Zoeken

Aan tafel

‘Hoe was het op je werk, schatje?’ vraagt hij terwijl hij in de tomatensaus roert. De tagliatelle ligt in elkaar gezakt in het pruttelende water. Hij zet snel het vuur af, want hij weet dat ik hou van pasta al dente. Voor hem maakt dat niet uit. Hij doet alles voor mij. Het huis opruimen. Poetsen. Boodschappen doen. Ik ben een carrièrevrouw. Vroeg op en laat thuis. Maar hij vindt dat niet erg. Hij zorgt graag voor me. Hij is altijd al zorgzaam geweest, zegt zijn moeder. Zeker als hij verliefd is. ‘Hoe was het op je werk, lieverd?’ vraagt hij nog eens. Ik kijk stil voor me uit. ‘Waarom zucht je zo?’ vraagt hij. ‘Had je een baaldag? Dat kan iedereen weleens overkomen, mijn scheetje.’ Als hij zich omdraait om de tagliatelle af te gieten, vangt hij mijn blik op. Dromerig en blauw. Om mijn mond speelt een flauwe glimlach. Ik heb mijn staart losgemaakt. Mijn lange haar valt om mijn schouders als een gouden aura. Mijn vingers prutsen aan het roze servetje dat hij naast mijn bord heeft gelegd. Altijd even attent. ‘Je bent moe’, stelt hij vast. Zijn woorden doorprikken de stoom van het kokende water dat uit de gootsteen wolkt. Hij zet de pot op tafel en veegt zijn handen af aan zijn schort. Daarna neemt hij de pan met tomatensaus van het vuur. Voorzichtig schept hij mijn bord vol. De warme dampen gloeien in mijn gezicht. Dan haalt hij een fles rode wijn uit de kast. Hij giet zijn glas vol. Hij weet dat ik geen alcohol drink, dus hij vraagt het niet eens. Is dat dezelfde fles als gisteren? Nee, die had een zwart etiket. Een nieuwe fles dus. Die al bijna leeg is. Mijn hart krimpt in elkaar. Maar ik mag het hem niet tonen. Ik moet hard zijn. Hij is immers zo gevoelig! Hij ziet hoe ik naar zijn glas kijk. Hij neemt zijn vork en draait er tagliatelle rond. ‘Ja, beertje’, zucht hij. ‘Het was een lange dag zonder jou. Maar nu zijn we weer samen.’ Er waait een koude tocht langs mijn blote benen. Ik schud er een beetje van. Hij wrijft over mijn rug. ‘Frisjes, hier? Eet nu maar van de pasta, liefste. Dan krijg je het snel warm.’ Het ziet er heerlijk uit, maar ik krijg geen hap door mijn keel. Ik kan het niet helpen. Het gaat gewoon niet. Zijn blik wordt donker. Hij legt zijn lepel en zijn vork naast zijn bord. Schuift dichter naar mij toe. Zou hij gaan huilen? Ik wilde dat ik het kon. Maar ik ween enkel droge tranen. Voorzichtig pakt hij mij vast. Aait over mijn haar. Kust me op mijn schouder. Kijkt diep in mijn ogen. Dromerig en blauw. Altijd dromerig en blauw. ‘Rustig maar’, fluistert hij. ‘Het komt allemaal weer goed. Het komt altijd goed. Rustig maar, mijn popje.’

Gitta VR
0 0

DROMENVANGER GEZOCHT

Ik scharrel door een donkere buis. Het stinkt hier enorm. Ik kruip hier niet alleen door. Achter mij grijpt een man regelmatig mijn voeten en enkels vast, duwt zijn neus tegen mijn kont. Voor mij kruipt een vrouw met een achterste als een immens grote pompoen. Zij ontneemt mij alle zicht op het einde van de enge tunnel. Het is hier verschrikkelijk warm. Het zweet druipt van mijn gezicht en pikt in mijn ogen. De ruimte is zo eng, dat ik het vocht niet uit mijn wimpers kan wrijven. Het is hier zo smal dat ik mijn armen amper tot aan mijn hoofd kan brengen. Mijn ellebogen schuren tegen de glibberige wand.  De angst omklemt mijn hart en mijn hoofd bonst alsof ik alle seconden een infarct ga maken. Heet, zo ontzettend heet. In de verte hoor ik Herbert Flack naar me roepen dat ik me moet haasten. Als ik hem terugroep dat de lamp op mijn hoofd uitgegaan is, dat ik niet meer zie waar ik kruip en dat mijn hoofd tegen de bovenkant bonkt als ik over die kolossale kont wil loeren, brult hij, dat ik mijn traumatische claustrofobie nu maar eens moet overwinnen! Hij loeit dat ik met mijn handen de wanden moet aftasten en verdomme zo snel als mogelijk in het kantoor moet komen. De vrouw voor mij stopt met kruipen, zij blijft in de benauwde ruimte vastzitten. Iemand moet haar met touwen uit de spleet trekken. De hele menselijke kruiptrein stokt. Warm, de loeiwarme temperatuur stijgt. Er is nauwelijks zuurstof meer. Het is hier om te stikken. Dorst!  Als mijn voorgangster als een gigantische ontstopper uit de rioolbuis plopt,  strompel ik op handen en voeten in een immens grote hal van een grot. Flack duwt mij een draagbare pc in de handen. Mijn vingers zijn verkleumd en hangen vol smurrie, mijn knieën liggen open en in mijn hoofd suizen mijn oren een tamtamliedje. In de grote ruimte staan duizend aangezichtsloze blote mensen. Ze staren me angstaanjagend aan en wijzen met hun handen naar de computer.  Verhalen, ze willen verhalen. Ik typ azerty- woorden op een querty- klavier. Geen zinvol woord komt er op het computerscherm. Het wordt griezelig stil. Angst, ik moet hier weg. De meute komt dichter en dichter en wil mij vastgrijpen. Ze verandert in de hoofddoekjesbrigade die mij, met mijn inkopen,  naar hun kassa in de winkel willen sleuren. Ik hoor ze schateren omdat ik geen religieusloze kassierster meer vind.  Plots hoor ik een harde knal en de winkel begint in te storten. De bommen zaaien dood en verderf. Een hoop stenen en een zware balk denderen juist naast mij op een groepje winkelende mensen. Ik kan amper de afbrokkelende stenen voor mijn aangezicht wegstoten. Warm, heet, nachtmerrieachtige toestanden en ik kan nauwelijks ademen.  Ik strompel uit het stenen graf.  Overal liggen huilende, vuile en bebloede kinderen. In hun verdrietige ogen wriemelen duizend vliegen. In de verte zie ik mijn zoon staan. Niet de bijna 40 jarige bonk, die hij nu is, maar de kleuter van een jaar of 4, die hij toen was. Hij huilt hartverscheurend. Ik ren naar hem toe en sleur hem mee het winkelcentrum uit recht naar de grote marmeren trappen. Hij roept dat hij moe is en dat hij in de buggy wil zitten. Nergens vind ik een niet beschadigde kinderwagen. Als ik mij omdraai, verandert zijn gezicht in het aangezicht van mijn kleinzoontje. Ik neem hem op mijn arm en ren met hem een lange gang in. Kilometers witte wanden en overal zitten deuren. Ik open ze één voor één, aan de andere kant zie ik alleen maar rotsen en stenen maar nergens een uitgang. Enkel achter één deur vind ik een lift. Paniek bonkt in mijn keel. Tweestrijd, dilemma, red ik ons beiden? Maar ik durf de lift niet in te gaan. Liften zijn eng, traag en blijven overal hangen.  Helemaal in de verte hoor ik mijn tante roepen dat ik mij moet haasten want dat anders de boot zonder mij naar Bordeaux wegvaart. Op het allerlaatste moment kan ik nog aan boord springen. Radeloos zoek ik naar mijn kleinkind. Het schip, dat groter en groter wordt en cruiseschipafmetingen aanneemt vaart met een rotvaart van de kant weg. De boot bonkt tegen de golven in. Mijn maag ramt tegen mijn slokdarm aan. Dorst, ik moet drinken. Heet, warm, de misselijkheid golft over mij heen. Laurette Onckelinck sust mij, zij toetert wat scheldwoorden over mij heen. Het totale horrorverhaal kan niet meer erger worden. Zij troont mij mee naar een kajuit helemaal onderin het megaschip. In mijn kajuit zijn er geen ramen en staat er alleen een bed, er is geen badkamer of wc voorzien. Ik moet dringend plassen. Op zeeziektebenen ga ik op zoek naar een toilet. Het is er aardedonker. Hyperventilerend tast ik alle meubels en muren af op zoek naar de deur. Ik duw ze open, ga twee trapjes af en zet me op het toilet. Net als ik wil plassen hoor ik achter mij geroep. Het geluid komt van heel ver. Plots steekt er iemand een licht aan en word ik wakker. Ik zit in mijn blote reet in een campingzeteltje onder de luifel van de caravan. Mijn hart gaat nog steeds van boemtataboem en mijn blaas staat op springen. Manlief kan er niet meer om lachen. Dat is nu reeds de tweede keer deze week dat ik, na een nachtmerrie, slaapwandelend,  in het midden van de nacht mompelend de caravan uitstrompel. Hij foetert dat ik moet stoppen met juist voor het slapengaan die enge thrillerverhalen te lezen!  De nacht heeft nauwelijks voor afkoeling gezorgd. Alle kampeerders liggen gelukkig nog lekker te slapen. Ik blijf nog even zitten, kijk naar de sterrenhemel en luister naar het fluiten van een nachtuil. Mijn hartritme wordt stilaan terug normaal. Ik waggel terug de caravan in en laat me op het toiletje neerzakken. Ik drink een glas gekoeld water en laat me terug in het caravanbed zakken. Manlief duwt zijn arm knuffelend over mij heen. Gered door mijn alerte bedgenoot anders had ik wel degelijk een plas door de campingstoel op het grondzeil gemaakt. Iemand die mijn droom kan ontleden, schrijf mij gerust!   http://cornelissimone.blogspot.be  

