Zoeken

Beproeving

  De beproeving, zei je nog. Een inderdaad, het is zondag ochtend en ik kom tot de conclusie dat het een beproeving voor mij is. Ja, dat ook. Niet voor jou of voor jullie, maar voor MIJ. Nooit gedacht dat stilte zo moeilijk te verwerken is, waar ik anders toch van rust hou. Ik wil dat je geniet, en denk dat jou dat aardig lukt. Meer als aardig zelfs…………ik zie je al schrijven: het was erg leuk, ik ben verliefd. Zij is het…………….Ik reken ermee! En ik wil dat ook jij liefde hebt in je leven…………maar waarom doet het zo een pijn?   Hoe komt dat toch? Ik heb mijn handen vol, heb mijn agenda druk geplant zodat mijn gedachten niet kunnen gaan wandelen. En toch, ik heb een ding over het hoofd gezien: de nacht. Als uit de stilte, doodstilte wordt en mijn hersenen beginnen te werken. Als iedereen om me heen slaap, zelfs jij, langs haar………ergens duizenden kilometers van mij vandaan. Zelfs dat geeft me onrust. 3 nachten al slapeloos. Het zijn geen honderden kilometers meer maar duizenden. En dan denk ik: is ook dat een teken? Scheiden ons nu al duizenden kilometers. Waar alles in grote aantallen anders zo leuk was. Bijvoorbeeld meer als 11000 reacties, woorden, emoties en hunkeringen. Sehnsucht grijpt me. Ik kan geen slaap vatten. “Laat het los” zeg ik me zelf. Ik zie jouw woorden voor me: kwel je niet zelf, dat is voor niets nodig en dan ook: ik hou oprecht van jou. Ik glimlach op mijn kussen en tranen rollen over mijn gezicht.   Een triest gevoel bekruipt me. April komt wellicht nooit. Wellicht wijst jouw beproeving uit, dat je me niet mist en dat je in die 6 dagen hebt gevonden waar je naar op zoek was. En ja; ik zou er dankbaar en gelukkig voor jou moeten zijn. Maar hoe werkt dat? Hoe kan ik dat, als het tegelijk betekent dat het los laten is? Opgeven is. Pijn.   Vrienden, dat zou mooi zijn……….vrienden voor altijd. Maar het zou voor mij betekenen dat ik sterker moet worden, misschien moet ik de muur terug optrekken………de muur die jij gedurende maanden steen per steen hebt kunnen doorbreken. Ik voel me kwetsbaar.   Ik loop op dingen vooruit en moet dat laten. Ik zoek verstrooiing. Het is mooi weer!   En dan nog, wat wil ik eigenlijk? Alles wat ik wil, kan niet………..en wat is het eigenlijk wat ik wil. Is het niet zo dat ik alles heb wat men zou kunnen willen?    

Sonja Blondé
7 0

De neurochirurg

De deur zwaait open. Daar staat de neurochirurg. Hij geeft ons een hand terwijl hij zegt "Ik heb uw dossier al uitgebreid bekeken." We zetten ons neer op de stoeltjes aan zijn bureau. Nog voor hij gaat zitten, kijkt hij ons aan en zegt: "ik vrees dat we niet anders kunnen dan opereren." Weg vliegt het laatste beetje (valse) hoop.   Hij begint opnieuw, zoals alle dokters, over hoe uitzonderlijk dit is op mijn leeftijd. Vreemd hoe je tijdens je puberteit niets anders wilt dan opvallen en gezien worden. Om dan eens je volwassen(er) bent net het tegenovergestelde te hopen. Ik zou liever geen uitzonderlijke nek hebben. Hij begint met een reeks mogelijke oorzaken op te sommen: een ongeval?, gevallen?, whiplash?, roker?, eerdere operatie?,... Ik moet op iedere vraag 'nee' antwoorden. Ik heb flink gestudeerd, werk ijverig, zorg voor mijn gezin, hou van mijn familie, doe geen extreme sporten, ben gelovig, heb nooit drugs gebruikt,... Het wringt een beetje en de vraag "waarom ik" duikt vaak op in mijn hoofd. Ik had misschien beter wel wat extremere sporten gedaan, wie weet. Maar ik heb hoogtevrees.   Hij toont de tussenwervels die ze zullen plaatsen. Het zijn synthetische exemplaren die door sommige verzekeringen worden terugbetaald. Als dat niet het geval is, kost het ongeveer 200 euro. Ik denk aan de vakanties waar we dit jaar gingen voor sparen. We gingen onszelf voorop zetten en geen verbouwingen of andere zaken doen. "Een goedkopere optie is om bot te nemen van de heupen en dat in de plaats te gebruiken maar op uw leeft...". Mijn man en ik kijken naar elkaar en zeggen bijna simultaan "neen, de eerste optie." De chirurg beantwoordt netjes al onze vragen. In totaal zullen ze 2 of 3 tussenwervels vervangen via een kleine incisie in mijn nek.   Na 20 minuutjes staan we opnieuw buiten met een infomapje en de operatiedatum. Iedereen heeft het over hoe goed het is dat we vooruitgang maken. Over hoe ik moet vooruit kijken en positief zijn. Het einde van de pijn is in zicht. Terwijl ik met een naar gevoel blijf lopen en het optimisme voorlopig niet deel. Ik zou willen huilen maar ik kan niet. Nu ik hier vandaag alleen zit, lijkt alles me te overspoelen.   Het gevoel van oneerlijkheid. De angst voor de operatie. De boosheid om alle voorbije ingrepen en doktersbezoeken die niets uithaalden. Alle vragen over 'wat na de operatie': hoe goed zal ik mijn nek nog kunnen bewegen?, hoe zal het voelen?, zal het litteken niet te groot en opvallend zijn?. Het wanhopige gevoel dat ik ondanks alle moeite in het worst-case scenario ben terecht gekomen. De frustratie over 'op jouw leeftijd zien we dit niet veel'. Het onvermogen dat ik voel om hierover op een correcte manier met de kinderen te praten Het gevoel dat ik bijna een half jaar van mijn leven 'kwijt' ben.   Ik moet het nog een plaats geven. Ik moet nog de zin vinden in de komende maanden. Ik moet opnieuw wat hoop en positiviteit bij elkaar schrapen. Ik kan het alleen nu even nog niet. Ik heb tijd nodig.  

Alice Bremt
0 1

Opa in een potje.

Het was voor de opa in kwestie al lang een uitgemaakte zaak.Bij overlijden zou hij zijn lichaam aan de wetenschap schenken. Op 30 juni 2014 ging die laatste wens in vervulling.Enkele maanden later werd zijn lichaam weer vrijgegeven en volgde de crematie.En dan zit je daar. Met een pot vol as.Na enig overleg met De Zus besloten we 'hem' in twee te delen.Ik zou een deel meenemen om uit te strooien op enkele strategische plekken in het dorp, Zus zou hetzelfde doen maar dan in 't stad. Dat was het plan althans. Maar wanneer doe je zoiets in godsnaam? Niet dus, zo bleek. Enfin, wij toch niet.De pot stond zo een tijdje in de berging. En in de garage. En boven op de kleerkast.Gewoon. Daar waar plaats was.Jongste Zoon stopte er eens een tekening bij, in de hoop dat opa ze zo zou kunnen 'zien'.En op een dag vroeg diezelfde Jongste Zoon of de opa-pot mee naar de klas mocht.De opa van zijn beste vriendje was namelijk net overleden en dood werd plots een deel van hun leven.Ik testte nog even op 'hermetisch gesloten', knipoogde naar de juf 'zolang je hem maar niet laat vallen' en liet Zoonlief fier zijn (restjes) opa meenemen.Drie x raden wat er vervolgens gebeurde.Al zal je aan 1x genoeg hebben.'Hermetisch gesloten' is blijkbaar niet hetzelfde als 'bestand tegen handige kleine jongens vingers'.Pot en inhoud gingen uiteraard tegen de vlakte.OPEN pot - voor de duidelijkheid.Opa werd dus alsnog uitgestrooid...op de klasvloer.' S nie erg ze, ik kuis dat wel op' en Jongste Zoon kieperde met behulp van borstel en vuilblik opa terug de pot in.Al zou het ook kunnen dat er wat zand van de zandbak of een verloren gerolde strijkparel hem mee gezelschap kwamen houden.Wetende dat opa er zelf smakelijk om zou lachen, tilde ik er in elk geval minder zwaar aan dan de juf.Het is ondertussen meer dan een jaar geleden en de pot verhuisde in tussentijd weer een aantal keren.Zo kwam hij bij Jongste Zoon terecht.In zijn bed. Naast zijn hoofdkussen.' Ik mis de opa' huilde hij gisterenavond nog. 'Ik heb zo vaak gewenst dat hij beter zou worden en het gebeurde gewoon niet.'Gevolgd door 'ik weet niet meer wat we allemaal bij opa deden'.Ik snapte meteen waarom hij zo ontroostbaar leek.Als ook de herinneringen je ontglippen...'s Ochtends bleek het deksel weer van de pot te zijn. Aangezien we opa liever niet in de stofzuiger zien verdwijnen, zoeken we een alternatief.Ik wist dat die potjes van de soep nog eens van pas gingen komen. (nota aan Oudste Dochter: zie je wel ! )Geen paniek...we hebben hem eerst versierd :p.' Mama, kom jij opa overgieten?' Jep. Kan tellen als one-liner.De tekening er uiteraard ook bij, deksel stevig erop, de 'overschot' in de oorspronkelijke pot terug het rek op.En met alle respect paps, maar je lijkt wel kattenbakvulling zo.Of strandkorrels.We zullen het daar maar op houden ;).     

