Zoeken

Joshua

Rapper dan hij dacht dat zijn benen lopen konden, rende Joshua over de vlakte, achternagezeten door een kleine poema wier poten amper geluid voortbrachten. Hij dacht er niet over na hoe hij of dat dier daar waren gekomen op die vreemde plaats ergens in de omgeving van de Grand Canyon. Tijdens het lopen flitste er maar één gedachte door zijn hoofd: “Als ik hier ooit wegkom verwen ik mezelf een hele avond met bier en bifiworsten.” Een zalige gedachte, zeker als je weet dat de jongeman daar al enkele dagen moest zien te overleven op zijn eigen urine.Terwijl hij zijn urine aan het uitzweten was bleef hij zijn ene voor zijn andere en zijn andere voor zijn ene been plaatsen. Zo rap na elkaar dat het vanuit de verte bijna leek op een wiel. Een beetje zoals The Road Runner van Loony Tunes.Na een kat-en-muisspel van enkele uren met een koddige, kleine poema die hoogstwaarschijnlijk niet zo’n koddige bedoelingen had met Joshua’s mensenvlees, leek het erop dat hij het beest te slim af was geweest. Zijn hersenen lieten zijn benen stoppen, hij liet zich vallen en rustte even uit waarop hij zijn uitgeputte lichaam versleepte naar de dichtstbijzijnde rots, op zoek naar schaduw.Gedurende de tijd dat hij daar in de zalige schaduw genoot van de rust, verdween de overdosis aan adrenaline langzaam uit zijn aderen. Mijmerend dacht hij terug aan vroegere tijden. Tijden waarop hij veilig was geweest. Niet alleen voor poema’s, ook voor de melancholische gedachten die de menselijke geest kunnen teisteren. Het waren die melancholische gevoelens die hem naar het zuidwesten van de Verenigde Staten hadden gedreven. Op de vlucht voor verantwoordelijkheid, hoge verwachtingen, de allesoverheersende heimwee naar wat geweest is en misschien ook een beetje voor zichzelf.  Thuis had hij zijn ouders, volbloed broer en halfbroer achtergelaten. Tot op de dag van vandaag weet geen van hen waar hun geliefde zoon en broer naartoe is. Het zoeken hebben ze opgegeven, de hoop dat ze hem ooit nog zullen terugzien brokkelt elke dag langzaam af. Joshua dacht tijdens zijn zwerftocht nog regelmatig aan zijn vroegere leven, maar de gezichten en de stemmen van zijn bloedverwanten herinnert hij zich niet meer.Na het uitstapje in zijn hoofd besloot Josh terug verder te gaan. Zijn bloed en spieren duwden zijn fel vermagerde lichaam met wat moeite omhoog,  zijn benen droegen hem vervolgens verder. Het ene been voor het andere, het andere voor het ene. Zo liep Joshua recht in de stralende, warme armen van onze moederster.

Lore
0 0

The killing of logical thinking

In the silent night, red flames of  torches were visible from a distance. Out there, in the middle of lonely fields, a crowd had gathered. They stood next to each other, row after row, in a disciplined way.   The torches lightened up the outer faces but not those standing in the middle. There were animals of all different species coming together. In front of them, in a yellow robe, an owl stood. As the wind crawled through his clothes, he spread out his wings to silence the whispering among his followers. The air became filled with his thunderous words. “My fellow outside dwellers, we stand here today united in face of a common danger.” Eyebrows tilted upwards, his chest stretched out. The owl knew how to speak in front of a crowd.   “We have to meet in the dark, because our enemies eyes are everywhere. They come from the south, year after year they come”, the owl said while pointing towards the sky behind his audience. “Those animals have come to steal our homes, our seeds and our lives.” The crowd became louder “Don’t let them take our seeds!” a small mouse yelled. “Hush now my friends! We all know who I’m talking about of course. It are those filthy sparrows, small birds but always with enormous troops.” “Kill them all! Kill them all!” the crowd started to yell.   “But this year my friends, we’ll have a little surprise for them! We have managed to devise a plan that will set in motion the extermination of those lazy flying rats!”, the owl exclaimed. “Hey, nothing wrong with being a rat”, a faceless creature yelled from the middle of the crowd. “Ssshhhtt!”, his fellow followers said. “Just saying you know”, the creature defended himself.   “We will use the humans!” The Owl spread out his wings yet again, his eyes opened up wide. “Oooooh, the humaaaans”, the crowd whispered. “Yes, those killing machines will become our weapon… Do you want to hear the plan?”, he asked his followers. “Yes, Yes, tell us the plan!” “The humans have shiny vehicles they drive around with. They wash them every week, making sure no dust remains on it. We will attack those treasures, meaning we will defecate on them. But… there is more.” The Owl looked into the faces in front of him. “We will make sure they are only small shits, so the humans think it comes from the sparrows.” Raising his head, the Owl was still proud of  producing this plan.   The crowd was silent, and the leader knew now was the time to get them. “You”, he pointed to a small rat in a purple robe. “You, what do you think of the plan?” The rat had two shiny little teeth, and a long tail coming from under his robe. He clapped his little paws together and said “Yes, I like the plan…” “He likes the plan!”, the Owl yelled with a smirk. “… But I don’t see why we need to kill them all. I mean, is there no other way?” The Owl stopped smirking, and turned his head sideways. “Of course there is no other way. They are the enemy my friend, we need to get rid of them.” “Oh yes, they are quite a nuisance, but they are also very pretty to look at”, the rat said. “What… No no, they are not pretty to look at, they are the enemy of our entire society!” The Owl couldn’t believe his ears. “Now just wait, when I’m out in the fields and they are flying over me, those sparrows are actually nice, they never steal from me.” “They steal when you don’t see it! How many seeds have gone missing from our fields this year? That’s not because we take too much, but because the sparrows eat it all!” The crowd yelled “yes yes, they steal it all!”   “But we still have enough, don’t we? I mean, nobody of us is starving or dying”. The rat couldn’t help himself, logic had struck his little brain. “No, not yet you mean”, the owl pointed upward with his long feather. “Because we have learned to defend ourselves. We have learned to hide the food that belongs to US, AND NOT TO THOSE DAMNED IMMIGRANTS”. His followers threw their fists in the air, exclaiming “DEATH TO THE IMMIGRANTS!!” “Now, that’s another thing that strikes me as weird. We call them immigrants, but they come back every year. So are they truly immigrants?” The Owl stood baffled. “Of course they are immigrants. They’re even worse. The American squirrels were once immigrants as well, but they adapted and learned our values of hard work. The sparrows simply come when our food is in abundance, they eat it all and then when the cold swarms over the land, they leave for better weather!” The rat thought about it. His tongue sweeping over his two teeth, and his tailing waving gently behind him.   “So there is the solution”, he said. “Solution to what?”. The Owl was getting irritated, how could this rat possible think to have solved such a problem? “To all our suffering of course. It’s true, when the snow comes the sparrows leave, and we are left with cold feet and hard nuts. But what if we act like them? What if we simply migrate south as well? Maybe the sparrows aren’t the problem, but the solution.” The rat smiled, he had found a way out of the killing!   The Owl, however, watched his opponent with hatred as if the last sparrow in the world was standing in front of him. He clinched his wing, and pointed his right feather to the insurgent. “Kill him. Kill all the rats! They are spies of the enemy!”, he commanded.

Simon Sileghem
7 0

Kort verhaal

Ze draait zich op haar zij, knipt het licht aan en kijkt naar de fluo cijfers op haar wekker. Haar benen laat ze van de bedrand glijden, ze zet zich recht en wrijft met de rug van haar hand over haar oog. Ze duwt zich recht en wandelt met een licht hoofd richting badkamer. De lichtschakelaar vindt ze zonder zoeken. Ze kijkt zichzelf een tijd lang aan in de spiegel. Geen verandering, denkt ze en zet zich op het toilet. De radio speelt vriendelijke muziek en dat vindt ze goed. Bij het drukken op de doorspoelknop, merkt ze de verkleuring van het waterreservoir op: beige geworden; dat redelijk afsteek tegen de spierwitte porseleinen toiletpot. Ik woon hier al veel te lang, zegt ze luidop, monotoon. Zestien jaar. Van 2000. Het was winter. Nu is het terug winter. Exact 16 jaar.   Het raampje van haar coupé staat open. Het metalen lawaai van de slepende wielen snijdt door de warme vochtige lucht. Ze heeft een boek op haar schoot gelegd, maar leest niet. Ze kijkt naar een man, in de weerspiegeling van het raam. Hij zit wat voorovergebogen, houdt zijn boek met twee handen vast. Af en toe drukt hij zijn bril terug op de juiste plaats. Zijn hoofd trekt lichtjes naar achter telkens wanneer hij zijn neus ophaalt. Ze zoekt het pakje papier zakdoekjes in haar jaszak, neemt er een uit en snuit haar neus. De man haalt opnieuw zijn neus op.   “Ja mam, alles ok. En met jou? Ben je die nu weer kwijt?! Je hoeveelste paar is dat nu al? Inderdaad, je zesde. Nooit wil je naar me luisteren. Hoe dikwijls heb ik je al gezegd dat je dat koordje moet gebruiken, zodat je je bril om je nek kan hangen! Ja, ik weet het mam, dat is enkel voor grootmoeders en dat ben je niet. Nee. Dat ben je niet. Luister mam, ik heb nog veel te doen vanavond. We zien elkaar morgen. Dan neem ik je mee naar de opticien. Ondertussen gebruik je dat oude paar maar, dan kan je nog wat…oh ja, een kapot glas. Nou ja, we zien morgen wel verder. Vraag anders aan Monique of ze geen reserve bril heeft liggen. Tot mo…”   Het water kookt. Ze laat de harde spaghettislierten er voorzichtig in glijden. De timer zet ze op 7 minuten, negeert de richtlijn die op het pakje staat: 5 minuten. Ondertussen roert ze in de pot met tomatensaus. De glazen bokaal waar de saus in zat, werpt ze in de vuilbak. Ze neemt een diep bord en zet het op het aanrecht. Ze doorbladert het magazine dat ze in haar brievenbus vond bij het thuiskomen. Er staan praktische tips in over hoe je je huis ‘gastvriendelijk’ kan of moet inrichten. Ze kijkt op de timer. Nog even. De rubriek ‘citytripping’ behandelt ‘Paris, la ville, l’amour’. Ze slaat de bladzijde ongeïnteresseerd om. De bel van de timer rinkelt. Ze opent de koudewaterkraan, neemt de pot van het vuur en leegt hem in het vergiet. Ze laat nog wat koud water over de spaghetti lopen.   “Elke morgen sta ik belachelijk lang voor de spiegel te zoeken naar iets wat er niet is. Nooit. En toch verander je, word je ouder. Je merkt het pas op wanneer je foto’s naast elkaar legt.” Ze neemt een slokje van haar glas witte wijn en zet het voorzichtig terug naast het potje met borrelnootjes. “Je ziet de tijd pas waneer hij allang voorbij is. Ik keek vroeger naar de handen van mijn groetmoeder en moest elke keer opnieuw denken aan verdroogde aarde, zoals je soms ziet in een of andere documentaire over de droogte in Afrika. Verdroogde aarde en olifanten vel. Van toen al houd ik mezelf in het oog.”   Ze schuift de gordijnen dicht, trekt haar kleren uit en glijdt onder de koude dekens. Ze blijft even stilliggen, draait dan haar hoofd naar haar wekker: 23h17. Ze twijfelt of ze nog wat zou lezen, besluit om het niet te doen, grijpt vervolgens naar de lichtschakelaar en knipt het licht uit.

