Zoeken

Neen, die augurk is geen implantaat

  Ik passeer daar sowieso regelmatig. Rouwcentrum 'Het Nieuw Begin' is op de hoek van de Martelaerenlaan met de Steenweg op Vloethem. Als ik richting Alfreds frituur trek, dan sla ik daar rechtsaf. Moet ik naar de cursus Nederlands, dan is het gewoon rechtdoor en kom je vanzelf aan dat kleine gesticht met zijn dubbele medeklinkers en summiere herinneringen aan naamvallen zoals die in degelijke talen gebruikt worden. Het is belangrijk dat we samen de tekst doornemen. Begrafenisondernemer Meneer Meeganck ziet graag doodzantjes zonder taalfouten. Met die opdracht ben ik hier: de opmaak van zo’n kaartje, met meestal op de voorkant een foto van de overledene. Op de achterzijde boven in het midden een kruisje. Daaronder de naam van de dode. Nog wat lager een opsomming van noemenswaardige lidmaatschappen van verenigingen. Dan worden nog de geboorte- en sterfdatum vermeld, ook de plaats van die geboorte, de plek van heengaan, alsook de plaats en het tijdstip van de eredienst. Doorgaans wordt dat afgesloten met een gedicht als er nog plaats overblijft. Desnoods iets van Toon Hermans. Een flard uit het Testament kiest men niet zo vaak meer. Namen van echtgenotes, minnaresen en kinderen worden op zo'n doodsprentje van een vader doorgaans niet vermeld. Nu goed, gelukkig heeft hij niet veel kinderen verwerkt, zou hier een randopmerking kunnen zijn. Laten we misschien toch iets korts daaronder zetten, zegt Meneer Meeganck. Heeft U een voorkeur? "Ja, zet maar: Ouders zijn in de eerste plaats wezens die trauma’s veroorzaken en daarvoor nooit gestrafd worden." Is dat niet te algemeen? Ouders in het meervoud? Dat vraagt hij, terwijl zijn stem me zalft met gelatenheid. "Neen. Zo is het perfect. Meestal is de ene dader en de ander pleegt schuldig verzuim." Oké dan, en heeft U een fotootje meegebracht? "Het memorykaartje is helaas een implantaat dat zich niet in verbinding kan stellen met externe toestellen." Dat zeg ik natuurlijk niet en schudt gewoon ontkennend het hoofd. Dan zet ik daar gewoon een boom zonder bladeren. "Uitstekend! Doe maar een pijnboom. Die pitten zijn trouwens niet zo goedkoop. Dat voegt op die manier wat waarde toe aan het geheel." Opnieuw een zin die ik niet uitspreek ik knik gewoon om in te stemmen. Dat ging dus best vlot. De buitenlucht wordt snel weer ook van mij. De plaats, de datum van die eredienst vergeet ik al na enkel stappen en een trein raast voorbij. Links van me gebeurt dat, bovenop een berm. Opschrijven zal ik ze straks wel, die enkele zinnetjes. In Alfreds frietkot hangt sinds kort een ideeënbus. Het doel ervan is duister, want aan het concept van zijn etablissement moet en zal niets veranderd worden. Het menu is er rustgevend goed en ik houd gewoon van de onschuld die daar leeft. De augurken in hun pot verdragen het zuur door de toevoeging van wat suiker bij het inleggen en de stoverijsaus is donker genoeg.     uit de reeks 'Alfred frietkabouter'

Bernd Vanderbilt
14 1

De leeuw

Verdrietig tuurt de oude man over de brede, droge rivierbedding. De barsten in de bruine kleigrond op de bodem kijken hem spottend aan. De bruisende havenstad, die ooit het leven in de delta bepaalde, was met het water mee verdampt. Een groen bemost, verrot staketsel probeert wanhopig rechtop te blijven staan, als een trotse overblijver van de verloren stad. Weemoedig denkt de man aan de schepen die er aanmeerden, stuk voor stuk volgeladen met mysterieuze specerijen en fantastische wezens die tot dan toe enkel in verhalen bestonden. Plots spat een druppel uit elkaar, midden op de hand van de man. Hij schrikt, want hoe verdrietig hij ook is, huilen doet hij niet. Hij kijkt op en ziet een leeuw die ongemerkt naast hem is komen zitten. De leeuw legt een zware poot op zijn arm. Hij voelt de verrassend zachte vacht over zijn huid strelen. Het grote beest huilt. Dikke tranen rollen over zijn snuit.  Medelijden overspoelt de man. Hij begrijpt perfect hoe de leeuw zich voelt. Liefdevol streelt hij de fluwelen poot van het gevoelige dier. ‘Niets is voor altijd,’ zegt hij troostend.  De leeuw kijkt hem aan en legt zijn enorme kop voorzichtig op zijn schouder. ‘Nee,’ antwoordt hij, ‘soms is even al genoeg.’ De man legt zijn hoofd te rusten in de lange, rode manen van de leeuw. Zo blijven ze zitten. Vele eeuwen lang, tot ze verharden tot een massief, albasten beeld dat honderden jaren later door een projectontwikkelaar gevonden wordt. Samen, voor altijd.   Geschreven tijdens een bezoek aan de tentoonstelling "Albast" in museum M te Leuven bij het beeldje "Heilige Hiëronymus en de leeuw uit 1495 Meer lezen? Welkom op INSTAGRAM

Amanda Bos
55 3

Ulciscor (ALLEE IDEE! #2)

