Zoeken

Rock Werchter, of: de angsten van een beginnende oude zak

"Terwijl elf miljoen landgenoten cocktails en muntthee drinken in de schaduw van een boom, tel ik het aantal erwten in een blikje van 140 gram." De pandemie ligt achter ons. De Derde Wereldoorlog laat op zich wachten. Het land zakt in de zee, maar de dijken houden stand. We leven in een klein intermezzo van vrede en vrijheid. Hier geldt slechts één gebod: Profiteer vandaag, want morgen zijt ge dood! Trouw aan dit woord steken de Belgen hun barbecue aan en heffen het Duvel-glas. Zelfs mijn overbuurvrouw, die een gans leven kwijnde in de schaduw van haar pas gestorven man, vertrouwde me onlangs toe dat ze ‘nu eindelijk eens Spanje kan zien’. Mensen willen knallen en knuffelen. Iedereen, behalve ik. Terwijl elf miljoen landgenoten cocktails en muntthee drinken in de schaduw van een boom, tel ik in mijn woonkamer het aantal erwten in een blikje van 140 gram. Dit zette me aan het denken: Als zelfs die wereldvreemde Magda het vliegtuig naar Málaga neemt, waarom zou ik dan tijdens de zomer in de zetel hangen? Hoe overleef ik deze tussenstop naar de ondergang? Wijsheid komt niet uit boeken, maar uit het leven van alledag. Dat las ik ooit op een tegel. Logisch dus, dat mijn nood niet werd beantwoord door profeten en filosofen, maar door een Facebook-advertentie voor Rock Werchter. Hoog op de affiche prijkten mijn jeugdidolen: de Red Hot Chili Peppers. Bijna kon ik het gras, het bier en het zweet ruiken van de festivalweides uit mijn wilde jaren. Ik dacht aan tequilashots, eeuwig durende schemeringen, snelle seks in een gammel tentje, en joints van schimmige makelij; aan Lucas die altijd een druiper had, Sharon die ongewenst zwanger raakte of Brend die op een dag wakker werd met een lepel in zijn reet. Ik dacht aan alle feesten die we vergalden met onze verknaldrang. Maar boven alles dacht ik aan de zomer van 2002, toen ik samen met duizenden anderen slaafs meedeinde met de robotrock van de Queens Of The Stone Age. Die herinnering trilde in elke vezel van mijn lijf. Onwillekeurig tikte ik mijn voeten op het ritme van de liedjes die in mijn hoofd draaiden als platen in een jukebox. Ik zag mijn reflectie in de vuile raam van mijn living, betrapte mezelf op een glimlach en zonder verder nadenken kocht ik een meerdaags ticket voor Rock Werchter. "Wie kan in godsnaam een festival overleven zonder 5 gram hasjiesj?" Nauwelijks had ik de QR-code voor de betaling gescand of de eerste vragen doemden op. Wat neem ik mee? Wie neem ik mee? Zijn drugs een jeugdzonde of is leeftijd slechts een getal? De meeste vragen losten zichzelf op. Wat ik meeneem is slechts een kwestie van lijstjes maken, en de uren voor het vertrek als een gek door het huis rennen om zeker te zijn dat ik niets vergeet. Wie ik meeneem is volstrekt irrelevant. Mijn vrienden zijn immers dood, ontoerekeningsvatbaar of levenslang veroordeeld tot het ouderschap. En daarmee was ook de kwestie ‘drugs’ opgelost, want wie kan in godsnaam op z'n eentje een festival overleven zonder 5 gram hasjiesj op zak? Eén vraag bleef onbeantwoord: Waar leg ik mijn hoofd te rusten? Alle hotels waren immers al vol geboekt. Ik kende niemand in de buurt die een slaapplaats kon aanbieden. Slechts één optie restte mij: de camping. "Op mijn loopshirt stonden in drukletters de woorden ‘NO PAIN, NO GAIN’. Ik vroeg me af of dat ook geldt voor katers en chlamydia." Ik ging naar de badkamer en keek naar de zevenendertigjarige, beginnende oude zak in de spiegel. Ik vroeg me af hoe hij zou aarden tussen de tieners en studenten, vijftien jaar na zijn laatste campingervaring. Is zijn maag opgewassen tegen festivalvoeder? Staan zijn ruggenwervels nog recht na een slapeloze nacht op een dunne matras? Is hij bestand tegen de geur van toiletten met een rechtstreekse aansluiting op het rioolstelsel van de derde cirkel van de hel? De man in de spiegel zag er jong uit. De grijze schaduw in zijn donkerbruine krullen en de luttele, ondiepe groeven in zijn voorhoofd ontsierden hem geenszins. Ze gaven zijn babyface zelfs een welgekomen illusie van levenservaring . ‘Je bent nog jong!’, zou Magda roepen, ‘Waar wacht je op? Doodgaan doe je toch.’ Misschien is Rock Werchter wel de uitlaatklep die ik nodig heb, dacht ik, al is het maar om het fiasco te vergeten van die halve dag Scherpenheuvel laatstleden, toen ik thuiskwam met een stijve nek, drie SOA’s en een ingeklapte long. Ik keek een laatste maal naar het spiegelbeeld, las de woorden die in drukletters op mijn loopshirt stonden - NO PAIN, NO GAIN - en vroeg me af of dat ook geldt voor katers en chlamydia. Drie dagen voor de start van het festival nam ik een besluit en zwoer eeuwig trouw aan m’n persoonlijke tegelwijsheid. Ik trok mijn sandalen aan, stak de straat over en belde aan. Magda keek me bedrukt aan toen ze de voordeur opende. Ze was net haar koffers aan het pakken. Ik vroeg of ze nog iemand zocht om op de katten te letten. Ze keek me aans alsof ik gek was. ‘Werchter overleeft de nucleaire winter wel’, zei ik, ‘Bovendien ben ik volgend jaar ook nog jong.’ Pieter Van der Schoot Afbeelding: Camping Rock Werchter, door: Steven Lek, CC BY-SA 4.0 https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0, via Wikimedia Commons

