Zoeken

Weerstand tegen het lieve meisje

Natuurlijk is de weerstand die ik voel ten opzichte van de kassierster in mijn vaste supermarkt niets anders dan een projectie van een deel van mezelf waar ik afkerig tegenover sta. Aanschuivend aan de kassa sta ik haar soms gebiologeerd te observeren. Ik wens het arme kind uiteraard niets dan het beste toe, maar ik ben mij wel bewust van dit zurige gevoel. Iets in mij wil de energie die zij uitstraalt niet aanvaarden. Het is interessant om hier bij stil te staan, want ik wil graag in het reine zijn met elk aspect van mezelf. Weerstand tegen dingen maakt het leven moeilijk. Weerstand tegen een deel van mezelf zou zich wel eens kunnen uiten in een lichamelijke kwaal. Vandaar mijn motivatie voor deze persoonlijke psychoanalyse. Het meisje achter de kassa zou ik kunnen samenvatten als een seut. Ze blaakt van de goedheid, braafheid en betrouwbaarheid. Haar bewegingen, stem, blik, huid, haar en karakter zijn zijdezacht. Ze straalt niets pittig of verrassend uit en ze lijkt vlekkeloos op te lossen in haar omgeving. Toen ik eens vroeg of ik mijn zonnebril toevallig niet in de winkel was vergeten, deed ze zoveel moeite om hem te vinden dat ik spijt kreeg dat ik ernaar gevraagd had. De toon waarop ze naar mijn klantenkaartje vraagt, triggert iets tegendraads in mij. Het is een gevoel dat verzinkt in de achtergrond, het had mij zelfs gemakkelijk kunnen ontgaan. Ik weet echter dat er grootsheid in de kleine dingen schuilt.   Het is niets nieuws voor mij om te beseffen dat ik moeite heb om het zachte en gevoelige deel van mezelf volledig te aanvaarden. Enerzijds prijs ik mijn gevoeligheid de hemel in en weet ik hoe ik voordelen uit deze eigenschap kan halen. Maar anderzijds voelt het soms als een last. Zo vind ik het bijvoorbeeld vervelend van mezelf dat ik sociaal contact als vermoeiend ervaar. Ik weet ook heel goed hoe dat komt. Het vermijden of inperken van sociaal contact beschouw ik als een voorlopig antwoord op dit probleem. Ik baken grenzen af en bedenk regeltjes die ervoor zorgen dat ik mezelf niet teveel uitput als ik sociale interactie op mijn programma zet. Maar het liefst van al zou ik onverstoorbaar in mijn authentieke energie moeiteloos met anderen omgaan. Hoe heerlijk moet het wel niet zijn om me even vrij en ontspannen te kunnen voelen met anderen zoals ik me voel als ik alleen ben. Het is een belangrijk werkpunt waar ik actief aandacht aan besteed en het is wel degelijk al verbeterd in vergelijking met een paar jaar geleden. Toch ben ik nog niet waar/wie ik wil zijn. De sensitiviteit waar ik mee worstel, maakt me poreus ten opzichte van de energie van anderen. Het antwoord lijkt te liggen in afsluiten en harder worden. Minder gevoelig zijn. Ik vind mezelf soms te lief en ik walg daarvan. Het kassierstertje herinnert mij daaraan. Ik voel me dan ook aangetrokken tot mensen die een zeker je-m’en-foutisme uitstralen. Mensen die aan alles lak lijken te hebben en die laten uitschijnen dat niets hen raakt. Individuen die zonder enige schaamte hun uniciteit zegevieren. Dat vind ik inspirerend. Het lijkt me zalig om onverstoorbaar te zijn. Ik wil geen harde tante worden, maar zonder schuldgevoel een beetje meer lucht geven aan mijn inner bitch zou de dingen soms gemakkelijker kunnen maken. Eén van de belangrijkste levenslessen is dat niets is wat het lijkt. Het lijkt misschien logisch om de problematiek omtrent mijn gevoeligheid op te lossen door mezelf op één of andere manier te trainen in afsluiten en harder worden. Maar het tegendeel is waar. In plaats van mij af te keren van gevoeligheid, is het veel constructiever om er nog dieper in mee te gaan en deze eigenschap te exploreren en benutten. Dit lukt mij met vallen en opstaan. Het loont vaak de moeite om de dingen eens contra-intuïtief te benaderen. Om op de weerstand af te gaan. What you resist, persists. Wat je probeert te weren, trek je juist aan. Het is ook amusant om te constateren dat ik in alles dat hard lijkt het zachte zoek. Alsof ik via een omweg toch op hetzelfde punt uitkom. Als ik bijvoorbeeld iemand ontmoet die zelfzeker, sterk en onverstoorbaar overkomt, dan ga ik bijna automatisch op zoek naar zijn of haar gevoelige plekken. Het gevoelige vrouwelijke dat veilig huist in het stoere mannelijke vind ik ontzettend mooi. Een balans tussen beide is prachtig. Ik schommel soms tussen uitersten. Hypersensitief en tegelijkertijd gek op death metal en close combat. Ik heb lief met overgave, maar ben even passioneel in mijn woede en verdriet. Ik ben net zo donker als ik licht ben en ik hoef niet te kiezen. Ik wil het geheel omarmen. Alles draait om eigenliefde. Het is bepalend voor de levenskwaliteit. Ik oordeel over mezelf, met dezelfde blik waarmee ik naar het meisje achter de kassa kijk. Denkend dat ik meer in mijn mars heb dan waar ik momenteel mee bezig ben. Maar ik wil niet te streng zijn voor mezelf, anders gaat mijn innerlijk kind huilen. En dat is ook nefast voor de levensvreugde. Schipperend tussen nooit tevreden zijn en liefdevol aanvaarden probeer ik mezelf te scheppen.