De ijzeren ketens wegen zwaar rond mijn polsen maar geven me een zeker gevoel. Want ik ben straks niet de persoon die ze zal dragen.Voor me ijsbeert Inaya heen en weer door de kerker. Met haar vingers trekt ze het bovenste laagje vel van haar lippen tot ze bloeden. In een hoek van de kerker zit Arihn gebogen over de Grimoire. Hun ogen zijn rood en er onder lopen donkere wallen. Toch staart die met een enthousiaste fascinatie naar de pagina’s die hen slapeloze nachten hebben bezorgd. Ik weeg af wie ik beter niet zou onderbreken. Ik neem een diepe hap adem. ‘Inaya…’‘Wat als ze je ontdekken!’ barst ze uit.Mijn ogen sperren zich kort voor ik me herpak. ‘Dat gaat niet gebeuren.’Arihn kijkt geen seconde op van hun boek. ‘Zeg nooit "nooit".’Ik werp een moordende blik naar de Heksenmeester die het nooit zal niet. ‘Dat gebeurt niet.’Inaya stopt abrupt met ijsberen en kijkt me met krankzinnige ogen aan. ‘Maar wat als…’‘Dan hebben jullie Eadwyn. Dat is het plan.’ Mijn polsen zitten al vast in de ketens en weerhouden me van haar te knuffelen en haar gerust te stellen. Ze draaft naar me toe en laat zich op haar knieën voor me vallen. ‘En jij dan?’ Haar groene ogen boren in de mijne. Ze doen me denken aan onze Velden voor ze in rook en assen opgingen.Mijn ogen beginnen te prikken bij de herinnering dus ik wend mijn blik naar een donkere hoek in de cel. ‘Eadwyn is ons doel. Ik red me wel.’Met een luide klap sluit Arihn de Grimoire en springt die van het strobed. ‘Kyra geeft enkel om wraak, zus.’ Arihn kijkt op me neer met een blik die zowel teleurstelling als begrip spreekt. ‘Zelfs als ze haar eigen ermee in gevaar brengt.’Uit mijn ooghoek zie ik tranen opwellen in Inaya’s ogen. We hebben deze discussie al gehad en mijn besluit staat vast. Maar het vreselijke gevoel in mijn borst ebt niet weg wetende dat ik haar hier pijn mee doe. Woorden zullen haar niet meer geruststellen dus richt ik me naar de Heksenmeester.‘Als er iets met mij gebeurt…’Inaya slaat een paniekerige kreet.‘ALS…’ benadruk ik met meer kracht in mijn stem. ‘Breekt het de spreuk?’Arihn schudt hun hoofd. ‘De enige manier om terug te wisselen is als Eadwyn en jij in contact komen met elkaar en jullie beide instemmen. Dus als één van jullie sterft…’Ik voel Inaya naast me verstarren maar ze protesteert niet meer.‘Dan blijft de ander voor eeuwig vast in het lichaam.’Dat is het plan. Ik knik naar Arihn. Het is tijd. Eadwyn zal boeten voor haar daden. Voor alle mensen die door haar beleid zijn gestorven, alle levens die zij bereid was om op te offeren zonder zelf nog maar een hand op te steken. In een ogenblik zal de Hogepriesteres van Efrea alles verliezen haar onderdanen, haar bondgenoten en het belangrijkste van al: haar magie. Eadwyn’s heerschappij zal eindigen.Zonder er nog een woord aan vuil te maken bukt Arihn zich neer en begint de magische symbolen op de vloer te tekenen. Het schrapen van krijt op steen vult de ruimte. Ik wissel een blik met Inaya.‘Ik weet dat je niet naar me gaat luisteren maar wees voorzichtig, alsjeblieft.'Haar warme hand glijdt in de mijne. Ik geef een geruststellend kneepje. Het is niet zozeer een belofte maar dankbaarheid. ‘Ik ben hier dankzij jullie, nu ga ik het recht zetten.’Arihn mompelt iets onverstaanbaars vanop de grond en klopt het krijt van hun handen. ‘We zouden niet in de deze situatie zitten als Eadwyn ons niet had verraden.’Ik bal mijn vuisten en voel een ader op mijn voorhoofd bonzen. Eadwyn’s machtslust en zoektocht naar magie was groter dan haar loyaliteit aan haar vrienden. Dus wanneer wij ervoor zorgden dat de troon van Hogepriesteres leeg kwam te staan vulde ze die plek maar al te graag op. We hadden het kwaad kunnen verslaan als zij niet voor de verkeerde kant had gekozen. Een zware druk beklemt mijn borstkas. Ik mis Isidore. Kon ze me nu maar zien, ik zal haar trots maken.Ik knijp harder in Inaya’s hand en zet al mijn opgeborrelde woede over in mijn stem. ‘Laat haar ervoor boeten.’Inaya is te onschuldig voor wat ik vraag maar ik weet dat zij ook dierbaren heeft verloren. Eadwyn zal niet hartelijk ontvangen worden. En er is nog altijd Arihn, lieve geschifte Arihn. Ik heb bijna spijt dat ik er niet bij zal zijn.Inaya en Arihn slenteren buiten de cirkel krijt. De Heksenmeester kerft gloeiende symbolen in de lucht terwijl die een rij oeroude spreuken herhaalt uit de Draconische taal. Inaya houdt mijn blik vast tot de laatste seconde.Arihn spreekt de laatste woorden uit en ik voel een wervelwind waaien rond mijn lichaam. Een grote kracht trekt aan mijn geest en lijkt het uit mijn lichaam te willen scheuren. Ik wil schreeuwen maar mijn stembanden weigeren het bevel. Mijn lichaam verweerd me en gooit me in het diepe duister. Zal ik nog Kyra zijn hierna?Mijn zicht vervaagt en het begint de vriezen in de kerker. Arihn’s stem bereikt me door de donkere wolken rond me als een echo.’Doe niets achterlijks, Kyra de ongelooflijke!’Voor even is alles stil. Inaya’s gesnik en Arihn’s gemompel is niets meer dan gefluister.Dan komt alles in één knal: het gelach van feestvierders, gejuich en gejoel, muziek en geklingel. Wanneer ik mijn ogen open knijp ik ze al snel terug dicht om het felle licht van de feestzaal te verweren. In de troonzaal hangen allerlei decoraties, sommige zelfs historische artefacten, gestolen veronderstel ik. Slingers met lampjes, kandelaars en kroonluchters zetten de kamer in vuur en vlam. Eadwyn draagt een weelderig donkergroen gewaad. Haar hakken boren in haar of nu mijn enkels. Mijn linkerhand klemt om iets, een zwaard besef ik. Ik staar naar het publiek om me heen. Ze grinniken en fluisteren mooie woorden over me, over haar. De Hogepriesteres kijkt met prachtige blauwe ogen naar hen terug. Sommigen blozen zelfs. Mijn blik glijdt over de kamer tot het valt op de persoon gebukt voor me.De man kucht om mijn aandacht weer op te wekken en ik vang de blik op van de man die me mijn verloofde heeft afgenomen.Heer Maddox knielt voor me, zijn rechterhand op zijn borst. Om zijn torso hangt een paarse sjaal met het teken van de Ridders. De achterbakse slang!Ik kijk nog een laatste keer door de zaal om de situatie te vergaren en mijn bloed begint te koken. Maddox wordt vandaag geridderd door Eadwyn.Isidore’s bloed is aan zijn handen en Eadwyn zou hem daarvoor belonen.‘Uwe Altesse?’Ik houd een stalen gezicht en kijk neer op de moordenaar van mijn zielsverwant. Mijn grip op het heft verstrakt.Zijn ogen vangen de beweging op en hij kijkt naar me op met iets dat lijkt op herkenning of verwarring.Mijn stem is de hare wanneer ik spreek en het volume vult heel de zaal. ‘Wat een eervolle man.’Maddox blijft trots zitten. Niemand in deze ruimte heeft me door.‘Dit heb je meer dan verdiend, oude vriend.’Vreugde vult me en ik beeld me Eadwyn in: verslagen en in ketens. Wraak proefde nog nooit zo zoet.Ik hef het zwaard op en hak.

