Zoeken

Bad To The Bone

Een appelflauwte. Ik weet niet goed wat het inhoudt, maar ik heb er ongetwijfeld een, gezien mijn huidige ziektebeeld en het feit dat ik daarnet anderhalf uur intensief heb gefietst, ondanks vrij tropische temperaturen. ‘Zich draaierig voelen na een lichte flauwte,’ zegt mijn online medisch woordenboek, ‘op het aanstellerige af, stelt zo weinig voor dat ze door het eten van een appel al verholpen zou zijn.’  Eten, ja, daar zie ik wel brood in. Liefst in geroosterde vorm, vooraf besmeerd met wat boter en belegd met een sneetje kaas en een plak hesp. Kaas en brood zijn certitudes, maar de hamvraag is letterlijk en figuurlijk of er nog hesp te vinden is in de koelkast.  Wel degelijk, zo blijkt, nadat ik een half dozijn appeltjes voor de dorst en een paar toffe peren aan de kant geschoven heb. Mijn medisch woordenboek mag beweren wat het wil, maar met wat flauw en futloos fruit ga ik dit euvel niet verhelpen.  Een beetje bevend en bibberend beboter ik een boterham. Zoveel b’s doen me onwillekeurig denken aan het liedje ‘Bad To The Bone’ van George Thorogood & The Destroyers. Bbbbbb-bad, bad to the bone! En ik ben vertrokken voor de rest van de dag, of (h)oor de rest van de dag, met deze stotterige oorwurm. De bereiding van een tosti is echt ‘appeltje-eitje’, zei een tv-kok onlangs nog op z’n Hollands, doelend op het feit dat je geen meesterchef hoeft te zijn om een croque-monsieur te prepareren. Ik ben het levende, doch ietwat draaierige bewijs. Kaas en hesp ertussen en daarna in het wafelijzerachtige toestel dat hier staat. Echt wel appeltje-eitje. Eitje! Goed idee! Ook immer aanwezig in de eigen ijskast. Ik drop een driehoekje boter in de pan en kluts er een paar minuten later een tweetal eieren bij. Zo maak ik van een croque-monsieur in een oogwenk een croque-madame. Veel lekkerder en heilzamer dan zo’n genderneutrale toast kannibaal met rauw, gehakt rundvlees overigens, waar je, volgens mensen die het ooit meemaakten en het mij naar eer en geweten verteld hebben, wormpjes van zou krijgen. Als je trouwens in Nederland een toast kannibaal bestelt, schotelen ze je met de glimlach geroosterd brood met daarop een laagje pindakaas en plakjes banaan voor. Die Nederlanders toch. Ik mag ze graag, niet op kannibalistische wijze uiteraard, maar wel terdege voorbereid op hun eigengereidheid en culinaire vaardigheid. Voor ik als hobbykok spontaan begin te kokhalzen bij de gedachte aan die Nederlandse kannibaalverkrachting, geef ik nog even mee dat die bereiding blijkbaar het absolute lievelingsgerecht was van Elvis Presley. Return to sender, denk ik heel even, al neemt Bad To The Bone meteen weer over.  Waar komt de ‘croque-monsieur’ eigenlijk vandaan, vraagt een mens zich wat sufjes af. Uit Australië, blijkt na wat onderzoek op de smartphone. Als de Aboriginals terugkwamen van de jacht, hadden ze de gewoonte om hun vlees te bakken tussen twee koekjes van bloem. Die gevulde koekjes werden samengedrukt met een grote tang en gebraden boven een open vuur. Heel wat later verfijnden de Fransen dit gerechtje, vooral door er gesmolten kaas bij te betrekken. Door het steevast aanwezige krokante element ontstond de term ‘croque’, zoals bij een ‘croquette’. In 1910 stond het voor het eerst op een menukaart, in de succesvolle Parijse brasserie van ene Michel Lunarca. Jaloerse concurrenten hadden de roddel verspreid dat de goedlachse Lunarca een … kannibaal was. Toen een van zijn klanten wilde weten welk vlees er in zijn nieuwe gerecht, de ‘croque-monsieur’ zat, antwoordde hij gierend: ‘mensenvlees natuurlijk’. Volgens die theorie is de benaming croque-monsieur dus een grapje, een kwinkslag, een twist …  Hoog tijd trouwens om mijn inmiddels geroosterde boterham op een bord te gooien en al twistend te pimpen. Omdat het kan. Eerst met de spiegeleitjes, daarna met een pittig slaatje van witte kool, wortel, radijs, rode ui en een flinke kwak samuraisaus. Lekker vettig en heet, zoals de buitentemperatuur (inmiddels 31°C) en ik (vermoedelijk 37°C). Na twee happen spuw ik vuur. Weg appelflauwte. Ik bbbbbb-bekom helemaal! Bad to the bone!        

Danny Vandenberk
14 2

Opinie: "Door jongeren angstvallig af te schermen van de 'boze' wereld, beroven we ze van hun jeugd."