Tine Stikkers
19 0

NIEUWJAARSNACHT IN THE HELL HOLE

Waren jullie, net als ik, van die mensen die diep verontwaardigd waren toen Trump over ‘the hell hole Brussels’ sprak?  Fronsten jullie ook de wenkbrauwen toen de Antwerpse burgemeester verkondigde dat onze gemeenschap alleen maar last had met de Berbermarokkanen? Wij kopen op de markt steevast , kruiden, fruit en groenten bij het Marokkokraam en onze e-bikes bij een goedboerende Marokkaanse fietswinkel. Buiten het feit dat ze hun cultuur door onze strot proberen te duwen, trachten de meesten te werken, proberen ze alsnog te integreren, laten hun dochters meer en meer hun sjaaltjes thuis en brengen ze wat multiculturele restaurantjes in ons straatbeeld.  Maar, nu gaan jullie mij toch niet wijsmaken, dat make en pake Marokkenbeek totaal niet weten waar hun legsel zich op oudejaarsavond mee bezig hield? Ik kan me voorstellen, dat als moe Fatima op 1 januari de kamer van haar lieverdjes opende en ze daar drie computerschermen, 5 smartphones met opladers, 10 doosjes antitiotica, 2 flessen Listerine, 5 pakjes Neurofen, 20 dozen condooms, 1 fles shampoo tegen psoriasis en 3 pakjes blarenpleisters ziet liggen, ze zich niet gaat afvragen of  Bolcom en Farmaline ook op Nieuwjaarsdag geleverd hebben. Schiet ze in een Arabische colère en geeft ze Mohammed, Abdul en Bashir onmiddellijk een veeg uit de tagine, omdat ze zich realiseert, dat als haar half minderjarig nageslacht alsnog geïdentificeerd wordt, zij als ouders voor al de schadeclaims zullen moeten opdraaien. Of vindt ze het achteraf wel fijn dat ze nu voor verschillende jaren genoeg gratis paracetamol in de kast heeft staan. Steekt ze straks haar hoofddoekhoofd in het Saharazand als de politie op de stoep staat en zal ze blijven beweren dat haar kroost om middernacht braaf met ma en pa rond de feesttafel zat, met de waterpijp, de thee, de couscous en de baklava. “Ik zweer het!” Hingen ze ook uit het raam toen ze de sirenes hoorden en de blauwe flikkerlichten zagen? Of dachten ze nog steeds heel naïef dat dit het Belgische vuurwerk moest voorstellen? Zien die ouders ’s anderdaags ook die beelden op de televisie, van kapotgeslagen bushokjes en bankautomaten, in brand gestoken auto’s en geplunderde winkels, of zien die huishoudens alleen naar het nieuws op El Jazeera en 2M Maroc? Bij die 200 à 250 kleine criminele eikeltjes die in Molenbeek alles kort en klein sloegen, die een computerbedrijfje en een apotheker plunderden, die politie en brandweer met bakstenen bekogelden, horen evenveel ouders bij die hun crapuulrelschoppers niet in de hand hebben. Eventjes zagen die ouders het licht aan het einde van hun tunnel. Marokko voert dit jaar opnieuw de militaire diensplicht in voor mannen en vrouwen tussen de 19 en 25 jaar. Veel Molenbeekse ouders hopen dat daar hun onhandelbare zonen eindelijk in het gelid zullen moeten lopen en respect gaan leren. ‘Law and order’! Pa Molenbeek haastte zich op nieuwjaarsdag, zo snel als zijn djellaba en zijn babouches hem konden laten spurten, naar de moskee om daar te bidden, dat de leger- oproepingsbrieven sneller in hun brievenbus zouden willen vallen dan dat het Belgische gerecht hun zonen zou kunnen identificeren. Maar hun hoop wordt onmiddellijk de kop ingedrukt als even later het bericht komt, dat de Belgische Marokkanen wel welkom zijn, maar niet naar het leger moeten! En dat is nu juist het probleem van de meeste jeugd, ze mogen maar ze moeten niets meer. Als straks zo’n ettertje toch voor het gerecht moet komen, dan is daar zeker weer zo’n links pro deo advocaatje dat, tegen de meestal vrouwelijke rechter, opnieuw de slechte jeugd breeduit uitspint. Dat zijn cliënt nooit mogelijkheden gehad heeft, dat hij sinds zijn kleutertijd tegen het Belgische racisme heeft moeten opboksen, dat hij als tiener op elk moment, van de dag en nacht, zijn identiteitskaart aan de politie moest laten zien, ook als hij niet op de hoek van de straat drugs dealde en dat dit dus zijn frustratie tegen de openbare macht alleen maar deed toenemen. Dat de rechter moest begrijpen dat zijn cliënt alleen maar een oudejaarsavondmeeloper was. Dat justitie zijn vorige 22 inbraakjes, zijn pesterijen tegenover hoofddoekloze meisjes die hij hoeren en kegs noemde, zijn twee fietsdiefstallen en carjacking en zijn jonge drugsverleden niet weer opnieuw in het vonnis moest opnemen, want dat deze zaken allemaal door de vorige rechters met moederlijke gevoelens en de mantel der liefde geklasseerd werden.  Zo’n advocaat legt dan ook de nadruk op het feit dat zijn cliënt nog een paar maanden onder de 18 is en dat er toch nergens plaats is om criminele minderjarigen op te vangen. En, als de rechter toch beslist om een gevangenisstraf uit te spreken, deze zeker niet in een gewone gevangenis mag uitgezeten worden, want dat dan UNIA en Child Focus heel boos gaan worden. Dus wordt zo’n gefrustreerd macho- relschoppertje weer met een vermanend pampervingertje en een eventuele werkstraf met uitstel opnieuw de straat opgestuurd. Klaar om volgende jaarovergang andermaal keet te gaan schoppen. Het is fantastisch dat eindelijk één Marokkaanse jonge vrouw opstaat en op You Tube, de relschoppers openlijk veroordeelt! Hopelijk wordt ze niet een dezer dagen in een ondergrondse parkeergarage door de ettertjes in elkaar geslagen! Waarom reageren die ouders niet? Waarom trekken die hun losgeslagen haantjes niet aan de oren naar het politiebureel, zodat justitie niet meer al die beelden moet analyseren om hun boefzoontjes te identificeren? Zijn ze het misschien toch eens met de rebellie van hun nazaten? Is Brussel en maw Molenbeek dan toch het hell hole?? Ik heb een gat in de markt ontdekt. In plaats van een cordon sanitaire rond bepaalde partijen te trekken, zouden wij bij rellen veel beter de politie samen met het leger inzetten en een cordon rond het misdadig feestvierdertjescollectief  opzetten, ze bijeendrijven en de kring kleiner en kleiner maken. Vervolgens moeten ze met een plofkofferinkt op alle onbedekte lichaamsdelen mikken. Liefst geen bruin of zwart maar degelijk fluo purper of  metallic biljartgroen. Het wordt min of meer het principe van paintball;  op de ogen bij de bivakmutsen , de handen en het haar onder de houdi’s. Deze verf moet minstens een maand als een schofttattoo zichtbaar blijven. Ze kan noch bij het wassen, het douchen en het haarkleuren verwijderd worden. Vroeg of laat moeten deze ingekleurden de woonst verlaten en kunnen onze ordediensten ze zonder veel problemen oppakken. Een paar aan de school, in het theecafé en sommigen op de hoek van de drugsstraat. Leest de politie mee? Goed idee? Wij sluiten dan al het gepaintball volkje op in een grote kooi, ergens in het midden van de grote markt, waar vroeger de schandpaal stond.  We houden de rechts georiënteerde partijen weg van het event, want die zouden toch maar alleen met bijlen, hamers en bakstenen afzakken, maar we delen rotte eieren uit aan de apothekers en beschimmelde tomaten aan de computer- winkelmedewerkers. We laten de politie wat experimenteren met pepperspray en een beetje traangas. De Lijn en de ‘brandende autoslachtoffers’ mogen zich uitleven met pek en veren en de brandweer mag vervolgens het zootjes lamstraalrelschoppers dag en nacht natspuiten. Het mag zelfs tot ze behoorlijk onderkoeld zijn want thuis ligt toch nog de ganse gestolen medicatie op de kast waarmee ze de opkomende verkoudheden kunnen te lijf gaan. En natuurlijk vinden wij het fijn, dat Adil, Bilal, Kamal , Ish, burgemeester Mohamed en nog zoveel meer nieuwe Belgen de weg vinden om samen met ons een samenleving op te bouwen, alleen spijtige dat op één nacht door een paar asociale nitwits een ganse bevolkingsgroep weer door ons geviseerd zal worden.   Sim, 2 januari 2019, met veel verontwaardiging.          