Val Reijden
0 0

ANTWERPEN DE JAREN 90tig samen met ANN, SISSSSEEEENN, THEO en de corrupte en racistische politie onder de burgemeester Bob Cools. a

Wil je met mij een galerie opstarten?Ik had al veel voorstellen gehoord aan vele tafels met veel pinten, maar deze man was iemand die zijn ideeën meestal ook realiseerde. Op dat ogenblik was hij nog mede-eigenaar van het exclusiefste hotel van de Lage Landen, HOTEL ROSIER, dat de wereld als dorp onder zijn dak had geïnstalleerd. Meer bepaald de wereld van gekroonde en ongekroonde hoofden: van Betty Ford en de Ford-dynastie (nazaten van Henry Ford van de Motor Company) tot de familie Mars en de toenmalige prins en huidige koning Filip.Ook uit de culturele wereld waren de bezoekers immens: Marlene Dietrich... Michael Jackson is er echter niet geweest, simpelweg omdat hij eiste dat de ingang van het hotel verbouwd zou worden zodat hij met zijn limo het hotel kon binnenrijden. Dat vonden de eigenaars van het hotel er wat over. Toen de man de vraag stelde, had hij de avond tevoren nog samen met Sting een gedicht geschreven. Het voorstel kwam zeer gelegen.Het enige dat mij weerhield: ik wist dat samenwerken met die man zou betekenen dat hij alles zelf zou willen organiseren. Mijn bijdrage zou zich beperken tot het ophangen van kadertjes en het sleuren met wijn voor de recepties.Dan was een ander voorstel mij meer genegen.Sissen had mij een voorstel gedaan: ik zou zijn café drie dagen per week mogen beheren. Het was een zaak in een van de belangrijkste uitgaansbuurten van Antwerpen. Bij navraag naar de eventuele winsten begreep ik de mogelijkheden. Ik kreeg een derde van de omzet, maar alleen als die meer dan tienduizend bedroeg. In de buurt werden omzetten van zeventigduizend gehaald. Reken zelf maar uit: 70.000 gedeeld door 3 is ruim 23.000, maal 4 weken is 92.000. Als ik iedere week één dag meer haalde dan de helft, had ik al het driedubbele van mijn uitkering. Dat voorstel sprak me meer aan.Sissen had slechte huurders gehad. Niet alleen hadden ze al maanden geen huur betaald en waren ze met de noorderzon verdwenen, ze hadden ook een mesthoop achtergelaten. Het plan was dat ik gedurende een week – wat al snel drie weken werd – het café zou helpen schoonmaken. Daarna zou ik een week meedraaien. Vanaf dan mocht ik de zondag, maandag en dinsdag organiseren. De dinsdag viel er al snel af...Op zondag hield ik ’s morgens een brunch en ’s avonds een Afrikaanse avond. Het idee was om een plaats te creëren waar de Afrikanen zich thuis voelden, waar de voertaal Afrikaans was en waar niet-Afrikanen zeer welkom waren als gast van een Afrikaanse familie. Het moest geen café zijn waar de klanten zich thuis voelden omdat een Afrikaan een Belgisch café beheerde; ik wilde een plek die de illusie gaf in Afrika te zijn. Met een fantastische diskjockey en andere attributen ben ik daar een paar weken in geslaagd. Voor de maandag had ik een homoavond gepland, inclusief een stripact. Iedere week kwam er meer volk.Totdat de eigenaar opeens zijn café terugvorderde. Hij gooide mij buiten met de woorden dat hij "geen jeanetten" moest hebben. Er was voor hem een belangrijke voetbalmatch: Marokko - België. Hij riep: "’t Is nog altijd mijn café!" En wat erger was: de laatste weken dat ik het café runde, was ik net niet aan die tienduizend geraakt. Negenduizend negenhonderdtachtig was de laatste omzet.Ik had dus geen inkomen tijdens die weken en mijn uitkering had ik stopgezet. Ik had er stiekem van gedroomd het maximum te halen; dan zou ik 30.000 oude Belgische franken per maand verdienen. Dat wilde ik niet op het spel zetten voor een illegale uitkering. Ik had mijn uitkering netjes stopgezet en was zelfstandige geworden. Dus: geen geld, geen eten. De gaarkeukens had ik toen nog niet ontdekt.Het ergste was dat ik die klootzak een paar jaar eerder zijn eerste werk in mijn café had bezorgd. Destijds was hij er op een dag met de inkomsten van een hele week vandoor gegaan, naar Griekenland. Hij was opeens verdwenen met de broodnodige inkomsten van mijn café C. Twee weken later had hij nog het lef om mij vanuit Griekenland op te bellen omdat zijn geld op was. Ik ben er niet achteraan gegaan; mijn geld was immers ook op. Ik heb het nooit teruggezien. Zijn vader kwam er toen aan te pas: hij had de keuze tussen onterfd worden of paracommando worden. Tot op de dag van vandaag vertelt hij vol trots aan iedereen dat hij een homoseksueel heeft bestolen.Een maand later. De zon scheen; het was een zwoele zomeravond in de stad. Het was een fantastische dag geweest. Ik kwam van een receptie in café 't Been en liep via de Kammenstraat richting de Groenplaats. Een goede vriend, een gay queer, kruiste mijn pad. Mijn dag kon niet meer stuk.Ach, die Sissen, dacht ik, waarom ruzie blijven maken? Dus inviteerde ik mijn vriend(in) voor