Zoeken

De documentaire

Het is niets voor mij, maar toch, op zo’n momenten moet je er staan. Het beantwoorden van de vragen ging vlot. De aanzet was aangrijpend, bij het op het podium komen van haar werd het stil. Ze huilde. Ik nam haar vast bij de schouders en troostte haar. Jezelf terugzien in moeilijke situaties op groot scherm is erg confronterend, ook al deed ze er - voor het publiek - graag een schepje bovenop.  Mijn documentaire over asiel werd vertoond in het cultuurcentrum van mijn thuisstad. Een belangrijk moment omdat eindelijk familie en vrienden konden zien wat me die afgelopen jaren bezig had gehouden. Magda, hoofdpersonage van de film, was aanwezig. Na de film beantwoordden we samen de vragen van het publiek. Daarbij zaten mijn kinderen, Blauw mijn partner en haar ouders. Mijn moeder. Mijn vader niet. Leda, mijn jongste, maakte indruk. Vijf jaar en vragen stellen en plein public waar iedereen aan dacht maar niet durfde: “Waarom sloeg de mamma haar kindje?” Een moment waarna je de muizen kon horen lopen. Magda legde uit hoe de omstandigheden en haar opvoeding in Albanië zulke dingen nu eenmaal met zich meebrachten. Dat ze het zo niet meer zou doen, maar ze wuifde het ook niet weg. Zij had zulk een opvoeding meegemaakt en het ging toch goed met haar: ‘je ne fumme pas, je ne prend pas d’alcool ou des droges, je respect les gents…’ Midden in het gewoel van een uitvoerig met hapjes en drank gevulde receptie, kreeg ik eindelijk het gevoel dat het verhaal geslaagd was: het had indruk gemaakt en was visueel stijlvol, zei men. Dat ik het kracht had kunnen bijzetten door het nawoord met Magda te verzorgen was een mooie bonus. En net als haar, kon ook ik me nu eindelijk tonen. Ik dronk nog eens goed door van de gratis aangeboden cava en voelde me heel even bijzonder sterk. Ja, zo mag het zijn. Op dat moment klampte mijn moeder me vast: ‘We moeten spreken, uw vader is erg ongelukkig, al een tijdje in depressie, dat weet ge, en dat heeft met u te maken, omdat gij uw naam hebt veranderd, dat is heel respectloos.’‘Maar ik heb mijn naam niet veranderd, ik heb gewoon de S toegevoegd tussen mijn voornaam en achternaam?!’‘Neen, ge zei dat ge uw naam ging veranderen tegen de psycholoog, weet ge nog, en in uw mails staan ook uw beide namen en het ergste van al, ge hebt uw kinderen daarbij betrokken.’ Ik viel, ik brak, ik kotste. ‘Euh… ik wilde er geen taboe van maken. De kinderen moeten ook het verleden kennen. En zij kiezen zelf. Zij gaan hun achternaam niet veranderen. Ze zijn zo geboren. En ik wilde het toelaten, dat stukje van mezelf.’ Maar dat drong niet door. Ze trok me weg uit de massa die passeerde en fluisterde. ‘We moeten afspreken, ik wil dat ge met hem praat. En dat is niet alles…’ ‘Neen mama, nu niet…waarom nu?!’ Ze zei vervolgens nog wat dingen die ik snel wilde vergeten. Waarna ik me losrukte en verder ging met een brede glimlach, wat met de mensen praten over de film en de thematiek van de vluchteling in België. Binnenin schreeuwde ik, zoals alleen ik dat kan, met een strakke glimlach terwijl de wereld  instort. Tegen dat de drukte geluwd was vroeg ik mijn moeder om dit verder uit te klaren. Ze vertelde hoe dat het hem gekwetst had en dat hij er nu nog mee zat. ‘Maar dat was drie jaar geleden, toen ik zelf in volle identiteitscrisis zat! Waarom kom je er nu pas mee af?’ Stilte. Ik voelde wel dat er een zekere afstand was gegroeid tussen ons, maar er werd nooit over gepraat.  Alles werd zoals steeds in een minzame wurggreep verzwegen, zo ging dat, totdat het zich keihard manifesteerde. ‘Waarom begin je er nu over? Nu op deze avond?!’‘Ik moest wel, ’t is bijna kerstmis… en het duurt al zo lang.’‘Had me dan gewoon gebeld en ik was afgekomen en dan zou ik het wel uitleggen, waarom en hoe het toen in mijn hoofd zat, in zoverre ik het zelf al zou kunnen vatten.’ Ze kon nu eenmaal niet anders. Ik zei haar dat ik de volgende dag, als ik Magda aan het station had afgezet, wel langs zou komen. Rond middernacht was iedereen weg en ik thuis. Blauw omarmde me en troostte me zo goed als ze kon. Zoals gewoonlijk viel zij snel in slaap. Ik niet. Het zette me weer aan het twijfelen, over mezelf, over wie ik ben, over Bart V, de geadopteerde of Bart S de genegeerde of... In alle vertwijfeling stond ik op en haalde in mijn mailhandtekening, op de website en zo goed als kon online, overal, de S weg.  En toch, en toch. ‘Je oorsprong ligt in de S, je levensweg in je V.” Zei Blauw me nog.‘Mijn eigen weg ligt in Bart, in diegene die ik nu ben.’‘Ja, en als je voelt dat die S daarin thuishoort dan is dat oké.’  Ik glimlachte even. Ja, het kan ook de S zijn van Sexy en Superpappa en…  Later sprak ik met mijn moeder en mijn vader, waarvan ik de achternaam geadopteerd had gekregen. Ik trachtte alles te kaderen en de gemoedstoestand weer tot een normaal niveau te brengen. Een ander verhaal. En die S? De S verdween op zolder in een oud fotoalbum met hem, mijn natuurlijke vader er niet bij in. En een rapport van het eerste studiejaar met mijn echte achternaam. Weg, onder het stof in een platsic bak.  Sinds die avond heb ik niets meer gefilmd dat echt van mij was.     Bart (S.) Vermeer