KarolienDeman
8 1

over inbrekers

‘Wat was dat’? Elk herkenbaar geluid wordt onherkenbaar en onheilspellend als de avond valt. Mijn jongste dochter ligt in bed en we (daarmee bedoel ik mezelf) zijn klaar om goeienacht te zeggen. Dan hoort ze iets ritselen, bonken of knappen. Ze meent dat het een inbreker is. Ik begrijp haar angst, ik was vroeger ook bang voor inbrekers. Mijn moeder slaagde er altijd in me gerust te stellen met laconieke redeneringen: ‘Boeven zoeken geld of dure spullen. Wij hebben geen van beide in huis. Ze hebben dus geen reden om in te breken’. ‘En onze televisie dan?’, vervolgde ik. Waarop mijn moeder een beeld schetste van een boef met een beeldbuistelevisie op zijn rug. ‘En de computer dan?’ We hebben het hier niet over een hedendaagse, ultradunne, lichtgewicht laptop. Nee, het gaat om een gigantische computer uit de jaren ’90: een lompe desktopcomputer met klavier en muis. Opnieuw schetste mijn moeder een beeld van een boef met die computer op zijn rug, klavier in de ene hand en muis in de andere. Ik had nog vragen over een aantal andere huishoudtoestellen, zoals de wasmachine, droogkast en de ingebouwde vaatwasser. Mijn moeder bleef haar mantra over de – ondertussen overbelaste – rug van de inbreker herhalen. Daarna kon het licht uit en vroeg ik mijn moeder om mijn kamerdeur op een grote kier te laten. Mijn dochter laat zich ook niet met één argument geruststellen. Ze verschilt van mijn eigen jongere versie, want zij verzint volledige scenario’s. Probleem en oplossing in één. Zo houdt ze er rekening mee dat de boef in ons huis rondloopt, maar geen nood, dan verandert ze zichzelf in een elf of laat ze de boef bevriezen. Of verstenen. Of ze tovert zichzelf weg. Na het bespreken van tien afweermechanismen zijn we (daarmee bedoel ik mezelf) klaar om goeienacht te zeggen. Het valt me op met hoeveel vuur ze spreekt over het verslaan van de boef. Ze schept er groot genoegen in de inbreker in haar fantasie ten val te brengen. Het doet me denken aan het gevoel wanneer de slechte in de film eindelijk moet incasseren. Ik vind het knap dat ze haar angsten kan bedwingen met haar fantasie. Een irreële angst bestrijden met een irreële oplossing, er valt iets voor te zeggen. Ik ruilde doorheen de tijd mijn angst voor boeven in voor een aantal andere angsten. Sommige daarvan hebben bestaansrecht, omdat ze gekoppeld zijn aan de realiteit. Anderen zijn onnodig, angst voor problemen die nooit kunnen voorkomen. Dan raak ik verstrikt in mijn eigen fictie. Doe mij maar de methode van mijn dochter: een irreële angst bestrijden met je fantasie in plaats van je door fantasie in te laten met allerlei angsten.   Dochter: In mijn boek van Harry Potter gaat het over de Dementor. Die kan je datgene laten voelen waar je het meest bang voor bent. Moeder: Dat klinkt wel eng! Als ik klein was, bestonden er nog geen Harry Potter boeken. Ik las de boeken van Pietje Puk. Dat was een postbode en die zong altijd een liedje ‘Eén twee drie vier, Pietje Puk die heeft plezier. Vijf zes zeven acht, ’t is Pietje Puk die altijd lacht’. Dochter: En dat is niet eng, ofzo? Wat een freak, zeg.