Stefan Heulot
0 0

De 48 Inch Huismus

Zijn ellebogen rusten op de tafel terwijl hij zijn handen in elkaar vouwt. Ik kijk hem onderzoekend aan. Bruine haren en groene ogen. De persoonsbeschrijving die ik via mijn vriendin heb gekregen, klopt wel.Hij is niet meteen mijn type, maar echt een absolute no go is hij ook niet. Beetje gewoontjes misschien. Duf hemd en bruine broek, maar ik heb mezelf voorgenomen om positief te blijven en niet meteen iedere man aan wie ik word voorgesteld met mijn kieskeurige karakter neer te sabelen. Ik ben er al 33, het moet nu wel eens gaan gebeuren, dat tegenkomen van die ware. Daarover moet ik nu ook weer niet te moeilijk gaan doen.‘Ik ben zo wel een beetje wat je noemt een huismus.’ Hij kijkt me aan, bijna alsof hij er trots op is.God neen hé, denk ik, een huismus. Ik glimlach beleefd en drink van mijn drankje.Hij gniffelt zenuwachtig en gaat met zijn hand door zijn vormeloze coupe haar.‘Zo zo, ik las toch dat je zaalvoetbal speelde? Ga je dan nooit eens op stap met je ploegmaten?’ probeer ik.‘Soms tijdens het seizoen, maar dat is nu voorbij dus ligt dat even stil’.‘Dat ligt even stil,’ herhaal ik traag. Deze 38-jarige single man heeft een stilliggend sociaal leven. Vreemd doch intrigerend. Ik drink nog eens van mijn glas frisdrank. ‘Wat doe je dan buiten het seizoen op pakweg een zaterdagavond?’‘Ik hou heel erg veel van film kijken’, zegt hij enthousiast.Eureka, denk ik, een raakvlak en stel hem meteen de vraag die ik altijd aan mijn cinefiele medemens stel: ‘Welke recente film moet ik zeker nog in de bioscoop gaan bekijken?’‘Forrest Gump vind ik wel goed’, antwoordt hij met een uitgestreken gezicht.‘Forrest Gump?’ Ik frons mijn wenkbrauwen.Hij knikt vol overtuiging.‘Die is toch bezwaarlijk recent te noemen,’ zeg ik voorzichtig. ‘Of heb ik een iets gemist en is die film om de één of andere reden weer te bekijken in de bioscoop?’Hij kijkt me betrapt aan. ‘En jij werkt in de media ofzo?’ vraagt hij snel.‘Eh ja’, stamel ik verbaasd door zijn abrupte switch van gespreksonderwerp. ‘Ik verzorg de beeldafwerking van series en films. Het plannen en coördineren van de technische kant van de zaak.’Hij glundert gefascineerd. ‘Ik heb een Samsung 48 inch. 4K, 50 hertz, 11, 4 cm dik. Het ding kan wel geen 3D weergeven. Ik zou liever een 55inch hebben, maar ik weet niet goed of de kleuren daarbij nu effectief beter tot hun recht zouden komen. Wat denk jij als expert?’Ik kuch zenuwachtig en er valt een korte stilte. Tussen de beeldafwerking van tv-series en de mogelijkheden van tv-toestellen ligt er ook voor mij nog een hele wereld aan onbekende techniciteiten. Met een serieuze blik ga ik met mijn vinger langs de rand van mijn glas. ‘Dat denk ik niet,’ zeg ik dan. ‘In België zijn de tv stations nog niet in staat om uit te zenden in die resolutie.’ Ik kijk hem snel aan om te kijken of hij doorheeft dat ik de boel bij elkaar bluf.Hij lijkt mijn uitleg te slikken en knikt instemmend. ‘Goed dat ik daar mijn geld niet aan heb uitgegeven dan.’‘Inderdaad, gelukkig maar’, zeg ik ongemerkt opgelucht. ‘Wil je me even excuseren, ik moet even naar het toilet.’ In de wc steek ik mijn polsen onder koud water en staar naar mezelf in de spiegel: dit is echt de stroefste date die ik ooit onderging. Mocht het kunnen, ik zou stante pede langs het wc-raampje willen ontsnappen. Helaas is er in dit etablissement geen raampje in de wc-ruimtes. Het lot staat vandaag helaas niet aan mijn kant. Ik adem diep in en uit en keer terug naar ons tafeltje.‘Dus geen 3D op jouw televisie?’ glimlach ik gespeeld geïnteresseerd. Nog een uurtje, neem ik mezelf voor, en dan veins ik een dinerafspraak met vriendinnen.Gelukkig schijnt de zon vandaag.

Ans DB
1 0

De Heilige Reiziger

Een rustige, luilekkere zondagochtend. Buiten miezert het een beetje, maar ik zit lekker warm binnen en slurp van een zalige kop koffie. Het intense aroma van Arabica en een lekker stuk chocolade, beter kan de laatste dag van de week niet beginnen. God wist wat hij deed toen hij deze dag en Arabica schiep.  Ik ben net voor de vijfde keer de eksters in mijn tuin aan het tellen, wanneer ik word opgeschrikt door mijn telefoon.‘Hallo met Ans.’‘Ja hallo Ans, het is hier met God.’‘God? Als je van de duivel… Euh…Nou ja, ik was net aan je aan het denken.’God kucht en zegt fijntjes: ‘Jaja dat zal wel, je was zeker aan het denken dat het weer lang geleden was dat je bent langs geweest. Waar was je net trouwens tijdens de zondagsmis?’‘Ik euh…’ stamel ik.‘Zeker weer feministisch getinte verhalen aan het neerpennen over je menselijke tegenhanger: de man?’‘Ik? Neen nooit, ik schrijf enkel over de sociologische aspecten van de maatschappij en heel soms over de fauna en flora.’God slaakt een gelukkige zucht: ‘Ha ja, de fauna en de flora, juist. Ik was echt op dreef op dag 5 en 6 van de schepping. Echt fabuleuze dingen gemaakt toen. Top prestatie.’‘Ja echt heel mooi gedaan hoor, God. Dat deed niemand je ooit na’, beaam ik gemeend.‘Goed ter zaken!’ zegt God ineens kordaat, maar dan aarzelt hij even. ‘Nou ja, goed’, gaat hij op een kalmere toon verder. ‘Laat ik maar meteen met de deur in huis vallen: ik bel je eigenlijk om je een gunst te vragen.’‘Oh’, zeg ik en leun verwonderd achterover in mijn schommelstoel.‘En met welke gunst kan ik U dan van dienst zijn?’‘Wel, je kent toch de Heilige Christoffel?’‘Die met de baard? Patroonheilige van de reizigers toch?’ gok ik in de hoop Gods toorn niet aan te wakkeren.‘Ja die, nu wil die dus zelf ook eens op reis’, zucht God. ‘Ik hoorde dat jij naar Frankrijk ging en ik dacht: Christoffel is dan wel geen God, maar leven als een patroonheilige in Frankrijk, dat kan toch ook lang niet slecht zijn. Zou jij hem niet willen meenemen voor een paar dagen?’Ik draai met mijn ogen, want je moet weten, patroonheiligen zijn geen gewone heiligen. Ze willen steeds vers fruit, volstrekt veganistische maaltijden en als het even kan, elke dag chocolade van Neuhaus.‘Goh God, eigenlijk zit mijn wagen al helemaal vol. Zo een patroonheilige met zo’n mijter en een lang gewaad, dat gaat echt niet meer lukken.’‘Stop toch met liegen!’ buldert God door de hoorn. ‘Ik heb je wel met je ogen zien draaien! Ik ben wel God en God ziet alles! Mocht je nu eens wat meer naar de mis komen, dan zou je dat niet vergeten.’Ik schrik en stoot per ongeluk mijn kopje hete koffie over mijn benen. God straft onmiddellijk, weet je wel. Ik hoor hem gniffelen aan de andere kant van de lijn.‘Verdomme!’ keel ik.‘Hela, jongedame, hier vloekt men niet! Het tweede gebod! Je zou beter wat meer in de Bijbel lezen in plaats van de Humo.’Ik blaas over mijn pijnlijk verbrande benen.‘Bon, dat is dus geregeld: bemin uw naasten zoals uzelf en jij neemt Christoffel mee naar Frankrijk. ’‘Oké, oké’, gehoorzaam ik gedwee.‘Dat is mooi’, zegt God tevreden. ‘Ga dan nu in vrede en neem jezelf misschien ook een nieuw kopje Arabica’.