Bart Vermeer
22 1

onderhuids 4

Ik drink mijn chocomelk terwijl mama met een vriendin praat over een gebeurtenis in haar jeugd. Omdat ik het verhaal al van kop tot staart ken, richten mijn oren zich op de tafel langs ons. Daar verkopen twee mannen elkaar vunzige praat. 'Ik heb eens een hoer geneukt die de prijslijst getatoëerd had op haar rug,' zei de een.'Dat is nog niets, ik heb eens een trio gehad met de zangeressen van..' ging de ander verder.Ik kijk naar buiten en zie een vrouw lopen, ze lijkt verdacht veel op het meisje. Of was het de zon?'Ik moet naar toilet,' zei ik. Mijn moeder knikte zonder haar verhaal te pauzeren.Ik glipte van mijn stoel en manouvreerde me tussen de tafels. Grote mensen hebben de neiging niets op te merken onder de één meter twintig. Er kwam een grote groep oudere dames binnen, de voorste praatte nog tegen de achterste terwijl ze naar een lege tafel marcheerde.Tegen dat de groep binnen was, was het meisje weg.Ik ging terug naar binnen, botste tegen iemand aan. Het was mijn moeder.'Ik denk dat ik iemand zag,' zei ik. We zaten terug aan tafel en ik eigende me een krant toe. De kruiswoordraadsels waren ingevuld, de sudoku maar half. Toen zag ik dat er twee negens in een vak zaten en liet het maar zo.Op een andere pagine stond een review van een boek. Het ging als volgt:Het hoofdpersonage is saai, hij beschouwt van alles, maar doet niets. Hij wil niets, of doet er geen moeite voor, dat maakt het plot zo goed als onbestaand. Dat en de verleden tijd gebruiken doet het boek zo traag aanvoelen dat het huiswerk wordt. Een boek om langs de wc te houden bij darmproblemen. Het kreeg drie sterren van de vijf.Ik voelde mijn hoofd vervagen, alsof ik in een mistbank fietste. En de lamp niet meer verlichte dan de mist voor me. Er stond een gedicht geschreven, in zwarte inkt. Los over een pagina reclame voor een all-in vakantie. Sporen in het korenKoren zingen, opgaande zonDoornen verdwijnenDuizend klingen verschijnenAan de horizon Een koe en haar lammetjeKauwend op het grasNat van dauw, net glinsterend glasEen vogel springt van een takIk wou dat ik het was Ik schreef verder, in blauwe inkt -mijn moeder had altijd wel een pen op zak- een zelfgemaakte rijm. Of ik denk dat ik het schreef, want ik hield de pen vast. Ik ben te kleinAls medicijnMaar helicopter boven jouw pijn Ik luisterde verder naar het verhaal van mijn moeder. Het werd een soort mantra, een verankeringspunt. Alsof heel haar psyche gebaseerd was op dat ene verhaal. Maar waarom vond ik het dan zo onbelangrijk? Welk verhaal zou ik de wereld vertellen? Ik dacht aan de review, aan het eind van het leven. Drie sterren.Mijn wang rustte op de palm van mijn rechter hand. Mijn linkerhand speelde met het rietje van de chocomelk. Drie sterren, vier als ik het meisje vond.