Pieter Van der Schoot
0 0

Tijd om naar binnen te keren

Vandaag heb ik gecontempleerd. Een woord dat nog steeds niet even goed klinkt als zijn betekenis. Het klinkt alsof ik in een discussie in het stof heb gebeten (Je hebt gelijk, bij deze contempleer ik), dat ik vrede heb genomen met een slechte eigenschap van mezelf (Vandaag moet ik me weer eens contempleren met mijn aangeboren luiheid) of dat ik de zaken nodeloos heb vertraagd (Had ik de situatie niet danig gecontempleerd, waren we op tijd kunnen vertrekken). Het klinkt zeker niet als bespiegelen of mijmeren. De op hol geslagen etymoloog in mij hoort er con-tempus in, ‘mee-tijd’*. Zoiets als een samenvallen met de tijd, waarbij je er dus ook niet aan hoeft te denken. Zo voelt het ook, terwijl ik op ons buitenterras zit, een toonmodel van Makro dat ik destijds kon meepikken voor een prikje. Het gevoel vangt me op een onbewaakt moment, een tel tussen twee geplande invullingen van mijn tijd. Ik ben een boek aan het lezen – meer bepaald Het Lorchter Syndroom van D. Leue, in het gezelschap van een volgens Romaanse traditie gekoeld glas rode wijn. Vrouw bevindt zich buitenshuis, kinderen trotseren dromen van 27 graden in hun kamer. Het hoofdstuk is uit, de wijn in de man en het wordt tijd om mij naar de keuken te begeven voor de volgende taak van huishoudelijke aard. Maar ik beweeg niet, ik voel de tuin aan mijn blik trekken, om mijn aandacht schreeuwen. Meestal ontstaat er dan een horror vacui, een angst om achter te blijven met een gevoel dat ik niets heb gedaan. Vandaag gelukkig niet. Ik geniet van het groen. De trompetboom die ik vorig jaar plantte draagt een weliswaar bescheiden maar fiere kruin als een Braziliaanse verenhoed. Zijn bladeren dragen de belofte van lommerte in zich. Groene vingers heb ik allerminst, het groen is eerder achter mijn oren te zoeken als het aankomt op tuinieren. Te meer dat ik een niet misplaatste trots voel wanneer ik de boom zie floreren. Christophe Vekeman, een van mijn schrijfhelden, gaf me onlangs een compliment met een scherp randje: “Wat hij te vertellen heeft is niet spectaculairder dan wat eender wie te vertellen heeft, maar het wordt met humor gebracht en je beleeft er een esthetisch genoegen aan.” Ik antwoordde hem toen met een kwinkslag dat ik inderdaad geen hol beleef. Nog steeds erg dankbaar dat hij die woorden over had voor mijn blog, maak ik nu abstractie van het woord ‘beleven’. Het is waar dat ik geen stront heb geschept op een Oegandese boerderij of dat ik niet bont en blauw ben geslagen door mijn vader, maar zijn wij dan gedoemd om niets te beleven? Ik lig ondertussen languit in hetzelfde terrasmeubel, met mijn hoofd turend naar de zwaluwen die dansen en draaien en duiken in het luchtledige. Beleef ik dan helemaal niets wanneer ik word meegenomen in deze poëtische zwaluwzwerm? Deze wolkenwals? Dit blauwwit ballet? Zwaluwen zijn vogels die niet in groep vliegen, maar ik ben getuige van het tegendeel. Volgens mijn vrouw vangen ze muggen, die zich wel in zwermen verplaatsen. Het is een individuele vlucht in groep, zoals mensen vandaag met elkaar omgaan. De zwaluwenzang vervoert me naar een onbestemde plek. De tijd staat stil. Duizend gedachten passeren de revue: van hoe de kruin van de trompetboom mijn vadergevoel aanwakkert, over de mondelinge test die ik deze ochtend heb afgenomen bij een Oekraïense cursiste, die een traan liet nadat ze een haast feilloos examen had afgelegd maar van de emotionele weeromstuit aan haar thuisland moest denken; de gazpacho die daarstraks niet in de smaak viel bij mijn kroost vanwege de idiosyncratische eigenschap van gazpacho, namelijk dat hij koud wordt gegeten, en de complimenten die ik mocht ontvangen nadat ik de twee kommetjes een minuut in de microgolfoven had gestoken; tot de eigenzinnige opbouw van de structuur in Dimitri Leue’s roman, een aanrader overigens. Al deze bespiegelingen vullen mijn hoofd en tegelijkertijd ontstaat er een witte vlakte, een diffuus diafragma, een troebele lens. Geen onbeschreven blad, maar een hele tekst die te vaag is om te lezen. Geen verlaten plein, maar een hoop contourloze figuren wiens gedempte stemmen roepen om aandacht. Leger dan dit kan ik mijn hoofd niet maken.Ik voel de avond aarzelend maar meedogenloos vallen en besluit stilaan naar binnen te keren, hoewel ik het laatste uur niets anders heb gedaan. *na enig opzoekingswerk blijkt de juiste oorsprong van het woord toch iets heel anders. De ‘con’ klopt nog, maar het tweede deel komt van ‘templum’ wat de grenzen aangaf van het gebied waarin een augur werkte. Een augur was een Romeinse priester die, vaak door naar vogels te kijken, de toekomst probeerde te voorspellen.

Lennart Vanstaen
2 1

Handigheid

Als je zelf tegen de praktische zaken in huis aan loopt, wordt het toch wel duidelijk hoe handig je bent in dat soort dingen. Of, zoals in mijn geval, hoe onhandig. Laatst zat ik even lekker buiten. Alles klussen voor die dag gedaan, gegeten, Stef zijn brokjes op, glaasje wijn ingeschonken. Even rust. Het was ook niet meer zo warm dus Stef kwam zijn bal brengen om te gooien. Na twee keer goed mikken ging het natuurlijk de derde keer mis. Ik gooide tegen de stoel tegenover me en de bal stuiterde terug, recht tegen mijn glas waardoor de inhoud van (het natuurlijk volle) glas, zo in mijn schoot gekieperd werd. Echt, ik was drijfnat. En ik kon natuurlijk onder de douche en schone kleren aan. Want je gaat echt ranzig ruiken, van zo’n vol glas witte wijn. Ik kan er echt soms zo over foeteren, tegen mezelf. Dan sta ik weer te klunzen en ik zie het mezelf gewoon doen. Drie dingen vasthouden, wat niet lukt, en dan het verkeerde laten vallen. Het zijn nooit mijn sleutels die op de grond kletteren maar altijd iets dat kan beschadigen. Of in gruzels vallen, in het ergste geval. Of denken, ach, dat kan ik zelf wel even naar beneden brengen. En dan shocking klem zitten tussen de trapleuning en dat ding dat toch eigenlijk veel te zwaar bleek te zijn. Ik heb een week met twee enorme blauwe plekken op mijn knieën gelopen. En het is niet dat ik geen hulp heb hoor. Welnee, hulp genoeg, echt waar. Maar ik denk er niet altijd bij na, ik denk soms, ach, dat gaat best, dat kan ik makkelijk zelf. Pffff. Hetzelfde geldt voor twee dingen tegelijk doen. Naar boven lopen om iets te halen en dan denken, ach, laat ik dit maar even eerst doen. Om vervolgens beneden te staan zonder hetgeen ik boven wilde gaan halen. Mijn maatje zou er hoofdschuddend om moeten lachen. Hij was in die dingen een stuk praktischer en gestructureerder dan ik. Maar goed, zoals de vader van een goede vriend altijd zei, “wie zijn hoofd niet gebruikt, moet zijn benen gebruiken.” En ik heb andere kwaliteiten, denk ik.    

Machteld
4 0

Straatmuzikant

Heerlijk, in de vakantie door een klein stadje lopen dat je niet kent. Vooral in het buitenland, winkeltjes die je in Nederland niet ziet, leuke terrasjes, smalle straatjes. Vooral boekwinkeltjes kunnen altijd op mijn interesse rekenen. Tijdens de vakantie in Engeland ook, heerlijk. In de geboorteplaats van Shakespeare konden we natuurlijk niet om de boekwinkels heen. Niet dat het werk van Shakespeare voor mij te ontcijferen is, maar het is gewoon leuk om alles te bekijken en de sfeer te proeven. Gelukkig gaf de dame achter de kassa aan dat ook zij het oud-Engels van Shakespeare niet beheerst. Maar het boek met Insults en One-liners laat zich prima lezen. Beledigingen zijn immers simpel te begrijpen. Wat me wel opviel, was dat ook in Engeland verschillende mensen proberen hun geld te verdienen als straatmuzikant. Met wisselend succes, moet ik zeggen. Het meisje dat enthousiast gitaar speelde en uit volle borst stond te zingen, sloeg de plank redelijk mis. Ach, het arme kind, er werd ook niet heel veel geld in haar gitaarkist gegooid. Op zich wel te begrijpen, de kat die ze stond te villen maakte erg veel lawaai. Een eindje verderop stond een heus bandje. Muzikanten en een zangeres. Het nummer dat ze zong, raakte me. Dat doet muziek. Ze zong ook helder, dat was natuurlijk ook wel een voorwaarde. Een zingende kraai doet je naar je oren grijpen of brengt een vrolijke grijns op je gezicht. Een heldere stem kan een bepaalde snaar raken. Ach, ook dat hoorde er deze vakantie bij. Ik vraag me dan toch altijd af of een middagje zingen financieel nog wat zoden aan de dijk zet. Natuurlijk maakten we de, foute, grap dat zo’n straatmuzikant dan aan het einde van de dag in zijn Mercedes stapt en naar zijn penthouse vertrekt. Maar ik kan met toch niet voorstellen dat je er rijk van wordt. Dus dan moet je het wel erg graag doen, want sommige winkeliers zijn helemaal niet gediend van zo’n concert voor hun deur. Het is genieten, zo’n middag. Mensen kijken, rondslenteren en dan op een terras neerstrijken met, dit geval, thee en scones. Ik kan daar best aan wennen.    

