Zoeken

Het woonzorgcentrum

Rustig, maar toch een beetje zenuwachtig, sloft Staf rond de eikenhouten tafel. Af en toe steunt hij op de leuning van een stoel terwijl hij de schilderijen aan de muur bekijkt. Echte kunst was voor hen wel onbetaalbaar, maar deze werken uit het atelier van Martin Douven blijven voor hem nog steeds mooi. Terug in de salon laat hij zich zuchtend in zijn zetel zakken. Zo neemt hij weer even de tijd om rond te kijken. Hoe lang is dat hier al onveranderd?In de gang hangt een zeer speciaal werk, waar hij dikwijls voor blijft staan. Nu ook wil hij bij “de herder” herinneringen laten komen. Hoe dikwijls heeft hij het moment van aankoop niet terug beleefd? Zijn Stanske en hij zagen haar vader hierin afgebeeld, bruine pet op de grijze haren, pijp in de mond. Was dat niet dezelfde pijp als vaders favoriet? In de achtergrond een boerderijtje zoals er in de Kempen zoveel te vinden zijn. Het had wat gelijkenis met het ouderlijk huis, vonden ze toen. Staf zucht en schudt zijn hoofd, waar is de tijd dat ze in de winkel fantaseerden over dit schilderij. Tree per tree bestijgt hij de trap. Dit wordt toch te moeilijk om dagelijks te doen. Boven het bed, waar hij sinds het overlijden van zijn Stanske nu twee jaar alleen moet inkruipen, hangt nog steeds dat mooie bloemverkoopstertje. Toen ze het kochten was de vrouwelijkheid te uitgesproken, waardoor het wel in de intimiteit van de slaapkamer belandde. Toen de kinderen nog klein waren, mochten ze daarom ook niet in hun kamer komen. Wanneer ze dat toch deden om stiekem naar dit verboden werk te kijken, kregen ze een vermanende vinger te zien en vlogen ze direct naar hun kamer. De verkoper had met het overtuigend van de uitzonderlijke prijs. Later zou dit een gegeerd kunstwerk worden. Staf grinnikte bij het tellen van het aantal keren hij hetzelfde schilderij bij kennissen had weten hangen. Dat moet zijn dochter zijn. Elke vrijdagmiddag komt zijn dochter om te kijken hoe het hem vergaat. 'Boven in de kamer, wacht, ik kom wel.' 'Laat maar, Guido is er ook bij en we willen onze kamer van vroeger nog wel eens zien.' De kinderen zijn ondertussen natuurlijk ook vader en moeder geworden. Er is geen reden meer om hen uit de slaapkamer te weren. 'Ach, ach. Ben je weer naar je schone madam aan het kijken', lacht zijn zoon. 'Neen kinderen, ik ben afscheid aan het nemen. Bedankt dat jullie een plaats voor mij gevonden hebben. Vandaag zat de brief in de bus. Ik word volgende maand in het woonzorgcentrum verwacht.'

Luc Van Roosbroeck
0 0

Toevallige ontmoeting

Bij het begin van de wintersolden is de keuze weer enorm dit jaar. De inkopers hadden duidelijk slechter weer verwacht. Peter heeft zijn voorzorgen genomen om binnen zijn budget te blijven. Hij noteert nauwkeurig alle uitgaven en beperkt zijn aankopen per winkel. Hierdoor kan hij als toemaatje voor zijn vriendin in de vrouwenafdeling van Zara op zoek naar een truitje. Zij spreekt toch steeds over de mooie keuze die ze daar vindt. Aangezien zij tot de tweede afslag wacht, kan hij haar verrassen. Na enkele stuks uit de grote verscheidenheid in de eerste bak vergeleken te hebben, vindt hij de gepaste maat. Maar hij is niet alleen. Een andere mannenhand heeft die gelijktijdig vast. Peter kijkt omhoog, ziet een kerel van rond de veertig. Toch is het een leuk truitje dat hij te pakken heeft. Gelukkig voor hem lijkt het niet de beste keuze voor die andere man, zo snel laat hij los. Tevreden met zijn buit loopt Peter naar de kassa. Jan weet het niet meer. Marie is woest op hem. Waarom? Is het zo erg dat hij bij vrienden bleef overnachten na een veel te lange nacht? Natuurlijk had hij beter een sms-je gestuurd. Veel verschil had dat wel niet gemaakt. Marie zou daar toch ook de verkeerde conclusies uit trekken. Daarbij is he tniet de eerste keer dat Marie boos op hem is. Toen hij een week geleden vlees had klaargemaakt op vrijdag, was ze ook beginnen schelden. Voor die ene keer dat hij nog eens vlees bij het gerecht had gekozen, was dit ongepast geweest op vrijdag. Moet je nu nog rekening houden met oude gewoonten ook? Het was dan wel zeker een jaar geleden dat zij samen besloten hadden minder vlees te eten, deze ene keer viel het duidelijk verkeerd. In zichzelf gekeerd was hij hun huis uitgelopen. Woorden hielpen niet, dat was hem de laatste tijd duidelijk geworden. Een verzoenend gebaar was steeds beter. Nu met de solden kan hij misschien wel iets leuk voor haar vinden, zonder dat ze kwaad zou worden over de prijs. Hij moet echter wel opletten dat hij haar met zijn keuze niet gaat kwetsen. Hij loopt een winkel binnen, grabbelt in een ton met zwarte truitjes. Zijn snelle keuze botst blijkbaar op weerstand. Hij trekt nog even en ziet dan een mannenhand welke de andere mouw vastheeft. Ach, wat doet het er toe. Hij zucht en vertrekt.

Luc Van Roosbroeck
1 0

Brooddronken hoofdstuk 16

16   Jimmy en Bruno komen aan bij het Ring Shopping Center. Dat Kortrijk is maar iedereen zegt er Kuurne tegen. ‘Zo,’ zegt Bruno, ‘we zijn er bijna. Dit is Ringlaan 34. Ofte het shopping center maar je kent dat zelf ook wel, natuurlijk.’ ‘Ja, dat ken ik inderdaad,’ antwoordt Jimmy. Zelfs het irritant open-dicht-en-weer-opengeluid van de schuifdeuren werkt hem niet op de zenuwen. Hij is allang blij eens van dat harde fietszadel te zijn en gewoon op zijn twee voeten te staan, ook al ligt er een geribbeld tapijt onder. Op dat geribbeld tapijt ligt een legerzak met een hangslot aan. ‘Doet gij maar het molslot open,’ zegt Bruno, 'dan ga ik ondertussen een sigaretje smoren.' Jimmy doet wat hem gevraagd wordt. ‘Ge hebt twee pakskes gemaakt vanochtend. Ge hebt één pakske voor de wijk hierachter en één pakske voor ’t shopping. Gaat eerst uw fiets vullen, dan hebben we tijd genoeg om die brieven hier weg te steken.’ Zo gezegd, zo gedaan. Jimmy steekt het pakje brieven in zijn ransel met wat platte stukken er bij. Bruno slaat het gade met een sigaret tussen zijn lippen. ‘Wat doet ge met de dagen?’ vraagt Bruno. Jimmy antwoordt terwijl hij de fiets verder laadt. Hij rolt de legerzak op en steekt hem in een lege fietszak. ‘Nu vanavond is ’t eten met pa, ma, pepe, Billy en zijn vriendin.’ ‘Billy is dan uw broer, toch? Die heeft ook nog bij ons gewerkt.’ ‘Ja, dat is waar. Nadat die is weggelopen, heb ik het mogen ontgelden. Tegen Billy kon onze pa niets meer doen, hé,’ zegt Jimmy. ‘En die zit nu in Gent?’ Bruno steekt een verse sigaret op. De fiets wordt zodanig stuntelig geladen dat er nog tijd is voor een tweede. ‘Ja,’ antwoordt Jimmy, ‘en zijn vriendin komt ook mee. Dat wordt lachen.’ ‘Is dat zo raar dat Billy een vriendin heeft?’ vraagt Bruno. ‘Dat niet,’ zegt Jimmy en hij is ondertussen klaar met het laden van de fiets. De post van het Ring Shopping wordt per winkel vakkundig in de brievenbussen gedropt. Dat gaat verbazingwekkend snel en dat is ook Bruno niet ontgaan. ‘Dat hebt gij nog gedaan,’ zegt hij. Jimmy antwoordt en houdt ondertussen zijn ogen niet van zijn brieven af. ‘Ja, dat klopt,’ zegt hij, ‘ik ben hier nog stagiair geweest, een goed anderhalf jaar geleden. Dat helpt, want sommige winkels werken met hun maatschappelijke zetel voor hun post. En dan is de naam niet juist en zo.’ Ruben is onder de indruk dat het zo vlot gaat. Jimmy mag misschien wel niet van de handigste zijn als het op fietsen laden aankomt, maar nog nooit heeft hij één nieuweling zo snel de post van het shopping center in de bus zien steken. ‘Ziet ge ’t zitten om de recommandés weg te brengen naar de winkels? Ge weet ze toch zijn, hé, tegen dan is mijn safke op.’ ‘Oké.’ ‘En ge moet nog naar die biowinkel, uw kaas gaan halen.’ ‘Juist. Tot binnen een tien minuutjes dan maar,’ zegt Jimmy en hij vertrekt op zijn queeste, zijn zwart tasje tegen zijn borst geklemd alsof zijn leven er van af hangt en misschien is dat wel zo. Want hij wil op zijn eerste dag geen model 9.

