Zoeken

Nutcase

De schaamte. Ik voel ze vooral hier, in de supermarkt. Mensen mijden oogcontact sinds ik de ronde doe als een virale infectie. Ze kijken me aan wanneer ik mijn boodschappenlijstje doorstreep of het etiket van een fles wijn lees. Hun geniepige blikken branden door mijn winterjas. Het is zelfs zo erg geworden dat ik mijn vlees niet meer laat afsnijden bij de slager. Voortaan koop ik alles voorverpakt. Wat maakt het ook uit. Alles heeft een wrange bijsmaak tegenwoordig.   Ze zeggen dat mijn masker is afgevallen. Ze menen te weten wie ik nu écht ben. Maar wie was ik daarvoor dan? Iemand die de schijn ophield? Dat zeggen ze ook. En oké, ik was de controle verloren en de gevolgen zijn drastisch. Het is een jammerlijk feit uit een leven dat al 41 jaar braaf bestaat. Maar ben ik door het voorval veranderd? Ik geef de planten evenveel water als vroeger. Ik slaap nog altijd op mijn buik en ik kijk met evenveel spijt terug op bepaalde keuzes in mijn leven.   Maar goed. Het is dus gebeurd en veel mensen hebben het gezien. Ik ben nu officieel de nutcase van het dorp. De overdaad aan wijn en goedkope pralines in mijn winkelkar zullen die perceptie alleen maar voeden. Aan de kassa komen daar nog roddelboekjes bij. Mocht ik niet beter weten, ik zou denken dat het bewijs van mijn teloorgang naar de kassière schuift. Ik betaal de rekening en krijg er gratis een afkeurende blik van de winkelbediende bij. Wat een conservatief hol is dit toch.   En als ik eerlijk mag zijn: vóór de schaamte was ik trotst op mezelf. Fier op mijn daadkracht en uitstekend gevoel voor timing. Als een slechtvalk die in vrije val zijn prooi vangt. 12 jaar geleden, toen ik hem voor het eerst zag, had ik het lef nog niet. Hij kwam toen spreken over zijn investeringsplannen in de regio. Ik walgde van zijn dominante houding en vrouwonvriendelijk gezwets, maar als kersvers communicatiemedewerker van de gemeente deed ik wat van mij werd verwacht. Ik bedankte hem na zijn speech voor zijn kostbare tijd met een uitstekende fles Bordeaux. Hij nam de fles aan, gaf me een zoen en fluisterde onder luid applaus in mijn oor: “Heb je plannen vanavond, Barbie?” Ik was te geschokt om te reageren. Hij genoot van zijn macht.   Dat was ons laatste contact tot vorige maand, toen hij terug naar ons dorp kwam. Hij was hier niet om te spreken over de investeringen die uiteindelijk nooit zijn doorgegaan, maar om verkozen te worden. Ik overhandigde hem opnieuw een fles Bordeaux. Deze keer met een extraatje erbij. Om het in de woorden van de wereldpers te zeggen: “Lady grabs Trump by the nuts after speech.”    

