Zoeken

Wandelingen in Klein Oostende V

Leer houden van jezelf (episode V) De gevaarlijkste plek van de stad is het Plaspunt even verderop op een pleintje dat tegenwoordig nergens meer dienst voor doet. Het historische gebouwtje waar vroeger een bediende van De Lijn ticketjes verkocht, is de favoriete plek voor daklozen geworden. Je kan er nog steeds een ticketje kopen aan een automaat, als je tenminste het lef hebt. De automaat staat immers diep in het gebouwtje. Je moet eerst het afschuwelijke uitzicht van het gebouw trotseren, daarna de stank van zeephatende daklozen die zich het gebouw hebben toegeëigend. En zoals het heftig nonchalante eigenaars betaamt, doen ze overal hun gevoeg waar ze er zin hebben, behalve in de toiletten in de benedenruimte. Ik kan het hen niet kwalijk nemen; niemand waagt zich daar nog. Wat er zich beneden bevindt, weet niemand nog. Ik stel voor om de plek op te nemen binnen een historische excursie van de stad, zoals men heeft gedaan met de oude rioleringen onder Londen/Brussel/Parijs. Als het regent in Londen/Brussel/Parijs, loopt het vervuilde afvalwater richting kust niet!? Er is trouwens geen aanplakbiljet dat je op het bestaan van de ticketmachine wijst. Je moet het eigenlijk weten dat die er staat. Of op eigen risico gaan verkennen. En wie doet dat!? Wie gaat er zich voorbij de afschuwelijk ogende betonnen éénmansbankjes wagen die eruitzien alsof er rattelijken op gedissecteerd worden. Wie gaat er voorbij het vervaarlijk uitziende muurtje waar de lege flessen wijn al klaar staan om op het hoofd stuk geslagen te worden, om zich de 2,3 EUR voor het tramticket eigen te maken. Vier grote blauwe pictogrammen moeten de toevallige passant helpen om het Plaspunt en z’n faciliteiten te ontdekken. Het bovenste is makkelijk: het vertrouwde mannetje|vrouwtje: hier wordt gepist! De drie andere zijn met dikke zwarte lijnen doorkruist. Zeer uitnodigend! “Doe niet teveel moeite”, is de boodschap. “Wat je zoekt, vind je hier eerder niet, dan wel! Ga gewoon weg! En laat me gerust!” Ik waag me even dichter, maar kan met de beste wil van de wereld niet onderscheiden wat er zogezegd NIET beschikbaar is. Het bovenste pictogram lijkt op een stomende drol -echt waar-; het tweede lijkt twee rollen papier van verschillende grootte en het derde een vierkant brik melk dat aan het uitlopen is. Ik maak eruit op dat als je komt voor de warmste boodschap je je eigen papier moet meebrengen, want ze hebben papier in GEEN ENKELE MAAT! Nadruk op dat laatste, om wat voor reden dan ook. De brik melk kan ik niet goed plaatsen. Misschien willen ze een samenzijn mét theepauze, lunchkoekjes en het gezellig klateren van gezelligheid zo goed als mogelijk voorkomen. Ontradingspictogrammen. Ik weet niet of de goorste, gevaarlijkste en meest verborgen plek van de stad daartoe überhaupt uitnodigt. Maar Soeske, de city scaper, heeft daar misschien een ander gedacht over. 

Dan Fauré
0 0

Pakjes

Het pakje lag op tafel, zorgvuldig ingepakt met een kleurig lint eromheen. Toen ik vanmorgen naar beneden kwam lag het er niet meer. Jacques zit met de krant voor zijn gezicht. Ik schenk een kop koffie in en pak een krentenbol uit de broodtrommel. ‘Jij ook een?’ Hij doet net alsof hij mij niet hoort. De koffie is gloeiend heet en ik neem voorzichtig een slokje. Jacques laat zijn krant zakken en ik zie dat zijn gezicht op onweer staat. ‘Getver’, ik constateer dat mijn krentenbol beschimmeld is. Als ik de pedaalemmer met mijn voet open druk om de krentenbol erin te mikken zie ik bovenop de resten van de pasta carbonara van gisteravond het  pakje liggen. ‘Wat krijgen we nou?’ roep ik vol ongeloof uit. Jacques springt op uit zijn stoel. ‘Ik ben die klotepakjes helemaal zat, Gemma. Die eikel van een Roel moet maar eens ophouden met jou te stalken. Want dat is het namelijk, gewoon ordinair stalken.’ Inmiddels hebben zich in zijn mondhoeken kleine schuimvlokjes gevormd.  Dan gaat de bel. We verstrakken allebei. Jacques loopt naar de voordeur. Ik zie door het keukenraam dat er een koerier van Parcels4You voor de deur staat. ‘Goedemorgen meneer. Ik heb hier een pakje voor Gemma Gruyters. Zou u in dit vakje misschien even willen tekenen voor ontvangst? ’ De gil van de jongeman doet mijn toch al zwaar geteisterde zenuwstelsel bungeejumpen. Als ik mijn hoofd om de hoek steek zie ik hoe Jacques het pakje abrupt uit de handen van de koerier grist. Hij klemt het stevig onder zijn arm en trekt een sprint naar de gracht aan de overkant. De jongeman trekt wit weg. Met een wijde boog, een Olympisch discuswerper waardig, gooit Jacques het pakje in de gracht. De Parcels4You jongeman begint nu hysterisch te krijsen. ‘Oh, my God, het is toch geen bom?’ Op hetzelfde moment gaat de deur van de buurvrouw open. Zij vangt de kreet van de koerier op en begint vervolgens nog harder te krijsen. Ik trek de voordeur dicht en stop mijn vingers in mijn oren. Hijgend ren ik de trap op en ik duw de deur van mijn slaapkamer open. Frommels, onze oude Cocker Spaniël kijkt mij verbaasd aan. Hij rekt zich even uit en legt zijn kop weer op het hoofdkussen. Ik loop naar de kast en schuif een lade open. Mijn handen graaien nerveus door de sokken en mijn ondergoed. In een paar foeilelijke Kerstsokken (cadeau van Jacques) zit het prepaid mobieltje verstopt. Snel toets ik het mij welbekende nummer in. Het lijkt een eeuwigheid te duren voordat er op genomen wordt.  Ik  hoor de voordeur dicht slaan en vervolgens het geluid van zware voetstappen op de trap. De klink van de deur gaat naar beneden. Frommels springt van het bed. Van veraf hoor ik geluid uit mijn mobieltje komen. ‘Liefje, ben jij dat, wat is er aan de hand?’ Het lijkt alsof ik droom, maar dat gevoel heb ik mijn hele leven al.

