Zoeken

De anti-tijd in

Een verrassingsplek versnelt de ruimte. Tot je zichtveld overvol geraakt. Wat zoveel kan betekenen als: genoeg! of meer. Als ruimtes versnellen voelde het alsof de luchtdruk zwaarder werd. Hij werd één van de elementen die je kon aanraken zonder sporen na te laten. In handen werden latere ademhalingen gedragen. De rand die krulde, die die je rond je ziet, omgeving wordt evolutie.En is stil.Het is verwaarloosbare tijd die nee zegt; stilte die antwoordt op wat nog komt. Wat je nog kent, wat je tegen je ziet, zet je tegen jezelf af, metamorfose. Actiereactie. In een moment. Well, I’m beginning to see the light, breakfast at night, tegenwerpen at light. Licht dat binnenstroomt door een hoekje dat meermaals roept, aanzet tot weerkaatsing.In een stille kubus roept men om: waarom men hoekig voltooid werd & wordt.De aanslag loopt de terreur uit.Here we go again. I thought you were my friend. Aanslag.Aanslag verspreidt.       Sla alarm, sla alarm met een verlengde arm, straal maal pi. Verdubbel de natuur van je natuur.Jezelf.   Zonder geluid trilt de omgeving niet langer. De arcade die gecreëerd wordt - de ruimte als arena, de tijd als filter voor geschiedenis - versnelt als hij uitvalt, of valt uit als hij versnelt. Je vertelt verhalen van een of andere oorsprong; maar dat doet er niet toe. Niets doet er toe en alles gaat gewoon verder. Alsof dit nooit is duidelijk gemaakt. Dat niets de frequentie van een geschiedenis, het zij van een berg, het zij van een nieuwe, andere geschiedenis, verstoren kan. Als jij hem vertelt, trilt hij gewoon anders, maar opnieuw. Frequentie is nu eenmaal doodgewone universele trilling, in het spoor van je vertelsels. We leven in deze anti-tijd, zoals Hugo Raes het verhaald zou hebben of heeft, maar al dan niet verzonnen. We leven tegen die stroom van een Journey in en maken er het beste van.We omgeven elkaar als lichaamloze context, met als enige verschil dat we een lichaam hebben, maar nog net niet zijn. “Als ik er niet meer ben, wil ik dat je pas om me roept. Dat je de sterren onderverdeelt in een boven-onder structuurtje; want ook jij bent geboren om te exploderen. Mensen zien je explosie nog tot lang na je opererend geweld. Van binnenuit ontsluit je lichaam, ontbind het, en blijft achter, waarna je verlaat en overblijft. Mensen zien deze exponent van fysica nog lang tot na ‘geschiedenis’ zich heeft voltrokken.” Het is rustgevend te weten dat ik als een ster kan achterblijven. Het geweld, de ultieme levens dans - de dood - is gespeeld maar nog lang tot na mijn verdwijnen - mijn overblijven, en het verdwijnen van ‘iets anders’, tot dan nog onbenoemd: een lichaam, een omhulsel, alleen, onaangetast, eindelijk - zal ik zichtbaar zijn verdwenen. Ook dit is dan weer menselijk. Ook ik wil je grijpen en klein filteren tussen lange vingers al lang nadat ik dat nog kon. Ik had je kunnen koesteren op een levende manier toen dat nog mogelijk was. Mogelijk tussen de heen-en-weer kijkende, interagerende organismen. Die nu niet meer organisch interactie verzinnen, maar over zijn gebleven aan de lokroep van een natuur, alleen maar om ‘er te zijn’, hoe zondebok-theoretisch dat dat ook mag klinken: de natuur is zijn eigen natuur. De mens, zijn eigen sterven. Zijn sterven, zijn eigen leventje, dat gedanst wordt, om er weer achter vanuit te kijken, naar wat je zonet hebt verlaten.   Je lichaam ontbindt, jij, wilt huilen, maar verliest een haartje, verliest een armpje, wint er een zichtbaar ziel bij. Stijgt op en is zichtbaar, je lichaam, ligt achteruit, achteruit denk je, maar jij gaat alleen vooruit. Mensen die grijpen en weer opnieuw dat fysiek onder de grond verstopte - achteruit, achteruit, dieper de grond in pulserend - karkas opzoeken. Geschiedenis willen grijpen als iets organisch. Maar jij, ondertussen hoog, ster en star onder de sterren, soortgenoten onder je maar nog vaster, en harder, dan jou luchtledige omgeving, bent er. Nog niet. Aangekomen. Alleen slechts ‘onderweg’ wat natuurlijk ‘goed’ is. Ik was context onder context en leerde eerder veel bij van context, dan statuut te verliezen door botsingen. Tijd botst ons heel de tijd, heel de eeuw, en wij maar denken dat dat niet zo lineair was. Als tijd al lineair kon zijn, was de weg enkel vooruit te belopen, en verdween je afdruk onder je uit achter je weg, geen weg meer, enkel gekloonde grond, partieel (ik bedoel gedeeltelijk) opgeroepen om voor je uit opnieuw ononderbroken steun te ‘Zijn’. Voeten schuifelend, geschiedenis vormend die alleen maar vooruitstrevend voor ons en superieur is aan de omgeving. Omgeving die ook schuifelend is, alleen maar door er te zijn en een imaginaire tijdslijn te volgen. Schuifelend ook weer vooruit, omdat er datgene enkel nog is wat ons is overgebleven. Wat je rest, wat je ziet, zonder om te kijken, tussen aarde, ondergrond, en je fysieke materie, is er enkel nog die abstractie van vooruitgang.  Schuifelend vindt de toekomst zijn heden en sleurt het mee, het heden in. Dan is nu, dan is nu.Nu is nu, nu is nu. Wij zijn hier, hier zijn wij. Hier is dan, hier en nu.

