Zoeken

Brussel Versie 2

Brussel uitrijden. De lelijke stad blind kunnen verlaten en toch kijken. Het is in deze blik dat een stad zich schuilhoudt en aardt naar inruilbare normen. Ook dit is een vorm van vergeten. Dit is de passe partout van het gaan en het uitsnijden van een bekrompen versie paradijs uit het kleine vlekje realiteit: het stationszicht: ijzeren omhulsels als vormgeving van het ballingschap en het daaruit leren bevrijden door angst, die we graag ingeboezemd krijgen.   Het is een blik die we werpen op het relaas van verloren tijd en hoe we die leren benijden. Nooit bevrijden! We leven ernaar. Tijd en altijd komt dan de spijt.   Het is dus een komen en gaan van de kitsch, de silo van het kijken, want ook daarin oogsten we tonnen ervaring en ambivalentie in doorzettingsvermogen. We willen maar zouden we niet anders en zo en zo en niet hoooo maar!   Ik ben de dupe. Ik ben de dupe. Ik ben de dupe die dan duwt in de richting van een ring waar we wachten en talmen en veiligheid is een veilig begrip, wat is taal toch een kluwen van houvast. Als je krampachtig schudt, zoals een laatste stuiptrekking genaamd Brussel, ben je net de stedelijke evolutie die etaleert met zijn vermogen tot het uitsteken jonge oogjes zonder al te veel angst.   Hier hebben we op gewacht. De ondergang, en we lopen mank tot we ophouden mank te zijn. Gent huilt en Mechelen wacht. Wij, wij zoeken, en worden onderdanig aan zij die opgehemelt worden, het mekka van het roepen, de allegorie, de essentie. Op je knieën schrijven, want op je knieën kan je niet schrijven, laat staan herbeginnen. Een opgave in de stenen maar automatisch dus niet tot onmogelijkheid gedoemd en permanent aanwezig. Reizen moet je meenemen als taal en niet omgekeerd! Het treinstel dient dan als handvat voor de verdubbeling van woorden in zinnen en referenties. Het materiaal dat je onderweg ziet en voelt, zal de nieuwe drijfveer zijn inzake het vermogen van je hoofd. Koppie erbij houden hè! Kortom, nergens meer dan onderweg, nergens meer dan nergens dus. Brussel is de ontmaagding van een reuzin en bevindt zich misschien wel in dit onderweg.   Ik zwaai naar die overkant. Ze laten je expres wat langer wachten tot de theorie over jezelf zichzelf niet meer is. Alsof we de wereld wat nog wat langer over het hoofd zouden willen zien en vergeten dat we bang zijn. Leven in deze illusie dan het doel op zich. Hier zijn om onderweg te blijven! De optelsom maken, teleurgesteld het doek neerhalen en lachen: There will be nothing you will not be be looking for in this world. Except in for your god. This is all a dream. A dream in death.   Achterhoofden kneden tot wat we zijn: tot je legioen marsvrouwen. Want dit is wat je wil. Je persoonlijke tijdsperk. Je wordt wakker. Dan pas ontwaken en de bijhorende ingebedde rituelen die een netwerk vormen aan vangnet, je plan B. Hallo zeggen en weten wat goed voor je is. Dat ontkennen en herbeginnen.  

