Zoeken

Van Mars

Vaak komen voor de hand liggende feiten plots aan het licht na jaren van onwetendheid. Geen mens die dan snapt dat ze zo lang over het hoofd gezien werden. Neem nu dat van M&M’s en Mars. M&M’s komen van Mars. Dat staat letterlijk op de verpakking, zwart op geel. Het zijn eenvoudigweg marsmannetjes, de naam zegt het zelf: M&M, marsmannetje. Spielberg weet dit al j.a.r.e.n. Ken je de scène uit zijn film E.T. waarin Elliott het buitenaardse wezen lokt met Reese’s Pieces? De bekende sf-regisseur wilde oorspronkelijk M&M’s gebruiken maar Mars weigerde de samenwerking, wilde wellicht vermijden dat de ware aard van het populaire snoepgoed zou worden onthuld. Een buitenaards wezen dat zich aangetrokken voelt tot een marsmannetje (M&M dus), menige nuchtere kijker zou de link kunnen leggen tussen de dubbele m en de echte betekenis ervan. Ik begrijp niet waarom de snoepgigant dit geheim wil houden. Het is best een geruststellende gedachte dat M&M’s marsmannetjes zijn. We hoeven immers geen bloeddorstige monsters te vrezen bij een invasie van Mars op aarde. Het komt er dan op aan de indringers op te eten. Bij hopen. En net daar heb ik ervaring mee. Net zoals zovelen eet ik me af en toe “ziek” aan (peanut) M&M’s. Nu, een zak M&M’s leegeten is één ding, je wordt er waarschijnlijk misselijk van en moet in het slechtste geval even neerliggen. Een leger van de gekleurde chocoladebolletjes naar binnen werken, dat is andere koek en zou m’n dood wel eens kunnen worden. Ach, er zijn ergere manieren om te sterven dan aan een overdosis M&M’s. Toch? (c) Belle Pen

Belle Pen
3 0

Gesjareld op de Parking

Dat van alle Belgische steden de meest fiere, fantastische en, naar wat sommigen beweren, zelfingenomenste als eerste voor de bijl ging, was ook voor mij een verrassing. Dat wij, de spreekwoordelijke parking, als verre provinciegenoten ook zouden worden meegesleurd in de natte droom van burgemeester De Wever met avondklokken en meer, was voor deze Heist-op-den-Berger een nog veel grotere verrassing. Tot zover onze provinciegrenzen overschrijdende samenhorigheid, lieve lezer. Tot zover die gevonden verbondenheid in ons gevecht tegen een gezamenlijke tegenstander, vele malen intenser dan wat een EK of Olympische Spelen ooit hadden kunnen teweegbrengen. Vanaf nu is het ieder voor zich. Moge de sterkste winnen. Of beter, moge de meest sociaal angstige, columns tikkende schrijvers, die zich al hun hele leven gepassioneerd hebben toegelegd op de buitenwereld buiten houden – en masturberen op Goedele Wachters, maar da's niet relevant hier – winnen. Helaas is de strijd al grotendeels gestreden, zelfs in voor wat moest doorgaan als één, aan hetzelfde zeel trekkende provincie. Ik lijst even op welke extra maatregelen volgens de media sinds deze week van kracht zijn in de provincie Antwerpen: 'U zult te allen tijde in de publieke ruimte een mondmasker dragen. U zult in uw woonst blijven tussen 23.30 uur en 6 uur tenzij u essentiële verplaatsingen moet doen, zoals naar het werk rijden of naar het ziekenhuis omdat u bv. uit een mengeling van verveling en frustratie beslist hebt om een nagel in de muur te kloppen met uw voorhoofd. Betreffende de arbeidsdaad bent u verplicht tot thuiswerk, dus als de politie u om 23.31 uur met uw voertuig een halt toeroept, kan het maar beter zijn omdat u op weg bent naar het hospitaal terwijl het bloed uit uw voorhoofd gutst.' Waarom ik deze jou ongetwijfeld reeds gekende regels herhaal, lieve welgeïnformeerde lezer? Omdat het verhaal van de media in de verste verte niet overeenkomt met hoe het er echt aan toegaat in onze provincie. Om te beginnen de mondmaskers. Wat je favoriete nieuwslezer – de mijne is Goedele Wachters – vergeet te vertellen, is dat iedereen die niet uit de stad Antwerpen zelf is, dat met een aanduiding op het mondmasker moet tonen. Ter verdediging: de op te naaien gele sterren met daarin het parking-icoontje zaten al heel snel in de brievenbus, alsof de stad hier al enkele jaren op voorbereid was. Verder mag intensieve sport zonder mondmasker, maar wat de rest van België niet weet is dat buiten 't Stad hardlopen verplicht vervangen werd door huppelen. Een rit op de koersfiets is enkel nog toegestaan wanneer er speelkaarten met wasknijpers aan je voorvork bevestigd zijn en je om de tien meter 'broem, broem' roept. Zwemmen mag, mits het huren van een Speedo en mondmasker in het zwembad. Ook daarbij een kleine voetnoot: omwille van waterbestendigheidsredenen krijg je geen echt mondmasker, maar een tweede zwembroek, die je over mond en neus dient te bevestigen. Nu weet ik niet of dit de vaste procedure is, maar mijn Speedo-mondmasker was nog nat, harig en rook naar iets tussen een te lang geopende pot augurken en een te kort gebakken cervela. Mijn Speedo-zwembroek was proper en droog. Al deze maatregelen in acht genomen, snap je dat vandaag iets als over het perron huppelen om je trein te halen er nog beschamender uitziet dan het al was toen je nog kon lopen. En probeer na je vaste zondagsrit maar eens met een uitgestreken gezicht een Duvel te bestellen als je twee minuten ervoor nog als iemand uit een Dieter Coppens-programma – eender welk – met ratelende wielen arriveerde. Maar laten we vooral de groep niet vergeten die werkelijk alle respect en geloofwaardigheid is kwijtgeraakt: de triatleten. Tot slot nog een paar andere voorbeelden van hoe de diamantstad de rest van de provincie bij de kroonjuwelen heeft: barbecueën buiten 'A' mag met 30 personen, maar uitsluitend met veganistische vleesvervangers (niemand barbecuet hier nog). Alcohol kopen na 22 uur mag, zolang het Radler, Strongbow en Wittekerke is (niemand drinkt hier nog). En seks buiten het huwelijk is nu écht niet meer toegestaan (niemand sekst hier nog). Masturberen op een op pauze gezet beeld van het journaal met Goedele Wachters kan gelukkig nog ongestraft plaatsvinden. Laat het duidelijk zijn: er is hier veel meer aan de gang dan wat het nieuws je vertelt. Daarom raad ik je ten zeerste aan om niet alles te geloven wat je leest of hoort. Blijf sceptisch, check je bronnen en laat je niet in de maling nemen. Maar vooral, hoed je voor de grote overname van 't Stad. In onze provincie is ze alvast ingezet. De rest mag dan wel parking zijn, maar zoals iedereen met zelfrespect, en dus een auto die geen Nissan Micra is, weet: van parking is er nooit genoeg.

