Zoeken

Allerliefste boerderij van mij, allerliefste boerderij van ons, (speech naar aanleiding van de verkoop van het huis van mijn grootouders)

Allerliefste boerderij van mij, allerliefste boerderij van ons, Ja, boerderij, hoe zal ik eraan beginnen, een speech voor jou… Awel ik dacht zo… ze zeggen dat alle goei dingen van het leven uit 3 bestaan. Na wijs beraad dacht ik dat dit ouwe spreekwoord eigenlijk ook voor jou geldt. 3 GOEI DINGEN dus… Wel jouw EERSTE GOEI DING, boerderij van mij, is zeker jouw verleden, jouw rijk verleden, jouw intens verleden, jouw leuk verleden. Je was al oud en versleten de eerste keer dat ik je zag. Man man wat was je versleten, zo versleten dat ons moe weigerde een kijkje te komen nemen. Ze bleef heel kwaad aan het cabine van Frans daar in de auto zitten terwijl onze va en ikke te voet ploeterden door de slijkstraat tot hier bij jou. Onze va was in de wolken over zijnen aankoop. “Zus”, zei hij, “dit stuk, deez verkenskoten hier, awel die breek ik af, en hier komt de slopkamer, daar ons moe haar keuken, ernaast de living met een open schouw en deez hier, de stal, wel dat wordt mijn werkplets”, zijnen naaiatelier bedoelde hij. Ik luisterde en dacht “amaaaay als da maar lukt”. Zeker amay, na 3 jaar elk weekend hard labeur toverde onze va zijn droomhuis tevoorschijn. Zelfs ons moe kwam dan toch uiteindelijk mee kijken en … ze zag dat het goed was en was heel content! Boerderij van mij, boerderij van ons, in de jaren 60, 70 en zelfs nog in de jaren 80 werd jij onze favoriete vakantiebestemming, onze veilige plek, ons warm toevluchtoord elk moment van ’t jaar dat we vrij hadden. En jij zorgde voor ons, sloot ons in je hart en had oplossingen voor veel van onze problemen. De keuken werd het degustatieparadijs voor ons moe haar lekkere gerechten. Want koken dat kon die moe van ons, hadden we maar wat meer recepten van haar gearchiveerd! Aan haar tafel was plaats voor iedereen, we schoven gewoon elke keer wa dichter bij mekaar. ’s Avonds werd de living een zalige slaapkamer. Met de dekens tot aan onze kin verslonden we er onze eerste liefdesromannekes, verslonden we heel wa spannende doktersromannekes en vooral ik was zo zot van de ‘Mammy’s’, een melige reeks over moeders en kindjes en hun perikelen. Zelfs ’s nachts als we thuiskwamen van de Zwarte Zee en we ons voeten nie meer voelden van het dansen verzorgde jij ons. Jij had ne waterput onder je dakgoot geplaceerd met koel regenwater. We gingen vrolijk op de rand van de putbuis zitten, ons voeten in het verfrissende water en weg waren de vermoeide voeten. De dag erop waren we al weeral paraat om te gaan walsen, foxtrotten, kassachokken, quicksteppen en nog zoveel meer. We vierden dicht bij jou, mijn lieve boerderij, zomer, herfst, kerst, nieuwjaar, lente en weer zomer en het was hier goe! En de jaren gingen, zonder dat we het beseften, voorbij. De laatste 25 jaar sloot je onze pa in je armen. Ook hem betoverde je en hij wou hier nie weg! Ook hij voelde zich hier geborgen tussen de autostrade, de windmolens, de maïs en dichtbij de Karperhoeve, Mie Maan, de Luyten, Francinneke en nog zoveel meer waar we nog nie den helft van weten. Ja dat eerste mooie ding van jou, dat verleden is meer dan de moeite waard, daar mag je fier op zijn. En wij, wij sluiten alle zeemzoete herinneringen in ons hart, gooien het sleuteltje weg en laten ze nooit meer vrij. Spijtig dat ons ma er niet meer toe gekomen is jou te vereeuwigen in een schilderijtje, dat zou je eerste mooie ding compleet gemaakt hebben.   Zo komen we, lieve boerderij van mij, bij jouw TWEEDE GOEI DING. Het hier en nu, het heden. Zie ons hier nu staan allemaal. Is het nie fantastisch hoe jij ook nu weer erin slaagt om ons allemaal op zo’n korte tijd dicht bijeen te krijgen. Daar moet je een straffe madam voor zijn zelle. Wat zullen onze va, ons moe en ons ma nu fier zijn op jou.   MOOI DING NUMMER 3 is zonder twijfel de toekomst die voor je open ligt. Ja, zeker met wa weemoed in ons hart moeten we toegeven, je bent ons boven het hoofd gegroeid, je bent eindelijk volwassen geworden en we gaan proberen je los te laten. Dan alleen kan je je verder ontplooien. En lieve boerderij van mij, iets in mij zegt dat jij het echt nog niet gaat opgeven. Er zal wel ergens zo ne zot zijn als onze va 60 jaar geleden die de charme van jouw lieve zijn opmerkt en je gaat opkalfateren. Ik vertrouw erop dat die zot zijn kleinkinderen binnen 60 jaar heel blij zullen zijn met deez lieve boerderij van mij. En, moest die zot toch niet opduiken, wel dan is jouw liedje nog nie uitgezongen want hier en daar gaan stemmen op, hier en daar worden plannen gesmeed om een coöperatieve op te richten. Een serre planten in je hof voor uitbundige feesten, een tentoonstellingsruimte openen in de slopkamer, keuken, living en werkplets, een chef aanstellen die de catering in handen neemt, DJ onzen Tom engageren voor de muzikale omlijsting, nen financiële en praktische planner aanwerven om het geheel te coördineren, nen architect en binnenhuisarchitect onder de arm nemen om alles in een mooi geheel te gieten, zijn maar enkele van de opties. Plannen genoeg, boerderij van mij, plannen genoeg. Wij kijken jouw toekomst met blij gemoed tegemoet! Het ga je goed, boerderij van mij. En, moest je toch besluiten dat het toch zo wel goed geweest is voor jou, wel ook alle respect, alle begrip hoor! Jij heb je taak dubbel en dik volbracht.     Ik kan maar 1 slotzin bedenken om deze speech mee af te sluiten. In naam van ons allemaal, denk ik, bedankt ik je omdat jij er was voor ons, we zullen je nooit of nooit vergeten, boerderij van mij, boerderij van ons.

Josette
1 1

Moor

in een kwijtgespeeld interesseveld zitten de aangetaste deeltjes benadelen en de weg vrijmaken voor mezelf in een verbaasd landschap de staat bezingen de vertwijfelde pose vormgeven en de weg vrijwaren voor mezelf   Ik startte een onderzoek naar de ongeziene status der dingen die in een handomdraai de gevrijwaarde basis vormde van al dat zich de dag in zong, een kwestie van volume waarin het volle de zendmast betekende voor communicatie en een volle integratie. Zo vormde zich een poreus buiten-landschap dat zich omplooide tot routine waarmee we alles exclusief raad gaven en de dieren de dieren vertwijfelde poses in joegen tot mens vermomd en tot twijfel verdacht waardoor mens zijn niets meer werd dan al dat exclusieve gepropagandeerd aanstalten maken. Hiermee schreven we nieuwe grondregels voor een helium-staat waarin op onder werd en wij onderwezens vastzaten in de modder van de aangrijpende horror der mens versus dier.   in een verbaasd aanzicht vastzitten en geluid maken opdat alles zich in een vrome realiteit voortbeweegt en wij ons in dat vacuüm een plexiwand schenken en deze ook schenden tegen de doodgebloede buitenlander waarvan quasi alles verdacht bleek en het stormde soms als het al licht was geworden dat herinnerde ik me nog goed en als daarin het licht wederkeerde vermomde ik mijzelf als een dubieus dier dat nog instinct kende   Instinct een gevrijwaarde basis voor het omkomen van de wezens der planeet pro integratie die een baan beschrijft in zichzelf. Hij beschrijft een baan die in de ban is van zijn eigen middelpunt en daarmee garandeert het zichzelf van starende blikken die steken in de huid de huid die aardkorst mee beweegt in een ommekeer en hierover lopen om telkens om een middelpunt te vragen om te kunnen terugkeren   Hiernaar bleek geen vrije weg die verloren was in het zich aanpassen naar een bleke norm en we liepen liepen en we liepen tot we vastzaten in onze eigen ledematen die de aardkorst in natte materie met zich meedroegen en het zicht met zich meedroegen en alle ongeziene dingen met zich meedroegen waardoor het zicht al in ons zat en wij keerden de gaten in onszelf om zodat we onszelf iets beloofden dat nooit zijn rug kon tonen.Hierop glimlachte onze thuisbasis en keerde weder naar zijn schamel spel waar er een spijkerschrift het begin betekende van de ondergang.   ik wou mijzelf een wand schenken waarin ik schroot was en de tafel bekleedde volgens de regels van de weigering ik wou mijzelf een wand schenken zodat ik schroot was en wanden op zijn beurt verkleedde een buiten-binnenspel volgens de regels van een toekomst