Elle Hart
16 0

Een diepe wens 

Die nacht had ze al weer gedroomd. Een vroege ochtend, het ochtenddauw aan haar voeten en de zomen van haar jurk. Ze kijkt op naar het prachtige dier, zijn donkere huid, de warme en glanzende neusgaten.  Zachtjes aait ze zijn neus bovenop de witte bles. Het lijkt of de donkere ogen diep in haar ziel kijken. In het zadel zit Jakub, zijn sterke arm strekt hij uit om haar op te tillen. Wanneer ze haar ogen sluit voelt ze zich even gewichtloos in de ruimte tot ze voor bij hem in het zadel zit. Stevig, vallen is onmogelijk. “Gaan we?”, fluistert hij in haar oor. “Ja” fluistert ze terug. Hij brengt het paard in galop en hop ze gaan vooruit, verder en verder weg van de ellende, de rotzooi, de gewonden, de doden, de oorlog. Aan de horizon de robuuste bergen met een deken van groene zuivere bossen. Diep snuift ze geuren in die haar zo beroeren, het paard, haar vriend, de geuren van aarde. Wanneer ze wakker wordt is ze nog even ademloos van de schoonheid en bevrijding die ze ervaart. Totdat ze tot het besef komt dat ze het gedroomd heeft. Een droom van een diepe wens. Ze tast naar haar kleren in het donker. Haar moeder slaapt nog. Eenmaal buiten de tent helpt een klein sikkeltje maan haar om haar weg te vinden naar buiten het kamp. Behendig omzeilt ze de wachtposten, zo vroeg in de ochtend is de kans dat ze wordt tegengehouden kleiner. Daar, aan de bosrand vlak naast het kamp, worden de paarden gehouden. Er staan telkens enkele paarden per boom vastgebonden. Ze weet precies wat ze zoekt. Haar tengere lichaam beweegt zich licht en onopvallend, hooguit klinkt er wat onrustig gestamp van hoeven. Ze zoekt naar haar vriend, de witte bles licht op in het dunne straaltje maanlicht, daar staat hij! Op dezelfde plek als de dag ervoor. Uit een klein zakje om haar nek haalt ze enkele korrels haver en voert deze op haar geopende hand aan het paard die dit gulzig aanvaardt. Ze streelt hem over de neus, de bles en buigt zich naar voren om haar hoofd in zijn warme hals te begraven. De maand mei is al zeer warm, maar zo vroeg in de ochtend is de lucht nog koud van de nacht. Vlak naast de boom is een plekje met mos en droge bladeren, ze krult zich op om daar heel eventjes in te gaan liggen… Ze heeft nog heel even, dan moet ze snel terug voor haar moeder merkt dat ze weg is. Maar ze valt in slaap. Met een kreet schrikt ze wakker! Ze voelt twee stevige armen die haar tegen de grond drukken, haar paard hinnikt ook van de schrik. “Rustig, rustig” hoort ze een stem zeggen. De stem die haar vast heeft. Hij tilt haar op en kijkt haar verbaasd aan. Een jong meisje?! “Wat doe je hier” zegt hij bars. Ze heeft haar stem verloren en kijkt hem aan met grote ogen van de schrik. Ze kijkt in het gezicht van eén van de huzaren, ziet ze aan zijn kleding. Een donkere broek, stevige laarzen, het jasje van zijn uniform. Een donkere jongen met dezelfde zachte bruine ogen als zijn paard. Dat stelt haar al een beetje gerust.  “Je moet hier niet zijn, dat weet je toch? Waar is je vader, je moeder?!” Spreken lukt niet, maar ze wijst naar het legerkamp waar ze vandaan komt. Behoren je ouders tot het kamp?” Ze hoort haar stem ja zeggen. “Je moet zo snel mogelijk terug, hier kun je niet blijven. Beloof me dat je hier niet meer komt, dat is veel te gevaarlijk voor jou”. Ze knikt en zonder de droge bladeren van haar af te schudden trekt ze zich schuw terug, half in het bos om via een omweg terug in het kamp haar moeder te zoeken. Dat was hun eerste ontmoeting.