Machteld
5 0

Mijn huis is een venster

Het is moeilijk om te zeggen wat ik bij mijn venster zie. Mijn huis is een venster. De gehele straatkant van mijn appartement is ingenomen door glaspartijen die uitkijken op een grijze zijstraat van Antwerpens grootste winkelas. Als ik mijn hoofd uit een van de ramen hang en naar links kijk, zie ik nog de neobarokke hoekpanden van de Leysstraat – de toegangspoort naar de Meir. Mijn huis is een constante livestream van de hartslag van de wereld. Maar wat ik zie is niet half zo interessant als wat ik hoor. De symfonie is altijd eender. Het begint daverend, drummend – met drilboren en hamers van naburige werven en vrachtwagens die af en aan rijden. Kantoor- en winkelbedienden fietsen, steppen en snelwandelen langs filerijdende auto’s – al roepend, al rinkelend, al snotterend en jammerend.            Na de ochtendfile volgt een korte pauze, waarna winkelmanagers de luiken van hun vitrines optrekken en de volgende akte aankondigen. De loonslaaf verlaat de bühne en ruimt baan voor een bont allegaartje van flaneurs, slenteraars en shopaholics. Ze treden zacht ritselend aan. Ze zijn met tien, met twintig, vijftig. In de namiddag stromen ze samen in een veelstemmige, duizendkoppige massa. Ze zwellen aan tot een gonzend koor dat de hele dag aanhoudt.            In de namiddag krijgen ze het gezelschap van een eenzame accordeonist. Die man kent slechts twee liedjes. Hij speelt ze in een schier eindeloze loop die doordraait tot ver in de avond.             Zo speelt de wereld de hele dag door.            En zo valt ze stil.            Eerst sluiten de bouwwerven. Dan komen de auto’s. In omgekeerde richting verlaten ze de stad – net als de shoppers en de slenteraars die met volle magen, volle zakken en lege portefeuilles de trein huiswaarts nemen.            De wereld gaat slapen, maar galmt de ganse nacht na. Ze waggelt door de straten als een dronkaard, klieft door de nacht als een Airbus of een Boeiing, en echoot in sirenes van combi’s en ambulances. Mijn woning is een verlengstuk van die wereld. Langs alle poriën stroomt ze binnen. Ze ruikt naar frietvet, naar wafels, en open riolen. Haar kleuren, klanken en geuren zijn een deel van mijn woonkamer. Ze hoort bij mijn huishouden zoals de boekenkast of de TV. Ze is wild, kleurrijk, wanstaltig, en bovenal luidruchtig. De wereld slaapt niet – en ik evenmin.            Ik was dan ook niet rouwig toen ze half maart 2020 ophield met zingen. De bouwwerven zwegen, de autowegen zwegen, de Meir was een podium zonder spelers.            Ik keek uit naar de herwonnen leegte. Ik spitste mijn oren voor andere klanken, die doorgaans te subtiel zijn om de fanfare van alledag te overstemmen. Wie weet kon ik zelfs mezelf horen denken.            Ik hing mijn hoofd door het venster, en voor de eerste maal werd ik niet verpletterd door wat ik hoorde, maar door wat ik zag: loshangende stoeptegels, vuilzakken, opgespatte modder, lege bierblikken, de afgebladderde muren van de jongensschool aan de overkant, en de gloednieuwe graffiti op de rolpoort van een leegstaand gebouw: #COVID19. De wereld was niet weg. Ik zag haar sporen in de smerige resten van het oude normaal. Ik sloot de gordijnen, stak een kaars aan en ging in de zetel liggen. Misschien zou ik eindelijk rust vinden in mijn eigen huis. Misschien zou ik voor één keer tenminste hier aan de wereld ontsnappen. Maar toch drong ze binnen – die oude, luidruchtige teef. Via smartphones en TV-schermen schreeuwde ze haar boodschappen van doom and gloom.            Ik bande het internet, de TV, de smartphone. Ik kwam slechts buiten om haastig mijn boodschappen bijeen te scharrelen. Ik trachtte aan mezelf te ontspannen in een warm bad, maar zelfs daar drong de wereld binnen. Ze bonsde als een losgeslagen echo in mijn borstkas.            Hartkloppingen. Daar kan geen mindfulness tegen op.            En dus contacteerde ik de dokter, die warme zachte vrouwenstem aan de andere kant van de lijn. Ze schreef me angstremmers voor. Die pilletjes wiegden me in een soort uitgestelde winterslaap. Op hun vleugels zweefde ik het voorjaar door. Pas in mei vond ik de moed om opnieuw bij mijn venster te zitten. Had ik mijn angsten overwonnen of waren ze simpelweg versleten? De waarheid is dat ik me verveelde – net als 11 miljoen landgenoten.            De wereld kroop langzaam het podium op. Ze was nog bedeesd. Acht weken huisarrest hadden haar mensenschuw gemaakt. Maar nu heeft ze haar plankenkoorts overwonnen. Ze speelt een nieuwe symfonie, net zo luidruchtig als de oude. De auto’s toeteren als voorheen, de loonslaven rennen alsof hun leven ervan afhangt. Enkel de accordeonspeler is verdwenen. Een man met een synthesizer heeft zijn plaats ingenomen. Net als zijn voorganger kent hij slechts twee liedjes, die de dag lang draaien – en sterven in de nacht. Pieter Van der Schoot De bovenstaande tekst schreef ik voor het initiatief Bij mijn venster. Met deze oproep daagde het ‘Huis van Herman Teirlinck’ in volle coranacrisis mensen uit om bij hun raam te zitten en neer te schrijven wat ze zien in deze onwezenlijke wereld. Ik greep de uitdaging aan om te spreken over mijn angsten. De originele versie kan je hier lezen.

Pieter Van der Schoot
12 0

Verhalen die verbinden

‘Heb je het verhaaltje van de verjaardag van de wezel al gelezen?’ vraagt mijn wederhelft met onverhoopte ogen. ‘Nee’ antwoord ik droog. ‘Dat ben ik!’ kirt ze, waarna ze me geen keuze laat het straks voor te lezen aan de kinderen. Dat beloof ik. Het verhaaltje gaat over een wezel die jarig is en een feestje geeft voor alle dieren in het bos. Wanneer het moment bijna is aangebroken, twijfelt hij of de taart wel lekker genoeg is, zijn huis wel groot genoeg en of het wel gezellig zal zijn. Hij besluit de aankomende dieren toe te roepen dat het toch niet doorgaat. Terwijl de laatste dieren al weer op de terugweg hun schouders ophalen, herroept de wezel zijn boodschap. ‘Het gaat toch door!’ Uiteraard ben ik geen onbekende met de dierenepiek van Toon Tellegen, meester in de filosofische bespiegelingen over kleinmenselijkheid. Al sinds ik bewerkingen zag van Benjamin Verdonck op de planken ben ik superfan. De fabeltjes zijn enorm geestig, griezelig herkenbaar en vaak taalfilosofisch van aard. Het gaat bijvoorbeeld over hoe de verjaardag van de eendagsvlieg ook ineens zijn afscheid van het leven is. Over de vraag of argwaan dan wel een soort soep is. Over hoe de kikker trots is dat hij een smet heeft geworpen op het blazoen van de zwaan. Mezelf heb ik nog niet echt gevonden, hoewel het verhaal over de mossel die een feest geeft voor één persoon aardig in de buurt komt. Hij wil eigenlijk helemaal geen feest geven: dan moet je dingen organiseren, lachen en dansen. Maar hij wil het wel begrijpen en er deel van uitmaken. Bovendien houdt hij van gezelligheid, al weet hij niet echt goed wat het is. Sinds een jaar of twee heb ik ook gesloten Toon Tellegen in te zetten in mijn lessen NT2. Wanneer we aanbelanden bij het vaste thema ‘Vroeger’, waarin ik de OVT (de imperfectum) aanleer voor de eerste keer, vind ik het nodig om dit – naast de grammaticaoefeningen – meteen wat in te slijpen. En er is geen betere toepassing dan korte verhaaltjes waarin iedereen wel iemand herkent, bij voorkeur zichzelf. Vandaar volgt het thema ‘Verhalen’, dat ik in gang schop met een kleine intro: een verhaal van Misschien wisten zij alles. Nu, vergis je niet, het is niet omdat het over de eekhoorn en de mier gaat of een olifant die in bomen klimt dat het kinderlijk eenvoudig is. De woordenton waaruit Tellegen zijn woorden grabbelt lijkt bodemloos. Om het enigszins toegankelijk te maken voor een NT2-klas heb ik dus hier en daar wat vrij vertaald van het Nederlands naar het NT2-s. De moeilijkste woorden leg ik dan uit. In het begin vond ik het prettig om het allerlaatste verhaaltje van het boek te vertellen, dat is meteen ook het langste. Het gaat over de eekhoorn en de mier die tijdens een wandeling naar de verte op een muur botsen, die eindeloos lijkt. Ze besluiten dat ze er alleen overheen kunnen, maar wanneer de mier over de muur kijkt, ziet hij niets. ‘Ook geen grond?’ vraagt de eekhoorn? ‘Nee, niets.’ ‘Dus alleen maar lucht?’ ‘Nee, geen lucht, niets!’ En zo gaat het maar door. Tot de cruciale vraag volgt: ‘Kan je je niet naar beneden laten zakken aan de andere kant?’ ‘Er is geen andere kant, er is maar één kant, en nu moet je niets meer vragen.’ De eekhoorn maakt dan een soort Hegeliaanse redenering: als daar niets is, is hier dus alles. Dan concludeert hij dat hij tevreden is met alles aan deze kant. ‘Meer hoeft er ook niet te zijn.’ Wanneer ik het verhaaltje heb gelezen speur ik meteen de gezichten van mijn cursisten af. Dit verhaal maakt altijd iets los, zij het positief dan wel negatief. In mijn ervaring is ongeveer een vierde van de klas enthousiast genoeg om meteen meer te lezen van Tellegen. Een ander kwart is vooral verward en zoekt naar een reden waarom hun leerkracht dit net heeft voorgelezen, behalve de enkele OVT’s. Het derde groepje vindt dit ongelooflijk saai want er gebeurt niets. En de laatste paar cursisten vinden het mooi zonder te weten waarom. Slechts een zeer beperkt aantal cursisten haalt de boodschap eruit. Ik begeleid ze naar deze moraal van het verhaal en zo komen we op het gezegde ‘het gras is altijd groener aan de overkant’, wat we dan vertalen in alle talen uit de klas. Wat ik fantastisch en opvallend vind aan het vertellen van deze verhalen is de eenwording van de groep. Plots is er geen verschil meer tussen de landbouwer uit Afghanistan, de biologe uit Peru, de fysicus uit Syrië, de doctoraatsstudent uit Rusland en de boekhouder uit Turkije. De verhalen overstijgen zowel de taal als het opleidingsniveau als de cultuur. Het verbindt ons als mensen, en dat is meteen de kracht van verhalen in het algemeen.