Dries Verhaegen
4 0

Verbleekt rood

Rood haar zelf geknipt valt over haar zorgvuldig omlijnde ogen. Wanneer ze me aankijkt als ik binnenkom met mijn bagage van de dag knapt mijn overspannen hart.   Piercings wilt ze niet, een tattoo misschien en ze verbaast zich over zoveel onbegrip. Bijna vijftien is ze nu, nog altijd speurend naar verjaardag bezoek. Instagram is haar portaal, haar make up haar verhaal. Ze is het kind van een alcoholist, een kind uit het elfjesbos.   Ze flirt de godganse dag met haar eigen spiegelbeeld, maar vreest de marges tussen de omlijsting en haar kamer. Haar kaders zijn de muren van onze sociale huurwoning en haar overgebleven data.   Zomervakantie is voor haar een straf gevuld met lege dagen. Vriendinnen maken kan ze niet, vrienden zijn nog minder.   Ze is een dochter van een sterke vrouw zelfvoorzienend en alleen. Alleen zij kent de uitgegumde wazen over de lijnen van mijn verhaal.    Ze lijdt, ik zie het en alles wat ik haar bieden kan zijn mijn verstramde pogingen tot kalmte.   Ze plooit zich naar mijn humeur en naar mijn tijden van aankomst en vertrek. Ik duw, ik trek, ze trekt futloos terug.   Haar kont is van een jonge vrouw, haar duim nat van haar mond. Haar knuffel klampt zich vast aan haar wuivende kindertijd. Het heeft enkel nog een kopje, zijn lijf hangt aan elkaar van 15 jaar verdriet en eenzaamheid.   Ik wil haar dragen weg van hier naar stroomopwaarts. Naar een thuis waar een vader is, een zus en fijne buren en vrienden die spontaan binnenvallen en allen blijven eten.   In het weekend maakt ze plaats voor mijn opgebloeide liefde. Ze weet van zijn bedrog. Wanneer ik mijn lach lach zie ik haar schouders dalen, wanneer ik vloek zie ik haar rug, wanneer ze zachtjes de kamer verlaat.   Ze is mijn kind gegroeid in het beste van wat ik had, het beste van twee kwaden.  Ik wil haar geven alles wat ik kan maar ik kan niet meer.  

Susanna
26 0
Tip

Het is Robert Anker - Mechelen

Het is Robert Ankers stem die me wakker schudde. Wakker worden deed ik in de vertrekhal, is ook maar een woord. Zo blijven we bezig. De gesprekken die al in je drijven nog onuitgesproken, zo blijven we bezig. Leonie moet al op de toppen van haar tenen gaan staan voor een glimp van de zaal met taal, of noemde ze Justine, zo blijven we bezig. Maar het is een bewijs dat niets zeker is, alleen maar beter dan ervoor, want nu is nu en straks is dan nu. Meer hebben we niet in deze vondst. Dus verzinnen maar.   Ik zie wat taal niet ziet en ben het alweer vergeten. Sporen van handschrift zijn het, eerste mail van mijn emotie die in me gedrukt stond en nu verzonden naar de tong. Kijk uit, hij is geletterd.   Lezen is a) ontdekken b) verwekken   c) leuk want ik woon te Mechelen. Taal vormt het netje dat de buitensporigheden van empathie zou kunnen filteren, maar dit vervolgens niet doet en zegt: in mijn potentieel verveel ik me nooit. En wij maar luisteren. Dat ik vergeet hoe ik heet in de weifelachtig warme literatuur. Waarna ik opsta en mezelf voorstel. Ik ben mijn boek omdat ik heet wie ik denk. Ik denk dat ik groot ben maar daarmee verzet ik nog geen bakens en ben ik al helemaal niet onsterfelijk, want wat zouden we meer willen dan willen? Het lezen blijkt het wezen.   Dan belt moeder: zo is ze nog net geen schrijver. Moeder belt want ik ben een zoon en of ik er niet ben als ze niet belt. Zegt: hoi lust je vanavond alles want als kind wat je nu krijgt. Wat je zoals leest als je nee zegt: Vestdijk en Joyce want je vindt ze waar je zoekt. Neenee moeder, zo werkt dat niet. Ik ken de verkoper door er weer te komen en altijd. Hij kent me want heeft geen keuze en dit is Mechelen     Of de apotheek en de bib in één want dit pakje boeken staat me. Happy days, jij ook moeder. Zie je in de dagen dat ik nee zeg. Haha daar heb je me.   Moeder die ophangt. Ik die de dag in de volgende zin nestel: Ook morgen kan vandaag zijn als je de telefoondraad je hoofd in altijd maar bellen. Kan ik nu nooit eens.   Boek is al uit, next up: Het boek alfa of een Hellevaart. Niet geleerd, wel verknocht als tast op beenmerg. Harder fietsen Dora! Iloveyou maar je bent mijn hier en nu al. Harder fietsen als je me maar vastpakt ach zonder gemaar.   Ik heb niet gehuild toen je niet nee zei en ook niet zei. Doodnormale vriendin wat heb ik je. Dat we zonder elkaar enkel maar alleen net woord.   Nu is nergens maar op het lezen na vertel ik je de wereld in die om onze kant en klare verbinding draait. Dora die belt:   Slik ik de gesloten woorden in komen ze en zo weer de telefoon weg de weg uit naar jou. You but I’m always blue.Nergens zou ik de woorden weer onderuit kunnen halen maar erg gevat - zucht - roep ik haar weer tot leven.   Ze zwijgt me tot mijn naam vergeten maar ik zie de verkoper ook graag omdat ik er altijd.   Harder fietsen. Nu is toen toen er straks dan weer meer is. Dat we elkaar steeds weer naast elkaar zullen lopen en liefst nog draai ik mijn hand rond je naam en draag ik je ook nog eens terug de dag in. (Ik die de dag in de vorige zin in nestel)  

Dries Verhaegen
68 0

Pimpelmees van de foor.