Miguel
5 0
Tip

Buitenverblijf

Voorzichtig maakte ze het gat groter, de regen en smeltende sneeuw van de afgelopen veertien dagen hadden het een beetje doen inzakken. Dan strooide ze er een  handvol verse potgrond in. Haar hart klopte een beetje sneller dan gewoonlijk. Het was haar eerste keer sinds jaren, en haar eerste keer alleen. Het gat bleef er koud en ongastvrij uitzien. Maar het moest nu, nog wachten kon niet. ‘Binnenpakken, maar nooit langer dan veertien dagen!’ Elk jaar opnieuw had haar vader dat verkondigd, met grote stelligheid. En telkens had ze zo genoten van de warme gulheid van het binnenpakken, en zo moeten vechten tegen het kille schuldgevoel bij het terug buitenzetten.  Ze veegde haar haar uit haar gezicht, voelde de natte modder op haar wang. Toen keek ze naar de boom naast haar. Hier en daar blonk nog een dun sliertje engelenhaar, daar moest ze om glimlachen. Ze voelde voorzichtig in haar jaszak. Ze had een onbreekbare uitgekozen, maar toch. Ze deed haar handschoenen weer aan, ze was van kindsbeen allergisch aan naaldenprikken. ‘Heb je handschoenen aan? Anders krijg je weer van die vieze bulten. Tot op je schouder zaten die, gewoon door de top vast te houden, dat heb ik nooit verstaan!’ Ze had het hem nooit uitgelegd. Het binnenhalen en terugplanten was iets van hen beiden, maar dat andere, dat was tussen haar en de bomen. Ze haalde diep adem en tilde de boom in het gat. Kon een boom onthouden, vergeten, bang zijn? Zou hij de plaats herkennen? ’t Was geen slechte plaats, gewoon het verste hoekje van haar nieuwe voorstadstuin. Beschut en eigenlijk wel gezellig, het had niets van de onherbergzaamheid van het bos uit haar jeugd, dat koppig in haar gedachten schemerde. En toch. Fantasie haalde het altijd van de realiteit, zelfs toen. Ze hadden de boompjes uit de bosrand gehaald, vlakbij een vriendelijk open veld, maar zij had alleen de sprookjesachtige donkerte verderop gezien, en zich nooit kunnen voorstellen dat ze daar gelukkig groeiden. Ze gooide het gat terug dicht, stampte de aarde goed aan en gaf water.  Dan nam ze de kerstbal uit haar jaszak en stak hem diep tussen de takken, tot helemaal tegen de stam.  “Zo ben je niet alleen”, fluisterde ze, en draaide zich snel om. Soms vroeg ze zich af of iemand ze ooit zou opmerken, die zeven ondertussen volwassen dennen aan de rand van een ver donker bos, met elk een kerstbal in hun hart. 

Janna Herremans
37 2

Brooddronken hoofdstuk 15

15   ‘Eruit! Stom schijtwijf!’ Het getier weergalmt door de gang. ‘En neem uwen brol ook maar terug mee!’ Een gebakje vliegt door de open deur van de kamer en kwakt tegen het raam van de gang. Het druipt langs de ruit tot achter de radiator. Een jonge vrouw in een wit uniform loopt snikkend weg, tot consternatie van haar collega’s. ‘Hij weer?’ vraagt iemand terwijl ze voorbijsnelt.   Wie zegt nooit een mens gezien te hebben die quasi volledig uit vierkanten bestaat, heeft Jules Sabbe nooit gekend. Alles aan hem is vierkant. Zijn postuur, zijn hoofd, tot de randen van zijn brilmontuur en het patroon op zijn hemden en zijn bretellen. Zijn tanden, echt of vals, want een Sabbe praat niet over zijn gezondheid, zijn opvallend vierkant. Het lijkt alsof hij een slecht gebouwd Lego-mannetje is. Helaas voor het verzorgend personeel van WZC de Korenbloem is hij maar al te echt. De meest nors uitziende verzorgende wordt er op afgestuurd. Zulma, een blok beton in een verpleegstersuniform, laat niet met zich sollen. Zelfs niet door Jules. Ze duwt met veel geweld de deur volledig open, zodat de klink zich begraaft in het gat in de muur, achtergelaten door eerdere incidenten. ‘Awel?’ brult ze. ‘Awel wat?’ antwoordt Jules. De twee zijn aan elkaar gewaagd. Het is als een stierengevecht, al lijkt het niet duidelijk wie de stier en wie de toreador is. Zulma briest. ‘Was dat nu nodig, zo tieren op dat meiske?’ Ze staat bijna boven Jules gebogen. ‘Moet ge er ook een beetje hebben misschien?’ Jules heft zijn vierkante vuist op. ‘Ik zou maar heel wat minder van mijnen tak maken,’ zegt Zulma, ‘het zou maar eens kunnen zijn dat ik een weekje mijn vaste dienst afgeef om keukendienst te doen. Ik heb nog wat laxeermiddel thuis staan. Het zou jammer zijn als…’ De vuist gaat weer naar beneden. ‘En wilt ge nu eens zeggen waar dat drama voor nodig was?’ ‘Die geit zit godverdomme mij te behandelen als een klein kind. Of ik nog een taartje moet hebben, mijn beddeke moet gemaakt worden, ik moet mijn slufferkes aandoen, enzovoort. Godverdomme, ik heb de Duitsers nog op de riek gestoken. Ik!’ ‘Ja zeg, we zijn dat ook opgelegd van boven, hé.’ ‘En dan komt dat wijf aanzetten met een merveilleuxke met een stukske kiwi op. Ik mag geen kiwi.’ Zulma zucht. ‘En dat kunt ge niet op een normale manier zeggen?’ ‘Ik moet juist niets. Straks komt mijn kleinzoon mij halen. Ga ik misschien eens deftig eten hebben, ook als zal het vast wel keun of kieken zijn. Het gaat in elk geval beter zijn dan de stront die ik hier moet vreten.’ ‘Dat uw kleinzoon maar gauw komt, dat ge hier weg zijt.’

Miguel
2 0

Brooddronken hoofdstuk 14

14   Ondertussen is in de Schaekenstraat wat verderop – een heel stuk verderop – Marjolein begonnen aan de voorbereiding van het kerstdiner. Dat betekent dat de zware eiken tafel die eerst nog in de lengte stond, vergeleken met het aanrecht, nu aan datzelfde aanrecht moet staan, zodat de kabel van de fonduepot lang genoeg is om tot aan de tafel te geraken. Marjolein heeft moeite om de eiken tafel op te heffen. De deurbel gaat. Maurits de kat springt van de tafel en spurt naar de zetel. Als er bezoek is, wil hij altijd het beste plekje. De deurbel gaat opnieuw. ‘Ja, ja, ik kom,’ roept Marjolein. De kans dat de persoon aan de deur het heeft gehoord, is erg groot, daar de muren flinterdun zijn en van bedenkelijke kwaliteit. Marjolein wandelt door de gang en opent de deur. In het deurgat staat haar oudste zoon Billy. Ze omhelst hem innig, het is anderhalf jaar geleden dat ze elkaar nog gezien hebben. Billy ziet er uit als de academische versie van Jimmy. Hetzelfde sluike haar, een toch wel minder pokdalig gezicht dan zijn broer en een bril met overdreven grote ronde glazen. Een quasi rond gezicht, net als zijn broer en konijnentanden. Reginald heeft al dikwijls de grap gemaakt dat Marjolein de konijnen geen eten mocht geven omdat de rammelaar al één kind met haar had gemaakt. Toch was ook voorzien van de typische Sabbe-trekken, zodat Reginald niet kon ontkennen minstens één hand in zijn creatie te hebben gehad. De Droopy-ogen en de neus die op weg is een knobbelneus te worden zijn alweer een stuk prominenter aanwezig dan de vorige keer dat Marjolein hem zag. Billy, misschien nog meer dan Jimmy, was op weg om een evenbeeld van zijn vader te worden. ‘Is uw vriendin niet mee, jongen? Maar waar zijn mijn manieren, kom binnen, kom binnen.’ De gang blijkt te smal voor twee toch redelijk corpulente mensen en zo gaat Marjolein voorop. ‘Ge zijt als van den hemel gezonden, jongen. Ik moet die tafel nog tegen de watersteen krijgen.’ ‘Kunt ge dat aan pa niet vragen,’ vraagt Billy, terwijl hij plaats neemt aan één kant van de tafel. ‘Uw vader…’ zegt Marjolein. ‘Juist, vergeten. Hoe is het met Jimmy? Ik hoor hem zo weinig?’ ‘Jimmy is nu vandaag bezig aan zijn eerste dag in De Post,’ antwoordt Marjolein. ‘Ik vraag me af hoe lang hij het zal volhouden.’ Billy heft de tafel op, naar de instructies van zijn moeder, die aan de andere kant hetzelfde doet. ‘Maar waar is uw vriendin, kwam die niet mee?’ vraagt Marjolein. ‘Ja, maar ze zit nu nog in Gent. Ik moet er straks achter gaan. Mag ik de Lada gebruiken daarvoor?’ Marjolein zucht terwijl ze de laatste aanpassingen doet om de tafel zo recht mogelijk te laten aansluiten aan het aanrecht. ‘Manneke, ge weet dat uwe pa u nooit met zijn Lada gaat laten rijden.’ Billy denkt even na. Zijn specifieke denk-tic speelt weer op. Hij duwt zijn mond naar de linkerkant. Marjolein kent dit. Rechts is leugen en links is denken. Al van toen hij klein was, was dat zo. ‘Rookt hij nog altijd Camels?’ ‘Ja.’ ‘Ik ga hem een slof Camels kopen dan. Voor zijne kerstdag.’ Billy grist de sleutels van de Lada van het haakje aan de muur in de gang. ‘Hebt gij nog iets nodig, ma?’ ‘Neen, jongen.’ ‘Oké.’ ‘Of wacht. Uwe pa heeft gisteren nog een kieken geplukt en geslacht omdat ik denk dat we met een keun te weinig gaan hebben. Breng nog een potje kipkruiden mee.’ ‘Oké. Tot straks!’   Wanneer Billy het huis verlaat, botst hij tegen een gesluierde vrouw op. Hij herkent haar als Habiba, de buurvrouw van in de Groeningekaai zelf. Hun tuinen grenzen aan elkaar. Met brede glimlach zwaait ze naar hem. ‘Oh, dag Habiba,’ roept hij uit. ‘Dag Billy! Blij dat je terug bent. Is het maar voor even?’ Billy draait zich om met zijn handen in zijn zakken. ‘Ja, kerstavond en zo. Ge kent dat hé. Voor onze pa zou ik het niet doen, maar ons ma staat er op, met dat ik vorig jaar niet afgekomen ben.’ ‘Uwe pa is speciale man. Zeg, hebben jullie onze huiskip niet gezien? Hamza en ik zoeken er al een hele dag naar. Hakim is troosteloos.’ ‘Ja, Habiba, hoe is dat met Hakim? Hoe oud is die nu?’ Billy voelt al nattigheid maar kan het niet opbrengen dat hij wellicht exact weet waar de kip zich bevindt. ‘Ah, zes jaar hé, hij wordt een flinke jongen.’ ‘Tof om dat te horen. En de andere kinderen?’ ‘Omar gaat nu naar het middelbaar. Hij mist de tijd dat jullie ballen naar elkaar overgooiden.’ ‘Ja, vanuit Gent gaat dat moeilijk he.’ Billy lacht. ‘En Yasmine, die gaat nu naar het conservatorium. Trompet leren.’ ‘Wat had ik graag gehad dat het viool was. Onze pa zou zot komen.’ ‘Uwe pa is geen slechte mens, hoor. Als hij er niet was, toen…’ ‘Ja, dat is waar. Maar soms vraag ik mij af hoeveel kwaad een mens kan doen tot zijn positieve karma weer is uitgewerkt. Maar ik moet nu wel door. Tegen dat ik de Lada aan de praat gekregen heb, zal mijn vriendin in het station aangekomen zijn.’ ‘Het was fijn je nog eens gezien te hebben, Billy.’ ‘Insgelijks, Habiba. Doe de groetjes aan Hamza en de kinderen.’ Ze zwaaien elkaar vaarwel en Billy kruipt in de Lada, die stinkt naar de drank en de sigaretten. ‘Arme Habiba,’ zegt hij tot zichzelf, ‘toch nog geen kwaad woord kunnen horen over onze pa. Nu ja.’ Hij start de auto en na een paar minuten wachten draait hij de sleutel over. Luid protesterend, de uitlaat is nog steeds niet gefikst, komt de Lada tot leven en rijdt Billy richting het station van Kortrijk.