Lennart Vanstaen
9 1

Ik kom er nog goed vanaf

Ik omhels mezelf steeds vaker. In mijn eigen armen, stevig gekruist rond mijn middel, vind ik troost en warmte. Het is niet zo dat ik de aanraking van iemand anders mis en dat op deze manier tracht te compenseren. Ik schuw fysiek contact niet en heb het geluk omringd te zijn met mensen die daar hetzelfde over denken. Dat is ooit anders geweest, vroeger voelde ik me ongemakkelijk als mensen, zelfs vrienden, mij aanraakten. Alleen van mijn partner kon ik dat hebben. De laatste jaren is dat veranderd en gebeurt het knuffelen spontaan. Soms zelfs met wildvreemden, als het op dat moment juist voelt. Simultaan is het knuffelen met mezelf in mijn bewustzijn gegroeid. Ik ben het beginnen doen nadat ik me diepgaand realiseerde dat niemand zo goed voor mij kan zorgen als ikzelf. Niemand anders dan ikzelf kan haarfijn voelen wat ik nodig heb. Ik weet als geen ander wat ik wil en hoe mijn lichaam werkt. Tergende pijnen, wanhoop en andere eindeloos lijkende beperkingen heb ik doorstaan om er uiteindelijk achter te komen wie ik ben en waar mijn grenzen en sterktes liggen. Ik heb voor mezelf een leven gecreëerd waarin levensvreugde en dankbaarheid het leed overstijgen. Bevrijd van mijn zwaarste struikelblokken kan ik nu dansen, terwijl ik voorheen enkel kon kruipen. De ontdekkingstocht naar mezelf is nog steeds gaande en zal hoogstwaarschijnlijk blijven uitdeinen. Maar nu ben ik op het punt gekomen waar ik mezelf oprecht kan omhelzen en prijzen om de weg die ik heb afgelegd. En om de persoon die ik daardoor geworden ben. Mijn lichaam, dat altijd trouw tot mijn dienst staat, ook al heb ik dat soms geheel anders geïnterpreteerd, heeft veel te verduren gekregen. Zowel extern als intern werd het systematisch belaagd met toxiciteit van diverse aard. Het lijkt quasi onmogelijk om door het leven te gaan zonder daarmee in contact te komen. Het zit in onze voeding, lucht, aarde, water, medicijnen, technologie, kleding, relaties en gedachten. Tal van verdoken zelfdestructieve gewoontes worden al vanaf de kindertijd ingeprent en vaak ook doorgegeven van generatie op generatie. Zo denk ik bijvoorbeeld aan de gewoonte om de eigen gevoelens te onderdrukken en te handelen naar verwachtingen van anderen. Of de gewoonte om hard en veel te werken en de eigenwaarde zo rechtstreeks te koppelen aan prestaties. Of het dagelijks eten van gesuikerde zuivelproducten en het poetsen van de tanden met fluoride tandpasta. Dit zijn slechts 4 luttele voorbeelden in een massa aan manieren waarop we onszelf tekort kunnen doen in deze complexe wereld. Het maakt het leven zwaarder en verwijdert ons steeds verder van onze essentie. Klaarder dan ooit zie ik nu hoeveel destructie mijn lichaam heeft moeten verwerken. Het meest van de tijd was ik er niet bewust van. Wegens een gebrek aan zelfvertrouwen en een handleiding voor het leven, eigende ik mezelf allerlei handelingen en behandelingen toe die eigenlijk niet pasten bij mijn authentieke energie. Natuurlijk voelde ik wel dat er iets schortte, maar ik was het gewoon om mijn gevoelens te overstelpen met een kluwen aan gedachten, zoals zoveel mensen doen. Mijn lichaam liet steeds duidelijker blijken dat ik van mijn pad was afgedwaald, maar op doktersadvies werden deze signalen gesmoord en gelabeld als een ‘ongeneeslijke aandoening’. Het blindelings volgen van zogenaamde ‘geneesheren’ terwijl de eigen innerlijke bron aan kennis gewantrouwd of zelfs niet erkend wordt, is trouwens nog zo’n hardnekkige destructieve gewoonte die collectief als vanzelfsprekend wordt beschouwd. Al bij al, ondanks alle beproevingen die mij werden aangedaan en die ik mezelf heb aangedaan, kom ik er nog goed vanaf. Meer dan goed zelfs. Ik ben hier en daar wat onderdelen kwijt en ook vandaag moet het nog een ‘aanvaardbare’ dosis toxiciteit verwerken, maar mijn lichaam werkt desondanks prima. Het is veerkrachtig, vergevingsgezind en herstelt zichzelf keer op keer. Daarom omhels ik mezelf en spreek ik mijn dankbaarheid uit. De duisternis in deze wereld kan niet voorkomen dat mijn eigenliefde groeit. Integendeel.________________________https://www.karoliendeman.com/blog/2022/4/10/ik-kom-er-nog-goed-vanaf

