Zoeken

brief van T.

Hey, Had een eerlijke gedachte vandaag. Dacht dat moet ze vast weten. Ik ben die vergeten. Dat moet ergens gebeurd zijn tussen spek en bonen. Of zo voelt het nu toch, alsof het daar voor was, voor spek en bonen, en ik veronderstel, sorry, nu zit jij er ook bij voor datzelfde spek, diezelfde bonen. Denk dat ik het maar bij liegen hou, wat jij? Misschien omdat er vandaag niet veel gebeurde, schrijf ik je, misschien omdat er vandaag zoveel gebeurde, schrijf ik je, misschien is het gebeurde niet de leugen, misschien ben jij dat wel. Ik stel me ook maar voor dat je echt wat van mij wil horen, weet je? Neem je me dit aarzelen kwalijk? Pech. Deze tussenpersoon herinnert zich jullie extremen nog, niet allemaal met een nare nasmaak in de mond, maar de meeste, moet je toegeven, waren niet goed voor mijn gezondheid, dus pech. Ik blijf wat voorzichtig dit keer, dit keer geen met open ogen in jullie leven gelopen, wat dacht je daarvan? Ben ik een grote jongen geworden, of maak ik me ook maar wat uitstel wijs, uitstel tot je antwoord mijn brievenbus bereikt en je het me allemaal uitlegt als natuurlijk niet jouw fout en natuurlijk niet zijn fout, natuurlijk waren de omstandigheden ernaar, en ik was wat jonger en mijn ogen waren er nog niet klaar voor, tekenen aan de wand te herkennen. Is dit schrijven er ééntje? Ik zie er overal tegenwoordig. Ook in hoe eerlijk ik met deze woorden op je overkom, ze zijn daarom gekozen. Dat je denkt: hij zegt van niet, maar hij is al in onze armen aan het lopen. Wat denk je dat dat nog betekent? Je vroeg hoe het met hem gaat. Ik had je nooit als lafaard ingeschat. Een post-it op mijn deur? Misschien was het dat je je knokkels wilde sparen? Hoe dacht je dat ik antwoorden zou? Dapper? Ik weet niet eens of ik thuis was. Nog zo’n teken. Vroeger heb ik geloofd dat ik het sowieso zou opmerken mocht één van jullie twee zich in een straal van 50 meter rondom me bevinden. Een middelmanszintuig, om zo te zeggen, een heikneuterige superkracht die me altijd tot jullie kwaadaardigheid terugbracht. Zijn de magnetische polen gekeerd? Ik heb hem niet meer gezien, sinds. Hij vroeg ook naar je. Lafaard schoof een briefje onder mijn deur door. Weet jij wat van zijn knokkels? Of die nog werken? Waarschijnlijk niet hé? Hoelang heb je al niets meer van hem gehoord? Te lang neem ik aan. Ik zal eens rondhoren, maar wat ik zo van hier en daar heb opgevangen, het zou niet goed gaan, de gek, zijn zo met plezier genoten titel, zou zijn doorgeslagen. Iemand zag hem met hersenscans door de straten waren, en wijzen op witte vlekken die herseninfarcten heten, voor wie het wil beloven. Misschien liegt iemand, misschien ik. Ik weet niet wat wat spaart, de waarheid de leugen, de leugen de waarheid, ergens brengt het op een rekening ook geen rooie duit op. Arm is hij zeker, maar dat had niemand anders verwacht, en toch zeker niet jij. Of was je zo naïef als ik te geloven dat in één van zijn buien hij een gejat idee zou spuien? Tongen, hij sprak in tongen en die spreken zichzelf nog altijd tegen, die ondermijnen nog altijd wat hij van zijn eigen verleden of toekomst maken kan. Als ik, of jij, mijn buurvrouw geloven wil, ze beweert hij heeft een plan. Het heeft niets minder dan het redden van de wereld voor ogen. Naar goede gewoonte geen woord over de mensen erin. De buurvrouw zegt: hij redt het wel. Of dat ben ik die je wil troosten. Met tegenzin want, is het zo jaren terug ook niet beginnen mislopen? Met mijn empathisch vermogen dat jullie relatie in jullie plaats dacht te kunnen hebben? Ja, ik was gulzig, maar niet jaloers. Ik dacht dat er wel wat kruimels te halen vielen, tot ze me dwars in de keel gingen steken natuurlijk. Wie was ik dat ik jullie dacht te redden? En wie waren jullie dat jullie dachten te redden te zijn? Wie dachten wij alledrie te zijn? Een of andere soort ongoddelijke drievuldigheid? De pooier, de hoer en de klant? Wie was wie ook weer? En denk je echt dat mensen terugvallen in oude vertrouwde rollen wanneer die jaren later zoveel onoprechter na te spelen zijn? Dan hebben we toch wat van onszelf geleerd, nietwaar? Wat denk je, is dat de ongoddelijkheid bewaard? Mijn stal is alleszins dat, een stal. Niet dat er een ster boven bengelt of een os of een ezel staan te hijgen in latex SM-pakje, hier komen alleen drie dommeriken langs, dommeriken die althans nog weten hoe hun knokkels te gebruiken, thans weten ze zelden wat ze hier komen zoeken, een of andere actiefiguur duimzuigend in een kribbe van nostalgie? Ik vraag me af aan wie ik hen doe denken dat ze me nodig lijken te hebben om hun routine in stand te houden. Een of andere informant die hun van samenzweringstheorieën voorziet? Ze praten zo verdomde veel over de hemel die op ons aller kop zal neerdalen, en ik heb hen al tal van keren proberen doorsturen naar hem, en toch blijven ze bij mij aankloppen. Ik weet niet hoe jullie dat vroeger konden verdragen. Nou ja, van hem wel, van jou minder tot helemaal niet. Maar misschien ben jij het dit keer die aandacht nodig heeft, ben je plots terug maagd geworden? Ik heb gelezen dat dat kan, dat het maagdenvlies terug dicht kan groeien, maar naar het schijnt is dat meer met de bedoeling de schuld voorgoed binnenin te houden, wat jij? Is jouw onschuld nog steeds op de vrije loop? Of breng ik te veel tijd met die drie dommeriken door? Hoor, ik zeg maar wat, hopelijk wat dat je te ver gaat, dat je er even bij stilstaat, wil ik wel antwoorden? Jij moet het weten natuurlijk, maar hier is alvast mijn mezelf in bescherming nemende regel: ik hou het op brieven, zinnen en woorden. Dan kan ik altijd beweren vandaag wat eerlijks gedacht te hebben. Denk dat mag je wel weten. En misschien kan je mijn geheugen wat opfrissen. Dapper of laf, wat was ik weer? Laat het me weten, dan zit ik er niet zo bij, de volgende keer, voor spek en bonen.   Wels en zo, T.

