Zoeken

Thuiswerkpa

"Ze vinden toch wat uit hè", zeg ik aan tafel waar ik de krant lees. Ik kijk boven mijn leesbril de huiskamer in. Mijn huisgenoten zwijgen als vermoord. Geen wedervraag. Geen 'wat vinden ze dan uit?'. Ze turen elk naar hun scherm. De aantrekkingskracht van de tv en de smartphone is zo sterk als de magneet die tegen de ijskast allerlei papiertjes verzamelt. "Thuiswerkmoe. Dat is een titel in de krant. Over een moe die thuis werkt wellicht. Dan ben ik soms een thuiswerkpa." Als ik alleen thuis ben, werk ik in de eetkamer. Anders trek ik naar boven, naar het torentje. Driehoog. Daar zie ik door het dakraam bijna het gebouw van mijn werkplek. Ik ga wel eens naar boven met mijn jas aan. Op mijn sokken. "Waar gaat gij naartoe met die jas?", vragen ze dan. "Naar het werk hè schat. Kus. Tot straks." De mopjes worden wellicht flauw van het lang binnen zitten. Het is zoals soep die je te lang laat koken, dan gaat de smaak van de verse groenten weg. Onze pa was geen thuiswerkpa. Zijn laatste job was die van portier in de fabriek. Dat kon hij thuis niet uitoefenen. Al bracht hij zoals iedereen zijn werk af en toe mee naar huis. Zo beantwoordde hij thuis de rinkelende telefoon ooit met 'hallo portier'. De mensen aan de andere kant van de lijn wisten het, dat hij zich soms vergiste. Er werd nog niet zo veel gebeld in die dagen. Al vanaf de eerste zinnen in het artikel over de thuiswerkmoe blijkt dat ik de titel verkeerd geïnterpreteerd heb. Het gaat over mensen die het thuiswerken moe zijn. Die de babbels bij het koffieapparaat missen. Die de gesprekken over voetbalwedstrijden missen. Mensen die thuis een jas aantrekken als ze de trap naar hun bureau opgaan.  