Ans DB
0 0

Billy Sønderland (slot)

  Vrijdag is het, 5 december.   Gisteren heb ik aan de Scheldedijk te Zwijndrecht, in het hoofdkantoor van DEME, mijn ontslagbrief afgegeven en daarna, in de namiddag, een eigen zodiac gekocht bij Marina Yachting te Oostende.   Deze ochtend ben ik bij het krieken en het kraaien van een kerkhaan, de haven van Oostende uitgevaren, naar Zonderland, het eiland bij de noordelijke top van de Noordhinder dat ik het mijne mag noemen.   De zee is rustig en een zon blakert op de golven. Ik zie uit de richting van Oostende de Vlaanderen XX dichterbij komen. Hij brengt me de containers, de reddingssloep en de kottermast. De zuigerhopper nadert en op het dek staat ze. Doesjka. Met haar jonge handen ondersteunt ze een zwangere buik. Ze laat de rechterhand los en zwaait naar me.   Een kraan laat de reddingssloep zakken. Daarna volgt de kottermast. Een koord en een boei zitten eraan bevestigd. De kottermast verdwijnt onder het wateroppervlak, de boei laat niet los en dobbert als een roze kop, ginds, op een boogscheut van mijn eiland. Ernaast drijft alsnog de reddingschuit.   Billy roept mij op door de VHF: “Die containers. Dat zal niet lukken. Ik kan niet dicht genoeg komen.” Hij zegt nog dat “hij vertrekken moet, met de Vlaanderen XX. Naar Qatar. Hij is verkocht.” Een halfuurtje later zie ik ze wegvaren, Billy en Doesjka, samen in de stuurhut van dat groene schip, in de richting van het Kanaal.     Het is Natasha die haar hand op mijn schouder legt. “Breng ik vóór ik sluit nog een Mort Subite? Je zat te weer te dromen.”   Er zit een natte plek op haar négligé. Mijn tranen zijn het niet en ik kijk door het raam, naar de roeste kotter die aan de overkant, aan de kade van de vismijn aangemeerd ligt.   “Neen, Natascha. Dank je. Ik ga zwemmen. In de Noordzee. De winterwind en het zout proeven,” en ik vraag of ik mijn gerief bij haar mag laten, een grote zak, met daarin een schriftje met op de kaft ‘Bagger’ en twee legodozen, nummer 4999 (Vestas Wind Turbine) en nummer 6270 (Forbidden Island). Wat jammer is: een wiek ontbreekt. Ook de kop. Van die ene piraat.         De laatste gueuze slot van het historische kortverhaal ‘Billy Sonderland’ uit de reeks ‘Waanhoop’

Bernd Vanderbilt
0 0

Billy Sønderland (9)

Het is de natte droom van elke Vanderbilt - ikzelf ben wat rest van dat Wulpse geslacht - om weer op een eiland voor de Vlaamsche kust te wonen, met enkel een meisje en uitzicht op de zee, om op zondag de Sincfal weer over te zwemmen, om daar aan de overkant in een duinpaviljoen bier te drinken en dan die wrede mensheid weer te verlaten, terug te keren naar de bedkast, naar een zwangere Doesjka.   Het is ook de droom van elke De Cloedt om voor de Vlaamse kust een eiland op te spuiten, maar dan om er geld uit te slaan, of een schiereiland met lagune voor de kust van Heist en Knokke, met nog meer beton, windmolens, appartementen. Nog meer winst voor de bedrijven DEME, De Cloedt, Durco, Versluys en co.   Of een afvaleiland. Ik las het in artikels van 1981 en 1999 waarin de baggerbazen Van De Cloedt lieten optekenen dat “de creatie van een stort in de Noordzee onontbeerlijk is om de stijgende berg industrieel afval en baggerslib te kunnen bergen.”     Eén jaar lang werk ik nu al voor Offshore & Wind Assistance. Van Doesjka geen spoor meer. Op nog zo’n quade saterdach werd ik wakker. Alles was verdwenen: de zwarte opblaaskroon, haar zotte kleertjes, glimlach en die bruisende gedachten.   Ik blijf de molens nazien en toekijken hoe meer en meer slib op de Noordhinder gespoten wordt. De zuigerhoppers van DEME en De Cloedt Dredging komen er hun baggerspecie dumpen en stilaan verrijst er een eiland, vijftien mijl ten noorden van de Thorntonbank, net buiten de Belgische territoriale wateren.   “Hij zal straks wel weten waar naartoe met zijn veertig polopaarden en drie ezels,” zeg ik op een dag tegen Billy. “Polopaarden, ezels, van wie?”, vraagt Billy. “Van Gery De Cloedt. Zijn Hedwigepolder wordt binnenkort onder water gezet,” want hij moet er weg met zijn ganse hebben en houden. Hij zou er een postbus kunnen plaatsen, op dit nieuwe eiland, offshore leven op zijn eigen belastingsparadijs.   Hetgeen mij op een idee brengt en op 30 november 2017 neem ik het vliegtuig naar New York en begeef me op die koude dinsdagochtend van 1 december naar 760 United Nations Plaza. Aan de ingang van het hoofdkantoor van de Verenigde Naties word ik gefouilleerd en moet ik door een metaaldetector.   Op de zevende etage is het loket ‘Micronaties : registratie en erkenning’. Het lijkt wel een oudere zus van Doesjka. Ze zit achter een glazen wand met luistergaatjes en draagt een trui met memorabele strepen: paars, oranje, rood. Ze vraagt wat ze voor me kan doen    “Ik kom voor de registratie van mijn eiland,” zeg ik haar en ze neemt een formulier. “Naam?” “Billy Sønderland, neen, Jan Zonder Land”, antwoord ik. "Geeft U mij Uw identiteitskaart a.u.b.," zegt ze en ze noteert : Bernd Vanderbilt. “Naam van het eiland?” “Zonderland.” “Vlag?” “Paars, oranje, rood, horizontale strepen,” en ik overhandig haar een recente satellietfoto, ook een schets met daarop de exacte coördinaten. Dan moet ik enkel nog het formulier ondertekenen.   “Dat was het,” zegt ze en ze steekt mijn formulier, netjes alfabetisch in een kaft met daarin alle andere microstaten. Helemaal achteraan zit nu Zonderland, achter Zimlandia. "U kunt dit eiland nu de facto als het Uwe beschouwen," hoor ik haar nog zeggen, "U was de eerste om het op te eisen. Op een erkenning hoeft U verder niet te wachten."   Terwijl ik naar Zaventem terugvlieg, maak ik alvast concrete plannen. Wat ik van mijn vader erfde, zal goed besteed worden, aan de bouw van een stevige sokkel met daarop een cilindervormige woonst (met een diameter van zes meter) en een kegelvormig dak, zonnepanelen voor de LED-verlichting en stroom voor een koelkast, een aanlegsteiger voor radioschepen, een speelduin en een lichtmast met een kraaiennest.   Daags nadien, in The Old Steamer, trakteer ik een fles champagne. Maar nog steeds geen Doesjka, niet tegen mijn dij, noch aan de horizon. Nergens een teken van frivool leven.   Van Natascha krijg ik drie dikke zoenen en Billy zegt dat hij alvast twee zeecontainers naar mijn eiland kan brengen. “De Baelskaai in Oostende moet opgeruimd worden. Er ligt ook nog een achtergelaten reddingssloep. En de mast van kotter. Die kan ook mee.”       Zonderland deel 9 van het historische kortverhaal 'Billy Sønderland' uit de reeks  'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
0 1

Is er nog plaats voor liefde in mijn hart?

Begrijpt u mij niet verkeerd. Ik sta hier nu, voor u, ietwat nederig om niet te zeggen onderdanig, doch met licht arrogante ondertoon om in zekere zin respect af te dwingen en tegelijkertijd jullie volstrekte aandacht op te eisen zonder jullie ook maar het kleinste vermoeden te geven dat ik wel eens absoluut niet te zeggen zou kunnen hebben. Maar genoeg over mij. Mensen hebben het weerzinwekkend graag over zichzelf. Wie bent u, mens met het zwakke hart, wezen met het onvoorstelbare talent om door wie dan ook neergehaald te kunnen worden? "Wij", besluit ik. En de samenhorigheid is geboren.   Om de uit het niets opdoemende poëtische meligheid even drastisch aan de kant te schuiven en de eeuwige drang naar concreetheid te bevestigen, zal ik het begrip lanceren dat deze al dan niet onverklaarbare woede heeft opgeroepen. Vergeeft-u mij mijn onprofessionaliteit. Het gaat hier nl. over de liefde. Een tongstrelend woord - ik nodig ieder van jullie hartstochtelijk uit om het op een afschuwelijke manier uit te spreken, de wonderen zijn de wereld nog niet uit - dat harten doet fluisteren en mensen doet slaan. De warme, zoete liefde die uw leven sporadisch binnensijpelt en vervolgens net zo plots durft te verlaten maar ter compensatie een prachtig(e) kille leegte achterlaat. Een mens zou er bijna massochistisch van worden. Doet u dat ook? Genieten van die wrange smaak, die u er gratis en voor niets bijkrijgt, even gorgelen en toch niet wegspoelen?   Liefde bijt, snijdt, ijlt en toch blijft men er van houden. Of hoe de ironie des levens blijft verbazen. Laat ik er van uitgaan dat ieder van jullie zich wel eens heeft afgevraagd of hij/zij oprecht van iemand houdt of eerder van het gevoel dat laatsvernoemde u bezorgt. Objectiviteit is uit d'n boze maar de vraag houdt stand. En wat met naastenliefde? Solidariteit, geven, nemen, schenken voor het goede doel.. Om over eeuwige altruïstische kwesties nog maar te zwijgen. Waarom geven, zonder er baat bij te hebben? Indien dit laatste wel correct is, voor de hindoes en boedhisten onder ons die karma als waarheid zien.   Bestaat oprechte liefde überhaupt? De onvermijdelijke ego- vs altruïsmekwestie schreeuwt het uit: "Vangt een moeder de verloren alias verlossende kogel voor het kind op, puur uit liefde, wetend dat haar spruit nog een leven lang tegemoet gaat doch niet rekening houdend (of juist wel?) met het feit dat het moederziel alleen-e grut niet veel overlevingskans bezit of eerder uit voorbedachte rade, denkend aan de beschuldigende blikken van de dorpbewoners en beseffend dat een leven vol met spijt ook geen leven is? U gaat me nl. niet vertellen dat de dode meer last heeft van pijn dan de overlevende. Of struikelde de arme dame over een ongelukkig geplaatst houtblok en verdwijnt deze redenering in het ijle? Vrije interpretatie sluimert en schijnt, schokt en venijnt.   Alomvertegenwoordige teleurstelling is waar het om gaat. Te nemen of te laten. Een mens wordt alleen geboren en blaast z'n laatste adem wederom even verdomd alleen weer uit. De grootste waarheid die ik tot nog toe heb durven slikken.   Die o-zo symphatieke - u toegewenste gore, guitige, loze liefde zal knarsetandend uw oor afsabbelen, knagen alsof z'n leven ervan afhangt om u vervolgens tegen de muur te plakken en daar te laten hangen. Dagen, maanden, jaren. En pijn. Pijn zult u voelen.   Pijn. Scheurend. Wroetend in uw eigen onmacht, knagend, sluipend, huivering-, duivelop-, duizelingwekkend slopend. Huilend, druipend en snikkend doch droog. Kurk. Droog. Krakend en brekend en slijpend tot in de eeuwige schrapende groteske stilte der dwazen.   Luister. Hoort -die lachende, fluisterende pijn- opdoemend uit de nevelige, zwarte, schreeuwende leegte. Schater, bejubel, aanbid dit onderhuids, vretend, morbide metafoor voor de liefde en lach. Lach tot u niet meer bijkomt.   Maar, vreest-u niet. Sluit allen jullie ogen.   Sluit. En voel - voel je wimpers voel je ze voelen zo onherroepelijk s-zacht tegen je huid. Je adem fluistert, spreekt, sist. S-s-s-s-zwijg. Sluit je mond. Integendeel jouw hart. Open lijk nooit tevoren. Open en voel. Voel verder. Verder voelen en vlijen in de verste veilige plek van je zielige hart. Harteloze ziel. Jij. Laat je door de klanken bezweren en betoveren en meedrijven naar iets. Iets puur, iets prachtig, iets ongelooflijk, onwaarschijnlijk mooi. Kleuren in het ijle. Zij zingen, zweven, schijnen.   Geniet. Geniet. Geniet.   Is er nog plaats voor liefde in uw hart?