Dries Verhaegen
13 0

Plek II - O Toréador

Deze plek zou je organisch willen samenknijpen en uitstrooien in hoge kwantiteit over de ondergrond zelve waarvan de oorsprong teruggrijpt naar mij, naar ons o Toréador en aan u die hier de grond rood bezingt en zand in de ogen van uw vijand strooit weet toch reeds alles van de alter ego’s die we in wij in de stemmen steken en in de hiërarchie steken en onder de lakens delen en o Toréador, wij de huid mee inkleuren van licht naar donker en in geheel overdreven hoeveelheden die allen gehuisvest dienen te worden in een land van herkomst of in het strooisel uit mijn lange doch vlugge handen.   de ondergrond geheel verstaanbaar voor mijn voeten die de wereld kennen door snel te zijn ik door de interactie van de benen die snel zijn vluchtpunt bereikt en verkent die zijn handlangers kent en verstaat wij wij o Toréador die niets in het ongewisse laten ook geen plek zonder naam deze plek die je zou willen uithoren over beterschap   Eén die de hoop én de stof hoog doet opvliegen in een niemandsland waar de waarden reeds gemeten en gekend zijn een geconditioneerd landschap waarin de koude zich meet aan de afwezigheid en de warmte zich meet aan de présence qui parfois maar continu in flux zonder zichzelf te verliezen continu in flux zo ook wij, wij die de weg wegen o Toréador en de zeg zeggen en de onderverdeling herverdelen keer op keer en steeds meer zodat wij onze vlag kunnen wapperen en onze stilstand kunnen verant- woorden aan zij die bewegen en onze achteruitgang kunnen vertellen aan zij die vooruit willen gestuwd worden maar in plaats daarvan met ons mee gezogen worden en toch denk ik dat mijn aandacht zich zou moeten verplaatsen naar waar het allemaal begon de oorsprong zonder naam en de geboorte van een denkwijze die zich heeft gehuisvest in de hoofden van zij die niet willen zien o Toréador wat er zich afspeelt in de hoofden van die anderen wel ik zal het u zeggen compleet dezelfde wens om meer mens te weigeren én te verblijven in een oord van waanzin zonder de waan.   aan u die de natuur klein krijgt krijgt het applaus en kreet van onthoofding ook iets sacraal iets sacraal zoals de massa o Toréador die zich ook voortbeweegt en soms onthoofd wordt soms ook voor het genot van anderen   als ik de arena betreed wil ik de stoelen organisch herschikken van goed naar slecht en wordt ik zelf gespietst op de adem van de rijken de rijken die dus ook nog ademen o Toréador alles is van ware aard en ik geloof in bepaalde algoritmes zo ook het volgende De algoritmes van de adem een levenscultus maar ook de wazige aanslag op de ramen een gevolg van deze levenscultus die zich voortbeweegt zoals een route in onze achterhoofden gegrift en verdacht bevonden onder de mensen dus niemand die nog dezelfde route wil belopen die nog dezelfde wil zijn allen willen we het andere van het zelf en hetzelfde van de andere zodat we onszelf hoopvol kunnen cultiveren in de cultus en daardoor kan ik mezelf zien door de bril van iemand anders waarmee ik wil zeggen:   de materie is nooit van mij hetgeen waar ik op sta en waar ik voor sta is mij gegeven in afwachting van het nieuwe het nieuwe dat ik soms reeds vasthoud maar niet valideer in mijn doen slechts bewerkstellig in de toekomst de visioenen de waanbeelden die ik slaap en gaap en in opga wakker word en herleef   want het herleven in de waan is het echte ik sliep ik leefde ik ging en liet iets achter niemand wil nog hetzelfde achterlaten   want ik wilde hoog laag de ziel bezingen ik wilde dier en de o en de a - o a o Toréador verliezen in de kringen onder de ogen en de ogen onder de zielen die als een bagage onder de andere arm passen de andere arm dan die weinig om de munten nog speelt maar eerder om de kunde   Ik wilde oog traag laag laten bezingen en de traan in waan van snelheid laten tranen over de huid die gespannen staat over mijn kunde en hiermee de wil vaag laat grazen in de spanwijdte van een aarde zoals de onze waarmee ik wil zeggen dat een huid een oppervlak een aarde een ondergrond zou kunnen zijn en zichzelf bewijzen onder invloed van aardse waarheden zoals de meta- fysica zoals de o en de a -  o a verdwaal me in de onder andere van woorden o a de hysterica van een toendra onder de resem exotica die we dan toch nog net hier terugvinden der aardse verschijnselen passanten die me aanstaren medemensen verschrikkelijke zielsverwanten die de sneeuwman een tijd de tijd laten lezen seizoenen van een gewilde grootte tijd verloopt en de wil die loopt over de lippen uitgespuugd zorgt het voor een vergezicht die ik wilde vertrappelen onder de woorden tussen de lijnen die ik wilde oog-traag laten bezingen over de spanwijdte van de huid die thuis is een aards fenomeen een klein gebeuren dat zichzelf weigert in een waanzinnig vertekend beeld.Ik wilde oog traag hoog laag o a verwante zielen zich laten omdopen tot beeld ik wilde o a verzinnen in iets nieuws     Ik wilde de toréador van dat nieuwe zijn en de klank van het oude in mij meedragen gemaakt tot angstbeeld van een emotie   want de materie die nooit van mij is eerder van de publieksstunt kent geen genade over de spanwijdte

