Zoeken

Sandman

Ik keek naar een documentaire over Morphine, een alternatieve rockband waar ik al vele jaren grote fan van ben. De groep bestaat al twintig jaar niet meer, omdat de zanger, Mark Sandman, overleed.Dat deed hij op een podium in het Italiaanse Palestrina, waar hij halfweg een openluchtconcert een hartaanval kreeg.In de documentaire vertellen zijn medemuzikanten over het voorval. Hij was moe geweest die dag, raakte buiten adem op de talrijke trappen waaruit het pittoreske Palestrina bestaat. Het was er warm ook, midden zomer, en bij de soundcheck ‘s middags was Mark bijna flauwgevallen. Maar ‘s avonds stond hij er, zoals altijd, en hij zong en speelde de zweetdruppels op zijn gezicht.Plots hoorde de saxofonist hoe Mark een beetje een afwijkende versie maakte van het lied dat hij op dat moment zong, iets wat hij nooit eerder had gedaan. En toen begon hij ook nog eens vals te spelen op zijn tweesnarige basgitaar. Waarna hij achterover struikelde en op een versterker viel. De muzikanten stopten met spelen, het publiek verstomde. Alles werd doodstil. Ook Mark.Hij werd nog naar een ziekenhuis gebracht, waar zijn kompanen, die buiten voor het gebouw angstig stonden te wachten, door een raam konden zien hoe er een laken over Sandmans gezicht werd gelegd. Ik vroeg me af wanneer Mark Sandman precies was begonnen met sterven. Of dat niet al zou zijn geweest op het moment dat hij het lied veranderde. Of toen hij begon vals te spelen. Of misschien overleed hij al een beetje tijdens het beklimmen van de trappen van Palestrina, eerder die dag. Doodgaan op een moment waarop we ons amuseren, velen idealiseren het, lijken te denken dat het een romantische bedoening is. Maar iets wat je graag doet, daar wil je toch niet mee ophouden?Net zoals ik denk dat sterven makkelijker is als men oud en versleten is, en de geliefden en pleziertjes beetje bij beetje rond zich heeft zien wegvallen, ga ik er ook van uit dat ik niet wil verdwijnen wanneer het leuk is en ik me gelukkig voel.Ik herinner me hoe ik na mijn scheiding langzaam uit het dal kroop en weer begon uit te gaan, en op een avond geheel onverwacht verliefd werd op een man met wie ik had staan praten. Bij het afscheid gaf hij me een zoen op de wang. Toen de kennis met wie ik op stap was die avond me even later naar huis bracht met zijn wagen, werd hij plots erg boos op me en begon roekeloos te rijden. Zijn jaloezie had ik niet zien aankomen. Ik zat daar gevangen in die auto en was bang, en al wat ik kon denken was: laat me nu niets overkomen. Niet nu. Nu niet meer.

Katrin Van de Velde
52 0

WE ZIJN WEG VAN JOU

Moesten jullie ook zo glimlachen toen in de krant stond dat de doventolkers ineens het gebaar voor het woordje ‘Jood’ moesten aanpassen? Tot hiertoe beelden die dovenvertalers dit woordje uit door met hun wijsvinger tegen hun  neus in een haakhoek te plooien. Dit blijkt een negatieve bijbetekenis en mag dus niet meer. Dit is plots na eeuwen gebarentaal racistisch.  De Joodse gemeenschap stelt zelf een tekentje van een baard voor. Maar met welk gebarenteken gaat men dan een hipster aanduiden ? Ik heb eventjes mee mijn hersenen gepijnigd om een nieuw gebaar te vinden. Wat dachten jullie van een rechtse dikke duim vooruit, waarbij je dan met de linker wijsvinger een snijgebaar over het topje maakt. De vraag is natuurlijk of de dove dan nog onderscheid weet te maken tussen het woordje ‘jood’ of ‘moslim’? Eindelijk hebben Greta, Anuna en ik een nacht kunnen doorslapen, zonder donkere gedachten of doemdromen. De alarmerende studie van de nog sneller opwarmende oceanen werd geschrapt. Oeps de klimaatwetenschappers maakten een foutje.  Gênant niet? Op welke manier vertellen deze onderzoekers dan aan die angstige milieutypetjes, aan die Pipi Langkous en aan die schoolspijbelaars, na zo’n onrustwekkende flater dat ze een onjuist statistiekje getekend hadden? Het oceaanwater zal niet sneller aan onze lippen staan, maar ondertussen donderen er stukken van gletsjers naar beneden en zal de Mont Blanc binnen geruime tijd wel de Mont Noir genoemd worden. En terwijl er overal klimaatdoemdenkers in allerlei panels ons een schuldgevoel proberen aan te kwekken, vinden zij het blijkbaar nog steeds oké dat er overal ter wereld Grand Prix koersen gehouden worden, er bolides met veel CO2 uitstoot door Afrikaanse en Zuid Amerikaanse natuurgebieden racen en dat iedere nitwit met geld de aarde rondvliegt met zijn privéjet. Maar de klimaatverandering hoeft niet voor iedereen zo’n negatief gegeven te zijn. Voor de Vlaamse Wegen en Verkeer blijkt de klimaatopwarming een regelrechte meevaller. Het zou volgens de nieuwe wetenschappelijke statistieken in ieder geval in Vlaanderen niet meer sneeuwen, ijzelen en vriezen! Kerstbomen zullen langzaamaan vervangen kunnen worden door palmbomen.  Van de door droogte verdwijnende Franse wijnstokken, zullen binnen enkele jaren op onze heuveltjes de eerste wijnen geoogst kunnen worden. Dit wil zeggen dat onze dienst Wegen en Verkeer geen strooizout meer moet inslaan en dat ze daar op het einde van het jaar een flinke geldreserve aan overhouden. In het strooimagazijn vind je geen korrel zout meer, hoogstens een snuifje om je tomaten mee op te pimpen. Dat ze daar bij de Vlaamse wegen en verkeer een financiële mazzel hadden gehad, konden wij zelf zien toen we na onze Zuid Franse vakantie terug over de Vlaamse snelwegen naar huis reden. We waren het bord ‘Vlaanderen’ nog niet gepasseerd of er stonden ineens overal van die megagrote affiches langs de weg. Er stond een foto op van twee helmdragende genderneutrale wegenwerkers en die hielden elk aan een kant een hart vast en daarin stond: “WIJ ZIJN WEG VAN JOU”. De rest van de tekst was zo klein, dat als je aan 100 km per uur voorbij zoefde nauwelijks begreep waarom die man en die vrouw, zo weg waren van ons. Wie in godsnaam strooide er zo kwistig met ons belastinggeld in het rond? Wie bedacht zo’n onleesbaar concept? Waar gaat dit over? Over wegenwerkers, wegenwerken of over slechtleerse snelheidsduivels? Bedenkt het hoofd van dat agentschap plots dat ze dringend met hun strooizoutbankoverschot iets moeten realiseren voordat de nieuwe subsidies binnenkomen? Wil hij kost wat kost zijn dommelambtenaren aan het werk houden? Komt daar een bainstormvergadering aan te pas? Zitten daar creatieve medewerkers die zelfstandig zulke affiches verzinnen of wordt zo’n opdracht aan een externe dienst uitbesteed? Moeten de resultaten verder onder een lunchke of drie besproken worden of vergadert men liever, nu het saldo het toelaat, met luxe dinertjes met de nodige glaasjes dure wijn? Wordt er tijdens het dessert en de café gourment slinks afgetast of er ergens een donkergrijs bonusje onder tafel geschoven kan worden? En als die affiches er dan uiteindelijk hangen, vraagt dat agentschapsambtenaartje  zich dan soms ook wel eens af of de tekst wel degelijk al rijdend leesbaar is en of de bewustmaking wel bij de voorbij bollende automobilist binnen zal komen. Moeten de chauffeurs niet op de rem gaan staan, met een mogelijke kettingbotsing tot gevolg, om uiteindelijk de onleesbare puzzel op te lossen. Wegenenverkeer.be maar de rest van de letters is nog steeds één grote mistige blubber. Blijkbaar wordt dit nooit door de desbetreffende artistieke creatievelingen uitgetest. Affiche af, geld opgesoupeerd en op naar de volgende absurde belastinggeldverspilling! Sim,  Edegem 29 september 2019

Sim
5 0

Geheel gesloten trapten zij in mij rond (B. Schierbeek - De andere namen)