Ouders, leerkrachten en opvoeders maken zich terecht zorgen over de veiligheid van kinderen. Maar vormt een overdreven fixatie op veiligheid uiteindelijk geen gevaar voor het welzijn van jongeren? Ik schreef er een opinie over. Op de website van VRT NWS kon je onlangs lezen dat je best geen zomerkiekjes van je kinderen online zet. Bij 1 op de 100 Vlamingen wekken beelden van kinderen immers seksuele lusten op.    Een mens vraagt zich af wat er zo speciaal is aan het internet. Een heteroseksuele vrouw houdt toch ook niet op met aangetrokken te zijn door (knappe) mannen wanneer ze het echtelijk huis verlaat? Waarom zouden pedofielen dan ophouden pedofiel te zijn als ze hun smartphone, tablet of pc afzetten? Misschien moeten we gewoon consequent zijn. Als kinderen ook op straat begerige blikken uitlokken, waarom voeren we dan geen Taliban-achtige dresscode in? Beter nog, steek ze in van die opblaasbare sumoworstelpakjes. Dan zijn ze niet enkel beschermd tegen de perverse gedachten van de pedofiele mens, maar ook tegen de scherpe randen en hoeken van speeltuigen, skatehellingen en zitbanken. Wat de overheid meteen een pak scheelt in de uitgaven aan rubbertegels voor recreatiedomeinen. De VRT baseerde haar artikel op een persbericht van Stop It Now! Met dat persbericht wil de organisatie de aandacht vestigen op haar hulplijn voor mensen die zich zorgen maken over hun gevoelens en gedrag tegenover minderjarigen. Nergens lezen we in dat persbericht een oproep om geen foto’s van kinderen online te zwieren. Dat zou nogal vreemd zijn, want Stop It Now! gebruikt zelf AI-gegeneerde beelden van minderjarigen om een punt te maken. De interpretatie van de VRT-journalist is symptomatisch voor onze visie op kinderen: Kinderen zijn tere serreplantjes die we koste wat kost moeten afschermen van de boze buitenwereld. Achter elke struik schuilt een potentiële Dutroux-kloon, uit elke steeg kan een stuurloze monstertruck razen. Geen maatregelen zijn draconisch genoeg om de fysieke veiligheid van kinderen te vrijwaren. Gelukkig schiet de technologie ons te hulp. We geven onze jongeren smartphones met GPS-trackers waarmee we hun hele doen en laten volgen. Speeltuinen en recreatiedomeinen plaveien we met rubbertegels. Kortom, de hele wereld moet op kinderslot. Die fixatie op veiligheid leidt tot een paradox: Door jongeren angstvallig af te schermen van de 'boze' wereld, beroven we ze juist van hun jeugd. Terwijl ouders de buitenwereld verstoppen achter een wirwar van gedragsregels, veiligheidsvoorschriften en al dan niet ingebeelde gevaren, sijpelt diezelfde realiteit in uitvergrote vorm binnen op de smartphones van hun kinderen.  Social media stelen aandacht met angstaanjagende beelden, onhaalbare schoonheidsidealen en een schier eindeloze reeks health- en lifestyletips die een ABSOLUTE MUST zijn als je niet door het leven wil gaan als een absolute nul die op z’n vijfentwintigste nog steeds geen miljonair is. Niet moeilijk dat jongeren gebukt gaan onder angst en onzekerheid. De angstcultuur waarin we ons hebben gemanoeuvreerd betekent gouden zaken voor installateurs van inbraakalarmen, rubbertegelfabrikanten en kapitalistische monsters als X, TikTok en Meta.  Ook demagogen varen er wel bij. Je kent ze wel. Van die types die miljoenen euro’s belastinggeld besteden aan social mediacampagnes, waarmee ze jongeren bang maken voor de Islam, de Woke-dictatuur, de Regenbooglobby, de Great Reset. Gangsters met botox-koppen die beweren jongeren ‘weerbaar’ te maken door ze op te hitsen tegen andere jongeren. De ouders paaien ze met een oude truc: Schreeuw keihard “Won’t somebody please think of the children!” en observeer hoe de massa jou gedwee de sleutel overhandigt, waarmee je hun kinderen opsluit in een gouden kooi. Er is slechts een troost: Kinderen zijn geen makke schapen, maar hongerige wolven – en een wolf in gevangenschap maakt rare sprongen. Misschien is dit wel de harde waarheid: Om jongeren te beschermen, moeten we ze ook behoeden voor onszelf. Pieter Van der Schoot Dit stuk verscheen eerder op Observaties uit het ondermaanse. Schilderij: Árpád Cserépy, Public domain, via Wikimedia Commons    