Marica Judels
0 1

Man zonder vrees

“Dan toch,” zuchtte de man toen hij zijn kleinzoon met het kleine boekje zag naderen. Plotsklaps zou het laatste puzzelstuk dan toch gelegd worden, daar in de schaduw van de perelaar. De oude man verzette zich niet, deed het boekje open en zag zijn kleinzoon glunderen. “Luister,” begon hij. Oorlog wierp voor de tweede keer haar donkere schaduw over de wereld en doofde het licht tot in de kleinste Vlaamse huiskamers. Desondanks hielden achtergebleven mannen, vrouwen en kinderen dapper de boerenstiel aan. Die zomeravond troffen Jacobus en Marcel, twee buren en bovenal beste vrienden, elkaar in ‘De klok’. Het dorpscafé bleef tijdens de oorlog gewoon open, op de spertijd na. Hoe harder het verzet in de regio, hoe vroeger het café moest sluiten. Het was ondertussen vijf minuten voor sluitingstijd. “Barman, wat is onze schuld?” “Vier bier, dat is zes frank”. Marcel, ook Cille genoemd, gooide de munten op de verweerde toog. Hij klopte Jacobus, oftewel Jaak van Zeef, op de rug en keerde zijn blik af van het bordje achter de barman ‘Het is ten strengste verboden te swingen. Bij overtreding wordt men uit de zaal VERWIJDERD’.  “Hou vol, ik kijk er echt naar uit om weer samen te drinken in de boomgaard zonder pottenkijkers,” fluisterde Marcel.  “Ik ook Cille, ik ook”. Bier en gezelschap susten de emoties van beide mannen, toch voor even. Jaak vertelde Cille over de opmerkelijke timing waarmee een vetgemest varken bij hen werd opgehaald. Ook de snelheid waarmee een week later zijn elektrische graanmolen achter slot en grendel vloog, dwong bijna respect af. Toch maakte hij zich sterk niet bang te zijn voor ‘wat Duitsers’, hij had ze al eens in de ogen gekeken en zou hen wel terugpakken. Daarop schudde Cille meewarig het hoofd. Het verhaal bracht hem naar zijn ontmoeting eerder die dag met de regiobevelhebber en de burgemeester. Als schoolmeester stond hij de brave burgervader al jaren bij met advies.  Na hun schuldaflossing liepen ze samen naar huis, tot aan de dijk waar de landweg zich splitste in het heldere maanlicht. Rechts woonde Cille met vrouw en vier kinderen. Links lag, een paar honderd meter verder, de boerderij van Jaak met boomgaard en molen. Naast een thuis voor zijn kroostrijk gezin was de boerderij de uitvalsbasis voor de plaatselijke Boerenbond.  Die avond kreeg de splitsing een bijzondere betekenis, ze zouden elkaar niet snel terugzien.  “Mijn molen is de perfecte overlevingsmachine,“ dacht Jaak.  “Ik laat korenrestjes oprijzen tot oorlogsmeel, slot of geen slot. Van honger zullen we niet sterven in deze oorlog”. In het dichte struikgewas langs de molen griste hij naar een grijptang en petroleumlamp, stak de waakvlam aan en wrong vervolgens het slot los. Hij keek nog even over zijn schouder naar de landweg en stapte daarna naar binnen. Met een druk op de knop schoot de elektromolen in gang. Hij moest snel werken. Duitse soldaten patrouilleerden immers graag ’s nachts door de dorpsstraten op zoek naar heterdaad. Tegen de muur stonden tientallen jutezakken geduldig te wachten om geledigd te worden. Sommige waren zo vol dat graankorrels bij de minste trilling een vloertapijt vormden. Jaak nam de eerste zak, binnen handbereik, vast. Met gestrekte armen probeerde hij er beweging in te krijgen. Er zit precies lood in, dacht hij geconcentreerd. Zijn blik gericht op de muur deed hem plots verstijven. Een donkere schaduw ontvouwde zich als een reuzezakdoek die al snel de hele muur in beslag nam. Jaaks handen losten de zak, hij zakte door z’n knieën, greep de oude schop op de grond en draaide zich in één beweging om.   “Achteruit. Achteruit of ik sla jullie de kop in.” Met zijn andere hand greep hij de lamp aan de muur. Twee figuren stapten uit de schaduw naar voor. In het licht zag Jaak geen Duitse of Britse militaire kentekens wel twee verweerde en vermoeide gezichten.  “ Witte brigade uit Aartselaar.” Hun opgeheven handen moesten het ijs breken. “Bewijs het.”  “We komen in vrede,” riep de grootste van de twee mannen terwijl de andere hem gebaarde zijn schop neer te leggen. Jaak ging niet in op het verzoek en hield zijn schop stevig vast. De grootste man ging verder: “Het is hier de laatste tijd onrustiger. De bezetter zet langs deze regio een bevoorradingsroute op tussen de grote steden. We hebben meer volk nodig om de geallieerden te helpen bij sabotage. Gij zoudt willen helpen?” Jaak hapte naar adem, knikte daarna zijn hoofd.  “Oké. Onze koerier passeert elke eerste maandag van de maand in het dorp, hij luistert naar het roepnummer vijf en je herkent hem aan het grote litteken in zijn gezicht. O ja, en er zullen opdrachten volgen. Hij laat je iets weten als het zover is.” De ontmoeting duurde geen vijf minuten en ze waren weer weg, niet wachtend op een antwoord. Zonder woorden werd Jaak die nacht lid van de Witte Brigade.  Of hij had getwijfeld? Heel even flitste inderdaad een aarzeling door zijn hoofd. Als ze hem betrapten, zou ook zijn gezin vervolgd worden. Meteen daarop volgde het beeld van zijn dode strijdmakkers, achtergelaten in de loopgraven aan de IJzer. “Voor hen.” Met gesloten ogen en hartkloppingen in de keel sprak hij de woorden uit als een belofte. Er was geen andere keuze dan terug te nemen wat van hen was, de vrijheid.  Of hij elke opdracht zou uitvoeren? Dat hing ervan af. Hij nam zich alvast voor om er thuis zo weinig mogelijk woorden aan vuil te maken. Ook Cille kon die nacht de slaap niet vatten. Een ontmoeting eerder die dag speelde zich als een slechte film voor zijn gesloten ogen af. De burgemeester had hem gevraagd bij het gesprek met de Duitse regiobevelhebber. Die laatste bracht een aantal ‘wensen’ over aan de burgemeester. Zo zou de hoofdweg overdag enkel nog toegankelijk zijn voor legervrachtwagens. De burgervader had zijn been echter stijf gehouden. Cille vond er niets beter op dan zijn vrouw te wekken. “ Vrouw, wordt wakker, we moeten praten.”  “Kan het niet wachten tot morgen?” bromde de vrouw en draaide zich van hem weg. Er kwam geen antwoord, Marcel was al zo goed als uit de kamer verdwenen. Samen liepen ze van de bedstede naar de keuken en ploften elk op een stoel naast de stoof.  “In plaats van lef te tonen en hen de doorgang te geven in ruil voor wat gunsten. Dat was exact hoe ik het zou aanpakken,” foeterde hij tegen zijn vrouw.  “ Wat zeg je nou allemaal?” Zijn vrouw keek hem onderzoekend aan.  “Ik laat de regiobevelhebber morgenvroeg meteen weten dat ik zal meewerken in ruil voor de burgemeesterssjerp.”  “Zou je dat wel doen Marcel?” Zijn vrouw keek intriest naar haar man. “Toe, je gaat ons in nesten werken met dat plan van je.”  “Hoezo?”  “Ik heb gehoord dat het zogezegde paradijs beloofd wordt maar dat mensen steeds van een kale kermis thuiskomen. De vijand houdt zijn woord niet. Hij is slecht.  “Stop ermee, vrouw. Het moet, ik kan nog nauwelijks lesgeven en zonder inkomsten geen eten. Vanaf morgen kiezen we kant en daarmee uit. Eens dat ik burgemeester ben, verhuizen we naar het dorpscentrum, kunnen onze kinderen verder studeren en kan jij je in een deftig ziekenhuis laten verzorgen.” Die ochtend in de schuur begon het echte werk. “Hey, pssst. Meekomen.” Een stem haalde Jaak bruusk uit zijn concentratie. Hij keek verontrust tussen de poten van de melkkoe op zoek naar het geluid. Als aan de grond genageld, zag hij een pistool vanachter een strobaal naarstig naar de schuurdeur zwaaien. Tot ook een verweerd en vuil gezicht met groot litteken tevoorschijn kwam. Dat moest de koerier zijn, dacht Jaak. Hij rechtte hij zijn rug, liet emmer en doek vallen. “Pak wat brood en alcohol uit het bakhuis, we moeten dringend gaan.” Even later glipte Jaak zo onopvallend mogelijk met een zak naar buiten, de oude dijk op.  “ Nee, langs hier.” De koerier keek wild om zich heen en dook daarna het korenveld in. Het was augustus, het koren hield zich nog stevig vast aan het hoge gewas.  “Twee kilometer oostwaarts is een Avro Anson, een Brits tweemotorig vliegtuig, neergestort. We volgen de grijze rookpluim. De piloot heeft een veilige vluchtweg nodig door de bossen en jij bent de geknipte man voor de job” riep de koerier Jaak toe en liep voor hem uit. Ze moesten zich haasten en voor de vijand aan het wrak geraken, die rookpluim zou hen snel verraden.  Maar vlot verliep het geenszins. Door tbc, opgelopen in de loopgraven, trapte Jaak al snel op zijn adem. Daarbij stak het hoge korengewas vlijmscherp in ogen en oren, hij zag amper waar hij naartoe moest en de koerier raakte hij kwijt. Dus liep hij dan maar zoveel mogelijk in de richting van de rookpluim. Tot plots voor hem een langgerekte open ruimte gaapte. De buiklanding van de Avro Anson had een spoor door het korenveld getrokken. Als bij wonder strompelde de piloot op eigen houtje uit het wrak terwijl de motoren vuur vatten. De koerier stond al bij de gewonde piloot toen Jaak hijgend aankwam. “Geef het brood.” Terwijl Jaak het brood in de handen van de piloot duwde, zag hij diens gapende hoofdwonde. Hij goot wat alcohol op de zakdoek. Maar deze keer wachtte de piloot niet af, hield liever de pijnlijke eer aan zichzelf. Snel trok hij de doek naar zich toe en depte zijn wonde droog. Hij begreep niets van  het gesprek tussen koerier en piloot. Waarschijnlijk Engels, dacht Jaak. De koerier beval Jaak te vertrekken, aan de overkant zouden Britten hem opwachten voor de verdere aftocht richting Engeland. Twijfelend wees Jaak  naar het bos, voldoende instructie zo bleek om met de piloot in zijn kielzog te vertrekken.  Vijf uur later stapte hij terug de vertrouwde schuur binnen, met veel stof tot nadenken en pijn in zijn borst. Dat was dus verzetswerk. Zou hij het wel aankunnen? Dat viel nog mee, zo bleek later. Met een paar Engelse en Duitse woorden en dubbel zoveel gebaren trok hij steeds beter zijn plan. In het kielzog van de koerier volgden ook gewonde soldaten op zoek naar een schuilplaats. De achterplaats van de boerderij lag snel vol Britse en Amerikaanse soldaten, herstellend en zoekend naar hun krachten. Het leek er op een hospice maar dan zonder dokter en verpleegsters. De boerderij bracht gelukkig nog steeds genoeg op om de vele monden te voeden. Jaaks vrouw en kinderen waren ondertussen op de hoogte van zijn verzetswerk en staken, zonder morren, hun grote en kleine handen uit. Steeds meer blonk het gezin uit in geheimhouding en dubbelleven. Zelfs de drie paarden verstopt achter een hoge strobalenmuur in de schuur profiteerden mee van hun talent.  Naarmate de oorlogsjaren verstreken, kreeg ook de bezetter steeds vaker te maken met tekorten van alles en nog wat. Zo werden naast eten ook fietsen opgehaald bij de boerderijen.  “Geen show zonder publiek,” dacht Jaak vaak. En die houding hielp, hij gaf ze wat ze wilden en daarmee was de kous af. “Aufmachen.” Een brullende stem deed zijn lepel in de soep vallen. Hij keek zijn vrouw en kinderen zwijgend aan, stond vervolgens op van tafel en schuifelde traag richting voordeur. Hij trof er twee soldaten aan. “Gib deine besten schweine.”Jaak stapte naar buiten, liet de deur in het slot vallen en nam de soldaten mee naar de schuur. Opnieuw liet hij de deur voor hen dichtvallen en kwam even later terug met twee vetgemeste varkens. Hij gaf het koord aan een van hen en liep stoïcijns terug naar binnen. Die tactiek werkte, door het raam zag hij de soldaten met de zwijnen aan het koord over de dijk lopen. Een pak van zijn hart, dacht hij, met één oog op de achterplaats met de geïmproviseerde hospice met maar liefst zeven mannen.  Toch durfde het gezin niet op zijn lauweren te rusten. Jaak stond perplex na het maandelijks bezoek van de koerier. Deze keer schotelde de man Jaak een spionageopdracht voor, daarvoor kreeg hij een Duits legeruniform in zijn handen toegestopt. De volgende dag zou hij zich mengen in Duits gezelschap op zoek naar geheime informatie. De Witte Brigade vorderde hem op, ondanks het ontbreken van een talenknobbel, omwille van zijn talent onopgemerkt te blijven in een groep.  Het was over de koppen lopen op het plein voor het gemeentehuis. Legeruniformen schoven in eenzelfde trage ritme naar de deuropening. In de schepenzaal kwam de stoet tot stilstand. Het geroezemoes zwol aan in afwachting van de speech van de regiobevelhebber. Er heerste een opgelaten sfeer onder de aanwezigen, alsof ze goed nieuws verwachtten. Ook Jaak, met een kepie tot over zijn wenkbrauwen getrokken, schuifelde mee naar binnen. In de hoek van de zaal, dicht bij de deur, kwam hij tot stilstand. Hij speurde de ruimte af en nipte intussen  aan het glas van op een voorbijgedragen plateau. Hier en daar vlogen flarden gesprekken voorbij maar niets van enig nut.  ”Dit kan nog wel even duren, ik kom beter straks terug” dacht hij en hij stapte naar buiten om een sigaret op te steken. Hij liep de trappen van het gemeentehuis af en ging op het aanpalende muurtje zitten. Terwijl hij zijn sigaret opstak, werd zijn aandacht getrokken naar het prieeltje links van het gebouw. “Morgen heb je de informatie, regel jij voor mij een gesprek met de regiobevelhebber.”