Zoeken

Vakantie

Vakantie, volgens de reclame 'de beste tijd van het jaar'. Ik vind het een beetje sneu om een jaar te leven voor 3 weken lol. Bovendien ligt de lat dan wel erg hoog voor deze 3 weken. Vriend en ik pakten de tent in en reden met jeep richting Polen. De hond mocht ook mee. Kamperen, worstjes grillen en pintjes drinken. Zonder bh rondlopen. Heerlijk. Even een voetnoot. De vriend heeft vaak uitzonderlijk geluk in het leven, speciaal rond reizen. Vriendelijke strangers die zijn vergeten portefeuille terugbrengen, zonder diesel vallen en een buurman die hem uit de nood helpt, zo'n dingen. Mijn familie staat bekend uitzonderlijk pech te hebben op verlof. Verre reizen naar waar de zon altijd schijnt en dan in een orkaan zitten (buiten orkaan seizoen). Vliegtuigpanne. Voedselvergiftiging. Zo van dat. Tot nu toe hadden we tijdens gezamenlijke reizen meestal het geluk van de vriend aan onze zijde. Tot nu toe. Deze vakantie reeg een stroom aan kleinere en grotere pechjes aan elkaar. Verloren voorwerpen. Een vies pension (waar we meteen vertrokken). Alle campings volzet. Alle restaurants op sluitdag. Het einde van de reis leek de pech afgewend. Laat in de avond toch een gasthof gevonden in de bergen, mooi weer en rust. Ontbijten op het terras. Vriend en hond rustig aan een tafeltje. Vandaag is er zelfs een dorpsfeest! 5 knallen om 09h00. Geweerschoten zegt de vriend. De vriend is gepassioneerd jager. De hond is zijn compagnon. En weg zijn ze! Ik zit en eet, schud nog een kopje hete koffie in. Genieten dat kan op ieder moment van de dag, en dat kunnen kleine dingen zijn! 

Evelien
22 0

Huisvlieg.

De afgelopen twee jaar hebben zich veel ,meer dan anders het geval was, voorvallen van opmerkelijke aard en bijzondere verschijnselen voorgedaan. Misschien dat ik er nog meer ontdek in de jaren van daarvoor, maar wat zojuist alweer het geval was wil ik graag vermelden. Drie weken geleden zat ik ook juist op dezelfde plek als waar ik nu zit, in de voortuin. Op een middag ,na mijn werk, was het precies tijd voor een glas koud bier in de schaduw toen ik een bepaald insect opmerkte. Te snel voor een kever, te groot voor een mier. Het bleek een vlieg te zijn die een van haar vleugels had verloren. Ze liep nog steeds met dezelfde snelheid voort, maar in plaats van weg te vliegen als ik haar met mijn wijsvinger probeerde aan te raken, maakte ze een sprongetje en bleef dan op haar rug rondtollen. Er liepen ook mieren, torretjes en spinnen rond op de tegels van de voortuin. Het zou niet lang duren voordat ze daar uiteindelijk aan ten prooi zou vallen. Ik schonk mijn glas weer bij en keek toe hoe ze inmiddels aan de aanval van twee mieren had weten te ontsnappen. ‘Die sterft zeer zeker’, dacht ik. Ook alleen al door een vleugel te missen. Toen de mieren met meerderen tegelijk  de vlieg in de gaten kregen was mijn bier op. Ik liep mijn huis in, pakte uit de koelkast nog een biertje, een stukje brood en een overgebleven stuk appel van het ontbijt. De vlieg kreeg het steeds drukker met het ontwijken van haar belagers. Steeds weer opspringen, even rondtollen op de rug en dan weer vliegensvlug weglopen. Het is weldra schaakmat tegen de strategie van slechts drie mieren die paard, toren en koningin om haar heen spelen. Ik maak mijn blik bier open en neem er een slok uit. Het stuk brood breng ik naar mijn mond en spuw er het bier in. Mijn lege glas leg ik over de vlieg heen en duw het natte brood met het stuk fruit erin. Ze zit gevangen. ‘Je sterft toch. En de mieren zullen je na je dood ook nog wel weten te waarderen. Eet en drink.’ Ik liet haar daar en kwam volgende middag pas weer kijken naar het omgekeerde glas in de voortuin. Daar was plots beweging te zien van een vlieg die onder het stuk brood vandaan kwam en op het stuk fruit sprong. Ik kon duidelijk zien dat ze zich eraan tegoed aan het doen was. ‘Beschermd tegen alle anderen, behalve je eigen dood’, dacht ik nog. Ik liet haar zo en keerde de volgende middag pas weer terug. Nog steeds was de vlieg over het brood en fruit aan het kruipen. De buurvrouw had er nog naar gevraagd. Waarom dat omgekeerde glas daar nog steeds stond. ‘Laat u dat maar daar, morgen haal ik het weg’.  De dag erna zag ik haar niet meer in het glas. Het brood was opgedroogd en het fruit beschimmeld. Niet dat dat voor vliegen een probleem hoeft te zijn. Maar ze was niet meer in haar beschermwoning aanwezig. De mieren hadden misschien toch een manier gevonden om onder het glas door te komen en haar meegenomen. Ik pak het glas op en gooi het brood en fruit in de compostbak. Het regent. Een en een halve dag, totdat de zon weer twee middagen volop schijnt. Uit hetzelfde glas dat diende als bescherming voor de vlieg zit nu weer ijskoud bier terwijl ik, nog in mijn werkvest, in de voortuin zit. Ik kijk naar de mieren die hun spoor voortzetten over de tegels.  En kijk. Er springt een insect op mijn schoen. Te groot voor een mier, te snel voor een kever. Het is een vlieg met 1/4 vleugel. Als ik haar mijn wijsvinger toesteek, springt ze op en wijkt opzij. Maar ze verlaat mijn schoen niet. Ook niet na drie keer. In een van de zakken van mijn vest vind ik een stuk verkruimeld biscuit. Ik doop het in mijn bier en leg het op mijn schoen bij de vlieg neer. Met haar trompetsnuit doet ze zich eraan tegoed. En ik aan mijn bier. Plots springt ze van mijn schoen af en haast zich over de tegels naar een stuk afgesneden tuinslang waar ze inkruipt.   Ze heeft inmiddels helemaal geen vleugels meer. Maar ze komt nog steeds voor brood, bier en koek of fruit.

Stanley
25 0

Zon, zee, maandverband?

Eén van de krantenkoppen die me deze week opviel ging over afval. Over hoe er na een dagje zon-, zee- en strandplezier steevast een smerige berg vuilnis achterblijft op onze Belgische stranden. Blikjes, plastic, luiers, ja, zelfs maandverband, zowat alles wordt dagelijks achtergelaten op het strand. Ik dacht meteen: dat knap stukje menselijk gedrag verdient een snedig stukje op mijn blog. Of misschien toch niet. Ik heb immers graag dat mijn columns een glimlach toveren op het gelaat van de lezer. Omdat die lezer zich in iets herkent, omdat hij wordt ontroerd door wat hij leest of gewoon omdat hij het om te lachen vindt. Het waarom maakt eigenlijk niet echt uit, maar wel die glimlach graag. En daar knelt het schoentje toch vandaag. Want wat kan er ook maar enigszins grappig zijn aan een bende onnadenkende kuddebeesten – nochtans net als zij die hun afval wel flink sorteren en braaf in de juiste vuilnisbak deponeren, behorend tot die vorm van zogenaamd ‘intelligent leven’ die wij mens noemen - die, na een dagje genieten van de schoonheid en de weldaad van de zon en de zee, hun windschermen weer netjes opplooien, hun badlakens grondig uitschudden, hun gebruinde voeten secuur afborstelen (want we willen geen zand in huis, hoor, stel u voor) om dan hun schup af te kuisen en het strand achter te laten als een gore vuilnisbelt? Niks. Daar is echt niks grappig aan. Wat bezielt hen? Is het puur egoïsme? Après nous le déluge? Doen ze het vanuit één of andere misplaatste overtuiging dat ze het wel verdiend hebben om hun vuiligheid door anderen te laten opruimen? ‘Waarvoor dienen anders de mannen van de vuilkar? Daar betalen wij toch belastingen voor?’ Ligt het aan de warmte? Een zonneslag? Een dagelijks terugkerende vlaag van collectieve verstandsverbijstering? Of ben ik gewoon te streng? Misschien is het wel goed bedoeld? ‘Ach kijk, er zit nog een restje ketchup in het frietbakje, laat maar liggen, zoet, zo hebben de dolfijnen er ook nog wat aan. Ja, tuurlijk, dat blikje cola ook, kan nog wel dienen, hoor, als huisje voor een kreeft of zo.’ Seriously. Precies of er dobbert nog niet genoeg plastic in de zee. Vergeef me het woord onnadenkend. Vergeef me het woord kuddebeest. En begrijp me vooral niet verkeerd. Hoewel tussen tienduizenden anderen gaan liggen bakken en braden niet my cup of tea is, heb ik wel al veel mooie momenten beleefd aan ’t zeetje en heb ik ook echt helemaal niets tegen mensen die wel graag voor bakharing spelen. Ieder diertje zijn pleziertje. Ik heb ook niets tegen mensen die al eens graag een hapje eten of een drankje nuttigen op het strand. Dat doe ik zelf ook als ik er ben. Maar ik neem wel mijn vuilnis mee als ik ermee klaar ben. Altijd. Is het leuk om met een vol poepzakje, een berg vuile luiers, een stuk of wat plakkerige waterijswikkels en een dozijn perzikpitten in de hand de weg naar huis weer te moeten aanvatten? Neen, dat is het niet. Maar wees er maar zeker van dat tussen tientallen (honden)drollen, vuile luiers, vieze wikkels en afgekloven pitten van anderen moeten zitten nog veel minder leuk is. En - hoewel ik ze het, toegegeven, niet kan vragen - ben ik er vrij zeker van dat de vissen en bij uitbreiding alle andere planten en dieren in de zee het volmondig (en liefst zonder plastic erin) met me eens zijn. En kom, geef toe, als je ’s ochtends je hele hebben en houden tot op dat allermooiste plekje van het strand gesleurd krijgt, is het toch maar een kleine moeite de boel er ’s avonds ook weer af te halen. Niet? Ik denk het wel. Dus, lieve mensen, lieve lezers, lieve kuddebeesten allerhande: geniet. Geniet met volle teugen, van de zon, van de zee en van het strand maar - alsjeblieft - houd het daarbij gewoon voor iedereen plezant!