Dries Verhaegen
2 0

Wat een stervend vogeltje mij leerde

Als kind ging ik vertrouwd om met de subtiele magie des levens. Ik hanteerde mijn hooggevoeligheid constructief en speels. Maar ergens in mijn groeiproces ben ik gaan denken dat mijn gevoelige aard een last was in plaats van een zegen. Hoe vaak heb ik er wel niet naar verlangd om onverschilliger te zijn. Er werd mij dan ook dikwijls gezegd dat ik het mij allemaal niet zo erg moest aantrekken. En ik wou dat ook echt kunnen. Het overweldigende voelen probeerde ik te vervangen door te overdenken. Ik dacht afstand te kunnen nemen van de dingen door ze te analyseren. Maar in feite nam ik alleen maar afstand van mijn authentieke zelf. Op een bepaald moment wees alles erop dat ik te ver was afgedwaald. Ziekte bracht me tot stilstand. Ik ben zo vaak kwaad geweest omdat ik het niet begreep. De verantwoordelijkheid voor mijn lijden lag natuurlijk bij mezelf. Ik werd streng voor mezelf. Ik deed altijd wel iets verkeerd. Het was nooit goed genoeg. Het kleine meisje in mij moest niet huilen, ze moest flink zijn. Ze moest diëten, sporten, mediteren, minder denken en beter ademen. En als ze haar best niet deed, dan was het haar eigen schuld dat ze gebukt ging onder de pijn. Dan moest ze het maar opnieuw proberen en nog meer haar best doen. Ik ben nu op een punt gekomen dat ik niet meer mijn best wil doen. Het is mooi wat ik allemaal geleerd en bereikt heb, maar ik besef dat ik gerust wat milder kan zijn voor mezelf. Dat ik mezelf graag kan zien te midden van mijn geploeter. Ik wil mijn eigenliefde niet sparen voor wanneer ik zogezegd iets bereikt heb. Hier en nu is alles meer dan goed. Het is perfect zelfs. Dat besef komt in verschillende gedaantes bij mij binnen gesijpeld. Kleine dingen met grote symboliek openbaren zich aan mij. Ik zie ongetwijfeld veel over het hoofd, maar wat ik zie maakt echt indruk. Die indruk wil ik in deze tekst vastleggen. De dingen en situaties rondom mij, weerspiegelen wie ik ben. Als ik ergens ongevoelig en oppervlakkig mee omga, dan is dat tevens de manier waarop ik mezelf behandel. Het was een stervend vogeltje dat me hier onlangs aan herinnerde. Al te vaak heb ik me uit zelfbescherming verscholen achter negatie en ontkenning. Uit angst natuurlijk. Angst om diepgaand te voelen en ingenomen te worden door dat gevoel. Zo draaide ik ook mijn rug toen ik zag dat mijn zachte vriend Loki zichzelf aankondigde met een vogeltje in zijn bek. In een oogopslag zag ik dat het nog leefde, maar de dood nabij was. Ik wenste dat hij het snel zou doden, wat hij niet deed. Terwijl Loki afgeleid werd door een snack uit de keukenkast, bedacht ik wat te doen met het weerloze wezen op mijn tapijt. Ik wou dat ik op mijn knieën was gaan zitten en het vogeltje in mijn handen had genomen. In de plaats daarvan greep ik naar het vuilblik waar ik het naar adem snakkende diertje voorzichtig