Hoewel ik haar blik wou vermijden, ontmoetten onze ogen elkaar halverwege het gejoel, ergens tussen het schietkraam en de autoscooter, al heette die attractie in die tijd gewoon nog de botsauto’s. Zij keek snel verlegen weg en ik deed hetzelfde. Indien ik haar was blijven aankijken zou het me zeker zijn opgevallen dat ze lichtjes bloosde en dat ze met de tong voorzichtig haar bovenlip beroerde maar ik was nog veel te groen achter de oren om dat op te merken, dus keek ik ook snel achteloos weg, naar de prijzen die één kapotgeschoten pijpje in het schietkraam zouden kunnen opleveren. Zij kon onmogelijk weten dat ik heel veel moeite had gedaan om haar preutse oogopslag te vangen want telkens ze mij in de gaten kreeg, keek ze schaapachtig weg. Ik zal ook wel gebloosd hebben en mijn ogen zullen wel geblonken hebben maar dat was haar ook niet opgevallen. Mocht ik haar nu tegen het lijf lopen, ik zou haar garderobe goedkoop en een beetje vulgair vinden, maar toen gaven de zwarte plak-netkousen die ze onder haar grijze plooirokje droeg met daarboven een rode wollen jas met veel te brede schoudervulling haar iets mysterieus en onbereikbaar. Voor mij was ze de diva van de foor. ‘For your eyes only’, Sheena Easton zong door luidsprekers in woorden die ik maar half verstond omdat de BBC alleen aan de kust in het zenderpakket zat en we thuis dus alleen maar keken naar Nederlands gesproken uitzendingen van BRT één, BRT twee en Holland één. Ik had vijftig frank, drie jetons voor de botsauto’s en twee kaartjes voor de rups in mijn broekzak. Die zouden die bewuste namiddag nog goed besteed worden op het dorpsplein van Muizen waar de kermiskaravaan voor het lange weekend was neergestreken. In zaal Rerum Novarum vond op dat moment naar jaarlijkse gewoonte tijdens de grote kermis ook de vogelshow plaats. Een paar lokale duivenmelkers toonden hun prijsduiven en een handvol parkietenkwekers en kanarieliefhebbers gaven met evenveel lawaai als de vogels die ze tentoonstelden commentaar op hun favoriete gepluimde vrienden. Toevallig of niet maar zij paradeerde daar ook. Ze laveerde er tussen kooien en keven die overvol zaten met kippen en hanen en tussen volières waar exotische paradijsvogels en Chinese nachtegalen in rondfladderden. ‘Wist je dat de pimpelmees de trouwste zangvogel is en dat de rest van de mannetjesvogels al vreemd gaat vanaf het ogenblik dat de eieren gelegd zijn’, vroeg ik haar stompzinnig omdat ik geen andere veilige openingszin kon verzinnen. Toen ik haar met die wetenschap overviel zal ik zeker zo rood zijn aangelopen als de pioenen die bij mijn grootmoeder een paar straten verder in de voortuin bloeiden. ‘En wat voor vogel zijt gij dan wel? Een pimpelmees, een straatmus of een papegaai want ge kwettert wel nogal.’ Haar brutale antwoord stond me wel aan want ik antwoordde met heel slecht geacteerd zelfvertrouwen, dat ik haar dat wel in haar oor zou fluisteren in de rups. ‘Binnen vijf jaar dan toch’, bitste ze terug,  ‘wanneer ge uit uw korte broek gegroeid zijt’, en er verscheen een soort van glimlach op haar veel te rood gestifte lippen zodat het een grijns leek. Na twee zinnen stond ze al voor op punten en dat was slecht nieuws voor mijn gespeelde zelfverzekerdheid maar ik liet me er net als de vogels niet door uit mijn kot lokken. ‘Ziet ge die eend daar in die keef?’ en ik wees naar een mannetjeseend met een groene kop die wat verderop in een rieten mand nerveus rond trappelde. ‘Die is er veel slechter aan toe dan wij want als die gaat, waggelt zijn gat zo hard dat het lijkt alsof hij de ganse dag heeft paardgereden. Nu ziet ge dat niet maar als die stapt krijgt die zij poten niet meer toe.’ Ze probeerde ongeïnteresseerd haar ogen te rollen maar omdat zij een veel slechtere actrice was dan ik proestte ze het na twee seconden toch uit. ‘Gij zijt een grappig baazeke met uw korte broek en uwe grote mond, van waar zijt ge want ik heb u hier nog niet gezien?’ ‘Van over de stationsberg, van aan den overkant van de Steenweg. Zeg, zijt gij die vogels ook niet een beetje moe? Gaat ge met mij niet mee in de rups, ik heb al kaartjes.’ ‘Ja, om mij proberen binnen te doen zeker? Vergeet het maar, daarvoor is uw broek nog veel te kort. Betaal mij liever ne gesponnen suiker, als ge centen hebt tenminste, daarbij ge hebt me nog niet eens gezegd of ge nu een pimpelmees zijt of niet.’ Door die twee gesponnen suikers en die twee appels op een stokje was mijn kermisbudget een uur later al met een vijfde gesloken. Ik zat precies met een dure vogel op mijn dak bedacht ik en ik moest met mijn resterende veertig frank en met mijn drie jetons nog twee dagen toekomen. ‘Moogt gij karekollen?’ vroeg ik haar goed wetende dat haast geen enkel meisje van vijftien karrekollen lust. ‘Beikes!’, was dan ook zoals te verwachten haar antwoord omdat meiskes van standing in die tijd nog niet ‘ieuw’ zeiden. ‘Dat ga ik nooit van mijn leven eten, dat zijn precies dikke snottebellen uit de zee’, zei ze met een gezicht alsof ze die ooit al eens gegeten had. ‘Ik denk ook niet dat gij dat durft’, zei ik heel zelfzeker omdat ik wist dat ik met dat doordacht manoevre een lijn uit smeet ik waarmee ik in het Vrijbroekpark al dikkere karpers had bovengehaald. ‘Wat krijg ik als… , en ik zeg wel als ik dat toch doe?’ En ze liet die als klinken alsof de beloning er niet mee toe deed maar wel alsof ze tegenover een brutale snaak in korte broek geen gezichtsverlies wou leiden. ‘Ge moet met mij niet durven of doen spelen als ge dat niet wilt he, ik zou het niet op mijn geweten willen hebben dat ge straks ziek wordt …’ Ik kreeg de kans niet om mijn zin met ‘..in de rups’ af te maken want ze onderbrak me met een vastberadenheid alsof ik al haar dapperheid en pit met mijn opmerking in vraag had gesteld.  ‘Peisde echt dat ik dat niet durf, zeg het maar he, wat krijg ik of durft gij niet meer misschien?’ Ik toonde haar mijn jetons van de botsauto’s en de kaartjes voor de rups en zei, ‘als ge dat wilt kan ik u vandaag vrijhouden, ge moogt overal mee in waar ik in ga en ik wil er zelfs nog een kaartje van het spookhuis bijdoen, maar dan moet ge wel op die slakken bijten en ze niet zo maar doorslikken.’ De karrekollen kraakten tussen haar kiezen zoals zand dat doet wanneer je slecht gewassen mosselen proeft. Door het speels geplaag was de romantische spanning de hele middag naar een climax opgevoerd dus wisten we geen van beiden wie de weddenschap nu gewonnen had en wie ze verloren had. Toen in de krakende houten rups, tijdens het vierde rondje dat achterwaarts gereden werd de groene kap dicht viel en ze in mijn oor fluisterde dat ze hoopte dat ik een pimpelmees was, had ik nog veertien frank en vijfentwintig centiemen.