“Morgen werden wir den Widerstand durch einen Großangriff auf den Hafen von Antwerpen von hier weglocken. Jeder, der noch hier ist, wurde gesehen. Wir brauchen ihren Namen und ihre Adresse. Wir treiben sie zusammen, schicken sie in Arbeitslager nach Deutschland. Diejenigen, die nicht mehr arbeiten können, liquidieren wir vor Ort.“  Jaak zag vanuit zijn linkerooghoek twee mannen druk in gesprek. De ene in uniform, de andere... Jaaks emoties barstten los in een hoestbui die het gesprek verstomde. De twee mannen keken op. De man in burgerkledij keek Jaak net iets langer aan. Hun blikken troffen elkaar als een bliksemschicht. Angst sloeg beide mannen om het hart. Jaak groette de Duitse soldaat, doofde zijn sigaret en haastte zich terug naar binnen. Ook de man in burger groette de soldaat en haastte zich naar huis. Had hij het nu goed gezien? Was dat Jaak? Wat deed hij hier?  Cille kreeg het beeld niet van zijn netvlies. Jaak in een Duits uniform. Hij kende hem niet als een overloper maar als de man die zijn medemens koste wat kost zou beschermen, dus dat kon maar één ding betekenen: hij spioneerde voor de Witte Brigade. Die avond ging hij slapen met een ongemakkelijk gevoel. Hij had het liever niet geweten. Of Jaak hem gehoord had? Geen idee.  Ook Jaak vatte maar moeilijk de slaap. Zijn beste vriend maakte afspraken met de vijand. Wat een nieuws. Hij zou vertellen dat het spionagewerk hem slechts flarden informatie opgeleverd had waar geen lijn te krijgen was. Dat was voor hem de enige aanvaardbare versie van de feiten. Bij zijn volgend bezoek aan de schuur liet de koerier duidelijk blijken niet opgezet te zijn met dit resultaat. “Hoe is dat toch mogelijk? Kan ik niet begrijpen. Trouwens, er gaat hier tegenwoordig verdacht veel mis. Tegen morgen moet je namen doorgeven van alle collaborateurs in het dorp. Anders krijgen we de situatie niet onder controle”.  “Ik zal eens rondhoren. Wat ben je van plan met hen? “ Wat denk je nu zelf?”  Het antwoord bleef uit, Jaak wou het ook niet weten.  “O ja, ik heb opdracht gekregen om vanaf overmorgen vanuit de Antwerpse haven te werken. Je zal me dus nog één keer zien en dan is het hier aan jou. Morgen ben ik terug voor de namen, Jaak, zorg dat je ze hebt.” De volgende morgen liep Jaak de landweg af, aan de splitsing staarde door zijn tranen naar het huis van Cille. “Vriend, waar zijn we van de weg afgeraakt? Ik heb onze vriendschap nooit willen offeren voor onze vrijheid,” dacht hij. Hij sprak tegen het huis alsof het Cille zelf was en sloeg mea culpa. Met een druk op zijn borst als een soort tegenkracht, sleepte hij zijn vermoeide lijf voort. De weg naar De Klok leek eindeloos te duren. De koerier kwam langs voor namen om daarna voorgoed te verdwijnen. Wat was dat nu? Met de aftocht van het verzet lieten ze de dorpelingen in de steek. En dat allemaal voor een list waarvoor hij hen niet kon waarschuwen zonder Cille te verraden. Beelden van het front, zijn gezin en Cille flitsten terug door zijn hoofd. “Heer, help me te kiezen voor het goede en vergeef me de tekortkomingen van deze keuze”, prevelde hij. Hij liet zijn hoofd stilletjes verdwijnen tussen de schouders en zat diep in gedachten verzonken aan de toog. Het café liep vol tot de laatste kruk. Cille wou nog rechtsomkeer maken toen hij zijn vriend zag zitten. Te laat, de barman zwaaide hem toe en wees naar de kruk: “Hier Cille, hier is nog plaats”. Ook dat nog, dacht Jaak,  maar het was te laat. Wat ongemakkelijk nam Cille naast hem plaats. “Twee bier.” “ Je vriend kan wat compagnie gebruiken zo te zien;” De barman hield zijn hoofd schuin om een glimp van Jaaks blik op te vangen en plaatste  het glas bier voor hem.   “Hoe gaat het ermee”?  “Kon beter en met jou”? Twijfelend duwde Jaak de woorden uit zijn mond.  “Hetzelfde, maar … we komen hier wel door Jaak.” Een korte wederzijdse blik was alles wat  nodig was om bij Jaak het vriendschapslont terug aan te steken. “We zijn wel nog niet in de boomgaard geraakt.” Cille probeerde het gesprek op gang te krijgen. Jaak keek hem onderzoekend aan. Hij nam een slok. Dit was de man die hem met raad en daad had bijgestaan bij de opstart van de Boerenbond. De man die hij hielp met de bouw van zijn huis. De man met wie hij zijn liefde voor paarden deelde en samen plannen maakten om te fokken. “De peren zijn zo goed als rijp, je kan komen oogsten,” grijnsde Jaak verlegen. Tegen sluitingstijd wandelden Jaak en Cille zoals vanouds van ‘De Klok’ langs de dijk naar huis. Het was een rustige avond, geen dreiging in de lucht en op straat leek het wel vrede. De mannen liepen verder tot aan de boomgaard ”Laat  ons gaan zitten” opperde Jaak en ging Cille voor door de wirwar van perelaars die kreunden onder het gewicht van het fruit. Beide mannen ploften neer op het bankje met hun hoofd tussen de schouders. Hier, weg van alle afleiding, kwam hun jarenlange vriendschap terug in beeld. Maar zowel Jaak als Cille voelden zich niet in staat om als eerste van wal te steken, zochten hun moed bijeen. Intussen  bleef het stil onder de perelaar. “Hoor jij dat ook?” Jaak keek de duisternis in. “Wacht daar is het weer, het lijkt op gekreun” Cille wachtte de reactie van zijn vriend niet af, sprong van de bank en liep door de boomgaard achter het geluid aan. Jaak bleef staan en keek de duisternis in. Tot een doffe slag de grond onder zijn voeten deed daveren. “Cille? Cille? Ben je ok? ” De petroleumlamp” flitste door Jaaks hoofd. Hij repte zich naar de verstopplek in het struikgewas en even later kamde hij de boomgaard uit, het zwakke licht achterna.  “Hier,” zwaaide Cille, liggend op de grond, naar het licht. Met een ruk naar links snelde Jaak naar hem toe. “Ben je oké? Wat is er gebeurd? Met de lamp op Cille gericht zocht hij naar antwoorden. “Ben hierover gevallen,” wees Cille met zijn rechterhand naar de grond. In het licht van de lamp kwam een lichaam van een jonge man tevoorschijn. Hij lag onbeweeglijk op zijn linkerzij met de ogen dicht. Zijn uniform bekende kleur, een Duitse soldaat. Jaak nam snel de revolver uit de holster vastgemaakt aan zijn broek. Jaak boog over de man op zoek naar een zwakke hartklop in de borststreek. “Hij leeft nog.” De mannen keken elkaar even aan. “Cille, help me hem op mijn rug hijsen” Jaak droeg hem vervolgens de boomgaard uit. De petroleumlamp werd gedoofd. „Ich bin bis nach der Befreiung bei Jaak geblieben. Dann haben sie mir geholfen, durch den Wald nach Deutschland zu fliehen. Cille wurde erwischt und ins Gefängnis geworfen. Als er entlassen wurde, war Jaak bereits an Tuberkulose gestorben. Dem Mut dieser beiden Männer verdanke ich mein Leben.“ Fritz legde zijn dagboek neer en keek zijn kleinzoon aan met waterige ogen aan.  

