Zoeken

HOOFD / HART / HANDEN

Het kraken van de mesheften onder mijn zolen geeft een verrassend bevredigend gevoel. Bij haar zal dat iets minder het geval zijn, want ze heeft haar schoenen uitgetrokken en ze draagt ze in haar linkerhand terwijl de wind een poging doet onder haar nagelnieuwe regenjas te komen, waar ik alleen maar begrip voor heb, het is er aangenaam toeven. De regenjas hebben we zonet gekocht in een van de opmerkelijk vele regenjassen verkopende winkels aan de bevolkte dijk van De Panne als bescherming voor onze tocht naar Bray-Dunes. We zijn net Frankrijk binnengewandeld, ze wijst naar de eenzame vlaggenstok die moeilijk te ontwaren is vanaf de waterkant, hij steekt net boven de duinen uit. Onze monotone mars staat in schril contrast met ons intense, boeiende gesprek. We hebben het over welke mensen we graag zien en wat die gemeenschappelijk hebben. Het belang van familiebanden en in hoeverre sommige mensen eraan vastklampen als was het een boei in een zwarte, allesverslindende oceaan. We hebben het ook over welke mensen we liever mijden. Mensen die niet oprecht zijn of die denken dat wat ze doen, wie ze zijn of wat ze denken iets uitmaakt. Nu klink ik als een pessimist, maar laat dat net de conclusie zijn van onze conversatie, dat wat zij en ik delen een joie de vivre is zonder weerga, dat we te veel houden van dit leven om alles zo serieus te nemen. En dat menen we heel serieus. Met liefde rollen de namen van vrienden, familieleden en kennissen over onze tongen. We geven elkaar te kennen wat we waarderen in hen, en hoe zij ons zouden zien. Ik zeg haar dat mensen mij soms zien als een (halve) neuroot, een controlefreak, een angsthaas. Gelukkig zien ze me ook als iemand die anderen wil helpen, dingen wil creëren en graag en veel nadenkt over het leven. Je eigen tekortkomingen accepteren en weten wat je als mens te bieden hebt, terwijl je probeert een evenwicht te vinden tussen anderen helpen en jezelf zo goed mogelijk amuseren voordat het allemaal afgelopen is. Als je daarvan uitgaat. Omdat we toch al in een filosofische bui zijn, en ik weet dat zij niets liever hoort dan mijn zweverige gezwets, rakel ik het principe van hoofd-hart-handen van de Zwitserse pedagoog Pestalozzi op, een principe waarmee ik ben opgegroeid in de Steinerschool. Pestalozzi dweepte met Rousseau, hij noemde zijn eigen zoon zelfs Jean Jacques naar de beroemde filosoof. Volgens deze pientere geesten is een kind een kind en geen volwassene-in-wording. Kinderen moeten dicht bij de natuur opgroeien en de baas zijn over hun eigen leerproces. Rousseau is iets analytischer – hij is ook filosoof – en onderscheidt verschillende stadia in het kind-zijn, waarbij de wereld opnemen via de zintuigen voorop staat. Pestalozzi schetst een soort Vitruviusman, de gedroomde mens en burger, waarbij hij een holistisch paradigma presenteert van hoofd, hart en handen. Een mens is pas volledig ‘af’ als hij zowel kritisch heeft leren denken, met zijn handen heeft leren werken maar bovenal, en dat is het belangrijkste, geleerd heeft zijn emoties tot uitdrukking te brengen. Dat klinkt natuurlijk een beetje elitair, maar zij begrijpt goed wat ik ermee wil zeggen. Dat we trouw, eerlijkheid, openheid, vrolijkheid, vriendelijkheid en oprechtheid misschien wel veel belangrijker vinden dan al de rest. Ondertussen wandelen we in het doodse Bray-Dunes. Hoewel er een sfeer van vergane glorie heerst, zegt ze me dat ze zich hier wel ziet wonen. Maar jij niet, zeker? voegt ze er meteen aan toe, wetende dat ik gedij in een bruisende omgeving, ofschoon ik geen people person ben. Dat is het verschil tussen ons, zegt ze. We zijn beiden introvert, maar jij hebt mensen rond je nodig. Christophe Vekeman, wiens ‘Tot God’ ik zopas gisteren uitlas, stelt dat hij mensen niet haat maar ze gewoon niet kan uitstaan. Niet dat dat de conclusie is van zijn laatste boek, waar hij eerder positief uit de hoek komt. Toch neig ik met die stelling akkoord te gaan, hoeveel liefde ik soms ook voel voor mijn medemens. Maar ik heb ze nodig. We zitten op een bankje te wachten op de bus die ons terug naar het Plopsahotel voert, niet dat we daar logeren, maar dat is nu eenmaal de eindhalte. Van daaruit nemen we de KT, oftewel de tram waarop kinderen zijn toegelaten. Stilzwijgend zitten naast haar, ik doe het bijna even graag als niet zwijgend naast haar zitten. We kunnen het ook heel goed, zegt ze zo vaak, samen niets doen. Dan vervallen we in platitudes, zoals we wel eens plegen te doen, maar met een gezonde dosis relativering. En zo hebben we misschien de nodige veerkracht gekweekt bij elkaar. Misschien hebben we die veerkracht louter te danken aan oprechtheid. Dat we elkaar toelaten dingen te voelen, te denken en te doen. Dat we naast een koppel en ouders ook nog mensen zijn met een hoofd vol dromen, een hart vol verlangens en jeukende handen. In al die jaren hebbe we geleerd alles te zeggen, ook de lastige dingen. Blijkbaar kunnen we nu ook al naast elkaar zwijgen, dat belooft voor ons pensioen.