Sim
42 0

Mijn persoonlijke ervaring met een Amerikaanse IT uitgever

Nog voor ik kon schrijven, droomde ik ervan een boek te publiceren. Ik schreef massa’s verhalen in een zelf uitgevonden geschrift dat pas in de loop van het eerste leerjaar een leesbare vorm kreeg. Ik was al een stuk in de 20, toen ik het voor het eerst waagde een uitgever te contacteren. De afwijzingen waren van die aard dat ik besloot mij te concentreren op mijn ingenieursstudies. Ondertussen zijn we bijna 30 jaar verder en heb ik twee boeken op mijn naam staan. Hoe dat ging? Vaak geldt de regel: men vraagt niet, men wordt gevraagd.   Stap één: het verkrijgen van een contract Door mijn beroep heb ik expertise opgebouwd in een heel specifiek gebied. Omdat ik dag in dag uit met veel technische vragen werd geconfronteerd, besloot ik in 2004 wat vakantie te nemen om een gratis online tutorial te schrijven. Die pagina’s waren vrij toegankelijk en hadden veel succes. Het duurde niet lang vooraleer ik een eerste aanbieding kreeg van O’Reilly. Nog voor ik goed en wel over het aanbod kon nadenken, volgde een tweede uitgever, Manning Publications.   Ik heb uiteindelijk gekozen voor Manning. In die tijd gaf O’Reilly een 500-tal boeken per jaar uit. Manning was in 2005 nog veel kleiner en publiceerde ongeveer 50 titels per jaar. Aangezien het om mijn eerste boek ging, wilde ik dat er veel zorg aan werd besteed door de uitgever. Een boek dat faalde bij O’Reilly betekende 0,2% van hun jaaromzet; een boek dat faalde bij Manning kostte hen 2%. De keuze voor de kleinere uitgeverij leek me logisch: ik verwachtte er veel steun voor mijn debuut.   Die aanbiedingen voor een contract waren geen garantie dat er uiteindelijk een echt contract van zou komen.   De eerste persoon met wie ik in aanraking kwam, was de Publisher’s Assistant. Die beoordeelde of ik inderdaad in aanmerking kwam om een boek te schrijven voor de Publisher.   Eenmaal die overtuigd was, werd ik doorverwezen naar een Acquisition Manager. Voor haar moest ik een korte inhoud schrijven (waar gaat het boek over?), een marketing overview (wat is het doelpubliek?), en een redelijk gedetailleerd inhoudstafel. Daar werd een drietal maanden voor uitgetrokken, waarbij vooral het maken van de inhoudstafel veel tijd in beslag nam. Het document werd nagelezen door verschillende onafhankelijke experten, en pas nadat die hun fiat gaven, werd het eigenlijke contract opgemaakt.   In dat contract stonden vijf deadlines voor wat de afwerking betrof: Hoofdstuk 1, 1/3 van het boek, 2/3 van het boek, 3/3 van het boek, Finale versie van het manuscript. Na ondertekening van het contract, volgde de Author Launch. Dit luidde het begin in van de development fase.   Stap twee: de ontwikkeling van het boek In de eerste fase na het contract kreeg ik een Development Manager toegewezen. Zij stelde een Developmental Editor en een Review Manager aan.   De developmental manager helpt de auteur bij het ontwikkelen van zijn boek. Hij tikt je op de vingers als je van de hak op de tak springt. Hij is vooral bezorgd over de flow van het boek. Elk stuk tekst moet beginnen met een crutch, meestal een uit het leven gegrepen voorbeeld waarop je kunt steunen om een bepaald principe in meer detail uit te leggen; elk stuk tekst moet eindigen met een segue, een vlotte overgang naar wat volgt. De developmental editor waakt er ook over dat ik je Style Guide van de uitgever volgde. Bij voorbeeld: er moet altijd minstens één lijn tekst tussen een bulleted list en de titel van het volgende stukje. Elk hoofdstuk moet eindigen met een Summary.   Voor mijn eerste boek was de developmental editor een Science-Fiction auteur. In het begin leidde dit tot confrontaties. Hij wist niets over het vakgebied waar ik over schreef. Waar haalde hij de authoriteit om mij te verbeteren? Gelukkig besefte ik vlug dat schrijven ook een oefening in nederigheid is. Hij was mijn eerste lezer, en als hij niet goed begreep wat ik schreef, hoeveel andere lezers zouden het dan wel begrijpen? Vanaf het moment dat ik besefte dat hij me niet zomaar voor de lol corrigeerde, maar met de oprechte bedoeling een beter boek te bekomen, verliep de samenwerking heel vlot.   De taak van de review manager bestaat erin representatieve lezers te vinden om na de 1/3, 2/3 en 3/3 deadline het manuscript na te lezen en te beoordelen. Elke review ronde heeft zijn specifieke doel. De eerste is er vooral op gericht te achterhalen of de schrijver weldegelijk de materie beheerst waarover hij schrijft: zit het inhoudelijk goed? Klopt het? Is de inhoud nuttig en bruikbaar? In de laatste review ronde worden vooral marketing vragen gesteld: hoeveel sterren zou je het geven op Amazon? Beschrijf het boek in één zin; een selectie van die antwoorden komt meestal op de back cover. Vooraleer je als auteur mag verderschrijven, moet je na elke review ronde alle reviews nalezen en uitleggen wat je met de kritiek zult doen. Concreet komt dit er op neer dat je bepaalde stukken uit je manuscript herschrijft op basis van de aanvaarde kritiek, en dat je verantwoording aflegt voor de kritiek die je verwerpt. Na elke deadline kan de Publisher beslissen een auteur toe te voegen. Hoe minder namen van auteurs op de cover, hoe prestigieuzer dit is voor de auteur, want het betekent dat deadline na deadline goed werk werd afgeleverd.   Ik heb twee boeken geschreven van ongeveer 600 pagina’s. De totale development fase bedroeg hiervoor telkens ongeveer 6 maanden. Van beide boeken was ik de enige auteur.   Stap drie: evaluatie van het boek Na de development fase, komt de Marketing Manager aan bod. Op basis van de laatste review-ronde moet hij beslissen of het boek verkoopbaar is. Hij moet een GO of een NO-GO geven.   Voor mijn eerste boek was dit problematisch. De meeste reviewers waren Europeanen. De marketing manager twijfelde of mijn boek wel zou aanvaard worden op de Amerikaanse markt. Net toen ik dacht "nu is mijn boek eindelijke af," kreeg ik een telefoontje van mijn uitgever met de melding: "we denken toch niet dat we het geaan publiceren." Om hem van gedacht te doen veranderen, heb ik toen endorsements moeten verzamelen van bekende Amerikanen. Ik heb hen aangeschreven met de vraag: "ik weet niet of jullie mij kennen, maar ik heb een boek geschreven en mijn uitgever zou graag hebben dat jullie het eens bekijken en dat jullie uitleggen waarom het zinvol is om het te publiceren." Ik kreeg een overweldigende positieve respons. Toen de uitgever zag wie ik allemaal gemobiliseerd had, begon het productieproces.   Stap vier: de productie van het boek De Production Manager duidt verschillende mensen aan.   Het begint met een Copy Editor en zij heeft een aantal niet zo leuke taken in petto voor de auteur. Allereerst moet je bij Manning zelf je index maken: je moet manueel alle kernwoorden aanduiden om uiteindelijk een woordenlijst met verwijzingen naar paginanummers te bekomen. (Dit was het saaiste werk dat ik ooit deed.) Verder krijg je van de Copy Editor een manuscript terug dat helemaal rood ziet van de fouten. (Het Engels is niet mijn moedertaal, dus ik vermengde vaak Brits Engels met Amerikaans Engels.) De Copy Editor moet echter niet enkel taalfouten verbeteren; ze moet je taal ook ontwollen. Een heleboel verboden woorden worden zonder pardon geschrapt: however, basically, actually,... Ook in het Nederlands zijn er woorden die we te pas en te onpas gebruiken en die geen meerwaarde bieden in een tekst: eigenlijk, feitelijk,... Op den duur werken dergelijke woorden erg storend. Weg ermee! Verder wordt de zinsbouw onderhanden genomen. Neem bij voorbeeld de zin: “Het is een feit dat er door auteurs veel gebruik gemaakt wordt van onnodige en overbodige woorden die als gevolg hebben dat de leeservaring voor de lezer niet optimaal is.” Bij zo’n zin krijg je de volgende commentaar: Als het geen feit was, zou je er dan over schrijven? Overbodige woorden zijn toch sowieso onnodig? Die woorden gebruiken doe je toch actief, niet passief? Moet die zin zo lang? De Copy Editor verwacht dat je de zin bij voorbeeld als volgt herschrijft: “Auteurs gebruiken vaak overbodige woorden. Daardoor leest hun tekst niet vlot.” Dit brengt de zelfde boodschap, maar korter en beter. Voor mij was dit opnieuw een zeer confronterende ervaring; ik had meer dan eens de neiging om te zeggen: schrijf het dan zelf als je het zoveel beter weet! Dat is geen goed idee. De enkele keren dat een zin actief door de copy editor werd aangepast, bleek het resultaat plots het tegenovergestelde te zeggen van wat ik bedoelde. Een Copy Editor heeft nog minder kennis over de materie waar je over schrijft dan een developmental editor.   Voor de inhoudelijke kwaliteitscontrole wordt beroep gedaan op een Technical Editor. Die moet elk voorbeeld dat je vermeldt nakijken, uitproberen, testen of het wel werkt.   Zodra een hoofdstuk is nagekeken, gaat het naar de Layout Artist. Hij transformeert je ruwe Word documenten in pagina’s met een mooie bladspiegel. Hij zorgt ervoor dat alle prentjes op de juiste plaats komen zodat je boek niet doorspekt is met lege halve pagina’s.   Afgewerkte hoofdstukken gaan naar de Proof Reader. Zij leest alles na. Dit is een iteratief proces. Elk hoofdstuk wordt drie keer nagelezen, en telkens worden er kleine foutjes verbeterd.   Ondertussen is ook de Cover Designer aan de slag gegaan. Zij maakt een drietal ontwerpen waaruit je als auteur mag kiezen. De tekst op de achterflap wordt pas op het allerlaatste moment geschreven door de Publisher. Hij doet de finale kwaliteitscontrole en prijst dan het boek aan.   De productiefase van mijn eerste boek duurde 9 maanden. Samen met de 3 maanden voorbereiding en de 6 maanden schrijven, duurde het dus 18 maanden van idee tot boek. Voor de productiefase kon beginnen, moest ik eerst de verkoopbaarheid van het boek aantonen; daarna vroeg de uitgever me de eerste drie hoofdstukken te herschrijven, vandaar de vertraging. Het tweede boek ging vlotter. Het nam ongeveer 12 maanden in beslag.   Daarna is het wachten tot FedEx je een doos met de eerste exemplaren bezorgt.   Stap vijf: het boek wordt verkocht De Marketing & Communications specialist is verantwoordelijk voor de verkoop. Zij zorgt ervoor dat het boek zowel bij de traditionele als de online boekhandels terechtkomt. Alle boeken bij Manning worden zowel in papieren vorm als digitaal verkocht. Wie een papieren boek koopt, krijgt er het ebook gratis bij. Het ebook apart is enkel rechtstreeks bij de uitgever te verkrijgen.   Het eerste boek is men pas beginnen verkopen op het moment dat fase drie achter de rug was. Dat was toen de gewoonte: het boek werd eerst geschreven, vervolgens werd het gedrukt en verkocht. Het tweede boek werd al in de development fase aangeboden in het Manning Early Access Program (MEAP). MEAP betekent dat een lezer het boek al kan kopen lang voor het geschreven is. Zodra de auteur een paar hoofdstukken afgewerkt heeft, krijgt de lezer een ruwe versie van het manuscript opgestuurd. Dit was voor mij heel interessant, want ik kreeg veel betere feedback tijdens het schrijven van mijn tweede boek dan bij het schrijven van mijn eerste. Voor de uitgever is deze formule ook interessant. Als veel mensen de MEAP versie kopen, dan weet de marketing manager dat er weldegelijk een markt is voor het boek. Het boek vroeger kunnen verkopen, betekent ook een grotere marge voor de uitgever die anders een heel deel van zijn winst verloren ziet gaan aan reuzen zoals Amazon die het zelfde boeken verkopen tegen prijzen de uitgever zelf via direct sales niet kan kloppen.   Van de Administrative/Executive Assistant krijg ik elk kwartaal een update van drie maand oude verkoopcijfers. In de IT-wereld spreekt men van een bestseller vanaf 5000 verkochte exemplaren. Van mijn eerste boek (2007) zijn ongeveer 12.500 exemplaren verkocht waarvan ongeveer een kwart in ebook formaat. Van het tweede boek (2011) zijn ongeveer 10.000 exemplaren verkocht, waarvan ongeveer 40% in ebook formaat.   Het eerste boek kostte $50 voor de papieren versie en $25 voor de digitale. De groothandelprijs van het papieren boek was voor de uitgever echter maar $29. De prijs van het tweede boek was $60 (papier) of $30 (ebook). De uitgever verkocht één papieren boek voor gemiddeld $36.50. In totaal bracht het eerste boek voor de uitgever ongeveer $330,000 op; het tweede leverde ongeveer $360,000 op. Dat is de winst voor aftrek van Royalties en belastingen. Als auteur kreeg ik 10% Royalties, dus verdiende ik ongeveer $33,000 aan het eerste boek, en $36,000 voor het tweede. Dat betekent dat ik tussen de $2.50 en $3.50 bruto verdiende per verkocht exemplaar.   Conclusie Een boek schrijf je niet alleen. Het is het resultaat van het werk van een heel team. Tel alle titels van mensen die meewerkten op, en je komt al aan 15. Dan reken je mij als schrijver en de vele reviewers er niet eens bij. Een tweede boek schrijven was een stuk gemakkelijker dan een eerste, maar een boek schrijven is sowieso altijd een leerrijke en unieke ervaring.   Is mijn jongensdroom nu werkelijkheid geworden? Ja en nee! Ja, want ik heb twee boeken gepubliceerd bij een uitgever, en het zijn alle twee bestsellers geworden. Nee, want de boeken die ik schreef zijn niet de boeken die ik voor ogen had als kind. Na de twee boeken die ik voor Manning schreef, heb ik nog heel wat technische boeken uitgebracht in eigen beheer, maar ik zou heel graag eens een fictieboek publiceren. Ik heb nog een paar verhalen in mijn hoofd.   Mocht er interesse bestaan bij een uitgever, dan zal ik die verhalen met plezier uitwerken tot een boek. Wordt vervolgd?  