Onderweg waren er de wegen, de omkadering van een landschap dat in mij rond trapte en de gedachten des heden verdwenen kort in mijn maag die zich settelde in dit lichaam: de gedachte ‘eindelijk’ keerde zich nog eens licht om en verdween daarna voor goed. Het was zomer, het zou winter kunnen geweest zijn en de nachten waren warmer dan de dagen die weinig verrassends met zich meebrachten en doch, telkens ik wakker werd, werd alles als nieuw: de abstracties die me aanstaarden uit de muren nieuw, de mensen rondom mij telkens nieuw, de handen waarmee ik greep… een wakker worden dat wel eens nee zei… een gedachte? Eerder een toezegging voor de onwetenden, ik stelde daarmee de nieuwe dogma’s, maar dan ongeschreven.   Geheel gesloten zullen ze wel in mij rondtrappen maar de maat wordt gezet met een toon die geheel gesloten verloren is in zichzelf en alleen op zichzelf bestaat dus en mij de oren toe krijgt zonder geforceerd een ontkenning van het blije te blijken; ik ben een aardmens en ken mijn toebehoren van buiten en de mensen die me dragen ken ik van binnen en geheel gesloten verachten zij mij soms maar ook dat ligt in mijn aard die de rijken aanstaart en de blinden aanstaart omdat ik meer weet van het niet-zien dan zij en de zieken aanstaart omdat ik meer weet van volledig zijn dan zij, zij kunnen volledig zijn maar ik ben een volledig onder- wezen dat altijd onder zal blijven: onder de maat van het leven dat ook wel zwaar is verdwe- nen onder de straal van het zicht dat iedereen heeft op elkaar en de dingen die zingen en de mensen die woekeren in de muren die ik betast met nieuwe handen… slechts een gedachte zou er tussen mij en de ontwaking, een symbiose met het leven waarvan er slechts één écht organisch de verdwenen tijd bezingt. De tijd, van wie ik lethargisch wil zijn zoals Bert al zei, ik die lethargisch de tijd vrijt, die passief de rij mensen bedwing zonder gek te worden zoals iedereen aldoor gek is geworden en de tijd spastisch bedwing zodat ik nieuwe dogma’s schrijf voor een eigen leven dat leeft in arrogantie maar IK BEN VRIJ en dat zingt me goed   AT LAST I AM FREE I CAN HARDLY SEE IN FRONT OF ME   Twijfelt de wanhoop me toe maar ze zit me goed in mijn ruggenwervel die mijn baken van mens-zijn zou kunnen zijn maar het niet is, eerder de bele- ving van het organische dat samenleeft, van het onder-zijn, van de regels die nog geschreven moeten worden maar waar ik al naar leef, de fata morgana die de tijd verspreid over la mélodie du bonheur want alleen in klank slaag ik er nog in te denken.   alles dat verdwijnt dat verdwijnt sprak hij en ver zat hij er niet naast toch zou ik nog enkele keren willen horen naar zijn gedachten in klank een gedachte? nee eerder een uiteenzetting over het zweverige het aangetaste die ik met mijn bloedeigen handen verwerk tot kamer waar ik in huis de muren zijn blauw ik ben blauw de vrienden zijn koud en tijdelijk ik ben vooralsnog voor altijd   Het laat weinig aan de verbeelding over, deze 4x4 die me plooit tot ontkenning van mezelf. Ik laat alles toen buiten mezelf die zichzelf kan zijn in het ijle van de tijd en de kamer plooit zich dubbel op een zucht van mij maar ik heb niet veel nodig om hét te voelen en daarmee bedoel ik dat ik meer volledig ben dan zij dat meer zie in het viriele dan zij dat ik meer een onderwezen zal blijven dan zij en de staat zal blijven geloven in tegenstelling tot zij omdat het accepteren ervan is als een vrolijke bevrijding die ik alleen in dat aanvaarden terugvind. Aanvaarding. Aanvaring. Ontkennen om uiteindelijk te verpletteren onder de blik. De blik die alles aanpast naar zijn ongeschreven formules die het 2D een 3D verkopen op een lens die alles toelaat maar ook de kritiek die meer ziet dan het ongeziene die de politiek ontzet verlaat voor een andere veldslag om dan terug te keren hahaha die het geweld alleen maar wilt maar niet krijgt en de über aanslag is de aanslag op het geweld.     Het geweld buiten deze vier muren is een afval dat altijd buiten zal blijven die altijd buiten zal vrijen die altijd buiten zal steigeren in zijn successen maar ook in zijn afvaart die altijd buiten zal bedreigen maar dus nooit hier binnen die altijd de klank zal blijven van de wereld.   Soms ook ik die de situatie met geweld bespeelt en geheel gesloten mijzelf van binnenuit gewelddadig kapot trapte en de ogen uit krabde tot ideeën van een zicht die geheel buiten zichzelf van binnenuit bestonden en I have decided to take off my eyes from the pain die dus niet van tevoren maar pas achteraf de situatie als fetisj act bestempelde want alles - ook geweld - bestaat uit een obsessief trachten de situatie te veranderen als een perfomance die een act is - niets dan een act - die steeds in herhaling valt maar omdat we het telkens als nieuws zien worden we niets van dat geweld beu en heb ik mezelf achteraf nadat ik mezelf had getrapt en opengekrabt, mijn hart uit gesmeten over de straat en achtergelaten zodat al wie er nu nog liep in de horror van mijn liefde verzonk. Alweer in een fictief zicht dus.

Dries Verhaegen
52 0

ROCCO EN DE AIRCO

We staan nu ongeveer iets meer dan 3 weekjes met bijna allemaal dezelfde buren op  de camping. Komt daar eergisteren ineens een mega caravan achter onze haag opgedraaid. Nog voor de Nederlanders goed en wel geïnstalleerd zijn, wordt de airco opgezet. Niets mis mee. Het is warm en als je zo’n luxeding bezit, dan mag je dat ook gebruiken om wat koelte in de rijdende monstervilla te creëren. Zelfs als de kampeerders zelf niet aanwezig zijn, zoemt en bromt dat pleureding de ganse namiddag. Af,  en een paar minuten later terug aan. Af en aan. Leuk is anders, maar ja je begrijpt ergens andermans luxe. Ergerlijk wordt het als je wil slapen en die airco tot half twee ’s nachts door ronkt. En om zeven uur ’s morgens springt dat kreng terug aan. Het is eind september en ’s nachts al behoorlijk afgekoeld, zo’n 10 a 14 graden slaaptemperatuur. Ik begrijp niet waarom die Nederlander ’s morgens met ijspegels op zijn snor wil wakker worden. Misschien zijn het passanten, denk ik, en na een slapeloze nacht zal ik de zaak nog even aanzien. Maar als ze dan een luifeltje doorrijgen en die airco opnieuw continu een ganse dag opzetten, wil ik vermijden dat er nog meer slapeloze nachten gaan volgen.  Ik stap met een glimlach op ze toe. “Hallo buurtjes, mag ik jullie eventjes iets vragen, kunnen jullie de airco misschien ’s avonds en ’s nachts afzetten, want het geronk houdt ons wakker?” “Nou mevrouw, hoe komt U erbij dat het onze airco is?” “Ja omdat wij hier al geruime tijd met allemaal dezelfde kampeerders staan en er niemand airco heeft, of lawaai maakte, en omdat wij bij jullie caravan kwamen kijken en konden vaststellen dat het gezoem en gereutel bij jullie vandaan kwam!” Wel, dit is niet mogelijk hoor, hé Djon”? Djon schudt overtuigend nee. “Jij zette onze airco toch rond zo’n uur of zeven uit, niet Djon?”  Djon knikt krachtig ja. “Nou wij waren het niet hoor en dan zegt die troela ineens:” MISSCHIEN KOMT DAT GEZOEM GEWOON UIT UW HOOFD?” Ik voel hoe mijn, ‘ik kom in vrede act’ onmiddellijk naar een ijstijdniveau zakt. Terwijl ik de neiging onderdruk om met mijn vuist haar vooruitspringende Hollande duimzuigtanden eventjes in haar mond te corrigeren, glimlach ik en kijk haar heel doordringend aan. “Ik hoop dat U een grapje maakt?” Eventjes is de toetebel van slag. Ze loert naar Djon: “Ja hoor een geintje gewoon om te lachen, hé Djon, maar wij waren het zeker niet!” “Ach” zeg ik, “ dan was het misschien wel nachtlawaai van die viscentrale langs de rivier, hier zo’n dikke kilometer vandaan. Dat ga ik dan deze nacht controleren en dan vinden jullie mij morgenvroeg, met een geel hesje aan, demonstrerend aan hun ingang”. Of denk ik bij mezelf, dan trek ik vannacht jullie elektrische kabel uit het stopcontact.  Als die mensen nu gewoon hadden gereageerd met, ho, sorry wij waren ons niet bewust dat onze airco ’s nachts zoveel lawaai maakte, we houden er rekening mee...Maar zoveel trammelant en ontkenning. We zijn duidelijk in tijdperk van respectloosheid en egoïsme beland. Plots alsof ze beseft dat ze het plot verliest, verklaart de haaientandengeit, dat ze de airco speciaal voor hun hondje geïnstalleerd hebben en ze die misschien wel eens een ganse namiddag opgezet hadden. Als ze dan ’s morgens gaan fietsen of tochtjes met de auto gaan maken, dan sluiten ze Rocco op in de caravan en dan is het lekker koel voor hem. Er flitst iets door mijn hersenen, want er staat zoiets in het campingreglement, dat je je hond ten allen tijde aan de lijn dient te houden en nooit alleen op je kampeerplaats mag achterlaten, noch in de camper, caravan of in de auto. Het hondje is een schatje. Hij wipt rond mijn voeten, geeft likjes aan mijn tenen en springt tegen mijn benen omhoog om geaaid te worden. Ik wil de zaak dan ook niet ten top drijven. We hebben geen airco meer gehoord. Niet meer ’s nachts en ook niet meer voor hondje Rocco. ’s Anderdaags zagen we deze liegebeesten ’s morgens richting strand fietsen waar de honden nog steeds verboden zijn, dus zonder Rocco. ’s Middags vertrokken de Hollandse Pinokkioneuzen met de auto op uitstap, zonder de hond. Laat in de namiddag hoorden wij de autoportieren open en dicht gaan. “Djon, ik ga nog eventjes naar het zwembad hoor, laat jij effe de hond uit? “Ja hoor, eventjes snel, ik kom zo naar het zwembad.” De caravandeur gaat open en ik hoor Djon tegen zijn hondje zeggen. “Dag schatje, wat lijk jij blij dat je ons weerziet. Wij gaan eventjes snel een plasje maken, kom op” Daarna moet Rocco weer de caravan in, want aan het zwembad zijn de hondjes niet gewenst. En de airco mag niet meer aan van die stoute Belgische klagermevrouw hiernaast, hoor ik Djon bijna hardop denken.     Sim, al twee dagen en nachten zonder brommende airconditioning  19/9/2019 Agde  