Lennart Vanstaen
0 0

Gedachtenballon

Een ballon verpakt een portie adem. Je blaast de lucht uit je longen letterlijk een ander leven in. De omlijning verandert de definitie. Van onzichtbaar aanwezig naar tijdelijk tastbaar. Ballonnen, ik heb er een haat-liefdeverhouding mee. Als kind speelde ik graag met die kleurrijke veerkracht. Vooral die op zo’n harde holle stok zoals in het draaimolenrek van de McDonald’s vroeger. De verbeelding vloog zo uit mijn hoofd: de stokballon om ter langst rechtstaand op je vinger balanceren, of op je neus; het uiteinde van het stokje aan je tong laten plakken door de lucht eruit te zuigen; je broers slaan met de ballon en ‘toevallig’ soms ook eens met de stok. Ook ballonnen zonder stok gaven extra lucht aan mijn fantasie. Je kon er gezichtjes op tekenen, ze als trosjes versiering aan een verjaardagsstoel hangen, er water of knikkers instoppen voor je ze dicht knoopte, ze naar elkaar pingpongen zonder de grond te raken of ze met een lintje als fantasietaart in jouw broek stoppen. Ballonnen, ze prikkelen je verbeelding. En ontploffen soms in je gezicht.Van mijn drie broers hield de jongste het meeste van ballonnen. Zodra een ballon knapte, hapte hij de kapotte knoop naar binnen. Even later dook het kleurrijke bewijs op in zijn luier. Mijn vader hield dan weer het minste van ballonnen. Van piepende vingers over zo’n gespannen vel kreeg hij al de kriebels. Het idee van een ontploffing was genoeg om de man zelf te laten ontploffen. ‘Geen ballonnen in de auto!’, blaasde hij even luid als de dreigende knal die in de lucht hing, wanneer we op de terugrit van de McDonald’s met onze overvolle stokballonnen speelden. Zou een ballon van de McDonald’s naar hamburgers ruiken als hij ontploft? Of naar koffie, als mijn vader hem opblaast aan de ontbijttafel? En hoe zou het zijn als de gespannen ballon tussen mijn ouders zou knappen? Ik stelde mij veel vragen als kind, al stegen de meeste onuitgesproken naar de overvolle ballon in mijn hoofd. Onzichtbaar aanwezig, met een voelbare knoop ter hoogte van mijn maag. Als tiener liet ik ooit een ballon ontploffen van mijn oudste broer. Samen met het vel van die ballon brak er iets in hem. Alsof die knal het signaal gaf om zijn emoties te laten lopen. Zijn kwaadheid finishte eerst, al denk ik dat verdriet de terechte winnaar was geweest. Ik snapte er niets van. Pas jaren later vertelde mijn broer hoe het zat. Die ballon was opgeblazen door zijn beste vriend. Die beste vriend was net overleden aan kanker. Die ballon verpakte zijn laatste adem. Die transformeerde van tijdelijk tastbaar naar onzichtbaar aanwezig. Ballonnen, ze prikkelen je verbeelding. En ontploffen soms in je gezicht.Toch als je ze te groot laat worden.