Bruno Lowagie
28 0

Als het maar geen gevoelens zijn

Notities bij de dood van een huisdier We hadden een hond nog voor we kinderen kregen. Ze heette Tara en het was een asielhond. Niet zomaar een schoothondje, maar een beest van 35 kilo, droog gewogen. Een doorsnee bot beet ze in één hap middendoor. Je zal begrijpen dat het eventjes spannend was voor ons toen we haar voor het eerst het wiegje van Ivo, onze eerstgeborene, lieten besnuffelen. Maar het viel allemaal reuzengoed mee: Tara beschouwde Ivo direct als een ‘gelijke’. Ze zou nooit bevelen van hem aanvaarden, maar evenmin een bedreiging voor hem vormen. Hoe anders gedroeg ze zich tegenover Jacob!   Jacob is ons tweede kind, een normaal begaafde jongen bij wie autisme spectrum stoornis vastgesteld werd. Of het iets met zijn autisme te maken had, ik zou het niet weten, maar Jacob werd door Tara direct beschouwd als haar welp. Als ons oudste zoontje aan Tara’s oren trok, dan werd hij gegarandeerd op gegrom onthaald. Onze jongste echter, mocht alles met Tara doen: aan haar oren trekken, paardje rijden op haar rug,… Als we even niet opletten, at Jacob uit de eetbak van de hond, en de hond uiteraard ook uit het bord van onze Jacob. Het was grote vriendschap tussen die twee.Tara was dan ook echt een volwaardig lid van ons gezinnetje. We hebben samen heel veel mooie momenten meegemaakt, maar af en toe ook erge dingen: zo spietste ze zich ooit op een gietijzeren poortje. Ze werd aangereden op straat. Ze moest meermaals geopereerd worden; eerst om een kankergezwel, dan om haar baarmoeder weg te halen,… Elk jaar overkwam haar wel iets, maar nu is ze dus dood. Na negen jaar waren haar negen levens definitief opgebruikt… Het gebeurde tijdens het eerste weekend van de herfstvakantie. We zouden die zaterdag naar het LEGO-festival gaan. We moesten onze plannen echter wijzigen omdat Tara er opeens zo erg aan toe was. We hadden het wel zien aankomen natuurlijk. De laatste maanden van haar leven was ze trager geworden en raakte ze soms maar met moeite recht. Maar tegenover de kinderen liet ze daar nooit iets van merken. Ze draafde nog altijd met hen rond in de tuin. Hoe dan ook; die zaterdag reed ik met onze hond naar de dierenarts en daar kreeg ze een aantal spuitjes om het weekend door te komen. De kinderen hadden er geen besef van hoe erg Tara eraan toe was. Ze waren ietwat teleurgesteld omdat het uitstapje werd uitgesteld, maar de volgende dag zag Tara er iets beter uit en we besloten dan maar op zondag naar het LEGO-festival te gaan. De kinderen hadden er de tijd van hun leven en toen we terug thuis kwamen, huppelde Tara enthousiast met hen mee. Ze had waarschijnlijk de hele dag geslapen. Maar toen, de kinderen waren nog maar een uurtje in bed, begon haar ziekte weer op haar te wegen (achteraf bleek uit de bloedprik dat ze miltkanker had). Eerst wilde ze nog naar ons toe, maar ze zakte door haar poten. Dan wilde ze nog even buiten lopen, maar ook dat lukte haar niet meer. Ze had duidelijk haar crisis en we beseften dat het haar laatste strijd zou worden. We legden haar in haar mandje en daar is ze heel vredig ingeslapen. Ik moet toegeven dat ik het (zelfs?) als volwassene al heel erg moeilijk had met haar dood, maar hoe zouden onze kinderen reageren? Ze waren respectievelijk acht en zeven jaar oud en het was bovendien de eerste keer dat ze met de dood van een dierbare geconfronteerd zouden worden (dier of mens, voor een kind maakt dat niet uit). Die ochtend legden we beide kinderen uit dat Tara overleden was. Omdat ze er nog zo mooi uitzag, hadden we haar in haar mandje laten liggen, zodat de kinderen haar nog even konden zien. Ivo reageerde zoals je dat zou verwachten. Eerst wat teruggetrokken, dan heel triest. De eerste nacht is hij huilend opgestaan: ‘Papa, ik ben zo verdrietig dat ik niet kan slapen. Elke nacht als ik in bed lag, hoorde ik Tara wel eens blaffen en dan was ik niet meer bang, maar nu is ze er niet meer en daarom kan ik niet meer slapen.’ Ik bracht hem terug naar bed en vertelde hem dat hij aan de leuke dingen van Tara moest denken: aan het feit dat we haar uit het asiel ‘gered’ hadden en aan de vele grappige dingen die we met Tara hadden beleefd. Uiteindelijk lagen we met z’n tweeën te grienen, maar dat luchtte op en er brak ook al eens een lach door omwille van de herinnering aan één van Tara’s fratsen. De volgende dag ging zijn aandacht vooral naar het vooruitzicht dat we een nieuwe puppy in huis zouden halen en dat hij mee zou mogen helpen om die op te voeden. Hoeft het gezegd dat de reactie van Jacob totaal anders was? Het begon al met de eerste aanblik van de dode hond in haar mandje. Zijn eerste woorden logen er niet om: ‘Er is nergens bloed, hoe kan ze dan dood zijn?’ Hij begreep het niet goed. Hij zag hoe wij tranen in de ogen kregen en hij lachte ons zowaar uit: ‘Haha, jullie huilen, jullie zijn baby’s!’Bij het middageten was hij op zijn grofst: we aten kip en Jacob riep: ‘Waarom eten we Tara niet op? Ze is nu toch dood!’ Hij was duidelijk nog aan het onderzoeken wat dat betekende ‘dood zijn’, want kort na de middag wilde hij toch nog eens met mama naar Tara gaan kijken.Mama vroeg: ‘hoe voel je je nu Tara er niet meer is?’ Hij was zo close geweest met de hond. Het kon toch niet dat hij helemaal niets voelde? Zijn antwoord was nogal vreemd, alsof hij het gevoel aan het aftasten was: ‘Ik weet het niet. Misschien voel ik me een klein beetje verdrietig in mijn buik…’ Die maandagnamiddag heb ik Tara begraven. Een put van een meter diep, iets van twee meter op een meter groot. Beetje bij beetje werd het voor Jacob duidelijker dat de situatie definitief en onomkeerbaar was. Hij werd steeds onzekerder: ‘Hebben we nu geen hondje meer? Komt er een nieuw hondje? Hoe zal het heten?’ Het waren zeker geen verlangende vragen; hij leek lichtjes in paniek, alsof hij niet wist of hij wel een ander hondje wilde. Hij wilde Tara terug (wilden we dat niet allemaal?), maar die eerste nacht hebben we dus enkel Ivo moeten troosten. Ondanks zijn onzekerheid leek Jacob goed te kunnen slapen. Omdat we aan Ivo een puppy beloofd hadden, gingen we de volgende dag op pad. We adopteerden een puppy van een niet nader specificeerbaar ras en Ivo had er al grootse plannen mee: hij zou er een speurhond van maken, zoals Kuifje met Bobbie. Of hij zou hem opleiden tot waakhond. Je kan het je wel voorstellen.Jacob was zo enthousiast niet: ‘Het is geen gele hond (zoals Tara). Het is geen grote hond (zoals Tara). Het is geen leuke hond (zoals Tara).’ Nee, hij moest er niet echt van weten, maar daar hield het jonge hondje (gelukkig) geen rekening mee. ‘Het hondje springt altijd op mij,’ riep Jacob steeds, maar we zagen dat hij het helemaal zo erg niet vond als hij deed uitschijnen. We bleven wel verbaasd dat hij nog steeds geen traantje gelaten had om Tara: was hij dan zo gevoelloos? Die nacht werden we opgeschrikt door een gehuil dat door merg en been ging. We holden zo vlug we konden naar Jacobs kamer. Jacob weende en weende alsof er nooit een eind aan zou komen. We schrokken wel wat van de intensiteit, maar we waren vooral opgelucht: daar is de uitbarsting, eindelijk! Jacob zat met zoveel vragen en gevoelens, maar door zijn autisme had hij twee dagen lang nog geen enkele manier gevonden om die allemaal te uiten, laat staan te verwoorden. Nu lag hij huilend in zijn bed en herhaalde steeds weer: ‘ik heb zo’n pijn, ik heb zo’n pijn!’ Als je echter vroeg waar, kon hij die pijn niet aanwijzen. Hij kon alleen maar zeggen: ‘Van binnen!’ We vonden dat we zelf niet over Tara mochten beginnen, omdat dit hem gevoelens zou kunnen leveren die hij kon kopiëren (tja, onderhand hebben we wel al wat ervaring met autisme). We wilden ervoor zorgen dat hij zijn eigen gevoelens zou aanboren. Dat is die nacht voor een stuk gelukt, al was het heel moeilijk voor Jacob. Aanvankelijk probeerde hij ons met een soort schuldgevoel op te zadelen: ‘Waarom hebben jullie Tara zoveel in de steek gelaten? Waarom gaan jullie zoveel naar de cinema? Waarom hebben jullie niet beter voor Tara gezorgd?’ Je kan als ouder op zo’n moment de neiging hebben dat te minimaliseren en te zeggen: ‘we zijn de laatste vier jaar niet op reis geweest en Tara heeft ons nooit langer dan één nacht moeten missen.’ Maar er zit zodanig veel achter zo’n zinnetje van Jacob, dat je hem gewoon eventjes de tijd moet geven.Zo kwam hij uiteindelijk ook bij zichzelf uit: ‘Waarom heb ik er nooit iets van gemerkt dat Tara zo ziek was?’ We hadden hem vooraf wel gezegd dat Tara ziek was en dat ze waarschijnlijk zou sterven, maar hij had er nooit bij stilgestaan. Nu, twee dagen na Tara’s dood, ging Jacob zelfs zo ver dat hij zichzelf schuldig voelde omdat hij zich dat weekend zo geamuseerd had op het LEGO-festival. Alsof hij dacht: ‘Wat zal Tara kwaad geweest zijn op mij!’ We hebben heel lang bij Jacob gezeten die nacht. Na het schuldgevoel begon hij allerlei manieren te overlopen om Tara ‘weer levend’ te maken. Maar toen legden we uit dat Tara zich op het einde zeer oud en zeer moe voelde. Ook bij Jacob probeerden we duidelijk te maken dat ze een heel mooi leven bij ons had gehad, maar dat ze nu waarschijnlijk liever zou blijven liggen waar ze lag. Dat ze het niet leuk zou vinden weer levend gemaakt te worden. Toen pas zag hij van het idee af; op één voorwaarde: ‘Ik wil Tara niet vergeten.’Zo is Jacob dan gekomen met het voorstel om een grafsteen voor haar te maken.Dat hebben we de volgende dag dan ook gedaan. Het was een zware nacht voor ons en wat een geluk dat Tara net het begin van een vakantie had ‘uitgekozen’ om te overlijden. Het toeval wilde bovendien dat Jacob op donderdag naar het revalidatiecentrum moest voor ergo- en psychotherapie. We hadden beide therapeutes ingelicht over wat voorgevallen was en zij speelden daarop in. De ergotherapeute vertelde dat zij ook eens een huisdier verloren had en dat zij toen ook heel erg had gehuild. Voor Jacob was dit een hele openbaring: dus dat kan? Dat mag? Toen de psychologe hem vroeg wat mensen moeten doen bij een sterfgeval zoals dat van Tara, zei hij in alle oprechtheid: ‘Dan moet je doen alsof er niks gebeurd is…’ Door hier dieper op in te gaan en erover te praten, begon het Jacob plots te dagen dat zijn nachtelijk uitbarsting helemaal niet zo abnormaal was. Dat ‘rouwen’ mag, dat het zelfs een beetje van je verwacht wordt. De volgende ochtend was hij nog een beetje verdrietig, maar ook een beetje blij dat Tara zoveel goede jaren met ons beleefd had. Hij zou Tara nooit vergeten. ‘Tara zou daar heel blij mee zijn,’ zo bevestigden we. Het heeft nog even geduurd vooraleer Jacob er helemaal overheen was, maar we wisten toen al: hij is op de goede weg! De eerste weken na Tara’s dood gaf Jacob bij alles wat misging als reden ‘het is omdat Tara dood is’, maar dat is nu wat uitgesleten. Ook het nieuwe hondje is ondertussen al helemaal aanvaard.Eén ding was wel heel vreemd: het laatste weekend van de herfstvakantie had Jacob buikpijn, maar hij wist niet ‘of het echte pijn was of gevoelens’. Toen hij een paar uur later diarree had, was hij helemaal opgelucht: ‘Mama, papa, ik heb diarree, het was buikpijn! Het waren gelukkig geen gevoelens!’ Het is een grote misvatting te denken dat autisten geen gevoelens hebben. Ik zou zelfs durven zeggen dat ze op veel gebieden gevoeliger zijn dan de doorsnee mens. Ze hebben alleen van tijd tot tijd wat last met hun gevoelscircuit. Bij Jacob manifesteert zich dat door het feit dat hij gevoelens van verdriet en pijn niet goed van elkaar kan onderscheiden. Het ligt ook allemaal zo dicht bij elkaar. Het lijkt wel alsof hij nu een groot punt van verschil heeft gevonden. Alsof hij denkt: ‘geef mij maar gewone pijn; verdriet is meestal net iets erger’. Als ik zelf ook niet wat autistisch was, dan zou ik schrijven: het breekt mijn hart. Dat is ook een beetje zo, maar ik weet hoe ik zelf in elkaar steek en ik ben er zeker van: Jacob komt er wel.   Naar een ware gebeurtenis in 2004. Verschenen in het magazine Autisme Centraal in 2005.    

Bruno Lowagie
120 1

Stoerdoenerij van het bange hart

Een paar dagen na mijn vertrek. Wanneer mijn planning volgens planning gelopen zou zijn, zat ik al in mijn hut, hoog in de Pyreneën. Met uitzicht over besneeuwde bergtoppen te schrijven over mijn avontuurlijke tocht. Met het knisperend geluid van de houtkachtel op de achergrond en Mila aan mijn voeten. Het leven loopt niet altijd volgens planning. Zeker niet als deze overmoedig en daardoor onrealistisch is. Daardoor vindt mijn dagelijks schrijven plaats in mijn favoriete koffiebarretje in Home Town Mechelen. Waar ik 20% van mijn geplande dag budget spendeer aan een latte. De rietsuiker, het speculaasje, wifi, warmte, toilet en drinkwater maken de 3,5 euro minder pijnlijk. Hoe ben ik in Kaffee-ine beland in plaats van mijn hut, ver boven zeeniveau en minstens even ver weg van de bewoonde wereld? Angst. Naast slechte raadgever ook de bron van deze change of plans. Vol goede moed liet ik Mechelen achter en wikkelde me in het gevoel van avontuur en vrijheid. Helaas sloeg dit haast euforische gevoel al heel snel om naar zijn minder positieve tegenhanger. Niet zo heel erg veel later, nog niet eens de taalgrens voorbij, bracht ik mijn bus noodgedwongen tot stilstand. Geen taferelen met zwarte rook uit de motorkap, al voelt het niet minder erg. Zware migraine. Van die soort dat het tikken van je richtingsaanwijzer voelt als een hamerslag op je schedel. Samen met het kloppen in mijn hoofd, ogen en maag, kwam het overduidelijke besef dat ik mezelf overschat heb. ‘Zwààr overschat’ was misschien wel beter op zijn plaats. Het was te ver buiten mijn comfort zone op dat moment om zonder plan door de vrieskoude alleen tot in de Franse bergen te rijden in mijn nieuwe oude logge 3tonner. “Hoe kan je één jaar alleen gaan reizen als je de tocht naar de Pyreneeën, zo ongeveer 5/365e van de onderneming, niet eens aan kan vangen vol vertrouwen. Of toch op zijn minst zonder het in je broek te doen?” Lekker kritisch. Zo is hij wel, die Eerste Stem. In een zachte melodieuze toon vervolgde Stem Twee op zijn eigen sussende manier “Nothing to be ashamed about: er zijn genoeg mensen die niet eens allen op een all-in vakantie zouden gaan. Of naar Antwerpen durven rijden. Zelfs in je vriendenkring.”“Yep,” antwoordde de kritische stem “die durven het niet en die doén het dan ook niet. Slimmer dan pretenderen meer te durven dan je kan. Zij kénnen zichzelf duidelijk beter dan jij jezelf kent. En dat geeft dan al jaren les over ‘naar jezelf luisteren’ en ‘je grenzen respecteren’. Tssss…” Even bleef het stil, waardoor de harde woorden hun doel niet misten. Recht in mijn bange hartje. De katalysator voor angstgedachten die op hun beurt mijn zelfvertrouwen aantastten. Dat brokkelde af met de snelheid van een over gemotiveerde lawine. Rillend in mijn bed, onzeker over hoe lang de verwarming op kan zonder de benzinetank leeg te maken, dienden twee opties zich aan. Angsten negeren, extra anti-migraine pilletje en moedig door rijden tot in de bergen. Of luisteren naar mijn gevoel en mezelf niet forceren iets te doen dat niet goed voelt. Geen evidente keuze, dààr, op de parking, tussen de truckers en in de schemer. De stemmen in mijn hoofd waren het nog steeds niet eens. “Komaan, wie durft er nu niét naar de Pyreneeën rijden?”, bulderde Stem Een. “Wel ja, …. “, hoorde ik Stem Twee fluisteren na wat getwijfel, “ik. Ik durf het niet op deze moment, alleen.”Wat was ik blij dat mijn Begripvolle Ik tussenbeide kwam, nog net op tijd om een ruzie tussen hen te vermijden. “Voelt het niet goed, dan is het niet goed. Waarom heb je een sabbat jaar genomen? Om te rushen? Om je stoer voor te doen? Ik dacht het niet. Les 1: wees trouw aan je gevoel. Je hebt niets te bewijzen en nog in het minst aan je zelf.” Ik draaide de sleutel om in het contact en reed terug naar Mechelen.