Bregtje Van Bockstaele
70 0

Werken met klei

Mijn moeder zei “kyrie eleison”, en ze sprak het onhandig uit. Het waren haar laatste woorden, want ze wilde ze niet verbeteren. De halfvolle injectiespuit met gele vloeistof overweldigde haar enkele seconden later. Haar mond zakte open terwijl ik nog naar de naald in haar arm keek. Het slaapmiddel had haar waarschijnlijk onmiddellijk gedood, nog voor de tweede definitieve injectie zijn werk had kunnen doen, zei de arts na afloop.   Dat onhandige kyrie eleison, dat leek op het gemompel van een dronkaard, was een verrassing. Onze moeder had mijn zus en ik, beiden aan een kant van het bed een hand vasthoudend, ondergedompeld in woede over haar streng gereformeerde opvoeding. Vandaar misschien dat die woorden zo slecht gearticuleerd waren, want ze had ze sinds haar jeugd niet meer uitgesproken, en misschien wel helemaal nooit. Met dat kyrie eleison wilde ze iemand, op aarde of hierboven, nog iets vertellen. Het was een eigen toneelstuk, en ze voerde dat uit voor mijn zus, mij en de arts als publiek zodat haar sterven betekenis zou krijgen. De wereld moest weten dat ze weer geloofde en dat ze nu naar God ging. Vlak voor haar dood verdampte haar atheïsme.   Als vijfjarige overwoog ik de mogelijkheid dat mijn moeder een heks was. Ik had bij haar gestaan toen ze op handen en voeten de keukenvloer boende en woedend was. “Bah, ik moet dit allemaal doen. Ik heb er schoon genoeg van!” dat soort kreten slakend zwoegde ze voort met een emmer sop naast zich. Ik dacht dat ze tegen mij uitvoer. Eerder had ik in een wachtkamer mijn moeder gevraagd of ‘die mevrouw met die grote neus’ een heks was. Mijn moeder schaamde zich, maar diste dit later weer vrolijk op. Want die vrouw was wel erg lelijk geweest. Als ze iets inferieurs aan een andere vrouw ontdekte, gaf dat reden tot giechelig vermaak. Na de boze schrobscène zocht ik naar tekens die haar zouden verraden. Maar behalve haar flinke neus vond ik geen bewijs. Een jaar of wat later volgde de hypothese dat mijn ouders inbrekers waren. Ze deden alsof ze van me hielden, maar in werkelijkheid waren ze gemeen en gingen ze als ik sliep met snode plannen op pad. Deze spookgedachtes waren de concretisering van een verborgen werkelijkheid die ik niet begreep maar wel vermoedde. Mijn moeder had geen liefde gekend en kon die niet geven. Het enige moment dat ze genegenheid bij haar vader merkte was na een bombardement. Vlak voor de bevrijding lieten Engelse vliegtuigen per vergissing kettingbommen los boven Den Haag die voor de V2 lanceerinstallaties naast de stad waren bedoeld, wat vijfhonderd doden veroorzaakte. Mijn moeder lag op zolder in bed. Een serie ontploffingen ontzette de voorgevel. Op straat klonk gegil en in de kamer hing een wolk van verpulverde kalk. Ze bleef liggen, verlamd van schrik. Na verloop van tijd verscheen uit de witte wolk haar vader. Beverig vroeg hij: “Jenny, leef je nog?” Zijn bezorgdheid bewees dat hij om haar gaf, concludeerde ze. Meer interesse had hij nooit voor haar getoond. In plaats van liefde, heerste in het gezin de angst voor het kwaad. Bioscoop en theater waren ‘van de duivel’, bedoeld om zondige mensen te vermaken. Tijdens de hongerwinter, toen men aan tafel zat, en vader, na gebed en Bijbellezing bij het armzalige voedsel verkondigde dat het gezin ondanks alles ‘het goed had’, stond zus Jopie op. “We zijn verdoemd, we gaan allemaal naar de duivel!,” schreeuwde ze. Daarop sleurde ze het tafelkleed van tafel, zodat borden, bestek en soepterrine op de vloer kletterden. Ze werd met de diagnose godsdienstwaanzin opgenomen in een inrichting. Eerder was een van haar broers opgepakt als communist en afgevoerd naar een concentratiekamp. Hij liep er TBC op, overleefde het kamp, maar stierf enkele jaren na de oorlog omdat de ziekte in zijn botten was gedrongen. Als kind kreeg ik meer dan eens het verhaal te horen dat deze broer in de dakgoot van een barak een beschimmelde kaaskorst had ontdekt, op het dak was geklommen, en die korst had opgegeten. Mijn moeders leven stond in het teken van de oorlog, die zich tijdens haar puberjaren had afgespeeld en als een zware klok in haar nagalmde. Haar verhalen vertelde ze voor het slapengaan, mogelijk omdat ze dat nodig vond voor mijn opvoeding. Als negenjarige verbeterde ik de meester toen hij vertelde dat Hitler een huisschilder was geweest. Ik koesterde de boosheid op de Duitsers; hoe ze met hun lompe laarzen door de straten hadden gestampt, wat ze de Joden hadden aangedaan, dat mijn moeder tulpenbollen had gegeten, een bombardement had meegemaakt en concentratiekampslachtoffers in hun gestreepte kleren had gezien. Ik ontdekte in onze boekenkast de bezettingsreeks van professor Lou de Jong, en las die alsof het een spannend kinderboek was. Jaarlijks keken we naar de dodenherdenking op de Waalsdorpervlakte, waar we als kinderen nadrukkelijk bij werden betrokken. De enorme klok met het grote rad slingerde in de duinen onder een grijze hemel. De camera toonde een eenzaam kruis. Er klonk een rafelig trompetje. Mijn moeder hield een zakdoek gereed. De sfeer in huis was even kil als het winderige duinlandschap met het kale klokgelui, waar de motregen op de helmen van de in overalls gehulde mannen van de erewacht tikte. Eenzelfde loden stemming koesterden we bij de jaarwisseling. Op verzoek van mijn moeder las mijn vader, die ouderling was in de hervormde kerk, voor uit de Psalmen. Hij vermeldde nadrukkelijk dat dit gebeurde naar moeders wens, omdat haar vader dit ook tijdens de oorlog had gedaan. Terwijl Nederland feestte, reisde ons gezin terug in de tijd en kreeg ik het te kwaad omdat mijn vader, die mooi kon voorlezen, het woord ‘goedertierenheid’ zo doordesemd van diep gevoel uitsprak. “Maar Gij, Heere! zijt een barmhartig en genadig God, lankmoedig, en groot van waarheid en goedertierenheid,” las mijn vader met de tremulerende stem van een toneelacteur, terwijl buiten de eerste kanonslagen knalden. Ik vocht tegen de tranen, die gepast leken in deze situatie. Daarna schakelde hij de radio in en klonk om twaalf uur het plechtige Wilhelmus, een oudejaarsgewoonte die uit mijn vaders familie stamde. We toostten met de inmiddels afgekoelde bisschopswijn, maar van een vrolijk vooruitzicht op een nieuw begin was geen sprake. Het zakdoekje van mijn moeder was niet ongebruikt gebleven. Toen twee Duitse collega’s van mijn vader bij ons kwamen eten, begreep ik niet waarom mijn ouders zo vriendelijk tegen ze waren. Ze zagen er tamelijk onschuldig uit met hun bakkebaarden, felle overhemden en brede jaren zeventig stropdassen. Mijn moeder serveerde nasi uit een Conimex pakje. De volgende dag vroeg ik of die Duitsers zich wel geëxcuseerd hadden voor ‘de oorlog’. Het antwoord, dat dat al zo lang geleden was dat déze mensen er niks aan konden doen, bevredigde me niet, want ik kende mijn moeder niet anders dan dat ze over Duitsers als ‘die rotmoffen’ sprak. Ze was me toen al aan het leren het slachtofferschap in praktijk te brengen. Eerder had ze een schoolgenoot uit een hogere klas ontboden om me met lezen te helpen. Het was een blonde dikzak, Harm-Jan genaamd, een typisch exemplaar van wat de Engelsen een bully noemen. Hij was mij niet al te best gezind, wat mijn moeder niet wist. Harm-Jan nam een boek mee over ridder Floris en probeerde me de onderschriften bij de foto’s te laten lezen. Vervolgens speelden we in de achtertuin riddertje, en raakten we werkelijk slaags. We vochten op het gras voor de ogen van mijn moeder en haar nieuwe hulpmeisje, die achter het raam thee dronken. Het overgewicht van mijn tegenstander hielp hem aan de overwinning. Die werd gevierd door zittend bovenop de overwonnene te juichen en kreten te slaken. Na dit ritueel vertrok hij via het laantje achterom en ik voegde me vernederd en hijgend bij de vrouwen. Ik rekende op medeleven, maar werd opgewacht met de mededeling dat vechten niet aardig was voor Harm-Jan. De aanwezigheid van haar ‘hulp in de huishouding’ zoals mijn moeder haar meisjes altijd noemde, maakte het er niet beter op. Wat moest dat meisje van haar zoon denken? Die schoolmeisjes rekruteerde ze om een middag per week te helpen. Het huishoudelijk werk dat een gezin met twee kinderen opleverde was voor haar een nauwelijks te dragen last. Ze liet dat blijken als ze zuchtend de aardappelen en sperziebonen opdiende. Als slachtoffer was je moreel gezien de winnende partij, zonder iets ervoor te hoeven doen. Na de verloren vechtpartij met Harm-Jan hoorde ik andere jongens als de verstandigste de linkerwang toe te keren. Ik was de grootste van de klas, zodat ik aanvallende jongetjes van me af kon slingeren. Ook mijn beste vriendje Lodewijk hield ik met die techniek op afstand. We woonden in dezelfde straat en liepen altijd samen naar school. Na schooltijd vloog Lodewijk me soms aan. Hij was klein en had een ‘roffeltechniek’, waarbij hij zijn vuisten als een ongerichte mitrailleur gebruikte. Op een keer smeet ik hem zo hard op een geteerde stoep met ingezaaid grind, dat hij met vertrokken gezicht en schaafwonden op handen en gezicht huilend bleef liggen. Ik liep naar huis met een triomfantelijk gevoel van moreel gelijk. Mijn moeder zag wat er was gebeurd omdat ik bij het Lodewijk-slingeren mijn jas had gescheurd. Nu was haar dus ook onrecht aangedaan, wat ze niet zomaar liet passeren. Ze belde het huis van Lodewijk en sommeerde hem de scheur te komen herstellen. Vroeg in de jaren zeventig was ze bekeerd tot het feminisme, en jongens moesten ook leren naaien. Met dit educatieve element vermomde ze haar wraak. De schaamte verwarde me zo dat ik niet aanbood zelf die scheur te dichten, want ik begreep niet dat ik in opstand kon komen. Toen ik de kleine Lodewijk, met een verse schram op zijn gezicht, gedwee mijn jas zag naaien, voelde ik me een verrader. Mijn moeder had hem in de grote fauteuil gezet waar mijn vader doorgaans zat, waardoor hij nog kleiner leek. Ze keek achter de stoel bits toe of haar instructies goed werden uitgevoerd. Het resultaat was erbarmelijk, maar daar ging het niet om. Ze zal later wel opnieuw naald en draad ter hand hebben genomen. Met tegenzin, want ze had meer in haar mars dan het huisvrouwenbestaan, en ze was inmiddels secretaris van de ‘aksiegroep Man Vrouw Maatschappij’, afdeling Haarlem. Ook door ons huis woei de bevrijdende geest van de emancipatie. In bed luisterde ik maandelijks naar het gezoem van vrouwenstemmen. Na zo’n vergadering hing in de woonkamer een waas van vrouwengeur en sigaretten, en er stonden leeggedronken wijnglazen. In de keuken sloeg ik de bodempjes achterover. Ik lette een keer niet op en kreeg het aftreksel binnen van as met een sigarettenpeuk. De volgende dag typte mijn moeder woest ratelend notulen met carbondoorslagen, die ze ondertekende met haar meisjesnaam. Ze bevatten zinnen als: “Joke stelt dat persoonlijke bewustwording onderdeel moet zijn van het lesprogramma op de lagere scholen. Dit kan via ouderparticipatie bereikt worden. Els merkt op dat we eerst de psychologische mechanismen van de onderdrukking moeten leren kennen.” Ongeveer tegelijk met haar feministische bekering veranderde ze haar kapsel, van krullend watergolf permanent naar strakke knot. Haar mondhoeken trokken verder omlaag, de verticale rimpel boven haar neus verdiepte. Het duurde niet lang of ze verscheen op school. Ze had werk gemaakt van de ouderparticipatie en zich een rol toegemeten als bibliothecaresse. Plotseling riep dan een klasgenoot ‘Vincent, je moeder!’ en ontstond hilariteit. Achter de gangruitjes beende ze voorbij, het hoofd met wapperend hoofddoekje opgeheven alsof ze iets verdachts rook. In mijn geheugen staat als een soort paaltje in een snelstromende rivier één gebeurtenis overeind. Onbeduidend en ver weg, maar onveranderlijk; onze visite aan een bejaarde halfbroer van mijn moeder in Stadskanaal. Het was een hete zomerdag. Het bruine kunstleer van onze Simca 1100 brandde na het instappen tegen mijn blote benen. Mijn ouders voorzagen me van een stapel Donald Ducks, en lezend vergat ik dat we ergens naartoe gingen. Ter hoogte van Meppel draaide de auto de snelweg af een klaverblad op. Ik keek op uit een avontuur van Donald, oom Dagobert, Kwik, Kwek en Kwak, en werd misselijk. Mijn moeder zwengelde haar raam open. De bocht duwde me tegen de kunstleren bekleding, de lauwe flakkerende wind blies in mijn gezicht. Op een nieuwe snelweg kwam de auto plotseling weer recht en verhevigde de misselijkheid. Uit mijn moeders handtas kwam de fles 4711 Eau de Cologne. Het interieur vulde zich met een bitterzoet zweem. Ik drukte de koude zakdoek met verdampend reukwater tegen mijn bovenlip. De misselijkheid bleef, werd zelfs versterkt door het 19e-eeuwse mengsel van sinaasappel en grapefruitoliën. In Stadskanaal schroeide de zon de verlaten straten. De schaduwen waren kort en scherp, de helle stoepen smeten de hitte terug tegen de huizen met hun potdichte deuren. Ik stapte uit met slappe benen. In de deur van een rijtjeswoning wachtte een bejaard echtpaar. Ik volgde mijn ouders naar binnen. Direct over de drempel braakte ik. Op de sisal vloerbedekking produceerde ik een roodbruin plakkaat ter grootte van een 45-toeren singeltje. Die dag was ik voor het eerst eenzaam. Voor het eerst ervoer ik datgene dat je met het woord ‘desolaat’ aanduidt.   Hoewel de spanning tussen mijn ouders opliep als opgestuwd door de glazen schijven van de elektriseermachine in het Teylers museum, maakten ze nooit ruzie. Het oplopende voltage bleef in de bak met Leidse flessen opgeslagen. Het gevolg was een eindeloze stilte voor de storm. Uit de houding van mijn moeder sprak verwijt, terwijl onduidelijk bleef wát ze mijn vader precies aanwreef. Ze was het tiende en laatste kind uit een arm gezin van een melkboer, en was als in een nest honden de onbelangrijkste geweest, de underdog. Mijn vader groeide op in een gezin van bourgeoise kolonialen. Tijdens de crisisjaren werd hij opgevoed door Duitse kindermeisjes, in de grootste villa van Laren. Hun verleden, dat van heer en meid, zette zich in hun huwelijk voort. Aan tafel vroeg mijn moeder soms: “Mag ik vijfhonderd gulden opnemen?” Het was de enige wens die ze te berde bracht. Het mocht altijd, want financieel ging alles voor de wind. Waarom ik steeds sneller van tafel wilde, begreep ik niet. Ik zat half naar de kamerdeur gedraaid, en zei niets, hopend op spoedige opheffing. Ook mijn moeder zweeg mokkend, nadat ze stuurs het eten had opgediend. Mijn vader, in geruit colbert en stropdas, zei zoetsappig dat het lekker was. “Het is weer heerlijk, moes. Ik neem nog wat appelepoes.” Eerder nog kwam hij tijdens het lunchuur thuis, zoals men in de jaren zestig gewoonlijk deed. De radio stond vaak aan. Een opgewonden man met afgeknepen stem riep door een telefoon: “Hier Tel Aviv.” Ik dacht dat hij de telefoon van Aviv bedoelde. Het drong tot me door dat er iets belangrijks in Aviv gebeurde. Ik begreep niks van de gesprekken van mijn ouders. Ik zag hun monden bewegen maar vatte de woorden niet. Toen spraken ze nog met elkaar. Later luisterden we naar mijn zus. De gezamenlijke lunch was verleden tijd en mijn zus nam tijdens het avondmaal de functie over van radio. Ze kakelde aan een stuk alsof ze dysenterie had. Nog veel later vertrouwde ze me toe dit uit wanhoop te hebben gedaan, omdat de spanning haar te veel werd en ze het gevoel had dat mijn ouders elkaar iets zouden aandoen. Dat gevoel was niet geheel onterecht. Tijdens een vakantie in Frankrijk huilde mijn moeder geluidloos in haar zakdoekje en scheurde mijn vader met zo’n geweld omlaag door de haarspeldbochten dat ik zeker wist dat we in het decimeters van mijn zitplaats verwijderde ravijn zouden verongelukken. Ik had geen idee wat er tussen hen was voorgevallen Onaangekondigd sloeg de bliksem over. Tijdens een beklemmende maaltijd maakte mijn vader een schijnbaar onschuldige opmerking. Mijn moeder vloog overeind, smeet haar bestek kletterend neer en zei: “Ik laat me door jou niet intimideren!” Ze siste het als een blazende kat, en de opgebrachte zelfbeheersing maakte die woorden juist extra giftig. Mijn zus en ik vlogen huilend naar onze kamers. Voor het eerst duidelijk aanwijsbaar was er iets ergs gebeurd, de onderhuidse etter was doorgebroken, en de schaamte daarover besmette ons gezin als een smerige olievlek. Hier diende nooit meer over gesproken te worden. Mijn moeders afkeer van dominante mannen, hetgeen ze ook mijn vader verweet, gold vrijwel iedere man. Vanuit haar africhting als underdog waren normale mannen, die wisten wat ze wilden, verdacht. Haar voorkeur gold het neurasthene Wertherachtige kunstenaarstype, een man die ‘ook niet wist wat hij met het leven aanmoest.’ Acteurs waren favoriet, vooral toneelacteurs, waarbij ze de juist geziene rol verwarde met de persoon. “Zo’n leuke, gevoelige man.” Las ze ergens dat een acteur depressief was, dan kreeg dat haar bijzondere aandacht. Ze vond dat ik als 11-jarige toe was aan ernstig theater. Op de rand van het lijsttoneel brulden acteurs in toga’s hun verheven Oedipusregels. Hun speeksel spatte glinsterend in het voetlicht. Na afloop wurmden we ons langs hippies die met gitaren opdringerig en luid de overdekte passage bij de schouwburg in bezit hadden genomen. Ik vond ze eng, en mijn ouders ook. Een van de vrouwen droeg een lammy coat en had een bloedrode mond die een merkwaardig effect op me uitoefende; iets in mijn binnenste rekte zich naar haar toe, als een mot naar een vlam. Tijdens een volgende Franse vakantie kregen we twee ‘nozems’ als buren. Ze verbleven in een groen uitgeslagen caravan die aan het eind van het veldje scheef gezakt in een poel stond van rottende modder. Bij tijd en wijle verschenen deze ‘opgeschoten knullen’, – mijn moeder had voor dit fenomeen verschillende uitdrukkingen beschikbaar -, in een Deux-chevaux die er nog erger aan toe was dan hun vakantieverblijf. Deze schepsels uit een duistere wereld, in spijkerpakken, hielden zich vervolgens onledig met uit een fles drinken en fluiten naar het zestienjarige meisje dat bij de tent van onze overburen hoorde. Als een kuikentje dat broodkruimels oppikt, schuifelde het meisje blootsvoets in haar hotpants, voetje voor voetje als gehypnotiseerd, bij ieder fluitsignaal dichter naar de bemoste caravan. Mijn moeder observeerde dit openlijke staaltje van succesvol baltsgedrag met minachting. “Bah, wat een opdringerige melkmuilen,” vond ze. Haar eigen zoon zou een nette jongen worden en zou zich nooit zo ongepast gedragen. Mannen maakten slachtoffers, vrouwen wàren het. Die angst voor een eventueel nozemschap omspoelde me vaker. “Hij is lang en hij is smal,” beet ze de verkoopster toe in het warenhuis, alsof deze niet haar eigen waarneming kon vertrouwen. Een jas met bontkraag werd afgewezen, omdat die breed was en een nozem van me maakte. De punk had inmiddels zijn intrede gedaan, wat haar ontging. Maar ik peinsde er niet over een speld door mijn wang te duwen en mijn haren in een hanenkam overeind te zetten. Ik had me al overgegeven. Ik nam de identiteit op die als een rode loper voor me was uitgelegd, die van krachteloze intellectueel. Ik werd een ‘gevoelige jongen’. Dat ik eigenlijk mijn moeder als een kleverige bromvlieg van me af wilde meppen, werd door zowel haar als mezelf niet begrepen. Het besef had in mij postgevat dat mijn opvoeding bedoeld was als aanloop naar een sprong die enorm moest zijn, en ook dat ik die sprong nooit zou kunnen maken. Ik zou steeds harder rennen, maar niet weten wanneer en hoe ik moest afzetten, tot de uitputting volgde en ik enkel kon terugkijken op die onzinnige aanloop die niets anders dan een valse start was geweest. Mijn leven was leeg; alles was bedoeld voor ‘later’. Ik was dermate afgericht in verstandig zijn, dat ik in de eerste klas van de middelbare school verdrietig werd. Mijn nieuwe klasgenoten waren ‘ordinair’. Ik leek te zijn ontwaakt in aan ander werelddeel. In de fietsenkelder had ik een klasgenoot, die alle trekken van het nozemtype vertoonde, – hij had lang haar en droeg onveranderlijk hetzelfde spijkerpak -, met een meisje zien zoenen. Een andere klasgenoot was verslaafd aan shag, wat hem het voorkomen bezorgde van een witte teringlijder, en ik was met mijn sjaal onder luid gelach door een paar hogere klassers aan een boompje vastgebonden. Mijn moeder nam me mee naar de schoolpsycholoog. Op haar gebruikelijk hoge toon vertelde ze wat er met mij aan de hand was. Voor een tweede sessie moest ik zelfstandig naar een apart kantoor. Ik nam plaats in de wachtkamer, tot een uur later een bezorgde assistente vroeg waar ik eigenlijk op wachtte. Mijn moeder vond het achteraf vreemd dat ik niet had geweten dat ik me bij de balie moest melden. Was dit een teken van Freudiaanse weerstand? Toen de psycholoog me alsnog ontving, meldde ik dat ik helemaal geen probleem had. Ik voelde me opgewekt en zelfs blij. Met bruine schapenogen en een weeë glimlach keek hij me onderzoekend aan. “Heeft het soms met je moeder te maken dat je de vorige keer je niet zo prettig voelde?,” vroeg hij zalverig half fluisterend. Het woord ‘prettig’ was typisch zo’n jaren zeventig woord, maar klopte, want ik voelde me die eerste keer allerminst prettig. Hij had het begrepen. Ik ontkende heftig. Dat ik een hekel had aan mijn moeder was te erg om te denken, laat staan uit te spreken.   Uiteindelijk kwam het allemaal goed. Mijn ouders gingen uit elkaar toen ik het huis uit was. Mijn vader had een Duitse vriendin genomen en daarmee een openlijk conflict geforceerd, zodat ze zich eindelijk van elkaar konden bevrijden. Mijn moeder begon met schilderen en beeldjes maken. Er verschenen boekjes van uitgeverij De Cantecleer in haar huis met titels als ‘Werken met klei’ en ‘Werken met gouache’. Ze putte haar inspiratie uit lijden en ellende. Na haar dood erfde ik een door zijn hoeven gezakt stervend paard, waarvan de nek grotesk achterover is gedraaid. Op een tegel tekende ze een dood vogeltje dat met uitgespreide vleugeltjes en pootjes op zijn rug ligt. Hoewel ze het geloof had afgezworen, bleef haar bestaan beheerst door schuld en boete. In brons liet ze een langwerpig figuur van zo’n twintig centimeter gieten, dat plat voorover met de armen uitgespreid ligt als een biddende moslim. Het is een zelfportret. De eerst negentien jaar van haar leven was ze onderworpen geweest aan hel en verdoemenis. Pas onlangs begreep ik dat ikzelf haar eerste werkje was.