Miguel
4 1

Het vliegtuig

Veerle hoort een vliegtuig in de verte zoemen wanneer ze zich voorover bukt om de spaghetti van de grond te rapen waar haar zoontje van drie had gezeten. Ze gelooft dat hij eindelijk gekalmeerd is en misschien zelfs slaapt. Ze doet de gordijnen dicht en zet de radio aan op tv, toevallig zingt Aretha Franklin At Last.  Het was een vermoeiende dag geweest, merkt ze aan haar lichaam, dat steeds lomer wordt, alsof ze in een halfuur tijd de jaren van veertig naar honderd doorstaat. Ze overloopt wat ze die dag gedaan had en ze stelt vast dat het een dag was als een ander, niks speciaals.  Ze duwt de gedachte aan haar leeftijd weg. De laatste tijd wordt ze steeds meer gekweld door de angst om ouder te worden. Niet zozeer het ouder worden, maar het niet meer jong zijn. Het voelt voor haar als rouwen om een minnaar. Op het werk zijn er geen mensen van haar leeftijd die haar zouden begrijpen en ze is al een jaar vrijgezel.  Ze zoekt een ontspannen houding in de zetel door één been languit te leggen en het ander over de rugleuning te gooien. Ze geniet van de stilte, en dat vliegtuig dat ze nog steeds hoort van heel ver. Ze denkt aan een paar dingen dat ze zou kunnen doen. Maar ze staat op om de lichten uit te doen en te gaan slapen. Op de trap naar boven hoort ze niet alleen het kraken van de trap en het vechten van haar adem, maar als ze zich wat inhoudt, ook dat vliegtuig van daarnet, maar harder en dichter. Het valt haar te binnen. Een golf van geluk gaat door haar heen, haar huid wordt hard door een koude rilling en haartjes komen recht. De deur van haar kamer is open en het nachtlampje brandt.  Ze ziet haar zoon in haar groot bed liggen met haar Lelo Smart Wand, op de eerste stand, de zwarte bol trillend onder zijn bekwijlde wang en zijn handjes omsloten rond het midden alsof het zijn knuffel is. Ze zet het ding uit en haalt het voorzichtig van tussen zijn handjes. Ze verplaatst hem naar zijn eigen bedje en geeft hem een kruisteken op zijn hoofd, wat ze anders nooit doet. Ze gaat naar haar eigen bed en geeft toe dat die al veel te lang op haar wacht. Wat onder de lakens gebeurt zie je niet, maar Veerle is ergens op een vliegtuig in de verte en wordt na drie minuten tien jaar jonger en begrepen.  

Fanny Wildemeersch
14 0

Eindelijk

Eindelijk; het is gezegd. Ik ga bij je weg. De manier waarop ik het je vertelde is geen doen. Daar ben je nu nog niet mee bezig, maar binnenkort en voor lange tijd zie ik het je vertellen op café met ogen en mond wijd open om het op te blazen bij je vrienden en je vuisten op tafel daverend dat het bier uit de glazen klutst.  Als weerwoord op de roddels die mij te beurt zullen vallen zal ik zeggen dat er geen goed moment is om zoiets te doen. Dat geloof ik natuurlijk zelf niet. Je nodigt iemand uit tot een gesprek hiervoor en je vertelt het voluit, zonder omwegen en zonder verbloeming, doch met enig medeleven voor de pijn die je veroorzaakt. Dat weet ik zonder medicatie ook wel. Maar om duidelijk te maken dat ik gek word bij jou kon een rechtschapen gesprek geen duiding brengen. Mensen geloven geen woorden tot er strijdlustige emoties uit barsten. Zelfs jij niet.  Dat ik tot het einde der tijden de grootste liefde voor je zal hebben, heb ik ook niet gezegd. Je zou niet begrijpen dat ik toch bij je weg moet.  Ik had tien jaar eerder al bij je weg kunnen gaan om dezelfde reden. Maar ik was zo moe, en ik kon even goed bij jou de roes van mijn leven uitslapen. Jij leek sowieso al altijd ergens van te moeten bekomen.  Nu zit ik hier opgesloten in kamer 403, met een helder uitzicht over alles waar ik altijd had kunnen zijn, maar blind voor was door jou. Ik heb altijd mijn rug gekeerd naar alles wat binnen handbereik was, om mijn focus op ons te richten. Ik wil leren wat het is om alleen te zijn. Om te moeten zoeken en de dingen rond mij te zien. Ze moeten mij zeggen wie ik ben. Of wie ik was, voor ik jou was.   

Fanny Wildemeersch
33 0

Stoorzender

Op de kalender is het 6 januari. Op de overgebleven oliebollen staat een laag schimmel in de keuken. Op het gourmetstel op de aanrecht liggen nog koude stukjes vlees op het schaaltje die doordrenkt is met boter. Het restant van het natte vuurwerk staat bij de open haard te drogen. Abel Variabel zit in zijn luie stoel in de linkerhoek van de woonkamer naast de open haard. Hij is op zoek naar een andere radiozender op zijn transitstroradio. Een transitstroradio kom je niet vaak meer tegen maar Abel maakt vaak genoeg gebruik van de radio. Hij houdt van alle soorten muziek en zoekt graag naar een andere zender. De ene keer is het hiphop en de andere keer muziek uit de jaren 80. Klassieke muziek kan hij tegenwoordig ook vaak waarderen. Hij gaat er voor zitten en ploft neer in zijn relaxstoel. Abel kan totaal niet genieten van lange discussies en draait snel door. De waarheid ligt toch altijd in de midden. Een zender met non-stop muziek heeft vaak zijn voorkeur. Radiostations waar tussen de plaatjes wordt gepraat is Abel snel op afgekapt. De dj’s praten met elkaar maar het gaat helemaal nergens over. Om het half uur nieuws met elke keer dezelfde onderwerpen gaat hem ook snel vervelen. Sommige dj’s slaat Abel Variabel over want die denken dat ze grappig zijn en lachen om hun eigen grappen. Een regionale zender vind hij soms ook wel eens vermakelijk. De laatste tijd is hij weer op zoek naar een andere zender die mij kan bekoren. Hij zoekt wat af en soms is de radiozender slecht te bereiken en zoekt hij rustig verder. Soms raden mensen Abel Variabel aan om naar hun favoriete zender te luisteren. Na vijf minuten hoort hij al of het wat is of helemaal niks. Abel luistert ook vaak naar de stem en als deze hem niet bevalt gaat hij weer op zoek naar een andere radiozender. Duitse zenders met schlagers vind hij ook wel aardig maar niet te vaak. Sportzenders zijn de favorieten van Abel vooral als het over voetbalwedstrijden en de Toer de Frans gaat. Vaak voelt hij de spanning door de radio heen. Vroeger zat Abel aan de transitstroradio gekluisterd en luistert naar de Europa cup 1, 2, en 3 (voor bekerwinnaars). Live verslag op de radio en later pas een hele korte samenvatting op tv. Legendarische voetbalwedstrijden en het commentaar was veelal mooier dan de wedstrijd. De schaatswedstrijden die buiten werden georganiseerd tussen de toppers Ard en Keesie. Sfeer creëren over de radio is voor sommige radiomakers weggelegd. Ook Fritz Spits met de Avondspits trok veel luisteraars verzekert Abel. Vandaag is Abel Variabel weer eens op zoek naar een andere zender. Na dagen zoeken komt hij op een onbekende zender uit. Het radiostation zal wel niet veel luisteraars hebben. Hij denkt wat vrienden en wat familieleden van de dj. Abel vraagt zich wel af wie de plaatjes uitzoekt. Het radiostation moet niet overdrijven. De radiozender brengt vijf kerstnummers achter elkaar ten gehore in januari.