Sim
103 0

THE KILLING FIELDS

Hoe het deze week mogelijk is weten wij niet, maar vanaf het moment dat wij borden op onze kampeertafel zetten, komt er een roedel vliegen op verkenningstocht. Een patrouille zoemt zich een rondje over onze glazen, borden en servietjes richting barbecue en terug. Manlief houdt de wacht en verdedigt het fort met een vliegenmepper. Gek dat wij onze Nederlandse overburen tijdens lunchtijd nooit met een vliegenmepper in actie zien. Maar natuurlijk, wie zou, als je zelf vlieg moest zijn, voorkeur geven aan een Royco minutesoepje met een restje baguette.  Dan zou ik ook opteren voor die Bourgondische etentjes van die Vlamingen. Wij begrijpen niet dat die vliegenbende zonder neus en aantoonbare oren, blijkbaar op een kilometer afstand kan ruiken en zien dat er iets op onze tafel gezet wordt. Nog maar net plaatsen wij een schoteltje oesters, scampi, gamba’s, gevulde inktvissen, een paëlla of een op de barbecue gegrild visje op onze tafel of de niet uitgenodigde zoemgasten proberen mee aan te schuiven. Geduldig wapperen wij met onze handen over onze borden en zetten zelfs op een meter afstand een speciaal lokbord met de graten, vellen en schelpen zodat ze daar hun feestdis ongestoord kunnen verderzetten. Tevergeefs, een mooi gedekte tafel en een gezellig gezelschap lijkt hun leuker.  Wat ze nog niet doorhebben is dat dat dikbuikige grijze mannetje, met het Dokter Spock-oortje en zijn niet weg te denken glas rode wijn, een onovertroffen seriemoordenaar blijkt te zijn. Mijn persoonlijke Pol Pot zwaait en klopt de vliegenlijven tot spijs. Hij spreekt ze zelfs in het Frans toe. Afschrikken in de eigen taal! Voilà, ils ont laissé leurs fromage, (zij hebben hun kaas gelaten) roept hij.  Encore une fois, weer één , mort comme une jetée (dood als een pier). Maar de vliegenjonkies laten zich nog niet echt afschrikken. Pats, twee bacteriebommen tegelijkertijd! Ils ont donné la pipe à Martin ( zij hebben de pijp aan Maarten gegeven). Wij ruimen de tafel af en onmiddellijk verdwijnt de meute insecten. Ons grondzeil ligt echter bezaait met lijken, ‘the Fly Killing Fields!’ Waarschijnlijk gaan de overlevenden nu, tot aan het diner, ergens op geurafstand een siësta houden . Ze zullen lang kunnen wachten, want wij gaan straks lekker uit eten. Dat ze de Nederlanders aan de overkant maar wat gaan irriteren! Sim, Agde 14 september 2019

Sim
19 0

Animal Encounter

Soms beland je in een scène waarvan je weet dat je kinderen het zich nog lang zullen herinneren. Neem nu zondag één september. Het was middernacht. Moe maar voldaan kwam ik thuis van het optreden van Amenra in het OLT. Ik doe mij sneakers uit en hoor mijn vrouw fluisteren: 'Schattie, er zit een beest vast in het zolderluik.' Ze fluistert zo luid dat ze evengoed niet had kunnen fluisteren. 'Een beest?', antwoord ik, waarna ik voorzichtig de trap opwandel met mijn blik strak op het luik gericht. 'Shiiiiiiit … Wadisdavooriet!?', reageer ik op het ondefinieerbare wezen. Mijn vrouw haalt haar schouders op en zegt dat ik het moet wegdoen. Dat is nu eenmaal het lot van de man in huis. Die moet ongewenste, ondefinieerbare wezens verwijderen. Ondertussen plakt onze zoon aan haar been. Hij voelt de spanning waarin zijn ouders zich hebben gewenteld. Om mezelf uitstel te geven van deze penibele taak, zeg ik dat ik even 'grote insecten in België' ga googelen. Wie weet herken ik het beest in de afbeeldingen die Google mij voorschotelt. Kennis heeft iets geruststellends, vind ik. Terwijl ik de insecten met afschuw bekijk, hoor ik plots gegil. Het beest heeft zich losgemaakt. 'EEN VLEERMUIS!', krijst mijn vrouw. Geen insect dus, maar een zoogdier. Het diertje vliegt de kamer van mijn dochter in die haar oogjes net had geopend door de paniek in huis en plots een vleermuis boven haar ziet fladderen. Nog meer gegil. Vrouw, zoon en dochter verschansen zich in onze slaapkamer. Ik ben ondertussen naar mijn zoon zijn kamer geglipt. Van daaruit kan ik de vleermuis gadeslaan. Ik roep naar mijn vrouw: 'IK GA EVEN GOOGELEN WAT JE MOET DOEN ALS ER EEN VLEERMUIS IN HUIS ZIT.' Mijn vrouw doet hetzelfde. Oké, we weten snel wat ons te doen staat: het licht in de kamer waar de vleermuis zit, aansteken en in een donkere kamer het raam openzetten. Na mezelf moed in te spreken, schiet ik in actie. Door de spleet van de deur zie ik de vleermuis schichtig fladderen in mijn dochter haar kamer. Ik spurt naar de badkamer en smijt de deur achter me dicht. Daar open ik het raam en doe ik het licht uit. Ik spurt terug naar de veilige basis, de kamer van mijn zoon, om op adem te komen. Mijn vrouw roept dat ik niet te lang moet talmen want er zou een tweede vleermuis binnen kunnen vliegen. Als een ninja sluip ik naar de kamer des onheils. De vleermuis fladdert op ooghoogte, dus instinctief ga ik diep door de benen. Ik passeer onze slaapkamer en door de deurspleet zie ik de ogen van mijn vrouw. Zij en onze kinderen giechelen omwille van mijn rare gedrag. Ik voel me tamelijk belachelijk, dat moet gezegd. Ik slaag erin om het licht aan te steken in de vleermuiskamer en spurt naar mijn gezin. Vrouw en kinderen liggen ondertussen in een deuk. Enkele minuten later lijkt de kust veilig, maar niemand heeft de vleermuis naar buiten zien vliegen. Mijn vrouw – die ondertussen een hoofddoek heeft gemaakt van een roze sjaal ter bescherming van haar haren voor een potentieel klauwende vleermuis - en ik sluipen samen naar de vleermuiskamer. We speuren het plafond af maar er hangt niets. Ook achter deuren en kasten is geen vleermuis te vinden. Missie volbracht. Ondertussen is het kwart na één. Enkele dagen later in de klas zit mijn zoon in een kring. De juf vraagt aan de kinderen of ze deze zomer spannende dingen hebben meegemaakt. Mijn zoon vat het als volgt samen: 'Er zat een vleermuis binnen en mijn papa vluchtte naar het toilet.' Los van het feit dat dit een flagrante leugen is, vergat hij erbij te vermelden dat ik die vleermuis heb bevrijd! Eigenlijk ben ik de held van het verhaal. Ook al is het maar een pantoffelheld.  

Antony Samson
6 0

De wonderbaarlijke reis van het boek dat nog niet geschreven werd (lezen, dromen, schrijven, ...)