op veegde. Ondanks mijn afkeer en tegenzin, bekeek ik het in detail. De verwondingen moesten intern zijn, aangezien er langs de buitenkant niets te zien was. Het hield zijn oogjes gesloten en het kleine bekje ging langzaam open en dicht. Misschien moest ik het uit zijn lijden verlossen en op één of andere manier doden? Een mogelijkheid die ik snel weer liet varen. Uiteindelijk legde ik het vuilblik met het vogeltje in een doos die ik met een handdoek bedekte en ergens in een verre hoek plaatste. Pas laat op de avond dacht ik terug aan het vogeltje. Zou het nog leven? Maar ik ging niet kijken. Ik liet het kleine dier aan zijn lot over, mezelf sussend dat dit de natuurlijke gang van zaken was. Het vogeltje stierf moederziel alleen. Wanneer ik de handdoek van de doos haalde, bewogen er enkele donsveren op zijn hoofdje door de luchtverplaatsing, wat me op een confronterende manier vertederde. Het was pas de dag nadien dat er een opening kwam in mijn gevoelswereld. Opeens herkende ik mezelf in het vogeltje. Gewikkeld in het nieuwe deken dat mijn moeder mij had gegeven, ging ik tussen de bomen zitten. Het deken pluisde enorm en al gauw hingen er overal losse stukjes wol. De manier waarop de wol in de wind flapperde, deed me denken aan de donsveren van het vogeltje. Het besef dat ik met mezelf omging zoals ik het vogeltje had behandeld, schoot als een bliksemschicht door mijn lijf. Het verdriet begon te stromen en ik voelde zoveel spijt. Ik weet en voel al langer dat kleine handelingen een grote energetische waarde kunnen bevatten. Ik wou dat ik me over mijn angst heen had gezet en het vogeltje liefdevol in mijn handen had genomen toen het lag te sterven. Ik wou dat ik het lieve geruststellende woorden had toegefluisterd. Ik wou dat ik meer compassie en liefde had getoond. Al was het maar heel even. Fysiek gezien had dit alles geen verschil gemaakt, maar gevoelsmatig (en dat is waar het allemaal om draait) zou ik authentieker gehandeld hebben. In zulke kleine subtiele dingen huist spiritualiteit en verbondenheid. De schoonheid van mystieke ervaringen komt je nooit recht in het gezicht gevlogen, ze vraagt om een fijngevoelige kijk op de dingen. En de fijngevoeligheid die mij eigen is, wil ik niet verloochenen. Ik wil (mijn) kwetsbaarheid niet langer de rug toekeren. Voortaan ga ik op mijn knieën en zet ik de tijd stil voor de broze dingen van het leven. Ik wil mijn innerlijk kind niet aan haar lot overlaten en uit zelfbescherming veinzen dat ik een harde tante ben. Ik vergeef mezelf voor de hardheid tegenover mezelf en het vogeltje. Eigenliefde laaft zich sowieso aan een oneindige bron van vergiffenis. Uit respect en dankbaarheid wil ik de inzichten en bijbehorende gevoelens die het vogeltje mij bracht niet weg rationaliseren of vergeten. Want niets dat gevoel opwekt is onbenullig. Ps: En ja, ik overweeg om Loki een kattebelletje om te doen ;)