Vincent Baumgart
76 1

De wandtekening

In de prehistorie maakte de mens al rotstekeningen en grotschilderingen voordat het schrift was uitgevonden.   Men hoeft echter niet zover te zoeken of terug te gaan in de tijd voor het ontdekken van interessante wandtekeningen.   Na het overlijden van moeder zaliger werd met spijt in het hart het ouderlijk huis verkocht. Daarin sprak één ruimte tot ieders verbeelding.   Achter een mysterieuze deur in de kamer van onze oudste broer lag een trap. Die was net zo lang en hoog als de trap die liep van het gelijkvloers naar de slaapkamers op de eerste verdieping.   De geheimzinnige trap leidde naar een grote ruimte onder het dak.  In die ruimte was een zolderkamer. Voor de kamer was er nog een stuk beton maar verder lagen links en rechts enkel balken met daartussen het plaaster van de plafonds van de kamers eronder.   Waagde men zich daar op, zou men dwars door het plafond zakken.  Langs een dakraampje viel bij daglicht een straaltje licht binnen maar verder was het er pikdonker en best akelig.   Zo stond er een zwart kistje dat ooit had toebehoord aan vaders broertje  dat op vijfjarige leeftijd was overleden.  Er zouden nog spullen van hem in zitten maar niemand durfde er ooit in te kijken. Luguber!   Er stond ook een kast met oude kranten, tijdschriften, documenten en boeken.  Wij werden niet verondersteld er in te kijken maar alle kinderen hebben er op tijd en stond stiekem in gesnuisterd.   Van de ouders zelf kregen wij weinig voorlichting.  Mogelijk hoopten zij al even stiekem dat wij ooit de boekjes wel zouden ontdekken waarin ze zelf in hun jeugdjaren de inspiratie gevonden hadden.   Aan het eind van de trap was een deur die toegang gaf tot een ruime zolderkamer.  Er was een groot raam waardoor men ver over de daken kon kijken.  De zee van licht maakte het een best aangename kamer waardoor ze door de kinderen achtereenvolgens gebruikt werd om er  in alle rust te gaan studeren of er kattenkwaad uit te halen.   Er stond een grote ingemaakte kast en de muren waren niet geverfd of behangen.  Dit leidde ertoe dat op het witte pleister  één van de broers schilderwerken van kentekens uit de jeugdbeweging had aangebracht. Fel groen, rood en blauw.   Tot ergernis van moeder was vader een verwoed verzamelaar van allerlei spullen die geleidelijk hun weg naar deze zolderkamer vonden.   Na zijn overlijden was één van haar eerste bekommernissen  (of was het haar guilty pleasure?) om de kamer leeg te maken.  De spullen werden door het grote raam van twee verdiepingen hoog naar beneden gekeild.   Door de jaren vervagen de vele herinneringen aan het huis en wat er allemaal voorviel in een tijdspanne die later niet langer bleek te beslaan dan een tweetal decennia.   Hoe groot was de verrassing toen de huidige eigenaar van het huis ons meer dan veertig jaar later een foto bezorgde.  Het was een tekening die werd gevonden op de binnenmuur van de ingemaakte kast van onze geliefde zolderkamer.   Wij hebben nog niet uitgemaakt welke holbewoner als maker van het kunstwerk mag bestempeld worden en of er een pagina op Wikipedia aan gewijd  zal worden.  

Vic de Bourg
20 1

Hoe vertel je een kind dat de dierentuin een leeuwin heeft doodgeschoten?

Zoals je weet werd er gisteren een leeuwin in de dierentuin doodgeschoten. Ze was uit haar kooi ontsnapt. Gewoon naar buiten gewandeld eigenlijk. Iemand van de verzorgers had de deur laten openstaan. Verstrooid zijn heet dat en dat kan iedereen overkomen. Een leeuwin is de mama leeuw. Maar deze leeuwin was pas twee jaar, dus nog niet echt mama. Om zelf welpjes te hebben moet je iets ouder zijn. Welpjes dat zijn de kleintjes van een leeuw en leeuwin, zoals in de Lion King. Iedereen in de dierentuin heeft geprobeerd om de ontsnapte leeuwin te vangen. Maar Rani, zo heette ze, was veel te snel en kon zich telkens verstoppen achter een boom. Je moet altijd voorzichtig zijn met een leeuwin, je kan niet zomaar op haar afstappen, een leeuwin is een groot en sterk dier. Soms helpt fluisteren of op een rustige manier vragen of ze terug naar haar kooi wil gaan, maar Rani was een dove leeuwin, dus hoorde ze niet wat er werd gevraagd. Daarom heeft de dierentuin een dierenarts gebeld. Die is zo snel hij kon gekomen. Iets te snel want hij was de batterijtjes voor het hoorapparaat van Rani thuis vergeten. Gelukkig had hij wel pijltjes mee om haar te verdoven. Zo'n pijltje steek je in een lange buis waar je dan zo hard als je kan op blaast. Pfffffffffffff tsjaka tsjaka. Twee keer heeft de dierenarts geblazen, maar de pijltjes vlogen de verkeerde kant op. Bijna in het oog van een baby in een kinderwagen en net naast de billen van een jongen met een truitje van de Rode Duivels. Ondertussen had Rani een treinwagon zien staan. Ze werd nieuwsgierig en wilde eens gaan kijken of die wagon ook kon rijden. Wat niet zo was. Het was er eentje zonder machinist, zoals in Harry Potter. Uiteindelijk is de politie erbij gekomen omdat er paniek in de dierentuin was ontstaan. Rani had 's morgens geen ontbijt gekregen en iedereen dacht dat ze de mensen in de trein wilde opeten. En toen heeft een agent gedaan wat hij moest doen. Driemaal geschoten. Wat er in het hoofd van Rani omging op de laatste seconde van haar leven weet niemand. Maar volgens een getuige had ze een Hakuna matata-blik in haar ogen.   RIP Rani 21 juni 2018          