Dries Verhaegen
9 0

Plek

Ergens nadert de trein van de toekomst, maar niet hier; hier is alles quasi onherkenbaar.   De naderende trein houdt halt aan de verschillende wetgevingen omtrent leven op kousenvoeten en braakt een beeld uit. Dit beeld behoudt zijn meerdere gezichten, vooralsnog. Het is een koud landschap op deze neergeworpen manier: de vingers voelen koud, zijn zij nu onbruikbaar geworden; de lichaamssappen hard en kraakbaar, het krijgt een menselijke gezongen dubbelzinnigheid; de natuurelementen ontbreken en zijn koud.   Dit is een waan-droom-beeld met toekomst perspectief. Een visie die nee zegt. Hij is altijd aan zet. Een metamorfose aan te veel; in deze oase is alles al eens aan beurt geweest maar niet in gelijkgestemde evenwaardige zin.    De plek bestaat in een voortgang die zich aansluit bij het gekende; hierdoor ontstaat er een ontkenning van het onaantastbare reeds verkende die de plek vormgeeft in al zijn diffuse en op lichaam gelijkende onderdelen. Deze plek kan een levensvorm zijn en gedraagt zich hiernaar waardoor de perceptie hem mede vormgeeft zonder hem daadwerkelijk aan te tasten in sé. Deze plek kan een organisch goedje vormgeven en zich dus omvormen tot een chemische herkenning die voor gebruik aan te raken valt.Ergens nadert de trein nog steeds, ik krab aan mijn 1e voorhoofd en haal er een deeltje uit: een neo-ethiek die bestaat! Alles is reeds voor mij uitgeklaard en ik kijk gewoon de tijd weg. En dan liefde: een tastbaar afgrijzen die ik omarm en aanraak zoals afgesproken om daarna de wegwijzerzin van het reeds aangeraakte te verdraaien tot artikel: het zegt meer in iets tastbaars, dat is al geweten nog voor ik er aan begon.En zo is alles terug te brengen en herbergen tot en in zijn essentie. Daar voel ik mij thuis en het meest levend.   De plek is verborgen en doch bevind ik mij er continu in een fletse realisatie dat de flatscreen toch ook een deeltje wereld of zelfs plek in zich meedraagt. De voorhoofden verzamelen zich en breken zich op de steenharde materie. Nee, zegt de materie, nee; er is geen oplossing voor de vraag naar meer. Ondertussen staar ik al naar de flatscreen, de tv die huilt, mijn 1e voorhoofd in mijn handen, het huilt, de trein nadert ook huilend, maar ik zal niet huilen, ik zal niet wanhopen om de 20 te veel dan te veel gedode wezens die geloofden dat ze nee konden zeggen, alles huilt maar nee aan deze weigering, terwijl op de hoek van de straat de politiek transformeert tot wens, alles dat huilt maar jij die niet huilt Erica, op tv, meer nog, op de flatscreen, die huilt; maar jij blijft geloven in een weg naar een geschiedenis en door die te herleven zal ik je niet meer bekijken, alles huilt maar de wegen zullen kruisen en de voorhoofden, hopelijk het mijne, zullen zich blijven verdubbelen; vooralsnog verdubbelen ze zich maar zeer gecondenseerd en verdund en ik die niet weet of ik zo nog verder kan want de ratio beweegt en ik sta stil, alles dat al huilt maar jij en ik hebben elkaar nog nergens gevonden en ze sterven ondertussen nog steeds in de toendra’s van de Himalaya of ergens anders dat exotisme exploiteert tot in een top.   Alles dat reeds huilt maar op de plek staat en blijft alles stil, een visioen of toekomst die zichzelf weigert en zo zou het moeten zijn dat alles zichzelf verpletterde onder de ‘nee’ van nu.

Dries Verhaegen
45 0

Op de afspraak: Allerheiligen

Afgelopen zaterdag bij de bloemist: buiten pronken witte, gele, oranje en roze chrysanten in vol ornaat. Een prachtig kleurenpallet, je kan er niet naast kijken. Alsof ze de grijze hemel uitdagen: “Durf nu maar eens te regenen!”. Binnen staan talloze grafstukken mooi geëtaleerd. Keuze genoeg, van potsierlijk, groots tot bescheiden en sober. Allerheiligen zal ongetwijfeld naast Valentijn en Moederdag een topdag voor bloemisten zijn. Aan de kassa rekent een oudere dame af. Ze draagt een mooie, lange, cognackleurige mantel, met daaronder zwarte, lakleren mocassins. Ze heeft een piekfijn, wit kapsel dat mij aan de chrysanten doet denken. Haar bijpassende, dure handtas staat op de toonbank. Ze kocht een chique grafstuk. Ik vraag mij af voor wie het grafstuk is. Haar overleden man? Ik zal het waarschijnlijk nooit weten. Achter haar wacht een jonge man met een baby in een Maxi-Cosi. De baby is niet tevreden met het bezoek aan de bloemist en maakt dit luidkeels duidelijk. De man kiest rap, rap voor een pot witte chrysanten. Hij betaalt en probeert ondertussen de baby te sussen. Maar die laat zijn protest met nog meer decibels horen en stampt heftig met zijn voetjes. De man zoekt zijn evenwicht tussen de Maxi-Cosi in zijn rechterhand en de chrysanten in zijn linkerhand. Opnieuw vraag ik mij af voor wie de chrysanten zijn. Zijn moeder? Ik zal het waarschijnlijk nooit weten. Dan is het mijn beurt. Ik vraag 11 roze rozen aan de bloemist. Voor mij geen chrysanten. Onze blikken kruisen en ik merk even een meewarige blik op in haar ogen. Ze weet waarom ik 11 rozen vraag, en geen 10 of 12. Het kerkhof even verderop krijgt weer een jaarlijkse make-over. Rond deze periode van het jaar zie je mensen met emmers, borstels en zeemvellen af en aan lopen. Zoals bijen die in en uit hun korf vliegen. Het is er een drukte van jewelste. De chrysanten en grafstukken zijn de finishing touch. Op andere momenten is het kerkhof – sorry - ‘doods’ en verlaten. Telkens wanneer ik deze plek passeer, wordt mijn aandacht ernaartoe gezogen. Het kerkhof is nochtans volledig ommuurd. Alsof het aan het oog moet onttrokken worden. Of willen onze doden rust en privacy? Ik piep altijd even door het smeedijzeren hek. Zelden bespeur ik een levende ziel in mijn blikveld. Behalve in deze periode van het jaar. Ik vraag me af of ze hun overleden geliefden ook alleen maar nu gedenken? Zijn de chrysanten en bloemstukken daar het bewijs voor? Verdriet of rouw kent toch geen afspraak of agenda? Ik hoop dat hun overleden geliefden ook op andere momenten in hun hoofd of hart een plek hebben. Dat daar de chrysanten een jaar lang mogen bloeien. Ik zal het waarschijnlijk nooit weten. Alleen maar hopen.