KarolienDeman
1 0

Het brein en ik

Vanaf het moment dat het tot mij doordrong dat er een wezenlijk verschil bestaat tussen mijn brein en mijn ware ik, begon er veel te veranderen. Het was een cruciaal inzicht dat nodig was om de oneindigheid van mijn mogelijkheden te kunnen vatten. Ik zag in dat mijn ware ik uit een oneindig creatief bewustzijn bestaat, dat vanuit liefde handelt. Mijn brein daarentegen, staat in voor mijn fysiek zelfbehoud en klampt zich daarom graag vast aan gewoonte en routine. Alles wat het brein herkent als veilig of plezierig, wil het zich eigen maken. Uitdagingen buiten de comfortzone zijn voor het brein alles behalve aanlokkelijk. Het neemt niet graag risico’s en blinkt uit in het overdrijven en panikeren. Veel mensen zijn slaaf van hun brein, zonder dat ze het beseffen. Dat komt dan ook omdat ze zichzelf identificeren met hun brein. Ze denken dat zijzelf de impulsen van hun brein zijn en dat ze handelen vanuit keuze. Over het al dan niet hebben van een vrije wil, is doorheen de geschiedenis al veel gezegd geweest. Voor mij het is het alleszins duidelijk dat ik, het bewustzijn of de wilskracht achter het brein, de gewoontes en patronen van mijn brein kan veranderen. Ik kan mijn brein dingen afleren en aanleren. Dit gaat vaak gepaard met weerstand. Soms drama. En vooral het begin is moeilijk. Maar als ik écht iets wil en blijf volharden, dan komt er gegarandeerd resultaat. En dat zet dan deuren open naar nog meer mogelijkheden. Zelfvertrouwen is onontbeerlijk in het proces der zelfontwikkeling. Als ik geen vertrouwen heb in mezelf, in mijn kracht en transformatie, dan saboteer ik mezelf. Enkel een vanzelfsprekend vertrouwen in het tot stand komen van mijn visualisaties, is de brandstof waarop mijn creatieve vermogens draaien. Het zogezegde ‘boetseren’ van het brein en van de identiteit is wat ik als zelfontwikkeling zou omschrijven. Je ontwikkelt jezelf tot de best mogelijke versie van jezelf. Het bewustzijn kan creëren, maar kan evengoed loslaten en enkel observeren. In beide gevallen wordt er ervaring opgedaan. En dat is uiteindelijk het enige dat telt. De aard van de ervaring krijgt geen oordeel toegeschreven. Niets is ‘goed’ of ‘slecht’. Het ‘is’ gewoon. Maar wie in de mogelijkheid is om het bewustzijn aan te spreken, kan zijn realiteit scheppen. Als jij nu deze tekst aan het lezen ben, dan is dat omdat je jezelf eraan herinnert dat dit mogelijk is. Dat jij de creator bent van jouw levensverhaal. Het individu dat je denkt te zijn, heeft geen vaste vorm. Je kan zijn wat of wie je wil zijn. Maar weet dat het scheppingsproces, net als een geboorte, niet altijd even pijnloos verloopt. De beloning is echter groot.

KarolienDeman
2 0

Wat is de realiteit?