Hans Verhaegen
1 0

over turnen, Turkmenistan en machtsmisbruik

Om aan de top te komen is doorzettingsvermogen nodig. Daar is consensus over. Hoe doorzetten gestimuleerd wordt, is niet eenduidig. Gerrit Beltman werkte, samen met andere trainers, volgens de ‘domme koe’- methode. Die methode bestond uit het kleineren, vernederen, bodyshamen, onverantwoord omgaan met blessures (over de omschrijving van blessures kunnen we het later nog hebben, maar ik geef nu al mee dat ‘kruisbanden scheuren’ niet in de lijst staat), slaan, in het gezicht spuwen en ga zo maar door. Mentale en fysieke mishandeling van gymnasten zit ingebakken in de turnwereld. En niet alleen op het hoogste niveau. Jonge meisjes die topprestaties neerzetten zijn bijzonder kwetsbaar. Een ondersteunende omgeving is cruciaal. U hoeft geen motivatiepyscholoog te zijn om dit te begrijpen. Er bestaan verschillende manieren om te motiveren: door factoren buiten de persoon (‘ik ben gemotiveerd omdat ik afgestraft word als ik niet win’) of door factoren binnen de persoon (‘ik ben gemotiveerd om te winnen omdat ik dat zelf wil’). Dat laatste heet autonome motivatie. Uit de schrijnende getuigenissen van vele turnsters is duidelijk dat er geen sprake was van autonome motivatie. De trainer ziet winnen als zijn doel en reduceert gymnasten tot het middel om tot dat winnen te komen. De hele turnwereld stond erbij en keek ernaar. De mea culpa mantra van trainers is nobel, maar ontoereikend om dit probleem systematisch aan te pakken. Veel turnsters hadden na hun carrière traumatherapie nodig. Dit is misselijkmakend. Nu wordt er gegoocheld met ethische commissies en gedragscodes om tot een gezond topsportklimaat te komen. Maar een omwenteling van de heersende cultuur zal meer nodig hebben, zoals een gedegen opleiding voor trainers, waarbij ze kennis maken met de ware toedracht van autonome motivatie en motiverend coachen. Ik maakte laatst kennis met de president van Turkmenistan (niet persoonlijk, maar online, zoals het moderne mensen betaamt). Meneer Berdimuhamedov (moeilijke naam om te onthouden, gelukkig mag ik hem met zijn voornaam aanspreken: Gurbanguly) is niet alleen de autocratische leider van een politiestaat, hij heeft ook een obsessie met winnen. Hij heeft heel wat titels van het Guinness Book of Records op zijn naam staan. Dat gaat van de stad met het grootste aantal gebouwen bedekt met wit marmer, over het grootste indoor reuzenrad, tot het ‘achter elkaar rijden’ van 3246 fietsers. Hij gaf miljarden uit om deze records te behalen, terwijl de mensenrechten in het land ontelbare keren geschonden worden. Rest alleen nog de vraag: wie haalde de mosterd bij wie? De ethische standaarden tussen Turkmenistan en de gymnastenwereld zijn te gelijklopend om toeval te zijn. Bovendien zouden beide partijen geen genoegen nemen met een gedeelde eerste plaats. Daarom een nieuwe wedstrijd: om ter snelst een ethische standaard bereiken die hoger is dan het grootste indoor reuzenrad en die meer turnsters omhelst dan die schamele 3246. Wat er te winnen valt? Een stukje respect en als u geluk hebt ook een fractie van de veerkracht en het doorzettingsvermogen van alle turnsters die deze wandaden moe(s)ten doorstaan.   Dochter (wijzend naar de tv): Waaw, heb je gezien wat die turnster op de balk deed? Moeder: Ja, echt fenomenaal. Dochter: Waarom wrijft die trainer in zijn ogen? Moeder: Hij probeert die balk uit zijn ogen te krijgen.

Lore Dewulf
3 0

Kantoordag

Het is wel vakantietijd maar toch, het is wel heel erg stil op de weg. Voor het eerst in maanden rij ik weer naar mijn werk om daar een volle dag te zijn. Ik ben tussendoor wel een paar keer die kant uit geweest, maar dat was meer om iets te printen of iets op te halen. Dat telt niet. Maar nu een hele dag op kantoor. Ik ben benieuwd hoe het bevalt. Gelukkig ben ik niet alleen, een collega komt ook. Stel je voor dat je de hele dag als Remi op zo’n afdeling zit. Aan de buitenkant is niks veranderd, gelukkig. Alleen het parkeerterrein is half leeg. Hm, de meeste mensen werken “gewoon” nog thuis. Het voelt best wel vreemd. Het ruikt ook vreemd, zeg maar gewoon muf. Al die maanden dat er bijna niemand is geweest. Eerst maar eens de ramen opengooien. En de kantoorplant goedemorgen wensen. Het arme ding, hij leeft nog wel maar ziet er toch maar armetierig uit. Zelfs een plant verzamelt stof als hij alleen is. Iemand zal hem wel water hebben gegeven, gelukkig. Er zijn ook nu nog maar mondjesmaat collega’s, een klein percentage van de medewerkers kan naar kantoor. Er zijn looproutes ingericht, alles is bestickerd om de medewerkers zich ervan bewust te laten zijn dat de situatie niet normaal is. Samen met mijn collega versleep ik de voorzorgsmaatregelen voor onze cursisten van het magazijn naar onze afdeling. Dat zou je een jaar geleden toch niet gedacht hebben, desinfectiemiddel, handschoenen, toch ook mondkapjes, stoel- en stuurhoezen. Het is een bijzondere verzameling. Tussen de middag eten we buiten, anderhalve meter van elkaar. Gelukkig schijnt de zon. Een week geleden moest ik er wel om glimlachen, om al die maatregelen. Ik weet hoe zorgvuldig mijn werkgever is als het gaat om dit soort zaken en de gezondheid van de medewerkers. Maar nu, met de huidige toename van het aantal Corona-besmettingen in mijn achterhoofd, denk ik daar toch wat serieuzer over. Eigenlijk kun je niet voorzichtig genoeg zijn. De maatregelen worden versoepeld en direct denken veel mensen dat alles maar weer kan. En dan ben ik toch wel blij met wat meer voorzichtigheid. Want je zult maar in de krant komen als dat bedrijf dat door onzorgvuldigheid meer dan driekwart van zijn medewerkers met een Corona-besmetting thuis heeft zitten. Of erger.  

Machteld
0 0

over wikipedia, astronauten en Tanja Dexters

‘Heb je een pagina op Wikipedia?’, vroeg hij. ‘Nee? Dan ben je klaarblijkelijk niet belangrijk genoeg’. Ik kon niet uitmaken of hij een grap maakte. Het feest liep ten einde en de betere gesprekken lagen al ver achter ons. Op weg naar huis kon ik maar één ding denken: ik schrijf zélf mijn Wikipagina, om zijn ongelijk te bewijzen. Maar dat bleek niet zo simpel. Dat ik niet in aanmerking kom voor een Wikipagina, kan ik begrijpen, maar ook personen die er wel één verdienen, krijgen er geen. Maak kennis met Donna Strickland, een Canadese hoogleraar Natuurkunde, die tot voor kort geen Wikipagina had. Iemand diende in 2018 een bijdrage over haar in, maar deze werd door een vrijwillige redacteur geweigerd omdat Stickland ‘niet aan de noodzakelijke criteria voldeed’ om gepubliceerd te worden. Later dat jaar won Strickland de Nobelprijs voor de Natuurkunde voor haar onderzoek in de laserfysica. Ze kreeg uiteindelijk wel haar Wikipagina. Je moet als vrouw blijkbaar een Nobelprijs winnen om in aanmerking te komen voor een Wikipagina (Ja, Tanja Dexters, ook hier ben jij door de mazen van het net geglipt, met je Wikipagina en zonder Nobelprijs). De Vlaamse Angelique Van Ombergen is een academicus die in 2019 door Forbes opgenomen werd in de lijst ’30 under 30’. Haar Wikipagina beperkt zich tot het Forbes weetje. Dat kan beter, hoor ik u denken. Zoveel is zeker. Ze deed niet alleen baanbrekend onderzoek naar hoe de hersenen van astronauten zich aanpassen aan een verblijf in de ruimte, ze won verschillende internationale awards, schreef kinderboeken over ruimtevaart en organiseerde ruimtekampen voor kinderen. In 2020 zijn minder dan 20% van de Wiki biografieën van vrouwen. Onze geschiedenis leest als een mannelijk verhaal. Terwijl vrouwen wel degelijk geschiedenis maakten. Het is alleen nog niet neergeschreven. Wikipedia is in de markt gezet als één van de grootste online encyclopedieën. Het vormt voor velen een vertrekpunt in hun zoektocht naar informatie. Als vrouwen systematisch ontbreken, dan heeft dit grote gevolgen voor onze perceptie van de geschiedenis. Ik zocht het even op: Wikipedia is een samentrekking van Wiki en Encyclopedie. Wiki is Hawaïaans voor snel, vlug. Snel staat in veel gevallen niet gelijk aan nauwkeurig. Wikipedia is in snelheid gepakt. Het is dringend tijd om de informatie over vrouwen neer te schrijven, anders verdwijnen ze geruisloos of gaat waardevolle informatie verloren. Op de Wikipagina van Tanja Dexters word ik doorverwezen naar haar eerste hit ‘Out of my mind’. Ze zingt: ‘I can’t get you out of my mind’. Je hoeft geen Nobelprijs in huis te hebben om te weten dat dit over alle vrouwen gaat die een Wikipagina verdienen.   Moeder: En hoe heette die schrijver? Dochter: Dominique… En nog iets. Is dat eigenlijk een jongen of een meisje? Moeder: Ik weet het niet. Weet je hoe we daar snel kunnen achter komen? Eens checken of die een Wikipagina heeft.