Lore Dewulf
5 2

over lichaamshaar

Als ik u vraag waar u het meest walging voor voelt: vrouwelijk okselhaar of maden in vlees, wat zou u dan antwoorden? Deze vergelijking heb ik niet zelf uitgevonden. Als ik één levensdoel heb, dan is het wel zo weinig mogelijk denken aan maden in vlees. In 2004 onderzochten Tiggemann en Lewis de relatie tussen lichaamshaar en de gevoeligheid voor walging. Ze kwamen tot de conclusie dat zowel mannen als vrouwen met walging op vrouwelijk lichaamshaar reageren. Wat bedoel je met walging, hoor ik u denken. Wel, dezelfde graad van walging als bij het zien van maden in vlees. Daar komen die maden dus vandaan. Waar komt die walging voor vrouwelijk lichaamshaar vandaan? Er bestaan uiteenlopende verklaringen, maar volgens mij is het simpel. We kunnen het spaarzaamheidsbeginsel inroepen: het wegnemen van alle onnodige ingewikkeldheden om bij de eenvoudigste verklaring uit te komen. De eenvoudigste verklaring is deze: de heersende norm over lichaamshaar is onderdeel van de vercommercialisering van ons lijf. We mogen er niet uitzien zoals we zijn, we moeten ons aanpassen. En hoe kunnen we dat best doen? Door producten te kopen natuurlijk! Producten om al dat lichaamshaar te scheren, waxen en epileren, zodat we haarloos door het leven kunnen. Want, zo weet iedereen, je kan pas naar het zwembad als je bikinilijn on point is. Het kan aan mij liggen, maar ‘badmuts’ krijgt opeens een heel andere betekenis. Ik vind de vercommercialisering van ons lijf absoluut geen fijne evolutie. Meer zelfs, ik vind het absurd. Maar zelfs al volg je het devies van Baz Luhrmann ‘don’t read beauty magazines, they will only make you feel ugly’, wat ik al jaren doe, dan nog ben je niet vrij van het zien van vercommercialiseerde lijven. De gladgeschoren lijven lachen je toe op social media, in tv-series en in films. Die maken ons onzeker over onszelf. Laatst stond ik onder de douche, terwijl ik mijn onderbenen schoor. Mijn dochters, die hun tanden aan het poetsen waren, vroegen waarom ik dat eigenlijk deed. Ik stond even met mijn mond vol ongepoetste tanden. Ja, waarom eigenlijk? Omdat ik het mooier vind? Omdat ik wil voldoen aan de heersende norm? Omdat ik niet wil dat mensen mij aanstaren omdat ik haar op mijn benen heb? Ik denk dat ik in alle eerlijkheid driewerf ja moet antwoorden. Ik zou het fijn vinden mochten mijn dochters hier voor zichzelf op een nuchtere manier mee kunnen omgaan. Dat ze een eigen keuze zullen maken en dat ze zich niet zullen laten gek maken door die vercommercialisering. Ik weet nu al dat ik bij hun eerste scheermesje heimwee zal hebben naar een simpele wereld, eentje waarin niet zoveel verwacht en bewerkt wordt. Tegelijkertijd vind ik het stom dat het zo naïef en pathetisch klinkt. Oh, trouwens, ik zocht het even op: het spaarzaamheidsbeginsel wordt ook wel eens het scheermes van Ockman genoemd. Dat kan geen toeval zijn.   Dochter: Vind je dat je zelf mooie vlechten kan maken in je haar? Moeder: Bwa. Gewone vlechten wel, ingevlochten vlechten vind ik wat moeilijker. Dochter: Schaam je je soms voor je vlechten? Moeder: Nee, dat niet. Waarom vraag je dat? Dochter: Om te weten of je schaamhaar hebt.