Ann werkt al dertig jaar in de bib, ze leest van kindsbeen af stapels boeken, en herontdekte recent dat ze nog liever schrijft dan leest… Haar droom om ooit een boek uit te geven steekt weer de kop op. Voorlopig blijft het bij wat getokkel voor haar blog ‘visvoer mummie’, ze pikt hier en daar een schrijfcursus mee, en nu komt deze wedstrijd ‘toevallig’ op haar pad… Dit jaar is ze al vaak ziek geweest, ze zocht veel hulp en vond rust in de natuur. Dankzij de gevonden stilte kan haar creativiteit weer stromen. Haar vakantieblog werd een beeldverhaal : ze combineerde haar passie voor fotograferen met die voor schrijven. Ook bij speciale gelegenheden zoals verjaardagen van zussen, overlijden van een ex-collega, … kruipt ze in haar pen. Ze beschouwt het als oefeningen om een goede schrijfster te worden. Maar komt dat boek er ooit…?   Ergens, diep in haar grijze hersencellen verborgen, leven er mooie verhalen. Op een dag zullen ze uit haar pen vloeien of haar vingers zullen de woorden op haar laptop tokkelen. Het liefst van al schrijft ze kortverhalen, ’s nachts, zoals nu, wanneer alles stil is en er geen andere prikkels haar aandacht opeisen…   Alleen haar alter ego kan ze moeilijk het zwijgen opleggen. “Een boek schrijven, kan jij dat wel? Wie zit daar nu op te wachten? Wie zal dat willen lezen? Is wat jij meemaakt interessant voor anderen? Geef het op. Je maakt je belachelijk. Een boeiend en meeslepend verhaal bedenken, dat kan jij niet. Herinner je je nog dat opstel met als opdracht een spannend verhaal schrijven? Je raakte niet verder dan een hand die uit de Moordenaarsbeek stak en je van de weg trok toen je er voorbij fietste…”   Eigenlijk zit ze aan de bron: broerlief heeft al veertig jaar, in de stallen van het ouderlijk huis, een drukkerij. Het boek dat ze nog niet schreef kan dus in eigen beheer uitgeven worden. Online promo voeren, een boekvoorstelling organiseren, … in haar fantasie ziet ze het zich al doen. Wat een mooie droom, kers op de taart van haar nu al dertigjarige carrière in de Beernemse bib, zou dat zijn! Hoe goed zou ze zich niet voelen als ze op de plek waar ze graag werkt zou kunnen staan glunderen met haar eigen boek in handen?   En plots is daar weer dat duiveltje met z’n schril, fijn en hoog stemmetje: “Heb je daar wel tijd voor? Je weet toch dat een boek zich niet zo één-twee-drie schrijft? Je leven is nu al zo druk : je vier vijfde job in de bib, de zorg voor je schoonmoeder, … Wanneer dacht je te schrijven? ’s Nacht in plaats van te slapen?”   Als bibliotheekassistente zou ze ook fier zijn dat ze het boek zelf kan invoeren en voorzien van een etiket en tag. Een eigen boek koester je als de kinderen die je ooit baarde. Ook hen schep  je verwachtingsvol en met veel liefde uit het niets, en wil je zien opgroeien en geliefd worden door anderen… Stiekem zocht ze al eens op waar in het rek in de bib haar boek een plaatsje zou krijgen. Als ze onder haar eigen familienaam een verhalenbundel of autobiografisch werk publiceert, komt ze op de plank tussen Michel Houellebecq en … Victor Hugo terecht!   De boze geest krijgt het nu echt op z’n systeem en springt van haar ene schouder op de andere en krijst treiterend : “Waan je jezelf al een groot schrijver? Vergeet het maar, daar kom je nooit terecht! Keep on dreaming, baby…”   De eerste paar maanden krijgen de nieuwe boeken een mooi plaatsje op de aanwinstentoren recht tegenover de infobalie. Stel je voor dat een lener, aangetrokken door de intrigerende cover, haar boek ter hand neemt, de achterflap leest, en zich dan verrast omdraait wanneer hij of zij haar foto ontdekt, haar herkent en glimlacht…   Misschien mag haar boek  wel mee op reis en belandt het zo verder van huis dan de huismus die ze is, ooit is geweest…   Wat eerst in haar hoofd zat, kan hopelijk verder leven in dat van vele lezers. Het kan hen misschien prikkelen om nog meer te lezen, na te denken of zelf te schrijven. Mission accomplished!

Rachel
0 0

De wonderbaarlijke reis van het boek dat nog niet geschreven werd (lezen, dromen, schrijven, ...)

Ann werkt al dertig jaar in de bib, ze leest van kindsbeen af stapels boeken, en herontdekte recent dat ze nog liever schrijft dan leest… Haar droom om ooit een boek uit te geven steekt weer de kop op. Voorlopig blijft het bij wat getokkel voor haar blog ‘visvoer mummie’, ze pikt hier en daar een schrijfcursus mee, en nu komt deze wedstrijd ‘toevallig’ op haar pad… Dit jaar is ze al vaak ziek geweest, ze zocht veel hulp en vond rust in de natuur. Dankzij de gevonden stilte kan haar creativiteit weer stromen. Haar vakantieblog werd een beeldverhaal : ze combineerde haar passie voor fotograferen met die voor schrijven. Ook bij speciale gelegenheden zoals verjaardagen van zussen, overlijden van een ex-collega, … kruipt ze in haar pen. Ze beschouwt het als oefeningen om een goede schrijfster te worden. Maar komt dat boek er ooit…?   Ergens, diep in haar grijze hersencellen verborgen, leven er mooie verhalen. Op een dag zullen ze uit haar pen vloeien of haar vingers zullen de woorden op haar laptop tokkelen. Het liefst van al schrijft ze kortverhalen, ’s nachts, zoals nu, wanneer alles stil is en er geen andere prikkels haar aandacht opeisen…   Alleen haar alter ego kan ze moeilijk het zwijgen opleggen. “Een boek schrijven, kan jij dat wel? Wie zit daar nu op te wachten? Wie zal dat willen lezen? Is wat jij meemaakt interessant voor anderen? Geef het op. Je maakt je belachelijk. Een boeiend en meeslepend verhaal bedenken, dat kan jij niet. Herinner je je nog dat opstel met als opdracht een spannend verhaal schrijven? Je raakte niet verder dan een hand die uit de Moordenaarsbeek stak en je van de weg trok toen je er voorbij fietste…”   Eigenlijk zit ze aan de bron: broerlief heeft al veertig jaar, in de stallen van het ouderlijk huis, een drukkerij. Het boek dat ze nog niet schreef kan dus in eigen beheer uitgeven worden. Online promo voeren, een boekvoorstelling organiseren, … in haar fantasie ziet ze het zich al doen. Wat een mooie droom, kers op de taart van haar nu al dertigjarige carrière in de Beernemse bib, zou dat zijn! Hoe goed zou ze zich niet voelen als ze op de plek waar ze graag werkt zou kunnen staan glunderen met haar eigen boek in handen?   En plots is daar weer dat duiveltje met z’n schril, fijn en hoog stemmetje: “Heb je daar wel tijd voor? Je weet toch dat een boek zich niet zo één-twee-drie schrijft? Je leven is nu al zo druk : je vier vijfde job in de bib, de zorg voor je schoonmoeder, … Wanneer dacht je te schrijven? ’s Nacht in plaats van te slapen?”   Als bibliotheekassistente zou ze ook fier zijn dat ze het boek zelf kan invoeren en voorzien van een etiket en tag. Een eigen boek koester je als de kinderen die je ooit baarde. Ook hen schep  je verwachtingsvol en met veel liefde uit het niets, en wil je zien opgroeien en geliefd worden door anderen… Stiekem zocht ze al eens op waar in het rek in de bib haar boek een plaatsje zou krijgen. Als ze onder haar eigen familienaam een verhalenbundel of autobiografisch werk publiceert, komt ze op de plank tussen Michel Houellebecq en … Victor Hugo terecht!   De boze geest krijgt het nu echt op z’n systeem en springt van haar ene schouder op de andere en krijst treiterend : “Waan je jezelf al een groot schrijver? Vergeet het maar, daar kom je nooit terecht! Keep on dreaming, baby…”   De eerste paar maanden krijgen de nieuwe boeken een mooi plaatsje op de aanwinstentoren recht tegenover de infobalie. Stel je voor dat een lener, aangetrokken door de intrigerende cover, haar boek ter hand neemt, de achterflap leest, en zich dan verrast omdraait wanneer hij of zij haar foto ontdekt, haar herkent en glimlacht…   Misschien mag haar boek  wel mee op reis en belandt het zo verder van huis dan de huismus die ze is, ooit is geweest…   Wat eerst in haar hoofd zat, kan hopelijk verder leven in dat van vele lezers. Het kan hen misschien prikkelen om nog meer te lezen, na te denken of zelf te schrijven. Mission accomplished!

