Zoeken

Het gaat regenen

01 ‘Het gaat regenen,’ zei ik tegen niemand in het bijzonder. ‘Verdomme,’ zei de oude man voor mij zachtjes. Ik keek op van mijn koffie. De oude man had een rond, kaal hoofd met dunne, grijze haartjes die uit zijn slaap sprongen. Hij had een zelfs nog grijzere snor. Zijn vaalbruine ogen keken vanachter twee vieze brilglazen door het raam naar buiten, waar het steeds schemeriger werd door de grijze wolken die zich voor de zon begonnen op te hopen. Ik kende de man niet, maar zijn gezicht kwam mij wel bekend voor. Misschien kwam hij ook regelmatig in dit café, net zoals ik? De oude man hield zijn blik gefixeerd op de buitenwereld en ik volgde zijn blik. Het was een rustige lentemiddag. Ik zag dunne zonnestralen nog maar net door de donkergrijze wolken breken, maar steeds meer stralen leken deze strijd te verliezen. Het krijtbord van het café aan de overkant klapperde mee met de harde wind die opstak, gruis en bladeren werden over de straat geblazen. Diverse papiertjes van vermiste huisdieren en dorpsevenementen werden bevrijd van de lantaarnpalen waaraan ze waren geplakt. Ze werden meegevoerd door de lucht om vervolgens een paar meter verderop weer op de grond te dwarrelen.   Ik bestelde nog een kop koffie. Alleen al in het vorige uur had ik al drie koppen opgedronken. Zoals altijd verwachtte ik weer een slapeloze nacht. Ik wist echter niet die cyclus van slapeloosheid na vandaag door iets anders dan koffie werd veroorzaakt. Naar mijn mening zijn cafés geweldige plekken om te zijn. Alleen al de huiselijke sfeer in die ouwe cafeetjes overlaadt mij al met een gevoel van comfort en rust en de gesprekken die op de achtergrond werden gevoerd weerhielden mijn gedachten van fossielen uit het verleden op te graven. Donkere plekken begonnen te ontstaan op de lichtgrijze stoeptegels. Het ging regenen. Eerst leek het slechts een voorbijtrekkend buitje. De oude man slaakte een opgeluchte zucht. Maar al snel keken de oude man en ik naar een schemerige muur van water. De oude man fronste en zuchtte opnieuw, deze keer uit frustratie. ‘Waar moet u naartoe?’ vroeg ik. ‘Thuis,’ antwoordde de man. ‘Als u wilt, kan ik u een lift geven. Het is slechts vijf minuutjes lopen naar mijn auto.’ De oude man glimlachte. ‘Bedankt, maar ik moet nee zeggen. Vat het niet verkeerd op, maar ik ben eens beroofd toen ik in de auto van een vreemdeling stapte.’ ‘Oh, dat spijt me,’ zei ik simpelweg, niet wetend wat ik daarop moest antwoorden. Het gesprek liep al snel stil. Ik bestelde nog een kop koffie en wierp een blik naar buiten.   02 De oude man stond op en trok zijn jas aan. Hij haalde zijn portemonnee tevoorschijn en legde een 2-euromunt op de tafel. ‘Ik betaal deze kop,’ zei hij. ‘Dank u wel,’ zei ik en glimlachte door deze onverwachte gunst. ‘Drink alleen niet te veel,’ voegde hij toe, terwijl hij zijn hand in een jaszak liet verdwijnen. Toen sperden zijn ogen lichtelijk open. ‘Verdomme, mijn paraplu,’ vloekte hij. Ik wist niets te antwoorden. Ik nam een slok en keek naar buiten. Ineens, als dom geluk, schoof er een opengeklapte paraplu over de straattegels, gedreven door de wind. Het kwam een paar meter voor de ingang van het café tot stilstand. ‘Kijk dan,’ zei ik en keek naar de oude man. ‘Dit moet je geluksdag zijn.’ De oude man gromde zacht maar glimlachte vooralsnog. ‘Als het inderdaad mijn geluksdag was, dan regende het niet,’ verkondigde hij. ‘Maar ja, ik heb toch nog iets van geluk.’ Hij boog zijn hoofd. ‘Fijne dag verder nog.’ Hij legde een paar munten op de bar en duwde toen de voordeur open. Even werd al het geluid in het café overstemd door het gekletter van de regenstorm buiten. De zure geur dreef naar binnen en prikkelde mijn neus. De oude man stapte snel naar buiten. De houten deur viel langzaam achter hem dicht. Zijn bruine jas werd al snel donkerder door de regen. De nette schoenen die hij droeg zouden al verpest zijn voordat hij thuiskwam. Ik keek koffiedrinkend naar de oude man. Hij sprong richting de paraplu (waarschijnlijk voor het geval de wind het object weer zou meevoeren) en greep het handvat beet als leeuw die zijn prooi greep. De paraplu was niet bijzonder, waarschijnlijk had de voormalige eigenaar het voor vijf euro gekocht bij een discounter, dus het verlies was niet zo ontzettend. Bovenin was het zwart met ijzeren uiteinden; onderin een simpele, ijzeren schacht met een stomp, plastic vierkant als handvat. Ik gniffelde toen de oude man de paraplu vasthield, nam nog een slok en stak toen mijn duim naar hem op. Glimlachend hield de oude man de paraplu boven zijn hoofd. ‘Wel thuis,’ zei ik zachtjes, mijn mond duidelijk bewegend op de woorden. De oude man knikte en liep een paar stappen verder. Aan de rand van de stoep bleef hij staan, keek naar links en naar rechts voordat hij overstak. De wind stak weer op, stotend tegen de ruit en blies een wolk gruis voorbij het raam. Ik nam een slok koffie en zag dat de oude man moeite had met de paraplu vast te houden. Ineens klapte het dicht. ‘Oeps,’ mompelde ik zonder erbij na te denken. De oude man bleef staan te midden van de weg. Ik lachte zachtjes toen het beeld in me opkwam dat hij, omhuld door de duidelijk kapotte, zwarte flappen, zachtjes stond te vloeken op zijn ongeluk. Het werd al snel duidelijk dat hij de paraplu niet afkreeg. Ik zette mijn kop neer en liep het café uit. Maar toen ik buiten stond, hoorde ik het geschreeuw van een man in nood. Opnieuw zonder erover na te denken, rende ik naar de oude man toe. De regen plensde op me neer. Mijn haar kleefde langs mijn hoofd, mijn witte t-shirt aan mijn lichaam. Hoe dichterbij ik bij hem kwam, hoe meer het leek alsof hij stond te worstelen om de paraplu af te krijgen. ‘Gaat alles goed?’ riep ik, mijn stem nauwelijks hoorbaar door de regen. De man begon krampachtig aan de zwarte flappen te krabbelen. Toen ik hem hielp, voelde ik een warmte door de zwarte stof gloeien. Dat was geen regen. Maar op dat moment schoot mij ook niets te binnen wat het wel kon zijn. Het leek het beste om de paraplu van zijn hoofd te trekken aan de ijzeren uiteinden. Ik zag dat de witte knopjes zich in het zachte vlees van ’s mans nek hadden geboord. Ik begon aan de uiteinden te trekken en voelde diezelfde warmte op mijn vingers druipen. Het was een vloeistof. Mijn hart sloeg een slag over. Geschrokken trok ik mijn handen terug en keek naar ze. Ik keek lijdzaam naar het bloed op mijn vingers, hoe het werd weggespoeld door de regen. Toen, vervuld met adrenaline, deed ik een laatste poging de man te redden. Ik greep de zwarte stof beet en voelde het gezicht van de oude man eronder; verwrongen in een doodsbange schreeuw. Ik pakte de uiteinden vlakbij zijn gezicht beet en begon te trekken. Toen begon de paraplu dunner te worden, alsof het hoofd van de man langzaam smaller werd. Het geschreeuw werd gereduceerd tot hopeloos gegorgel. Ik slaagde erin de uiteinden uit zijn nek te trekken, maar de paraplu bewoog nauwelijks. Ik begon nog harder te trekken, een misselijkmakende knars kroop in mijn oren. Mijn handen waren doordrenkt met bloed. Toen sprong de paraplu ineens weer open. Ik werd achterovergeslagen door de onmenselijke kracht en landde op mijn billen. De zwarte paraplu stuiterde verder over de straat, wederom mee met de wind. De ijzeren schacht, plastic handvat en de zwarte stof binnenin waren rood van het bloed. Doorweekt door de regen staarde ik ernaar, hoe het verdween in de muur van water. Ik raapte al mijn moed bij elkaar en dwong mijzelf om naar de oude man te kijken. Toen mijn ogen op hem vielen, liet ik een hoge schreeuw horen; een schreeuw die beter bij het slachtoffer van een moord hoorde, niet een getuige. Het hoofd van de man was inderdaad smaller geworden. Het zag eruit als een pakje sap dat helemaal leeg was gezogen door een kleuter. Een stroompje bloed vloeide uit een klein gaatje in het midden van het kale hoofd. Zijn gezicht was onherkenbaar, maar de schreeuw was nog steeds duidelijk te zien in de gerimpelde contouren van zijn lege hoofd.   03 Hoewel ik daarna direct was weggerend, kan ik mij nog precies elk detail herinneren. Wanneer ik eraan terugdenk is zijn er twee herinneringen die mij het helderst van allen zijn nagebleven. ’s Mans gezicht; hoe het eruit zag als een uitgewrongen handdoek of een uitgezogen pakje sap. Ondanks dat zijn hele hoofd letterlijk was leeggezogen, waren zijn opengesperde ogen en loshangende kaak makkelijk te onderscheiden. Het tweede was de paraplu, hoe het eruit zag als een verzadigde vleeseter die het karkas van zijn prooi achterliet. Ik heb meer koffie nodig.

Aaron de Bruijn
19 0

Leo

‘s Morgens stond hij op, zoals meerdere mensen dat wel doen. Alvorens versuft naar de badkamer te sloffen, schoof hij zijn witte pantoffeltjes vol stof, gestolen uit een goedkoop hotelletje in Den Haag aan zijn opgezwollen voeten. Het gebeurde wel vaker dat zijn voeten zonder reden verdubbelden in breedte, hij had er geen erg in. Veel zin had hij niet in wat de dag zou brengen, ook dat gebeurde vaker. Net zoals de manier waarop hij zich waste, aankleedde, in de spiegel keek naar zijn mottige, grijze kop vol barsten. Hoe was het ooit zover kunnen komen? De tijd laat z’n sporen na, daar was hij het halflevende bewijs van. Het werd tijd iets van zijn tijd te maken. Een boetseerwerk die het verdiende in een vitrinekast geplaatst te worden bij één van zijn toekomstige nakomelingen. Dat was het! Voor nakomelingen moest hij zorgen om iets betekend te hebben in de geschiedenis van zijn stamboom! Natuurlijk! Maar hoe begin je daar toch aan? Zonder wijfje is dat niet zo evident. Hij gaf zichzelf wederom tijd om over dit vraagstuk zijn hoofd te breken zoals hij zich voor alles tijd gaf. Vervolgens vertrok hij naar zijn werk. Op de vuilkar staand, keek hij naar de lucht. De grauwe grijze lucht moest niet weten van zijn staar en spuwde hem in zijn gezicht. Prachtig vond hij dat, de wereld antwoordde hem op vragen die hij niet stelde en een glimlach vol opgedroogd kwijl openbaarde zich op zijn gezicht. De hele ochtend dacht hij na. Hoe kon hij een mensje creeëren uit zijn zaad zonder wijfje? Eureka! Plots had hij het gevonden! Het antwoord was zowaar naar hem toe gehuppeld in de vorm van een krant. Een advertentie, dat is het! Meteen begon hij naarstig met schrijven. Een meesterwerk moest het worden, alle aandacht trekkend. Na uren zwoegen en zweten, gebogen over zijn krakkemikkige bureautje, zittend op een kruk met twee en een halve poot, was het af. Wat een ontroerend gedicht, zo vond hij zelf: Man zkt wijfje om mee te poepen & kind te maken. Contact leoversmaggen@zetmeel.be. Xxx Vol trots zond hij het naar zijn favoriete maandblad dat gelezen werd door veel gelijkgestemden. De volgende maand sloeg hij vol verwachting de contactpagina open en met terechte trots zag hij zijn pulitzerprijswaardige inzending gepubliceerd in de Woef. Nu was het wachten geblazen, een kwestie van tijd.