Het is een uitdaging om concepten te definiëren die als vanzelfsprekend worden beschouwd. Want eenmaal je een sluitende definitie probeert te vormen, merk je al snel dat de dingen vaak niet zijn wat ze lijken. Wat verstaan we bijvoorbeeld onder het begrip ‘realiteit’? Wat bedoelen we precies als we zeggen dat we ‘realistisch’ moeten zijn? Stilzwijgend en quasi unaniem nemen we aan dat de realiteit een vaststaand gegeven is. Iets waar we niet omheen kunnen. Vanuit die veronderstelling voelen we ons vaak geworpen in de realiteit, als een toevalligheid dat onderhevig is aan externe wetten. De realiteit wordt dan als positief of negatief geïnterpreteerd. Gunstig of ongunstig. Als iets waar we dienen mee rekening te houden. We beperken onszelf ook door te stellen dat het ‘onrealistisch’ is om bepaalde dingen te denken of verwachten. Want we gaan ervan uit dat we ons moeten aanpassen aan de realiteit rondom ons. Maar wat als de realiteit geen op zichzelf staand fenomeen is? Wat als de realiteit een product is van onze gedachten en interne leefwereld? Het interessante aan deze stelling is dat ze wetenschappelijk onderbouwd kan worden, gestaafd op zogenaamde harde feiten. Het is namelijk een feit dat de manier waarop wij onze realiteit ervaren afhankelijk is van ons perceptievermogen. En dat perceptievermogen bestaat uit onze hersenen die externe prikkels omzetten naar een verstaanbaar en gemakkelijk hanteerbaar geheel. Verstoorde hersenfuncties of psychische aandoeningen tonen aan dat de realiteit veranderlijk is. Kortom: wat je ervaart, is wat je zelf maakt. De hersenen creëren een logica die gericht is op zelfbehoud en overleving. Het is niet te bewijzen, maar we gaan ervan uit dat iedereen met ‘normaal’ functionerende hersenen min of meer hetzelfde ervaart. Als er iemand iets beweert dat niet strookt met het algemeen aanvaarde idee over wat de realiteit is of niet is, dan twijfelen we aan de functies van het perceptievermogen van die persoon. Stel dat de realiteit inderdaad iets is dat buiten onszelf bestaat, iets dat zonder bewustzijn of perceptie voort blijft bestaan. Wat als de realiteit geen levend wezen nodig heeft om te kunnen zijn? Wat voor iets is de realiteit dan? Hoe zou je dit omschrijven? Dit is een vraag die zich zeer moeilijk laat beantwoorden omdat het onmogelijk is om ons voor te stellen wat de realiteit is zonder ons bewustzijn. We zitten als het ware gevangen in ons perceptievermogen en kunnen daarom de realiteit niet interpreteren of omschrijven als iets dat los van onszelf bestaat. Het concept realiteit is eveneens iets dat we zelf bedacht hebben, zonder menselijke interactie is er niets dat als dusdanig wordt aangeduid of gecategoriseerd. Wanneer de realiteit als een fenomeen wordt afgebakend, dan impliceert dit dat het tegengestelde van de realiteit ook moet bestaan. We denken te weten wat de realiteit is en wat ze niet is. Maar we kunnen dit slechts beoordelen binnen de beperkte grenzen van ons perceptievermogen. Dus eigenlijk kunnen we onszelf alleen maar iets wijsmaken en binnen het kader van die illusie afspraken maken. Dat de realiteit veranderlijk is en onderhevig aan het perceptievermogen is een feit. Want elk levend wezen op aarde ervaart de realiteit op een andere manier. Zo zal de realiteit van een bacterie er anders uitzien dan de realiteit van een dolfijn. Er zullen ongetwijfeld wel mensen zijn die ervan overtuigd zijn dat het perceptievermogen van de mens superieur is ten opzichte van dat van andere wezens. En dat daarom de realiteit die een mens ervaart de ‘juiste’ perceptie is. Zulke denkwijze functioneert zeer nauw binnen de beperking van de eigen vermogens. Een denkwijze die mij interessanter lijkt, gaat ervan uit dat de perceptie van elk levend wezen een bijdrage levert aan het concept realiteit. Dat elke visie, elke bewustzijnsvorm, een elementair en evenwaardig deeltje vormt van de algemene ervaring van het leven. En we kunnen het denkveld zelfs nog breder open trekken door niet alleen levende wezens capabel te achten om een realiteit te ervaren. Want wie zegt dat planten geen realiteit ervaren? Of rotsen? Of de tafel waarop ik nu aan het schrijven ben? Misschien ben ik ondertussen de aandacht van een deel van mijn lezers verloren. Het stellen dat een tafel een vorm van bewustzijn heeft, is voor veel mensen dan ook een brug te ver. En ik kan dat begrijpen. Maar anderzijds vraag ik me ook af waar de grens dan precies getrokken wordt? Moeten we het concept realiteit linken aan het hebben van een zenuwstelsel en hersenen? Of nemen we de percepties van de plantenwereld er ook nog bij als willen weten waar het ervaren van de realiteit precies eindigt en begint? Het lijkt me alleszins wel duidelijk dat de realiteit zich minder gemakkelijk en afgelijnd laat definiëren dan dat veel mensen denken. Als men mij dan ook het advies geeft om ‘realistisch’ te zijn, dan kan ik daar weinig betekenis aan geven. Of toch niet de betekenis die het gros van de mensen voor ogen heeft bij het horen van die woorden. Ik leef volgens de wetenschap die zegt dat ikzelf verantwoordelijk ben voor mijn realiteit. Alles wat ik als realistisch beschouw, kan zich manifesteren in mijn realiteit. Ik wacht niet op gunstige omstandigheden, maar ik creëer zelf mijn omstandigheden. En daarmee bedoel ik dat de keuze om op een bepaalde manier ergens op te reageren geheel bij mezelf ligt. Wat ik denk, ervaar en voel is het product van mijn perceptievermogen. Het is aan mij om dat perceptievermogen zodanig af te stellen dat ik er baat bij heb. Ik ben ook kritisch als het gaat over de percepties waarmee mijn hersenen komen aandraven. Want ik weet dat ze vaak veiligheidshalve vanuit gewoonte ontstaan. Mijn ingebakken, aangeleerde responsen en interpretaties zijn niet altijd de meest gunstige of slimste. Mijn tekst genaamd ‘Het brein en ik’ sluit naadloos aan bij deze slotwoorden.