Antony Samson
1 0

Diesel-tempo

Nieuwe school, avontuur - Ge wet wel - grote mond. Rondhangen me de vrienden, smore van lampbestuurde grond. Ontgrond, waar ik stond, met tanden van mijn mond, niet gedacht dat het bestond, nog voor dat alles echt begon.    Ik moest er nog mee starten, mee aan de slag, “Hallo - ik ben nieuw hier - ja - eerste dag”. Denkte echt dat da mijn woorden werden? Niks wereld-derde, elke dag die fucking Merde, Sorry dak ff hardop lach.   Vergelijk me met een beest als een tijger, een vechter, een krijger,  altijd eerst op startblokken, de steun van de steiger, Mensen vragen mijn mening, shit - really - ge moogt is raden waarom ik weiger.    “Hallo Mevrouw, goeiemorgen, ik zoek het toilet”, Ook zij had mij weer snel met de mond vol tanden gezet,  ik zeg ‘halloww.. da’s toch ni zo moeilijk he, zeg me gewoon de weg" Die vrouw bleek dus doof te zijn, en niemand da't da efkes zegt?!   Stunt nummer 1, en ik ben een man van vele, zou men stommiteit af en toe moeten kunnen verdelen, lokaal lokaliseren door te transporteren en te transformeren, zodat ik ’t me enkel moet verbeelden.    Dromen is erg maar vaak snel over, een soort manier waardoor ik mij naar een universe tover. Daar is het proper, rein en ongelogen, zonder te betogen, zonder ne moskee of synagoge.   Helemaal niet, waarom voelt gij u nu aangesproken? Ineens - ver uit het niks - komde gij hier aangekropen, ff kloppe, telefonneke, nee niks late wete, en dan nog verwachte da ge hier ’s avonds me ons mee kunt eten?!   Shit weg - die fucking vanzelfsprekendheid, Respect voor mekaar -neje- het volk van vandaag krijgt het schijt, in alle tegenstrijd, niemand is nog toegewijd, ge weet da gij de toekomst zijt, ge hebt zelfs nog geen beetje spijt.    Uw ouders - zo hard gewerkt om er voor u te zijn, centjes op de bank gezet voor uw succesje, groot of klein, Gij moet het wete, gij liever dan de mijn want - de mijn doe ik geen pijn, Gij zult het kruisje van het huisje zijn.   Sorry mama - ik lust da ni - ik wil alleen echte cola, meende gij da nu - men kind - shit verwende Lola. En Lola krijgt alweer haar zin,  dus tegen beter weten in,  klop ik vandaag weer op m’n kin omdat’k niet graag van m’n zusje win.   Ooit moeten we leren, doen we allemaal, en ’t is gewoon een feit, vandaag elk in ons eigen taal.  Fysiek of mentaal, introvert of asociaal. we moeten best massaal, organiseer nogmaals het laatste avondmaal.   Ma da's moeilijk want de tafel is te klein, of misschien hebbe we gewoon te weinig plek. Zijn weer maar eens verhuist, alles behalve fijn, weinig ander keus want den Immo ging op z'n bek.    Neenee, da's ni wa da'k zeg,  hoe wilde da'k het uitleg? Zo da gij mij verstaat, Immo en ik waren beginnen vechten op de straat.   

Flashlab
1 0

Zondebloemen (slot)

Als ze toekomen in de bed & breakfast ‘la Femme du Couchant’ te Revogne, valt de frank van Roeland: “Dat was gedomme de Magirus van mijn vader in die bocht. Hij komt in die bossen everzwijnen laden voor Van Hoornweder!” en hij pakt de sleutels van de Simca uit Lewis’ jas.   “Ik rij wel”, zegt Lewis en ze scheuren over de N355 terug naar Daverdisse. De boswachter ligt al lang met zijn okapi in bed, maar op de bosweg richting oevers van de Lesse, schijnen ze, de koplampen van de Magirus. Een knoeste gestalte sleept spartelende wezens over een laadklep de kamion in, geeft ze met een voorhamer een klop op de kop als ze te veel tegenwerken.   Roeland zoekt en vindt een knots, een kort stuk eik, nadert de man in de rug en slaat hem de schedel in. Als Florimond na een tiental minuten geen stuip meer trekt, roept Lewis: “Hij is verdomme de pijp uit, dat vadertje van je”. In de Magirus vinden ze twee koorden, binden er één rond elke enkel en sleuren Florimond naar de Simca.   Terug in ‘la Femme du Couchant’ neemt Roeland een lange douche, stuurt Lewis een smsje naar Gladys: de dwerg is er geweest, morgen schilderen en een zoen van Roeland   Bij dageraad laten ze Revogne achter zich. Met het lijk van Florimond in de koffer rijden ze door Tilleul en nog verder, tot temidden de immense zonnebloemvelden van Beauraing. Nu nog geen kat of vogel te bespeuren is, binden ze het lijk van Florimond ondersteboven op een achtergelaten driepikkel. Enkel het geraamte staat er nog, vogels zijn met het hooi gevlogen en uit het handschoenkastje haalt Lewis een vlindermes. Het heft legt hij in de hand van Roeland.   “Als een konijn,” zegt Lewis, die een klein spieraam met doek, tubes en kwasten van onder de achterbank van de Simca haalt. Roeland aarzelt niet, snijdt Florimonds kruis eruit, haalt de ingewanden eruit, sleurt ze in een gracht en vilt zijn vader, als een tam konijn. Met een stevige draai wringt hij hem de nek om en snijdt de laatste pezen door, die de kop met bebloede ogen nog vasthouden aan de ruggegraat.   Samen met Lewis, draait hij de romp met ledematen weer met de poten naar beneden. Lewis keert terug naar zijn schildewerk en Roeland vult de romp met kruid en distels, haalt een kleurig kleed uit de tas van June Palmer die ze in de Simca vergat en verscheurt het tot wat lompen voor de vogelverschikker; haar hoed en nog meer gras maken hem compleet.   Lewis duwt wat grijs, zwart, wit en rood, de bodem uit zijn tubes en ze wachten, op de condor. Een gsm rinkelt. Die van Roeland. Gladys, en Roeland stelt haar gerust: “Ik heb er één gevonden, een konijn met rode ogen. Onderweg stoppen we nog bij een Aldi, voor bruin bier, een zakje droge pruimen.”   Vol verwachting. Ze staat. Bijna poedelnaakt. Bij de telefoon en slurpt nog wat vruchtensap uit het heldere glas. Haar lippen bijten het rietje stuk en het sap sijpelt over haar loesjes, langs haar dijen. Tot. In. Haar. Roze. Laarzen. Met print. Van dolle zondebloemen.         Zonnebloemen te Beauraing laatste deel van ‘Zondebloemen’ uit de reeks  ‘Roeland Wittebolle’