Bas Tuurder
12 0

Aan de uitbaatster van Sachi café

Beste mevrouw de uitbaatster van Sachi café in Itsumi, Arigatō, Bedankt dat u een wereldbol tevoorschijn haalde en aan me vroeg of ik België wilde tonen. U was oprecht geïnteresseerd waar ik vandaan kwam.   ‘Deze wereldbol is nog uit mijn kindertijd,’ zei u met een lach van hier tot Antwerpen toen u hem van de tafel naast u, pakte. Hij was me niet eens opgevallen. Ik had tijdens het eten alleen oog gehad voor de zee die schitterde in de zon, de glooiende bergen aan de andere kant van de baai. Het uitzicht hier was adembenemend. Ik stond op en liep naar u toe. De zeeën op de wereldbol hadden hun azuurblauwe kleur verloren. De landen waren onleesbaar geworden door alle vingers die ze hadden beroerd. Maar de Fuji-berg herkende ik meteen. Ik priemde mijn vinger in de berg die getekend, er perfect eenvoudig uitziet, maar in het echt zoveel verschillende gezichten heeft. Dat de berg kon plakken als een karamel toffee, was nieuw voor mij. Ik trok een vies gezicht. ‘De Fuji-berg is hier!’ Ik draaide mijn hoofd naar mijn man die naar me lachte. Twee dagen geleden, toen we over de echte Fuji-berg vlogen, had ik hem een por gegeven. ‘Voor de Fuji-berg, mag je me altijd wakker maken, had hij eens gezegd. Hij schoot als een kanon wakker. De stewardess kwam geschrokken kijken of we nog leefden. ‘Sorry. Het komt door de Fuji-berg!’ Een berg de schuld geven. In Japan werkt zoiets. De stewardess tippelde gerustgesteld, op haar hoge hakken terug naar haar plaats. In ons gezichtsveld torende de besneeuwde top van de fuji-berg boven de wolken uit, als een stralende piek van een gigantische kerstboom. Het was voor het eerst dat ik hem van zo hoog zag. Het was alsof ze daarbeneden kerstmis vierden. En wij, mijn man en ik, zweefden als engelen met veiligheidsgordel om en een zwemvest onder onze zitplaats, door de feesthemel. Voorzichtig draaide ik de piepende wereldbol. Mijn vingers gleden van de Fuji-berg naar België. Dat had ik gedacht. Geen chocola, geen bier, geen manneke pis. Geen hond van Vlaanderen. Niets van dat alles was getekend in eenvoudige lijnen. Wel werd ik een Engelse garde gewaar. Hij wees me met zijn hoge zwarte hoed en zijn geweer naar me gericht, de richting aan. ‘Aan de andere kant van het kanaal. Daar ligt België!’ Het was alsof hij me een knipoog gaf. Zijn, grote, donkere ogen trilden. Ik bedankte hem stilzwijgend. ‘Hier is België,’ zei ik triomfantelijk alsof ik over tien Fuji-bergen vloog.  U fronste uw diepe rimpels en keek naar het vormeloze België. ‘Dat ligt aan de andere kant van de wereld,’ merkte u terecht op. Ik knikte. Het kan soms vreemd lopen in het leven.  Ik zat in een verlaten café met uitzicht op de Japanse zee. En ik praatte in een taal van een land dat ik vroeger alleen kende uit aardrijkskundeboeken. Japan was nu mijn nieuwe woonplaats. De Fuji-berg mijn vertrekpunt. Hoe kwam dat? Heel simpel. Of toch niet zo simpel. Op mijn zeventiende verhuisde ik van België naar Nederland om te studeren. Na mijn studie, bleef ik plakken. Toen leerde ik mijn huidige man kennen, een Japanner. We kregen twee kinderen. Vijf jaar geleden, besloten we in Japan te gaan wonen. Mijn man kreeg namelijk heimwee. Het was zo erg dat hij niet meer in Nederland wilde wonen. Heimwee is als tien wereldbollen die maar blijven ronddraaien in je hoofd. Je wordt er tureluurs van. Zo erg, dat je op een gegeven moment weer naar huis moet. Zo is het gegaan. U, mevrouw de uitbaatster van café Sachi, in een badplaats die in de winter zo goed als verlaten is, maar in de zomer zwart ziet van de badgasten die uit alle windstreken naar de witte stranden en prachtige zee afkomen, haalt uw wereldbol tevoorschijn, elke keer als een vreemdeling zijn dorst bij u komt lessen en zijn honger komt stillen. Maar u doet ook iets wat niet op het menu staat:  u stilt de geest van de vreemdeling. U laat hem zijn land wijzen op uw wereldbol. Een mooier geschenk kan ik me niet indenken op tweede kerstdag, ver van mijn geboorteplaats. Bedankt! Arigatō!                          

Margaretha Juta
3 0

Brief aan de Kerstman: "Liefste Kerstman, wil jij mijn daddy zijn?"