Rudi Lavreysen
3 0

Het vitale falen

In de eerste plaats ben ik lezer. Hoe graag ik ook het imago van schrijver zou willen hebben, ik heb geen flauw benul hoe ik een boek zou moeten schrijven, laat staan dat ik weet welk boek. Dat is niet alleen een kwestie van talent of inspiratie (of het gebrek daaraan) maar ook van energie. Als ik al eens iets uit mijn hersenen wring zoals oud afwaswater uit een schotelvod, koester ik die rauwe braakballen. Schrijfdocenten hebben naar ’t schijnt een hekel aan pupillen die hun prematuurtjes als veel meer zien dan therapie. Maar is dat juist niet wat schrijven is? Een zalven, een troosten, een aanklacht, een onwetendheid oplossen? Maar dan voor de lezer in plaats van de schrijver? Ik zou eerlijk gezegd niet weten wat ik u te bieden heb. Wat ik te vertellen heb, is al door grotere geesten geschreven, ik ben amper een flauw afkooksel. Dat is wellicht ook het succes van de heilige boeken. Wat kan je daar nog aan toevoegen? Hebben die op moreel vlak niet alles gezegd wat er gezegd moet worden? ‘Gij zult niet doden.’ Een wijsheid van millenia waar de mens nog steeds niet klaar mee is.   Het woord meta is hier wellicht op zijn plaats. De mens kan overstijgen, spiegelen. We schrijven boeken, maar we schrijven ook boeken over boeken schrijven. We denken na, maar we denken ook na over nadenken. Deze meester-procrastineerder is daar een voorbeeld van. In plaats van gewoon te schrijven, vergaloppeer ik mij meestal in dwangmatig piekeren, als een hamster in een rad. En blijft het wit maagdelijk wit. Meta kan dan ook verraderlijk zijn. Idealiter is al mijn schrijven vitalistisch: een literaire stroming die geassocieerd wordt met Hemingway en Houtekiet. Ze gaat over een volmondig ja zeggen tegen het leven. A lust for life, joie de vivre. De boeken die vitalisten meenemen naar een onbewoond eiland zijn boeken over ‘hoe een boot te bouwen’. Voor een stuk is de film Dead Poets Society vitalistisch. Carpe Diem zegt Robin Williams tegen zijn studenten. De film is eigenlijk een flauwe voetnoot uit de jaren ’90 (die reeds hardcore competitief waren) en een anti-intellectualisme tentoon wilde spreiden dat begin jaren ’70 reeds gestorven was samen met de flower power. Hemingway en Williams hebben beiden trouwens zelfmoord gepleegd, het anti-orgelpunt van wat het vitalisme zou behoren te zijn.   Andere literatuur die ik met plezier geconsumeerd heb omdat ze voor mij het leven groter maakte, is pervers genoeg Holocaustliteratuur. Maus van Art Spiegelman, de boeken van Primo Levi, ik heb hen cultureel toegeëigend. Het is niet zo ver gezocht dat deze boeken de ultieme avonturenromans zijn. Steven Spielberg is niet alleen de regisseur van Indiana Jones en Jaws, maar ook van Schindler’s List. Voor een deel is hij zelf schuldig aan een wellicht ongewilde bagatellisering van de oorlog. Maar dit trauma kan alle richtingen uitgaan in een zoektocht naar verlossing. Kunst en entertainment als therapie. Maar pervers blijft het, of toch op zijn minst bizar dat je kan genieten van miserie. Dit is ook weer meta. Zo is die andere Holocaustparel Son of Saul een cinematografisch meesterwerk hoe tragisch het verhaal zelf is. Genieten en walgen tegelijkertijd, wij, mensen, kunnen dan. Maar leren we er ook wat van?   Jef Geeraerts was voor mij een ontdekking na het college. Uiteraard stond zijn Black Venus niet op de verplichte leeslijstjes van een conservatief jezuïtencollege. En ook is Geeraerts ondertussen persona non grata door zijn koloniale gedachtengang. Zonder schroom vertelt hij dat hij de plaatselijke Congolese bevolking er met de chicotte van langs gaf. En zijn veelwijverij met zwarte meisjes en vrouwen is pure machtsmisbruik van zijn blank of wit privilege en had vooral heel veel met seks en weinig met liefde te maken. En toch, er is ook een liefdesverklaring aan het land Congo, aan de mensen en hun manieren van leven. Alleen is die weeral die van de ‘noble savage’. Vitalisme en romantiek gaan zo hand in hand. Vitalisme is zo quasi een contradictio in terminis: hoe kan je schrijven als je primitief wil zijn?   Een ander staaltje van culturele toeëigening is het boek De Zoon van Philipp Meyer. Ik vond het een meesterwerk al is het puur literair totaal niet vernieuwend. Het is een hagiografie van Texas en behandelt de conflicten tussen de Comanches, Mexicanen en witte kolonisten. Het is geschreven door een witte Amerikaan die zich weliswaar verdiept heeft in zijn onderwerp maar ik vraag me toch af wat de Comanches er zelf van vinden. Ze worden geweldig geportretteerd, als linke, bloeddorstige krijgers met een verlangen naar een authentiek wild leven. Ze kidnappen kinderen van witte Amerikanen en Mexicanen die ze roede laten lopen. De sterksten nemen ze op in hun stam om hun bloedlijn gezond te houden en inteelt te vermijden. Het voormalige Comanche stamhoofd Quanah Parker had een Duitse moeder. Ik ben de laatste om iets tegen maatschappijkritiek te hebben maar dit boek deed me de beschaving zo haten dat ik wou dat ik zelf een Indiaan was.   Een ander vitalistisch boek is non-fictie: Primitieve Dagen van William Finnegan, een surf auto-biografie van weer een witte Amerikaan. Toen deze, tja, sport is niet het juiste woord, way of life nog relatief inheems was voor Hawaii, was Finnegan een pionier in de jaren zestig, om wereldwijd spots te ontginnen. Zijn avonturen brengen ons van Hawaii naar Californië, van Madeira naar de idyllische eilanden van de Stille Zuidzee. Dit boek maakt je hemeltergend jaloers, als je leeft in een land waar veldrijden het summum van sexy sporten is. Dit lage, bange, platte land van boeren en kerktorens en xenofobie, maar wel de grote Jan uithangen in Congo … Dit vitalistische boek wil je niet lezen, je wilt het zelf beleven. Dus wederom, wat is eigenlijk de zin van vitalistisch schrijven, als je vitalistisch wil leven?   Het laatste vitale geschrift, want ik kan zo nog wel even doorgaan, dat ik wil aanraken is een boek van Jonathan Raban: een zeilreis in Alaska. De schrijver beschrijft zijn reis die hij maakt langs de westkust van Noord-Amerika ter hoogte van Alaska, en betrekt hierin de Inuit-cultuur, je weet wel, zij die smalend eskimos genoemd worden. Het zijn de oorspronkelijke bewoners van Groenland en het hoge noorden in Amerika. Ze leefden in een woestenij van sneeuw, ijs en immense vriestemperaturen van wat de natuur hen te bieden had. Ze waren meesterjagers op walvissen, robben, narwals, walrussen, ijsberen, en andere dikhuidigen. Geen idee of ze naast al die vis en dat vlees in hun dieet ruimte hadden voor groenten, fruit, graan. Maar dat het taaie klootzakken zijn, staat als een paal boven water. Hun kunst en cultuur kent het motief van de enkele golf. Dat was ook de essentie van hun bestaan: in hun kayaks op het water, was het kunnen lezen van het water van primair levensbelang. Het is dan ook pijnlijk te vernemen dat naarmate hun manier van leven in het gedrang kwam door de modernisering en de buitenlandse vissers, ook bij hen de suïcide-cijfers abnormaal toenamen tot epidemische hoeveelheden. Zelf-destructie of destructie in de vorm van guerrilla en/of terreur is dan klaarblijkelijk de terechte culminatie van de gekoloniseerde rancune.   Het cynische is dat wij vitalisten jaloers zijn op zij die werkelijk lijken te leven. Door comfort te winnen (what else?) hebben we ons ook losgekoppeld van een belangrijke levensader. Laten we het avontuur noemen. En we zoeken die: door te reizen naar Costa Rica of Bali, door yoga te doen of Afrikaanse dans, door te benji-springen en onszelf te tattoeëren. We maken ook gewoon kinderen met die Andere. Hun lach en no-nonsense zijn balsem voor onze ziel. Maar wie zijn ze werkelijk? Moeten we hen redden van onze smartphones? Hun behoeden voor onze ivy league universiteiten? Hoe belachelijk het er ook mag uitzien, ik heb alle begrip voor de bleekscheet die zijn heil zoekt in een dansende Pinksterkerk. Of het meisje dat zich bekeert tot de Islam en een hoofddoek draagt omdat zij eigenlijk eindelijk meer bekeken wordt als een ziel dan als een lichaam. Het toont nog maar eens het immense falen van de katholieke kerk aan. Zij heeft zichzelf van alle levenslust beroofd. Laat ons hopen dat die cultus die we er voor in de plaats hebben gekregen, die van het geld, van de vele nutteloze en overbodige dingen, dat ééndimensionale surrogaatgeluk snel als sneeuw voor de zon verdwijnt. Zoniet blijft die neurotische tweespalt tussen vitalisme en een werkelijk vitaal leven bestaan.   De honderdjarige tulpenboom in het park is van groter belang dan de snertauto waarmee je stilstaat op de macadam. Waarom kan ik niet uitleggen, het is iets wild en een verlangen naar authenticiteit, en mijn vitale delen protesteren tegen zoveel kunstmatigheid. Ook al zal ik wellicht nooit de gal van een bizon over zijn vlees spuiten nadat ik hem zelf geschoten en gevild heb. Ik ben dan ook geen Comanche. Gelukkig maar, zij waren vijanden voor altijd, van iedereen. Al is dat ook wederom culturele toeëigening. Zelf noemen ze zich Numunuu, het volk. Comanche is een Spaanse verbastering van het Ute-woord Kohmahts (zij die tegen ons zijn). Ik ben vooralsnog tegen de beschaving juist omdat ik zo beschaafd ben. Comanche  