Sascha Beernaert
0 0

Seks en zo meer. Ik wil

                                                         Seks en zomeer.                               Ik wil.                                                                         vera staes.           Seks. Ja. Seks. Natuurlijk zou ik daar mee kunnen beginnen. Wat een bres er in die jaren zestig is geslagen in onze manier van elkaar bekijken, beluisteren, strelen, naar elkaar te verlangen, te vrijen. Hoe je vòòr die dijkbreuk bij overtreding van wat mocht niet mocht, je zonder slag of stoot werd buiten gebonjourd.   Zoals dat klasmaatje dat al een tijdje de binders van haar lichtblauwe geruite schort los liet hangen. Ze vond dit mooier, zeker? Wisten wij veel. Op een dag kwam ze niet meer naar school. Haar schriften en haar boeken werden weggehaald. Er werd van hogerhand geen commentaar gegeven. Van school veranderd, dachten we. Of was ze  verhuisd, woonde ze te ver om nog in `t stad te geraken? Later hoorden we het van elkaar: ze was in verwachting. Over en out. Ze bestond niet meer.   Als een lichte zomerregen begon de pil in het sociale weefsel door te dringen. Maar paus Paulus de zesde, de pillenpaus, proclameerde voor de hele wereld (dat het voor de hele wereld was: dat dacht hij, dat dachten wij toen ook nog): het condoom, de pil: verboden!   Op de proclamatie aan het einde van het schooljaar, zongen wij, leerlingen van het laatste jaar klassieke humaniora, in uniform, op het podium, gniffelend, dat we een jeugd van maagden wilden zijn. We dansten rock-‘n-rol.       Maar is dit de juiste weg? Moet ik het – nu al – moet ik het met jullie, voor jullie, al hebben over die seks-tant? Er is in de sixties en de seventies zoveel gebeurd. Belangrijker? Who knows. Maar vooral: het gaat hier niet over wat IK wil of wat JIJ graag zou weten. Het gaat over ZIJ. Hoe laveerde ZIJ door die jaren? Waarvoor liep ZIJ te hoop? Ik sluit de ogen en ik weet het weer. Duidelijker dan toen. De tijd geeft mij begrijpen, toont mij het hele schilderij: de jaren zestig, zeventig. En ZIJ. Toen.   * * *   Toen registreerde ze sommige dingen en klasseerde ze zonder meer op de zolder van haar geheugen. Ze voelde dat het belangrijk was, ongewoon. Ze plakte er geen naam op, zag niet waar het naartoe ging. Maar het was er. Het hing in de  lucht, lag te wachten in de platenbakken van de mediatheek –wat een uitvinding- thuis keek het je aan op het televisiescherm, of vanaf de nieuwe zetels in Scandinavisch design.  De Amerikanen stemden de jongste verkozen president ooit het Witte Huis binnen, ze briesten bij het zicht van Cuba, Fidel Castro, Che Guevara, kwamen massaal aangezet in Zuid-Vietnam. Er ging bij haar geen licht op.     De Congolezen dansten het triomfantelijk, jaren geleden al: ‘Indépendance, chachacha! Indépendance, chachacha!’. Er werd door de volwassenen met interesse over het fenomeen  gesproken. Maar zij was nog te jong, toen. Nu, aan de unief,  kwam ze het tegen in de boeken van Sartre, van Camus, Simone de Beauvoir. Het zwierf rond, het werkte. Het deed met haar zoals Vietnam deed met de USA. Het kwam haar leven binnen, verspreidde zich onderhuids, oncontroleerbaar, verstoorde waar ze mee bezig was, bepaalde op de duur naar welke fuiven ze ging, hoe ze zich kleedde, zich coiffeerde, waarover ze praatte, waar ze winkelde, welke vrienden ze zag.   En dan was er dat incident. Een bijeenkomst van studenten over de politiek van Noord Amerika in Zuidoost Azië. De Amerikaanse ambassadeur nam het woord. Iedereen luisterde, geïnteresseerd. En opeens, van tussen de studenten, was er de stem van een vrouw die luid een verhaal riep over napalm, ontbladering, bommentapijten. Twee forse mannen verschenen vanuit nergens. Ze tilden de vrouw op,  droegen haar buiten. Ze riep verder. 1966. Een vergadering in een studentenclub. Ze begon het zich te realiseren.   En er was de kwestie Leuven Vlaams. ‘Wàlen buìten! Wàlen Buìten!’. De stemmen van duizenden studenten botsten tegen de gevels van de statige gebouwen. De gevestigde machten gingen overstag: de boeken van de grote bibliotheek werden in twee gedeeld, de walen verhuisden naar Louvain - la Neuve! Met Bob Dylan en Boudewijn De Groot zongen we triomfantelijk :        Kom vaders en moeders, kom hier en hoor toe. Wij zijn jullie praatjes en wetten zo moe. Je zoons en je dochters die haten gezag, je moraal die verveelt ons al tijden. En vlieg op als de wereld van nu je niet mag, want er komen andere tijden.   De streep is getrokken, de vloek is gelegd op alles wat vals is en krom en onecht. Jullie mooie verleden was bloedig en laks. Wij zullen die fouten vermijden. En de man bovenaan is de laagste van straks, want er komen andere tijden.     Er werd gedacht, gediscussieerd, het broedde. Maar nergens schreeuwde het al op een muur: ‘DE VERBEELDING AAN DE MACHT’. Nog nergens was het mei ’68.   * * *         Nee! NEE! En nog eens NEE! Mei 68! Ik voel het al komen. De oorlogen, wereldwijd, de flower powerbeweging, het anti-autoritaire denken: de Grote Principes van Deze Tijd. Ik wil het er hier niet over hebben.  Daar werden al zoveel woorden aan vuil gemaakt, soms ben ik het zat. Het gaat hier om een autobiografie! En trouwens, een overzicht over die oorlogen en zo, dat is fout: dat is een opsomming. En opsommingen kùnnen niet. Dat leest te moeilijk. En het is te abstract. Wablief, te ABSTRAKT? Een meisje, negen jaar oud, naakt,  schreeuwend, zonder vader, zonder moeder, dat vlucht uit haar dorp dat met napalm werd bestookt, bommen die een wijk in de stad van het ene moment op het andere in een hel veranderen, honderden doden. Te abstract? De campings in de Haute Provence, die in de zomer her en der enthousiast uit de grond schieten, waar mannen ongegeneerd hun edelste delen blootgeven, vrouwen op de place publique vrolijk hun kinderen de borst geven; die zorgvuldig hun schaamhaar, hun oksel-en hoofdhaar coifferen. Te abstract?   Nee, dus. Maar toch: dat is geen autobiografie. Mijn protagonist, mijn hoofdpersoon, ziet nog niet de grote lijnen, kan wat er gebeurt nog niet in abstracte woorden vatten. Ze kan het nog niet beseffen. Ze zit in het tweede jaar unief. Ze studeert graag. Ze heeft een warme thuis. Ze is gelukkig. Ze is naïef. Wat zeggen ze, die studenten op de achterste rij?   * * *.   Trouwens, wat zit dat meiske daar te doen? Welk meiske? Die por daar, op de tweede rij. Ja zeg, zeveraar! Er zijn maar twee rijen porren: de twee voorste. Ik vraag me af: zouden die nu nooit eens goesting hebben om mee hierboven bij ons, op de tweeëntwintigste rij te komen zitten? Dan hebben ze tenminste een overzicht. En wij interessante compagnie. Veel gezelliger, toch? Enfin. Wie bedoelt ge nu eigenlijk? Hewel, die por daar met dat bruin haar en die groengrijze ogen. Ah, die! Een toffe griet, hé man. De Soi zegt dat ze op Audrey Hepburn trekt. Dat zal de Soi wel zeggen over -en liever nog aan-de helft van alle porren hier in Leuven. Die meiskeszot! Zie ze in de weer zijn met haar cursus! Die wil er werk van maken, hé. Ze zou beter haar best doen om een lief aan de haak te slagen. Ze gaat nog altijd met niemand. En ons vader zegt, dat meiskes enkel en alleen naar de unief komen, om een goede partij te vinden… Wat zou ze studeren? Rechten? Psychologie? Weet ik veel. Maar als ge er zo curieus naar zijt, waarom vraagt ge het haar niet zelf? Schrik, manneke? Durft ons Kareltje niet? Onnozelaar. Nee, zeg. Maar ik heb gehoord dat ze zo serieus is. Ze gaat nooit op de lappen. En als ze al eens naar een thee dansant gaat, is het samen met die vriendinnen van haar: niet gemakkelijk om er u tussen te wringen. Nochtans, Kareltje, nochtans… ze zit op het eerste meisjeskothier in Leuven zonder kotbaas of kotmadam! Negen porren, hun eigen baas! Als ge daar een voet in huis zoudt krijgen… Laat het uit, zeg! Véél te serieus voor mij! Als ze uit gaat, is het naar het theater of naar een concert. Of naar die mannen van de kleinkunst. Naar Louis Verbeek. Of die zanger, Miel Cools. Of Hugo Raspoet, … Ge weet toch dat Hugo Raspoet verleden week ladderzat in de grote aula op het podium stond? De aula zat vol – uw vlam daar was er ook, ik heb ze gezien. Ge zoudt u voor minder een stuk in uw kraag drinken als ge moet staan zingen voor zo’n vijfhonderd man… Maar die Audrey Hepburn hé, die zit elke week in den Bellarmino. Dat is dat studentencentrum van de Jezuïeten. Ze gaat daar naar een vergadering, gesprekken over onderontwikkelde landen, allez, de missies. Hebben ze mij verteld. Ziet ge mij al zitten? ’t Is spijtig, het is een toffe griet, zo te zien. Maar ik ga ‘s avonds toch liever een pintje pakken in den Boule d’Or. …   * * *    Daar gaat ze… En het is weer hetzelfde. Schrijven is tricky voor mij. Ik weet niet altijd klaar en duidelijk het onderscheid te maken tussen ik en zij. Schrijven neemt me mee naar schemerplaatsen in mezelf, naar gedachten, naar gevoelens, die er wellicht altijd al waren maar waar ik nog nooit zo scherp mee geconfronteerd ben geweest.  Maar laat ik hààr nu maar volgen. Laat ik hààr aan het woord. Dan kan ik mezelf even vergeten… Zo was ze dus.     * * *   ‘Het is het licht - denkt ze - dit schemerlicht. Alles is erin verzopen.’  En ze stapt het lome weer in van eerste warme zomerdagen. Zalig, hoe ze zomaar, zonder jasje, zomaar, in haar jurk, met blote armen, met blote benen door de stad kan wandelen, denkend, voelend, bijna blindelings, bijna op de tast    Hoe ze vervuld is van waar ze daarjuist nog over praatten. Dat alle mensen gelijk zijn. Dat je zelf toch wéét dat je het beste voorhebt met de andere. Je buurman ook. Dat hij zou reageren als jij, tenminste, als hij voldoende vertrouwen had. Maar dat ons eeuwen en eeuwenlang werd aangeleerd en ingeprent dat een mens zelfzuchtig is, een wolf voor de medemens. En dat we dus wantrouwig zijn tegenover elkaar en agressief. Dat we niet beter weten.   Maar dat het anders zou worden. Zij, de jongeren van nu, zij zouden hier mee breken. Ze zouden anders gaan leven, radicaal. Zij zouden kiezen voor de liefde. Love and Peace. Geen saaie conventies, geen verstarde instituten zouden hun leven beheersen. Geen oorlog meer, geen legerdienst: burgerdienst. Of helpen in ontwikkelingslanden. Niet domineren.   Ze zouden houden van alle mensen, zonder onderscheid van rang of stand of kleur. Haar leek dat vanzelfsprekend. Houden van was bij haar ingesijpeld langs wat ze had gevoeld, langs wat ze had gezien, gehoord en meegemaakt, hoe de mensen rondom haar, en toen ze het in de boeken las, en toen ze merkte hoe iedereen er naar, en wat straal je zo vroegen haar vriendinnen maar ze wàs niet verliefd op Jules of Jef, ze was verliefd op leven. Zalig. Zoals vanavond.   Hoe ze hier stapt. Nooit nog zal ze zo gelukkig zijn – dat voelt ze en ook nu al het heimwee van later. Naar deze tijd dat ze is, vertroeteld, aangemoedigd, draagster van verwachtingen, die van zichzelf, die van anderen, nog niemand gefrustreerd - ook niet zichzelf - door de gemaakte keuzes. Alles is mogelijk. Ze is alles in allen. Nu.   Ze wandelt, ze stapt het ritme, ze stapt voorbijglijdende tijd, onaangedaan, als het tikken van een klok van vroeger, het druppelen van een lekke kraan, onbezorgd genoeg om houden van te laten overstromen, iedereen, alles mee te sleuren, te omvatten. Het ligt als dauw in haar ogen, ze absorbeert het, straalt het uit. En ze geniet. Van elke stap. Van het geroezemoes op de caféterrasjes. Van het gelach uit de open ramen van de studentenhuizen. Van de idee dat god liefde zou zijn en dat Alle Menschen Brüder werden.   Hij is de donkere vlek aan een raam op de tweede verdieping. Hij ligt buiten haar ritme, buiten de kadans van haar benen, buiten wat ze denkt en voelt. Buiten. Ze komt hier rond dit uur bijna elke avond voorbij de laatste tijd. Ze heeft een kamer in het studentenhome voor meisjes, twee straten verder. Hij is haar gevolgd.   Hij haat haar. Ze is vandaag begeerlijker dan alle andere avonden. Alles is anders deze avond. Het is het weer - denkt hij. Die ongewone warmte. En dat stuk ongeluk daar in zijn broek, dat niet kan wachten en hij ook niet. Hij weet niet hoe je het hier kan aanmaken, hij heeft al veel te lang gewacht. Hij weet niet hoe hij hier... hier in dit regenland, zo stijf en koud en grijs en ontoegankelijk.   De hete teef zie ze daar lopen met haar chique kleren en haar nonnengezicht zie ze draaien met haar kont ze vraagt erom ze daagt uit wil laten voelen nee ik heb geen koorts maar wijven van haar soort...   