jan pultau
0 0

Sokkels

We openen onze ogen, trillend en loom het lichaam verzwaard van de nacht. De pupil die te snel verkleind na wijdopen dromen. Het gewoel van de slaap loopt over in het gewoel van het leven, het gevoel van het leven, het gewoel van gevoel. Als een naaldenprik in ons zijn, is ons zijn. Prik, het licht in de ooglens. Prik, de eerste spier die samentrekt. Prik, de gedachte aan wat moet en wat mag. Prik, de volle blaas die smeekt. Prik, die eerste gedachte. Het is de vraag die sloom ligt te hunkeren op het achterste van onze tong, onze keel dichtknijpt en de lucht ontneemt of de mond openspert en inhaleert. We lachen onze tanden bloot om al wat we niet weten, een grimas en een schreeuw, want de grens is klein tussen plezier en pijn. Goedemorgen.  We duwen ons recht uit de warmte van de slaap en plaatsen ons voor de twee sokkels van iedere dag. Kiezen we voor het hoofd, of voor het hart. Hoofd, of hart. Niemand kan beslissen met zijn hoofd op de foute plek en het is snel grijpen naar dat wat klopt. Maar de bloederige pomp verdwijnt soms onder vingerafdrukken, uitgeput na al die jaren van ritme houden, ritme houden, ritme houden. Hoofd of hart. En ergens daartussenin zit het lichaam. Het wakende leven is vaak onbewuster dan het slapende, en zonder stil te staan grijpen we het eerste het beste. Als een stel sleutels dat op de kast ligt te wachten op vertrek, oeps, bijna vertrokken zonder. En wat ben je in het leven zonder sleutels, de mens heeft een akelige gewoonten van sloten. Zoals alles is het een kwestie van gewoonte, en na een tijd is het snel gekozen voor datgene dat niet onder het stof is verdwenen.    Hij grijpt het hoofd, plaatst het recht op de ruggengraat en vertrekt.    Zij twijfelt, voelt, en neemt voorzichtig het hart.    Hij doet wat moet, praktisch en volgens de regels van de logica. In deze maatschappij moet je je hoofd gebruiken. De grijze massa is ons besturingssysteem, met de radars van de logica afgestemd op de sensaties. Een consequente consistentie, een consistente consequentie - als het ongestoord doet wat hoort. Verstand komt voor op alles, zonder hersenen die de juiste prikkels geven zouden de spieren onze ruggengraat niet recht houden, zouden onze voeten geen stap vooruit zetten. En vooruit is de richting, beweging is de sleutel. Mensen hebben de akelige gewoonte overal sloten op te plaatsen, het is het verstand dat de sleutels aanreikt. Gezond verstand ordent de wereld - als het ongestoord doet wat hoort. What you see is what you get, eerst zien en dan geloven want de perceptie toont de waarheid en ons verstand is de sleutelbos. Weggegrist van de sokkel maar uiterst efficiënt. Dat laagje stof op het hart is niet relevant, het heeft geen nut maar schaadt ook niet. Hij functioneert. Logisch. Druk op start en ga rechtdoor. Registreer en analyseer volgens de logische redenatie van de probleemoplossende functies. Dorst: drinken. Volle blaas: plassen. Honger: eten. Interacties: reageer, consequent en volgens aangeleerde algoritmes - het doen en laten van de maatschappij. Ook wel zoiets als normen en waarden. Dat is het leven, dat is het zijn. Het zijne.  