KarolienDeman
0 0

Authenticiteit

Authentiek zijn wil zeggen dat je geheel jezelf bent. Dat je ondanks de invloed van externe elementen trouw blijft aan jezelf. Hiermee heb ik eigenlijk niets concreet gezegd. Want wat houdt jezelf zijn in? En kan die zelf überhaupt afzonderlijk gezien worden van omgevingsfactoren? Zijn wij niet de som van alle ervaringen die we opdoen? Bij deze laatste stelling wordt er vanuit gegaan dat we als een onbeschreven blad geboren worden en dat alle externe elementen ons vormen. Anderzijds ben ik er ook van overtuigd dat we geboren worden met een zekere uniciteit. Met een persoonlijkheid. Als ik bijvoorbeeld kijk naar een nest pasgeboren katjes, dan valt het op dat sommige katjes nieuwsgieriger of banger zijn dan andere. Ze lijken elk reeds over een uniek karakter te beschikken. Ondanks dat alle katjes van dat nest onderhevig zijn aan dezelfde omgevingsfactoren, zijn ze toch allemaal verschillend. Je authentieke zelf is meer dan de som van externe factoren. Alvorens er enige ervaring op je heeft kunnen inwerken, heb je van bij de geboorte al een ‘aanleg’ voor bepaalde eigenschappen. Zo kun je bijvoorbeeld een aanleg hebben voor hoogsensitiviteit. Het verloochenen van die aanleg brengt heel wat moeilijkheden met zich mee. Authenticiteit is een uniek standpunt of perspectief van waaruit het leven ervaren wordt. Om dat specifieke perspectief optimaal te exploreren, is het van belang dat je jezelf kent en aanvaardt. Authenticiteit openbaart zich via de gevoelswereld. Zelfkennis kan niet rusten op louter ratio. Waar je je gevoelsmatig tot toe aangetrokken voelt, dat is waar de authenticiteit ligt. En het kan goed zijn dat je daar rationeel gezien niet mee akkoord gaat. Want misschien ben je wel opgegroeid met het idee dat jouw authentieke verlangens ongehoord zijn. Of misschien lijkt jouw unieke persoonlijkheid niet te rijmen met de wereld waarin je je bevindt. En dan is de kans groot dat je uit zelfbehoud voor een leven kiest dat in essentie niet strookt met je authenticiteit. Wat interne spanning veroorzaakt en je ongelukkig maakt. Om van het leven te kunnen genieten, om zogenaamd gelukkig te zijn, moet je authentiek kunnen zijn. En handelen naar je unieke gevoelswereld vraagt vaak om enige durf. Uit een natuurlijk soort zelfbehoud willen we graag aanvaard en geliefd zijn door zoveel mogelijk mensen. We zitten er dus mee in wat anderen over ons denken. Resoluut voor jezelf kiezen impliceert de kans op afwijzing. Een authentiek leven dat afwijkt van de norm brengt risico’s met zich mee. Jezelf authentiek opstellen wordt daarom gelinkt aan kwetsbaarheid. Maar het alternatief waarbij je jezelf zoveel mogelijk probeert te conformeren met externe verwachtingen is in feite nog veel slopender en pijnlijker dan afgewezen worden door anderen. Wie niet authentiek durft te zijn, stelt zichzelf teleur. En als je dat minder erg vindt dan anderen teleurstellen, dan is er sprake van een gebrek aan eigenliefde. Eigenliefde en authenticiteit gaan hand in hand. Dit is het fundament van een verzadigend leven. Eigenliefde is de brandstof die je nodig hebt om je vruchtbaar door het leven te bewegen. Specifieke keuzes gemaakt vanuit eigenliefde, met andere woorden authentieke keuzes, werken als het ware magnetisch op externe liefde. Daarmee wil ik zeggen dat authenticiteit aantrekkelijk is. Een authentiek iemand is veel aantrekkelijker dan iemand die zichzelf niet durft te zijn en vanuit angst anderen probeert tevreden te stellen. Daarom is het juist zo paradoxaal dat velen authenticiteit denken te kunnen inruilen voor de liefde van anderen. De meest constructieve beweging is die van binnen naar buiten. Van eigenliefde naar naastenliefde. En niet omgekeerd. Dat de kern en oorsprong van liefde in onszelf terug te vinden is, neemt niet weg dat er een fundamenteel verlangen bestaat naar connectie met anderen. Een diepe en oprechte connectie kan alleen bestaan wanneer er ruimte en appreciatie is voor authenticiteit. Schaamte en schuldgevoelens zijn giftig en doet authenticiteit en eigenliefde verschrompelen. Je authentieke zelf volledig ontplooien is een leerproces en gaat zodus met vallen en opstaan. Zo beschouw ik het opflakkeren van bepaalde ziektesymptomen als een teken dat er ergens iets niet strookt met mijn authenticiteit. Door de jaren heen heb ik geleerd dat er soms een verschil bestaat tussen wat ik denk te willen en wat ik gevoelsmatig eigenlijk écht wil maar niet meteen wil aanvaarden of durf te benaderen. ‘Gelukkig’ slagen de moeilijkheden des levens mij telkens weer op het juiste spoor als ik te ver dreig af te dwalen van mijn authentieke pad.