Lore Dewulf
5 0

Golf Twee

Lap zeg, waren we daar toch net iets te vroeg om de zorgverleners terug als stront te gaan behandelen, zeker? Het was maar een grapje, hoor. Maar het is officieel, COVID maakt een comeback en dat is een probleem. Vooral omdat ik eindelijk van die telkens terugkerende droom verlost was waarin ik met smaak een broodje vleermuis met Bicky-ajuin in m'n gezicht duw, waarna een Chinese versie van Maggie De Block verschijnt – en ik weet zeker dat ze Chinees is, niet doordat haar ogen spleetjes zijn, want tja... Maggie, maar omdat ze bladeren Chinese kool heeft als haar en er noedels uit haar oksels groeien. Oosterse Maggie vertelt me vervolgens met de nodige dramatiek dat er maar één manier is om de wereld te redden: asap alles wat los zit in m'n lichaam er asap uitpersen tot de bloedvaatjes in m'n ogen ervan springen. Aziatische Maggie is net als de gemiddelde marketing manager dol op het woordje asap. Ik volg haar wijze raad en elke keer, vlak nadat ik erin geslaagd ben de mensheid wat bonustijd op deze aardkloot te kopen, word ik wakker. Meestal van m'n wederhelft die kokhalzend de lakens van het bed aan het trekken is. Verder maak ik me niet teveel zorgen over die tweede golf. Oké ik doe dat wel, maar ik probeer mezelf ervan te overtuigen dat het in situaties als deze altijd de idioten zijn die als eerste gaan. En aan idioten hebben we, in tegenstelling tot FFP3-mondmaskers, een eenduidig beleid en vrije Collect&Go-afhaalmomenten, gelukkig nog lang geen gebrek hier. Zo zijn er de idioten die na twee maand nog steeds niet hebben uitgevogeld waarom er pijlen op de voetpaden van onze winkelstraat plakken. Nochtans zou je denken dat die pijlen opvallen als je een winkel buiten wandelt en je hoofd buigt om je mondmasker op de grond te gooien, hetgeen ik de meesten van deze idioten zie doen, in de schaarse momenten dat ze geen sigaret aan het rollen zijn of een blik goedkope namaak-Red Bull opentrekken voor hun achtjarig zoontje met nekmat. Eén keer zag ik er eentje twijfelen en rechtsomkeer maken om verder in de juiste richting te wandelen. Wat later werd duidelijk dat ze haar baby's uit de auto was vergeten te halen. Meervoud, dat las je correct, lieve lezer. Na deze idioten, zijn het ongetwijfeld de letterlijk-nemers-wanneer-het-hen-uitkomt die het de komende maanden weer gezellig druk zullen maken op de COVID-afdeling. De knappe koppen die als de café's om middernacht de deuren dichtdoen voor weken, om 23.52 uur nog uit volle borst Atje voor de Sfeer staan mee te brullen, terwijl hun keelvocht tikkertje speelt met de ventilator aan het plafond. Het wordt pas gevaarlijk vanaf dat de regel ingaat, toch? In deze categorie vind je ook die ongelofelijke konthoofden – je hebt ze zeker al gezien – die enkel het woord 'mond' in mondkapje horen, daardoor vinden dat hun neus er niet bij in moet en er bijgevolg met hun masker op half zeven zo verwaaid bij lopen dat het lijkt alsof ze hun begeleider kwijt zijn. Laten we dus vooral voor mijn gerust gemoed en het jouwe even vergeten dat mijn theorie niet opgaat omdat al deze idioten niet alleen zichzelf, maar ook ons in gevaar brengen met hun acties. Want morgen vertrekken we met het vliegtuig op die hij-had-echt-geen-dag-later-moeten-komen vakantie naar warmere oorden en al dat stressen over idioten zou ons all-in verblijf alleen maar vergallen. We zullen zorgeloos praatjes maken met de andere Belgen aan het zwembad, schouder aan schouder verbroederen met de Nederlanders aan het buffet, en als we terug zijn organiseren we een barbecue voor de godganse familie om hen de foto's van kleine Olivia in de kinderdisco te tonen. En pas dan zullen we ons weer druk maken in die idioten die ervoor zorgen dat de coronacijfers nog altijd de verkeerde richting uitgaan, terwijl wij er verdomme alles voor hebben opgeofferd.

Hans Verhaegen
18 2

GEEN NIEUWS: 'Schandaal voor uitvaartcentrum, tuin vol opgezette mensen.'

Lier- De jarenlange illegale handelingen die het uitvaartcentrum JoLa uitvoert, zijn eindelijk naar boven gekomen. In samenwerking met een stille genootschap genaamd "het zuiver leven" kan je niet alleen kiezen voor het begraven of cremeren van een lijk maar ook voor het opzetten.  Na een jaar lang maandelijks telefoontjes te krijgen over verdachte activiteiten die zich afspeelden bij de verblijfplaats van "het zuiver leven", besloot de politie toch maar eens om een kijkje te gaan nemen. De genootschap was voorzien van een uitgebreide vergaderzaal, zonneruimte, private kamers en een grote tuin. Standbeelden stonden op een rijtje in het hart van de gaarde, perfect om er door te wandelen en ze te bewonderen. Het kwam allemaal wat eigenaardig over en toen ze er een expert bij haalden, bleken het dus opgezette mensen te zijn.  Uitvaartcentrum JoLa heeft zich nog niet uitgesproken over deze shockerende ontdekking. Verder onderzoek is voorlopig in werking. Wat ze al wel weten is dat ze er zeker hun geld aan hebben verdiend. Als je koos voor de optie 'opzetten' dan kostte je dat tussen de 10.000 en 15.000 euro. Factoren zoals: geslacht, leeftijd, lengte en andere fysieke kenmerken vormden de totaalsom.  Men schat dat deze praktijken al een vijf tot zes jaar bezig zijn. Het uitvaartcentrum zelf heeft het altijd geregistreerd als een crematie, met als gevolg dat er natuurlijk nooit een lijk zoek was. Officieel klopte alle documenten dus, zijn ze dan echt dit afgelopen jaar minder voorzichtig geworden met hun verplaatsingen naar de genootschap zelf? Er zijn nog zo veel vragen over dit ongewone schandaal. Hopelijk weten we snel meer. 