angelique
0 0

Manuscript in een studentenkamer gevonden

Ik ga het alfabet herschrijven:A A A A A A A A A A A A A A A A A A A A A A A A A A Hoeveel keer zou je het woordje pijn lezen als ik het duizend maal voor je uitschreef? Vast geen duizend keer. Zelfs niet als ik het duizend maal duizend maal schreef.   Wacht, ik pak het anders aan. Ik probeer het eens met getallen. Priemgetallen, meer bepaald. Of nee, priemjaren:   2. Als ik terugdenk aan mijn eerste herinnering, weet ik nooit helemaal zeker of ik me die herinner omdat ik ze onthouden heb, of gewoon omdat ze me zo vaak verteld is. Ik weet niet eens precies hoe oud ik was; ik schat twee jaar. Ik speelde veel ‘buiten’. Dat wil zeggen: op ons koertje van een paar vierkante meter groot. In de hoek van dat koertje stond een grote regenton. Vaak sleurde ik een stoel naar buiten waar ik op balanceerde om het watervlak te kunnen zien. Ik liet er plastic vissen in zwemmen en zelfgemaakte bootjes op drijven. Meer dan eens zonken de voorwerpen waar ik mee speelde naar de bodem van de ton. Vader liet het gevaarte om de zoveel weken leeglopen en dan had ik meteen heel wat verloren speelgoed terug. Op een dag glipte een speelgoedmannetje uit mijn handen. Ik greep ernaar, maar ik kon er niet meer bij. Mijn rode piraat ging onverbiddelijk naar de haaien. Ik greep nog eens en nog eens en toen verloor ik mijn evenwicht. Het koude water trok me naar zich toe en ik bood geen weerstand. Ik probeerde niet eens me om te draaien of naar boven te stuwen. Ik ging gewoon de diepte in, mijn piraat achterna. Waarom? Ik weet het niet. Evenmin hoe lang het duurde. Achteraf vertelde moeder dat ze nog net op tijd was om mij te komen redden. “Je zag al helemaal blauw. Je was bijna dood geweest.” Nog dezelfde dag maakte vader een deksel om de regenton af te dekken. Wilde ik met de bootjes spelen, dan moest ik me voortaan behelpen met een teil.   Soms, als het verteld wordt op familiebijeenkomsten of onder kennissen, luister ik ernaar alsof het een verhaal is over iemand anders. Denkend aan die ton, voel ik nog altijd de kou langs mijn ruggengraat lopen. Dan herinner ik me ook die keer dat moeder de deur naar het koertje op slot gedaan had. Het door vader gefabriceerde deksel was van de ton en door het raam kon ik moeder nergens zien. Rond de ton was overal water, maar ik zag verder geen beweging, geen gespartel. Toen vader thuiskwam, moest hij de achterdeur forceren. Een paar tellen later haalde hij vloekend zijn vrouw uit het water. Ziedaar een echte herinnering. Het beeld is nog altijd op mijn netvlies gebrand. Moeder was doorweekt en ze rilde. Ook zij zag blauw. Was ze bijna dood geweest? Ze keek me aan alsof ze medelijden met me had, of om medelijden vroeg. Het was een blik die ik niet begreep. Na het voorval bleef moeder dagenlang in bed. Vader zei dat ze zich een beetje ziek voelde in haar hoofd. Zo vertelde hij het ook aan de familie. Op familiebijeenkomsten werd er angstvallig over gezwegen, alsof alleen het verhaal van mijn redding het onthouden waard was.   Alsof niet wat gebeurd is telt, maar wat men zich ervan herinnert.   3. Kijk! Ik heb een litteken op mijn rechterpols. Het trekt een rechte, witte lijn, beginnend ergens halverwege mijn pols, evenwijdig met mijn slagader, tot aan de stam van mijn hand. Maar wie denkt dat dit litteken het gevolg is van een tot mislukken gedoemde zelfmoordpoging, zit goed fout. Ik ben mijn moeder niet! Ik kan niet tegen bloed. Dat is niet de manier waarop ik sterven zal.   School was een concept waarmee ik van bij de aanvang moeite had. Elke dag werd ik om acht uur ’s morgens aan de schoolpoort afgeleverd en om vier uur ’s middags weer afgehaald. Ik was geen huilbaby. Evenmin een gelukkig kind. Had mijn moeder me van acht tot vier in een kast opgesloten, dan was ik vermoedelijk even gelukkig geweest. Op school ging ik van de speelplaats naar de klas en omgekeerd. Idem wat betreft de refter. Maar voor de rest deed ik er niets. Ab-so-luut niets. Ik lachte niet, ik speelde niet, ik zong niet en ik danste niet. Zelfs eten was een groot probleem. Ik overleefde op de koeken die ik meekreeg van thuis. Soms zat zo’n koek in een onmogelijke verpakking. Niets speciaals eigenlijk, gewoon een verpakking die ik niet open kreeg. Dan kwam ik ’s avonds terug thuis met in mijn boekentas een volledig verkruimelde koek, de verpakking nog intact. Natuurlijk deden de juffen hun best; natuurlijk zeiden vader en moeder dat ik om hulp moest vragen als ik een probleem had. Maar ik herhaal: school was een concept waarmee ik van bij de aanvang moeite had. Wanneer ik klasgenootjes vroeg me te helpen met mijn koek, werd ik uitgelachen. Gaf ik mijn koek uit handen, dan was ik hem kwijt. Hij werd opgegeten, of, als de pestkop met dienst er geen zin in had, weggesmeten. Mijn koek uit het toilet vissen, ging me te ver, maar het gebeurde dikwijls dat ik mijn koek uit een vuilbak moest grissen. Tot die keer dat iemand de scherven van een gebroken fles in de vuilbak op de speelplaats had gedeponeerd. Ik lette alleen op mijn koek die erlangs was gevallen. Ik stak mijn arm tot diep in de vuilbak en toen ik de koek beethad en mijn arm terugtrok, viel ik van schrik bijna flauw. Ik herinner me geen pijn, wel het zicht van al het bloed dat uit mijn pols gutste.   5. Woensdagnamiddag: thuis Als moeder het huis stofzuigt, volg ik haar, kamer na kamer. Ik zie hoe grondig ze haar dagelijkse routine afwerkt. Ik kijk toe of ze geen hoekje of kantje vergeet. Ik probeer me in te beelden waar ze aan denkt. Soms kijkt ze met een glimlach terug en probeert te raden wat ik denk. Misschien denken we op zo’n moment allebei aan niets. Ik heb geen eigen gedachten, ik denk aan wat zij denkt en zij denkt aan wat ik denk. Het is een kringetje. Het is goed.   Weekend: thuis Als vader met mij praat, heb ik geen grote woordenschat nodig. “Ja vader” en “nee vader” volstaan. Vader praat graag en vaak met zijn handen: één enkele keer zijn ze gevuld met snoep, maar meestal trakteert hij met klappen. Zijn slagen, ze zijn van het soort waar je ogen van knipperen als hij met onschuldige hand een lok van je voorhoofd streelt. Het is om mijn bestwil, dat weet ik, en moeder weet het ook, verborgen in haar hoekje of kantje. Zo zijn vaders. Het is goed.   7. Na de kleuterklas kwam de lagere school. We hadden in die tijd nog geen telefoon, dus wie ons nodig had, belde naar de buren. Dat gebeurde uiterst zelden; zoals die keer dat de school naar de buren telefoneerde met de vraag of moeder mij kon komen afhalen. Bezorgd spoedde moeder zich naar het lokaal van de verpleegster en toen ze me zag, begon ze te huilen. Mijn rechteroog zat helemaal dicht, twee los zittende melktanden waren gesneuveld en wanneer ik ademde, leek er een piepend geluid uit mijn longen te komen. Vader was woedend en klampte na zijn werk direct de directeur aan. Die wist enkel te vertellen dat er een vechtpartij geweest was.   De ware toedracht? ’s Middags speelden alle leerjaren samen op de grote speelplaats. Ik zat nog maar in de eerste klas. Ik was een gemakkelijk slachtoffer voor ‘die van de zesde’. Die dag had ik op de speelplaats een steentje gevonden en het opgeraapt voor de neus van één van hen. Hij had me zien bukken, maar hij had niet kunnen zien waarom. “Wat heb je daar gevonden?” vroeg de stoere twaalfjarige. Ik klemde het steentje in mijn vuist en zei: “Niets!” Het was per slot van rekening maar een steentje en daar had die jongen niets mee te maken. Dat was niet naar zijn zin. “Hé,” riep hij tot zijn makkers, “die kleine hier heeft iets gevonden en hij wil niet zeggen wat het is!” “Misschien is het geld,” riep een ander terug. Plots stonden ze met z’n vijven om me heen. Nog wou ik het steentje niet tonen. Toen begonnen ze me te schoppen en te slaan. De juf riep de meester erbij om ons uit elkaar te halen. Het steentje heb ik geen moment gelost. Ik had het nog steeds stevig in mijn vuist toen moeder me kwam halen.   