Pieter Van der Schoot
11 0

HOOFD / HART / HANDEN

Het kraken van de mesheften onder mijn zolen geeft een verrassend bevredigend gevoel. Bij haar zal dat iets minder het geval zijn, want ze heeft haar schoenen uitgetrokken en ze draagt ze in haar linkerhand terwijl de wind een poging doet onder haar nagelnieuwe regenjas te komen, waar ik alleen maar begrip voor heb, het is er aangenaam toeven. De regenjas hebben we zonet gekocht in een van de opmerkelijk vele regenjassen verkopende winkels aan de bevolkte dijk van De Panne als bescherming voor onze tocht naar Bray-Dunes. We zijn net Frankrijk binnengewandeld, ze wijst naar de eenzame vlaggenstok die moeilijk te ontwaren is vanaf de waterkant, hij steekt net boven de duinen uit. Onze monotone mars staat in schril contrast met ons intense, boeiende gesprek. We hebben het over welke mensen we graag zien en wat die gemeenschappelijk hebben. Het belang van familiebanden en in hoeverre sommige mensen eraan vastklampen als was het een boei in een zwarte, allesverslindende oceaan. We hebben het ook over welke mensen we liever mijden. Mensen die niet oprecht zijn of die denken dat wat ze doen, wie ze zijn of wat ze denken iets uitmaakt. Nu klink ik als een pessimist, maar laat dat net de conclusie zijn van onze conversatie, dat wat zij en ik delen een joie de vivre is zonder weerga, dat we te veel houden van dit leven om alles zo serieus te nemen. En dat menen we heel serieus. Met liefde rollen de namen van vrienden, familieleden en kennissen over onze tongen. We geven elkaar te kennen wat we waarderen in hen, en hoe zij ons zouden zien. Ik zeg haar dat mensen mij soms zien als een (halve) neuroot, een controlefreak, een angsthaas. Gelukkig zien ze me ook als iemand die anderen wil helpen, dingen wil creëren en graag en veel nadenkt over het leven. Je eigen tekortkomingen accepteren en weten wat je als mens te bieden hebt, terwijl je probeert een evenwicht te vinden tussen anderen helpen en jezelf zo goed mogelijk amuseren voordat het allemaal afgelopen is. Als je daarvan uitgaat. Omdat we toch al in een filosofische bui zijn, en ik weet dat zij niets liever hoort dan mijn zweverige gezwets, rakel ik het principe van hoofd-hart-handen van de Zwitserse pedagoog Pestalozzi op, een principe waarmee ik ben opgegroeid in de Steinerschool. Pestalozzi dweepte met Rousseau, hij noemde zijn eigen zoon zelfs Jean Jacques naar de beroemde filosoof. Volgens deze pientere geesten is een kind een kind en geen volwassene-in-wording. Kinderen moeten dicht bij de natuur opgroeien en de baas zijn over hun eigen leerproces. Rousseau is iets analytischer – hij is ook filosoof – en onderscheidt verschillende stadia in het kind-zijn, waarbij de wereld opnemen via de zintuigen voorop staat. Pestalozzi schetst een soort Vitruviusman, de gedroomde mens en burger, waarbij hij een holistisch paradigma presenteert van hoofd, hart en handen. Een mens is pas volledig ‘af’ als hij zowel kritisch heeft leren denken, met zijn handen heeft leren werken maar bovenal, en dat is het belangrijkste, geleerd heeft zijn emoties tot uitdrukking te brengen. Dat klinkt natuurlijk een beetje elitair, maar zij begrijpt goed wat ik ermee wil zeggen. Dat we trouw, eerlijkheid, openheid, vrolijkheid, vriendelijkheid en oprechtheid misschien wel veel belangrijker vinden dan al de rest. Ondertussen wandelen we in het doodse Bray-Dunes. Hoewel er een sfeer van vergane glorie heerst, zegt ze me dat ze zich hier wel ziet wonen. Maar jij niet, zeker? voegt ze er meteen aan toe, wetende dat ik gedij in een bruisende omgeving, ofschoon ik geen people person ben. Dat is het verschil tussen ons, zegt ze. We zijn beiden introvert, maar jij hebt mensen rond je nodig. Christophe Vekeman, wiens ‘Tot God’ ik zopas gisteren uitlas, stelt dat hij mensen niet haat maar ze gewoon niet kan uitstaan. Niet dat dat de conclusie is van zijn laatste boek, waar hij eerder positief uit de hoek komt. Toch neig ik met die stelling akkoord te gaan, hoeveel liefde ik soms ook voel voor mijn medemens. Maar ik heb ze nodig. We zitten op een bankje te wachten op de bus die ons terug naar het Plopsahotel voert, niet dat we daar logeren, maar dat is nu eenmaal de eindhalte. Van daaruit nemen we de KT, oftewel de tram waarop kinderen zijn toegelaten. Stilzwijgend zitten naast haar, ik doe het bijna even graag als niet zwijgend naast haar zitten. We kunnen het ook heel goed, zegt ze zo vaak, samen niets doen. Dan vervallen we in platitudes, zoals we wel eens plegen te doen, maar met een gezonde dosis relativering. En zo hebben we misschien de nodige veerkracht gekweekt bij elkaar. Misschien hebben we die veerkracht louter te danken aan oprechtheid. Dat we elkaar toelaten dingen te voelen, te denken en te doen. Dat we naast een koppel en ouders ook nog mensen zijn met een hoofd vol dromen, een hart vol verlangens en jeukende handen. In al die jaren hebbe we geleerd alles te zeggen, ook de lastige dingen. Blijkbaar kunnen we nu ook al naast elkaar zwijgen, dat belooft voor ons pensioen.

Lennart Vanstaen
0 0

Afkapsels

Om de zomer met de nodige positiviteit tegemoet te treden, hadden we ons in de stad waar we een dag naartoe waren, al voor de middag op een terras genesteld. Ook al zei de kalender dat we slechts vijf dagen van de zomer waren verwijderd, toch was het dekentjesweer. Koffie en thee dan maar. En dicht bij elkaar. We waren niet de vroegste vogels. Twee jongedames achter ons zwierden met hun vingers over hun telefoonscherm alsof het een tennismatch was dat ze speelden. Wimbledon ofzo. "Jaaaaa", gilde de ene jongedame. Ik schrok er zowaar van. Ze had wellicht een punt gescoord. "Ik heb die op Insta gezien", vervolgde ze.  Nu moet u weten dat mijn geest 's morgens het scherpst is. Bij haar gebruik van het woord Insta ging er een wereld voor me open. I kid you not, zoals ze dat in het Engels zeggen. Ik verzin het niet. In het taalgebruik van jonge mensen is het blijkbaar toegelaten om bepaalde stukken van woorden weg te laten. De voorwaarde is dat het nog verstaanbaar blijft. Zoals Insta in plaats van Instagram.  Het is geen afkorting. Dat is weer iets anders. Het is eerder een afkapsel.  Erover nadenkend bij de voormiddagkoffie, kwam ik tot de conclusie dat dergelijke afkapsels heel wat voordelen met zich meebrengen. Een conversatie duurt dan minder lang, wat in veel gevallen mooi meegenomen is. Wat zeg ik? In de meeste gevallen. Ik begon een gesprek met mijn vrouw over het thema. Er kwamen direct enkele voorbeelden naar boven in mijn scherpe ochtendgeest. "Ik zal de gaz maar even lezen hè", zei ik. "Of de Z." "Jij nog een kof? Of liever een T?" Tja, dat kan je moeilijk nog korter zeggen. Schrijven wel, maar dat is weer een ander iets. "Wat zullen we straks eten?", ging ik verder. "Heb je zin in ghetti? Of liever frt? Of toch maar tatjes?" "Geweldig hè? Vind je niet?", vroeg ik. "Wat een tijd spaar je daar mee uit, met die afkapsels. Je kan er alle kanten mee uit. Misschien moet ik dat op het werk ook voorleggen. We blijven verstaanbaar, maar de gesprekken worden korter. De baas zal content zijn." “En we maken gebruik van een hip taaltje, waardoor we de jongeren meer betrekken. Wist je dat hip trouwens is afgeleid van hippie?” Ik kreeg geen reactie. Ze was aan het scherm van haar foon gekluisterd. Ze zat te appen. Ze keek op. "Hm?", zei ze. Had ze wel gehoord wat ik vertelde? Maar wacht eens. Die "hm" is natuurlijk ook een afkapsel.  Ik wist niet meteen voor wat, maar we waren duidelijk vertrokken. Ik gaf haar meteen een 'hm hm' terug.