Kaat Janssen
5 0

over wandelen, creativiteit en Jean-Jacques Rousseau

Mijn dochters plaatsen allebei hun kampeerstoel op de oprit van ons huis en starten met straatvinken: een uur lang alle voetgangers, fietsers en voertuigen tellen die in onze straat passeren. Met die gegevens berekent de Ringland Academie, in samenwerking met de Universiteit Antwerpen, HIVA en KULeuven, elk jaar of je straat op de goede weg is naar duurzamer verkeer. Wat opvalt: een uur tellen leverde 11 voetgangers op. Ter vergelijking: ze telden 216 auto’s. Koning wie?   Die elf voetgangers intrigeren me: wat zijn hun beweegredenen? Is het wandelen voor die mensen een functionele bezigheid, verplaatsen ze zich van A naar B met een doel? Of is het wandelen an sich hun beweegreden en gaan ze dus wandelen van A naar A zonder meer?   Toen mijn dochters nog vrij jong waren, kregen ze stapschoenen cadeau. Die onthaalden ze vrij euforisch (joepie, nieuwe schoenen!), tot ze ontdekten dat er een activiteit gekoppeld was aan die nieuwe schoenen (maar ik heb geen zin om te gaan wandelen.). Tot hun ontsteltenis moesten ze vaststellen dat ik werkelijk elk nieuw oord wandelend wil verkennen.   Na meer dan tien jaar ervaring met wandelen met kinderen kwam ik tot volgende inzichten: er bestaan liedjes die ze na 100 keer zingen nog niet beu zijn (één champignonnetje, trala la la laaa), drie kilometer wandelen met een peuter in je nek kan ernstige gevolgen hebben voor je hoofd en haar (die hoofdmassage is leuk, maar mijn ogen hoef je niet te masseren), wegmarkeringen zoeken is voor een kleuter geen middel maar een doel op zich (we moeten hier naar links! nee, nee, andere links).   Tijdens het wandelen zijn er momenten waarop het volledige gezelschap in een gelijkmatig ritme zit. Op die momenten creëert de cadans van het stappen mentale ruimte. Ruimte om langverwachte of juist onverwachte gedachten te verwoorden. Zo vertelde mijn jongste dochter op één van onze wandelingen het verhaal achter haar gebroken been. Drie jaar – jawel, drie jaar – na de feiten kreeg ik te horen dat er een kindje vanop het klimrek per ongeluk op haar been was gesprongen. Ik keek naar haar terwijl ze dit vertelde en dacht bij mezelf: ‘waar komt dit ineens vandaan?’. Te weten dat ik drie jaar eerder talloze keren aan haar vierjarige zelf vroeg: ‘Maar weet je echt niet hoe het komt dat je been gebroken is?’. Ze haalde haar schouders op en zei iets over spelen en lopen en plots niet meer kunnen spelen en lopen. Ik hoorde nooit eerder over die jongen op het klimrek. Die nieuwe informatie was op dat moment onbruikbaar, maar ik vond het ronduit fascinerend dat ze net tijdens het wandelen die lang zoekgeraakte informatie uit haar brein terughaalde.   Wandelen heeft precies dat effect: het verheldert gedachten of ideeën. Marily Oppezzo en Daniel Schwartz van de Standford University onderzochten het effect van wandelen. Ze publiceerden in 2014 een artikel waarin ze concludeerden dat creativiteit met 60 procent toeneemt wanneer iemand wandelt. De studie bevestigt op een wetenschappelijke manier wat vooraanstaande denkers al langer wisten. Zo schreef Jean-Jacques Rousseau in Les Confessions: ‘Jamais je n’ai tant pensé, tant existé, tant vécu, tanté té moi-même, si j’ose ainsi dire, que dans les voyages que j’ai faits seul ou à pied’.   Redenen genoeg om niet af te stappen van het wandelen. Als u weinig creatieve ideeën hebt waar te starten: er is nog plaats in onze straat.     Moeder: Je bureau opruimen staat niet gelijk aan alles in één lade gooien. Je loopt er de kantjes vanaf, nietwaar?   Dochter: Hoe kan het ook anders met die stapschoenen?

Lore Dewulf
1 0

over logica in de supermarkt

‘Met kinderen naar de supermarkt’ staat voor veel ouders in de top vijf van activiteiten die u niet wil inplannen na een lange werk- en schooldag. Tenzij u bij alle partijen bepaalde communicatievaardigheden wil aanscherpen, zoals argumenteren, onderhandelen en overtuigen. De gesprekken in de supermarkt zijn gevarieerder dan u aanvankelijk zou denken. Het gaat niet enkel over de discussie ‘snoepen of geen snoepen’. Ook andere onderwerpen komen aan bod. De winkelkar: wie mag met de kar rijden?, nemen we ook een kleine winkelkar?. De boodschappen: die andere chips zijn veel lekkerder, de vorige keer mocht jij óók kiezen. De sanitaire voorzieningen: kan je niet wachten tot we thuis zijn? Nee, ik moet nu écht super-dringend plassen. Ok, we zullen nooit weten of we effectief in de snélste rij stonden aan de kassa’s (volgens mij wel). En het inladen: ja, je mag helpen inladen, maar steek de zwaarste boodschappen onderaan. Oei, mama, de bananen onderaan zijn ‘gepletterd’, denk ik. Die discussies zijn maar een klein onderdeel van het supermarktgebeuren. Ik kwam er onlangs achter dat er ook ongeschreven wetten bestaan in de jungle die supermarkt heet. Die ongeschreven wetten zijn bovendien onlogisch. Vóór de lockdown kwam er een kleuter naast mijn dochter (met klein winkelkarretje) en mij (met grote winkelkar) wandelen. Ze keek welke boodschappen er in het kleine karretje van mijn dochter lagen. Haar ogen blonken wanneer ze de doos snoepen zag. Mijn dochter glimlachte en lipte naar mij: ‘schattig kindje!’. Ik lachte terug. Op dat moment pakte dat kleine meisje de snoepen uit het winkelkarretje van mijn dochter en liep snel (volgens kleuternormen) weg. Mijn dochter wist niet wat haar overkwam en keek afwisselend naar haar karretje en naar de nog kleiner wordende rug van het meisje. Toen we bij de kassa (niét de snelste, geloof me) stonden, passeerde het meisje opnieuw. Deze keer had ze een doos koekjes bij zich. Ze kwam de doos zonder een woord te reppen in het winkelkarretje van mijn dochter leggen. De ongeschreven wet luidt hier: je mag geen boodschappen wegnemen uit de winkelkar van iemand anders. Maar, anderzijds: je mag ook geen boodschappen in andermans winkelkar leggen. De simpele indeling ‘de ene handeling is goed en de tegenovergestelde handeling is fout’ is in dit geval niet toereikend. In opvoedkundige termen is dit verwarrend. En onlogisch. Door de intercom vragen ze iemand naar de koekenafdeling te komen. Ik vraag me af of die kleuter er voor iets tussen zit. Misschien is ze rekken aan het herschikken volgens het aloude logische marketingprincipe: zet alle A-merken op ooghoogte. Als ze met haar lengte die logica volgt, is ze nog even zoet.     Dochter: Wanneer gaan we naar de supermarkt? Ik heb honger. Moeder: Naar de supermarkt gaan als je honger hebt, is geen goed idee. Dochter: Net wel, met al die proevertjes.

Lore Dewulf
16 1

over verlegenheid, ijsberen en Rosa Parks

‘Is ze altijd zo verlegen? Ik wil eens zien hoeveel ze gegroeid is, maar ze verstopt zich achter de rok van haar moeder. ‘Ja, kijk hoe verlegen ze is’. Aan het woord: een kennis van mijn ouders. Aan de rok: ik als kind. Haar meewarige toon, bezorgde blik en licht nee-knikkende hoofd. Uit de lichaamstaal van die vrouw maakte ik op dat verlegenheid geen eigenschap was die op haar goedkeuring of sympathie kon rekenen. Van achter mijn moeders rokken kon ik die vrouw goed bestuderen. Ik zag dat haar blouse verkeerd geknoopt was, waardoor de twee kanten scheef hingen. Ik zei maar niets, want dat doen verlegen meisjes niet, toch? Dit soort non-conversaties installeerden twee gedachten in mijn kinderhoofd. Knoop je blouse met een zekere toewijding en verlegenheid is een eigenschap die best geen zichtbaar deel uitmaakt van je persoonlijkheid. Mij attenderen op mijn verlegenheid zorgde voor een verhoging van mijn zelfbewustzijn: terwijl ik net heel hard mij best deed om niet te blozen, zorgde die opmerking ervoor dat ik net meer ging blozen. Een klassiek voorbeeld van actie-reactie. Het doet met denken aan het experiment waarin aan proefpersonen gevraagd wordt om gedurende vijf minuten niet aan een witte beer te denken. Als ze toch aan een witte beer denken, moeten ze een belletje rinkelen. Wat denkt u? Jawel hoor, jingle bells all the way. Misschien schuilt er een oplossing in de combinatie van beide processen: verlegen kinderen laten denken aan een witte beer wanneer ze vrezen te moeten blozen. We zijn ondertussen tig jaar later en mijn rokken doen ondertussen dienst als verstopplaats voor mijn dochters. De verstopplaats wordt voornamelijk gebruikt bij onbekende personen of op onbekend terrein. Het is als ouder verleidelijk om mee te gaan in het ‘ja-ze-is-verlegen-verhaal’ bij opmerkingen van buitenstaanders, maar wat zeg je daarmee, tegen je kinderen en tegen die persoon? Ik vind het vrijmoediger om de vraag terug te kaatsen: ‘Ach, hoe zijn we zelf op onbekend terrein? Op een feest waar we niemand kennen?’ Niet-stereotype verhalen over verlegen mensen kunnen inspireren, zoals het verhaal van Rosa Parks. Zij was een timide en verlegen vrouw, maar nam het uiteindelijk op tegen een bus vol misprijzende passagiers. Rosa Parks belichaamt en belicht kalme onverzettelijkheid en stille standvastigheid. Toch ligt het moeilijk om eenzelfde persoon als verlegen én moedig te zien. Parks leek zich bewust van die paradox en gaf haar autobiografie de titel Quiet Strength. Je hoeft niet altijd te roepen om gehoord te worden.   Moeder (tegen een kennis): ‘Ach, hoe zijn we zelf op onbekend terrein? Op een feest waar we niemand kennen?’ Dochter: Euh... Moeder: Wat zeg je, lieverd? Dochter (tegen de kennis): Je hebt je blouse verkeerd geknoopt.