Jan Sluimer
1 0

Het dode lichaam

Ik duwde mijn hoofdkussen samen tot een dikke worst in het midden van mijn matras en begon erop te rijden als op een veel te groot paard met een zadel dat zodanig breed was dat mijn benen bijna in spreidzit gingen. Terwijl ik een zestal keer klaarkwam keek ik door het raam aan het hoofd van mijn bed, naar de regen die het eindeloze weilandschap in haar noden voorzag. Het getik op het raam maakte me niet gewoon kalm maar bijna verlamd, alsof het me vroeg om vandaag zo weinig mogelijk te doen en niemand iets van me te laten horen.  De lucht was lichtgrijs, zonder nuances, maar fel om in te kijken. Ik rook mezelf, het was nog geen middag en ik had me nog niet gedoucht. Thuis is douchen het eerste dat ik doe, maar hier in mijn verblijf waar ik me een paar keer per jaar in terugtrek wacht ik mijn impulsen af. Sinds mijn veertigste kom ik hier om uit te rusten, en om naar mijn eigen stem te luisteren. Ik ben van mening dat een mens dat thuis voldoende moet kunnen, maar ik heb nog niet gevonden hoe, dus doe ik het voorlopig met een aantal retraites op mezelf per jaar. Ik rook al vijftien jaar geen sigaretten meer, and proud of it, maar hier rook ik graag eens een joint met cannabis dat ik elke zomer uit mijn eigen tuin oogst, ook sinds mijn veertigste.  Omdat het bijna middag werd en ik zoals elke vlaming graag een onderscheid maak tussen voor- en namiddag besloot ik om kleren aan te doen en eerst een wandeling in de regen te maken. Dat zou het douchen straks een waar genot maken. Ik deed mijn strakke jeans aan, mijn sportschoenen, en een fleece onder mijn nieuwe winterjas dat goed tegen de regen bestand lijkt. Het was erg warm voor januari en de lucht rook naar de regen en de regen leek verademend. Heerlijk om mezelf te voelen doorademd worden en mijn gezicht te laten wassen in de warme regen. Ik dacht aan mijn verblijf hier vorig jaar vlak na de feestdagen, dat moet nu exact een jaar geleden zijn. Toen genoot ik ook zo van die wandelingen, en ik heb nooit koud gehad. Ik had toen vastgesteld dat het van alle koude seizoenen nooit zo warm is als in januari vlak na de feestdagen. Ik dacht aan de warme douche die me staat te wachten en wandelde stevig door. Ik zag veel afval langs de kant van de weg waar ik liep, blikjes cola en flesjes jupiler, lege hulzen van vuurwerk en dvd-doosjes. Gisteravond was ik hier ook komen wandelen. Het was erg donker en het oranje kunstlicht van de natriumlampen langs de kant van de boerewegel maakte alles dat zichtbaar moest zijn vervormd. Ik had al iets gerookt door het badkamerraam en had nog niets gegeten. Genot stel ik graag uit als een beloning. Gisteravond na mijn wandeling at ik een kilo lasagne dat ik thuis zou verdeeld hebben over mijn man en kinderen, om zelf yoghurt met muesli en honing te eten.  Ik wandelde door de regen en ben blij dat het dag is. Ik kan moeilijk geloven dat ik het gisteren zo plezierig vond om hier te zijn in het donker. Iets zei me dat je hier niet wil zijn na zes uur ‘s avonds. Ik zag mijn jas doornat worden maar voelde zelf alleen maar warmte, wanneer plots een walm van kaas of bedorven vlees mijn bubbel vulde. Ik zag het spoor van afval een patroon worden, alsof iemand met beredeneerde precisie alles hier neer gelegd had, als persoonlijk aangepaste reclame dat op sociale media passeert. Ik weet niet waarom, maar aangezien ik alleen maar Jupiler, Coca-Cola en lege dvd-doosjes zag dacht ik aan mijn ex van twintig jaar geleden die zijn appartement heeft opgeruimd en hier alles is komen neerplanten. De geur bleef op de weg hangen, die herkende ik van een café waar ik ooit had gewerkt waar we niet bij de dode muizen konden die na ons uitzetten van het vergif hun strijd hadden verloren net onder de frigo achter de bar waar je met niets bij kon om hun kleine lijkjes weg te ruimen. Het was een kwestie van hun ontbinding te laten uitwerken tot er enkel nog een klein muizenskeletje zou overblijven, dat we dus ook nooit gezien hebben. Dat was ook een geur van belegen kaas, en hoewel ik me niet kan herinneren ooit rot vlees te hebben gezien, deed het me toch aan rottend vlees denken. Ik heb dan altijd gedacht dat een mens, omdat we zelf uit vlees bestaan, geprogrammeerd is om rottend vlees te herkennen.  De geur bleef en de weg werd steeds langer, en hoewel ik hier en daar een andere weg had kunnen inslaan, koos ik ervoor om rechtdoor te blijven gaan en de geur te volgen. Ik was al lang op andere gedachten gekomen toen ik plots vertraagde bij twee witgrijze benen dat ik in de gracht zag liggen. Het water kan niet diep geweest zijn, en ik kon niet uitmaken of het om een vrouw of man ging, jong of oud, en of de bruine slierten die het lichaam omsloten gras was dat in het water groeide, of het lange haar van die persoon was geweest. Ik ben nog steeds verwonderd over de scherpste focus die ik toen had en waarmee ik 112 opbelde. Ik had me wel eens ingebeeld wat ik zou doen als ik plots een lijk zou vinden. Ik zou geschreeuwd hebben, gekotst, weggelopen, nooit meer geslapen hebben, … Maar niets van dit alles wat het geval. Dat het geen fraai zicht was is zeker, maar de scherpe geest die mij plots alles deed vergeten en mijn aandacht op de kwestie vestigde is uniek om mee te maken in mijn eenvoudig bestaan.  Ik belde 112 zonder schudden en beven zoals ik zou gedacht hebben, en nadat een vriendelijke vrouwenstem me vroeg wat ze voor me kon doen negeerde ik haar vreemde vraag en vertelde dat ik hier tijdens mijn wandeling in de gracht een dood lichaam zag liggen, en veel afval en lege dvd-doosjes. Waarom dat laatste erbij moest weet ik niet, maar omdat het mij persoonlijk evenzeer opviel als dat lijk, en ik de vrouw niet binnen de seconde hoorde antwoorden leek het mij nodig mijn zin langer te maken dan alleen “ik heb een dood lichaam gevonden”. Ik zei er ook nog meteen de naam van de straat bij. Ze vroeg me om te blijven staan tot de politie er zou zijn. Vijf minuten later waren twee combiwagens ter plaatse. Ze keken me allevier recht in de ogen terwijl één daarvan zijn walkie talkie voor zijn mond hield. Toen hij die terug wegstak bleek dat het teken waarop hij en zijn collega’s mochten uitstappen. Een vrouwelijke politie kwam me vragen om haar te tonen waar ik iets zou gevonden hebben.  Tijdens die vijf minuten wachten had ik enorme honger gekregen. Ik dacht aan de zwitserse schijven die ik nog had voor straks en de klaargemaakte prinsessenboontjes die ik verpakt had gekocht gisterenochtend, en aan mijn wandeling gisteravond hier in het donker. Ik vroeg me af of het lichaam hier dan ook al zou gelegen hebben, en waarom ik toen niets had geroken. Ik dacht terug aan de voornemens om eens aan mijn lijn te denken dit jaar, en net toen ik de moed gevonden had om gezonder te gaan eten kwam de politie op me afgereden. Ik wou ze tonen waar ik het lichaam had zien liggen maar kon het niet meer vinden. Ook de geur was weg. Ik draaide rond en wist het zeker, hier bij die lege flesjes, en met die dvd-dozen errond. Ik draaide me terug naar de mannen en vrouw van de politie, maar die waren verdwenen. En toen zag ik het lichaam terug, het deed een zwaaiende beweging met de pols die speciaal hiervoor uit het water kwam, om me het teken te geven dat zei “let maar niet op mij, ga naar huis”. Rond die pols zat mijn uurwerk met hetzelfde paarse bandje, een Garmin die ik ooit met sportieve bedoelingen had gekocht, maar vooral handig was om de tijd bij te houden. Ik had het zwarte bandje vervangen door een paars om mezelf wat karakter te geven.  Toen ik thuiskwam wist ik niet of het lichaam echt was, of die mensen van de politie, of allebei, of allebei niet. Ik besloot dat ik hier immers ben om uit te rusten en dat ik daar duidelijk nog niet mee klaar ben. Ik zag op mijn horloge dat het intussen na de middag was en tijd voor een warme douche. 