Rudi Lavreysen
15 0

De gestoten teen

Het plan was om met zijn allen te voet naar de stembus te gaan. Ware het niet dat ik zondagochtend bij het opstaan, de bril stond nog niet op mijn neus, mijn grote rechterteen had gestoten aan de badkamerdeur. Die teen kreeg meteen enkele kleuren. Eerst rood, dan geel en tenslotte blauw. Het leek wel een voorspelling van de verkiezingsuitslag te worden, al bleek dat achteraf niet te kloppen. Dan maar met de fiets, terwijl de rest van de familie het met de voeten deed. Een vriend had ons onderweg gewaarschuwd voor een lange wachtrij. Bij ons leek het mee te vallen. Op het eerste zicht, want ik had me vergist tussen bureau 38, waar het niet druk was, en bureau 39, waar een ontzettend lange rij stond. Het leek wel op etenstijd aanschuiven bij de frietkraam op Rock Werchter. We waren bijna halfweg de rij (ik kon de friet al ruiken) toen ik een vage kennis de speelplaats zag oplopen. Ik zag meteen dat hij ‘de truck van het omzeilen van een wachtrij zodat het niet op voorkruipen lijkt’ meende toe te passen. U kent het wellicht. Ergens een babbeltje slaan, daar zolang blijven staan zodat de andere mensen na een tijdje niet meer weten dat je er eerst niet stond. Maar hij zag meteen dat we die truck allemaal kenden, waarna hij braaf achteraan in de rij aansloot. Eindelijk kwamen we binnen. Aan de overzijde bij het andere kiesbureau zagen we iemand met een step binnenkomen. “Je had de fiets nog mee binnen kunnen nemen”, zei onze oudste. En lachen natuurlijk. Afijn, ondanks de gestoten teen werd het alsnog een aardig uitstapje. Het verliep in een allerbeste stemming. Ik heb die dag niet meer gekeken naar de kleuren van mijn grote rechterteen. Twee dagen later waren ze weg.

