Zoeken

Het hoeft geen verschil te maken, noch een betekenis te hebben.

Ik hoop dat iemand ooit lang genoeg van mij kan houden. De sleutels hang je aan het haakje naast de deur bij thuiskomst.Je staat met de tippen van je tenen op de hiel van je andere voet, trekt hem uit je schoen en laat ze in je pantoffel glijden. Je staat er niet bij stil of je al weet hoe laat het is, omdat je honderd keer op een dag naar je horloge kijkt. Het water kookt al; straks is de koffie klaar die je niet volledig zal uitdrinken. Op automatische piloot zet je de melk terug in de koelkast en druk je mij een kus op mijn schouder. Een tussenstop van het aanrecht naar de koelkast. Het hoeft geen verschil te maken, noch een betekenis te hebben.Als je van me kan houden tot dat niveau, prijs ik me gelukkig. ’s Avonds kan je vergeten je tanden te poetsen, zonder er ’s nachts van wakker te liggen. En bij ons zou dat net zo zijn. Het voelt anders, nu je benen op een kussen liggen i.p.v. op mijn schoot, maar het voelt net zo goed. ’s Morgens voelt je mond wat raar, maar het bederft niet de smaak van alles wat je die dag eet. En bij ons zou dat net zo zijn. Mocht het haakje afbreken, zou je je sleutels op het kastje leggen. Wollen sokken zouden in minder dan een dag tijd je pantoffels inwisselen. Je zou je verbazen over hoe dicht de koelkast eigenlijk bij het aanrecht staat, mocht ik er niet tussen zitten. Je zou voelen dat het anders is, maar het zou net zo goed zijn. Je geeft me een kus, omdat je dat elke dag daarvoor ook deed. Het zou een traditie worden, waarvan je de oorsprong vergeet. En het besef zou komen dat kerst evengoed gevierd kan worden zonder kalkoen. Het zou aanpassing vergen; zonder dat je me mist, omdat ik niet aan je ontbreek. En ik leef op hoop dat je niet stil zal staan bij vanzelfsprekendheden.

Amarant Plas
1 0

11/11/2022

Omdat een dagboek door één paar ogen gelezen wordt - of dat toch de bedoeling is - en dit gelezen moet worden door een paar andere dan de mijne. Gewoon om het bestaansrecht te geven. Soms kom ik liever niet onder ogen wat onder mijn neus gebeurt. Eergisteren kreeg ik het telefoontje. Om eenentwintig uur vijftig. De dokters hebben hun handen vol met je. Niemand mag je zien. Er is geen plaats op intensieve, dus brengen ze je naar het eerstvolgende dichtstbijzijnde ziekenhuis. Je wordt geëscorteerd, opnieuw door de MUG. De kans dat je de overplaatsing niet haalt is reëel. Je ademt zwaar, ze beschrijven het als snurken. Maar niemand krijgt je wakker. Van de weinige vermoedens verklaart geen enkele volledig de toestand waarin je je bevindt. "Levensgevaar" valt op de achtergrond.  Wat later wordt abrupt afgelegd. Nog wat later gaat mijn telefoon niet een keer volledig over voor ik alweer grondgenageld aan de lijn hang. Wat ondubbelzinniger hoor ik over goede uitslagen van bloedafnames en longfunctie. Alleen is het niet goed, want waarom gaat het dan niet goed? Ik antwoord niet op de gestelde vragen, omdat ik het niet weet en omdat ik allemaal niet weet. Scans zijn gepland. Uitsluitsel kunnen ze niet geven. Hierna kom ik te weten dat je subcomateus bent. Sub. Subcomateus. Ik hoor het als "een beetje in coma" en dat klinkt absurder, hoe meer ik erover maal. De wereld is één grijze zone, tussen al het zwart-witte, en waar ik me precies op die schaal van geloof bevind heb ik nog niet uitgemaakt. Alleen weet ik heel goed waarin ik níet geloof; het subtotaal bij een afrekening. Het blijkt altijd erger. Twintig minuten mocht ik je zien vandaag. Ik was voorbereid - dacht ik. Ik verwachtte teleurstelling, dan kan het alleen maar beter zijn - maar dat was het niet. Je benen en armen gingen bruusk alle kanten op. Je blaassonde trok je uit tot er een bloedbad ontstond. Je infuus staken ze in het grootste bloedvat - die in je hals blijkt te liggen. Op prikkels reageerde je niet. Ook niet op de prikkel die in tranen je hand vastnam en al honderden keren eerder je reactie peilde met een "Ik zie je graag". Ik heb gelezen dat je alles kan horen in die momenten, dus: "Ik zie je graag. Je hoeft niet meer te vechten als dat te moeilijk is. Je mag gaan en voor geluk kiezen, als je te veel pijn hebt..." "... Je mag ook koppig zijn en niet luisteren naar wat ik net allemaal heb gezegd." Ik heb nog twee lutele minuten over om te delen wat ik morgen wil vergeten: Een coma komt niet in voor doornroosjesgeur en maneschijn.

