Zoeken

"Ik wil op een dag van iemand houden, zoals die vrouwen in reclames houden van hun yoghurt.", dat zei ik... 't meisje dat toen (nog) geen yoghurtmeisje was.

't Boek kaarten werd alweer door elkaar geschud en 'Patience' werd nóg maar eens gespeeld. Door mij dan, want mezelf bezighouden is de boodschap. En vooral de zenuwachtigheid onderdrukken (achteraf gebleken). Een Duvel werd nog eens ingeschonken: 'Doe mij er ook nog maar eentje'. Gevolgd door een actie van deze man die ik nu mijn lief mag noemen. Een actie die ik niet verwacht had en waar ik uiteraard een kortsluiting van in mijn hoofd kreeg: "Massive error in the brain". Néé dit mocht ik niet laten schieten, dus ik glimlachte maar deed niets anders dan kaarten leggen op de keukentafel, met de Duvel binnen handbereik. Met naast me de man, die ik toen nog niet mijn lief mocht noemen.5 voor 12 was het (in diverse interpretaties de waarheid), ten tijde van de corona-avondklok. Zijn spullen werden genomen en nog steeds met enige kortsluiting volgde ik zijn bewegingen tot aan de voordeur. Ik moest het er toch op wagen en met enig gevoel van moeiteloosheid landde dan toch datgene wat al enige tijd in de lucht hing. In mijn geromantiseerde herinneringen galmde het geluid van de 's-Gravenvoerense klokken door de Rue du Sacristain en werd het moment, stipt middernacht, abrupt verbroken om snel naar huis te gaan (voor hem dan, ik was thuis). Die man, die ik toen misschien nog net niet of net wel mijn lief mocht noemen.Dagen nadien gingen als een trein die te lang van de rails was geweest. Elk moment voelde nieuw en leuk en tof en spannend. But don't be fooled... dit hebben we natuurlijk al eerder meegemaakt. De veiligheidsriem werd goed vastgemaakt en met een argwanende 'engel' op mijn schouder volgde ik ieder moment.  Dit kan niet. Dit overkomt me niet. Er wordt te veel gelachen en er is te veel verliefdheid. Je weet wel, dat smoor zijn! Dit is te goed om waar te zijn en dit gaat 'm niet worden. Maar die man, die ik vanaf toen wél mijn lief mocht noemen, duwde alle weifeling bij me weg. Iedere keer opnieuw als mijn hand zijn hand raakte, en ik de dag mocht starten met hem aan 'mijn' keukentafel. De aarzeling gaf het op... 6 maanden later (binnen 3 nachten, but who's counting) en de twijfel is foetsie (of schuilt die om het hoekje?).Wat ik wil zeggen is dat die man, die ik nog steeds mijn lief mag noemen, 't dekseltje op mijn potteke is. Een hardwerkende toffe pee met gevoel voor humor, verdriet en begrip. En zoonlief? Die vindt hem leuk omdat hij een loods heeft, mét daarin een 'clark' (= heftruck voor de bouw-ondeskundige zoals ik).Ken je die vrouwen in yoghurtreclames, smoorverliefd op hun potje yoghurt? Nou... als je me zoekt... ik ben aan de yoghurt.

SilkeGeerts
0 0

Gastenboek

‘D´accord’, hoor ik mijn man zeggen, ‘sept heures trente.’ Hij steekt zijn gsm terug in de zak van zijn regenjas. ‘Gelukt’, zegt hij opgetogen, ‘net een tafeltje gereserveerd.’ We zitten in Rochefort op een terras en tersluiks kijk ik op mijn horloge. Zes uur. Geweldig. Dat betekent nog anderhalf uur honger en kou lijden. ‘En wat nu’, vraag ik beschuldigend, ‘nóg maar eens wat wandelen of hier tegenover de kerk in?’ Het wordt de kerk.  Slecht gehumeurd loop ik tot bij het altaar, bekijk vluchtig de mozaïeken op de vloer en maak dan rechtsomkeer. Op een houten pupiter vlakbij de uitgang ligt een opengeslagen gastenboek. Gastenboeken oefenen een enorme aantrekkingskracht op mij uit. Niet dat ik de drang voel er zelf iets in te schrijven, maar ze prikkelen mijn nieuwsgierigheid danig. Iemand geeft zich bloot, legt vast wat hij denkt of voelt en deelt dit met de rest van de mensheid. Ook met mij. En kunnen onderduiken in het privéleven van iemand anders is iets waaraan ik slecht kan weerstaan.      Op de linker bladzijde staat een tekst, ondertekend door een vrouw. Haar ronde, regelmatige handschrift doet me vermoeden dat hier een intelligente, evenwichtige vrouw aan het woord is en geïnteresseerd ik begin te lezen.     Als eerste looft ze de mozaïeken. Goede inleiding, knik ik waarderend. Daarna bedankt ze God: …voor Uw bemoeienissen in mijn leven en voor de mooie vrouw die ik nu ben. Zonder U was het nooit allemaal goed gekomen. Verschillende gedachten schieten door mijn hoofd. Welke vrouw beschrijft zichzelf nu als mooi? Of nee, dit gaat niet over haar uiterlijk. Maar dan nog… En wat zou er goed gekomen zijn? Haar huwelijk? Een verslaving? Heeft ze een ongeval gehad, haar gezicht verbrand? Verdorie, had ze nu niet wat specifieker kunnen zijn? Goh, te denken dat alleen met Gods hulp alles goed gekomen is. Ik had haar verstandiger verwacht, met dat handschrift. Volwassener. Of heeft ze echt zulk een diep geloof?     Ik heb alles om gelukkig te zijn, schrijft ze verderop, alleen, voor één klein dingetje heb ik nog wat hulp nodig. Maria, van U misschien, want God heeft al genoeg gedaan. Maria, zou U ervoor kunnen zorgen dat mijn zoon stopt met roken? Dan is mijn leven perfect. Dank U wel en ik houd heel veel van U. Glimlachend maar ook een beetje jaloers loop ik met mijn handen diep in mijn jaszakken naar buiten. Ik zou willen dat ik zo was. Mezelf mooi vinden, mijn leven in Gods hand leggen en simpelweg Maria´s hulp inroepen om de mannen in mijn leven te laten doen wat ik wil. Ik zou al lang lekker warm in een restaurant hebben gezeten.

