Zoeken

De wolvin met gele ogen

In een klein dorpje, gelegen tussen hoge bergen met oude bomen en nog oudere magie zingen de stamoudsten voor hun god. Ze loven hem, spreken tot hem, offeren voor hem, geven hun voedsel en zekerheid op voor hem en bidden tot hem, met niets dan hoop op een antwoord. Ze zingen over wolven.In de tijden voor die dag, was er nog nooit iemand geweest die zo'n beest gezien had. Niemand was ooit getuige geweest van haar scherpe tanden die glinsterden in het maanlicht, niemand had haar zilveren vacht die helder afstak tegen het rood van het bloed op haar poten gezien en al zeker niemand had haar ogen ooit gekend, die ogen vol gevoel, als een onbegrijpelijke, woeste storm die op je afraasde. Toen dook het wezen op in hun bos. Het verscheurde hun hindes en hun konijnen en hun kinderen als ze te ver afdwaalden. Geen van hen had ook maar enig idee waar ze vandaan kwam of wat ze was, en dus keerden ze zich naar de hemel voor antwoorden.Hun god reageerde niet meteen. Het was pas toen hun leider een schaal vol wijn en geplette abrikozen boven zijn hoofd hief, het lied overschaduwde met zijn gebed en smeekte in de naam van de kinderen die ze kwijt waren dat hij met de zwarte ogen van een bezetene de lege schaal terug op de grond zette en zei:“De wolf jaagt, dag in, dag uit, omdat alleen ons vlees eetbaar voor haar is. Ze neemt onze kinderen omdat onze aarde haar vergiftigd en ze wil leven, ze wil zo graag leven. Maar zie hoe ze elke dag huilt naar de maan, haar thuis, haar wereld, waar de raven haar van hebben bestolen. Zie hoe de rouw in haar ogen woelt wanneer het bloed haar bek bevlekt en de dood aan haar kleeft. Ze verlangt naar haar thuis, mijn vrienden, dus laten we haar in stilte laten treuren om dat wat ze verloren is. We verbranden onze doden en snijden hun assen in onze huid, geven hen wat hen toekomt en schenken dan ons woud aan de wolvin. Wees niet hoogmoedig, en probeer geen wraak te nemen. De vrede zal heersen zolang we deze overeenkomst respecteren.”Wanneer de ogen van de man terug donker, diepgroen kleurden en de god hun gebedshuis verliet stond het meisje tegenover hem op. Zij was de priesteres die het koor leidde. Ze sloeg drie keer op haar borst, slaakte een kreet die het koor stop zette en spreidde haar armen. Voor haar hele dorp om te horen riep ze:“Laat het geweten zijn dat een monster bij ons leeft! Laat het geweten zijn dat verdriet en pijn haar wapen is, niet haar tanden! Laat het geweten zijn, vrienden, hoed u voor de geelogige, de voormalige bewaakster, onze vloek!”De mensen hoorden haar aan. Ze deden wat hun opgedragen was, ze hielden hun kinderen weg van het woud met verhaaltjes en sprookjes die de kleintjes fluisterend aan elkaar doorvertelde. De moedigsten van hen kerfden paden om de rest van het land te bereiken zonder de wolvin te storen, hun jagers bekeerden zich tot de landbouw en hun houthakkers begonnen met graven naar steen om hun huizen te bouwen. Ze bleven weg van haar.En terwijl de mensen afscheid namen van hun woud was er de wolvin. Zij keek naar boven, naar de maan die grotendeels verborgen was achter dikke wolken en ze huilde. Ze huilde omdat ze niet wou sterven en ze huilde omdat ze moest doden om te leven. Ze huilde, en ze blijft huilen, want als deze wolvin uiteindelijk haar leven zal geven aan een pijl die door de lucht vliegt zal haar dochter ook moeten doden en leven en er is geen manier waarop zij die cyclus kan stoppen. Ze was een monster. En ze kon er niets aan veranderen.