Amarant Plas
7 2

Aan zij die de wereld op hun schouders dragen

Zacht zoekend mens, jij met je voorzichtige tred, die doornige paden effent. Moederziel alleen in de grootse luidheid van alles tegelijk. Wat ben je moedig en te afgeleid om dat zelf te kunnen zien. Wat ben je krachtig, doch ontvleugeld en gekooid. Klein en kwetsbaar werd je dit leven ingeworpen, als een zaadje in een stervende bodem. Het lag niet aan jou dat wortelen moeizaam ging. De ware aard van jouw potentie werd jou verzwegen. Of afgedaan als onzin. Had het niet aan het leed gelegen, dan had je nog steeds geen flauw benul.Ja, dat leed. Al dat leed. Een stippenlijn op de kaart van jouw leven. Een lijn in jouw handpalm. Het heeft jou op de knieën gedwongen. Je hebt meermaals de levenszin uit jouw hart voelen vloeien. Smekend, smeulend, stervend. Je was bereid een pact met de duivel te tekenen. Als het lijden maar zou stoppen.Tastend in pijn (waar is de les?). De uitgeteerde verlangens opgeborgen (bestaat er een ‘later’?). Alle vensters uitzichtloos (is er een uitweg?)Jij, mooie ziel, jij bent een soldaat. Een magische krijger. Getraind om te overleven in tergende omstandigheden. Geleerd en gevormd door een wereld die de jouwe niet is. Gevoel is de klei waar jij mee schept. Stilstand geeft jou voorsprong. Met de ratrace in de zijlijn, zichzelf traag opbrandend, groei jij steeds dichter naar de kern van jouw bestaan. Te midden van stinkend slijk strek jij je kruin uit, een meesterlijke prestatie die ongemerkt blijft voor naar buiten gerichte ogen. Jouw miskende vermogens worden steeds scherper. Met jouw rantsoen aan lijdenslessen, kom je meerdere winters door. Waar anderen doodvriezen, is de koude jouw deken.Jij kent de diepte van het water, toen je dook en nooit dacht boven te komen. Jij vindt wegen in het donker en weet waar de valkuilen liggen. Jij bent gestorven zonder te vertrekken. Lieve engel, jouw slingerend dwaalspoor ontvouwt zich als een leidraad voor anderen. Jouw gespartel is een bevrijdende dans. Jij bent het gouden laagje onder de alom dwarrelende en kleverige oppervlakkigheid. Jouw bestaan is een ongevierde overwinning.Deze woorden worden uitgestuurd om jou te eren, bevestigen en erkennen. Je wordt gezien. Je bent niet alleen. Weet dat jij een verschil maakt. Dat jij de belichaming bent van hoop, wilskracht en puurheid. De ingetogen vonkjes die schitteren in jouw kielzog, groeien al snel uit tot kampvuren waarrond wij de essentie bezingen. Heb maar vertrouwen in jouw authentieke wil die je in ogenschijnlijk averechtse wegen kletst.Oprechte dank voor het licht dat jij bent en uitzendt. Bedankt om te bestaan en om, ondanks alles, ook te blijven. Bedankt voor het voelen, doorheen ziel en been.Dit is een ode aan de absoluut niet te onderschatten subtiliteit en sensitiviteit. Herinner wie je bent en blijf herrijzen, transformeren, groeien en stralen. Weet dat eigenliefde geen leegtes vult, maar ze oplost, dus zorg goed voor jezelf. En geef je over aan de golven van het zijn.Liefs, Karolienhttps://www.karoliendeman.com/blog/2022/11/10/aan-zij-die-de-wereld-op-hun-schouders-dragenFoto door Toni Meert ©

KarolienDeman
6 0

Voor Nick (brief aan een vriend)