Stelselmatig
0 0

Kamer met uitzicht

De ryokan-eigenares in Aska laat ons de kamer zien. ‘Keurig,’ zeg ik. De acht tatami mat kamer is klein, maar ziet er netjes uit. De prijs is heel schappelijk. ‘Prima voor een nacht,’ zeg ik. ‘Ik zal zo de bedden voor jullie opmaken,’ zegt de eigenares. ‘De toiletten en het gemeenschappelijk bad zijn aan het einde van de gang. Ik laat het jullie even zien.’ We sloffen achter haar aan. ‘Jullie zijn vast moe van de reis.’ We knikken. ‘Het valt gelukkig mee. We komen niet van ver,’ zegt A. We lopen langs een andere kamer. ‘Als jullie willen, kunnen jullie ook deze kamer nemen.’ De eigenares schuift de deur open. Ze stapt naar binnen. Het is een ruime 12 tatami kamer. Met een alkloof van berkenhout. Aan de muur hangt een roltekening. Bergen in de mist. ‘Deze kamer heeft een mooi uitzicht.’ Als we de andere kant opkijken, slaken we een kreet van bewondering. Door het raam, rolt de natuur zich, in de late namiddag zon, in prachtige pastelkleuren voor ons uit. We zien trapvormige rijstvelden. We zien bergen. Het uitzicht is een plaatje. ‘De kamer kost wel meer,’ zegt de hoteleigenares alsof ze een kunsthandelaar is die een schilderij verkoopt. Ze noemt het dubbele bedrag van de kleine kamer. ‘Maar dan heb je wel een prachtig uitzicht!’ ‘Welke kamer zullen we nemen?’ vraagt A. Meer voor de vorm. Want een blik van mij en hij weet genoeg.  ‘Zullen we deze kamer nemen? Het uitzicht is prachtig.’ ‘Ok. We nemen deze kamer.’ De eigenares knikt tevreden. Als de bedden zijn opgemaakt, trekken we onze yukuta aan en gaan in bad.  Hoe groot is onze teleurstelling als we terugkomen in onze kamer. De dure roltekening is opgerold. De avond is gevallen. Buiten is het pikdonker.        

Margaretha Juta
0 0

Jobstudenten aan de macht

De airconditioning blaast op 12. De muziek dreunt 28. Welkom op Camping Summer Bash Supermarkt! “This ain't nothin' but a summer jam. We're gonna party as much as we can”De overheid kondigde gisterenavond een hitteplan af. Als een brave burger met burgerzin winkel ik in de voormiddag en schuil voor de rest van de dag, thuis met de rolluiken dicht. Eindelijk, ik heb de zelfscankassa bereikt. Ik wil hier weg! Mijn maag krimpt voor de zoveelste keer in elkaar. Waarom staat die airco zo koud? En de muziek zo luid? Ik word oud.Ik scan haastig mijn laatste boodschappen: nog één krop botersla en vier tomaten. ‘Hallo mevrouwtje! Even controle van uw boodschappen!’ , een zestienjarige in een donkerblauw t-shirt met op zijn rug in witte letters “Jobstudent”, spreekt me iets te vlot aan.Ah, zo wordt hier de rangorde bepaald. Ik kijk terug de supermarkt in: vandaag zijn er alleen maar donkerblauwe t-shirten aan het werk. ‘Moet dat echt? Ik heb net alles in mijn rugzak gestoken. Alleen nog deze tomaten…’‘Ja, sorry mevrouwtje, ik doe ook maar mijn werk’, zegt hij met kalme stem en laadt mijn rugzak terug uit. Hmmm… De sfeer tussen ons zakt tot onder het vriespunt. Als hij hier de regels maakt… Wat een sfeerspons! ‘Ben jij dan ook verantwoordelijk voor de airco en de muziek? Moet ik voor mijn bezorgdheden daarover bij jou zijn?’ , antwoord ik bits. Hij reageert extreem ontspannen: ‘Nee mevrouwtje, daarvoor moet je bij Jeffrey zijn. Hij zorgt voor de coole sfeer en de heerlijke beats. Zal ik hem voor u oproepen? Hij is vanachter de camion aan het lossen’ en tikt op zijn zwarte walkie-talkie-headset. Lap! Hier weet ik geen repliek op. Dju! Ik weet niet wat zeggen. Op mijn plaats gezet door een zestienjarige jobstudent. Ik prop verongelijkt mijn boodschappen in mijn rugzak en zwier hem op mijn rug. Ik marcheer met mijn neus in de lucht naar buiten en scoot weg, als een hippe vogel op mijn elektrische step. ‘Zucht! De jeugd… Sinds wanneer hebben die het hier voor het zeggen…’