Lore
0 0

Two to tango

Two to tango   Dat kinderfietsje! Eva grijpt het beet en tilt het boven haar hoofd. Met alle kracht die ze in zich heeft, slaat ze er twee, drie keer mee op de ruit van het grote raam achteraan de woning. De derde keer springt het glas aan diggelen. Eva gaat naar binnen. ‘Is er iemand thuis?’ Alle lichten zijn gedoofd. Van beneden uit begint de woning zich te vullen met rook. In de open leefruimte, die wat onder het niveau van de tuin komt, ziet Eva de vlammen al hoog opslaan. De gordijnen hebben vuur gevat en zijn deels op de sofa gevallen. Die is aan het smeulen. Eva stormt de trap op. Via haar noodknop roept ze de centrale op. ‘Fred? Eva hier. Brand aan de Fransenlaan 17. Ik ruik gas.’ Eva gaat een grote slaapkamer in. Niemand. ‘Er kunnen kinderen in huis zijn, in de tuin ligt een kinderfiets. Haast je, Fred!’ Op één van de kamerdeuren kan Eva Anna’s naam onderscheiden, Jordi’s kamer ligt daar vlak naast. Aan het kapstokje naast de deur hangt een kartonnen kroon. ‘Eén jaar’, leest Eva. Vanuit de centrale activeert Fred rechtstreeks het alarm in de brandweerpost. Die ligt op minder dan twee kilometer van de Fransenlaan. In geen volle vier minuten zal de snelle interventiewagen ter plaatse zijn. ‘De noodploeg is onderweg, Eva. Niet alleen naar binnen gaan!’ Dat laatste valt in dovemansoren. Agent Akermans wacht geen vier minuten als zij denkt dat er geen tijd te verliezen valt. Ze tilt de kleine Jordi uit zijn bedje en schudt Anna wakker. Geen minuut later haast ze zich het huis uit, de slapende Jordi op de arm en de slaapdronken Anna aan de hand. Kort na middernacht belt Eva aan bij nummer 19. Geen gehoor. De onwerkelijke stilte rond het brandende huis wordt doorbroken door de naderende sirene. Terwijl de interventiewagen stopt, floept er aan de overkant een licht aan. Het is koud en de kinderen hebben alleen hun pyjamaatje aan. Eva steekt de straat over. Die overburen moeten hen maar even opvangen. ‘Ik weet niet of er nog iemand in huis is!’, roept Eva de brandweerlui nog toe. ‘Er hing …’ Voor ze haar zin kan afmaken, weerklinkt een oorverdovende knal. Een steekvlam spat langs de voorkant van de woning naar buiten. Jordi schrikt wakker en begint hysterisch te krijsen. Anna kijkt met haar grote kleuterogen naar het schouwspel. Dikke tranen wellen uit haar overdonderde ogen. ‘Waar is mama?’, stamelt ze. Haar knuistje wijst verslagen in de richting van het huis.   Naarmate de nacht vordert, ontrolt zich het standaard scenario van een uitslaande brand. Veel meer dan de naburige woningen vrijwaren, kan de brandweer het eerste uur niet doen. De politie zet de straat af, de kinderen worden voor controle naar een ziekenhuis gebracht, een tweede ziekenwagen blijft doelloos wachten. Links en rechts krijgt Eva een schouderklopje. Haar bewustzijn gaat in overlevingsmodus. Zelf handelt ze niet meer, ze kijkt toe. Wat kan ze doen? Als een paar journalisten haar aanklampen, gaat er een huivering door haar heen. Deze hel is nog nieuws ook. Nog voor hij Eva een vraag heeft gesteld, noemt één van de mannen haar al een heldin. ‘Wat ik nu liefst wil’, antwoordt Eva wat later op alweer dezelfde vraag van een andere vroege journalist, ‘is naar huis gaan en languit in bad gaan liggen. Achter dit koele optreden dat jullie zo fantastisch vinden, zit ook maar een mens die dit allemaal moet verwerken. En deze vreselijke brandgeur komt daarbij bepaald ongelegen.’ Eva voegt de daad bij het woord, keert de journalisten de rug toe en gaat zich afmelden bij de chef aan de commandowagen. ‘Ik ga naar huis, Stan. Te voet. Nee, doe geen moeite. Ik was toch onderweg toen …’ Eva’s stem valt even weg. ‘Iedereen vindt het geweldig van die kinderen,’ aarzelt ze, ‘maar mama of papa moet in de brand gebleven zijn. Misschien zelfs allebei. Dat weten we allemaal. Het lijkt verdorie bijna een scenario voor een goedkope jankfilm.’ Eva slikt. ‘Is het cru te hopen dat de ouders hun avondje uit hadden en dat er een babysitter in huis was?’ Stan sust haar kordaat. ‘Kijk, Eva, een furie zoals jij denkt in een reflex dat het nooit goed genoeg is. Daarom zeg ik je alleen dit. Bedankt. Je hebt alles gedaan wat je kon doen. Dat was veel meer dan je moest doen. Beyond the call of duty zouden ze zeggen, in het land van de goedkope jankfilms. Ga gewoon met dit ene woord naar huis. Bedankt.’   Het is half twee als Eva de deur van haar loft openmaakt. Het licht laat ze uit, de volle maan geeft genoeg. In huis is het warm, te warm. Carlo heeft vast de thermostaat hoger ingesteld voor hij vertrok. Eva trekt haar hele plunje uit, dat gaat de wasmachine in. Kookwas, dan blijft er niks van die verduivelde avond hangen. Naakt schenkt ze zich een glas in en neemt een grote slok rode wijn. Beeldt ze het zich in of kleuren haar lippen echt dieprood in de spiegel? Bij het schuifraam achteraan wordt Eva’s blik door de lange, spaarzaam verlichte Canadezenlaan naar de T-splitsing getrokken die uitgeeft op de Fransenlaan. Pal op het kruispunt licht de gloed van de brand duidelijk op. Wat een inferno. Eva neemt nog een glas. Ze geniet ervan. Het is wijn uit Ulignano, bijna tien jaar geleden nu. 7 juli 2007, wat een iconische datum. Eva had nooit geloofd dat je op je dertigste nog smoorverliefd kon worden. Tot haar weekje Toscane werd gekaapt door zes weken zaligheid. Op zoek naar haar hotelletje, lag hij plots daar, languit op de Toscaanse bodem na een stevige slipper met zijn fiets. Zijn truitje hing aan flarden, zijn stevig gespierde en ferm geschaafde bips kleurde snel rood, uit een jaap in zijn linkerarm sijpelde bloed. Als bij ingeving had Eva zijn gehavende toestand genegeerd en hem koudweg gevraagd of ‘dit de kortste weg naar Ulignano was’. Na een ogenblik van totale verbijstering – wat keek hij ongelooflijk schaapachtig toen – was hij in lachen uitgebarsten en overeind gekrabbeld. ‘Je bent waar je moet zijn!’ was het enige wat hij zei. Profetische woorden! Nog voor hij helemaal rechtop stond, had ze hem aan zijn nek naar haar toegetrokken en hadden ze elkaar gekust, steeds weer gekust. Nog diezelfde avond gingen ze tot het einde. Zes weken lang verkenden en aanbaden ze elkaars lichaam. Ze genoten van de zon, de wijn, de zee, de steden en dorpjes en van het onderweg zijn tussen de ansichtkaarten. Ze lieten toe dat hun gevoelens en gedachten in een mum van tijd steeds meer vervlochten raakten. Onmiddellijk na de vakantie gingen ze samenwonen op Eva’s loft. Ze waren elkaars thuis geworden. Ulignano had hen onafscheidelijk verbonden.   Eva heeft al uren niets meer gegeten. De wijn krijgt zo vrij spel in haar afgetrainde lichaam, en wekt een glimlach op haar lippen. Had Stan gelijk? Heeft ze gedaan wat ze kon? Haar mondhoeken krullen verder omhoog. Een euforische stemming sluipt Eva’s malende hersenen binnen. Beheersing, controle, bijna macht, is dat wat ze voelt? Ja! Eva wil het uitschreeuwen. Ja, ja, ja! Steeds luider wil ze het roepen. De nacht en de rede weten wel beter. Een hete douche brengt Eva tot rust. Een half uur later blaast ze haar haren droog en kruipt in bed. Door vermoeidheid overmand slaapt ze in. Alleen, voor het eerst in bijna tien jaar.   07:43. De zoemer aan de voordeur haalt Eva uit haar slaap. Even zoekt ze naast zich, maar ze is nog steeds alleen. Terwijl ze haar badjas omslaat, ziet ze op het scherm van de videofoon Stan staan praten met een man die ze niet kent. ‘Stan? Wat brengt jou hier?’ Wat later zit Eva met Stan en rechercheur Vrancken aan tafel. ‘Zal ik koffie zetten?’ vraagt die laatste tactvol. Alleen met Stan kan Eva zich moeilijk bedwingen. ‘Wat is er aan de hand, Stan? Mijn verklaring kan toch wachten tot ik op het bureau ben?’ Stan kijkt haar in de ogen, schraapt zijn keel. ‘Is je dienstwapen in huis, Eva? Ik wil het graag zien.’ Eva is verrast. Stan onderbreekt haar kordaat. ‘Toon me gewoon waar je je dienstwapen bewaart.’ Eva neemt Stan mee naar de slaapkamer en wijst op de kleine safe daar. Stan trekt handschoenen aan. 7707. De safe is leeg. Niet begrijpend kijkt Eva haar chef aan. ‘Hoe kan dat nu? Maandagavond laat heb ik de Glock hierin gelegd!’ Met het dienblad nog in de hand neemt Vrancken de leiding over. ‘Denk goed na. Wanneer heb je voor het laatst je wapen gezien?’ Eva aarzelt niet. ‘Zoals ik al zei. Dat was zonder enige twijfel eergisteren, ’s avonds laat. Na mijn avonddienst heb ik het in de safe gelegd. Gisterenavond had ik het niet bij me omdat we toen die opleiding Verkeersrecht hadden. Kunnen jullie mij niet gewoon vertellen wat er aan de hand is?’ De mannen wisselen een blik van verstandhouding. ‘Kijk Eva. Zoals we al vreesden zijn in het uitgebrande huis twee volledig verkoolde lichamen gevonden, een man en een vrouw. De vrouw is zo goed als zeker de moeder van de kinderen.’ Stan neemt er zijn notitieboekje bij. ‘Rosa Vazquez, 32 jaar, dubbele nationaliteit, Argentijns-Belgisch, vijf jaar getrouwd met Henricus Debaeck. Een buurvrouw herkende het mobieltje en de sleutelbos die in de keuken lagen, de bril van de vrouw was nogal opvallend, de lichaamslengte klopt, de gezinswagen stond op de oprit. Alles moet nog worden nagetrokken, maar veel twijfel is er niet.’ Rechercheur Vrancken kucht. ‘Het verkoolde mannenlichaam is moeilijker te identificeren. We hebben geen tweede mobieltje gevonden, geen sleutels, geen bril of zo. Er is geen tweede auto. Voor een positieve identificatie is het dus wachten op pakweg tandheelkundige gegevens. Toch staat het als een paal boven water dat het lichaam niet dat van Henricus Debaeck is. Dat is een kleine, eerder gezette man. Het stoffelijk overschot is dat van een man van haast twee meter.’ Eva verstijft. Mannen van twee meter zijn dun gezaaid. ‘Is Carlo thuis?’ Het lijkt of Eva de vraag niet heeft gehoord, maar dat is natuurlijk niet zo. Haar stem verandert in een laag, hees keelgeluid, ingehaald door het onvermijdelijke. ‘Zeg nu alsjeblieft niet dat je mijn pistool op de plaats delict hebt gevonden. Zeg dat alsjeblieft niet.’ Eva houdt het hoofd in beide handen, de vingers gespreid over haar mond. ‘Carlo is niet thuis?’ Eva schudt het hoofd. Tranen komen er niet. ‘Heb je hem vandaag nog gezien?’ Eva slikt opvallend. Tweemaal, driemaal. ‘Maandagnacht kwam ik rond een uur of twaalf thuis. Gedoucht. Nog wat gegeten. Samen een glas wijn gedronken. Rond een uur of twee naar bed gegaan. Ik heb een gat in de dag geslapen. Ik weet niet hoe laat Carlo gisteren naar kantoor is vertrokken. Het ging zeker laat worden, er was iets met een beursintroductie.’ Korte stilte. ‘We weten natuurlijk niet of hij het is. Maar jouw pistool lag inderdaad tussen beide lichamen in. Het serienummer stemt overeen met het register.’ Stan kijkt Eva ernstig aan. ‘Het mannenlichaam vertoont één schotwond. In de linkerslaap. Denken we. Dat kan wijzen op een wanhoopsdaad. De lijkschouwing vanmiddag zal uitsluitsel brengen. Kan Carlo de Glock uit de safe hebben gehaald met de bedoeling Rosa Vazquez om te brengen en daarna de hand aan zichzelf te slaan?’ Eva aarzelt. 7707. Zou de klootzak dat vergeten zijn? Nee … ! ‘Tja, ik heb hem wel eens … .’ Vrancken trekt de wenkbrauwen op. ‘Kom nu! Stan weet vast wel hoe dat gaat. Je komt laat thuis, moe, bezweet. Je duikt recht de douche in en leeft net lang genoeg op om voor TV in slaap te sukkelen. Wat later sleep je jezelf naar bed en denkt dan aan je Glock die nog op tafel ligt. Dan helpt je boomlange kabouter je toch graag een handje? Natuurlijk heeft hij hem wel eens in de safe gelegd. De lader ligt er niet bij, hoor. Die gaat met de rest van mijn gordel linea recta de bureaulade in als ik thuiskom. Netjes afgesloten.’ De toon van de rechercheur wordt formeler. ‘Kijk Eva, het forensisch team moet hier in huis een grondig kijkje komen nemen. Jij gaat best met ons mee naar het bureau, daar blijf je beschikbaar. Na de lijkschouwing zullen we zeker nog met je moeten praten. Het spijt me.’ Stan knikt. ‘Saskia van slachtofferhulp blijft de hele dag bij je. Het … heeft er helaas alle schijn van dat je een slachtoffer bent. En een heldin, natuurlijk. Laten we dat vooral niet vergeten.’   Op het bureau zit Eva urenlang door het raam voor zich uit te staren. Saskia houdt bewust afstand, Eva heeft geen behoefte aan praten. Wat gebeurd is, herhaalt zich in haar hoofd. Elke minuut. Eva heeft moeite om haar ademhaling onder controle te houden. Op een vreemde manier krijgt ze ook de brandgeur niet uit haar neus. Langgerekte wolken glijden voorbij. Over een uurtje is de lijkschouwing afgelopen. De technische recherche zal het plaatje netjes afwerken. Carlo’s vingerafdrukken staan op haar glas van maandagavond, naast de spoelbak. De forensische jongens vinden vast de sporen van benzodiazepine. Dus, zal Vrancken besluiten, heeft Carlo haar één of ander slaapmiddel gegeven zodanig dat hij zelf ongehinderd bij de Glock kon. Op de safe staan natuurlijk ook zijn sporen. En op de bureaulade. En op het sleuteltje. Carlo was een schatje. Rosa zal dat ook gedacht hebben. Teef! Ze kon de schaduw van hun gewriemel door het gordijn maar al te goed thuisbrengen. Lekker dicht tegen elkaar aan. Zeven keer de voorbije maand. Haar stank hing in zijn haar als hij thuiskwam. Maar oh nee, Eva, er is niets van aan! Ik ben van jou, Eva, alleen van jou. Tien jaar bijna, had hij gezegd, hij leek het er keer op keer te willen indrammen. Rosa’s nek was droog geknapt. Clean. Jammer, ze had haar de nagels willen uitrukken, de ogen uitsteken, haar oren en haar tieten afsnijden. Maar daar was geen tijd voor, en het paste niet in het plan. Met de Glock in de hand achter haar rug had ze Carlo binnen aangetroffen. ‘Carlo? Jij hier?’ Vanuit de sofa keek hij op. Betrapt. ‘Wat, wat brengt jou hier?’ ‘Ik werk bij de politie, schatje. Het raampje van de wagen op de oprit is ingeslagen.’ Eva ging naar hem toe. ‘Oh.’ Terwijl Carlo voorover boog om op te staan, hoorde Eva een spitsvondige uitleg door zijn hoofd ratelen. De kogel doorboorde eerst zijn linkerslaap en dan zijn leugens. De gasfles ging makkelijk. Carlo had die opgepikt die middag. En netjes in de wagen gelaten. Achter Rosa’s huis. Zijn vlam. Eva onderdrukt een glimlach. Die is uitgedoofd nu.   Stan en Vrancken komen met twee agenten het platform op. Eva huivert. ‘Eva Akermans, ik arresteer je wegens moord op Rosa Vazquez en Carlo Strackx.’ Stans stem klinkt schor. ‘Rosa’s man heeft verklaard dat Carlo tangoles nam bij haar. Als verrassingsact voor jullie tiende verjaardag samen.’ Eva steekt beide armen naar voren, de polsen naar boven. ‘Goedkope politiefilm,’ zucht ze Stan toe.         bart e. g. vinck