Hilde Bours
14 0
Tip

Not everybody is ready for Africa

Ik weet niet wat eerst mijn aandacht trekt: de stralend witte lach van Albert of zijn opgeblonken driewieler, schitterend in de Ghanese zon, alsof ook die met een tandenborstel te lijf werd gegaan. Mijn medereizigers zijn verrast door dit originele voertuig, een aangename afwisseling op de veel te krappe, veel te gammele, veel te warme trotro’s waar we tot nu toe mee gereden hebben.  “Are you Joka group? Are you miss Hilda? Come, let’s go!” Geestdriftig wenkt Albert ons, maar gehaast is hij allerminst. Hij neemt uitgebreid de tijd om ons allen te begroeten en laat me een voorbijganger een spoedcursus fotografie geven: zo houd je de camera, hier moet je door kijken en op deze knop moet je drukken. Zoals vele andere chauffeurs of gidsen die we al ontmoet hebben hecht ook Albert veel belang aan een group picta. Op de eerste foto zijn we allemaal onthoofd, op de tweede is enkel mijn achterhoofd zichtbaar. De derde foto wordt genomen door een van de vele kijklustigen die zich intussen rond ons verzameld hebben. De kadrering is niet ideaal en de trike staat er niet volledig op, maar wij tenminste wel, inclusief onze eerste fotograaf die zich duidelijk beter voelt voor de camera dan erachter.   Blonde, goedlachse Amy wordt uitgenodigd om vooraan naast Albert plaats te nemen, de zes andere vrouwen schuiven haastig op de bankjes in de laadbak. Enkel als er plaats genomen wordt in een voertuig of aan tafel reageren deze dames zonder dat ze daartoe moeten worden aangemaand, bedenk ik me. Alsof het zien van zitplaatsen hun gedachtegang aanzienlijk versnelt. In een fractie van een seconde hebben zij immers alle mogelijke voor- en nadelen van elke zitplaats geanalyseerd, alsook alle mogelijke opstellingen van ieder van ons. Besluitvorming volgt zodanig snel op deze analyse dat het gelijktijdig lijkt, en verrassend genoeg is zij onder deze zes vrouwen ook steeds unaniem.  Nauwelijks hebben zij hun blanke kont op de bankjes neergevleid, of zij vatten hun meerstemmig commentaar aan. “Waarom mag zij vooraan zitten en ik niet?” “Ik hoop dat we hier niet te lang in moeten zitten, die bankjes zijn verdomd hard.” “Zie maar dat je niet achteraan zit, dan kan je eruit vallen, zo gevaarlijk als dit is!” “Oh, ik vind het nu al doodeng en we zijn nog niet weg.” “We zijn toch wel verzekerd he?” “Ik hoop dat dit niet de verrassing is waar je over sprak Hilde, en dat er ons nog iets leuks te wachten staat straks.” Ik zet mijn beste professionele pokerface op en probeer enkel klanken te ontwaren, ontdaan van elke betekenis. Ik doe dit niet voor het eerst en ik weet dat ik meer geduld heb met de kakelende kippen die nu voor mijn geestesoog verschijnen dan met deze jonge vrouwen. Helaas werkt mijn trucje deze keer niet. De trike is inderdaad de verrassing die ik voorzien had, en ik voel me mismoedig nu zelfs dit niet geapprecieerd wordt. Hoe kan ik deze mensen in hemelsnaam ooit een plezier doen? Waarom schreven zij zich in voor deze rootsreis van Joker en hebben zij niet gewoon bij Neckermann geboekt?  “Kom, ik help je erin.” Jorne neemt me bij de hand en knipoogt naar me, als ik instap geeft hij me een bemoedigend kneepje. Nu lukt het me wel om niet te luisteren naar het gekwetter van de vrouwen, al halen hun hoge gilletjes als we door een kuil of over een wortel rijden me af en toe wel uit mijn gemijmer. Ik geniet van de rood bestoven weg die onder ons heen verschijnt, van de breed lachende mannen in de schaduw van bomen, van de zwaaiende kinderen die al rennend onze snelheid proberen te evenaren, van de honden die ongegeneerd breeduit liggend de weg opeisen, van de rondborstige vrouwen met pak op hun hoofd en kind op hun rug.    “Here we are, this is tha house of tha medicine man!” Albert parkeert zijn driewieler in de schaduw van een boom, een beetje teleurgesteld stappen Jorne en ik als eersten af. Voor ons had het ritje gerust nog wat langer mogen duren, maar de vrouwen zijn beduidend opgelucht. De spanning en het heen en weer geslingerd worden bij het ontwijken van kuilen, wortels, honden of kinderen op de weg, heeft hen misselijk gemaakt. Twee van hen zijn wit als een doek, al keert hun kleur snel terug zodra ze met hun bibberbenen vaste grond raken. Dit keer hebben ze echter de kans niet om hun opmerkingen te geven, want binnen een mum van tijd hebben we elk drie of vier kinderen aan onze vingers hangen. De warmte van de Afrikaanse zon straalt nu ook in de ogen van de vrouwen en gewillig laten ze zich door de kinderen naar het erf van de medicijnman voeren.  Onverhoeds en vastberaden als een horde mieren op weg naar hun koningin, dringen daar de meest weerzinwekkende reukpartikels onze neusgaten binnen. Er is geen tijd om zelfs maar een hand voor onze neus te slaan, aan een rotvaart rukken ze genadeloos op. Hoe ver we onze mond ook opensperren en proberen hen te verjagen door diep in te ademen of te kokhalzen, toch kunnen we deze aanslag niet afweren. Mijn ogen tasten het erf af op zoek naar de bron van deze stank en ontwaren daar, naast een pruttelende kookpot, de resten van een geit, haar poten opengesperd in totale weerloosheid.   De kinderen drijven ons het huis in waar ze zelf onmiddellijk weer worden buiten gejaagd. We bevinden ons in een donkere salon, onderuitgezakt in een comfortabele lederen zetel zit daar de medicijnman. Hij is dik, zijn vingers en lippen glinsteren van het vet van de kippenbouten waar hij als een uitgehongerde het vlees af scheurt. Sabbelend op een botje roept hij een man bij zich en in een ons onverstaanbare taal geeft hij hem te kennen dat hij klaar is voor een gesprek met ons. Hij gooit het botje uit het raam, waar honden erom vechten, boert luid, knoopt zijn jeans en zijn hemd open en zakt zo mogelijk nog meer onderuit. Wij mogen plaats nemen op de bank tegenover hem. De vrouwen zijn intussen blijkbaar weer helemaal de oude, want ik hoor hen schaamteloos commentaar leveren op de man die onmogelijk een medicijnman kan zijn, want waar zijn zijn amuletten, zijn dierenvachten en zijn masker? Het is toch overduidelijk dat deze ongemanierde dikzak in jeans een charlatan is? Jorne, Amy en ikzelf converseren via een tolk met de medicijnman en verontschuldigen het onbehouwen gedrag van de anderen. We spreken over verschillende denkkaders, afwijkende culturele gewoontes, de nood om opgedane indrukken te ventileren bij gelijkgestemden. De medicijnman glimlacht gemoedelijk, “not everybody is ready for Africa”. Het zijn zijn enige woorden in het Engels en het is de enige keer dat hij ons aankijkt.    Na het onderhoud met de medicijnman worden we uitgenodigd voor een drum and dance op het erf, de traditionele manier om gasten te verwelkomen. De vrouwen rollen met hun ogen, weeral een drum and dance. Gelukkig zijn er hier talloze kinderen die voor afleiding kunnen zorgen en zonder al te veel morren zetten ze zich tussen de toegestroomde dorpelingen in de kring. De drummers, uitgedost in traditionele kledij, nemen hun plaats in en als ook de medicijnman - dit keer wel degelijk uitgedost met amuletten, dierenvacht en masker - de kring betreedt, is het tijd voor de kinderen om op de achtergrond te verdwijnen. De vrouwen gooien stukken vlees op het erf, de kinderen vliegen erop af als honden op een kippenbot en vechten om een stukje. Ze krabben, ze bijten, ze schreeuwen, ze slaan, ze duwen en trekken om toch maar iets lekkers te bemachtigen. Verstomd en verlamd kijken we toe, en pas als een vrouw een pot vlees voor de allerkleinsten brengt, durven we terug te ademen. Het wordt stilaan te veel voor mijn deelnemers, ik weet dat ik hen daar snel moet weghalen. Maar weg gaan nog voor de drum and dance is begonnen, is grof en respectloos. Ik beloof mijn medereizigers dat we maximum tien minuten naar het spektakel zullen kijken alvorens te vertrekken en neem me voor om vanavond voor het slapen gaan een kringgesprek te houden over de indrukken die we vandaag hebben opgedaan.  Op dat moment verschijnt er een danseres. ze stampt met haar voeten op de grond, zwaait haar hoofd in haar nek, gooit haar armen in de lucht. De drummers drijven het tempo op, de voeten stampen sneller en sneller. Armen gaan op en neer en lijken wel van elastiek, handen bewegen zo snel dat het lijkt alsof ze twintig vingers hebben elk. Zweet stroomt over voorhoofden en ruggen, ogen worden wijd opengesperd. De danseres valt op de grond en slaakt een kreet, haar ogen draaien weg, schuim komt op haar mond, haar armen, benen en hoofd schokken. Vier mannen lopen de kring in en halen haar weg. We kijken naar elkaar, beduusd, en vragen ons af of we allemaal hetzelfde hebben gezien. Net als we aanstalten maken om te vertrekken, komt ze terug. Ze beschikt over een bovenmenselijke kracht en schudt de vier mannen van zich af. Ze steekt haar vingers in een pot, tekent strepen op haar gezicht en graait met haar handen in het stof op de grond. Ze slaakt onmenselijke kreten en gooit het stof over zich heen, tolt rond, bukt, neemt nog meer, gooit dit over de toeschouwers. Ze graait en gooit en graait en gooit en graait en gooit en tolt maar in het rond. Bruusk sta ik recht, mijn reisgezellen volgen onmiddellijk. Voor mij uit haasten ze zich naar de trike, ik richt nog enkele woorden van dank tot de medicijnman en maak me dan ook snel uit de voeten. Buiten gekomen haal ik diep adem. Wat. Was. Dat.    Op de terugweg wordt geen woord gesproken. Eenmaal terug haast iedereen zich naar zijn kamer, niemand wil vandaag nog in een kring zitten. Ik blijf alleen achter en rol een sigaretje. Ik kijk toe hoe de rook langzaam oplost. Als mijn sigaret op is, rol ik een nieuwe. 