Evelien Meulders
44 1

Mijn Del

Omdat alle Samsonite koffers op elkaar lijken heb ik een Delsey koffer aangeschaft. Via een vriend, die voor het Franse merk werkt, heb ik hem voor een schappelijk prijsje op de kop kunnen tikken. Hij is lichtblauw en super solide, klein van afmeting, maar net groot genoeg voor de spullen die ik doorgaans nodig heb tijdens mijn businesstrips. Het enige wat ontbreekt, maar hem dan ook weer onderscheidt van andere koffers, zijn wieltjes. Naast het vroegere Tempelhof in Berlijn, Orly in Parijs en Gatwick in London heeft het bagagepersoneel in tientallen luchthavens mijn famous blue suitcase in handen gehad. Blijkbaar dwingt het ding respect af, want na vele reizen is de koffer nog in erg goede staat. Vandaag is het Kloten, ik bedoel, kom ik toe in de luchthaven van Zurich. Zwitsers zijn zoals hun klokken en horloges. Haast alles loopt er op wieltjes, efficiënt en precies. Ik ben nog maar net door de douane en paspoortcontrole of de lopende bagagebanden zetten zich reeds in beweging. Van ver zie ik reeds mijn valiesje, mijn blauwe Del, binnenrollen. Ik rits het van de band en loop snel naar de taxistand.  Mijn taxi zet mij af aan het Kameha Grand Hotel. Ik koos het omwille van hun slogan op internet: ‘Life is grand and so are you’. In de knotsgek ingerichte lobby met drie grote kroonluchters in de vorm van Zwitserse koebellen word ik in een mum van tijd ingecheckt.  In mijn luxueuze kamer lees ik dat er een splinternieuwe Spa is geïnstalleerd in het  hotel. Precies wat ik nu nodig heb: heerlijk relaxen in de sauna en het stoombad. Eerst even mijn koffer leegmaken. Hemeltje, ik schrik me rot. Dit is Del niet. Mijn kreukvrije hemden,  mijn ondergoed, sokken en toiletgerief zijn vervangen door in zwarte plastic verpakte dingen. Daar gaat mijn saunaatje. Ik moet aan de slag om mijn koffer terug te krijgen en om de eigenaar van deze mysterieuze pakjes te vinden.  Voor ik iets kan ondernemen, rinkelt de vaste telefoon in mijn kamer. Het is de receptie met de vraag of ik bezoek verwacht. Ik zeg dat ik hier voor zaken ben en pas morgen een afspraak heb met een klant in het restaurant van het hotel. Op de achtergrond hoor ik een zware schreeuwerige stem : “Welches Zimmer?” De lijn wordt verbroken. Alvorens ik goed besef  wat er aan de hand is, hoor ik gestommel op de gang en wordt er op mijn deur gebonkt.„Mach auf, öffne diese Tür“, schreeuwt de stem, die ik meteen herken van daarnet.   Met helden heb ik mij nooit vereenzelvigd, dus snel ik naar de deur en open ze. Twee kale kleerkasten met fitnessabonnementen en zonnebril stormen binnen. Gelukkig, denk ik dan, merken ze meteen de geopende koffer op het bed. Eén van de heren in Armanipakken toont me een identieke blauwe koffer en vraagt of ik de gozer ben, wiens naam op het adreslabel staat. Ik knik en stamel: “Das ist mein Del, ja, vielleicht verwechselt  auf Kloten.”Bij het woord Kloten beginnen beide ongure  types onbedaarlijk te lachen. Een van hen telt de pakjes in de andere Del, knikt voldaan en scheurt één pakje open. Hij toont mij de inhoud: bankbriefjes in Zwitserse Franken met een waarde die mij even doet duizelen. Hij neemt twee bankbiljetten uit het pakje en deponeert ze op het nachtkastje. “Für dich”, zegt hij met een grijns. Dan verdwijnen de twee zo snel ze gekomen zijn. Niet overtuigd dat het Zwitsers zijn, roep ik hen nog na: “Grüezi mitenand.” Ik heb nog maar net de biljetten van tweehonderd Zwitserse Franken in mijn portefeuille gestopt wanneer er terug op de deur wordt geklopt.Het is de driekoppige security van het hotel die komt kijken of alles in orde is.“Kein Problem”,  zeg ik, “ein kleines Missverständnis, falscher Koffer in Kloten.” Ik wijs naar Del die op het bed ligt. De drie kijken elkaar verdwaasd aan, halen de schouders op en verlaten de kamer.Dan toch nog een saunaatje, juich ik, maar ga eerst na of alles nog in mijn koffer zit.  