Dag wit bebaarde man in je iglo in het Noorden, Dag gemoedelijke papzak met je gevoerde laarzen en je jasje en muts in de huisstijl van Coca Cola, Dag koning van de Noordpool, schrik van het Arctische luchtruim, menner van rendieren, uitbuiter van elven en Amazon-personeel, Dag lieve Kerstman, Vergeef me dat ik niet weet hoe ik u begroeten moet. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat u nooit een belangrijke rol heeft gespeeld in mijn eindejaarsbeleving. Ik heb nooit echt in u geloofd, zoals ik dat wel deed in Sint-Nicolaas en Zwarte Piet. Ik weet dat, met deze bekentenis, de kans om een geschenk van u in mijn kerstkous te ontvangen bijzonder klein wordt. Ik ben echter opgevoed in het licht van het Ware Geloof en onze Schrift stelt nadrukkelijk dat liegen een zonde is. Ook al heb ik de Kerk verlaten, haar moraal werkt door in elke vezel van mijn lijf. Ik beloof u dan ook plechtig dat ik in deze brief de waarheid en niets dan de waarheid zal verkondigen. Laten we dan maar meteen van wal steken met een schuldbekentenis. Ik heb helemaal geen kerstkous, enkel een paar zweetsokken die ik na het joggen telkens vergeet in de wasmand te gooien. Toen ik nog een kind was had ik wel een paar schoenen dat ik klaarzette aan de open haard op de vooravond 6 december, wanneer uw katholieke, gemijterde evenknie over de daken reed en geschenken bracht in ruil voor een suikerklontje of een raap voor zijn paard. Overigens stelden die geschenken weinig voor. Mijn ouders zeiden dat het kwam omdat ik zo’n kleine voeten had. Het beperkte volume van mijn schoenen liet geen ruimte voor dure cadeaus. Dat heb ik de Sint nooit kwalijk genomen. Ieder arbeiderskind had immers kleine voeten. In ons dorp liep enkel Saartje – de dochter van de rijke banketbakker Gust Van Hemelen – rond met klompen waarin Zwarte Piet gemakkelijk een nieuwe fiets kwijt kon. De goedheilige man uit Spanje hechtte dan ook veel waarde aan de befaamde regels uit Matteüs 25:29: “Want aan ieder die heeft, zal gegeven worden; maar wie niet heeft, hem zal nog ontnomen worden zelfs wat hij heeft.” Liefste Kerstman, u vraagt zich waarschijnlijk af waarom deze Vlaamse, katholieke arbeiderszoon een brief schrijft aan u – die de tegenpool bent van christelijke deugdzaamheid. Uw bijdrage aan de Westerse beschaving is immers uitsluitend uit te drukken in de jaarlijkse toename van diabetes en overwicht onder jongeren. Toegegeven, op dat vlak verschilt u weinig van Sint-Nicolaas, wiens nagedachtenis weinig meer is dan een excuus om chocola en speculaas te vreten. Ook qua economische uitbuiting van de niet-witte medemensen zijn jullie aan elkaar gewaagd, al bent u zo wijs om uw toevlucht te nemen tot elven. Als Amerikaanse superster kent u immers als geen ander het belang van goede PR, iets waar onze ouderwetse Sint met zijn zwarte slaven nog een puntje aan kan zuigen. Laat mij echter ter zake komen. Al deze omwegen voeden immers de indruk dat ik iets te verbergen heb, terwijl ik enkel de waarheid wil dienen. Ik schrijf u deze brief omdat ik religieus dakloos ben. Daar ging geen lange innerlijke worsteling aan vooraf. Het was simpelweg het resultaat van stom toeval. Het zou ons te ver voeren om deze gehele geschiedenis in al zijn details uit de doeken te doen. Eerlijkheid is dan wel