Hilde Christens
187 2

KIJK DE MOON SCHIJNT DOOR DE BOMEN

Hebben jullie ook allemaal eventjes de wenkbrauwen gefronst, toen bekend werd dat een gezin van zeven uit het Nederlandse Ruinerwold al 9 jaar in een kelder leefde? Een vader met zijn zes kinderen. Ik kan zo doordenken over zulk nieuws. Waarvan leefde die familie? Vermits de kinderen bij de burgerlijke stand niet aangegeven waren, konden ze dus ook niet op het kindergeld voortbestaan. (In België zou dat wel eventjes anders zijn, hier betalen wij zelfs kindergeld aan spookkinderen die ergens ver weg in een Marokkaans of Turks dorpje wonen) Waarom werd die vader niet regelmatig door de overheid aangespoord om een job aan te nemen? Kreeg hij een invaliditeitsuitkering? Waarvan werden alle rekeningen betaald? En de hamvraag is, waar was die moeder? Kroop die al jaren geleden gillend de kelder uit of liet Moon haar versneld hemelen? Hoorde die vader eigenlijk niet in de psychiatrie thuis? Want als je je eigen kinderen op zulke manier indoctrineert, dan moet er toch een hoekje af zijn! Of zag hij al lang de moon tussen de bomen niet meer? Moest daar nooit een tandarts een tandje plomberen of trekken? Kwam daar nooit een dokter over het erf, die de kinderbescherming kon waarschuwen, zelfs niet toen vake zijn herseninfarct gekregen had? Waarmee bedreigde die moongoeroe zijn zes kelderkinderen? Door de geheimzinnigheid rond de Drenthse boerderij, dachten de buren dat de huurders drugs teelden maar al wat er verbouwd werd was religieuze waanzin. Dus van die boer geen eieren! Dat Oostenrijks moonhulpje moest toch al die jaren tonnen aan voedsel en drank over dat boerenerf tot in de kelder gesleept hebben! Mijn boerenverstand is te klein om te kunnen snappen hoe deze zeven moonies jarenlang onder de Nederlandse radar konden blijven terwijl pa toch duidelijk met het internet verbonden was. Hij schreef namelijk zijn eigen evangelie. Zes volgers had hij al, hij hoopte stiekem op meer… Spijtig kreeg zoonlief door dat je via de digitale media ook de buitenwereld kon bekijken en liet de blijde Moonboodschap voortijdig ontploffen. Wat bleek nu echter?  Deze Moonvolgelingen wilden in familieverband het einde der tijden afwachten? Eventjes dacht ik dat de getuigen van Jehova in het verleden heel succesvol aan de boerderijdeur geklopt hadden. Je weet wel, die kudde geïndoctrineerde bellekentrekkers die al jaren blèren dat de wereld gaat vergaan. Ondertussen zijn deze onrustzaaiers gestopt met een datum op hun catastrofes te plakken.  Natuurlijk gaat de wereld ooit vergaan, maar zelfs Anuna-visionairen of Greta-fobie-doemdenkers kunnen de mensheid blijkbaar toch niet overtuigen dat dit heel snel gaat gebeuren. Dus om de meeste mensen, de dag van vandaag, bang te maken moeten ze met totaal andere gedocumenteerde  argumenten op de proppen komen, die wij blijkbaar niet in onze portemonnee willen voelen. Tijdens de hele geschiedenis van de mensheid zijn er steeds een paar schizofrene gekken geweest die toeterden dat ze Cleopatra of Napoleon waren. Deze krankzinnigen konden wij niet snel genoeg in een dwangbuis afvoeren. Maar, als er een geschifte jandoedel de mensen wijsmaakt, dat hij of zij een directe telefoonlijn met een schimmige oude man heeft, die ergens op een wolk in een ander zonnestelsel woont en die alles hoort en ziet, dan slikken onze mensenkinderen deze onbewijsbare onzin nog steeds als honingzoete lariekoek. Het sprookje van het eeuwige leven werkt magisch. De mensen gewoon laten geloven dat ze na de dood al hun geliefden gaan terugzien en dat ze, als vergevingsgezinde contente zieltjes ergens in de hemel tot in der eeuwigheid gaan blijven ronddobberen. Dus begrijp ik niet waarom mensen, die zo overtuigd zijn dat er na de dood nog iets meer is dan alleen hun leven hier op aarde, zo bezig zijn met zich in te graven in een kelder om toch maar als enigen na de apocalyps in een totaal verwoeste wereld te kunnen overleven…Willen ze niet juist sneller naar hun hemel en herder opstijgen? Als er ergens ter wereld een sektekwibus opstaat, die zichzelf uitroept als de nieuwe Messias die het werk van Jezus komt afmaken, hoe komt het dan dat daar dan opnieuw zo’n hoop klojo’s achteraan gaan lopen? Scientology, de Manson Family, de Jim Jones sekte, getuigen van Jehova, de psychotische Nederlandse kindermisbruikende sekteleider Vrieswijk, de Mormonen, de Amish, de islam, de terreursharia, het christendom, de evangelisten, de protestanten, de orthodoxen, het hindoeïsme, het jodendom en eigenlijk alle religies die nog steeds beweren dat zij alleen het ware geloof vertegenwoordigen. Zij handelen echter alleen uit macht, macht en nog eens macht. En nu weer die Moon-kwaker die, zelfs op een blauwe moondag, schaamteloos, in zijn voordeel, een aantal door hemzelf bij elkaar gefantaseerde hoofdstukken aan de Bijbel toegevoegd heeft. Nu hebben er zich al eeuwen allerlei sprookjesvertellers de Bijbel, de Thora, de Koran en allerlei religieuze boekjes gecorrigeerd en herschreven om toch maar met hun verhaaltjes zoveel mogelijk de mensen financieel uit te wringen en in het gareel te houden, dus, so what.. een fantasietjes meer of minder. Een geloof kan bergen verzetten en blijkbaar ook kelders vullen. Het is blijkbaar nog niet genoeg dat je water in je kelder hebt, je moet er minstens nog een paar kinderen in opsluiten. Na lang wachten heeft nu ook Nederland eindelijk, na de Belgische Dutroux- gruwelkeldermans en na de Oostenrijkse horrorvader incest-Fritz,  zijn eigen kelderkroniek. Wanneer worden de mensen nu eens wakker en roepen ze “loop naar de moon” met jullie manipulatie, wij hebben maar één leven en dat is nu!   Sim, 20 oktober 2019 GODZIJDANK, ben ik atheïst!