Zij legt het hart in haar ribbenkas. Hij is reeds gaan lopen met haar verstand, maar de kamers van haar hart bevatten leven en plaats voor beiden. Haar maag knort, maar is reeds gevuld met gedachten aan hem. Haar dorst is niet meer te stillen met water alleen. De gevulde blaas wordt niet geregistreerd. In plek daarvan kijkt ze naar haar vingertoppen, en herinnert hoe de zachtheid van zijn huid aanvoelt, de hardheid van de onderliggende spieren. Haar longen vullen zich met zuurstof en de geur van zijn lichaam vult het hare. Lucht, het houdt het hart licht. Het leeft en doet leven, vult ons en omarmt ons. Overal in, op, onder, door, tussen. Het druipt uit onze poriën en vult de aarde met onszelf. Ze grijpt naar het ongrijpbare, en lacht voor het onvatbare. Het is het gebaar dat telt. Met haar ogen gesloten legt ze het hand op het hart, voelt hoe de kamers zich vullen met bloed en gevoel. Een gedachte fluistert zacht vanuit het hoofd dat hij beheerst. „Je zou moeten…” „Nee’, breekt ze de gedachte,’ Ik voel, en dat is meer dan genoeg.” En ze blijft zitten met haar hand op haar hart, de blik gericht op de lege sokkels voor haar. Ik voel. Ik voel. Ik voel. De kamers blijven zich vullen. Zijn lach. Hoe haar lach voelt bij zijn lach. Zijn ogen. Hoe haar blik voelt bij zijn blik. Zijn huid. Wat haar huid voelt bij zijn huid. Zijn warmte. Hoe haar warmte leeft bij zijn warmte. Zijn lucht. Hoe haar lucht verdwijnt bij zijn vertrek.    De sokkels beginnen te daveren. De rest van de kamer, van haar kamers, vervallen in stilte. De sokkels daveren, steeds harder en harder. De ene sokkel kantelt naar de andere. In de nanoseconde dat ze elkaar raken, versplintert alles. Scherven zweven in de lucht, en beginnen aan een neerwaartse beweging. Ze voelt duizenden spelden vallen in de doodse stilte. Haar hart verzakt. Hij staat voor de deur, met een zwaar hoofd en de sleutel in zijn hand, en hoort het oorverdovende lawaai. De straat davert, de stad davert, de wereld lijkt te imploderen. Geluid, registreren, analyseren, reageren. Spieren, benen, links, rechts, links, rechts, links, rechts, ademhaling versnellen om de kracht te compenseren, deur, openen, hand op klink, spieren gebruiken, klink naar beneden, deur openduwen, haar zien zitten met haar hand op haar hart, de splinters als een laag stof over de vloer, het bed, haar haar, haar hart. Registreren. Analyseren. Reageren. Reageren. Reageer dan. Haar huid, haar blik, haar hart. „Reageer”, zucht ze fluisterend. Hij kijkt en analyseert. Keert zich op zijn hielen en verdwijnt uit de kamer. Na enkele tellen komt hij terug met een stoffer in de ene hand, een vuilzak in de andere. Stilzwijgend maar doelgericht veegt hij de splinters bij elkaar. Beginnende in de linkerhoek, naar de deur toe werkend. Hij veegt de splinters van de vloer, het bed, plukt alle splinters zorgvuldig uit haar haar, veegt ze voorzichtig van haar schouders, haar armen, haar benen. Veegt ze van haar neus, lippen en oogleden. Elke splinter wordt weggehaald van het oppervlak. Hij neemt de zak, doet nog een snelle controle, en verlaat de kamer. „Reageer”, zucht ze fluisterend, met haar hand op haar hart. De splinters zijn weg. Alles is weg. Probleemoplossend denken. Dorst. Drinken. Hij verzamelt hout, nagels, een hamer. Geconcentreerd en praktisch timmert hij twee gloednieuwe sokkels in elkaar. Glazend. Zonder stof. Hij plaatst ze opnieuw in de kamer, naast het bed waar zij op zit, met haar hand op het hart. Op de plek waar haar blik naar gericht is. Moe, slapen. De splinters zijn weg, de sokkels hersteld. Probleem, oplossing. Hij neemt het hoofd van de ruggengraat, plaatst het op de sokkel, loopt om het bed heen, slaat het laken open, legt zich neer op zijn rug, ontspant de spieren en slaapt. Zij zit, met het hand op het hart. „Reageer”, fluistert ze. Hij slaapt. Zij zucht. Lucht. Ze neemt het hart van tussen haar ribben, plaatst het op de nieuwe sokkel. Een splinter blinkt. Haar huid zoekt zijn huid. Haar warmte zoekt zijn warmte. Haar lucht zoekt zijn lucht.  Het is het gebaar dat telt.

