Zoeken

over logica in de supermarkt

‘Met kinderen naar de supermarkt’ staat voor veel ouders in de top vijf van activiteiten die u niet wil inplannen na een lange werk- en schooldag. Tenzij u bij alle partijen bepaalde communicatievaardigheden wil aanscherpen, zoals argumenteren, onderhandelen en overtuigen. De gesprekken in de supermarkt zijn gevarieerder dan u aanvankelijk zou denken. Het gaat niet enkel over de discussie ‘snoepen of geen snoepen’. Ook andere onderwerpen komen aan bod. De winkelkar: wie mag met de kar rijden?, nemen we ook een kleine winkelkar?. De boodschappen: die andere chips zijn veel lekkerder, de vorige keer mocht jij óók kiezen. De sanitaire voorzieningen: kan je niet wachten tot we thuis zijn? Nee, ik moet nu écht super-dringend plassen. Ok, we zullen nooit weten of we effectief in de snélste rij stonden aan de kassa’s (volgens mij wel). En het inladen: ja, je mag helpen inladen, maar steek de zwaarste boodschappen onderaan. Oei, mama, de bananen onderaan zijn ‘gepletterd’, denk ik. Die discussies zijn maar een klein onderdeel van het supermarktgebeuren. Ik kwam er onlangs achter dat er ook ongeschreven wetten bestaan in de jungle die supermarkt heet. Die ongeschreven wetten zijn bovendien onlogisch. Vóór de lockdown kwam er een kleuter naast mijn dochter (met klein winkelkarretje) en mij (met grote winkelkar) wandelen. Ze keek welke boodschappen er in het kleine karretje van mijn dochter lagen. Haar ogen blonken wanneer ze de doos snoepen zag. Mijn dochter glimlachte en lipte naar mij: ‘schattig kindje!’. Ik lachte terug. Op dat moment pakte dat kleine meisje de snoepen uit het winkelkarretje van mijn dochter en liep snel (volgens kleuternormen) weg. Mijn dochter wist niet wat haar overkwam en keek afwisselend naar haar karretje en naar de nog kleiner wordende rug van het meisje. Toen we bij de kassa (niét de snelste, geloof me) stonden, passeerde het meisje opnieuw. Deze keer had ze een doos koekjes bij zich. Ze kwam de doos zonder een woord te reppen in het winkelkarretje van mijn dochter leggen. De ongeschreven wet luidt hier: je mag geen boodschappen wegnemen uit de winkelkar van iemand anders. Maar, anderzijds: je mag ook geen boodschappen in andermans winkelkar leggen. De simpele indeling ‘de ene handeling is goed en de tegenovergestelde handeling is fout’ is in dit geval niet toereikend. In opvoedkundige termen is dit verwarrend. En onlogisch. Door de intercom vragen ze iemand naar de koekenafdeling te komen. Ik vraag me af of die kleuter er voor iets tussen zit. Misschien is ze rekken aan het herschikken volgens het aloude logische marketingprincipe: zet alle A-merken op ooghoogte. Als ze met haar lengte die logica volgt, is ze nog even zoet.     Dochter: Wanneer gaan we naar de supermarkt? Ik heb honger. Moeder: Naar de supermarkt gaan als je honger hebt, is geen goed idee. Dochter: Net wel, met al die proevertjes.

Lore Dewulf
38 1

over verlegenheid, ijsberen en Rosa Parks

‘Is ze altijd zo verlegen? Ik wil eens zien hoeveel ze gegroeid is, maar ze verstopt zich achter de rok van haar moeder. ‘Ja, kijk hoe verlegen ze is’. Aan het woord: een kennis van mijn ouders. Aan de rok: ik als kind. Haar meewarige toon, bezorgde blik en licht nee-knikkende hoofd. Uit de lichaamstaal van die vrouw maakte ik op dat verlegenheid geen eigenschap was die op haar goedkeuring of sympathie kon rekenen. Van achter mijn moeders rokken kon ik die vrouw goed bestuderen. Ik zag dat haar blouse verkeerd geknoopt was, waardoor de twee kanten scheef hingen. Ik zei maar niets, want dat doen verlegen meisjes niet, toch? Dit soort non-conversaties installeerden twee gedachten in mijn kinderhoofd. Knoop je blouse met een zekere toewijding en verlegenheid is een eigenschap die best geen zichtbaar deel uitmaakt van je persoonlijkheid. Mij attenderen op mijn verlegenheid zorgde voor een verhoging van mijn zelfbewustzijn: terwijl ik net heel hard mij best deed om niet te blozen, zorgde die opmerking ervoor dat ik net meer ging blozen. Een klassiek voorbeeld van actie-reactie. Het doet met denken aan het experiment waarin aan proefpersonen gevraagd wordt om gedurende vijf minuten niet aan een witte beer te denken. Als ze toch aan een witte beer denken, moeten ze een belletje rinkelen. Wat denkt u? Jawel hoor, jingle bells all the way. Misschien schuilt er een oplossing in de combinatie van beide processen: verlegen kinderen laten denken aan een witte beer wanneer ze vrezen te moeten blozen. We zijn ondertussen tig jaar later en mijn rokken doen ondertussen dienst als verstopplaats voor mijn dochters. De verstopplaats wordt voornamelijk gebruikt bij onbekende personen of op onbekend terrein. Het is als ouder verleidelijk om mee te gaan in het ‘ja-ze-is-verlegen-verhaal’ bij opmerkingen van buitenstaanders, maar wat zeg je daarmee, tegen je kinderen en tegen die persoon? Ik vind het vrijmoediger om de vraag terug te kaatsen: ‘Ach, hoe zijn we zelf op onbekend terrein? Op een feest waar we niemand kennen?’ Niet-stereotype verhalen over verlegen mensen kunnen inspireren, zoals het verhaal van Rosa Parks. Zij was een timide en verlegen vrouw, maar nam het uiteindelijk op tegen een bus vol misprijzende passagiers. Rosa Parks belichaamt en belicht kalme onverzettelijkheid en stille standvastigheid. Toch ligt het moeilijk om eenzelfde persoon als verlegen én moedig te zien. Parks leek zich bewust van die paradox en gaf haar autobiografie de titel Quiet Strength. Je hoeft niet altijd te roepen om gehoord te worden.   Moeder (tegen een kennis): ‘Ach, hoe zijn we zelf op onbekend terrein? Op een feest waar we niemand kennen?’ Dochter: Euh... Moeder: Wat zeg je, lieverd? Dochter (tegen de kennis): Je hebt je blouse verkeerd geknoopt.