een deugd, oeverloos gelul is dat geenszins. Mijn excommunicatie uit de katholieke gemeenschap laat zich kort samenvatten: Ik was twaalf jaar, nam deel aan de generale repetitie voor mijn Plechtige Communie en stootte per abuis een vat met 100 liter wijwater om, wat leidde tot een plaatselijke zondvloed rondom het altaar van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Lichtaart. U moet weten, mijnheer de Kerstman, dat het wijwater gebruikt in katholieke riten een erg hoog alcoholpercentage bevat, waardoor niet enkel  de elektrische bedrading naar de kloten was, maar eveneens de communiekostuumpjes van mijn leeftijdsgenoten en de kazuifel van meneer pastoor. Uit noodzaak werd het Vormsel met enkele weken uitgesteld en de pastoor – die overtuigd was dat de Satan in mij werkzaam was – zette een procedure tot excommunicatie in gang. Zo geschiedde dat ik op dertienjarige leeftijd met toortsen en hooivorken uit de parochie werd verstoten. In mijn hart heb ik God nooit verlaten. Wel integendeel, het is de Kerk die mij de rug heeft toegekeerd. Mijn natuurlijk godsverlangen blijft echter intact. Enkel een dwaas is immers blind voor het verlangen dat hij koestert naar een sterke vaderfiguur, die veel ouder is dan hij en op tijd en stond de roede hanteert.   Daarom vraag ik u uit de diepten, o Heer, lieve Kerstman, wilt u mijn daddy zijn? Ik geef toe dat ik wat onbeholpen ben. De omgangvormen waarmee ik u dien te benaderen zijn onbekend voor mij. Vele zaken zijn me een raadsel. Hoe schrijf ik een brief aan u? Welke aanspreekvorm moet ik hanteren? Behoeven uw rendieren ook klontjes suiker en rapen, zoals het paard van Sinterklaas? Tot welk ras behoren uw elvendienaars? Zijn zij kleine groene trollen met insectenvleugels? Of eerder nobele, slank gebouwde wezens met puntoren zoals de wezens uit Lord of the Rings? Hanteren ook zij de roede, zoals de zwarte knechten van de Sint? Beste Kerstman, het zijn vragen waarop ik – arme zondaar – geen antwoord kan geven. Weet echter dat mijn hart op de juiste plaats zit. Als ik boeren laat tijdens het eten, vunzige moppen tap tijdens begrafenisplechtigheden en een dakloze uitscheldt als die in de weg loopt, dan doe ik dat steeds met de beste bedoelingen. Zoals u ongetwijfeld hebt gemerkt, ben ik een man van weinig woorden. Ik wil mijn brief dan ook eindigen met enkele korte, afsluitende opmerkingen. Ik ben een 36-jarige man, maar bevoorrechte getuigen, zoals mijn beste vriendin en mijn mama, kunnen u verzekeren, dat ik er gemakkelijk vijftien jaar jonger uit zie. Hoewel ik onderdanig en bereidwillig ben, heb ik toch een duidelijke set waarden en normen, waaraan niemand mag tornen. Eerlijkheid, openhartigheid en respect zijn heilig voor mij, evenals de bereidheid om op regelmatige basis het schaamhaar te trimmen en dagelijks de edele delen te wassen met een weinig water. Aan een stinklul heeft immers niemand iets. Ten slotte kan ik niet ontvangen, maar als het u belieft dan ben ik bereid om have en goed achter te laten en me te vestigen in uw geheime kerkers op de Noordpool. Voor mijn uitgebreide cv, evenals referenties en aanbevelingen, verwijs ik u graag door naar mijn professionele profielen op LinkedIn en Grindr. Uw bereidwillige dienaar,   Petrus Broederlam Antwerpen, 24 december 2021  