"Onze feestjes waren korte, hoogenergetische uitbarstingen in een leeg universum." Dag Nick, Na dertien jaar vriendschap schrijf ik je voor de eerste keer een brief. De grote dingen des levens bespreken we liever via sms of WhatsApp, in kleermakerszit in een park of wandelend door de stad. Ik ga echter door een fase, waarin om elke hoek demonen sluipen, en die beesten ga ik liever al schrijvend te lijf. Dat is nu eenmaal mijn natuur. Niet dat ik jou als een duivel beschouw. In mijn leven ben je veeleer een engelbewaarder – al vertelt de wijsneus in mij daar graag bij dat ook Satan een gevallen engel is. Hoe dan ook, met duivels zijn we allebei vertrouwd. Dat was zo tijdens onze apenjaren in Leuven en dat blijft zo tot vandaag.  Vandaag wil ik graag terugblikken op die tijd. Je weet dat ik een hekel heb aan nostalgie. Als ik achteruitkijk, dan gebeurt dat meestal om twee redenen: wrok om wat gebeurd is, trots om wat ik overwonnen heb. Vandaag kijk ik terug uit dankbaarheid. "We waren twee bastaarden uit een provinciaal koekoeksnest. In afwachting van het Grote Avontuur, verdreven we onze studententijd met giechelen, ginnegappen, badineren, roken en drinken." Onze vriendschap begon in de bier- en sigarettennevels van de Oude Markt. We zaten samen op een terras met wat gemeenschappelijke vrienden en vonden elkaar in een ongepaste grap, een scherpe mening, een politieke stellingname waarvoor we ons nu zouden schamen, of een schimpschot richting de kleine, Vlaamse burger waar we zo’n hekel aan hadden. Je weet wel: de kleine burgerman die een buxuswoud met tuinkabouters in de voortuin van z’n fermette heeft staan en een gemiddelde van 1,8 joelende kinderen meezeult op de achterbank van z’n Citroën C3. Zelf waren we twee bastaarden uit een provinciaal koekoeksnest. In afwachting van het Grote Avontuur, verdreven we onze studententijd met giechelen, ginnegappen, badineren, roken en drinken. Beeldspraak is de enige manier om de magie tussen ons te evoceren. Veel anekdotes ontglippen mij immers. Trauma en drank doen nu eenmaal vreemde dingen met het geheugen. Daarom zijn mijn droefgeestige buien ook zo tragisch. Ik dool voortdurend in mijn verleden, maar zie enkel mistbanken en een paar vage contouren. Ergens in die mist stroomden twee waterlopen samen in één machtige rivier. In het midden van die rivier stond als een eiland jouw groene salontafeltje. Daar deelden we dezelfde sigaretten, dezelfde vervallen Cara Pils, dezelfde opgestoken middelvinger en dezelfde lach. In jouw vaarwater dreef een bont allegaartje van wereldverbeteraars, radicalen, stoners, dromers, halve garen en hele neuroten. Stuk voor stuk fijne mensen, zij het een beetje raar.  "Terwijl jij in je bed sliep, vielen jouw gasten al rokend neer op de vloer en branden nieuwe gaten in het linoleum." Als jij de Rijn was, dan was ik een bergrivier. Mijn stroom was te wild om langdurige vriendschappen mee te slepen. Veel sociale banden lagen in diggelen in Antwerpen, de vorige stad waar ik had gestudeerd, maar wie ver genoeg stroomopwaarts klom, stootte op grotten en houten kisten met dubbele bodems. Uit die plekken kon ik eindeloos verhalen putten. Zo ontstond vanzelf de rolverdeling in het theater van ons bestaan: jij was de netwerker, ik de entertainer. Je noemde mij een aandachtshoer, maar in jouw mond klonk dat niet als een belediging.  Ik wist dat je gelijk had en dat je het nooit tegen mij zou gebruiken. De hoofdakte moet trouwens alle blikken naar zich toe zuigen. Bovendien was ik niet de enige clown, relschopper, dramaqueen of punkin’ instigator in jouw gezelschap. Je zocht de turbulentie op, maar bleef zelf altijd rechtstaan in het gekolk. Je had het talent om mensen te kalmeren die in andere omstandigheden tekeer gingen als een windvaan tijdens een noordzeestorm.  Daarvoor was engelengeduld nodig. Veel nocturnale feesten begonnen en eindigden immers in jouw kot, waar we ons indronken rond het groene tafeltje. Daarna slalomden we door de Naamsestraat naar het centrum van Leuven, zigzagden op de Oude Markt van café naar bar naar kebabzaak, belandden op een holebifuif in de Lido, bonsden als stuiterballen op trashy dancemuziek, rookten cigarillo’s, dronken cocktails – en als de zon opkwam trokken we zingend terug naar jouw stek aan de Tervuursevest, waar jij in slaap viel in jouw bed en je gasten rokend neervielen op de vloer en nieuwe brandgaten maakten in het linoleum.  "Onze feestjes waren korte, hoogenergetische uitbarstingen in een leeg universum." Wat ik echter meer koesterde dan alle feestjes van de wereld, waren de avonden waarin we enkel elkaars gezelschap hadden. Geen wilde drankspelletjes, geen meezingers, geen andere vrienden die constant aandacht vroegen, maar enkel jij, ik en jouw laptop. Toen keken we naar YouTube-kanalen van progressieve Amerikaanse commentatoren en lachten met de idiote uitspraken van rechtse mafketels uit de marge van de Republikeinse Partij. We genoten ervan om ongeloofwaardige scenario’s te verzinnen waarin één van die gekken presidentskandidaat zou worden. Uiteraard klopten we ons op de borst om ons politieke inzicht, want randfiguren als Sarah Palin of Michele Bachmann, laat staan een rijke mafkees als Donald Trump, zouden uiteraard nooit president worden.   Maar in de stilte tussen twee YouTube-clips, wanneer jij noch ik wist wat te zeggen om de andere te imponeren, zagen we elkaar pas echt. De signalen waren zo subtiel dat we ze bijna misten. Dat onze voelsprieten ze toch opvingen, was een goed teken, al wisten we dat nog niet. Ik herinner mij dat je ooit opmerkte dat ik zo stil was. Dat vond je vreemd – en ik vond het vreemd dat jij daarvan opkeek. Stilte was immers mijn natuurlijke toestand. Meer zelfs, ik was het zo gewend om alleen te zijn dat ik de eenzaamheid opzocht als een veilige burcht. Onze wilde feestjes waren slechts korte, hoogenergetische uitbarstingen in een leeg universum.   Ook bij mij duurde het lang eer ik voorbij jouw glimlach keek. In mijn vroegste herinneringen was je een vrolijke student en krulden jouw mondhoeken altijd naar omhoog. Pas toen we alleen waren en ik tijd had gevonden om je te observeren, zag ik hoe slap het vel onder jouw ogen hing en hoe strakgespannen je kaken stonden. Als je een trein wou halen, liep je met zo’n haast dat het leek alsof ergens een noodgeval was. Te midden van de chaos van jouw vrienden was je een baken van rust, maar dat was misschien alleen maar omdat onze strapatsen je afleidden van jouw eigen troebelen.  "De meeste vrienden volgden een oeroude, Vlaamse traditie: Ze kregen een lief, een diploma, een job, een huwelijk, een eigen huis, een Citroën C3, een gemiddelde van 1,8 kinderen, een bierbuik en een koersvelo om iets aan die bierbuik te doen." Al vrij vroeg in onze vriendschap vonden we de zwakke plekken in elkaars harnas, maar de naaktheid voelde zo onwennig dat we al snel terug in de draaikolk doken, waar ook onze andere vrienden zwommen, ploeterden of verdronken. Zolang we doordraaiden zag niemand het dode oog in het midden. Waarschijnlijk dachten we ook echt dat het zo kon doorgaan: feesten, lachen, wegdrijven en oplossen in de oceaan van het leven. Die langzame zelfvernietiging was bijna poëtisch.  Maar de vrienden dreven onvermijdelijk uit elkaar. Sommigen trokken halsoverkop naar China, Mexico of Palestina. Anderen plooiden zich terug op radicaal links activisme. Enkelen zonken zo diep weg in hun depressie, dat ze simpelweg uit het zicht verdwenen. Veruit de meesten volgden echter een oeroude, Vlaamse traditie. Ze kregen een lief, een diploma, een job, een huwelijk, een eigen huis, een Citroën C3, een gemiddelde van 1,8 kinderen, een bierbuik en een koersvelo om iets aan die bierbuik te doen. Wij daarentegen bleven draaien rond hetzelfde groene tafeltje. Ik had een diploma en een kanjer van een drankprobleem, maar geen job. Jij worstelde met die eeuwigdurende thesis. Niemand twijfelde dat je het verstand had, maar er zat iets in de weg waardoor je dat laatste obstakel naar een leven buiten Leuven kon overwinnen. Dus kolkten wij door met een gezelschap dat steeds kleiner werd. "De kiemen van doodsbloempjes doken links en rechts op en ik wou ze tot op de wortel uitroeien, vastberaden om te bewijzen dat Jotie ’t Hooft nog steeds een pathetische zeikerd is." Jotie ’t Hooft schreef ooit dat in hem ‘onstuitbaar een doodsbloem [was] ontloken’. Om die reden heb ik hem altijd een pathetische zeikerd gevonden. Nooit heb ik geloofd in het bestaan van doodsbloemen, zeker niet als ze zogenaamd ‘onstuitbaar’ zouden zijn, tot de storm opstak die de stroom van onze vriendschap zou verleggen. De storm had een naam (Elias*) en een gezicht, dat elk jaar rond deze tijd opduikt in mijn geheugen, maar altijd vager wordt. Ik heb weinig herinneringen aan Elias. Dat klinkt misschien vreemd. Tenslotte was ik degene die op hem had ingepraat om het vooral niet te doen, die de ambulance moest bellen toen hij het wel had gedaan, die in de week tussen zijn dood en zijn begrafenis het hele land afreisde om met vrienden te praten en die maandenlang rondliep met het beeld van zijn zelfdoding op mijn netvlies gegrift. Weinig mensen hebben zo’n enorme en directe impact gehad als hij. Toch ben ik zo goed als alles over hem vergeten. Soms lijk ik hem enkel te kennen door de bril van zijn nabestaanden. Over zijn moeilijke familiebanden wist ik voor zijn dood zo goed als niets, net zo min als over zijn eerdere zelfmoordpoging.  Misschien doet hij mij teveel denken aan mijn leven van toen. Als ik aan Elias denk, dan loop ik door een spiegelpaleis. Ik zie enkel een uitvergrote en vervormde versie van mezelf: Een energieke jongeman die veel liefde gaf, maar nooit zag dat hij die ook van anderen kreeg. Ook iemand die ‘wel eens graag een pintje dronk’ – zoals de mensen dat zo mooi zeggen, zonder echt te begrijpen wat dat betekent. Is dat de reden waarom hij zijn laatste momenten deelde met mij? Zag hij in mij een zielsverwant? Ik weet het niet. Ik zal het nooit weten. Ik weet niet of ik het wil weten. Ik weet één ding. De dag voor zijn begrafenis zaten we met vier vrienden rond het groene tafeltje in jouw kot. De draaikolk was stilgevallen. Stilstaand water stinkt, maar toch wou niemand de stank verdrijven. Het leven sloeg ons volop in het gelaat en we deden geen moeite om ons te verweren. This is life. Suck it up. Zoiets. Het enige dat telde was dat jij er was: op de feestjes, op de begrafenis en drie maanden na Elias’ dood toen ik zelf terechtkwam in een psychiatrisch ziekenhuis. Dat was mijn keuze. De kiemen van doodsbloempjes doken links en rechts op en ik wou ze tot op de wortel uitroeien, vastberaden om te bewijzen dat Jotie ’t Hooft nog steeds een pathetische zeikerd is. ‘Die young is far too boring these days’ klonk het ooit in een liedje van Helmet en daar was ik het volledig mee eens.  "Echte vriendschap: Genoeg afstand bewaren om elkaars naaktheid beter te verdragen." Een jaar later stond ik opnieuw buiten de muren van de instelling. Ik had geen job, geen drank en geen spaargeld. Ik had de wens vervuld die ik lang deelde met Paul van Ostaijen (‘Ik wil bloot zijn en beginnen’, Vers 6 uit de bundel De feesten van angst en pijn). Toch stond ik niet met lege handen. Achter mij stonden altijd mijn ouders en mijn vrienden. Boven alles had ik twee dingen gewonnen:  liefde en vrijheid. Na de psychiatrie volgde de zoektocht naar een degelijke job. Ik kijk met gemengde gevoelens terug op die tijd. Niets ging uitstekend, maar alles was goed genoeg. Mijn leven ging vooruit – ook als dat slechts betekende dat ik eindelijk met de trein kon reizen zonder angstig te zijn. Het groene tafeltje was uit mijn zicht verdwenen. Ik zag het nog enkele keren in jouw appartement in Brussel nadat die verduivelde thesis van jou eindelijk was afgerond. Vandaag staan we verder van elkaar dan tien jaar geleden, maar dat laat me koud. We stromen niet langer samen, maar nog steeds parallel. Misschien is dat echte vriendschap: Genoeg afstand bewaren om elkaars naaktheid beter te verdragen.  Ik ga afronden. Ik heb genoeg geluld. Ik wou deze brief afsluiten met een zin die alles samenvat in simpele bewoordingen, maar dat is te veel eer voor mezelf. Bedankt voor alles. Het woord is aan jou. Vriendelijke groeten, Pieter 2 september 2022  * Uit respect gebruik ik een schuilnaam. Deze tekst verscheen eerder op mijn blog Observaties uit het ondermaanse.