Vic de Bourg
11 1

Dirty money

Onze vakantiepot is een restant uit de periode dat onze mannen uitkeken naar het tellen van de 2 eurostukken die we door het jaar samen hadden verzameld, zodat ze leerden om te sparen. U kent ongetwijfeld het principe. Nog steeds verdwijnt er af en toe een stuk van 2 euro in de vakantiepot. Soms lijkt het alsof ze uit mijn portefeuille rechtstreeks hun weg naar de pot vinden. Ook dit jaar gaan de muntstukken uit de vakantiepot mee naar de kust. Na een verkwikkende, doch behoorlijk forse strandwandeling door de felle wind nestelen we ons op een terras. De ober is gelukkig snel bij ons, want de dorst is groot. Zijn Nederlands is nog niet perfect, excuseert hij zich meteen. "Francais? English?", vraag ik. "Nee, ik probeer Nederlands", antwoordt de jongeman. Onze bestelling wordt door hem netjes herhaald, alsof hij in de les Nederlands zit. Ik verduidelijk dat het voor mij drie garnaalkroketten mogen zijn. "Drie? Toe maar", zegt mijn vrouw. "Jawel", zeg ik. "Stel dat ze dit jaar kleiner zijn, dan ben ik zeker." "Met de kaart of cash?", vraagt de jongeman nadat we hebben verzekerd dat het eten voortreffelijk was. "Cash", zeg ik, waarna we een biljet en stapeltje 2 eurostukken op tafel leggen. "Dat is inderdaad cash", lacht hij. Ik meen iets te zeggen over de vakantiepot, maar besluit het niet te doen wegens allemaal te ingewikkeld. Met cash geld betalen wordt langzamerhand een curiosum. De jongeman kijkt ons aan alsof we net een lunapark hebben overvallen. We zien er na de wandeling door de zeebries dan ook behoorlijk verwilderd uit. "It’s dirty money", lach ik, wat de toestand niet meteen verbetert. Ik twijfel of ik de term 'zwart geld' correct heb vertaald (toch wel blijkt later). Het slaat trouwens nergens op en de jongeman moet de 'vuile' muntstukken nog meenemen. Misschien had ik hem toch het verhaal van onze vakantiepot moeten vertellen.

Rudi Lavreysen
13 1

Bezoek aan een museum voor moderne en hedendaagse kunst in het buitenland.