ingridvdk
11 1

Stationsgesprek

Het is een bloedhete dag en ik ben redelijk vroeg aan het station van het naburige dorp. Onze jongste arriveert er met de trein, wegens geen aansluiting naar ons stadje. Het terras aan de achterzijde van het stationsgebouw ligt voor een groot stuk in de schaduw. Ik heb graag zon, maar een hele dag bakken en braden is aan mij niet besteed. Ik ben dan als een lasagne in een hete oven. Als hij begint te pruttelen, moet je hem eruit halen. Ik heb nog een kwartier. Aan mijn linkse kant zijn twee oudere dames in gesprek met de eigenaar. Dat het warm is en dat het bij de coiffeuse onder de droogkap nog warmer is. De geur van hun haarlak is herkenbaar. Ik zie de bruine bus met de witte dop thuis nog in de kast staan. Aan mijn rechtse zijde zit een grote man met een zomerhoed. "Ik ben zjust in de schaduw gaan zitten", spreekt hij met het smakelijke accent van ons naburig dorp. "Ik hem ne nieuwe vélo gekocht”, gaat hij meteen verder, alsof we oude bekenden zijn. Hij wijst naar de driewieler tegenover ons, vastgebonden aan de lantaarnpaal. "Drie ruggenwervels gebroken", zegt hij. Er gaat meteen een rilling over mijn rug. Hij vertelt over zijn zwaar ongeval en dat een gewone fiets moeilijk is om op en af te stappen. Het is zijn evenwicht waar het nu aan schort. "Ik verschoot van de prijs. Daar kon ik hem niet voor laten staan. Rij hem maar naar buiten, zei de man van de Kringloopwinkel tegen mij. Ik ga eens zien of ik hem thuis krijg”, zegt hij, waarna hij zijn glas uitdrinkt. Hij maakt het slot los en stapt voorzichtig op zijn fiets. Het gaat hem goed af. Ik zwaai nog even. Alsof we oude bekenden zijn.

Rudi Lavreysen
15 0

Jij streelt de wereld + recensie Tip Van De Week

Jij streelt de wereld Jij streelt De wereld zacht Haar naam Op het papier gedrukt Lachende hondjes Zonder leiband iets Tekenen op je arm   -- recensie Tip Van De Week -- Tony Coppo tipt deze week “Jij streelt de wereld” van “Tony Coppo”.  "Tussen alle fantasierijke, bombastische en uitbundige teksten op dit platform, grijpt de eenvoud van het gedicht van Tony Coppo naar de keel. Met ‘Jij streelt de wereld’ schrijft hij een bedrieglijk simpele tekst, die niettemin een hele wereld aan betekenis oproept. Een oppervlakkige lezing laat indrukken na van identiteitscrisis, de strijd tussen mens en het woord en het verval dat daarmee gepaard gaat. Maar snel wordt duidelijk dat dit een veel persoonlijker gedicht is. De leiband in de laatste regel is een verwijzing naar ballast of trauma: mentaal afval waar de ‘jij-persoon’ geen afscheid van kan of wil nemen. De arm in dit gedicht doelt dus op het onleefbare leven van een mens. Actief en passief worden hier erg goed gebruikt. Alle werkwoorden zijn actief.  Ook de eerste zin zit vol leven en daadkracht: de aangesproken persoon streelt uit angst dat er schade zou zijn aan zijn of haar ego. Dit alles staat in contrast met het passieve vervolg van het gedicht, waarin de jij-figuur ondergaat, ‘gedrukt’ is zoals een stempel of een te vaak gebruikte stylo. De naam en het papier nemen hier de hoofdrol op en verzieken ‘de hondjes’. De versregel ‘Zonder leiband iets tekenen op jouw arm.‘ doet denken aan Willem Elsschot. Tony Coppo gebruikt materiaalmetaforen en het stadsleven om iets te zeggen over de aard van de mens. Slim om in deze zin hier het lidwoord te gebruiken en het woord ‘tattoo’ slechts te evoceren en niet daadwerkelijk neer te schrijven. Het ‘iets’ dat tekent, roept associaties op met een bloedend of rottend lichaam dat daarmee de hondjes onrustig maakt. Een kleine suggestie. In de laatste versregel was ‘jouw’ arm volgens mij treffender geweest. Het expliciet toewijzen van de arm aan de hoofdpersoon, maakt het gedicht des te pijnlijker. De draad van de eerste ( ‘jij streelt) naar de laatste versregel (‘jouw arm’) wordt hierdoor strakker gespannen. Niet alleen klankmatig [αu] is er zo een sterkere link , maar ook het contrast tussen de niet-ambigue ‘jij’ en ‘jouw’ enerzijds en het gebruik van ‘je’ (dat zowel als persoonlijk en als bezittelijk voornaamwoord kan worden gebruikt) in de rest van de tekst anderzijds wordt hier spannender. Kortom, een straf gedicht, dat door zijn lengte en eenvoud doet verlangen naar meer." Disclaimers: - Gedicht: voorpublicatie uit 'Tony Coppo - Het gat gedicht' (2022 - De Bezige Bij) - Recensie vrij naar 'Tip Van De Week' (02-06-21 Uschi Cop - Azertyfactor.be) - Literaire foto van Tony Coppo gegenereerd door GeneratePhotos (AI GAN)

TonyCoppo
40 4

Eenzaamheid

Eenzaamheid, Een woord dat in deze tijd vaak gehoord is. Eveneens is het vaak gebruikt maar nog steeds is het een soort taboe om erover te spreken. Bij eenzaamheid denkt men vaak aan het oude mensje alleen in de leefruimte. De tv staat luid, er komt geen bezoek. Niet van de kinderen want die zijn aan het werk en niet van kleinkinderen. Je hoort er geen gesprekjes, geen luid gelach, enkel de stilte. Eenzaamheid is echter ook die jonge kersverse moeder die alweer een afspraak met haar vriendinnen heeft afgezegd omdat ze vermoeid is. Die zich alles ontzegt voor die schatten van kinderen. Graag zou ze wat bijpraten, of wilt ze een luisterend oor want die engeltjes worden ook wel eens duiveltjes. Vaak ziet men geen eenzaamheid in die kleine jongen. Hij die alleen zit op de speelplaats omdat anderen niet met hem willen spelen. Hij is een beetje ‘anders’ en daarom vreemd en beangstigend. Hoe die jongen het zelf aanvoelt, daar denkt men niet altijd aan. Dit zijn maar een paar voorbeelden van eenzaamheid. Vast en zeker kennen jullie nog andere. Het spijtige is dat het soms zo makkelijk opgelost kan worden door een klein beetje aandacht, een luisterend oor, een vrolijke ‘goede morgen’ en dat is echt zo. Zijn we niet allen eens een keer eenzaam geweest. Dat gevoel dat je snel wegmoffelt door een afspraak te maken met een vriend of vriendin. Niet iedereen kan dat echter en niet iedereen kan met zichzelf communiceren. Dat is geen handicap, dat kan je leren en mag je niet verstoppen.

Rosie DW
14 1

’t Benul dat iedere dag er maar 1 keer is en daar heb je ’t verstand van een kind voor nodig en pasta pesto slierten.