Fanny Wildemeersch
29 1

Newborn

Ik voel het aan de diepe druk op mijn borst. Alles schuift. De wereld onttrekt zich van onder mijn voeten. Ongeacht hoe snel ik ren. En ik kan snel rennen. Tien weken ver in mijn marathonschema haal ik mijn beste tijden ooit. Strava-records aan diggelen, week na week. Maar nu niet. Deze race tegen niet alleen mezelf kan ik onmogelijk winnen; wil ik niet winnen. ‘Als je nu niet springt, ben je verloren’, hoor ik mijn vader me toeschreeuwen. Vijf meter nog. Van het einde van de trap tot de deuropening van de trein. Ik richt mijn grauwe blik op mijn vaders bloedblauwe ogen. Twee loden koffers onder mijn armen trekken me terug. Ik los mijn laatste adem en spring niet. De trein trekt zich op gang onder een piepend geluid van sluitende deuren. Vanop het perron zie ik huizenhoge vlammen de lucht in schieten. Dikke korrels as vallen als regendruppels neer. Ik duizel bij het zicht van de brandende gebouwen. Het vuur ontneemt alle zuurstof die de stad me geeft.                                                                          ***   In zwart geblakerde met donkere as bekladde kleren banen we ons een weg doorheen de mensenstroom. De heuvelrug op. Studentenresidentie Holleberg ligt binnen ons bereik. Hoe dichter we schuiven hoe benauwder we het krijgen. De kale beuken langs de weg drammen luidkeels: ‘de residentie is bezet, dit heeft geen zin!’ Schouders duwen. Een bitse ellenboog prikt Jarik in de zij. Hij wankelt en zet een stap terug. De mensenrij zwiept.  -‘Verdomme, klootzak’, schreeuwt Adina hem toe, ‘je vertrappelt mij’. -‘Fuck off bitch, aan jouw kant is nog plaats, zie je dat niet?’, een sneer scherper dan de steek van een schorpioen.  -‘Jij godverdomse vuile klootzak van anderhalve meter benen! Nog één woord en ik vermoord je!’ Haar Balkan bloed kolkt. Donkerrode wangen gloeien als een vuurtoren onder haar zwarte kap. ‘Echt waar, kerel, ik vermoord je. De hele dag loop je te zeiken als een zieke giraf, terwijl je veilig boven iedereen uittorent. Heb je enig idee hoe het voor mij voelt om met minipassen tussen reuzen van mensen te trappelen en te blijven ademen?’ De mensenmassa zwelt aan. Met vuisten, ellenbogen en venijnige kniestoten stuwt de achterste rij de mensen voor zich steeds hoger de heuvelrug op. Nog dertig meter tot de top waar de gelukkigen één voor één als door een trechterhals het residentiekamp binnendruppelen.  Jarik verliest alle rust. Met een impulsieve ruk draait hij zich om en duwt het meisje dat achter hem loopt terug. Een golfslag spoelt door de mensenzee. Geraas en gevloek weerkaatst door de bladerloze bomen. Voeten, benen, armen, hoofden strompelen. Maar Jarik heeft daar geen oog voor. Hij draait een kwartslag en valt Adina frontaal aan: -‘Wat is jouw probleem? Je kan toch overal onderdoor? Als jij wat meer lef had, kon je Holleberg al binnen zijn. Je had ons alle drie al kunnen aanmelden. Maar nee, de tamme muis in jou houdt zich weer gedeisd, zoals steeds, jouw hele laffe leven lang!’ Het leven draait als een aardbol om Adina heen. Beelden van rauwe executies en haar negenjarige vlucht door de bossen van Macedonië doemen op. Haar ogen worden duister. Het geknetter van de opdringerige massa weerklinkt als een salvo. Ik werp me tussen Adina en Jarik in.  -‘Nu niet, dit is niet het moment! Nog twintig meter. De poort is nabij.’ Ik grijp Adina bij de arm en stop Jarik een koffer toe. -‘Hup giraf, draai jouw lange nek en gebruik jouw slanke poten. En vooral, hou je stomme kop. Je hebt nog een heel leven om te praten.’                                                                          ***   Het water wast het vijf dagen brandende vuur weg. Grijsgrauwe wolken stromen onophoudelijk. Dag na nacht. Eerst slaan ze de oplaaiende haarden neer. Vervolgens sissen ze de smeulende korven in de ondergrondse holtes van de vallei. Vogels zwijgen. Het vocht van dikke druppels heerst over de lucht. Het sussende water drijft de uitgeputte vluchtelingen van Holleberg in een diepe regenslaap. Als opgerolde makrelen rusten we met acht tot tien personen in te kleine barakken, in stapelbedden en op de vloer bedekte matrassen, langs elkaars warme lijven, verstrengeld in andermans ledematen.  Na vijf dagen oeverloos stromen rijst het water voet per voet op uit de vallei. Het vult de vlakten, overspoelt de wegen en sijpelt langs spleten en kieren de huizen in. Wanneer het geruisloos zacht de barakken binnenglijdt, doordringt het de lakens en matrassen. Rimpelloos strijkt het over onze lichamen. De natte stralen door mijn haren maken me wakker. Ik draai door het water, eerst langzaam en nadien meer zelfbewust. Met de plotse slag van een stevige staart stuw ik me naar boven. Ik sper mijn kleine ogen open en zie mezelf zwemmen tussen kolkende kamerobjecten. Het licht onder water geeft mijn bruine vacht een rossige aanschijn. Ik aanschouw mijn korte poten en duw mezelf af. Door mijn zwemvliezen te kantelen zet ik koers richting de deur. Met mijn voorste klauwen probeer ik de klink te omklemmen, maar mijn onhandige greep mist zijn doel. Ik maak omslag, doorklief de besloten kamer en bereid mezelf voor op een herlancering. Met gesloten ogen stouw ik mijn stompe kop opnieuw naar de deur. Ik plant mijn kromme nagels in het houten blad en knaag me een weg naar buiten. Vooraleer ik het gat doorkruis, maak ik nog één diepe sprong naar de kluis. Onder het linker stapelbed ontfutsel ik het cijferslot en grijp twee koffers. Terwijl ik opwaarts zwem, ontwaak ik met mijn staart zeven soortgenoten. Eén voor één zwemmen ze me achterna, de te herbouwen vrijheid tegemoet.                                                                            ***                                                                                 Boven op de brug voel ik de droge lucht tegen mijn slapen drukken. In strijd met de wind houden de sluitspelden mijn borstnummer strak gespannen. Ik maal stevige passen. ‘Eén meter tien centimeter per stap’, hoor ik mijn coach roepen. In duikvlucht naar beneden haal ik dit moeiteloos. Straks als de weg oploopt, wordt andere koek. Eén meter tien centimeter is de helft van de paslengte van Mo Farah. Een giraf op snelheid haalt vier meter vijftig centimeter. De Pristina-marathon is een boemerang. Over de brug ontloop ik de stad waarheen ik straks terugkeren zal. Hoge Sovjetblokken slinken achter mijn rug. Ik zak en zak. Lager Miradi. Adina laat Jariks hand los. Met een ruk wentelt hij de rode carrousel rond. Haar gestreepte broekkousen gieren van plezier.  Een hemels gewelf van groene bladeren draait om haar heen. Slag om slag kantelt de tijd. Bij het binnendringen van het park verzetten mijn benen zich tegen een oplopende strook. Ik probeer tred te houden. Het steile, glibberige bospad slaat de trossen lopers genadeloos uiteen. Op de top zie ik het spandoek 'Miragona - 21 km'. Miragona is het keerpunt. Aan haar moeders hand nadert Adina de ronkende bussen. Ze draagt een plastiekzak met fruitsap en vanillekoekjes. Om haar schouders hangt haar schooltas met een pyjama, een tandenborstel en een dikke trui. Zware armen tillen haar in een stofblauwe stoel. Bedwelmd door de muziek van een halfzachte radio verzinkt ze in een donkere slaap. Miragona, het panorama waar ze Jarik voor tien jaar uit het zicht verloor. Ik lig achter op mijn tijd. Twee uren zijn verstreken wanneer ik in een u-bocht rond de nieuwe, in baksteen opgerichte wooneenheden keer. Jonge gezinnen juichen me toe met spandoeken en ballonnen. ‘Nog één keer dezelfde afstand, maar dan andersom’, schreeuwt iemand uit het publiek. Een race naar het begin. De najaarszon begeleidt me weemoedig door de stilzwijgende bossen naar beneden. Ik kruis achterop geslagen lopers. Hijgend. Verdreven door het startschot. Wanneer ik de voet van de heuvel bereik, ligt Lager Miradi er verlaten bij. Ik passeer langs stille huizen een verre metgezel achterna. Jariks ouderlijk huis toornt boven het lege marktplein uit. In omgekeerde richting laat de vier verdiepingen tellende Ottomaanse bouw een versterkende indruk na. Ik verbeeld me hoe hij en zijn vier zussen een speelse ziel door de met tapijten en lage banken ingeklede ruimtes jaagden. Een vervlogen thuis die hij na zijn vlucht nooit meer betrad. De kilometers schuiven steeds trager onder mijn zolen. Mijn benen lopen vol bij het naderen van de brug. Met stroeve steken rijg ik me een weg naar boven. ‘Komaan, nog vijf kilometer!’ Jariks krijgersstem weergalmt door mijn hoofd. Ik werp mijn blik naar rechts, maar mis hun gezicht. In een stroom van gedachten baan ik mij een weg door de tijd die me nog rest. Ik zie Adina voor me liggen in de zetel. Een studentenkamer, half lege glazen en een uitpuilende asbak. Een mars van jonge Albanese studenten. Ze laten hun vlag niet los. Jarik lacht in de lens. Doorheen een muur van pijn heffen mijn benen mij naar de finishlijn. De eindeloos lange Moeder Theresa Boulevard. Zwarte dubbelkoppige adelaars op een rood schild wapperend in de wind. Langs de fris opschietende betonnen skyline hijs ik me naar het centrale plein waar de groeiende stad haar naam met een nieuwe slogan in grote blokletters eert: NEWBORN. Fototoestellen flitsen. Een zingende menigte viert onze terugkomst. Ik laat mijn armen zakken. Achter mij joelt mijn vader: ‘knap gedaan, de aanhouder wint!’ Ik kijk hem aan. Hij lacht en omhelst me. Dan stopt hij mij twee koffers toe. Ik knik zwijgzaam en knijp mijn ogen dicht. Blindelings laat ik me door het feestgedruis naar de kleedkamers leiden. Ik leg de koffers op de bank en knoop mijn schoenen los. Stuk voor stuk trek ik mijn zout bezwete kleren uit. Mijn naakte voeten raken de kille vloer. Ik kniel voor de bank en klik de sloten open. Uit elke koffer lichten vier staarten op. Ze klappen op en neer, en verdwijnen in het water dat overvloedig uit de stromende kranen klotst.     