Lore Dewulf
1 1
Tip

Weerstand tegen het lieve meisje

Natuurlijk is de weerstand die ik voel ten opzichte van de kassierster in mijn vaste supermarkt niets anders dan een projectie van een deel van mezelf waar ik afkerig tegenover sta. Aanschuivend aan de kassa sta ik haar soms gebiologeerd te observeren. Ik wens het arme kind uiteraard niets dan het beste toe, maar ik ben mij wel bewust van dit zurige gevoel. Iets in mij wil de energie die zij uitstraalt niet aanvaarden. Het is interessant om hier bij stil te staan, want ik wil graag in het reine zijn met elk aspect van mezelf. Weerstand tegen dingen maakt het leven moeilijk. Weerstand tegen een deel van mezelf zou zich wel eens kunnen uiten in een lichamelijke kwaal. Vandaar mijn motivatie voor deze persoonlijke psychoanalyse. Het meisje achter de kassa zou ik kunnen samenvatten als een seut. Ze blaakt van de goedheid, braafheid en betrouwbaarheid. Haar bewegingen, stem, blik, huid, haar en karakter zijn zijdezacht. Ze straalt niets pittig of verrassend uit en ze lijkt vlekkeloos op te lossen in haar omgeving. Toen ik eens vroeg of ik mijn zonnebril toevallig niet in de winkel was vergeten, deed ze zoveel moeite om hem te vinden dat ik spijt kreeg dat ik ernaar gevraagd had. De toon waarop ze naar mijn klantenkaartje vraagt, triggert iets tegendraads in mij. Het is een gevoel dat verzinkt in de achtergrond, het had mij zelfs gemakkelijk kunnen ontgaan. Ik weet echter dat er grootsheid in de kleine dingen schuilt.   Het is niets nieuws voor mij om te beseffen dat ik moeite heb om het zachte en gevoelige deel van mezelf volledig te aanvaarden. Enerzijds prijs ik mijn gevoeligheid de hemel in en weet ik hoe ik voordelen uit deze eigenschap kan halen. Maar anderzijds voelt het soms als een last. Zo vind ik het bijvoorbeeld vervelend van mezelf dat ik sociaal contact als vermoeiend ervaar. Ik weet ook heel goed hoe dat komt. Het vermijden of inperken van sociaal contact beschouw ik als een voorlopig antwoord op dit probleem. Ik baken grenzen af en bedenk regeltjes die ervoor zorgen dat ik mezelf niet teveel uitput als ik sociale interactie op mijn programma zet. Maar het liefst van al zou ik onverstoorbaar in mijn authentieke energie moeiteloos met anderen omgaan. Hoe heerlijk moet het wel niet zijn om me even vrij en ontspannen te kunnen voelen met anderen zoals ik me voel als ik alleen ben. Het is een belangrijk werkpunt waar ik actief aandacht aan besteed en het is wel degelijk al verbeterd in vergelijking met een paar jaar geleden. Toch ben ik nog niet waar/wie ik wil zijn. De sensitiviteit waar ik mee worstel, maakt me poreus ten opzichte van de energie van anderen. Het antwoord lijkt te liggen in afsluiten en harder worden. Minder gevoelig zijn. Ik vind mezelf soms te lief en ik walg daarvan. Het kassierstertje herinnert mij daaraan. Ik voel me dan ook aangetrokken tot mensen die een zeker je-m’en-foutisme uitstralen. Mensen die aan alles lak lijken te hebben en die laten uitschijnen dat niets hen raakt. Individuen die zonder enige schaamte hun uniciteit zegevieren. Dat vind ik inspirerend. Het lijkt me zalig om onverstoorbaar te zijn. Ik wil geen harde tante worden, maar zonder schuldgevoel een beetje meer lucht geven aan mijn inner bitch zou de dingen soms gemakkelijker kunnen maken. Eén van de belangrijkste levenslessen is dat niets is wat het lijkt. Het lijkt misschien logisch om de problematiek omtrent mijn gevoeligheid op te lossen door mezelf op één of andere manier te trainen in afsluiten en harder worden. Maar het tegendeel is waar. In plaats van mij af te keren van gevoeligheid, is het veel constructiever om er nog dieper in mee te gaan en deze eigenschap te exploreren en benutten. Dit lukt mij met vallen en opstaan. Het loont vaak de moeite om de dingen eens contra-intuïtief te benaderen. Om op de weerstand af te gaan. What you resist, persists. Wat je probeert te weren, trek je juist aan. Het is ook amusant om te constateren dat ik in alles dat hard lijkt het zachte zoek. Alsof ik via een omweg toch op hetzelfde punt uitkom. Als ik bijvoorbeeld iemand ontmoet die zelfzeker, sterk en onverstoorbaar overkomt, dan ga ik bijna automatisch op zoek naar zijn of haar gevoelige plekken. Het gevoelige vrouwelijke dat veilig huist in het stoere mannelijke vind ik ontzettend mooi. Een balans tussen beide is prachtig. Ik schommel soms tussen uitersten. Hypersensitief en tegelijkertijd gek op death metal en close combat. Ik heb lief met overgave, maar ben even passioneel in mijn woede en verdriet. Ik ben net zo donker als ik licht ben en ik hoef niet te kiezen. Ik wil het geheel omarmen. Alles draait om eigenliefde. Het is bepalend voor de levenskwaliteit. Ik oordeel over mezelf, met dezelfde blik waarmee ik naar het meisje achter de kassa kijk. Denkend dat ik meer in mijn mars heb dan waar ik momenteel mee bezig ben. Maar ik wil niet te streng zijn voor mezelf, anders gaat mijn innerlijk kind huilen. En dat is ook nefast voor de levensvreugde. Schipperend tussen nooit tevreden zijn en liefdevol aanvaarden probeer ik mezelf te scheppen.