Pseudoniem
7 0

Billy Sønderland (8)

Om kwart voor zes, op donderdag 1 december, sta ik op de kade in het Brittaniadok. Doesjka is stilzwijgend met me meegereisd naar Zeebrugge. Ze draagt een versleten hoity-toity-jasje en een Wally-in-Space-broek met zilveren ruiten die als schubben strak rond haar benen zitten.   Billy komt aan wal over de ijzeren loopplank. “Of ik ook kaarten meegebracht heb?” vraagt hij. “Ja, een kaart met allemaal klaveren, molentjes erop,” antwoord ik. “Of ze mee mag?” en Billy knikt. Een half uur later varen we de haven uit en op één mijl van de eerste windmolen laat hij de zodiac naar beneden. “Ik zal dan met Doesjka moeten kaarten”, zegt hij plagend.   Doesjka buigt zich over de railing, haar novemberhanden zwaaien naar me, terwijl ik de Evinrudemotor start en in de richting van de molen vaar, die op mijn kaartje aangeduid staat als Senvion n° 7.   Ik klauter eerst op het platform en klim dan tot hoog in de gondel. Een checklist moet ik daar overlopen, een paar manipulaties met het controlebord uitvoeren, de smering van de tandwilekast controleren and that's it.   Als ik door het luik op het dak van de gondel kruip, schittert de winterzon over de Noordzee. In de verte zie ik de eerste toren van het nieuwe Manhattan van Oostende staan, op de Oostoever, waar Vande Lanotte met zijn kameraden Bart Versluys en Jean De Cloedt samen hoog ingezet hebben, de vissers van de Baelskaai weggejaagd hebben, Jan, Piet, Joris en Corneel onteigend, om vele duiten en stuivers te kunnen opstrijken met de bouw van luxeappartementen.   Ten noorden van de Northonbank vaart een hopperzuiger van De Cloedt Dredging, het bedrijf van Gery. Hij komt er slijk uit de haven van Vlissingen dumpen op de Noordhinder, net buiten de Belgische territoriale wateren.   Dichterbij vaart Billy. Hij manoeuvreert de Vlaanderen XX tussen de Gootebank en de Thorntonbank, baggert er en spuit het zand dan op de Thorntonbank. "Om te voorkomen dat de molentjes wegspoelen”, zegt hij tegen Doesjka, die naast hem staat, zonder veel te zeggen. De hartenkoning heeft ze deze ochtend van de keukendeur getrokken en zit nu warm opgeborgen, onder de voering van haar jasje.   De glinstering die ik op het dek van de Vlaanderen XX zie, moet van Doesjka’s broek zijn. Met de elegante beweging van een dolfijn, duikt ze het water in en zwemt in mijn richting met de snelheid van een zwaardvis. Als ze aan de voet van de molen is, steekt ze een arm uit het water en doet teken naar me, alsof ik springen moet, duiken vanop de gondel, om samen met haar naar ons nieuwe eiland te zwemmen.   Ik dagdroom. Billy roept me op via de VHF. “Ze heeft me afgemaakt bij het kaarten,” zegt hij en dat hij over een uur terug zal zijn op diezelfde plaats, één mijl ten zuiden van de eerste molen.   Als ik terug aan boord kom van de Vlaanderen XX, opent Doesjka een flesje Gentse Strop voor mij. Haar wangen blozen. “Komt door de koude wind, ik stond aan dek, met een verrekijker, maar kon je nergens zien, enkel je zodiac, bij één van de molens.”   Ook Billy’s tong is wat losgekomen en hij vertelt, over het drama van 1984. Grote transformatoren met toxische olie erin stonden klaar op de kade in Oostende, bij de Werkhuizen De Cloedt. Ze werden die nacht aan boord van de Vlaanderen XVIII gebracht, om op de Gootebank gedumpt te worden.   “Het is verdomme goed fout gegaan die nacht,” zegt Billy. De zware transformatoren kwamen op mosterdgasbommen terecht. Niemand die nog wist waar ze lagen, want op de Paardenmarkt, de zandbank voor Knokke en Heist waren in 1971 enkel de gifgasbommen teruggevonden.   “Zware brand op de Vlaanderen XVIII,” schreven de kranten toen, maar Billy weet meer. Zijn moeder vertelde het, toen hij zeven was: “De zware brandwonden kwamen door het mosterdgas.” Billy lag die nacht thuis te blèren en moeder ververste zijn pamper; op zee stierven zijn vader en grootvader, Jens en Erik Sønderland.        Over mosterd en molentjes deel 7 van het historische kortverhaal ‘Billy Sønderland’ uit de reeks ‘Waanhoop’

Bernd Vanderbilt
16 0

Billy Sønderland (7)

  We zijn die nacht straalbezopen doch levend thuisgeraakt. Ook tijdens onze wandeling op het strand van Heist is ons niets overkomen. Het strand is daar aan het verzanden. De stroming is er sterk vermindert sinds de uitbreiding van de haven. Meer en meer zand zet zich daar jaar na jaar af. Je moet er al een heel eind wandelen om tot bij de branding te komen en er als een kind over de eerste golfjes te kunnen springen.     350.000 ton munitie ligt daar, gestort net na de eerste wereldoorlog. Dat was snel in een achterkameterje van de senaat bedisseld tussen de toenmalige liberale Minister van Oorlog Fulgence Masson en diens partijgenoot en senator Emmanuel De Cloedt.   Men noemde het een grote verrassing in 1971, toen duikers van Baggerwerken De Cloedt het ‘vergeten’ bommenkerkhof aantroffen voor de kust van Heist en Knokke. Laten liggen (lees: Laten doorroesten) was de oplossing, vonden de Ministers van de Noordzee (Etienne Schouppe in 2010 en Vande Lanotte in 2013) in antwoord op kritische vragen van de pers.   Een fluitje van een cent wordt het straks om een paar van die gifgasbommen te laten exploderen. Elke terrorist in spe kan er dan met een metaaldetector het strand oplopen, bij de eerste ‘piep’ een put van een meter diep graven en er een paar laten ontploffen, vlak naast het dichtbevolkte Heist, naast een schooltje jonge tongen en de gasterminals van Fluxys. Laten liggen dus!     Ook wij blijven deze ochtend liggen. De laatste modetrends in de nachtkledij volgt Doesjka niet en naakt ligt ze naast me in de twijfelaar, op een laken met schelpenmotief. Mijn arm glijdt tussen haar benen, als een pieterjan die door de schorre zich een weg baant naar de open zee. Ze duwt mijn hand weg als een waakzame wachter in het Zwin en de telefoon rinkelt.   De persoonsverantwoordelijk van DEME, een oud lief van Gert De Cloedt, is aan de lijn en zegt dat “ik morgen aan de slag kan bij OWA (Offshore & Wind Assistance), voor het onderhoud van de windmolens op de Thorntonbank.” Ik moet me aanmelden in Zeebrugge, bij de Vlaanderen XX, die in de buurt van de Thorntonbank baggert en daar een zodiac voor me zal neerlaten. Elke dag zal ik één van de molens inspecteren, volgens een bepaald schema.   "Goed," zeg ik en Doesjka draait zich op haar zijde. Haar heupen zijn mooier als de mooiste glooiing in een duin en haar toefje helmgras verbergt het wilde konijntje amper. Ik ga een bad nemen!   Onderweg val ik bijna over die blauwe trein naar Genua. Ik draai de kranen open, om straks languit te liggen weken. Verlangen zal zich van mijn vel losmaken, een eend zal over golfjes dobberen en het zal in dit bad krioelen van de kwallen, die als onzoenbaar, pasgeboren eiwit zullen rondzwemmen.         Het gif der kwallen deel 7 van het historische kortverhaal 'Billy Sønderland' uit de reeks  'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
0 0

Billy Sønderland (6)

En of ze zwanger was, Doesjka, in die zomer van 1334? Neen, overmatig had ze zeevruchten genuttigd. Ze moest dan toch overgeven. Ik veegde de kots van haar kinnebakje. Daags nadien hebben we gewoon weer vlas geoogst bij Remboudsdorp op het eiland Wulpen en enkele maanden later ging alles naar de Filistijnen.   De Clemensvloed van 23 november 1334 overspoelde de velden en zette het erf voorgoed onder water. De familie Vanderbilt was nog net op tijd naar Nieuwvliet gevlucht maar landerijen hadden ze niet meer en vader Berend Vanderbilt (°1294 - 1357) trok met vrouw en kroost naar Brugge om zich daar te vestigen als vlashandelaar.     Er is weinig volk in de Old Steamer en Serge Gainsbourg zingt in een luidspreker een liedje over komen en gaan.   “Billy blijft de ganse week op zee,” zegt Natascha me, terwijl ze Doesjka aankijkt, die met haar smartphone zit te prutsen. “Voor mij een oude gueuze van Boon,” en Doesjka bestelt een Bloody Mary. Teleurgesteld is ze. The suicide king of hearts zal ze vandaag niet ontmoeten. Het kaartenspel zal onaangeroerd achter de toog blijven liggen.   Achter in het etablissement beweegt iets, een donkerrood gordijn. Een man komt uit een donker gat tevoorschijn. Een deerne met rood haar klampt zich rond zijn arm. Ze is lang niet zo jong als Doesjka, haar ogen zijn wat gezwollen en ze bestelt een Safir, om zich de mond te spoelen.   Als de man ons tafeltje nadert, herken ik hem. Het is Joachim Coens. “Dat moet verzekers tien jaar geleden zijn dat ik U nog zag.” Joachim kijkt mij verwonderd aan. “Bernd, van ‘t college, in Assebroek”, zeg ik en zijn lichtje gaat branden. “Mò got, dat ik U hier moet tegenkomen. Wat doet gij tegenwoordig nog?”   “Niets, nog niets nieuws gevonden na het faillissement van Windstar.” "Ook niet gezocht,” maar dat zeg ik er niet bij. Hij laat zijn ogen op Doesjka vallen, die aan haar cocktail zit te slurpen, door een zwart strootje, daarna wat bellen onder het ijs blaast om de lucht wat te koelen.   “Ik zal kijken wat ik voor je kan doen,” belooft Joachim, “morgen zie ik Gery De Cloedt, al is die de laatste tijd niet welgezind. Zijn Hedwigepoldertje zal onder water gezet worden en hij weet niet waar naar toe met zijn veertig polopaardjes en drie ezeltjes.”   Doesjka verslikt zich, omdat de gedachte aan een polopaardenlul in een ezelfoef gegiechel in haar opwekt. Ik geef Joachim een bierviltje met daarop mijn telefoonnummer, druk hem de hand, vóór hij vertrekt met Mevrouw Safir, die in een jas van wit en krullend schapenbont gekropen is.   Ik neem nog een slok van de oude Boon, een paprikanootje verdwijnt in mijn mond en ik wrijf zacht over de wreef van Doesjka’s hand, over de littekens op haar onderarm.         Polopaardengelul deel 6 van het historische kortverhaal 'Billy Sønderland' uit de reeks  'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
1 0