Sim
38 0

Kabouters

Speciaal geschreven voor een lief, klein meisje dat gepest wordt.   Er was eens een klein meisje dat in een groot bos woonde samen met haar mama en papa. Dat kleine meisje had iets speciaals, ze had een wipneusje. Maar heel weinig meisjes hebben zo een neus, echt heel bijzonder. 's Avonds voor het slapengaan kwam haar mama altijd een verhaaltje voorlezen, zij vertelde vaak over de kabouters die 's nachts van haar neusje kwamen glijden met hun ski's, zodat ze ver konden springen. Het meisje was trots op haar neusje! Want bij wie kwamen er nu kabouter 's nachts? Bij niemand, behalve bij haar!   Het meisje had mooie krulletjes en die krulletjes die sprongen altijd vrolijk op en neer bij het spelen. En spelen deed ze graag met haar vriendinnetjes op school! En 's nachts? 's Nachts kwamen nog steeds die kabouters van haar wipneusje glijden, keer op keer. Ze probeerde zelf eens wakker te blijven om de kabouters te leren kennen maar zo slim waren die kabouters wel, die kwamen alleen als ze heel erg diep sliep.   Op een dag was ze weer aan het spelen met haar vriendinnetjes met de poppen, tot dat er een jongetje zomaar hun pop afnam! Wel dat was zeer brutaal van dat jongetje en het meisje zei hem dat ook "Dat mag je niet doen dat is onze pop." De jongen zei "Ik pak die pop af wanneer ik wil!". Het meisje vond dit niet leuk, ze waren net zo fijn aan het spelen! "Dat mag je niet doen! Dat is erg stom van jou!" De jongen werd nog brutaler en zei "Jij bent ook stom met je rare neus!" Omdat het meisje trots was op haar neus zei ze fier "'s Nachts komen de kaboutertjes daarop skiën, bij jou komen er geen kabouters omdat je maar een gewone neus hebt." "Kabouters bestaan helemaal niet!" riep de jongen en liep weg, met hun pop. Het meisje schrok best wel, haar mama zei dat kabouters wel bestaan. Wie had nu gelijk?   Mama kwam haar 's avonds halen en het meisje was een beetje droef. Ze zei tegen mama "Bestaan kabouters echt?" "Ja natuurlijk waarom denk je dat?" "Omdat een jongen zei dat dit niet waar was" "Waarom zei hij dat?" vroeg mama. Het meisje zei "Daarom". Want ze wou mama niet vertellen wat die jongen over haar neus had gezegd, dat die stom is. "Nou", zei mama, "het jongetje is vast jaloers dat jij kabouters op bezoek krijgt"   De volgende dag was het meisje weer aan het spelen met de kindjes van haar klas. Ze hadden een zandkasteel gemaakt en speelden dat ze prinsessen waren. Weer kwam dat jongetje, hij wou graag meespelen en dan zou hij koning zijn. Het jongetje zei tegen het meisje "Jij mag niet meedoen want jij bent maar een stomme prinses die gelooft in kabouters, met je rare neus". Het meisje was verdrietig, haar mama vond haar toch mooi? Waarom hij dan niet? Wat was er mis met haar? Ze voelde zich ook zo lekker niet. Ze ging naar haar juf want ze had nu wat buikpijn. Mama kwam haar halen, het meisje was blij, want thuis vonden ze haar neus zelfs heel mooi! Maar toch voelde ze zich verdrietig want ze speelde ook zo graag prinses met haar vriendinnen. De dag daarna zouden ze met de hele klas naar de kinderboerderij gaan, daar had het meisje zo naar uit gekeken! Zelf had ze een pony thuis staan maar een koe en een ezel had ze van zo heel dichtbij nog nooit gezien. Het was zo spannend! Er gingen zelf mama's mee maar haar mama kon vandaag niet mee. Maar dat gaf niet, mama was vorige keer mee naar de speeltuin geweest met de klas. Ze zag dat de mama van het jongetje wel mee was. Die mama was heel lief voor alle kindjes en het jongetje was vandaag niet stout. Het meisje dacht "Misschien heeft zijn mama verteld dat er wel kabouters bestaan en is hij nu blij."   Mama vroeg haar of ze nog buikpijn had gehad. "Maar nee mama, het was zo leuk!" "Dat is fijn om te horen" zei mama en het meisje vertelde over de ezel die zo een hard geluid kon maken, dat heette balken wat ze een erg raar woord vond voor zoveel lawaai. En dat de koe een natte neus heeft, net zoals een hond wat wel grappig is want een koe dat is net een pony met vlekken en die hebben een droge neus! Die nacht droomde ze dat er ezels en koeien van haar neus kwamen skiën. Wel kleine ezeltjes en koetjes, want anders zou haar neus plat zijn!   De laatste dag school van de week, vrijdag, was er al. In de voormiddag moesten ze kleurtjes nemen en in groepjes tekeningen maken over de kinderboerderij. En ze mochten er zelf al woordjes bijschrijven! De juf schreef ze op het bord en zij mochten ze dan natekenen. Het was erg leuk! Ze had de mooiste kleurpotloden genomen en was vol ijver begonnen met tekenen.Ineens verscheen het jongetje naast haar. Hij zei heel gemeen "Mijn mama vindt ook dat jij een stomme neus hebt en stomme kinderen mogen de mooiste kleurpotloden niet hebben." En hij nam haar potloden af. Het meisje begon te huilen. Ze snapte er niets van! "Geef mijn potloden terug! Ik zeg het tegen de juf!" Het jongetje zei gemeen "Als jij het verteld krijg je straf". "Waarom dan?" vroeg ze snikkend. "Omdat je een leugenaar bent en stom bent en lelijk". Het meisje was zo verdrietig... Ze kreeg ook weer veel buikpijn en even later kwam mama haar weer ophalen. Gelukkig was haar buikpijn bijna over toen ze thuis kwam. Ze zou dan wel in haar eentje kleuren.   's Nachts werd er ineens op haar voorhoofd getikt. Ze openende haar ogen. "Dag meisje met het wipneusje" zei de kabouter, die piepklein op haar neus stond en met zijn ski in haar voorhoofd had geprikt om haar wakker te krijgen. Het meisje schrok een beetje maar de kabouter was zo grappig! Hij had een dikke lange muts op en een wollen mantel en aan zijn rode neus hing een druppeltje water, dat uit zijn neus kwam. Hij haalde een zakdoek uit zijn broekzak, bijna zo groot als zichzelf, en snoot luidruchtig zijn neus. "Excuseer meisje, even mijn neus snuiten, het is hier ook zo koud!!" Het meisje giechelde "Het is hier helemaal niet koud!" "Jawel hoor, zie je de sneeuw niet? Zonder die sneeuw kunnen we niet van je neusje skiën." En inderdaad, er lag een klein laagje sneeuw op haar neus! Het meisje vroeg "Waarom maak je mij wakker? Jullie komen toch alleen als ik diep en diep slaap?" De kabouter zei "Normaal gezien wel maar je bent zo verdrietig en daar kunnen wij niet tegen. Kan je vertellen waarom je verdrietig bent?" Het meisje aarzelde want ze wou niet dat kabouter weg zou gaan als hij wist wat voor een stom en lelijk meisje ze wel niet was. De kabouter prikte haar weer en zei bazig "Komaan vertellen! Ik heb niet de hele nacht tijd want ik wil nog wat skiën. En wat je verteld, dat hou ik voor mezelf. Beloofd!" "Er is een jongetje op school" vertelde het meisje "van wie ik niet mag meespelen omdat hij mij lelijk en stom vindt. Hij zegt ook dat ik lieg omdat ik zeg dat kabouters bestaan." "Nou" zei de kabouter "het jongetje is mis hé. Want hier ben ik! Dus kabouters bestaan. Dus als hij zegt dat je stom en lelijk bent, heeft hij ook dat goed mis!" "Je mag niets zeggen tegen mijn mama of de juf! Want ik ben bang van het jongetje!" zei het meisje. "Okidoki" zei de kabouter "maar je moet me wel iets beloven" "Wat dan?" zei het meisje "Ik wil dat jij het je mama zelf vertelt. En je zegt ook wie dat jongetje is. Want jongetjes die niet in kabouters geloven, zijn niet blij. En als jij het je mama verteld, dan kan zij misschien helpen van dat jongetje een blij jongetje te maken". "En als dat niet helpt?" vraag het meisje "Dan slaag je hem zo hard op zijn neus dat hij zelf een wipneus krijgt, dan kunnen we ook bij hem eens gaan skiën"... THE END  

Dana's plakboek
0 0

PIS, PLAS, POEP EN KAKCONTRACT

Vorige weken ergens in de krant:   “Consternatie in Nederland nu aan het licht is gekomen dat een rusthuis van een concern dat er zeker twintig uitbaat bejaarde bewoners een “plascontract” laat tekenen. Daarin staat dat ze slechts drie keer per dag naar het toilet mogen. Gisteren maakte RTV Rijnmond bekend dat in rusthuis Grootenhoek in Hellevoetsluis, behorend tot de groep Careyn, de bewoners op vaste tijden om 11, 14 en 18 uur naar het toilet kunnen gaan. Buiten deze tijden om is dat niet mogelijk, of doet het personeel daar moeilijk over. Soms moeten bewoners wachten met toiletbezoek totdat het personeel klaar is met de koffiepauze.” Als U in Nederland woont, hebt U dan al samen met Uw uitvaartverzekering, een pamper rekening en een plascontract afgesloten? Als U zulke onzin van onze noorderburen leest, denkt U dan als tachtig jarige al eens twee keer na over dat euthanasiepilletje. Misschien hebt U al eens rondgekeken op welke spoorwegovergang U het best met Uw rolstoelwielen kan blijven steken voor er zo’n zelfmoordexpresstrein U uit Uw plaslijden komt verlossen. Stel je voor dat zo’n plascontract een Europese stelregel wordt! Willen wij, zelfs wanneer we gehandicapt en lichtjes dementerend zouden worden, dan nog wel op deze wijze oud worden, als anderen voor ons gaan beslissen wanneer we mogen pissen en kakken? Je moet maar toevallig in zo’n rusthuis met tweedehands verzorgers terechtkomen. Is dit misschien het begin van het opruimen van de steeds groter wordende bejaardenberg? Oké zulke maatregelen ontspruiten uit het brein van rusthuismanagers met een schrijnend personeelstekort. Ik kan me echter niet voorstellen dat zo’n rusthuisopperhoofd zijn eigen moeder of vader een halve dag met een ‘moeraspamper’ tussen zijn benen zou laten zitten! Dit idee is toch van de pot gerukt! Of juist niet, kak of gene kak, de pot op en wel op de uren die in het contract vastgelegd werden. Terwijl U drukt en tevergeefs wacht tot Meneer de Bruin zich meldt, vermindert U in één keer de werkdruk van het personeel. Als negentig jarige niet-Alzheimer rusthuisbewoonster, die echter niet meer zelfstandig uit haar bed of uit de rolstoel kan, heb je dan toch schijt aan zulke contracten! Je moet maar juist na de verversbeurt van 11 uur de drang voelen opkomen om een bruine trui te gaan breien. Moet je dan wanhopig je laxerende verteerde en gecomposteerde avondmaal zitten terugduwen totdat zo’n Nederlands rusthuis verzorgstertje haar koffiekoek met bakje troost doorgeslikt heeft? Kunt U zich voorstellen hoe het moet voelen als men U, tussen de vooropgestelde uren, met een sompige naar ammoniak geurende pamper in Uw rolstoel hijst en U de gangen richting refter door duwt? Kan U ook reeds voelen hoe U tevergeefs Uw bruintje tussen de contracturen zal proberen terug te duwen? Al staat de sluitspier nog zo strak, aan Uw kont kleeft strakjes kak. Leuk dat Uw lotgenoten, die met U samen aan de 12 u lunch zitten, U al op afstand  kunnen ruiken als U komt aanrijden. Leuk om als U met zijn allen de gehaktballen met puree tussen Uw tanden zit te vermalen, de stront langs Uw steunkousen naar beneden sijpelt. Het woordje smeerpijpen krijgt dan ineens de juiste betekenis, niet?  Toen pissen, plassen werd is het gezeik begonnen! Het Nederlandse plascontract plan lijkt wel een Big Brother bejaardenaflevering. Welke incontinente, gehandicapte, Alzheimer of Korzakov dementerende houdt het langst stand zonder tussentijds onderhoudsscenario? Wie het eerst een plas of een mosterd- bruinkleurige baggervijver onder zijn rolstoel krijgt, vliegt er onverbiddelijk uit. De winnaar wint een persoonlijke toiletverzorgster, inclusief een jaar gratis pampers en mag de WC eend voeren op elk gewenst uur van de dag. Het is onbegrijpelijk dat in een land waar, in het tijdperk van de centrale verwarming, waar kinderen nog nooit een schoorsteen gezien hebben, men zijn hoofd breekt over de Zwarte of de Schoorsteen Pieten en tegelijkertijd met zo’n bejaarden- zeikplan op de proppen komt.  Gehandicapte senioren, AOW’s  en licht dementerede noorderburen verenigt U en vraag massaal in België asiel aan een paar meer of minder zullen de zaak niet maken! Wij hebben hier nog verzorgsters die met plezier Uw pamper zullen verversen!    

Sim
227 0

PEUMPERSWEUDEN

Vraagje: In wat voor ‘pampermaatschappij’ leven wij nu toch? Ik las vorige weken in de krant dat men in Zweden de teruggekeerde jihadisten, gratis woonst, gratis rijbewijs en belastingvoordeel wil schenken! Zijn ze daar nu helemaal van de Zweedse pot gerukt? Ik zou nog verder gaan en ze allemaal een job geven. Vermits de doorsnee jihad- collaborateur met zijn herseninhoud zelfs geen Ikea kast in elkaar gezet krijgt, stel ik voor dat ze allemaal een militaire opleiding bij de Zweedse staat aangeboden krijgen. Bij het leger krijgen ze dan een versnelde opleiding bij de Svenska ontmijningsdienst en dan kunnen de Zweuden ze onmiddellijk terug op missie sturen. Zij weten als geen ander waar hun IS- vriendjes hun booby traps, bergbommen en springstoffen verborgen hebben en hebben voor de volgende vijftig jaar gegarandeerd werk.  Als er dan al eens eentje op een mijntje trapt is er nog geen kalf verdronken. Staan de doorsnee rökt -kaviarpastasmeerders en köttbullarvreters nog achter zulke stupide krantenuitspraken?  Vindt men in de andere Europese lidstaten niet, dat het lijkt alsof de hersens van de Zweedse politici aangetast werden door de, meestal jarenlange, thuisgestookte alcohol ? Raar dat er van geen enkele normaaldenkend Europees land commentaar kwam. Waren de Europarlementariërs allemaal teveel bezig met hun postjesstoelendans en het Canadees handelsverdrag? Zaten ze met zijn allen op de televisie naar debatten tussen de Amerikaanse presidentskandidaten te kijken en zich te verkneukelen hoe Donald modder trumpetterde over Hilary of waren ze te opgefokt door Poetin’s  spelletjes Stratego en zeeslag? Was de Russische vloot misschien via het Kanaal en de Middellandse Zee onderweg om voor ons de zuidelijke Europese grenzen eens degelijk af te bakenen?  Europa blijkt er tot op vandaag niet veel van te bakken. Tot op heden kunnen we duidelijk niet voorkomen dat dagelijks opnieuw overladen opblaasbare bootjes en luchtmatrassen vol zwarte gelukszoekers van de Libische oever weggeduwd worden en onze richting uit dobberen. Heel veel vroeger verzamelden wij,als kind, voor de arme negertjes, tonnen zilverpapier van de ingepakte repen chocolade. Wat ze daar, in dat donkere Afrika allemaal met die vrachten zilverpapier deden, bleef voor mij toen en tot op dit moment een gigantisch groot raadsel. Toen ginds de zilverpapierberg geen echte oplossing bood, gingen de hulporganisaties allerlei evenementen bedenken om geld in te zamelen.  Het meeste bij elkaar gebedelde geld diende vervolgens om de riante lonen en het grote wagenpark van de zaakvoerende hulpverleners te betalen. Met de overgebleven kruimels besloten de humanitaire instellingen om in de Afrikaanse hongerdorpen waterputten te graven en er pompen bij te installeren.  Al na drie maanden zag je de zwarte vrouwen terug met bidons op het hoofd en emmers aan de hand, op blote voeten, twee kilometer afleggen om drinkbaar water te gaan halen. De dorpswaterput lag er verlaten bij en de mooie koperen pomp hing bij de dorpsoudste in zijn hut te blinken. Het was opnieuw een waterdruppel op de hete kokende Afrikaanse plaat. Daarna betaalden wij met zijn allen, via onze belastingen een deel aan ontwikkelingshulp. Geld dat nooit bij de noodlijdende bevolking terecht kwam, maar waarmee de plaatselijke corrupte presidenten en koningen hun kastelen nog wat rijkelijker lieten versieren. Nog een vraagje: Nu de wereld voor deze Afrikanen, via satelliet en internet zo klein geworden is, schrikken wij er dan van dat die zwarten nu de omgekeerde weg, richting noordwaarts, vanwaar het geld ooit kwam naar oorsprong, onze geldbeugel, al stappend, varend of zwemmend afleggen. Zouden wij in hun plaats niet hetzelfde ondernemen om eindelijk een stukje van de op de televisie getoonde welstand op te eisen? Van honger- naar bijstandsneger. In Antwerpen werd vorige week de eerste sigaretten- en prullariaventer in dienst van de ‘zwartemannekesleurdersmaffia’ op de Groenplaats gesignaleerd, zijn zakken vol asielweigeringen en papiertjes met: U moet ons land verlaten. Voor we het weten, zullen we niet meer ongestoord op een Antwerps terrasje een koffie kunnen drinken, zonder dat we voordurend houten maskers, speren, handtassen en namaak merkkledij onder onze neus geduwd krijgen. Vraag drie: kijkt U al eens naar ‘De Buurtpolitie’ met zijn fantastisch nagespeelde maar soms lachwekkende en onnozele echte politiezaken?  In de krant stond te lezen dat echter de echte politiemensen en rechercheurs, en zeker diegenen die rond het Brusselse patrouilleren, regelmatig tegen een burn out zitten. Zouden jullie niet gefrustreerd raken als je het crapuul, met het middenvingertje omhoog, vrij voorbij het commissariaat ziet lopen nog voor je het proces verbaal uitgetypt hebt? Al wat deze agenten doen, is gewoon dweilen met de kraan open. Om hun werk wat op te leuken, sluiten ze nu intern weddenschappen af: De pot is voor diegene die kan raden, hoe lang in uren, minuten en seconden het duurt voordat een onderzoeksrechter het juist aangehouden boefje terug laat lopen. Wat voor watjes zijn die rechters! Het voorgeleide schorremorrie was al een veertigtal keer voor diefstal opgepakt en had met een engelengezichtje, met de hand op het hart, voor de veertigste keer aan de onderzoeksrechter beweert dat hij het nooit meer zou doen en werd opnieuw zonder straf  door die zachte ei-rechter terug de grote boze dievenwereld ingestuurd. Krijgen wij als burger niet stilaan het gevoel, dat deze rechterlijke schijtlijsterreacties de straffeloosheid in België in de hand werken? Wereldvreemd mag je hen niet noemen! Hoe noem je die ivorentorenmagistraten dan?? Je moet maar als slachtoffer, met een gebroken heup in het ziekenhuis liggen nadat dit handtassentrekkertje je onderuit gesleurd had en horen dat die wereldvreemde halfzachte rechters het gespuis, soms zelfs niet eens onder voorwaarden, terug vrijlaten. Met hun vermanende pasop- vingertje hebben ze het boefje toegesproken en wachten nu geduldig af tot het schoelje zijn 100ste diefstal pleegt, zodat ze hem een ‘volhoudingsmedaille’ kunnen uitreiken! Nog een vraagje: Begrijpen jullie dat sommige advocaten nog de slaap der rechtvaardigen slapen?  Hebben zij misschien een duister complot met een aantal knoeiboelmagistraten, die keer op keer door procedurefouten het tuig ongemoeid moeten laten lopen? Wat mankeert er aan ons rechtssysteem? Nu moet men mij toch eens eventjes vertellen, waarom men, een jihadmoeder, die al in de gevangenis zat, midden in terreurniveau 4, terug vrij gelaten werd in afwachting van de uitvoering van een nieuw proces in beroep! Waarom worden terugkerende Syriëstrijders met een enkelbandje en de hoop dat ze uiteindelijk ooit eens gaan deradicaliseren, terug in onze maatschappij geretourneerd? En die pedofiel, die door verschillende mensen ontmaskerd werd, waarom liet men die na ondervraging terug lopen? Waarom kunnen drugdealerkopstukken lachend het gerechtsgebouw verlaten, omdat er ergens op een papiertje een verkeerde vertaling staat?  Vragen, vragen, zoveel vragen. Gaat daar ooit een oplossing voor gevonden worden? Ik betwijfel het…meer nog ik weet wel zeker van niet! Dus laat ons al eens beginnen met aan die Zweedse idiotiska retande politiker en linkse grav laxlikkepotte te laten weten dat wij, de rest van Europa,  helemaal niet achter hun naïeve wollegeitesokken- krantenidee staan en dat ze dringend moeten stoppen met hun peumpergedeu!