Lore Dewulf
6 1

Privileges

Het heeft me meer tijd gekost dan anders om dit te schrijven. Omdat ik niks verkeerd wil zeggen. Omdat ik geen domme dingen wil schrijven uit onwetendheid vanuit m'n eigen achtergrond. Maar ik moet het wel eens gezegd hebben. Want ik hoor nog veel te vaak 'ik ben geen racist, maar'. En gewoon zwijgen en er het mijne van denken begint meer en meer aan te voelen als medeplichtigheid. Ik kom uit een blank vierkoppig gezin waarbij m'n vader een fabrieksarbeider was, m'n moeder een onderbetaalde kuisvrouw. Rijk waren we dus niet, maar arm evenmin. We gingen niet op reis naar de Côte d'Azur of de Costa del Sol, maar aan de kust van Domburg smaakte het water even zout en waren de frieten even slecht gebakken. Ondanks het prijskaartje hebben mijn broer en ik de kans gekregen om universitaire studies te doen. Een van ons twee heeft z'n opleiding van 9 jaar met succes afgerond. De ondankbare, overjaarse puber van de twee verspilde een kostelijk jaar in Leuven, gaf z'n tweede poging op hogeschool op na 2 jaar, om – derde keer, goeie keer – toch nog een bachelor binnen te harken. We laten even in het midden wie wie is. Wat ik wil zeggen is dat ik nooit overvloedige rijkdom ervaren heb, maar alle kansen gekregen heb in m'n leven die ik kon wensen. En zo goed als iedereen in mijn directe omgeving kan hetzelfde zeggen. Misschien is het daarom voor velen zo moeilijk om zich voor te stellen dat niet iedereen die luxe heeft gehad. Dat sommigen hier nog voor ze hun eerste stapje zetten al een stempel op het hoofd hebben voor de rest van hun leven, of ze nu al derde generatie Belg zijn of niet. Dat sommigen hier keihard werken om een toekomst op te bouwen en nog als profiteurs worden afgeschilderd. Dat iemand met een andere kleur, accent of cultuur wel goed genoeg is om één dag na je bestelling dure, overbodige spullen aan je voordeur te komen afgeven, maar niet goed genoeg om in je straat te wonen. Blijkbaar zorgt dat veilige leventje van velen van ons ervoor dat maar weinigen zich kunnen voorstellen hoe het moet zijn om níét elke dag van je tijd op deze aardbol gerust te zijn dat je basisbehoeften zonder problemen vervuld worden. Kom dus alsjeblief niet af met dat 'all lives matter'-argument dat jou doet overkomen als een eindeloos vat van empathie voor alles wat leeft. Zoiets zeggen is hetzelfde als geen enkel goed doel steunen omdat je vindt dat álle goede doelen steun verdienen. En ondertussen níks bijdragen aan verandering. Doen alle levens ertoe? Natuurlijk. Maar daar gaat het hier niet over. Als je echt zo meelevend zou zijn als je beweert, besef je dat het er hier om draait dat bepaalde levens er doorheen de geschiedenis altijd minder toe hebben gedaan dan andere. Bewust, door toedoen van andere, gepriviligeerde groepen. En dat dat dringend moet veranderen. Dus stop met je bedreigd te voelen. Met bang te zijn dat iemand jouw comfortabel leventje komt inperken. Dat iemand beslag komt leggen op je bedrijfswagen, je job of je huis. En stop met een enorm belangrijk moment af te nemen van mensen die al eeuwen systematisch worden gediscrimineerd, nu ze eindelijk eens gehoord lijken te worden. En de volgende keer dat je van plan bent om te zeggen 'ik ben geen racist, maar', vervang dat dan alsjeblief eens door 'ik besef dat ik het als witte middenklasser al mijn hele leven als vanzelfsprekend beschouw dat ik niet moet wakkerliggen van eten of een dak boven m'n hoofd, dat ik niet bang ben als ik politie zie passeren, dat een appartement niet plots verhuurd is nadat ik mijn naam heb gezegd aan de telefoon, dat ik het hartverscheurend zou vinden moest mijn kind of kleindkind zonder reden slechter behandeld worden dan de rest, maar ...' Wie weet voel je geen behoefte meer om je zin af te maken en bespaart dat ons weer een ongemakkelijke situatie waarin het kiezen is tussen een lange discussie vermijden of de ballen hebben om je te wijzen op het feit dat je met je vooroordelen wél een racist bent. Bij deze ga ik er eindelijk mee beginnen om voor dat laatste te opteren.