Rachel
0 0

De wonderbaarlijke reis van het boek dat nog niet geschreven werd

Ann werkt al dertig jaar in de bib, ze leest van kindsbeen af stapels boeken, en herontdekte recent dat ze nog liever schrijft dan leest… Haar droom om ooit een boek uit te geven steekt weer de kop op. Voorlopig blijft het bij wat getokkel voor haar blog ‘visvoer mummie’, ze pikt hier en daar een schrijfcursus mee, en nu komt deze wedstrijd ‘toevallig’ op haar pad… Dit jaar is ze al vaak ziek geweest, ze zocht veel hulp en vond rust in de natuur. Dankzij de gevonden stilte kan haar creativiteit weer stromen. Haar vakantieblog werd een beeldverhaal : ze combineerde haar passie voor fotograferen met die voor schrijven. Ook bij speciale gelegenheden zoals verjaardagen van zussen, overlijden van een ex-collega, … kruipt ze in haar pen. Ze beschouwt het als oefeningen om een goede schrijfster te worden. Maar komt dat boek er ooit…?    Ergens, diep in haar grijze hersencellen verborgen, leven er mooie verhalen. Op een dag zullen ze uit haar pen vloeien of haar vingers zullen de woorden op haar laptop tokkelen. Het liefst van al schrijft ze kortverhalen, ’s nachts, zoals nu, wanneer alles stil is en er geen andere prikkels haar aandacht opeisen… Alleen haar alter ego kan ze moeilijk het zwijgen opleggen. “Een boek schrijven, kan jij dat wel? Wie zit daar nu op te wachten? Wie zal dat willen lezen? Is wat jij meemaakt interessant voor anderen? Geef het op. Je maakt je belachelijk. De meeste mensen lezen graag een verhaal met een grote spanningsboog. Een boeiend en meeslepend verhaal bedenken, dat kan jij niet. Herinner je je nog dat opstel met als opdracht een spannend verhaal schrijven? Je raakte niet verder dan een hand die uit de Moordenaarsbeek stak en je van de weg trok toen je er voorbij fietste…” Eigenlijk zit ze aan de bron: broerlief heeft al veertig jaar, in de stallen van het ouderlijk huis, een drukkerij. Het boek dat ze nog niet schreef kan dus in eigen beheer uitgeven worden. Online promo voeren, een boekvoorstelling organiseren, … in haar fantasie ziet ze het zich al doen. Wat een mooie droom, kers op de taart van haar nu al dertigjarige carrière in de Beernemse bib, zou dat zijn! Hoe goed zou ze zich niet voelen als ze op de plek waar ze graag werkt zou kunnen staan glunderen met haar eigen boek in handen? En plots is daar weer dat duiveltje met z’n schril, fijn en hoog stemmetje: “Heb je daar wel tijd voor? Je weet toch dat een boek zich niet zo één-twee-drie schrijft? Je leven is nu al zo druk : je vier vijfde job in de bib, de zorg voor je schoonmoeder, … Wanneer dacht je te schrijven? ’s Nacht in plaats van te slapen?” Als bibliotheekassistente zou ze ook fier zijn dat ze het boek zelf in het bibliotheeksysteem kan invoeren en voorzien van een etiket en tag. Een eigen boek koester je als de kinderen die je ooit baarde. Ook hen schep  je verwachtingsvol en met veel liefde uit het niets, en wil je zien opgroeien en geliefd worden door anderen… Stiekem zocht ze al eens op waar in het rek in de bib haar boek een plaatsje zou krijgen. Als ze onder haar eigen familienaam een verhalenbundel of autobiografisch werk publiceert, komt ze op de plank tussen Michel Houellebecq en … Victor Hugo terecht! De boze geest krijgt het nu echt op z’n systeem en springt van haar ene schouder op de andere en krijst treiterend : “Waan je jezelf al een groot schrijver? Vergeet het maar, daar kom je nooit terecht! Keep on dreaming, baby…” De eerste paar maanden krijgen de nieuwe boeken een mooi plaatsje op de aanwinstentoren recht tegenover de infobalie. Stel je voor dat een lener, aangetrokken door de intrigerende cover, haar boek ter hand neemt, de achterflap leest, en zich dan verrast omdraait wanneer hij of zij haar foto ontdekt, haar herkent en glimlacht… Misschien mag haar boek  wel mee op reis en belandt het zo verder van huis dan de huismus die ze is, ooit is geweest… Wat eerst in haar hoofd zat, kan hopelijk verder leven in dat van vele lezers. Het kan hen misschien prikkelen om nog meer te lezen, na te denken of zelf te schrijven. Mission accomplished!

Rachel
0 0

De wonderbaarlijke reis van het boek dat nog niet geschreven werd

Ann werkt al dertig jaar in de bib, ze leest van kindsbeen af stapels boeken, en herontdekte recent dat ze nog liever schrijft dan leest… Haar droom om ooit een boek uit te geven steekt weer de kop op. Voorlopig blijft het bij wat getokkel voor haar blog ‘visvoer mummie’, ze pikt hier en daar een schrijfcursus mee, en nu komt deze wedstrijd ‘toevallig’ op haar pad… Dit jaar is ze al vaak ziek geweest, ze zocht veel hulp en vond rust in de natuur. Dankzij de gevonden stilte kan haar creativiteit weer stromen. Haar vakantieblog werd een beeldverhaal : ze combineerde haar passie voor fotograferen met die voor schrijven. Ook bij speciale gelegenheden zoals verjaardagen van zussen, overlijden van een ex-collega, … kruipt ze in haar pen. Ze beschouwt het als oefeningen om een goede schrijfster te worden. Maar komt dat boek er ooit…?    Ergens, diep in haar grijze hersencellen verborgen, leven er mooie verhalen. Op een dag zullen ze uit haar pen vloeien of haar vingers zullen de woorden op haar laptop tokkelen. Het liefst van al schrijft ze kortverhalen, ’s nachts, zoals nu, wanneer alles stil is en er geen andere prikkels haar aandacht opeisen… Alleen haar alter ego kan ze moeilijk het zwijgen opleggen. “Een boek schrijven, kan jij dat wel? Wie zit daar nu op te wachten? Wie zal dat willen lezen? Is wat jij meemaakt interessant voor anderen? Geef het op. Je maakt je belachelijk. De meeste mensen lezen graag een verhaal met een grote spanningsboog. Een boeiend en meeslepend verhaal bedenken, dat kan jij niet. Herinner je je nog dat opstel met als opdracht een spannend verhaal schrijven? Je raakte niet verder dan een hand die uit de Moordenaarsbeek stak en je van de weg trok toen je er voorbij fietste…” Eigenlijk zit ze aan de bron: broerlief heeft al veertig jaar, in de stallen van het ouderlijk huis, een drukkerij. Het boek dat ze nog niet schreef kan dus in eigen beheer uitgeven worden. Online promo voeren, een boekvoorstelling organiseren, … in haar fantasie ziet ze het zich al doen. Wat een mooie droom, kers op de taart van haar nu al dertigjarige carrière in de Beernemse bib, zou dat zijn! Hoe goed zou ze zich niet voelen als ze op de plek waar ze graag werkt zou kunnen staan glunderen met haar eigen boek in handen? En plots is daar weer dat duiveltje met z’n schril, fijn en hoog stemmetje: “Heb je daar wel tijd voor? Je weet toch dat een boek zich niet zo één-twee-drie schrijft? Je leven is nu al zo druk : je vier vijfde job in de bib, de zorg voor je schoonmoeder, … Wanneer dacht je te schrijven? ’s Nacht in plaats van te slapen?” Als bibliotheekassistente zou ze ook fier zijn dat ze het boek zelf in het bibliotheeksysteem kan invoeren en voorzien van een etiket en tag. Een eigen boek koester je als de kinderen die je ooit baarde. Ook hen schep  je verwachtingsvol en met veel liefde uit het niets, en wil je zien opgroeien en geliefd worden door anderen… Stiekem zocht ze al eens op waar in het rek in de bib haar boek een plaatsje zou krijgen. Als ze onder haar eigen familienaam een verhalenbundel of autobiografisch werk publiceert, komt ze op de plank tussen Michel Houellebecq en … Victor Hugo terecht! De boze geest krijgt het nu echt op z’n systeem en springt van haar ene schouder op de andere en krijst treiterend : “Waan je jezelf al een groot schrijver? Vergeet het maar, daar kom je nooit terecht! Keep on dreaming, baby…” De eerste paar maanden krijgen de nieuwe boeken een mooi plaatsje op de aanwinstentoren recht tegenover de infobalie. Stel je voor dat een lener, aangetrokken door de intrigerende cover, haar boek ter hand neemt, de achterflap leest, en zich dan verrast omdraait wanneer hij of zij haar foto ontdekt, haar herkent en glimlacht… Misschien mag haar boek  wel mee op reis en belandt het zo verder van huis dan de huismus die ze is, ooit is geweest… Wat eerst in haar hoofd zat, kan hopelijk verder leven in dat van vele lezers. Het kan hen misschien prikkelen om nog meer te lezen, na te denken of zelf te schrijven. Mission accomplished!

Rachel
0 0

Oostende

Madensuyu start met eerlijkheid die me met rust kan laten; vooralsnog loopt het gesmeerd: de lucht oogt voorspelbaar,de wegenwacht afwezig, Tobin draagt nog net geen heden, abstracte ideeën over de liefde kunnen aanwezig zijn in de werkelijkheid of ons idee daarover, wij zijn het nieuwe anti en dat denk ik luidop.     Maar ergens verdraagt men het niet meer: de realiteit die onder de huid alles en iedereen uitbuit, de zee in zichzelf opsluit en de tranen verderzet. Eens aangekomen: de staat van het alles blijft onveranderd: al het aanwezige oogt me dubbel in de irissen en vrijt zich op een zucht van mijn liefde, de werkelijke afgrond van de huid in, mij dus, in ontbinding die zich kenmerkt langs de buitenkant. De zee is kraakbaar. De twijfel slaat dan toe.     of we met z’n 2 z’n 4 zouden kunnen zijn, ik vermoed van wel dan de dagelijkse omkeerbaarheid van minuten die in 2 dagen de rand opzoeken van bestaan zonder te overdrijven bijna onmogelijk maar of niet alles zo is ik heb daar naar de hemellichamen boven ons gestaard en me afgevraagd wat ik eigenlijk aan het zien was dat me blauw maakte staren van een buitenkant die dubbel oogt jezelf klein terugvinden  in een kosmos een kosmos die je bekijkt langs buiten en waarin alles verkleint tot dingen ik omgeef me alleen nog maar met dingen     Het alarm van een terugkomst die bijt in de kuiten, we zullen ze dragenwe kunnen de wereld met z’n 4 wel verplaatsen naar een buitenkant die zich het kwalijke dubbel ter verantwoording roept in een taal die buiten isbuiten het samenhorige want hier is de vijand ronduit scherp, vriend en zeer weinig aanwezig, onontkoombaar, vrij, alles, wat je niet zou willen.     verder: een gesloten gevel hier woont iedereen wij botsen op een tegenliggende straat het is hier warm van alle mogelijkheden dus wat in ons zich bevindt is van ons het anti  bijvoorbeeld                                                