𝗩𝗲𝗿𝗵𝗮𝗮𝗹 𝗼𝘃𝗲𝗿 '𝘁 𝗯𝗲𝗻𝘂𝗹 𝗱𝗮𝘁 𝗶𝗲𝗱𝗲𝗿𝗲 𝗱𝗮𝗴 𝗲𝗿 𝗺𝗮𝗮𝗿 𝟭 𝗸𝗲𝗲𝗿 𝗶𝘀 𝗲𝗻 𝗱𝗮𝘁 𝗱𝗼𝗼𝗱𝗴𝗮𝗮𝗻 𝘃𝗮𝗻 𝗺𝗲𝗻𝘀𝗲𝗻 𝗻𝗶𝗲𝘁 𝗲𝗿𝗴 𝗶𝘀 𝘄𝗮𝗻𝘁 𝗲𝗿 𝘇𝗶𝗷𝗻 𝗻𝗼𝗴 𝗮𝗻𝗱𝗲𝗿𝗲 𝗺𝗲𝗻𝘀𝗲𝗻 (𝗲𝗻 𝗱𝗮𝗮𝗿 𝗵𝗲𝗯 𝗷𝗲 '𝘁 𝘃𝗲𝗿𝘀𝘁𝗮𝗻𝗱 𝘃𝗮𝗻 𝗲𝗲𝗻 𝗯𝗶𝗷𝗻𝗮-𝟲-𝗷𝗮𝗿𝗶𝗴𝗲 𝘄𝗲𝗲𝗿 𝘃𝗼𝗼𝗿 𝗻𝗼𝗱𝗶𝗴 𝗲𝗻 𝗽𝗮𝘀𝘁𝗮 𝗽𝗲𝘀𝘁𝗼 𝘀𝗹𝗶𝗲𝗿𝘁𝗲𝗻).𝘌𝘯 '𝘯 𝘧𝘰𝘵𝘰 𝘷𝘢𝘯 𝘮𝘪𝘫𝘯 𝘻𝘶𝘴, 𝘻𝘰 𝘪𝘦𝘮𝘢𝘯𝘥 𝘥𝘪𝘦 𝘯𝘯𝘪𝘦𝘵 𝘰𝘶𝘥 𝘮𝘰𝘤𝘩𝘵 𝘨𝘦𝘸𝘰𝘳𝘥𝘦𝘯. 𝘔𝘢𝘢𝘳 𝘥𝘪𝘦 𝘸𝘦𝘭 𝘩𝘦𝘦𝘭 𝘨𝘰𝘦𝘥 𝘣𝘦𝘨𝘳𝘦𝘦𝘱 𝘥𝘢𝘵 𝘫𝘦 𝘷𝘢𝘯 𝘪𝘦𝘥𝘦𝘳𝘦 𝘥𝘢𝘨 𝘸𝘢𝘵 𝘮𝘰𝘦𝘴𝘵 𝘮𝘢𝘬𝘦𝘯... 𝘻𝘦𝘭𝘧𝘴 𝘸𝘢𝘯𝘯𝘦𝘦𝘳 𝘫𝘦 𝘮𝘦𝘵 𝘔𝘳. 𝘉𝘦𝘯𝘻 𝘪𝘯 𝘱𝘢𝘯𝘯𝘦 𝘷𝘢𝘭𝘵 𝘵𝘪𝘫𝘥𝘦𝘯𝘴 𝘦𝘦𝘯 𝘷𝘦𝘳𝘳𝘢𝘴𝘴𝘪𝘯𝘨𝘴𝘣𝘦𝘻𝘰𝘦𝘬 𝘢𝘢𝘯 𝘫𝘦 𝘷𝘢𝘥𝘦𝘳 𝘦𝘳𝘨𝘦𝘯𝘴 𝘪𝘯 𝘋𝘶𝘪𝘵𝘴𝘭𝘢𝘯𝘥 (𝘦𝘯 𝘫𝘦 𝘣𝘦𝘴𝘦𝘧𝘵 𝘥𝘢𝘵 𝘫𝘦 𝘨𝘦𝘦𝘯 𝘵𝘰𝘶𝘳𝘪𝘯𝘨 𝘸𝘦𝘨𝘦𝘯𝘩𝘶𝘭𝘱 𝘢𝘣𝘰𝘯𝘯𝘦𝘦 𝘣𝘦𝘯𝘵)."Waarom zijn jullie groter dan mij?", mijn zoon Julien aan de eettafel gisteren met een sliert pasta pesto uit zijn bek. Balancerend op één been, te groot voor de kinderkruk en te klein voor de grote-mensen-stoel... dus dan accepteer je als moeder het 'gehannes' aan tafel. "Omdat wij ouder zijn dan jou", wordt het snelle antwoord.Ik zie dat de uitdrukking in Julien zijn ogen nogal vragend lijkt dus ik vul aan. "Ja, ooit waren wij ook zo'n kindje zoals jij." Hij begrijpt het, lijkt het, dus ga ik verder "... en onze ouders waren ook kindjes ooit". Julien gooit zijn handen in de lucht (nét niet met de pasta pesto slierten). "oooh en dat gaat zo de hele aarde door en oude mensen gaan dan dood?". Ja, oude mensen gaan dan dood, en zieke mensen ook. En helaas soms ook mensen die er niet voor gekozen hebben, zoals door een autobotsing. Er wordt verder gegeten, half zittend op de stoel.Komiek... "Dat gaat zo de hele aarde door: geboren worden, je leven, nieuw leven geven, doodgaan". Ofwel.... we zijn allemaal een nieuw begin, en daarmee zijn we dus zelf in staat om iets nieuws op de wereld te zetten.De dag werd gisteren afgesloten met knuffelmomentjes met zoonlief en lieflief en de laatste minuten voor bedtijd met m'n zoon in m'n armen in een donkere kamer. En alsof hij mijn gedachtes kan lezen zegt hij de woorden "Maar mama is niet erg hé dat mensen doodgaan, want er zijn nog altijd heel veel andere mensen."We hollen maar door met nieuwe technologieën, met verlengen van ons leven, met forceren, met ongelukkig zijn of té gelukkig zijn. Met geloven en genieten, met onrust en depressie. We rennen al zeurend rond over onzekerheden en pronken over zekerheden. Als een kip zonder kop op zoek naar zoveel mogelijk ervaringen om in de rugzak te stoppen... We zijn netjes, misschien te netjes, in het omgaan met mensen die slecht voor ons zijn, want weet je 'opvoeding' en 'waardes & normen' enzo..En waar 't mij eigenlijk om gaat in dit vertelsel: iedere dag komt maar 1 keer, en daar is eigenlijk best wel goed over nagedacht.

SilkeGeerts
11 2

40 jaar aids.