Lore Dewulf
25 1
Tip

Weerstand tegen het lieve meisje

Natuurlijk is de weerstand die ik voel ten opzichte van de kassierster in mijn vaste supermarkt niets anders dan een projectie van een deel van mezelf waar ik afkerig tegenover sta. Aanschuivend aan de kassa sta ik haar soms gebiologeerd te observeren. Ik wens het arme kind uiteraard niets dan het beste toe, maar ik ben mij wel bewust van dit zurige gevoel. Iets in mij wil de energie die zij uitstraalt niet aanvaarden. Het is interessant om hier bij stil te staan, want ik wil graag in het reine zijn met elk aspect van mezelf. Weerstand tegen dingen maakt het leven moeilijk. Weerstand tegen een deel van mezelf zou zich wel eens kunnen uiten in een lichamelijke kwaal. Vandaar mijn motivatie voor deze persoonlijke psychoanalyse. Het meisje achter de kassa zou ik kunnen samenvatten als een seut. Ze blaakt van de goedheid, braafheid en betrouwbaarheid. Haar bewegingen, stem, blik, huid, haar en karakter zijn zijdezacht. Ze straalt niets pittig of verrassend uit en ze lijkt vlekkeloos op te lossen in haar omgeving. Toen ik eens vroeg of ik mijn zonnebril toevallig niet in de winkel was vergeten, deed ze zoveel moeite om hem te vinden dat ik spijt kreeg dat ik ernaar gevraagd had. De toon waarop ze naar mijn klantenkaartje vraagt, triggert iets tegendraads in mij. Het is een gevoel dat verzinkt in de achtergrond, het had mij zelfs gemakkelijk kunnen ontgaan. Ik weet echter dat er grootsheid in de kleine dingen schuilt.   Het is niets nieuws voor mij om te beseffen dat ik moeite heb om het zachte en gevoelige deel van mezelf volledig te aanvaarden. Enerzijds prijs ik mijn gevoeligheid de hemel in en weet ik hoe ik voordelen uit deze eigenschap kan halen. Maar anderzijds voelt het soms als een last. Zo vind ik het bijvoorbeeld vervelend van mezelf dat ik sociaal contact als vermoeiend ervaar. Ik weet ook heel goed hoe dat komt. Het vermijden of inperken van sociaal contact beschouw ik als een voorlopig antwoord op dit probleem. Ik baken grenzen af en bedenk regeltjes die ervoor zorgen dat ik mezelf niet teveel uitput als ik sociale interactie op mijn programma zet. Maar het liefst van al zou ik onverstoorbaar in mijn authentieke energie moeiteloos met anderen omgaan. Hoe heerlijk moet het wel niet zijn om me even vrij en ontspannen te kunnen voelen met anderen zoals ik me voel als ik alleen ben. Het is een belangrijk werkpunt waar ik actief aandacht aan besteed en het is wel degelijk al verbeterd in vergelijking met een paar jaar geleden. Toch ben ik nog niet waar/wie ik wil zijn. De sensitiviteit waar ik mee worstel, maakt me poreus ten opzichte van de energie van anderen. Het antwoord lijkt te liggen in afsluiten en harder worden. Minder gevoelig zijn. Ik vind mezelf soms te lief en ik walg daarvan. Het kassierstertje herinnert mij daaraan. Ik voel me dan ook aangetrokken tot mensen die een zeker je-m’en-foutisme uitstralen. Mensen die aan alles lak lijken te hebben en die laten uitschijnen dat niets hen raakt. Individuen die zonder enige schaamte hun uniciteit zegevieren. Dat vind ik inspirerend. Het lijkt me zalig om onverstoorbaar te zijn. Ik wil geen harde tante worden, maar zonder schuldgevoel een beetje meer lucht geven aan mijn inner bitch zou de dingen soms gemakkelijker kunnen maken. Eén van de belangrijkste levenslessen is dat niets is wat het lijkt. Het lijkt misschien logisch om de problematiek omtrent mijn gevoeligheid op te lossen door mezelf op één of andere manier te trainen in afsluiten en harder worden. Maar het tegendeel is waar. In plaats van mij af te keren van gevoeligheid, is het veel constructiever om er nog dieper in mee te gaan en deze eigenschap te exploreren en benutten. Dit lukt mij met vallen en opstaan. Het loont vaak de moeite om de dingen eens contra-intuïtief te benaderen. Om op de weerstand af te gaan. What you resist, persists. Wat je probeert te weren, trek je juist aan. Het is ook amusant om te constateren dat ik in alles dat hard lijkt het zachte zoek. Alsof ik via een omweg toch op hetzelfde punt uitkom. Als ik bijvoorbeeld iemand ontmoet die zelfzeker, sterk en onverstoorbaar overkomt, dan ga ik bijna automatisch op zoek naar zijn of haar gevoelige plekken. Het gevoelige vrouwelijke dat veilig huist in het stoere mannelijke vind ik ontzettend mooi. Een balans tussen beide is prachtig. Ik schommel soms tussen uitersten. Hypersensitief en tegelijkertijd gek op death metal en close combat. Ik heb lief met overgave, maar ben even passioneel in mijn woede en verdriet. Ik ben net zo donker als ik licht ben en ik hoef niet te kiezen. Ik wil het geheel omarmen. Alles draait om eigenliefde. Het is bepalend voor de levenskwaliteit. Ik oordeel over mezelf, met dezelfde blik waarmee ik naar het meisje achter de kassa kijk. Denkend dat ik meer in mijn mars heb dan waar ik momenteel mee bezig ben. Maar ik wil niet te streng zijn voor mezelf, anders gaat mijn innerlijk kind huilen. En dat is ook nefast voor de levensvreugde. Schipperend tussen nooit tevreden zijn en liefdevol aanvaarden probeer ik mezelf te scheppen.