Els Wouters
0 0

Een wintersprookje in amper vijfhonderd woorden.

Ik moet hier weg. Toen ze nog leefde, kreeg moeder de volle lading van haar echtgenoot. Heeft ze ooit echt genoten van die bullebak? Door de manier waarop hij nu tegen mij tekeer gaat, betwijfel ik of hij wel mijn vader is. Partner- en huisgeweld  lijken wel hand in hand te gaan met armoede. Wie niets bezit, hoeft niet veel in te pakken. Met wat kledij uit de kringloopwinkel, mijn dagboek en een foto van mama in mijn rugzak, trek ik de deur van mijn thuis achter mij dicht. De bullebak  zal mij niet missen. Er wacht mij eerst een voettocht door het bos. In de zomer ga ik er graag wandelen, ‘s winters is vooral het deel met de dichtbegroeide naaldbomen eng. Het is ijzig koud,  doch wie tot zijn achttiende nooit een warm nest heeft gekend, kan tegen een stootje. Het dichte sparrenbos waar ik benauwd voor was, valt mee. Het is er windstil en de opeengehoopte naalden op de grond vormen een dik tapijt. Ik zet mij met de rug tegen een boom en eet de homp brood die ik vanmorgen meeritste. Boven mijn hoofd rits het ook. Sneeuwvlokken dwarrelen  uit  de boom. Twee pluimstaarteekhoorns staren mij aan. Droom ik of praten die twee met elkaar? “Vraag jij het maar.”“Neen, jij bent de oudste. Jij moet het vragen, maar doe het wel keurig.”In een wip staan beide diertjes voor mij.“Meisje, juffrouw of mevrouw, dat is Pip en ik ben Pep. Wij heten u hartelijk welkom.”Ik weet niet wat ik mij hier moet bij voorstellen. Was ik in slaap gevallen?“Jullie kunnen praten?”“Ja, maar enkel andere dieren en bijzondere mensen verstaan ons.”“Ben ik dan bijzonder?” vraag ik met een grimas die Pip en Pep heel hard aan het lachten brengt.“Dat zullen wij meteen merken”, zegt Pip. “Mogen wij elk een stukje van dat lekkere hapje dat u in uw handen heeft?”“Jullie mogen mij tutoyeren, hoor. Dit is slechts een droog stuk brood.”“Wat is tutoyeren, Pip?”“Weet ik veel, Pep, maar dat droog stukje ziet er best lekker uit.” Ik leg uit wat tutoyeren betekent en geef hen een brokje dat ze gretig opknabbelen.Pep neemt terug het woord.“Weet u, ik bedoel jij, dat de mensen die bereid zijn iets te delen met een ander ook de taal van de dieren verstaan?”Ik geef toe dat ik het nooit eerder heb ervaren.“Dat komt,” zegt Pip “omdat dit geen gewoon bos is, maar een sprookjesbos. Hier kan iemand als jij met alle dieren  praten.”“Las jij vroeger sprookjes?” vraagt Pep.“Wij hadden geen geld om boeken te kopen.”  Ik toon hen de foto van mijn mama. “Voor het slapengaan vertelde ze mij verhaaltjes, zo uit het hoofd.”“In dit bos staat het huisje te verkommeren dat ooit dienst deed in allerlei sprookjes. Als je daar wilt wonen zullen alle dieren  je helpen om het op te knappen.”Dit is een aanbod, dat ik niet kan weigeren …