Dries Verhaegen
36 0

Moonrock

Ik denk dat het omstreeks 21:13 geweest moet zijn dat de waanzin in de schoenen schoof, van daaruit alleen maar opwaarts, in een spiraalvormige beweging, een hoofd vol weldra, hoofd was een zware put geworden die een nieuw draagvlak voor de toekomst werd, we werden een vriendschap op houterige benen die bonkte in de kiezen en klapperde in de wijsheid. De drank was vroeg, de werkelijkheid oneindig; wij zouden weggegaan zijn naar een vrede moest er liefde ontstaan zijn, en die was er: een atmosferisch hoogtepunt dat willekeurig abstracties uitkoos: de opgezette pauw (kieskeurig) de ambivalentie die ook in de lucht hing (standvastig en immer aanwezig) de hiërarchie tussen de spraakmakers (altijd bereidwillig) maar hij ontstak slechts even af tegen het gelige schijnsel ‘avond’ die de muur bewerkte met pars pro toto. IK MOET JE HERKEND HEBBEN DAARIN. Daarna droomde ik weg:   de kasseien: eindeloos, vermeerderingseffect, de weg is in feite niet zo lang, het is alsof je kruipt in je stappen die de wil willen en de wijsheid begeren vooraleer te domineren en werkelijk ieder mens was een ding geworden als ik draaide door de steegjes op zoek naar de wagen ik vond de wagen niet meer ik heb nog nooit geweten dat ik zo blauw was de kasseien eindeloos het hoofd gewoon erg lang en moegestreden en iedere vriend had ik gewoonweg even niet meer voor een keer was ik anders maar dat-ligt-niet-aan-mij Tuxedomoon citaat zeer toepasselijk op ronddolen want het is hun klank die mij vastzet op de opdracht   de benen kermden en de wielen sputterden geelzucht en alles werd vroom zo ook de tastzin alles wat me nog restte en ik ben nooit vergeten hoe je anders was in mijn anders dat ik je aanreikte en vroeg en zeg nou zelf we waren een ander paradijselijk gebeuren   En ergens boven de beweging stopte de beweging al met versnellen boven waar de toekomst nu voorspeld werd en genegeerd. In mijn hoofd is alles zeer helder maar daarbuiten zwijg ik liefst en draai me om naar de buitenkant die is anders ziet u. Mijn benen zullen kermen en de wielen sputteren maar het hoofd het hoofd is een baken die ik vertrouw mijn boei van geweld, alleen hiermee kan ik nog standvastig de praktijk van angst beoefenen en een gebrek aan uitwegen verplichtte me de waanzin te kopen in mijn voeten het hoofd in.     Gelukkig ben ik nooit vergeten wat anders was en de vertrekken met slaap inkleurde en het gebonk verduisterde tot een tinnitus die me nooit echt zorgen baarde want ik was een jong vaandel- drager van de kleuren en zo heb ik me altijd ingezet te blijven.I’m a keeper, so you can keep me close bijgevolg en inderdaad de telefoon rinkelde plots:   Het was een stem die groette geen boodschap maar is dat niet in het zovele het zovele dat alles verschuilt in de minimale toevoegingen die elkaar opstapelen en elkaar opzeggen Het was een archeoloog die mij vond. Nee. Geen 2e Brussel, alleen maar een zoektocht naar het overgeblevene dat zweeg.  

Dries Verhaegen
7 0

pffffaddderrrr

De misselijkheid bepaalt mijn leven nu ongeveer drie weken. Misschien vier. In het begin tel je niet zo goed, vandaar wellicht mijn verwarring over het begin van de periode van misselijkheid. De misselijkheid belet me eender wat te doen. Zo lig ik al drie (of vier) weken op bed. Ik check mijn Facebook, ik kijk op Instagram. Kijk of er nieuwe mails zijn binnengekomen. Ja, ik heb nooit eerder mijn e-mailbox zo goed op orde gehad als in de afgelopen weken. Ik kijk vooral veel films. Soms illegaal, maar meestal niet, want als nu ook nog mijn computer crasht, ben ik feitelijk zo goed als verloren. ‘t Is momenteel het weidse internet dat mijn enige uitzicht bepaald.   _____________________   Daarnet loog ik. Ik weet wel wanneer de misselijkheid is begonnen. Precies de datum herinner ik me zelfs. Ik kwam thuis om te eten. Had me bijna bedacht, maar ging toch maar thuis eten. Mijn vader zat over mij aan tafel. Hij ontleedde een vis. Zijn blote, harige buik hing er verslagen bij. Hij zag mij kijken en zocht mijn blik. Zijn ogen waren getroubleerd, rooddoorlopen.   Hij complimenteerde mijn bloes. Schepte extra op van het eten dat mijn zus had gemaakt. Stelde mijn broer gerust over het werk waar hij een paar dagen later zou beginnen. Zijn handen trilden terwijl hij alle liefde die hij in zich had rondspuidde.   ((Ik keek in zijn ogen. Nee, alsof ik in mijn eigen ogen keek)).   Nooit eerder had ik hem zo gezien. Zijn ogen staarden mij aan als droeve, een beetje onbeholpen hondenogen.   Hij, de man die ik vaak zo gehaat had, die mij pijn had gedaan, met wie ik altijd zwoer niks meer te maken wilde hebben vanaf ik genoeg geld had om het huis te verlaten, Hij was nu plots een droeve man. De vijand stuikte voor mijn ogen ineen. De houten man stond in brand. Het ijzer smolt weg.   Ik was bits en at snel.   Later, alleen in mijn kamer, stelde ik mij voor hoe hij nu vertrok naar zijn vergadering. Onbeholpen (opnieuw), en eeuwig alleen, zoals hij altijd was en altijd zou zijn. Dat hij het altijd is.   Ik stelde mij ineens voor dat hij, met zijn bloeddoorlopen ogen, onderweg zou sterven. Ik was in paniek: deze mens mocht NIET sterven. Nooit zo. ((De simpele reden was dat ik dan ook zou sterven.))   Sindsdien ben ik niet meer uit bed gekomen vanwege de misselijkheid. Lig ik hier -het komt in de buurt van vrijwillig- geketend.           foto: "Black Girl" (Ousmane Sembène, 1966)