een drankje bij Sissen. Hij had immers gezegd: "Als iemand een queer meeneemt naar mijn café, krijgt die een fles champagne." Mijn vriend(in) vond het een schitterend idee en we trokken goedgezind in de richting van het café. Sissen was er niet, maar zijn broer wel. Nee, die wist niets van champagne. Tja. We scharrelden wat kleingeld bij elkaar en hadden genoeg voor twee Duveltjes."Ha nee," zei de broer."Wat?" zei ik.Om een of andere duistere reden kregen we niets. Waarom? Intussen bereikte mijn bloed het kookpunt. Ik nam een barkruk en mikte. Iedereen die dat café kent, weet dat er voor de spiegel op de glazen schappen een grote voorraad dure malt whisky stond, wel honderd flessen. Ik mikte midden in de malt. Het geluid van brekend glas vulde de ruimte.De broer ging daar duidelijk niet mee akkoord en begon me fysiek aan te vallen. Ik had veel moeite gedaan om zeker geen mens te raken, en die klootzak begon op mij te slaan. Het antimaterialistische discours dat hij op de meest ongepaste plaatsen afstak, bleek opeens niets meer waard. Gelukkig waren zijn linkse vriendjes niet aanwezig, want de mate van kleinburgerlijkheid die hij op dat moment tentoonspreidde, had hem zeker voor jaren een 'un-cool' stempel gegeven. Hij heeft het trouwens goed verborgen kunnen houden, want laatst zag ik hem nog sleuren met lampen tijdens de opnames van de film Blowing with the Wind van Barman. Ik was daar als figurant.Het einde was nog niet in zicht. Voor mij en mijn vriend(in) was het wel genoeg geweest. We verlieten de puinhoop en gingen aan de overkant iets drinken. Maar... het broertje dat altijd op de 'flikken' afgaf, had nu wel de politie gebeld. Daar stonden ze voor mijn neus. Ik mocht een nachtje in de cel gaan slapen. Het voorstel van de galeriehouder leek me opeens weer interessant.Totdat ik op bezoek ging bij een vriendin. Niet zo'n vriendin waar ik alles van wist, maar eerder een cafévriendin. Ik wist wel dat ze voor iets ernstigs was opgenomen in het ziekenhuis, maar uit ziekenhuizen komen mensen meestal genezen terug, dus betrad ik met een enorme levenshonger haar kamer. Ze groette me hartelijk en was blijkbaar erg blij met mijn bezoek. Prompt werd ik meegetroond naar de cafetaria, waar ik mijn verhaal over Sissen in geuren en kleuren moest vertellen. Ik vroeg of alles goed ging met haar. Ik moest de volgende dag zeker terugkomen.Toen ik haar de dag erna terugzag, had ze een plannetje: ze vroeg of ik samen met haar meubeltjes wilde maken, meer bepaald paravents. Ze vertelde me dat de kerst- en nieuwjaarsperiode een goede tijd zou kunnen zijn. We hadden nog een paar maanden om ons voor te bereiden. Ik vroeg haar een dag bedenktijd om samen te werken met haar, de koningin van de mode. Ik stemde toe.Ze zei dat ik een kamer kon krijgen in haar appartement als ik het schoonmaakte. Samen met dokter Maniewski, de dokter en geadopteerde zoon van Willem Elsschot, organiseerden we dat ze met mijn hulp binnenkort uit het ziekenhuis kon en weer zelfstandig kon leven. Het idee was dat ze alleen kon gaan wonen als ze iemand vond die een oogje in het zeil hield. Ik trok in haar woning en poetste op een bijna dwangmatige manier. Ik had een speciale vernis gebruikt om de tegeltjes in haar gang een Engelse uitstraling te geven en verder was iedere vierkante millimeter proper. De dag dat ze zou komen kijken was een maandag. Tijdens het weekend zou ik bij mijn familie verblijven. Maandag zou ze voor de eerste keer het gekuiste en geboende...  Een week lang lag ze in coma. Men vond haar plotseling, dwars over haar bed. Een aantal vriendinnen besloot bij haar te waken. Toen mij midden in de nacht werd gemeld dat ze overleden was, lag ik in haar bed in het atelier — de enige plek waar ik mijn kuiswoede niet mocht botvieren. Onder de kamer die ik in haar appartement betrok, woonde namelijk een reggaefreak die vooral ’s nachts keiharde muziek draaide. Mijn enige uitvlucht was haar bed, en daar lag ik toen het nieuws van haar dood me bereikte.Als een soort wraak waarschuwde ik de tv-zenders. Zij hadden nooit ruimte gehad voor haar creativiteit, maar hadden haar kort daarvoor plotseling ‘herontdekt’. Een belangstelling die haar goed deed, maar die veel te laat kwam. Het conservatieve Vlaanderen had zijn vernietigende werk al verricht.Toen ze een paar jaar eerder als in een middeleeuws drama op straat werd gezet met haar kinderen en haar man, ontbrak alleen de schandkar nog om haar door de stad te rijden. Een van de grootste Vlaamse creatieve genieën werd op de straatstenen gekeild. In de conservatieve salons zal de champagne wel rijkelijk gevloeid hebben. Nog enkele jaren dwaalde ze door haar stad. Op een dag raapte ik haar letterlijk op uit de goot. Als een gekwetst vogeltje moest ik haar naar haar kamer ondersteunen, naar een vieze, oude