KarolienDeman
286 5

over inbrekers

‘Wat was dat’? Elk herkenbaar geluid wordt onherkenbaar en onheilspellend als de avond valt. Mijn jongste dochter ligt in bed en we (daarmee bedoel ik mezelf) zijn klaar om goeienacht te zeggen. Dan hoort ze iets ritselen, bonken of knappen. Ze meent dat het een inbreker is. Ik begrijp haar angst, ik was vroeger ook bang voor inbrekers. Mijn moeder slaagde er altijd in me gerust te stellen met laconieke redeneringen: ‘Boeven zoeken geld of dure spullen. Wij hebben geen van beide in huis. Ze hebben dus geen reden om in te breken’. ‘En onze televisie dan?’, vervolgde ik. Waarop mijn moeder een beeld schetste van een boef met een beeldbuistelevisie op zijn rug. ‘En de computer dan?’ We hebben het hier niet over een hedendaagse, ultradunne, lichtgewicht laptop. Nee, het gaat om een gigantische computer uit de jaren ’90: een lompe desktopcomputer met klavier en muis. Opnieuw schetste mijn moeder een beeld van een boef met die computer op zijn rug, klavier in de ene hand en muis in de andere. Ik had nog vragen over een aantal andere huishoudtoestellen, zoals de wasmachine, droogkast en de ingebouwde vaatwasser. Mijn moeder bleef haar mantra over de – ondertussen overbelaste – rug van de inbreker herhalen. Daarna kon het licht uit en vroeg ik mijn moeder om mijn kamerdeur op een grote kier te laten. Mijn dochter laat zich ook niet met één argument geruststellen. Ze verschilt van mijn eigen jongere versie, want zij verzint volledige scenario’s. Probleem en oplossing in één. Zo houdt ze er rekening mee dat de boef in ons huis rondloopt, maar geen nood, dan verandert ze zichzelf in een elf of laat ze de boef bevriezen. Of verstenen. Of ze tovert zichzelf weg. Na het bespreken van tien afweermechanismen zijn we (daarmee bedoel ik mezelf) klaar om goeienacht te zeggen. Het valt me op met hoeveel vuur ze spreekt over het verslaan van de boef. Ze schept er groot genoegen in de inbreker in haar fantasie ten val te brengen. Het doet me denken aan het gevoel wanneer de slechte in de film eindelijk moet incasseren. Ik vind het knap dat ze haar angsten kan bedwingen met haar fantasie. Een irreële angst bestrijden met een irreële oplossing, er valt iets voor te zeggen. Ik ruilde doorheen de tijd mijn angst voor boeven in voor een aantal andere angsten. Sommige daarvan hebben bestaansrecht, omdat ze gekoppeld zijn aan de realiteit. Anderen zijn onnodig, angst voor problemen die nooit kunnen voorkomen. Dan raak ik verstrikt in mijn eigen fictie. Doe mij maar de methode van mijn dochter: een irreële angst bestrijden met je fantasie in plaats van je door fantasie in te laten met allerlei angsten.   Dochter: In mijn boek van Harry Potter gaat het over de Dementor. Die kan je datgene laten voelen waar je het meest bang voor bent. Moeder: Dat klinkt wel eng! Als ik klein was, bestonden er nog geen Harry Potter boeken. Ik las de boeken van Pietje Puk. Dat was een postbode en die zong altijd een liedje ‘Eén twee drie vier, Pietje Puk die heeft plezier. Vijf zes zeven acht, ’t is Pietje Puk die altijd lacht’. Dochter: En dat is niet eng, ofzo? Wat een freak, zeg.

Lore Dewulf
5 2

over lichaamshaar

Als ik u vraag waar u het meest walging voor voelt: vrouwelijk okselhaar of maden in vlees, wat zou u dan antwoorden? Deze vergelijking heb ik niet zelf uitgevonden. Als ik één levensdoel heb, dan is het wel zo weinig mogelijk denken aan maden in vlees. In 2004 onderzochten Tiggemann en Lewis de relatie tussen lichaamshaar en de gevoeligheid voor walging. Ze kwamen tot de conclusie dat zowel mannen als vrouwen met walging op vrouwelijk lichaamshaar reageren. Wat bedoel je met walging, hoor ik u denken. Wel, dezelfde graad van walging als bij het zien van maden in vlees. Daar komen die maden dus vandaan. Waar komt die walging voor vrouwelijk lichaamshaar vandaan? Er bestaan uiteenlopende verklaringen, maar volgens mij is het simpel. We kunnen het spaarzaamheidsbeginsel inroepen: het wegnemen van alle onnodige ingewikkeldheden om bij de eenvoudigste verklaring uit te komen. De eenvoudigste verklaring is deze: de heersende norm over lichaamshaar is onderdeel van de vercommercialisering van ons lijf. We mogen er niet uitzien zoals we zijn, we moeten ons aanpassen. En hoe kunnen we dat best doen? Door producten te kopen natuurlijk! Producten om al dat lichaamshaar te scheren, waxen en epileren, zodat we haarloos door het leven kunnen. Want, zo weet iedereen, je kan pas naar het zwembad als je bikinilijn on point is. Het kan aan mij liggen, maar ‘badmuts’ krijgt opeens een heel andere betekenis. Ik vind de vercommercialisering van ons lijf absoluut geen fijne evolutie. Meer zelfs, ik vind het absurd. Maar zelfs al volg je het devies van Baz Luhrmann ‘don’t read beauty magazines, they will only make you feel ugly’, wat ik al jaren doe, dan nog ben je niet vrij van het zien van vercommercialiseerde lijven. De gladgeschoren lijven lachen je toe op social media, in tv-series en in films. Die maken ons onzeker over onszelf. Laatst stond ik onder de douche, terwijl ik mijn onderbenen schoor. Mijn dochters, die hun tanden aan het poetsen waren, vroegen waarom ik dat eigenlijk deed. Ik stond even met mijn mond vol ongepoetste tanden. Ja, waarom eigenlijk? Omdat ik het mooier vind? Omdat ik wil voldoen aan de heersende norm? Omdat ik niet wil dat mensen mij aanstaren omdat ik haar op mijn benen heb? Ik denk dat ik in alle eerlijkheid driewerf ja moet antwoorden. Ik zou het fijn vinden mochten mijn dochters hier voor zichzelf op een nuchtere manier mee kunnen omgaan. Dat ze een eigen keuze zullen maken en dat ze zich niet zullen laten gek maken door die vercommercialisering. Ik weet nu al dat ik bij hun eerste scheermesje heimwee zal hebben naar een simpele wereld, eentje waarin niet zoveel verwacht en bewerkt wordt. Tegelijkertijd vind ik het stom dat het zo naïef en pathetisch klinkt. Oh, trouwens, ik zocht het even op: het spaarzaamheidsbeginsel wordt ook wel eens het scheermes van Ockman genoemd. Dat kan geen toeval zijn.   Dochter: Vind je dat je zelf mooie vlechten kan maken in je haar? Moeder: Bwa. Gewone vlechten wel, ingevlochten vlechten vind ik wat moeilijker. Dochter: Schaam je je soms voor je vlechten? Moeder: Nee, dat niet. Waarom vraag je dat? Dochter: Om te weten of je schaamhaar hebt.