KarolienDeman
11 0

Geschreven met aarde onder mijn nagels

Het schrijven stond de laatste maanden ergens onderaan mijn prioriteitenlijstje want ik had mijn hoofd en handen vol met het uitbouwen van een zelfvoorzienend paradijsje. Verborgen tussen de Vlaamse velden ligt het bosje waar ik mij dagelijks uitleef en met een aanmoedigende regelmaat inspirerende en gelijkgestemde zielen ontmoet. Het verval en vele sporen van vergane glorie vormden geen drempel om dit stukje grond aan te kopen en gestaag het licht er weer feller te laten schijnen. Vier afvalcontainers en een netwerk aan bedrijvige handen later, straalt deze plek als nooit tevoren. En dit alles binnen een relatief korte periode van een jaar. Geduld is nooit mijn sterkste punt geweest, het vuur in mij is gulzig. Mijn acties en keuzes maken deel uit van een inwaarts kerende beweging die al enige tijd aan de gang is. In plaats van op zoek te gaan naar en te vertrouwen op externe bronnen, word ik steeds beter in het bij mezelf ten rade gaan. Om te durven beslissen vanuit intuïtie en gevoel, ongeacht wat de buitenwereld aanraadt, is zelfvertrouwen vereist. En dat groeit. Het raadplegen van de innerlijke bron is onontbeerlijk als je het overleven wil omzetten naar écht leven. Ik hoor en zie rondom mij dat vele anderen tot diezelfde conclusie zijn gekomen. Het lijkt typerend voor deze tijdsgeest. In deze wereld is er voor elk probleem een specialist. Lekt de kraan, dan bellen we een loodgieter. Lekt het lijf, dan bellen we een dokter. In blind vertrouwen rekenen we erop dat de specialist ons probleem zal oplossen en ons de weg wijzen. De eigen richtingaanwijzers worden afgedekt of genegeerd. Totdat blijkt dat het probleem ons met ongeziene hardnekkigheid blijft tergen, dan pas zit de kans erin dat we vanuit wanhoop in een andere richting zullen tasten. Sommige mensen zullen hun innerlijke bron blijven ontwijken en er de rest van hun leven van uit gaan dat alles wat hen overkomt een externe oorzaak alsook antwoord heeft. Maar vele anderen menen te zijn ontwaakt uit een aangeleerde droomstaat en ontdekken met vallen en opstaan de reikwijdte van hun ware capaciteit. Als kinderen die leren lopen. Terwijl ik een voedselbos en spirituele ontmoetingsplaats aan het vormgeven ben, leer ik zaken waarvan ik vind dat het elementaire leerstof op scholen zou moeten zijn. Kennis die we nodig hebben om te leven in plaats van te overleven. Kennis die als tegengif tegen de aangeprate angst kan ingezet worden. De lessen biologie die ik mij herinner, getuigden van een educatief ontwerp dat vervreemding van de natuur en onszelf in de hand werkt. Het raakt de essentie niet aan en richt de aandacht op een simplistisch schouwspel aan de oppervlakte. Zo zit de mechaniek van de kunstmatige wereld waarin wij leven in elkaar. We worden belaagd door allerlei afleidende signalen die ons willen doen geloven dat we kwetsbare onwetende wezens zijn die een opeenvolging aan injecties en instructies nodig hebben om te kunnen overleven in de grote boze wereld. Wroetend in de aarde ontdek ik mezelf, want ik leer en voel duidelijker dan ooit hoe wij één en dezelfde zijn. Hoe we met ons lichaam omgaan, reflecteert glashelder hoe we de aarde behandelen. We hebben geen idee hoe ons lichaam werkt (want dat is iets voor specialisten), net zo min we weten waar ons voedsel vandaan komt. En we bombarderen ons darmgestel met antibiotica, net zoals we akkers uitputten met verdelgingsmiddelen en artificiële bemesting. Ik leerde dat permacultuur één van de antwoorden kan zijn op het herstellen van een evenwichtige connectie tussen mens en natuur. Het welzijn van de mens ontkoppel je niet van de gezondheid van de bodem. Een vruchtbare bodem is een basisvereiste. Met deze wetenschap in het achterhoofd ben ik fanatiek (het vuur, weet je wel) aan het zaaien en planten gegaan. Tot op het moment dat ik besefte dat ik werkelijk in staat was mezelf in een burn-out te tuinieren. Ik bereik erg veel met dat vuur van mij, maar dat perfectionisme en die faalangst erbij maken het geheel uiterst ontvlambaar, waardoor ik wel eens met schroeiplekken thuis zit te recupereren. Al bij al lukt het wel redelijk om mezelf tijdig in te tomen voordat ik de controle over de vlammen volledig verlies, met dank aan de fysieke kwaaltjes die me er op precies de juiste moment aan herinneren waar mijn grenzen van eigenliefde liggen. Naast het tuinieren en al andere to do’s die ik mezelf voorschrijf, ontwikkel ik mezelf gemotiveerd in een richting waar ik geen kwaaltjes meer nodig heb om te vertragen en mijn grenzen te respecteren. Eigenlijk ben ik mijn hardleersheid en strengheid jegens mezelf echt kotsbeu. In periodes dat mijn schrijven uitblijft, vindt er veelal een groeischeut plaats. In dit geval mag je dat ook letterlijk nemen. Na het vergaren van inzichten, komt er altijd wel een moment dat ik de noodzaak voel om ze esthetisch te bundelen in woorden. Ik wil begrijpen, vertalen en delen. Mijn leergierigheid ontspruit vanuit een verlangen naar een zo authentiek mogelijk leven, wat vrijheid impliceert. Vrij van de angst die voortkomt uit blinde afhankelijkheid, vrij van toxische stoffen, gedachten en relaties en vrij van al de rest dat een zuivere connectie met mijn essentiële zelf in de weg staat. Zelfvertrouwen, zelfredzaamheid en een netwerk aan gezonde liefdevolle contacten zijn de drie pijlers waar ik mijn beeld van de toekomst op laat rusten. Ik merk hoe het bosje een magnetische werking heeft op mensen die momenteel in een gelijkaardige vibratie vertoeven. Dit was dan ook één van de intenties die ik met deze plek verbond. Hier ontmoet ik mezelf en anderen te midden van het liefdevolle groen dat ons uitnodigt om naar hartenlust te spelen._________________________________https://www.karoliendeman.com/blog/2022/5/21/geschreven-met-aarde-onder-mijn-nagels