matras.En toen stierf ze.Ik lag in haar bed en ik moest verhuizen. Ik moest haar laatste wil eerbiedigen. Ik moest haar dood melden aan de kant van de familie die gebroken had met haar man en kinderen. Daarna volgde de begrafenis. Twee drankjes. Ik meed ze: de familie, de vrienden. Ik stond weer op straat.Toen was de man er weer, met zijn inmiddels opgerichte galerie, samen met onder anderen de kleindochter van Willem Elsschot (Alfons De Ridder). De jaren daarna heb ik kadertjes opgehangen en met goedkope wijn gesleept voor de recepties.Op een dag kwam ik behoorlijk aangeschoten en in driedelig pak terug van een receptie in de galerie. De Antwerpse culturele fine fleur was aanwezig geweest. Het was middag toen ik de Groenplaats op liep. Kunt u het zich voorstellen? Als in een arena zat de Antwerpse kleinburgerlijkheid uit te kijken op het standbeeld van Rubens en alles wat zich daar omheen afspeelde. Daar verscheen ik: ladderzat en in driedelig pak. Op datzelfde plein woonde een van mijn beste vrienden uit die tijd, een punker in vol ornaat.We begonnen met elkaar te dollen, iets wat de 'inboorlingen' niet kenden. Een golf van afschuw trok door de kleinburgerlijke massa. Ik was me daar totaal niet van bewust. Wat ik wel zag, was dat de Groenplaats plotseling werd overspoeld door een enorme macht aan politieagenten.Een van de genieën van de Antwerpse kleinburgers had waarschijnlijk de politie gebeld. In de ogen van die blijkbaar blinde massa werd een van de hunnen aangevallen — iemand in een driedelig pak. Ik dus. Ze waren uitgerukt in gevechtskledij. Een vreedzaam tafereeltje werd plotseling uit elkaar geknuppeld. Ik bleef ongedeerd, maar een man — bijna nog een kind — met een ebbenhouten huidskleur werd door twee agenten afgetuigd.Toen ik, geschrokken maar nog steeds stomdronken, wilde tussenbeide komen, werd ik met een zwaai in een politiewagen gegooid. Pas bij het uitstappen op de politieparking zag ik wie ze werkelijk hadden afgeranseld. Met zijn handen en voeten in de boeien moest hij uit de combi springen. Meer zag ik niet; ik werd in een cel gegooid en achtergelaten om mijn roes uit te slapen. Toen ik enkele uren later hard op de celdeur bonsde en om water vroeg, kwamen drie 'dappere' agenten me nog even in elkaar slaan.De volgende dag werd ik vrijgelaten. Lambermontplaats Ap'en 2004 De krant De Morgen berichtte een tijd later over het voorval op deGroenplaats. Let op amokmakers ! Agent vrijuit na valse bekentenis Een Antwerpse rechter heeft een politieagent vrijgesproken die bekende een allochtoon te hebben neergeslagen. De man bleek het te hebben opgenomen voor de werkelijke dader een jongere collega. Die kon echter niet worden veroordeeld omdat hij niet was gedagvaard.Zodoende ging iedereen vrijuit en onttrokken de agenten zich aan het gerecht door een valse bekentenis af te leggen.Toch zal het misschien nog anders aflopen. De feiten : Op 6 juni 1997 mengde een allochtoon zich in een arrestatie van amokmakers op de Groenplaats door twee agenten. Die waren daar niet mee gediend. Een van hen sloeg de man neer met een matrak. Het slachtoffer werd met inwendige bloedingen naar het ziekenhuis gebracht. De man diende nadien klacht in bij het Comité P.Tijdens de verhoren van de agenten bekende agent Julien S. te hebben gemept. Voor de rechtbank verklaarde S. Dat het zijn jongere collega was die de klappen uitdeelde en dat hij het voor hem had opgenomen.Desondanks bleef S. zijn collega tot de laatste snik verdedigen."Hij heeft niet echt geslagen, enkel in de lucht gemept".  De rechtbank kon gezien de gevolgen bij het slachtoffer de uitleg maar matig appreciëren Toch volgde rechter G.D.P. de visie van openbaar aanklager E.C.Die had bij de behandeling van de zaak geen straf gevorderd en alleen gevraagd "naar wijsheid" te oordelen. De collega-agent voor wie S. het opnam, werd niet vervolgd en kon gisteren bijgevolg niet worden veroordeeld. Logisch, volgens strafrechtgeleerde K.V. :"De rechter kan zich niet uitspreken over personen die niet zijn gedagvaard". Dat laatste kan volgens haar alsnog gebeuren "door het slachtoffer". Dat moet gebeuren voor het verstrijken van de verjaringstermijn. Doordat de verjaring is gestuit door dit vonnis, hebben parket en slachtoffer nog drie jaar de tijd om de echte agent-dader voor de rechter te slepen (CN)   DE toenmalige burgemeester   Bob Cools stelde voor om de nieuwelingen onder te brengen in getto’s. De super socialist Bob Cools stuurde de rijkswacht en politie af op zijn linkse politieke tegenstanders. Bij radio centraal  een vreedzame alternatieve radiozender kunnen ze er van meespreken. https://m.facebook.com/destudio.kunstenhuis/videos/843453809796998/ De super socialist louis tobback deed dat ook hij noemde hen subversief. Foto gallery VERF ED https://www.2dehands.be/q/verf+ed+/  