bart e. g. vinck
0 0

De boomgrens

De boomgrens   Ignace Pollet   Het pad is te smal, de grond te drassig. Niet voorzien op de wielen van een rolstoel. Ik kan niet meer terug, ben al te ver. Je hoofd schudt en slingert. Je laat je gewillig naar boven duwen, alsof het jouw beslissing is om te eindigen op deze hoge graslanden. We hebben ze samen ontdekt, lang geleden, tijdens de jaren van belofte en schuld. En herontdekt tijdens onze kinderloze tweede jeugd, de vrijheid van het lege nest, de inhaalmanoeuvers, de bucket list. Het was voor je benen het begaven, voor je binnenkant verbrokkelde, voor het licht uitging. Mijn handpalm zocht je niet meer, je vezels herinnerden zich niets. We komen boven de struiken uit. Op een heldere dag zouden we de vallei zien, het afgeleefde dorp, de rotonde met richtingaanwijzers naar de oorden van bezigheid. Ik duw de rolstoel op goed geluk verder. Het pad houdt op, alsof het niet echt een pad is maar de doorsteek van een kudde geiten. Waar de hellingsgraad vermindert, verspreiden de sporen van hun hoeven zich. Je knikt bij elke put waarin de wielen kantelen. De regen deert ons niet. Dit is onze laatste gezamenlijke inspanning. Je kijkt naar me op als ik de rem opzet. Om uit te hijgen. Omdat deze plek zo goed is als een andere. Je kijkt naar me. Je ziet me niet. Je ziet niets. Je had gewild dat het gehotsebots zou blijven duren. Dat ene straaltje zon tussen dat pak wolken, ik weet niet waar het vandaan komt. Het verlicht je lange grijze haar, nooit meer bijgekleurd sinds de dag dat je de weg naar ons huis niet terugvond. Irene trof je met je voorhoofd tegen haar achterdeur. Sakkerend bracht ze je terug. Sakkerend op mij. Alsof ik je niet al die tijd heb gevoed, verschoond, gekleed, bestudeerd, getest, dooreengeschud. Toegebruld. Wie ben ik, Friede, zeg me wie ik ben. Je rook aan het voedsel dat ik je voorzette. Je vingers in mijn hand bewogen als die van een kind. Je zat tussen de planten die ik dagelijks begoot en even zo vaak een dag oversloeg, tot jullie allemaal doorbogen, Ficus, Aloe Vera en jij. Je neeg naar de bodem, steeds dieper, tot de bodem bereikt was. Ik trek je regenjasje over je fleeze en zet je mijn muts op. Ofschoon je nooit een muts hebt willen dragen, komt er geen protest. Ik heb een blad vol handgeschreven woorden klaar maar door de regen lopen ze in elkaar over en de betekenis zou je ontgaan. Wanneer ik mijn gezicht tegen je wang druk, geeft je mee. Het hangt helemaal achterover hangen. Ik laat je los. De rolstoel wankelt. Vanop het geitenpad kijk ik nog eenmaal achterom . Je blik volgt me niet. Beneden ril ik van de uitgekoelde transpiratie. Mijn broekspijpen hebben de kleur van de modder. Wandelaars monsteren me argwanend, alsof ze weten dat ik een rolstoel heb achtergelaten. Een rolstoel met iemand in. Ik ga opzij om ze door te laten. De gids van de groep gromt iets tegen me maar ik schud het hoofd. Ik weet dat ik er niet vanaf kom, van het beeld van haar, alleen op een hoog plateau, de mond vol speeksel, de ogen vol nevel, de wangen nog zacht. Lange haren, lange vingers, lange nek, zelfs in haar rolstoel behoudt ze haar elegantie. Ze heeft me altijd vertrouwd. Toen ik te laat thuiskwam. Toen de kamer vol rook hing omdat ze het vuur was vergeten. Toen helderte haar verliet. Het beeld van haar zal me blijven volgen, ook al vervaagt het tot gestalte, silhouet. Ik stap in mijn wagn en wacht. Heb ik haar genoeg slaapmiddel toegediend? Zal het werken voor de vrieskou intreedt? Ik reken op een harde, droge winter, zodat niemand op het plateau iets te zoeken heeft. De koude nachten moeten Friede tot poreus gesteente maken, verpoederd, uitgehold van binnen, alleen nog bijeengehouden door de rode algen. Drie uur in de ochtend, een hond huilt in het dorp. De temperatuur blijft boven nul. Zit zij nu te rillen, te vechten tegen de slaap? Is ze met rolstoel en al omgevallen? Wordt ze opnieuw wakker van de ijzige wind?  Ik stap uit mijn wagen. Het geitenpad is niet meer te vinden. Mijn vingers verliezen elk gevoel, mijn tenen vinden geen grip. In laffe voren verzwik ik mijn beide voeten. Overal heeft de wind vrij spel. Ik strompel rond op wat ik vermoed het plateau is. ‘s Nachts is alles anders. Ik kam alle begaanbare plekken uit. Ze is er niet meer. Niet zij, niet de rolstoel. Ik speur de randen af, kijk in het niets. Het is te donker. Ik geef het op. Ik probeer de wagen geluidloos te starten. De motor loeit zo hard dat ik er meteen de sleutel uittrek. Ik open het portier en luister. Achter geen enkel raam wordt een licht aangestoken. Dit dorp is ontvolkt. Nogmaals in het contact. Met gevoelloze onderbenen ontkoppel ik en geef gas. Geduldig kruipt de auto de weg op. De lichten houd ik gedoofd tot ik tussen de bomen zit. Ik concentreer me op de gebroken strepen in het midden, hopend dat deze mij volledig kunnen inpalmen. Maar de strepen zijn te dun voor wat binnendrijft. Door de mistbanken heen meng ik hete thee met honing, koester ons oude hoofdkussen en laat haar laatst gedragen nachthemd door mijn handen glijden. In het ochtendwit stop ik voor een huis. Ik heb geen idee hoe ik hier geraakt ben. Ik ga achterom en stoot de achterdeur open. Irene zit er met koffie en een krant. Ze kijkt niet op. ‘Irene,’ zeg ik. ‘Ik zag dat je gebeld had. Ik ben de hele nacht opgebleven, Alex, de hele nacht.’ ‘Friede is verdwenen,’ zeg ik. ‘Ik vind haar niet meer.’ Hoe kan ik haar vertellen wat er gebeurd is. ‘Friede is al drie jaar dood, Alex.’

Ignace Pollet
0 0

Twee Bloemen (kortverhaal)