Lore Dewulf
22 2

Privileges

Het heeft me meer tijd gekost dan anders om dit te schrijven. Omdat ik niks verkeerd wil zeggen. Omdat ik geen domme dingen wil schrijven uit onwetendheid vanuit m'n eigen achtergrond. Maar ik moet het wel eens gezegd hebben. Want ik hoor nog veel te vaak 'ik ben geen racist, maar'. En gewoon zwijgen en er het mijne van denken begint meer en meer aan te voelen als medeplichtigheid. Ik kom uit een blank vierkoppig gezin waarbij m'n vader een fabrieksarbeider was, m'n moeder een onderbetaalde kuisvrouw. Rijk waren we dus niet, maar arm evenmin. We gingen niet op reis naar de Côte d'Azur of de Costa del Sol, maar aan de kust van Domburg smaakte het water even zout en waren de frieten even slecht gebakken. Ondanks het prijskaartje hebben mijn broer en ik de kans gekregen om universitaire studies te doen. Een van ons twee heeft z'n opleiding van 9 jaar met succes afgerond. De ondankbare, overjaarse puber van de twee verspilde een kostelijk jaar in Leuven, gaf z'n tweede poging op hogeschool op na 2 jaar, om – derde keer, goeie keer – toch nog een bachelor binnen te harken. We laten even in het midden wie wie is. Wat ik wil zeggen is dat ik nooit overvloedige rijkdom ervaren heb, maar alle kansen gekregen heb in m'n leven die ik kon wensen. En zo goed als iedereen in mijn directe omgeving kan hetzelfde zeggen. Misschien is het daarom voor velen zo moeilijk om zich voor te stellen dat niet iedereen die luxe heeft gehad. Dat sommigen hier nog voor ze hun eerste stapje zetten al een stempel op het hoofd hebben voor de rest van hun leven, of ze nu al derde generatie Belg zijn of niet. Dat sommigen hier keihard werken om een toekomst op te bouwen en nog als profiteurs worden afgeschilderd. Dat iemand met een andere kleur, accent of cultuur wel goed genoeg is om één dag na je bestelling dure, overbodige spullen aan je voordeur te komen afgeven, maar niet goed genoeg om in je straat te wonen. Blijkbaar zorgt dat veilige leventje van velen van ons ervoor dat maar weinigen zich kunnen voorstellen hoe het moet zijn om níét elke dag van je tijd op deze aardbol gerust te zijn dat je basisbehoeften zonder problemen vervuld worden. Kom dus alsjeblief niet af met dat 'all lives matter'-argument dat jou doet overkomen als een eindeloos vat van empathie voor alles wat leeft. Zoiets zeggen is hetzelfde als geen enkel goed doel steunen omdat je vindt dat álle goede doelen steun verdienen. En ondertussen níks bijdragen aan verandering. Doen alle levens ertoe? Natuurlijk. Maar daar gaat het hier niet over. Als je echt zo meelevend zou zijn als je beweert, besef je dat het er hier om draait dat bepaalde levens er doorheen de geschiedenis altijd minder toe hebben gedaan dan andere. Bewust, door toedoen van andere, gepriviligeerde groepen. En dat dat dringend moet veranderen. Dus stop met je bedreigd te voelen. Met bang te zijn dat iemand jouw comfortabel leventje komt inperken. Dat iemand beslag komt leggen op je bedrijfswagen, je job of je huis. En stop met een enorm belangrijk moment af te nemen van mensen die al eeuwen systematisch worden gediscrimineerd, nu ze eindelijk eens gehoord lijken te worden. En de volgende keer dat je van plan bent om te zeggen 'ik ben geen racist, maar', vervang dat dan alsjeblief eens door 'ik besef dat ik het als witte middenklasser al mijn hele leven als vanzelfsprekend beschouw dat ik niet moet wakkerliggen van eten of een dak boven m'n hoofd, dat ik niet bang ben als ik politie zie passeren, dat een appartement niet plots verhuurd is nadat ik mijn naam heb gezegd aan de telefoon, dat ik het hartverscheurend zou vinden moest mijn kind of kleindkind zonder reden slechter behandeld worden dan de rest, maar ...' Wie weet voel je geen behoefte meer om je zin af te maken en bespaart dat ons weer een ongemakkelijke situatie waarin het kiezen is tussen een lange discussie vermijden of de ballen hebben om je te wijzen op het feit dat je met je vooroordelen wél een racist bent. Bij deze ga ik er eindelijk mee beginnen om voor dat laatste te opteren.