Pieter Van der Schoot
11 1

Vergeet-me-nietje uit Testerep

Ik ben hier ooit geweest maar ik weet niet of ik er nog écht ben. Soms kan je me zien. 's Avonds, in de schemering. Of 's ochtends, bij het ochtendgloren wanneer je, bijvoorbeeld, occasioneel, vanop de dijk van Oostende naar het westen kijkt - noordwesten eigenlijk - En je tussen de glinsteringen op het water, reflecties van de paarsroze zon, en harmonieus begeleid door een koor van wulpen, woudapen en zilvermeeuwen, de contouren van mijn verzonken aanwezigheid ziet verschijnen. Ik ben er nog, ook al ben ik er niet meer. Ik trok een streep door het landschap en onder het geheugen van de Oostendenaar. Ze zullen me niet vergeten. Toch?   Ooit was ik een oase Een baken van schorren en duinen  in een woestijn van water. Een buffer tussen jou op het land en de Grote Noordzee met tussen jou en mij niet meer dan een ondiepe, natte snee Ik torste de branding. Ik slikte het zout. Ik huisde leven, heel veel leven. Herders lieten hun schapen me begrazen maar de mensen zelf kwamen niet mee. Mijn land was te woest, de zee te wild om ook voor hen een veilige haven te zijn.   Tot de graven ons graf kwamen graven.   Margareta had beschikt. Ik zou kapituleren, zij kapitaliseren. Mijn duinen werden afgevlakt. De geul drooggelegd, De polders ingemetst. Ik had geen weerwoord. Niet tegen de mens, niet tegen de mijn, niet tegen de stad. Niet tegen het water. En het water sprak, woest. Een paar natte kletsen en toen een orkaan. Zo ben ik komen te gaan. Het is te zeggen, ik ben gebleven. Ik ben er nog.   Geen mens die me nog wil. Geen slikken of schorren meer. Geen rots in de branding. Mijn fiere zang, mijn pracht en praal verwerden tot een ijl stemmetje en een ordinaire zandbak.   Maar ik ben er dus nog, ergens ten noordwesten van de dijk van Oostende. Ik voel nog elke dag het water klotsen Proef het zilte van de zee. Eb en vloed blijven me bespelen. Schepen varen om me heen.  Ik heb nog een verhaal te vertellen.   Mijn ijle stemmetje luidt de echo's van een ver verleden. Een jaar of zestienhonderd geleden toen alles nog beter was. Of toch voor mij. Toen ik nog mijn waarden kon leven. Het land beschermde met de macht van een stoere zeebonk en de gratie van een vorstin. Want het is waar: In mijn schoot ontstond de koningin der badsteden. Mijn mijnen voedden het volk. Ik wist waarvoor ik bestond. Wie ben ik nog, nu jij me hebt verlaten? Mens Je hebt me bezocht, beroofd, bebouwd. Verbouwd en ontkracht. Ontmanteld teruggegeven aan de zee. En alle mooie gebouwen van het eerste Oostende nam ik met me mee. Maar ik ben er nog. Begraven onder het water. Bepist door de hond. 's Avonds, wanneer het donker wordt kan je mijn stem nog horen. Zodra de stilte is neergedaald over de appartementen op de dijk. Dan fluister ik je toe: Mens, ik heb je altijd liefgehad. En nu nog steeds. Maar luister en herinner mijn verhaal. Voor je het weet wordt het pas écht herrie in de keet.  