Sim
0 0

HIER EINDIGT DE BESCHAVING, MEER DAN EENS HEEL ACTUEEL!

Ik weet niet hoe het met jullie gesteld is, maar het fenomeen “reacties op dagblad- en facebook artikels” houdt mij hevig  bezig. Sinds jaren lees ik gratis de kranten via het internet en ik kan niet aan de lokroep weerstaan om telkens weer de reacties op de artikels, van al die anonieme aliassen eventjes open te tikken. Bij het lezen van al die reacties lijkt het wel, dat in dit land iedereen wel zijn eigen mening dringend wereldkundig moet maken of plezier vindt in het afzeiken van andersdenkenden. Het is alsof je de beerput opent en het rioolpersluchtje rond je hoofd komt stinken. Ik begrijp nog steeds niet ten volle waarom de internetdagbladen een forum geven aan een gefrustreerde Yor, een James kont, een tisaltijdwat, een Vlaams kieken of een Zeurpiet.  Ik weet, na al dat lezen ondertussen, dat de meeste respons geschreven werd door simpele zielen of platvloerse judassen die al hun anonieme pesterijregisters on line opentrekken om hun opgekropte ergernis ergens te kunnen lozen. Ongelofelijk hoe mensen met blijkbaar een hersencapaciteit van een mini garnaal en een nog kleinere portemonnee-inhoud plots al hun frustratie en jaloezie als ‘would be’ journalisten moeten ventileren. De virtuele ruziestokers verkondigen, via reacties aan de krant en op allerlei sociale media zoals Twitter of Facebook ongezouten hun mening. Ze vallen op een laffe naamloze achterbakse manier, politiekers, bekende Vlamingen en hun collega- reactieschrijvers (die niet hun zelfde mening toegedaan zijn) met pijnlijke scheldkanonnades aan.   Het liefst zouden ze nog een cyberoorlog ontketenen, met elkaar via de webcam op de vuist gaan of virtueel met rotte eieren en overrijpe tomaten willen smijten. De meesten zijn boosaardige hufters die uit pure verveling de moraalridder willen uithangen. Vroeger kocht mijn vader een papieren krant, mompelde wat, riep vervolgens verontwaardigd wat naar mijn moeder, en daarmee was de kous af. Diegenen die thuis geen luisterende partner hadden, trokken naar een of andere bruine kroeg en hingen daar aan de toog, achter pot en pint, wat tegen elkaar te ouwehoeren. Na een nachtje leuteren over foute toestanden en hun ongenoegen over de interne- en wereldpolitiek uitgestort te hebben, sleepten ze zich dan als menselijk wrakhout richting thuis om daar hun roes uit te slapen. Vandaag de dag bestaan er bijna geen buurtcafés meer, is het sociale luisterende oor zoek en riskeer je op je bek getimmerd te worden als je andersdenkend, verkeerdelijk het foute antwoord geeft. Dus verplaatst de platvloerse woordenstrijd zich achter de computer, de pc , de smartphone of de tablet. Lekker anoniem met een alias als, Poeki, dakdekkertje, Humpidumpie of Deug niet, durven deze marginale zwak begaafden alle zangers, sportlui of Belgische politici met een zekere minachting en afgunst afkraken. O wee, de enkeling die deze bekende Vlamingen een hart onder de riem wilt steken en positief uit de hoek komt, die krijgt de volledige beerputkritikasters over zich heen. Als er om 7 uur ’s morgens een krantenartikel verschijnt, dat er die nacht op de Vlaamse wegen zich weer vier jongeren te pletter hebben gereden, staan er om 5 na 7 honderden, weliswaar goedbedoelde ‘innige deelnemingen’ en ‘sterkte’ reacties te lezen van een Mallebabbe, een Hubie , een Lief huisvrouwtje of een Sariemarijs. Op één enkeling na die ‘eigen schuld, dikke bult’ neergepend heeft. Denken die simpele van geest nu werkelijk dat de rouwende familie die ochtend niets anders aan zijn hoofd heeft dan na zo’n ongeval al deze reacties te gaan lezen? Als de Minister voor Asiel en Migratie, Theo Francken met zijn hoofd in de ochtendpers komt, dan zie je onmiddellijk aan de reacties van welke kant van de zetelverdeling de schrijfsels komen. Onder het pseudoniem van  Filip de Zomer, ssjef en Rechts worden er allerlei simplistische oplossingen aangereikt om de toestroom van armoe- illegalen tegen te gaan en kunnen er volgens hen niet genoeg teruggestuurd worden. Een ander verhaal krijg je van Rooiemia, Boeleke, Hubu en Linkseteo, die vinden dan dat ‘zwarte’ Theo niet genoeg vluchtelingen binnenhaalt en er, in hun ogen, teveel uitwijst. Diezelfde schrijvers maken dan later een reactiebocht van 180 graden als Theo met een plan komt om 2500 extra bedden voor asielzoekers te voorzien in een kazerne ergens in hun eigen gemeente of in een centrum juist om de hoek. Onmiddellijk worden er dan niet mis te verstane moordlustige haatcampagnes gelanceerd. Maggie de Block, Minister voor Asiel en Migratie, in een vorige regeringssamenstelling, werd prompt de populairste vrouwelijke minister nadat ze een, in de media opgevoerde, compleet geïntegreerde, vlot Nederlands pratende, hard werkende maar een volledig uitgeprocedeerde 18 jarige Afghaan terug naar Afghanistan retourneerde. Maggie is nu Minister van Volksgezondheid en krijgt nu bakken kritiek. Een Sprietje, een dieetgoeroe, anorexia8 en een Robinhoet  kunnen nu in alle anonimiteit onze obesitas- Rubensvrouw beoordelen op haar lichaam en niet op haar beleid. Op een artikel over de Gay Parade in Antwerpen, tuimelen stante pede een tweehonderd reacties over elkaar de krant binnen. Nog nooit heb ik op zo’n korte tijd zoveel synoniemen voor het woordje homo of lesbo gelezen. Notoire homohaters, zoals een Godismetu, Lulleman en een Engeltje moeten hun purgerende shit over deze, volgens hen, schaamteloze optocht uitstorten. Deze zedenpredikers, die nog steeds beweren dat holebi of transgender zijn een ziekte is, moesten tot in hun liezen, purperpaars van schaamte worden. Hopelijk krijgen ze in de toekomst een zoon of een kleinzoontje die alleen met een pop onder zijn arm,  in een roze pamper wil rondlopen of een babymeisje dat hun in de puberteit komt vertellen dat ze volgens ‘hem’ een stukje te weinig heeft. ’t Zal ze leren. Als Vlaams Minister van Dierenwelzijn, Ben Weyts niet van zijn standpunt afwijkt, dat onverdoofd schapen slachten niet meer in onze Westerse beschaving thuishoort, krijg je meteen een soort fonetische analfabetische reacties van een Momo, een Pitalover en een Abia3, die vinden dat zij als gasten in ons land en als nieuwe Belgen het recht hebben om voor hun Offerfeest ritueel te slachten. Daartussen staan dan de schrijfsels van Puck, Minoeke, Wafwaf en Flipper2, alle dierenactivisten, honden- en poezenliefhebbers en Gaia sympathisanten die de verstandige Minister toejuichen. Vorige zomer verscheen er in de internetkrant een artikel over klagende burgers. Na drie jaar strijd, met politie interventiesen proces verbalen werden zij nog steeds niet door de gemeente au serieux genomen. Zij klaagden over lawaaioverlast, nachtlawaai,verkeerd geparkeerde auto’s voor hun deur en tegen hun poort rotzooi achterlatende, brakende en pissende klanten van een restaurant/café/dancing in de buurt. Ten einde raad staken zij hun koppen bij elkaar, lieten een petitie rondgaan en lieten ze in hun eigen voortuin een bord plaatsen met de woorden ‘Hier eindigt de beschaving’. Direct kwam er een reactie van de restaurantuitbater, want waarschijnlijk wie het schoentje past, trekke het aan. Nu woon ik niet in de buurt en ik weet dus niet of de klachten gegrond zijn, maar iets zal er wel waar van zijn anders zouden de mensen er niet stilaan genoeg van krijgen. Of het plaatsen van zulk ‘reclamebord’ nu de juiste oplossing was om een oplopende burenruzie alsnog uit te praten, betwijfel ik, maar de omwonenden kregen nu wel een forum op de plaatselijke ATV nieuwszender en meteen een luisterend gemeenteoor. Nadat een journalist (die waarschijnlijk op een gratis etentje in het restaurant uit was) een volgens mij niet geheel onpartijdig artikeltje in de krant deed verschijnen, was het besmeurde hek van de dam. Alle lawaaizoekende tamtamklanten,  kroeg- of klaplopers en potentiële herrieschoppers, of zij daar in de buurt woonden of niet, kropen achter de computer en begonnen in de krant met diepe minachting de desbetreffende goedgeboerde villa bewoners de huid vol te schelden. Zelfs de mogelijke immobiliën waarde van hun huizen kwam sommige jaloerse schrijvers de strot uit en gaven, volgens hen, deze rijke stinkerds geen reden tot klagen. Ook iedere meelevende burger die het aandurfde begripvol te reageren, werd met bagger overgoten.  Het is meer dan duidelijk dat niet alleen in Schilde de beschaving eindigt, maar achter alle computerschermen waar anonieme aliassen, censuurloos en schaamteloos hun drek over de krantenlezers uitstorten. Weet U Mevrouw of Mijnheer, welk het alias van Uw wederhelft is? Leest U met flikkerende oogjes over zijn of haar  schouder mee, wat zij allemaal ongegeneerd op de sociale media durven schrijven. Of krijgt U het ongemakkelijk warm van plaatsvervangende schaamte als U al die beerputergernis en racistische uitlatingen van Uw partner ongewild onder ogen krijgt? Ik hoop dan maar dat alle bekende Vlamingen, politici  en ‘mede van repliek genietende schrijvers’, in de toekomst deze reacties niet meer openklikken, want niemand blijft tenslotte onberoerd na al die randdebielenkritiek.  En terecht moeten al die marginale racisten die schaamteloos in hun eigen leefwereldje hun frustratie wegtypen, vervolgd worden! Wat er in die hoofden van die virtuele ruziestokers omgaat is moeilijk te begrijpen. Dus bij deze, als ‘Heethoofdje, Pierewaaier, ArmVlaanderen en Criskras zich, na het lezen van dit verhaaltje herkennen en jullie jezelf misschien aangesproken moesten voelen om een reactie achter te laten:” Be my guest!” Na elke artikel in deze krant is er een plaats voorzien waar jullie ophemelende reacties zoals; “Leuk geschreven” of vernietigende kritiek zoals; “Simone is een supertrut, die denk dat ze schrijfster is of wat allemaal nog meer kunnen achterlaten. Lezen zal ik ze echter niet. De beschaving eindigt achter jullie computer…niet achter de mijne. Sim