Bernd Vanderbilt
0 0

Zondebloemen (7)

Ze rekenen af, Lewis zijn ferme prenten (van Pepper Powel, Machine Gun Kelly, Winnie Garnett en Penny Page), Roeland drie exemplaren van Anneke en Teefje, gesigneerd door de the writer himself, Mike Van Hulle. Roeland had er graag ook een handtekening op gezien van de tekenaar, Benny Weensteen, maar waar Benny momenteel uithangt, weet Mike niet. “Mollen aan het vangen, in een gang onder de grond, het is nu zomer en ze leven minder diep,” zegt Mike lachend.   Ze verlaten het lugubere pand. In sommige dozen hebben ze niet eens gekeken en Lewis wil Roeland in ‘le Clocher' trakteren op een glas kabouterbier uit Achouffe om te toasten op het heengaan van de blauwe gnoom.   Terwijl de barvrouw, voozien van een klokkenspel als een zwangere okapi, met een biermes het schuim op hun glazen een kopje kleiner maakt, leest Roeland de toeristenfolder die hem in de handen gestopt werd door een man (met snor en vernikkelde brilmontuur):   geleide rondleiding in de nauwste spleten van Ham op mosselen vissen aan de oevers van de Semois gratis naailessen in de abdij van Soleilmont kinderspelletjes plus clown in de kelders van Sars-la-Buissière snorkelen bij de watervallen van Coo   “Van een flauwe plezanterik, dat foldertje,” zegt Lewis terwijl hij een peket de Namur bijbestelt en er een bordje koude bloelingschijfjes bijkrijgt, “en nu nog een plaats vinden om te overnachten.” Ze betalen het gelag en vertrekken richting Revogne. Onderweg in de bossen van Daverdisse is er een wegomleiding, en houdt een boswachter de Simca tegen: “dat ze de omleiding moeten volgen en als ze weer op de N355 komen, ze dan best niet afwijken van de hoofdweg. In de bossen van Daverdisse liggen de everzwijnen te creperen van de jeukpest!”   Lewis zet de radio op en terwijl ze luisteren naar ‘Je t’aime moi non plus’ van Gainsborug, denkt Roeland aan tante Gladys, aan de paarse bloemen van haar aubergines met die stamper als een veel te grote clitoris.   “Jeukpest is niet eens besmettelijk voor de mens,” zegt Roeland en Lewis moet fors bijsturen om in een bocht de tegenligger, een donkerblauwe Magirus, te ontwijken. “Hoe weet je dat?” wil Lewis weten. “Mijn vader vervoerde tientallen zwijnen met de jeukpest. Aan een touw rond hun achterpoot sleurden we ze in de kamion en we voerden ze naar Sijsele, waar ze gewoon in worst gedraaid werden. Van Hoornweder stond in zijn handen te wrijven. Geen cent voor betaald, geen mens die het proeft, geen mens die er ziek van wordt, zei hij tegen mijn vader.”         Geen okapi’s te Daverdisse deel 7 van ‘Zondebloemen’ uit de reeks  ‘Roeland Wittebolle’

Bernd Vanderbilt
0 0

Zondebloemen (6)