MarijkeD
14 2

brief van T.

Hey, Had een eerlijke gedachte vandaag. Dacht dat moet ze vast weten. Ik ben die vergeten. Dat moet ergens gebeurd zijn tussen spek en bonen. Of zo voelt het nu toch, alsof het daar voor was, voor spek en bonen, en ik veronderstel, sorry, nu zit jij er ook bij voor datzelfde spek, diezelfde bonen. Denk dat ik het maar bij liegen hou, wat jij? Misschien omdat er vandaag niet veel gebeurde, schrijf ik je, misschien omdat er vandaag zoveel gebeurde, schrijf ik je, misschien is het gebeurde niet de leugen, misschien ben jij dat wel. Ik stel me ook maar voor dat je echt wat van mij wil horen, weet je? Neem je me dit aarzelen kwalijk? Pech. Deze tussenpersoon herinnert zich jullie extremen nog, niet allemaal met een nare nasmaak in de mond, maar de meeste, moet je toegeven, waren niet goed voor mijn gezondheid, dus pech. Ik blijf wat voorzichtig dit keer, dit keer geen met open ogen in jullie leven gelopen, wat dacht je daarvan? Ben ik een grote jongen geworden, of maak ik me ook maar wat uitstel wijs, uitstel tot je antwoord mijn brievenbus bereikt en je het me allemaal uitlegt als natuurlijk niet jouw fout en natuurlijk niet zijn fout, natuurlijk waren de omstandigheden ernaar, en ik was wat jonger en mijn ogen waren er nog niet klaar voor, tekenen aan de wand te herkennen. Is dit schrijven er ééntje? Ik zie er overal tegenwoordig. Ook in hoe eerlijk ik met deze woorden op je overkom, ze zijn daarom gekozen. Dat je denkt: hij zegt van niet, maar hij is al in onze armen aan het lopen. Wat denk je dat dat nog betekent? Je vroeg hoe het met hem gaat. Ik had je nooit als lafaard ingeschat. Een post-it op mijn deur? Misschien was het dat je je knokkels wilde sparen? Hoe dacht je dat ik antwoorden zou? Dapper? Ik weet niet eens of ik thuis was. Nog zo’n teken. Vroeger heb ik geloofd dat ik het sowieso zou opmerken mocht één van jullie twee zich in een straal van 50 meter rondom me bevinden. Een middelmanszintuig, om zo te zeggen, een heikneuterige superkracht die me altijd tot jullie kwaadaardigheid terugbracht. Zijn de magnetische polen gekeerd? Ik heb hem niet meer gezien, sinds. Hij vroeg ook naar je. Lafaard schoof een briefje onder mijn deur door. Weet jij wat van zijn knokkels? Of die nog werken? Waarschijnlijk niet hé? Hoelang heb je al niets meer van hem gehoord? Te lang neem ik aan. Ik zal eens rondhoren, maar wat ik zo van hier en daar heb opgevangen, het zou niet goed gaan, de gek, zijn zo met plezier genoten titel, zou zijn doorgeslagen. Iemand zag hem met hersenscans door de straten waren, en wijzen op witte vlekken die herseninfarcten heten, voor wie het wil beloven. Misschien liegt iemand, misschien ik. Ik weet niet wat wat spaart, de waarheid de leugen, de leugen de waarheid, ergens brengt het op een rekening ook geen rooie duit op. Arm is hij zeker, maar dat had niemand anders verwacht, en toch zeker niet jij. Of was je zo naïef als ik te geloven dat in één van zijn buien hij een gejat idee zou spuien? Tongen, hij sprak in tongen en die spreken zichzelf nog altijd tegen, die ondermijnen nog altijd wat hij van zijn eigen verleden of toekomst maken kan. Als ik, of jij, mijn buurvrouw geloven wil, ze beweert hij heeft een plan. Het heeft niets minder dan het redden van de wereld voor ogen. Naar goede gewoonte geen woord over de mensen erin. De buurvrouw zegt: hij redt het wel. Of dat ben ik die je wil troosten. Met tegenzin want, is het zo jaren terug ook niet beginnen mislopen? Met mijn empathisch vermogen dat jullie relatie in jullie plaats dacht te kunnen hebben? Ja, ik was gulzig, maar niet jaloers. Ik dacht dat er wel wat kruimels te halen vielen, tot ze me dwars in de keel gingen steken natuurlijk. Wie was ik dat ik jullie dacht te redden? En wie waren jullie dat jullie dachten te redden te zijn? Wie dachten wij alledrie te zijn? Een of andere soort ongoddelijke drievuldigheid? De pooier, de hoer en de klant? Wie was wie ook weer? En denk je echt dat mensen terugvallen in oude vertrouwde rollen wanneer die jaren later zoveel onoprechter na te spelen zijn? Dan hebben we toch wat van onszelf geleerd, nietwaar? Wat denk je, is dat de ongoddelijkheid bewaard? Mijn stal is alleszins dat, een stal. Niet dat er een ster boven bengelt of een os of een ezel staan te hijgen in latex SM-pakje, hier komen alleen drie dommeriken langs, dommeriken die althans nog weten hoe hun knokkels te gebruiken, thans weten ze zelden wat ze hier komen zoeken, een of andere actiefiguur duimzuigend in een kribbe van nostalgie? Ik vraag me af aan wie ik hen doe denken dat ze me nodig lijken te hebben om hun routine in stand te houden. Een of andere informant die hun van samenzweringstheorieën voorziet? Ze praten zo verdomde veel over de hemel die op ons aller kop zal neerdalen, en ik heb hen al tal van keren proberen doorsturen naar hem, en toch blijven ze bij mij aankloppen. Ik weet niet hoe jullie dat vroeger konden verdragen. Nou ja, van hem wel, van jou minder tot helemaal niet. Maar misschien ben jij het dit keer die aandacht nodig heeft, ben je plots terug maagd geworden? Ik heb gelezen dat dat kan, dat het maagdenvlies terug dicht kan groeien, maar naar het schijnt is dat meer met de bedoeling de schuld voorgoed binnenin te houden, wat jij? Is jouw onschuld nog steeds op de vrije loop? Of breng ik te veel tijd met die drie dommeriken door? Hoor, ik zeg maar wat, hopelijk wat dat je te ver gaat, dat je er even bij stilstaat, wil ik wel antwoorden? Jij moet het weten natuurlijk, maar hier is alvast mijn mezelf in bescherming nemende regel: ik hou het op brieven, zinnen en woorden. Dan kan ik altijd beweren vandaag wat eerlijks gedacht te hebben. Denk dat mag je wel weten. En misschien kan je mijn geheugen wat opfrissen. Dapper of laf, wat was ik weer? Laat het me weten, dan zit ik er niet zo bij, de volgende keer, voor spek en bonen.   Wels en zo, T.