            Veertig jaar geleden, op 5 juni 1981, maakte het Amerikaanse Center for Disease Control (CDC) in een onrustwekkend rapport melding van enkele gevallen van een zeer ernstige vorm van longontsteking bij een paar gezonde mannen. Allen waren homoseksueel en sommige mannen waren al gestorven aan deze onbekende en ongekende ziekte die we later als aids zouden kennen.             Vandaag weten we dat aids al voor 1981 bestond. Al snel werd aids gekoppeld aan homoseksuelen en hiermee was het eerste intellectuele obstakel gepland. Al snel volgden de andere h’s: hemofilie, Haïtianen en heroïnegebruikers. Groepen van mensen werden gestigmatiseerd. 40 jaar lang hebben activisten, “par le sang et par le sperme’, ongeziene veranderingen teweeggebracht op zowel maatschappelijk als economisch, medisch, psychologisch, juridisch, sociaal en seksueel vlak. We hebben oude systemen in ons gezondheidsbeleid blootgelegd. In die systemen was de macht van het medisch corps alom (“als de dokter het zegt, zal het wel zo zijn”). Het is ook de geboorte van de biopolitiek. De zieke, de patiënt als reformateur. Hervormingen die we vandaag nog in gezondheid en welzijn kennen, dateren van die woelige periode waarin door machtsstructuren met de moraalvinger gewezen werd en groepen mensen gestigmatiseerd werden omwille van wie of wat we waren. Er waren goede seropositieven en slechte seropositieven. Maar we werden mondiger en we vergaarden kennis. Act Up New York en later Act Up Paris stonden onvermoeid op de barricaden, aan de labo’s en aan de deuren van de beleidsmakers. Ook in ziekenhuizen stonden duizenden vrijwilligers om muren te doorbreken. Helaas stonden we ook in het mortuarium. Wekelijkse kost. Knowledgde is a weapon, was onze slogan, want alleen met knowledge kon je aids bestrijden. Aids was niet alleen het laatste stadium van een resem aandoeningen maar ook een politiek debat en een maatschappelijk debat. Een positieve hiv-test betekende immers de aankondiging van een sociale dood. Veertig jaar later kent iemand die vandaag hiv-positief is, een even normale levensduur als iemand die seronegatief is. Maar het parcours blijft hobbelig. We mogen de psychologische, lichamelijke en maatschappelijke neveneffecten niet onderschatten. We denken vandaag veelal dat een pilletje wel helpt en voor jongeren en millenials is aids een ziekte voor oude mensen. Niets is minder waar. Vandaar dat een beetje geschiedenis, een beetje het geheugen opfrissen en weten waar vandaag onze rechten als patiënt vandaan komen, in het licht van deze 40ste verjaardag, belangrijk is om te begrijpen, om kritisch te blijven, om universeel te blijven en om niet toe te geven aan identiteitspolitiek, fake nieuws en populisme. In de nasleep van 1968 zijn we begin jaren ‘80 van de vorige eeuw ons gaan engageren tegen machtsstructuren in de maatschappij, in de medische wereld, in het onderwijs, in de psychologie, in de sociologie, in de literatuur, in de volksgezondheid, in het algemeen recht; wij hebben het landschap van activisme hertekend en de medische wereld speelde stilaan de alleenheerschappij over onze gezondheid kwijt. De ondergrond van onze maatschappij werd blootgelegd en politiek werd gedwongen krachtdadig te zijn voor een hele bevolking. Seksualiteit was niet langer weggelegd voor procreatie en heteroseksuelen. De wereld ontdekte gay seks. Blanke vrouwen en vrouwen van kleur lieten hun stem horen. Druggebruikers en prostitués, zowel mannelijke als vrouwelijke, kregen ook een stem. Trans vrouwen en trans mannen waren nog transgenders en verenigden zich in een gezamenlijke strijd tegen aids. Ook travestieten deden mee. Migranten en mensen van niet Europese origine hadden recht op volwaardige universele gezondheidszorg. Daar streden we voor. Het was vechten. Elke dag. Elke avond. Vergaderen, studeren, schrijven, het medisch jargon begrijpen, informeren en zich informeren, van de ene conferentie naar de andere conferentie gaan, roepen, met de vuisten op de tafel slaan, manifesteren, slogans die decennia later nog nablijven bedenken. Het was ook feesten. Gelukkig maar. Met drugs af en toe. Op house en disco. Het was ook zeggen dat we aan het sterven waren. Het was zorgen voor iedereen, niet enkel en alleen voor de eigen gemeenschap. Nooit vermoeid en altijd moe. En toch weer opstaan. Naar een meeting of naar alweer een begrafenis. Nooit opgeven, sterk blijven. We bleven ons verenigen. We bleven onze seksualiteit beleven. We eisten het recht op schone spuiten. We eisten het recht op medische zorg voor mensen zonder papieren. We eisten het recht op onze lichamen, we eisten veiligheid voor onze lichamen. Daarvoor hebben we gevochten. Het was vechten tegen de labo’s, niet als vijand, maar als bondgenoot. De coronamoeheid waarvan vandaag de media bol van staat, is een luxelachertje. Wat het afgelopen coronajaar in onze ziekenhuizen mogelijk heeft gemaakt, is aan mijn generatie te danken. De stilzwijgende generatie van vandaag. We hebben het te danken aan alle anonieme vrijwilligers. Aan een onvoorwaardelijke strijd tegen een virus. Aan onze gestorven kameraden.             Aids heeft zwakke schakels in de maatschappij blootgelegd maar aids heeft ook de macht die de farmaceutische bedrijven hadden – en vandaag nog altijd hebben – laten kennen. Als activist konden we onze rug niet keren of een knieval doen tegenover hun macht. We hadden hen nodig maar niet tegen eender welke prijs. Onze strategie bestond erin de labo’s die onze directe vijanden waren tot onze bondgenoten te maken. Mensen stierven. Wij hadden de dood in zicht. Labo’s treuzelden om aidsremmers op de markt te brengen en medicatie werd aan woekerprijzen op de markt gebracht waardoor hele bevolkingen geen toegang tot aidsremmers hadden. Het heeft ons slapeloze nachten gekost om generische middelen te verkrijgen en patenten vrij te geven. Het heeft levens gekost. Iedere epidemie heeft een directe invloed op de politiek, omdat een ongekende en stigmatiserende epidemie een bedreiging vormt en de hele sociale orde in vraag stelt. Dat geldt zeker voor aids, dat geldt vandaag ook voor corona. We moeten durven te kijken naar hoe aids niet alleen onze maatschappij veranderd heeft maar ook welke invloed aids had op ons gezondheidssysteem, hoe universeel en toegankelijk ons gezondheidssysteem vandaag geworden is maar evenzeer moeten we onder ogen zien welke maatschappelijke obstakels er in onze Westerse maatschappij nog leven. Dat dwingt ons ook onze relatie Noord-Zuid te herstellen. Dat kunnen we niet door identiteitspolitiek waar iedereen voor eigen parochie preekt. Onze ervaring moet niet voor onszelf maar een algemeen belang dienen. We moeten ons verenigen in consistente nooit opgevende sterke onafhankelijke structuren. Dag en nacht. Door wind en regen. Met kennis als wapen. Niet met gekneut of met identiteitspolitiek.             Aids heeft ons geleerd te weten welke eigenschappen een maatschappij geeft aan een ziekte: wie veroorzaakt de ziekte, wie bepaalt wat de ziekte is, op welke brutale manier verspreidt de ziekte zich en welke ravages richt ze aan, welke groepen in de maatschappij zijn meer vatbaar en kwetsbaar voor een besmetting dan anderen, hoe snel verspreidt een virus zich en in welke mate. Aids heeft ons ook doen afvragen waar in onze maatschappij de ziekte het felst toeslaat: in welke sociale, economische, religieuze, psychologische, politieke en medische context manifesteert de ziekte zich. Wie doet er iets aan en wie verdraait eerder de feiten. In de kantlijnen van deze eigenschappen moesten we ook weten waar de oorzaken van de verspreiding van de ziekte lagen, welke factoren meespeelden en op welke manier het virus zijn weg vond. Op die manier kon de maatschappij zich organiseren om adequaat op te treden om het virus bij het nekvel te grijpen en te beheersen. Helaas heeft diezelfde maatschappij al snel een zondebok willen zoeken en een sociaal bloedbad laten plaatsvinden.             Veertig jaar later staan we voor andere uitdagingen en geeft mijn generatie de fakkel door, áls de volgende generatie die fakkel wil overnemen. De strijd tegen aids is een universele strijd die de macht van de dokter en de politiek heeft weten te doorbreken. 2030 is nog steeds de ambitieuze streefdatum om aids de wereld uit te krijgen. Daarom is het belangrijk dat de generaties van vandaag de tricks en de tools aangereikt krijgen die als waakhonden letten op de gevaren van stilte of extremen in de politiek. We moeten blijven een solidariteit handhaven. We moeten ons universeel blijven scharen achter gelijkheid, ook al blijft dit een utopie. We moeten samen geloven in elke sociale strijd: tegen aids, tegen corona, tegen racisme, tegen homofobie, tegen transfobie. Wat wij zonder internet en zonder Smartphone bereikt hebben, moeten we vandaag meer dan ooit op een slimme manier ook kunnen gebruiken. Aids 2.0 en verder.             Het is geen gelukkige verjaardag maar als we blijven getuigen, als we weten wat we veertig jaar geleden gedaan hebben, dan komen we er. We moeten niet roepen tot opvoeden, we moeten onze kennis delen. Knowledge is a weapon. Knowledge is our weapon.

