij. Met een grote lach op haar gezicht. B: Dat is straf. A: Ik heb al geprobeerd om tot daar te gaan om ze eens goed vast te pakken, maar op ’t moment dat ik rechtsta, draait ze zich om en is ze weg. Nu blijf ik zitten en ik zwaai. Nog een minuut, sè. Ik kan er mijn klok gelijk op zetten. B: Hoe lang geleden is uw vrouw overleden? A: Zeven jaar. Zeven jaar geleden al. We waren bijna vierenvijftig jaar samen. Dat begint, he! Maar ge kent dat wel … Wacht! Voilà, daar is ze, sè. Ons Emma! B: Waar? A: Daar, recht voor ons! Zie ze zwaaien! Hallo, Emma! Allez, zwaait efkes mee, dat zal haar plezier doen. B: Naar waar? A: Vlak voor ons, ziet ge’ t niet? B: Niet echt. A: Jawel, jawel, zie eens goed. Daar, waar mijne vinger naar wijst, just neffe die vuilbak. B: Daar naast het prieel? A: G’ hebt het. Wat lacht ze toch schoon! Ziedis! Die oogskes die zo schitteren, pure saffier. Dag schat! Ge ziet er goed uit! B: Is ze er nog? A: Ja, ze vind dat tof zenne, dat gij hier mee zit te zwaaien. Z’ heeft nog nooit zo ne smile op haar gezicht gehad. Tot morgen, schat! B: Ze is weg, denk ik. A: Ja, z’ is weg. ’ t Duurt nooit lang, maar ‘k heb ze toch maar weeral gezien vandaag. Merci madame, g’ hebt een ouwe man gelukkig gemaakt. B: Zeg maar Laura, Leo. A: Laura? Schone naam, eentje om te onthouden. Het was me een waar genoegen. Misschien zie ik u nog wel eens terug op deze bank. B: Misschien wel, Leo. Dan kom ik goeiendag zeggen aan Emma. A: Dat zou tof zijn! ’t Is een schoneke, he, mijn Emma. En een goeike! Die vergeet da ni zenne! Allez, na zen ik weg … een stukske eten. Dag Laura.

Kristin Huyghe
4 0

peace like a river

Daar zit hij, onderuitgezakt op een barstoel, onderrug ontbloot, naast een jongedame van een jaar of vierentwintig, die dartelend met haar vriendin gekunsteld spontane foto’s neemt en haar donkerblonde haren achteloos achteroverslaat, zijn rechteronderarm tikkend. Moedig is het hoe hij zittend zijn barkruk wat meer naar links rukt, maar het miniem uitstekende voegsel van de vloer is gewapend beton voor zijn pover verzet. Hij gedoogt, lengt zijn woordensmeersel aan met enkele pinten van ‘t vat.  Hij is schilder en papt nu aan met de toog. Hij behangt ook, en na een hele dag pap te zien kleven zijn ogen tegen negenen al dicht op de tapkast en stijgt er een overheersend gebrom op tussen muziek die twijfelt door te breken. Tegen halftien krijgen de Paul Simons en Stings weer vrij spel. Dan gaat de schilder naar het toilet waar hij de pap uit zijn ogen wrijft, keert met rechte rug terug en bestelt een verse pint. Met besmeurde vingers om zijn pils zoekt hij een prooi waarvan hij denkt hem verbaal wel aan te kunnen. En hoewel zijn woordenvloed van gisteren slechts achter in mijn keel zit, klaar om eindelijk door te slikken, kijk ik reikhalzend uit naar de laag die hij vanavond zal leggen; een grondlaag waarbij hij de ander nog wat toestaat en een basis legt voor een volgende discussie, of een afmakende deklaag en geen spaander heel laat van de arme muzikant na zijn bevredigende repetitie of de slager die ervoor nog vastbesloten was zich verkiesbaar te stellen.  De cafébaas houdt hem de hele tijd in ‘t oog, moet niet weten van de schilder. Wanneer die zijn kruk verliet om zijn gevoeg te doen sponste de barman welig al wat de schilder betastte en nam hij plaats in de linkerhoek achter de toog. Een paar forse armen hadden zich op zijn spannend grijze T-shirt geankerd en golven nu rustig op en neer terwijl zijn ogen zeilen tussen de deur, de schilder en de kassa. Zijn fietsstuursnor krijgt het ook nu weer zwaar te verduren. Hoe meer pinten de schilder hijst, hoe vaker de armen van de barman het anker hijsen en hij zich nerveus in baard en snor wrijft.   Een koppel van twee straten verder, zestigers met zo’n tochthond, weten wat zal volgen, betalen met een bemoedigende knik richting barman en werken hun vluchtroute af. Maar tussen lijst en deur besluit de hond wat te dralen en keert zich om, heft zijn poot richting schilder die langer dan normaal zijn verkenningsronde volhoudt, en bestrijkt op de tonen van Paul Simons Peace Like a River de zwarte jeans alsof het een maagdelijk canvas van Pollock is.   ‘Godmilledju.’  Het frêle baasje verschiet en kijkt ‘t café in, staat nu oog in oog met de schilder. De zestiger ontkleurt, trekt een paar fijne lippen omhoog waardoor zijn neusgaten verwijden. Een rond brilletje balanceert op de helling van zijn spitse neus. Hij respecteert trouw de afschudtijd van zijn hond, trekt hem dan bengelend aan de leiband zijn armen in en besluit fier met vluchtige moed: ‘Wijs zijn de woorden op een goudschaal gewogen.’ 

Dieter Desmet
4 0

Op de planken

Bij het toneel  ‘Kom mee jongen,’ zegt hij. ‘Een nieuweling coach ik graag.’Nooit gedacht dat zo’n legende dit zou zeggen.‘Laat je niet overdonderen, we begonnen allemaal zo,’ stelt hij mij gerust.Ik glimlach zenuwachtig. Wat een eerste dag! Wat gaat nog komen? De reden voor mijn auditie staat voor mij. Als ik de komende jaren naast hem, achter hem of vanuit de coulissen bij dit gezelschap mag zijn, werk ik in de hemel op aarde.Hij wijst mij de repetitieruimtes en de kantine. ‘Niet de waterzooi nemen, die borrelt meestal een week.’ Hij wijst mij de brandblusser en de nooduitgang. ‘Eerste tekstdoorloop is om half een.' Hij schenkt míjn koffie in, geloof je dat?Ik ben thuis. ‘Kom mee jongen,’ zeg ik. ‘Een nieuweling coach ik graag.’Kijk hem nou, dat gladde jonge smoeltje. Klaar om mijn poten door te knagen. Die huichelachtige glimlach, leer mij ze kennen. ‘Laat je niet overdonderen, we begonnen allemaal zo.'Ik zal hem overdonderen, voordat hij mij overdondert. Net als al die anderen. Ik lees zijn gedachten: “Die ouwe is vergane glorie. Iets van vroeger”. Nou let maar op, voor je het weet sta je weer buiten. We lopen langs de kantine. ‘Niet de waterzooi nemen, die borrelt meestal een week.’ Ik wijs hem de nooduitgang, nu letterlijk, binnen het jaar figuurlijk.Ik pak de thermos. ‘Eerste tekstdoorloop is om half een,’ zeg ik. En een van je laatste wacht maar…    Aan het ballet‘Alle begin is moeilijk,’ zeg ik en ik help haar overeind. De nieuweling herinnert mij aan mijzelf eenentwintig jaar geleden. Ze heeft de elegantie en bouw om het te maken, maar begeleiding is nodig. Ik wil haar behoeden voor de valkuil, te snel door te willen schieten, niet naar je lichaam luisteren. Blessures horen erbij, maar ze hoeft niet door dezelfde hel waar ik doorheen ben gegaan. Het lukt mij nog, maar het wordt met de dag lastiger. ‘Doe rustig aan, je carrière duurt nog lang. Niets overbelasten nu.' Ik zal haar de komende tijd in de gaten houden en onder mijn vleugels nemen. Het is een harde wereld, elke steun is welkom. Iedereen heeft een vriendin nodig. ‘Alle begin is moeilijk,’ zegt ze en ze helpt mij overeind. Dat neerbuigende toontje, Mevrouw de Prima Donna. Maar niet lang meer, reken daar op. Haar uitvoeringen lijken soepel, maar ik zie de knieën net-niet-gestrekt genoeg. En tijdens de oefeningen kraakt ze. Mij hou je niet voor de gek. “Rust door diepgang en beleving” noemen ze het, ik noem het aftakeling.Haar tijd is voorbij. En mijn tijd komt. ‘Doe rustig aan, je carrière duurt nog lang. Niets overbelasten nu.' Angst voor de nieuweling spreekt hieruit, ze is al bang dat ik haar overvleugel. Op de Academie waarschuwden ze voor de harde wereld. Je krijgt geen vrienden, alleen concurrenten. Ik ben er klaar voor.