Rechts voorbij een automobielenfabriek en een gillende meisjesbus, links voorbij een pampermanufactuur en een lijkwagen met verstorven banden, dwars door een gesplitste kieskring, over viaducten, asfalt en volle strepen. Het is een bundeltje ‘best of’ dat aan Roelands voeten ligt. Eva Eden, Irma the Body, Michelle Angelo en Bambi Leigh. Pas aan het vierarmenkruistpunt, waar een stapel Smart-voituurtjes in een glazen koker het Zoniënwoud probeert te overstijgen, komen ze in een file te staan. Roeland kijkt door het raam van de Simca en alles lijkt er op een rij te staan:   Adonis op een Kawasaki Kevin op zijn driewieler plofkipsoldaten in een Unimog vijf prinsessen, tiental peertjes, glazen muiltjes in een overvolle koets moeder met een kruiwagen op het logo van een bouwbedrijf een beestenwagen met elf paarden en één dode poney   “We moeten het bord E411 volgen,” zegt Lewis. Ja de E411, de autostrade naar Stockem en Arlons, die begint na die scherpe bocht en net voorbij die blinde darm, die er als betondiarree uit de aars van Brussel begint te druipen, richting Luxemburg, waar de blanke goegemeente zich met zwart geld de reet schoonveegt.   Lewis moet er remmen, daar in die bocht bij Jezus-Eik en als hij volledig stilstaat, stapt ze in via het rechter achterportier van de Simca, gaat midden op de achterbank zitten. June Palmer herself, in slechts wat zwarte lingerie. Ze spreidt zich de benen en de bijzondere lucht van een nylon poes slaat hen rond de oren. Lewis knipoogt naar haar in zijn achteruitkijkspiegel en als ze haar onderste ledenmaten één voor één tussen de voorzetels steekt, weet Roeland instinctief dat hij die naaldhakschoentjes uit moet trekken. Hij moet aan tante Gladys denken, hoopt dat ze zich niet laat naaien bij die kunstsmid te Poperinge.   June slaakt een zucht van opluchting nu haar voetjes niet meer gekneld zitten en al gauw hangt de zwarte tule van een even donkere beha over de schouder van Lewis. Dat ze niet onderweg zijn naar een beurs voor kwekers van exotische bonen, vertelt Roeland haar, terwijl hij haar zuignapjes bewondert. Te opzichtig misschien, want het lijkt alsof ze haar handen voor de boezem brengt, om er een grote hostie te breken.   Roeland kijkt weer voor zich. De Scania voor hen vervoert varkens en een jonge beer steekt zijn kop door de opening in het achterberd, terwijl June de armen spreidt en haar vingers over de rug van de achterbank glijden, om daarna haar benen nog meer te spreiden en haar tintelteentjes onder de voorstoelen te schuiven.   Lewis rijdt een parking op (van de Aire de Services te Bierges) en tankt de Simca vol. “Rij jij maar verder,” zegt hij tegen Roeland, die uitstapt en plaats neemt achter het stuur. Lewis stapt achteraan in, via het linker achterportier en neemt er plaats naast zijn eeuwige liefde. Roeland schakelt en vindt de versnellingen. Pas als de Simca op volle snelheid is en een volgende helling afbolt, kijkt Roeland in de achteruitkijkspiegel. June en Lewis zijn verdwenen. Het is de blauwe kabouter, die al die tijd in de koffer opgesloten zat, die nu smalend naar hem lacht, zonder ogen, zonder broek. Hij zit aan zijn minipietje te trekken en naast hem liggen een zwarte beha, een ongeopend blik witte bonen (gnomenklootjes in tomatensaus) en ook een stel verleidende ogen, op de cover van Kamera n° 32, photographed by Harrison Marks, featuring June Palmer.   Een gsm rinkelt. Die van Roeland. “Hoe je het, duizend borsten en bananen, in je kop haalt om me achter te laten bij die Esso,” roept Lewis door het toestel. “Ik dacht dat je met haar op de achterbank lag,” antwoordt Roeland. “Ik op de achterbank? Met haar? Met wie? Keer terug, jij geile ukkepuk!” waarna Lewis neerlegt en Roeland naar derde terugschakelt. Via de afrit Waver maakt Roeland rechtsomkeer en als hij weer bij de Esso van Bierges is, trekt Lewis een achterportier open, grijpt de zwarte beha bij de lintjes en de kabouter bij de keel. Hij blijft knijpen en als die blauwe dwerg de pijp uit is, rolt hij hem in de beha en kiepert hem in een vuilnisbak.   “Niemand zit nog met zijn fikken aan dit stuur, behalve ik, en zeker niet zonder rijbewijs,” schreeuwt Lewis, terwijl hij met zijn linkerhand op het stuurwiel slaat, daarna een zakfles uit zijn jas haalt en wat jenever naar binnen kapt. Hij slikt, herpakt zich en zegt: “Gij dreutel, gedomme, hoe is het mogelijk?”. Hij houdt zijn vuist twee seconden lang tegen Roelands kin, start dan de Simca en ze rijden verder, richting Redu.   In Redu parkeert Lewis zijn vierwieler naast ‘Mike & Benny’, een winkeltje in een kramikkelig pand naast een poelier. In de rekken staan en liggen, hangen roze jurkjes, balletbroekjes, macaber zijn de maskers, en vooral veel brol, kettingen en nagels met een punt, zelfbouwdozen voor een spijkerbed, lederen corsetten, riemen voor een hond of elf en nog meer klit en kluwen. Het is hier een echte augiasstal, denkt Roeland bij zichzelf.   “Mein friend Lewis!” roept Mike als hij Lewis ziet en klopt hem op de schouder. “Ik wist niet dat je een soon had,” gaat hij verder. “Deze picaro is de neef van een vriendin,” zegt Lewis terwijl al in een stapeltje vergeeld naakt begint te snuisteren. “Lewis een friendin?” lacht Mike en wijst Roeland een stapel stripverhalen aan. “Hier, fripouille, van mijn hand!”   Roeland knikt en leest het voorblad : De avonturen van Anneke en Teefje, Kelderzipken en de zijnen, tekeningen van Benny Weensteen en tekst van Mike Van Hulle.         Kelderzipken shags Bambi Leigh deel 6 van ‘Zondebloemen’ uit de reeks  ‘Roeland Wittebolle’