Alle Menschen werden Brüder... mensen positief benaderen. Ze hebben er al zo dikwijls over gediscuteerd. Ze ziet het gebeuren, zich verspreiden als stuifmeel in de lente, als een melodie die kabbelt, samenkomt met andere stemmen, ondersteboven wordt gekeerd, in harmonie terugkeert. Houden van.     En ze fêteert haar negentien jaar, ze stapt de straten door alsof ze op een catwalk loopt, vrijend, met alles, met iedereen, tot alles bereid voor iedereen gekruisigd dit moment, deze zomeravond, alsof het een intrede in Jeruzalem is, een wake in een hof van olijven, een vers uit een Hooglied: wie is zij die daar komt als het rijzend morgenlicht, heerlijk als de maan, schitterend als de zon, geducht als een leger in slagorde geschaard.   En dan weer die melodie, de cello’s die natrillen op de plaats waar zij haar voeten heeft gezet en die smeken om piëdad, om mededogen met de wereld, met iedereen met vergeef ons onze schulden en misschien zong de muziek voor niets misschien was het al te laat maar dan was het beter te laat met grootmoedigheid met vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven aan onze schuldenaren en dan kunnen we daarna opgaan misschien in de mist in de stralen van de avondzon in I had a dream in de muziek der sferen.   ‘Hoerenjong’ denkt hij. ‘Ik zal je hebben ik zal je leren ik zal je laten voelen hoe die van jouw soort deden toen we gevangen waren, hoe ze Marissa, hoe ik moest toezien hoe ze na elkaar op haar kropen hoe ze haar kut hebben opengereten en haar lippen stukgebeten. Ik zal je – vloekte hij - ik zal je...’ En toen Marissa bijna niet meer reageerde, toen hun plezier voorbij was, hadden ze haar doodgeschoten. Hij was gevlucht.  ‘Maar ze moest niet denken dat... Ik zal ze ... Ik zal ze...’   Geluk. Wat is geluk. Ze hoopt er op maar voelt dat het misschien anders is. Misschien is er geluk met ander soortelijk gewicht. Zwaarder. Moeilijk. Verdrietig soms. En ook hemelhoog. En stralend. Niet alleen moeder en kind. Ook zo’n melodie maar met boven-en ondertonen. Polyfonie. En dat het niet vergeefs zou zijn. Dat ze wou afzien – als het moest. Maar dat ze ook zou krijgen. Dat het Im Ganzen in evenwicht zou zijn. Dat de muziek zou blijven stromen, sotto voce soms, in mineur waarschijnlijk, maar altijd muziek. Altijd leven.   Ze is er nu bijna. Nog deze straat door. Het licht is gekanteld: het is donker. De straat is leeg. Het loopt niet gemakkelijk met hakken op de kasseien.  Bakstenen muren aan weerkanten van de straat. Aan de ene kant een meisjescollege, aan de andere kant een kloostertuin. Allebei eeuwenoud, binnen de eigen muren gevangen. Verlaten op dit uur. Ze ziet de schaduw niet die zich losmaakt uit het zwart van de muur, als nauwelijks een zuchtje wind waar zij nog juist daarvoor bewoog.    Het is nu echt donker. En fris. Ze rilt. Het loopt door haar hoofd wat haar doopmeter haar verleden zaterdag vroeg: ‘Heb je er al eens over nagedacht, Frida, wat je voor jezélf zou willen? Zonder al die sukkelaars die je zou willen helpen en die je zullen opeten? Je gaat toch niet naar ’t klooster gaan, zeker? Je wordt toch geen non? Nee. Gelukkig. Hewel, wie wil je dan zijn, binnen, pakweg, tien jaar?’. Zo was ze, die meter, ze nam geen blad voor de mond. Zeker niet als haar moeder er niet bij was. Ze heeft er over nagedacht de voorbije dagen, jawel. En het antwoord is: nee. Ze weet het niet. Zijzelf? Wat ze wil worden? Wie zal het zeggen? Wìl ze iets worden, gewoon, voor zichzelf? Verrek! Het was zo’n volmaakte dag. En nu loopt ze weer te  piekeren! Wat waren die prachtige verzen van Goethe weer? Über alle Gipfeln gibt’s Ruhe... denkt ze. En ook, met zoet verdriet, als bij liederen van Schubert, nocturnes van Chopin, dat haar vriendinnen nu bijna allemaal met een lief rondlopen en zij niet  en dat ze zo alleen is en zou ze ooit...  Ze is nu bij de stenen brug en de vervallen watermolen, een eenzame plek - bizar, zo in de stad. Het was hier altijd al buiten de muren, onbeschermd gebied, ook in de middeleeuwen. De straat splitst: rechts haar studentenhome, links brakke grond. Ze is midden op de brug. En spert de ogen open voelt weet paniek vingers die langs haar slapen fladderen als vleugels van een mot rond het licht van de lamp een hand die tast naar haar mond een arm die probeert haar vast te klemmen haar lijf reageert  ze glipt uit de armen rent de straat van het studentenhome in schreeuwt attention je crie tu sais weet  ziet de schaduw die de straat van de brakke grond in loopt.   Ze heeft dit nooit verteld, aan niemand.    * * *   Een week later, amper een week later staat ze op de hoek van de straat van het museum en het zonnige plein voor de bibliotheek.  Alles gaat zijn normale gang: wandelaars, fietsers, auto’s, duiven. Ze wacht. In de schone maand van mei, jochei! Ze wacht. Verrukt. Opgetogen. Ze wacht op HEM! Op de student waarvan ze deze morgen een brief heeft gekregen.  Ik heb je lief- had hij geschreven. Ik heb je lief met alle verwarring die daar normaal blijkt bij te passen. Verwarring waaruit ik alleen toch niet kan komen. Conclusie: jij zult er mij moeten uit helpen. Verontschuldig mij voor dit bevel: ik zie me tenslotte verplicht jou voor het dilemma te plaatsen waarvoor ik zelf sta.   De eenvoudigste manier om mij te bereiken, is te bellen naar het nummer 28 83 52. Jouw zwijgen is mij een teken, evenveel waard als je spreken.   Ze kende hem van de vergaderingen over ontwikkelingslanden, over het engagement van christenen in deze tijd. Ze vond hem toen, nee, ze dacht toen, nee, ze vond, nee, ze voelde zich, nee, ze dacht dat dàt een man was, ja, daar zou ze, hij was, hij had iets wat haar aantrok, nee, niet iets deftigs, iets voornaams, hij was iemand interessant, hij had een lage, zware stem die verstandige dingen zegde, hij maakte indruk maar hij was helemaal geen Streber, met zò iemand, op zò iemand zou ze verliefd kunnen worden. Het stak de kop op maar ze sabelde het dadelijk, genadeloos neer – haar moeder… Maar nu had hij die brief geschreven en ze was dadelijk  himmelhoch jaugzend en ze hadden een afspraak gemaakt om dit uur en op deze plaats . En daar stond ze en de lucht is blauw en ik hou van jou en boordevol verwachting en hoezo hij was er niet hoezo hij is te laat iedereen kan wel eens te laat komen dat is toch geen ramp en de lucht is blauw en ik hou van jou en zie nu toch die duiven hoe gulzig en schrokkerig en de lucht is blauw en ghequetst ben ic van binnen en hij is al zoveel te laat en het zal toch geen grap en ghequetst ben ic van binnen ghequetst so lanc so meer en de lucht is blauw en schrokkerig en daar is Jos op de fiets, hij heeft zijn zwarte jezuïetentoga met fietsspelden vastgeklemd, hij komt zeker weer van één of andere vergadering over ontwikkelingslanden en      ‘Frida, alles goed?’ ‘Dag Jos. Ja, dank u. Ik sta hier te wachten op iemand. Maar hij is een beetje laat. Nu toch al een kwartier. En…’ ‘Frida, jij bent toch niet op Joris aan ’t wachten?’ ‘Jawel. Hoe…’ ‘Snel. Ik ga hem halen. Ik heb hem juist nog gesproken. Hij staat een straat verder te wachten. Ook op iemand. Op jou, dus. Ik ga hem verwittigen dat jij hier staat.’   Jos stapt op de fiets en crost weg. En zij wacht opnieuw verblijd en Ic en kan gerusten dach noch nachte en ze grinnikt ze lacht opgelucht en daar is Joris daar komt HIJ, ze lopen naar elkaar toe en gooien zich in elkaars armen en de voorbijgangers glimlachen en het licht omstrengelt hen als klimop de bomen en ze lachen hij verontschuldigt zich hij heeft zich van straatnaam vergist en ze plaagt hem hij hoeft zich niet te verontschuldigen maar nu heeft ze levenslang permissie om te laat te komen op afspraken met hem en zijn handen strelen haar haren en die blauwe ogen achter die donkere bril zijn zware lippen op de hare en ze zoenen en dat is ambrosia wat vloeit mij aan uw schedelveld is koelder maan en alle appels blozen…          * * *     Er is het beeld van de twee bomen. Ze komen recht op mij af. Dan is er niets. Dan is er helder licht, ginder ver. Ik kom er langzaam dichterbij. Dan is er niets. Dan voel ik de warmte van de zon op mij. Dat is zo goed, dat doet zo’n deugd: thuis wil het maar niet zomeren. Dan is er niets. Dan zegt iemand naast mij - in het Frans? in het Nederlands? - dat ik stil moet blijven liggen, dat de ziekenwagen onderweg is. Dan weer niets. Dan vloekt iemand naast mij, boos: ‘Merde! Espèce de cochon! Il ne veut pas nous laisser passer!’. Ik lig in een ziekenwagen. De sirene loeit. Dan is er weer niets. Dan lig ik op een hoog brancard-bed, in een grijze kamer zonder ramen. Er brandt neonlicht. Ik lig in een kliniek, denk ik. Dan weer niets meer. Dan is Lieve, mijn oudere zus, bij mij. Ze is verpleegster. Ze vertelt dat de R4 waarin ik zat, in een ravijn is geslingerd. Twaalf meter diep, twintig meter verder. De twee jongere zussen,  hebben blauwe plekken en builen maar verder niets. Jorismijnlief heeft een paar gebroken ribben. Dat doet pijn. Het vraagt zijn tijd om te genezen. Maar het is niets ernstigs. En er is iets met mijn nek, dat onderzoeken ze verder hier in de kliniek . Je ligt in de kliniek in Bordeaux, wist je dat niet? Dan weer niets – geen paniek of zo. Gewoon niets.    Tot ze – ik herinner me geen gezichten – tot ze me komen zeggen dat mijn nek oké is. Ik moet nu rechtstaan. Dat mag, dat moet, want er is niets met mijn nek. Hij is gezwollen, maar hij is oké. Ik wil rechtop gaan zitten. Ik schrik: mijn nek doet afschuwelijk pijn. Ik leg me weer neer, stuur weg wie me zou helpen. Hij/zij laat me begaan. En ik laat het over aan mijn wijze lijf: eén been beweegt zich over de rand van het brancard-bed, bengelt naar beneden. Het andere been zet zich af, bekken, romp en hoofd leggen zich dwars op de brancard, het hele lichaam glijdt naar beneden. Om de pijn te vermijden, houden de handen het hoofd recht, op één lijn met de ruggengraat. De voeten raken de grond, de romp is nog gebogen want het hoofd ligt nog op het brancard-bed. Dan recht zich de romp, de handen tillen het hoofd op en zetten het zorgvuldig op zijn plaats op de wervelkolom.   Wat er hier gebeurt beleef ik verbaasd, bewonderend. Hoe kan je lichaam zoiets intuïtief doen? Het besef ervan wordt voor het leven opgeborgen. Maar nu duurt het niet. Ik wandel  naar de deur. Naar buiten. Daar wordt op me gewacht.       * * *   De avond daarvoor kampeerden we. We, dat waren mijn oudere broer Hugo, mijn oudere zus Lieve en vriend Leo. Ze reden vòòr ons in een goudkleurige BMW. Jorismijnlief, mijn jongere zussen Agnes en Rita en ik volgden in een bordeauxkleurig R4-tje. Het was de eerste keer dat we kampeerden, maar we deden het als de groten: we zetten twee tenten op, installeerden slaapzakken, kampeergerief, maakten een kampvuur om te koken. De tenten en zo lukten prima, het eten was slecht. Gewoon: slecht: het was het eten van de streek dat we in de boerderij van onze kampeerplaats kochten: conservenblikken andouilles: geprepareerde varkensdarmen, de specialiteit van de streek. Bordeauxwijn maakte alles vrolijk. Met veel gelach en geplaag waren we de volgende dag vertrokken naar de playas in het noorden van Spanje. Er was toen nog niet zoveel te doen over El Generalissimo Franco. Lieve, Leo en Hugo reden voorop. Joris zat bij ons achter het stuur. Er waren de perfect onderhouden Franse asfaltwegen tussen volwassen ronde heuvels en groene dalen, bossen en de boomgaarden , weiden met grazende, bezadigde koeien, schapen en lammeren, velden en velden zonnebloemen, blauwe lucht langs alle kanten. Agnes tokkelde op de gitaar, Joris stak een wagen voorbij. Dan even niets. Dan die twee bomen die op me afkwamen. Agnes zat opeens met de gitaar in de armen in de wei beneden. Rita zag, voelde de auto over zich heen donderen. Joris is ook uit de wagen geslingerd – gelukkig: de wagen is schroot.    Later de treinreis, terug naar huis. Ik mag Joris niet aan ’t lachen maken: één van zijn gebroken ribben drukt venijnig op zijn lever, dat is erg pijnlijk. Vakantie in het ravijn gevallen: zo’n vijf verdiepingen diep. Alle vier uit de wagen geslingerd. Maar we zijn oké, ik ben oké, dat hebben ze in de kliniek in Bordeaux verzekerd. Ik mag met de trein naar huis. Luc en ik, we liggen in de trein in couchettes naast elkaar. Zijn hand wriemelt zich onder mijn deken, speelt met de tepels van mijn borsten. Zalig. Heerlijk. Ik lééf.   * * *   Later thuis. Eindelijk is het ook bij ons zomer, we leven weer in de tuin. Ik werk aan mijn thesis en speel met neefjes en nichtjes: ‘Gendarm en Dief!’. Enkele gendarmen moeten een groep dieven oppakken: ze tikken ze aan en stoppen ze in het gevang . Wie dief wordt en wie gendarm, wordt door het toeval beslist: iemand van de neefjes en nichtjes  slaat enthousiast op mijn rug  terwijl hij vraagt: ‘Gendarm of dief?’.  Het is een buitenkansje voor de neefjes en de nichtjes: er zijn een paar kleppers bij met flink wat levensvreugde en ze kunnen niet alle dagen zo stevig doorkloppen op de rug van de tante. Op mijn rug. Op de rug van twaalf meter diep en twintig meter verder. Want alles is oké. De specialist in het ziekenhuis thuis heeft massages voorgeschreven en behandelingen met warme klei. Lieve is verpleegster op die afdeling, ze volgt me op. Alles is oké, alles gaat goed: het weer, het leven, de liefde, de ‘slachtoffers’, de nek. De verzekering: Joris treft geen schuld, hij deed zijn inhaalmanoeuvre perfect. Maar de wagen had een klapband, Joris had het gevoeld, wou stoppen langs de kant van de weg, daar lag een hoop grint, de R4 was geslipt en zodoende… Dus alles in orde! Ik ga voor de thesis in september! Alleen: mijn arm begint meer en meer pijn te doen als ik schrijf. En ik schrijf veel: de thesis! Na een paar weken moet ik zelfs  stoppen met schrijven, gaan liggen en wachten tot de pijn over is. De specialist verstaat het niet , neemt opnieuw foto’s van mijn nek. De ligamenten van de ruggenwervels C4, C5 en C6 zijn gebroken. De ruggenwervels zijn al anderhalve millimeter verschoven. Nog een halve millimeter verder en de zenuwen in de wervelkolom zouden onherroepelijk beschadigd zijn: het hele onderste gedeelte van mijn lichaam zou verlamd zijn.   Donderdag wordt het geconstateerd. Zaterdag lig ik in de universitaire kliniek van Leuven.     * * *     Eigenlijk is het een draaispit op mensenmaat. Het is  gemonteerd op het karkas van een ziekenhuisbed. Aan hoofd - en voeteneinde twee metalen balkjes, rechtop, een kleine twee meter(?)hoog, acht à tien centimeter dik. Een stuk boven de bodem van het bed is er een opening in die balkjes. Daarin horizontaal, van de ene kant naar de andere, een discrete ronde staaf. Waarop een brancard. Daarop een kampeermatrasje, een  laken,  een hoofdkussen, een bovenlaken, een deken. En ik, de zijkanten van mijn schedel kaalgeschoren. Aan elke kant van het hoofd, in de tussenruimte tussen de twee harde schedellagen, hebben specialisten een soort koptelefoon aangebracht, waaraan een kabel, de dikte van een koord. Die kabel loopt naar een gootje in de top van het metalen balkje aan het hoofdeinde, passeert het gootje, hangt naar beneden, achter het ziekenbedkarkas. Aan die draad hangen gewichten. Elke dag een beetje zwaarder. Zo krijgen ze de wervels van de ruggengraat weer strak in het gelid. Alleen als de ruggengraat kaarsrecht is, kunnen de losgeslagen wervels opnieuw vastgezet worden. En zal ik geen invalide worden, half verlamd, zoals mijn kamergenote, een vrouw van veertig? vijftig? jaar. Verlamd vanaf de romp. Niet meer gaan, niet meer  staan, tot daartoe, zegt ze. Elke dag drie keer eten. Natuurlijk. Maar daarna de vertering, de stoelgang… Ze moet het me niet vertellen. Ik beleef het elke dag mee. Een kalvarie….   De ruggengraat mag niet bewegen. Niet rechtzitten, dus. Ook niet een beetje. Om te eten. Te wassen. Te plassen. En zomeer. Het wassen, het plassen en zomeer is een gewone ziekenhuis affaire. Maar eten? Twee keer per dag wordt boven op de ene brancard een andere brancard stevig vast geriemd. En word ik omgedraaid. Een worst aan het draaispit op een tuinfeest…   Aan het hoofdeinde is er in de brancard een stuk stof uitgespaard. Het voorhoofd steunt op de brancard, het gezicht is vrij. Ik lig dus op de buik en kan door dat ‘raam’ eten en lezen. Dat is mijn redding: lezen. Tolstoï, Dostojewski, Stendahl, Camus, Flaubert, Daphne du Maurier, Boon, Elsschot. Familie en vrienden brengen zichzelf en de boeken mee. Ze maken afspraken, denk ik nu, wie wanneer aan mijn draaispit zal zitten.  En er is natuurlijk ook Jorismijn lief…       Mijn lief ,   “Nu je daar zo half kaal ligt,  nog half verdwaasd van de verdoving, is het alsof de liefde die je me gegeven hebt de laatste tijd, pas nu volledig tot me doordringt en mij overwint. Ik dronk gisteravond werkelijk vrede en vreugde uit je ogen en je lach. Het is alsof je machteloos liggen, je hulpeloos zijn, mij sterk maken en mij helpen te blokken en goed te zijn en rustig te blijven en mij werkelijk doen leven… Gisteren heb ik nog nagedacht over wat dat nu juist is, verliefd zijn. Iets vreemds is het niet, want dat betekent dat het nieuwe er van af zou gaan. Eigenlijk, verliefd zijn: het is iets anders. Iets dat je samen met allen en alles rond je verandert. Een bekering, zoiets als. Het is een prijsgeven van mezelf, een stuk willen worden van jou en jou als een stuk van mij aanvaarden.  En alle kale hoofden op de wereld veranderen daar niets aan… Frida, zonnekind, prinses… “     * * *    Na drie weken tractie zijn de wervels die het ruggenmerg zouden kunnen beschadigen, terug op hun plaats geschoven . Een meevaller: de chirurgen hadden gedacht dat het zes weken zou duren. Maar deze patiënte is jong en soepel. Ze zouden nu stukjes uit het heupbeen kunnen snijden, via de nek tussen de wervels plaatsen en laten vastgroeien zodat de wervels niet meer kunnen wegglijden. Dat hebben ze al tien keer gedaan. De nekwervels zijn dan wel onbeweeglijk: patiënten kunnen het hoofd niet meer draaien, ze moeten het hele bovenlichaam gebruiken om naar links of naar rechts te kijken. Natuurlijk, dat is een minder kwaad: het gevaar voor verlamming is verdwenen. Maar. Ondertussen zijn er nieuwe stappen gezet in het onderzoek: als de wervels langs de voorkant zouden vastgezet worden, langs de hals dus,  zou de beweeglijkheid van de nek veel groter zijn. Goed, maar hoe geraak je via de hals bij de nekwervels: er is geen zichtbaarheid. Wel, dat hebben de chirurgen in theorie al uitgedokterd: er zouden doorlopend röntgenfoto’s genomen worden van de nekwervels en die zouden geprojecteerd worden op een televisiescherm. De chirurgen zouden dan opereren via het televisiescherm. Ze gaan dit bij mij voor het eerst ook echt doen, stellen ze voor. De operatie is een wereldprimeur. Ze wordt gefilmd.   Wat gebeurt. Met succes. Nog eens drie weken later word ik uit het ziekenhuis ontslagen. Ik val als ik opnieuw wil lopen: als je zes weken je benen niet gebruikt, zijn het flanellen stokjes geworden.  Maar ik tors vol vertrouwen mijn nek, die van kin tot schouders  ondersteund wordt door een stevige plastic kraag. Beetje bij beetje mag ik hem losmaken en uitdoen. Een paar maanden later, in de lente, wordt een introductie op de wetenschappelijke film opgenomen. En vertel ik met een beweeglijke, slanke hals, hoe ik in een ravijn lag. ‘Dan voel ik de warmte van de zon op mij’ zeg ik. ‘Dat is zo goed, dat doet zo’n deugd: thuis wil het maar niet zomeren.’ ‘Cut!’ roept de regisseur.     * * *     Ik, toen... Frida. En ja, dit is wat de mensen der letteren een keerpunt noemen, denk ik. Een  gedwongen wending in mijn leven.  Alles is druk, zo druk dat er geen verdere gedachte kon zijn over wat mijn andere leven had kunnen worden. Ik was er achter gekomen: ik wil journaliste worden, naar Eindhoven nog een jaar cursus volgen. Maar wat dan met Joris, met Zuid-Amerika. Misschien, misschien – maar haar gedachten werden zo erg dun als ze dit dacht, ze leken nog nauwelijks garendraadjes - maar. misschien. kunnen we trouwen, kan ik meegaan naar Zuid-Amerika; op een langere huwelijksreis. Dan kom ik terug, volg die opleiding, zien we elkaar van tijd tot tijd: het is toch maar voor één jaar… Ik sta te snotteren aan de afwasbak als ik dit vertel aan mijn moeder. Die is boos op Joris. ‘Waarom kan hij niet gewoon zijn militaire dienst doen, zoals je broers gedaan hebben. Maar nee. Als je trouwt, moet je met hem meegaan.’.  Ze is boos. Als je met hem trouwt. De gedachte is dood geboren. Een ander leven voorbij.    * * *   Hoe naïef was je, Frida, hoe onschuldig, hoe onvoorbereid. Ondanks alle cursussen sociale leer van de kerk en sociologie en politieke en sociale filosofieën en ethiek van de pers aan de universiteit, boeken en schriften vol. Hoe je in het kokende bad van de verre wereld werd gegooid – hoe je jezelf er hebt ingesmeten – samen met dat lang stuk halve Jezuïet van je, waar je tot over je oren verliefd op was. Hoe je het dramatische ongeval met de wagen overleefde. Hoe je amper de tijd kreeg om te ademen voordat je, hals over kop, twee dagen nadat je was getrouwd, bent vertrokken naar Colombia, Zuid-Amerika: vierentwintig uur (?) met het vliegtuig onderweg naar dat passionerende, schokkende stuk van de wereld. Een jonge bruid. Je was nog niet eens bekomen van je gebroken nek…je mocht nog maar sinds een paar maanden zonder halsprothese rondlopen… Tant pis. Ik heb beslist dat ik dit zou schrijven. Ik doe het. Ik beschrijf Frida, toen. Tenminste, ik zal het proberen…       * * *     Ginder is Frida een gringa. De meeste mensen denken in het begin dat ze uit de USA komt. Want ze is lang,  met grijsgroene ogen en bruin haar. ‘Gringa’ is hier niet onverdacht een eretitel. Ze legt dus altijd uit dat ze uit Europa komt. Uit België. België, waar ligt dat? Ambèrres – probeert ze dan – Brusèlas. Maar dat slaat zelden aan. Ze moet er Frankrijk bijhalen, Parijs, Duitsland, de Noordzee, Engeland, Londen... Ah, zo! Europa! Bolivar! De onafhankelijkheid!.. Vanaf dan is ze geen gringa meer. Maar dona Frida. Of doctora. Of meer liefkozend: monita. Blondje: alles wat niet ravenzwart is. Het is een geliefd koosnaampje.   Ze heeft nagedacht over wat ze gaat aantrekken. Jeans en laarzen. Want ze heeft schrik voor de vuiligheid, de modder, de mest, de vliegen, de luizen, de graatmagere  honden, de groezelige handen, de ziektes die in de tugurios krioelen.   Ze zal haar regenlaarzen aandoen en de beige hemdsbloes met lange mouwen, die tot bovenaan goed sluit.  Ze is er bijna zeker van dat ze met vlooien thuis zal komen. Geen luizen. Ze heeft nooit luizen. Ze doet haar ruana niet aan. De hare is van soepele wol: dat trekt teveel de vlooien en is moeilijk te wassen. Ze draagt een trui: deze maand regent het iedere dag driftig één, twee uur lang. Dan is de zon er terug. Maar even kan het koud zijn, op 2 700 meter hoogte:  het is hier winter deze maand.   Ze gaat  mee met Leticia, een vriendin. Leticia is ouder dan Frida – tenminste, dat denkt Frida toch. Ze komt uit een welstellende familie. Ze is sociale assistente bij de Bienestar Familial. ‘ ‘De senorita’ noemen de mensen haar. Ze werkt in deze miljoenenstad met de onderklasse van de allerarmsten: de twaalfduizend straatkinderen jonger dan tien jaar - de gamines. Ze zijn weggelopen van huis, weggejaagd, het zijn weeskinderen, ze waren teveel, ze werden aan de deur gezet, weggeslagen, op een marktplein achtergelaten. Ze overleven en sterven op straat. Zoals bijna alle kleine mensen, draagt Leticia altijd een ruana van ongebleekte, stroeve wol. Zij is van hier.     Ze gaat op huisbezoek  bij een familie in de krottenwijken, die aan de rand van de stad tegen de geërodeerde bergwand uit de grond zijn geschoten. De twee oudste kinderen, de jongens, acht en zes jaar,  zijn gamines. De twee meisjes, ééntje van drie jaar en ééntje van acht maanden, hangen nog letterlijk aan hun  moeders’ rokken.  Leticia gaat praten met de man en de vrouw: de man heeft de vrouw weer afgeslagen. De vrouw heeft een gat in het hoofd. Haar jongens zijn het komen zeggen.    Ze gaat mee met de sociale assistente. Ze heeft schrik van armoede. Ze heeft schrik van de stank, haar maag draait er van om; ze heeft schrik van dieven; ze heeft schrik van graaiende handen op de bus, die in het ijle zweven, die aan geen lichaam schijnen toe te horen en portefeuilles stelen; ze heeft schrik van lange, gele nagels aan gekromde vingers, die te dicht bij haar polsen komen; ze heeft schrik van niet- zichtbare messen onder poncho’s en ruana’s; ze heeft schrik van veel volk samen; ze heeft schrik van wat mensen doen als ze wanhopig zijn. Maar anderhalf jaar nadat ze hier is aangekomen, wil ze meegaan.   