ovlijee
16 1

Voor iedere kwaal een remedie

Mensen kunnen de meest vreemde dingen mankeren. Kwalen waar je nog nooit van gehoord hebt maar die mensen ernstig beperken in hun bewegingsvrijheid of levensgeluk. Soms hoor ik verhalen die te bizar zijn voor woorden. Of eigenlijk, die te triest zijn voor woorden. Je hart breekt vooral bij het zien van kinderen die op speciale afdelingen van een ziekenhuis liggen. Beplakt met allerlei vreemde stickers en lekgeprikt om een heel leger van slangetjes te bevestigen. Het is niet eerlijk. Toch hoorde ik laatst over een aandoening die mij helemaal niet bekend was. De genezingstherapie voor deze kwaal, de zgn. conversietherapie, wordt strafbaar. Het artikel waarin dit werd genoemd, schreef “Nederland kent volgens onderzoek nu vijftien organisaties of personen die activiteiten organiseren (onder meer vakantiekampen, seminars en workshops) waarbij een niet-heteroseksuele gerichtheid wordt geproblematiseerd en waarbij wordt geprobeerd om deze te ‘verhelpen’. Het zou vooral gaan om clubs en mensen die verbonden zijn aan strengchristelijke stromingen.” Ik was met stomheid geslagen. We leven toch in 2021? Moeten in deze tijd mensen zich nu nog verdedigen omdat ze niet in het hokje van de kortzichtigen passen. Ik dacht dat we dat punt nu toch wel voorbij waren. Hetero, homo, bi, wat maakt het uit. Zolang je maar iemand hebt waarbij je je veilig voelt, waarbij je jezelf kunt zijn, waar je liefde vindt. En als je graag alleen blijft, omdat je liever snijbloemen hebt dan een vaste plant, dan is dat ook helemaal prima. Toch lijkt het me dat we de laatste jaren veel minder verdraagzaam zijn geworden. Minder ruimdenkend ook. Dingen waar je vroeger niet bij stil stond, zijn nu bijna strafbaar. Je durft andermans kind niet eens meer een aai over de bol te geven. Stel dat je aangeklaagd wordt. Terwijl je er helemaal niks mee bedoelt. Wel denk ik vaak, de mensen die je van dat soort dingen beschuldigen, moeten toch zelf wel een hele zieke geest hebben. Programma’s op televisie vallen bij het woord ‘borst’ al onder een strenge kijkwijzer. Waardoor het natuurlijk veel spannender wordt voor kinderen om stiekem te kijken. Tenslotte zijn dingen die niet mogen veel leuker. De vertrutting van onze maatschappij is toch wel iets dat me zorgen baart. Weet je, ik hoef niet topless op het strand, ik wil best rekening houden met het feit dat we niet meer zo vrijdenkend zijn. Maar ik vind het wel erg dat wij nog steeds roepen tolerant te zijn, maar het eigenlijk helemaal niet meer zijn.

Machteld
5 0

Sneeuw- en kappersknipperspret

Hoe blij en gelukkig was ik zondag? Ik keek doorheen mijn venster en zag  tot mijn grote kindervreugde al dat maagdelijk wit tot zover het oog reikte.  Eindelijk nog eens een echte winterdag met kou en een laagje sneeuw. De zon erbij maakte het tafereel compleet.  De natuur op zijn mooist. Terzelfder tijd hoorde ik mijn grootvader,  de superbompa voor mijn kinderen, zeggen: ‘Dat ze lang niet meer de winters maakten zoals ze vroeger waren, dat iedereen in 1958 genoot van de kermis op de Schelde.… Toen vroor het dat het kraakte.’  Mijn moeder vulde de anekdotes aan met haar vertelsels over de schaatsavonturen na haar schooltijd.  Natuurlijk herinnerde ik me tochten op de slee samen met mijn broer door het dorp. Een strak lang gespannen touw verwijderde ons van een open gapende koffer en de wolkende uitlaatgassen van een twee pk (Citroën 2CV) alsof het ons kon deren. Daarnaast kende ik de schamele winterverhalen van mijn kinderen. Moedig begonnen zij aan het wegrollen van het sneeuwtapijt. Ze plakten de sneeuw tot twee stevige bollen of een soort iglo. Tot het laatste restje sneeuw van hun kunstwerk het opgaf genoten zij nog van de sneeuwpret van  dagen ervoor.  Met dit alles in gedachten wilde ik mijn kinderen met de grootste zuigkracht van Antwerpen naar hier ‘de buiten’ trekken. Dit was de dag dat we ons kind zijn en alle pret konden herbeleven Dat ik, tussen hen beiden in, de sneeuw onder onze voeten hoorden kraken. Dat we rond de vuurkorf heerlijke warm appelsap van eigen kweek met gember en een stokje kaneel dronken. Dat we dit deelden met geliefden, vrienden en familie. Dat laatste was nu helemaal uit den boze. Nu konden ze wel voor gezelschap en geknipt haar deze zaterdag best meteen naar de kapper gaan… Wat hebben het weer en de coronamaatregelingen gemeen?Beide zijn ze veranderlijk.   Ann Stuckens12-02-2021

Ann Stuckens
4 0

ODE AAN HET LICHAAM

Een ode aan het lichaam. Aan de lijn die een streep werd, de huid die niet meer glad is, maar bedekt met striemen, het bekken dat nog altijd niet stabiel is. En vooral ook een ode aan de borsten.   BoobytimeDe borsten die voor de borstvoeding nog pront vooruit staken en nu enkele verdiepingen naar beneden zijn verhuisd. Zo kunnen ze nu kennis maken met mijn ellebogen en in bepaalde posities ook eens op de koffie gaan bij mijn navel. “Hallo sexy mama!” kan je denken. Mijn borsten zijn er alvast blij mee. Nu hebben ze eindelijk eens wat meer gesprekspartners. Ikzelf ben nog in dubio. Moet ik dit nieuwe lichaam accepteren zoals het is of ga ik er aan werken? Nu in het geval van mijn borsten moeten we spreken over aan laten werken, want ik weet niet of er sporten bestaan met een katrolfunctie.  Van lijnen naar strepenDie streep kan misschien wel weer een lijn worden. Zo toont Instagram me althans. #postpartumbody staat zo overwegend vol met moeders die hun figuur meer dan terug hebben. Het lijkt er bijna op alsof ze allemaal een kind adopteerden. Zo perfect ziet hun lichaam er alweer uit. Ik hoef er dan ook geen tekening bij te maken dat ik niet tot die soort behoor. ‘Perfect is not my kind of style’. Of zo wijst de realiteit opnieuw uit. Terwijl ik al huilend aan het emo-eten ben in de zetel en ondertussen door Instagram scroll besef ik dat deze houding niet instagramwaardig is. Ik moet mezelf zien te herpakken. Aanvaarding?Alleen: hoe doe ik dat? Hoe raakt iemand met een depressie uit de zetel? Ik ben zo moe dat het lijkt alsof er een tractor over me gereden is. Ook die sport met katrolfunctie ben ik niet tegengekomen, anders kon die me ineens uit de zetel hijsen. De zwaartekracht is een lastige tegenstander. Misschien moet ik iets anders proberen? Misschien moet ik proberen mijn situatie te aanvaarden.  GrootsMijn lichaam is veranderd. Dat zeker. Mijn lichaam heeft iets meegemaakt. Nog beter, mijn lichaam heeft iets groot gemaakt. Om precies te zijn een baby van vijftig cm. Waar voorheen enkel ingewanden zaten werd er plots ook nog een baby aan toegevoegd. Een grote surplus eigenlijk in het geheel van mijn lichaam. En mijn lichaam heeft niet enkel iets groot gemaakt. Mijn lichaam wist die baby ook nog eens de uitgang te wijzen. Jammer genoeg voor mij heeft die baby mijn oriëntatiegevoel geërfd waardoor het een zoektocht van twee dagen werd. Gelukkig vond hij uiteindelijk het licht aan het einde van de tunnel. En zodra die baby de uitgang vond waren er mijn borsten om dat hongerige mondje te voeden. Erg lang zijn ze niet in gebruik geweest, borstontstekingen zijn namelijk echt geen pretje. Toch hebben ze even kunnen doen waarvoor ze ontworpen zijn. En daarom, omdat ze kort en krachtig hun taak uitvoerden gingen ze dan maar op vakantie richting zuiden. Ik kan ze niet echt ongelijk geven. Ik trek ook graag richting zuiden. Dit alles doet me denken dat we als moeder misschien niet zo streng moeten zijn voor ons lichaam. Het heeft namelijk iets meegemaakt en mag daarom ook de tijd nemen om te herstellen. We hoeven niet allemaal na zes weken op een of andere catwalk paraderen. In de zetel hangen is ook dik ok. Of toch tot de zetel me niet meer hebben wil.