Nona3ssens
8 1

De Hoop Aan De Andere Kant Van De Duisternis

  Diep in de aarde, opgesloten en ogenschijnlijk zinloos bestaand, lag een klein zaadje. Misschien was het slechts een spoortje gevoel, of misschien een symbool van een onbekend bestaan. Daarheen stonden andere zaadjes, die een soortgelijk lot deelden, stil, terwijl ze fluisterend hun bestaan in twijfel trokken. “Hier is geen uitweg!,” zei er één, met een gedempte en sombere toon: “De duisternis is oneindig; wij bestaan slechts hier, en daarna verdwijnen wij.” Een andere stem voegde, op een spottende toon, toe: “Wij zitten hier gewoon vast. Er is geen ‘daarboven’. Er is niet meer. Je moet de waarheid aanvaarden.”   Maar hij gaf het geloof niet op. Binnenin hem brandde een vonk van hoop, waarvan hij niet wist waar die vandaan kwam. “Dit kan niet alles zijn,” fluisterde hij in zichzelf; “er moet meer zijn!” Af en toe, wanneer een koele en lichte bries van boven neerdaalde, leek het, als de echo van een droom uit de verte, in zijn hart weer te klinken. De andere zaadjes naderden deze droom met spot: “Dromen zijn mooi, maar je moet realistisch zijn. Wij zijn hier en wij blijven hier voor altijd. Er is geen ‘daarboven’!”   Hij onderscheidde zich ook fysiek van de anderen. Hij was vastbesloten niet op te geven. Ondanks de menigte voelde hij diep dat hij met zijn eigen geloof alleen was.   Naarmate de dagen verstreken, verzachtten de koele, lichte aanrakingen van boven de hardheid om hem heen, alsof een dun katoenen deken hem omhulde. Hij besefte dat zijn geloof niet in zijn schil kon worden opgesloten; hij wilde naar buiten treden en zijn bestaan bewijzen. En eindelijk wijdde hij al zijn kracht aan het doorbreken van die beperkende omhulling. Toen hij al zijn energie bijeenbracht en het opnieuw probeerde, verscheen er een klein, maar hoopvol barstje; een dunne lijn, een straaltje hoop dat de duisternis tartte.   Op dat moment trokken de andere zaadjes zich angstig terug: “Wat doe je? Dit kan je vernietigen!” zeiden ze.   Maar hij luisterde niet. Hij breidde de barst langzaam uit; met elke voorbijgaande seconde leek de duisternis iets meer te wijken voor de hoop. Uiteindelijk ging hij, geleid door de stem van zijn geloof, gestaag en met zekere tred voort. Tegenover obstakels raakte hij nooit uitgeput; bij elke nieuwe aanraking voelde hij zich sterker worden. Hij wist niet waar die krachtige innerlijke emotie vandaan kwam; maar in feite was hij een deel van een machtige, eeuwenoude boom, door de wind ver weg geslingerd. Dat was precies de reden – hoewel hij zich daar niet van bewust was – die hem die vastberadenheid schonk.   En eindelijk kwam dat grote moment. Hij brak de duisternis volledig en strekte zich naar boven; die eerste adem, die eerste ontmoeting met het licht… De bries die zijn kleine lijf raakte, was de voorbode van een nieuw leven. Op dat moment, toen hij de andere bomen zag die naar de hemel reikten, begreep hij: hij was een boom. Van zijn wortels, via zijn stam en takken, zou hij groeien, richting het licht. Voortaan waren er geen obstakels meer voor hem. En op datzelfde moment…   In zijn bed opende een jonge man zijn ogen voor de nieuwe dag.Terwijl hij naar het plafond staarde, Voelde hij zijn hart van opwinding snel kloppen. De eerste zonnestralen waren zijn kamer binnengedrongen. Hij haalde diep adem. Er was een onbeschrijfelijke rust in hem.   Hij stond op, liep naar het raam en naderde het. Een lichte bries streek over zijn gezicht. Hij merkte dat het gevoel van beklemming niet langer van hem was. Hij wist dat het mogelijk was om aan de duisternis te ontsnappen en het licht te bereiken.   Op dat moment besefte hij dat elke ziel die strijdt voor wat zij gelooft, uiteindelijk de duisternis zal doorbreken en zeker op een dag het licht zal bereiken.