KarolienDeman
2 0

Een spons die iets meer steen wil zijn

Elk deeltje van mezelf mag er zijn. Ik wil het allemaal aanvaarden en moederlijk toedekken onder een meedogende blik. Ruwe kantjes hebben evenzeer bestaansrecht en -reden. Maar niet alles hoeft mijn aandacht en energie te krijgen. Bepaalde delen wil ik niet voeden en groter maken. Net zoals ik liever geen energie uitwissel met bepaalde mensen. Simultaan met mijn vibratie en bewustzijn transformeerden mijn omgeving en contacten. Het besef dat mijn externe realiteit een spiegel is van mijn interne processen, doet mij situaties ‘lezen’. Als ware het gecodeerde boodschappen die iets vertellen over mezelf. Elke ontmoeting is een zogenaamde ‘vibrationele match’, een passend puzzelstuk op mijn vibratie of ‘staat van zijn’ van dat moment. En elke confrontatie die moeilijk of ongemakkelijk voelt, kan geïnterpreteerd worden als een kans of uitnodiging om mijn vibratie bij te stellen. Zo krijg ik wel eens te maken met situaties of mensen die het thema eigenliefde en grensafbakening aansnijden. Dat doen ze geheel onbewust door gewoon zichzelf te zijn. Ze duwen aan mijn grenzen en schotelen mij vraagstukken voor waarbij ik de keuze heb om dicht bij mij mezelf te blijven of mezelf voorbij te lopen. Nog steeds heb ik de neiging om naar een gulden middenweg te zoeken, terwijl het ondertussen al jaren duidelijk is dat het handelen vanuit een gebrek aan eigenliefde mij uitholt. Zelfs al is het maar een beetje of slechts af en toe. Dat er veel zaken klaar en duidelijk geworden zijn, maakt het er niet perse gemakkelijker op. Mijn grensafbakening lijkt zich niet altijd vloeiend rond sociale regels en beleefdheid te kunnen plooien. Resoluut voor mezelf kiezen (niet te verwarren met egoïsme), rijmt niet altijd met wat volgens mijn sensitieve en empathische kant ‘juist’ is. Er zijn absoluut geen twijfels over wat juist voelt, in een ultieme zelflievende vrijheid, geheel losstaand van verwachtingen. Maar wat juist lijkt, gezien vanuit alle betrokken standpunten, is vaak het onderwerp van onderbuiks gepieker. Zo bevind ik mij, na enkele dagen voorheen krachtig te hebben besloten om mij omwille van mijn alles absorberende poreusheid beter af te sluiten voor de verhalen van anderen, tegenover een ratelende vrouw waarvan ik het gevoel heb dat ze zich energetisch als een klein aapje aan mij vastklampt. Ze huurt mijn yurt voor een nacht, met de al lang vervlogen intentie om er stilte te vinden, en aast op gelegenheden waarbij ze mij kan aanspreken. Ik luister terwijl ik zoek naar een gepaste gelaatsuitdrukking en houding. Iets tussen erkennend vriendelijk en beleefd afstandelijk. Mijn romp weggedraaid van haar, alsof ik reeds onderweg ben naar ergens anders. In gedachten stel ik een timer in die binnen enkele minuten zal afgaan. Dan moet ik weg. Ik geef haar nog 5 minuten die er uiteindelijk 15 blijken te zijn. Al kom ik soms in de verleiding, ik doe mijn best om op niets in te gaan van wat ze zegt. De vragen die ze mij stelt, staan alleen maar ten dienste van een uitbreiding of bevestiging van haar verhaal. Opgewonden van overtuiging deelt ze mij mee hoe het hele Covid-gebeuren rakelings langs haar heen passeert. Ze houdt zich er niet mee bezig en gelooft er niet in, zegt ze. Ze heeft respect voor iedereen die zich heeft laten vaccineren, maar dat gif komt niet in haar lichaam. Ik voel hoe haar frustratie een lichte druk op mijn maag uitoefent en krijg plots de impuls om mijn schoenen uit te doen. Onverstoord vertelt ze verder over alles dat ze aan weinig mensen kwijt kan, terwijl ik mij blootvoets inbeeld hoe er een heldere rivier doorheen mijn lichaam raast en alle spanning en toxiciteit wegspoelt, diep de aarde in. Mijn handen maken onopvallende gebaren waarmee ik een energetische muur creëer tussen de vrouw en mij in. Niets gaat erdoor, niets kan mij raken. Een paar uur na deze ontmoeting schrik ik van het hoofd van een buurman dat plots over de schutting verschijnt. Zoals ik van hem gewoon ben, komt hij met een verhaal waarin hij zichzelf neerzet als slachtoffer van onrechtvaardigheid. Eveneens naar gewoonte sluit hij af met een stilte die vraagt om mijn verontwaardigde reactie, die ik met alle wil van de wereld niet langer kan veinzen. Het uitblijven van een gewenste respons maakt dat hij zijn verhaal met verheven stem ietsje aangedikt herhaalt. Het universum voorziet mij vandaag van twee prachtexemplaren van kansen waarbij ik mijn voornemens om sterk in mijn eigen energie te blijven staan kan vormgeven. Ik evalueer mezelf aan het eind van de dag als stuntelig en onzeker, terwijl ik anderzijds ook weet dat ik op korte tijd best grote sprongen heb gemaakt. Ik ben als een spons die oefent in wat meer steen zijn. De aard van iemands vibratie en welk effect deze op mij heeft, openbaart zich relatief snel. Het zijn details in de communicatie, zoals bijvoorbeeld de woordkeuze, die mij vertellen waar iemand staat ten opzichte van zichzelf en de wereld. Ook of een communicatie al dan niet ‘helder’ aanvoelt, is een grote indicator van de vibrationele frequentie van de ander. Manipulatie verschijnt in verschillende gedaantes, van subtiel en gewiekst tot ronduit grof en onbeholpen. Maar wat elke vorm van manipulatie gemeen heeft, is het troebele karakter van de communicatie. Het voelt alsof er ruis op de lijn zit, alsof niet alles goed doorkomt of begrepen wordt. Als een connectie niet helder is, loopt deze via kronkels en omwegen en een empaat zal deze van nature uit proberen te volgen, vaak met het verlies van zichzelf als resultaat. Tenzij het een geleerde empaat is die vanuit ervaring een keerpunt heeft bereikt en niet langer meegaat in de oneindige en zelfbeperkende verhalen van een ander. Wat niet hetzelfde is als onverschilligheid. Ik ben er mij bewust van dat ik mezelf ontmoet in een ander, dat mijn ik zelfs overloopt in een ander en in mijn omgeving, en omgekeerd. Maar anderzijds is het ook van cruciaal belang voor mijn welzijn dat ik de begrensdheid der dingen respecteer. Ik erken, aanvaard en eer de dualiteit van het grenzeloze dat niet kan bestaan zonder grenzen. En zoek mijn evenwicht op de deiningen die ontmoetingen met zich meebrengen.____________________________ https://www.karoliendeman.com/blog/2022/6/9/een-spons-die-iets-meer-steen-wil-zijn Foto door Lieven Herreman ©https://www.lievenherreman.com/

KarolienDeman
8 1

Hipster's paradise

Naar hippe feestjes ga ik enkel als ik daartoe gedwongen wordt met de dreiging van openbare geseling en vierendeling, behalve als mijn goede vriend Jonas Michielssen zijn zevenendertigste verjaardag viert. Jonas en ik leerden elkaar kennen toen we samen filosofie studeerden. Hij was een flamboyante, sociale man-van-de-wereld, een kunstkenner en geboren netwerker, terwijl ik als eenzame, sarcastische cultuurbarbaar mijn hogere studies louter aanvatte omdat ik nu eenmaal niets anders kon aanvangen met twee linkerhanden en een teveel aan nutteloos gepieker. Vandaag werkt Jonas als adviseur cultuurbeleid voor de Europese Commissie, terwijl ik nog steeds een eenzame, sarcastische cultuurbarbaar ben. Om raadselachtige redenen die enkel God kan bevroeden bleven Jonas en ik contact houden. Zo geschiedde dat ik op zaterdagavond 4 juni 2022 belandde op zijn verjaardagsfeestje in een luxeappartement op tien hoog, gevuld met hipsters die zo zelfingenomen waren dat ze high werden van de geur van hun eigen winden. Het feestje verliep zoals je van een hipsterfeestje kan verwachten. De hapjes bestonden uit ongezouten speltkoeken, groentenchips en een dipsaus die een verdachte gelijkenis vertoonde met de substantie die Jonas’ kater achterliet onder het salontafeltje. We dronken gemberlimonade van de wereldwinkel en natuurwijn, die uiteraard niet te zuipen was. Godzijdank had iemand (bij wijze van ironisch statement) Cara Pils binnen gesmokkeld, waardoor het toch nog een matig gezellige avond werd. Fotograaf van dienst was Nina, de Amsterdamse vriendin van Jonas, een gespeeld introvert meisje met knalrode lippen, een hoornbril zonder glas en haren met de kleur van zeewier. Ze droeg een oranje beanie en een sjaal uit de Think Twice, ofschoon het buiten 27° was. Toen ik haar daarop attent op maakte haalde ze slechts haar schouders op en nam een foto van mij met een flits die zo fel was dat ik stuiptrekkend ter aarde stortte. Nadat ik hersteld was van dit catatonische intermezzo ben ik per direct naar huis gegaan, maar niet zonder eerst mijn sigaret uit te duwen op de muts van Nina. Te oordelen naar de talrijke foto’s die de dagen nadien opdoken op sociale media heb ik weinig gemist. De Instagram-stories van Nina en Jonas toonden steeds dezelfde stereotiepe beanies, baarden, ruitjeshemden en bandshirt– ad infinitum, maar vooral ad nauseam. Los van de stilistische monotonie waren de hipstervrienden van Jonas best een divers zootje. De ene helft was veganist, de andere zweerde bij geroosterd vlees. De ene helft was geheelonthouder, de andere snoof zich een gat in hun schedel. De ene helft was libertair, de andere socialist. De ene helft had een biologische moestuin, de andere dacht dat maïs in blik groeit. De enige onderscheidende kenmerken van het hipsterdom zijn eenheid in stijl en eenheid in minachting. Net dat maakt van de hipsters - deze zelfverklaarde non-conformisten - de belichaming van de universele mens. Neerkijken op buitenstaanders is immers de kern van de menselijke conditie. Het enige wat mensen onderscheidt is de woordenschat waarmee ze elkaar veroordelen. Alles wel beschouwd heb ik dus weinig redenen om neer te kijken op hipsters. Alleen is het zo dat elke klasse zichzelf bepaalt ten koste van de andere - en ik ben nu eenmaal een klasse apart. Pieter Van der Schoot Foto: Eggo123, CC BY 3.0 https://creativecommons.org/licenses/by/3.0, via Wikimedia Commons