Hans Verhaegen
33 0

Het Huis

Het Huis kraakt. Zoveel decennia staat hij hier reeds. Hij heeft al heel wat figuren geherbergd. Hij heeft mooie, ontroerende taferelen gezien en beleefd. Maar hij heeft ook moeite moeten doen om niet ineen te storten als een kaartenhuisje. Dat is hij niet. Hij is groot, sterk en warm. Dat wordt ten slotte van hem verlangd. Door al diegene die in hebben kunnen schuilen. Want dat is hij wel. Een schuilplaats voor iedereen.   Voor de kleinelingen, die met tegenzin opstaan en zonder moed aan hun dag beginnen. Ze gaan met slepende voeten naar school, wetende dat ze vandaag opnieuw op hun donder gaan krijgen. Misschien van de juf of meester, of van die streng uitziende directrice. Of misschien worden ze achterna gezeten door de bullebak van de klas. Om al hun centjes op te eisen. Niet omdat hij geen geld heeft, maar omdat hij zich geen houding weet te geven. En dit maar af reageert op de eenzaten, tevens de stilsten van de groep. Dit zijn de kleinelingen die het eeuwige antwoord: “Goed” mompelen op de vraag: “Hoe was het vandaag?” Dat dit keer op keer een ergerlijke zucht teweeg brengt bij de vrager in kwestie. Tot de vraag niet meer gesteld wordt.  Voor hen wil Het Huis een schuilplaats zijn. Hij wil de opluchting voelen als ze de te zware voordeur open duwen en even stil staan omdat ze weer daar zijn, in hun veilige huis. Hij zou ze willen toefluisteren dat hij er altijd voor hen is, dat ze alle warmte mogen gebruiken die Het Huis hen biedt. Dat ze over de planken vloeren mogen rennen, verstoppertje spelen tegen de bepleisterde muren, lichtgevende sterren mogen plakken op de plafonden. Want hij is hun huis. Voor de tussenlingen, die niet klein meer zijn, maar nog niet groot genoeg om te weten wat ze willen. Ze lopen zichzelf voorbij, hun gevoelens gaan alle kanten op en ze krijgen de woorden niet over hun lippen. Ze bonken met hun hoofd tegen de muren of laten de deuren half in hun hengsels hangen. Ze willen uitbreken en nooit meer naar huis terugkeren, maar ze willen ook voor altijd in Het Huis blijven. Want het is de enige plaats die ze echt kennen, en vooral de enige plaats waar ze steeds welkom waren en altijd zullen zijn. Voor hen wil Het Huis een schuilplaats zijn. Soms zou hij de tussenlingen streng willen toespreken als ze het weer eens te bont maken en de regels aan hun laars lappen. Of hij zou ze een standje geven als ze nu toch te brutaal waren. Maar hij zou hen ook direct geruststellen door hen te zeggen dat deze buien van voorbijgaande aard zijn. Dat er een tijd komt dat ze weten wat ze willen en dat daar mogelijkheden voor zijn. Dat deze verschillende stemmingen éénstemmig zullen worden en dat de donkere buien opklaren. Dat alles tijd nodig heeft. Voor de gewonelingen. Die ongewild in een routineus leven beland zijn. Die pendelen naar kantoor, tijdens hun lunchpauze de komende avond in hun hoofd overlopen en bedenken hoe ze eenvoudig, snel en gezond eten op tafel krijgen voor iedereen. Voor de gewonelingen die snakken naar afleiding, avontuur, een sprong of een beetje liefde. Want er zijn verschillende gewonelingen. Zij die het wel in hun eentje redden en in andermans ogen ontzettend goed bezig zijn, zij die een andere gewoneling in huis hebben en eigenlijk van de liefde kunnen leven. Maar ook zij die in het huisje, tuintje, boompje, beestje plaatje zitten en daar niet zo blij mee zijn. Het zijn ook zij die niet durven springen en die dan maar een gewoneling blijven, omdat het zo hoort. Voor hen wil Het Huis een schuilplaats zijn. Hij wil hen omarmen en raad geven over hoe het allemaal anders zou kunnen gaan. Hij zou zeggen dat ze hun hoofd moeten leeg maken en bedenken wat hen echt gelukkig maakt. Hij zou hen met alle plezier buiten jagen, als dat het enige is wat nodig zou zijn. Maar hij ziet dat er zoveel andere redenen zijn dat ze niet kunnen springen. En zo kijkt Het Huis soms lijdzaam toe. Naar tranen, slechte woorden, harde gebaren. Hij hoort zijn deuren slaan en de ramen trillen. Dat soort huis wil Het Huis niet zijn. Hij herbergt soms het liefst de ouderlingen. Zij die al sinds mensenheugenis in het hetzelfde huis wonen. Die dagelijks liefdevol de verschenen gordijnen openen, die nooit afwijken van hun routines. Zij die een uitgesproken mening hebben over de dingen. En waarom niet? Zij hebben het meest gezien en beleefd. In hun huis is liefde geboren, er zijn grote en kleine ongelukken gebeurd, een ouderling heeft er zijn laatste adem uitgeblazen. Vaak is er moeheid te bespeuren, gelatenheid. Maar altijd is daar die innige warmte die de ouderlingen zo typeert. Voor hen wil Het Huis een schuilplaats zijn. Hij wil hun gedachten en herinneringen tot rust brengen. Hij zou hen willen strelen met zijn zachte adem. Liefdevol kijkt hij toe hoe ze zo op malkander vertrouwen. Hij glimlacht als hij ziet hoe ze blindelings hun weg kennen in dit vertrouwde huis. Maar ook Het Huis krimpt ineen als één van de twee Het Huis langzaam verlaat. Hij voelt het verdriet van de ander schreeuwen, maar hij doet niets. Droefnis gaat zijn eigen weg. Het Huis kan het enkel aanschouwen en de overgeblevene blijven omarmen.

Manjula
0 0

over kappers

We hadden een familietraditie: haren knippen in het buitenland. Dit is verleden tijd en ik zal u vertellen hoe dat komt. Een aantal jaren geleden waren in Sri Lanka. Mijn ene dochter had op dat moment een froufrou die haar het zicht belemmerde, een gelegitimeerde reden om een kappersbezoek in te plannen. Mijn andere dochter wilde ook naar de kapper, omdat ze – naar eigen zeggen - langer haar wilde. Haar woorden. Dat vind ik een gelegitimeerde drogreden van een zesjarige voor een kappersbezoek. Het plan was er, solide in zijn eenvoud. Nu nog de uitvoering. Minder solide, minder eenvoudig. Op een namiddag passeerden we een aantal winkeltjes. Eén zaak was fel verlicht. Door de grote vensters zagen we een verscheidenheid aan verzorgingsproducten staan. Bij mij was dat voldoende reden om ervan uit te gaan dat dit een kapperszaak was. We gingen binnen en ik legde in mijn beste Singalees uit dat we een kapper zochten. De twee aanwezige kapsters keken me niet-begrijpend aan. Uit hun reactie maakte ik op dat ik mijn Singalees best nog wat kan bijschaven en niet dat we aan het verkeerde adres waren. Dan maar mijn gebarentaal voor op reis bovenhalen: ik maakte een schaarbeweging met mijn middel- en wijsvinger en nam wat haar van één van mijn dochters tussen mijn vingers ter illustratie. Het fronsen van de kapsters ging over in lachen. Eén van hen vond – na enig zoeken – zelfs een schaar. Ik had toen en daar moeten beseffen dat er iets niet klopte. Maar goed, de schaar was er, het haar was er, nu was het een kwestie van combineren. De dame met de schaar wees naar een stoel. Mijn oudste dochter vond dat ze lang genoeg gewacht had en ging vrolijk op de stoel zitten. Voor ik met mijn dochter kon bespreken hoe we dit best konden aanpakken, begon de dame te knippen. Vergeet wassen, vergeet kammen, vergeet het verdelen van het haar, gewoon knippen. Ik keek naar mijn dochters en we kregen de slappe lach. We kwamen niet meer bij. De kapbeurten duurden minder lang dan onze uitleg vooraf. Een impressie van hun kapsel? Denk Uma Thurman in Pulp Fiction. Of beter: denk Uma Thurman in Pulp Fiction als ze wakker wordt na haar needle in the heart. Denk dat ze op dat moment een schaar in haar hand heeft en in het wilde weg begint te knippen. Ziet u al iets? Ja, precies dat beeld. Bij het buitengaan zagen we op één wand posters van zorgvuldig gemanicuurde handen. Ik keek achterom en zag overal potjes nagellak (stonden die daar een half uur geleden ook al?). We waren in een nagelstudio. Hadden ze zonet de haren van mijn dochters geknipt met een nagelschaartje? Bij de volgende kapbeurt was ik de kapper van dienst. Dat ging niet gepaard met een spectaculair verhaal. Op een dag zei ik: ‘ík ga vandaag jullie haar knippen’. Ik had voor de gelegenheid een professionele kappersschaar aangeschaft. Professioneel materiaal is al de helft van het werk, nietwaar? Misschien werd ik wat overmoedig. Het moet gezegd: het resultaat zag er beter uit in mijn hoofd, dan op hun hoofd. De derde keer waagden we ons aan een echte kapper. In een kapsalon, met wassen vooraf en glitters achteraf. Mijn ontslag als kapper kwam niet als een klap. Het bleek geen vernauwing van mijn ouderlijke rollen, enkel een verschuiving. Ik ben nog steeds hun traiteur, chauffeur, huiswerkbegeleider, agendabeheerder, touroperator, styliste (mijn contract loopt ten einde), … Ik speel niet op elk moment elke rol met verve, maar hey, ik ben dan ook geen kapper.   Dochter: Jij past bij die outfit. Moeder: Welke outfit? Dochter: Gewoon, je bent oud en fit.