Twee verwelkte bloemen staan op de vensterbank voor het raam. Ze delen een aarden bloempot en een schrale kluit potgrond. Rechts, een rode wijnvlek. Alsof de kleur uit miserie uit de kroonbladen is gegleden en is blijven liggen op het kozijn. Hun stengels en kelkbladen zijn verdord. Het genadeloze zonlicht droogt hen nog wat verder uit. Als je goed luistert, kan je ze horen kraken en verschrompelen. Ooit zo kleurrijk en fleurig, nu gedoemd om te verworden tot vuile bruine schilfers en snippers, waar niemand nog aan zal ruiken. # 1 Ze dronk haar glas leeg, zette het op tafel en schoof de stoel achteruit. Onderuitgezakt met een hand achter het hoofd, keek ze nog even naar de bloemen. Ze vroeg zich af hoe zoiets prachtig had kunnen veranderen in zoiets ellendig. Bedroevend. Treurig. Ze schudde haar hoofd, stond op en wandelde naar het raam. De geur van verlepte bloemen, vergane glorie, drong in haar neusgaten. Ze zou hen beter weggooien in plaats van ze daar verder te laten creperen. Het was echt geen zicht en het had iets meelijwekkend, maar ze kreeg het gewoon niet over haar hart. Het was haar schuld dat ze dood waren. Haar godverdomse schuld. # 2 Ze bedacht dat het geen toeval is dat bloemen geven een teken van liefde is. Een groots maar ook broos teken, want zoals geliefden van elkaar afhangen, zo hangen bloemen van hun eigenaars af. Vergeet hen water en wat zonlicht te geven en het schone verdwijnt even snel als het schuim op een slecht gemaakte cappuccino. Iemand die bloemen geeft, zegt eigenlijk: “Ik vertrouw erop dat jij even goed zorg zal dragen voor deze bloemen, als jij dat voor mij doet. Zorg ervoor dat ze zo lang mogelijk bloeien en groeien.” Een relatie is dus net zoals een ruiker bloemen. Zolang ze bloeien, is het allemaal mooi en goed, maar eens ze beginnen te verwelken, kan het vlug lelijk worden. # 1bis Hij liep over straat en zag mutsen en sjaals gedragen worden door zich daaronder verstoppende mensen. Ze verstopten zich voor de kou, uit schrik dat indien ze te diep zouden inademen, de koude lucht niet alleen hun tenen, maar ook hun hart zou bevriezen. Hij gaf ze geen ongelijk. Met een bevroren hart kun je niet leven. Enkel pretenderen dat te doen. Met een bevroren hart valt ook niet samen te leven. Dat wist hij ondertussen ook al. # 2bis Wat ze voor hem voelde, had ze in één welgemikte zin naar zijn hoofd geslingerd. “Je bent een kamerplant.” Hij had niet beter gevonden dan te antwoorden: “En jij, onkruid. Dat vergaat niet en parasiteert op de rest”. Het verbaasde hem niet dat een romance tussen een kamerplant en onkruid geen lang leven beschoren was, maar toen ze eraan begonnen, waren ze nog niet meneer Kamerplant en mevrouw Pisbloem. Neen, toen waren ze Monseigneur Grote Leeuwenbek en Madam Magnolia en leek het allemaal wel goed uit te zullen draaien. Ze zouden zich samen naar de zon richten en diens stralen omzetten in een onuitputtelijke energie om groter, sterker en mooier te worden. Het eeuwige samenzijn lachte hen toe. # 3 Ze duwde haar pink in de potgrond. Droog. Geen enkele korrel bleef kleven aan haar vinger. Alle levenskracht uit de aarde gezogen door de hongerige wortels. Arme aarde. Ze nam het plastic potje uit de vaas en zag dat de wortels er onderaan uit staken. Op zoek naar restjes water en mineralen, waren ze dieper en dieper gaan zoeken om ten slotte op de kale bodem van de bloempot te stoten. Ze moeten zo teleurgesteld zijn geweest als een ruimtevaarder die na maanden vliegen door het eindeloze zwarte heelal, eindelijk landt op een planeet, uitstapt en niets buiten stenen en stof ziet. Voor de wortels betekende de bodem het einde van reis en ze gaven het op. Een ruimtevaarder stapt terug in zijn ruimteschip en zoekt verder. Welk van de twee paden haar lot zou zijn, wist ze nog niet. # 3bis Hij liep voor een naderende bus in en wist net op tijd de stoep te bereiken. Hij voegde zich in de stroom winkelende mensen en diepte zijn trillende gsm op uit zijn borstzak. Het was een bericht, zijn gsm dan toch niet rillend van de kou. ‘Waar ben je?’ Goede vraag. Hij antwoordde haar: ‘Wie ben jij? Nu begon ze zich plots zorgen te maken. Nu, na maanden snoeien en pesticide sproeien, zou ze haar kamerplant eindelijk wat aandacht schenken. Nu was het te laat. De zure regen had zijn werk gedaan. Er zat niets meer in de aarde om verder op te groeien. Helemaal uitgeput. ‘Depleted’ zouden ze in Londen zeggen. # 4 Ze zonk neer in de zetel en legde haar gsm op het salontafeltje. Ze wist niet wat te doen. De kasten waren gevuld met boeken, geschriften waarin ze geen enkele raad zou vinden. De stoelen stonden rond de tafel, maar er was niemand om mee te overleggen. De stilte in huis was daar om gebroken te worden, maar bleef halsstarrig doorklinken. Nu had ze iemand nodig. Nu. Op dit ogenblik, in dit moment besefte ze hoe eenzaam hij moet geweest zijn. # 5 Ze bleef nog even rechtop zitten en liet zich vervolgens neervallen op de beige zetel. Ze tuurde naar het witte plafond. Hij was vrij duidelijk geweest en zij had het klaar en helder verstaan. Hij zou niet meer terugkomen tenzij voor zijn spullen te komen halen. Hun relatie was in een barre winter terechtgekomen. Beter, een ijstijd. De bomen waren zonder bladeren en zouden geen knoppen meer krijgen. Een dooi, een lente was onmogelijk geworden. # 4bis De lucht deed zijn grijs gewaad aan en begon dicht te trekken. Hij dwaalde door de stad en liet zich leiden door zijn automatische piloot. Die deed hem landen bij Bar Celona, waar Céline achter de toog stond. Hij bestelde een cappuccino en bleef staan aan de bar. “Alsjeblieft.” Ze zette een koffie met halfslachtig opgeklopte melk voor zijn neus. Het schuim verdween als sneeuw voor de zon. Gelukkig voor de zaak was ze beter in het tappen van pinten met een deftige schuimkraag. “Céline, wat als ik je zeg dat ik klaar ben om verpot te worden?” # 5bis Verpotten moet je in de lente doen, had hij ergens ooit gelezen. Moet je doen als de wortels uit de pot groeien, want dat betekent dat de plant geen kant meer uit kan en zou stoppen met groeien. Wel, dat moment was aangebroken. Zijn winterslaap had lang genoeg geduurd. Maanden binnen zitten, wachtend op een geniale inval, een antwoord, een aanbod. Hij snakte naar wat zonlicht, verse grond. Een nieuw begin. # 6 Hij had maanden zitten lanterfanten, terwijl zij met moeite de tijd kon nemen om eens fatsoenlijk te slapen. Duizenden ideeën vulden zijn hoofd, pende hij neer op papier, maar werden nooit bewaarheid. Hij wou ondernemen, uitvinden, de wereld verbeteren, maar kwam niet verder dan zijn eigen bureau. Behoorlijk tragisch. Hij weigerde, in afwachting van het grote licht, wat te werken waardoor zij de boel draaiende moest houden. ‘Later’ zou hij dat allemaal dubbel en dik terugverdienen. Nu zwart zaad, later gigantische bomen. Dat was zowat zijn motto, al vergat hij blijkbaar dat zaad te planten. Zelf stelde hij het dan voor als dat ‘de zon nu even niet scheen’. # 6bis Geen enkel idee zou ze kunnen opnoemen, mocht hij het haar vragen. In haar ogen vergooide hij zijn tijd. Was hij een verstrooide en nutteloze pater die opstond zonder doel, ging slapen zonder reden om wakker te worden en leefde zonder te bestaan. Zij wou vooruit, wou dingen bereiken, een richting kiezen en zo ver mogelijk geraken. Als hij haar dan vroeg welke richting, bleef het stil. Kon ze niet antwoorden. Zelf was ze in de eerste beste job getuimeld en had ze besloten daar alles voor op te geven. Om te bestaan zonder te leven. # 7 Die nacht lag ze op haar zij met haar ogen gesloten. Ze vroeg zich af of ze nu eigenlijk de achterkant van haar oogleden zag of dat haar ogen gewoon ophielden met werken. Veel maakte het in ieder geval niet uit, het resultaat zou het hetzelfde blijven. Als ze haar ogen sloot, liet ze een zwart doek neer. Een zwart doek waarop gedachten en twijfels, zo hardnekkig als onkruid, konden woekeren. Hoe harder ze probeerde hen tegen te houden en in te dammen, hoe verder ze zich verspreidden en uitbreidden. # 7bis De zwakke ochtendzon duwde zachtjes tegen de gordijnen en liet zichzelf na even twijfelen toch binnen. Céline lag met een speelse lach nog vredig langs hem te slapen. Zijn zaad was geplant. Nu nog een ander bloempje uittrekken, met wortel en al. Als dat geen goede reden was om op te staan. Hij zou een deel van zijn spullen gaan halen, vertrekken en tijdelijk bij Céline verblijven. De praktische zaken en de grote spullen zouden ze later wel afhandelen, dat kon wachten, maar hij moest en zou vandaag vertrekken. # 8bis De deurbel had weerklonken. Hij had het altijd een stom deuntje gevonden, maar nu werd hij er om een of andere reden vrolijk van, fleurde hij er van op. Hij keek rond zich en zag een kleine deuk in de muur. Die was daar gekomen toen hij vol goede moed de nieuwe zetel naar boven had gesleurd. Bleek dat ze hem toch niet zo leuk vond. Hij meldde haar dat ze hem dan maar zelf naar onder mocht brengen. De deur ging open. # 8 De deurbel had weerklonken. Ze zat net met haar koffie in bed, verschoot en verslikte zich. Ze wist haar kop op het nachtkastje te zetten en zo te vermijden dat haar gebroken witte lakens zouden veranderen in vodden die bescheten leken. Ze stapte in haar pantoffels en slofte naar de deur. Zaterdagmorgen, om negen uur, welke nietsnut heeft er dan niets beter te doen? Zonder te kijken, opende ze de deur. # 9 “Goedemorgen.”   “Dag Leo, wat kom je doen?”“Wat spullen en kleren halen.”   “Ben je niet beschaamd over het uur?”“Je bent toch wakker. Wat maakt het uit?”   “Niets dan. Kom binnen.”“Ik kom later nog terug voor m’n computer en zo te halen.”   “Waarom blijf je niet gewoon?”“Waar valt ervoor te blijven?”   “Dit, ons, wij.”“Neen, voor jou was het altijd al ik en jij.”   “Wat bedoel je daar mee?”“Gewoon, het is over, gedaan tussen jou en mij.”   “Het kan niet dat er niets meer is.”“Zie je die twee bloemen daar. Dat zijn wij. Gereed voor de composthoop. Miserabel groenafval.” # 9bis Ze wist niet wat te zeggen. Ze wou fel en nietsontziend, furieus tekeergaan. Hem neer-branden tot tegen de grond zoals dat gebeurde met de olijfgaarden van de oude Grieken. Dan zou het nog jaren duren vooraleer er terug vruchten zouden verschijnen. Ze wou hem met de grond gelijk maken, geen enkele spaander heel laten, maar deed het niet. Ze kreeg haar mond niet open. Alsof er terpentijn tussen haar lippen zat. Hij hoopte dat ze zou ontploffen. Dat ze met een wolk napalm heel zijn regenwoud zou affikken. “I love the smell of napalm in the morning”. Een Apocalyps en nu, graag. Hoe minder hij moest opruimen, hoe makkelijker het zou zijn om iets op te bouwen. Op een afgebrande akker groeien de dingen nu eenmaal beter. Maar het bleef stil. Hij nam een rugzak, vulde die met kleren en zocht twee paar schoenen uit. Ze stond en staarde. “Dan ga ik er maar mee vandoor” # 10 -01 Ze keek hem aan, sprak hem aan. Zonder woorden. Begreep hij wat zij wou. Hij keerde zich om, zonder vaarwel, en vertrok. De deur leek voor hem een grens. Een grens die hij over moest om opnieuw te kunnen beginnen. Te verrijzen uit zijn as. Een grens waar de douane zijn koffer niet zou openbreken maar zijn verleden voorgoed in beslag zou nemen. Zijn handel in verdrongen herinneringen en verbroken beloftes voorgoed kwijt. Ergens veilig weggestopt in een kluisje aan de grens.  

Egbert Dasdonk-Mirador
144 1

Die eerste glimlach

We noemden jou ons geschenk uit de hemel. Het was een lange pijnlijke bevalling geweest waarbij je koppig naar de verkeerde kant bleef kijken - en de vroedvrouw zat te draaien en te wroeten in mijn lijf om je goed te draaien. Ook ik was koppig en duidelijk overmoedig om jou zonder epidurale uit mijn lijf te persen. En toen was je daar, het schoonste en meest kwetsbare wezen op deze planeet. De werkelijkheid verdween naar de achtergrond. De sneeuw en de koude buiten stonden in schril contrast met de gloed van warmte, licht en liefde waarin wij werden opgenomen toen jij ter wereld kwam. De gynaecoloog was nooit helemaal zeker van haar stuk geweest toen ze jouw geslacht bepaald had. Ook tijdens de echo's al had je een sterke wil getoond en was je niet van plan zomaar te tonen wat wij wilden zien. Dus toen de vroedvrouw jou in mijn armen legde, werd mijn blik automatisch naar de plaats tussen jouw benen getrokken en zag ik daar dat je zonder enige twijfel een jongen was. Mijn jongen, wat heb je ons vele slapeloze nachten bezorgd. Iedereen die op kraambezoek kwam in het ziekenhuis schrok van de felheid van jouw gekrijs. In de rest van de gang was het stil, op een kreetje van een enkeling na die honger had of een vuile luier. Jouw honger kon echter op geen enkele manier gestild worden en zelfs als je een verse luier droeg en dicht bij mij of jouw papa lag, bleef je vaak schreeuwen, uren aan een stuk. De meeste verpleegsters waren erg lief en behulpzaam, maar er was ook een harde tante bij die jouw papa en ik Cruella hadden gedoopt. Zij sprak ons vermanend aan alsof het onze schuld was dat je van geen ophouden wist. Eén keer wou ik jou een badje geven, maar dat was zonder Cruella gerekend. Zij trok jou uit mijn armen omdat zìj, degene met bakken ervaring, mij eens ging tonen hoe het moest. Wat was ik je toen dankbaar dat je het op een nog harder krijsen zette en je uiteindelijk toch een beetje kalmeerde toen ik je opnieuw in mijn armen hield. We deden er alles aan om je te troosten lieve jongen en eerlijk waar, op geen enkel moment verloren wij ons geduld. We werden het gewoon dat je het gros van de dag schreeuwend doorbracht, lieten je op onze buik slapen omdat dat de enige manier was om je even naar dromenland te laten vertrekken. We droegen je in een draagdoek omdat je rechtop zittend duidelijk minder last had van jouw maag en darmen - de oorzaak van jouw gehuil. We verloren ons geduld niet want jij was ons geschenk uit de hemel. Papa verloor wel heel wat van zijn haren en mijn rug werd steeds pijnlijker, maar we hadden het allemaal over voor jou, lieve schat. En op een keer, toen je me weer midden in de nacht gewekt had, ik de uitputting nabij was en op het punt stond om uiteindelijk toch mijn geduld te verliezen, toen krulden jouw twee mondhoeken zich naar boven en keek je me doordringend aan. Een warmte welde op in mijn hart en ik glimlachte terug naar jou, vol ontroering. Veel vroeger dan de gemiddelde baby maakte jij glimlachend contact met mij. Daarom dacht ik eerst dat het toeval was, maar toen je mijn glimlach beantwoordde met een mimiek die nog duidelijker was dan voordien wist ik dat jij niet alleen een geschenk maar ook een wonder was dat ik altijd zou blijven koesteren. 