Sim
0 0

BOERKA, BOERKINI, BADPAK, BIKINI, MONOKINI EN NIKSKINI

Vannacht is weer duidelijk het bewijs geleverd dat vrouwe Alla de hemel over onze contreien aan het overnemen is. Zij duwde God de Vader en zijn mannelijke pauselijke aanhang meer en meer richting Noord- en Zuid Amerika om daar nog wat gelovige zieltjes te winnen. De Getuigen van Jehova mochten van haar nog een beetje in Europa rondzwalpen. Zij vindt het nog steeds superleuk om te zien hoe deze zendelingen, keer op keer, zowel bij de inlandse bevolking als bij de nieuwe moslimburgers, de deur tegen hun eigen façade krijgen. Alla kijkt vanuit de hemel naar haar oprukkende exodus. Zij is er zeker van dat er in Europa nog meer dan plaats genoeg is om haar islamitische achterban te verwelkomen.  Als zij over haar nieuw stukje Europese hiernamaals zweeft, laat zij haar hemelse oog vallen op de stranden van Zuid Frankrijk. Zij schrikt zich een hoofddoekje. Zijn dat lijken die daar allemaal op hun buik, langs de kustlijn aangespoeld zijn? ’t Is tenslotte de Middellandse Zee! Neen, het zijn waarschijnlijk dolfijnen of walvissen. Als ze wat beter kijkt ziet ze dat het dikbuikige zonnekloppers zijn. Zij vindt het een eigenaardig fenomeen, dat hier mannen en vrouwen, waarbij de vruchtbaarheiddatum al ruim overschreden is, met een pens ouderdomsspek rondlopen, alsof ze binnen de maand van een voldragen vetbobbel moeten bevallen. Zij laat haar religieuze blik over al de stranden van de azurenkust glijden en begint echter weer te twijfelen. Moet hier haar volksverhuizing integreren? Blijkbaar zijn hier de mensen zo arm, dat ze zich zelfs geen normale kleding kunnen veroorloven. Zij aan zij liggen ze, praktisch in hun blote reet, in de zon te bakken en te braden. Hier ziet zij voor de eerste keer het werkelijke bewijs dat de Europeanen er alles aan doen om zo snel mogelijke het Arabische of Afrikaanse kleurtje te krijgen zodat de nieuwe burgers zich onmiddellijk welkom zouden voelen.  Ze begrijpt echter niet waarom er op die goudgele stranden zoveel vrouwelijke exemplaren met hun blote, verschrompelde, hangende, valse silicone -en watermeloen tieten pronken. Eventjes verder lopen ze zelfs helemaal naakt. Mannen waarvan de viriele vervaldatum met prostaat bedreigd wordt en vrouwen waarvan de overgangsopvliegers al behoorlijk verleden tijd zijn, laten alle genotattributen schaamteloos zwieren, schommelen en waggelen als ze langs de vloedlijn in de brandende zon beachbal spelen.  Niet alleen de oudere senioren maar tevens de jonge vers geïmporteerde islamitische mannen gluren geil naar de bruine hangtieten en de door de wind opstaande frambozentepeltjes. Alla is compleet uit haar lood geslagen. Hier zal ze straks wat erectiestoornissen en hartinfarcten moeten uitdelen. Ze is er inmiddels achter gekomen, dat dit naaktfenomeen totaal niets met armoede te maken heeft, maar volgens haar, gewoon een decadent gevolg is van het Westerse denken. Diezelfde blote zonaanbidsters gniffelden daarstraks nog: “Of het soms al terug carnaval was”, toen er een oudere vrouw in boerka en twee jeugdigere met boerkini’s ingepakte moslima’s pootjesbadend voorbij kwamen wankelen.  Het is ‘Allahemeltergend’, aan die neerbuigende en uitdagende Europese mentaliteit zal ze de komende jaren behoorlijk moeten werken! Nergens geen badpak, bikini, monokini of een nudist meer, alleen nog boerkini’s en vanaf nu, mannen en vrouwen gescheiden op het strand en de zee in! Duizend bommen en granaten! Ze heeft in haar nieuw veroverd stukje Europese hemel al behoorlijk haar vrouwtje moeten staan. Niets dan miserie had ze met die nog niet bekeerde mannetjes. Vorige week kwamen er vier verongelukte, in alcohol gemarineerde midlife mannetjes aan haar hemel- moskeepoort aan. Ze hadden hun zielenleuter al paraat in de hand. Ze joelden en zeurden om die 72 maagden, die Alla hun zogezegd beloofd zou hebben. Toen ze voor de zoveelste keer uitlegde, dat dit een slechte vertaling was, dat het hier alleen maar om 72 druiven ging, maar dat ze dit zo lang mogelijk verzweeg om de zelfmoordterroristen niet te ontmoedigen, was de hemel te klein! De mannen gilden dat ze dan liever terug opteerden voor de traditionele rijstpap met gouden lepeltjes. Toen ze hen bekeek en zei dat ze voor goddelijke rijstebrij een tiental jaren eerder de geest hadden moeten geven of minstens een ander werelddeel hadden moeten uitzoeken om naar de eeuwige jachtvelden op te stijgen, waren de rapen gaar!  Problemen, problemen..Indien Alla ze zelf niet meer kan oplossen, zal ze de wijze raad van haar zuster Sjaria moeten inroepen. Nu ze eindelijk die Christelijke mannelijke encycliek verdreven heeft, zal ze zich zelf persoonlijk met de vrouwen in het westen bezighouden. In het begin zullen deze westerse dames misschien wat zweten onder die lange jurken, maar alles went. De doorsnee Europese vrouw zal nog wat onhandig aan die hoofddoekjes frunniken, maar als alternatief kan ze nog steeds voor de totaal verhullende, snel overgooiende boerka kiezen. Als Alla wat later, vanaf haar wolk, tijdens de seniorenvakantietijd opnieuw over het strand uitkijkt, kan ze alleen maar besluiten dat voor de meeste bejaarde najaarstoeristen deze kleding een geweldige verbetering zou zijn.. Mooi of lelijk, dun of dik, kort of lang, een doek erover! Met wat geluk kan ze zonder veel problemen de Middeleeuwen terug invoeren. Alla moet er nog eventjes diep over nadenken hoe ze al het bloot in één keer van de stranden kan vegen. Ze heeft al een Middellandse Zee tsunami in gedachte.  Vannacht zal ze als voorproefje al eens een staaltje van haar hemelse macht tonen. Met luid dondergeroffel, flitsende bliksems, hagelstenen en bakken water laat Alla aan de bange blanke man en vrouw horen dat het haar menens gaat zijn!  

Sim
189 0

De Grijze Zot (kortverhaal)

_ Jezus   De vaalgrijze aluminium rolluik kraste, piepte en kraakte open. De kruipolie moet al sinds de barre winter op zijn. Zoals elke morgen staat hij er weer. Hij, een man met een grijze baard en grijs lang haar. Een gevallen Jezus op pensioen. Net zoals zijn idool is hij zwakzinnig en wandelt hij op sandalen. Mét witte sokken maar zonder de 12 vrienden. (Om 4 uur aan de kerk, pak al uw vrienden mee,… ik kom ook alleen.) Ik zou er niet mee mogen lachen, maar hij is zo’n figuur waar jij jezelf van afvraagt van waar ze komen. Hij staat elke morgen, met z’n plastic zakje van de “jébé” in de hand, te wachten op de grote opening van de parfumwinkel. “What’s in the bag, I don’t know”, maar het is al 5 maanden hetzelfde zakje. Waarom hij daar is? Wel, voor de Bimbo.   _ De Bimbo van de Bondgenotenlaan.   Tiziana. Tiziana van de Paris XL. Welriekend. Lange gelakte paarse nagels. Korte volslanke benen met bovenop twee ronde billen verpakt onder de beschermende atmosfeer van een veel te strakke legging. Elke morgen opent ze plichtsgetrouw de winkel. Eerst alle lichten aan, dan de achtergrondmuziek en tot slot de ouverture. Mét publiek. Elke dag opnieuw. Ze drukt op de knop links van de rolluik die krassend en piepend omhoog draait. Eerst ziet ze zijn sandalen en witte sokken. Vervolgens tonen de versleten joggingbroek en het plastic zakje zich. Afsluiten doen we met het sjofele houthakkershemd, de lange grijze baard en de starende lege ogen. De ogen die naar haar en naar nergens kijken. Ze lijken niet te leven, maar toch op zoek te zijn naar haar.   Ze doet de verschillende sloten van de glazen deur los en trekt de deur open. Ze kijkt naar hem. Hij kijkt naar haar en blijft staan waar hij stond, wachtend op zijn kusje. Dan stapt ze naar buiten, gaat op haar tippen staan en kust hem op een stukje wang zonder baard. Soms speelt er een vage geheim-zinnige glimlach om zijn lippen. Andere keren geeft hij geen kick. Na het heilige moment gaat ze terug naar binnen, neemt ze plaats achter de toonbank en zet ze de airco op. Als een oud en vergeeld blad in de wind wordt hij verder geblazen door de lucht uit de airco en verdwijnt hij schuifelend en strompelend uit haar zicht.   _ Ik_ #1   Dit is het schouwspel dat ik elke morgen rond 8.55u opgevoerd zie. Gratis en voor niets. Twee topacteurs in de film van hun leven, hun carrière. Ze weten het zelf niet en zullen het waarschijnlijk nooit beseffen, maar elke morgen kijk ik aandachtig naar hen. Vanachter mijn krant begluur ik hen en hoop ik op een onverwachte wending. Als het regent, zal ze bijvoorbeeld een oude paraplu nemen en hem zijn kusje geven zoals de meisjes dat doen in de films uit de jaren vijftig. Haar linkerhand op zijn rechterschouder, staande op de tip van haar rechtervoet, het linkerbeen geplooid in een hoek van negentig graden. Even, voor heel even, is de Bimbo dan een gracieuze verschijning. Even straalt ze pure elegantie uit, maar de regen spoelt dat onmiddellijk weer van haar af.   Daar kan ik dus nog van genieten. Van die kleine menselijke momenten. Momenten die we vergeten, maar het eigenlijk niet waard zijn om vergeten te worden. Momenten die we soms delen, maar al te vaak voorbijgaan vooraleer we beseffen dat we ze beleven. Wie is er nu niet gelukkig, wanneer hij de eerste zonnestralen van de lente op zijn huid voelt, de droge geur van de zomer ruikt of op een zondagmorgen de eerste sneeuw van de winter ziet neerdwarrelen? Dat geluk bepalen we niet zelf, maar wordt ons in de schoot geworpen. We moeten er niets voor doen buiten al onze zintuigen gebruiken. Openzetten zoals de ramen tijdens een grote schoonmaak. Alles laten verschijnen en opnemen. Met volle teugen drinken van de bron van fenomenen die we zelf niet beheersen. Mensen en hun daden zijn zoveel kleiner dan we denken.   _ De plaatselijke don   Wie ben ik? De barista noemt me Don Cappuccino. Elke morgen terwijl ik het toneeltje aanschouw, drink ik namelijk een cappuccino. Un cappuccio, zoals ze dat zo mooi zeggen in Italië, al dan niet verwijzend naar de kap van de habijt van de orde der Kapucijnen.  Eigenlijk ben ik ook eerder een kapucijn dan een don. Een monnik die bedelt, niet een of andere jonkheer die geld schept of de kleine boeren pluimt in opdracht van zijn vader. Al vijf jaar ben ik werkloos, leef ik van de staat, van de anonieme liefdadigheid van onze sociale zekerheid. Een profiteur volgens velen. Een mens voor enkelen.   Maar ik heb wel degelijk een ziel en denk nog steeds na bij de dingen. Elke dag lees ik plichtsgetrouw de krant. Geen enkele letter sla ik over. Ik versta niet altijd wat er geschreven staat, maar zo leer ik bij en blijf ik bij de zaak. Dertig jaar heb ik gewerkt, maar ik was te jong om op pensioen te gaan. “Te jong”. Het argument dat gebruikt wordt om een tienjarige naar bed te sturen, terwijl zijn drie jaar oudere broer wel naar de tweede helft van de Champions League-match mag kijken. Pathetisch. Belachelijk. Ridicuul. Vond ik toen en vind ik nog steeds.   Mijn ontslag was geen donderslag bij heldere hemel. Het bedrijf waar ik werkte, kende al jaren problemen. Om de 6 maanden daalden de heren en dames de glazen trap af met het heugelijke nieuws dat er opnieuw mensen zouden moeten vertrekken, omdat ‘ons’ bedrijf financiële moeilijkheden bleef kennen. Financiële moeilijkheden die het gevolg waren van stijgende loonkosten, toenemende grondstofprijzen, belastingverhogingen, onvoorziene situaties en wat nog allemaal. Het ene excuus nog minder geloofwaardig dan het andere. Zever. Gezever.   Eigenlijk kwam de neergang van het bedrijf neer op de onkunde van de heren en dames van ‘den boven’. Wat wil je ook? Met hun neus tot hun dertigste in de boeken gezeten. Met hun ogen verdwaald in een virtuele realiteit waar niets lijkt op wat het is. Met hun handen in hun zakken langs de zijlijn gestaan. Met hun mond over alles en iedereen een mening. Met hun oren veel te weinig geluisterd naar wat de gewone werkmens, de homo sapiens lavoriensis, denkt en wil. Neen, onze vrienden, die van de homo sapiens virtualytus-soort, zouden het ons eens komen uitleggen. Draaide dat even verkeerd uit, zeg. Om de haverklap stonden ze aan mijn bureau om uitleg te vragen over hoe dit of dat te werk ging. Ze dachten de firma te kunnen kennen door zijn rekeningen, contracten en ratio’s te bestuderen, maar verloren in die zwart op witte-jungle de mensen achter de cijfers uit het oog. Ook mij.   Zo kwam dus ook mijn dag om te gaan. Om de schoenen aan de haak te hangen. Niet dat ik wou stoppen met werken, maar ik had geen keuze. Of beter, heb er geen gehad. Ik werd met het oud papier meegegeven en eindigde als een plaatselijke don aan een tafeltje in een koffiebar in Leuven.   _ Ik_#2   De eerste maanden heb ik nog her en der aan werk proberen te geraken, maar een oude man in dienst nemen is voor een bedrijf geen vanzelfsprekendheid. Dat begreep en begrijp ik. De talloze afwijzingen die daarmee gepaard gingen, kon ik echter maar moeilijk verteren. Te jong voor het pensioen, te oud voor te werken. Machteloos grijpend naar de zeldzame opportuniteiten kwam ik terecht in een spiraal naar de bodem van mijn bestaan. Ik had jaren gewerkt, bijgedragen en mijn plicht vervuld, maar plots was er voor mij geen plaats meer. De virtuele mens dreef mij, de werkmens, uit mijn habitat. Ontheemd zwierf ik langs allerlei tijdelijke baantjes en eenmalige opdrachten op zoek naar een hoger doel in mijn leven. Onderweg begon ik te schrijven over mijn ervaringen op het slagveld van de ouderen-werkloosheid. Ik werd schrijver, godbetert, een echte luierik. Een nietsnut eerste klas.   Misschien moet ik toch maar intreden en echt monnik worden. Trouw zweren aan die gekruisigde dwaas op sandalen, zonder witte sokken, maar mét 12 vrienden. Dan kan ik bedelen zonder mij schuldig te voelen en leven van de liefde voor iets dat er niet is.   _ Een gedicht van mij   Langs het water waart een man Een man die lijdt Een man met spijt   In het donker doorstaat hij angsten Vreest voor niets Bang van alles   Twijfelend, wijfelend aan de rand Zoekt hij Een helpende hand   _ POV: De Barista   Wel, Peter heeft jullie zijn verhaal uit de doeken gedaan. Dat verhaal is echter niet volledig. Peter komt hier ondertussen een jaar of drie elke morgen zijn cappuccino drinken, de krant lezen en het merkwaardige theater aan de overkant van de straat in de gaten houden. Hij is inderdaad werkloos, maar zijn mislukte zoektocht naar een job was niet zozeer te wijten aan een persoonlijk falen, dan wel aan een spijtig toeval. Zijn broer Ward, de grijze zot met het zakje van de GB, kreeg vier jaar geleden immers Alzheimer. Geen ouders meer om voor hem te zorgen nam Peter die last op zich. Elke dag maken ze tussen 8.30u en 9.30u een wandeling door de binnenstad waar het tafereel voor de Paris XL inherent deel van is. Dan ontmoet de mooie Tiziana haar vader die zich haar niet meer herinnert, maar nog altijd van haar houdt.