MCH
7 1

Al Capone & Elliot Ness

                                                                       1.   “Goedemorgen Chicago. Het is 10 uur ‘s ochtends en een prachtige dag! Ik hoop dat het nieuwe jaar voor iedereen perfect gestart is, welkom, in 1920. Dit is Mami Smith met Grazy Blues...”   “Torrio! Ik heb je 10 minuten geleden gevraagd de nieuwe meisjes binnen te halen, waar zijn ze”? “Sorry Al, ze maken zich nog klaar. Het zijn er mooie hoor, ik heb ze zelf uitgezocht, je zult ze geweldig vinden”. “Daar ben ik zeker van”, grijnsde Capone “Jij hebt daar altijd al een oog voor gehad. Maar maak voort! Ik word ongeduldig”. De zaken gingen goed. Zo goed zelfs dat Capone de afgelopen maand een extra auto gekocht had. In de casino’s werd er lustig gespeeld en gezopen, de arme zatlappen hadden niet eens door dat ze opgelicht werden. “Ah, hier zijn jullie! Welkom dames”. Al draaide zijn hoofd lichtjes opzij en inspecteerde vanuit een hoek. Bij 1 meisje pauzeerde hij zijn blik: “Mooi gerief. Spreek je engels”? “Ik leren elke dag beetje”, antwoorde het meisje. “Goed, prima. Breng haar naar mijn kamer Torrio”. “Geen probleem baas”. Hij pakte het meisje bij de arm en begeleide haar weg. Torrio kwam uit een arm dorp gelegen in Sicilië. Op school kwam hij al snel in problemen. Vechten en discussies met leerkrachten waren dagelijkse routine. Op 16-jarige leeftijd besloot hij dat school hem niets interessant kon leren. Leven, zei hij vaak, dat doe je op straat. Toen hij op een dag van de Amerikaanse droom hoorde dacht hij maar één ding: “ergens leven waar de flikken me nog niet kennen? Klinkt interessant”.  Om 9 uur ‘s avonds reed Torrio Al naar de de Bellevile. “Je hebt toch gebeld he”, snauwde Capone. “Tuurlijk, ze hebben meteen plaats gemaakt baas”. “Goed, want voor bescherming hoor je wat te doen”. Op de achterbank zat Capone. Hij was de krant aan het lezen en dacht na. Hij wou na het eten bellen met de andere leiders van de omringende bendes maar tegelijk voelde hij zich beter als als de rest, dilemma. Aangekomen in het restaurant gingen de deuren al open voor hij aankwam. “Meneer Capone, welkom! We hebben voor u uw tafel al klaargezet, volgt u mij”. De ober werkte er nog maar 4 maanden maar hij had het geld nodig. 3 kinderen en een zieke moeder kosten geld. Toen Capone en Torrio plaats namen bracht hij hun de menu’s en las hij feilloos maar snel de suggesties voor. Hij wist donders goed wie daar zat, tot wat hij in staat was. “Goede keus mijne heren, we beginnen er direct aan”, hij nam de menu’s terug aan en maakte zich haastig uit de voeten. “Wat denk jij ervan”, vroeg Capone. Torrio keek eens rond en haalde zijn schouders op: “de mensen drinken graag, en veel, wie zijn wij om hun dat plezier niet te gunnen”? “Hhm. Ja, zo dacht ik er ook over”. Al bracht het glas wijn naar zijn lippen en nam een slok. “We zullen voorzichtig te werk moeten gaan”, zei hij, “en, mensen vinden die we kunnen vertrouwen”. Hij zette het glas terug neer en keek Torrio diep in de ogen: “Ik ken je al lang Torrio, we hebben al wat gedaan samen. Zoek me een 30-tal mensen die we kunnen vertrouwen en breng ze naar mij, als die politiekers denken dat ze alcohol kunnen verbieden hebben ze het goed mis”. De heren waren net uitgepraat en daar kwam de ober met het eten. “Eet smakelijk heren, deze zijn op het huis”. 3 weken later was de handel van start gegaan. Cafés en restaurants die de alcohol niet in huis wilden halen werden afgeperst tot 3 moorden toe. Torrio had 2 mannen ingelijfd die hun mond konden houden en hun vuisten doen spreken, de tweeling, werden ze genoemd. “Guitaliano, 67 jaar, uitbater van ‘De Bruine Hoek’, Hij wilt niet”, zei torrio. “Goed, we komen eraan”. De 2 mannen kwamen aangereden in een oude maar stevige auto en parkeerde zich aan de overkant. Torrio gebaarde dat ze moesten komen en gaf beide heren een Thompson machinegeweer. De 3 mannen zette zich in positie en voor Guitaliano door had wat er kwam te gebeuren werden alle 3 de trekkers overgehaald. 150 kogels boorde zich door de ramen en de oude uitbater viel als een zak aardappelen neer. Het pand was geruïneerd en de het verhaal deed zich snel de ronde. Voor Capone het wist bezat hij een imperium met winsten waar zelfs de President jaloers van zou worden. In zijn kantoor tuurde hij door het raam. “Nog even”, dacht hij, “en niemand kan mij nog stoppen”.  “Over hoe veel geld spreken we per maand”? “12.000 dollar, soms iets meer, soms iets minder”. Capone keek geïrriteerd naar zijn bureau: “De dieven. De mensen hier leven in krotten, zei hij, waar is de overheid? Het zijn wij Torrio, wij, die deze buurt doen draaien. Die varkens verdienen geen rotte cent van ons”. Torrio stond in het midden van de kamer met zijn armen gekruist: “Al de leiders van de andere bendes hebben besloten netjes hun belastingen te betalen, het risico is volgens hen te groot”. Capone bolde zijn vuist en sloeg op tafel. “Bullshit!”, riep hij. “Wat gaan ze doen, he”? Voor een moment sloot hij zijn ogen en dacht na. Na 30 seconden zei hij: “Torrio, onze nieuwe zaken doen het goed, maar alles kan beter. Vanaf nu betalen we niets meer. Dat is gedaan”. “En als de flikken lastig doen?”: vroeg Torrio. “Dan maken we het hen duidelijk dat ze moeten stoppen. Regel het. En laat me voor de rest van de dag met rust”. Torrio knikte:” ja baas”.                                        2.   “Politiebureau Chicago, hoe kan ik u helpen? Ik begrijp het, ik stuur de dichtstbijzijnde patrouille meteen naar uw locatie”. Het was een lichte ochtend met behoorlijk wat mist. De straten waren tot leven gekomen en de mensen buiten bewogen zich haastig naar hun werk. Ook in het politiebureau kwamen extra mensen toe. “Hoe is het hier in de centrale”? “Goeiemorgen meneer Ness”, antwoorde de vrouwelijke operator, “oke, niets speciaal. 1 telefoontje over een mogelijke inbraak”. De vrouw lachte en zei: “een dag zoals de andere dus”. “Goed, ik ga je niet meer storen dan, veel succes nog”. “Jij ook”, antwoorde de vrouw en begon opgewekt terug aan haar werk. Elliot wandelde naar de lift en bedacht zich wat de dag zou geven. Al 8 maanden werkte hij aan een zaak waar maar geen vooruitgang in kwam. “Als het zo blijft duren”, dacht hij, “kan ik op vervroegd pensioen”. Hij zuchtte. “Laat ik mijn papierwerk maar eerst in orde brengen. De bureaucratie wacht niet, tenzij op zichzelf...” “Godverdomme”, zei hij, “dit is de 4de aanslag deze maand”. Hij gooide de krant terug op zijn bureau en keek om zich heen. Zijn partner, Jack, zat in de hoek en haalde zijn wenkbrauwen op. “We weten allebei wie hier verantwoordelijk voor is”, zei hij, “de meisjes die hier illegaal aankomen, de casino’s. Allemaal 1 man”. Elliot draaide zich om naar zijn partner: “en nu worden de straten overspoeld door illegale alcohol, ik zal het maar niet te ver zoeken zeker”? “Nee, dat zou ik ook niet doen”, Jack keek neer met een ontmoedigende blik. “We hebben bewijs nodig”, zei Elliot, “anders heeft het geen zin”. Jack zuchtte: “We moeten hem toch ergens op kunnen pakken? Praten met de bewoners uit zijn buurt? Het personeel uit de restaurants waar hij dineert”? Elliot keek op zijn horloge en merkte op dat het bijna half 1 was. “Laten we iets gaan eten Jack”, zei hij, “die mensen hebben onze gegevens. Als ze ons meer willen vertellen dan dat ze al gezegd hebben tegen de inspecteurs, dan horen we het wel. Chicago Sandwich goed?”  Het is 3 maanden later en Jack stormt het bureau binnen. Hij drukt haastig meerdere keren op het knopje van de lift. “Komaan”, zei hij, “ga open”. “Vanwaar de haast”? Opgeschrikt keek Jack achter zich om. “Elliot!” Met grote ogen trekt hij hem in lift: “We hebben een kans”. “Een kans?”, Vroeg Elliot. Bij jack verscheen er een glimlach: “je raad nooit wat ik gevonden heb”. Eenmaal in het kantoor van Elliot legde Jack een stapel papieren op tafel. “Weet je nog dat je me vroeg langs te gaan bij die boekhouder”? Elliot knikte. “Wel, het blijkt dat papieren daar niet versnipperd worden als ze weggegooid worden. En de afvalcontainer staat, wel, vrij in het zicht”.  Elliots interesse wakkerde aan: “wat heb je gevonden”? Jack pakte het bovenste blad en las voor: “83.000 dollar winsten. En deze zijn ongemarkeerd, niet aangegeven”. “Zwart geld dus?”, Elliot pakte nu zelf ook een blad en las wat Jack hem al vertelde. Een glimlach vulde zijn gezicht en zijn ogen straalde terug hoop uit. “Zijn we zeker dat deze van Al Capone zijn?” “Ja”, antwoorde Jack, “de bedrijven die hier vermeld staan staan bij ons gekend.”                                                                               3.   “Hoe is de pasta?” “Goed, zoals altijd. Merk je trouwens niets vreemd, Torrio?” Torrio haalde zijn schouders op en keek eens rond. “Wat bedoel je Al?” Capone nam een slok van zijn wijn en zei: “er is meer politie op straat en ik heb het gevoel dat we in de gaten gehouden worden. Kijk eens daar””. Capone wees naar 2 agenten op straat. Die staan er al 20 minuten, niets te doen. En gisteren werden we gevolgd op weg naar the Blue Lagoon. Er is iets gaande”. “Misschien zijn het die smeerlappen uit Evanston”, zei Torrio, “het is geen geheim dat ze op ons grondgebied azen”. Capone dacht na en keek Torrio in de ogen: “weet je nog wat er met Guiseppe gebeurd is?” “Je bedoelt die gast met meerdere stripclubs”? Al knikte. “Uhm, ja, wat ermee?” Al legde zijn bestek neer en zei: “die ‘gast’ is opgepakt door de politie, niet zo heel lang geleden. Blijkbaar had de politie bewijs ontvangen uit anonieme hoek, genoeg om hem achter de tralies te zetten, niemand weet van wie of waar”. Torrio nam een hap van zijn lasagne en zei met volle mond: “spijtige zaak, daar werkte knappe meisjes, nu is het wat minder”. Duidelijk geïrriteerd keek Al Torrio aan: “Snap je het niet? Het zijn die smeerlappen uit Evanston die bewijs naar de politie doorgespeeld hebben. Wie runt die stripclubs nu”? “Uhm, geen idee”, antwoorde Torrio. “Idioot.” Al gebaarde de ober. “Ja meneer?” “De rekening, en snel”. “En mijn lasagne dan?”, vroeg Torrio. “Hou je mond en breng me naar huis, we hebben werk te doen”, zei Al. Met lichte tegenzin legde Torrio zijn bestek neer en pakte hij zijn jas: “goed, we vertrekken.”  “Dus. Het plan is duidelijk?” “Ja baas”. Voor zijn bureau stond de tweeling, opgebeld door Torrio. “Als je hem hebt bel je me op en breng je hem zo snel mogelijk naar mij”, beval Al. “Jullie kennen het adres nog?” “Ja baas, dok 3 in de oude haven”. “Goed, vertrek.” De tweeling stapte de kamer uit en Al keek ze na. Hij leunde voorover op zijn ellebogen en wreef in zijn handen. “Nog even”, dacht hij, “en niemand kan mij nog stoppen”. De tijd tikte voort en tegen iets na 10 ging de telefoon. “We hebben hem, binnen 10 minuten daar.” “Torrio”, schreeuwde Al, “de auto!” Terwijl de luxueuze auto van Al door de straten reed op weg naar de haven ging ook de spanning voelbaar omhoog. “Alles ligt in de koffer”, vroeg Al? “Ja baas, een boksbeugel, baseball bat en u pistool”. “Goed”, zei Al, “goed”. Hij haalde zwarte handschoenen uit zijn zak die hij stevig vasthield. “We zijn er”, zei Torrio. Binnen in een van de hangars zat Graziano, de leider uit Evanston, tot bloedens toe vastgebonden op een stoel. Hij had een blauw oog dat nauwelijks nog open kon en was gestript van zijn kleren met enkel nog een onderbroek en hemdje aan. De mond was hem gesnoerd met een doek door de tweeling. “Graziano!”, zei Al met open armen, “welkom. Wat vind je van Chigago?” Hij deed zijn handschoenen aan en hurkte voor Gaziano. “Wist je dat hier vroeger, toen ik hier net woonde, 5 families aan de macht waren? 5. Stel je voor. Ik heb veel geleerd toen.” Hij pakte Graziano in zijn gezicht vast en zei bijna knarsetandend: “respect, is hier heel belangrijk. Zonder respect, gebeuren er zaken die...” Capone schudde zijn hoofd en keek neer. Na een aantal seconden keek hij Graziano terug diep in de ogen met een woeste blik: “zonder respect, riep hij, gebeurt er dit”. Hij stond op en gebaarde Torrio voor zijn wapen. “Je hebt een fout gemaakt Graziano, en alhoewel het aan God is om je te beoordelen, kan ik je al wel sturen”. Graziano schudde zijn hoofd en begon zijn lijf wild naar alle kanten te bewegen. Terwijl rolde er een traan over zijn wang en werd hij alsmaar bleker. Hij wou schreeuwen en zelfs smeken, maar dat kon niet.” Mijn wapen”, beval Al. Torrio liep naar Al met het wapen in zijn hand. Hij keek Graziona nog een laatste keer aan en stond op het punt het wapen te overhandigen.   Plots werd het overal licht. De deuren en poorten werden opengegooid en langs alle kanten werd er geroepen. “Politie! Wapens neer!” Torrio keek verschrikt om zich heen en zag minstens 25 politieagenten, allemaal met hun loop op hun gericht. In de seconde waarin dit allemaal gebeurde knakte er iets bij hem. “Nee”, zei hij tegen zichzelf. Hij richte zijn wapen op Elliot en schreeuwde de longen uit zijn lijf. Een luide knal. Toen stilte. Torrio’s lichaam viel met een dof geluid neer op de betonnen vloer en bloed begon een plas te vormen achter zijn hoofd. Jack keek naar het lichaam met rook komende uit de loop van zijn pistool. Elliot keek hem aan en bedankte hem via een knik. “I owe you”, sprak hij. De agenten stonden als een cirkel rond Capone en kwamen met elke tel nu dichter bij hem. Elliot nam het voortouw en stapte, al richtend met zijn pistool, op Al af. “Al Capone, je staat onder verdenking voor belastingfraude, afpersing en moord, alles wat je zegt kan tegen je gebruikt worden in een rechtszaal.” Hij stond nu op een meter van de crimineel die hij al een jaar probeerde te pakken. “Handen”, beval hij, “en omdraaien”. Al stak zijn handen uit en Elliot boeide hem langs zijn rug. “Het is gedaan Capone”, zei Elliot.                                        4.   “Meneer Capone Al. U wordt beschuldigd van het ontduiken van belastingen, 4-voudige moord en het afpersen van meerdere zaakvoerders. Deze rechtbank heeft al het bewijs in handen gekregen en is klaar voor zijn vonnis luidop voor te lezen. Meneer Capone, staat u recht.” Al keek de rechter aan en liet zijn blik toen afglijden naar de grote ramen met uitzicht naar buiten. Hij merkte een vogel op die van tak naar tak in een oude eikenboom sprong en hij dacht terug aan zijn kindertijd. Zijn moeder die hem altijd wou beschermen en zijn vader die zichzelf kapot werkte in de fabrieken. Zijn broers en zussen die hem al 3 jaar niet wouden zien. Hij keek de rechter terug aan en zei op een kwetsbare maar toch zekere toon: “ik zit goed, vertel het me zo maar”.   “11 jaar in een federale gevangenis. Niet slecht”, zei Jack. Elliot begon te lachen en antwoorde: “eindelijk. Ik begon de moed bijna op te geven”. De zon scheen en beide heren liepen de rechtbank uit na het proces waar heel het land getuige van was. 4 uur had het geduurd. “En wat nu?”, vroeg Jack. Elliot keek op zijn horloge en vervolgens naar Jack: “wat dacht je van de Chicago Sandwich?”. 