Nu. Nu ze de taal een beetje kent, nu ze verstaat wat er gezegd wordt, nu ze heeft geleerd hoe mensen elkaar hier begroeten, nu ze soms al voelt wanneer ze kan praten en wanneer ze beter zwijgt, nu ze niet meer panikeert als er ratten over de weg lopen, nu ze het verhaal kent van dit land van orchideeën, van anjers, van kolibri’s, arenden, caymanes, papegaaien, van anaconda’s, van koeien, muilezels en paarden, van lulo’s, papayas, aguacates en mango’s, van granaatappelen, van chirimoyas en guayabas, van appelsienen, limoenen, pruimen, kersen en bananen; van jasmijn, mimosa, palmbomen, bouguinvilleas, van katoen- en koffieplantages; van eindeloze,  gelige vlaktes in de hoge paramos, van de besneeuwde bergtoppen in de Sierra Nevada, van  de eeuwiggroene bergketens van de Andes, van witte stranden aan een helderblauwe oceaan, van broeierige wouden, van okerkleurige rivieren, van smaragden, van goud, van irridium en olievelden,   nu ze zonder nadenken het verschil kan voelen tussen een cumbia, een san juan, tussen porro, paseito, merengue, gaita,  bambuco, chorope, patacore; nu ze ze ook al wat kan dansen; nu ze de sensuele verleiding kent van sierlijk geheven armen, lage schouders, wiegende heupen,  die iedere stramme westerling in het begin jaloers, gegeneerd weg doen kijken; nu ze ook de afgebeulde mensen verstaat, de geëngageerde doeners, denkers en artiesten, de familienamen weet van de herodiaanse grootgrondbezitters, machtig als despoten, nu ze ook daarin een onderscheid kan maken,   nu ze het weet van de vuiligheid, van het klagende geroep van bedelaars, van de stompjes armen en benen die plots onder haar neus worden geduwd, van het gebonk van lichamen van mensen die in doodse stilte vechten met elkaar; nu ze het weet van de knallen die ’s nachts door de bergen galmen dat het geen vuurwerk is, maar schoten van pistolen en geweren; nu ze het weet in welke bario’s en op welk uur van de dag ze hoe met wie naar toe kan gaan; nu ze weet wat je moet doen opdat je hart niet zou breken als je ze ziet, de haveloze groepjes opdringerig bedelende kinderen; nu ze gewoon is geraakt aan politiemensen met mitraillettes in aanslag in het midden van de stad; nu ze de droefheid kan verdragen en de haat in de ogen van de mensen kan verstaan; nu ze er klaar voor is, nu wil ze mee. Ze wil het. Ze wil het weten. Ze wil het met eigen ogen zien.   Ze rijden met de bus de berg op zover het kan. Daarna stappen ze op platgetrapte grond, een smalle holle weg voor voetgangers, muilezels en stromend modderwater: se hace camino al andar – denkt ze grimmig.  Ze ziet geen vuiligheid. Ze ziet de grond, wat moet doorgaan voor de muren van de krotten, de golfplaten die bij de gelukkigen dienst doen als daken. Ze ziet niet veel beweging. Ze ziet wat haar vriendin een huis noemt: muren gemaakt van grote platgeslagen benzineblikken, van vermolmde planken, stukken karton en vele gaten, rond een vierkant van drie meter op drie aangestampte grond. Een aarden pot op een paar stenen voor een vuur dat zelden brandt. En overal grond en vuil en grauw. En de moeder.   De indianenvrouw heeft een groezelig vod rond het hoofd gebonden, als iemand met een zere tand in een oud stripverhaal. Ze staat daar niets te zeggen bijna zich te verontschuldigen dat ze bestaat ze staat. Bijna is ze een boom bijna bewegen haar lippen niet bijna vluchten de woorden weg nog voor de lucht zich met lucht vermengen bijna beklagen zich tanden en tong dat er toch woorden worden gevormd en het verhaal toch wordt verteld van een man die geen werk heeft en geen eten voor zijn kinderen die doet wat alle mannen doen hier in de buurt om niet te zien hoe zwart die elke dag de vrouw de kinderen schopt en slaat als ze ‘honger’ durven denken die met de andere mannen zuipt die niet te spreken is hij kan niet spreken hij kan alleen willen vergeten.    En als ze ziet dat hij stomdronken is en wild en dat zijn ogen gloeien jammert ze vanuit verre tijden het onderdrukte klagen van haar onteerde volk triestig triestig het geluid van een gekwetste duif van een kat op zoek naar haar verdronken jongen van een afgeranselde hond van wind in een verlaten huis.  Het maakt hem razend dat zij hem ziet en weet hij kan niet spreken hij heeft geen macht hij rukt een plank los van de muur en slaat wat hij hoort tot stilte -   maar het gilt het gilt en er loopt bloed over de vrouw en ze heft de baby naar hem op en de baby krijst en hun kleine meisje staat voor de moeder ze houdt zich aan  haar rokken vast en hij gooit de plank met de bebloede nagels van zich af en hij zwalpt weg en het verhaal zwalpt weg het is beschaamd het is vernederd het is angstig het valt stil. Ze jankt nu voor zichzelf alleen. Ze wiegt de baby in haar armen. ‘Padresito’ noemt ze de man terwijl het bloed nog verder druppelt.   Ze scheurt een reep van een stuk stof en legt ze op de wonde, draait ze een paar keer rond haar hoofd. Ze zet zich doodmoe op het bed, leunt tegen de muur, de meisjes in haar rokken. ‘Arme mijn man – denkt ze - padresito’.  Hij is de vader van haar kinderen. Hij heeft het niet bedoeld – ze weet het. Ze weet het vuur dat hem verbrandt.  Maar alles voor haar ogen draait. Zijn het haar jongens die ze ziet? Misschien worden haar jongens anders misschien misschien worden ze thuisgebracht misschien worden ze niet vermoord worden ze niet in het gevang  gesmeten misschien worden ze niet verkracht misschien gaan ze niet aan de drugs want er is de senorita van de Bienestar Sociàl. Misschien gaan ze toch naar de school misschien kunnen ze later lezen en schrijven misschien kunnen ze iets anders doen dan elke dag de dood uitstellen elke dag razen van honger van schuld en van niets weten misschien geven zij  de familie later wel te eten...   Dan weet ze het niet meer. ‘ En nu vandaag bent u er , senorita,  met een gringa. Hoe weet u dat... ‘ Natuurlijk! ‘ Senorita,  waar zijn de jongens?’ vraagt ze.  Zij zijn het,  zij hebben het verhaal bij de buurjongens gevangen. Zij hebben het de weg gewezen tot bij de senorita en ze wil weten hoe het met de jongens is ze zijn  toch niet ze hebben toch niet   Het kleinemeisje is  overal. Ze is een spin: in iedere hoek, voor iedere spleet, voor alles wat een raam of deur zou kunnen zijn  hangt ze een spinneweb;  ze zweeft voor elk dreigend gevaar; ze staat de armen wijd gespreid om alles buiten te houden  te proberen dat het niet gebeurt dat de geesten binnenkomen dat de duivel danst als het vuur onder de ketel wordt aangestoken dat de wind krijst rond de muren van het huis dat de regen de grond onder hun voeten verandert in een modderpoel en alles dreigt weg te spoelen. Ze is een vlinder: ze spint een cocon rond hun huis zodat het niet kan breken.   Leticiazegt Ola, ola, dona Clemenza. Stil maar, rustig maar. Ik kom alleen maar kijken . Nee, nee, ik ken u wel. Hij heeft het niet slecht bedoeld, hij was bezopen. Ik zal niet naar de politie gaan. Of wel? Nee. Dat dacht ik. Ola, dona Clemenza, laat me uw hoofd bekijken. Doe die lap eens weg. De jongens? Ja, ze zijn het komen zeggen. Waar ze nu zijn? Ik weet het niet, ze willen nog niet bij ons wonen, dat weet u. Ze zeggen dat ze een thuis hebben: hier, bij u. Ze gaan nu elke morgen naar school. Ze stellen het eigenlijk wel. God geve dat ze geen lijm gaan snuiven. Niet wegtrekken, ik moet zien of die wonde erg diep is. Hebt u ze al uitgewassen? Por Dios, dona Clemenza, dat gaan we dan eerst doen. Ik heb iets speciaals meegebracht. Het gaat pijn doen, maar het moet. Zo. U mag niet ziek worden, dan zouden de kinderen niemand meer hebben. U moet sterk zijn. En waar is hun vader, don Antonio, ik wil met hem praten. Zeg hem dat hij eens bij ons langs komt, hij weet het wel: bij de Bienestar Familial, op de hoek van de vijfde straat met de Plaza Bolivar. Ik ben er elke morgen van de week.  De gringa ziet vooralde kleuren. Bruin. Grijs. Grauw. De vloer, de muren, de planken, het karton, de vodden op het bed in de hoek, de vrouw, het meisje van twee? drie? jaar: allen, alles bekleed met dezelfde huid, uit de grond genomen. Er zijn ook andere kleuren ziet ze nu. De platgeslagen verroeste blikken, rood en wit, met blauwe drukletters bedrukt: GASOLINA, benzine. En soms ESSO. Of MOBIL. Het is alsof het huis bij elkaar wordt gehouden  door zeefdrukken van een popartist.  Van Andy Warhol, bijvoorbeeld: zijn reeks ‘Soepen’, tussen de kleur van slijk en wrakhout en de lucht.   Het riekt er naar een stal. Nee, ze ziet geen gat in de grond. Ze hebben waarschijnlijk buiten een latrine gegraven. Het is niet zoals op die trap in het gesloten trappenhuis waar ze één keer toevallig is beland, ook met Leticia, in een meer doenbare buurt, waar de mensenstront en het braaksel zomaar op de overloop lagen te stinken. Ze hoort vooral: dat weinige geluid, dat bijna niets, dat stomme. Ze hoort de onmacht, het te zwak zijn,  te gekwetst, te onderdrukt:  een elegie van kleinkinderen, kinderen, moeders, grootmoeders, overgrootmoeders, generaties aan elkaar geregen in een gevecht met ongelijke wapens in ellende, in honger, in zich schikken in het lot,   De gringa hoort het hoe de moeder voelt dat dit niet is zoals het moet, maar dat ze niet de woorden. het woord. niet durft te denken, niet onrecht durft, kan denken,  dat ze gevangen is in angst, in slaag. De gringa hoort het verhaal dat siddert, beeft,  dat zich verbergt in de zeven lagen onderrokken van de indiaanse: ze verwarmen de lucht waarin de moeder leeft, ze nemen de geur aan van haar kinderen van melk van grond van mest van stenen van zweet van zaad van bloed; als de onderste rok weer de bovenste wordt, verschijnt het patroon, het enige wat telt: dat ze moet verder leven.   De gringa hoort hier niet. Ze is een indringer, een Peeping Tom, door niemand aangekeken, overal bespied, door iedereen geweten dat je beter van haar afblijft ze is met de senorita van de Bienestar Social ze spreekt de taal bij haar valt niets te rapen ze kent de trukken van de foor. Maar daar denkt ze niet meer aan. De schrik is weg. Want in de hoek waar het bed staat - gelukkig denkt ze ‘bed’ - op het bed,  midden tussen de vodden, tussen de kleur van aardappelen en grond is een nest gebroken wit   en daarin zit een kind. Het is een maand of zes en het is levend, gaaf, de bruine ogen glanzen. Het kijkt rond het zit alsof er niets aan de hand is; alsof niet vijfentachtig procent van de grond van haar land in handen is van tien procent van de bewoners (?); alsof er op de wereld geen klopjacht aan de gang is naar meer en meer en van mij alleen en pas op en we vreten het op we stoppen het in een versterkte kluis nog voor er iemand anders aan kan raken we speculeren ermee op de beurs; alsof er  daarvoor geen oorlogen worden gevoerd, geen mensen worden afgeslacht, uitgezogen, in slavernij gedreven, gemarteld, in geheime gevangenissen gestopt, levend in de oceaan worden gesmeten, neergeknald;   het kind zit en kijkt alsof ze is: vanzelfsprekend,  zoals de  neefjes en nichtjes van de gringa, de kinderen van de koningin, het petekind van  Inneke Peeters van op de radio, het nichtje van de president, het kleinkind van mevrouw Jansens van om de hoek; alsof ze even bekoorlijk zal zijn,  even vol  verhalen, met even veel te zeggen later. Het weet nog niet dat voor haar alleen het grauw wordt gereserveerd,  geen toekomst geen toekomst geen toekomst geen toekomst geen toekomst grauw geen toekomst geen toekomst geen toekomst geen toekomst niet niet niet niet niet.   Dat ze dievegge wordt, waarschijnlijk.  Waarschijnlijk zal ze, als ze zes is, met grauwe vodden rond haar lijfje, de haren stijf van vuiligheid, met blauwe wallen onder de ogen, waarschijnlijk zal ze, lenig als een kat, gaan hangen aan het open raam van de auto’s, die stoppen aan het rode licht; waarschijnlijk zal ze haar groezelige handje dreigend onder de neus van de bestuurder duwen en bedelen en terug spuwen en wegspringen als er naar haar wordt uitgehaald. Maar ze rekent er op, de uitgekookte helleveeg, dat de mensen haar iets zullen geven om van haar af te zijn: ze heeft de lagere school van wie in bittere armoe leven al doorlopen. De hogeschool is drugs en afpersing en moord en prostitutie. Dat komt later- dat denkt de gringa toch.   