Nathalie B
3 1

De hond in de winterzon

"Je bent bijna zoals een hond", zegt mijn vrouw. "Die doet dat ook." Het klopt. Een hond schuift telkens mee op met de zon, als die haar stralen op een andere plek in huis richt. Zodat hij de warmte blijft voelen. Ook ik verleg me op de bank voor het raam tot ik het laatste stukje winterzon op mijn gezicht krijg. Om halftwee komt ze voor het eerst piepen in onze woonkamer. Als ze zin heeft natuurlijk. Een winterzon op zondag, dat is geld waard. Met een boek of de krant en de radio die op de achtergrond zachtjes speelt. De krant vertelt me dat er ook in ons land alsmaar meer voor- en tegenstanders zijn. Dat we de Nederlandse toer opgaan. Voor of tegen een vaccinatie. Voor of tegen de klimaatopwarming. Voor of tegen Zwarte Piet. Samenzweringstheorieën steken de kop op Leren ‘akkerderen’, zoals pa het vroeger al rijmend zei, is niet meer van deze wereld. De radio speelt een vrolijk lied. Al is het eigenlijk de tv die radio speelt, want de provider zendt het radiosignaal niet langer uit via de kabel. Kijk, daar ben ik wel tegen. Ik zou het oude radiotoestel van de zolder moeten halen, maar daar is niet iedereen in huis voorstander van. De zon richt ondertussen haar stralen op het schilderij dat onze jongste ooit creëerde in de tekenles. Het heeft een vaste plek in huis. Stel je een man voor in Picasso stijl, een geschilderd borstbeeld in diverse tinten grijs. In zijn grijnzende mond, aangekleed met een fraaie snor, zit een dikke sigaar waaruit grote rookwolken komen. Hij lijkt wel te zeggen dat we allemaal de sigaar zijn. Je kan daar tegen zijn, maar helemaal gelogen is het niet. Al ben ik voorlopig nog de hond op de bank in de winterzon.

Rudi Lavreysen
8 0

Soms heb je wat uit te leggen

Hij vindt het prachtig als het baasje op de grond komt zitten om met hem te stoeien. Dan doen ze net of ze elkaar achterna zitten. Het baasje houdt hem dan vast en hij probeert los te komen. Of het baasje probeert hem te vangen terwijl hij heel hard heen en weer loopt. Het vrouwtje moet er altijd om lachen. Ze waarschuwt soms wel als ze samen iets te fanatiek aan de gang zijn. Maar dan lacht het baasje en zegt dat dat toch juist leuk is. Hij zelf vindt het prima. Maar inderdaad, soms gaat het wel eens een beetje te hard. Laatst had het baasje hem in de houdgreep, hij wrong en draaide en kwam omhoog. Daarbij kwam hij met zijn hoofd tegen het oog van het baasje. Die had het eigenlijk niet zo gemerkt maar toen hij later met het vrouwtje koffie ging drinken vroeg zij geschrokken wat hij had gedaan. “Ik? Niks”, zei het baasje een beetje verbaasd. Hij kon natuurlijk zelf niet zien dat zijn oog helemaal blauw was geworden. Oeps. Het vrouwtje moest er toch heel hard om lachen. “Jij hebt wat uit te leggen, als je straks naar de huisarts en de tandarts moet.” Het baasje keek wel beteuterd. “Ik heb er echt helemaal niks van gemerkt.” Het oog van het baasje werd bijna paars, ze hadden toch hard gebotst. “Die hond heeft ook zo’n harde kop”, zei het vrouwtje, “hij heeft er zelf niks van gemerkt.” Nee, inderdaad, hij had echt niks gemerkt. Gelukkig was het baasje niet zo flauw en bleef hij toch gewoon met hem spelen. Een van zijn favoriete spelletjes blijft toch altijd gooien met de bal. Een tennisbal natuurlijk. Daar beet hij dan een gat in zodat het baasje de bal beter kon vasthouden. En dan speelden ze samen wie het eerste de bal losliet. Wel jammer dat de tegelvloer in huis zo glad is, als hij meer grip had, zou hij echt wel vaker winnen. Nu ook, het baasje dreigde toch echt te gaan winnen, hij pakte nog wat beter naar de bal. En toen trok het baasje zijn hand wel weg, hij had nl. ook in de vinger van het baasje gebeten. Hij schrok er heel erg van, het was echt niet expres. Het baasje bleef er erg nuchter onder. Hij pakte een stuk keukenrol om het bloeden te stoppen. Even later kwam het vrouwtje beneden. Oei, nu zou er wel wat zwaaien. Het vrouwtje had immers al gewaarschuwd. Ze keek van het baasje naar hem en weer terug. Eigenlijk keken ze allebei heel schuldbewust terug. “Sjongejonge”, zei ze, “ik hou geen maatje meer over op deze manier.” “Het is niet Stef zijn schuld”, zei het baasje, “we waren gewoon aan het spelen.” Het vrouwtje moest lachen. Pff gelukkig, ze was niet boos op hem. “Ik kan jullie ook geen moment alleen laten.” Nadat ze een pleister had gepakt ging ze koffie inschenken. Hij kreeg een snoepje. Hij keek even naar zijn bal. Hmm, toch maar even wachten. Het was nu wel even voldoende om aan de huisarts uit te moeten leggen.