Rudi Lavreysen
10 0

HOE ZELFS LINKS MIJ DISKRIMINEERT ALS HOMO

Toen ik op veertienjarige leeftijd verplicht werd op de fabriek te gaan werken had de maatschappij al een kiem gelegd van ontevredenheid. De ongelijkheid was mij al duidelijk geïllustreerd tijdens mijn schoolperiode: er werd geen enkele speciale moeite gedaan om mijn interesse te wekken voor de leerstof. Ik werd enkel, met veel straffen, uit een analfabetisme gehaald, niet meer of minder. Want de traditie eiste, dat de mensen die in mijn arbeidersbuurt woonden, op veertienjarige leeftijd gingen werken. De nonnen trachten er dan ook geen intellectuelen van te maken. Tot grote spijt van mijn omgeving, vond men mij terug in de politieke middens van mijn stad. Mijn interesse was gewekt door een lieve jongen uit dat milieu, waarop ik onbewust verliefd geworden was. Ik vond er mijn eerste verwoording (ik meen begrip) voor mijn onderdrukte positie als arbeider. In die omgeving was iemand die mij,als enige arbeider, interessant genoeg vond om deel te nemen aan de Derde Wereld-beweging (die later Amada werd en nu PvdA), die toen actief was. Nadat ik enkele vergaderingen had meegemaakt, werd ik voor de eerste maal geconfronteerd met het volstrekt onbegrijpelijke taalgebruik dat ze ten opzichte van mij als arbeider gebruikten (het was de eerste maar niet de laatste maal), en ook met de afstandelijkheid op emotioneel gebied. Alles mocht als men maar de taal van Marx sprak. Doch dat belette niet dat ik bewuster werd van mijn positie als arbeider. De kiem kreeg wortels. Doch de spanning veroorzaakt door mijn marginalisering als arbeider tussen intellectuelen, en de inconsequente houding in het dagelijkse leven maakte dat ik me daar niet meer thuis voelde, en de weg opging naar het apolitieke milieu. Op negentienjarige leeftijd verhuisde ik naar Gent (later Leuven, Brussel, en nu Antwerpen) en men vond mij terug in tal van groepen die met elkaar gemeen hadden dat men zocht naar een nieuwe maatschappijvorm. Het was echter duidelijk dat mijn bewustzijn als arbeider en mijn bewustzijn als homo niet gelijk evolueerden. Als kind had ik uitgebreide sexspelletjes met mijn vriendjes (die nu opeens hetero's schijnen te zijn), zodat ik volop mijn homo-erotiek kon uitleven: maar ik kreeg in mijn jeugdige situatie ook de indruk (over sexbeleven werd niet gepraat, het werd belachelijk gemaakt) dat alle mensen, ook in andere milieus, homo-erotische gevoelens hadden en die op een of andere manier naar buiten brachten, het fijn vonden, maar belet werden om die openlijk te beleven. Toen ik ongeveer twaalf jaar was had de gevestigde macht onder de vorm van de kerk en mijn opvoeding een zodanige invloed op mij, en werkte zodanig aan mijn schuldgevoel dat ik werd gedwongen slecht te vinden wat ik fijn vond. Daardoor briefde ik in de biechtstoel mijn sexspelletjes over met een jongetje waar ik ontzettend veel van hield, en die mij dat prachtige gevoel van spanning gaf. De pater bedacht mij niet met een bedevaart naar het G.O.C., maar met een bidprogramma van een week. Hij verbood mij nog zo'n dingetjes te doen. Ik moest hetero worden. Ook de linkse beweging waar fallokratisch gedoe als een normaliteit werd gehanteerd sterkte mij in het idee van de hetero-van-zelfsprekend heid. Dus klasseerde ik mezelf als hetero. Dus werd ik hetero. Op twintigjarige leeftijd kon ik dat niet meer aan. Ik voelde me genoodzaakt (verplicht)de bars in Brussel te gaan bezoeken. In mijn dagelijks leven werd ik hetero en 's avonds homo. Mijn verhuis naar Leuven, mijn werking in de werkgroep Marginaliteit en mijn verblijf in de "Pimpel" zijn erg belangrijk geweest voor mijn evolutie als homo. Daar kon ik voor de eerste maal mijn homo-zijn verwoorden. Daar buiten echter ging mijn schizofreen leven verder. Op een dag, in de enige bar die Leuven rijk was, ontmoete ik een lieve jongen die in de Leuvense Studentenwerkgroep homofilie (LSWH) bleek te werken. Als goed militant sleurde hij me mee naar een van hun vergaderingen. Ik wist maar heel vaag van hun bestaan, daar hun werking toegesplitst was op studentenbevolking. De rest van de onderdrukte homo's die geen bindingen hadden met de universiteit, konden het bestaan ervan rieken. Alleen voor de toekomstige dokters en intellectuelen werd de loper van de hulpverlening gelegd. Maar ja, eens erin werd je wel getolereerd. En toen ik hoorde wat ze allemaal deden, opvang, wekelijkse vergaderingen, gespreksgroepen, dacht ik dat mijn leven ging veranderen. Niet meer die ellendige bars, die constante uitbuiting van onze gevoelens, het ellendige gevoel naar de hoeren te moeten lopen als je behoefte hebt aan affectie. Weg ermee: leven. De LSVH betekende voor mij een lichtpunt. Daar dacht ik mensen te vinden die net als ik naar buiten wilden komen. Ons homo-zijn niet meer verbergen. Ik hoopte bij hen de sterkte te vinden om op straat te kussen, gearmd te lopen, mijn homoseksualiteit te tonen. Ik dacht binnenkort geen problemen meer zou zijn. Ik hoopte op mensen die achter mij zouden staan om mij te leren in verzet te komen tegen die constante vernedering te worden beloerd, bespot, uitgescholden.Maar de droom was kort. De teleurstelling pijnlijk. Er werd zoiets gezegd als "dat we de mensen niet moesten shockeren, want we moesten die hetero's de tijd gunnen en vragen ons te tolereren".En hoe die het dan moesten leren met ons te leven, bleek uit de vele gespreken over "hoe leg ik het aan boord gelukkig te leven in deze heteromaatschappij", wat zoveel betekent als "hoe leer ik mijn homogevoelens onderdrukken voor de hetero's". De heteronormaliteit werd nooit in vraag gesteld, alleen wij homo's werden constant betwijfeld. Geen dromen meer over het naar-buiten-komen. Ons bed, onze kamer, de bars, de werkgroep: afgebakende plaatsen waar ik mijn homo-zijn mocht beleven, daarbuiten was op eigen risico. Daarbuiten was er niemand die mij hielp. De maatschappij werd niet in vraag gesteld, hooguit soms gecorrigeerd. Na een aantal vergaderingen vervloog de droom en zat ik terug in de bar. Daar kon ik vinden waar het mij om ging: mannen. Door de hele dag mijn homogevoelens te verdringen, zat ik zodanig in de knoei dat ik nog maar één idee had: de bar in en een lekkere man opscharrelen. Wie of wat hij was had geen belang. Dat kon ook niet, want meestal was de sfeer zo vervreemdend en de decibels zo luid dat zelfs denken onmogelijk was.'s Morgens werd de man na een tas koffie gewoon op straat gedropt. En zo ging het verder tot ik op een dag op een van die "intieme homofuifjes" een vriendje opscharrelde die bij de ROOIE VLINDER bleek te zijn en die zei dat ze de volgende dag samen zouden opstappen in de 1-mei-betoging. Dus 's anderendaags ik mee op straat, wat meteen ook mijn aansluiting werd bij de ROOIE VLINDER; de vergaderingen waren leuk. Er werd gelachen en gepraat en vooral: er werd iets ondernomen tegen mijn,onze onderdrukking. Hier mocht ik zeggen dat niet ik alleen het was die mijzelf niet aanvaardde, maar dat de maatschappij me daar geen mogelijkheid toe gaf. Na de vergadering werd er meestal een pint gedronken in een'gewone'kroeg en die hetero's waar het eerst wat aan wennen was, vielen ook mee, kwamen ons ook kusjes geven (niet altijd met evenveel overtuiging, maar ja, beter iets dan niets). Daar heb ik terug de draad opgenomen van mijn verzet tegen het conservatisme. Ik wist dat ik niet meer alleen stond. We beseften dat we elkaar nodig hadden als steun in de dagelijkse realiteit. En het werd mooi flikker te zijn. Mijn schuldgevoel maakte plaats voor een zelfbewuster houding (die me nu soms verweten wordt). Gedaan met het steeds maar rekening houden met hetero's: van nu af moesten zij ook rekening houden met ons. Janet zijn is mooi, en zou steeds mooier worden. De vakantie stond voor de deur, ik naar Zuid- Frankrijk naar een alternatief Janetten-kamp. Daar veertien dagen samen met homo's uit heel Europa, ondervonden we die solidariteit, die alleen onder verdrukten mogelijk is. Ook het feit dat mensen mij mooi, lief en erotisch vonden bevrijdde mij van tal van complexen opgedaan in het heterogetto. En weer kwam ik sterker terug. En na een jaar ROOIE VLINDER heeft de boom bladeren gekregen. Hij is nu sterk genoeg om in het verzet te blijven. De bloemen zullen echter alle vruchten krijgen als de solidariteit van de progressieve beweging groot genoeg is en steunt op het consequent in-vraag-stellen in de dagelijkse praktijk van het eigen fallokratisch gedrag. De fallocratie is een dynamiek van de conservatieve beweging en de oorzaak van de onderdrukking van zowel vrouw als man. Er resteert geen andere keuze dan de consequente afbraak van die dynamiek. Iedere stap in die richting maakt mijn homoseksualiteit mooier, vrijer. Deze tekst verscheen in de rooie vlinder krant 1978 FOTO gallery VERF ED https://www.2dehands.be/q/verf+ed+/