Pieter Van der Schoot
16 1

Stijf van de coke

‘Het beste wat je kan doen is gezouten boter aanbrengen op de blaar. Dat zorgt ervoor dat de eikel beter smaakt tijdens het pijpen. Bovendien valt op deze wijze de geur van de etter niet zo op.’ Deze tip kreeg ik op een regenachtige dag in juni van mijn middelbareschoolvriend Maarten De Vriend, toen we na afloop van onze laatste examens van ’t vijfde humaniora rondhingen in zijn ouderlijke huis te Noorderwijk, een kast van een villa met twee badkamers, een sauna, een zwembad en ruimte voor een pony. Pa en ma De Vriend waren tot ’s avonds laat aan de slag op hun advocatenkantoor en Maartens oudste broer Imhotep zat op kot in Leuven. Kortom, we hadden het huis voor ons alleen en dus was er ruimte genoeg om elkaar seksueel voor te lichten aan de hand van plaatjes die we vonden op het internet of op de harde schijf van vader De Vriends desktop. Wat ook hielp was dat we stijf stonden van de coke. Dat coke de creativiteit stimuleert is een welbekend feit, maar ook het naakte lichaam van Maarten werkte als een stimulans voor mijn geest. Maarten liep al de hele namiddag rond in zijn adamskostuum. Zijn kleren had hij eerder op de dag verloren, nadat we – naar aloude post-examentraditie – in ons blootje waren gaan zwemmen in het Albertkanaal. Toen we uit het water kwamen, bemerkte Maarten dat zijn jeans en t-shirt verdwenen waren. Ongetwijfeld waren die ontvreemd door een roedel kobolden, wezens die in het nabijgelegen natuurgebied Vuilvoort veelvuldig voorkwamen. Daar Maarten een groot liefhebber van sprookjesfiguren was, liet hij de zaak vallen en fietste poedelnaakt naar huis. Dat vond hij zo erg niet, want het was die dag behoorlijk warm, ofschoon het pijpenstelen alsook luttele oude wijven regende. Tijdens het fietsen boog hij zich naar voren en ging daarbij op het puntje van de smalle zadel zitten. Ik volgde hem van zeer nabij en moest regelmatig mijn snelheid minderen om te voorkomen dat ik in zijn gat zat.   De doorzopen zomerdagen in de tuin van de familie De Vriend waren de fijnste en meest concrete herinneringen die ik overhoud aan mijn jeugd. Doorgaans waren we met een groepje van 5 à 6 nauwe vrienden, waartoe ook Jeroen Campo, Rebecca De Vos, Dagobert Van Genechten en Mie Paling behoorden, maar de momenten die ik het meest koester zijn de middagen waarop Maarten en ik hand in hand, poedelnaakt en stijf van de coke op een schapenvacht voor de TV zaten te kijken naar herhalingen van FC De Kampioenen. Vreemd genoeg liep het slecht af met Maarten. De ellende begon toen hij – op instigatie van zijn kleinburgerlijke ouders – rechten ging studeren aan de KU Leuven. Nadat hij op de leeftijd van 17 jaar en 364 dagen zijn debuut had gemaakt in een actiefilm van Eddy Lipstick, besloot zijn vader Manfred-Jacobus De Vriend dat Maarten zijn ontluikende artistieke roeping gedag moest zeggen en in de voetsporen diende te treden van zijn voorouders. Tijdens zijn eerste bachelor aan de veel te Katholieke Universiteit van Leuven speelde Maarten nog enkele bijrolletjes in een paar arthouseprojecten van de Grieks-Wit-Russische cineast Dennis Black Magic. Daarna ging het echter stijl bergaf met hem. Blijkbaar zat de advocatuur ook hem in het bloed, als een genetisch defect. Hij wijdde zich volledig aan zijn studies en toen hij uiteindelijk summa cum laude afstudeerde als Master of Arts in de Rechten was dit meteen het laatste cumshot van deze eens zo veelbelovende artiest. Pieter Van der Schoot Afbeelding: Salim Virji, CC BY-SA 2.0 https://creativecommons.org/licenses/by-sa/2.0, via Wikimedia Commons

Pieter Van der Schoot
23 2
Tip

Hoe Pile je Slush?

Mijn fantastische manuscript is af. Al enige tijd, en wat doet de trotse schrijver? De hele wereld zit op je te wachten, en je wilt je briljantie niet voor jezelf houden, dat zou egoïstisch zijn. Dus, hup! Naar de (zorgvuldig uitgekozen) uitgever.    Ik ben niet in het bezit van reeds gepubliceerde schrijfsels en ken geen vrienden, kennissen of andere via-via personen in de uitgeefwereld, dit betekent één ding: met een elegante zwaai, gooi ik mijn tekst op de Slush Pile.   En daarmee begon mijn probleem: waar komt mijn manuscript terecht? En hoe? Ik kan helemaal niets met de term “Slush Pile”. Komt mijn kleinood ‘op’, ‘tussen’ of ‘onder’ de Slush Pile?   Of is elk manuscript een onlosmakelijk onderdeel van de Slush Pile en niet apart van die Pile te benoemen? Zo’n Pile met aanwas en afvallers is een soort zichzelf continu vernieuwend organisme dat schrijfsels eet, half verteert en afwijzingen uitpoept. En héél af en toe borrelt een boertje omhoog, als een verhaal mogelijkheden tot publicatie biedt.   Natuurlijk wed ik niet op één paard en ligt mijn manuscript nu op meerdere Slush Piles, Slushen Pile of stapels Slush Pile, of wellicht Slush(t/ed) het op meerdere plekken Pile.   Of als de Pile al uit meerdere manuscripten bestaat, is meervoud onzin? Zelfs als deze zich toevallig op verschillende fysieke locaties bevinden? Het ligt op de abstractie die “Slush Pile” wordt genoemd.     Je zou zeggen: elke uitgever één pile, da’s logisch, maar uitgevers besteden lezen uit aan stagiaires en freelance beoordelaars die niet allemaal op dezelfde plek werken, dit geeft meerdere Pilen Slush per uitgever. Of ligt mijn trotse, aanstaande publicatie meerdere keren op de overkoepelende abstracte Slush Pile?    U begrijpt het: dikke stress en slapeloze nachten bij MCH de schrijver. En hoe zou mijn manuscript, als voortbrengsel van mijn geest een deel van mijzelf, zich hieronder voelen: tussen alle andere Slush gepilden? Zo stilletjes en alleen in de grote, anonieme massa?   Gelukkig heb ik de eerste afwijzing binnen, dat is een zorg minder. Dat manuscript heeft rust en is ontslushpiled of slushontpiled of ontpiled van de slush.    Ofzo.   Snel uitkijken naar de andere afwijzingen, kan ik eindelijk rustig slapen.

MCH
79 5

Ieder zijn mening

Heerlijk, waar mensen zich toch druk over kunnen maken. Je kunt geen krant openslaan of geen social media-site benaderen over iedereen valt over elkaar heen over Johan Derksen, VI, Angela de Jong en al de mensen die vanuit hun expertise daar een zogenaamd gefundeerde mening over hebben. Natuurlijk vaak weer, het blijft mijn stokpaardje, in het meest vreselijke Nederlands. Een voor mij onbekende maar duidelijke nieuwe ster aan het firmament is Yvonne Coldeweijer, een Youtuber die het heeft over juice. Ik ben een simpele ziel dus ik dacht in eerste instantie dat het weer zo’n vlogger was die je aan de meest verschrikkelijke drankjes wilde krijgen. Van die drankjes die een kleur hebben waarvan je denkt “dat kan nooit voor menselijke consumptie zijn”. Maar nee, juice is roddelpraat. Nou heeft mijn moeder mij geleerd dat je niet mag roddelen. Iedereen doet het wel eens, dat weet ik ook wel, maar mij geeft het toch altijd een beetje het gevoel van “ik doe iets dat fout is”. Toch heeft deze Yvonne het roddelen tot een ware kunst verheven. Ze schijnt ook wel eens scoops te hebben, poeh. Haar directe concullega’s runnen een YouTube-kanaal dat RoddelPraat heet. Ik weet niet of ik het mag zeggen, maar dan twijfel je toch een beetje aan de intelligentie van de presentatoren. Of ben ik nou gek. Nou ja, wellicht is er veel geld mee te verdienen. Want hoe was het ook weer, ‘geld dat stom is, maakt recht wat krom is’. Natuurlijk verraad ik nu ook weer mijn leeftijd maar ik blijf toch echt het gevoel hebben dat er iets aan de hand is met onze normen en waarden op dat gebied. Ik heb de YouTube kanalen zelf nog nooit bekeken. Maar ik moet eerlijk zeggen, ik heb ook nog nooit naar het programma Vandaag Inside gekeken. En als een talkshow gaat over de uitslag van het Songfestival, dan haak ik ook meestal af. Ieder zijn mening hoor, maar is er niks ernstigers in de wereld aan de hand dan de opgeblazen verhalen van Johan Derksen en de daaropvolgende over elkaar heen buitelende BN’ers (al dan niet zelfverklaard)? Het lijkt me toch van wel. En daarmee wil ik het probleem van ongewenst gedrag niet bagatelliseren, helemaal niet. Maar als we het op deze manier aanpakken, wordt het volgens mij een farce. En daar schiet niemand iets mee op.    