Machteld
3 0

Om je kapot te schamen

nmiddels is er een week avondklok voorbij. Waarschijnlijk zullen veel mensen de start niet makkelijk vergeten. Rellen, vernielingen, aanvallen op de politie, taferelen waarvan de nuchtere Nederlander dacht dat ze alleen in het buitenland voor konden komen. Maar nee, ook in Nederland trok een groep de straat op om te laten weten dat zij het er niet mee eens waren. Waar mee? Geen idee, ze waren gewoon tegen. Winkeliers, die toch al geen fijne tijd hebben, kregen het nog zwaarder te verduren. Politie werd nog zwaarder belast. Terwijl die mensen ook alleen maar hun werk doen. Een station werd vernield. Waarom in vredesnaam? Wat heeft de NS of ProRail verkeerd gedaan? Hebben zij het virus verspreid? Ik heb er met open mond naar gekeken. Wat waren dat toch voor mensen? Dit heeft helemaal niks met Corona te maken. Het heeft te maken met de mentaliteit van een groep mensen die echt beneden peil is. Ik heb er eigenlijk niet eens woorden voor. Zijn deze mensen na de rellen thuisgekomen en hebben zij tegen hun moeder of vriendin/vriend gezegd  “zo, dat was nog eens een gezellig avondje, ik ben lekker met mijn vrienden op pad geweest.” En zijn ze toen tevreden achter hun bordje boerenkool met worst gekropen? Ach die arme dame die met een bebloed gezicht in beeld kwam. Het was eigen schuld, ze had daar helemaal niet moeten zijn. Een dag later was het weer raak. Randdebielen lieten zich inspireren door hun hersenloze voorgangers. De dagen erna likten de steden hun wonden. Alles moest worden opgeruimd, de schade moest worden hersteld. Je wilt toch niet in de schoenen van zo’n winkelier staan die zijn winkel aantreft alsof er een bom is ontploft. Die ’s nachts wakker ligt omdat de stapel rekeningen steeds hoger wordt. Wat riepen die idioten? “Vandaag is alles gratis.” Nee, vandaag werd een hele hoge prijs betaald. Vandaag zag iedereen dat er in Nederland een groep mensen bestaat die het intellect heeft van een aardappel. Een kleine groep, gelukkig, maar groot genoeg om Nederland weer eens goed op de kaart te zetten. De Belgische collega's die ik sprak, vroegen zich in alle ernst af wat er toch in Nederland aan de hand was. Je schaamt je toch echt voor de rest van de wereld. En Trump is er niet meer om het te overtreffen met nog stommere acties. Echt, laten we als Nederland voorlopig maar heel wijselijk onze mond houden. En niet net doen of we het allemaal beter weten. Want de acties van afgelopen week, nee, dat had helemaal niets met gezond verstand, of zelfs maar met een greintje verstand te maken.  

Machteld
3 1

Eddy Enhoenog

Het is een opvallend fenomeen. Nu de cafés, tavernes en eethuizen al een tijdje dicht zijn, begin ik ze te missen. Een aantal zaken hebben ze gelijk, deze onbekende vrienden. Meestal weet je niet waar ze wonen. Een gsm-nummer heb je niet. Met een beetje geluk ken je hun familienaam, maar vaak niet. Nu denk je misschien: ik heb die niet, van die cafévrienden. Ik durf het te betwijfelen. Ik denk dat iedereen er heeft. Bijvoorbeeld iemand die je vaak ontmoet in de cafetaria van het zwembad als de kinderen in het water ravotten. Of het koppel met wie je na de film een praatje maakt. Of met de man die elke woensdag met de markt op hetzelfde tijdstip een koffie drinkt in het koffiehuis. Nu al die plekken gesloten zijn, ontmoet je elkaar ooit in de supermarkt.  Of op straat. Dan knik je beleefd of je zwaait naar elkaar, zoals truckchauffeurs of bikers dat doen, omdat ze tot dezelfde groep behoren. Maar een praatje maken doe je daar niet. De magie zit tegelijk in de locatie waar je elkaar in normale omstandigheden tegenkomt. Ook is er meestal een gemeenschappelijke interesse. Bijvoorbeeld sport, kunst of politiek. Zo heb ik het thuis ooit over Eddy. Ik zag hem regelmatig in de zaak met de Parijse terrastafels. “Eddy heeft die film gezien”, zeg ik dan. Of: “Eddy is pas in dat restaurant geweest.” “Welke Eddy?” “Tja, Eddy van dinges”. “Eddy en hoe nog?” “Zijn familienaam ken ik niet.” “Waar woont hij?” “Dat weet ik ook niet.”Er wordt al eens smalend over hem gedaan. “Aaaah, Eddy vertelde dat zeker.” Alsof ik hem verzonnen heb. Dat hij een onzichtbare of een denkbeeldige vriend is, zoals kinderen er ooit eentje hebben in een film of in een jeugdboek.Maar hij bestaat echt. Al zie ik hem nu niet meer zo vaak. Eddy Enhoenog.