Schaduwpen
45 2
Tip

Ik met Ik samen met Ik

Vanavond had ik twee gasten aan mijn tafel:Mijn kindertijd, mijn jeugd… En ikzelf; zo zijn we er drie, hoor je? Mijn kindertijd, met knikkers in de hand en vliegerdraden in de ogen,De belichaming van onschuld. Met zijn piepkleine handjes raakte hij het glas op de tafel,En vroeg: “Wat is dit rode water?”Toen hij ontdekte dat het wijn was, trok hij zijn gezicht –De eerste slok, en de smaak was al zwaar. Mijn jeugd daarentegen, uitgestrekt op de stoel,Met een verwaande blik mompelde hij: “Wat is dit kinderspel?”En met een snauw over de knikkers zei hij tegen mijn kindertijd:“Jij zult het nooit begrijpen!” Één glas, één lach, één verwijt –En de buren begonnen tegen de muren te kloppen,“Maar wat een rumoer in de nacht!” mompelden ze.Mijn kindertijd wendde zich tot mijn jeugd en riep:“Jij bent zo onbeschoft!”Waarop mijn jeugd tegen mijn kindertijd mompelde:“Jij bent enkel maar naïef!” Ik stond daar, gevangen tussen twee werelden,Met het oog op de ene kant en het oor aan de andere,Als een vermoeide getuige van de tijd.Op mijn lippen lag een glimlach in mijn eigen rust,En ik kon geen van beiden kwaad doen. Vandaag, in de droefheid van een eenzame avond,Ben ik door de drank iets te vrolijk geworden,En kijk ik met een zachte glimlach naar de onnodige spanningenEn neerslagen van mijn verleden;Alsof het een raadsel was –Mijn kindertijd en mijn jeugd,Fluisterend in hun eigen verhalen,Mijn hoop en mijn moed,Vergezeld van zachtjes spelende muziek op de achtergrond,Vormen nu samen een stille melodie. Plotseling brak er een storm uit tussen ons;De naïeve stem van mijn kindertijd weerklonk met het arrogante geschreeuw van mijn jeugd.Per ongeluk kantelde de wijnfles van de tafelrand,En brak, met een bittere echo achterlatend…De rode wijn stroomde als een opstand tegen de tijd. Op de tafel lag een oud, klein spiegeltje, zorgvuldig neergezet,Mijn stille reflectie, een gezelschapsgenoot in mijn eenzaamheid.Op dat moment brak het – niet ver verspreid,maar binnen zijn lijst uiteengevallen in talloze fragmenten, groot en klein.In die gebroken spiegelfragmenten zag ik mezelf niet langer als drie,maar in elk fragment de vele gezichten van het verleden, de toekomst, de hoop en de moed. De stemmen stegen, en lawaai vulde de tafel;Op dat moment wilde ik niet langer stil blijven,En ik greep in, om deze chaos te bedaren. Toen ze tegen mij zeiden: “Ouwe, bemoei je niet!”Hield ik mijn mond – ik ben immers oud, woorden vallen niet meer zo makkelijk.Laat hen maar ruzie maken, terwijl ik tussen al die talloze reflectiesNog een slok van mijn glas nam. Uiteindelijk werd de tafel omgedraaid, Vier muren, drie ik, één tafel…  Mijn jeugd zei zachtjes tegen mijn kindertijd:“Als je opgroeit, zul je het begrijpen,”Waarop mijn kindertijd zijn gezicht vertrok, maar stil bleef. Toen de rust weer neerdaalde,Alsof ik in elke reflectie verdwaalde, zei ik:“Het is goed dat jullie er zijn,Één van jullie is mijn hoop, de ander mijn moed.” De buren tikken nog steeds op de muur,Terwijl ik in de gebroken spiegelfragmenten opga in uitbarstingen van gelach. "Als je zou vragen: 'Waarom roep je deze gekke twee aan tafel?'Antwoord is duidelijk:De mens kan niet aan zichzelf ontsnappen,Het meest oprechte gesprek aan tafel is dat met jezelf."