Sim
109 1

de r van de ië

ik zal u de zin van alle letters die machinaal zijn ontworpen vertalen op de huid en maniakaal de zingeving duidelijk doen opstellen tot een zuivere vorm van communicatie in de nu-moment van toen van dan van de dan van toen in de dan van het woord de machinale drang die ik heb en die al het volle heeft de zingeving die inslaat als natuur op natuur van atmosferisch geweld tot vaste grond onder de voeten dezelfde voeten die de aarde aandachtig belopen en stropen ook zoals een huid op de huid Artaud die ik iets zei dat we allemaal wisten ik die dit nu vertaal ik klop lange dagen hiervoor en lang been ik de aarde over voor de nu van u en de jullie van wij ik klop late uren en meerdere mensen wakker ook tot bij-wezen; wezens die aanwezig zijn; ik klop ze aanwezig en frappant genoeg heb ik toen gezegd met luide stem jullie nu is tragisch verloren gegaan in jullie zijn jullie zijn dat er ook slechts nu is vrij genoeg was ik om te weten dat ik het mens zijn in mij droeg in alle letters die ik communiceren kon en overleveren ik was een mens-dom en leerde iedereen dat aan dat ook te zijn   zo leerde ik ze zichzelf te zijn in een ander moment en de weinige grauzone die ik nog beluisterde een wake up call voor het hogere commerciële aansprakelijk gemaakte goed we leerden zijgen in de reeds geklonken stiltes en weigerden in een reeds kortstondig abrupt woord en frappant genoeg zegt men steeds vaker nee zonder mee te zijn in deze ontkenning - of ontwenning - van het geleerde het gecreëerde geëerde mens-zijn god-hebben aarde-voelende, taal-voedende, aanwezig-zijnde wezen dat de cultus van alles blijft relativeren tot slag of stoot - de laatste die we nog zullen overleven en mijzelf heb ik toen geëerd gelezen en van binnen geleerd ik een verademing een aarde de basis jij de tegenpool: een zingeving die ik kende nu jij nog zou je mij willen kennen zonder het nu de aanwezigheid van het uwe aanwezige de vicieuze cultus de cultuur en de vormelijke structuren waarop gelopen wordt en die we hebben helpen opbouwen en vertrouwden tot omgeving? en de neo-fosfaten van de ontdekking die ik probeer te zien in mijn ademen die ik probeer te kennen op de schoolbanken ik die jong was en jong ben   ik die zichzelf schuw herkent en herdenkt en toedekt met taal zo leerde ik mezelf de kleine kieskeurige beginselen nieuwe wegen maar ook wezens startende atmosfeer maar ook woorden van toen want an sich is er niets mis met dat gekende van mij dat bekende hij mij de verleden ik de pratende vergetende ik en de vergeten her-bedachte ik en de geschuwde aandachtige ik; mijn lethargisch geneigde ik die in al zijn verkennen een klein zelf-hulp-wezen werd zo is ook een volk   alles is wel al aanwezig gelukkig ik hoef het maar te grijpen of te belopen alles ervan af te slijten de stappen te stuiten en opnieuw te bedenken een ritmische ik het ritme van het wezen zijn het lijkt op het samenkomen of toch ook die eenheidsvorming de vicieuze cultus des ritmes de r van ritme de allegorie van ieder isme geboren uit alles dan taal de r van de cynismen de r van de ië een verlengd zien en spreken en het inspreken van een klankengang de r van de i de i van de i de morse van alles en de tong van de zin die in de oui van het isme ieder voyeurisme ik was er op reis en nam er alles reeds meerder malen mee zo ook leerde ik mezelf en anderen hoefde ik niet meer te kennen dus kende ik ze van binnenuit morse in een alfabet gieten de buitenlander in hokjes om hem er weer uit te halen en in het nu te steken ik kijk naar de i en naar de r en weet dat het goed is ik kijk naar de buitenlander en kijk ook naar mezelf

Dries Verhaegen
0 1

Gent II

Alles kan gebeuren in één enkel geluid zo ook nu.   Alles gebeurde al wel eens maar draaide zichzelf terug de voorbije dagen in met nachten als gevolg en daarin vond ik mezelf terug, in gesprekken in andere geluiden in de dagen dat ik mezelf vond was alles als kleurrijk omschreven en ging het de dagen te buiten; wij zijn dus wel al eens omgekomen in een waanzin groter dan een wereldbeeld want slechts een beeld is het dat zich settelt in onze voeten en waarmee we de stad af stampen tot pad waarmee een oppervlak de dagen vormgeven en de structuren vormgeven en de standvastigheid vormgeeft en al het stevige vormgeeft tot een geboorte van een stedelijke kunstvorm waarin alles al eens gebeurde in één knal die een klankgedicht voor mij betekende en voorbijsuizende wegen voorbijsuizende dagen zijn monogaam hetzelfde zonder nachten die nog gevormd worden in een  groter wordend geheel de emoties in en de kleren uit I discovered a man like no other man want is het een mannelijke trek de wegen door en door te kennen, Gent massagraf van de studentenkringen waarin iedereen lesgaf en iedereen communiceerde en iedereen sprak en iedereen at en iedereen kende iedereen en bovenal zichzelf als een buitenlands toekomstbeeld.     zo heimelijk was alles er nu ook weer niet zo heimelijk dat alles al eens was zo heimelijk was het daar en niemand die erom schreeuwde buiten ik ik schreeuwde mezelf er eindelijk te buiten buiten de steegjes die ik nu kende en buiten mijn ingedoctrineerde zinnen het hoofd dus uit een toekomst in een toekomst zo heimelijk dat ik er eerst even blauw van zag you and I we had nothing left to say en dat ik er daarna van weigerde van mezelf te bekomen boven was alles al blauw in een toekomst die oogde poreuzer dan ik gedacht had maar ik had nu ideeën over de ‘of’ en de ‘en’ van de woorden die niets uitsloten ook niet de wegen waarin ik zakken kon ik deed dit uiteindelijk overtuigend en zou een figuur zijn geworden van ambivalentie die iedereen weigerde te verkennen zo heimelijk een toekomst in en ook weer uit met een lui gedachtengoed maar het was uitspreekbaar alles was doenbaar in een gekend perspectief een context die ik onder de indruk bracht   Zonder twijfels heb ik toegezegd mezelf te verkennen in een omgeving die ik natrapte.   Zo heb ik ook de andere ik vergeten. De andere ik die afkeer heeft van de stem, van de stad, van de naam want zonder dat alles zouden we gelijk kunnen zijn en daar streefde ik toen naar; terwijl er nu een boven en een onder is maar op de herkenbare manier.Mijn denken heb ik toen uitgeschakeld   uit noodzaak en al wat een automatique werd werd weer obsessief ik herleefde zo een jeugd; die ik nog niet goed kende en doch ook verkende op de bekende oude manier dus mijn zoeken was nu ook paradoxaal en fragieler dan ik had voorspeld.   Ik voorspelde een gedachtengoed doorspekt van de waarheid en van de aandacht voor het ongewone en settelde mij daarin zonder gemaar en zonder het vertwijfeld aanbrengen van vriendschap want er was alleen nog maar self consciousness die een plek betekende. Zo van die herkenbare gestes die weinig of niemand aanraken ondanks dat ik iemand raken wilde, niet pragmatisch, niet lethargisch, niet in wijzerzin maar eerder in een ver verleden waarmee ik mezelf koesterde; ik wou iemand raken zonder er gek van te worden en er een plek van te maken zoals ik al deed met het alomtegenwoordige weigeren van de spraak, die ik reeds kende.     Alles dat in een plek zichzelf al eens voorbij snelde verbaasde mij met rood en de dood op de wangen en de ‘en’ en de ‘of’ in de tong en daarom nooit overtuigend waanzinnig echt zoals ik het wel eens wou vertellen en ik kende jou als een woord.     de wij van het zij die de resistance van een taal betekenen just take my hand alles begint al met een geste die just take my hand van je roept en begrijpt Gent is in een roes die weinig betekent alles in één plek dat zichzelf voorbij liep