Rudi Lavreysen
20 3

Oergeluk

Sommige mensen delen liever in je verdriet dan in je vreugde. Ik vond dit een pijnlijke gewaarwording. Zolang ik anderen deelgenoot maakte van m’n ellende, vond ik gehoor. Vanaf het moment dat het me voor de wind ging werd het ineens stil uit bepaalde hoeken. Teleurstellend. Maar ook dit gaf ik een plaats. Het leven gaat verder. Het heeft me niet tegengehouden op mijn levenspad naar geluk. Hoe heerlijk is het als grootmoedige zielen delen in je vreugde en voorspoed. Ik hou van mensen die je vooruitgang gunnen en die blij kunnen zijn als jij blij bent. Mensen die meeleven met je succes, ondanks dat het hen misschien nog niet zo voor de wind gaat. Kortzichtige mensen verliezen uit het oog dat aan geluk of succes meestal een calvarietocht voorafgegaan is. Een gestadig zwoegen op een pad van vallen en opstaan. Een pad waar de bodem geraakt werd en keihard tegen muren gebotst werd. Bikkelharde levenslessen.  Mijn ervaring is dat geluk ons niet zomaar in de schoot geworpen wordt. Voor mij is gelukkig zijn een werkwoord van consistente en consequente arbeid. Het is elke dag opnieuw durven beginnen met het leven en jezelf met een onvermoeibare discipline in het geluksgareel dwingen. Bewust afstemmen op positieve gedachten terwijl je lichaam en je emoties het uitschreeuwen om het tegenovergestelde te doen, omdat ze dit gewend zijn. Oude negatieve gedachten vervangen door nieuwe is geen sinecure. Volgens mijn bescheiden mening is hoe we ons voelen een keuze. Een manier van denken. Elke emotie begint bij een gedachte, bewust of onbewust. Ik heb gemerkt dat als ik elke dag de knop omdraai van negatief- naar positief, na verloop van tijd het gevoel zich daarop afstemt. Zoals een spier sterk wordt na doelgerichte training, zo wordt onze geluksspier ook sterker door consequente oefening. Elk mens bewandelt een levenspad dat bezaaid is met goed en kwaad, ellende en voorspoed. Wat je achtergrond ook is, niemand wordt gespaard, in tegenstelling van wat sommige mensen denken; dat geluk je zomaar in de schoot geworpen wordt.  Het is aan ons wat we met ons leven doen. Een vrije keuze. Mensen die voor bitterheid en frustratie kiezen, verzuren. Degenen die alles wat hen tegemoet komt kunnen omarmen en ermee leren omgaan in plaats van het te bevechten, zijn meestal de gelukkigste en aangenaamste mensen. Innerlijke rust is de moeder van het geluk. Volgens mij kan je enkel in deze energiestroom de koers van je leven veranderen. Dit staat los van religie, los van spiritualiteit. Noem het empirische boerenwijsheid of onderdeel van de natuurwetten.  In het Westen meent men dat ze in het Oosten verder staan om de opperste staat van gelukzaligheid te bereiken. Balancerend op de flinterdunne lijn tussen religie en spiritualiteit gooien velen zich op de Oosterse filosofieën, in de hoop de begeerde staat van verlichting te vinden. Als ik de algemene staat van welzijn en geluk in China, Japan of India onder de loep neem, heb ik er zo mijn bedenkingen bij. Natuurlijk kunnen we leren van de Oosterse wijsheden en het zal zeker en vast ons leven verrijken. Maar ik vind dat boeken en motivatie coaches uit hun voegen barsten van overstimulatie om de Oosterse methoden te promoten. Het Oosten kan je niet in het Westen wringen. Zoveel is zeker. We kunnen wel van elkaar leren. Ja, ik heb ook geprobeerd om mezelf in ingewikkelde meditatie houdingen te wringen in een poging om mijn malende geest te leren bedwingen. Na veel pijnlijke krampen en fluitende oren van monotone klanken, heb ik het losgelaten. Nog zo’n verheven begrip: loslaten. Sorry, maar ik heb het opgegeven. Noem het de aardse vorm van loslaten.   Ik ben tot de conclusie gekomen dat wij van hier zijn, van het kille natte Noorden, ten westen van het Oosten. De plek waar de Kelten en de Germanen hun ding deden voordat de Christenen vonden dat ze het beter wisten. Oude geschiedenis, maar wel interessant om inzicht in onze roots te krijgen. Om te begrijpen hoe filosofie, religie en spiritualiteit in elk deel van de wereld toch wel een rol blijkt te spelen in het vinden van geluk. In onze contreien pleegde men de natuur te aanbidden. Elk natuurelement werd aan een andere god gekoppeld. Men geloofde in goede en kwade geesten. In deze context werden er veel wilde feesten georganiseerd zoals Carnaval, het Zonnewende, Halloween of volle maan- rituelen. Voortekens voor gebeurtenissen, goed of kwaad, vond men in de natuur. Kwalen en ziekten werden aangepakt met kruiden en alles wat moeder aarde te bieden heeft.  Vanaf het moment dat er goden betrokken worden in het verhaal, draait het altijd rond dezelfde thema’s: de strijd tussen goed en kwaad. Boze geesten verdrijven en de goede geesten of God gunstig stemmen. De vruchtbaarheid vieren en de zegen afsmeken voor goede oogsten, voorspoedige- en vruchtbare tijden. Bij de Noorderlingen speelde goed vreten, flink zuipen en stevig seksen altijd al een belangrijke rol. Op deze manier geraakten onze voorouders in trance om hun staat van verlichting of geluk te bereiken. Als men dan ‘oude Belgen-gewijs’ uit-gefeest of uit-georgiëd was, klaarde de lucht weer op, had men terug ruimte voor elkaar en kon men in vrede verder leven. Nu wil ik niet zeggen dat ik me vastpin op deze oude gebruiken.  Nee, maar het helpt me om het leven op een gezonde en evenwichtige manier te benaderen. Het gaat in essentie allemaal om ruimte creëren in je ziel zodat je in staat ben om lief te hebben, jezelf en je naaste. En dat je daarbij innerlijke rust vindt en anderen het licht in de ogen kan gunnen. Welke weg je kiest om daar te geraken maakt in principe niet zoveel uit. Voor mezelf heb ik gemerkt dat nachtwandelingen bij volle maan, een dankwoord aan moeder aarde en af en toe eens goed doorzakken en lekker feesten, mij ook rust brengen. Soms mezelf lekker orgie-gewijs volproppen met vettig voedsel, kan zo goed doen. Alles met mate of maten, natuurlijk. Aan ons de keuze.  Om terug te komen op de kortzichtige ‘boze geesten’ van mensen die niet kunnen delen in andermans blijdschap of voorspoed, die verdrijf ik tijdens lange wandelingen waar ik mijn grieven uit aan de bomen en het gras, of aan de god daarvan. Ik wens je alle geluk en voorspoed in alles wat je doet of niet doet!  

Heidi Schoefs
18 0

Personage

Ik heb mijn personage naar de trein richting dood laten vertrekken. Ruim vijftien maanden droeg ik het verhaal met me mee. Omdat ik weet wat haar te wachten staat, bleef ik het vertrek uitstellen. Ik zocht uitwegen, deed vluchtpogingen of probeerde haar te laten onderduiken. Maar de waarheid is meedogenloos, bovendien is ze te belangrijk om niet verteld te worden. Hier ligt het dagboek van Sura Pessa Lipszyc. Centraal bovenaan op de beige kaft van het schrift, een wit etiket met dubbele blauwe rand, de hoekjes afgekant. Binnen het kader staan drie lijnen voorgedrukt, maar het schrift kreeg geen titel of naam. Het lijkt ongebruikt, maar als je beter kijkt, zie je dat de hoeken licht gekruld zijn, een plooi loopt van boven links tot rechts onderaan over het soepele karton. ‘Lief dagboek’ opent het op 1 juli 1942. Binnenin is het tot halverwege gevuld, geschreven in een keurig meisjeshandschrift. Sura Pessa beschrijft haar leven als vijftienjarige in het bezette Antwerpen. Op 3 augustus van datzelfde jaar schrijft ze haar laatste woord: ‘Adieu’. Het dagboek is in Borgerhout gebleven. De schrijfster koopt een kaartje voor de trein naar Mechelen. Op 5 augustus meldt ze zich met haar oproepbrief in Kazerne Dossin en vertrekt met het tweede transport op 11 augustus naar Oost-Polen. De transportlijst meldt het volgende: 802.  Lypszcik Sura Pessa, –         25.10.25 – Zdunska Wola, – Staatenl. – Nähschule. Handmatig is een rode letter F toegevoegd voor Frau, zoals 9 van de 10 namen op de lijst. En twee blauwe V’s, twee vinkjes die getuigen dat Sura Pessa wel zeker daar aanwezig was. De trein houdt halt aan de zogenaamde Judenrampe, een perron in het rangeerstation, vanwaar ze na lang wachten nog een 800 meter te voet richting Auschwitz II-Birkenau moest gaan. Sindsdien ontbreekt elk spoor van Sura Pessa. Ze kreeg geen kampnummer getatoeëerd, werd dus niet voor arbeid geselecteerd maar rechtstreeks de dood ingestuurd. Net zoals haar twee zussen en ouders ruim een week later op dezelfde plek. Sura Pessa heeft dit laatste nooit geweten, tegen die tijd was ze al niet meer bij de levenden. Het tweede transport waar zij mee vertrok, vervoerde 999 mensen, slechts drie van hen overleefden de oorlog. Sura Pessa’s laatste woorden blijven als een brok in mijn keel steken. De tranen zoeken al geruime tijd hun weg naar boven. Bij het woord ‘Adieu’, dat zowel Frans als ook Jiddisch kan zijn, slik ik. Dan knalt de krop uit mijn keel en loop ik over. Het is een afscheid van een personage maar evengoed van iemand die echt, het grootste deel van haar korte leven, in mijn huis heeft gewoond. Toen de namen een gezicht kregen, was ik diep geraakt door haar indringende blik. Ik wist meteen dat zij mijn personage zou zijn, zocht en vond een reeks sporen van haar bestaan, bewaard in ambtelijke systemen. Eén foto van haar als baby, op de arm van haar moeder met haar broertje erbij. De andere als bozige veertienjarige vrouw, diezelfde foto die op de muur in Dossin samen met al die andere portretten, een gezicht aan de gruwel geeft. Ik leefde met haar mee als tweejarige peuter, net uit Polen gemigreerd en hier wonend in grote armoede. Ik zag haar opgroeien en spelen, als tienjarig meisje haar kleine geheimpjes tussen de spleten van de plankenvloer verbergen. Ik leefde mee in haar dagboek als zestienjarige puber: kwaad op de wereld die haar verbiedt zichzelf te zijn. Een puber die niet beseft dat ze weer richting Polen wordt gestuurd om te sterven in haar geboorteland dat ze als baby ontvlucht was. Ik rouw om iemand die ik nooit gekend heb, maar die me dierbaar is. Ik rouw om alle twaalf bewoners van mijn huis die naar Auschwitz zijn gestuurd. En om iedereen die hetzelfde lot onderging.