Billy Sønderland (5)

Het is de eerste keer dat ze in mijn armen wakker wordt, op een zondag. We liggen in een bedkast, in een hofstede in Remboudsdorp, op het eiland Wulpen voor de Vlaamsche kust. Het is zaterdag 20 juli 1334 en ik heb de godganse dag vlas getrokken op de velden van de Vanderbilts. Mijn pollen zijn stijf. Zij heeft honderden handenvollen samengebonden, na zonsondergang mijn rug gemasseerd, met die jonge handen en wat zeehondenvet.   In de namiddag zullen we de Sincfal overzwemmen, onze kleren in de takken van een duindoorn hangen, om puur op het strand te liggen, tureluurs te volgen in hun vlucht. Dat er iets op komst is, zegt Doesjka, het meisje dat enkele weken geleden als een Russische regenboog uit de wolken kwam gevallen. Een openbaring was het geweest, die verschijning van fris en betoverend poollicht boven een hete zomerduin en hier op dit strand van Cadzand, voelen haar tienertietjes gezwollen aan. We hebben karakollen leeggepeuterd, mosselen op de tong gevoeld en oesters leeggelikt. Ik denk dat ze gaat overgeven.     Lang mag dit sprookje echter niet duren, omdat ze mijn neus dichtknijpt, ik de mond openen moet. Ik voel een ijsblok tegen mijn verhemelte, word wakker, open mijn linker oog en haar lach hangt boven mijn twijfelaar. Haar borstjes kruipen haast uit het witte XXL T-shirt dat haar deze nacht omhullen mocht en ze draagt het zwarte opblaaskroontje weer.   Ben ik iets vergeten? Haar verjaardag blijkbaar. Er knalt een kurk en een scheut champagne vloeit over mijn borst en dartele aardbeien liggen in een tupperwarepotje, te wachten op wat slagroom of een eerste beet.   “Ik neem je mee,” zeg ik haar, “over zeeën en oceanen, naar de monding van de Amazone, om er kleurrijke parkieten, kaketoes te vangen, om ze te pluimen en met hun veren een indianenjurkje voor je te maken, het over die fijne schouders van je te hangen, er je schoonheid, je onschuld mee te verbergen voor mijn dierlijke inborst.”   Ze lacht en ik geef toe dat ik lieg, “gewoon naar Heist, een avondwandeling over het mijnenstrand en dan naar The Old Steamer.”   “Ik wil hem best eens ontmoeten, die Billy,” zegt ze en met een scherp mes snijdt ze het groen van een aardbei, alsof ze een koning scalpeert en hem dan tussen haar tanden de kop leegzuigt.         Aardbeien vóór de storm deel 5 van het historische kortverhaal 'Billy Sønderland' uit de reeks  'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
1 0

Billy Sønderland (4)

Het is namiddag, rond drieën, op deze black Friday 28 november 2016 en de zon schijnt zowaar weder, zelfs op de gevel van het hoekhuis aan het begin van de Garenmarkt. Dit is het huis waar vorige generaties Vanderbilt woonden; nu ik. Er is een bistro aan de overkant van dit huis, Bistro Christophe, van Christophe, met kleine tafeltjes op het trottoir, waar ik een plaatsje vind naast enkele toeristische reizigers.   De trein heeft mij teruggebracht, de zak met de zilveren muizen die naast mijn voordeur stond, is verdwenen, ook geen Doesjka achter het raam. Onderweg lag hij voor me, op het oranje tafeltje in mijn wagon, de hartenkoning. “Heeft U ook een geldig vervoersbewijs?” vroeg de conducteur, die zijn rechter wijsvinger tegen zijn rechterslaap hield en daarbij een duim omhoog stak, alsof hij zichzelf door de kop ging schieten.   Ik toonde mijn railpass en stak de hartenkoning in mijn binnenzak, waar hij nu rust terwijl ik een Westmalle Dubbel bestel en onderweg tuurde ik in de richting van het westen, omdat die nietsvermoedende zon daar stond, boven grijze gedrochten, loodsen in de Zeebrugse achterhaven. Als mechanische everzwijnen waren ze daar in de grond aan het wroeten, kranen, bulldozers en werfwagens, die Dudzele en Lissewege onder het gras proberen te rijden, om er bredere bruggen en wegen aan te leggen, waarover ze zullen denderen, vrachtwagens met containers vol brol en biezonderheden, koelwagens met één miljoen kortharige groene kiwi’s, gele neven en nichten, ook uit Nieuw-Zeeland, of tonnen tilapia's, pangasiusvissen en lieve kleine piranha's, morsdood, onder strakgespannen folie en in weer andere dozen steken sinterklaasplastiek, hardhouten fallussen met een metalen onderkant, om flessen te openen, altijd grappig. Hier, in Brugse souvenirwinkels hangen ze, naast valse chocoladetieten en eindelijk verschijnt ze achter mijn raam op de eerste verdieping van de Garenmarkt nummer één.   Doesjka! Ik maak een scholbeweging met mijn glas en kijk toe, hoe ze de beide wreven van beide handen in beide heupen legt, trots haar jonge heupen heen en weer wiegt, een pirouetje draait. Een zwarte opblaaskroon prijkt op het hoofd van mijn teenage queen of spades, Pallas, godin van reine maagdelijkheid. Ze draagt een slobbertrui gebreid door de engelen van de wellust, horizontale strepen, paars, oranje, rood. Het zijn de kleuren van de vlag die prijken zal op ons eigenste eiland, ons nieuwe paradijs ergens in de Noordzee en haar adem blaast damp op het enkele glas. Ze tekent een hartje en ik voel. Ja, hij zit er nog! In mijn binnenzak. Met een zwaard door zijn kop.   De bodem, een slok door mijn strot en dan mijn trap op. Doesjka vleit zich neder in de sofa. Met een duimspijker bevestig ik de kaart die Natascha me toestak, aan de keukendeur. Als Doejska een hand op mijn sleutelbeen legt, een wijsvinger tegen mijn nek wrijft, zeg ik haar dat ik een zakje verse garnalen meegebracht heb, dat ik ze voor haar pellen zal, voorzichtig opbaren zal in de buik van een leeggelepelde tomaat, met wat mayonnaise, peterselie, en dat ik slechts een zoen van haar wil, alvorens ik mezelf vanavond, later, vannacht, onder een milde maan te slapen leg.         Teenage Queen of Spades deel 4 van het historische kortverhaal 'Billy Sønderland' uit de reeks  'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
0 0