Dries Verhaegen
9 1

Paradise lost – kroniek van een draaidag

In 1978 wedijverden twee televisieprogramma’s op de Belgische zenders om de gunst van filmliefhebbers. Langs Franstalige kant was er ‘Le Caroussel aux Images’ gepresenteerd door Selim Sasson en langs Nederlandstalige kant presenteerde Jo Röpke zijn ‘Première’. De Vlaamse regisseurs en hun films beleefden hun hoogdagen en de Nederlandse Willeke Van Ammelrooy was hun geliefde actrice. Vreemd genoeg was het Selim Sasson die in zijn uitzending een oproep deed voor figuranten in een Vlaamse film. De geroemde en soms verguisde cineast Harry Kümel  draaide zijn ‘Het verloren Paradijs’ ergens in een zompige weide bij een kasteel in hartje Pajottenland.  Hij zocht een allegaartje die als dorpsbewoners in opstand kwamen tegen de kasteelheer. De prestatie noch de verplaatsing werden vergoed. Voor de buitenopnamen werd gekozen om te draaien rond eind oktober.  Ik vermoed dat het licht en de herfstkleuren dan ideaal  waren. Toen ik vernam dat de hoofdrol aan bovengenoemd Willeke zou te beurt vallen, twijfelde ik geen ogenblik. Haar wou ik wel eens in levende lijve aan het werk zien. Ik volgde de aanbevelingen van Selim, stopte mijn jeans in mijn rubberen laarzen, trok boven een warme trui mijn versleten korte regenjas aan en nam een roestige spade uit het tuinhuisje. Op de set werd al snel duidelijk dat het gelukt was om een allegaartje op te trommelen.  Het werd een ware volkstoeloop. Gelukkig hadden de meeste begrepen dat ze inwoners van een boerendorp moesten spelen. Bij de welkomkoffie werd uitgelegd wat er van de figuranten verwacht werd. Naargelang het al of niet goede verloop van de opnames werd er rond het middaguur een pauze voorzien met drank en broodjes.  Door het vroege invallen van de avond werd voorzien om rond zeventien uur te stoppen. Iedereen was onder de indruk bij het zien van de gebruikte filmapparatuur.  Naast de enorme lichtspots  was er een heuse travelling met een enorme mobiele camera opgesteld onderaan de heuvel die naar het kasteel leidde.  Daar werden de opnames gemaakt voor de bestorming van het kasteel door de boerenmeute. Wij dachten aan Frank Aendenboom in ‘De Leeuw van Vlaanderen’ als we de heuvel opliepen, gewapend met rieken, spades en knuppels. Tijdens de middagpauze zagen wij Frank’s moeder, de gevierde actrice Gella Allaert, die een rol had in de film. Toen we haar vroegen naar Van Ammelrooy,  zei ze op haar uiterst beminnelijke manier dat Willeke nu geen draaidagen had en dat wij het dus met haar moesten stellen. Dan merkten wij dat de oproep van Selim Sasson ook tot hartje Wallonië was doorgedrongen. Uit het verre Charleroi waren met de trein een moeder met haar twintigjarige en wat sullige zoon afgezakt.  Mama droeg een feloranje broekpak met brede pijpen en hoge hakken. Voor zoonlief had ze een broodzak vol met sandwiches meegebracht. Die kon ze sparen voor de terugreis, nu  de filmproducer voor de hele bende belegde broodjes had laten aanrukken. Om de haverklap stiftte ze haar lippen. Met broekspijpen die al snel onder het slijk zaten en haar hakken die in de modder bleven steken liep ze achter haar zoon aan en duwde hem telkens in beeld van zodra er een camera in de buurt was. Ze moest en zou hem als filmacteur lanceren! Naast een aantal Pajottenlanders uit de buurt die voor hun ‘typische koppen’ werden uitgekozen mochten enkele figuranten die vrij waren de volgende dag weerkeren voor een reeks binnenopnames.  Daarbij bestond de mogelijkheid dat er een kleine onkostenvergoeding zou betaald worden.  Met de hoofdrolspeelster in mijn achterhoofd gaf ik mijn naam op. Tijdens de tweede draaidag werd in het kasteel gefilmd. Bovenaan een draaitrap snauwde Kümel de boeren en boerinnen toe dat ze grimmig en dreigend moesten kijken als ze naar boven stormden.  De scene moest verschillende keren herhaald worden. Bij de derde take riep de cineast een knap meisje toe dat ze weg moest.  Tot driemaal toe had ze met een brede glimlach in de lens gekeken en daardoor de boel verknoeid. In tranen verliet ze de set, haar prille filmcarrière gefnuikt. Uiteindelijk kwam alles goed en keerden de trotse figuranten huiswaarts. Nu begon het lange wachten tot de film zou worden gereleaset. Toen ik het haast vergeten was kwam  er een postcheque toe  voor het niet onaardige bedrag van 500 Belgische Franken .  Nu is dat amper 12,50 € maar destijds kon men er een aantal filmtickets mee kopen. Ik weet zeker dat ik het talon van mijn postcheque met de titel van de film op zolder bewaard heb.  Tenslotte is het  een ultiem bewijs dat ik ooit met Willeke samen in een film gespeeld heb.  