Aline S
27 1
Tip

Laten we het maar liefde noemen

“Het was niet echt een knappe man, maar hij had wel iets. Zoals Freddie Mercury, dat was ook geen knappe man, maar hij had ook wel iets. Ik wil trouwens niet verliefd worden… Ik ben al verliefd! Maar goed... Het eten was eigenlijk wel gezellig, niet dat het chique was of zo, maar het was in ieder geval geen Mc Donalds… Ik heb hem laten betalen. Hij stond erop. Dat vond hij normaal vond hij, dat een man betaalde, net zoals de deur opendoen of de stoel achterover schuiven. Echt een gentleman. Het was de eerste keer dat hij een date had sinds zijn echtscheiding, zei hij, maar ik weet niet zeker of ik hem geloofde. Hij had een pak aan, kun je dat nu geloven? Een grijze. Welke man draagt nu een pak op date? Hij praatte nogal veel over zijn ex vond ik. Ik liet hem maar. Je weet dat ik een goede luisteraar ben. Beter luisteren dan praten. Flirten deed hij eigenlijk niet. Ik denk dat hij daarvoor het zelfvertrouwen miste. Van mij had het wel gemogen. Toen we naar buiten liepen, het was bij negenen, pakte ik zijn arm beet. Een beetje menselijk contact kan geen kwaad, dacht ik. Ik merkte dat hij zich er wat ongemakkelijk bij voelde, maar ik zette dapper door. Geen haar op mijn hoofd die eraan dacht zijn arm los te laten. Tot dat moment wist ik eigenlijk niet of ik wilde. ‘Nog een slaapmutsje bij jou?’ hakte ik meer de knoop door voor mezelf dan voor hem. Hij schrok er een beetje van, de arme kerel. Hij had waarschijnlijk niet gedacht dat ik zo gemakkelijk zou zijn. Maar ja, het is alweer enkele weken geleden, en ik wilde je niet teleurstellen… God wat was hij onhandig. Hij gaf me wel een amarettootje, maar daar bleef het dan ook bij. Geen muziekje, geen dimmen van de lichten, en nog altijd geen geflirt. Niets. Het leek wel alsof hij nog nooit met een vrouw had gedate. Bijna had ik gewoon mijn amarettootje uitgedronken en hem goede nacht gewenst. Maar toen dacht ik dat het misschien wel leuk was zelf de jacht te openen. Ik ben altijd veel te passief geweest, denk ik, niet als minnaar dan, maar wel bij het versieren. Ik liet het altijd over me heen komen. Dat is misschien het voordeel van niet lelijk te zijn, of van vrouw te zijn, je hoeft er eigenlijk nooit veel voor te doen. Ik schopte mijn naaldhakken uit en kroop wat dichter naar hem toe. Ik probeerde echt te doen als een verleidelijke deerne, dat is toch wat mannen aantrekkelijk vinden, of niet?” James luisterde ijverig, of dat hoopte ze toch. Het was inmiddels twee weken dat hij niet meer kon spreken. “Ik vond het echt zo belachelijk… Onschuldig en sletterig doen tezelfdertijd. Wat is dat moeilijk, weet je! Daarin hebben mannen het wel gemakkelijk, ze moeten gewoon wat stoer doen, wij moeten altijd van alles zijn! Hij bleef maar naar zijn handen staren waar hij precies geen weet mee wist. Ik begon me zelfs een beetje te ergeren, hoe ik ook probeerde positief te denken. Een vrouw is niet gewend om zo hard te werken om iemand in bed te krijgen, weet je! Was het niet voor jou, had ik die man zeker laten vallen. Voor zoveel moeite was hij lang niet knap genoeg! Dan zit hij daar met een knappe vrouw in zijn zetel en weet hij niet wat hij ermee moet aanvangen. Snel dronk ik mijn amaretto leeg. Niet omdat ik er een einde aan ging maken, maar omdat ik een beetje dronken wilde worden. Dan ben je moediger, toch? Moest je denken dat hij me er nog eentje aanbood, dan ben je eraan voor de moeite. Het leek wel alsof hij van me af wilde. ‘Vind je vrouwen die seks hebben op een eerste date te gemakkelijk?’, vroeg ik hem liefjes. Ik legde één van mijn handen op zijn dij en streelde hem zacht. Eindelijk keek hij me aan. ‘God, daar heb ik eigenlijk nog nooit bij stilgestaan.’ Hij staarde naar zijn glas en sprong nerveus recht, maar zijn halve erectie in zijn broek was mij niet ontgaan. ‘Nog eentje?’ ‘Graag!’ Eindelijk, dacht ik. Ik merkte dat hij lichtjes beefde toen hij mijn glas volgoot. ‘Wil je me dronken voeren’, vroeg ik sarcastisch toen hij het glas bijna tot de rand had vol gedaan. Hij grijnsde ongemakkelijk. ‘Sorry.’ ‘Kom hier terug bij me zitten’, zei ik, en klopte verleidelijk dicht naast me op de zetel. Een beetje aarzelend kwam hij terug naast me zitten, alsof hij een jongen was die een kwajongensstreek had uitgehaald en nu op het matje geroepen werd. Op een vreemde manier deed hij me aan onze kat van vroeger denken. Weet je nog hoe die altijd zijn hoofd schuin hield als hij iets had uitgestoken en we hem riepen en hij maar probeerde om niet op het bevel in te gaan? Zijn glas whisky hield hij strategisch voor zijn kruis. Ik nam het glas amaretto op en dronk er een grote teug van, alsof het limonade was. Ik voelde me aangenaam bedwelmd en werd steeds stoutmoediger. Langzaam liet ik mijn hand van zijn dij naar zijn kruis glijden. Hij zuchtte. Zacht, heel zacht, maar het ontging me niet. Ik werd zelf ook een beetje nat. Vooral van het vooruitzicht. Ik probeerde zijn broek open te maken wat geen sinecure was met zijn handen ervoor. Ik haatte het, maar leek wel net een bakvisje die voor het eerst in haar leven de broek van haar vriendje openmaakte. Al die tijd keek hij me niet aan. Bewegingloos bleef hij zitten. Bijna als een standbeeld.” Ze hoorde hoe James adem verzwaarde. Het was de enige reactie die hij haar gunde. Verder bleef hij haar met die lege bruine ogen van hem maar aanstaren alsof dit de eerste keer was dat hij haar zag. Het heeft lang geduurd voordat ze daar aan gewend raakte, maar uiteindelijk had ze geen andere keuze. Ze werd weer een beetje nat bij het denken en herbeleven van haar verleidingsspel. In het begin had ze het ronduit beschamend gevonden om hem over haar seksuele escapades te vertellen. Toen had hij nog kunnen spreken en had hij haar steeds aangemoedigd om verder te gaan, als één of andere perverseling die anoniem van achter zijn computer de pornoverhalen van anderen doorstruinde. Maar zelfs de computer had hij toen al niet meer kunnen gebruiken, daarvoor hadden zijn handen teveel getrild. “Hij deed zijn handen eindelijk uit de weg zodat ik er beter aan kon. Elke man wil het wel als je zover was. En zo lelijk dat ze me liever kwijt waren dan rijk, ben ik ook niet. Ik haalde zijn pik uit zijn broek en begon hem langzaam te masturberen. Er droop al voorvocht uit dat mijn hand zo glibberig maakte als een aal. Het was duidelijk dat het al een hele tijd geleden was van hem. En nog steeds keek hij me niet aan. Hij bleef daar maar zitten. Zijn halfgesloten ogen op zijn penis gericht, alsof hij hem voor de eerste maal stijf zag. Daarna begon ik hem te pijpen. Heel langzaam en grondig. Ik deed alsof het jouw pik was die ik in mijn mond nam. Je weet wel dat sommige meisjes haarfijn het verschil kunnen zien tussen de pik van hun vriendje en de pik van iemand anders, maar voor mij zien de meeste piemels er toch eender uit, hoor. Ik deed mijn ogen halfdicht en deed alsof ik met jou de liefde bedreef. Net zoals vroeger. Wat maakte me dat geil! Hij was zo passief weet je. Pas naar het einde toe legde hij eindelijk zijn hand op mijn hoofd. Aan het versnellen van zijn ademhaling kon ik horen dat hij op het punt stond om klaar te komen. Ik liet zijn pik los, wat niet gemakkelijk was, want hij hield mijn hoofd tegen. Ik liet me op mijn rug vallen zodat ik mijn slipje uit kon doen. Ik was echt nat geworden door over jou te fantaseren. Achteloos smeet ik mijn slipje tussen de zetel en de salontafel. Ik wachtte even. Ik wilde dat hij terug op adem kon komen zodat hij niet meteen zou klaarkomen als ik hem in me bracht.” Onderzoekend keek ze naar het aangezicht van James. Ze vond het vreselijk dat hij geen enkel teken meer kon geven. Ben ik nu zijn hoer, moest ze onwillekeurig denken. En aan hoe gemakkelijk ze dat was geworden. Twee jaar inmiddels ging ze op afspraakjes. Toen had hij zowat heel zijn lichaam nog kunnen bewegen. Ze herinnerde zich hoe ze de eerste keren na haar verhaal, zijn broek probeerde uit te doen. Hij had namelijk altijd een stijve gehad. Ze had hem altijd oraal willen bevredigen, maar steeds had hij haar tegen gehouden. Wat had ze zich vernederd gevoeld. Van de enige pik die ze eigenlijk in haar mond wilde nemen, kreeg ze geen toestemming. Ze had zich dan altijd uit de voeten weten maken, want ze wilde hem absoluut niet haar tranen laten zien. Inmiddels werkte ook dat stukje van zijn lichaam niet meer. “Ik wilde hem eigenlijk niet zoenen, weet je… Dan werd het terug hem waar ik mee vrijde, en ik wilde dat het jou bleef.” Ze grinnikte. “Ik wou mijn lippen op de zijne drukken. Hard en nat. Vol lust, maar zonder liefde. Meer uit verplichting. Maar hij wendde zijn hoofd af, kun je dat nu geloven? ‘Nee’, zei hij schor, en deed zijn ogen dicht. Het moet wel heel vreemd klinken, maar voor mij was dat echt een afknapper. Ik ging op hem zitten, liet hem naar binnen glijden, en terwijl ik zelf mijn ogen dichtkneep en aan jou dacht, maakte ik de klus af. Geen vijf minuten later kwam hij klaar. Ik was inmiddels alweer droog aan het worden. ‘Waar is het wc?’ vroeg ik, na een minuut stilte, wat me wel aanvaardbaar leek. ‘De hal in… de eerste deur rechts.’ Snel stond ik op, nam mijn slipje van de grond en waggelde met open benen naar het toilet. Ik voelde zijn sperma langs mijn dijen glijden. Wat vond ik het vies. Ik wou daar eigenlijk zo snel mogelijk weg. Nog nabevend van het orgasme was hij zelf ook weer zijn broek aan het dichtknopen toen ik terugkwam van het toilet.” Haar seksuele verhalen waren voorspelbaar; ze eindigden altijd op dezelfde manier: het waardeloze gevoel en het weg willen. Zo moest een hoer zich ook voelen, dacht ze. En meteen dacht ze aan hoeveel ze van deze man hield, maar hoe blij ze zou zijn dat hij eindelijk dood zou zijn. Hoe lang kon ze dit nog aan? Ze zuchtte even, hief dan haar achterste uit de eenzit en deed voor de tweede maal die avond haar slipje uit. Het was plakkerig en ze was opgelucht het uit te kunnen doen. “Zo, ik ga douchen”, zei ze, opgewekter dan ze zich voelde, terwijl ze recht stond. Zachtjes legde ze haar slipje op zijn schoot. Nog net voor ze hem voorbij liep, zag ze tranen blinken in zijn ogen.

Malakh Ahavah
69 1

Het vertrek

Vijf minuten over tijd. Te vroeg om zich ongerust te maken.   Voetstappen van de pendelaars echoën door de stationshal. Er wordt amper gesproken op dit vroege uur. Ieder loopt in gedachten verzonken of met slaapogen langs hem heen. Enkel de stem van de omroeper galmt van tijd tot tijd luid door het gebouw. Het gieren van de remmen dringt vanuit de lager gelegen sporen tot in de hal door. Kort nadien verschijnt de stroom reizigers boven aan de trappen. Zodra ze de open ruimte bereiken, lost de kudde op in kleinere groepjes. Nadien worden het stuk voor stuk individuen die de kortste weg naar hun werk inslaan.    Tien minuten. Het ongeduld begint de kop op te steken. Nog te vroeg om die gevoelens toe te laten. Er kan van alles zijn waardoor ze iets vertraagd is. Hij heeft zich altijd al geërgerd aan haar nonchalance bij afspraken. Zelf houdt hij eraan om altijd stipt op tijd te zijn. Niet te vroeg maar zeker ook niet te laat.   Een lichtstraal valt door de grote ramen de stationshal binnen. Terwijl de wolken verder wegtrekken, verheldert de zon het hele gebouw. Alsof dit zonlicht een glimlach op de gezichten van de pendelaars tovert. Ineens is de vermoeide blik uit vele ogen verdwenen en lijkt levenslust op te borrelen. Met een vrolijke noot blaast de muzikant de ochtend op gang. De melodie weerklinkt door het hele gebouw. Een deftig geklede dame huppelt even op de muziek en denkt dat niemand haar gezien heeft.   Een kwartier. ‘De Thalys met bestemming Parijs komt over enkele ogenblikken aan op spoor 12’, schalt door de hal. ‘Voor deze Thalys is een reservering verplicht.’ Hij kijkt naar de twee tickets in zijn hand. Zijn maag krimpt samen in een pijnlijke prop: het besef dat ze niet meer zal komen.  