Bas Tuurder
12 0

Aan de uitbaatster van Sachi café

Beste mevrouw de uitbaatster van Sachi café in Itsumi, Arigatō, Bedankt dat u een wereldbol tevoorschijn haalde en aan me vroeg of ik België wilde tonen. U was oprecht geïnteresseerd waar ik vandaan kwam.   ‘Deze wereldbol is nog uit mijn kindertijd,’ zei u met een lach van hier tot Antwerpen toen u hem van de tafel naast u, pakte. Hij was me niet eens opgevallen. Ik had tijdens het eten alleen oog gehad voor de zee die schitterde in de zon, de glooiende bergen aan de andere kant van de baai. Het uitzicht hier was adembenemend. Ik stond op en liep naar u toe. De zeeën op de wereldbol hadden hun azuurblauwe kleur verloren. De landen waren onleesbaar geworden door alle vingers die ze hadden beroerd. Maar de Fuji-berg herkende ik meteen. Ik priemde mijn vinger in de berg die getekend, er perfect eenvoudig uitziet, maar in het echt zoveel verschillende gezichten heeft. Dat de berg kon plakken als een karamel toffee, was nieuw voor mij. Ik trok een vies gezicht. ‘De Fuji-berg is hier!’ Ik draaide mijn hoofd naar mijn man die naar me lachte. Twee dagen geleden, toen we over de echte Fuji-berg vlogen, had ik hem een por gegeven. ‘Voor de Fuji-berg, mag je me altijd wakker maken, had hij eens gezegd. Hij schoot als een kanon wakker. De stewardess kwam geschrokken kijken of we nog leefden. ‘Sorry. Het komt door de Fuji-berg!’ Een berg de schuld geven. In Japan werkt zoiets. De stewardess tippelde gerustgesteld, op haar hoge hakken terug naar haar plaats. In ons gezichtsveld torende de besneeuwde top van de fuji-berg boven de wolken uit, als een stralende piek van een gigantische kerstboom. Het was voor het eerst dat ik hem van zo hoog zag. Het was alsof ze daarbeneden kerstmis vierden. En wij, mijn man en ik, zweefden als engelen met veiligheidsgordel om en een zwemvest onder onze zitplaats, door de feesthemel. Voorzichtig draaide ik de piepende wereldbol. Mijn vingers gleden van de Fuji-berg naar België. Dat had ik gedacht. Geen chocola, geen bier, geen manneke pis. Geen hond van Vlaanderen. Niets van dat alles was getekend in eenvoudige lijnen. Wel werd ik een Engelse garde gewaar. Hij wees me met zijn hoge zwarte hoed en zijn geweer naar me gericht, de richting aan. ‘Aan de andere kant van het kanaal. Daar ligt België!’ Het was alsof hij me een knipoog gaf. Zijn, grote, donkere ogen trilden. Ik bedankte hem stilzwijgend. ‘Hier is België,’ zei ik triomfantelijk alsof ik over tien Fuji-bergen vloog.  U fronste uw diepe rimpels en keek naar het vormeloze België. ‘Dat ligt aan de andere kant van de wereld,’ merkte u terecht op. Ik knikte. Het kan soms vreemd lopen in het leven.  Ik zat in een verlaten café met uitzicht op de Japanse zee. En ik praatte in een taal van een land dat ik vroeger alleen kende uit aardrijkskundeboeken. Japan was nu mijn nieuwe woonplaats. De Fuji-berg mijn vertrekpunt. Hoe kwam dat? Heel simpel. Of toch niet zo simpel. Op mijn zeventiende verhuisde ik van België naar Nederland om te studeren. Na mijn studie, bleef ik plakken. Toen leerde ik mijn huidige man kennen, een Japanner. We kregen twee kinderen. Vijf jaar geleden, besloten we in Japan te gaan wonen. Mijn man kreeg namelijk heimwee. Het was zo erg dat hij niet meer in Nederland wilde wonen. Heimwee is als tien wereldbollen die maar blijven ronddraaien in je hoofd. Je wordt er tureluurs van. Zo erg, dat je op een gegeven moment weer naar huis moet. Zo is het gegaan. U, mevrouw de uitbaatster van café Sachi, in een badplaats die in de winter zo goed als verlaten is, maar in de zomer zwart ziet van de badgasten die uit alle windstreken naar de witte stranden en prachtige zee afkomen, haalt uw wereldbol tevoorschijn, elke keer als een vreemdeling zijn dorst bij u komt lessen en zijn honger komt stillen. Maar u doet ook iets wat niet op het menu staat:  u stilt de geest van de vreemdeling. U laat hem zijn land wijzen op uw wereldbol. Een mooier geschenk kan ik me niet indenken op tweede kerstdag, ver van mijn geboorteplaats. Bedankt! Arigatō!                          