Rien Mertens
6 0

Verdronken land

Clouseau zong het al: 'De wanhoop staat geschreven op je gelaat'. Het is de bikkelharde waarheid. Van ons gezicht staat het af te lezen, onze lichaamstaal verklapt het al, maar door onze acties wordt het helemaal merkbaar. Reikend naar mistroostige strohalmen, proberen we te redden wat niet meer te redden valt. Anderen zagen het van mijlenver aankomen, dit stond van begin af aan ten dode opgeschreven. we zoeken en vinden oplossingen die niet het echte probleem aanpakken, we stellen daden om te bewijzen dat we nog steeds moeite doen en willen vechten voor wat niet meer is. We praten naast elkaar en vergroten de miscommunicatie door wat wordt gezegd persoonlijk op te vatten. Het gevoel van de ander bij de situatie schrijven we toe aan onszelf, waardoor we onszelf veroordelen voor het teleurstellen van de ander ondanks het idee dat die ander ons een schuldgevoel wil bezorgen. De vraag hoe goed we elkaar kennen rijst. Kennen de elkaar überhaupt wel?Paniek om kwijt te raken wat ons dierbaar is, of op zijn minst dierbaar lijkt, steekt de kop op. 'Ik wil niet dat je weggaat'. Hoe harder we het zand in onze hand vastgrijpen, hoe meer zandkorrels er tussen onze vingers glippen. Plots is er dan het besef. Ik kan dit niet meer, mijn energie is op, ik ben op, het is op. Maar hoe zetten we hier een punt achter? Alle mogelijkheden bieden zich aan, van korte pijn, over het laten doodbloeden tot de ander redenen voeden om zelf niet de beslissing te moeten nemen. Communicatie vervaagt en we plannen onze agenda vol. Pas na een hele poos valt het ons op, er is geen wij meer. Er is alleen jij en ik, ieder met zijn eigen leven. Met heel veel moeite weerstaan we aan de drang om opnieuw contact op te nemen. De nieuwsgierigheid knaagt. Hoe zou het nog zijn? Missen we elkaar even vaak?We verzuchten de vragen en slikken de bittere nasmaak die de herinneringen met zich meebrengen door. De draad van het leven wordt weer opgepikt en stapje voor stapje zetten we onze reis richting de toekomst verder. Druppelsgewijs komt er weer kleur door de grijze massa, in de verte laat voorzichtig de zon zich weer zien. Het is de eerste dag van de rest van ons leven. 