Vic de Bourg
40 0

Jeanne

Wanneer ik in de zetel wil gaan zitten met een boek, vang ik door het grote voorraam een glimp op van de overbuurvrouw die, gehuld in een lichtblauw trainingspak, op handen en knieën in haar voortuin zit. Ik denk: knap hoe zij op haar vergevorderde leeftijd, en méér nog: zich steeds langzaam voortbewegend met twee wandelstokken (vaak een wandelstok en een paraplu), toch nog dat beetje onkruid wil uittrekken. Ik zag haar dat immers al een paar keer eerder doen. Dat gaat erg traag dan, en met veel moeite en geworstel met haar twee stokken, maar ze doet het toch maar.Ik ga zitten, open mijn boek en begin te lezen. Maar vrijwel meteen gaat er een alarmbelletje af in mijn hoofd. Kroop ze nu niet èrg onhandig over haar gazon? Ze zal toch wel oké zijn? Ik sluit mijn boek weer en ga naast de zetel staan, waar ik een goed zicht op haar heb. Ze kruipt nog steeds over het gras, dat toch wel nat moet zijn na de felle regen van vanmorgen. Ik zie haar onder een struik reiken, ze gaat er bijna helemaal bij liggen, en vervolgens een beetje rechtkomen in wat ik uit de yogalessen ken als de sfinxhouding. Haar bovenlichaam probeert ze op te richten, steunend op twee korte stokjes, haar benen liggen languit op de grond. Een van de stokken valt.Ik snel naar mijn schoenen, ga naar buiten en loop naar de overkant. Daar staat haar man inmiddels naast haar, hij probeert haar rechtop te trekken. Wat nog niet een beetje lukt, want ook hij is erg oud, erg mager (in tegenstelling tot zijn vrouw), en ook hij beweegt zich doorgaans voort met behulp van twee stokken. (Als je hen van ver op hun kleine wandelingetje door de omringende straten ziet, zou je denken dat het langlaufers zijn.) Ik open het poortje dat hun tuin afscheidt van de straat, en dat gelukkig niet op slot is, en rep me naar mijn buren. ‘Gaat het niet? Ben je gevallen?’ De vrouw is erg hardhorend en begrijpt me duidelijk niet; de man mompelt wat en ik begrijp hem niet. Ik ga achter mijn buurvrouw staan, steek mijn handen onder haar oksels, en trek. Ze komt nauwelijks een centimeter van de grond. En de vraag is of, eens ik haar rechtop zou hebben gekregen, ze wel op haar benen kan staan. Dus vraag ik haar of dat zal lukken. Ze glimlacht wat, heeft me niet begrepen.Ik besluit om hulp te halen, want in mijn eentje kan ik dit niet. Ik roep: ik ga hulp zoeken bij de buren, maar ik weet niet of ze me hebben gehoord of begrepen, en kan maar hopen dat ze niet denken dat ik wegloop en hen aan hun lot overlaat.Ik bel aan bij het huis links naast het hunne. Ik heb dat echtpaar een uur eerder zien thuiskomen, samen met hun zoontje dat ze, vermoed ik, van school hadden gehaald. Hun beide auto’s staan nog op de oprit, dus ze zijn zeker thuis. Maar niemand doet open. Ik bel een tweede keer, ook nu geen reactie.Dan maar de woning ernaast, maar ook daar heb ik geen succes. Ik probeer het huis aan de andere kant van het oude paar. Die mensen ken ik, ze zijn erg vriendelijk en behulpzaam, en er is een sterke man in huis. Als hij thuis is, waar ik voor vrees. Gelukkig wordt hier wel opengedaan, maar de man is niet thuis. Ik moet het doen met de lieve M en haar volwassen dochter, die daar toevallig is. We haasten ons met ons drieën naar de oude vrouw, die nog steeds op het natte gras ligt te glimlachen. Naast haar ligt een doormidden gebroken houten wandelstok.Ik roep of ze pijn heeft, M roept of ze draaierig is. ‘Nu nog niet’, glimlacht ze. Haar man heeft inmiddels, voetje voor voetje, een keukenstoel gehaald uit hun garage, en die achter zijn vrouw op het gras gezet. De dochter van M en ik steken elk onze handen onder een oksel, en zo krijgen we haar op de stoel, die M moeizaam zo ver mogelijk onder haar achterste schuift. Het is een log gewicht, dat in niets meewerkt. Ik sta tegen een struik, heb weinig bewegingsvrijheid, en voel hoe het vocht van de bladeren in de stof van mijn rok dringt.De buurvrouw is er veel erger aan toe. Ik heb geen idee hoelang ze op het beregende gras heeft gelegen, maar haar trainingspak is donkerblauw op knieën, onderbenen, rug en buik. ‘Ik red me wel nu, bedankt’, lacht ze. ‘Laat mij hier maar zitten.’ Maar nee, Jeanne, protesteert M. Het is de eerste keer dat ik de naam van mijn overbuurvrouw hoor; tot hiertoe hadden wij een relatie van vriendelijk naar elkaar wuiven, telkens wij elkaar zagen. Ik riep wel eens goeiemorgen of hallo, maar daarop kwam alleen een wuifje als reactie.M wil een dokter bellen, maar daar wil Jeanne niet van weten. Dan maar de kinderen opgebeld, het rijtje (dat in M’s telefoon blijkt te zitten) afgegaan, want Jeanne moet toch droge kleren aan. Een van de dochters belooft dadelijk langs te komen.Ondertussen dragen wij Jeanne weer haar huis in, ondanks haar protest omdat ze niet tot last wil zijn. Het is een split level woning, wat betekent: veel trappen. Ik snap niet hoe Jeanne en haar man dat volhouden, om hier dagelijks met al hun stokken te leven. Vanuit de garage is er een doorgang, smal als een mollengang, naar de keuken, met een zestal treden. Jeanne hijst zich moedig naar boven, zich vastklampend aan de trapleuning, onder de vrije elleboog ondersteund door M. Ik neem de stoel mee naar binnen. We komen terecht in een kleine bedompte keuken. Jeanne schuifelt verder naar de al even donkere woonkamer, waar ze zich met haar natte kleren in de zetel laat zakken. Tegen haar zin, ze moet van M. ‘Vroeger vertelden de ouderen de jongeren wat ze moesten doen, en nu is het omgekeerd’, merkt ze vinnig op, nog steeds met de glimlach op het gezicht.Ik blijf, samen met M’s dochter, achter in de keuken. Zo leren ook wij elkaar kennen. Ze is al even hartelijk als haar ouders. Ze vertelt me dat ze tijdelijk weer bij hen is ingetrokken, omdat haar huis wordt gerenoveerd.Ik vermoed dat mijn hulp niet langer nodig is, maar weggaan lijkt me ook wat bot. Ik kijk een beetje rond in dit huis waar ik voor het eerst ben, waarvan ik alleen de voorgevel ken. Op de keukentafel, die vol spullen ligt, ontdek ik een aangebroken pak wafels naast een halfrotte kiwi. Omdat ik niet verder wil indringen in het leven van deze mensen die daar niet om hebben gevraagd, ga ik dan maar afscheid nemen van Jeanne en M, die er kordaat op staat toe te zien dat haar buurvrouw niet uit de zetel komt. De man van Jeanne scharrelt wat rond, lijkt niet goed te weten wat te doen nu alles hem uit handen is genomen. Handen die het toch al niet meer aankunnen allemaal. Zijn hulpeloze blik eerder, toen hij in zijn eentje zijn vrouw van het gras wou rapen, terwijl hij besefte hoe absurd dat was en dat hij niets voor haar kon doen, is me bijgebleven. M bedankt me voor de hulp, ik vermoed in de plaats van de oudjes, omdat zij dat niet meer kunnen. Ik ben blij met zo’n buurvrouw, en ook opgelucht dat zij thuis was.Wanneer ik mijn eigen huis weer ben binnengestapt, zie ik door het raam hoe aan de overkant een auto stopt. De dochter en schoonzoon zijn blijkbaar gearriveerd, en kunnen de zorg voor hun moeder nu overnemen.Enkele uren later vraag ik me af, niet voor het eerst, hoe mijn twee overburen het redden, en hoelang nog. Ze hebben blijkbaar een grote familie, en bezorgde buren, maar meestal zitten ze toch met hun tweetjes in dat huis met al die trappen, ofwel zijn ze onderweg met hun wankele stokken.Wat later komt mijn man thuis van zijn werk, hij neemt me stevig in zijn armen. We blijven met gemak overeind. Oud worden, ik vind dat toch maar niks.

Katrin Van de Velde
22 0

Wat is jouw missie?

In Amsterdam heb ik wortels. Elke vezel in mijn lichaam bevestigt dit terwijl ik langs de grachten en de trapgeveltjes slenter. Hier voel ik het verleden van mijn oma, mijn overgrootmoeder, mijn grootvader. Hier schilder ik het beeld van mijn familie uit lang vervlogen tijden.   Hier werd mijn oma geboren in 1900. Een millennium-kind. Hier heeft zij de 'roaring twenties' beleefd, haar dromen als mode ontwerpster gevolgd en liefde gekend. Op deze plek heeft zij gewonnen en verloren. De kille oorlog sneed de pas af van velen. Ook die van haar.   Op een dag was haar atelier dichtgetimmerd. Ja, haar klanten waren Joods. En die rotmoffen, zoals ze toen smalend genoemd werden, maakten alles stuk. Ook dat deel van mijn verleden. ‘Wat als…’ denk ik vaak. ‘Wat als’ ze haar bedrijf verder had kunnen uitbouwen zonder de oorlog. Wat als ze haar succes als mode ontwerpster verder had kunnen ontplooien. Grote namen als P&C, C&A, en vele anderen, waren haar vast cliënteel.   Als de oorlog niet zo wreed was geweest, was ik de kleindochter van een grote mode ontwerpster. Helaas werd die droom haar ontnomen. Meer dan eens. Soms draait het leven zo. Sommige dingen hebben we niet in de hand. Nu leven we in een tijd dat iedereen zijn of haar leven zelf in de hand neemt. In alle geuren en kleuren wordt dit luidkeels verkondigd in magazines en zelfhulpboeken.  Zelfontplooiing en je eigen leven in de hand nemen is nog nooit zo populair geweest. Als je voor de kost wc’s schoonmaakt, word je argwanend bekeken: ‘werk jij wel genoeg aan je zelfontwikkeling… Je kan vast méér dan dat’,  zijn de vragen die dan als een zwaar hangijzer in de lucht hangen. En ja, voor een groot stuk zijn we zelf verantwoordelijk voor hoe we onze talenten gebruiken. Maar wat als er weer een oorlog uitbreekt? Wat als het klimaat een loopje met ons neemt en ook in onze contreien rampen veroorzaakt? Wat als ons vaderland zoveel schulden maakt dat inflatie onvermijdelijk is? Wat dan met onze zelfhulpboeken? Misschien krijgt een wc poetsen dan weer een frisse dimensie en krijgt de schup weer een waardige plaats. Dan is er plots geen ruimte meer voor al onze foliekes over je passie of missie volgen. Nee, dan is het overleven geblazen. Misschien moeten we dan gaten graven om lijken te bergen of vechten voor een hap eten.  Dan zullen onze overlevingskwaliteiten en ons 'basic instinct' de dans bepalen...  

Heidi Schoefs
24 0