Rond kwart na elf arriveer ik in Eindhoven. Aan de ticketbalie kom ik meteen een oude bekende tegen. Annebel, de verantwoordelijke van de educatieve dienst heeft nu lange, grijze haren. We begroeten elkaar hartelijk. Ik ga eerst een koffie drinken en de infobrochure lezen. De tentoonstelling in de nieuwbouw belooft de eerste volledig multizintuiglijke collectiepresentatie van Nederland te worden. Er is ook een installatie te zien waarin een duif, een eend en een koekoek symbool staan voor niet-standaard gedrag als het gaat om seksualiteit en opvoeding. Het wordt vast een mooi bezoek. Ik wandel zaal één binnen en zie meteen een roze en gele potloodtekening van Lilly getiteld: ‘Vervelende man Kie Ellens.’ Het is magnifique. De vervelende man heeft een blauwe neus en een oranje staart. Ik glimlach. Ik ben blij dat ik in nog een keertje in het museum ben. In zaal twee kan ik dankzij Stanley Brouwn, die zijn leven lang geïnteresseerd was in meten en maten, twee meter in de richting van Calcutta lopen en vier meter in de richting van Havana. Ik ben content en licht euforisch. Ik heb het uitstekend naar mijn zin. Mijn enthousiasme stijgt nog, want ik zie een prachtig, kinderachtig werk van Jean Dubuffet ‘la main dans le sac.’ In de zaal, waar rubberen tegels liggen die je ook vindt in speeltuinen en die de naam ‘Nieuwsgierigheid van de beginneling’ draagt, zie ik vier slordige, maar vermakelijke Appels. In de vitrinekast liggen kleurrijke postkaarten gemaakt door kinderen in het kader van een trauma herstelprogramma. Ik amuseer me wel. In zaal vijf loopt het fout. De bloedmooie, vrouwelijke museumsuppoost draagt plastic teenslippers die een floppend en flappend geluid maken als ze ongeïnteresseerd door de zaal loopt. Ze kijkt me niet aan. Ik bekijk haar van kop tot teen. Gelukkig is er in het museum een zacht zoemende airco. Ik draai me om mijn as om de dame ook langs achter aandachtig te bekijken en loop tegen een houten beeldhouwwerk aan. Ik verlies mijn evenwicht en in mijn ongelukkige val sleur ik het kastanje houten beeld, vervaardigd door een kunstenaar uit Papua tijdens zijn verblijf in Almere, mee. Ik bezeer me. Vooral mijn linker elleboog en knie doen pijn. Het kunstwerk ‘Ancestor statue’ uit 2010 van Rodan Omoma is onbeschadigd. Gelukkig maar. Het heet wijf in een rood hemd en zwart rokje komt, zo goed en zo kwaad als het kan met teenslippers aan, aangestormd. “Mijnheer, mijnheer, alles in orde?” vraagt ze met een afgrijselijke, nasale stem. “Zeker,” mompel ik terwijl ik met enige moeite rechtkruip. De suppoost zet het beeldhouwwerk netjes terug op zijn plaats en controleert of er iets stuk of beschadigd is. Hoog en piepend merkt ze op: “U moet wel een beetje uitkijken, mijnheer. Dit is geen voelobject.” “Zeker, zeker,” meld ik haar en trek mijn wit Nike T-shirtje recht. “Mooi werk trouwens,” ga ik verder. “Jazeker. De kunstenaar heeft dat in Nederland gemaakt. Hij was hier voor een oogoperatie die ze in Papua Nieuw Guinea niet konden uitvoeren,” vertelt ze in een, irritant, hoog, sopraan stemmetje. “Ik zou beter ook een keertje langsgaan bij de oogarts, dan loop ik niet steeds overal tegenaan.” “Ik moet dit voorval wel melden aan mijn overste,” zegt ze terwijl ze, ter studie, een cirkelvormig beweging rond het beeld maakt. “Geen probleem. U doet maar. Tot kijk.” Mijn elleboog en pols doen echt pijn. Gelukkig staat er in zaal zes een bankje waarop ik even ga zitten. Ik denk die erfgoedbewaakster op teenslippers heeft een stem als van een castraatzanger uit begin negentiende eeuw en het IQ van een Schotse korhoen en multizintuiglijk is deze tentoonstelling zeker. Zaal zeven wandel ik snel en onoplettend door, want ik heb nood aan een sigaret en een koffie. Ondertussen doet ook mijn rechter enkel pijn. In het museumcafé licht er een langwerpige flyer op de tafel met als tekst: ‘Voelobjecten. Zie je een groen handje, dan kun je dit voelobject gerust aanraken. Daar is het speciaal voor gemaakt. De kunstwerken mogen niet aangeraakt worden.’ Mooi zo.