Egbert Dasdonk-Mirador
22 1

De Keizer van de Nacht (kortverhaal)

_NIGHTINTHECITY In de oranje gloed van een straatlantaarn stond een groepje jongens te lachen met en te wijzen naar elkaars smartphone. De vier gierden het uit. In het appartement aan de overkant van de straat flitste een tv van wit en blauw naar groen en grijs achter een vaal geel gordijn. Beneden op het troittoir zag Lucas twee zwarte vrouwen waggelen, pratend over de kinderen en hun familie. Hun dikke zwarten haren en huidskleur stonden in schril contrast met hun witte kunststoffen winterjassen. ‘Des dames blanches passent dans la reu’. Al vond Lucas dat zelf maar een povere woordspeling. Wit met zwart vanboven op. Dat kon beter. Hij zag de witte dames de hoek omslaan en concentreerde zich weer op de meute uitgelaten jonge wolven. Een van hen was ondertussen vertrokken, maar de drie overgebleven jongelingen waren nog druk bezig zich te verslikken in hun eigen lach. Zittend op de vensterbank, nipte hij van zijn glas wodka-cola terwijl hij met zijn vingers tokkelde op de rechterdij. Zijn gsm trilde. Een bericht. ‘Kom af.’ Hij schudde zijn hoofd en stak het toestel terug in de rechterzak van zijn versleten jeans. Hij nam nog een slok en keek de kamer in. Een eenzame nachtlamp verspreide een zwak maar warm licht. Deborah lag uitgestrekt op de matras op de houten vloer. Het laken over haar gegooid, zoals een vod over gemorste vloeistof op de grond. Hij sloeg zijn hoofd achterover tegen de muur en keek naar het plafond. Een van de vochtvlekken leek stilaan de vorm van Groenland aan te nemen. Een andere vlek deed hem denken aan Brazilië. Hij sloot zijn ogen en concentreerde zich op alle geluiden. Deborah’s regelmatige ademhaling speelde haasje over met het tikken van de klok. In de achtergrond weerklonk het gezoem van de koelkast en het gekraak van de verwarming. Verder weg onderscheidde hij de bastonen van de ondergrondse nachtclub in hun straat, maar ook het hoge geblaas van de straalmotoren van een passerend vliegtuig. Hij vroeg zich af hoe totale stilte zou klinken. En of er iets zou klinken, want stilte die klinkt is geen stilte. En als er niets zou klinken, het dan ook echt helemaal stil zou zijn. In zijn hoofd. Achter zijn ogen. Tussen zijn oren. De jongens op straat namen afscheid en gingen elk hun weg. Naar huis, naar het lief, naar een volgende bijeenkomst? God mag het weten. Lucas keek naar onder, zag het voetgangerslicht op groen springen en een van de jongens oversteken, terwijl hij zijn koptelefoon opzette. Een oudere dame schuifelde haastig in de andere richting en botste tegen de jonge snaak op. Hij keek even op, grijnsde en liep door. Het vrouwtje draaide rond haar as, trippelde ter plaatse, vond de juiste richting en strompelde verder. Maar de stoeprand was er te veel aan. Een van haar voeten bleef hangen tegen een uitstekende straattegel. Ze viel vlak op haar gezicht, alsof een windhoos haar uit het niets tegen het voetpad blies. Lucas bleef kijken. Ze bewoog niet. Er verscheen een hoofd aan een raam vanachter een gordijn in een appartement, schuin ten aanzien van zijn raam. Lucas deed teken, wees naar de vrouw en draaide zijn duim naar boven en onder. De persoon aan de andere kant van de straat, keek naar hem en haalde de schouders op. _BETONNENBAYWATCH Lucas sloeg zijn glas achterover, trok een pull aan, nam zijn jas van de stoel en gaf een kus op de gloeiende wang van Deborah (Huh, waar ga je heen. Ik ga roken, ben direct terug. Ok, ik blijf sla…) Hij deed de deur open, controleerde of hij zijn sleutels en gsm bij had en sloot de deur. Hij daalde de trap af in galop en verliet het gebouw. Hij liep naar links en zag één van de vier tieners foto’s nemen van de gevallen vrouw. ‘Leeft ze nog?’ ‘Weet ik veel, mijn portefeuille was uit m’n broek gevallen dus was die aan het zoeken en toen lag zij hier en ja, daar moest ik toch een foto van nemen. Dit is zo cool en vreemd en….’ ‘Sodemieter toch op, aasgier, help haar liever’ ‘Neen, man, ik blijf daar vanaf’. Van mens naar ding in vijf minuten. Lucas belde het noodnummer. ‘Komaan kerel, bol het af’. Een wegvegend gebaar versterkte zijn zin en werd beantwoord door een boze blik. De jongen droop af. ‘Ja, ik sta hier op het kruispunt van de Synagogestraat en de Bankstraat. Er ligt hier een bejaarde vrouw op het voetpad en zij lijkt niet meer te leven.’ ‘Reageert ze op vragen, meneer?’ Lucas zette zich op zijn hurken. ‘Kunt u mij horen, mevrouw?’ Niets. De wind blies de blauwe sjaal rond het hoofd van de dame los en legde een ingevallen grijze wang bloot. Insta-archeologie. ‘Neen, mevrouw, de mevrouw hier op de grond is, denk ik, overleden. Ik heb haar zien struikelen en vallen, ben naar buiten gekomen om te helpen, maar het is denk ik te laat’. ‘Ok, meneer, we sturen zo snel mogelijk een ambulance.’ Lucas keek op en zag een vrouw in groene anorak de straat oversteken. ‘Is ze dood?’ ‘Ja, en wie bent u?’ ‘Chrissie, ik zag haar vallen en ik denk dat jij daarna naar mij hebt gekeken en teken hebt gedaan’ ‘Ah ok, ja, ik zag je gezicht niet goed, Chrissie. Ik heb ondertussen de ambulance gebeld. Ze zijn onderweg’ ‘Ok, dan wacht ik hier met jou’. _DEEENZIJNDOOD Na tien minuten ijsberen, klappertanden en handen wrijven kondigden blauwe lichten de komst van de ambulance aan. ‘Bent u Lucas Muster?’ ‘Ja, ik heb gebeld’. De ambulancier knielde en draaide de vrouw om. Haar magere gezicht leek elk moment te kunnen breken. Haar huid leek zo broos als bevroren perkament. Haar ogen staarden leeg voor zich uit. ‘Ze is overleden.’ Toen pas drong het door tot Lucas dat wat hij hier beleefd had niet normaal was. Dat wat hij gedaan had, niet zomaar was. Dat een persoon was komen te gaan. ‘Kende u haar?’ ‘Nee nee, ik zat zomaar te kijken achter mijn raam. Daar.’ Hij wees naar zijn appartement. Zijn knieëen en benen voelden aan als elastieken die na te hard zijn aangespannen geweest, in elkaar krompen. Hij zocht de steun van de motorkap van een geparkeerde auto en wist te blijven staan. ‘We gaan haar meenemen en vlug een korte getuigenis opnemen.’ ‘Ik wil ook getuigen’ zei Chrissie. ‘Geen probleem, mevrouw.’ Een kwartier later klapte het portier van de bestuurder dicht en vertrok de ziekenwagen. ‘Alles goed Lucas?’ ‘Ja ja, heb het koud en weet niet wat ik hiervan moet denken. Wie was ze, waarom was ze hier,…’ ‘De ambulancier zei dat ze dementerend was.’ ‘Ja ja, en als je dat niet gelooft, maken ze je iets ander wijs zeker’. ‘Wees niet zo pessimistisch’ ‘Ik kan er gewoon niet bij. Wat een pech voor die vrouw. Hoe vreemd.’ ’Stil maar, ga naar huis, probeer te slapen’. Hij kijk naar Chrissie. Haar groene ogen keken vertederd. Haar korte stijve haar in de war door de winterse bries. Haar lippen sereen op elkaar. ‘Ja doe ik, aangenaam kennis te maken. Tot later’ ‘Dag Lucas’. _GEEFTDEANDEREENKOPSTOOT Hij diepte zijn gsm uit de rechterzak van zijn versleten jeans en antwoordde op het bericht: ‘Ben daar’. Zijn hoofd draaide overuren onder de kap van zijn jas. Een ongelukkige val op betonklinkers. Was dat het dan? Het einde? Het laatste uur geslagen. Punt aan de lijn. Als een onbekende soldaat gesneuveld op straat in een miljoenenstad op een gewone winteravond. Hij had zich de eeuwige jachtvelden toch idyllischer voorgesteld. De voetpaden, die als natte wangen na een hevige huilbui lagen te glimmen in het licht van de lantaarnpalen, torsten hem, een eenzame stadsdwaler, naar zijn volgende afspraak. Zijn haastige kleine passen klotsten regelmatig in de stedelijke orkestbak. Hij kon niet snel genoeg uit het zicht zijn van de ramen waarin hij zichzelf zag. Een naderende sirene doorbrak zijn gepeins. Een politieauto schoot langs hem door en stopte verderop bij een modernistisch appartementsblok. Twee agenten sprongen uit de auto en repten zich naar binnen. Hij hield halt en bekeek de gebouwen rondom. Nergens stond een man of vrouw aan het raam zich af te vragen wat er gaande was. Hij zag achter de gordijnen mensen zich in hun zetel zetten, kinderen met hun zaklamp op het plafond schijnen en een kat op een kozijn kruipen. Als vissen in een aquarium zwommen ze rustig door, zich niet bewust van wat er zich daarbuiten afspeelde. Zolang men maar op tijd gevoederd wordt. Hij stapte verder. Na een kwartier wandelen kwam hij aan bij Bar Celona, de kroeg van zijn maat Damien. ‘Aha, hier is hij eindelijk, de keizer van de nacht. Kon je weer niet slapen?’ ‘Zwijg toch, Damien, zo lijk ik wel een psychopaat. Ik ben niet in de stemming.’ ‘Oei, oei, de nacht weegt zwaar op meneer. Hier een borrel van het huis’. Lucas goot de alcohol in zijn keel en kon het brandende gevoel volgen tot in zijn maag. ‘Geef me er nog een.’ ‘Komt eraan, het feest is hierachter nog vollen bak bezig.’ Hij sloeg het glaasje achterover. ‘Goed te weten, geef me een wodka-cola en dan ga ik eens een kijkje nemen.’ Damien bediende Lucas, hij betaalde en ging door de witte deur vanachter in de kroeg. De zaal was aangenaam gevuld met hevig dansende jongens en meisjes. Rode, paarse en witte lichten deden de ruimte baden in een buitenaardse sfeer. De luide house-muziek vulde de ruimte. Hij legde zijn jas op een zetel, begroette wat mensen en begaf zich op de dansvloer. Hier voelde hij zich thuis. Een. Volledig. Af. De lage tonen deden zijn buikvlies trillen. Zijn voeten begonnen spontaan te bewegen. Hij stapte ter plaatse van links naar rechts en terug en gaf zich geleidelijk over aan de muziek. In zijn hoofd droeg hij het nummer op aan haar. Dit was zijn requiem voor de vrouw op de stoep. Geen dodenmars, maar een dodendans. Al danste enkel hij, alleen voor haar. Hier, op dit moment, op dit beton, voelde hij zich juist. Hij had er niets aan kunnen doen, had gedaan wat hij kon. De stad had haar leven genomen en haar uitgespuugd als een rotte tand, maar hij, hij voelde zich opgenomen in het voortdurende draaien en malen van dit betonnen oerwoud. De muziek dreunde verder en duwde beat per beat de sombere gedachten uit zijn hoofd. Het werd kalm, zelfs stil in zijn hersenpan terwijl om hem heen lichamen hun armen en benen in vreemde kronkels plooiden en gooiden. Als hij mocht kiezen om ergens dood neer te vallen, zou het hier zijn.