Erwin Abbeloos
5 0

tirade

Uiteindelijk zijn er in dit kleine leven maar weinig zekerheden. Zeker, we zijn samen en zullen de rit in de tijd die ons is toebedeeld met elkaar moeten rijden. Want we leven allemaal in dezelfde straat, waar hoe dan ook het licht uit gaat als de avond valt, de rolluiken dicht. Blikken blijven echter zoeken naar mogelijk bewijs van tegenstand. Wie beslist anders te doen dan de goegemeente mag een ziedend koor predikheren verwachten. Monkelend maalt men scheldwoorden tot zuchtjes wind die vluchtig vervliegen in het ijle. Tot er op een dag iemand opstaat en de loopgraven induikt. Loopgraven, waar af en toe wat munitie mist, achterovergedrukt door de duiker die zich over de woeste baren meester maakt en zichzelf het havengat weet uit te ploeteren. Een Sjarel die zich bloothoofdig afvraagt wat het hogere doel is nu we overheerst worden door een nieuwe wereldorde die onder het mom van een virus meer dan gezondheidsrisico’s wil mijden. Het gaat over de vrijheden van een volk, eens zo hart bevochten door onze collaborerende zatte nonkels die met scheefgeslagen klak en opgetrokken sokken onder de scoutsbroek zich een slag de rondte door wrochten en maar net op tijd thuis waren voor de frieten met biefstuk. Die vrijheid dus, die men nu wil begraven in het massagraf der willekeur. Achter de rolluiken van de huizen in de straat kijkt men vergoelijkend toe hoe tenminste iemand zegt waar het op staat. Wij, volk der onderdrukten, waar we nooit iets aan hebben kunnen doen. Het haar zat nu eenmaal altijd al in de gekarnde boter. Al weten wij dat er een dag komt waarop we zeggen: we pikken het niet meer. Vloekend en vol van bittere alcohol liefst, dan verdommen we op ons best. We zaaien met slappe pamfletten dat het tijd is voor actie. Dan moeten we node uit de sloffen, te wapen broeders en de maatschappij bevrijden van verder onheil ontsproten uit de ivorentoren hoofden van virologen. Een reis dus naar het einde van de nacht waar in de nieuwe ochtend het licht gloort. Wie het waagt kritisch te zijn, zullen wij kielhalen zoals het een grijze massa beliefd. Dat doen wij omdat onze leiders dat zo willen, ze vragen het ons op hun blote knieën met het broekje op de enkels. Zij die ook in deze straat wonen maar zeggen dat de straat op niets trekt, want te dicht bebouwd, te veel en te vol. Te los van tradities en te weinig respect voor de kasseien die al jaren liggen te rotten in de grond, hopend op beterschap maar kapot van het betonrot. Die leiders eten uit de trog als varkens en met de smurrie nog aan hun scheve muile huilen dat het zo niet verder kan, dat zij het anders zouden doen. Zo zorgen zij voor een leger lijkenpikkers en kanonnenvoer en kunnen zij in feite zeggen wat ze willen. De boel bestieren en bedotten en blijven janken dat besturen anders zou moeten dan hoe het nu is. Eerst uw eigen bord leegeten en spugen in de hand die u voedt. Zo blijf je op den duur op uw honger zitten maar wantrouwt iedereen iedereen, net wat ze willen die zelfverklaarde Jeannes D’arcs met hun Trojaanse paarden. Zij die met Clausachtige stem zichzelf verheffen boven de massa en anderzijds die massa induiken met woorden die schieten als schrapnels. Als strandjutters die de kustlijn afspieden op zoek naar buit. Die schaamteloos meningen strooien als zout op wonden en ongemerkt hun bankrekening spekken zodat hun boterhammen dubbel confituur blieven. Of zij die van de tatami het pleintje zijn opgestapt, kimono zwart omgord. Die zakes verwarren met nostalgie en feitelijkheden met kwakzalf. Dat weten, maar als het ze te machtig wordt roepen en tieren ze met rode boei dat een ander nog meer bedot. Of zij die met gestreken pak en haar in de glos sater soldaat spelen, mochten ze betrapt worden op een leugen noemen ze de waarheid op haar beurt leugens, daardoor kijken we steeds meer in een spiraal de dieperik in en lijkt het  uitzichtloos te zijn, waar zij dan als heiden van licht, militaristisch zwaaien dat zij de oplossing zijn. Zij dus die zeggen dat niets nog gezegd mag worden maar zelf poppen aan het dansen laten wanneer iemand er een andere mening op nahoudt. Zij die de geschiedenis kapen en daarom onverdacht zijn. Zij die het spel van schaamte en schande spelen en andermans handen in onschuld wassen. Zij die later niets kunnen worden verweten want ze ageerden op een gevoel in de onderbuik. Zij die evengoed bloed aan hun twitteraccount hebben. Zij die de straat verder laten rotten, terwijl ze zich zo gemanoeuvreerd hebben dat ze iets konden doen, iets anders dan laten betijen. Het is een keuze, dus. Het is een daad waarbij zij zichzelf altijd verpakken als slaaf en meester. Tot de kannibaal wakker wordt en hen opeet, te beginnen vanbinnen. Dan gaan ze slapen als onkruid, beschaamd maar niet vergaan.