En de gringa kan haar niet oppakken en meenemen ver van dit grauwe krot haar hart is nog niet groot genoeg het moet op deze grote hoogte nog dieper leren pompen en ook het kan niet want ze kan niet alle kinderen en dit kind heeft nog een moeder met zeven rokken en een vader die naar huis komt en een zus en twee oudere broers. Misschien als die jongens er in slagen misschien heeft ze dan de Bienestar Familial of de Beneficencia  en kan ze leren. Ze heeft dus nog heel veel ze is niet uitgemergeld nu nog niet ze ligt nog niet roerloos met opgezwollen buik langs de kant van de weg onder een mimosaboom. Ze is springlevend en kijkt rond. En je zou wel willen dat ze gelukkig wordt maar je weet dat ze geen toekomst heeft ze is gebroken wit tussen zoveel grauw ze is onwetend tussen tekort aan woorden die onbekend wensen te blijven die niet willen bestaan ze heeft geen ze is opgeschreven ten   Als de gringa terug thuis is, stopt ze haar kleren onder water. Ze neemt een douche. Drie vlooien springen van haar weg, spoelen met het water de afloop in. Ze trekt nieuwe kleren aan. Ze zet zich neer. Ze weent. Het is avond. Het is zwart.    Toevallig leest ze kort daarna een artikel in een vroom blad. Er staat een reportage in van een pater. Ook hij ging op bezoek in een krottenwijk. Hij zag er een familie met een gezonde baby. Hij schrijft dat de baby een bloem is op een mesthoop.   De tranen springen haar van woede in de ogen. In haar verbeelding huilt en tiert ze tegen hem. Ze valt hem aan, ze wil hem slaan, altijd opnieuw als ze aan hem denkt. Mesthoop! Don Antonio, dona Clemenza, het dappere meisje, de gevluchte broers: een mesthoop! Ze gooit hem buiten. Ze zet geen voet meer in zijn kerk.     * * *     En aan zulke mensen mag ik les geven! denkt Frida.  Ze houdt zich een beetje op de achtergrond, ze kijkt rond, ze zal wat hier gebeurt vertellen aan Edward, een vriend van haar die nu ontwikkelingswerk doet in Zaire.  Zijn laatste brieven klinken zo pessimistisch. Dit zal hem opvrolijken. Ze ziet ze discuteren, wandelen, lachen, de dertig mannen en vrouwen, syndicalisten, studenten, mensen uit de arbeidersbeweging, jeugdwerkers, nonnen, pastoors. Haar studenten! Mensen die ervaring hebben in de sociale strijd. Zoveel moed, liefde, idealisme bij elkaar! Zij geeft hen een theoretische inleiding tot de politieke wetenschappen! Stel je voor! Een onnozele geit is ze, vergeleken met hen.  Ja, ze heeft het vereiste diploma. En ja, ze spreekt  een aardig mondje Spaans: taxichauffeurs vragen haar of ze uit Chile komt, of uit Argentinië. Maar wat betekent dat in vergelijking met… Maar ze hebben haar aanvaard. De Jezuïeten die dit instituut hebben opgestart, de mensen die er werken, de studenten. Misschien dat ze het voelen, hoe alles in haar in opstand komt tegen hebzucht, machtswellust, onrecht. Dat ze oprecht is. Misschien heeft ze een voetje voor, juist omdat ze zo jong is, een vrouw, nog een meisje haast, amper zesentwintig, onervaren. En willen ze haar bijbrengen hoe deze wereld achter de schermen echt functioneert…    Als ze met haar alleen zijn, vertellen ze hun verhalen. Ze brengen ze mee uit Nicaragua, Mexico, Honduras, San Salvador, Santo Domingo, Venezuela, Bolivia, Paraguay, Argentinië, Peru, Ecuador, Colombia. Ze spreken over wat hen bezielt. Er leeft zoveel hoop in dit continent, op dit moment.  De prachtige dansmuziek, hun ritmes, de weemoedige liederen beginnen zich te verspreiden. ( ook hier: concrete namen ?) Gabriel Garcia Marquez schrijft zijn Honderd Jaren Eenzaamheid. Mario Vargas Lloza, Jose Maria Arguedas, Jorge Isaacs, Miguel Angel Asturias, Julio Cortazar, Jorge Luis Borges, Pablo Neruda: hun gedichten en boeken brengen Zuid-Amerika tot ver buiten de eigen grenzen.  En de droom van Salvador Allende, die volgend jaar de eerste democratisch verkozen socialistische president van Zuid-Amerika  kan worden… Ze heeft het hele continent, de mensen, hun manier van doen stevig in haar hart gesloten.   Ze probeert het te beschrijven in de brieven naar huis. Ze heeft nauwelijks heimwee – wel schrik, soms, en veel verdriet. Dan doet het deugd als ze er aan kan denken dat Joris geen militaire dienst wilde doen en dat zij mee was gegaan: make love, not war; aan de vele vrienden die ze hier hebben. En dat ze hier dat instituut gevonden heeft. Hoeveel ze hier leerde!   Ook op bijeenkomsten zoals deze. Ze zijn  een paar dagen op stap met de hele groep: studenten, secretaressen, schoonmaakster, docenten, directeur. Het huis (een pensionaat? een seminarie?) waar ze verblijven, ligt in clima café: een gordel in de bergen, zo’n 1500 meter hoog, met een klimaat als aan de Middellandse Zee, het hele jaar door. Hier worden koffiebonen gekweekt met het heerlijkste aroma, de open, warme lucht spant zijn verleidelijkste blauw over groene palmbomen, groene koffieplantages, oranje, gele, roze, rode, blauwe, paarse bloemen, over lustige beken, over vriendelijke wegen, over witte huizen en boerderijen  met grote terrassen.   Ze zitten op zo’n terras. Het is avond, hier de kleur van warme zomernacht. Prachtig toch, denkt ze, hoe dat hier gebeurt: wachten. Geen zenuwen, geen ongeduld. Hoe ze hier omgaan met de tijd. Tijd is niet de dwingeland van hun leven. Ze houden hem in toom, ze laten hem passeren, bepalen zelf wanneer hij gekomen is. Klopt dat niet met de tijd van de tegenspeler? Geen nood. Je kan zoveel doen in de tussentijd die wachten is, het leven is zo rijk. Je kan praten, bijvoorbeeld, kennismaken met de mensen in de buurt. Je kan een cafésito drinken, kijken wat er rondom zich afspeelt. Als het echt belangrijk is dat je iemand ontmoet, wacht je gewoon. Dat loont dan de moeite, toch? Het heeft geduurd voor ze dit begreep, voor ze dit kon denken, voor ze dit  kon uitleggen in de brieven naar vrienden en kennissen over de oceaan.   Ze ziet de Mexicaanse studente, Malva, in de weer met Pacho, de Venezolaan. Pacho heeft van tijd tot tijd een aanval: hij schreeuwt, krimpt in elkaar, houdt de armen afwerend voor zich uit, zijn ogen zijn verwilderd en hij ziet weer de militairen op hem afkomen die hem zullen martelen tot hij de namen zal geven van de makkers die mee de stakingen en betogingen hebben georganiseerd. Een beetje verder staat German. Hij is één van de twee Argentijnen in deze cursus.  German eet soms nauwelijks, drinkt  dagenlang alleen maar botermelk. Hij heeft een maagzweer, al van toen hij als student scherp in de gaten werd gehouden door de geheime politie, omdat hij druk bijgewoonde vergaderingen organiseerde over het werk van Dom Helder Camara in Brazilië, of over  bisschop Romero in San Salvador, of over de Katholieke Universiteit van Leuven, in België, in Europa, waar vele Latijns- Amerikanen de ideeën gingen bestuderen die daar werden onderwezen over onderdrukking, over sociale rechtvaardigheid en de relatie met de boodschap van bevrijding in de bijbel.    Het is op die German, de gaucho, dat ze wachten. Hij zal deze avond een malamba dansen,  een traditionele gaucho-dans uit zijn geboortestreek. Hij staat nog te praten met de andere Argentijn. Die zal de bongodrum bespelen.  Ze omhelzen elkaar. German stapt naar het midden van de cirkel. De bongo zoekt zijn weg, vindt een droge,  krachtige slag. German heft de armen. En danst.    Frida ziet: dit is geen gewone dans van hier. Hier gaat het  niet om het plezier van het dansen, om het wiegen van heupen, het draaien van schouders, het bewegen van benen, armen,  handen, vingers zoals aangeleerd vanaf de tijd aan de moederborst. En soms, maar dat had ze nog niet dikwijls meegemaakt, de magie van twee lichamen die naar elkaar gezogen worden, waarvoor iedereen plaats maakt en die plots als enige nog dansen in het midden van de kring, door iedereen bewonderd of met afgunst bekeken.    Deze dans is anders. German danst. Hij danst beelden in de hoofden van wie hier zit en eerst zijn het beelden van indianen die als slaven moeten werken voor de grootgrondbezitter, beelden van gamines, van een dona Clemenza een don Antonio in grauwe tugurios, ze ziet het kind in een nest gebroken wit ze voelt haar hart ze verstaat niet wat hier gebeurt ze is weer een vreemde ze kent dit niet ze is verward hier wordt toch alleen maar gedanst haar ogen zoeken German en ze ziet ze hoort hem bewegen niet als een balletdanser, daarvoor is hij te struis ze ziet zijn soepele, sterke lijf, zijn laarzen die de vloer betasten, de grond, de aarde, la tierra madre, die hem de kracht geeft om op te springen, als op en af een paard in volle galop; om met de handen op de dijbenen en met het geroffel van de bongodrum het beeld te dansen van de gaucho:  de man die niet wil eten uit de hand van de despoot; hij danst dat het kàn, dat het bestaat dat de mens zijn trots behoudt dat je daarvoor een prijs betaalt zoals de gaucho hij is de eenzaat, hij is een vagebond, een paard is het enige wat hij echt bezit, de eeuwig groene grasvlakten van de pampas zijn zijn thuis maar het kan. German getuigt hij ìs de gaucho, vrij, nobel, genereus, een man van weinig woorden, trots, betrouwbaar, solidair. Hij vecht als hij wordt geprovoceerd. Hij trotseert. Hij is de leider nu hij danst, de armen krachtig gespreid, hij neemt iedereen mee, drukt iedereen aan het hart, hij roffelt met de hielen, de bongo volgt hém, hij bakent de ruimte af die hij nodig heeft, drukt er zijn stempel op, tekent haar, betekent haar: het kan!    De finale.  De knieval in de richting van de maan en de sterren. In de richting van waar de toekomst ligt. In de richting van waar de vrouwen zitten. In de richting van Frida.     En ’s nachts de serenade.  De krekels tsjirpen uitzinnig. Alles geurt. Onder haar slaapkamerraam, een gitaar. Een hoge tenorstem, zijn stem. Ze streelt het duister van de nacht, weemoedig. ‘Quando tu te habras ido, ya volveran las sombras...' ‘Als jij weg zult zijn, zullen de schaduwen opnieuw tevoorschijn komen...’ ‘We moeten het licht aansteken,’ fluistert haar kamergenote. ‘Doodstil blijven. En luisteren.’   * * *   Ze verstaat het niet. Ze is verliefd. Op het prachtige land, wil ze denken. Op de mensen,  wil ze denken. Op German, weet ze. Ze verstaat het niet. Het zal toch niet, dat één romantische nacht haar zover krijgt dat… Het gaat wel over, rationaliseert ze. Zo snel als het gekomen is.   Het gaat niet over. Het gaat nooit over.    * * *     Later nodigt een collega-docent zich zelf uit bij haar thuis. Mag hij eens afkomen met een collega van hem, die fel geïnteresseerd is in wat de jongeren van vandaag bezig houdt. En jij bent zoveel met de studenten bezig, jij geniet hun vertrouwen, aan jou vertellen ze waar ze écht om geven. Wel ja, waarom niet? Als het hem kan helpen met zijn wetenschappelijk werk. Edouardo Carrasquilla. En Pablo, de vriend. Twee Cubanen. We praten. Bij mij thuis – niet in de sociale school. Hij stelt de vragen, zij antwoordt. Wie zijn volgens jou de studenten met de grootste leiderscapaciteit? Geen enkele bel gaat rinkelen. Naar volle waarheid antwoordt ze: met voorsprong German.  Dan noemt ze nog een stuk of zes andere namen.   Joris en zij, ze maken nog een grote reis door Zuid-Amerika. Hun laatste Zuid-Amerikaanse reis. Frida weet: ze wil hier nooit, nooit terugkomen. Haar hart breekt als ze er aan denkt dat ze dit alles zullen achterlaten. Dat wil ze nooit, nooit opnieuw meemaken… Ze krijgen een kaartje van German met nieuwjaarswensen. Begin maart varen ze terug naar Europa. Dat is een verhaal voor later. Wat hier in deze scène van belang is, wat Frida van zesentwintig niet, wat Frida van alle leeftijden nooit zal vergeten, wat ik in haar plaats nu voor het eerst vertel. Het is lente in België.  Ze zit in de tuin: de vogeltjes zingen, de zon schijnt. Uit het niets, zonder verwittiging, overvalt haar een diep verdriet. German is dood, loopt door haar gedachten. Ze borstelt de gedachte, het gevoel opzij. Waanzin. Hoe komt ze daar nu op! Toch weer niet opnieuw… Ze is geschrokken, het gaat niet over.   Enkele maanden later krijgen ze bezoek uit Colombia. De directeur van de sociale hogeschool moet in Duitsland met een geldschieter praten over subsidies. Hij komt bij Joris en Frida op bezoek. Hij vertelt dat Carrasquilla werkte voor de C.I.A.. Dat ze hem ontmaskerd hebben. Hij was één van die fameuze Cubanen die naar de States zijn verhuisd als Fidel Castro aan de macht is gekomen. Die als spionnen zijn gaan werken. En dat German is neergeschoten. Hij was op de terugweg naar huis, na de cursus. Hij was met vrienden mee gaan betogen. De militaire politie heeft hem neergeschoten. Hij is dood.   Het gaat niet over. Het gaat nooit over.       * * *     En er was geen pleister voor deze wonde er was

versta
60 0