Roger Martin
6 1

De eerste keer verliefd

Het was een zoveelste mooie zomerdag geweest op het strand, ik gloeide van zon en plezier. Ik was samen met mijn zus en neefjes op de dijk geklommen om daar nog zoals elke avond die vakantie aan zee te skeeleren tot de zon al lang onder zou zijn. Van aan de kerk tot aan de zee was Zeebrugge mijn speelterrein en ik was bruin en stoer als een indiaan. Mijn borsten zaten nog aan de binnenkant, en mijn haar was een gouden paddestoel.  Op een bruin bankje dat later wit geschilderd werd deden mijn zus en ik onze skeelers aan toen onze neefjes, Erwin en Vincent, ons kwamen halen om naar jou te gaan kijken, ze konden niet over je zwijgen. En terecht, je kon skeeleren als een acrobaat. Ik was meteen verliefd. Een compleet nieuw gevoel, maar toch wist ik het zeker. Ook je gezicht was iets dat ik nog nooit gezien had. Je moet een paar jaar ouder geweest zijn dan mij, je naam ben ik vergeten maar ik herinner me nog dat ik toen vermoedde dat het een afkorting was van een naam dat vaker voorkomt in een andere taal. Je hoofd had de vorm van een omgekeerde piramide, maar dan zonder trapjes uiteraard. Een smal mondje, scherpe kin, bredere kaken en vanaf je voorhoofd nog breder en bedekt met krullen die enkel op het platform boven op je kop omhoog stonden. Aan de zijkant was alles kortgeschoren, om nog meer die omgekeerde driehoek te benaderen. Later leerde ik dat alleen Franz Kafka en die verongelukte acteur uit Wittekerke in de buurt komen van een gelijkenis. Om de zoveel jaar Google ik nog eens een foto van Kafka in profiel om de gelijkenissen van een zeven (met streepje in het midden) met jouw hoofd te ontdekken. Maar Google is zeer beperkt op dat vlak. Je had een erg eigen uitstraling. Nu, 31 jaar later, weet ik dat dat een vereiste is om mij verliefd te krijgen. Ik heb de dagen er na nog aan je gedacht, en zo heeft het dromen mij toen ook gevonden. Ik werd dromerig, en had daar dagelijks veel tijd voor nodig. Ook dat is nog steeds zo. Ik moet je wel snel vergeten zijn, de jager in mij is pas later opgestaan. Maar het dromen is gebleven. Ik weet wel nog goed dat ik aan je dacht, en dat is nog steeds zo, wanneer ik een zeven schreef. En dat is toevallig wel vaak het geval, aangezien ik later in de horeca ging werken en industriële wetenschappen ging studeren. Ik heb nooit goed begrepen waarom, maar het heeft iets te maken met de vorm van je hoofd.  We hadden geen woord gesproken en dat hoefde voor mij ook niet. En nog steeds stel ik dat eerste contact graag zo lang mogelijk uit om het magische te bewaren. Ik keek naar je kunstjes, je benen die als oneindige achten over het asfalt schaatsten. Doordat je zo goed was leek het wel aanvaardbaar dat je op straat mocht skeeleren en niet zoals wij op de daverende vierkante klinkers van de zeedijk. Ik staarde je aan, maar keek eigenlijk recht in de ogen van dat nieuw gevoel. Ik zag mijn onschuld plaats maken voor schaamte. Ik was 7 jaar.   

Fanny Wildemeersch
23 2

Een geval van snoesteren

Op oudejaarsdag heb ik de traditie om samen met onze mannen in de namiddag naar het oudste café van het dorp te trekken. We zwaaien daar het afgelopen jaar uit. Zeg maar een evaluatie van het afgelopen jaar, al klinkt dat wat serieus voor de zever die er verteld wordt. Ik herken hem meteen als we de deur van het café opendoen. We zetten ons aan het tafeltje naast hem. “Dag Mark”, zeg ik. Hij kijkt op van zijn krant. Hij moet precies even nadenken maar dan herkent hij me toch. Ook al is het meer dan 20 jaar geleden dat we elkaar hebben gezien. Na zijn studie voor tolk is hij in Brussel gebleven. Hij is een van de vele ‘Marken’ van onze generatie. Samen met de Dirken, de Patricks, de Eriken en de Rudi’s. In elke familie waren ze vertegenwoordigd. Of een Johan, Luc, Bart, Gert, Tom, Geert, Ronny en Peter. Alsof er geen andere namen bestonden. “Ik ben bij mijn ouders voor het weekend”, zegt hij. “Vanavond en morgen vieren we samen nieuwjaar. De kinderen zijn er ook bij. Mijn vrouw is samen met ons ma met het eten bezig. Ik dacht: ik kom even tot hier. Dat is lang geleden.” Het laatste woord kan hij maar amper uitspreken. Hij laat een luide hoest horen, waarbij hij een paar keer naar adem moet happen. Ik moet hem zelfs op zijn rug kloppen. “Gaat het?”, vraag ik. Ik laat hem eerst rustig uithoesten en vraag het dan nog eens. “Jawel, ça va wel. Het is alleen een duidelijk geval van snoesteren.” Ik kijk wat hij voor zich op het tafeltje heeft staan. Maar het is toch een koffie. “Een geval van wat?”, zeg ik. “Je hebt me goed gehoord”, zegt hij. “Een geval van snoesteren. Wacht, ik ga je het allemaal vertellen, maar we gaan eerst iets drinken.” Hij zwaait naar de waardin. “Hebben jullie Guinness stout?” vraagt hij aan de waardin die ondertussen aan zijn tafel staat. Ik waan me even in het boek ‘Lijmen/Het Been’ van Willem Elsschot, waarin Frans Laarmans in het begin ook een Guinness bestelt. Een moment denk ik dat hij het gaat aanvullen met ‘In Dublin gebotteld? Zonder gekheid?’ zoals Frans Laarmans in het boek van Elsschot, maar hij moet het met een andere stout doen. Ze hebben geen Guinness. Ik ben benieuwd naar zijn verhaal. Want verhalen vertellen kon hij vroeger al goed. Hij lulde zich overal uit als hij weer eens een taak niet had afgemaakt. “Het is, zoals ik dus zeg, een geval van snoesteren. Maar ik zal het hele verhaal vertellen”, steekt hij van wal. “Ik heb al een tijdje last van snurken. Alhoewel last. Het is vooral mijn vrouw die er last van heeft. Al word ik er zelf ook ooit van wakker. Dan schrik ik en denk ik dat er iemand in de kamer zit. Maar het was echt geen doen. Ik ging regelmatig in de kamer van onze jongste slapen. Die blijft vaak bij zijn vriendin. Maar ook daar was het niet beter. We moesten de deuren dichthouden en dan ging mijn gesnurk nog overal doorheen. Bijna door de geluidsmuur.” Hierna laat hij een lach en een luide hoest horen. Na een slok van zijn stout gaat hij verder. “Afijn, ik heb dus een afspraak gemaakt met het ziekenhuis. Voor een apneutest. Heb je dat ooit gedaan? Ze hangen je vol draadjes, niet normaal. Ze testen de hele nacht hoe je slaapt en hoe je ademhaalt. Wacht, ik laat je een foto zien.” Hij haalt zijn telefoontoestel uit zijn jas en vindt snel de foto die hij bedoelt. “Hier, moet je kijken”, zegt hij. Het lijkt inderdaad op een afbeelding uit een sciencefictionfilm waarbij een robot op de operatietafel ligt. Je ziet door de draadjes en buisjes amper zijn gezicht. “Maar het is op niets uitgedraaid. Geen sporen van apneu. Dus ik ben dan maar terug naar de huisdokter gegaan. Dat was begin deze week. Hij had al snel een diagnose klaar. ‘Het is duidelijk een geval van snoesteren’, zei hij dus. Ik keek net zoals jij daarnet. ‘Een geval van wat?’, zei ik. ‘Een geval van snoesteren’, herhaalde hij. ‘Dat is een combinatie van snurken, hoesten en snotteren. Snoesteren dus. Wegens die zware bronchitis die je hebt. Daar moet je eerst van af. Dan zal het snurken ook wel minderen.’ “Het is dus geen echt woord?”, vraag ik. “Tja, dat weet ik niet. In de dokterswereld misschien wel. Ofwel zegt hij het zo. Het is nogal een flapuit, die dokter van mij. Ik heb het niet gevraagd. Maar ik heb het thuis wel zo tegen mijn vrouw verteld. Ik kwam binnen en ze vroeg meteen hoe het bij de dokter was. ‘Tja’, zei ik. ‘Ik heb de ziekte van snoesteren.’ ‘Welke ziekte?’ zei ze. ‘De ziekte van wie? Snoesteren?’ “Ik schrok er zelf van toen ze het herhaalde. Door ‘de ziekte van snoesteren’ te zeggen in plaats van ‘een geval val snoesteren’ klinkt het behoorlijk serieus. Mijn vrouw was meteen bezorgd. Ze heeft het ook niet opgezocht op het internet. En het goede nieuws? Sindsdien slaap ik terug in ons bed. Ze verwent me, niet normaal. Gisteren heeft ze een stuk chateaubriand van 500 gram gebakken. Met champignons, frietjes en een flesje rode wijn. Geweldig lekker.” “Dat is zeker niet bevorderlijk voor al dat snoesteren”, zeg ik. Mark moet lachen en laat nog een luide hoest horen.