Machteld
3 0

Zelluf doen

Als kind al was ik van het kaliber “zelluf doen”. Als oudste van vier kinderen werd dat ook wel een beetje verwacht. Er waren in het drukke gezin altijd wel dingen die meer aandacht nodig hadden. Wat je zelf kon, dat moest je ook gewoon zelf doen. Dat zelfde gold voor klusjes in huis. Afdrogen moesten we bij toerbeurt, je kamer opruimen was iets wat heel normaal was. En regelmatig werden we om een boodschap gestuurd. Ook toen ik ouder werd, vond ik het lastig om hulp te vragen. Ik ging liever zelf op onderzoek uit en pas als ik er zelf echt niet uit kwam, dan ging ik eens aan de bel trekken. Maar dat was echt pas als ik vastliep en het niet meer zag. Nadat ik mijn maatje had leren kennen, bleef dit mijn manier van leven. Mijn maatje was nl. precies hetzelfde. Die vond het ook maar lastig om om hulp te vragen. Natuurlijk overlegden we samen, maar dat was toch anders. Hij was de handige van ons twee en ik was meer de administratieve. Dat vulde elkaar lekker aan. Dus wat we konden, deden we samen. Nu ik alleen ben achtergebleven, merk ik dat ik tegen hele basale dingen aan loop. Sommige dingen lukken best hoor, zo heb ik laatst helemaal zelf het water in de verwarmingsketel bijgevuld omdat ik ’s morgens onder de douche wilde stappen maar enkel koud water kreeg. Na een rondje schelden ben ik op onderzoek uitgegaan en heb het voor elkaar gekregen. Een kwartier later stond ik onder een warme douche. Apetrots op mezelf. Andere dingen lukken me helemaal niet zelf. En dat zijn helemaal geen praktische zaken. Natuurlijk, ik vraag advies over dingen waar ik geen verstand van heb, maar ik moet echt leren om ook om hulp te vragen als ik het een keer moeilijk heb. Als het alleen zijn even echt te veel wordt. Ik vind het moeilijk, ik wil mensen niet tot last zijn. Het is geen kwaad wil, ik moet het nog leren. Maar ik doe mijn best en ik denk dat het steeds beter gaat. Gelukkig zijn er ook lieve mensen die geduld met me hebben. Die ook snappen dat het niet allemaal vanzelf gaat. Dat ik wel wil, maar soms mezelf gewoon in de weg loop. Want tja, eigenwijs ben ik en zal ik, vrees ik, ook altijd wel blijven.

Machteld
8 0

Schilderen

Mijn maatje en ik riepen het al een tijdje, “we moeten echt laten schilderen hoor, in de woonkamer”. We waren (en ik ben) niet echt een klusser dus het werd eigenlijk keer op keer uitgesteld. Tot ik vorig najaar riep “en nu gaan we het echt plannen”. Door alle gebeurtenissen werd het (begrijpelijkerwijs) weer uitgesteld maar nu was het dan echt zo ver. De huiskamer zo ver als mogelijk leeg, alle planten, foto’s en andere kleine spullen naar boven of naar de garage, gordijnen er af. Pfff, het huis was ineens helemaal geen thuis meer. Stef vond het ook vreselijk, hij liep maar heen en weer en zou het liefste boven op mijn bed gekropen zijn. Jammer, maar dat ging toch even niet door. Dit was wel het moment voor mij om ook eens kritisch rond te kijken. Wat wil ik nog wel terug en waar ga ik afscheid van nemen. Ik hecht niet zo aan spullen maar mijn maatje was daar anders in. De lamp in de hoek bijvoorbeeld, ik ben er op uitgekeken maar mijn maatje vond hem nog altijd mooi. Wat doe ik er mee. Wegdoen voelt, hoe misplaatst ook, bijna als verraad. Hij moest weg voor de schilder dus ik maakte maar vast een foto, misschien kon hij toch op Marktplaats. Even later werd de beslissing voor me genomen toen ik de glazen kap liet vallen. In duizend stukjes. Tja. Toen alles van de muur was, werd toch wel duidelijk dat het echt nodig was. Een paar dagen tandjes bijten en dan is het leed weer geleden. Gelukkig ben ik ’s avonds overal welkom. Zo in een afgetakeld huis zitten is ook niet alles. Het lijkt wel of het dan niet warm te stoken is. En gek, ik voelde me er toch meer verloren dan normaal. Mijn veilige plek voelde even niet zo. Inmiddels is een hele vriendelijke en gemoedelijke schilder bezig. Uit zijn meegebrachte radio schalt de Nederlandstalige muziek. Of ik daar bezwaar tegen had? Welnee, helemaal niet. Bovendien ben ik veel te blij dat hij me komt helpen. Ik moet er niet aan denken dat ik dat allemaal zelf had moeten doen.    

Machteld
0 0
Tip

Weer naar de Ardennen

Het vrouwtje was een beetje nerveus, hij zag het. Ze was bezig met het verzamelen van spullen. Zelfs de krat uit de garage werd klaargezet. Wat raar, dat deed ze vroeger altijd als ze naar de camping gingen. Zou het? Hij zorgde dat hij niet in de weg liep, dat zou het vrouwtje nu niet leuk vinden. Maar hij bleef wel alert, want als het vrouwtje ging, ging hij toch zeker wel mee. Gelukkig zette ze inderdaad ook zijn spulletjes klaar. Hij durfde er nog niet zeker van te zijn, ze waren al zo lang niet meer op de camping geweest dat hij was gaan denken dat ze niet meer zou willen, zonder het baasje. Toen ze eenmaal onderweg waren, durfde hij het toch een beetje te hopen. Weer die hele lange weg, hij ging maar eens op zijn gemak slapen. Als hij straks wakker werd door een hobbelweg vol grind, dan wist hij het zeker. En ja, inderdaad, het zoeven hield op en de hobbel de bobbel begon. Hij ging er maar eens voor zitten, hopelijk waren zijn vriendinnen er ook. Hij had wel gehoord dat die ook een nieuw vriendje hadden, Ozzy. Maar ach, die zou hij wel aankunnen. Toch? Het vrouwtje parkeerde de auto en ze gingen inderdaad bij zijn vriendinnen kijken. Hij zag dat het vrouwtje er moeite mee had, ze moest even een traantje wegvegen. Ach, wel zielig hoor. Toen ze op het terrasje kwam en de mensen daar begroette, moest ze zelfs echt huilen. Waarschijnlijk omdat het baasje er nu niet bij was, dat moest het wel zijn. Ze hadden ook een ander plaatsje gekregen. Kleiner, niet meer langs de rivier maar wel met meer buren. En heel veel zon. Heel anders, maar ook wel fijn. Hij ging maar eens op pad, gelukkig waren er nog veel bekenden. Die kwamen het vrouwtje ook helpen om alles recht en goed te zetten. De auto werd leeggehaald en even later konden ze lekker zitten. Het werd toch een echt weerzien. Veel mensen kwamen aan het vrouwtje vragen hoe het met haar ging. Dat vond ze best fijn, dat zag hij wel. En ’s avonds gingen ze naar zijn vriendinnen en hun nieuwe vriendje. Uiteraard had hij die wel duidelijk gemaakt dat hij de baas was. Die Ozzy was wel groot en nog heel jong, maar uiteindelijk had hij het toch wel begrepen en was hij gaan liggen. Pfff, het had hem wel kruim gekost hoor, dat had hij ’s zondags toch wel moeten bezuren. Hij had er gewoon mank van gelopen. Maar ja, dat had hij er wel voor over gehad. Gelukkig had het vrouwtje het op zondag ook lekker rustig aangedaan. Ze had zitten lezen in de zon en hem niet gedwongen een hele wandeling te gaan maken. Ja, even naar het terrasje, maar dat was niet zo ver. Op de terugweg had hij weer lekker liggen slapen. Hij dacht wel dat ze nu wat vaker zouden gaan. Anders zou ze zijn kussen niet daar achtergelaten hebben. Hè, fijn, hij hield van de camping. Stiekem was hij toch ook wel trots op het vrouwtje. Want ze had het toch maar weer gedaan.    

Machteld
55 3