Marieke Genard
0 0
Tip

Horzel

Zandkorrels doorzeefden de zonneharpen die rood en moe door het gebladerte braken. Met elke beweging van Roels schepje tolde het zand omhoog om daarna weer de zandbak in te zinken. Al een half uur was hij zandkastelen aan het bouwen. Een rijk voor koning Roel. Daarvoor had hij alle spades, harkjes en emmers uit de speeltuin verzameld. De meeste andere kinderen waren toch al weg. De schommel werd nog slechts bewogen door wind en de glijbaan schoof uitgeput de laatste zandkorrels van zich af. Op het terras zaten nog een paar ouders met lome, uitgespeelde kinderen. Hoewel de geur van wafels en pannenkoeken nog in de lucht hing, waren de meeste tafels al afgeruimd en herinnerde alleen een leeg flesje aan vroegere aanwezigheid.  Roel had enkel oog voor zijn zandkastelen. Tien omgekiepte emmers stonden er als torens te pronken. Nu lag hij op zijn buik en kerfde hij met een scherp takje in de muren, die door grillige verticale lijnen op pilaren leken te steunen. Het kasteel werd een tempel. Koning Roel werd keizer Roel. Een mier liep vanuit het zand kietelend op Roels hand. Roel drukte haar plat met zijn duim. Hij voelde het kleine lijfje kraken tegen zijn huid en veegde de bruine vlek weg met een glimlach. Een gelig insect scheerde plots brommend voorbij. Roel ging rechtop zitten en kliefde met zijn hand door de lucht. ‘Weg, wesp!’  Het diertje vloog opnieuw vervelend brommend rond zijn hoofd en dook toen de bomen onder.  ‘Dat is geen wesp, maar een horzel’, klonk een hoog stemmetje. Vlakbij Roel stond een kereltje met blonde krullen. Roel had hem nog niet eerder gezien. Zat hij daarnet op het terras? ‘Scheer je weg, dikzak’, zei Roel op een toon die hij van zijn moeder gewoonlijk niet mocht aanslaan. Het jongetje bleef echter staan en staarde naar zijn voeten. Zijn blote tenen wriemelden als wormpjes in het zand. ‘Vind je me dik?’ vroeg hij toen. ‘Wat is dat eigenlijk, dik?’ Roel lachte. Wat een onnozel ventje. Begreep niet eens dat Roel hem uitlachte. Was misschien ook de eerste keer. Nou, het zou niet de laatste zijn. ‘Jij bent dik. Dat zeg ik toch net? Zie je daar staan, met je dikke armen en benen.’ Roel plakte er een voldaan lachje achter.  Het jongetje hield zijn hoofd schuin en haalde zijn schouders op. ‘Dus ik ben dik, omdat je mijn armen en benen dik vindt?’ vroeg hij. 'Misschien zijn mijn kleren wel te klein.’ Roel schudde verbluft zijn hoofd. Wat een vervelend ventje!  ‘Nee, jij bent dik’, herhaalde Roel en hij beklemtoonde de ‘jij’. ‘Waarschijnlijk geeft je moeder je alleen hamburgers te eten?’ Die toevoeging beschouwde hij als het einde van het gesprek. Tevreden draaide hij zich om en richtte hij zich weer op zijn bouwwerk. ‘Eigenlijk lust ik geen hamburgers.’  Het schrille jongensstemmetje echoode tegen Roels muren van zand. Met een ruk draaide Roel zich om. Daar stond de krullenbol nog steeds.  ‘Lust jij ze wel? Hamburgers, bedoel ik. Ben jij dan ook dik?’ ‘Ik ben helemaal niet dik, joch!’ riep Roel. Dat laatste woord surfte op een klodder spuug uit zijn mond. ‘Ik ben zo sterk als een beer! Zo dapper als een koning! Zo machtig als een keizer! Hier is mijn rijk en dikkerds zoals jij, die amper een emmertje kunnen opheffen, zijn NIET welkom!' Nauwelijks onder de indruk kwam het jongetje dichterbij en hij raapte een plastic emmertje op.  ‘Kijk, ik kan dit emmertje zonder moeite opheffen. Jij zegt dat dikkerds dat niet kunnen. Dus ben ik niet dik, toch?’ Elk woord van het jongetje leek door de lucht te gieren en met een smak tegen Roels wangen te beuken. Hij voelde hoe die roder en roder werden. ‘Dat is MIJN emmertje’, snauwde hij. Hij stond op en graaide het plastic speelgoed uit de hand van het jongetje. Die wankelde even en stootte zijn voet tegen een zandkasteel. De bovenkant stortte in elkaar.  ‘Als je niet dik bent, dan ben je wel dom! Dom om mijn tempel kapot te maken!’ riep Roel en hij ging dreigend voor het jongetje staan. Hij spreidde zijn benen en zette zijn handen op zijn heupen. Het jongetje hield zijn hoofd weer schuin en fronste zijn wenkbrauwen. ‘Je noemt me dom. Maar jij zei daarnet wesp tegen een horzel. Was dat dan slim?’ vroeg hij. Roel balde zijn handen. De trilling in zijn vuisten verried hoe zeer hij zich moest bedwingen om niet toe te geven aan het verleidelijke vooruitzicht van een mep. Over het hoofd van het jongetje zag Roel de mensen op het terras. Zijn moeder, die onafgebroken tuurde naar het scherm van haar smartphone. Hopend op een sms van zijn vader. Wat als ze plots naar Roel zou kijken? Ze zou boos worden. Ze zou zeggen dat hij geen ruzie moest maken. Zeker niet mocht vechten. Roel zette een stap naar achteren. ‘Ik kan niet alles weten, druiloor’, fluisterde hij met nauwelijks ingehouden woede. ‘En scheer je nu weg.' ‘Dus af en toe iets fouts zeggen, betekent niet dat je dom bent? Wat is dan dom zijn?’ vroeg het jongetje.  Het zweet brak Roel uit. Alsof de laatste zonnestralen van de avond allemaal tegelijk op zijn rug vielen en hem eerst zacht prikten, maar daarna zwaar en jeukend schrijnden over zijn huid. Zijn hartslag bonsde luid in zijn oor. ‘Laat me met rust!’ piepte hij benauwd. ‘Jij noemde me toch dom? Ik wil graag weten waarom.’ Roel lachte nerveus. ‘Je bent te nieuwsgierig, kleine.’ Het jongetje lachte ook. ‘Dus jij zou mij slim vinden als ik jou niets meer zou vragen?' Het gebons in Roels oor zwol aan tot een monotoon gebrom. Hij hield zijn handen op zijn oren en siste: ‘Precies. Maak dat je wegkomt.' De lach van het jongetje groeide.  ‘Bedankt om je ideeën met me te delen. Ik zal er zeker nog verder over nadenken’, zei hij. Een blonde vrouw met krullen riep plots van aan de rand van de speeltuin. ‘Ach, zit je daar!’ Het jongetje draaide zich om en baande zich wankelend een weg door het zand. ‘Ik kom, mama!’ Roel veegde zuchtend het zweet van zijn voorhoofd. Zijn hoofd tolde nog. Langzaam zette hij een stap naar achteren. Zijn voet kwam op een van zijn zandtorens terecht en hij verloor zijn evenwicht. Met een doffe plof viel hij midden in zijn keizerrijk, dat zonder aarzelen instortte. Het jongetje met de blonde krullen stond ondertussen bij zijn moeder. Ze lachte naar hem en legde haar hand op zijn schouder. ‘Tijd om naar huis te gaan, Socrates’, zei ze.

Gitta VR
21 4

In ons midden

Deze ochtend ben ik iemand voorbij gefietst die zich in de regen op de grond had neergelegd. Midden op de grote markt. Een jonge vrouw met een dikke grijze wintermantel, opgerold als een foetus, stil en onbeweeglijk. Het was een bevreemdend tafereel, mistroostig tussen de onregelmatige regendruppels die flirtten met verdwaalde sneeuwvlokken. Mensen leggen zich niet zomaar neer zonder bed of zomer, en dan nog op de natte straatstenen in deze vrieskou. Ze was geen dakloze, ze nestelde zich niet in een portiek of onder een brug. Open en bloot lag ze pal in het midden van het grote plein, enkel beschut door haar totaal niet haveloze kledij. De kap van haar mantel met een bontkraagje stevig rond haar hoofd getrokken, armen voor de borst gevouwen. Zwarte winterlaarzen met eveneens een bontkraagje onder opgetrokken knieën in een broek met onduidelijke donkere kleur. Crisiskleuren, zoals zovelen ze dragen in deze tijd, de zonnige tinten uitgebannen. Wel een paar fluweelrode handschoenen die iets sierden. Had iemand ooit zoiets gezien?   Ik fietste haar voorbij. Want ik ben de schrijfster/journaliste en dit zou een verhaal van hoop worden. Bevrijding lijkt meestal te komen na de ellendigste wanhoop. Alle miserie op een hoopje tot die een reusachtige berg is geworden waar je niet meer overheen kan. Of afdalen tot in de diepste put waar geen bodem of konijn wacht zoals bij de kleine Alice die wél een wonderland kent. Blijven vallen of kruipen, moederziel alleen, tot je het opgeeft – geblokkeerd – en erbij gaat neerliggen, je lot uit handen geeft. Zo lag die dame daar, dat voelde ik tot in mijn vingertoppen. Ze kon niet meer. Genoeg geweest. Op, ten einde. Ze had zich eindelijk overgegeven, op een uiterst bizarre manier weliswaar. Totaal radeloos met nog een zweem van elegantie, had ze zich zo deftig mogelijk opgevouwen midden in de anonieme openbaarheid. Het kon toch geen volledige reddeloosheid zijn, ze had haar plekje zo goed gemikt. Er passeerden daar voldoende voorbijgangers. Wat ze uitstraalde, was die dubbelzinnigheid van een gekwetst kind dat zich schreeuwend van zijn moeder losrukt. “Laat me met rust” en “help me alsjeblieft” tegelijkertijd. Pijn die moeilijk kan zijn, bedreigde veiligheid. De confrontatie was voor mij te groot, wat kon ik bijdragen behalve dit gadeslaan en rapporteren. Ik parkeerde mijn fiets een beetje verderop en ging een cafeetje in, achter het raam zitten, met pen en notitieboekje. Lekker warm theetje binnen met uitzicht op de grote markt. Hallucinant. Ik kon er niet in doordringen. Iets met fictie en werkelijkheid, droom en daad, deze wereld en die andere echte mystieke. Die verloren vrouw de hand reiken of zelfs nog maar gewoon even stoppen en het woord tot haar richten; ik geloofde dat ikzelf daar niet toe in staat was maar anderen wel. Ik zou afwachten wat er verder gebeurde, in mijn kunstenaarscocon. Dit moment was te kostbaar om er niet stil bij te gaan zitten. En kijk, daar was een eerste passant die stil hield. Een man op leeftijd, hij keek eens naar links en naar rechts rond op de grote markt. Was er niemand anders die eveneens zijn pas minderde en bleef staan bij deze gekke vrouw… Wat moest dit in hemelsnaam?   Ik was razend nieuwsgierig hoe dit zich verder zou ontplooien. Zou er eens iets veranderen? Ik had net een symbolisch fietstochtje gemaakt, was bijna thuis toen ik die dame daar plots zag liggen, niet levend en niet dood. Eigenlijk ben ik al een hele tijd aan het ronddolen, al wandelend of fietsend. De mensen rondom lijken zo verdoofd of verslaafd, bijna zonder uitzondering. Waar kan ik nog heen? Ik was net nog een broodjeszaak gepasseerd waar de dienster na haar eerste ochtendshift vlug buiten op straat een sigaretje rookte. Onze collectieve staat van snelle valse bevrediging is zo maatschappelijk verantwoord als wat. Duurzaamheid en werkelijk zuiver contentement is precies een randfenomeen. De stad is vol koffiebars en tegenwoordig heten de drinkers van het zwarte duivelssap hipsters. Ze openen pop-ups, tijdelijke zaakjes zoals die wenskaarten waar kinderen dol op zijn. (Voor je verjaardag krijg je een kaart die je kan openflappen en waar 3d-figuren en muziek uit komt. Tovenarij! Magie! Wonder der techniek! Je wordt er wild van en kan niet ophouden met de kaart open en dicht doen. Verwachting die blijft uitkomen. En na een poosje begint plots het liedje te vervormen. De batterij loopt leeg. Lichte paniek. Betovering verbroken, doodgewone realiteit keert weer. Niks kan het tij nog keren, dit is niet gemaakt om te kunnen repareren. Weldra is de kaart onherroepelijk voor de papiermand. Vaarwel pleziertje. Op naar de volgende aandachttrekkerij!) Er bestaat nu zelfs een dampwinkel, vol elektronische sigaretten in alle mogelijke synthetische geuren en kleuren. Bekenden van me blijken alcoholisten te zijn, of rokers of dampers, van tabak of wiet, of wat dan ook. Niet zomaar voor een keertje - een opkikkertje of zondagse verwennerij, eens gek doen om niet gek te worden - maar dagelijkse kost. Zoals ik water drink of brood eet. Vriendinnen zijn koffiekletskousen, shopaholics, chocoladekickchicks. Ontmoette ik ooit een zelfverklaarde nuchtere man, was die eigenlijk seksverslaafd. Een andere bleef constant lachen als een idioot, zelfverklaard verlicht of natural high, you name it. Nog een andere had niet door dat ie dan maar workaholic was geworden. En ga zo maar door. Pù nog te zwijgen over de reguliere pillenslikkers en tv-zappers. Niet bijster gezond allemaal. Redelijk deprimerend zelfs. En ik kan mezelf niet helemaal vrijpleiten, al heb ik wel het een en ander door. Ik kan me niet ontdoen van mijn generatie, ik ben niet meer of niet minder. Ik kan wel wat schrijven of eerder noteren – zoals die verslaafden die ik hier eenduidig typeer elk stuk voor stuk hun noemenswaardige talenten hebben. Wanneer komt echter deze grootsheid serieus aan de oppervlakte? Waar zijn we bang voor? Waarom houden we de schijn op, desnoods tot en met een dagelijks geschminkt gezicht waarachter we ons verbergen? Wat zitten we onze tijd te verklikken op facebook of schuivend achter een schermpje? Wie zet de eerste stap om haar masker af te gooien, waardig en sereen, naakt en trots, met de eeuwige glimlach?   De situaties met groeipotentieel doen zich gewoon voor, vlak onder onze neus. Veel hoeven we niet te doen, enkel geduldig zijn en meewerken. Zo zat ik erbij deze ochtend, in het café met mijn thee. Mijn pen in de aanslag, want dit werd een cruciaal verhaal. Die jonge vrouw lag daar niet zomaar op een doordeweekse dag. Grijs met rode handen, opgerold als een garnaal, ver van de zee. Een zeemeermin die haar staart was verloren? Een dame die haar verstand kwijt was? Een zottin? Een verdwaalde ziel met een dichtgeplamuurd hart? De oudere man die erbij was gaan staan, leek het zich eveneens af te vragen wat dit te betekenen had. Wat moest hij nou doen? Hij boog voorover en zag enkel gesloten ogen. Regen en tranen waren vermengd. Hij praatte tegen haar, maar dat had geen effect. Ze bleef stil en onbeweeglijk liggen in haar eigen pose, zichtbaar bij bewustzijn. Ze was niet gevallen of had niet een of andere crisis zoals een epilepsieaanval of hartstilstand, zoveel was duidelijk. De man durfde haar niet aanraken. Een hand in haar richting had haar een beetje doen opschuiven en zich nog meer doen oprollen en terugtrekken in zichzelf, als een beest in een kooi. Hij wenkte andere voorbijgangers, die sowieso al halt hielden bij het bizarre tafereel. Zelfs wie voorbij fietste, minderde even vaart en ontwaakte kortstondig uit zijn normale doen. Verward, verstoord, opgeschrikt; evenveel ongemakkelijke reacties als passanten, een enkele die luidop lachte. Er verzamelde zich al gauw een groepje rondom de vrouw. Bijna zo onvertrouwd als de oorspronkelijke situatie zelve van de eenzame dame. De mensen wisten zich geen raad, er waren er die naar hun mobieltje grepen. Zou iemand de hulpdiensten telefoneren? De troep werd zo groot dat ik de vrouw niet meer kon zien liggen. Het werd een ongecontroleerde wirwar van mensen en blikken. Wie nu nog halt hield op het plein, wist helemaal niet meer wat er gaande was. Dit was het moment voor mij om terug naar buiten te gaan, samen met enkele andere cafégangers. Het plein stroomde stilaan vol. Nu zou het bijna gaan gebeuren. Hoe lang zou het nog duren? Flitsende sirenes? Ambulance of politie?   En toen werd het nog vreemder, vooraleer er ordebewaarders arriveerden. Twee roodfluwelen handschoenen staken plots in het midden boven de menigte uit. Twee handen die elk een andere hand vasthielden. De jonge vrouw was klaarblijkelijk opgestaan en klemde zich nu vast aan de handen van de toevallige passanten. Eén ervan herkende ik: die allereerste man die bij haar was komen staan. Twee handenparen troonden breed en hoog in de lucht, als een rare overwinning. De dame bleek redelijk groot, groter tenminste dan een gemiddelde vouw. Je kon het bovenste van de kap van haar mantel ontwaren boven de anderen uit. En stilaan kwam er beweging. De rode handen leidden de groep traag in een zekere richting. Mensen volgden curieus, geprikkeld, verwachtingsvol. Ik liep mee in de verwarring die toch ergens heen leidde. Ze nam ons mee naar de kathedraal! Ik voelde iets van vreugde. De laatste tijd was ik in kerken mijn heil gaan zoeken, de nog overgebleven stilteplekken van de stad. Niks met religie of godsdienst te maken, krachtplekken bestaan sinds mensenheugenis. En nu slaagde deze vrouw erin om een mensenmassa naar binnen te lokken in onze fiere kathedraal?! Ik was verstomd. En ik niet alleen. De spanning steeg, samen met oorverdovend geroezemoes. Mensen gaan al gauw praten om te proberen begrijpen. Vatten met taal als overlevingsboei.  Waarom ging iedereen mee de kerk binnen? Van wie waren die rode handschoenen? Wie was dat? Wat zou die vrouw daarbinnen gaan doen? Wat was ze van plan? Wat was dit voor een gedoe? Wat had dit in godsnaam te betekenen? Zou dit een ordinaire reclamestunt zijn…   Ik stond achteraan in de kerk en genoot met volle teugen. Het maakte niet uit wat er zich nog verder zou ontwikkelen. Er was al iets veranderd. We stonden met zijn allen in onze kathedraal op een gewone weekdag, even uit onze dagdagelijksheid gehaald. Al was die evenveel waard, want een voorval als dit kan werkelijk elke dag ontstaan, in het klein of het groot. We waren nu met enig besef deel van een groter geheel dat we niet snapten, door deze merkwaardige ervaring. Allerlei mensen door elkaar, een bont gezelschap in een kerk, daar terecht gekomen als waren ze de rattenvanger van Hamelen gevolgd. Een onbekende dame had iets onnoemelijks teweeggebracht. Het enige wat ze had gedaan, was zich oprollen als een foetus midden op de grote markt in de stad tot er genoeg publiek rondom haar verzameld was om met onverwachte hernieuwde moed rechtop te gaan staan. Ze had vreemde handen stevig vastgenomen, niet dwingend en toch losten ze niet. Het hoorde zo, dit was even nodig. Vele andere mensen hadden eveneens elkaars handen vastgepakt, al hielden ze ze niet hoog in de lucht zoals die met de roodfluwelen handschoenen. Ik bleef nog even met mijn ogen dicht in het tumult en liep dan de kathedraal uit om de verbreking van de betovering niet hoeven mee te maken, om de magie vast te houden, de ware kunst. Want deze vrouw was geen heilige, natuurlijk niet, zij ging geen wonderen voor ons verrichten.   Het bijzondere had zich reeds voltrokken. Teleurstelling zou sowieso volgen als de massa uit elkaar viel en elk terug zijn eigen weg ging, verder de stad door de realiteit in, weliswaar een speciale herinnering rijker. Vanavond zou het wel in het nieuws komen, of zo meteen al op de sociale media. Sensatie! Afleiding van onze algehele verdoving! Dan wisten we gauw wat het nou precies was, ieder kon zijn interpretatie eraan toevoegen. Analyses en opinies. Wie bij de parade was bij geweest, tot en met deze vrouw op het altaar was gekropen, grijs met haar rode handen in de lucht, ohlalaaaaa! Zo kon ik niet denken, ik had het van in het prille begin meegemaakt. Deze jonge vrouw was de wanhoop nabij geweest, dat had ik gezien, ze was vleesgeworden wanhoop. In een laatste poging had ze omsingeld haar handen in de lucht gestoken en was gewoon beginnen wandelen, nog een restje intuïtie gevolgd. Het begin van een spirituele queeste. Ik dankte de vrouw met de rode handen in stilte, wie ze ook was, waar ze vandaan kwam of naartoe ging. Ik dankte alle mensen aanwezig in de kathedraal. Zij stonden open voor een tijdsbubbel van verbinding, een sacraal moment, verpakt in een mini-massahysterie. Of massamysterie? Ik grinnikte zelfs, gans dit binnenpretje kwam naar buiten. Het laatste wat ik hoorde toen ik een waterzonnetje in liep, was een heel uniek lied van een rauwe vrouwenstem, half huilend, half schreeuwend. Nog nooit eerder gehoord. Prachtig schoon met een grote hoek af. Ik keerde me nog even om, en zegende dit alles met een onhandig gebaar van mijn pen.