SeppeDB
8 1

De papegaai

De papegaai Er was eens een bankdirecteur die het héél, héél druk had. Eigenlijk was het niet zo’n slechte man: als je hem zag, moest je meteen denken aan dat grappige, bolle mannetje dat in een reclamespot van lang geleden in de supermarkt een broodje met Philadelphia kaas binnengesjeesd krijgt, ervan proeft en dan met een gelukzalige blik zegt: “Mmm… Philadelphia… mmm… Philadelphia!’ Maar de bankdirecteur kreeg heel wat stress te verwerken en dat maakte hem af en toe een beetje nors. Dat hij hypergevoelig was, hielp natuurlijk niet meteen. Bovendien keek hij niet altijd goed rond. Zo had hij bijvoorbeeld een jonge, bijzonder lieve secretaresse die om de week een nieuw bloemstukje op zijn bureau zette. Ze zorgde ook altijd voor een kop verse koffie als hij aan zijn werkdag begon. Jammer genoeg kreeg ze voor al die kleine gebaren maar weinig terug: als ze de directeur een goede dag wenste, kreeg ze van hem soms zelfs een norse “Grmmpf” als antwoord. Druk dat die man het had! Druk, druk, druk. Zo kwam het ook dat hij niet opmerkte hoe een papegaai zich op een mooie lenteochtend zette op de vensterbank aan het open raam van zijn kantoor. Pas toen de vogel luid maar niet onvriendelijk “Goeiemorrrrggen!!!” kraste, keek de directeur verstoord op. Een tijdlang keek hij de papegaai aan. Het was een mooi dier, met diepblauwe en frisse gele vederen en verder af en toe een lichte groene toets. Vlak onder zijn bekje zat ook een wit vlekje; het was het mooiste wit dat de bankmanager ooit gezien had. Het deed hem denken aan schilderijen van Felix De Boeck. Toen namen zijn reflexen het opnieuw over en boog hij het hoofd weer diep over zijn papieren, tot hij er tot over zijn oren in zat. De papegaai bleef nog een tijdje zitten en vloog toen weg. Maar de volgende ochtend was hij er opnieuw. “Goeiemorrrrggen!!”, klonk het alweer. De bankdirecteur, die voor die dag net een extra volle agenda had, keek hem aan met een blik van ben-je-daar-nu-weer, en richtte dan zijn blik onmiddellijk weer op zijn computerscherm. Ook nu bleef de papegaai nog even zitten. Hij leek niet beledigd of verdrietig, integendeel, zijn blik had iets geamuseerds. Toen sloeg hij opnieuw zijn vleugels uit en klapwiekend zocht hij de blauwe lucht en de lentezon op, twee geschenken die de directeur die dag niet meer te zien kreeg. Het werd een vast ritueel: dag na dag kwam de papegaai bij de directeur aangevlogen en kwetterde hij vrolijk “Goeiemorrrrggen!!” De secretaresse, die één en ander in de smiezen kreeg, vond de vogel erg charmant en gaf hem af en toe een knipoogje; dat werd keer op keer zonder aarzelen met een vette papegaaienknipoog beantwoord. De directeur zelf reageerde naargelang de barometer van zijn humeur: nu eens stond hij de vogel aan te gapen, dan weer was het storm op zee en leek het alsof hij zijn vaste bezoeker met een stevige gooi van zijn schoen zou wegjagen. Maar nooit zei hij iets tegen de papegaai. Op zekere dag stopten de bezoekjes van de vogel. Hij kwam niet meer langs. De secretaresse was de eerste die het opmerkte, en ze vond het jammer. Ze miste de vogel. Ook de directeur merkte uiteindelijk dat zijn trouwe ochtendbezoek uitbleef. Hij vroeg aan zijn secretaresse of zij de papegaai nog gezien had, maar ze antwoordde hoofdschuddend. Uiteindelijk moest ook de directeur toegeven dat hij de papegaai wel miste. Hij begreep niet goed vanwaar dat gevoel van gemis kwam – hij was het beestje soms liever kwijt dan rijk – maar het was er. Toen de directeur, precies één maand na het laatste bezoek van de papegaai, opnieuw het vertrouwde “Goeiemorrrrggen!” hoorde schallen, keek hij aangenaam verrast op. De secretaresse, die net een extra kop koffie inschonk, schrok zich evenwel de pleuris en morste wat koffie op het witte, stijf gestreken hemd van de directeur. Ze werd net zo bleek als het hemd en bereidde zich voor op een donderpreek. Maar die bleef uit; haar baas bleef maar kijken naar de papegaai, tot er uiteindelijk een glimlach op zijn gezicht verscheen. Toen glimlachte ook de secretaresse. Discreet verliet ze het kantoor van de directeur, maar vanbinnen zong haar hart. De bankdirecteur bleef de papegaai nog een tijdje aankijken, en vroeg toen: “Waarom?”. De vogel antwoordde: “Waarrrom?”. Ach ja natuurlijk, wat ben ik toch een snol, dacht de man, het is een papegàài! Die herhaalt gewoon alles wat je zegt; wellicht zal hij die “Goeiemorrrgen!” ook ergens opgevangen hebben. Maar het beest bleef hem rustig aankijken en het drong stilaan tot de directeur door dat dit een slimme vogel was. Een wijze vogel, ook. Dus besloot hij het risico te nemen om zich onsterfelijk belachelijk te maken en vroeg hij hem: “Waarom doe je dat eigenlijk? Mij elke dag een goeiemorgen wensen?” De papegaai bleef nog een tijdje stil terwijl hij de directeur recht in de ogen keek. Die begon terug te twijfelen en vroeg zich af of hij zichzelf geen blaasjes wijsmaakte. Maar toen antwoordde het dier, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was: “Waarom zou ik dat niét doen?”. De ogen van de baas werden zo groot als pingpongballetjes. Het beest had hem zonet een antwoord gegeven! Een intelligént antwoord dan nog! Wat zeg ik, een uitermàte intelligent antwoord! “Eh,”, hakkelde de directeur, “omdat je altijd hetzelfde liedje herhaalt?” “Is dat zo erg?, vroeg de papegaai vriendelijk. “Ik bedoel, kom nou… geliefden zeggen elkaar toch ook vaak ‘Ik hou van jou’ zonder dat zoiets gaat vervelen? Pas als ze stoppen met dat te zeggen, is er strrr… strrrr…”. De papegaai aarzelde even, en floepte er toen uit: “Nou ja, strrroop aan de knikkerrr!” De directeur schoot in de lach; het was nog een grappig beest ook. En beleefd op de koop toe! Toen stelde de papegaai hém een vraag: “Waarom beantwoord jij mijn goeiemorrrrrgen nooit?”. De man aarzelde even, en zei toen: “Tja… ik deed er wellicht verkeerd aan, maar, ehh… het leek me eigenlijk een beetje tijdverlies. Ik heb al zoveel om mijn hoofd, er zijn zoveel zaken die mijn aandacht vragen…” De papegaai zweeg. “Ben je nu boos? Of beledigd?”, vroeg de directeur. De papegaai zei: “Ja, misschien toch wel een béétje…”. “Gelukkig!”, zuchtte de directeur, “ik was al bang dat het je niets kon schelen. En eh… de afgelopen maand heb ik je toch wel wat gemist.” “Ja, zo gaat dat”, zie de papegaai, “mensen missen vaak pas iets als het er niet meer is.” “Maar zeg me nu eens: waarom doe je dat eigenlijk, mij altijd een goeiemorgen wensen?”, vroeg de man. “Oh”, antwoordde de vogel, “ik doe het gewoon graag, meer hoef je daar niet achter te zoeken. Ik weet dat een groetje zo af en toe normale mensen gelukkig maakt.” “Ben ik dan niet normaal?”, vroeg de directeur.   Daar moest de papegaai blijkbaar even over nadenken. Toen zei hij weloverwogen: “Jawel hoor, je bent normaal. Maar ik denk dat je twee soorten normale mensen hebt: zij die van nature het goede zien en dat ook willen verder verspreiden, en zij die diep in hun hart wel verlangen naar het goede maar het laten ondersneeuwen door andere zaken.” De directeur knikte. “Ik snap het. Ik behoor tot de tweede categorie, niet?” De papegaai antwoordde: “Ja, dat klopt. Maar je kan veranderen. Dat is niet gemakkelijk, geloof me, dat besef ik. Mensen geraken gemakkelijk vastgeroest in bepaalde patronen of gewoontes. Maar ze zijn ook erg veerkrachtig en soepel als ze zich willen inspannen. Anders zou ik nooit bij je teruggekomen zijn.” De bankdirecteur zei: “Ik geloof je. En goed, ik wil proberen te veranderen. Maar ik ben bang dat ik het niet zal halen, dat ik onderweg zal afhaken. Ik kom nu éénmaal heel wat mensen tegen die net als ik een stressvolle job hebben. Soms lijkt het alsof onze mentaliteit normaal is in onze kringen.” “Tja”, zei de papegaai, “als niemand begint met veranderen dan zàl er ook nooit iets veranderen, denk je niet? Bovendien kom jij ook normale mensen uit de eerste categorie tegen.” “Aha?”, reageerde de directeur nieuwsgiering. “Zoals wie dan?” Maar de papegaai had zijn laatste woorden met de directeur gesproken. Hij zei niets, maar knikte met zijn gevederde kop naar de kop koffie die voor de neus van de directeur stond koud te worden. Toen vloog hij weg. De directeur zag de vogel nooit meer terug. Maar de volgende dag vond de secretaresse een bos bloemen op haar bureau. Er zat een kaartje bij, met daarop de tekst “Deze stille wenk stuur ik jou om alle stiltes van de voorbije maanden goed te maken. Dank je voor de koffie, voor de verse bloemen elke week… dank je voor wie je bent. Je baas.” Een week later, vroeg in de ochtend, vloog de papegaai naar een ander open raam en zette hij zich opnieuw op de vensterbank. Hij keek naar de rug van een struise, in elkaar gedoken jongeman. Die hield een telefoon tegen zijn linkeroor en sprak op dreigende toon: “Wat kan mij de ouders van die kerel nu schelen? Morgen geven we hem opnieuw op zijn donder. Hij moet zich maar leren verdedigen!” Het bleef even stil. Toen kraste de papegaai luidkeels en vrolijk “Goeiemorrrrrgen!!!!”. De jongeman schrok zich een ongeluk, draaide zich met een ruk om en keek de vogel stomverbaasd aan. “Wat…?!”, bracht hij uit. De papegaai liet zijn blik rusten op de jongen. Die had nog nooit een papegaai zien glimlachen; toch zou hij gezworen hebben dat de vogel hem met een vriendelijke knipoog toelachte.        Tekst: Wim Corbeel – Illustraties: P. Paul Delmé E wim.corbeel2@gmail.com