Lore Dewulf
33 0

De duivenbende

Het is maandag. De lucht is grijs en voelt kil aan. Het is buitengewoon stil wanneer de roltrap me op het plein Zwarte Vijvers in Molenbeek duwt. Er komt me geen geur van warme broodjes of look tegemoet zoals op andere dagen. En ook de helblauwe lucht en de snijdende winterwind waar ik zo van hou zijn afwezig. Er zit dus niets anders op dan zo snel mogelijk te stappen in plaats van slenterend te genieten. Net als ik wil oversteken valt mijn oog op de stoeprand. Of beter in het keelgat van een duif.Keelgat mag je hier zeer letterlijk nemen. Er liggen drie duiven op de stoeprand met elk een gat in hun keel ter grootte van een klein ei. Vol afschuw draai ik me om en loop door, maar ik krijg het beeld niet van mijn netvlies geveegd. Het doet me denken aan die ochtend dat de buurvrouw me kwam zeggen dat Kurt rost Pietje had dood geschoten. Ik was toen 14 jaar en smoorverliefd op Kurt. De buurvrouw wist dat en toch vertelde ze het zonder veel details en liet me dan achter. De buurvrouw was een opgetutte dame uit Brussel die zo deftig en beheersd was dat ze de jonge liefjes van haar man met een zure glimlach verdroeg. Daar stond ik dan, een verdwaalde tiener, met honderden vragen in mijn hoofd, maar ik kreeg geen geluid meer uit mijn mond. Ik had een hekel aan rost Pietje. Als kind vond hij niets leuker dan mij en mijn vriendinnetje te pesten. Zes jaar lang hebben we dat moeten dulden. Tot hij groot genoeg was om zich met andere dingen bezig te houden. Wapens blijkbaar. Ik kreeg direct een schuldgevoel voor alle vloeken die ik als kind over hem had uitgesproken. Misschien was ik echt een heks en was Pietje door mijn schuld dood? Pas uren later heb ik vernomen dat het niet mijn Kurt was die had geschoten en dat het eigenlijk allemaal een ongeluk was. Ze hadden met oude wapens zitten spelen en een kogel die had vastgezeten was los gekomen en recht door het achterhoofd van Pietje gegaan. Misschien waren de duiven ook zo aan hun einde gekomen, door een ongeluk, of door rebelstienergedrag? Hadden de jongens hier op het pleintje al spelend naar elkaar geschoten en waren de duiven ertussen beland? Of was er een burenruzie uit de hand gelopen? Of zouden de bewoners hier dagelijks een aantal duiven schieten om dan lekker gaar te stoven? Dan waren hun ogen groter dan hun buik geweest en dat klopt niet met het beeld dat ik de voorbije jaren ontwikkelde over de bewoners hier. Voedsel wordt hier niet verspild, maar met de buren gedeeld. Nee, de duiven lijken brutaler aan hun einde gekomen te zijn, alsof er een gepantserd voertuig met grote pinnen op de bumper gepasseerd is waarop de drie duiven tegelijk vastgepind werden. Dat moet dan wel zelfmoord geweest zijn, of waaghalserij van een paar jonge duiven die elkaar uitdaagden. De man achter het stuur moet van totale schrik de duiven op de stoep gegooid hebben. Het zou ook geen zicht zijn om in een zwarte geblindeerde wagen met drie duiven als trofeeën vooraan je bumper door Molenbeek te rijden. Dan denkt de plaatselijke politie helemaal dat ze in één of andere maffiafilm terecht gekomen zijn en gewoon in het wild mogen schieten. In gedachten verzonken voel ik de kilte niet meer. Aan het groentewinkeltje ruik ik het verse fruit. Een vlucht lichtgrijze duiven maakt een sierlijke beweging over mijn hoofd. Dat waren de mooie duiven die steeds de aandacht trokken door één of andere kunstzinnige dans. Nooit zag je ze bedelen om eten of zenuwachtig rondpikkelen. Ze leken wel uit prinselijke oorden te komen, enkel om wat schoonheid in de stad te brengen, nooit om onze rust te verstoren. Misschien behoorden de drie dode duiven wel tot een onruststokende gangsterbende en werden ze door de duivenpolitie neergekogeld met de lechees van het groentewinkeltje op de hoek? Ze leken wel gangsters nu ik eraan denk. Het waren niet de verzorgde duiven die respectvol uit de weg gingen en hun behoeften aan de muurkant achterlieten. Nee, de duiven op de stoeprand waren van de vuile bende, die hun groenwitte slijmerige behoeften over het hele plein lieten vallen, zodat je bij regenweer gegarandeerd op je bek ging als je de metro uitkwam. En dan weet ik het plots... De drie duiven stonden wellicht heel hard te lachen wanneer er weer een oudje tegen de grond ging. En deze keer was het oudje in totale woede met zijn wandelstok de duiven te lijf gegaan. Zo is het vast gegaan. En niemand durft de duiven nu weghalen uit respect voor dat oudje. Ik ril nog even en dan verdwijnt de dode duivenbende samen met wijlen rost Pietje voor altijd ergens in mijn achterhoofd.