verf ed
8 0

Traag is tragisch mooi

Het zal wellicht geen toeval zijn, maar ik heb een zwak voor slome dieren. Ze hebben een air van goedaardigheid. Een luiaard bijvoorbeeld lijkt onophoudelijk te glimlachen terwijl hij uit zelfbehoud meestal ergens onopvallend in een boom hangt te hangen. Op de grond is hij kwetsbaar, want zijn topsnelheid bedraagt amper 2,5 meter per minuut. Over een afstand van een kilometer doet hij meer dan 6,5 uur. Lijkt wel mijn moeder vroeger in het Wijnegem Shopping Center tijdens de zomersolden. Ook koala’s zijn snoezig en rustgevend. Ze slapen 20 uur per dag en bewegen langzaam om energie te sparen. ‘t Is een excuus dat ik bij mijn vrouw ook weleens gebruik bij vervelende werkzaamheden. Veel begrip leverde dat vooralsnog niet op, integendeel. Koala’s komen ermee weg omdat ze er schattig uitzien. Zij zullen bijvoorbeeld lang niet zo gauw een natte dweil in hun nek krijgen tijdens het gezamenlijk poetsen. Voor schildpadden heb ik het minder. Als reptiel zijn ze weliswaar sympathieker dan de meeste slangen en hagedissen, maar ze kunnen desondanks onverwacht en ploertig uit de hoek komen. Sommige exemplaren zijn verbazingwekkend snel, ondanks hun reputatie van laksheid. Ooit heeft zo’n Duitse helm zelfs op Blitzkrieg-achtige wijze pijnlijk in mijn wijsvinger gehapt. Ik mijd ze. Ten slotte zijn er nog de momenteel alomtegenwoordige slakken. Wereldwijd zouden er ongeveer 70.000 soorten beschreven en benoemd zijn. De meeste tuinliefhebbers haten ze, omdat ze ware verwoestingen kunnen aanrichten bij sla-achtige planten en rozen. Zelf vind ik het boeiende beestjes. Ik kijk trouwens ook weleens graag naar jonge, frisse groene blaadjes, dat geef ik grif toe. Daarenboven zijn ze, net als ondergetekende, dol op bier. Vul ‘s avonds eens een paar kommetjes of bakjes met gerstenat en graaf ze in op enkele plekken in je tuin. De volgende ochtend zullen de bakjes vol zitten met slakken. Ze zouden er zich in verdrinken, zo graag lusten deze weekdieren dagschotels. Bij mij gaat het nog net niet zo ver, maar als je me op een zwoele zomeravond in je tuin uitnodigt en je brengt me regelmatig bier, dan is de kans groot dat ik het ook tot ‘s ochtends volhoud.  Naast de bekende huisjesslakken zijn er natuurlijk ook de exhibitionistische, dakloze naaktslakken. Grosso modo is dat het enige onderscheid dat ik maak. Een eigen huis, een plek onder de zon, en altijd iemand in de buurt die van je houden kon. Alles kan een slak gelukkig maken. Toch lijken ze bijzonder gefocust op bier en seks. Niet alleen de naakte. Van ver voel ik een verwantschapje.  Slakken hebben echter zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen. Er bestaan soorten die zichzelf kunnen bevruchten, maar eigenlijk hebben ze veel liever seks. Ze zullen er zeker de tijd voor nemen, hen kennende. De paring is dan in elk geval wederzijds en beide bedpartners worden bevrucht.  Waar ik ze precies moet plaatsen binnen het LGBTQIA+ gebeuren is me niet geheel duidelijk. Non-binair? Genderqueer? Hermafrodiet? Ik opteer voor ‘genderfluïde’, vanwege het slijm dat ze afscheiden om zich makkelijker voort te bewegen. Mits wat oefening op choreografie en een minimum aan stemtraining zie ik er volgend jaar eentje het Eurovisie Songfestival winnen.        