Verdiend geluk

Ik opende mijn ogen voor het eerst in een koude, vochtige stal. Het was er schemerig; het enige, grijze licht was afkomstig van de slordig met hout dichtgespijkerde ramen. Ik lag op een versleten, muffe handdoek met een onbestemde kleur in een hoek van de grote, tochtige ruimte. Ik rilde; een ijzige wind waaide door de kieren in de deur en de ramen en af en toe streek een kille tocht langs mijn magere lijf. Onder de deur lag een plas water, die alsmaar groter werd door de grote sneeuwvlokken die door de stevige novemberwind naar binnen geblazen werden. Ik hoorde muizen rondscharrelen in het hooi dat in een andere hoek bijeengeveegd was. Ik raakte niet gewend aan het duister en merkte ­- eerder door te voelen dan te zien -­ dat ik niet alleen op de handdoek lag. Overal om me heen voelde ik beweging en hoorde ik de piepende ademhaling van lotgenoten, die zich in dezelfde onaangename situatie bevonden als ik.   Een streep winterlicht gleed over de handdoek en piepende scharnieren van een slecht geoliede deur deden me angstig in elkaar krimpen. Ik huilde zachtjes. Ik hoorde opgewonden kinderstemmen en een sussende vrouwenstem. Een jonge vrouw kwam de stal binnen met een emmer in haar hand. Toen ze de emmer neerzette, bewoog een van mijn lotgenoten naar haar toe en begon gulzig te drinken van het frisse water, waarmee de emmer tot de rand toe gevuld was.   Na een tijdje doezelen, tilde iemand me op en duwde me in een container. De ruimte was veel te klein en al snel hoorde ik gehuil en jachtige ademhalingen. Ik dook weg in een hoekje en kroop tegen één van mijn lotgenoten aan. Mijn instinct zei dat het mijn zusje was. Toen de container plots in beweging kwam, zochten we trillend steun bij elkaar. Ik hoorde geschuifel en het leek of er een gevecht losbarstte in het midden van de trein. Tot mijn ontsteltenis eindigde het voor een van de vechtersbazen niet goed. Ik hoorde een reutelende ademhaling, die alsmaar onregelmatiger werd en uiteindelijk niet meer te horen was. Na wat een eeuwigheid van indommelen en wakker schrikken leek, ging de deur van de container een klein beetje open. Drie grote, stevige mannen schoven een gigantische bak met water naar binnen en gooiden droge broodkorsten de wagon in. Onmiddellijk draaide het uit op een nieuw gevecht, waarbij ook hier weer een aantal van mijn reisgezellen het niet overleefden. Mijn maag rammelde en ik kroop zo stil mogelijk over de vloer van de trein, terwijl ik probeerde zo laag mogelijk bij de grond te blijven en tegen niemand op te botsen. Een aantal keren moest ik noodgedwongen flink van me afbijten. Ik grabbelde wat broodkorsten bij elkaar en kroop, op dezelfde manier als ik gekomen was, terug naar mijn zusje in de hoek van de vieze, donkere container.   Dagen, weken of misschien zelfs maanden later, waarbij één keer per dag water en broodkorsten de trein ingeduwd werden, werd de deur van de container volledig opengegooid. Ik kneep mijn ogen dicht tegen het felle zonlicht dat de trein binnenstroomde. Toen ik om me heen keek, zag ik een ware veldslag. Er waren niet veel overlevenden.   Alles was nieuw: de geuren, de kleuren, de geluiden. Ik werd bij mijn zusje geplaatst. Ze zat te trillen van angst. Ik ging naast haar zitten en leunde tegen haar aan, hopend dat ik haar zo kon zeggen dat alles in orde kwam. Ik was een optimistisch iemand. Ik zag overal het goede in. Zo zag ik dat de zon stralend door de ramen scheen en de ruimte in een zomerse gloed liet baden. Ik zag een straat met vrolijk babbelende mensen en kinderen, die dubbel zoveel afstand aflegden als hun ouders door een eind voor hen uit te rennen en dan zo snel mogelijk terug te sprinten. Van plezier kraaiende baby's werden voortgeduwd in wandelwagentje, terwijl ze met hun tot knuistjes gebalde handen in de lucht zwaaiden, grijpend naar loom voorbijvliegende hommels en sierlijk voorbijfladderende vlinders. Honden snuffelden aan alles wat hun pad kruiste en bekeken iedere voorbijganger van top tot teen. Zo donker de koude winter in Slovenië was geweest, zo vrolijk en warm was de zomer in mijn nieuwe wereld.   De lichte, glazen deur, die uitgaf op de drukke winkelstraat, werd opengeduwd en een vrouw en drie kinderen kwamen de ruimte binnen. Aan de balie werden ze begroet door een dikke man, met vettig haar. Hij sprak ons altijd heel vriendelijk toe en liefkoosde ons, maar stuurde ook regelmatig een vrouw in een witte jas op ons af. Ze had dingen die ons prikten en een koude dop waar -­ zo leek het tenminste -­ een koptelefoon aan verbonden was. Na een bezoek van de lieve mevrouw voelde ik me altijd ziek en uitgeput. Het duurde dan een aantal dagen voor ik mijn aangeboren optimisme terugvond en terug aan het raam kon gaan zitten om naar de eeuwig interessante voorbijgangers te kijken. Telkens wanneer een kind opgewonden naar me wees en zwaaide, aan de mouw van zijn moeder of vader trekkend, sprong ik juichend in het rond en zwaaide even enthousiast terug, hen in gedachten overtuigend -­ soms zelfs smekend -­ mijn zusje en mij in hun gezinnetje op te nemen. De vrouw, die net binnengekomen was, vroeg of ze even mochten rondkijken. Na een bevestigende knik van de baas liepen ze de ruimte door. Ze begroetten ons allemaal even hartelijk en bleven een tijdje vertederd naar de kleinsten onder ons staan kijken. Langzaam maar zeker kwamen ze dichterbij. Na veel "Oh"'s en "Ah'"s bij andere lotgenoten zag ik de kleine jongen zijn moeder aanstoten en naar ons wijzen. Hij praatte opgewonden, maar zijn moeder kwam maar aarzelend dichterbij. Toen ze ons zag, verzachtten haar ogen echter en ze gaf me een lieve aai. Ik voelde het: dit was ons moment. Ze zouden Zusje en mij meenemen; het was voorbestemd! Veel te snel draaiden ze zich om en verlieten mijn tijdelijke huis.
Toen ik een teleurgestelde blik naar buiten wierp, zag ik de kleine jongen met een zielig gezicht naar me kijken.
 Ik zuchtte, draaide me om en viel in slaap.   Ik schrok op toen de deur openging. "Kom, jongen," zei de vriendelijke, maar kordate stem van de baas, "Ik heb voor jou een thuis gevonden." Ik kon mijn oren niet geloven! We hadden een thuis; een echte thuis! De baas tilde me op en legde me in de armen van de vrouw die eerder op de dag naar ons was komen kijken. Er was nu een man bij, die met een glimlach om zijn lippen zijn hoofd schudde en ons naar buiten leidde.
 Maar toen ik over de schouder van mijn nieuwe mama keek, brak mijn hart. Zusje bleef eenzaam en alleen achter en keek me bedroefd na. Ik worstelde om los te komen, maar de vrouw was te sterk. Ze fluisterde me kalmerende woordjes toe en aaide me over mijn rug. Toen de deur achter ons dichtviel, begon ik zachtjes te huilen. "Vaarwel, Zusje, morgen zal ook jij een nieuwe thuis vinden," zond ik haar in gedachten toe.   Mijn nieuwe gezin bracht me naar een gezellig huis met een grote tuin. Ik genoot van het groene gras, de trampoline en de schommel. Ik maakte kennis met mijn nieuwe zusjes en broers en met mijn nieuwe leven. Ik kreeg een eigen plek om te slapen, met schone en zachte lakens. Kortom, ik kreeg de liefde, waar ik zo hopeloos naar verlangd had en die ik zo hard verdiend had. Met heel mijn hart wenste ik voor Zusje hetzelfde. Terwijl ik tevreden zuchtend rondkeek op de plek waar ik terechtgekomen was, wist ik eindelijk wie ik was: ik was Thor, hond en trouwe viervoeter van een eigen gezin!  

L.C.
0 0

Billy Sønderland (3)

De vuilniszak staat buiten en ik zelf ook. Gelukkig is er geen kat, geen kat die op de loer ligt om de zak open te scheuren, alsof er zilveren muizen zouden wonen achter het Gulden Vlies van de Heilige Maagd, en ook geen kat die weet wat er allemaal wél in steekt.   Alles wordt verbrand, bananenschillen, piep- en scheerschuim, flacons met restjes heimweewater, nageboortes van een schommelveulen, van een babydraakje, haakwerkjes, met liefde werden ze gemaakt om er een bierglas op te zetten en ze zwaait naar me, Doesjka, door het raam, onvoorzichtig, met een losse hand.   Op perron één zal hij op me wachten, de trein naar Zeebrugge-Dorp en na een kwartiertje stappen zal ik er zijn, in café The Old Steamer. Het zal een modern vehikel zijn, dat minder kabaal maakt dan de blauwe blokkentrein die even oud is als ik en van Hamburg via Basel helemaal tot in Genua kan rijden.     Als ik het etablissement achter de donkerrode gordijnen binnenstap, zie ik slechts één man zitten. Dat Marvin Gaye ooit in Oostende woonde, weet zowat iedereen, maar de kerel aan dit tafeltje daar, die woont in Zeebrugge en hij moet het zijn: B.B. King!   “Bernd Vanderbilt." Ik stel me voor, geef hem een hand, waarna hij een gebaar maakt, dat ik aan de andere kant van het tafeltje kan plaatsnemen. De dame die achter de toog twee fluitjesglazen droogde, staat intussen aan onze tafel: “Wat zal het zijn?”   Een Safir wil Billy en ik bestel een gueuze, terwijl ik met beide handen over de zachte flanelle van de zetel wrijf en wat te lang toekijk hoe ze haar boezem wat omhoogdrukt in de zwarte beha onder een spannend, synthetisch pulltje.   “Dat het geen hoerenborsten zijn,” zegt ze terwijl ze twee bierviltjes klaarlegt en een spel kaarten op tafel legt, “met de kaarten wordt hier soms gespeeld.” “Manillen,” zegt Billy, “enkel met een Engels kaartspel."   B.B. King, Billy Bagger King of Hearts, deelt de kaarten uit terwijl voor die twee onbetaalbare borsten van Natascha een kraag schuim op een glas bier verschijnt, een gueuze ingeschonken wordt. Billy vertelt over zijn grootvader, Nils Sønderland, een Deense matroos die in Zeebrugge was blijven plakken, aan het vel van Louise De Wachter, die bij de vismijn werkte en dat hij nu de derde generatie is die baggert bij Decloedt, dat het dankzij hem is dat die Chinese containerchepen binnengeraken in de haven.   Ik zie het zo voor me: Chinese mastodonten die de havengleuf zoeken en Louise, die elke avond weer zich de garnaalpelhandjes, het ganse lijf, zorgvuldig waste met citroenwater, want Nils kon elk moment thuiskomen van het ruime sop om in haar een halve aardling, de vader van Billy te verwekken.   “Dat is mijn job,” zo gaat hij verder, “elke dag weer, baggeren, in de haven, en ook buiten de haven, de vaargeul vrijhouden want op de Noordzee staat een sterke stroming, die zand meesleurt en weer afzet. Dat baggeren kost de staat jaarlijks 70 miljoen en wie gaan daar mee lopen: DEME, Decloedt, De Nul.”   Als ik hem uitleg dat ik meer te weten wil komen over het bommenkerkhof voor het strand van Heist, kijkt hij in zijn glas. “Piques troef”, zegt hij. We spelen, we drinken en telkens als hij als eerste aan slag is, legt hij, als hij kan, steevast de hartenkoning, die hij dan telkens aan mijn aas of harten tien verliest. “Merci, drie punten kado,” dank ik hem in het begin nog. Daarna zwijg ik en zegt hij dat een mens soms gewoonweg verliest, terwijl hij de mouwen van zijn hemd oprolt en ik niet vragen durf naar de littekens op zijn polsen.   Van doorvragen over die duizenden tonnen bommen komt niet veel in huis. “Wat interesseert jou dat,” is zijn antwoord en als ik hem probeer gerust te stellen, dat ik geen journalist ben, vraagt hij me: “Wat zijt ge dan wel, of leef je van de ziekenkas? Zoek toch een deftige job! Slijkspuiter of broldumper,” zegt hij smalend en staat dan recht. “Ik moet ervandoor, morgen vroeg op, weer aan de slag op de Vlaanderen Twintig,” en hij verdwijnt in het deurgat.   Ik blijf nog even zitten, raap de kaarten samen. Natascha komt afruimen, ik betaal het gelag en zij haalt de hartenkoning uit het pakje kaarten. “Neem hem mee,” zegt ze met een knipoog, “Slaap er eens over. Vergeet het niet. Engels kaarten, nooit Franse!”       King of Hearts deel 3 van het historische kortverhaal ‘Billy Sonderland’ uit de reeks  ‘Waanhoop’