SanneNadineF
0 0

Kruistocht in pamper

Geween maakt me wakker. Het is 7 uur en ik had nog een half uurtje extra slaap voorzien. Maar het geluid is dwingender dan een op hol geslagen brandalarm. Negeren is geen optie. Spurtje naar de keuken voor een immer troostend flesje. Dat brengt vandaag weinig soelaas. Ik merk dat ook zij nog een half uurtje extra slaap had kunnen gebruiken. Ze is zich daar zelf ook van bewust, ondervind ik aan het gehuil dat enigszins vervelt tot gejammer. Gejammer dat me vergezelt wanneer ik in de douche sta, mij aankleed en haar naar beneden wil dragen. Bovenaan de trap zet ze kracht bij. Gejammer wordt gekrijs. Want naar beneden gaan, kan ze sinds twee dagen helemaal zelf. Enig inschattingsvermogen van de mogelijke gevolgen van hysterisch gekrijs bovenaan trappen, heeft zich niet parallel ontwikkeld. Ik vraag me kort af hoe pedagogisch verantwoord het is om toe te geven aan dat hysterisch gekrijs, waarop ik resoluut voor de lieve vrede kies. Deze houdt de volle 15 minuten stand. Tot ik me schuldig maak aan een mensonterende behandeling waar ze zich hevig tegen verzet. Haar kleren en schoenen aantrekken. Het blijken bovendien de foute schoenen. Haar rode Conversejes hebben afgedaan. Het zijn de roze katsjoe botten die haar voorkeur wegdragen. Opnieuw ben ik in dubio, maar ditmaal houd ik voet bij stuk. Pluim op mijn hoed. Represailles van haar kant. Tijdens de drie minuten durende rit naar de crèche, besluit ze Anunagewijs nog even alles uit de kast te halen. Opdat ik het geweten zou hebben, dat ik haar het recht op katsjoe botten niet zomaar kan ontzeggen. Een mens zou bijna denken dat het hierop volgend kiss&ride-moment een opluchting is. Maar mijn moederhart bloedt. Hoewel er volgens mij foltertechnieken bestaan die babyaans gekrijs impliceren, kan ik niet wachten om het opnieuw te aanhoren. Tot dat moment zich weer aandient, dat spreekt.