Marieke Genard
12 2

Ademloos

Een maand of twee geleden kocht ik een nieuwe agenda, of nee, twee agenda´s om precies te zijn, een persoonlijke en, hoewel ons huishouden nog maar uit twee personen bestaat, een gezinskalender, iets waar lange tijd geen behoefte aan bestond omdat ik alle afspraken van ieder lid van ons gezin kon onthouden, daar zelfs prat op ging, maar spijtig genoeg vanaf het ogenblik dat ik begon te studeren en te schrijven niet meer zo goed functioneerde, immers, studeren en schrijven zijn twee activiteiten die veel concentratie vragen, en geloof het of niet, maar zelfs om je verbeelding te laten spreken moet je je kunnen concentreren en daar hoort afspraken in je hoofd prenten absoluut niet bij, met als gevolg dat ik nu ieder jaar in november een agenda koop, een agenda die aan verschillende criteria moet voldoen: hij hoort in elke handtas te passen, een buigzame kaft te hebben en glad en wit papier, plus een indeling over twee bladzijden zodat je wanneer je hem openslaat meteen een overzicht hebt van de hele week, wat je hele gemoed in één klap kan doen opklaren, alleszins het mijne, zo keurig en net als mijn afspraken in mijn agenda staan, sommige in potlood en andere in de kleur van mijn lievelingspen, gewoon omdat ik maar niet kan besluiten waarmee ik liever schrijf (ofschoon ik me daarover ook wel weer kan ergeren), omdat, tja, potlood heeft iets provisorisch, nietwaar, alsof het nog niet zeker is wat er staat, wat me enerzijds bij het schrijven goed van pas komt, me anderzijds in mijn kalender zo kan spijten voor de afspraak die ik heb gemaakt, terwijl het koningsblauw van mijn pen iets verhevens heeft, edoch niet bij iedere afspraak past, maar goed, in november heb ik dus twee agenda´s gekocht, een gezinskalender waarin mijn man heel af en toe iets schrijft, en een persoonlijke, een duurzame, gemaakt van graspapier, recycleer- en composteerbaar lees ik op de achterkant, in het juiste formaat en met een buigzame kaft, alleen, het papier is niet wit maar beige gespikkeld en ook niet glad omdat het is gemaakt van snelgroeiend en -drogend gras, waarmee ik niet wil zeggen dat ik daarover struikel, duurzaam is duurzaam, nochtans weet ik vandaag niet goed of ik hem nog wel zo leuk vind, hij ziet er zo leeg uit, en hoewel die weinige afspraken die erin staan zorgen voor perspectief, me het gevoel geven dat ik toch nog íets van een sociaal leven leid, confronteert hij me er ook mee dat dat leven zich hoofdzakelijk afspeelt op het internet, op Zoom, FaceTime en Skype, beneemt hij me soms zelfs de adem, met als gevolg dat ik dan weer mijn heil zoek op Youtube, bij Yoga with Adrienne, om op mijn sportmat in de woonkamer samen met acht miljoen andere gebruikers ademhalingsoefeningen te doen.  

ingridvdk
11 0

Ergernissen

Heb je je ook al eens blauw geërgerd aan auto’s die via de pechstrook aan de hitte van een ellenlange file proberen te ontsnappen? ‘He, geldt het niet voor jou dan? Voel je je beter dan een ander?’ De kans is misschien wel reëel dat er iemand achter het stuur zit die zijn macho-instinct laat domineren over de algemene beleefdheid. Maar zou het héél misschien ook kunnen dat op de achterbank een vrouw aan het bevallen is, of iemand een hartaanval heeft en dringend op spoed moet geraken? Dan heb je natuurlijk geen tijd om na te denken over wat de andere bestuurders van je gebrek aan hoffelijkheid vinden. Wij Belgen zitten – in tegenstelling tot wat de Nederlanders misschien over ons denken – niet verlegen om een mening. We spuien ze met gemak rond en bazuinen onze waarheden in de oren van elke kleine muis die het horen wil. Daarbij gaat het nu niet alleen meer over het pijnlijke gebrek aan kennis bij de weermannen of de manifeste onkunde bij leerkrachten of de zielige hebberigheid van verzekeraars. Het gaat ook niet zozeer meer over wat er bij de buren gebeurt of de bakker die er toch zo slecht uitzag en die dus zeker kanker heeft. Momenteel draait veel over wat er verkeerd beslist werd in de coronacrisis. Natuurlijk mag iedereen een mening hebben. Het is prima om naast jezelf ook de wereld rondom je in vraag te stellen. Alleen stel ik me soms vragen over hoe die mening werd gevormd. Want over alles wat je om je heen ziet gebeuren, is er wel iets duister, niet onderzocht of bevraagd, een andere kant van het verhaal. En als je dan alleen dat ene futiele artikel van die ene journalist las, die op een verdoken manier vaak gewoon zijn persoonlijke mening op het verhaal meegeeft, eerder dan de naakte feiten, weet je dan echt heel zeker dat je over alle informatie beschikt om er überhaupt al een mening over te hebben, voor je die als een onvervalste waarheid gaat verkondigen? Dus lieve lezer, wees tolerant, aardig en slim en bedenk eerst dat meerdere scenario’s mogelijk zijn wat betreft hetgeen rondom je heen gebeurt, voor je beslist ‘je lekker dubbel over de pechstrook te gaan zetten om die potsierlijke macho eens een lesje te leren!’.