11. Moeder, je had een reeks aandoenlijk dramatische pogingen tot zelfmoord achter de rug. Telkens wanneer er een ziekenwagen voor de deur stond, vroegen de buren zich voor de grap onder elkaar af: “Heeft ze weer zelfmoord gepleegd?” Hoe schuldig moeten ze zich gevoeld hebben na je laatste poging! Qua denkwerk was je daad heel eenvoudig. De hoogte van het plafond, naar beneden afgerond. Je lichaamslengte, ruim bemeten. Het verschil van beide getallen, vermeerderd met een lus. Zo lang was je touw. Een elementair rekensommetje. Toch zei iedereen dat je het zo niet gewild had. Dat je pogingen een schreeuw om aandacht waren. Ik heb daar veel over nagedacht. Ik denk dat iedereen zichzelf maar iets wijsmaakte om er zich van af te maken. De bemoederende woorden van een non. Het vaderlijke verbod van een priester. “Probeer het niet nog eens; het leven kan zo mooi zijn!” Dat was de enige hulp die je in die tijd kon krijgen. Daar moest je het mee doen. Basta!   13. Het was wel duidelijk dat ik niet was zoals de andere kinderen. Vooraleer ik naar de middelbare school mocht, schotelde men mij en mijn klasgenootjes een hele reeks testjes voor om te zien wat er van ons kon worden. Verstandelijk was er niks mis met me, ik behoorde tot de slimsten van mijn klas. Toch was ik een twijfelgeval. “Hij denkt niet zoals de andere kinderen denken,” zo legde de meester uit aan vader, maar vader wist dat al. Hij begon tegen de man te vertellen over moeder en haar zelfmoord. Daar had de meester niet van terug. Niemand op school durfde vader tegen te spreken zodra hij over zijn vrouw begon. Zo mocht ik overgaan naar het middelbaar. Natuurlijk werd ik daar nóg meer gepest; al was het maar omdat vader al mijn kleren 2 + 1 gratis kocht in de supermarkt, zodat het leek of ik nooit andere kleren aandeed. Wat bovendien soms weken na elkaar het geval was, als vader geen zin had om te wassen. Maar ik bleef een redelijk goede leerling. Ik behaalde goede punten, beging zelden een flater en in zo’n geval merkt geen enkele leraar het pesten op. Als er al iets gebeurde, keek de speelplaatsopzichter de andere kant uit. ‘Kwajongensstreken’ noemden ze het.   Eén enkele keer haalde ik uit. Een bende klasgenoten had mijn muts afgepakt en wierp ze van de ene naar de andere. Hoe ik mijn muts ook naliep, ik kwam altijd te laat om ze aan de pestkoppen te ontfutselen. Tot ik een paar meter verder het jongere broertje van één van hen op de speelplaats opmerkte. De jongen was net iets kleiner dan ikzelf. Ik liep op hem af en greep hem stevig beet. Ik trok een pluk haar van zijn hoofd, hield die omhoog en dreigde ermee de luid krijsende jongen volledig kaal te plukken als ik niet gauw mijn muts terugkreeg. Iedereen was verbijsterd, verontwaardigd omdat ik een onschuldig kind aanviel dat niks met de pesterijen te maken had, maar ik kreeg de muts bijna binnen de seconde terug. Ik duwde het huilende kind minachtend op de grond en zette mijn muts op. Ik stond er verder niet bij stil. Het was voor mij gewoon een kwestie van overleven. Elke dag opnieuw. (Hoelang nog?)   17. Liefste dagboek, [maandag] Gisteren was er een man op tv. Hij zei doodserieus: “Zelfmoord, dat is toch wel het laatste wat je doet!” Waarop een hele zaal in lachen uitbarstte. En ik? Ik zat er onbewogen bij. Niet goed wetend wat ik op dat moment het liefste wilde: huilen of lachen. [dinsdag] Ik ken van alles de definitie, maar van niets wat het betekent. Als ze me vragen waarom ik de dingen doe zoals ik ze doe (nooit zoals het hoort), verdedig ik me altijd met hetzelfde antwoord.“Ik ben nu eenmaal mezelf.” Eénmaal mezelf, als een priemgetal, ondeelbaar. Alsof het iets is om trots op te zijn. [woensdag] Ik ben een autodidact die de verkeerde les heeft geleerd. Telkens ik denk origineel te zijn, blijk ik net een open deur ingetrapt te hebben. Het is niet eerlijk. Het is niet fair. De hond blaft, maar de karavaan is al lang voorbij… [donderdag] Ik ga zelfmoord plegen. Nee, niet nu direct. Binnen drie dagen pas. Ik heb een plan. Goed overdacht; geen impulsieve daad! Zondag gebeurt het, of helemaal niet. Dat geeft me ruim voldoende bedenktijd om uit te maken wat het meest de moeite is. De lange pijn, of de korte… [vrijdag] Wat is er misgelopen? Was het mijn afkomst? Was het mijn opvoeding? Of was het gewoon mijn eigen schuld? Waar ben ik ziek? Ik leid een leven zonder grootse verwachtingen. Mijn pad loopt als een diepe voor, uitgesneden in de schier eindeloze vlakte. Ervan afwijken gaat niet zomaar… [zaterdag]Als deze dag mijn laatste was    zou ik dan kunnen sterven?Wat is er van mijn stof en as    de moeite waard te erven? Vanavond kreeg ik onverwachts de kans om met een paar klasgenoten mee te rijden naar een fuif. Een laatste keer de nacht in dansen en dan voor altijd slapen. Het idee trok me wel aan, maar ernaar handelen, kon ik niet; het hoorde niet bij mijn plan. Ik bleef thuis in het gezelschap van mijn doemgedachten. Wachten, wachten, wachten… [zondag] Ik werd vanmorgen opgebeld; mijn klasgenoten zijn niet teruggekeerd van hun fuif. Op de terugweg is hun auto tegen een boom geknald. De chauffeur en de passagier op de achterbank vechten nog voor hun leven. De passagier naast de chauffeur was op slag dood. Dat was mijn plaats. Ik had die passagier moeten zijn. Morgen drie lege banken in de klas. Niet de mijne. Opnieuw weet ik niet wat ik het liefst zou kunnen: huilen of lachen. Het was nu of nooit, maar het zou van slechte smaak getuigen er nu van te maken. Het wordt dus nooit. Ik blijf leven.   19. Het eerste meisje waar ik mee naar bed ging, was heel mooi. Ze had blond golvend haar en blauwe ogen. Op een woensdagnamiddag nodigde ze me uit op haar kamer. Haar vader was uit werken en haar moeder begeleidde haar jongere broers naar de voetbalclub. We hadden tijd, zo lokte ze me naar binnen, en niemand zou ons storen. De deur was nog maar dicht of ze ging uit de kleren. Tegen beter weten in, aapte ik haar na en algauw rolden we borst tegen borst over haar bed. Tijdens de daad kreunde ze oorverdovend hard en dat stoorde me een beetje. Ik was nog nooit op haar kamer geweest en terwijl ze mijn stijve pik bereed, telde ik het aantal boeken op haar plank (34), het aantal foto’s op haar bureau (5), het aantal cd’s in haar rek (49),… Pas toen ze haar klauwen in mijn vel dreef, besefte ik waar ik mee bezig was en kwam ik schokkend klaar. Het meisje belde direct haar beste vriendin op om te zeggen hoe fantastisch het geweest was. Haar vorige vriendjes kwamen nooit verder dan wat stuntelig gefriemel en een ‘sorry dat het zo vlug voorbij is’, maar ik was totaal anders, zo vertelde ze. Als gevolg van al die lof begon die vriendin van haar me een week later te verleiden. We deden het bij haar thuis op de sofa. Haar ouders werkten allebei en haar oudere zus zat op kamers als studente. Er lagen 3 tijdschriften en 2 kranten op het salontafeltje. Op de schoorsteen stonden 3 beeldjes en 8 foto’s. Ik deed alsof ik klaarkwam toen de grote wijzer van de wandklok op 12 sprong. Dat ik met elk van de twee beste vriendinnen gesekst had, kon niet lang geheim blijven. Eerst vlogen ze elkaar in het haar, daarna richtte hun woede zich op mij. Ik begreep er niks van.   Ik heb me na die eerste ervaringen een hele tijd ver van meisjes en vrouwen afgehouden. Gelukkig was de middelbare school op dat moment bijna achter de rug. Pas op mijn negentiende verzeilde ik weer met een meisje in bed. Het gebeurde op mijn eigen studentenkamer. Ik had alles wat er stond al geteld. Het meisje had een minuscuul schoonheidsvlekje bij haar rechterwenkbrauw. Zo ééntje dat je amper ziet als je er niet op let, maar waar je je ogen niet van kunt afhouden als je het eenmaal gezien hebt. En zo bedreven we, elkaar strak in de ogen kijkend, samen de liefde. Toen we lagen na te hijgen, zei ze dat ze van me hield. Ik zei haar het zelfde terug.   Het was het mooiste misverstand dat ik ooit mocht beleven.   23. Ik ben 23 geworden. Ik heb mijn diploma.Ik ga trouwen. Ik word vader.Het is alles wat ik ooit gewild heb. Het is méér dan ik ooit verwachtte.Het is prachtig. Het is angstaanjagend.   Ik ben nog altijd niets wijzer geworden omtrent wie ik ben, maar ik weet ondertussen wel wat ik heb.Het is geen ziekte, maar het heeft wel een naam.Ik kan er niet van genezen, maar ik ga er ook niet aan dood.Denk ik. Hoop ik.   Ik wilde het alfabet herschrijven, maar ik raakte niet verder dan de A.De A van autisme.Dan maar verder met getallen. Dat lukt me beter.Denk ik. Hoop ik.   Ik noteer alvast mijn volgende priemjaar.Dan zien we wel wat volgt:   29.