Wim Corbeel
12 1
Tip

Het bootje en hoe verder met de werkinstructies?

‘Orde orde,’ zei Mikkie. Het werd niet rustig. Ze kwamen elkaar niet elke dag tegen, dus als er een universele vergadering bijeen was had je een hoop bij te kletsen. De zon scheen, het was droog en de manden met mandarijnen en broodjes gingen rond. De geur van geroosterd schapenvlees vulde de lucht.   ‘Allemaal koppen dicht, het woord is aan Gab,’ zei Mikkie. Stof wapperde op bij elke klap die hij met de hamer op de tafel timmerde om zijn woorden te ondersteunen. Eindelijk werd het stiller, achterin gaf iemand commentaar op de temperatuur van de kippensoep.   ‘Dank je Mik, we zijn hier voor dat bootje,’ zei Gabri. ‘En ik begrijp waarom, maar zo doen we dat dus niet.’   ‘We moeten toch onze duurbaarheidsdoelstellingen halen?’ zei Raf.   ‘Ja, maar dan stuur je die boot toch niet in het zand,’ zei Gabri.    ‘Ik heb de voorkant al losgemaakt, de rest komt de komende week.’   ‘Je had het helemaal niet moeten doen.’   ‘Doe ik vaker.’   ‘Dat weten we, Raf’ mengde Mikkie zich in het gesprek. ‘Het probleem is dan ook breder dan dat bootje, en we moeten hier een principe uitspraak over doen, na een rustig debat.’   ‘De wereld gaat compleet naar de kloten en jullie praten over “Een principe uitspraak”? zei Filhema. ‘Ik ben het niet vaak met Raf eens… ‘   ‘Dat weten we,’ fluisterde Url in Rafs oor, die begon te grinniken.   ‘... maar nu wel,’ zei Filhema. ‘We moeten kordater optreden, zo verandert er helemaal niks, nada, noppes.’ Ze keek naar de zeven grinnikende oude mannetjes achter de tafel. ‘Elke keer heb ik het gevoel dat wij hier als opvulling zitten. Jullie beslissen ik weet niet wat voor onzin, waarbij wij dat maar moeten slikken als een gans de mais. Deze dame maakt geen foie gras meer,  ik hou de snavel dicht. Jullie gooien er alleen een vergadering tegenaan bij onderling gekrakeel en dan mogen wij netjes buigen en tekenen bij het kruisje.’   ‘Wie zijn jullie zevenen dat jullie nog steeds in het bestuur zitten?’ vroeg Benei die zich naar voren drong. ‘Wanneer komen er verkiezingen, Aartsmannetjes?’ Instemmend gemompel steeg op uit de menigte, “Aarts? Mijn Aars, dat klinkt beter!” riep iemand van achteren en er werd besmuikt gelachen.    ‘Hier hebben we het al over gehad,’ zei Mikkie. ‘Het loopt oke zo, laten we niet te veel veranderen. Veranderingen brengen onrustige tijden met zich mee, en onrust bij ons veroorzaakt rampspoed beneden.’   ‘Loopt oke zo?’ zei Benei. ‘Elke keer is het dezelfde discussie: er gebeurt iets op de wereld en we reageren op de waan van de dag, gaan een paar jaar ouwehoeren en uiteindelijk verandert geen enkele werkinstructie, nieuwe inzichten worden niet gebruikt. Ik ben er klaar mee. Ik wil een visie.’    De gebroken wit gejurkte menigte werd luider in instemming. Gejoel steeg op.   ‘En ik wil verbeterde werkinstructies,’ zei Benei.   ‘Laten we een nieuw bestuur kiezen,’ riep Filhema. ‘En dit keer 50-50 met vrouwen.’   ‘Ja, een stemming,’ zei Benei. Achterin de meute begonnen een paar te klappen en instemmend te roepen.   ‘Dat van die 50-50 weet ik niet, iedereen moet een kans krijgen,’ zei Benei.   ‘We leven in 3874!’ riep Filhema, ‘we zijn toch niet meer achterlijk?’    ‘We leven nu in 2021,’ zei Gabri.   ‘1443,’ riep Azzie. Het werd nu een gekakel van jewelste: “2078 of 1933”, “5781”, “4718”, ”564”, iedereen kwetterde door elkaar.   ‘Orde, Orde!’ Mikkie liep rood aan. Hij had het niet meer in de hand, misschien hadden Benei en Filhema gelijk, en waren ze antiek en was het tijd voor een nieuwe garde. Hij keek naar rechts waar zijn oude vriend Gab verbeten voor zich uit keek. Die was tijdens de hoogtijdagen van de Nubiërs in het bestuur gekomen en was toen al niet meer de jongste. Zelf had Mikkie de migratie langs de Beringstraat overzien, was tijdens de opkomst van de Olmeken bestuursvoorzitter geworden en naar het Midden Oosten verhuisd.   ‘2021,’ zei Gabri stuurs. ‘Dat wordt het meest gebruikt.’   ‘Alleen omdat jij daar toevallig was,’ antwoordde Muha. ‘Als jij niet zo stom was geweest om die slager te helpen die vreemd was gegaan met die vrouw van de timmerman was er niets gebeurt.’   ‘Zou nu ook niet meer kunnen,’ zei Filhema, ‘arme meid, als er toen Me too was geweest had de wereld er heel anders uitgezien. Die viezerik.’   ‘Iedereen heeft wel eens geholpen,’ antwoordde Gabri. ‘Daarnaast, wist ik veel dat die timmerman en zijn vrouw zo bijgelovig waren dat ze een hele cultus voor dat kind opstartten.’   ‘Had je kunnen weten,’ zei Muha. ‘Je gaat niet zomaar in iemands slaapkamerraam staan wapperen zonder de consequenties te overdenken. Het was een beetje amateuristisch.’    ‘Zo'n beginnersfout,’ zei Benei, ‘was niet acceptabel voor iemand van jouw statuur, dat had je moeten voorzien. En je volgde de werkinstructies niet.’    ‘Die werkinstructies van jouw weten we nu wel,’ zei Gabri. ‘Je valt in herhaling.’   Iemand in de menigte riep: ‘Gepruts.’ Het begon weer uit de hand te lopen.   ‘En om ons daarna te vragen liedjes te kwelen,’ zei Azzie. ‘Dat deed het hek helemaal van de dam.’    ‘Moet jij zeggen met je verschijning in die woestijn,’ zei Gabri.   ‘Dat was ik,’ zei Sammu. ‘Ik probeerde het te corrigeren.’   ‘Dat bedoel ik niet,’ zei Gabri. ‘Jij deed een dappere poging, ik bedoelde later toen onze vriend Az aan de slag ging.’   ‘Dat was gewoon een geintje met een marktkoopman,’ zei Azzie, ‘Gebbetje moet toch kunnen?’   ‘Over die verschijningen moeten we ook nieuwe werkinstructies maken,’ zei Benei, die voelde dat hij het momentum kwijt begon te raken. ‘Ik ben het zat om altijd naar van die kutdorpjes te gaan. En dan tegen de volgende inteeltkop te moeten preken. Zit geen uitdaging in. En op de een of andere manier, lukt het die gasten altijd om over mijn sandalen te kwijlen.’   'Ik pas ervoor nog langer in het bos te doen alsof ik een sprekend dier ben,’ riep Ykulop, ‘om die arme mensen de stuipen op het lijf te jagen. Jullie daar,’ zij wees op de zeven mannen achter de tafel, ‘hebben al die jaren niets veranderd.’   ‘Stelletje conservatieve fossielen,’ mompelde Tace. De massa werd nu echt rumoerig.   ‘Precies Mikkie, als het aan jou en je cluppie bejaarde langharige makkers ligt, met die prehistorische richtlijnen, halen we die duurzaamheidsdoelstellingen nooit,’ zei Filhema.    ‘En prehistorische werkinstructies,’ zei Benei.   ‘Weet je wat ook mijn neus uit komt?’ zei Ykulop ‘Koortje spelen, getverdegetver. Als dat bejaarde zootje het nodig vindt, moeten we altijd in dezelfde jurk, toeterend op een primitief trompetje of met zo’n kinderachtig tamboerijntje in de hand, onzin rond lopen zingen. We zijn toch geen kleuters meer? Dit wilden we een paar duizend jaar geleden al veranderen, en wat is er sindsdien gebeurt?’   ‘Geen moer,’ zei Tace.   ‘Voor muziek moeten we ook nieuwe werkinstructies maken,’ zei Benei.  ‘Verkiezingen! En nu!’ riep Filhema.   ‘We geven iedereen een week om kandidaten te voor te stellen,’ zei Benei. ‘Daarna maken we een lijst en gaan we stemmen. Ik ontwerp een procedure, zodat het eerlijk en transparant gaat. Met een mogelijkheid van beroep, als dit zo nodig is.’    Filhema toverde een perkament uit haar gewaad en legde dit op een brede platte steen, ze legde er een ganzenveer bij en zei: ‘Inschrijven als kiezer kan bij mij.’ Ze keek om zich heen.   ‘Heeft iemand een potje inkt?’   ‘Shit zeg, dit is old skool,’ zei Ykulop. ‘Hier.’ Zij gaf Filhema een notebook en zei: ‘Op zonne-energie, werkt hier prima.’ Benei zette er een handzame printer naast.   ‘Orde orde.’ riep Mikkie weer. Hij klopte de tafel bijna in tweeën.   Tevergeefs. De menigte begon het geduld kwijt te raken, geen goed teken. Geduld was iets waarvoor ze bekend stonden nietwaar?    Een rij ontstond bij de steen waar Filhema iedereen registreerde als kiesgerechtigde.   Verandering hing in de lucht.