Margaretha Juta
3 0

Brief aan de Kerstman: "Liefste Kerstman, wil jij mijn daddy zijn?"

Dag wit bebaarde man in je iglo in het Noorden, Dag gemoedelijke papzak met je gevoerde laarzen en je jasje en muts in de huisstijl van Coca Cola, Dag koning van de Noordpool, schrik van het Arctische luchtruim, menner van rendieren, uitbuiter van elven en Amazon-personeel, Dag lieve Kerstman, Vergeef me dat ik niet weet hoe ik u begroeten moet. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat u nooit een belangrijke rol heeft gespeeld in mijn eindejaarsbeleving. Ik heb nooit echt in u geloofd, zoals ik dat wel deed in Sint-Nicolaas en Zwarte Piet. Ik weet dat, met deze bekentenis, de kans om een geschenk van u in mijn kerstkous te ontvangen bijzonder klein wordt. Ik ben echter opgevoed in het licht van het Ware Geloof en onze Schrift stelt nadrukkelijk dat liegen een zonde is. Ook al heb ik de Kerk verlaten, haar moraal werkt door in elke vezel van mijn lijf. Ik beloof u dan ook plechtig dat ik in deze brief de waarheid en niets dan de waarheid zal verkondigen. Laten we dan maar meteen van wal steken met een schuldbekentenis. Ik heb helemaal geen kerstkous, enkel een paar zweetsokken die ik na het joggen telkens vergeet in de wasmand te gooien. Toen ik nog een kind was had ik wel een paar schoenen dat ik klaarzette aan de open haard op de vooravond 6 december, wanneer uw katholieke, gemijterde evenknie over de daken reed en geschenken bracht in ruil voor een suikerklontje of een raap voor zijn paard. Overigens stelden die geschenken weinig voor. Mijn ouders zeiden dat het kwam omdat ik zo’n kleine voeten had. Het beperkte volume van mijn schoenen liet geen ruimte voor dure cadeaus. Dat heb ik de Sint nooit kwalijk genomen. Ieder arbeiderskind had immers kleine voeten. In ons dorp liep enkel Saartje – de dochter van de rijke banketbakker Gust Van Hemelen – rond met klompen waarin Zwarte Piet gemakkelijk een nieuwe fiets kwijt kon. De goedheilige man uit Spanje hechtte dan ook veel waarde aan de befaamde regels uit Matteüs 25:29: “Want aan ieder die heeft, zal gegeven worden; maar wie niet heeft, hem zal nog ontnomen worden zelfs wat hij heeft.” Liefste Kerstman, u vraagt zich waarschijnlijk af waarom deze Vlaamse, katholieke arbeiderszoon een brief schrijft aan u – die de tegenpool bent van christelijke deugdzaamheid. Uw bijdrage aan de Westerse beschaving is immers uitsluitend uit te drukken in de jaarlijkse toename van diabetes en overwicht onder jongeren. Toegegeven, op dat vlak verschilt u weinig van Sint-Nicolaas, wiens nagedachtenis weinig meer is dan een excuus om chocola en speculaas te vreten. Ook qua economische uitbuiting van de niet-witte medemensen zijn jullie aan elkaar gewaagd, al bent u zo wijs om uw toevlucht te nemen tot elven. Als Amerikaanse superster kent u immers als geen ander het belang van goede PR, iets waar onze ouderwetse Sint met zijn zwarte slaven nog een puntje aan kan zuigen. Laat mij echter ter zake komen. Al deze omwegen voeden immers de indruk dat ik iets te verbergen heb, terwijl ik enkel de waarheid wil dienen. Ik schrijf u deze brief omdat ik religieus dakloos ben. Daar ging geen lange innerlijke worsteling aan vooraf. Het was simpelweg het resultaat van stom toeval. Het zou ons te ver voeren om deze gehele geschiedenis in al zijn details uit de doeken te doen. Eerlijkheid is dan wel een deugd, oeverloos gelul is dat geenszins. Mijn excommunicatie uit de katholieke gemeenschap laat zich kort samenvatten: Ik was twaalf jaar, nam deel aan de generale repetitie voor mijn Plechtige Communie en stootte per abuis een vat met 100 liter wijwater om, wat leidde tot een plaatselijke zondvloed rondom het altaar van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Lichtaart. U moet weten, mijnheer de Kerstman, dat het wijwater gebruikt in katholieke riten een erg hoog alcoholpercentage bevat, waardoor niet enkel  de elektrische bedrading naar de kloten was, maar eveneens de communiekostuumpjes van mijn leeftijdsgenoten en de kazuifel van meneer pastoor. Uit noodzaak werd het Vormsel met enkele weken uitgesteld en de pastoor – die overtuigd was dat de Satan in mij werkzaam was – zette een procedure tot excommunicatie in gang. Zo geschiedde dat ik op dertienjarige leeftijd met toortsen en hooivorken uit de parochie werd verstoten. In mijn hart heb ik God nooit verlaten. Wel integendeel, het is de Kerk die mij de rug heeft toegekeerd. Mijn natuurlijk godsverlangen blijft echter intact. Enkel een dwaas is immers blind voor het verlangen dat hij koestert naar een sterke vaderfiguur, die veel ouder is dan hij en op tijd en stond de roede hanteert.   Daarom vraag ik u uit de diepten, o Heer, lieve Kerstman, wilt u mijn daddy zijn? Ik geef toe dat ik wat onbeholpen ben. De omgangvormen waarmee ik u dien te benaderen zijn onbekend voor mij. Vele zaken zijn me een raadsel. Hoe schrijf ik een brief aan u? Welke aanspreekvorm moet ik hanteren? Behoeven uw rendieren ook klontjes suiker en rapen, zoals het paard van Sinterklaas? Tot welk ras behoren uw elvendienaars? Zijn zij kleine groene trollen met insectenvleugels? Of eerder nobele, slank gebouwde wezens met puntoren zoals de wezens uit Lord of the Rings? Hanteren ook zij de roede, zoals de zwarte knechten van de Sint? Beste Kerstman, het zijn vragen waarop ik – arme zondaar – geen antwoord kan geven. Weet echter dat mijn hart op de juiste plaats zit. Als ik boeren laat tijdens het eten, vunzige moppen tap tijdens begrafenisplechtigheden en een dakloze uitscheldt als die in de weg loopt, dan doe ik dat steeds met de beste bedoelingen. Zoals u ongetwijfeld hebt gemerkt, ben ik een man van weinig woorden. Ik wil mijn brief dan ook eindigen met enkele korte, afsluitende opmerkingen. Ik ben een 36-jarige man, maar bevoorrechte getuigen, zoals mijn beste vriendin en mijn mama, kunnen u verzekeren, dat ik er gemakkelijk vijftien jaar jonger uit zie. Hoewel ik onderdanig en bereidwillig ben, heb ik toch een duidelijke set waarden en normen, waaraan niemand mag tornen. Eerlijkheid, openhartigheid en respect zijn heilig voor mij, evenals de bereidheid om op regelmatige basis het schaamhaar te trimmen en dagelijks de edele delen te wassen met een weinig water. Aan een stinklul heeft immers niemand iets. Ten slotte kan ik niet ontvangen, maar als het u belieft dan ben ik bereid om have en goed achter te laten en me te vestigen in uw geheime kerkers op de Noordpool. Voor mijn uitgebreide cv, evenals referenties en aanbevelingen, verwijs ik u graag door naar mijn professionele profielen op LinkedIn en Grindr. Uw bereidwillige dienaar,   Petrus Broederlam Antwerpen, 24 december 2021  