Hubert Grimmelt
6 0

Nietszeggend

Sjors en Femke: dat is het enige dat ik herinner, hun namen. En dat vind ik een hele prestatie van mezelf. Ook al lopen deze nieuwe buren na het voorstellen, op dit moment, ons grindpad af op weg naar de overburen.    Het lijkt mij niet een leuk stel, maar ook geen niet-leuk stel. Een gewoon stel, zou je dan zeggen, maar nee, dat is het ook niet.    Al tijdens het monotoon, nasale praten van Sjors probeerde ik uit te vogelen wat voor types ze waren. Femke keek schuin naar beneden langs mij, alsof in het verlengde van mijn rechterelleboog een stip op de keukendeur was getekend die ze niet uit het oog mocht verliezen. Verlegen mensen kijken ook vaak naar beneden en naast je, maar die gluren héél af en toe naar je kin en als de sfeer goed is, schampt hun blik je neus. Ze keek niet verlegen, je zou kunnen beargumenteren dat ze niet keek, of preciezer geformuleerd: ze keek niet bewust, ze had haar ogen open uit gewoonte, maar zonder verder doel.    Ze waren niet saai, want saai is een kwalificatie van een vervelend alledaags karakter waar je van gaat gapen of waarvan je juist onrustig wordt omdat je zoekt naar een ontsnapping. De term karakter was het probleem, ze toonden noppes-en-nullemans karakter.   Leeg dan? Dat ook niet, mensen die met lege ogen naar je kijken, tonen in die blik en bijbehorende houding vaak de geschiedenis waardoor die leegte is ontstaan. Het leven is hard voor ze geweest, waarbij een verlies van een geliefde of kind of het verraad van de wereld een diepe krater in hun gevoel heeft geslagen. Leegte is zonder twijfel een duidelijke kwalificatie van karakter, je zou kunnen argumenteren dat dit een sterk karakter weergeeft, omdat de schrijnende geschiedenis er doorheen gloeit.    Sjors en Femke waren karakterloos. Waarbij ik aan moet geven dat dit niet bedoeld is als een negatief keurmerk, niet op de manier zoals vaak een gewetenloze crimineel wordt beschreven die ouderen oplicht en voor de rechter zonder berouw grinnikend vertelt over Oma Flus die met aandacht haar spaarvarken voor hem kapot tikte.    Zij waren zonder iets, een lichtgrijze vlek op een lichtgrijze achtergrond. Begrijp mij goed, dat is iets anders dan een zwarte vlek op een zwarte achtergrond of een witte op een witte. Zwart en wit zijn krachtige kleuren, al vindt de purist dat zwart geen kleur is en wit alle kleuren, je weet wat ik bedoel. Zwart en wit spreken met een flink volume in de ruimte, ze hebben het vermogen ruimte in hun bezit te nemen om deze niet meer te afstaan. Zwart en wit zijn in staat een ruimte te definiëren.    Sjors en Femke niet, die namen nauwelijks het drie-bakstenen-diepe richeltje in bezit dat wij ons stoepje noemen. Ze zullen vast een schaduw hebben gehad, maar zelfs die was onzichtbaar.    Nietszeggend, dat is de beste omschrijving die ik kan geven. Het dekt niet de hele lading, want enige lading zit er bij hun niet in, maar dit woord komt goed genoeg in de buurt. Ze waren nietszeggend.   Hun gezichtstrekken vervaagden binnen een seconde nadat ze omdraaiden, ze zijn het grindpad af en ik ben de kleur van hun kleren vergeten. Al hadden ze in hun poedeleniksie voor mij gestaan, ik zou het niet meer weten.   Ik vind het al een hele prestatie dat ik de namen Sjors en Femke heb onthouden.   Sjors en Femke. Om eerlijk te zijn klinken die namen niet eens beroerd. Die kan ik tot morgen onthouden.   'Ze lijken mij wel ok,' zegt Janet en ze sluit de deur, 'maar zeker weten doe ik het niet.' Ze kijkt mij peinzend aan alsof ze heel diep nadenkt en schudt haar hoofd waarbij het lijkt of haar iets ontschoten is en niet meer terug schiet. Ze haalt haar schouders op en vraagt: 'Wat vind jij van Sjoerd en Veerle?'