Fien SB
77 1
Tip

over het vrouwenlichaam

Vrouwen zitten genetisch anders in elkaar dan mannen: vrouwen hebben twee x-chromosomen, mannen hebben één x en één y-chromosoom. Niemand is ooit geboren zonder minstens één x-chromosoom. Zonder het x-chromosoom is menselijk leven niet mogelijk. Daarmee kunnen we de oeroude discussie weer aanwakkeren: wie is het sterke geslacht? In het boek ‘het sterke geslacht’ van Sharon Moalem winnen de vrouwen, want al in de ondertitel van dit boek staat ‘een uitleg voor de genetische superioriteit van vrouwen’.   In de leeftijdscategorie van mijn dochters worden er vaak wedstrijdjes georganiseerd: jongens tegen meisjes. Deze wedstrijden gaan gepaard met hevige emoties bij beide partijen. De verliezende groep doorloopt bij sommige wedstrijden de volledige cyclus van rouw. Vaak gehoorde argumenten zijn ‘het is niet eerlijk, de anderen speelden vals’, ‘wij doen niet meer mee’ (dit argument kan ook al halverwege de wedstrijd in de strijd gegooid worden), ‘wacht maar tot de volgend keer, wie zal er dan winnen, huh?! (waarmee de battle of the sexes bij een volgende samenkomst opnieuw op de agenda komt). Volwassen-zijn staat niet gelijk aan een milder competitiegevoel. Bij de volwassen spelvariant ‘mannen tegen vrouwen’ transformeren sommige individuen terug naar hun tienjarige zelf (tegen hun sexegenoten ‘Haha, we zullen eens zien wie dit spel zal winnen!’ en tegen de tegenpartij: ‘Zijn jullie klaar om te verliezen?’). Het dingen naar de titel van ‘het sterke geslacht’ gaat voorbij aan andere discussies, namelijk de biologische, genetische en medische.   Vrouwen kunnen elk van de twee x-chromosomen gebruiken in elk van hun biljoen cellen. Vroeger dachten onderzoekers dat één van de twee x-chromosomen inactief was. Pas recent werd ontdekt dat de hypothese van de x-inactivatie niet klopt. Ongeveer een kwart van de inactieve x-chromosoom is nog altijd actief en toegankelijk voor vrouwelijke cellen, wat ervoor zorgt dat iedere cel extra genetische kracht heeft.   Tot zover het goede nieuws. We weten dus dat een vrouwelijk lichaam genetisch heel erg verschilt van een mannelijk lichaam. Maar we weten ook dat wetenschappelijk onderzoek zich bijna uitsluitend richt op mannenlichamen. Dat heeft verschillende redenen. Eeuwen geleden werden meer mannen dan vrouwen tot de dood veroordeeld, wat resulteerde in meer mannelijke lijken om open te snijden en  te onderzoeken. Doorheen de jaren werden dode criminelen vervangen door muizen. Maar ook hier werd gekozen voor mannelijke muizen. De verklaring is absurd: mannelijke muizen zijn goedkoper en gemakkelijker in gebruik. Wetenschappers kiezen de weg van de minste weerstand: vrouwelijke muizen kunnen veel sterkere immuunsystemen hebben en dat kan de resultaten van een experiment compliceren. Mannelijke muizen zorgen voor meer éénduidige en makkelijkere resultaten.   Het ontbreken van vrouwelijke proefdieren en vrouwelijke weefsels en cellen in preklinisch farmaceutisch onderzoek zorgt voor een gebrek aan kennis, waardoor artsen moeten schatten (en in het slechtste geval gokken) wat de beste dosis of behandeling is voor hun vrouwelijke patiënten. In 2020 (hetzelfde jaar waarin Elon Musk onderzoekt of we een tripje naar Mars kunnen maken) zijn de voorgeschreven dosissen van medicijnen te hoog voor vrouwen, omdat ze getest zijn op het lichaam van een man.   Ik zit niet te wachten op de zoveelste battle of the sexes. En voor wie toch competitie wil: om ter eerst meer onderzoek naar de werking van het vrouwenlichaam.     Moeder: heb je mijn briefje gevonden in je brooddoos? Dochter: ja, maar waarom zet je altijd twee x’en op het einde van elk briefje? Moeder: omdat ik een vrouw ben.

Lore Dewulf
156 8

August van Putlei

Ik fietste van mijn huisarts in Deurne naar huis via de August van Putlei. Het was jeugdsentiment dat mij daartoe had aangezet. Twintig jaar na mijn middelbareschoolcarrière ben ik harder veranderd dan het gelaat van deze straat. Huid is vergankelijker dan steen. Ik keek rond, snoof de lucht van melancholie op en probeerde het gevoel van toen te herbeleven. Even zat ik weer op mijn stoere citybike. Ik dacht terug aan het meisje met de mysterieuze blik en blonde krullenbol. Ik fietste, zij wandelde en soms keken we mekaar secondenlang aan tijdens het kruisen. Maar misschien fietsen mijn herinneringen in slow-motion. Ik zie ze naar me glimlachen, spaarzaam zoals de Mona Lisa. Tijdens die momentjes ging mijn hart wild tekeer en domineerde deze schoonheid mijn gedachten tijdens de rest van de rit. Nooit had ik het lef om haar aan te spreken. Er moet een moment geweest zijn dat we elkaar voor het laatst zagen zonder het te weten. Ik dacht ook terug aan toen ik mijn middelvinger uitstak naar een roekeloze chauffeur die toeterde en mij rakelings voorbij vlamde terwijl ik naast een vriendje fietste. De chauffeur stopte abrupt, stapte uit en wachtte mij met gekruiste armen op. Toen ik hem naderde, slingerde hij verwensingen naar mijn puberhoofd. Dat is wat ik mij herinner, maar het geheugen neemt je voortdurend in de maling. Ik dacht ook terug aan het nabijgelegen voetbalpleintje waar ik na schooltijd tot een afgesproken uur tegen een bal trapte en joints doorgaf zonder er zelf aan te trekken. Voor het overige herinner ik me bitter weinig van de August van Putlei. Het is ook maar een banale straat. En toch: waar zat ik aan te denken, al die jaren met de wind in de haren? Ik zou eens terug in dat dromerige hoofd willen kruipen. Dacht ik soms aan later?