Egbert Dasdonk-Mirador
30 0

Săptămâna trecută în ziare* of VORIGE WEEK IN DE KRANTEN EN OP TV

Ermierii belgieni trebuie decât să învețe muncitori străini români sau polonezi dacă angajează! Wat zegt U? U begrijpt niet wat ik jullie schrijf? Oké ik probeer het nog een keer. Belgijskie ale rolnicy mają się uczyć zagranicznych pracowników rumuńskich i polskich, jeżeli zatrudniają one!Ja zeg, nog steeds begrijpt U niet wat ik jullie vertel! Dan bent U waarschijnlijk niet één van die Belgische boeren die recentelijk een taalbad hebben moeten nemen. Soms zit ik zo verbijsterd naar de televisie te kijken dat ik het fragment eventjes helemaal opnieuw zou willen bekijken om te zien of ik het wel degelijk goed begrepen heb. Staat daar zo’n mannetje van het Vlaams Infocentrum land- en tuinbouw heel trots te verkondigen dat Vlaamse boeren nu een cursus Pools of Roemeens kunnen volgen als ze straks seizoensarbeiders voor de fruitpluk uit Polen of Roemenië willen aannemen. Onze boeren moeten Roemeens of Pools leren als ze vreemde werkkrachten van die landen in dienst nemen!Vindt U dit niet een beetje de wereld op zijn kop? Als U straks in Spanje in de horeca aan het werk wil, zou men het dan daar niet meer dan normaal vinden, dat U een woordje meer kan zeggen en verstaan dan „Dos cervezas por favor.” Zouden de Italianen genoegen nemen met het feit dat U, in hun land als restauranthulpje, alleen in het Italiaans op de romantische toer kon gaan? Ik veronderstel dat ze waarschijnlijk ook zouden verwachten dat U buiten pronto, prego, domani, puo bacio en ti amo, zich toch ook wat kooktermen zou eigen maken. Denkt U dat een Chinees wat Nederlands zou gaan leren, als U zich daar op de arbeidsmarkt gooit? Wat is dat toch met onze halfzachte watjesboerenbondregelaars? Zou het niet verstandiger zijn om aan die Roemeense en Poolse arbeidsmigratie duidelijk te maken dat juist zij de taal van hun werkgevers een beetje onder de knie moeten hebben. Het zou toch vanzelfsprekend moeten zijn dat juist zij een snelcursus landbouwtermen- en inburgeringsboerenbond Vlaams zouden moeten krijgen alvorens ze hun kop maar in één of andere serre zouden mogen steken! Klein examentje afleggen vooraleer ze bij ons ook maar een seizoensgebonden vruchtje mogen plukken?  Ik blijf het onthutsend vinden dat onze Vlaamse landbouwers les zouden moeten volgen, omdat vreemde werkkrachten hen zouden verstaan!  Nog zo iets absurd zijn de recente krantenkoppen over relatiebreuken of echtscheidingen van bekende Vlamingen. De schatten, eigenlijk zijn ze  grappig en simpel tegelijkertijd. Wie van de lezers ligt er nu werkelijk wakker van het feit dat een acteurtje plots na 8 jaar terug single is. Wie kan het schelen of een tv vedette en haar man scheiden omdat ze vinden dat na 10 het liefdesvuur geblust is of ze gemerkt hebben dat aan de overkant het gras groener groeit. Vinden wij het niet degoutant dat een juist in de steek gelaten BV-vrouw  s’ anderdaags in de gazet laat schrijven met wie ze de copulerende nacht doorbracht. En wie zit er nog te wachten op het nieuws van een zuurkous journaliste die verklaart dat zij en haar man na 40 jaar een eind aan hun huwelijk maken. Pluim voor die echtgenoot, ik zou veel sneller van die saaie programma makende heilige boon gaan lopen zijn. Miljoenen mensen lezen de papieren en internetkranten en de scheidende partijen vragen dan ook ineens bij het verschijnen van dit ‚hot item’ tussen de lijntjes door, om hun privacy te willen respecteren. Ondertussen blokletteren zij eventjes hun privéleven in de kranten. Als de splitsende echtelieden de vuile huwelijks was in de mand willen houden, dan moeten ze hun klep houden, hun problemen in hun persoonlijke levenssfeer oplossen zonder daar heel kranten lezend Vlaanderen mee lastig te vallen. Want zeker weten, eens de echtscheiding uitgesproken, gaan we weer met zijn allen in de roddelblaadjes kunnen mee genieten van de meest vulgaire uitleg. Waar ik wel van gesmuld heb, is het verhaal dat VTM stopt met het programma Royalty. U weet wel, dat programma over onze koningen, koninginnen, prinsen en prinsessen. De kijkcijfers zouden desastreus teruglopen omdat de jeugd niet meer geïnteresseerd zou zijn in die ruziemakende, door ons onderhouden Plopsalandfamilie. Hebt U er al eens over nagedacht waarom zo’n prinses of koningin, nadat ze het glazen muiltje aangestoken heeft, plots zo’n kaasbolachtige of vliegende schotelhoed gaat dragen of zich gaat behangen met goud, edelstenen en diamantenkroontjes ?  Zal U het straks spijtig vinden, eens het programma afgevoerd is, dat U de megadure haut-couturejurkjes, waar U aan meebetaald hebt, niet meer zal kunnen bewonderen? Lacht U ook nog een beetje meewarig als U dat prinselijk nakomertje allerlei onzin hoort uitkramen en telkens opnieuw zonder vergelding door de regering op de vingers getikt wordt? Ik ben er alleszins van overtuigd dat, als onze jongste prins-rebel voor televisie durft vertellen dat hij zoveel meer belastingen aan België betaald heeft, dan dat hij ooit aan dotatie ontvangen heeft, hij duidelijk zuurstofgebrek bij de geboorte gehad heeft. In Antwerpen zeggen wij dan al ginnegappend dat we denken dat er ergens een koninklijk hoekje af is, of voor de Nederlanders, dat hij niet helemaal spoort. Zulke toestanden, waarbij een psychotisch koninklijk kakelnestje om zich heen slaat, laten alleen maar zien dat deze familie niet anders is dan de onze. Alleen teert deze, niet door het volk verkozen blauw bloed monarchie,  mee op onze portemonnee.  Ik denk dat alleen de royaltywatchers, na het afvoeren van dit VTM programma  in zak en as zullen zitten. Nu komen ze straks niet telkens weer in beeld als ze langs de kant van de weg, met Belgische vlaggetjes wuivend, zich weer een tenniselleboog zwaaien als die koninklijke Disneyfigurenoptocht voorbij komt.Diezelfde landgenoten klagen vervolgens steen en been, staken te pas en te onpas omdat de regering teveel zou uitgeven en dat zij te weinig in het loonzakje vinden of als pensioen  uitbetaald zouden krijgen. Vinden deze, in sprookjes gelovende, landgenoten nog steeds dat wij met ons belastinggeld het rijkeluisleventje van het ‚blauwe bloedvolkje’ moeten blijven subsidiëren? Pikken zij het nog steeds dat zo’n bekakt gepensioneerd Efteling-gezin met een zeker misprijzen naar zijn burgers wijzen, omdat hun exuberante dotatie verminderd werd?  VTM heeft het duidelijk begrepen, wij stevenen af op een koningsdrama... Ach, terwijl de wereld rondom ons explodeert, mensen door de klimaatopwarming straks gaan verzuipen, aardbevingen onze aarde hertekenen, een massamigratie gelukzoekers op gang komt, wij een schuldgevoel opgedrongen krijgen en uitgemaakt worden voor racisten, houden wij ons ondertussen bezig met taalbaden, BV- nitwits en voorbij gestreefde poppenkastsprookjesfiguren.   *Vorige week in de kranten  

Sim
0 0

OVER POKEMONJAGERS, ORANJEGEKTE EN DE RODE DUIVELSHYPE

Wanneer bedenk je ineens; ik word een Pokémonjager? Is dit een besef dat al een aantal dagen in je bovenkamer suddert, of plopt zo’n idee spontaan bij je binnen. En wanneer gebeurt zo’n openbaring dan? Lig je met je luie krent al meer dan enkele vakantieweken al zappend voor de televisie of verveel je jezelf zodanig te pletter voor je tablet alvorens je echt actie onderneemt? Word je door je ouders om de vijf minuten aangemaand om toch iets te gaan doen en je luie lijf uit je bed te hijsen of zie je zelfstandig het licht in de duisternis? Als je in een opwelling van ondernemingslust dan werkelijk tot inkeer komt en je snel uitdijende vakantiekont uit de sofa opricht,  gaat er dan plots een lichtje branden met de tekst; Pokémon, Pokémon?? Hoe begin je er dan aan? Zachtjes, solojacht, helemaal alleen, of  lijkt zo’n tandem duojacht je interessanter? Slenter je liever als een jagende Gaston en Leo, met zijn tweetjes door de straten? Of sluit je jezelf liever ineens aan bij het Pokémon- debielenclubje om met zijn duizenden tegelijk op jacht te gaan? Vind je jezelf ook niet ongewoon dwaas, als je jezelf in de winkelruiten weerspiegelt ziet? Zo’n opgeschoten tiener met een half neergeknakte hals en een tot een tenniselleboog geforceerde arm met daarin aan het einde een schermpje dat ergens ten velde virtuele cartoondiertjes signaleert. Zo’n fictieve figuurtjes, die jij, en met jou duizenden anderen, moet zien te vangen. Houden de winkeliers die de Pokémon-rage in hun straat bestelden er geen kater aan over? Een populatie van ongeveer drieduizend man, die door hun straat zwalpten, het verkeer volledig blokkeerden, terwijl ze alleen oog hadden voor hun smartphone, de virtuele fictieve wezentjes en zelfs geen blik in de winkeletalages wierpen? Je moet maar als grootouder juist die ene dag uitgekozen hebben om, tijdens de vakantie, met je kleinkinderen naar de Antwerpse dierentuin te gaan, terwijl er plots zo’n 15.000  tekenfilmfiguurjagers te horen kregen dat er Pokémons in de Zoo gesignaleerd waren… Hoe lang gaat het nog duren alvorens personen met slechte bedoelingen een groep jeugd naar één welbepaalde plaats gaan lokken en hun dan met een hele speciale en exceptionele Pokémon- boem gaan verwelkomen?  Een hele nieuwe generatie met artritisnekken en reumaduimen.. Wat een kleutertuinhype! Ach, er zijn al meer rages over ons heen gekomen die wij als zoete koek geslikt hebben..eens worden wij allemaal waarschijnlijk wel ooit volwassen zeker! Of niet? Het leven op onze aarde hangt aan elkaar met een hoop traditie en hypes. Een hoop hypes komen vanuit Amerika onze kant uitwaaien. Halloween is ook zo’n ‘transocean’- debielenfeestje, waarbij we met zijn allen als lugubere gekken, verkleed in skeletten, monsters of satanische moordenaars met uitgeholde pompoenkoppen bij elkaar op de stoep belletje- trek gaan doen en om snoep gaan bedelen. En wat dacht U van de ondertussen ingeburgerde traditie, om ondanks de fors uit de pan rijzende elektriciteitsprijzen, tijdens de kerstperiode onze voortuinen en gevels overmatig lichtgevend te versieren. Sinds we al jaren, in de aanloop van het kerstgebeuren, met suikerzoete Amerikaanse happy end versies van White Christmas- films overspoeld worden, hebben wij nu ook in België verschillende malloten die hun gans huis met hevig gekleurde flikkerlichtjes, glinsterende blauwe kerstsleeën, fonkelende groene en roze kerstbomen en schitterende Kerstmannen optuigen. Vanuit een ruimtecapsule kan men het energieverslindende straatje probleemloos in de donkere nacht zien oplichten. De volgende traditie zou ik eender onder de noemer carnavalsgekte willen catalogeren. De Nederlandse oranjegekte. Wie hiermee begonnen is mag Joost  weten, maar blijkbaar weet Joost dus ook niet alles. Bij alle mogelijke traditionele optochten, zoals de circusvertoning op Koning(inne)dag , tooit heel Nederland zich eensgezind in oranje. Heel der straten worden oranje geverfd en sinaasappelkleurige idioten zwaaien zichzelf een tenniselleboog als de Koninklijke poppenkast in een gouden koets voorbij komt rijden. Erger wordt nog de oranjegekte bij voetbalwedstrijden. Hier tooien ze zich met kaasbolhoeden, façon Beatrix, allerhande petten met Hollandse molentjes en hup, Holland hup bustehouders. De oranjemeute gaat, met de Hollandse driekleur op het aangezicht geschilderd, op het oorlogspad. Ze drinken zich het apelazarus, slopen vervolgens na de voetbalnederlaag, bloeddorstig, hele stadscentrums en laten een oranje vernielspoor achter zich. Mogelijk krijgt dit soort tradities stilaan ook voet aan wal in België, want toen de Rode Duivels weer als ‘de Belgische super glue’ opgevoerd werden, scandeerden, riepen, vochten en zopen, een heleboel als duiveltjes verklede en met de Belgische driekleur vol gekliederde Vlamingen en Walen, zich gebroederlijk onder tafel. Met driekleurige mutsen over hun buitenspiegels en wapperende Belgische vlaggentjes reden de supportersauto’s luid toeterend rond. Mannen dronken bier uit blikjes waarop de duiveltjes afgebeeld stonden, want mannen weten waarom. Kinderen verzamelden Rode Duivelsstickers en lazen meer in hun plakboeken dan in hun examenleerstof. We waren weer één voor allen en allen voor één België en morgen wordt er weer door het zelfde volk over de splitsing gediscussieerd. Ach elke rage loopt soms de spuigaten uit. Over de Franse autostrades staan er nu reeds borden met de vermelding: Rij veilig, hier vindt men geen Pokémons! En vandaag staat er in de krant dat de politie de Pokémon Go jagers, die zich niet aan de verkeersregels houden, gaat beboeten. Pokémon wordt dan Pakkeman!  