Pieter Van der Schoot
21 1

Brief aan Herman Teirlinck

Goedemorgen meneer Teirlinck, of mag ik Herman zeggen? Ik wil niet te familiair doen: u kent mij immers niet en bovendien bent u dood, wat toch een zekere vorm van formaliteit afdwingt. Ik hou het dus maar op meneer Teirlinck. Goedemorgen meneer Teirlinck. Het is nu twaalf uur ‘s nachts en vermoedelijk helemaal geen ochtend voor u. De zon heeft de hemel al lang verlaten en ik zit bij mijn venster, klaar om te gaan werken. Ik geniet van de rust en de onaangeraaktheid van de slapende wereld. Straks zullen mijn voetstappen de eerste van de dag zijn en zal mijn stem verdwijnen in een straatbeeld zonder oren. Alles gaat hier zo heerlijk traag. Ochtenden zijn iets van lange duur als je in de nacht leeft. De studentenkamer waarin ik leef maakte niet zo lang geleden nog deel uit van een klooster en heeft bijgevolg kleurrijke glas-in-loodramen en een florissante binnentuin. Mijn venster kijkt normaal gezien uit op de tuin, maar de hoge ramen weerspiegelen nu enkel het interieur van mijn kamer. Het enige wat ik zie is mijzelf en ander meubilair. De houten kasten en droge bloemen zouden een verlengde kunnen zijn van de natuur buiten, van de nacht. Wanneer je een beetje dichter komt, zie je dat er oneindig veel kleine insecten zich aan het oppervlak van het enkel glas hebben bevestigd. Ze kijken naar wat er zich hierbinnen afspeelt. De curieuze diertjes zijn allemaal wit: nog een eigenschap die ze delen met sneeuw, want ook zij verdwijnen bij het opkomen van de zon. Voyeurisme is een wederzijds spel. Het enige element dat onverstoorbaar verder leeft is Jeroen, de lange boom met zijn kale kruin. Ik wed dat u zou weten welke boom het is, maar dat soort kennis ontgaat mij. Ik las onlangs in de krant over de laatste Jeroen: de naam zou met uitsterven bedreigd zijn. Het tijdloze karakter van de boom compenseert dat denk ik. Want zo staat hij hier, te midden van dit alles en de wereld, als scheiding tussen Gaia en Ouranos: tijdloos. Enkel een zacht, geel lampje maakt zijn bestaan momenteel kenbaar. Ik weet echter dat wanneer ik morgenmiddag wakker word hij er opnieuw zal staan, in volle glorie. Helios’ licht zal scherpe schaduwen aftekenen op het omliggende gras en Jeroen zal er opnieuw zijn. Schoner dan ooit. Ondanks het ongewone beeld van zijn kale kruin denk ik dat het goed met hem gaat. Hij ziet er ondanks alles onoverwinnelijk uit. Onveranderlijk, dat ook. En dat is misschien toch het voornaamste element dat mij rust geeft in een tijd en ruimte die overheerst wordt door veranderlijkheid. Ik zit hier, net als u, bij mijn venster. Alles gaat hier zomaar aan ons voorbij. De realiteit wordt zachtjes vertroebeld door het enkel glas en de ochtenden duren langer dan ooit. Er is eigenlijk nog niet zo veel veranderd meneer Teirlinck. De dagen worden nog steeds per zeven geteld en ‘t blauwe zonlicht valt nog altijd op het water. Ik zou willen dat u het opnieuw kon zien, dat u de schoonheid van de wereld terug kon ervaren en haar weer kon vullen met woorden. Ik zou willen dat u Jeroen kon ontmoeten en dat u zou verdwalen in zijn schaduw. Jullie zouden het vast goed met elkaar kunnen vinden. Beide verwonderd over elkaars aanwezigheid: het zou jullie sieren. Ici je te laisse, u heeft vast nog enorm veel andere brieven van onbekenden te lezen. Ik sluit af met de mooie gedachte aan u en die vele brieven, dat iedereen u zo graag van alles wil vertellen. De nood aan uw luisterend oor is groot meneer Teirlinck, de nood aan uw traagheid en poëtische wereldvisie nog veel groter. Met vriendelijke groeten, Mirre Verhoeven

Mirre Verhoeven
13 1