Antony Samson
22 2

over jarig zijn

‘Maar hoeveel kindjes mag ik uitnodigen?’. Mijn oudste dochter aan het woord, puppyblik on point. Ik dacht dat er een soort officieuze stelregel bestond: één kind per jaar. Dus in haar geval zijn dat – even tellen, nee hoor, grapje, gewoon even bekomen van de optelsom – negen kinderen. Is dat echt de stelregel? Daar moet dringend een maatschappelijk debat over gevoerd worden. De vraag over hoeveel kinderen ze mag uitnodigen, komt een aantal maanden vóór haar effectieve verjaardag. Als kind kan je nooit te vroeg starten met het plannen van je verjaardag. Als hoogbejaarde overigens ook niet. De dag na je 99ste verjaardag kan je best meteen op zoek gaan naar genodigde nummer 100, voor je volgende verjaardag. Als je de gewoonte hebt om veel mensen uit je eigen leeftijdscategorie uit te nodigen, kan je best een kleine reservelijst aanleggen. Je weet maar nooit. Wat ze graag wil doen, wat ze graag wil eten, hoe ze de uitnodigen wil maken. Elk deeltje verjaardag wordt nauwkeurig voorbereid. En uitgevoerd. Dat was vorig jaar. (Een jaar later. Enter Corona.) ‘Maar mag ik dan echt niemand uitnodigen?’ Je eerste verjaardag als tiener binnenshuis vieren met als enige gezelschap je ouders en je zus. Dat zat niet in haar planning. Maar als er één verjaardag als tiener is die je in dat gezelschap wil doorbrengen, dan zal het deze zijn. Ja toch? De verse tiener toont begrip. Er vallen een aantal bonnen in de brievenbus. Een bon om naar Technopolis te gaan, cinematickets, een bon voor het STAM museum. De bonnen van buiten de bubbel en de zelfgemaakte slingers en taart in de bubbel geven haar verjaardag een lockdown waardig feestgehalte. Ook al kreeg ze geen echte Bongo-Bon, ik zie het als mijn moedertaak om haar te waarschuwen voor het Bongo-Bon syndroom. Klinkt bekend? Eerst bekijk je vol enthousiasme de mogelijke opties van de bon, maar voor je het weet, is het je volgende verjaardag en doorzoek je gans het huis op zoek naar die f*cking Bongo-bon. Eens je die gevonden hebt, stel je vast dat de vervaldatum een week later volgt. Om dan als een gek te bellen om alsnog een plaatsje te reserveren bij je eerste, tweede of laatste keuze. Als ook dat op niets uitdraait, heb je dit jaar wel een voordeel: je kan Corona de schuld geven. ‘Overmacht’ is hét codewoord. De gevaren van het syndroom werden besproken. We besloten te anticiperen. De eerste week van het nieuwe normaal gaat mijn oudste dochter op één dag naar de Technopolis, de bioscoop en het STAM museum. Ze kijkt er nu al heel hard naar uit.   Moeder: Wauw. Je bent al tien jaar. Niet te geloven! Dochter: Juist. Ik ben nu geen meis-je meer. Wat is het vergrootwoord van meisje?

Lore Dewulf
41 0

100 dagen, 1 lockdown en 20 lessen later

Flashback naar exact 100 dagen geleden. Sommigen sliepen hun roes uit nog dromend van de lege vaten net voor middernacht, anderen konden enkel piekeren over de lege dagen die zouden komen. Het was zaterdag 14 maart, en het land ging op slot. Het is een cliché zo groot als de fanbase van Marc Van Ranst, maar uit een crisis kan je leren. En sharing is caring: zie hier 20 lessen waar ik het virus bijna dankbaar voor ben. Bíjna. Eén. Ik ben zo verwend. Thuis wonen, vanuit dat huis kunnen blijven verder werken, natuur rond dat huis om in uit te blazen. Als ik dan denk aan anderen die om te blèten zoveel pech hebben, besef ik hoe simpel geluk eigenlijk is. Melig but true. Twee. De evolutie van ons taalgebruik is werkelijk niet bij te houden. De naam van een virus was plotsklaps ook een tijdperk en een soort almachtig wezen.Amai, zo stom, verjaren tijdens de corona!We vieren dat nog hè, als het weer mag van corona!Ja ja, na de corona!(Durft iemand nog een Corona Extra te bestellen, trouwens?) Drie. Op amper een kilometer van mijn huis ligt er een bos. Een bos waar ik sinds 23 jaar nog nooit geweest was. Op de zoveelste coronazondag, tijdens de zoveelste coronawandeling, plots een ingeving: “Dat padje, waar komt dat eigenlijk uit?”. In het paradijs, zo blijkt. Vier. Ik hoef mijn haar eigenlijk niet zo vaak te wassen. Nu ik niet meer elke ochtend puur uit gewoonte in de douche stond, kwam ik tot de vaststelling dat die coupe best wel twee dagen kon overleven. Drie als mijn hoofd er echt zin in heeft. Langer slapen, kleiner shampoobudget: win-win. Vijf. Skypen is verschrikkelijk. Zes. Dingen die zwaar onderschat worden: de hele zorgsector, de impact van eenzaamheid in elke generatie, de armoede in ons land. Hey overheid, doe er iets aan! Zeven. Langetermijndenken is een ding. Al dat 'het-gaat-nooit-meer-hetzelfde-zijn' en 'dit-komt-nooit-meer-goed' is zo vermoeiend. Denk eens verder dan volgende week. En daarbij: hoeft die veel te drukke massasamenleving in exact dezelfde vorm terug te komen? Acht. Mondmaskers zijn ontiegelijk warm op de trein, maar nu kan ik tenminste geeuwen zonder dat de hele wagon kan raden wat ik gegeten heb. Negen. Hoe druk maken wij ons eigen leven en hoe goed voelt het om ’s ochtends op te staan en niks te moeten? Tien. Ik kom zo'n 185 keer per dag aan mijn gezicht. Gemiddeld. Elf. Ik kreeg altijd al de kriebels van het woord ‘bubbels’ als alternatief voor eender welk sprankelend aperitief en vind het nu helemaal een afschuwelijk woord. Twaalf. Asociaal zijn is su-per goed voor de portemonnee. Dertien. Op gezinsweekend gaan in je eigen kot is een aanrader. Een uitgebreid ontbijt fabriceren, een fietstocht uitstippelen, lekker eten afhalen – en in uw eigen bed liggen, waar uiteindelijk niets tegenop kan. Mopjes zijn een pluspunt: "Vergeet uw valies niet te maken hè, morgen zijn we weg!" Veertien. Ik besteedde te veel tijd aan zielloze tv-programma’s en doelloos scrollen op Instagram. Eindelijk prioriteiten gesteld: 100 dagen, 1 lockdown en 10 boeken later. Vijftien. Je verjaardag op verschillende dagen en met verschillende mensen vieren, is niet overdreven. Niet buitenkomen en niemand zien tenzij in de verte op de oprit, is gewoon kei triest. De plannen voor mijn birthday full option in 2021 zijn al in de maak. Zestien. Voor iedereen goed willen doen, is ijdele hoop. Hoewel ik geloof dat de meeste mensen diep vanbinnen deugen, lijkt iedereen zichzelf toch de belangrijkste persoon op aarde te vinden. Bij elke maatregel voelt wel iémand zich in zijn ziel gekrenkt. Haal dat wit laken dan ook maar van uw gevel – als je respect hebt voor de zorgverleners, mekker je niet over een tweede verblijf of het dragen van een mondmasker. Zeventien. Unpopular opinion: ik was geen online shopper en zal er nooit een worden. Achttien. Als ik voor één ding bang ben, is het dat een van mijn lieve moekes iets overkomt. Altijd al, maar nu verpletterde het risico mijn hart een beetje. Mannekes, blijf uw verstand gebruiken voor die schitterende grijze generatie. Negentien. Goed nadenken voor je kinderen op de wereld zet, want mogelijk zit je daar dus ooit wekenlang non-stop mee in je kot. Twintig. Leef alsof het je laatste dag is. Leef alsof morgen de lockdown begint.

Marthe Van Loy
6 0