KarolienDeman
1 0

toekomstvisie

Corona. Het leven staat stil. En toch blijft het voortgaan, voor mij toch. In een periode waarin ik me niet meer kan inleven in hoe het druk het leven normaal is en hoe ik ben als de wereld zijn gewone gangetje gaat, moet ik grote beslissingen nemen. Geef ik mijn jeugd op en ga ik samenwonen met Nick? Geef ik mijn jeugd op om te gaan samenwonen met Nick? Ik weet dat ik niks liever wil, maar ik kan mezelf maar niet beloven dat ik er later geen spijt van zal hebben. Ik heb nog een heel leven met Nick, maar mijn jeugd zal snel voorbij zijn. Ik stop met de jeugdbeweging en weldra zijn mijn studentenjaren ook voorbij. Ga ik spijt hebben? Ik weet dat het voor mij nu bijna onmogelijk is om niet te gaan samenwonen, want we hebben er al zo veel over gepraat en we zijn er nu al zo dicht bij. Dus ik probeer mezelf er de hele tijd van te overtuigen dat dit de juiste beslissing is. Het enige waar ik tot nu toe van overtuigd ben, is dat het de beslissing is die me op korte termijn het gelukkigst zal maken. Gewoon doen, denk ik dan. Spring en zie waar je uitkomt. Maar die ratio laat me niet springen, laat me stilstaan bij de gevolgen van die beslissing. En als ik heel eerlijk ben, weet ik dat ik later ga denken dat ik te weinig van mijn jeugd genoten heb. Maar ik weet niet of dat komt doordat ik in een relatie zit of doordat ik gewoon zo ben. Ik ben niet zo een losbol en onverantwoordelijke student als de meesten. Misschien ben IK dat gewoon en moet ik dat beeld loslaten van hoe een studentenleven zou moeten zijn en gewoon achter mijn keuzes staan. Misschien he. Misschien ben ik te snel volwassen geworden, omdat ik dat wou, en heb ik er nu spijt van. Maar dat is al te laat. Ik kan maar beter genieten van de kansen die ik krijg. Ik zie wel wat de toekomst me brengt. 

Layla Clarke
0 0