JMotje
8 1

Ochtendelastiek

Hoe ouder ik word, hoe minder vanzelfsprekend ik het vind om er te zijn, hoe glanzender, sappiger en zoeter het krieken van de dag en hoe blinkender het goud in de mond van de ochtendstond. Mijn overactieve geest heeft genoeg aan een paar uur pittend pauzeren om in eerste instantie te recupereren en in een tweede slaapfase zich weer aan te spannen om meteen na het opstaan losgelaten te worden en meters ver weg te schieten. Uiteraard heb ik het dan niet over eventuele vochtige gevolgen van een ochtenderectie of iets dergelijks. Nee, ik ben een elastiek. Een ochtendelastiek.  Een paar keer springen en wat luchtboksen tegen een denkbeeldige tegenstander volstaan als ochtendgymnastiek en qua ochtendmuziek ben ik zelfredzaam: in mijn hoofd kweel ik deuntjes van Rammstein en Falco. Die Duitstalige muziekkeuze geeft me nog meer energie en het onhoorbaar zingen is de minst risicovolle optie. Af en toe haal ik weleens vocaal uit, waarna mijn luchtbokstegenstander plots heel wat minder denkbeeldig wordt. Mijn vrouw vindt mijn repertoire en mijn zangstem maar niks. Ze ‘voelt’ het niet, ook niet dat kwieke en energieke. Ze komt heel wat trager op gang dan haar (v)echtgenoot. Eerst dek ik ze en niet lang daarna zit ik er opnieuw aan. Ik heb het inmiddels over de ontbijttafel. Mijn vijf ochtendlijke mee-eters, waarvan vier jeugdig en schoolgaand, schuiven een voor een aan en komen na een tijdje ook verbaal op dreef. Hoe jonger, hoe opener ze zijn in het bespreken van schoolse zaken en gebeurtenissen. Ik juich dat uiteraard toe, want dat geeft mij de gelegenheid om scherper dan een mes en snediger dan het brood in te pikken op hun vertelsels.  Zo vertelde een van mijn dochters een paar weken geleden dat ze een klasgesprek had gehad over latere beroepskeuzes. ‘Iemand uit jouw klas heeft ongetwijfeld verklaard dat hij piloot wilde worden,’ merkte ik schrander op, goed wetende dat er een jongetje genaamd Lander in haar klas zit. Na haar argwanende ‘nee’, haar blik vol wantrouwen en het landingsgestellerige optrekken van haar neusje verklaarde ik me nader. Ze vond het niet grappig. Niemand vond het grappig. Voor mij geen reden om te remmen qua ad remmerigheid. Humor hangt vaak af van timing. Grappen omstreeks 06:45 in de ochtend zijn voor meeste mensen sowieso niet levensvatbaar. Omdat ik ergens had gelezen dat het herhalingseffect eveneens een grote rol kan spelen in het humorgebeuren, ben ik nog een tijdje Lander-mopjes blijven maken. En ja, naast een paar stompen in mijn maag- en leverstreek leverde dat ook af en toe wat gegniffel op. Daar doe ik het voor. En om mijn dochter te plagen. Een greep uit de gesprekken:   Dochter: ‘Ahmed is de enige buitenlander in mijn klas.’ Ik: ‘Buiten Lander is er alleen Ahmed? Ik dacht dat er veel meer jongens in jouw klas zaten.’   Dochter: ‘Gisteren hadden we ineens een toets van wiskunde. Ik wist van niks, doordat ik de vorige les gemist had omdat ik ziek was.’ Ik: ‘Heel vervelend. En kon Lander je dan niet op de hoogte houden?’   Dochter: ‘Ik had uiteindelijk 9/10 op mijn toets van wiskunde! Ik denk dat ik de slimste van de klas ben!’ Ik: ‘Goed gedaan! Maar je moet dringend eens met Lander gaan praten.’ Dochter: ‘Waarom?’ Ik: ‘Hij zet je wel weer met beide voetjes op de grond.’   Dochter: ‘Lander had trouwens maar 4/10 op zijn toets van Frans. Ik 8/10. Ik zeg het maar even, omdat je altijd alles over hem wilt weten.’ Ik: ‘Ik had het kunnen denken.’ Dochter: ‘Hoezo?’ Ik: ‘Ik weet dat Lander als student geen hoogvlieger is.’   Dochter: ‘Gisteren was het heel rumoerig en onrustig in de klas. Onze juf was er niet en we hadden een vervangster. De jongens hebben heel de tijd ruzie en lawaai gemaakt.’ Ik: ‘Alle jongens, behalve Lander waarschijnlijk.’   Dochter: ‘Hoe weet je dat? Ik ben blij dat je ook eens iets positiefs over hem zegt. Nee, dat klopt! Lander is veel rustiger.’ Ik: ‘Logisch. Hij houdt niet van onrust, wrijvingen en turbulentie.’ Tot ik gisteren met de neus op de feiten en met het oor op mijn dochters smartphone werd gedrukt. Een spraakboodschap van Lander: ‘Dag meneer Vandenberk, dit is piloot Lander, ik vind jou een vervelende luchtzak.’ Sommige kinderen hebben geen gevoel voor humor. En de mijne weten niet wat ze moeten verzwijgen. Gelukkig heeft deze elastiek voldoende veerkracht om morgenvroeg weer meters ver weg te schieten, al hopen sommigen misschien dat het vanop grote hoogte en per schietstoel is.                  