Hans Verhaegen
14 0

Het Huis

Het Huis kraakt. Zoveel decennia staat hij hier reeds. Hij heeft al heel wat figuren geherbergd. Hij heeft mooie, ontroerende taferelen gezien en beleefd. Maar hij heeft ook moeite moeten doen om niet ineen te storten als een kaartenhuisje. Dat is hij niet. Hij is groot, sterk en warm. Dat wordt ten slotte van hem verlangd. Door al diegene die in hebben kunnen schuilen. Want dat is hij wel. Een schuilplaats voor iedereen.   Voor de kleinelingen, die met tegenzin opstaan en zonder moed aan hun dag beginnen. Ze gaan met slepende voeten naar school, wetende dat ze vandaag opnieuw op hun donder gaan krijgen. Misschien van de juf of meester, of van die streng uitziende directrice. Of misschien worden ze achterna gezeten door de bullebak van de klas. Om al hun centjes op te eisen. Niet omdat hij geen geld heeft, maar omdat hij zich geen houding weet te geven. En dit maar af reageert op de eenzaten, tevens de stilsten van de groep. Dit zijn de kleinelingen die het eeuwige antwoord: “Goed” mompelen op de vraag: “Hoe was het vandaag?” Dat dit keer op keer een ergerlijke zucht teweeg brengt bij de vrager in kwestie. Tot de vraag niet meer gesteld wordt.  Voor hen wil Het Huis een schuilplaats zijn. Hij wil de opluchting voelen als ze de te zware voordeur open duwen en even stil staan omdat ze weer daar zijn, in hun veilige huis. Hij zou ze willen toefluisteren dat hij er altijd voor hen is, dat ze alle warmte mogen gebruiken die Het Huis hen biedt. Dat ze over de planken vloeren mogen rennen, verstoppertje spelen tegen de bepleisterde muren, lichtgevende sterren mogen plakken op de plafonden. Want hij is hun huis. Voor de tussenlingen, die niet klein meer zijn, maar nog niet groot genoeg om te weten wat ze willen. Ze lopen zichzelf voorbij, hun gevoelens gaan alle kanten op en ze krijgen de woorden niet over hun lippen. Ze bonken met hun hoofd tegen de muren of laten de deuren half in hun hengsels hangen. Ze willen uitbreken en nooit meer naar huis terugkeren, maar ze willen ook voor altijd in Het Huis blijven. Want het is de enige plaats die ze echt kennen, en vooral de enige plaats waar ze steeds welkom waren en altijd zullen zijn. Voor hen wil Het Huis een schuilplaats zijn. Soms zou hij de tussenlingen streng willen toespreken als ze het weer eens te bont maken en de regels aan hun laars lappen. Of hij zou ze een standje geven als ze nu toch te brutaal waren. Maar hij zou hen ook direct geruststellen door hen te zeggen dat deze buien van voorbijgaande aard zijn. Dat er een tijd komt dat ze weten wat ze