Sim
3 0

Ouroboros

Observaties bij een leeg glas.   De receptie op het makelaarskantoor was al even gaande en de serveersters wisten ondertussen welke kant ze het snelst moesten uitgaan met schaal en fles. Het werd in mijn hoek alsmaar moeilijker om wat te pakken te krijgen. De stemmen klonken luider en de verschillen tussen de aanwezigen werden groter. Ik kronkelde mij door een jungle van zwaaiende armen en posteerde mij in de te verwachten loopgang van de diensters. Op recepties draait het om strategie en perceptie! De gezette rijkaard die veel eet is een verfijnd gourmand. De arme sloeber die hetzelfde doet is een barbaarse slokop zonder klasse. En iedereen drinkt met een reden. Maar bij de een lijkt het al verdachter dan bij de ander.    Ik stond al een tijdje droog en als een zinsbegoocheling verscheen de associatie tussen het gezelschap en de lokale fauna. Alle slangen zijn carnivoor en ze leven van hapjes die ze in één keer efficiënt doorslikken. De meeste slangen zijn opportunistisch en pakken alles wat ze aankunnen en in hun bek past. Slangen zijn koudbloedig. Daarom leven de meeste onder hen in warmere streken.   Ik zette mijn glas op de vensterbank en vertrok richting werf.   Leeggoed   Die dag hadden de buitenlandse eigenaars van het historische pand in renovatie twaalf flesjes bier geteld in de mand met proviand van de Portugese vloerder. Het was 33° in de schaduw en de gastarbeider droeg voor een aalmoes grote pakken Turkse travertijntegels naar de tweede verdieping. Ze vroegen zich af of hij misschien een drankprobleem had. Ik zei dat we in een streek leefden waar zelfs de slangen dorst hadden. Op weg naar buiten zag ik door de kier van de salondeur op de tafel van de eigenaars een rijke verzameling ontkurkte wijnflessen staan maar kreeg niets aangeboden.   In Europa komen 38 soorten slangen voor. De gladde slangen zijn het ruimst vertegenwoordigd.   Kringloop   Enkele maanden later vernam ik dat de vloerder was overleden. Ergens op z’n eentje onderweg in Spanje. Het huis waar hij gewerkt heeft staat nu te koop bij de lokale makelaars. Dat zien ze graag, zo’n snelle roulatie van verteerders.   Slangen hebben vele vijanden, zoals de voornoemde gladde slang die een geduchte slangenjager is. Maar ook zoogdieren zoals primaten en varkens eten slangen.   Niets is voor eeuwig, zo lijkt het althans, want we bijten voortdurend in onze eigen staart.

Ivan Seymus
8 0

Vier vissen (verhaaltje voor het slapengaan)

Vier vissen zwommen ze waren op weg naar de Noordzee goede zwemmers waren het niet met hun kleine vinnen kwamen ze maar traag vooruit   Bovendien had de Pladijs honger was de Kabeljauw moe verveelde de Pieterman zich en had de Zeebaars het koud   'Waarom zwemmen we niet achter elkaar' vroeg de Pieterman 'Zo naast elkaar vind ik maar saai'   'Goed idee' antwoordde de Kabeljauw 'Als we in elkaars staart happen kan ik wat rusten'   'Ik wil wel vooraan' zei de Zeebaars 'Dan krijg ik het warmer'   Vier vissen zwommen achter elkaar met hun kleine vinnen kwamen ze maar traag vooruit   Maar de Zeebaars had het nu wel warmer de Pieterman meer plezier en de Kabeljauw kon wat uitrusten   Behalve de Pladijs die nog steeds honger had vond achter elkaar zwemmen maar niks 'Kon ik maar iets eten' zuchtte hij en keek omhoog   Aan het wateroppervlak vloog een vlieg voorbij hij had ze gezien en dacht 'die lust ik wel'   Met zijn bek open zwom hij ernaartoe en hapte in de lucht      hapte in het water            hij hapte          hapte          hapte             maar de vlieg was te snel ze vloog telkens weer        op            en                neer          op            en               neer   Al dat happen deed het water bewegen door de golven raakten de andere vissen achterop Ze moesten elkaars staarten lossen want goede zwemmers waren het niet   Vier vissen zwommen terug naast elkaar met hun kleine vinnen kwamen ze maar traag vooruit en dankzij de vlieg waren ze nog steeds op weg naar de Noordzee

Sascha Beernaert
12 0

TOEVAL

Wat was de lente ongewoon mild dit voorjaar. Dave neuriede zachtjes terwijl hij zorgvuldig een plekje avondzon op de stadsbank uitzocht. Van hieruit kon hij de bushalte in de gaten houden. Mooi meegnomen, dacht hij.   Zijn werkdag bij het Departement zat er op en nu volgde de uitdaging om de avonduren die zich voor hem uitstrekten zinvol in te vullen. Dave woonde op kamers in de studentenstad, hoewel hij al ver in de dertig was. Zijn huisgenoten, die hij ’s avonds slechts vluchtig in de gangen voorbij liep, vonden hem wellicht een wereldvreemde, enge man. Het liet hem onverschillig. Tenslotte zagen zij in hun bestaan slechts een fractie van het leven, hij daarentegen overzag het geheel.   Op de bank hield Dave zijn bruine tas strak tussen zijn knieën geklemd, hij haalde de restanten van zijn lunch uit zijn jaszak en begon langzaam de twee broodjes met kaas uit hun folie te wikkelen. De lauwe kaas rook muf, maar Dave at met smaak. Zijn metalen montuur bewoog opvallend mee met zijn kaken, terwijl hij bewust elke hap naar binnen kauwde. De straten en pleinen vulden zich intussen met flanerende mensen, vaak met een zalige glimlach om de lippen. Er hingen beloftes in de lucht. Hier en daar pikte Dave een flard van een gesprek op. ‘Dat meen je niet, echt?’ ‘Zullen we op het terras afspreken?’ ‘Een gin –tonic? Ja, dat zie ik wel zitten....’   Voor hem op de brede trappen zaten vier tienermeisjes, strak in jeans en met korte topjes aan. Ze droegen hun haar in een wrong in de nek. Ze leken wel inwisselbaar, zo sterk kopieerden ze elkaars gedrag en uiterlijk. In gedachten schepte hij ze alle vier met een reuzenhand op, schudde ze door elkaar als dobbelstenen en strooide ze dan opnieuw over het plein uit. Ze zouden dan elk een stukje van de ander hebben. De blonde op de benen van de zwarte, de zwarte met de borsten en het topje van de bruine krullenbol…Hij zou ook hun levens en liefdes kunnen inwisselen, omgooien, omruilen. Zorgen voor een tragische noot.   De laatste stukjes kaas en brood bleven aan zijn gehemelte plakken. Hij probeerde ze verwoed met zijn tong weg te halen, frommelde de folie in elkaar en kruiste de armen. Ja, het was ook voor hem een mooie dag geweest. Een vruchtbare ook voor het Departement. Zeven levens had hij vandaag met zijn momenten overhoop gehaald. Er zaten zelfs een vijftal geluksmomenten bij, de bazen waren kwistig geweest.   Op zijn twintigste was Dave begonnen op de sectie ‘Angstaanvallen’ en nu was hij na jaren inzet opgeklommen tot de afdeling ‘Cruciale, levensbepalende momenten’. Hij koos ze met zorg die momenten, hij had zich een reputatie opgebouwd.   Zijn collega’s maakten er zich snel vanaf met slordige verkeersongelukken, mailtjes of gsmgesprekken. Zo niet Dave. Hij orchestreerde zorgvuldig de cruciale dagen. Hij bestudeerde de profielen van de levens die hem door zijn werkgever werden bezorgd en zorgde voor een creatieve invulling, voor afwisseling. Voor verwarring ook. Profielen en momenten paste hij naadloos in elkaar.   Barensweeën liet hij bijvoorbeeld beginnen op het moment dat de toekomstige vader, met een passie voor vliegen, op zakenreis onbereikbaar boven in de lucht hing. Of hij orchestreerde een spontane treinstaking op het moment dat zijn profiel op weg was naar een doorslaggevend sollicitatie-interview bij de spoorwegmaatschappij. Of hij liet een anesthesist 1 minuutje het operatiekwartier verlaten om op zijn smartphone wedstrijdresultaten te raadplegen. 1 fatale minuut voor de professionele voetballer die binnen op de operatietafel lag.   Coherentie én variatie in de dramatiek dat was de sleutel tot zijn succes. Op het Departement herkenden ze intussen ‘de hand van de meester’. Dave grinnikte en wiebelde met zijn benen, een kleine frivoliteit die hij zichzelf die avond toe stond. Bijzonder tevreden was hij met de enscenering van zijn afsluiter voor vandaag: een 17-jarige overmoedige jongen uit het derde jaar Elektriciteit was een stilstaande treinwagon beklommen. Bij het rechtstaan had hij een geladen kabel geraakt. Zijn vrienden hadden de stunt met hun mobieltje vast gelegd. Ja, je kon wel zeggen dat hij zin voor detail had.   Dave stond op, mikte de plastic folie in de overvolle vuilnisbak en liep wijdbeens weg in de richting van de bushalte. De zon ging onder. De overstap naar de afdeling ‘Rampen en genociden’ lag voor hem open. Zijn moment.

Hilde Devoghel
0 0

Op straat geboren - Kortverhaal door de ogen van aan hun lot overgelaten zwerfpoezen