Bernd Vanderbilt
1 0

Heaven and Hell for Gerard

While mister and misses Clementine were waiting in the faintly yellow waiting room, the man started to scratch heavily behind his ear. He turned his head to the left so he would get the right spot. “Stop it Gerard, you’re making me nervous”, his wife said. Miss Clementine was a small woman, with a hair fool of dense curls. Along with her sharp nose, her hair made her look like a grey poodle.   When the doctor called out their name, the couple walked into his office. “You sit down here Gerard”, the wife said pointing to the second chair. The doctor knew the couple all too well. They had come to him ever since they got married, some 40 years ago. The man, of quite a size but with a remarkable small head, smiled at Gerard. “So, what can I do for you?” Mister Clementine opened up his mouth, but it was his wife who spoke first. “Hush now Gerard, don’t tire yourself. I’ll explain it to the good doctor.” She bent over a bit, keeping her hand seated on her lap. “You see doctor, our daughter just bought a house. Right in the middle of James Street. Yes, such a lovely place!” “Well, that’s nice to hear, kids grow up so fast”, the doctor smiled. “Yes, very fast. But there was still some work to be done in the house, so Gerard offered to help. He’s such a handy man, you know that.” Gerard smiled gently, tilting his head a bit sideways. “During his work, he had to get up the roof, but while he was getting up a ladder, he fell down! Right on his head!” The woman touched her soft curls. “Ouch”, said the doctor and looked at Gerard’s head with an investigative frown. “No, you won’t see a thing doctor, it’s his mind that got hurt.” Miss Clementine started to whisper, “I fear he’s broken.”   “What do you mean with broken? He seems fine to me.” “Yes, he seems fine, but there’s just one thing doctor…” The woman paused, staring at her wriggling hands. “What is it?”, the doctor asked. “Well, … Sometimes… Oh my, It’s quite embarrassing.” “Now, don’t you worry miss Clementine. Everything said here is in complete confidence and without judgement.”, the doctor reassured her. The wife looked at her husband and back at her hands. “Sometimes he… starts to shake his buttocks…” “You mean like in a dance?”, the doctor asked surprised. “No, that’s just it, Gerard never dances. I mean, take yesterday for example. I was cooking when he came home from work. Normally he would give me a kiss and watch the telly. But now, he gave me a kiss and stood behind me shaking him behind!”. “Mmmh I see”, the doctor looked at Gerard who was still smiling gently with his head slightly tilted sideways. “Maybe he’s just looking for attention?”, the man suggested. “Unless he hit and damaged a nerve during his fall of course.” Miss Clementine shifted on her chair. “That’s not all doctor… He also makes this noise. When someone’s at the door, the postman for example. Instead of just opening up, he simply stands there making this growling noise.” The doctor sat back, and started to list up all the mental illnesses in his mind.   “But that’s still not all doctor.” “Oh no?”, the doctor lifted his left eyebrow. “This morning, when I got out of the shower, Gerard was shaving himself at the sink. When he saw me in the shower, he fell on hand and knees and came crawling to me…” “Now miss Clementine,” the doctor held up his hand. “Uhm, I’m just a regular doctor, not one of those fancy new sex therapists.” “Oh no doctor! No, it was nothing sexual, I assure you. He simply licked my wet legs and started waving his buttocks again!” The woman shifted in her chair again. “However, there is one thing though…”   Hearing her tone drop, Gerard dropped his head and stared at his shoes. The doctor became weary. “You see, sometimes when I’m walking through the house, Gerard does this thing.” “This thing?” Gerard’s head was sinking deeper and deeper. “Yes, when I’m walking through the house, he comes standing beside me, and falls on his knees.” “Uhu”, the doctor nodded slowly. “And then he grabs my leg and clinches onto it, but he also makes this upwards and downwards movement. “How do you mean?” Miss Clementine looked at the doctor and whispered, “He humps on my leg doctor.” “he humps?”, the doctor asked. “Like a…” “Like a dog yes, like a dog in heat who needs a bitch. And it’s disgusting doctor. You should see the look on his face when he does it.” The woman took out her handkerchief, and dipped her forehead softly. “It’s unbearable. The noise, the licking, the humping. I can’t stand it anymore! I want my nice little Gerard back.” The doctor thought about it for a while. Gerard looked at his wife like he had just taken a beating.   “I might have a solution.” “You do doctor?”, miss Clementine leaned forward with big eyes. “Yes, we simply have to neuter him.” “Neuter him? What does that mean?” “Well, simply pluck the seeds, cut off the bollocks, remove the bricks if you will.” “I see”, the wife wondered about it. “And how will he be afterwards?” “Oh, he’ll be a lot quieter. Maybe he’ll sleep a bit more, gain a few pounds. But the humping will stop for sure. “Oh, that’s good news, isn’t it Gerard?”   The man, who had kept quiet all that time, finally jumped up. “Now wait a minute”, he yelled. “Sit down Gerard, be a good boy now”, Missed Clementine waved her finger sternly at her husband. He sat back down, staring at the ground. His wife looked back at the doctor. “How will we proceed?” “Well, we can operate tomorrow morning if you will. “The doctor started to write down the appointment in his agenda. “But might I suggest you give him some nice treats tonight? It will keep him calm.” He stood up and opened the door for the couple. “That’s a very good idea doctor. Come now Gerard, follow me.” They stood up, and Miss Clementine shook the doctor’s hand. When Gerard passed him, the doctor stroke the poor man’s hair. “Tomorrow it will all be over, don’t you worry”, he said with the most sadistic smile.

Simon Sileghem
0 0

Billy Sønderland (2)

  Ze moet 's avonds in een bestiaal hoofdstukje van Mieke Maaike’s Obscene Jeugd hebben liggen lezen, daar in haar nest in slaap gevallen zijn nadat de hond naarstig gelikt had, en een droom van jewelste gehad hebben.   De wind is geluwd en ze komt mijn slaap- en schrijfkamer binnen, gaat op de rand van mijn twijfelaar zitten. Zoals altijd is haar jonge lichaam bij nacht en ochtendgloren slechts in een XXL T-shirt gehuld en hangt het katoen tot net onder haar lentetuin.   Of ik het erg vind, dat ze alle potjes chocomoes alleen heeft zitten opeten? Dat er nu enkele bruine vlekken zitten op Boons bladzijden. De antwoorden kent ze. Ik zwijg eerst en vraag haar dan om de vuilnis buiten te zetten. “Vandaag ook PMD, karton en papier,” zeg ik, “maar doe het boek nog niet weg.” Aan haar blik zie ik dat er een voor-wat-hoort-wat-spel zit aan te komen.   “Alleen als ik eens warm paardenzaad, van een Arabisch volbloed mag voelen,” zegt ze zonder op haar lip te bijten, “hoe het over mijn buikje loopt en mijn kerststalletje vult.”   “Dan moet ik je teleurstellen,” antwoord ik, dat in de kelder van dit huis geen bokalen met paardenspul staan heb, dat de gleuf in de voordeur voor mensenpost is en ik niet meedoe aan dat kerstgelul.   “Kijk wat je kunt doen,” en op haar tenen stapt ze over de lege flesjes lambiek die naast mijn bed liggen, trekt haar T-shirt wat naar beneden. “Ik zet alvast koffie.”   Voor het verhaal en na lang goede-huisvader-gegoogel vindt hij die zocht: 8000 EUR voor een scheut Arabisch zaad van Quail Ridge Marc “de mooiste van Dubai”, verkrijgbaar in de stoeterij Knocke Arabians van Paul Gheysen, was in 1980 nog tuinaannemer en heeft nu een vermogen van 650 miljoen EUR, vergaard via Ghelamco, met de bouw van immense hangars in Polen, Rusland en Oekraïne. Nu richt hij zich meer op de Belgische markt, voetbalstadions, louche deals met burgemeesters, financieringen via Optima Bank en watermaatschappijen, Charleroi-aan-de-Leie, blablabla...   “Zuiver van bloed, die hengst, zoon van de merrie Sweet Dreams,” zeg ik haar. Ze is naast me komen staan. Met haar handen rond de tas geslagen, leest ze mee van mijn scherm. “Meer bonen waren er niet,” zegt ze en bladert door die Knack van 22 november, probeert nog wat stront van Daniëls knikker te krabben.   Ik klik op afsluiten, sta op, trek mijn pyjamabroek recht. Het zijn die rustige strepen, die barcode van een zebra, die mij rechthouden. Ik moest maar eens een koud bad nemen, er fris gaan uitzien als een noordzeegarnaal in februari.   “Doesjka, laat ons wachten op de winter.” “Ik weet het,” zegt ze, “dan graast hij stilletjes, hier in de tuin, ruikt hij de klokjes.” “Ja, dat ezeltje, met roze laarsjes, en sokken van een geit.”         Knikkerstront en paardenzaad deel 2 van het historische kortverhaal 'Billy Sønderland' uit de reeks  'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
0 0

Billy Sønderland (1)

Doesjka woont er nog altijd, in het zonnige achterhuis. Een hersenchirurg zou haar logeerkamer, dat bed met spiralen, dons en overtrek met oermotieven omschrijven als “een broeinest, ergens achter het gebied van Broca, een nest met kraaienkuikens, boven in de vezels van de achterhoofdskwab, waar zij te veel ziet maar zelf niet gezien wordt”, en ze roept naar me dat ik naar de Spar moet, "om drank en drugs!”   Ik zeg haar dat ze mij nooit aan de nicotine of marokkanenhennep zal krijgen en zeker niet op deze quade saterdach, want het stormt, stormwinden heersen over het land, stormschade zal er zijn, een overbelaste noodcentrale, en een eik zal ongelukkig vallen, op een krijsend wijf dat loopt te vechtscheiden in het bos. Haar man zal met zachte hand de schors, het mos en het bloed van haar gezicht vegen, haar optillen, op de achterbank van zijn leasingwagen leggen en naar een ziekenhuis voeren. Hoe het zal aflopen weet ik niet, maar Frank had gewaarschuwd: blijf binnen!   Fuck Frank!  Tegen de wind in ga ik. Bladeren, meeuwen, brokken PUR-isolatie van een in aanbouw zijnde residentie vliegen door de lucht, maar ik geraak er voorbij, voorbij de kraan en de nieuwe blok, die nog grijs is, vanbinnen en langsbuiten. Alles wacht behalve ik, rode pakken baksteen op een metser, kalende mensen op de oplevering, op die eerste druppel water uit de sproeikop van de inloopdouche met handgrepen voor wilde rimpelseks en ik hoor haar naroepen, als een echo die op een grassprietje fluit, dat ik bier moet meebrengen, spekkelbrood, kip curry, chips met paprika. “En chocomoes!”   Het moet jaren geleden zijn dat ik ze nog kocht: een flesje Piraat Tripel Hop en een tijdschrift omwille van de kop. Doch vandaag, nu al dat kwaad dreigt onder een grauwe hemel, laat ik me vangen en koop ik de Knack. Vijf euro vijftig cent voor enkele Russische callgirls. “Dat hij daar nooit voor uitgenodigd werd,” houdt de kop vol. Hij kijkt streng, de lippen op elkaar en boven zijn voorhoofd, staat het, dat Trump een fascist is, over de revolutie van de blanke merderheid, dat De Winter het weer eens gaat uitleggen waarom in een hogedrukgebied de windhozen altijd naar rechts, met de klok meedraaien.   “Het waren beschouwingen over populisme, Piet Piraat, het zwakke vlees op pagina 35 en de malse blik van de kassierster die mij aanzetten tot de aankoop van dit tijdschrift,” leg ik uit aan Doesjka, die op het aanrecht gekropen is, de benen niet stil kan houden terwijl ik het bier, de kip, curry, choco, moes in de frigo steek.   Frank heeft gelijk: binnen blijven, cocooning is in. Straks met Doesjka het bad in, schuimbellen blazen en nadat ze zich afgedroogd zal hebben, zal ze zich de mond roden, met de lippenstift een neerwaartse pijl op haar buik tekenen. Daarna en met dezelfde kleine lepel zullen we proeven uit hetzelfde potje, komen er bruine vlekken op haar warme tong, van de chochomoes.   Met haar wil ik immer, blijven leven, uit dezelfde pot eten, zoals weleer, gewoon, pap van twee broden, bouillabaisse van vijf vissen en hij kijkt toe vanuit zijn kader, de grootvader van mijn grootvader, Victor Vanderbilt, wiens foto niet vergelen wil en die me eraan herinnert: vrijdag is het zover, de ontmoeting met B.B. King te Zeebrugge.       Fuck Frank! deel 1 van het historisch kortverhaal "Billy Sønderland' uit de reeks 'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
0 0