Vic de Bourg
18 3

Het niet doen

De oudste zoon fietste het erf op en stapte nadat hij de fiets tegen de schuurgevel achter het huis had gezet, de woonkamer binnen. Hij opende de deur zoals altijd snel en haastte zich de keuken in. Koude wind wrong zich naar binnen. Op zijn schouders blonken regendruppels en zijn brillantinekop glansde in het zwakke huiskamerlicht.  Het was stil in de kamer, de kolen van de stoof gloeiden en de koekoeksklok tikte droog. Zijn das had hij wat losgemaakt. “Ik ben thuis,” zei hij overbodig maar naar gewoonte en het antwoord van zijn moeder dat daar altijd op volgde, bleef uit. Hij stond bij de deur, schoof zijn schoenen uit en keek de woonkamer in.  Zijn vader en moeder zaten bij de kachel. Zijn vader hield een gerolde sigaret met de aspunt naar binnen tussen duim en wijsvinger. Zijn moeder zat wat voorover gebogen, met zijn jongste broertje, koortsig en rillend want hij was die middag ziek geworden, op schoot. Ze had haar rechterarm over de stoelleuning van zijn vader gelegd. De andere hield ze tegen de buik van haar jongste. Met haar vingertoppen streelde ze zijn onderarmen. De tafel was niet afgedekt en stond er nog zoals drie uur eerder, wanneer hij vertrokken was naar zaal Olympia. De dop van de fles tafelbier hing naast de hals. In de steelpan lagen nog drie gebakken aardappelen en een velletje spek. Op de radio iets van Charles Aznavour.  Er was iets wat hij zeggen moest. Zijn moeder had geweend zag hij en zijn vader bleef maar staren naar de kolen. Even dacht hij aan het gedicht van Elsschot. In het vuur echter lagen geen vernietigende regels. Ze hadden het goed samen. Zo zei zijn moeder het  wel eens hardop, dat ze het goed hadden. En dat ze dat moesten beseffen, dat ze het goed hadden. Ze duwde dan haar lippen op elkaar, fronste licht en ernstig en keek iedereen dan aan, legde haar hand in de nek van de vader. Het was iets anders wat zijn vaders blik vastklonk aan de gloed van de kolen.  “Hebt ge honger?” vroeg zijn moeder. Er stond nog soep op de stoof en nadat hij zijn schoenen met zijn tenen onder de radiokast had geduwd, nam hij een mok uit de keuken die hij vulde. Hij dronk de soep, vond zoals altijd dat er te weinig zout in was en hoorde zijn eigen lichte geslurp. De klok tikte. De regen roffelde nijdig tegen het raam en de avond had haar donker waas over het dorp getrokken. Boven gestommel van zijn twee andere broers die op hun kamer waren.  Zijn vader keek op. “Zet er u nog bij,” zei hij. De zoon schoof een stoel bij en zijn vader legde zijn hand traag op diens schouder, keek hem aan, draaide zijn peuk tussen zijn lippen. “Ja vent,” zei hij. De zoon zag de blik van zijn vader veranderen, zag hoe hij zijn lippen zacht op elkaar drukte, hoe zijn ogen zich een weg zochten en zich vernauwden wanneer hij traag aan zijn shag trok. De zoon nam zijn vaders hand in de zijne. Zo bleven ze bij de stoof zitten. Zijn moeder zette haar jongste zoon op zijn schoot en begon de tafel af te ruimen. Ze at nog een koude aardappel en gooide het spek en de andere aardappelen in de afvalemmer onder de gootsteen. Ze bleef in de keuken afwassen en wanneer ze zich even rechtte en haar hoofd wat naar achter bewoog om haar nek te ontspannen, zag ze haar gezicht in het scheerspiegeltje van haar man, dat boven de gootsteen hing . De frons tussen haar wenkbrauwen was roder geworden en schilferde lichtjes.  Ze neuriede mee met het Franse liedje en vulde haar geneurie enkele keren aan met een Frans woord. Hij vond het te gevaarlijk had hij tijdens het eten gezegd en had besloten met haar blik op hem gericht, het plan te laten varen. In het spiegeltje zag ze hen zitten. Haar zieke jongste zocht haar blik.  “Hebt ge er over nagedacht?” De hand van de vader lag in die van zijn zoon. Een beetje zoals kijk papa zonder handen, maar dan omgekeerd. Het zieke zoontje legde zijn hoofd tegen de schouder van zijn oudste broer. Hij was er gisteren over begonnen. Zijn vader sneed tabak, op kleine schaal. De boeren uit de streek brachten hun tabak naar hem en ’s nachts sneed hij dan. Zijn zonen hielpen in de vroege ochtend enkele uren vooraleer ze op hun fietsen met opgetrokken schouders en hun kinnen diep in hun kraag gestoken, naar school vertrokken. De woorden van zijn oudste zoon waren de hele dag in zijn hoofd blijven spoken en nu in de warmte van de avond, begon hij er opnieuw over. “Begin toch op uw eigen! Ik ben straks klaar met school. Mijn punten zijn goed, ik ken iets van boekhouden. De broers doen later wat ze willen. We kunnen ons eigen merk beginnen.” Zijn vader dronk van het tafelbier en keek hem nu recht in de ogen. Hij benijdde de gloed in de ogen van zijn zoon en verafschuwde zijn eigen smeulende lafheid. De klok sloeg tien keer. Zijn zoon had opnieuw we gezegd. Zijn zoon wou met hem tabak blijven snijden en een eigen sigarettenmerk beginnen. Een warm gevoel vulde zijn borst. Snel kwam de versnelde harteklop. Neen, daar zou hij niet aan beginnen. “Zo op uw eigen beginnen, dat zijn geen lachedingen.” Zijn moeder stond in de deuropening. Ze depte haar handen met de handdoek waarmee ze had afgedroogd en schudde veelbetekenend het hoofd.  “Begin er toch niet opnieuw over, ge gaat zijn hoofd zot maken.” “Moeder, ik zeg het nog een keer, ik vind dat we op ons eigen moeten beginnen. De zaken draaien goed. Ik wil in de tabak blijven en we kunnen ons eigen merk beginnen.” “Maar jongen toch, wat zegt gij nu allemaal? Ge zijt gij zeker zot. Een eigen merk? Ik lig nu al alle nachten wakker van dat in het zwart snijden. Ik zou liever hebben dat het stopt. Bij Vandecasteele zijn ze van Kortrijk  binnengevallen. Ge zult het maar voor hebben, ge zijt geruïneerd! Bij Vermote zoeken ze metsers. Da’s veel zekerder werk en hij kan metsen, uw vader. Hij heeft verdorie ons huis zelf gezet. Hij zou beter gaan metsen. Dan kan ik tenminste weer gerust slapen.” De jongste zoon hoestte. De regen sloeg harder tegen het raam en de moeder keek van haar man, naar haar zoon en terug.  “We gaan het niet doen,” zei de vader. Hij keek naar zijn zieke zoontje en dan naar zijn vrouw en dan heel kort naar zijn oudste zoon. “We gaan het niet doen,” herhaalde hij, opende het deksel van de stoof en gooide er zijn peuk in. Daarna stond hij recht, zette zijn glas op de schouw en pookte de kolen aan. De moeder nam het glas, ging de keuken weer in en spoelde het om in de gootsteen. Ze keek weer in het scheerspiegeltje, zag haar oudste zoon zijn jas uitrekken en over de stoelleuning hangen. Zijn zieke broertje had hij neergezet. “Ga maar naar moeder,” zei hij. Zijn vader bleef in de kolen poken, zijn schouders hingen. Hij keek om, zocht de blik van zijn zoon die zacht het hoofd schudde en dan de deur naar de gang opentrok. De kilte van de gang sneed door de warme eetplaats. De zoon keek niet meer om en trok de deur dicht. Zijn moeder had intussen haar jongste zoon opgepakt. “We gaan het niet doen hè man,” zei ze. “We gaan het niet doen.”  