Gabriel Rooms
6 0

Als het met woorden niet meer werkt

Het klinkt raar maar het wordt toch echt tijd dat we de Corona-pandemie achter ons laten. Om heel veel redenen maar ook omdat een aantal mensen nu toch echt serieus aan het doordraaien is. Gedurende de hele periode worden er al mensen bedreigd, helaas, maar als je als een soort mislukte maar wel zwaarbewapende Rambo rond gaat lopen, ben je toch wel heel ver van de realiteit af beland. Wat denkt zo’n man dan? “Hé, ik ben het niet eens met anderen, virologen, wetenschappers, mensen met een andere mening, ik neem van de zaak mijn raketwerpertje mee en ga wat stennis schoppen.” Gevaarlijk dat zo iemand bij Defensie werkt. Niet dat dat te voorkomen is, maar als militair, politie-agent of zelfs maar lid van een schietvereniging heb je natuurlijk wel meer mogelijkheden om aan een wapen te komen. Althans, dat denk ik, want misschien is het darkweb een veel betere plaats, daar heb ik geen ervaring mee. En eenlingen die dit soort plannen beramen, zijn bijna niet te volgen. Maar goed, die Rambo dus, die loopt rond in een natuurpark in België, als ik het nieuws mag geloven, en probeert te ontsnappen aan de maatschappij zoals wij die kennen. Nou weet ik niet waar de viroloog Marc van Ranst woont, maar ik mag toch hopen dat dat op een veilige afstand is. En als ze die man dan straks pakken, krijgt hij dan straf? Of een aai over zijn bol en de opmerking “niet meer doen hoor jongen”? Je zult maar bedreigd worden door zo’n gevaarlijke gek. Natuurlijk moet Willem Engel het dan weer opnemen voor zijn zielsverwant. Van Ranst zou het over zichzelf hebben afgeroepen. Natuurlijk, dat zou ik in zijn plaats ook zeggen. Waar haalt die man die denkbeelden toch vandaan. Zou hij nou echt nog steeds denken dat Corona een verzinsel is van de overheid om ons onder de duim te houden? Dat er helemaal nog nooit mensen aan het virus zijn dood gegaan? En zoals altijd valt de hele Social Media er weer overheen. Voor- en tegenstanders hakken op elkaar in en iedereen weet het weer beter. Ik zou me kostelijk amuseren ware het niet dat sommige commentaren zo vreselijk asociaal zijn dat ik bijna de neiging krijg om te kijken wie er achter die tekst zit. Vaak is zo’n account afgeschermd en dat snap ik ook wel. Tenslotte wil je wel anoniem blijven als je mensen zo behandelt. Wat ik dan wel weer meesterlijk vind, is de opmerking waar Van Ranst zijn betoog op Twitter mee opent, “Wanneer we ooit geconfronteerd worden met een salsapandemie, ga ik met veel plezier luisteren naar wat jij als dansleraar te zeggen hebt.” Laten we in vredesnaam hopen dat dat dan nooit gebeurt.    

Machteld
9 0

Een dag zonder zin

Vandaag heb ik er geen zin in. Er lijkt geen einde te komen aan de regen en de lage temperaturen. Een vriend post een bericht: “Maak deze natte dag maar een beetje natter (zelf in te vullen hoe). Geniet van je dag. Laat je maar eens goed verwennen!”. Op alle andere dagen was deze post voldoende geweest om weer zin te krijgen -op vlak van goesting en (zelf)verwennerij hoor ik blijkbaar eerder bij de mannelijke stereotypen die om de zeven seconden aan seks denken- maar vandaag niet, ik overweeg het wel even, maar bedenk dan dat vandaag gisteren nooit kan overtreffen. Vandaag ben ik terug Edouard Péricourt uit 'Au revoir là-haut' van Pierre Lemaître -de gekheid nabij- en wil ik met een masker met pauwenveren op mijn kop, helemaal naakt, de Kortrijksesteenweg op. Niets anders dan die zotte euforie kan het heden en verleden draaglijk maken. Daarbij wil ik me echter niet laten omverrijden zoals Edouard. Nee, ik heb niet al die energie gestopt om met de gevolgen van mijn non-comformisme te leren omgaan, om me dan op een hoogtepunt ervan te laten omverrijden. Ik wil gewoon wat naakt rondlopen en zo net genoeg energie en zin krijgen om terug met de illusies te kunnen omgaan en naar een volgende euforisch moment toe te werken. Mijn verjaardag, volgende maand. Die periode rond mijn verjaardag is best wel moeilijk. Hoe ik het ook draai of keer, rond die tijd komt het verleden en de totale onzin van gisteren en vandaag weer boven. Misschien moet ik dit jaar een verjaardagsfeest voor collega’s organiseren om eindelijk werk te maken van die door corona uitgestelde teambuilding? Een echt feest, geen beleefde bijeenkomst, maar total losgehen. Vandaag ben ik immers in het stadium van de verfijnde Ines uit de film Toni Erdmann wanneer ze net voor de start van haar feestje beslist dat ze naakt de deur gaat openen en de genodigde collega’s er enkel naakt wil inlaten. Gedaan met de hypocrisie, het slaafse bestaan, terug naar de essentie. Terug naar mij, die naakte met veel levenslust en zin. Dat het maar verder regent, vanavond ga ik die verdomde slakken te lijf. Geen respect meer voor die veelvraten die de energie van een hele gemeenschap in één nacht verwoesten. Ik, de tuinier, die uren tijd heb gestoken in het ideale klimaat waarin de zaadjes konden groeien, de zon die haar kracht heeft afgestaan en de kracht die het zaadje uit zichzelf heeft geput om blaadjes te vormen. Dat allemaal verloren zien gaan, dat leidt tot een dag zonder zin en dagen zonder zin tot waanzin.