Pieter Van der Schoot
21 1

Brief aan Herman Teirlinck

Goedemorgen meneer Teirlinck, of mag ik Herman zeggen? Ik wil niet te familiair doen: u kent mij immers niet en bovendien bent u dood, wat toch een zekere vorm van formaliteit afdwingt. Ik hou het dus maar op meneer Teirlinck. Goedemorgen meneer Teirlinck. Het is nu twaalf uur ‘s nachts en vermoedelijk helemaal geen ochtend voor u. De zon heeft de hemel al lang verlaten en ik zit bij mijn venster, klaar om te gaan werken. Ik geniet van de rust en de onaangeraaktheid van de slapende wereld. Straks zullen mijn voetstappen de eerste van de dag zijn en zal mijn stem verdwijnen in een straatbeeld zonder oren. Alles gaat hier zo heerlijk traag. Ochtenden zijn iets van lange duur als je in de nacht leeft. De studentenkamer waarin ik leef maakte niet zo lang geleden nog deel uit van een klooster en heeft bijgevolg kleurrijke glas-in-loodramen en een florissante binnentuin. Mijn venster kijkt normaal gezien uit op de tuin, maar de hoge ramen weerspiegelen nu enkel het interieur van mijn kamer. Het enige wat ik zie is mijzelf en ander meubilair. De houten kasten en droge bloemen zouden een verlengde kunnen zijn van de natuur buiten, van de nacht. Wanneer je een beetje dichter komt, zie je dat er oneindig veel kleine insecten zich aan het oppervlak van het enkel glas hebben bevestigd. Ze kijken naar wat er zich hierbinnen afspeelt. De curieuze diertjes zijn allemaal wit: nog een eigenschap die ze delen met sneeuw, want ook zij verdwijnen bij het opkomen van de zon. Voyeurisme is een wederzijds spel. Het enige element dat onverstoorbaar verder leeft is Jeroen, de lange boom met zijn kale kruin. Ik wed dat u zou weten welke boom het is, maar dat soort kennis ontgaat mij. Ik las onlangs in de krant over de laatste Jeroen: de naam zou met uitsterven bedreigd zijn. Het tijdloze karakter van de boom compenseert dat denk ik. Want zo staat hij hier, te midden van dit alles en de wereld, als scheiding tussen Gaia en Ouranos: tijdloos. Enkel een zacht, geel lampje maakt zijn bestaan momenteel kenbaar. Ik weet echter dat wanneer ik morgenmiddag wakker word hij er opnieuw zal staan, in volle glorie. Helios’ licht zal scherpe schaduwen aftekenen op het omliggende gras en Jeroen zal er opnieuw zijn. Schoner dan ooit. Ondanks het ongewone beeld van zijn kale kruin denk ik dat het goed met hem gaat. Hij ziet er ondanks alles onoverwinnelijk uit. Onveranderlijk, dat ook. En dat is misschien toch het voornaamste element dat mij rust geeft in een tijd en ruimte die overheerst wordt door veranderlijkheid. Ik zit hier, net als u, bij mijn venster. Alles gaat hier zomaar aan ons voorbij. De realiteit wordt zachtjes vertroebeld door het enkel glas en de ochtenden duren langer dan ooit. Er is eigenlijk nog niet zo veel veranderd meneer Teirlinck. De dagen worden nog steeds per zeven geteld en ‘t blauwe zonlicht valt nog altijd op het water. Ik zou willen dat u het opnieuw kon zien, dat u de schoonheid van de wereld terug kon ervaren en haar weer kon vullen met woorden. Ik zou willen dat u Jeroen kon ontmoeten en dat u zou verdwalen in zijn schaduw. Jullie zouden het vast goed met elkaar kunnen vinden. Beide verwonderd over elkaars aanwezigheid: het zou jullie sieren. Ici je te laisse, u heeft vast nog enorm veel andere brieven van onbekenden te lezen. Ik sluit af met de mooie gedachte aan u en die vele brieven, dat iedereen u zo graag van alles wil vertellen. De nood aan uw luisterend oor is groot meneer Teirlinck, de nood aan uw traagheid en poëtische wereldvisie nog veel groter. Met vriendelijke groeten, Mirre Verhoeven

Mirre Verhoeven
13 1

Over angst voor vuurpijlen, brandend van terechte beschuldigingen. En het willen wisselen van de verdediging, want de huidige is moe.