Elke Van Opstal
15 0

Vos

Ik hoorde de kippen kakelen. Niet verontwaardigd zoals gewoonlijk, wanneer de ene de andere op de poot getrapt had. Of wanneer ze het allemaal op hetzelfde graantje gemunt hadden. Of wanneer de hond te dichtbij kwam. Mijn kippen waren steeds verontwaardigd. Maar deze keer niet. Ze kakelden eigenlijk ook niet. Ze krijsten. IJzingwekkend, zo midden in de vriezende nacht. De hond blafte. Ik rende de trap af en trok mijn laarzen aan. De sleutel had ik gelukkig op de deur laten steken, uit schrik dat het slot anders kapot zou vriezen, want ik beefde te hard om de sleutel er in te steken. Met een grote lamp rende ik naar het kippenhok. Ik gleed bijna uit, maar kon me vasthouden aan de omheining. Het gekrijs was opgehouden. Ik trok het hok open en zag mijn kippen, morsdood. Koppen afgebeten. Verontwaardiging in hun ogen. Achter me hoorde ik gejank. Ik draaide me om en scheen met mijn lamp op de vos. Hij had Tilly in zijn bek, de kleinste en zachtaardigste kip van het hok. De vos had een grote wonde tussen zijn ogen en miste wat vacht. Hij ademde snel, zag ik aan de wolkjes die uit zijn neus kwamen. Hij rende weg, onze weide in, richting het bos. Ik rende achter hem aan, maar hij was te snel. Ik gleed uit. Waarom had ik het ook geprobeerd? Wat had die vos mij ook misdaan? Het vroor nu eenmaal, en hij had vast honger. En zijn gehavende kop en vacht bewezen dat de kippen zich verweerd hadden. Maurice, de oude haan, had zijn dames vast goed proberen te beschermen. Waar was Maurice eigenlijk? Ik had hem niet gezien tussen de slachtoffers. Ik stond op en wandelde weer naar huis. En daar lag Maurice, dood in de weide, in stukken als de kalkoen die we nog niet zo lang geleden voor kerst aten. Voor het eerst in zijn leven keek hij niet verontwaardigd. Beschaamd eerder, dat hij hen niet had kunnen redden. Ik raapte op wat ik kon. Hij was een goeie jongen, onze Maurice. Ik wilde hen ’s ochtends begraven, maar wilde hen niet nog enkele uren daar in de kou laten liggen. Misschien kwam de vos wel terug. Ik nam een spade en probeerde die in de bevroren grond te duwen. Min twaalf, zo koud is het in geen jaren geweest. Ik bleef steken tot ik een diepe put had, ook al zou ik daarna nog twee weken stijf zijn. Ik legde hen zo dicht mogelijk bij elkaar in de put en gooide de bevroren stukken zand er weer op. Daarna nam ik een stoel, en bleef zitten bij hun graf. Min twaalf. Het zijn maar kippen, zei ik mezelf. Maar waren het maar kippen? Had ik hen als kuiken niet grootgebracht en een naam gegeven? Had ik geen emotie gezien in hun ogen, en gehoord in hun gekakel? Had Tilly niet keer op keer haar hoofd tegen mijn schouder gelegd, wanneer ik haar optilde omdat ze zo dom was om in de regen te blijven zitten? Had ik hen niet telkens bedankt voor hun eieren met een krop sla of een bloemkool? Hadden de kippen en ik dan geen band waarin we elkaar voedden? Een soort natuurlijke band? In de verte hoorde ik een vos keffen. Misschien was het wel de vos die Tilly meegenomen had. Misschien riep hij zijn kinderen wel. Of zij. Dat er eindelijk nog eens eten was, na dagen van ontbering en koude. Ik stond op en wandelde naar de rand van de weide. Misschien is de natuur wreed, maar bij min twaalf is wreedheid soms de enige manier om te overleven. Als mijn kippen en ik een soort natuurlijke band hadden, heb ik hen nu teruggegeven aan de natuur.

MDB
0 0

Geronimo's Rarekiek!

Meneer Visser stond erom bekend een voorzichtig en bijzonder nauwgezet man te zijn. Ik hoorde hem weleens treffend over zichzelf zeggen: ‘Ik laat de ene riem door het water, de andere langs de oever strijken.’ Toen hij op een avond later had moeten doorwerken op kantoor, baande hij zich haastig een weg doorheen de drukke straten van de stad om op tijd het treinstation te bereiken. Uit gewoonte wist hij dat daar de laatste trein richting huiswaarts klaar stond op perron twaalf. Hij arriveerde net op tijd en helemaal buiten adem in het station. Met het zweet nog op zijn voorhoofd parelend plofte hij zich achteloos neer in de zachte zetels van een eersteklascoupé. Door het raampje keek hij toe hoe de trein het felverlichte station, en niet veel later ook de stad, verliet, in de richting van het in duisternis gehulde platteland. Tevreden slaakte hij een zucht van voldoening, waarna hij de ogen sloot en zich op het ritme van het schokkende treinstel in een ondiepe slaap liet wiegen. Dat deed hij wel vaker, zodat hij doorheen de jaren het uitzonderlijke talent had ontwikkeld om op het exacte ogenblik te ontwaken wanneer de trein zijn halte bereikte. Hij voelde aan dat het moment daar was gekomen. Zorgeloos stapte hij met een sprongetje uit het gestopte treinstel en plofte neer op het zanderige perron. De trein sloot zijn deuren weer en vertrok puffend en klagend. Voor het eerst merkte meneer Visser op hoe verschrikkelijk donker het buiten was: aan de hemel waren de sterren talrijk aanwezig, helder schitterend in afwezigheid van enige andere lichtbron. Op het eenzame geoehoe van een uil na was het stil. Argwanend fronste hij de wenkbrauwen en hij wachtte geduldig af tot zijn ogen wenden aan het donker. Na enige tijd kon hij in grote drukletters zijn fout aflezen op het blauwe stationsbord. ‘Zo, zo,’ mompelde hij tegen zichzelf, beseffend dat hij in zijn haast een verkeerde trein was opgestapt. Hij bracht nog wat woordeloze geluiden voort om zijn recente bevinding te delen met de akelige stilte rondom hem, wanneer hij plots een vaag, rood licht bemerkte; heel zwak en nauwelijks zichtbaar schijnend in de verte. Meneer Visser voelde een uitzonderlijke aantrekkingskracht om naar het licht toe te wandelen en zonder aarzelen (maar nauwlettend in de gaten houdend waar hij zijn voeten plaatste) stapte hij weg van het verlaten stationnetje, het rode licht tegemoet. Naarmate hij dichter kwam kon meneer Visser langzaam maar zeker een vorm herkennen in het licht: het was een in neonlicht gevormde hoed. Hij zag nu ook de contouren zichtbaar worden van het gebouw waarop de hoed bevestigd was. In sierlijke letters stond op de voorgevel in het groot geschreven “GERONIMO’S RAREKIEK!”. Zijn oude angst voor het onbekende weerhield hem bijna om dichterbij te komen, maar een klein papiertje achter de raam van het gebouw lokte toch zijn nieuwsgierigheid. Hij las: “Vanavond: bijzondere voorstelling! Maak een reis door het leven van je tweede zelf!” Voorzichtig opende meneer Visser de deur van het gebouw en tuurde hij binnenin. Een flauw licht verlichtte de kamer, waar op het eerste gezicht niemand te zien was. Een elektrisch orgel speelde zachte muziek. Eens binnen zag hij hoe stoelen rondom rond een centrale kijkkast opgesteld stonden. Op een van de stoelen zat een man te slapen. Hij droeg een lange jas en een hogehoed, als een oude circuseigenaar. Bij het horen van zijn bezoeker sprong hij recht uit zijn stoel en maakte hij zichzelf bekend als Geronimo. Een spraakwaterval van grootse woorden overviel meneer Visser, waaruit hij begreep dat Geronimo’s tent normaal gesproken afgeladen vol zat, maar dat het een uitzonderlijk rustige avond was gebleken. ‘O, maar ik wist zeker dat iemand zou komen,’ zei de man ten slotte mysterieus, ‘de juiste persoon.’ Geronimo ontblootte zijn witte tanden en nam meneer Visser bij de schouders vast. Hij plaatste hem op een stoel voor twee kijkgaatjes in de kijkkast en legde hij uit: ‘Maak u gereed voor een vreemde ontmoeting, meneer Visser; u zal een man te zien krijgen die geen enkele gelijkenis met uzelf treft: uw tweede zelf. U hebt uw hele leven zelfverwijtend doorgebracht, u hebt een minderwaardigheidscomplex, u voelt zichzelf geremd, u geeft zichzelf de schuld voor het niet volgen van uw impulsen. Tja, wat zijn deze impulsen? Het is de druk van uw tweede zelf op het handvat van de deur naar uw leven, meneer Visser. En nu zult u komen te herkennen waarom u deze deur gesloten houdt, waarom u remmingen heeft, waarom u uw impulsen niet volgt. Bent u er klaar voor, meneer Visser?’ Zo begon de reis doorheen het leven van zijn tweede zelf. Voor de ogen van meneer Visser verschenen een voor een twaalf beelden, elk begeleid van een onderschrift en een verklarende uitleg van de oude Geronimo, die de beelden verwisselde en tussendoor zenuwachtig heen en weer schuifelde doorheen de kamer. De onderschriften die de beelden begeleidden waren achtereenvolgens:   Het pad dat je wilde bewandelen De brief die je wilde schrijven Het leven dat je wilde redden De job die je wilde uitoefenen De vrouw die je wilde liefhebben De zin die je wilde horen De deur die je wilde openen Het pak dat je wilde dragen De vraag die je wilde stellen Het land dat je wilde bewonen De kans die je wilde grijpen   Op sommige beelden was meneer Vissers tweede zelf te zien, terwijl hij op de andere beelden enkel een situatie zag waarin zich zijn tweede zelf zou hebben ontwikkeld. Hij keek aandachtig en zweeg gedurende het hele gebeuren. Na enige tijd wierp hij zijn ogen van de kijkgaten weg en riep luid: ‘Genoeg!’ Natte tranen rolden over zijn wangen toen hij de oude Geronimo in de ogen keek. Ook Geronimo huilde, zij het stil en medelijdend. Zonder verder nog een woord te zeggen verliet meneer Visser de kamer; hij sloot de deur achter zich en zag buiten het ochtendlicht al aan de horizon verschijnen. In het verlaten treinstation wachtte hij op de eerste trein die de richting van de stad uitreed.