Danny Vandenberk
0 0

DE POLL (ODE AAN)

Procentueel gezien heeft een kleine twintig procent van de Belgische bevolking last van pollen. Jeuk aan de ogen, een loopneus of zelfs hoofdpijn. Naast berkenpollen of graspollen die rond deze tijd voor veel hinder kunnen zorgen, krijgen alle medewerkers van het Stedelijk Onderwijs, althans de leerkrachten, sinds dit schooljaar ook andere pollen voorgeschoteld, namelijk vragenlijsten waarin ze tweewekelijks de kans hebben om hun mening te geven over een bepaald thema dat hen aangaat of zou moeten aangaan. Dat kan gaan over het gebruik van de smartphone in de klas of hoe tevreden ze zijn over de infrastructuur. Onlangs mochten we onze voorkeur nog kenbaar maken over het wellicht heetste hangijzer in het Vlaamse onderwijs vandaag: het al dan niet inkorten van de zomervakantie. De resultaten waren, hoe zeg je dat, niet significant? Net 51 procent, waaronder ondergetekende, zou een kortere zomerperiode prefereren boven de huidige situatie. De resultaten zijn dus een goede reflectie van hoe verdeeld de Vlaamse leerkrachten zijn wat betreft hun heilig zomerverlof. Die Poll is voorts een erg nuttig ding. Het is in vele opzichten het tegenovergestelde van het onderwijs: praktisch, efficiënt en glashelder. Je krijgt een vraag, klikt een van de mogelijke antwoorden aan en bam, meteen zie je de resultaten verschijnen. Allemaal niet zo noemenswaardig, maar ik wil het graag hebben over de zestiende poll in de reeks, die me vooral met vragen achterlaat. Ik ben sindsdien benieuwd naar de mysterieuze figuur achter deze poll, die ik volgaarne Pol (of Paul) noem en dus tot een man bombardeer (excuses mocht het alsnog om een vrouw gaan). Het is ook niet helemaal lukraak gekozen, daar deze polls als afzender ‘De Poll’ hebben en worden verzonden naar, u raadt het, ‘De Poll’. De manier waarop de ondertussen voorlaatste poll schijnbaar onbeschroomd tussen alle andere polls is verschenen, alsof het een grap betrof, stemde mijn gemoed vrolijk, meer nog omdat ik wist dat het aan de meeste collega’s voorbij zou gaan. Deze poll peilde naar onze wil om de poll in te vullen. Zo’n kafkaiaanse toestanden worden op zich al door mij gesmaakt, maar het neusje van de zalm vond ik in de antwoordopties. Naast enkele voor de hand liggende antwoorden zoals ‘de antwoorden van mijn collega’s zien, ‘mijn steentje bijdragen’ stond er als laatste keuzemogelijkheid: ‘ik vul het niet in’. Kijk, van zulke zaken word ik dan even erg gelukkig. Dan denk ik, we mogen onze pollen kussen dat er nog van die geniale grappenmakers te vinden zijn in het team Communicatie.

Lennart Vanstaen
0 0

Mijmerweer

Het is magertjes gesteld met de beleving voor het Europees Kampioenschap voetbal, lees ik in de krant. Dat is buiten ons gerekend. De tricolore vlaggen liggen klaar. Tijdens delaatste huishoudelijke vergadering (er waren geen verontschuldigen) werd de datumgoedgekeurd waarop we ze tijdens een plechtig moment ophangen. Wachtend op de start van het EK bereiden we ons op een woensdag al een beetje voor meteen Europese wedstrijd op tv. We zitten klaar in onze korte broek (nog een ritueel) en kijkennaar het journaal tot de match begint. Terwijl het op tv over de onveiligheid van onze hoofdstad gaat, horen we buiten een schot.Geen schot op goal, maar een geweerschot. Ik stap met onze oudste naar de openstaandeterrasramen en we speuren de omgeving af. Ik ruik nog even alsof ik de kruiddampenprobeer te ontdekken, maar er valt niks te zien of te ruiken. Enkel de geur van de frituurhonderd meter verder. Het was wellicht een bommetje van een jonge snaak. Mijn vrouw vraagt of we zin hebben in een 'rotske'. Het zijn chocolaatjes die op een rots lijken. We kopen ze op de woensdagmarkt. Geen idee wat de officiële naam is. "Of een frisco?", vraagt onze oudste. Een merknaam die later uitgegroeide tot een productnaam.Zoals kodak, matchbox of frisbee. Het ijsje werd in 1935 uitgevonden in Turijn, maar in Brussel was later een bedrijf met denaam Frisco, zo zegt mijn telefoon. Later werd het opgekocht door Arctic. Het allereersteijsje dat omhuld werd door echte chocolade - de Magnum - is een Belgische uitvinding uitde jaren ’80. De match gaat beginnen. Het begint opnieuw te regenen buiten. Ideaal mijmerweer, als uhet mij vraagt. Maar binnenkort mag de zon toch gaan schijnen. Zodat we buiten kunnenals we Europees kampioen worden.