Fien SB
13 0

Verdacht veel vakantie

Eerlijk? Echt onaangenaam zijn ze niet, die eerste dagen werkloosheid. Ja, de postbode brengt nog wel je C4 per aangetekende zending, maar daarmee is ook een pagina definitief omgeslagen. De ontgoocheling raakt stilaan verbeten, de klap verwerkt en met het veel te langzaam ontwakende lentezonnetje lijkt deze periode verdacht veel op vakantie. Met mijn eerste portie herwonnen energie begin ik thuis een grote schoonmaak. Alles wat me ook maar enigszins aan mijn oude werkgever, de spoorwegen, doet denken, moet onder mijn ogen uit. De cursussen, waar ik me het afgelopen halfjaar een ticket op werkzekerheid tot aan mijn pensioen mee had willen bezorgen, gaan de kelder in. Alle administratieve rompslomp is gearchiveerd en elke stofpluk die ik verwijder lijkt me een extra energieshot te geven waar geen Rode Stier tegenop kan. In de keuken moeten cola, chocolade en chips plaats maken voor gezonder spul. OK, de afgelopen weken waren héél stresserend en dan durft de Bourgondiër in mij al eens om verzadiging vragen, neen sméken, maar vanaf nu wordt het anders. Ik wil me herpakken! Dus laad ik in de supermarkt mijn winkelkarretje vol met versgeperst sinaasappelsap, magere yoghurt, rauwe groenten en méér van dat lekkers met NutriScore A of B. “Kan het zijn dat uw kaart leeg is?” de caissière kijkt me van achter haar mondmasker vragend aan. “Ah, ja, dat kan,” flap ik er quasi nonchalant uit, maar ik besef plots dat al mijn maaltijdcheques opgesoupeerd zijn en er de komende maand of maanden geen bedrag op mijn kaart bijgestort zal worden. Ik neem snel mijn bankkaart en besef dat ik ook mijn aankopen in de supermarkt voortaan zal moeten betalen van de som die ik van de RVA uitgekeerd krijg. Een bedrag dat naarmate ik werkloosheidsanciënniteit verwerf, alleen maar kleiner zal worden. En plots bezorgt dat ontslag me toch weer een pijnscheut. Eén blik op dat kassaticket en mijn vakantiegevoel is helemaal over.

Paul Dewilde
4 0

Waar boeken onveilig zijn ...

Waar boeken onveilig zijn … Leuven is sinds mensenheugenis dé universiteitsstad van de Lage Landen, maar wie ervan uitgaat dat de Stellastad de place to be is voor boeken, is naïef. Boeken zijn daar niet veilig. Je had de universiteitsbibliotheek en faculteitsbibliotheken, maar toen ik er in de jaren 70 als would-besoixante-huitard aanspoelde, lag mijn kot godbetert rechtover de stadsbibliotheek. Als ik niet moest brossen, piket staan, betogen of cafés afschuimen, liep ik daar weleens binnen. Soms zat ik op kot een frietje te steken, multitaskend voortbladerend in een boek hoewel mijn vingers aaneenklitten door mayonaise, bearnaise, pickles of frietvet. Of bier. Vandaar wellicht dat de stadsbib later verhuisde en het pand gesloopt werd! Alleen het classicistische portiek met zes Toscaanse zuilen en fronton bleef ongemoeid en werd de entree van museum M. De boeken van de universiteitsbibliotheek daarentegen beleefden een veel ergere, drievoudige calvarie. In augustus 1914 ontaardden Duitse represailles voor een schietpartij (door francs-tireurs volgens hen, een geval van friendly fire volgens historici) in een rancuneuze, rücksichtslose furie: burgers werden zonder boe of bah geëxecuteerd, de stad platgebrand. Ook de middeleeuwse lakenhal waar het gros van de handgeschreven en gedrukte memorie van onze Alma Mater bewaard werd, ging in vlammen op. Pandemonium in het patrimonium: unieke paleotypes, incunabelen, wiegendrukken met kalligrafische miniaturen, monnikenvlijt, folianten, leporello's, vroegwetenschappelijk werk van beroemde Leuvense humanisten, materieel en immaterieel erfgoed. Verbrande en geblakerde papier- en papyrusrestjes dwarrelden buiten de stad neer. De nazaten van Goethe, Schiller en Gutenberg werden per direct paria's. De opgeschrikte beschaafde wereld smeedde een alliantie tegen de barbaarse 'furor teutonicus'. Overal werden karrenvrachten boeken en fondsen ingezameld: Leuven zou een chique nieuwe universiteitsbibliotheek krijgen, in een nieuwsoortige ad-hocstijl, met carillon en zo veel uiterst gedetailleerde tierlantijntjes, symboliek en iconografische hoogstandjes dat een gedegen stadsgids u urenlang kan onderhouden. De nieuwe bib was amper klaar toen een nieuwe blitzkrieg voorbijraasde. En wat is nu waarheid, wat het broodjeaapverhaal? Waren het de Duitsers die een batterij kanonnen opstelden om cynisch ook de nieuwe bib in de as te leggen? Of was het een verstrooide Engelse RAF-piloot die brandbommen dropte? Hoe dan ook: opnieuw van dattum! Bovengrondse brandschade terwijl het boekenfonds in de brandbestendige ondergrondse verdiepingen nagenoeg volledig verloren ging in gesmolten en vervolgens weer gestolde glasmassa! Ook na de Tweede Wereldoorlog herrees de bib als een feniks uit zijn as, maar geen kwarteeuw later voltrok zich een derde boekendrama. Leuven Vlaams, Walen Buiten! Even voorbij de taalgrens verrees Louvain-la-Neuve. Verbannen Franstalige studenten wrikten op de Oude Markt een kassei los en droegen dit souvenir in een plechtige processie helemaal naar hun nieuwe campus. Zodra Vlaamse folkloristen daar lucht van kregen, volgde een nachtelijke raid om de onmisbare kassei terug te halen. Toch is hij (of een andere) opnieuw in Novum Lovanium geraakt en verankerd. Heel andere kolder, van hoog macaber en morbide niveau, was de boedelscheiding inzake het boekenfonds van de universiteitsbib. Waren er twee exemplaren van een boek, dan werd gevochten voor het minst beduimelde. Complexer werd het met een 25-delige encyclopedie. Twaalf delen voor Leuven, twaalf voor Louvain, en voor het 25e deel werd naar verluidt ten slotte kop of munt gegooid. Dit is echter louter mythe; in werkelijkheid gingen alle even inschrijvingsnummers naar de ene partij, de oneven naar de andere. Ook academici en bollebozen hebben immers gezond verstand. Al beweren mensen die erbij waren, dat deelnemers aan de boedelscheidingsvergaderingen vaak een ruime pardessus droegen, met veel grote binnenzakken, en dat ze na zo'n meeting kromliepen van clandestien meegezeulde boeken. Pocketboeken avant la lettre. Tot slot die faculteitsbibliotheek. Vijf jaar na mijn licenties keerde ik er terug om in het zicht van de deadline nog gauw een thesis te fiksen. De knorrige bibliothecaris herkende me meteen, stopte me prompt een uitleenfiche onder de neus en vroeg geprikkeld wanneer ik dat boek eindelijk zou terugbezorgen! Ik viel compleet uit de lucht: een acute casus van retrograde amnesie. Zoals ik al zei: boeken zijn niet veilig in Leuven!