Voor wie begrijpen wil, Het lijkt me echt verschrikkelijk... met me samen zijn. Als stel bedoel ik dan. Misschien ook wel als gewone kennis of vriendin... Het lijkt me vreselijk om met me samen te zijn: iemand die niet kan praten, dichtklapt wanneer terechte beschuldigende, bekritiserende woorden mijn kant op sprinten. Woorden die ieder afzonderlijk drie keer zo luid in mijn hoofd schreeuwen, door elkaar. En sommige woorden zoals "ALTIJD" krijgen altijd de bovenhand. Ze domineren de resumé van de monoloog waarop reageren - voor mij - onmogelijk is.  Want ik kom niet zo snel tot een reactie. Tijdens het vuren van die woorden ben ik in overleg met mezelf en word ik opdringerig onderbroken door die brandende vuurpijlen. Ik kan niets anders dan mijn ogen sluiten, accepteren wat op me af komt in de hoop dat misschien één vuurpijl me mist. Maar die anderen hebben me al geraakt. Wegwandelen zonder schrammetje is geen optie meer. Grote ogen vol onbegrip voel ik op me gericht en het enige wat ik wil is de tijd terugdraaien. "Hé is prima joh, niets aan de hand.", en dus doen of de neus bloedt. Wegstoppen in dat plekje ver weg met die andere woordenbommen. Ja, ook deze kan er nog wel bij. Niks aan de hand man (en kop in het zand). Ja, het moet echt ellendig zijn om met mij samen te leven in 'n huis waarin kennelijk door mij verwacht wordt dat er op de tippen van de tenen gelopen wordt. En waarbij het klaarblijkelijk zo is dat ik de mening van de ander niet accepteer en ze wegwuif als achterlijk, absurd en bezopen... omdat het me zo beter zou uitkomen. Dat herkenbare, terugkerende patroon door de jaren heen wordt steeds vatbaarder voor een intens beschaamd gevoel. Si, correct, GENAU... het moet echt gruwelijk zijn om samen met me doorheen de dagen te wandelen. Ik, die oog heeft voor de abstracte dingen en daar dan over gaat malen en tobben. Over een stemming of een sfeer, en dan het overweldigende gevoel aan prikkels die al mijn aandacht opeisen alsof ik geen keuze heb. Die toffe mensen die voor m'n neus iets doormaken... die worden als niet-relevant gecategoriseerd in mijn brein, zo blijkt. Lees: wegwuiven en geen aandacht geven. "Ah, het is onbewust, dan is het niet erg.", werd mij wel eens gezegd. Gevolgd door een geforceerde begripvolle knik. Weet je wat ik wil? Ik wil zeggen hoe het met me gaat gaat, schreeuwen wat er door me heen gaat. Prikkels loslaten, helicopteren boven de situatie om er dan een mooie mind-map-analyse van te maken. Ik wil de tijd stopzetten, de handdoek in de ring gooien. De witte vlag wapperen en een time-out vragen aan de arbiter. Of een wissel van de verdediging... want de huidige is moe. Je kent mij, toch? Het enige - laffe - waartoe ik in staat ben is jou in mijn armen sluiten en vergeten wat te vergeten is. Achter me laten wat voorbij is, want dat is een fluitje van een cent, kinderspel en zo gepiept. Laat me niet los, als het u belieft. Ik.     ps: die foto? Die nam ik ooit eens in één van de verlaten straten van Vieux Nice. Deze foto achter een bestoft etalageraam. Zo'n foto waarvan je weet dat de fotograaf er meer bij bedoelde dan wat de foto eerst laat zien. Die foto vond ik hier wel bij passen.

SilkeGeerts
100 1

Wokers gebruiken hun privileges niet eens!