MCH
53 0

Brussels Lof

Van het onkruid in de dakgoten is weinig meer over dan dorre, stugge sprieten. En ook al is de dag amper begonnen, het wegdek, het trottoir en de gevels zijn al doorweekt met een lamgeslagen warmte.Priegelend aan het eindje van zijn onafscheidelijke sigaret observeert Albert vanuit het open raam hoe een half dozijn mannen zich samenpakt naast een vaalblauwe Ford Transit met Bulgaars kenteken. Een paar plastic tasjes gaat van hand tot hand, de inhoud wordt geïnspecteerd. Na een korte woordenwisseling worden wat beduimelde bankbiljetten uitgewisseld en rolt een bleke twintiger de kleinste van de tasjes als een slaapzak op om ze onder zijn witte trainingsjack te verbergen. Twee agenten in een permanent gestationeerde patrouillewagen attenderen elkaar op de transactie, maar wanneer de koper aan hun wagen voorbij stiefelt blijven de portieren en ramen gesloten.Albert legt zijn sigaret op de rand van een zware, glazen asbak, recht zijn rug en trekt met beide handen zijn gilet strak. ”In mijn tijd had de gendarme de wapenstok laten spreken! Als straks Filip de Winter premier is, dan gaat dat hier anders lopen!”, verkondigt hij naar de keuken. Maar Elsbeth reageert al jaren niet meer op zijn tirades. Ook zijn eindeloze hoestbuien lokken geen reactie meer bij haar uit, ze is er immuun voor geraakt. Op de derde etage van hun appartementsgebouw aan de Rue Grisar is onverschilligheid haar enige overgebleven vorm van verzet.Terwijl buiten de weeïge geur van broeiend straatvuil wedijvert met de vetzwangere dampen uit een dönerloket, vult het appartement van Albert en Elsbeth zich met de laffe lucht van grijsgekookte witlof en een tot schoenleer doorbakken karbonaadje. Albert verwacht de warme maaltijd ’s middags om twintig over twaalf op tafel. Iedere dag, stipt, zonder uitzondering. Dat ze op dit soort dagen zelf geen hap door haar keel krijgt verandert daar niets aan. Ze leert Albert 44 jaar geleden kennen wanneer ze als stagiaire rapportages uittypt op de afdeling Algemene Inspecties van het Ministerie van Landsverdediging, tegenwoordig de Federale Overheidsdienst Defensie. Als negentienjarige majoorsdochter is ze onder de indruk van Alberts vastbesloten, heldere stijl. Hij is de enige inspecteur die zelf zijn notities naar de typekamer brengt en controleert of zijn rapportages correct gearchiveerd worden. Zodra ze Alberts tred over de harde PVC-vloer van het archief herkent grist ze een willekeurige map van haar bureau en snelt ze naar hetzelfde krappe gangpad.“Pardon” zingt ze zachtjes en manoeuvreert haar lichaam tussen hem en de manshoge dossierkasten in. Terwijl ze zijn blik met gespeelde verlegenheid ontwijkt voelt ze hoe de stof van haar dunne bloesje zijn gekruiste armen toucheert. Ze vertraagt, ontspant haar mondhoeken en met half geopende lippen ademt ze hoorbaar in. Met licht gebogen hoofd maakt ze vluchtig, maar indringend oogcontact: ”Mijnheer de inspecteur”.Haar onderbuik zoemt. Blozend schuifelt ze verder, tweemaal de hoek om, terug naar haar bureau. Dat ze bijna tien jaar jonger is dan hij weerhoudt hem er niet van haar avances te beantwoorden en nog voor Elsbeth haar studie af kan ronden trouwen ze en koopt Albert de etage in het Brusselse Kuregem. Kuregem, waar in de jaren ’50 en ’60 de hogere middenklasse elkaar op weg naar kantoor, kerk of kruidenier hartelijk maar beleefd toeknikt. Maar na de oliecrisis brokkelt de bedrijvigheid in de welvarende wijk af en trekt de burgerij weg naar groenere stadsdelen. De leegstaande woningen worden snel ontdekt door huisjesmelkers. Ook Albert ziet zijn kans. Hij koopt met een lening van de bank de appartementen op de begane grond en eerste verdieping en verhuurt deze per kamer aan de vluchtelingen en arbeidsmigranten; mensen zonder binding met zijn België, zijn Brussel en zijn Rue Grisar. Wanneer de respectabele buren van weleer Kuregem definitief achter zich hebben gelaten dringt Elsbeth aan om de appartementen toch maar te verkopen en ook naar de rand van de stad te verhuizen om daar een gezin te stichten nu het nog kan. Maar Albert weigert zijn verlies te nemen. Zijn rotsvaste vertrouwen dat zijn wijk er weer bovenop zal komen en zijn investering zal renderen slaat met het verstrijken van de jaren om in een halsstarrige weigering de mislukking van zijn plan te accepteren. Onachtzaam keert Elsbeth het karbonaadje nog eens om. Een bruin verbrande vetspetter landt op haar zalmroze nachthemd. Ze heeft zich al dagen niet fatsoenlijk aangekleed. Haar grauwbruine haar hangt los op de schouders. Wanneer ze een naar voren gevallen lok uit haar gezicht veegt ziet ze Benji in zijn mandje naast de radiator liggen. Ze pakt een gebruikt ontbijtmes uit de gootsteen, duwt een vork in het uitgedroogde lapje varkensvlees en snijdt een stukje van de rand. Met haar vingers trekt ze het taaie hapje van de vork en laat het in Benji’s richting op het keukenzeil vallen. Het beestje komt niet in beweging.“Benji! Hapje?” roept ze zacht, maar ook nu blijft het witte pluizenbolletje liggen. Kalm legt Elsbeth de vork neer en hurkt om haar mamma’s kindje nog één keer goed te bekijken. De oogjes zijn half geopend, maar staren leeg de keuken in. Ze aait over zijn lijfje, maar het reageert niet meer. Dan raapt ze het stukje vlees van de vloer en gooit het terug in de pan. “Het is goed ventje, je mag gaan”, mompelt ze.Schijnbaar onaangedaan giet ze de witlof af en laat ze twee stronkjes uit de pan op een bord glijden. Dan vist ze het karbonaadje uit de pan en legt deze ernaast. Een paar seconden staart ze het bloedeloze stilleven aan. Haar maag draait om. Ondanks de hitte schiet haar nekhaar overeind, alsof er in slow motion een lucifer tegen de binnenkant van haar schedel wordt afgestreken.“Je mag gaan”, herhaalt ze hardop. Ieder woord nadrukkelijk uitsprekend, overtuigt ze zichzelf: “Je mag gaan”.Haar blik verstart, ze zet zit zich schrap. Met een felle pets slaat ze met beide vlakke handen op het aanrecht. Gedecideerd beent ze naar de badkamer en trekt het medicijnkastje open. Alberts digitalistabletten staan onder handbereik in het deurtje. Onderweg terug naar de keuken draait ze het potje in één krachtige beweging open. Daar keert ze de inhoud van het potje om op het aanrecht en met diezelfde vork drukt ze de pillen tot een grof poeder. De bittere witlof moet de smaak van het medicijn camoufleren. Vanmiddag om tweeëntwintig over twaalf zal ze de ambulance bellen.