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser.
107 0

Brooddronken deel 2, hoofdstuk 1

1 Kerstmis is zo’n speciale dag, dat in de Eerste Wereldoorlog jongens, die geen reden hadden om elkaar naar het leven te staan maar elkaar toch lustig afslachtten, samen voetbalden in de loopgraven. In de Tweede Wereldoorlog, zo leert Wannes Van De Velde ons, werden er geen bommen uit de lucht gestrooid en waren de kanonnen met een kerstboom getooid. Dus mag de facteur ook eens een dagje vrij hebben. Eéntje maar, natuurlijk. De dag er op was het terug onder het juk. Normaal zou iedereen blij zijn met een dagje verlof, zelfs al was het er maar ééntje, zeker in de eindejaarperiode waar het leeuwendeel van de mensen sowieso toch al thuis zijn. Een facteur niet. Een facteur weet immers dat hij van alle ambtenaren er het meest bekaaid af komt. Als een trein niet rijdt, rijdt hij niet. Als het stadhuis dicht is, is het dicht. Maar als de postbode niet werkt, stapelt het werk zich op. Alsof er ergens in de posterijen slecht gesyndiceerde duivels blijven verder sorteren, omdat ze met Kerst geen vrijaf kregen, of omdat ze geen vrijaf willen met Kerst of om de facteurs te beduvelen, clue’s in the name. Geen mens die het weet. Maar toch is een dagje verlof altijd welgekomen, ook en zeker voor de postbode, dus gebeurt er die dag niet veel ten huize Sabbe. Billy is terug naar Gent gereden met de Lada en Célestine. De eerste moet hij nog terugbrengen, van de tweede is het niet zeker of ze ooit nog de Groeningekaai zal (willen) zien. Ook Jules zit terug mooi opgehokt in de Korenbloem, nadat hij een half verrassingsbrood in allerhande Tupperwarepotjes meegekregen heeft. Die stukjes met gehakt zou Reginald wel zelf oppeuzelen. Maar er gebeurt dus niet veel op Kerstmis in het leven van een postbode, dus gaan we verder op Tweede Kerstmis, 26 december. Dan is het wel aan de slag voor alle postbodes. Ze zouden misschien eens gewoon worden van twee dagen na elkaar thuis te zijn. Het is woensdag. Dat betekent traditiegetrouw dat de Knack mee is. Gelukkig voor de postbodes is het tussen Kerstmis en Nieuwjaar best wel oké wat de abonnementen betreft. Al iets meer in uniform, getooid in allerhande bijeen geschooide kledingstukken, komt Jimmy binnen in de postmannenzaal. Na zich door de wolken rook te hebben gewerkt en zijn werkpost te hebben teruggevonden, neemt hij een rode bak mee en licht hij zijn vakkasten. De man rechts van hem is nieuw. Hij was er niet op Kerstavond. Hij stelt zich voor als Marc Jolicoeur en steekt zijn hand uit. ‘Steekt uw pishandje maar weg,’ snauwt Reginald van achter de vakkasten. Hij houdt de boel nauwlettend in de gaten. ‘Of wel ja,’ gaat hij verder, ‘misschien past ge nog goed samen.’ Het daagt Jimmy al gauw dat Marc homoseksueel is, al kan hem dat niet veel schelen. ‘Steekt maar een assiette in uw broek,’ zegt Reginald, ‘of ge gaat straks niet goed op uw velo zitten.’ Marc lacht de opmerkingen weg, maar Jimmy bezit genoeg empathie – dat heeft hij van zijn moeder – om te beseffen dat dit glad ijs is, waarop een wespennest ligt waar hij zijn neus beter niet in steekt. Toch schudt Jimmy hem de hand. ‘Jimmy Sabbe. Zoon van,’ zegt hij. Hij heeft de vakkasten van de sortering geleegd en deze per soort gezet. De diepe rode postbakken dienen voor de grote stukken en de ondiepe rode bakken voor alles wat briefformaat is. Nu is het wachten op Bruno. Ondertussen eet Jimmy nog een stuk van het verrassingsbrood dat hij heeft kunnen verdonkeremanen. Het brood is in de derde dag van het bestaan ervan doordrenkt met de mayonaise waarmee deze belegd was. Jimmy trekt een zuur gezicht want het stuk verrassingsbrood ziet er beter uit dan het smaakt. ‘Eet anders een broodje als ge op ronde zijt,’ hoort Jimmy zeggen. Hij draait zich om en achter hem staat Bruno met een rode brievenbak vol met restproduct, dat zijn kleintjes en grote na elkaar, tegen zijn heup. ‘Hebt ge uw sorteerplan bekeken?’ vraagt Bruno. ‘Op een vrije dag? Krijg ik daar overuren voor?’ antwoordt Jimmy. ‘Ge zult me nog dankbaar zijn,’ zegt Bruno, ‘als ge op tijd buiten en weer binnen geraakt. Want dat zijn ook dagen zonder overuren. Ik heb nog gehoord van een kerel die daarvoor een model 9 kreeg, omdat hij, en ik citeer, “niettegenstaande de hulp die hij krijgt er niet in slaagt het kantoor tijdig te vervoegen”.’ ‘Dat meent ge niet,’ zegt Jimmy, ‘een model 9 omdat ge te traag zijt?’ ‘Toch wel. Dus bekijk dat sorteerplan maar eens. Hebt ge een blad papier?’ Jimmy haalt een blad papier uit de lade. ‘Goed,’ zegt Bruno, ‘leg uw brieven eens aan de kant. Ge moet denken dat dit hier uw tafelblad is.’ ‘Oké.’ ‘Goed, en dan maakt ge uw volgweg gelijk dat ge hem zoudt aflopen. Dus we beginnen in de Weversstraat, onpare kant. Dus legt ge alles wat Weversstraat onpare kant is, hier, in de linkeronderhoek van uw tafel. Daarboven legt ge alle pare nummers van de Weversstraat. En dan daarboven de Izegemstraat, die drie huizen aan de overkant. En ga zo maar door.’ ‘Oké. Ik versta het.’ ‘’t Is te hopen dat ge ’t verstaat, hé,’ zegt Bruno. Jimmy knikt en smijt zijn dienst verder uit. Bruno kijkt toe. ‘En wat hebt ge gedaan met Kerstavond?’ vraagt Bruno. ‘Gegeten. Gelijk alle Kerstavonden. Heeft pa u daar nog nooit van verteld? ’t Is pertank elk jaar hetzelfde. Fondue met verrassingsbrood en ijstaart, al zijn we niet aan de ijstaart geraakt dit jaar.’ ‘Hoedat niet?’ vraagt Bruno. ‘Wel ja, onze pa vond het nodig om het lief van Billy te schofferen.’ Bruno denkt na. ‘Billy, dat is dan uw broer die hier nog een paar weken heeft gewerkt?’ ‘Ja, en die dan hals over kop naar Gent is weggelopen om te gaan studeren.’ ‘Allez. En hoe heeft die dan zijn vriendin geschoffeerd?’ Jimmy legt het pakje brieven uit zijn handen op een uitschuifbare lade. ‘Célestine is een half-Afrikaanse of zoiets. Ik moet er geen tekeningske bij maken wellicht?’ vraagt hij. ‘Ja. Ja, neen, inderdaad, ik kan mij er al iets bij voorstellen. Nog ene die ge nooit meer gaat zien. En wat gaat ge doen met Oudjaar dan?’ vraagt Bruno. ‘Wat denkt ge? De olie zit nog in de fonduepot, die kappen dat niet weg, hoor. Dus ja, fondue met verrassingsbrood en ijstaart, denk ik, al denk ik niet dat Billy en Célestine er bij gaan zijn.’ ‘Allez gij, dat meent ge niet. Ge zijt hoe oud juist? Negentien of zo? Dan moet ge toch uitgaan met uw maten? Ge zijt maar ene keer jong, zulle.’ ‘Ik heb eigenlijk niet zoveel maten,’ zegt Jimmy, ‘dat kwam bij ons niet binnen. Ze zijn alle twee van het gedacht dat ge met maten niets zijt, tenzij ge graag messen in uw rug hebt.’ ‘Serieus?’ vraagt Bruno. ‘Ja,’ zegt Jimmy en hij neemt een nieuwe handgreep brieven uit de laatste bak. ‘Dan heb ik slecht nieuws voor u,’ zegt Bruno, ‘als ge geen maten hadt voor dat ge in De Post begon, gaat ge er nu ook geen meer bij krijgen, zulle. Ge zult geen sociaal leven hebben. Als uw leeftijdsgenoten feesten, kunt gij in de nachtsortering zitten. Ge hadt beter een andere stiel gekozen dan.’ Hij lacht. Van de andere kant van de sorteerkasten komt een brommend geluid dat de postmannen herkennen als een goed ingedronken Reginald Sabbe. ‘Moeit gij u maar in uw menage,’ zegt hij, ‘maakt uzelf ne kleinen en stookt die een beetje op. Maar ’t beste dat gij al gemaakt hebt is nen mongool. Ge kunt in elk geval niet zeggen dat het de uwe niet is, ook al is uw wijf de matras van de Damastweversstraat en omstreken.’ ‘Reginald, dat pakt ge terug,’ zegt Bruno. ‘Ik pak juist niets de kloten terug,’ antwoordt Reginald, ‘mijne pa heeft mij altijd gezegd dat ik niet mag liegen. En stop met de kop van Jimmy te vullen met onnozeliteiten. Werken moet ie. De tamzak.’ ‘Reginald, ik ga naar de chef hoor!’ dreigt Bruno. ‘Awel, ik ga mee gaan, moet ik uw handje vasthouden,’ antwoordt Reginald, ‘onnozelen puppebukker.’ ‘Pa, alstublieft hé zeg. Drinkt anders nog eens een pinte.’ Jimmy schrikt wanneer hij dit zegt. Aan de andere kant van de sorteerkast klinkt het geluid dat heel dicht bij een koebel ligt, van twee sorteerblokken die worden neergeplaatst. Reginald staat op van zijn werkpost en waggelt naar die van zijn zoon. ‘Gij moet uw muil houden, hebt ge dat goed verstaan? Of ge gaat tegen mijn vuist lopen. Ik ga u slaan tot ge rookt. Of ge doet mee met mij, of ge houdt uw trape, maar ’t is niet omdat ge hier op ’t werk zit, dat ge nu ommenekeer een felle muile moet opzetten, snotneuze!’ buldert hij terwijl hij zijn vinger ergens in de brede omgeving van zijn zoon wijst. Hij duwt zijn sigaret uit op Jimmy’s hemd. Daarna waggelt hij weer terug naar zijn werkpost en opent hij een nieuw flesje bier.