Bruno Lowagie
0 0

Snowflake Blues

Geef me een woord en ik schep een wereld. Geef me de leegte en ik creëer de hel.  Dertig jaar lang heb ik in het Kempense platteland getimmerd aan een onderwereld, waarvan ik de chagrijnige hoeder was.  De Kempen is een regio die zijn welvaart dankt aan snelwegen en betonvelden. Een wereld die bezongen wordt om zijn purperen heide en zijn melodisch mengpaneel van streekdialecten.  Een streek die ik enkele jaren geleden ben ontvlucht omdat haar horizon niet verder reikt dan de wanden van een mollengang.  Want de Kempen is in de eerste plaats een plattelandsgetto, waar buitenstaanders en vrijdenkers even welkom zijn als een rijkeluiszoon in een Parijse banlieu. Voor creatieve, ambitieuze sneeuwvlokjes is het een ronduit gevaarlijke plek. Velen sterven er van verveling. Anderen vallen ten prooi aan de moordlust van de grote sociale grasmaaier die elk sprietje kortwiekt wiens hoofdje uitsteekt boven het vlakke, gele gazon.  Het Kempense platteland bewijst dat je om een controlestaat te creëren geen nood hebt aan een dictator, bemoeizuchtige flikken en een uitgewerkte infrastructuur van gezichtsherkenning, databases met vingerafdrukken en grenscontroles. Roddels, bemoeizucht, opgedrongen modetrends en nieuwsgierige blikken zijn voldoende om mensen in het gelid te doen lopen. De kerken lopen leeg, maar de moraal van schuld en boetedoening woekert nog steeds in de hoofden en huiskamers. Ook zonder het ware geloof kan je de katholieke terreur handhaven. In Kempense woonwijken heb je geen blauw op straat. Zij worden permanent bewaakt door verveelde huisvrouwen, agenten in burger die notie nemen van iedere normoverschrijding. In hun hoofd torsen ze een gigantisch wetboek dat tot in de puntjes beschrijft hoe vaak de Kempenaar zijn auto mag wassen, hoe lang hij zijn haar mag laten groeien, wanneer hij zijn dakgoot moet kuisen, welke schoenen bij welk brilmontuur passen, en hoe groot het aandeel Nederlandstalige schlagers en Roy Orbison-platen in een Kempense muziekcollectie moet zijn. Zondaars worden hardhandig aangepakt. Met uitgekiende roddelcampagnes worden ze tot persona non grata verklaard.  Wie weigert mee te surfen op de hoofdstroom vindt een tijdelijk onderkomen in de steeds dunnere naaldbossen en heidevelden. Behalve op zon- en feestdagen, wanneer vogels, reeën en hoogsensitieve sneeuwvlokjes worden opgeschrikt door motorcrossers, wielerterroristen en gezinnen met kinderen. Enkel in de vier muren van jouw kamer kan je echt jezelf zijn: eenzaam, verveeld en uitgeput. Enkele jaren geleden sloeg ik op de vlucht voor deze tirannie van de middelmaat. Als culturele vluchteling vond ik een onderkomen in de grootstad. Toch keer ik soms terug. Mijn meningen houd ik nog steeds voor mezelf. Tijdens die maandelijkse trips trakteer ik familie en vrienden op Turks brood, Marokkaanse thee, Libanese desserts, Boliviaanse coke en ander exotisch snoepgoed. Tijdens die daguitstapjes geniet ik van de bossen en de heide, de rust en de kalmte, de nestwarmte die ik ergens daartussen achterliet, en de zekerheid dat ik de trein huiswaarts kan nemen als die warmte omslaat in een verstikkende heidebrand. Pieter Van der Schoot  

Pieter Van der Schoot
34 0

Bouwaanvraag met zicht op eeuwigheid

  Toen ik acht jaar was ging ik in de zomer regelmatig met mijn grote zussen naar zee, meestal was dat Cadzand. We propten onze oude Fiat vol met handdoeken en zonnecrème en andere dingen waar we ’s avonds het zand niet meer uit zouden krijgen, en tuften naar het buitenland. Terwijl mijn zussen recto verso aan het zonnen gingen maakte ik altijd – hoe voorspelbaar kan het zijn- een zandkasteel. Water, zand en schelpen zijn tot nader order meer dan genoeg voor een kleine jongen om zijn ongebreidelde fantasie op los te laten. Op een dag wou ik er eens écht mijn werk van maken, een prestigeproject zou je kunnen zeggen, want de keer daarvoor had ik mij misrekend en te dicht bij de waterlijn gebouwd, waardoor ik door het opkomende water voortijdig in bouwverlof moest gaan. Deze keer dacht ik: nu gaan ze mij niet liggen hebben, ik ga ver genoeg naar achter bouwen, ver landinwaarts tot aan de duinengrens, waar mijn vesting veilig staat en soeverein het hinterland kan overschouwen. Het was natuurlijk een hele afstand als het eb was, ik zeulde voortdurend met twee emmertjes af en aan en bouwde het kasteel volgens een strak plan dat al dagen in mijn hoofd zat. Het had vier slottorens met als vlag een stukje zilverpapier van de verpakking waar onze boterhammen hadden ingezeten, een binnenplein met wenteltrap, steunberen langs de dikke muren die ik versterkte met een cordon schelpen, en een slotgracht rondom rond. Op elke hoek van de slotgracht legde ik ter afschrikking het karkas van een dode krab, en onder de ophaalbrug een kwal - met scheermesjes mijn emmertje ingelepeld - die een soort plaatselijke Loch Ness moest belichamen. Ik bouwde er de ganse dag met hart en ziel aan. En toen het af was deed ik om het kwartier wat kleine onderhoudswerken (in het zwart). Ik was fier op mijn onneembare vesting met moderne snufjes als domotica (mijn totaal onzichtbare hand liet de ophaalbrug bijvoorbeeld omlaag gaan, steevast enkele minuten voor de ridder van zijn werk thuis zou komen. Zo moest hij niet staan wachten. Nadat hij roffelend de houten brug was overgereden ging ze onmiddellijk terug omhoog – volledig automatisch.) Maar dan– ik was juist in de stoeterij de paarden aan het vaccineren - gebeurde er iets dat op geen enkele manier in mijn planning was voorzien. Rond een uur of vijf stond mijn zus op, schudde haar handdoek uit en zei : ‘Gaat ge opruimen jongen, we gaan naar huis hé. ‘ En ik weet nog precies wat ik aangeslagen en in paniek zei: ‘Moeten we nu al naar huis?’ Er werd een emotionele freesboor in mijn maag gedraaid. Mijn stem sloeg over. ‘Ik heb hier zo lang aan gebouwd, dat is hier mijn bouwgrond, dat kan toch niet dat we dat nu gewoon zomaar onbewaakt gaan achterlaten?’ Van het ene op het andere moment was ik geen ridder meer maar een lijfeigene. Er was niets aan te doen, we moesten op tijd thuis zijn, had ons moeder gezegd. Echte mannen huilen niet, maar maken dan wel op een andere manier je het leven zuur. Ik schopte de koelbox omver. Stak zand tussen de Princekoeken. Duwde een kwak zonnecrème in een schoen. Ik voelde geen erkenning, noch voor mijn schepping, noch voor mijn verdriet. Er kwamen beloftes: ‘We komen nog eens terug’ zei een zus paaiend. ‘Jamaar neen, het gaat over nu, over dit kasteel!’ zei ik. Een andere zus , die leep was en dat ook is gebleven, kocht mij om door te zeggen dat we nog eens gingen omrijden om snoep te gaan halen, en dat verzachtte enigszins de pijn. ‘We gaan nog eens langs bij Platte Simonne, in Zelzate.’ (Platte Simonne had wel een snoepwinkeltje maar geen borsten – zo plat - vandaar haar naam.) Snoep. Het vlees is zwak, ik weet het. Ik heb in de auto nog wat zitten bokken, maar besefte op de duur de onredelijkheid van mijn streven. Emotie is één, niet onbelangrijk, maar natuurlijk wist ik ook dat we daar niet eeuwig aan het strand konden blijven. Niets blijft zoals het is, maar bouwen aan iets, vol vreugde en overtuiging, is al een bewaren op zich. Al doende gebeurt er iets dat blijft. Een spoor, ergens.  

Lode Van Wabeke
0 0

Herfstwind 3

Mijn herfstwind, Dagen gaan voorbij,                               Geluk Ik voel                  geluk Ik leef                  geluk Ik draag               geluk Ik praat                geluk Ik antwoord       geluk                                             Jij bent nu maar een vage herinnering Aan liefde, geluk, boosheid,                                             Woede                                                            Drift                                                                           Lust                      Telkens weer                               En opnieuw                                                            En opnieuw                                                                                          En opnieuw Aantrekken                        afstoten aantrekken       afstoten                             aantrekken               afstoten Vage werkelijkheid van                                             Aaien                                                            Liefkozen                                                                           Muziek                                                                                          Twinkelende ogen                                                                                                                       Gloeiende lichamen Prille ochtendgloren en warme avonden Aan koffie                               Aan drank                                                            Aan gezellig                                                                                          Aan bed                                                                                                                       Aan afscheid                                                                                                                                      Aan kans op regen Aan jou ………………………………………………………………………………………………………………….denk ik ==========================-------------------=============zuchtje===----------- Jouw lentebriesje

Daphne
0 0