Bas van der Graaf
41 3

Het koor

Het jaar? Dat moet 1978 geweest zijn. We waren twaalf jaar oud en zaten in onze banken te wachten. Het was een vrijdag. De dag dat de Woef naar onze zangkwaliteiten kwam luisteren.  Ik was al de hele week zenuwachtig en had veel geoefend. Voor de spiegel in de badkamer, in mijn kamer of terwijl ik in bad lag. Meezingend met David Bowie op een cassette die ik van de Top 30 had opgenomen. Zelfs de woorden van de discjockey kende ik uit het hoofd. De Woef was onze meester in het zesde leerjaar. Zijn bijnaam was afgeleid van zijn familienaam, maar dan vernam ik pas op het einde van het schooljaar. Namen van mensen waren toen nog niet belangrijk. Met de voornamen van je vrienden kwam je al ver.   Hij was vooral groot. Je kon niet naast hem kijken. Hij was groter dan twee meter en speelde volleybal. Een hatelijke sport. Vooral omdat ik klein was en meer aanleg voor voetbal had. Ik liep vlot onder het volleybalnet door zonder me te moeten bukken. De Woef was zo groot dat hij zonder zijn armen te strekken het plafond in de klas kon aanraken. Daarvoor moest hij wel op het verhoogje vooraan in de klas staan, maar echt hoog was dat niet. Dat maakte het nog straffer. Het verhaal ging dat de Woef ooit klem was komen te zitten in een schoolbank. Het waren van die banken waarvan je het blad kon omhoogklappen. In die bak lagen je boeken en het schrijfgerief. Om een leerling een vraagstuk voor de tiende keer uit te leggen, was hij in de bank naast de jongen gaan zitten. Ze hebben de bank moeten demonteren omdat hij er met zijn lange benen niet uit geraakte. De banken waren op maat van 12-jarige kinderen gemaakt. Doorgaans zijn die ongeveer anderhalve meter groot. Al kwam ik daar niet aan. Zondag over een week zou er een speciale viering in de kerk zijn. De kinderen met de mooiste zangstem mochten vooraan in de kerk enkele liedjes zingen. Zij waren het gelegenheidskoor. Het was geen David Bowie, maar omdat muziek toen al belangrijk voor me was, leek het me wel wat.  Danny naast me in de klas bleek minder zenuwachtig te zijn. Hij was ook een voetballer en zou die zondagochtend liever naar de wedstrijden van de grote jongens kijken dan naar de kerk te gaan. We zaten samen in een team. Onze wedstrijden speelden we op zaterdagnamiddag. Omdat Danny en ik meteen naast de deur zaten, rechts vooraan, zei iedereen dat we op de eerste bank zaten. De bank aan de kant van de venster die op de speelplaats uitkeek, zou je ook de eerste bank kunnen noemen, maar dat werd niet gedaan. We kwamen wellicht als eerste aan de beurt. Het was een kerklied waarvan ik de inhoud ben vergeten, als ik die al ooit onthouden heb.  De Woef had vooraf gezegd hoe het in zijn werk zou gaan. “Iedereen begint te zingen en ik kom bij jullie langs. Niet schrikken, maar ik ga vlakbij bij je mond staan met mijn oor, zodat ik goed kan horen wie vals zingt en wie niet. Wie niet zo mooi zingt, geef ik een zachte tik op het hoofd met mijn hand. Als je dat voelt, mag je stoppen met zingen. Doe ik niets, dan blijf je gewoon zingen.” Met zijn handen zo groot als een kolenschop, kon hij ons met één hand uit de bank lichten, dus die tik was niet iets waar we verwachtingsvol naar uitkeken. Al was het uitdelen van een tik in die late jaren ‘70 grotendeels uit het schoolbeeld verdwenen. Toch had Danny ooit dicht bij een handafdruk op zijn linkerwang gestaan, toen hij tijdens de speeltijd het raam van het secretariaat aan diggelen had gestampt met de leren bal, die hij van thuis had meegebracht. We mochten enkel met plastic ballen voetballen. Maar als er wind was, voetbalde dat voor geen meter. Je moest dan al een aardig effect in de voeten hebben om te scoren. Na twee regels gezongen te hebben, stond de Woef bij onze bank. De eerste bank. Danny kreeg al snel een tik op zijn hoofd.  Daarna was ik aan de beurt. Wat stond hij dicht bij mijn mond. Ik kon mezelf amper horen zingen. Akelig ook, met dat grote oor van de Woef voor mijn ogen. Bij mij leek het iets langer te duren, maar ik voelde plots toch ook een hand op mijn hoofdhaar. Het leek alsof hij met die tik eigenhandig mijn mond sloot en mijn muzikale toekomst de grond in boorde. Ik keek naar Danny maar die leek zich er weinig van aan te trekken. De klas zong verder. Op het einde bleef exact de helft van de leerlingen over, die alsmaar luider zongen. Alsof ze onze valse stemmen moesten overnemen.  Tijdens de misviering kregen zij een plaats op het altaar, het podium van de kerk. Wij kregen een andere taak toebedeeld. Op het einde van de plechtigheid mochten we tekeningen ophangen. De zangers en zangeressen van onze klas stonden nog altijd recht op het altaar terwijl wij, de valse zangers en zangeressen, naar de stoelen op de eerste rij sjokten. Ze keken ons hooghartig aan. Wij keken vals terug. De misviering was bijna afgelopen. Ik vertel dit voorval omdat het een kleine rol heeft gespeeld in mijn liefde voor muziek. Je moet weten dat muziek altijd enorm belangrijk voor me geweest is. De dag dat ik David Bowie voor het eerste hoorde zingen, vergeet ik nooit meer. Buitenaards mooi.  Een verhaal vertellen op drie of vier minuten, waarbij de muziek voor iets magisch zorgt, zodat je het keer op keer opnieuw wil horen, dat is muziek. De tekst als eerste laag en de muziek als tweede. Het verveelt nooit. Een verhaal kan je maar zolang vertellen tot het einde of de plot nog niet gekend is. Het einde van een song zorgt ervoor dat je het telkens opnieuw wil beluisteren. Niets einde verhaal. Een derde laag is het beeld van de zanger op het podium, in een studio of in een videoclip. David Bowie had dit als geen ander begrepen.  Maar het ultieme gevoel moet zijn om zelf op dat podium te staan. Een song zingen die je zelf geschreven hebt. Maar zingen was voor mij niet weggelegd. Dat had die tik van de Woef me duidelijk gemaakt. Ik zong vals. En dat betert niet met de jaren. Hij had mijn mond gesloten. Wijselijk en verstandig voor de omstanders.  In de jaren erna heb ik nog gitaar proberen te spelen, maar ik had het geduld niet. Of de aanleg.  Dertig jaar later We zijn ondertussen dertig jaar verder. Het einde van het eerste decennium in de eenentwintigste eeuw. Samen met mijn vrouw sta ik in de AB in Brussel. Een echte muziektempel. Wat hebben we hier vaak gestaan. In de zaal en op de rode balkons. Die zijn trouwens het bewijs dat we ons in een muziektempel bevinden. Een tempel is goddelijk. In een tempel kan je van bovenaf naar het podium kijken. Zoals een god naar beneden kijkt.  Vandaag staan we in de zaal. Nee, eigenlijk op het podium, want we zingen zelf. De zaal is het podium. Wat hebben we hier naar uitgekeken. We zijn allebei muziekliefhebbers. Zo breed als het maar enigszins kan. Van pop en rock en new wave tot jazz en klassiek.  Het internationaal bekende gezelschap ‘Choral 2000’ doet ons land aan. Alhoewel, gezelschap. Eigenlijk zijn ze maar met twee. Een dirigent en een jongeman op akoestische gitaar. Ze zijn ermee gestart in hun thuisstad Minneapolis. De stad van Prince, Hüsker Dü, The Replacements en The Jayhawks.  Begin jaren 2000 deden ze een oproep voor een optreden in een zaaltje. “Gezocht: 150 muziekliefhebbers om samen popklassiekers te zingen. Van Bowie en Nirvana tot Nina Simone.” Het recept bleek aan te slaan. Peter, de dirigent, schreef de songs uit voor een groot koor. Tweestemmig, driestemmig. Ze deden alsmaar grotere zalen aan. Eric, de man op akoestische gitaar droeg altijd een baseballpet van The Minnesota Twins, de baseballclub uit Minneapolis.  In hun beginjaren tourden ze vooral in Amerika. Het ging van kleine naar grote zalen. Eerst koren bestaande uit 500 mensen, later werden het er 2000 en meer. Na de USA en Canada volgde Europa in deze ‘Choral 2000 World Tour’.  Via een vriendin die bij een concertpromotor werkt hebben we tickets weten te bemachtigen. Ze hebben een aantal koren uitgenodigd, maar er is ook plaats voor ‘gewone’ mensen, zoals wij. Mijn vrouw, die geen onaardige zangstem heeft, hoopt op nummers van Nina Simone. Zelf kijk ik uit naar Bowie. Welke songs we gaan zingen, maken ze vooraf niet bekend. Ik heb er jaren niet meer aan gedacht, maar bij het betreden van de zaal moet ik plots aan het voorval met de Woef in het zesde leerjaar denken. Ik heb het nooit aan mijn vrouw verteld, besef ik tijdens het aanschuiven. Dat is iets voor straks. In de auto naar huis. Stel dat ze een zangtest afleggen vooraleer we naar binnen mogen, vraag ik me angstig af. Al is die angst niet nodig, want onze vriendin van de concertpromotor heeft ons gerust gesteld.  “Ze weten dat er mensen in de zaal zijn die niet al te best zingen. Maar dat is nu het mooie aan dit concept. Het merendeel van de mensen kan wel goed zingen. Zij overstemmen de mensen die ietwat vals zingen. Komt helemaal goed”, zei ze.  We geraken inderdaad zonder zangtest de zaal binnen. Iedereen krijgt een lintje met een bepaalde kleur. In de zaal wijzen medewerkers de bezoekers naar een vlak met dezelfde kleur.  We staan in het gele vlak. Naar wat ik kan zien, zijn er vier vlakken. Er is voldoende ruimte gelaten in de zaal. Iedereen staat comfortabel. Ik schat het aantal bezoekers op een twaalfhonderd.  Peter en Eric worden op een geweldig applaus onthaald. Vooraleer we tot een song komen die gefilmd wordt en later op YouTube belandt, gaat er een uur oefenen aan vooraf. “We spelen twee songs”, vertelt Peter. “De titel van het tweede nummer verklappen we niet, maar het eerste is Here Comes The Sun van The Beatles. Een nummer van George Harrison. Zijn jullie er klaar voor? Yeah? Yeah? Really yeah? Okay, let’s start.” Het oefenen gaat vlot. Eric laat ons helemaal in de song belanden met zijn fijn gitaarspel. Waar normaal een gitaarsolo klinkt, neemt de groene groep het over met een zeer subtiel ‘hmm hmm’. De magie van het zingen op een podium is voor mij nooit zo dichtbij geweest als op dit moment.  Na het eerste uur is er een pauze van een half uur. De twee pintjes gaan vlot naar binnen. Van zingen krijg je dorst. “Niet te veel”, zegt mijn vrouw. “Zodat je dadelijk niet begin te lallen. Of te luid gaat zingen.” Het is precies alsof ze me een knipoog geeft. In het cafe meen ik Danny te zien. De jongen naast me in de klas vroeger. Maar dat zou een al te groot toeval zijn. Hij had niets met muziek. Terwijl hij terug naar de zaal gaat, zie ik duidelijk dat hij het niet is. Maar hij heeft er iets van weg. Eric kondigt de tweede song aan. Hij heeft zijn pet afgezet. Nu zie ik pas dat hij lang haar heeft en een beetje op George Harrison lijkt. Of verbeeld ik me dat?  “We zoeken het niet te ver voor onze tweede song”, zegt hij. “We blijven bij The Beatles. Al is dit geen song van The Fab Four, maar wel eentje van de eerste soloplaat van George Harrison na de split. Zijn jullie klaar voor My Sweet Lord?” Ik had op Bowie gehoopt, maar eigenlijk zijn deze songs nog beter. Een song over een mens die zoekende is, naar God in dit geval. “I really wanna know you. I wanna show you Lord.” Doen we dat niet allemaal tijdens ons leven? Zoeken? Iemand leren kennen? Iemand willen tonen? Zoeken naar iets of iemand die ons bestaan zin geeft? Dit liedje komt aardig in de buurt van iets goddelijk als je het mij vraagt.  Het nummer lijkt gemaakt om samen met 1.200 mensen te zingen. Peter en Eric kijken bij het oefenen van deze song een paar keer naar boven. Naar de balkons. Alsof ‘The Lord’ van George Harrison daar ergens bovenaan staat.  We zijn klaar voor de opname van de definitieve versie die over een paar dagen op YouTube verschijnt. Ik zie drie camera’s. Een bewegende op het podium en twee vaste op de balkons. Eric begint met de overbekende akkoorden van My Sweet Lord. Ik kijk naar mijn vrouw naast me. Een blik en een lach van verstandhouding.  Waar in de song in het begin al een elektrische gitaar weerklinkt, begint de rode groep met een fijn geneurie.  Wij mogen beginnen met de regels ‘My sweet Lord. Oh my lord.” Zo staat het ook op ons geel gekleurde papiertje. Ik doe mijn mond open en voel plots een hand op mijn hoofd. Ik schrik en kijk achterom. Het is de Woef. Het lijkt alsof hij nog groter is geworden. Hij torent boven iedereen uit. “Wat heb ik nu van dat zingen gezegd? NIET doen hè.” Ik hoor me nog net “WOEF” roepen en maak mezelf wakker van het schrikken. Ik zit rechtop in bed. Mijn vrouw naast me doet één oog open. De dag lijkt al te beginnen. Er komt daglicht door de jaloezieën van de slaapkamer. “Wat WOEF? Was je aan het dromen?", vraagt ze. "Weeral over dat voorval in de zesde lagere zeker?" “Je was ook opnieuw aan het zingen. Of toch zoiets. Ik heb je al eens wakker proberen te maken.” Ik ben ondertussen een beetje gekalmeerd en lig terug op mijn kussen.  "Het was iets van The Beatles”, zucht ik.  