Christophe Vansteeland
0 0

De verdwijnende landgoed

De anekdote die ik je zal vertellen betreft mijn overleden oom - moge God hem laten rusten in de hemel. Toen hij negen jaar was, organiseerde zijn leraar een uitstap om fruit te gaan eten op een landgoed. Alle schoolkinderen waren uitgenodigd. De naam van de mysterieuze weldoener was, zoals je misschien veronderstelt, onbekend. De leraar leidde zijn kleine groep studenten langs stoffige padden, in de verstikkende hitte. Na een tijd onderweg, just voor de middag, bereikten ze het terrein. Wat een mooi uitzicht! De zware ijzeren poort stond helemaal open. Binnen, bewoog een zachte wind de taken van de ontelbare fruitbomen, de vruchten waren rijp, klaar om te oogsten. De waterput in het midden van dat paradijs nodigde iedereen uit erin te springen.  De vrolijke bende snelde vliegensvlug naar de frisse schaduw, ze sprongen in het water, verfristen hun lichamen en lesten hun dorst.  Zij verzamelden zich onder een grote amate boom, om de uitleg van de bewaker te horen. Een ernstige, diepe stem weerklonk vanuit alle richtingen en kondigden de kinderen aan dat ze mochten beginnen met fruit plukken. Zij konden eten tot hun buiken vol waren, de enige voorwaarde was niets mee te nemen. Mijn oom was de oudste van 6 broers. Hij hield veel van hen en was bereid alles voor hen te doen. In de jaren 60 leden de mensen honger in de dorpen van El Salvador.  De wegen waren slecht en het duurde uren vooraleer je in de dichtstbijzijnde stad geraakte, om producten te ruilen voor eten. In deze omstandigheden is het makkelijk te begrijpen waarom hij, tussen alle de andere, een grote zak vol fruit voor zijn broers wou stelen. De dag vloog voorbij, het was tijd om terug naar huis te keren. Zij namen afscheid van de wachter die onmiddellijk de poort dicht deed. De weg loopt op de bodem van de ravijnen, die natuurlijke muren aan beide zijden maakten. Lawaaierige zwermen papegaaien de lucht doorkruisten. Het was al lang vijf uur namiddag en de vogels zochten een goede plek om te overnachten. De kinderen waren uitgeput en ondanks hun inspanning geraakten ze niet meer vooruit. De schaduwen van de bomen werden lang, de dierengeluiden verminderden, maar zij konden nog niet de rode daken van het dorp huizen zien. Iets leek mis te lopen. Hun leraar stopte plots en verzamelde iedereen rondom zich. Hij veegde met zijn vieze hand het zweet die overvloedig van zijn gezicht viel. Hij schraapte zijn keel af en zei: "Wie heeft godverdomme fruit durven te stelen? Door zijn schuld kunnen wij niet terugkeren! Het is geen goed moment om zo dom te doen, de nacht komt eraan. Ik spreek voor jullie maar, ik ben niet van plan mijn hele nacht te verspillen en te zorgen voor een groep ondankbaar kinderen, terwijl een gruwelijke geest ons achtervolgd door hun schuld!" Vervolgens zei hij: "Ik ga me omdraaien, zodat ik de schuldige niet kan zien. De persoon die iets meedraagt moet die hier achterlaten, anders kunnen wij niet uit die doolhof ontsnappen." Zonder nog iets te zeggen, draaide hij zich om en begon traag te tellen. Ondertussen keken de bange kinderen elkaar aan, terwijl ze hun zaken leeg maakten. Jullie kunnen zich wel voorstellen, dat mijn oom niet de enige was die iets had meegenomen. Nadat de leerkrach tot 10 had geteld, riep hij zonder om te kijken, dat zij hun weg moesten vervolgen. Zij lieten een rommeltje takken, stenen ... tot de laatste zaadjes achter. Of dat was tenminste wat ze dachten... Zij volgden, hun voeten slepen een uur lang over het eeuwigdurende pad. Mijn oom greep met zijn hand onder zijn T-shirt naar een kleine, rode glanzende appel. Hij dacht: "Ik moet deze aan mij zus brengen, enkel deze rode voor haar allen. Ze is mijn enige zus, dat kán niet slecht zijn!" Deze gedachte begon vanzelf te verdwijnen met elke stap die hij deed. Hij voelde dat hij achteruit ging, zoals bij het natte zand van het strand, dat door de oceaan met zij golven wordt weggetrokken. De zon ging onder aan de horizon, toen hij met tranen in zijn ogen zijn gewaardeerde lading liet vallen.  Hij realiseerde zich eindelijk dat, als hij dit niet deed, hij niet meer thuis zou geraken. "Het leek wel magie!" vertelde hij later aan mijn oma. Hij herinnerde zich de pok van de val van de appel. Toen hij de appel liet vallen, merkte hij dat de trance brak. Het vrolijke schreeuwen van zijn klasgenoten betekende dat het dorp te zien was. De witte huizen en de kerk, verwelkom de groep studenten. De prachtige oranje tinten van de schemering baadden de zwarte stenen weg. Hier een daar kon je de vlammen van de gaslampen zien. Ze waren weer thuis, zij waren gered. Het was triest om niets aan zijn broers en zus te kunnen geven, maar hij was blij hen terug te zien.

Van Rivier
14 0