KarolienDeman
100 3

over inbrekers

‘Wat was dat’? Elk herkenbaar geluid wordt onherkenbaar en onheilspellend als de avond valt. Mijn jongste dochter ligt in bed en we (daarmee bedoel ik mezelf) zijn klaar om goeienacht te zeggen. Dan hoort ze iets ritselen, bonken of knappen. Ze meent dat het een inbreker is. Ik begrijp haar angst, ik was vroeger ook bang voor inbrekers. Mijn moeder slaagde er altijd in me gerust te stellen met laconieke redeneringen: ‘Boeven zoeken geld of dure spullen. Wij hebben geen van beide in huis. Ze hebben dus geen reden om in te breken’. ‘En onze televisie dan?’, vervolgde ik. Waarop mijn moeder een beeld schetste van een boef met een beeldbuistelevisie op zijn rug. ‘En de computer dan?’ We hebben het hier niet over een hedendaagse, ultradunne, lichtgewicht laptop. Nee, het gaat om een gigantische computer uit de jaren ’90: een lompe desktopcomputer met klavier en muis. Opnieuw schetste mijn moeder een beeld van een boef met die computer op zijn rug, klavier in de ene hand en muis in de andere. Ik had nog vragen over een aantal andere huishoudtoestellen, zoals de wasmachine, droogkast en de ingebouwde vaatwasser. Mijn moeder bleef haar mantra over de – ondertussen overbelaste – rug van de inbreker herhalen. Daarna kon het licht uit en vroeg ik mijn moeder om mijn kamerdeur op een grote kier te laten. Mijn dochter laat zich ook niet met één argument geruststellen. Ze verschilt van mijn eigen jongere versie, want zij verzint volledige scenario’s. Probleem en oplossing in één. Zo houdt ze er rekening mee dat de boef in ons huis rondloopt, maar geen nood, dan verandert ze zichzelf in een elf of laat ze de boef bevriezen. Of verstenen. Of ze tovert zichzelf weg. Na het bespreken van tien afweermechanismen zijn we (daarmee bedoel ik mezelf) klaar om goeienacht te zeggen. Het valt me op met hoeveel vuur ze spreekt over het verslaan van de boef. Ze schept er groot genoegen in de inbreker in haar fantasie ten val te brengen. Het doet me denken aan het gevoel wanneer de slechte in de film eindelijk moet incasseren. Ik vind het knap dat ze haar angsten kan bedwingen met haar fantasie. Een irreële angst bestrijden met een irreële oplossing, er valt iets voor te zeggen. Ik ruilde doorheen de tijd mijn angst voor boeven in voor een aantal andere angsten. Sommige daarvan hebben bestaansrecht, omdat ze gekoppeld zijn aan de realiteit. Anderen zijn onnodig, angst voor problemen die nooit kunnen voorkomen. Dan raak ik verstrikt in mijn eigen fictie. Doe mij maar de methode van mijn dochter: een irreële angst bestrijden met je fantasie in plaats van je door fantasie in te laten met allerlei angsten.   Dochter: In mijn boek van Harry Potter gaat het over de Dementor. Die kan je datgene laten voelen waar je het meest bang voor bent. Moeder: Dat klinkt wel eng! Als ik klein was, bestonden er nog geen Harry Potter boeken. Ik las de boeken van Pietje Puk. Dat was een postbode en die zong altijd een liedje ‘Eén twee drie vier, Pietje Puk die heeft plezier. Vijf zes zeven acht, ’t is Pietje Puk die altijd lacht’. Dochter: En dat is niet eng, ofzo? Wat een freak, zeg.

Lore Dewulf
5 2

In gesprek met Philippe Besson.