The Clouds

Hank pressed the bell, and not even two seconds passed before the door opened up with a cracking sound. A man appeared with a bald spot on top of his head, but long hair on the sides. He must have been close to fifty years old, was wearing a white shirt with stains on it, brown pants and black leather shoes. Taking a step back, Hank watched the man look at him with a wondering stare. He looked like he had been painting, and had been disturbed during one of his most intimate artistic endeavours.   “Yes?”, the man asked. Hank spread out his arm, and handed the man a piece of paper. “It’s for the room sir, I saw the newspaper ad.” “What…”, the man looked over the paper, and wondered through his mind. “Oh yes, the room, of course!”. He gestured Hank to come in, and stepped forward into the house. “I’m so sorry, I completely forgot about the ad”, the man said, “but yes, I do have a room for rent”.   They left the dark blue hallway and came into a living room. The walls where covered by books in oak tree bookcases. Some of the cases were divided by painting of clouds. “Oh, you’re a painter?”, Hank asked while pointing to a picture of a thundering storm. “Yes, you could say that I’m a painter”, the man smiled.   “So, this is the living room, but your room is on the second highest floor”. “And how many floors are there?”, Hank asked. “Not sure”, the man proclaimed while holding his hands in the air. “I only stay at the lowest and highest floors, not sure what happens in between.” “wait, what? You don’t know what happens in your own house?” Hank just couldn’t believe it. “Well, I know the floors are there, I just don’t know what they are used for”, the man said. “But how can you not know?” “You tell me, do you know what every mouse, every insect, every bird or every sparkle of dust does in every building you know?” “No, but..” “Then don’t assume that I know what happens on every floor of this house”, the man interrupted him. “Come on, I’ll show you your room”.   They left the living room, went back into the hallway and started ascending the stairs. Hank looked up the staircase, that looked like the deepest cave hanging upside down. How high was this house? But the man didn’t seem to notice Hank’s shock, so they continued their way upstairs in silence. After what seemed like an age, but what was only five minutes, they stood in front of a light blue door. “So, this is your room, well, if you like it of course!”.   When the man pushed down the handle and stepped into the doorway, Hank was struck by the glares of light. A big round window was placed in the northern wall of the room. It offered a splendid view of the sky. Hank could see the summer blue in between white fluffy clouds. How marvellous they seemed. They looked like a picture you might see in a museum, he thought.   The man stood in the middle of the room and spread out his arms. “So, what do you think?” Hank, still mesmerized by the big window, looked around. Just like in the living room, the walls were covered by bookcases and paintings. There were no paintings of thunderous storms, but only of bleu summer skies. The room was a gentle one. In the left corner stood a small wooden bed.   “It looks fine, splendid even! Hank couldn’t believe it. Sure, the man was weird, but the house and room looked amazing. “I’ll take it”, he said with a smile like he had just made the deal of his life. He turned to the man. “I’ll unpack right away, so my stuff won’t be in your way.” “Oh, that’s quite alright. You can take your time. I’ll just be upstairs for a while, but why don’t we have dinner together? I’ll cook something up for you.” Hank was surprised, the man didn’t really look like much of a cook, but then again, so didn’t he. “That’s nice, I’d love to. When will we eat?” “I don’t know, I don’t like to eat before it gets dark. How does 8 pm sound?” Hank was used to eating sooner, but he didn’t want to be impolite, so he said “that’s fine by me. “Okay, I’ll see you then.” The man turned around, walked out of the room and closed the light blue door behind him.   While the clouds passed by, the sun lowered itself towards earth. Time passed, and soon it was 8pm. Hank went back down, into the book-filled living room. Darkness was being chased out of the house by two lights. They gave a warm glow to the books.   The man had just set the table, when he turned to Hank. “Ah, just in time, please sit down.” Hank sat down, and watched his plate, that was filled with sausages and cream puree. It looked delicious, how can a puree be so soft and creamy? “So, if you don’t mind me asking sir, you said you are a painter. Is that all you do?” “Yes, but I’m not just an amateur, mind you. My work has been seen by the entire world.” “So, I might have seen your work is some museum?” “That depends, you could say you can see my work while being in a museum.” “How do you mean?” “Well, if you see something while staring out of a window of a museum, is that something then in that museum?” “No.. So you’re a street artist?” “I wouldn’t call myself that, it just sounds so … cliché. I mean, yes, most people see my work while walking down the street, but I’m not a guerrilla hippie with nothing else to do then painting the pavement.”   Hank couldn’t figure it out. Until now, the man had been nothing but a mystery to him. While eating another piece of cream puree, he became determined to look for answers. The semi-bald man would become a light in a dark forest.   But for now, Hank was happy to enjoy his meal. Once again he wondered about just how fluffy cream puree could be. it was like a soft southern spring sky in his mouth. When they finished their meal, the man said “so tell me, what do you think of the house?”. “It’s very nice,” Hank said “but I still have to figure out how many floors there are though.” “Oh, I wouldn’t mind that. I’ve lived here for an eternity, and I still don’t have an answer to that.” Hank sat back, and took a sip of his wine. “Just explain me if you will, how can you not know how many floors your house has?” The man chuckled. “Well, everyone has a favourite room in his house, right? I like floors. I like this floor and the highest. This is where I relax, and up there is where I work.” “And why do you work on the top floor? You must have really strong legs to walk up and down the stairs all the time.” “Yes, my legs are wonderful, believe me. But I need the height for my work, you see. The second floor wouldn’t do.” Hank thought about that one for a while. “But, why exactly do you need the height?” The man frowned, “Now young man, don’t be stupid. Every painter needs a canvas, right? That’s where mine is!”.   Hank lost it completely. “But that hasn’t got anything to do with the height? If you put your canvas on the second floor, you’d be fine!” The man sighed. “You simply don’t have the imagination to understand, and that’s a pity. How old are you?” “I’m 24 sir, but what does that have to do with it?” The man suddenly stood up, with his fists planted on the table. “See, it’s the disease of our times! 24 and already you have lost all your imagination.” The man walked round the table, stood beside Hank, raised his finger and said “Tomorrow you’ll see me work, and you’ll understand. But until then, no more questions. Good night”.   The man left the room. For a while Hank sat there and watched the cloudy darkness out of the window. He felt sleepy, so he got up and made his way up the long stairs. In his room, he closed the curtains from the big round window and got into bed. He fell asleep instantly.   The next morning, Hank woke up at a huffing and puffing sound. What on earth is that? “When you get your rigid mind out of your bed, come join me on the top floor. There’s no time to waste in the morning”, he heard the old man shout through the light blue door. Hank heard the man pause for a while and then the huffing and puffing sound started again. He got up and spread out his arms. A pity, the bed is so soft. I wonder where he got it from, Hank thought.   He made his way up the stairs and stopped before a white door. This is it, now I’ll finally know what the hell is going on here. Hank knocked on the door, and heard the man stammering “Come on in, mmpff!” He opened the door and saw the bald spot of the man going up and down. The guy was doing push ups! After two more times going up and down, he jumped up on his legs. “No need to be surprised young man. When you paint, you need strength. You need to be a force against the powerful paintbrush”. Hank smiled. Obviously, the man was a looney, a simpleton. But when he looked away, he watched the room in full amazement. There were no books or paintings covering the walls here. they were simple splattered with paint. But what struck him most, was that the northern wall was made of glass. The window had massive wooden frames, made out of oak tree, Hank noticed. it looked out over the morning sky. it was still dark, but a lonesome cloud was hovering next to the house. A tiny companion to the mighty sea of stars.   Hank saw the man crossing the room towards the window. He spread out his arms and started pushing the wooden frames. With a gentleness that surprised Hank, the window opened up. “It’s spectacular huh”, the man said. “I have never gotten used to the sight. It’s just too beautiful.” A soft breeze filled the room, but the man didn’t seem to notice. He took some cardboards and divided them over the floor. Then he started to pour out tubes of paint on them. Each colour had his own place. First white, then yellow, afterwards blue and finally black. “But where is your canvas? You said you needed this floor just for your canvas?”, Hank asked “Still you don’t see it, just wait”, and the man took up his paintbrush. First he pushed it heavily in white, spread it over a vacant cardboard and then dipped the brush gently in black. With a patience only old people and artists have, he began mixing the colours. It became light grey. Then he pointed the brush to the sky and started moving it. “What…”, Hank shook his head. “Now just wait! have some patience dammit!”, the man cursed.   As the brush moved over nothing but the air, a soft grey form appeared. It looked to Hank like a pillow someone just slept on. “You see, I paint the sky”, the man said with a smile. He started colouring in the pillow. He added some dark touches, which gave it some depth. “But… I mean… How does it stay up there?”, Hank asked with a bewildered gaze. “It stays up there, because I painted it there. But wait, the best is yet to come”. When the cloud was done, the man put aside his brush, watched his creation and simply blew on it. The pillow slowly moved out of the window, like when you walk to the toilet in the middle of the night.   That can’t be, he must have drugged me. The dirty bastard is probably playing some tricks on me while I’m fast asleep. Wake up Hank, goddammit! “I see you still don’t believe it”, the old man started cleaning his brush with an old cloth. “But this cloud will be taken by the western winds, all over the world you know.” He put down the cloth on a nearby table. “So you see, I didn’t really lie when I told you my work has been seen by the entire world.”   Hank stood amazed by what he had seen. The freshly painted cloud floated next to the house. It would begin its journey over the entire world. Pass through storms and keep the moon company is pure silence that only true friends can appreciate. Outside the house, the sun rose like a sleepy child, slow and warm. Life had just started over for Hank, even though he didn’t know it yet.   The man stood by the window. He closed his eyes halfway, as the sunlight came into the room. Suddenly they could see all the dust particles hovering in the light. Hank came closer to the man. “I don’t understand. Does this mean that every cloud I’ve seen in my life was painted by you?” “Most people don’t get it, but clouds are silent witnesses to their lives. The first time you kissed a girl, and looked up to the sky with the feeling you don’t need anything else, a cloud was there. When thunderstorms came into your head as a loved one died, and you sit hurled away in your room, the clouds see your sadness as they pass your house. They are the most intimate pieces of art you’ll ever see.”   “You know what the most beautiful thing is about clouds?”, the man walked away from the window and picked up his paintbrush. “Their beauty lies in their form. No one will ever see the same cloud. You might see a duck in it, as you lack the imagination, but others might see a white cherry tree in full blossom. Something that helps them through the day. A storming wave over the land that inspires them to unknown symphonies and poetic activities.”   The man dipped his brush in the white and yellow paint. “It feels like a good day, doesn’t it? Time for some colour to brighten the mood.”

Simon Sileghem
0 0