We zijn niet uniek .. We zijn niet speciaal .. We zijn vuil .. We hebben vlooien .. We zijn ziek .. We hoorden niet geboren te worden .. We werden gered en we werden geliefd ..   Mijn leven begon op straat. Of op een kerkhof .. of in een garage .. Maar dikwijls op straat .. net zoals de rest van mijn soort.   Ik herinner mij nog de dag dat ik geboren werd. Het was koud. Ik voelde een gure wind door onze nest waaien. Ik rilde. Mama legde zich over ons maar ook zij had het koud. Ze likte ons schoon en gaf ons melk te drinken. We zagen scheel van de honger maar veel had mama ons niet te bieden. Ze was klein, mager en voelde zich ziek. Zo jong als ze zelf was heeft ze ons op de wereld gebracht.  Ook kon zij ons amper ruiken of zien. Haar oogjes kleefden toe van de etter en haar neusje zat volledig verstopt. Maar ze deed haar uiterste best om ons een beter leven te geven dan dat ze zelf kon bieden.   Zoveel dagen na onze geboorte was het er nog steeds niet beter op geworden.   Ik had mijn jongste zusje al even niet meer gehoord. De dag dat mijn oogjes open gingen zou ik haar voor het eerst ontmoeten, samen met mijn andere zus. Ik zou zien hoe groot zij waren, hoe mijn mama eruit zag, hoe de wereld in elkaar zat en hoe we samen zouden spelen en leren om een grote poes te worden. Ik keek er wel naar uit! De dag kwam .. ik kon al een beetje meer zien. Mijn jongste zusje lag naast mij, ze bewoog niet. Ik dacht dat ze nog een beetje moe was toen mama haar wakker maakte en daar niet slaagde. Ze miauwde en duwde met haar kopje tegen mijn zusje haar buik. Ze leek mij gewoon in een heel diepe slaap.   Achteraf kwam ik er achter dat ze gestorven was. Ze zou te ziek en te zwak zijn geweest om te overleven. Het was nu enkel nog maar mijn grote zus en ik, samen met mama.   Intussen konden mijn grote zus en ik al een beetje beter zien. De wereld zag er maar sober en triest uit. Het was donker buiten en er lag een dik pak sneeuw. Maar wij wisten van niet beter dan er binnen in de huizen een betere wereld bestond. Daar zou er warmte zijn en voldoende lekker en gezond eten. Hier buiten kenden we enkel maar de kou en we aten als we het konden vinden. In de winter hebben we niet veel. Vogels trokken naar het zuiden en veel dieren hielden een winterslaap. Dus waar moesten wij ons eten vandaan halen als het niet in de vuilbakken lag? Mama liet ons vaak achter in onze kartonnen doos terwijl ze een beetje verder op het plein haar leven riskeerde voor een paar restjes. Soms kwam ze mankend terug en had ze pijn. Ze werd gestampt en geslagen omdat ze vuilzakken open had gekrabd. Ze was nergens meer welkom. Niet zo lang geleden werd ze zelf als kitten achtergelaten. Haar mama was per ongeluk zwanger geraakt, net zoals haar oma en die haar mama. Mama’s baasje had hen gewoon hier in het park gedumpt. Ze waren het beu om altijd maar voor die vuile katten te zorgen. Oma werd aangereden door een auto en stierf. Mama is zwanger geraakt door een andere zwerfpoes en toen werden wij geboren. Ik weet nog goed hoe ik verlangde naar wat warmte en een lekkere maaltijd die mijn maagje zou vullen.   We hebben het zo een paar weken volgehouden. ’s Nachts kropen we lekker warm onder mama’s buik en op een ochtend toen we wakker werden was mama gestorven. Die nacht was de laatste nacht dat we nog melk hadden gedronken. Onze uitgeputte moeder heeft haar leven gegeven om ons te voeden en ons warm te houden. Ik mis haar maar ik kan het mij amper herinneren, het is zo lang geleden. We hebben gehuild en gehuild, mama kwam niet terug. ’s Anderendaags werd haar lijkje opgeruimd door de gemeente terwijl wij twee jonge weesjes werden achtergelaten. De mannen met oranje pakken zagen ons en hoe eenzaam en hongerig wij ook waren, ze zagen ons niet staan, laat staan dat zij ons zouden helpen. We waren het zelfde lot beschoren als de rest van onze familie. En wellicht zoveel andere families hier op straat. Er zat niets anders op dan ons zwerversbestaan voort te zetten. We konden enkel maar dromen van een liefdevol leven tussen vier muren, een potje eten en een oh zo knus mandje. Alle dagen gingen we bedelen bij de mensen die ons voorbij liepen maar we kregen niets behalve viezigheid naar onze kop geslingerd. En wanneer we weg renden waren wij voor hen ook echt weg. Als we maar niet in het zicht leefden. En wat dan nog, niemand zou ons lijden zien. Alle avonden kropen we tussen de struiken om te gaan slapen.   Als het regende werden we wel nat maar het was beter dan niets. De wind blies door de struiken en tegen de ochtend waren we nat en verkouden. Voordien was het echter niet veel beter. De doos waar we vroeger in sliepen was allang geen doos meer maar een stuk nat, vuil, beschimmeld stuk karton.   We hadden honger en aan onze uitgemergelde lijfjes kon je zien dat we in geen weken meer deftig eten hadden gekregen. We zochten en zwierven hele straten af maar nergens leken we geluk te vinden. Ik voelde mij eigenlijk niet zo goed meer en mijn zus leek ook ziek te worden. We moesten heel de tijd niezen en ook onze ogen dropen van de etter. We wilden graag geholpen worden naar een beter leven maar mensen klaagden… ‘’Stinkende zwerfkatten halen vuilzakken leeg’’ werd er verteld. De gemeente kampte met een probleem dat moest opgelost worden … En wij waren duidelijk het probleem dat iedereen in de gemeente zo graag wilde oplossen. Wij hoopten dag per dag dat er verandering in ging komen. Wij poezen geloven niet in mirakels maar toch ging er een dag zijn dat we door onze zieke snotneusjes eten konden ruiken. En die dag was vandaag. Ik en mijn zus kropen langzaam verder in de richting die onze neusjes ons aangaven. We inhaleerden de geur van kip en zalm zo diep we konden en zette zo onze tred verder. Geen van ons beide vermoedde wat voor leed er ons nog te wachten kon staan na dat potje voer maar daar lagen we toch niet van wakker. Aarzelend kropen we dichterbij en deden ons te goed aan de smakelijke korrels. Eindelijk een deftig maaltje sinds onze geboorte. We zaten geen minuut te eten tot plots een luide klap weerklonk. We schrokken ons te pletter. Ik draaide me op en het viel me op dat we plots niet meer weg konden. Overal waar we keken was metaal te zien. Het harde, koude staal sloot ons op en we konden geen kant meer uit, het was gedaan met onze vrijheid. Het positieve zagen wij er niet van in, we waren opgesloten en het was koud. We miauwden zo luid en zo lang tot iemand ons wou helpen maar we zagen niemand. De ijskoude wind drong onze kooi binnen en nergens konden wij schuilen. Hoewel we alle twee huilden en miauwden om hulp leek het niemand iets te kunnen schelen. Iedereen wandelde voorbij en niemand keek om. Enkele uren later, nog net voor de avond viel hoorden we voetstappen onze richting uitgaan. Iemand tilde onze kooi op en sprak ons iets toe. Ik was doodsbang en mijn zus .. die was te moe en te suf van de koude. Zij keek alleen maar toe. Een motor startte en de man die ons droeg zette ons neer in de koffer van zijn auto. Dit was echt eng, nog nooit voelde ik mij zo bang. Het luide gebrom van de motor en het voorbij razende verkeer .. We hadden een goede reden om in de struiken te gaan wonen. Daar was het rustig.   Maar koud en er was amper voedsel.   Niet veel later werden we weer met kooi en al verzet maar deze keer leek het wel leuker te worden. Ik voelde de warmte op mijn koude pels slaan. Het deed ons zoveel deugd. Maar de wereld rond ons is nog enger geworden dan voordien. We waren zo vertrouwd met de struiken en het plein, maar dit .. Iedereen praat tegen ons en wij weten niet waarover ze het hebben. Wat zijn die mensen van plan met ons?  Anders ziet niemand ons staan of doen ze ons pijn. Maar deze mensen niet. Deze mensen zijn anders. Al die vreemde geluiden en het koude staal rondom ons maakte ons doodsbang. Ik wilde uit de kooi en hoe hard ik met mijn pootjes er tegen duwde .. het leek maar niet te lukken. Even dachten we dat we echt wel gedoemd waren. Ons kleine zusje was al gestorven, dan mijn mama en nu zijn wij aan de beurt.   Het was al donker buiten toen iemand de kooi leek open te doen. Mijn zus werd bij haar nekvel gegrepen en weggebracht. Ik miauwde, ik wilde mijn zus terug en ik wilde weg. Maar om eerlijk te zijn verstijfde ik van de schrik. Toen ik mijn zus niet meer hoorde had ik pas echt bang. Wat is er met haar gebeurd? Ik hoorde terug voetstappen en een stem. Weer greep iemand mijn nekvel vast. Ik spartelde tegen, blies en krabde. Het leek te helpen want ik werd terug neergezet.  En daar was mijn zus ook. We zaten in een andere kooi nu. Deze leek wel leuker te zijn. Er stond eten klaar en een potje met proper water. Mijn zus was al gulzig aan het schrokken en ik .. ik twijfelde. De vorige keer we ons tegoed deden aan al het lekkers werden we gevangen en opgesloten. Ik had wel dorst eigenlijk. Vol twijfel zette ik mijn stapjes naar het potje en proefde van het frisse water. Hier zat geen vreemde smaak aan. Het water dat wij gewoon waren is vaak regenwater dat al een tijdje op de straat ligt. Vaak vol vuiligheid en olie van de auto’s. Het duurde niet lang of ons buikje was rond gegeten en om eerlijk te zijn, het heeft ons wel gesmaakt. Heel de pot hebben we tot op de bodem opgepeuzeld. De mensen spraken ons aan maar het deed ons niets. Intussen zaten we al weer in een hoek van de kooi te blazen naar iedereen die naar ons keek. Ik herinner mij die dagen heel veel angst. Ik had continu het gevoel dat we elk moment weer werden pijn gedaan. Het enige wat anders was; was dat wij aandacht kregen als we miauwden. Mijn zus had zich in een knus dekentje gerold en ik wilde haar graag vergezellen. Het voelde nog zacht en warm aan, toch iets anders dan de struiken die we gewoon waren. Plus, het is hier droog. Een paar uur later werden we wakker, het licht ging aan en een vrouw benaderde ons.  Ze stak haar hand in de kooi om ons te aaien. Ik moest er niet te veel van weten, wat zou ik nu weer naar mijn hoofd geslingerd krijgen? Ik besloot mij maar te verdedigen, de vorige keer werkte het toch. Ik haalde met mijn klauwen uit naar haar hand en raak! De vrouw sloot de kooi en ging weg nadat ze ons eten had gegeven.   Nadat ik mij voldaan had besloot ik toch op verkenning te gaan. Op mijn weg kwam ik een bak tegen met vreemd zand. Het voelde zacht aan mijn pootjes en ik kon er heerlijk in graven. Zou het oké zijn als ik hier mijn plasje in maakte? Misschien een grote boodschap ook want ik moet toch wel dringend. Nadat ik geweest was besloot ik het mooi te begraven, het moet tenslotte toch netjes zijn?   Dezelfde hand kwam weer in de kooi. Mijn zus kroop er naar toe. Ik dacht nog ‘’wat doet  ze nu?! Blijf hier!’’ Er gebeurde niets. De vrouw zei niets en ook haar hand deed niets. Toch vreemd. Mensen kon ik niet vertrouwen. Mijn zus had er toch duidelijk minder moeite mee. Ze ging eens ruiken wat het was. Het bleek oké te zijn maar toch .. nee, mensen kan ik niet vertrouwen. Een dag later kreeg ik gelijk. Een man tilde mij uit mijn kooi en gaf mij een spuitje. Hij deed het voor mijn eigen bestwil beweerde hij. Maar hij deed mij pijn en opnieuw werd mijn vermoeden bevestigd dat mensen je gewoon altijd pijn willen doen. Mijn zus kreeg hetzelfde spuitje en ook voor haar gezondheid zou het goed zijn. Later bleek die man de dierenarts te zijn die ons er bovenop moet helpen. Hij zei ons dat we ziek waren en eerst moesten genezen voor er sprake is van een nieuwe thuis.   Dagen gingen voorbij en het was echt leuk om alle dagen lekker voer te krijgen, ons plasje te mogen doen in vers kattenzand en te tukken in een warm dekentje. Maar die mensen .. nee, het bleef eng en juist omdat we zoveel hadden meegemaakt lag het zo moeilijk om alles een kans te geven. Voor mij tenminste, mijn zusje deed goed haar best maar als de dierenarts kwam geloofde ook zij weer dat mensen kwaad konden doen. Maar ook die keer bedoelde de man het goed, hij hielp ons van onze jeuk af, het was gedaan met de vlooien. Daar was ik toch wel gelukkig om, mijn huid lag open van de krabletsels. Enkele weken later kwam er wel wat meer vooruitzicht in onze toekomst. We waren genezen en van onze vlooien verlost. De dame die al zo lang voor ons zorgde zocht een goede thuis voor ons. Intussen konden wij mensen beetje per beetje vertrouwen en ook speelgoed werd geïntroduceerd. We mochten voor het eerst uit onze kooi op verkenning. Het liep niet van een leien dakje.  Opnieuw ging er een wereld voor ons open, nog groter dan de vorige. Maar met wat aanmoediging lukte het wel. Nog duurde het enkele dagen dat we op die grote kattenpaal durfden. Mijn gekke zus was zoals gewoonlijk de eerste om alles uit te proberen. Ze toonde mij voor hoe ik mijn nagels kon scherpen en mijn klimkunsten kon oefenen. Uren hebben wij gespeeld ermee.   Soms kwam er bezoek en soms keken ze naar ons. We kregen complimenten dat we er wel lief uitzagen. Dat was het dan ook. We zagen er lief uit. Maar niet pluizig en niet meer klein. We hadden geen zielige oogjes meer en we waren bijna mooie katten geworden. Mensen wilden ons niet in huis halen omdat we niet meer zo schattig zijn. Al maakte het voor ons weinig uit, we zaten goed daar. Maar we moesten vlug plaats maken want er kwamen opnieuw kleine poesjes binnen. Ze zouden hetzelfde meegemaakt hebben als wij. Deze meisjes vonden wel meteen een thuis, ze waren sociaal en speels. Hun kopjes hingen vol met pluisjes en hadden een dikke zachte staart. Terwijl wij toekeken hoe zij geknuffeld werden haalde iemand een mand boven. Ze mochten mee naar hun nieuwe thuis. Wij bleven achter... We zouden nooit een goede thuis vinden waar we voor altijd mochten blijven. Tenzij wij hier bleven maar dat was nooit de bedoeling geweest. Deze mevrouw had haar huis ingericht tot een thuis, een thuis voor poezen zoals wij. En om elke poes een kans te geven moest er hier wel plaats zijn ook.   De lente kwam er aan en wij waren al mooi uitgegroeid tot flinke pubers met een grote neiging tot kattenkwaad. De mensen om ons heen hebben we uiteindelijk kunnen vertrouwen. De dierenarts was nog steeds onze vriend niet maar hij deed niet veel kwaad. Een kleine prik of een pilletje en ook werden we gesteriliseerd zodat we zelf geen nakomelingen op de wereld konden zetten. Nadat we een chip geplaatst kregen waren we er ook weer vanaf voor een tijdje.   De dag kwam dat er nog eens bezoek was voor een adoptie. Weer zou het zijn voor een klein schattig poesje … En wij bleven achter..   We herinneren ons nog de dag dat wij werden geadopteerd. Het was niet veel later na het laatste bezoek. Het deed pijn om ons vertrouwde huis achter te laten en zeker toen we zagen hoe de vrouw die ons redde van een eenzame dood huilde toen ze ons zag vertrekken. Ik mis haar soms. En zij ons ook denk ik. We moeten regelmatig op de foto om te laten zien aan onze redder in nood hoe wij het nu stellen in onze nieuwe thuis en hoe gelukkig wij hier zijn.   Maar eind goed al goed, Ons verhaal heeft een happy end, een grote kattenpaal, vers kattenzand en lekker eten voor de rest van onze dagen hier op aarde.   Wij waren weesjes Wij waren zwerfpoezen Wij waren aan ons lot over gelaten Wij zijn Mia en Gio   Dit is ons verhaal

Peursum Doreen
31 0