Danny Vandenberk
18 1

Afscheid van de geobsedeerde sex

   Het was op een morgen dat ik met een barstende kop van de eerste avond (straalbezopen was ik in bed gekropen), aan de ontbijttafel gezeten en kusjes uitdelend, een van de Zweedse mannen naast mij ontwaarde.Björn, met zijn gebruinde lijf en zijn vlezige lippen. We praten wat in ons stamelend Engels en de ganse dag communiceerden wij, soms op een afstand, soms dichtbij, tot we 's avonds samen onze lichamen deden spelen. Er is ook Willempje, waar ik een ganse avond mee dans, waar ik me aan opgeil, en die de ganse nacht bij mij blijft. De eerste avond, discoavond wou ik zo hard iemand versieren dat ik stomdronken alleen onder de lakens moest toen ik mij de volgende dag met een zware kater bij de meute terug vervoegde, besefte ik dat het niet mogelijk was iemand het bed in te slepen in een sfeer waar iedereen constant bij elkaar was.Wilde je iemand leren kennen, vond je iemand lief, dan ging je met hem eten, deed je de afwas samen, wandelde je, praatte je, kortom leefde je samen. Toen 's avonds de muziek speelde, danste je samen. En als je allebei dezelfde herkenning had gevoeld, ging je ook samen vrijen. Niet meer die barsfeer moeten ondergaan, zonodig versierd-te-moeten-worden. Gewoon samenleven. Zoals Pierre uit Lyon, mijn vriend die ik de eerste dag in zijn blootje had zien rondlopen, waarbij ik twee nachten heel dichtbij, pratend, heb doorgebracht. Hier geen verplichting om te seksen, maar wel een behoefte om te kennen en te voelen, waar hij mee bezig was, hoe hij was, en wat hij was. En Pierre uit Parijs die ik de eerste dag als leuke bedgenoot beschouwde en in wiens armen ik de nacht erop heel zachtjes, samen in de roes van Armagnac en Ricard, indommelde. Hij die enkele dagen later bij mij kwam wegens een nog niet uitgesproken verliefdheid die met zijn betraande gezicht mij ook bijna aan het huilen bracht. Maar ik kon niet meer. En Mathias, die lieve Nederlander, die op een dag dat ik diep in de put voor mij uit zat te staren, mij uitnodigde om koffie te gaan drinken in een van de omliggende dorpjes. Daar voelde ik weer het ongenoegen van de buitenwereld over het manifest homo-seksueel zijn, mijn nagels waren gelakt en mijn ogen geschminkt. Toen wij het café binnenkwamen, zagen wij het nadrukkelijk begluur en gegiechel van het cliënten, en het gezicht van de patroon, dat versomberde naarmate hij ons een voor een bekeek. En dan nog Eef, de lieve man waarmee ik de terugreis deed. Twee dagen langzaam afgekickt en elkaar begeleidend, "onze plaats" terugvindend, tussen het "normale?". Ik herinner me de paranoia die in het begin van het kamp velen bang maakte voor de onvriendelijke dorpelingen en een mogelijke politie-inval. Maar ook onze solidariteit toen wij onze huisbaas de deur uitgooiden omdat hij onze sfeer verziekte. Deze stukjes zijn ogenblikken geweest van intens leven. Ik vertel niet alles want dat zou ik niet kunnen. Een ervaring van veertien dagen herkenning met allen van het kamp, waardoor ik gesterkt terug in de fallokratische maatschappij kwam. Een plaats waar ik terug besefte dat mijn homoseksualiteit voor mij een mogelijkheid was om te experimenteren met mijzelf en met de mensen rondom mij, en van hieruit mijn homo-zijn als een constante verrijking aan te voelen, als enkeling in een groep die steeds bezig is te zoeken naar zichzelf. Montaigue de Quercy, Frankrijk Mont des Tante 1977 foto gallery VERF ED https://www.2dehands.be/seller/view/m2113323098