arnomaetens
0 1

Verboden vrucht

‘Wisten jullie,’ vroeg Matteo in slecht Engels, ‘dat de verboden vrucht geen appel maar een tomaat was?’ Hij glimlachte en wierp de rode vrucht in kwestie nonchalant op en neer. ‘Wat een onzin!’ riep Ed uit. ‘Waar haal je zoiets vandaan?’ We zaten op het terras van Matteo’s finca en dronken koffie en grappa, terwijl de gastheer druk in de weer was ons een lunch voor te bereiden. Ik stond aan het balkon en keek uit over de lager gelegen vallei, die uit wijngaarden en droge akkers bestond tot zo ver het oog reikte. De ouwe Texaan Ed Sullivan zat als enige aan het tafeltje onder de parasol en speelde een kaartspel. Naar eigen zeggen was hij op het eerste het beste vliegtuig richting Italië gestapt nadat hij een foto van Toscane zag in een Amerikaans reistijdschrift. “Net als een droom!” had hij wild enthousiast uitgeroepen toen hij met z’n koffers arriveerde op het domein van Matteo. Ik genoot van de hete koffie en was niet bepaald geïnteresseerd in een filologische discussie over een Bijbelverhaal, maar het tweetal dacht daar duidelijk anders over. ‘Luister eens hier,’ wierp Matteo op tegen Ed, ‘waarom denk jij anders dat we in Italië van een pomo d’oro spreken? Een gouden appel. En in Frankrijk spreken ze over pomme d’amour; de liefdesappel. Moet ik er nog een plaatje bij maken? Ik zeg het je, Ed, die duivelse Eva was verlekkerd op tomaten!’ Hij sneed er één in stukken en stak smaakvol een part in zijn mond. ‘En of ze gelijk had!’ grinnikte hij geamuseerd. Ed keek hem wantrouwig aan en kwam met een tegenargument aanzetten. ‘Akkoord, Matteo,’ begon hij, ‘maar die beide benamingen tonen net aan dat er éérst een appel was, alvorens men de tomaat kende. Semantisch gezien dan. Zonder Eva’s appel was er geen gouden appel of een liefdesappel, begrijp je?’  Matteo moest op mijn gezicht hebben afgelezen dat ik de redenering van Ed volgde, want hij vroeg me op de man af: ‘Dus jij denkt dat Ed gelijk heeft?’ Ik kon me nu niet langer uit de discussie onthouden. ‘Ik moet toegeven dat je een interessant punt aanhaalt, Matteo,’ zei ik, ‘maar ik volg Ed. Als we er vanuit gaan dat Eva de eerste vrouw was, moet zij toch de vrucht gegeten hebben die het eerst benoemd werd? Anderzijds,’ bedacht ik me op dat ogenblik, ‘werden tomaten nog tot laat in de negentiende eeuw als puur vergif gezien, in onze contreien. Ik bedoel, men kweekte haar toen al wel voor haar knappe kleuren, maar in gerechten meed men ze als de pest. Misschien zat het Bijbelverhaal daar dan toch wel voor iets tussen?’ ‘Ach nee, wat bewijst dat?’ vroeg Ed. ‘Die angst had puur te maken met haar verwantschap aan de uiterst giftige nachtschade, en niets met Eva’s zondeval! Bovendien weten we toch allemaal dat die appel voor iets geheel anders symbool stond in het verhaal, nietwaar?’ Hij ontblootte zijn vals gebit en schaterlachte. Matteo knipoogde en bracht de lunch op tafel.

arnomaetens
0 0

Badkuipbluess

Ella opende haar ogen onder water en keek naar het door het water dansende badkamerplafond.Met enige tegenzin kwam ze boven om adem te halen, om vervolgens zo langzaam als mogelijk weer uit te ademen en haar hele lijf mee te laten deinen alsof ze geen enkele weerstand kon bieden aan de zuurstof die haar lichaam verliet en het badwater dat hierop reageerde. De spiegels waren aangedampt en de kamer was gevuld met een mix van stoom en opgesloten sigarettenrook. Grijze wolken die bleven breken boven het licht van de van de twee blauwe kaarsen die op het oude houten handdoekenbankje naast het bad stonden te flikkeren, maakten dansende schaduwen op de muur erachter. OP de achtergrond kon je het gedempte verloop horen van de jazzplaat die in de andere kamer stond te spelen.  Met een diepe inhaal strekte Ella zich uit en ging ze rechtop liggen, het moderne meubilair en de heldere witte voegen tussen de tegels irriteerden haar.  Het verraadde de plaats en tijd waarin ze zich bevond. Ik ben in de verkeerde tijd geboren, bedacht ze zich.Met niet al te veel verbeelding kon eender wie die zich aldaar de ogen sloot, een sprong in de tijd nemen en zich in een verouderde flat in Parijs wanen.  Waar dronkenlappen en oude vrijsters zich ophielden in onderbelichte bars die stand hielden wanneer andere zaken zich sloten. Waar de oude saxofonist van een ingehuurde band bleef zitten en na enkele borrels in zijn eentje een beter  optreden gaf voor de drie overgebleven klanten, dan in de betaalde uren daarvoor.  Misschien was het typisch voor iemand van haar leeftijd om vroegere tijden te romantiseren. Om het gemakzuchtige leventje dat ze niet meer kon missen te verafschuwen en zich schuldig te maken aan de luxe om neer te kijken op de wegwerpgeneratie waar ze zelf deel van uit maakte. Misschien was het vroeger net zo. Waarschijnlijk. Toch leek het haar toen beter. De tijd voor televisie, gsm’s en internet, waar het leven simpeler was, weliswaar harder maar simpeler in eenvoud.  Waar armoede in elke huishouden tekeer ging als een wervelwind die elk gespaard korstje brood van tafel veegde , maar waar de dingen die er echt toededen nog waarde hadden. Ze draaide de kraan toe en keek naar haar handen onder het wateroppervlak. haar vingertoppen leken zichtbaar te verschrompelen alsof de tijd onder  water sneller liep. In dromen blijken uren slechts seconden, misschien was dit net zo, of misschien had het niets met water te maken. Misschien gaven haar vingers sneller toe aan de strijd in haar hoofd en wilden ze niet langer meewerken aan de leugen over jeugdigheid, die allang was verdwenen.

Esje Volter
5 0

parabel van het schip

Nelo was zoals iedereen opgegroeid op een schip. Niet bij iedereen echter werd dat schip bestuurd door twee personen, bij Nelo wel. Kapitein stond aan het roer, Tweede Stuurman hield het schip schoon. Af en toe wisselden ze wel eens. Het was een goed schip waar de jongen op groot werd gebracht en dat voelde hij zelf ook zo aan. Toen Nelo ouder werd leerde Kapitein hem alles over het weer, het water en het roer. Tweede Stuurman vertelde hem alles over het onderhoud van het schip en over de verhoudingen tussen een kapitein en zijn bemanning. Toen hij achttien werd voelde de jongen zich geen jongen meer maar een man en kocht zo snel mogelijk zijn eigen schip. Niet al zijn leeftijdsgenoten deden dat, velen kozen ervoor om voor even of zelfs voor lange tijd op het schip van hun jeugd te blijven varen. Nelo wist dat hij geluk had gehad alles te kunnen leren wat hij moest weten om zijn eigen schip te kunnen besturen; hij zag dat dat bij anderen vaak niet zo was. Hij koos er bewust voor om geen bemanning te nemen. Hij had zoveel zin om het geleerde in de praktijk om te zetten en wilde dat het liefste helemaal zelf doen. Nelo genoot met volle teugen. Heel af en toe stak er wel eens een kleine storm op die hij dan moedig alleen trotseerde, maar er was hem nog niks overkomen waar hij niet tegen opgewassen was. Na een tijdje voelde Nelo af en toe de nood om toch even uit te blazen en begon hij te zoeken naar bemanning. Een geschikte Tweede Stuurman vinden bleek echter niet gemakkelijk. Sommige kandidaten nam hij een tijdje mee aan boord, maar Nelo merkte al gauw dat ze niet compatibel, niet capabel of eenvoudigweg niet interessant genoeg waren. Uiteindelijk vond hij dat wanneer je samen een schip deelde het toch ook een beetje gezellig moest zijn. Zo bleef hij dus maar alleen verder varen en stiekem vond hij dat nog steeds het leukste. Hij genoot van zijn eigen gezelschap en vond dat hij kon sturen als de beste. Jarenlang ging dat prima, tot er plots een herfst aanbrak met heel veel en heel grote stormen. Met veel vaardigheid stuurde Nelo, die inmiddels een echte man was geworden, het schip over de woeste zee en overwon telkens meer gevaren. Langzaamaan voelde hij zich weliswaar moe worden, maar hij wist dat er zonder Tweede Stuurman geen mogelijkheid was tot rusten en zette moedig door. Gauw zou de zon weer schijnen en dan kon hij even bijkomen. Storm na storm bleef zich echter aandienen en putte zijn lichaam en geest helemaal uit. Het werd zo erg dat hij op een gegeven moment het allerliefst zijn roer wilde loslaten. Nelo wist dat hij dan tenonder zou gaan met het schip waar hij zo van hield. Telkens opnieuw deed zijn liefde voor het schip hem volhouden, maar het kostte hem steeds meer moeite. Toen op een dag een heuse orkaan uitbrak wist Nelo dat hij niet de energie had om zich er nog doorheen te slaan. Hij had twee keuzes. Het roer loslaten en snel onder de golven verdwijnen, of met zijn laatste restjes energie het roer nipt vasthouden wetende dat het bijna onmogelijk was om op die manier veilig door de storm te raken. Op hoop van zege koos hij voor het laatste.  Liggend op het kletsnatte dek, met één hand het houten roer boven zijn hoofd vastklemmend en kijkend naar de dreigende hemel vol bliksemschichten gaf hij zich over aan wat zou komen. De ene gedachte na de andere flitste aan hem voorbij. Hij dacht aan het schip dat hij zou verliezen, dat ooit mooi was maar dat er door de vele stormen eigenlijk vreselijk aan toe was. Hij dacht aan alle aspirant-bemanningsleden die hij aan boord had gehad en wist dat geen van hen in staat zou zijn het nu van hem over te nemen. Toch voelde hij jaloezie egens alle andere Kapiteins die hij kende die wel een Tweede Stuurman aan boord hadden. Hij dacht aan de Kapitein en Tweede Stuurman die hem hadden grootgebracht, die zo’n mooi team hadden gevormd. Hij voelde verdriet en boosheid omdat anderen er wel waren in geslaagd het perfecte scheepsmaatje te vinden. Zij hebben het niet zo zwaar als ik! Waarom moet ik alles alleen doen! Ik ben te moe om het nog alleen te doen! Hij vroeg zich af of iets hem nu nog zou kunnen redden. Hij voelde zich al verloren, maar liet toch het roer niet los. Uren of misschien wel dagen later werd Nelo wakker van een zonnestraal die zijn gelaat verwarmde. Hij opende de ogen en probeerde om zich heen te kijken. Zijn hele lichaam verkrampte van de pijn wanneer hij zijn hoofd draaide om de ravage rond hem te aanschouwen. De mast van het schip was afgeknakt en had zich op nauwelijks een halve meter van Nelo in het schip geboord. De relingen waren afgebroken, de achtersteven leek door een monster te zijn opgeslokt. De voorsteven kon Nelo niet zien maar langzaam daagde het hem wel dat er nauwelijks meer van het schip over was dan een stuk van het dek. De hemel was nog steeds grauw en grijs, een klein gaatje in het wolkendek zorgde ervoor dat die ene zonnestraal precies op zijn gezicht neerviel. Zijn hand zat niet meer om het roer geklemd, dat waarschijnlijk ook geen dienst meer deed. Hoe het mogelijk was dat de golven het schip niet geheel hadden verzwolgen kon hij moeilijk bevatten, maar hoe langer hij erover nadacht hoe meer hij hierin een teken van de goden zag, die voor hem nog een toekomst in petto hadden. Maar hoe moest dat dan, zonder schip? Traag klauterde hij overeind en zag dat er inderdaad niet meer over was van het dek dan een schamel vlot. Hij had geen idee van waar hij zich bevond en begon de einder af te speuren. Terwijl de uren voorbijgleden en de hemel steeds meer opentrok begon er vanuit het diepste van zijn ziel een gevoel van hoop op te borrelen. Een vaag plan waarvan de contouren steeds zichtbaarder werden. Hij moest enkel eerst... Daar! Zag hij daar niet...? Jazeker, daar aan de horizon, in paarse nevelen gehuld, een donkere streep... Land! Ondanks de pijn in zijn lichaam sprong hij op en neer van pure blijdschap. Met een overgebleven stuk reling begon hij het vlot richting kust te sturen, en terwijl de paarse gloed plaatsmaakte voor een fonkelende sterrenhemel wist hij dat daar op dat stuk land de antwoorden lagen. Daar zou hij in alle rust wachten tot het juiste scheepsmaatje voorbij zou komen – het mocht zelfs ook een Kapitein zijn, dan werd hij zelf wel Tweede Stuurman! Het idee opnieuw alleen een schip te besturen lonkte niet meer. Al moest hij vijftig jaren aan land wachten, hij zette geen voet meer op een schip zonder het perfecte maatje...

LL Rigby
4 0