Mees Ruun
0 0

We zijn de klank niet vergeten

Er is weinig moed voor nodig die de stilte in de overgebleven stad geluid in fluistert. Op het einde van zo’n passieve rol betalen we rood. De straten rood de huizen rood en de mensen rood met de dood op de wangen en de schemer op hun ramen die fluisteren in de taal die hun schermen hen doen kijken. Zij zijn van de wereld en de wereld even van hen. Slechts dan dat warmte gloeit in de woonkamer vrouwenbenen die stappen met een soepele parochie maar geen religie meer. Geen religie meer. Alleen maar de reeds beschreven stilte en het verstikkende aanzien van grijs. Iedereen loopt nog ondersteboven de gesprekken binnen. Maar niemand leeft nog. Soms reanimeert een man een man. Fluisteren dat ze de ambacht het licht mogen laten zien om alles draaiende te houden. Soms is het weten de kanker van de stad. Weten dat een wolkenkrabber een flatcomplex een immanent handgebaar dat een huis zou kunnen nabootsen een afscheid kan zijn dat we allemaal anders interpreteren binnen de vier muren die we ingesmeerd de opvoeding navertellen. Geen religie meer; alleen maar adempauzes en andere dagen die andere gebaren vragen. Symbolen die we in de stenen herkennen en de Belgische hoop belichaamt tot co-housing de grens over of de grens in.     een weinig zeggende straat erin lopen en erin opgaan weinig bedoelen dus bestaan is makkelijker dan voordien je gaat op in het grijs en komt er grijs uit adem je de kleur in speel je de videotape van deja vu af en en speel je hem na _______________________________________________ Je weet waar je voor staat en vraagt je af: wat we hier doen, dat we dan aarden naar de complexe vormen en hun rituelen.     Je weet wat je zou kunnen doen. Maar de nacht die begint de dag en jij begint je verleden opnieuw op een plek die weigert. De mensen die steigeren in de randen die de kleuren gedag zeggen. Je zegt gedag. Je weet wat je zou kunnen doen. Alles is herkenbaar Iedereen te vervangen.     Geen wandaden zouden groot genoeg zijn voor de kamer van de aanpassing, geen enkel persiflage dat langer uit zichzelf kwam als een geest in de cryptische nacht waarin alles eens gebeurde: de aandacht gebeurde eerst, daarna volgde de aanwezigheid pas, wij die getuigen waren  van een klein leven dat zichzelf verbood. De dood in dachten we met 2. Maar de scheve situatie was van ons gezicht af te lezen en je knipte mij een haarlok die mezelf aanbood. De nacht waarin alles eens gebeurde, de statische inburgering van het volk gebeurde, en wij dus ook. De slaap gebeurt. Het leven gebeurt dan weer niet. Wij zullen blijven communiceren als ons daarom gevraagd wordt.   Al hetgeen ons is overgebleven zijn de kleuren zijn de wijze warme deuren naar kroegen en alcohol zijn de weinige vormen van ontreddering letterlijk overal zichtbaar zijn de stemmen hun tenor kwijt in de schandzalen van de fluistering die wij voelen en die ons roert van het vermaak met grote V van volk van het angstige maar vrijblijvende dat.     Ze zei nog: Dat wat jij leven noemt stel je gelijk aan afstevenen op de dood. Zeg me wat je altijd al hebben wou.   In die nacht liepen we op de afgrond van het vermaak af die ons opat en wij kauwden samen mee tot de tijd opgedeeld kon worden in het verval dat alles en niets en wij met ons meebrachten en trachtten te verpletteren in ons gesprek dat met kwade tongen gevoerd moest worden en niemand ontevreden achterliet. Wij werden toen geboren en bevroren in de teleurstelling en het tijdelijke (de herinnering misschien). Wij het gebouw waarin wij woonden. Alles heeft 4 muren in de hoofden van het volk die samen loopt te stampvoeten op het vuur onder hun grond. De bossen op het platteland op de steden werden stil en verspreidden een wezen dat leeft in de quarantaine van de stad. We vergeleken de hemellichamen boven ons met de plekken waar we al kwamen die weinig commotie met zich droegen en we in stilte leerden appreciëren en waar misschien wel Suzy of was het Lien of was het omdat ik elke ochtend daarmee wakker werd en de muren voelde krimpen en ik daar zo stil lag maar klaarwakker de kleuren als een ziekte opdronk en met me mee zou dragen als mijn identiteit en dit dus NIET LEVENSLANG maar wel erg lang. Het was een fase waarin ieder van ons de afgrond vermaak van zich afdroeg tot onze voeten scheurden en we rood achterlieten wat we al gehad hadden die we van zo ver zagen aankomen. Sommige kolen werden scholen en wij leerden onszelf koesteren en in ons woonden de schoonste schepsels maar geen woorden voor dit maal om deze te vergelijken met wat echt was, tenminste dat zei ons de opvoeding telkens om rekening te houden met dat echte en dat onechte te verpletteren met onze visie.       We liepen de letters stuk tot machinaal geweld die we in namaak of gesprek aan de kaak stelden.   Ze zei: on a parlé beaucoup ce soir mais qu’est-ce qu’on va boire? Ik eindigde in haar woorden die de tafel en mijn hoofd omgooiden. Ik gooide hem om en keek ernaar zonder te vermoeden dat alles van die dag aan anders zou verlopen binnen de lijnen van het mijne die de symmetrie van A en van B en C en van Q R S T U V W qu’est-ce qu’on va als het bier in de hoofden zwaar wordt en de woorden dus licht, wat dan, als de lichamen hevig en de levens langer (?) de binnenste waarheden de buitenste worden en alles boven op onder rond en om hemellichamen worden die we aanstaren en fata morgana over verspreiden maar in ons eigen zelf en bleven we de woorden stuk beleven tot de machine van volgzame dromen die ambivalent genoeg de dag nadien ons de hand kwamen schudden.   Ik werd bij je wakker en ik schudde tot frequentie gedragen tot ik je heel wat moeite kostte en mezelf wakker kuste want ook dat was liefde toen daar op die moment op die plek qu’est-ce qu’on va vertel het me si on est ici parfois en niet genoeg.     Werden we snel een beroep en deden we dat zoals het hoorde de bloemetjes buiten zetten liepen we onszelf voorbij de straat uit in de mond van een sekte die we in ons geloof droegen en nog voor ik het wist was ze een machine die me aanstond en ik die me afvroeg of we bakens konden verzetten door samen te zijn, dat terwijl we juist enkel en alleen onszelf zouden kunnen verzetten maar dat was in feite genoeg en dat pak stond me zo goed die avond maar ook dat geloofde ik niet genoeg en daarom groef ik mezelf diep in. Met mijn rug zat ik naar mijn weg die ik bewandeld had nog voor alles nog voor de wezens me elke nacht kwamen ophalen en in fluisterde monogaam om te gaan met de vrouw nog voor andere paden die ik bewandeld had me überhaupt deden nadenken over deze ziektes nog voor jou en mij en wij nog voor de Q R S T U V W nog voor de nacht die de dag inluidde die de stand van zaken alleen maar bevestigt en versterkt en die weg lachte terug maar het was mijn rug die nee zei dit keer en ik wilde alleen maar het nu en in dit nu zijn en alles dat eens achter mij was en toen nu was leek me overbodig omdat dat mij wel gevormd had maar niet vermomd, gelukkig maar.   Alleen ikzelf vermomde mezelf nu in het nu.   We liepen daarmee alles en iedereen en onszelf voorbij in de woorden.   Zonder meer zou ik kunnen zeggen dat dit ook wel geldt voor de muziek die mijn oren verveelt en streelt en geel kleurt van jaloezie maar ooit zal ik eens op de planken de andere oren geel maken van het zicht dat ze zijn en het zicht dat ik ben. Muziek die de Einsturzende Neubauten van het volk is. Muziek die de angst van de mensen kan verdragen en tegelijkertijd deze ook verzinnen in een andere taal die nog geschreven moest worden maar de moment dat die specifieke klank de oren betrad was ze er en ging ik ermee aan de slag. We raken snel uitgepraat over deze zieke lucht die ons manipuleert en vervuilt en bebouwt met grijs en vrijheid.   Ik vind mijn weg hier niet lieve; we hebben te lang gewacht met ziek zijn en nee zeggen tegen de impulsen tegen de de opties die ook nee zeiden en tegen de wijde wereld die ons alleen maar toelacht en daarmee verplettert.      Someone somewhere in summertime Somewhere someone probeerde ik de situatie aan mezelf te spiegelen aan de buitenkant, het gesprek zal stoppen, de mensen zullen de dood dragen in de steden, die ook de dood zullen vragen in steen, de mensen zullen alles uitspreken met een andere tongval, de ziektes zullen zich verspreiden in de gebouwen, new city old buildings maar vooral zal ik nog bij je zijn en de wachtende mensen een weg geven die achter me ligt en met mijn rug zat ik naar de weg die ik aanbood. Same town.   Hasta la via. Ze zegt dat ze nooit genoeg de maniak in mij heeft herkend; maar hoe zou zoiets uitspreekbaar moeten zijn dan? Met de tong van een maniak, met de tred van een maniak, met hand van een maniak en de andere nog van mezelf loop ik het weinige dat nog staat binnen de kroeg de alcohol, dat weldra in mij zal liggen samen met het bijkomende gedachtengoed en vriendschap. ____________       Ik eindigde mijn woorden ook op tafel zoals ik alles daar eindigde: mijn gedachtestroom in het hier en nu en toen hebben we geklonken op de beterschap die om de hoek leunt van de omkadering waar we nog steeds onze plek kennen en de armen verdubbeld terwijl de waanzin stagneert en zijn omzet vindt in andere lichaamsdelen die omhoog geworpen een symbool van veiligheid kunnen betekenen.   Ik heb toen nee gezegd en ja gelachen zoals wel vaker het geval is met mensen en heb toen de tonnen ervaring omhoog geworpen zodat iedereen het zien kon hoe en wat en waar en toen iedereen zweeg heb ik niet langer gezwegen zodat ik me zoals nu tussen de regels bevind en mijn hoofd hef ik op en dus ook de pen en *knip* ik ben vrij van de taal.   De weg die zich aanbood was hard en steil maar dat is nu dus hoe het altijd gaat: hard en steil zei ze en we lachten en we hebben ook wel gehuild maar net niet genoeg om groter dan onszelf te zijn want dat is hoe je groter dan jezelf je emoties laat zien aan de buitenwereld; een volk dat écht samenleeft what a life to have time & what a man makes a man niemand die het nog weet maar gehuild heb ik tot in vroege uurtjes waarin de gebouwen niet langer grijs maar slechts heel even zacht rood tot bloei komen en ik mezelf zie zoals ik ben.   Ay ay ay I am a monkey man en echt ver ernaast zat hij niet, omwille van zijn jonge aanblik zou ik hem plaats bieden in mijn verhaal zei ik hem en zo geschiedde dat ik hem vertelde.   