verf ed
11 0

HOE ZELFS LINKS MIJ DISKRIMINEERT ALS HOMO

Toen ik op veertienjarige leeftijd verplicht werd op de fabriek te gaan werken had de maatschappij al een kiem gelegd van ontevredenheid. De ongelijkheid was mij al duidelijk geïllustreerd tijdens mijn schoolperiode: er werd geen enkele speciale moeite gedaan om mijn interesse te wekken voor de leerstof. Ik werd enkel, met veel straffen, uit een analfabetisme gehaald, niet meer of minder. Want de traditie eiste, dat de mensen die in mijn arbeidersbuurt woonden, op veertienjarige leeftijd gingen werken. De nonnen trachten er dan ook geen intellectuelen van te maken. Tot grote spijt van mijn omgeving, vond men mij terug in de politieke middens van mijn stad. Mijn interesse was gewekt door een lieve jongen uit dat milieu, waarop ik onbewust verliefd geworden was. Ik vond er mijn eerste verwoording (ik meen begrip) voor mijn onderdrukte positie als arbeider. In die omgeving was iemand die mij,als enige arbeider, interessant genoeg vond om deel te nemen aan de Derde Wereld-beweging (die later Amada werd en nu PvdA), die toen actief was. Nadat ik enkele vergaderingen had meegemaakt, werd ik voor de eerste maal geconfronteerd met het volstrekt onbegrijpelijke taalgebruik dat ze ten opzichte van mij als arbeider gebruikten (het was de eerste maar niet de laatste maal), en ook met de afstandelijkheid op emotioneel gebied. Alles mocht als men maar de taal van Marx sprak. Doch dat belette niet dat ik bewuster werd van mijn positie als arbeider. De kiem kreeg wortels. Doch de spanning veroorzaakt door mijn marginalisering als arbeider tussen intellectuelen, en de inconsequente houding in het dagelijkse leven maakte dat ik me daar niet meer thuis voelde, en de weg opging naar het apolitieke milieu. Op negentienjarige leeftijd verhuisde ik naar Gent (later Leuven, Brussel, en nu Antwerpen) en men vond mij terug in tal van groepen die met elkaar gemeen hadden dat men zocht naar een nieuwe maatschappijvorm. Het was echter duidelijk dat mijn bewustzijn als arbeider en mijn bewustzijn als homo niet gelijk evolueerden. Als kind had ik uitgebreide sexspelletjes met mijn vriendjes (die nu opeens hetero's schijnen te zijn), zodat ik volop mijn homo-erotiek kon uitleven: maar ik kreeg in mijn jeugdige situatie ook de indruk (over sexbeleven werd niet gepraat, het werd belachelijk gemaakt) dat alle mensen, ook in andere milieus, homo-erotische gevoelens hadden en die op een of andere manier naar buiten brachten, het fijn vonden, maar belet werden om die openlijk te beleven. Toen ik ongeveer twaalf jaar was had de gevestigde macht onder de vorm van de kerk en mijn opvoeding een zodanige invloed op mij, en werkte zodanig aan mijn schuldgevoel dat ik werd gedwongen slecht te vinden wat ik fijn vond. Daardoor briefde ik in de biechtstoel mijn sexspelletjes over met een jongetje waar ik ontzettend veel van hield, en die mij dat prachtige gevoel van spanning gaf. De pater bedacht mij niet met een bedevaart naar het G.O.C., maar met een bidprogramma van een week. Hij verbood mij nog zo'n dingetjes te doen. Ik moest hetero worden. Ook de linkse beweging waar fallokratisch gedoe als een normaliteit werd gehanteerd sterkte mij in het idee van de hetero-van-zelfsprekend heid. Dus klasseerde ik mezelf als hetero. Dus werd ik hetero. Op twintigjarige leeftijd kon ik dat niet meer aan. Ik voelde me genoodzaakt (verplicht)de bars in Brussel te gaan bezoeken. In mijn dagelijks leven werd ik hetero en 's avonds homo. Mijn verhuis naar Leuven, mijn werking in de werkgroep Marginaliteit en mijn verblijf in de "Pimpel" zijn erg belangrijk geweest voor mijn evolutie als homo. Daar kon ik voor de eerste maal mijn homo-zijn verwoorden. Daar buiten echter ging mijn schizofreen leven verder. Op een dag, in de enige bar die Leuven rijk was, ontmoete ik een lieve jongen die in de Leuvense Studentenwerkgroep homofilie (LSWH) bleek te werken. Als goed militant sleurde hij me mee naar een van hun vergaderingen. Ik wist maar heel vaag van hun bestaan, daar hun werking toegesplitst was op studentenbevolking. De rest van de onderdrukte homo's die geen bindingen hadden met de universiteit, konden het bestaan ervan rieken. Alleen voor de toekomstige dokters en intellectuelen werd de loper van de hulpverlening gelegd. Maar ja, eens erin werd je wel getolereerd. En toen ik hoorde wat ze allemaal deden, opvang, wekelijkse