Schaduwpen
139 4

Sus de Walrus

Ja! De Zilte Ballades zijn terug, geniet ervan want nukkig en wispelturig als we zijn, bestaat de kans dat het eenmalig is. Onze antihelden Commodore Lodewijk en zijn dekzwabber Billy Budd zijn terug van nooit weg geweest. Hun schuit, de gaffelschoener genaamd Krullenbol is vergaan, maar niet getreurd, hun smachten naar zoete meisjes met een explosie aan krullen die ruiken naar een zomerhanddoek is springlevend. De zeemeermin Anna Maria Gauguin de Cristobal El Salvador is nog steeds een kreng, hun aller pleegmoeder Madame Nybros kan nog steeds een boom vellen met haar blote pakkerikken, Kapitein Oliepul is nog steeds plagiaat van Marc Sleens Nero strips, net zoals onze voormarsgast B.B. het eigenlijk bont maakte in de verschrijvingen van Herman Melville. Alleen de nameloze muskusrat Nameloos keert niet meer terug in deze overbodige sequel, maak plaats voor Suske, het Walruske, superheld in spe, die zoals iedere goede sjamaan eigenlijk een mens is, maar dus in een dier kan veranderen, en niet zomaar een dier, nee, een spekkige kolos die chronisch flattulent is en als een bouwvakker fluit naar alles wat bevallig is en rond, heel rond, want het vrouwelijke zal altijd de ruimte vervormen, buigen met haar staalharde wil, en krommen, uit moedwil tegen de rechtoe rechtaan hoekigheid van de inferieure mannelijkheid, die wel het vaudeville kent, maar geen raffinement, wel het burleske, maar niet de intrige. Tenzij de man een fatje is, een jonkman met een zwak voor theater en de podiumkunsten, dan draait hij zijn publiek rond zijn vingers met zijn pronkstaartige zoete woordjes, dan is hij even de achterneef van de nicht Christopher Marlowe, de schaduw van de Bard, en is hij de zoveelste getuige dat queerness een subtiele meerwaarde kan bieden aan een werkelijkheid die gelaagd is als een kaleidoscoop, en heerlijk fluïde en non-binair, en alle andere mogelijke trendy, artie fartie, hipster, woke, post-postmoderne braakballen die je er als naam kan aangeven. Zucht, even op adem komen, teveel licht en zon en warmte maken een snob manisch, dan rijst hij als een feniks op uit de as van de diepste depressie ooit, en raakt hij de wereld weer aan. De antieken schieten hem te binnen dan met hun schandknaapjes, de afwezigheid van het taboe op sodomie, het eiland Lesbos, en de genialiteit die zich manifesteert in een zintuiglijke afwezigheid. Homeros zou blind geweest zijn: hij zag immers een andere wereld. Dat is de verklaring voor de rijkdom van zijn verbeelding en taal. Maar genoeg geluld, laat de sotternie beginnen, het is in dit post-truthtijdperk zaak om de Minotaurus bij de hoorns te vatten, en de draad terug op te pikken, Sus de Walrus zit nog in de kast, als shapeshifter en als relnicht. En er is nog geen nieuwe schuit. Laten we dan even de verdokenheid kittelen, te water gaan en Lodewijk en Billy als rugridders Sus zien bestijgen. Ook al zijn onze antihelden slechts de klos van hun dwang enkel vrouwen te begeren, ze weten nog steeds dat er op zee en in de gevangenis andere regels gelden. Daar ben je geen flikker als je je aan de herenliefde waagt door het gebrek aan l'origine du monde. Ahoy, gaan met die slagtanden, Sus! Door het smelten van de ijskappen waren de walrussen veel minder blootgesteld aan hun natuurlijke vijand de ijsbeer, maar dat zorgde er ook voor dat ze zelf vaste grond moesten zoeken, en net zoals wij misantropische mensen niet altijd even graag als sardienen in blik op een te smal strook strand tussen onuitstaanbare soortgenoten gepakt zitten, zo was ook Suskes moeder weggewaggeld van de kudde, en de rotsen ingetrokken, waar ze door haar slecht zicht vanaf getotterd was en te pletter geslagen, want walrussen zijn gemaakt om van ijsschotsen in het Arctische water te duiken, niet om te klimmen voor een zucht frisse lucht. De vader van Suske is helemaal een raadsel en kwatongen beweren dat het de Walrusengel Gabriël zelve was, die Suske's bestaan op zijn conto heeft staan. Laten we het op de onbevlekte ontvangenis houden, maar evengoed was Sus nu een wees, en Madame Nybros wist dat het in de sterren geschreven stond, dat het pad van Sus zou kruisen met onze levenslange verstekelingen, de Commodore en Billy Budd. Waarheen zouden de schikgodinnen hen leiden, naar de Sirenen, Scylla en Charybdis, of de Styx? Nee, het zou nog veel erger worden. Ze zouden aan de Tafel van Gert belanden, waar ze zich moesten verantwoorden voor hun bestialiteiten aan de hardwerkende, immer verongelijkte Vlaming. Het dieptepunt was duidelijk nog niet bereikt voor Sus de Walrus en onze met alle zonden van Babylon overladen jonkmannen. Toch niet aan wal in paddenkoppenland! Kameraad 60, wat doet gij uw schepping aan? Little Richard - Tutti Frutti (1956)

Kameraad 60
6 1