Rudi Lavreysen
30 1

ik ben een koekoek

‘Ik ben een koekoek.’ Rita’s krakende stem zou die dag voor een laatste keer de kamer vullen. Onder een wollen sprei ligt een dame die hele zalen deed opveren na haar laatste lied. Nu streelt ze enkel het trommelvlies van een onderuitgezakte Leo, haar zoon. ‘Ik joeg anderen de afgrond in door mijn wil in hun hoofden te nestelen en alle dromen die ze bezaten uiteen liet spatten op koude grond. Ik ben een koekoek.’ Plots zit Leo weer rechtop. Ze kijken samen naar een natuurdocumentaire waarin een vrouwtjeskoekoek net een ei legde in het nest van een karekiet en alle andere eieren de dieperik in duwde. Leo zit naast haar bed op de hoge stoel, zijn hoofd rustte net nog tegen de zijkant van haar harde, synthetische hoofdkussen. Na drie jaar op deze kamer had Leo geleerd hoe te reageren op zulke uitspraken. Vandaag kan hij niet vluchten door te zeggen dat Christa en de meisjes op hem wachten achter opgeschepte borden. Vandaag zal hij blijven tot de laatste lange noot haar longen uitglijdt en doodstil op de linoleumvloer valt, tot haar kleuren in de muren vluchten en de kamer al aankleden voor de volgende, tot ze een herinnering wordt, een naam met nummer en voicemail in zijn gsm.  Moeder en zoon staren naar het grote scherm dat veel te dicht en veel te luid staat. De karekiet is het pasgeboren koekoekskuiken al aan het voeden en hangt met haar bek in de keel van het jong. ‘Misschien vindt de karekiet het niet erg?’ Ze draait haar hoofd in zijn richting, neemt een diepe ademteug. ‘Ik heb je nooit laten studeren. Vind je dat niet erg?’ Leo drukt de volumeknop naar omhoog en redt zo hun laatste moment samen. De karekiet vliegt af en aan met rupsen en andere insecten. Niemand hoort Leo’s mekkerende maag. De haakse vingers van Rita’s rechterhand strelen bevend en onophoudelijk haar linker, alsof ze iemand vervangen die weet wat er te gebeuren staat, haar troost. Rita was ooit het koekoeksjong, is het haar waardvogel die haar opnieuw sterkt? ‘Wanneer komt Peeters?’ Rita moest niks weten van dokter Peeters. Toen ze hoorde dat hij zijn vrouw had bedrogen met een pas afgestudeerde spoedarts leek ze plots twintig jaar jonger. Ze klaagde minder over ontstekingen en was bereid dit te bewijzen door toertjes rond de salontafel te lopen, waarna ze, zich beroepend op haar aangeboren zwakke hart, neerplofte in de krakende zetel en de infraroodlamp aanklikte. ‘Volgens de verpleegster zal hij er binnen het kwartier zijn.’ ‘Let maar op met hem, hij is een aasgier, doet zelf het vuile werk. Wist je dat aasgieren andere eieren openbreken met stenen?’ Leo mag hem wel, al is hij van kindsbeen af misschien snel geïmponeerd door mannen in blinkende auto’s, mannen die wel hun eigen dromen najagen in plaats van ze te verdringen. Tijdens de aftiteling van het programma komt Peeters binnen. Hij trekt een verse lading van de weeë geur van het woonzorgcentrum de kamer in. Zijn zwarte tas maakt een dof geluid wanneer hij deze op de dichtstbijzijnde stoel neerploft. Rita schrikt en kijkt nors de andere kant uit. Waarom toch hij? Heel de dag had ze zitten mokken toen ze hoorde dat de oude Peeters er niet zou geraken. Ze had niets willen eten en blafte naar de verpleegsters als een kwijlende hond naar een angstige passant. Hoe kon hij? Alsof dit een cafébezoek is! Leo had haar getroost met de woorden dat meneer Peeters het wellicht te moeilijk had met dit afscheid door hun verleden samen en hij daarom zijn zoon stuurde. Hij wou de vale muren behouden. ‘Mevrouw Simons, bent u er klaar voor?’

Dieter Desmet
12 1

Kwart voor zes

"Is dat morgen?" We hebben er niet aan gedacht, dat de klok ‘s nachts een uur overslaat. Ze moet vroeg uit de veren. De plicht roept. "Nu zelfs een uur vroeger", zegt ze. "Zo mag je niet denken", antwoord ik. "Je slaapt minder, maar je geniet 's avonds meer van het uur extra licht." Ik krijg een dat-gaat-gij-hier-niet-bepalen blik. Het zou de laatste keer kunnen zijn, zegt mijn krant. Niet die blik, maar dat we een uur overslaan. De Europese landen mogen kiezen tussen zomer- en wintertijd. Stel je voor. Een uur tijdverschil met onze buurlanden. Het is een kunstmatig iets, die tijd. Maar het zorgt voor houvast. Zo heb ik lang gedacht dat "kwart voor" een belangrijk moment was. Om kwart voor acht begon het journaal op Brussel. Om kwart voor zes werden de voetbaluitslagen voorgelezen. Dat was pas een moment. Je moest stil zijn, want ze werden niet herhaald. Denken aan die voetbaluitslagen is denken aan die rode Simca. Onze neef was enkele jaren ouder, had een rijbewijs en reed op zondagnamiddag met zijn pa, onze goedlachse nonkel, naar de uitwedstrijden van Lommel SK. Wij mochten mee. Ik herinner me een wedstrijd in Gerhees. Was het in bevordering? Of toch in derde? Zijn rode Simca had kuren, vertelde hij bij het vertrek. De auto mocht niet stilstaan. Anders viel de motor uit en moesten we duwen. We reden langzaam naar de verkeerslichten om niet te moeten stoppen. Het leek me straf, want de auto had thuis ook stilgestaan. Maar het was lachen. De wedstrijd was om kwart voor vijf afgelopen. Om vijf uur zaten we in de auto. De hotdog hadden we in de rust naar binnen gespeeld. Misschien reden we langzaam om onderweg kwart voor zes niet te missen. Wat waren we stil, in die rode Simca.