Wat we toen hebben gedaan is een groot geheim wordt er gezegd maar niets is minder waar, “Ik heb  toen zijn hoofd als steen gegrepen en zijn dacht dat het een huis zou kunnen zijn, een huis voor veel en weinig tegelijk en dat menselijke ervan zou ik willen kneden tot iets buitenaards van omvangrijke grootte die ik van onderen uit kan bekijken.” Hij heeft toen zijn hoofd bij de haren gegrepen en liep naar buiten, daar waar het nacht was tenminste, en hij dacht aan haar en als hij naar boven kon kijken, kon zij dan ook? Nee, nu alles stil werd en alles gladgestreken zoals de vlakte hemellichamen die hij aanschouwde en als rechtstreeks bewijs van zichzelf vond in het hier en nu liep de afstand tussen hem en haar een blauwe lijn naar binnen in zijn ogen die hij greep aan zijn hoofd aan zijn haar die hij nooit meer wilde loslaten want de situatie sprak nu eens in zijn voordeel: alles was stil, hij staarde de lucht dichterbij, hij bestond echt en als alles zo bleef zou hij voor altijd zo willen kijken met de ogen. Bleef alles maar zo.           Je zou kunnen zeggen dat hij zijn stem had verloren in het mens zijn en verpletterd werd door het volk rondom maar nergens vond men zijn woorden meer dan in de keten gebouwen die grijs gegoten in de 2D van de 3D mij de ogen vulde; de staat was grijs, mijn lichaam rood, de dood droeg ik op mijn wangen en lippen en deze droogde op in de vlaktes waar de hemellichamen zowel boven als onder en daar en hier als wachter van de mens fungeerden terwijl de tijd was gestopt omdat men hem gegrepen bij de taal uitspuugde en alles en iedereen die stil was blijven staan besefte dat het tevergeefse geweld slechts een act van verwarring en angst was geweest.   De politiek kan vliegen ik zeg het u.   en nergens hebben ze de waanzin beter beschreven dan in boeken waar de werkelijkheid zich plooit en de vormen rekbaar zijn zonder dat ze hun waarde verliezen of verdwijnen in de camouflage van de overdaad alles is al té veel aanwezig dus we kunnen net zo goed overdrijven zonder dat het zal opvallen in het kluwen woord die zich bevindt in straten in gevels waar ik langsloop in de deuren die ik probeer in te trappen in de wagens die scheuren en dat geluid nabootsen heel hun leven lang in de postkantoren waar in uit is en uit in waar de taal circuleert waar de muren omhoog gaan en zo ook mijn blik.   Daar bevindt het zich dus. Boven mij. Altijd al boven mij. We worden geboren en weten niet genoeg. Zodat weten nog weten is gelukkig. De muzikant schreeuwt en kent zijn tekst nog. De weinige toeschouwers vergeten de zin van het bestaan en gaan en komen terug en komen opnieuw en opnieuw en weinig is nog zeker maar dit is alvast zeker: jij, ik, wij, en zij dat is een understatement.   Zo wil je je bestaan bevoorrechten en de kennis opdoen die je wekelijks moet opdoen opdat de kennis uit is en de bron ervan in. Je houdt jezelf altijd bij je en verstuurt jezelf slechts zelden naar de anderen die wel rond je heen bewegen want het zijn lichamen maar jezelf dat ben jezelf; je gedachtegoed dat ben jij niet; je persona dat ben jij niet; de tekst die je vertolkt in sé dat ben jij niet; jij bent alleen jij voor jezelf en niemand kan je zo nog wat maken dus houdt je blik ijzersterk en adem je dagelijkse hip hop in want het is overal.     See you on the other side want dat is waar de stad voor staat: misdaad en de geile stenen bij de kilheid grijpen zodat de stad weer ademen kan en zich vermomt in de weinig aanwezige messias van vandaag en morgen liefst een andere de stad draagt een religie als bijverdienste en verdenkt jou jou jou en mezelf verdenkt mezelf de aandacht die weerstaat de stedelijke ambivalentie maar weinig is ons nog zomaar gegeven in een stedelijke revolutie die de goden over ons afgeworpen hebben.       Brussel 7 uur misschien maar het zegt veel over de gulden ochtend die zich verspreidt over mij en over de armoede.   Kneed je me mee tot inwoner?   We zullen weinig nog zeggen maar weinig is nog zeker: Kendrick Lamar, dat is nog zeker, Festivals bij regenweer maar je hebt anderen dichter bij je, dat is ook zeker, Get God on the phone maar het zal langer duren dan je dacht en dan komt de spijt bij je die je versmacht en verdomme ook deze verplettert je, je leven dat je bijstaat, jezelf die jezelf van onderen aanstaart, je naasten naast je, niets blijkt voldoende als jij je je nog bent.     Ken je het kneden onder je vingers die je de lichamelijkheid  toedient in vormen mensen die nietszeggend de aanval kiezen in de vergeten uren voor de ochtend die iedere plek tot plek maakt en situeert in een web van zonden waarbij de spijt altijd laat de toekomst in suist en de vrouwen de lichamelijkheid bevestigen en wij ze naspelen als in een werkstuk dat een plek vormgeven kan waarbij de plek zijn rol als situatie plausibel vertolkt tot motief zijnde. Ik schrijf erover en drink me de verplettering in die me weinig onbekend laat: honey honey how you threw me de verplettering in de weg weg kwijtgespeeld de ontreddering of verbazing die me juist altijd bijblijft en zich afspeelt voor de ogen van volk dat zich verzamelt in de ziektes van mijn omkadering die zich vormgeeft in letterlijke zin.   Weten we wat te laat is?   om 10u opent ze zich de mond en praat ze eindeloos onder andere de toekomst komt voorbij dan kijk naar ons maar raak ons niet aan zegt ze als ze aan zet is ieder op zijn plaats op zijn tijd   het volk praat eindeloos over het einde waar ze naar uitkijken in het aangezicht gloeit hun het leven even maar want de dood staat op hen geschreven een ziekte is wat ze ademen     Zonder kader weten ze waar te eindigen in de liefde want het is een herhaling van de emotie die ze op het aangezicht verblijven in de grenzen, die ze in hen laten kruipen zoals een zicht of een beeld dat je bijblijft en het ego parten speelt. Alles draait om het volk en hun vaste stek.         De wezens die weinig nog aan het toeval overlaten en zich wegen tegen zichzelf om de zekerheid te bekrachtigen, in een stad waar alles luid is en zwaar weegt op de torso’s en schouders van zij die het nog verdragen zich buiten bepaalde grenzen te wagen en de zieke auto’s horen scheuren en dat hun hele leven lang Sir, zonder te klagen of tegen de grenzen aan te leunen en de sensatie te bejubelen. De wezens die weinig nog écht leven en slechts equatoriaal aanwezig zijn zoals de wiskunde aanwezig is, zoals de evenaar aanwezig is en de geschoolde taal aanwezig is, zoals de dood op hun wangen aanwezig is en de blijdschap in de magen, zoals de lichaamsdelen van buiten maar ook binnenin aanwezig zijn, zoals de muziek in de oren en de hemellichamen in de ogen. ________________________________________________   Het aanschouwen van een nieuw Venetië dat me terstond het oude Venetië uit de mond kietelt met nieuwe steden en oude gebouwen die een revolutie kunnen ontketenen in het blauw van gisteren in het nu van de herinnering die ik niet denken kan en niet denken wil en niet denken mag omdat alles plots moet en het stille denken dat zegt “het weinige komt eerst” maar dat weet je altijd pas erna, nadat de wilde weg zich in de ooghoeken slingert en wij hem afleggen, nadat de wateren dingen doen leven tot nieuwere dingen, nadat de man de vrouw vertrouwt en haar de kilte van een stedelijke nacht laat ontwarren, nadat Venetië zijn straten heeft schoongeveegd en het toerisme de jazz heeft ontdekt en het bloed de pijn en het zingen de stem van de stilte die zegt “het weinige komt eerst” en nadat het weinige eerst komt, komt het eerste ook weinig en nadat de weg de uitgang die in is heeft ontdekt en het in het uit en het uit het in heeft ontdekt en nadat ik mezelf heb ontdekt en als wij elkaar ontdekten openbaarde er zich ook een soort persoonlijk Venetië die wij aanraakten en in onze hand altijd met ons meedroegen en probeerden te vermommen in onze taal tot ook deze uit ons nu werd getrokken en wij hem konden herontdekken.   Daarna begon alles weer opnieuw en zo ook de mensen die het vertikten bij te leren van een hoopje water en een hoopje grijs dat toch menig woord sprak en spreken kon wat op zich al een openbaring had kunnen zijn. Daarna begon alles weer opnieuw en ook de armen die de rijken verstomden met geweld waarin eindelijk alles mogelijk was en de straten schoongeveegd leerden ze alles wat ze weten moesten van A tot Z tot A. Daarna begon alles weer opnieuw van jou tot mij van binnen naar buiten die het zicht vormgaf aan een stel ogen dat zich altijd maar naar boven verfde want het zijn de kleuren zegt men, de kleuren die het kluwen dat we aanschouwen besturen. Daarna begon jij ook opnieuw en nam ik de telefoon in de hand, de angst in de schouders en erop en de stem beefde en bad dat jij het niet vergat, ook tegen mij nog te spreken, de aandacht te verspreken tot een hoopje medeleven want daar dat ik het voor deed en de mensen deden het voor de abstractie van hun emoties, die ze op de straten smeerden en aan de muren kleefden, zoveel in herhaling vielen tot er niets meer van de oorspronkelijke betekenis te bekennen viel en in ons gesprek ook de laatste adem gestreden was en ik inhaakte.   Ik heb gehakkeld als volgt: On a parlé beaucoup ce soir, que’est-ce qu’on va boire? Pas hésiter, pas hésiter   Maar de twijfel was al in de lijn geslopen en ik had mijn stem verheven tot een wezen zo klein als de wereld soms ook wordt en zich dan opwerpt tegen de bolwerken die aan de muren gesmeerd een betere naam krijgen zoals de geabstraheerde emotie die in de mensen schreeuwt om een stem.     Ik had al eens het verre weg beleeft, hier, in de tegemoetkoming met een verleden. Daar leerde ik de ingang van de waanzin kennen als een scherpschutter op het puntje van mijn tong waar de woorden reeds klaarlagen en schokten en beefden om een extase te bereiken waarin ieder persoon brak onder de druk en invloed gebracht van de adrenaline die als het ware de riolering van de behuizing genoemd kan worden; waar de mensen huizen, daar beweegt het weinige als een springveer die zijn armen samenbrengt en de vuisten balt tot spiermassa.       Hoe het alom gekende schudt tot een holle spier Hoe de wegen kruisen tot machines met bijgevolg ontmoetingen, steden die in hun onderweg zijn geboren worden Hoe ik jij en wij en het Ego de weg aflegden met alles en niemand rond ons met de de hemellichamen boven en de streep van rood vuur die uit het volk hun monden naar ons wees “boven” - er was alleen maar boven ons als bewijs van onze moment die zich nu pas langzaam ontspon en nu pas en nu pas en vroeger was er niet meer toen was alles zwart en nu zal alles opentrekken en kan ik tevreden naar boven staren de ik en de jij van de luchtwegen die ons hier nu vertegenwoordigt en zo zal alles hier dan blijven tot ons gemaakt. (Dat.)                                          

Dries Verhaegen
5 1