willen en dat daar mogelijkheden voor zijn. Dat deze verschillende stemmingen éénstemmig zullen worden en dat de donkere buien opklaren. Dat alles tijd nodig heeft. Voor de gewonelingen. Die ongewild in een routineus leven beland zijn. Die pendelen naar kantoor, tijdens hun lunchpauze de komende avond in hun hoofd overlopen en bedenken hoe ze eenvoudig, snel en gezond eten op tafel krijgen voor iedereen. Voor de gewonelingen die snakken naar afleiding, avontuur, een sprong of een beetje liefde. Want er zijn verschillende gewonelingen. Zij die het wel in hun eentje redden en in andermans ogen ontzettend goed bezig zijn, zij die een andere gewoneling in huis hebben en eigenlijk van de liefde kunnen leven. Maar ook zij die in het huisje, tuintje, boompje, beestje plaatje zitten en daar niet zo blij mee zijn. Het zijn ook zij die niet durven springen en die dan maar een gewoneling blijven, omdat het zo hoort. Voor hen wil Het Huis een schuilplaats zijn. Hij wil hen omarmen en raad geven over hoe het allemaal anders zou kunnen gaan. Hij zou zeggen dat ze hun hoofd moeten leeg maken en bedenken wat hen echt gelukkig maakt. Hij zou hen met alle plezier buiten jagen, als dat het enige is wat nodig zou zijn. Maar hij ziet dat er zoveel andere redenen zijn dat ze niet kunnen springen. En zo kijkt Het Huis soms lijdzaam toe. Naar tranen, slechte woorden, harde gebaren. Hij hoort zijn deuren slaan en de ramen trillen. Dat soort huis wil Het Huis niet zijn. Hij herbergt soms het liefst de ouderlingen. Zij die al sinds mensenheugenis in het hetzelfde huis wonen. Die dagelijks liefdevol de verschenen gordijnen openen, die nooit afwijken van hun routines. Zij die een uitgesproken mening hebben over de dingen. En waarom niet? Zij hebben het meest gezien en beleefd. In hun huis is liefde geboren, er zijn grote en kleine ongelukken gebeurd, een ouderling heeft er zijn laatste adem uitgeblazen. Vaak is er moeheid te bespeuren, gelatenheid. Maar altijd is daar die innige warmte die de ouderlingen zo typeert. Voor hen wil Het Huis een schuilplaats zijn. Hij wil hun gedachten en herinneringen tot rust brengen. Hij zou hen willen strelen met zijn zachte adem. Liefdevol kijkt hij toe hoe ze zo op malkander vertrouwen. Hij glimlacht als hij ziet hoe ze blindelings hun weg kennen in dit vertrouwde huis. Maar ook Het Huis krimpt ineen als één van de twee Het Huis langzaam verlaat. Hij voelt het verdriet van de ander schreeuwen, maar hij doet niets. Droefnis gaat zijn eigen weg. Het Huis kan het enkel aanschouwen en de overgeblevene blijven omarmen.

Manjula
0 0