Rudi Lavreysen
12 0

Lena en het verdwenen meisje

Het duurde even vooraleer juf Julie de groep joelende kinderen tot zwijgen gebracht had. “Twee aan twee een mooie rechte rij vormen! Anders kunnen we de bibliotheek niet binnengaan.” Sommige oude opvoedingstechnieken deden het gelukkig nog. Geen overleg, gewoon duidelijk maken wat er te gebeuren staat. Allison en Lena stonden vooraan in de rij. Ze popelden om binnen te gaan. Ze waren elkaars beste vriendinnen, voornamelijk omwille van hun eindeloze fantasie. Vijf minuten later stapte een mooie rij naar binnen. In de bibliotheek verspreidde de groep zich, per twee zoals de opdracht in de klas werd gegeven. Ze zochten een boek en begonnen aan het  eerste deel van de opdracht. ‘Vul in: de auteur, de titel, de inhoud’… De betekenis van de woorden die ze niet begrepen, moesten ze zelf opzoeken. De twee vriendinnen hadden al snel een plaats op de vensterbank met een boek dat Lena de vorige avond had opgezocht. Haar lievelingsboek over een verdwenen prinses. De taak was hierdoor snel af. Hun avontuur in stilte kon starten. Het gekozen boek lag geopend op Lena’s dijen, in kleermakerszit geplooid. Ze begon fluisterend te lezen …   Het geheimzinnige verhaal van het verdwenen meisje. Toen hield de uil nog de wacht in het bos, de haan wekte de mensen ’s morgens, de mama’s waren altijd bezig met eten koken en kinderen troosten, de papa’s werkten, dronken een pint en snurkten. De jongens voetbalden met alles behalve een bal, de meisjes hielpen hun mama’s na schooltijd. Het veranderde nooit, tot er in het huisje bij de kerk nieuwe mensen woonden. Eerst wist niemand ervan. Het was een mooie dag in de zomervakantie. De meisjes van het dorp speelden rond de waterput op het dorpsplein. De school was gesloten en de mama’s waren geholpen. Ze waren even vrij! Dora werd het circusmeisje van het dorp genoemd. Ze joelde van plezier, door op de rand van de waterput rondjes te huppelen. Bij elk rondje hing ze even aan de paal met de emmer eraan. Ze probeerde er dan overheen te kijken. Wanneer dat lukte, riep ze ‘Ik zie de horizoooon’ en huppelde verder. De emmer wiebelde dan hard  aan het touw rond de paal. De deur van het huisje aan de kerk zwaaide open. Daar stond een meisje te staren naar Dora. Die had precies dezelfde krulletjes en bruine ogen. Het was net toen Dora haar rondje weer wilde beginnen. De twee meisjes staarden elkaar geschrokken aan. De andere meisjes rond de put stopten met hinkelen en touwtjespringen. Het was alsof ze standbeelden werden. Het was alsof Dora en het meisje in een spiegel keken. Dezelfde meisjes! Toen gebeurde het. Dora wankelde. Ze stak haar handen nog uit naar de paal maar haar voeten waren al verder. Gillend verdween ze. Iedereen zag nog dat haar handen de emmer vastnamen en toen viel ze met emmer en al de put in. In de verte hoorden de kinderen nog een plons en daarna werd het stil. Iedereen in het dorp kwam kijken. De mama en papa van Dora waren zo verdrietig. De dagen gingen voorbij. Elke dag ging de dappere kerel van het einde van de bosweg langs het laddertje naar beneden in de put. Nooit werd ze teruggevonden. Vanaf toen kon de uil niet meer slapen. De haan wilde niet meer kraaien. De papa’s zaten voor hun huis naar hun jongens te kijken wanneer die voetbalden en de meisjes mochten niet meer samen spelen als er geen mama bij was om op te letten. Geheimzinnig werd het pas toen het huisje aan de kerk weer leeg stond. Niemand wist waar de mensen heen waren. Soms vroegen ze zich af of daar wel echt mensen gewoond hadden. Niemand wist wat er met Dora gebeurd was of met het spiegelmeisje…   Lena keek op, verbaasd over haar eigen stem. In de bibliotheek was het muisstil geworden. Bij Allison stroomden de tranen over haar wangen. Andere kinderen hielden hun adem in. Zelfs kinderen van een andere school hadden hun plekje verlaten om naar Lena te luisteren. Juf Julie veegde enkele tranen uit haar ogen. Een schriftje viel uit het boek van Lena. “Lena, uit welk boek heb je dat verhaal?” vroeg de juf geruststellend zacht. “Uit mijn hoofd, juf. Oh en ook uit mijn lelijke dromen ’s nachts.” De lerares kende Lena’s verhaal uit haar schooldossier. Met het schrijnende verhaal vóór haar adoptie in gedachten wilde ze het meisje niet berispen. Zijzelf zou ook veel liever in een put verdwijnen en zwemmen naar een ander leven dan…

Anemos
13 1

Onheil

Ik ben aan een groot onheil ontsnapt, en dit onheil hing in de lucht. Het klinkt als een cliché. Beter gezegd: het ís een cliché, maar anders kan ik het niet zeggen.     In het park, hing aan een tak van de grote eik bij mijn eendjesvoerplek, een stapel dozen.  En dit betekende onheil, het hing letterlijk in de lucht.  Op zonnige dagen liep ik in de middag uit mijn werk van de Duffemakade via het park naar de Kuchensesteenweg. ‘s Morgens niet, dan was ik chagrijnig en bleef ik in de bus zitten en als het regent of koud is ook niet, ik was niet gek. Het rondje rond het park was twee haltes.   Die middag half zes was het vijfentwintig graden, mijn colbertje hing nonchalant over mijn schouder. Van de twee vijvers in het park was dit de kleinste en, met modderig stinkend stilstaand water, de minst populaire. Zeker in de zon, en tussen vijf en zonsondergang perste de zon volop haar warmte op het water, scheen het hier te stinken. Volgens anderen, want door een overdaad aan snuiven in mijn jonge jaren, was mijn reukzin dusdanig aangetast dat ik het water niet vond stinken. Het is altijd lekker rustig en met plezier voerde ik mijn lunch aan de eendjes. Ik moest met een leeg broodtrommeltje thuis komen en eendjesvoeren was beter dan alles in de afvalbak op het station mieteren. De eendjes kenden mij en kwamen vrolijk op mij afkwateren. Ze aten zelfs uit mijn hand.   Hier heerste een sacrale rust, de laatste meditatieplek in de stad. Op die bewuste dag niet: toen hingen daar dozen in de boom.   Drie dozen.    Drie kartonnen dozen.    Drie bruine kartonnen dozen.     Drie open bruine kartonnen dozen.    En uit elke open bruine kartonnen doos kwam gepiep. Vroeger zou je het gerinkel noemen, maar smartphones rinkelen niet meer, die piepen of zingen of blaten. Als ze al rinkelen hoor je kapot glas.   Dit gepiep klonk dringend en agressief. Ongemakkelijk liep ik snel verder. Deze piepdozen betekende maar een ding: Onheil en rampspoed. Oké, twee dingen dus. Bij het grasveld rond de grote vijver, waar ik meestal zo snel mogelijk langsschiet, liepen verhitte gezichten rond. Een kortbebaarde jongen met een rood Scarlet jasje kwam op mij af.   ‘Heeft u de oproerkraaiers gezien?’ vroeg hij   ‘Hoebedoelu?   Een oranje sweater van Orange botste tegen mij op, verexcuseerde zich en snelde door.    Twee paarsblauwe shirts van Proximus renden het grasveld over, de rechter hield een soort ouderwetse radio met grote antenne in zijn handen. De antenne draaide rond, de antenne leek wel in paniek om zich heen te kijken.   ‘Vanmorgen ontsnapten zeven smartphones.’   ‘Ontsnappen?’ vroeg ik. Als het waar was, dan was ik aan een groot onheil ontsnapt.   ‘Drie hiervan waren al eerder vertrokken en zijn gisteren gepakt.' zei hij. 'Voordat we de GPS uit konden schakelen namen ze weer de benen, nu met vier kompanen.’   ‘Hoe?’   ‘De trilstand,’ zei het rode jasje. ‘Ze bellen elkaar en trillend schuiven ze zo een stukje verder. Binnen vijf minuten schuiven ze een paar honderd meter door. Je let een keertje niet op en hupsakee: je bent ze kwijt.’   De oranje sweater kwam terug en zei: ‘Waarschijnlijk zijn ze nu met een paar honderd, zoveel mensen hebben een toestelvermissing gemeld.’ Zij keek angstig om zich heen. ‘De laatste melding kwam hier uit het park.’   ‘Ik heb de rebellerenden gezien. In een doos,’ riep ik uit.   ‘Camouflage! Dat we daar niet aan gedacht hebben,’ zei roodjasje. Hij vormde met zijn handen een trechter voor zijn mond. ‘Ze hebben zich verstopt, een publieke melder meldt hier een publieksmelding:  ze verstoppen zich in een doos.’   ‘Drie dozen,' zei ik.   ‘Drie dozen!’ bazuinde hij.    Iedereen schoot een kant op en met een paar seconden was het grasveldje leeg. Een enkeling waadde nog door de grote vijver, haar gele Telenet trui knipoogde vrolijk terwijl ze zich zo snel mogelijk naar de wal probeerde te bewegen.    ‘Wat voor dozen?’ vroeg de rode jas.   ‘Kartonnen dozen.’   ‘Kartonnen dozen!’   ‘Bruine dozen,’ zei ik voor de zekerheid.   ‘Bruine dozen!’   ‘Ik zag de dozen daar,’ zei ik en wees in de richting van de kleine vijver.   ‘Mensen, die kant op!’ toeterde het jasje en iedereen kwam teruggerend. Ze verzamelden zich om mij heen, keken gespannen in de richting van mijn hand en renden in een kleurige stroom weg. Ik riep ze nog na: ‘Pas op, het water stinkt daar!’Dapper volk, mij zag je daar niet meer. In de bus wilde ik mijn vrouw melden dat ik eraan kwam, en merkte ik dat ik mijn telefoon miste. Na twee jaren, drie maanden en een week bedriegelijke rust, was muiterij in mijn binnenzak ontstaan! Zoals ik eerder zei: ik was aan een groot onheil ontsnapt.

MCH
10 0