Rudi Lavreysen
20 1

Eenzaamheid

Het is snikheet, maar ik voel koude rillingen, sta aan de grond genageld, ik verstijf nu ik hem zie. Vijf jaar lang deelden wij lief, leed en bed, maar toen was het voorbij. Zonder boe of bah verdween Bernard met de noorderzon. Ik had er het raden naar wat er fout was gelopen. Gelukkig kregen wij nooit kinderen, wat volgens hem alleen aan mij lag. Hij had geen probleem met zijn voortplantingsorgaan, maar in nakomelingen was hij niet geïnteresseerd. Vermits er geen huwelijk was, moest er ook niet gescheiden worden. De weinige spullen die van hem waren en die hij zondermeer achterliet heb ik door de kringloopwinkel laten ophalen. De huurovereenkomst van het appartement en het gros van de meubels en toestellen kon ik door een bevriend paar laten overnemen. Met twee volle koffers persoonlijke bezittingen trok ik in bij vader die inmiddels weduwnaar was geworden. De ouderlijke woonst was sowieso te ruim voor hem alleen. “Ik vind dat je er dringend  tussenuit moet”, zegt Pa. “Kijk, ik heb voor jouw verjaardag een reisje naar Portugal geboekt. Lissabon, daar hou je toch zo van?” Lissabon, inderdaad, Bernard en ik, hoe dikwijls struinden wij niet door  ‘onze witte stad’. Nu dwaal ik hier moederziel alleen en uitgerekend hem loop ik tegen het lijf. Hij is niet alleen, er loopt een beeldschone vrouw naast hem. Ik schat haar rond de dertig. Aan haar hand loopt een knulletje met pikzwarte haren. Ze stappen op tram 28. Ik weet niet wat mij bezielt, spring op dezelfde tram. Mijn zonnebril en strooien hoed houd ik op, ik wil niet herkend worden. Na de tramrit gaat het naar een brasserie. Ik geneer mij, voel mij als een stalker maar zet mij toch in hun buurt op het terras. Even ben ik afgeleid wanneer de ober mijn bestelling opneemt. Als ik terug hun richting uitkijk is het jongetje verdwenen. Plots staat het joch aan mijn tafel. Ik verstijf een tweede keer vandaag. Hij kijkt mij aan met twee helderblauwe kijkers. Ik herken dit blauw. Die ogen van dit kind, van zijn kind, van hun kind.“Bent u alleen?” vraagt de jongen. “Ik merk aan de tekst op uw tas dat u van Antwerpen komt. Ik spreek een beetje Nederlands.”“Hoe heet jij?”“Pablo, mijn mama heet Bernarda en mijn papa Bernardo, grappig hè?”“Hoe oud ben je?”“Ik ben negen.”De ober is er.De jongen keert terug naar zijn ouders, die druk met elkaar in de weer zijn. “Dag mevrouw. Nog een prettige dag.”“Dag Pablo,... dag lieve Pablo.”Ik moet hier weg, drink mijn koffie en haast mij naar buiten. Aan de uitgang kijk ik nog even achterom. Pablo wijst mij na. Ik verdwijn snel in de menigte. Uit een fadokroeg klinkt de stem van Amália Rodrigues: Triste amor, o amor de alguém, quando outro amor se tem abandonado…Ik ken dit  lied Solidão van buiten: ‘…Trieste liefde, liefde van iemand in de steek gelaten door een andere liefde…’