MCH
22 1

Onweer

Het is een zonnige dag, helderblauwe hemel, geen wolkje aan de lucht. Zittend op het strand, genietend van de zonnestralen op mijn nog bleke huid. De glinstering op het water weerkaatst in mijn zonnebril en veroorzaakt een kleine ophoping van traanvocht in mijn linker ooghoek. De zee roept mijn naam, tijd om de zeilen te heisen en me te laten leiden door de wind. Open zee, het zacht golvende water, ik voel me gelukkig en vrij.Ik proef het zout op mijn lippen, voel de frisse spatjes water op mijn benen en de zilte zeewind die mijn haren streelt. Innerlijke rust, blindelings vertrouwen, verder en dichter naar de horizon. Versmelting van zon en water, wordt het donker. Heldere hemel, met sterren die over me waken val ik in slaap. Een luide knal haalt me uit mijn dromen terug. Woeste zee, razende wind laat mijn schip schommelen in haar razernij. Flitsen lichten de hemel op. In de verte, tussen de regendruppels het wazige licht van twee kleine haventjes.De enige vraag die beantwoord dient te worden, zal de route bepalen. Kies ik voor mijn veilige thuishaven, daar waar me werd geleerd wat liefde is? Of voor het kleine haventje waar ik liefde vond en mijn hart verloor? Dat mooie haventje waar ik ben geworden wie ik ben of het romantische haventje waar ik me thuis voel. De wind raast door, golven slaan over het dek. Twijfelend, dekking zoekend, zet ik koers richting vasteland. De wazige lichten van mijn veilige thuishaven doven en bieden niet langer houvast voor de richting die ik uit moet.  Met een warm, maar triest gevoel vaar ik richting mijn nieuwe thuis. De haven binnenvarend gaat de storm liggen en val ik met een leeg plekje in mijn hart, in de marmen van mijn nieuwe liefde.

Joni M.
1 0

Troosteloos gedeeld

“Een mens moet toch nogal wat verdragen, hé!” Een luide donderslag overstemde de zin van de man. “Sorry?” Haar paraplu ging zijdelings omhoog om te kijken waar het geluid vandaan kwam. “Dat een mens nogal moet verdragen!” Ditmaal had de vrouw hem begrepen. Toch bleef ze stil en knikte ze beleefd. Ze bedacht zich hoeveel een mens kan verdragen, maar wist daaruit geen conclusie te trekken. Haar sokken waren ondertussen drijfnat van de regen. Haar paraplu bleek vandaag een nutteloos beschermmiddel. Ze liet hem weer verder naar beneden zakken. “Denk je dat het nog overgaat?”, probeerde de man opnieuw. “Vandaag alleszins niet." Haar stem klonk aarzelend, alsof ze niet geloofde dat de regen ooit zal stoppen. Alsof ze niet geloofde dat het verdriet ooit zal overgaan. Een felle bliksemschicht verlichtte het donkere stadspark voor heel even. Drie seconden later donderde het zo hard dat het leek alsof er enkele giganten reuzehonger hadden. Als de bank niet ondertussen kletsnat geworden was, had de man met plezier wat dichterbij geschoven. Hij wilde dolgraag weten waarom deze prachtige vrouw in dit weer op zijn favoriete bankje zat. Zijn moed won het van zijn faalangst, dus probeerde hij nog één keer de conversatie aan te gaan. “En toch zit je momenteel hier? En niet ergens lekker warm binnen?” “Ik wilde even mijn hoofd leegmaken. Dit slechte weer lijkt daar wel bij te helpen." “Mag ik dan vragen of het wel goed met u gaat?” De man kon zijn bezorgdheid niet verbergen. “Ja, hoor, het gaat wel” antwoordde ze snel. Een nieuwe donderslag deed haar woorden verdwijnen. “Sorry, wat zei je?” schreeuwde de man. Ze aarzelde. Een bliksemflits moedigde haar aan eerlijk te zijn. In het licht te treden. “Dat het niet gaat, nee. Het gaat al een tijdje niet, maar vandaag al helemaal niet. Soms voel ik me alsof niemand mij begrijpt, kent u dat?”, ze wachtte niet op een antwoord. “Vandaag begrijpt het weer mij als geen ander. De koude die in je kleren kruipt, alles is kletsnat en vuil, hierboven spelen donder en bliksem het eeuwigdurende kat-en-muisspel… zó voel ik mij altijd. Daarom zit ik nu even hier.” Ze zuchtte. “Je zal het misschien niet willen geloven”, hij zuchtte nu ook, “maar ik begrijp best wel wat u bedoelt. Ik zit hier altijd op dit uur, ongeacht de weersomstandigheden. Meestal voel ik mij hier ook alleen. Onbegrepen en verloren. Maar vandaag bent u er. U bent er én het onweer is er. Dat maakt al drie!” Het deed de vrouw even lachen. De man had gelijk, heel even voelde ze zich niet alleen. In haar ooghoek zag ze dat de man zijn paraplu had gesloten. Hij hield zijn hoofd schuin omhoog richting het onweer en genoot duidelijk van de helende druppels op zijn aantrekkelijke gelaat. Zij volgde zijn voorbeeld.

Céline Smans
20 1