In een oproep van verschillende cineasten en andere gekende en minder gekende figuren in Frankrijk om een sans-papiers te ondersteunen, beloofden duizenden burgers op 17 en 18 mei 1998 in een plechtige ceremonie georganiseerd door de burgemeester van Saint-Denis om honderden mensen zonder papieren te ondersteunen in het behandelen van een regularisatieprocedure. Dit appèl en deze actie van ongeziene burgerdaadkracht kwam er na het verdrijven van mensen zonder papieren die in de Parijse Eglise Saint-Bernard een onderkomen hadden gevonden maar door de politie hardhandig uit de kerk gezet werden. Onder andere actrice Emmanuelle Béart was het boegbeeld van een beweging voor de sans-papiers. De bezetting van de kerk is er niet zomaar gekomen maar was het antwoord op de toen heersende – linkse – politiek om mensen het land uit te zetten. De oproep was een succes. Die dagen – en avonden – stonden mensen zonder papieren ons op te wachten om hen met alle mogelijke middelen – en privileges – te helpen in de legaliteit te brengen. De meesten kregen hun dossier in orde, niet door schietgebedjes of gemediatiseerd medelijden, maar door concreet bezig te zijn met het dossier van een sans papier. Loonfiches, huurstrookjes, belastingaangiftes, getuigenissen werden allemaal uitgepluisd en versterkten de mogelijkheid tot regularisatie. Wat was onze rol om een sans-papier te ondersteunen? Je onderhield een concrete en reële relatie met iemand. Je toegewezen sans-papier kon je altijd bereiken en werkte samen met jou aan een regularisatieprocedure. Daar kwam veel papierwerk en slapeloze momenten bij kijken. Concreet wierp je met een advocaat een juridische kijk op het dossier, je leerde de geschiedenis van het verblijf van de man of vrouw in kwestie te kennen en je schreef alle mogelijke overheden aan om de irregulariteiten aan te vechten. Je maakte ook afspraken met diezelfde overheden en je ging naar loketten en bureautjes om je sans-papier te verdedigen. Geloof me, dat maakte indruk op de administratie. Je was ook de contactpersoon wanneer iemand door de politie werd gearresteerd. Dat was ook naar het politiekantoor gaan om de persoon te gaan halen en zijn/haar rechten te laten gelden. In België zie ik vandaag hetzelfde scenario bij de sans-papiers, alleen komt er van de geprivilegieerde witte mensen en mensen van kleur geen actie. Gejammer op Instagram, klaagwoorden op Facebook en ergernissen in de media. De woke-vlam lijkt vandaag gedoofd. De dokters leggen de pleisters maar de wonden liggen nog dieper. Ik zie echter niemand met een gekende naam of een gekend gezicht dat, net zoals Emmanuelle Béart, collega’s en netwerkboekjes oproept om een sans-papiers te ondersteunen. Opiniestukken schrijven, zeggen dat je er ’s nachts van wakker ligt of blijven zeuren over hoe schandalig het allemaal wel niet is, brengen geen oplossingen. Ondertussen vergaan de levens van deze honderden mannen, vrouwen en kinderen. Met deze een oproep aan alle gekende en minder gekende witte “Lives Matter” en mensen van kleur: gebruik je privilege om deze situatie mee helpen te doorbreken en levens te redden. Zet je irritante woke-visie nu eens om in concrete actie. Sluit je social media af en ondersteun een sans-papier. Doe je dat niet, ben je deel van het probleem. Geef een menselijk gezicht aan je actie.