Omdat Thomas nooit de kans gekregen had om te spreken, geeft de auteur hier de stem aan de man die uiteindelijk veel inspraak zal hebben in het verloop van zijn eigen leven. In een vertaling van Martine Woudt die elke gevoeligheid en elke nuance van het geschreven woord weet neer te leggen in een verhaal waar ogen, stemmen, handen en twee lichamen elkaar ook zonder woorden begrijpen, weet je als lezer waarom woorden soms zoveel tijd later hun plaats vinden. En dat is een geruststelling.  Ik had een warme babbel met de schrijver. ‘Lieg met mij’ inspireert, verlangt, vervoert en ontroert. Het boek siddert nog in elke vezel na. Het is authentiek en het is herkenbaar. Het doet glimlachen en het doet beven. Het is vooral een verhaal dat je moet lezen en koesteren. En rustig lezen.  U bent iemand die fictie schrijft en verhalen verzint. Met ‘Lieg met mij’ doet u helemaal het omgekeerde. U legt uw ziel bloot, u bent op iedere bladzijde, in iedere zin en elk geschreven woord bent u puur en oprecht dat het haast pijn doet. Waren er in uw vorige boeken al aanwijzingen voor dit verhaal? "Ik heb me lange tijd gedefinieerd als romanschrijver, iemand die verhalen en personages verzint, iemand die fictie schrijft. Ik ben schrijver geworden om andere levens dan het mijne te kunnen leven, om een ander iemand te worden. En toch, ook al schrijf je louter fictie, je kan niet vermijden dat je her en der je eigen intieme waarheden uitstrooit en af en toe brokken van je eigen leven in fictie verwerkt. Je kan niet schrijven door helemaal los te staan van wat of wie je bent, je kan niet los van je eigen leven schrijven, los van gevoelens die door je heen gaan. Dus ja, in sommige van mijn vorige romans vind je sporen van Thomas Andrieu, de jongen die ik ontmoet heb toen ik 17 was. Ik heb heel veel geschreven over verloren liefdes, over wat gemis met je doet omdat ik altijd aan hem dacht. Ik heb besloten om over hem te schrijven zonder de filter van fictie omdat ik een onverwachte ontmoeting had (Lucas in het boek). Die ontmoeting heeft me naar mijn verleden teruggebracht en deze ontmoeting heeft me gedwongen dit verleden in ogen te zien." © De Bezige BijVerliesHoe is de noodzaak gekomen om erover te schrijven, buiten de ontmoeting met Lucas? "Ik wou dat de lezer weet dat Thomas bestaan heeft. Ik wou dat zijn leven niet een verloren leven was. Ik wou dat deze grote afwezige aanwezig was; boeken hebben de kunst die aanwezigheid te creëren. Ik wou dat de lezer zijn pijnen die niet gehoord werden en verborgen gebleven, kende. Ik wou dat men weet dat stilte leidt tot de dood." Was u niet bang om dit verhaal te schrijven? U ging naar de donkere hoeken van uw geheugen, alles opnieuw moeten beleven; het is niet zomaar een verhaal schrijven, want dit verhaal is als het bloed in uw lichaam. Het is geuren herbeleven, aanrakingen, blikken, gevoelens, tekenen, twijfels… Het kan ook aangenaam geweest zijn dit allemaal mogen te herbeleven, de tijd van het schrijven, als een zoete herinnering. Hoe is het schrijven gegaan? Zijn er andere deuren opengegaan waarvan u dacht dat ze gesloten waren? "Ik heb me met heel mijn lijf op het verhaal gesmeten, zonder na te denken. Ik werd geleid door wat ik van binnenin voelde. Niet door de rede. De rede kan de vijand van je gevoelens zijn. Ik heb me moeten laten gaan, ik heb me moeten laten meeslepen. Ik moest mezelf erin verliezen. Terwijl ik schreef, heb ik tegelijkertijd vreugde en pijn gekend. Vreugde want ik herinnerde me ons geluk, ik herinnerde me enkele gelukkige jaren. Ik voelde ook pijn ook, want ik begreep dat deze jaren voorgoed verloren waren." IntiemHoe voelde u zich eenmaal het manuscript klaar was? "Ik was verrast dat ik gedurfd had tot op het einde te gaan. En ik voelde me ook trots omdat ik de dingen heb gezegd zoals ze gezegd moesten worden, zonder vernis en vooral zonder schroom. Ik voelde me trots omdat ik eer betoond had aan deze verdwenen man en die van mij de man en de schrijver heeft gemaakt die ik vandaag ben. Maar ik was ook bang. Ik heb me afgevraagd hoe dit boek ontvangen zou worden. Ik was niet bang dat men mij zou verwijten schaamteloos te zijn geweest (ik denk zelfs dat ik dat niet ben geweest). Ik vroeg me af hoe de mensen in dit zeer intiem verhaal zouden treden. Toen het boek is gepubliceerd, heb ik beseft dat wanneer je tot het meest intieme gaat, je de kans hebt om tot iets groots te gaan." Ik ben ervan overtuigd dat gevoelens boven de dwaasheid kunnen staan. Veel mensen hebben het u allicht al gezegd, wanneer u de woorden van Thomas schrijft “omdat jij weg zult gaan en wij zullen blijven” is zeer in de stijl van Marguerite Duras. U was toen heel verliefd, misschien was er iets dat u ontweek? Ik heb toen met mijn vriend over uw boek gesproken en over hoe verliefd u wel niet was. Mijn vriend is zeer down to earth. Wanneer een liefdesverhaal gedaan is, is het ook gedaan en is de bladzijde omgedraaid. U daarentegen lijkt een romanticus te zijn. "Wanneer Thomas me zegt: “Omdat jij weg zult gaan en wij zullen blijven”, stop ik mezelf niet weg. Ik begreep toen gewoonweg niet wat hij bedoelde. Je moet begrijpen dat ik me toen veilig voelde in de cocon van mijn jeugd, en ik jaagde niet bepaald wilde dromen achterna. Bovendien was ik bang van grootsteden. Ik ben altijd voorzichtig geweest met voorgevoelens: ze stroken zelden met de werkelijkheid. Maar wat zeker was, ik wou het einde van mijn verhaal met Thomas niet onder ogen zien. Ik wou die muur niet zien. Ik was verliefd, ik wou dat onze liefde verder ging, ik wist onbewust wat zich tegen ons keerde: wat de anderen gingen zeggen, het gewicht van tradities, de weerstand en de walging die mensen als wij opriepen bij andere mensen. Ik ben ervan overtuigd dat gevoelens boven de dwaasheid kunnen staan; maakt dat van mij een grote romanticus, dat zou ik niet weten." Heeft het schrijven van dit verhaal de manier waarop u nadien uw boeken schreef, veranderd? "Ja. Ik heb me ontdaan van veel dingen, ik heb me kunnen ontlasten, ik ga nu meer naar wat essentieel is. Ik zeg tegen mezelf dat ik geen tijd meer te verliezen heb."  © Eric Fougere-CorbisVerrassendU geeft verrassende wendingen aan sommige woorden, zoals bijvoorbeeld aan ‘liefde’. U schrijft dat er zoveel nuances zijn, u was geroerd, gecharmeerd, verward, verleid, bezeten, verblind, van slag. Terwijl u in één woord verliefd was. Het getuigt van een mooie liefdesverklaring. Op dat moment vraagt u zich af (of vraagt u het misschien rechtstreeks aan de lezer): “Ik heb me afgevraagd of dat verzonnen kon zijn. Je weet dat ik de hele tijd van alles verzon en dat zo geloofwaardig maakte dat iedereen me uiteindelijk geloofde (soms kon ik zelf niet eens meer zeggen wat waar was en wat niet). Later maakte ik daar mijn beroep van en werd ik romanschrijver. Had ik deze geschiedenis van a tot z uit mijn duim kunnen zuigen? Kon ik een erotische obsessie in liefde veranderen? Ja, dat is mogelijk”. Is er iets in het verhaal dat u verzonnen heeft? "Om dit boek te schrijven, heb ik beroep op mijn geheugen gedaan. Misschien was het een gefragmenteerd geheugen of een herschikt geheugen of misschien zelf een uitgevonden geheugen? Trouwens, u heeft waarschijnlijk gemerkt dat twee mensen die verliefd zijn bijna nooit hun gemeenschappelijk avontuur met dezelfde inhoud vertellen. Zou jouw vriend hetzelfde vertellen als jij? Mijn Thomas had kunnen zeggen: neen, zo is het niet gebeurd, of het is niet helemaal zo gebeurd. Maar ik wil je wel verzekeren: in dit boek is alles echt (of toch bijna)." Is het een puur autobiografisch schrijven, een roman, een verhaal of is het autofictie? Niet veel schrijvers hanteren de autofictionele stijl in hun schrijven. Men schrijft sneller over iets wat men meegemaakt heeft als een getuigenis van een gebeurtenis. "Ik kan dit boek niet echt in een hokje plaatsen. Ik weet wel wat het boek niet is: het is geen roman omdat de waarheid er een belangrijke plaats inneemt. Het is geen getuigenis omdat ik zorgvuldig met taal en woorden ben omgegaan in de manier waarop ik het geschreven heb. Het is geen roman want ik heb het verhaal niet verzonnen. Het is misschien gewoon een liefdesbrief. Mijn antwoord voor Thomas."  AfscheidU beschrijft het moment waarop u een foto van Thomas neemt. Wist u dat dit de laatste momenten waren?"Toen ik een foto van Thomas nam, wist ik niet dat het de enige foto zou zijn. Op dat moment dacht ik dat ons verhaal verder ging. Ik heb dat tot op de allerlaatste seconde geloofd. De foto op de Nederlandstalige uitgave vind ik prachtig. Ik hou van de melancholie en de sensualiteit die ervan uitgaat." Naar het einde toe, ben ik beginnen huilen. Dat overkomt me bijna nooit wanneer ik een roman lees, maar bij u spatten de tranen uit mijn ogen. Wanneer u afscheid neemt van Lucas en hem de hand schudt, schrijft u: “En als onze handen elkaar loslaten, strijken onze vingers langs elkaar”. Het is alsof u de vingers van Thomas voelt. "Wanneer Lucas me zijn hand reikte, wist ik dat ik onze geschiedenis mocht neerschrijven. En hij vroeg het ook. Ik was toen helemaal van slag." Bij het lezen van uw verhaal, ging er veel Franse muziek doorheen mijn hoofd. Ik dacht vooral aan ‘Amoureuse’ van Véronique Sanson. Hebt u bij dit boek een playlist, muziek die u inspireerde tijdens het schrijven? "Ik heb geluisterd naar ‘Puisque tu pars’ van Jean-Jacques Goldman. Ik hou van dat nummer en ook omdat het liedje verschrikkelijke en ook prachtige resonanties heeft met het verhaal dat ik aan het schrijven was." Hij heeft me geleerd hoe breekbaar het leven kan zijn, want hij is weggegaan. Lucas overhandigt u een brief van Thomas. Hoe heeft u zich gevoeld daarna? Hoe heeft deze brief, en uiteindelijk heel dit verhaal, uw leven beïnvloed, uw relaties, uw kijk op de wereld, uw schrijven, uw literair parcours? "Ik was toen 17 jaar en het essentiële uit mijn leven met Thomas is toen gebeurd. Ik ben vandaag de man geworden die ik vandaag ben. Hij heeft me de liefde geleerd en dat gaat gepaard met onbevangenheid, opwinding, geheimzinnigheid. Hij heeft me geleerd hoe breekbaar het leven kan zijn, want hij is weggegaan. Men komt nooit te boven iemand te hebben verlaten wanneer je nog niet gestopt hebt van elkaar te houden. Mijn boeken gaan alleen maar daar over. Over de pijn van afwezigheid." Heeft u aan Thomas “Ik hou van jou” gezegd? "Wanneer je 17 bent, zeg je niet “Ik hou van jou”. Wanneer je 17 bent, ben je niet serieus." U schrijft ook: “De aids die ons van onze zorgeloosheid zal beroven”. Ik ben in dezelfde jaren als u in Parijs activist geweest bij Aides en ik heb geflirt met Act Up. Hoe ziet u vandaag het activisme van jongeren in de strijd tegen aids, of misschien ook in andere strijden? "Aids heeft heel veel van mijn vrienden weggenomen. Heel veel. Ze zijn van mij ontrukt in hun mooiste jaren. Ze waren 20 jaar, ze hebben nooit de kans gekregen om oud te worden. Wanneer ik vandaag met hen wil spreken, ga ik naar hun graf. Ik leef met mijn doden. Dat is aids. Ik heb een grote bewondering voor activisten van toen die zich in de strijd tegen aids gooiden, net als jij ben ik activist geweest, ik vond het de meest nobele zaak om tegelijkertijd te vechten voor het leven en tegen zoveel obscurantisme. De strijd is niet meer omdat men zeer onterecht denkt dat aids het leven niet meer wegneemt." Het boek wordt verfilmd. Weet u daar al iets over? "De opnames beginnen in het voorjaar van 2021. Ik heb zelf niet deelgenomen aan het schrijven van het scenario. Olivier Peyon, de regisseur, beslist zelf wat hij wil laten zien. Ik ben ervan overtuigd dat de film geslaagd zal zijn maar hij zal nooit mijn eigen beelden, mijn eigen herinneringen kunnen vervangen. De blik van Thomas, de eerste dag, dat moment van erkenning, ik ben de enige die dat kent."