Vlechtenmeisje
0 0

Slaan we niet een beetje door

Onlangs kwam er belangrijk nieuws voorbij; een studente heeft een gender neutraal kaartspel ontworpen. Het kwam in verschillende nieuwsbulletins en talkshows aan de orde. De dame in kwestie vindt dat een heer niet meer waard is dan een dame. In principe ben ik het daar natuurlijk mee eens. In mijn beleving zijn mannen net zoveel waard als vrouwen. Of andersom. Maar om daar nu een heel nieuw kaartspel voor te ontwerpen, poeh. En eigenlijk is het ook geen eerlijk uitgangspunt. Want hoezo de dame, waarom niet de boer. Want die is toch ook veel waard? Zonder boeren hebben wij niet te eten. Tot op heden komen speklapjes nog altijd van een varken, niet uit een fabriek. Hoewel, soms lijkt het er wel op, maar dat is een andere discussie. Ik besef steeds meer dat ik van een oudere generatie ben. Ik zoek niks achter jodevet, negerzoenen en moorkoppen. Misschien is dat fout, ik weet het niet, het zou best kunnen maar ik ben er mee opgegroeid. Als katholiek gezin uit Tilburg gingen wij in de maand mei naar de Hasseltse kapel. Even een kaarsje aansteken en dan snel naar de snoepkraampjes die in de Mariamaand iedere zondag een enorm assortiment aan snoepgoed aanboden. En inderdaad, we kochten daar jodevet. Naast stroopsoldaatjes, zuurballen en spekken. Heerlijk. Ik voor mij heb die naam nooit geassocieerd met een bevolkingsgroep. Misschien omdat ik eigenlijk helemaal geen onderscheid maakte tussen mensen. Je had mannen, vrouwen en kinderen. Punt. Jaren later leerde ik één van de eigenaren van zo’n snoepkraam kennen. Hij vertelde me dat de naam jodevet in de ban was gedaan. Het heet tegenwoordig borsthoning. Geen idee waar dat nou weer vandaan komt. Gelukkig verkocht hij nog wel stroopsoldaatjes. Dat was dan toch nog gebleven. Ik was ook oprecht verbaasd toen mensen als Sylvana Simons en Akwasi mij gingen beschuldigen van racisme omdat ik geen aandacht besteedde aan dit soort uitingen. Ik was me daar helemaal niet van bewust. En ik denk met mij best wel meer mensen. Natuurlijk zijn er ook mensen die wel onderscheid maken. Maar ook die heb je in soorten en maten. En discriminatie is echt niet iets dat enkel door witte mensen wordt bedreven. En nu komen er dus gender neutrale verkeersborden, een gender neutraal kaartspel, alles moet op de schop. Het lijkt mij allemaal erg geforceerd. Het is buitenkant, dieper gaat het denk ik niet. Het veranderen van een naam gaat volgens mij de oplossing niet brengen. Het is misschien een begin maar het zal nooit het einde van de ongelijkheid zijn. Daar moet nog heel wat meer voor gebeuren.  

Machteld
3 0

Oprechte liefde

Liefde is oprecht als intentionele eenheid aan de basis ligt. Wanneer gedachten en handelingen geen onderscheid maken tussen ik en de ander. Als geven en krijgen naadloos in elkaars verlengde liggen. Zielen kunnen met elkaar versmelten en simultaan ook elkaars eigenheid vieren. Eénwording zonder de authenticiteit te verliezen. Liefde is elkaar eren en bevestigen. Alles kan rationeel gewenteld worden, maar de onderliggende gevoelens zullen blijven primeren. Soms gaat het met kleerscheuren, of zelfs vleeswonden, maar gevoel wint het uiteindelijk altijd van ideeën. Onderhuids herkennen we het gezicht van oprechte liefde als was het ons eigen spiegelbeeld. Al heb ik me wel vaker op illusies blindgestaard. In essentie is alles liefde. Ook elke vorm van destructie en alles dat we verwerpen. Maar daar heb ik het misschien later nog over. Met deze tekst hou ik een pleidooi voor de soort connectie die eigenliefde aanwakkert. Liefde die het gevoel van eigenwaarde vergroot. Waarbij je elkaar optilt en stimuleert om gezonde keuzes te maken. Mijn zelfbeeld beïnvloedt mijn levenskwaliteit en partnerkeuze. Als mijn keuzes en handelingen getuigen van zelfrespect, trek ik mensen aan die mij respecteren. Maar ik heb ook ervaren hoe mijn wankele eigenliefde gereflecteerd werd in een relatie waarin ik het gevoel had niet geapprecieerd te worden. Interacties met anderen interpreteer ik als spiegelbeelden. Iedere persoon weerspiegelt een deel van mezelf. Anderen helpen mij om mezelf te ontdekken. De relatie die mijn ouders hebben, is voor mij een perfect voorbeeld van oprechte liefde. Ik weeg hier dan ook elke uitspraak af, controlerend of die opgaat voor hun connectie. De constructie van hun relatie is de blauwdruk waarop ik mij baseer. Hoewel ik ervan overtuigd ben dat de liefdesbron oneindig is en we in principe meerdere personen tegelijk innig kunnen liefhebben, verkies ik toch ook een monogame verbinding. Het model waarbij er in de massa slechts één uitverkorene is. Ik heb die voorkeur uiteraard meermaals in vraag gesteld, maar kom steeds tot dezelfde vaststelling: namelijk dat ik vol overgave voor een exclusieve connectie ga. Maar uiteraard niet ten koste van mezelf. Het moet goed voelen. En elkaar graag zien is vaak niet voldoende. In een relatie wil ik intellectueel uitgedaagd worden en gestimuleerd om het beste in mezelf naar boven te halen. Door zijn ogen wil ik naar mezelf kijken op een liefdevolle manier waartoe ik zelf nog niet in staat was. Ik wil me geborgen, gekoesterd en begeerd voelen. En alle liefde op authentieke wijze schaamteloos laten overlopen. Want er is altijd meer dan genoeg. Oprechte liefde hoopt niet, maar weet zeker dat het vertrouwen gefundeerd is. Er is dan ook absoluut niets dat twijfel zaait. Dat geeft rust. En enorm veel vrijheid. Binnen de muren van het liefdesnest wordt het pantser afgeworpen en de kwetsbaarheid omarmd. We helen elkaars wonden en drogen elkaars tranen. Het kleine meisje in mij voelt zich beschermd en ik ben vervolgens ook vertederd door de jongen die ik doorheen zijn mannelijkheid zie schemeren. En ik wil niets liever dan mijn deken van warmhartigheid rond zijn frêle lijfje wikkelen. En zijn volmaakte oorschelpjes strelen met lieve fluisterwoorden. Zo ongeveer, ziet oprechte liefde er voor mij uit. En ja, het mag best klef en melig zijn. Des te beter wat mij betreft. Maar ieder zijn stijl.

KarolienDeman
6 1