Miguel
10 0

Brooddronken hoofdstuk 28

28   Reginald bekijkt de box met elpees in en zet deze aan de kant. De woorden draaien rond in zijn mond en in zijn hoofd en hij maakt de bijhorende kinbewegingen als zou er een stukje vlees tussen een afgestorven tand zitten, dat hij met zijn tong tracht los te peuken. Na een klein minuutje richt hij zich tot Célestine. ‘Dit moet toch een paar duizend frank gekost hebben.’ Was Célestine blank, dan zou ze gebloosd hebben, denkende dat ze toch een klein barstje heeft gemaakt in de muur rond Fort Reginald. ‘Dat maakt niets uit, het is een cadeau. Omdat ik van u ook het mooiste cadeau heb gekregen,’ zegt ze en ze kijkt smoorverliefd naar Billy. Marjoleins hart smelt bijna. ‘Dan moet ge toch redelijk rijk zijn,’ zegt Reginald. Célestine weet niet wat ze daar op moet antwoorden. De stilte wordt doorbroken door de brommende stem van Jules. ‘Ik ben ook rijk,’ zegt hij zonder opkijken of te verpinken, ‘ik stak mijn vinger in mijn gat en alles wat er rond was, was van mij.’ Een vettige lach volgt op deze boutade, die menig maag zou doen keren, mochten die Jules niet gewoon zijn. Jules smakt verder aan een stukje biefstuk. De schotel loopt op zijn laatste benen. ‘Ik heb ook iets voor u,’ zegt Reginald, ‘om u in de familie te verwelkomen, zeg maar.’ Hij haalt de rode doos met gouden strik boven en zet deze op tafel. Célestine kijkt naar de grote doos en naar Billy, die zijn schouders ophaalt. Heel secuur, alsof de strik echt van goud is en de doos zelf uit het duurste scharlaken sandelhout dat op de planeet te vinden is, wordt de doos van zijn verpakking ontdaan. Daaronder opnieuw een doos. Paars. Van Milka. Melocakes. Célestines mond valt open. Jules lacht. ‘Als ’t een preutse doos is, heeft hij alijk nog negerinnentetten gezien,’ proest hij uit. Reginald vindt het hilarisch. De rest van de tafel iets minder. Célestine neemt heel ostentatief de eerste melocake uit de verpakking en eet die in één beet op, naar Reginald kijkend, die dat nooit verwacht had. ‘Het zijn goede,’ zegt ze nadat ze het eindelijk doorgezwolgen heeft. Reginald had op consternatie gehoopt, maar alleen stilte is zijn deel. Stilte en het einde van de avond, dat stilaan in zicht komt. Er schieten nog een tiental stukjes vlees over. Niemand neemt nog iets. Geen honger. De sfeer. Wie zal het zeggen? ‘Niemand nog iets?’ probeert Marjolein. Ze legt plastiekfolie over de schotel. De fonduepot wordt toegedekt. ‘Je mag drie keer raden wat op het menu staat met oudjaar,’ zegt Billy. ‘Met dezelfde olie?’ vraagt Célestine. ‘Hier wordt zelfs het zilverpapier hergebruikt,’ zegt Billy. Het verrassingsbrood ziet er nog redelijk compleet uit, behalve de kant waar de krabsalade zat. Jules heeft in alle stilte al de stukjes brood met krabsalade opgepeuzeld. Ze moesten maar eens een oorlog meemaken.

Miguel
1 0
Tip

Persephone (ALLEE IDEE! #1)

Daar ligt ze weer. Op haar zij, met haar rug naar mij gekeerd. Aan haar ingezakte schouders kan ik zien dat het gewicht van de wereld begint door te wegen. Ze slaapt niet. Haar gsm maakt al een tijdje geen geluid meer. Dus staart ze naar de witte muur voor haar.  Zo is het al even.  Ze beweegt niet wanneer ze wakker is, en is rusteloos wanneer ze slaapt. Elke maandag lopen er lijnen water over haar wangen. Dan wil ik roepen: je moet niet water verliezen, maar net drinken! Elke dinsdag daagt ze zichzelf uit, wie kan de diepste zucht laten? Zij wint natuurlijk. In het donkerste hoekje van de kamer zit ze meestal. Terwijl ik naar de zonnestralen verlang, lijkt zij meer nood te hebben aan het kalme duister. Ik mis haar het meest als ze daar zit.  Donderdag roept ze elke creatieve belediging waar ze maar aan kan denken naar het felle scherm tegenover haar. De man in het kleine vierkant herinnert haar eraan dat haar microfoon niet op ‘mute’ staat.  Op vrijdag verdwijnt ze. Voor heel even maar. Ze geeft me nog wat water voor ze vertrekt, als een afscheidskusje.  Op zondag verschijnt ze terug, haar schouders houdt ze hoger. Niet omdat het gewicht lichter is geworden maar omdat iemand haar heeft verteld dat ze het niet kan dragen. En ik ken haar. Die zal ze wel het tegendeel bewijzen! Zondagavond zakt ze weer weg. Dan vind ik haar weer zoals vandaag in een bolletje op haar bed. Stil. Een beverige zucht doet de kamer schudden.  En toch.  Wanneer maandag weer aanklopt geeft ze me water, de perfecte hoeveelheid. Wanneer ze me net had, gaf ze me te veel - om zeker te zijn, zei ze, dan komt ze nooit tekort - ik was bijna verdronken maar zij redde me voor het noodlot kon toeslaan. Zelfs wanneer ze niet meer aan zichzelf denkt, denkt ze aan mij.  Zelfs wanneer ze niet voor zichzelf zorgt.  Zorgt ze voor mij.  Want zelfs wanneer er geen leven meer bij haar te vinden is, schenkt ze een klein beetje aan het mijne. 

Val Reijden
107 8