Rudi Lavreysen
0 0

Opnieuw treinperikelen

Na een verkwikkende dag in de stad van Rubens en Jordaens lazen we een minder verkwikkend bericht op het stationsbord met de vertrektijden. “Deze trein rijdt niet”, gevolgd door “Vertrekt wel vanuit Berchem”. We hadden die dag twee stadsfietsen gereserveerd en we hadden nog twintig minuten tijd, dus ik stelde voor om met de stadsfiets naar Berchem te rijden. Mijn telefoon leerde me dat het negen minuten zou duren. Mensen die ons zagen moeten zeker gedacht hebben: “Die twee proberen het werelduurrecord fietsen met de stadsfiets te breken.” We vlogen langs het spoor. Waar de Belgiëlei op de Mercatorstraat uitkomt meende ik even te stoppen, want daar staat het herdenkingsmonument voor de gedeporteerde Joodse bevolking tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ik ben immers van mening dat je bij dergelijke monumenten altijd even moet blijven stilstaan, hoe vaak je er ook voorbijkomt. Maar nu hadden we echt geen tijd. Omdat we ook geen tijd hadden om over te steken moesten we een stukje tegen de rijrichting fietsen, wat tot boosheid leidde van een speedpedelecer die uit de andere richting kwam. Ik riep sorry, maar hij was al aan het centraal station. Die dingen gaan snel. Bij het station van Berchem aangekomen moesten we onze tweewielers parkeren en dat Velo station staat redelijk ver van de ingang. Daar vroeg een maatschappijbewuste jongeman of we een minuutje tijd hadden voor enkele vragen, maar hij zag meteen dat we gehaast waren. Op spoor 1 stond de trein ons op te wachten. Net als de conducteur. Hij zei meteen, alsof hij wist wat we gingen vragen: “Jawel. Lier, Herentals, Mol, Lommel enzovoort. Dit is hem.” Ik meende nog te vragen waarom de trein niet tot in Antwerpen Centraal reed, maar ik besloot het zo te laten. Je moet ook niet alles willen weten in het leven.

Rudi Lavreysen
12 0
Tip

We need to talk about bindingsangst

Relatie-experte Rika Ponnet vertelde op de radio dat een vrouw soms voor een bindingsangstige man valt omdat ze vroeger hard moest werken voor de liefde van haar ouders. Ze moest hoge punten halen en de afwas doen, en dat wil ze nu voor die kerel ook. Dat hij haar niet wil, trekt haar onbewust aan. Hoewel het een logische verklaring lijkt, helder als water, knaagt het. Omdat zoveel teleurgestelde vriend(inn)en vertellen dat hun relatie, of poging tot, afsprong. Het passe-partoutwoord: bindingsangst. Soms benoemt de relatiemijder dat zelf zo, soms diagnosticeert de afgewezen partij het als een soort stoornis bij de verloren geliefde. Misschien stoort de verklaring van Ponnet me omdat ze de verantwoordelijkheid alweer bij de vrouw legt, die sinds mensenheugnis te horen krijgt dat ze te snel met een man naar bed gaat, dat ze beter moet selecteren en het uitverkoren exemplaar vervolgens moet laten jagen. Het is ingewikkelder dan voetbaltactiek of het ontmaskeren van de Mol. Goed voor avonden analyses. En ook niet erg eervol voor de man, die als een willoze zombie verstrikt raakt in de strategie van de vrouw. Vandaar misschien zijn bindingsangst. Toen ik een keer aan een vriend, geen amoureuze, vroeg waarom hij bindingsangst had, zei hij: ‘dat idee dat ik elke dag om half zeven thuis moet zijn voor het avondeten. Vreselijk.’ Ik zag generaties mannen voor me uit lang vervlogen tijden. Ze werkten uren in hun volkstuin of zaten op café om te ontsnappen aan de praatjes van hun vrouw. Zij kenden het toverwoord bindingsangst nog niet. Of bindingsonwil, zoals mijn vriend het noemt. Pleasen, te veel aan verwachtingen willen voldoen, daaronder lijden, en vervolgens alle lijnen doorknippen om net als vroeger in de wasbak te pissen en met je kleren aan te slapen. Ik begrijp dat ergens wel. Maar wat dan nog als je een avond om acht uur thuis komt en je maaltijd opwarmt? Zit je partner eigenlijk wel op jou te wachten? Was die niet gaan padellen of naar een lezing over het existentialisme in Duitsland? Ik bedoel, met wat ‘subtle art of not giving a fuck’, lukt het misschien wel om je leven te delen. Een andere vorm van bindingsangst komt aan bod in een hilarische uitzending van de podcast Boeken FM over ‘fuckboys’ in de literatuur. Over de mister Darcy’s of graaf Vronski’s, die een vrouw de indruk geven in haar geïnteresseerd te zijn, maar enkel op iets fysieks uit zijn of haar snel beu raken. Auteurs Marja Pruis en Joost Devries gaan helemaal op in een discussie over Anna Karenina: liet ze zich verleiden door graaf Vronski door op elk feest te verschijnen waar hij ook zou zijn? Pruis detecteert een soort sadomasochisme bij Karenina. Klinkt als een literaire Dag Allemaal, maar de discussie legt een onderliggend dilemma bloot: ben je, zoals de relatie-experte aanhaalde, zelf verantwoordelijk voor het gedrag van de ander, en is je leven dus maakbaar als je van strategie verandert? Of ben je overgeleverd aan de grillen van de ander? En moeten we dan niet een heel klein beetje kwaad zijn op mensen die steeds hetzelfde patroon herhalen ten koste van de andere? Kunnen we dat in tijden van seksuele vrijheid aankaarten, of zijn we dan niet ‘openminded’ genoeg? Op een feestje wisselden vriendinnen uit van welke profielen op datingsites je fuckboygedrag mag verwachten. Waarschijnlijk schieten ook die 2 interpretaties te kort om de vele motieven achter bindingsangst te duiden. Het is therapiespeech geworden, net als ‘mijn man is een beetje autistisch’ en ‘mijn vrouw randje borderline’. Misschien was je geliefde niet overtuigd of verliefd genoeg. Misschien gaan sommige bindingsangstigen gebukt onder een slechte jeugd, een nare scheiding of een seksverslaving. Een tv-programma met 30 bindingsangstigen in plaats van 30 maagden, ik kijk ernaar uit.

Pons
177 3