Piet
1 0

Oude bazen en nieuwe haarkleuren

Misschien moest ik mijn haar maar eens blond verven, of bruin, of acajou. Ik ben er nog niet helemaal uit, maar mijn oude baas is er de oorzaak van dat ik dit heb overwogen. Kijk, aan het eind van je job, rest alleen nog de teruggave van al die leuke, extralegale voordelen; je laptop, je treinkaart, je badge met gratis parking in de stations… Je steekt het met pijn in het hart allemaal in je rugzakje dat je bij je aanwerving cadeau kreeg, samen met je hoop, je verwachtingen én je uiteindelijke desillusie omdat je droomjob toch niet je droomjob bleek te zijn. “Spijtig dat het zo gelopen is,” probeerde mijn oude baas me nog te troosten, toen ik hem bijna ritueel dat rugzakje overhandigde: “Je hebt gedaan wat je kon, maar…” er viel een korte, enigszins geladen stilte: “Laten we eerlijk zijn, nieuwe dingen aanleren gaat niet meer zo makkelijk voor mensen met onze haarkleur.” En zo werd ik er voor het eerst in mijn professionele leven mee geconfronteerd dat ik niet meer van de jongsten ben. Maar… als alleen je haarkleur dat verraadt, kan je daar nog iets aan doen, toch? Ach… misschien had die grijsaard wel een punt. Terugblikkend moet ik toegeven dat mijn jongere collega-cursisten als een sneltrein door de opleiding Traffic Control raasden, terwijl er bij mij toch eerder sprake was van een moeizaam voorthobbelend boemeltje, met alle gevolgen van dien. Terug op het perron voelde ik me verwant met het opgekalefaterde stoptreintje dat me weer naar huis bracht; te jong om uit te bollen, te oud om zich te kunnen meten met al die flitsende hogesnelheidstreinen. Daar kan geen likje verf iets aan verhelpen. Ik laat mijn haar maar zoals het is.

Paul Dewilde
0 0

Kwijt

25 mei is het de Dag van de Vermiste kinderen. Op die dag wordt er stilgestaan bij al de kinderen die verdwenen zijn en hun families die elke dag moeten leven met zoveel vragen en een voortdurend gemis.  Naar aanleiding daarvan schreef ik deze tekst.   ‘Kijk, daar staat mijn naam.’ Ik was 6 jaar en kon al enkele woordjes lezen in drukletters, waaronder mijn naam. En nu stond hij daar, in grote letters tussen de aankondigingen aan de ingang van de supermarkt. Mijn broer kwam naast me staan. Hij was 8 en kon al goed lezen. ‘Ja, dat is inderdaad jouw naam,’ zei hij. Ik zag dat hij verder las en enkele moeilijk woorden hardop spelde. ‘Wat staat er?’ vroeg ik. ‘Het gaat over een meisje dat vermist is. Ze heet Elisabeth Brichet en ze is 12 jaar.’ Ik begreep het niet. ‘Vermist betekent kwijt,’ verduidelijkte mijn broer. Ik begreep het nog steeds niet. Hoe kon je nu een kind kwijt geraken? Sokken kon je kwijtraken. En speelgoed. Dat raakte ik voortdurend kwijt. Ik vergat het bij vriendjes of op de bank in de dierentuin. Mama kwam er ook bij staan. ‘Kijk, daar staat mijn naam,’ zei ik. ‘Ze zijn haar kwijt,’ vulde mijn broer aan. ‘Oei, ze is al meer dan een half jaar vermist,’ zei mijn mama. ‘Ik vrees dat ze haar niet meer gaan vinden.’ Daar had ze waarschijnlijk gelijk in. Als ik speelgoed niet direct terugvond, dan was ik het echt kwijt. Behalve mijn roze plastic parelketting met blinkend hartje. Die hebben we maanden later teruggevonden tussen de kussens van de zetel. ‘Nu heb je geluk hè?’ had mijn papa toen gezegd. Terwijl we de boodschappen in de fietstassen deden, bleef ik nadenken. Hoe kon je nu een kind kwijt geraken? Als mijn ouders me zouden vergeten op een bank in de dierentuin of als ik tussen de kussens van de zetel zou vallen, dan zou ik roepen. Enkele weken later waren we op vakantie in de Ardennen en gingen we naar de winkel. ‘Mogen we bij het speelgoed gaan kijken?’ vroegen we. Thuis mocht dat ook altijd. ‘Blijf maar bij ons,’ zei mama. ‘Stel dat iemand jullie meeneemt.’ ‘Maar dan roepen we wel.’ ‘Ze spreken hier geen Nederlands. Mensen gaan denken dat jullie gewoon twee zeurende kinderen zijn.’ Ik zag dat ook hier mijn naam in grote drukletters hing, met de foto van Elisabeth Brichet. Ik bleef kijken. Zo zag ze er dus uit. Was mama  bang om ons ook kwijt te geraken? Want, als ik haar zo hoorde, was Elisabeth niet vergeten op een bank in de dierentuin, maar had iemand haar meegenomen en ergens verstopt. Maar waarom zou je nu een kind meenemen?   Jaren later verdwenen Inge Bruegelmans en Katrien De Cuyper en werden ze dood teruggevonden. Ik luisterde naar het nieuws en begon langzaamaan te beseffen waarom mensen kinderen meenamen en wat er met hen gebeurde. Ik zag de papa van Nathalie Geijsbregts op televisie smeken voor het leven van zijn dochter. Hij keek recht in de camera en vroeg aan de ontvoerders of hij haar plaats mocht innemen. ‘Mijn leven voor dat van Nathalie.’ En toen verdwenen Julie en Melissa, Ann en Eefje, Sabine en Laetitiae. Op school praten we erover. Inmiddels was ik 14 en besefte ik ten volle wat er met meisjes kon gebeuren. Ontvoering en verkrachting werd meer dan abstract begrippen. Ze kwamen zelfs terug in mijn nachtmerries. Toen de meisjes werden teruggevonden, leerde ik nog twee woorden. Bureaucratie en machtsmisbruik. Want Julie en Melissa waren niet enkel door Dutroux ontvoerd. Door de scheiding van politie en rijkswacht en de reactie van Michele Martin waren ze versmacht tussen de kussens van de zetel. Mijn ouders, broer en ik trokken met witte ballonnen naar Brussel. 300 000 mensen hoopten dat ze de wereld konden veranderen en steun konden bieden aan verweesde ouders. Ik leerde hoe oorverdovend een stilte kon zijn als zoveel mensen tezamen smeken voor het leven van kinderen die tevergeefs hadden geroepen. In onze school hing een foto van Julie en Melissa met als onderschrijft: ‘Het echte kwaad in de wereld wordt niet bedreven door zij die het kwaad doen, maar door zij die toekijken en laten begaan.’ Ik ben nu volwassen en ik ben niet meer bang van elke witte bestelwagen, maar ik besef dat we het kwaad in de wereld niet kunnen stoppen en ben soms bang voor wat mijn neefjes, nichtjes of kinderen van vrienden zou kunnen overkomen. Ik moet vaak aan al die vermiste en ontvoerde kinderen denken die ik door de jaren heen op foto’s heb gezien. Zouden ze bang zijn geweest? Zouden ze weten hoe veel hun ouders van hen houden en hoe hard ze naar hen hebben gezocht? De vader van Nathalie Geijsbregts heeft ooit in een interview gezegd dat hij zich afvraagt of zijn dochter ‘over de regenboog is.’ Ik wens het haar toe. Dat ze daar vriendinnen is geworden met al die andere vermiste kinderen en dat ze de hele dag mogen spelen met al dat speelgoed dat ik ben kwijtgeraakt en dat ze zich verkleden als prinsessen met roze parelkettingen.

Abetje
0 0