Erwin Abbeloos
6 0

Het zinloze schrijven

Ik scheur een nieuw blad uit mijn notitieblok, schroef de dop van mijn vulpen los en laat zijn scherpe punt baden in de blauwe inkt. De vloeibare woorden, die lichtjes schitteren als sterren onder het licht van mijn bureaulamp, trekken zich langzaam maar zeker in hun betekenis, opdat ze nooit meer zouden worden vergeten. Vereeuwigde gedachten die ruiken naar natte inkt en snijden als papier. Het knetterende haardvuur houdt me warm terwijl ik schrijf. De houtblokken barsten open als koude lippen in een strenge winter. De vlammen likken naarstig aan het verharde glas van de kachel en versieren mijn ogen die mee de dans aangaan en zachtjes fonkelen.Een heerlijke warmte die onbeschrijfbaar diep binnendringt. Ik sluit mijn ogen en heel even hoor ik haar stem doorheen het gekraak van openbarstend hout. Verdwijnend in mijn gedachten, om nooit meer terug te komen, schrijf ik rustig verder over haar. Haar lach verschijnt in de vlammen van het haardvuur, en ik hoop slechts een fractie te kunnen neerpennen van de zwoele warmte die alomtegenwoordig is. Ze lacht nog eens en kust me. Verloren in een kluwen van zachte woorden probeer ik haar tot leven te wekken. Maar de inkt van mijn vulpen droogt langzaam op tot ik slechts krassen achterlaat op het papier, en niemand die het ooit zal begrijpen. Diepbedroefd laat ik haar verder bestaan in de onbeschrijfbare warmte van het zachte vuur. Mijn gedachten dwalen af naar toen onze ogen elkaar kruisten, en ik grijp naar een nieuwe pen. De inkt loopt er stroperig uit en glanst op mijn blad als het kabbelende water bij een zonsondergang. Terwijl ik me onderdompel in haar donkerbruine ogen, stroomt de inkt van mijn pen uit in een wilde rivier van woorden waarin ik mijn houvast verlies. Ik geef me over aan haar blik die me laat afdalen in diepten waar ik nog nooit iets voor iemand heb gevoeld. Verdronken in haar ogen open ik de mijne terug en zie ik hoe de houtblokken zijn gekrompen tot slechts enkele hete kolen. Met mijn pen in de hand staar ik naar het maagdelijke witte blad, afwachtend op de juiste woorden."Ik zie je echt graag" en meer kan ik haar spijtig genoeg niet zeggen, laat staan schrijven.  

Bruno De Waele
5 0