Erwin Abbeloos
0 0

over lichaamshaar

Als ik u vraag waar u het meest walging voor voelt: vrouwelijk okselhaar of maden in vlees, wat zou u dan antwoorden? Deze vergelijking heb ik niet zelf uitgevonden. Als ik één levensdoel heb, dan is het wel zo weinig mogelijk denken aan maden in vlees. In 2004 onderzochten Tiggemann en Lewis de relatie tussen lichaamshaar en de gevoeligheid voor walging. Ze kwamen tot de conclusie dat zowel mannen als vrouwen met walging op vrouwelijk lichaamshaar reageren. Wat bedoel je met walging, hoor ik u denken. Wel, dezelfde graad van walging als bij het zien van maden in vlees. Daar komen die maden dus vandaan. Waar komt die walging voor vrouwelijk lichaamshaar vandaan? Er bestaan uiteenlopende verklaringen, maar volgens mij is het simpel. We kunnen het spaarzaamheidsbeginsel inroepen: het wegnemen van alle onnodige ingewikkeldheden om bij de eenvoudigste verklaring uit te komen. De eenvoudigste verklaring is deze: de heersende norm over lichaamshaar is onderdeel van de vercommercialisering van ons lijf. We mogen er niet uitzien zoals we zijn, we moeten ons aanpassen. En hoe kunnen we dat best doen? Door producten te kopen natuurlijk! Producten om al dat lichaamshaar te scheren, waxen en epileren, zodat we haarloos door het leven kunnen. Want, zo weet iedereen, je kan pas naar het zwembad als je bikinilijn on point is. Het kan aan mij liggen, maar ‘badmuts’ krijgt opeens een heel andere betekenis. Ik vind de vercommercialisering van ons lijf absoluut geen fijne evolutie. Meer zelfs, ik vind het absurd. Maar zelfs al volg je het devies van Baz Luhrmann ‘don’t read beauty magazines, they will only make you feel ugly’, wat ik al jaren doe, dan nog ben je niet vrij van het zien van vercommercialiseerde lijven. De gladgeschoren lijven lachen je toe op social media, in tv-series en in films. Die maken ons onzeker over onszelf. Laatst stond ik onder de douche, terwijl ik mijn onderbenen schoor. Mijn dochters, die hun tanden aan het poetsen waren, vroegen waarom ik dat eigenlijk deed. Ik stond even met mijn mond vol ongepoetste tanden. Ja, waarom eigenlijk? Omdat ik het mooier vind? Omdat ik wil voldoen aan de heersende norm? Omdat ik niet wil dat mensen mij aanstaren omdat ik haar op mijn benen heb? Ik denk dat ik in alle eerlijkheid driewerf ja moet antwoorden. Ik zou het fijn vinden mochten mijn dochters hier voor zichzelf op een nuchtere manier mee kunnen omgaan. Dat ze een eigen keuze zullen maken en dat ze zich niet zullen laten gek maken door die vercommercialisering. Ik weet nu al dat ik bij hun eerste scheermesje heimwee zal hebben naar een simpele wereld, eentje waarin niet zoveel verwacht en bewerkt wordt. Tegelijkertijd vind ik het stom dat het zo naïef en pathetisch klinkt. Oh, trouwens, ik zocht het even op: het spaarzaamheidsbeginsel wordt ook wel eens het scheermes van Ockman genoemd. Dat kan geen toeval zijn.   Dochter: Vind je dat je zelf mooie vlechten kan maken in je haar? Moeder: Bwa. Gewone vlechten wel, ingevlochten vlechten vind ik wat moeilijker. Dochter: Schaam je je soms voor je vlechten? Moeder: Nee, dat niet. Waarom vraag je dat? Dochter: Om te weten of je schaamhaar hebt.

Lore Dewulf
9 2

Privileges

Het heeft me meer tijd gekost dan anders om dit te schrijven. Omdat ik niks verkeerd wil zeggen. Omdat ik geen domme dingen wil schrijven uit onwetendheid vanuit m'n eigen achtergrond. Maar ik moet het wel eens gezegd hebben. Want ik hoor nog veel te vaak 'ik ben geen racist, maar'. En gewoon zwijgen en er het mijne van denken begint meer en meer aan te voelen als medeplichtigheid. Ik kom uit een blank vierkoppig gezin waarbij m'n vader een fabrieksarbeider was, m'n moeder een onderbetaalde kuisvrouw. Rijk waren we dus niet, maar arm evenmin. We gingen niet op reis naar de Côte d'Azur of de Costa del Sol, maar aan de kust van Domburg smaakte het water even zout en waren de frieten even slecht gebakken. Ondanks het prijskaartje hebben mijn broer en ik de kans gekregen om universitaire studies te doen. Een van ons twee heeft z'n opleiding van 9 jaar met succes afgerond. De ondankbare, overjaarse puber van de twee verspilde een kostelijk jaar in Leuven, gaf z'n tweede poging op hogeschool op na 2 jaar, om – derde keer, goeie keer – toch nog een bachelor binnen te harken. We laten even in het midden wie wie is. Wat ik wil zeggen is dat ik nooit overvloedige rijkdom ervaren heb, maar alle kansen gekregen heb in m'n leven die ik kon wensen. En zo goed als iedereen in mijn directe omgeving kan hetzelfde zeggen. Misschien is het daarom voor velen zo moeilijk om zich voor te stellen dat niet iedereen die luxe heeft gehad. Dat sommigen hier nog voor ze hun eerste stapje zetten al een stempel op het hoofd hebben voor de rest van hun leven, of ze nu al derde generatie Belg zijn of niet. Dat sommigen hier keihard werken om een toekomst op te bouwen en nog als profiteurs worden afgeschilderd. Dat iemand met een andere kleur, accent of cultuur wel goed genoeg is om één dag na je bestelling dure, overbodige spullen aan je voordeur te komen afgeven, maar niet goed genoeg om in je straat te wonen. Blijkbaar zorgt dat veilige leventje van velen van ons ervoor dat maar weinigen zich kunnen voorstellen hoe het moet zijn om níét elke dag van je tijd op deze aardbol gerust te zijn dat je basisbehoeften zonder problemen vervuld worden. Kom dus alsjeblief niet af met dat 'all lives matter'-argument dat jou doet overkomen als een eindeloos vat van empathie voor alles wat leeft. Zoiets zeggen is hetzelfde als geen enkel goed doel steunen omdat je vindt dat álle goede doelen steun verdienen. En ondertussen níks bijdragen aan verandering. Doen alle levens ertoe? Natuurlijk. Maar daar gaat het hier niet over. Als je echt zo meelevend zou zijn als je beweert, besef je dat het er hier om draait dat bepaalde levens er doorheen de geschiedenis altijd minder toe hebben gedaan dan andere. Bewust, door toedoen van andere, gepriviligeerde groepen. En dat dat dringend moet veranderen. Dus stop met je bedreigd te voelen. Met bang te zijn dat iemand jouw comfortabel leventje komt inperken. Dat iemand beslag komt leggen op je bedrijfswagen, je job of je huis. En stop met een enorm belangrijk moment af te nemen van mensen die al eeuwen systematisch worden gediscrimineerd, nu ze eindelijk eens gehoord lijken te worden. En de volgende keer dat je van plan bent om te zeggen 'ik ben geen racist, maar', vervang dat dan alsjeblief eens door 'ik besef dat ik het als witte middenklasser al mijn hele leven als vanzelfsprekend beschouw dat ik niet moet wakkerliggen van eten of een dak boven m'n hoofd, dat ik niet bang ben als ik politie zie passeren, dat een appartement niet plots verhuurd is nadat ik mijn naam heb gezegd aan de telefoon, dat ik het hartverscheurend zou vinden moest mijn kind of kleindkind zonder reden slechter behandeld worden dan de rest, maar ...' Wie weet voel je geen behoefte meer om je zin af te maken en bespaart dat ons weer een ongemakkelijke situatie waarin het kiezen is tussen een lange discussie vermijden of de ballen hebben om je te wijzen op het feit dat je met je vooroordelen wél een racist bent. Bij deze ga ik er eindelijk mee beginnen om voor dat laatste te opteren.

Hans Verhaegen
14 0