freelise
0 1

HET NIEUWE PASEN

Misschien hield God zelf het vuurtje aan het dak van zijn Notre- Dame?  Gewoon..Eventjes kijken welke reactie zijn achterban zou hebben. Hij had in zijn Bijbelse verleden al meer zulke sadistische spelletjes gespeeld, gewoon om bevestiging te krijgen hoeveel vertrouwen zijn volgelingen wel in hem hadden, dus…Stond hij eventjes perplex toen die superrijken de geldomhaling op gang brachten? Als een lopend vuurtje verwittigden ze elkaar. Hoe die rijke stinkerds sneller dan het licht de knip van hun Louis Vuitton, Gucci en l’Oréal portefeuilles openden en er miljoenen euro’s, als per opbod, uit toverden. Diezelfde  fiscusontduikers die hij enkele jaren voordien Frankrijk met koffers vol geld over de grens zag rennen, om zeker geen belastingen te moeten betalen. Waren die nu hun schuldgevoel aan het witwassen? Dachten ze dat ze met zulke giften recht hadden, om eenmaal als ze boven aan de hemelpoort zouden komen, ze zonder discussie met Petrus in een speciale VIP-lane ontvangen zouden worden? Of bedachten ze alleen maar dat ze deze giften bij hun volgende belastingsbrief als onkosten mochten aftrekken?  God stond ook versteld om te zien hoe de Parijzenaars op 1 nacht een benefietconcert uit de grond stampten. Hoe minder bescheiden giften bij het volk rond gehaald werden. God zag dat het goed was. Zat hij daarboven op zijn wolk, op de leuning van zijn hemeltroon mee te trommelen of op de muziek op en neer te wippen? Deed hij met Petrus en Jezus een polonaise en riep hij: “waar zijn die handjes?” toen hij de rollende rrrr van Mireille Matieu over de Place des Invalides hoorde tuimelen. Had hij daarom geen tijd om zich met de Christelijke paasvierders aan de andere kant van de wereld bezig te houden? Hij wordt toch verondersteld ‘alwetend en almachtig’ te zijn! Waarom wist hij dan niet dat er in Sri Lanka enkelen van dat andere ‘ware geloof’ luxe hotels en zijn kerken zouden binnenknallen? Eventjes een onoplettendheid en 359 doden en meer dan 400 gewonden. Wat vond hij het ergst? Hele families die met een exploderende moslimbom uit elkaar gerukt werden of zijn brandende kathedraaldak? Of bedacht hij dat Petrus het nu wel ineens ontzettend druk zou krijgen aan zijn hemelpoort? Die zou overuren moeten kloppen en zeker geen tijd hebben om mee naar die andere Gods vertegenwoordiger op aarde de luisteren. Die langejurkenman die als een carnavaleske rockster van op een balkon, op dat Vaticaanplein, elk jaar diezelfde woordjes prevelde en kruisjes uitdeelde aan die duizend naïevelingen die naar hem opkeken. God zag dat het goed was…ga en vermenigvuldig U! Zijn lucratief religieus handeltje zou nog eeuwen blijven draaien. God tikte zijn zoon op de schouder en fluisterde dat het sprookje van zijn herrijzenis er bij de gelovigen in gegaan was als zoete koek. Prima gedaan! God zat alleen nog met één dilemma.. wat was er nu waar van Jezus zijn chocolade eieren?   Sim  diep bedroefd over al die religieuze onzin  21/4/2019

Sim
32 0