Vic de Bourg
9 3

Naar huis

Angst is er omdat we niet willen voelen. Ik moet voelen, niet wegredeneren, zegt mama. En praten. I. Mijn uitwisseling zit erop. Op de trein van Londen naar België lees ik een boek over een auteur die op zoek is naar zichzelf. Op een bepaald moment neemt ze een interview af met een invloedrijke vrouwelijke auteur die haar duidelijk een beetje intimideert. De dame is van een andere generatie en vertelt haar dat het ik-perspectief het meest angstaanjagendste is wat er kan zijn. De zin weerklinkt in mijn lichaam. Ik las onlangs in een oud fragment van mijn dagboek dat  angst sijpelt in elke spleet van mijn bestaan.  Ondertussen vind ik het wat overdreven, maar toch. Daarbij staat er nog iets anders in dat boek. Of ja, het staat er niet expliciet in, maar zo lazen we het in onze les moderne literatuur. De auteur, het hoofdpersonage, heeft een soort affaire met een andere auteur tijdens een of andere schrijversresidentie op een warm eiland. Dat snap ik wel, ik heb ook een avontuurtje gehad hier en daar afgelopen zomer. De warmte hitst mensen op en een heleboel auteurs vinden dat best spannend. De scene in het boek ging ongeveer zo: Vrouw zit met man aan een gezellig terrastafeltje, lekker warm, lekker spannend. Ik ruik de man en zijn borsthaar door de gedrukte letters heen, maar dat ligt misschien aan mij. Zijn indringende adem. Trappist, look, sigaret. Veel te geruststellend. Ik voel zijn warme, stevige, dertig jaar-oude kuiten tegen de mijne aanwrijven en het voelt erg fout. Maar voor de protagonist voelt het natuurlijk niet fout, want zij zijn een match, in leeftijd en -wereld. De man vertelt haar dat ze niet steeds in twijfel en tegelijkertijd moet schrijven. ‘Je schijft iets of je schrijft het niet.’ De man zegt haar dat ze wat minder tussen haakjes moet typen (en dan doet ze het lekker toch).  Terwijl we erover spraken in de les, wou ik ‘herkenbaar’ zuchten. Mannen (mensen) die hun ongevraagde mening geven. Nou ja, ongevraagd. Misschien vond het hoofdpersonage dat niet zo vervelend. En op de avond die mij zo innerlijk deed zuchten, had ik zelf ook eerst om zijn mening gevraagd.  II. Ik had namelijk net mijn allereerste toneelstuk ooit opgevoerd. Het kleine studententoneelgroepje was in een roes, de lente was aangebroken en we dartelden naar de Ossenmarkt. We vierden een succesvolle afloop in de grote kotkeuken van de Kwaadaardige Hertogin. De wijn maakte ons luider en luider. Hertogin, niet meer kwaadaardig, wel -in de meest positieve zin- compleet losgeslagen, stond op de tafel feilloos en met talent de choreo van Rihanna’s ‘Umbrella’ na te dansen (inclusief paraplu). Ik, Ridder, stuiterde op en neer, klapte en joelde, het was geweldig. Er werd op de deur geklopt, Regisseur Van Het Ander Stuk en zijn acteurs kwamen party crashen. Ze hadden wodka en fruitsap. De sfeer zat erin.  Ik voelde me moedig die avond en had het gevoel dat ik iets was (wat toen dus ben moest zijn). Het eerste semester was niet zo makkelijk geweest, maar ik had eindelijk wat gedichten geschreven die ik leuk vond. Het ging veel over kernen, huppen en zwieren, over stiltes en mijn lievelingen. Mijn lievelingen, mijn vrienden, waarover ik in Londen zo veel heb nagedacht. Ze hebben mij vorig academiejaar opgeraapt en verzoend met mezelf. Ik dacht aan hoe ik eigenwaarde vond in voor hen te zorgen. Aan hoe we nieuwjaar vierden op de dokken, naast de Schelde, in een roosgroene mensenmoes. En aan hoe ik hen tijdens mijn performance van het toneelstuk niet in de ogen kon kijken, omdat ik anders moest lachen. Ik dacht aan hoe ik soms een woord verzon en me dan een tovenaar voelde. Driftkikker, drijfkonijn, sloddervaar. Ik wou dat ik kon toveren. Dan was ik misschien niet zo bang.   Ik danste en danste, pakte Hertogin haar gsm en speelde ‘Diamonds’, ook van Rihanna. Zo voelden we ons: bright like a diamond. Mijn oog viel op Regisseur, met zijn gemillimeterd haar, snor en herenschoenen (wat kan er zo heer zijn aan schoenen?). Ik dacht aan het kortverhaal dat ik schreef.  ‘Ga je opnieuw een verhaal indienen voor de Studenten Literatuurprijs?’, vroeg ik.  ‘Ja. Jij?’ ‘Misschien. Ik weet het niet’, antwoordde ik. ‘Kan je eigenlijk winnen als je vorig jaar een tweede plaats hebt behaald?’  Dat was wat Regisseur vorig jaar had gedaan, een verhaal geschreven en een prijs gewonnen. Hij vroeg me waarom ik niet zou indienen. Ik zei dat ik niets had.  ‘Maar wil je dan niet schrijven?’ Hij keek verbaasd.  ‘Jawel, maar...’ Mijn wangen voelden rood en gevuld. Ik lachte en zei dat ik wil schrijven, maar niet wil schrijven. Mezelf bevestigend zei ik: ‘er zijn zo veel paden die ik wil bewandelen. Ik kan simpelweg niet al mijn tijd steken in schrijven. Ik vertoef nu eenmaal graag in tussen en tegelijkertijd.’ ‘Wauw, heel eerlijk ...’, Regisseur moest een beetje op me steunen, ‘ik wou dat ik dat ook kon. Ik kan aan niets anders denken. Ik moet schrijven. Het is een roeping. Ik kan niets anders.’ Vor een splitseconde kruisten onze blikken echt.  ‘Nou ja, voor mij is dat niet zo.’ ‘Maar weet je, Johanna’, een glimlach trok over zijn gezicht. ‘Je hebt best wel talent.’ Zijn hand gleed naar mijn middel, hij droeg gekleurde ringen en een paar vingernagels waren gelakt. Hij was een man met een plan. Ik wou dat ik kon zeggen dat ik hem had gekust -voor de spanning, weet je wel- maar ik deed het niet. Het was te nonchalant.  Of hij dit jaar weer de Studenten Literatuurprijs won, weet ik niet. Bovendien las ik nooit zijn verhaal. Alles in Antwerpen zit namelijk onder een dikke stolp. Daarboven is met dit winterweer zo een stolp eigenlijk een sneeuwbol. Ik verheerlijk het, maar toch vraag ik me af of ik naar die staat wil terugkeren. En hoe houdbaar dat zou zijn. Mijn studentenleventje, af en toe wat gedichtjes delen, koffietjes uithalen, wiet roken, shoppen en feesten. Hoe hard moet ik schudden om dat leven terug mooi te maken?  Er liggen namelijk te veel zaken onder niet-sneeuwbollen te wachten: een master kiezen, me positioneren in de maatschappij, dealen met de leefcrisis en de opwarming van de aarde, geïnformeerd stemmen, de toekomst, mijn zoetzure grootmoeder bezoeken. Ze liggen onder zo een spiegelachtige opdienstolp. Ik kan niet naar iets veilig staren, enkel naar mezelf. Ik wil ze wel opheffen, maar ze maken me bang. Het zijn onvoorspelbare stolpjes waaronder een stofzuiger is aangesloten, die mijn tijd zomaar kan opzuigen.  Plots onderbreekt een lange gebogen figuur mijn gedachtegang. Hij draagt een gekreukt, maar hemelsblauw hemd en glimlacht. De trein is een dikke tien minuten aan het rijden. ‘Je bent het dus toch aan het uitlezen.’ Het duurt even voor me. Het is mijn prof literatuur die naast me staat. Een oude man met grijs haar dat lijkt op mensen hun achtertuin tijdens Maai Mei Niet. Hij lijkt een beetje verloren. Ik ben het met die indruk eens. Hij geeft les in Londen, maar is ook een Belg. Net als ik moet hij de Noordzee over voor Kerst.  Plots ontstaan eindeloos veel mogelijkheden. Dat denk ik vaak. Hij kan nu gewoon doorwandelen. Of hij kan een ongemakkelijk, kort praatje slaan. Of net een praatje van gepaste lengte. Of erger, een uitgerekt, maar fijn maar daardoor nog ongemakkelijker praatje. Hij ploft neer in de lege stoel naast het gangpad tussen ons in. Een onvermijdelijk praatje, dus. ‘Koffie?’   III. Op kerstavond, zit ik voor oma in de mis. Ze zingt met het seniorenkoor. Het is mooi. Oma is mooi in haar sobere kerstoutfit. Ze draagt een jeans, praktische schoenen en een donkerbruine coltrui. Voor we de parking van de kerk opreden, waarschuwde ik haar dat ik doodmoe was omdat ik gisteren tot laat (vroeg, maar dat zeg je niet aan oma’s) in de kelder van het jeugdhuis had gezeten. Ze zei dat ze al vond dat ik er oud en bleek uitzag en dat ik minder decadent moest doen. De omahaartjes op haar zachte wangen maken dat ik die mondigheid incasseer, dat het omwentelt in goed ontvangen kritiek.  Het comfort van het concert doet me denken aan hoe Regisseur en ik bang waren van elkaars leefwijze. Uiteindelijk zindert een gloedgrijze kern in beide onze lichamen. Was dat wat hem betuttelend maakte, of oprecht?  Het comfort van het kerstconcert doet me denken aan het treingesprek met mijn prof. In een van de lessen hadden we het gehad over een schijnbare Bildungsroman, die op een zeer berekende manier onvoltooid bleef. Het gaat over een jonge Nederlander met een protestantse achtergrond, die theologie studeert in een Stad. Hij zit in een split tussen een religieus en seculier bestaan, tussen gemeenschap en individu.  ‘Ik moet iets opbiechten’, had ik half-grappend gezegd, aftastend naar de toon van het gesprek. Mijn prof, nu een medereiziger, lachte alsof hij wist wat er zou komen. Hij haalde een thermos boven. Daarna toverde hij een bekertje tevoorschijn, schonk wat in en gaf het aan mij.  ‘Vind je dit boek ook niet goed?’  ‘Jawel, jawel’, stamelde ik. ‘Ik wil net zeggen dat ik het ander boek, met al die e-mails en dat gekke eiland, toch goed vind.’ Ik ontweek zijn blik. Vlak voor ik antwoordde, maakte ik uit beleefdheid kort oogcontact. Ik verschrok van de heldere, jonge aard ervan.  Aarzelend vervolgde ik: ‘De wereld is een groot rek met verkoopartikelen. Dat is er mis.’ Hij nam een slok koffie en krabde in zijn zilveren kruin. Ik vroeg me af of hij kinderen had en of die kinderen er toen ze klein waren madeliefjes in staken. ‘Ik vind het boek goed omdat ik ook wil geloven. Soms grap ik daarover, dat ik gelovig ben en dat ik bid. Een keer verloor ik mijn portemonnee in de Tesco naast een metrostation en toen ik er twee uur later achter kwam, kreeg ik hem terug van een medewerker, alle cash er nog in. Toen had ik ook gebeden.’ Ik was even stil.  ‘Maar eigenlijk is dat een heel droevige grap. Ik heb waardevolle vrienden en goede ouders. Ik heb een kot en een thuis. En toch wil ik, als ik op mijn eentje ben, nog steeds dat iets de overhand neemt, een Manus Dei. Het voelt moeilijk om juist te handelen, als er zo veel meer dan mijn eigen leven van afhangt.’  Ik had mijn prof nooit een kans gegeven om te vragen of ik me eenzaam voelde. Zo een persoonlijke vraag kon hij niet luidop stellen.  Soms probeer ik mezelf gerust te stellen dat dit gevoel generatiegebonden is, we zijn met velen, ik hoef niet te spreken. Maar het tijdperk van de stem van een generatie is voorbij. We kunnen ons niet verschuilen in de massa. En tegelijkertijd heeft mijn beste vriendin ooit gezegd dat we het zo gewoon zijn om ons verloren te voelen, dat niemand het nog herkent Er klinken zo veel verschillende stemmen. Ik hoop dat het ooit uitmondt in iets polyfoons.  IV. Toen ik de Eurostar afstapte, waren er geen poortjes meer om uit te kiezen zoals in de Underground. Ik dacht aan vorig jaar, toen ik het zo moeilijk had door iets zo banaal als een break-up. Door iets zo destructief als niet-praten, alle jaren daarvoor. Ik dacht aan hoe ik mijn prof nooit meer zou spreken en ik besloot om mijn oma te bezoeken met Kerst. Ik dacht aan Regisseur, aan mijn lievelingen en aan de stem. In de wirwar van Brussel-Zuid, lichtten plots mijn moeder, zus en twee beste vriendinnen op. Een bescheiden, hartverwarmend engelenkoor. Het kleine in mij begon te wenen. Er moest iets veranderen. 

Ynys Convents
0 1

ezelbeet en de geest

5   Maar nu, al die jaren later, was een geest in een koffertje lachwekkend, of dat zou het zijn als ze niet voor een man stond die wel dubbel zo groot was als haar. Ondanks deze bijna bovennatuurlijke situatie was er maar 1 vraag die tegen de binnenkant van haar lippen bleef stoten en dat is waarom ze haar gekozen hadden. Ze had toch geen ervaring met geesten in koffertjes. Haar leven was pijnlijk eenvoudig geweest tot nu toe, en waarom zou iemand de moeite doen om daar verandering in te brengen? Er is een oneindigheid aan mensen met speciale gaven, een brein zoals een computer of spieren zo gespannen dat hun huid bijna openspringt, en Wilma behoorde tot geen één van die groepen. Het laatste wat er mocht gebeuren is mislukking, want dan zou het leven opnieuw de volle 180 graden draaien naar een onopmerkzaam en uitzichtloos bestaan.    “Wanneer u de opdracht voltooid mevrouw, krijgt u alles van ons wat u maar wilt. Een eenhoorn, knalgroene onderzeeër, een ruimteschip, elke dag kroketten voor de rest van uw leven? Alles kan, zolang het maar geen geld is.” En maar goed ook, dacht ze. Ze zou niet weten wat ze met geld zou moeten doen.  “nog vragen?” Haar vraag wilt met alle haast zijn uitweg tussen haar lippen door vinden, maar ze houdt haar kaken als verroest op elkaar gespannen. Haar angst om ondankbaar over te komen is groter dan haar nieuwsgierigheid.  “Wat voor verhalen lust de geest?” vraagt ze dan maar. “Alle verhalen die uit jezelf komen, kan hij wel smaken. Je leest best niets voor dat uit iemand anders’ brein gesponnen werd. Voor de rest maakt het weinig uit, je zal het zelf wel leren. En voor ik het vergeet, laat het kistje dicht tot wij bevelen dat het open mag.” Zijn gezicht is uitdrukkingsloos, maar niet gespannen. Het is een gezicht dat zelfs in volle ontspanning niet kwaad of opgewonden lijkt. Niet uitgeput of enthousiast. Anders dan zijn kleding was zijn gelaat compleet normaal. Zo normaal zelfs dat het er toch net weer ietsje uit sprong.     

Chloe synkineses
0 0