vergaderingen, gespreksgroepen, dacht ik dat mijn leven ging veranderen. Niet meer die ellendige bars, die constante uitbuiting van onze gevoelens, het ellendige gevoel naar de hoeren te moeten lopen als je behoefte hebt aan affectie. Weg ermee: leven. De LSVH betekende voor mij een lichtpunt. Daar dacht ik mensen te vinden die net als ik naar buiten wilden komen. Ons homo-zijn niet meer verbergen. Ik hoopte bij hen de sterkte te vinden om op straat te kussen, gearmd te lopen, mijn homoseksualiteit te tonen. Ik dacht binnenkort geen problemen meer zou zijn. Ik hoopte op mensen die achter mij zouden staan om mij te leren in verzet te komen tegen die constante vernedering te worden beloerd, bespot, uitgescholden.Maar de droom was kort. De teleurstelling pijnlijk. Er werd zoiets gezegd als "dat we de mensen niet moesten shockeren, want we moesten die hetero's de tijd gunnen en vragen ons te tolereren".En hoe die het dan moesten leren met ons te leven, bleek uit de vele gespreken over "hoe leg ik het aan boord gelukkig te leven in deze heteromaatschappij", wat zoveel betekent als "hoe leer ik mijn homogevoelens onderdrukken voor de hetero's". De heteronormaliteit werd nooit in vraag gesteld, alleen wij homo's werden constant betwijfeld. Geen dromen meer over het naar-buiten-komen. Ons bed, onze kamer, de bars, de werkgroep: afgebakende plaatsen waar ik mijn homo-zijn mocht beleven, daarbuiten was op eigen risico. Daarbuiten was er niemand die mij hielp. De maatschappij werd niet in vraag gesteld, hooguit soms gecorrigeerd. Na een aantal vergaderingen vervloog de droom en zat ik terug in de bar. Daar kon ik vinden waar het mij om ging: mannen. Door de hele dag mijn homogevoelens te verdringen, zat ik zodanig in de knoei dat ik nog maar één idee had: de bar in en een lekkere man opscharrelen. Wie of wat hij was had geen belang. Dat kon ook niet, want meestal was de sfeer zo vervreemdend en de decibels zo luid dat zelfs denken onmogelijk was.'s Morgens werd de man na een tas koffie gewoon op straat gedropt. En zo ging het verder tot ik op een dag op een van die "intieme homofuifjes" een vriendje opscharrelde die bij de ROOIE VLINDER bleek te zijn en die zei dat ze de volgende dag samen zouden opstappen in de 1-mei-betoging. Dus 's anderendaags ik mee op straat, wat meteen ook mijn aansluiting werd bij de ROOIE VLINDER; de vergaderingen waren leuk. Er werd gelachen en gepraat en vooral: er werd iets ondernomen tegen mijn,onze onderdrukking. Hier mocht ik zeggen dat niet ik alleen het was die mijzelf niet aanvaardde, maar dat de maatschappij me daar geen mogelijkheid toe gaf. Na de vergadering werd er meestal een pint gedronken in een'gewone'kroeg en die hetero's waar het eerst wat aan wennen was, vielen ook mee, kwamen ons ook kusjes geven (niet altijd met evenveel overtuiging, maar ja, beter iets dan niets). Daar heb ik terug de draad opgenomen van mijn verzet tegen het conservatisme. Ik wist dat ik niet meer alleen stond. We beseften dat we elkaar nodig hadden als steun in de dagelijkse realiteit. En het werd mooi flikker te zijn. Mijn schuldgevoel maakte plaats voor een zelfbewuster houding (die me nu soms verweten wordt). Gedaan met het steeds maar rekening houden met hetero's: van nu af moesten zij ook rekening houden met ons. Janet zijn is mooi, en zou steeds mooier worden. De vakantie stond voor de deur, ik naar Zuid- Frankrijk naar een alternatief Janetten-kamp. Daar veertien dagen samen met homo's uit heel Europa, ondervonden we die solidariteit, die alleen onder verdrukten mogelijk is. Ook het feit dat mensen mij mooi, lief en erotisch vonden bevrijdde mij van tal van complexen opgedaan in het heterogetto. En weer kwam ik sterker terug. En na een jaar ROOIE VLINDER heeft de boom bladeren gekregen. Hij is nu sterk genoeg om in het verzet te blijven. De bloemen zullen echter alle vruchten krijgen als de solidariteit van de progressieve beweging groot genoeg is en steunt op het consequent in-vraag-stellen in de dagelijkse praktijk van het eigen fallokratisch gedrag. De fallocratie is een dynamiek van de conservatieve beweging en de oorzaak van de onderdrukking van zowel vrouw als man. Er resteert geen andere keuze dan de consequente afbraak van die dynamiek. Iedere stap in die richting maakt mijn homoseksualiteit mooier, vrijer. Deze tekst verscheen in de rooie vlinder krant 1978 FOTO gallery VERF ED https://www.2dehands.be/q/verf+ed+/

verf ed
8 0