Bernd Vanderbilt
30 0

Zondebloemen (5)

Eerst cirkelen ze nog de ijzervogels, vliedend boven het witte veld, waar in het midden kuit van felrode forellen ligt, meer dan een handvol, tussen de duizenden edelweissjes, net als een merkpunt in Japanse grinttuin, waar van onder elke kiezel een witte bloem kroop, kleurloos als de dood.   Niet Attis, maar de macabare handen van Florimond hebben er een slagnet klaargezet, de rode visparels erin gelegd en hij wacht, in een hazelstruik, tot ze neerstrijken en het net toeslaat.   Het is Chione, godin van de sneeuw, die de ijsvogels redt. Vlokken dwarrelen neer en de rode kuit verdwijnt onder een laag sneeuw. Florimond ontsteekt in woede. Furieus is hij, zijn oogaderen spatten en het bloedt druipt van zijn gezwollen kop, drupt in de sneeuw, lokt een condor, die hem als een reuzenspecht de schedel openhamert, de gruwel, zijn hersenen en de foetus van de Hydra eruit pikt en wegvliegt.   Roeland daalt en landt, stapt uit zijn kleine zeppelin. Zijn beide armen steekt hij omhoog, strekt ze in de vrieslucht en slaakt een kreet van bevrijding naast het lijk van zijn vader.   Op zijn sleutelbeen voelt Roeland een hand, van Chione, die hem sneeuw aanreikt, waarmee hij zich de geest reinigen kan en ze leidt hem mee. Hij zweeft en kleeft aan haar zuivere sluier. Verslingerd raakt hij, zoent haar in het bos van de minne.   Chione, rein en wit, hunkert naar zijn wilde kleuren, kleedt hem uit. Hij voelt haar lichaam warm worden en zijn geslacht zwelt, glijdt tussen haar dijen, eksters tikken op het raam en Roeland schrikt wakker.       Roeland laat Gladys los. Lewis werkt hier en daar het rood en het wit nog wat bij op het schilderij. “Het is geen Oidipus en Iokaste geworden,” zegt Lewis maar dat lag niet aan mij.   “Wat kan ze heerlijk fluisteren...” Veel meer kan Roeland niet uitbrengen en tante Gladys trekt wat velletjes wc-papier van het rolletje, wrijft Roelands zaadcellen uit haar rosse driehoekje en haar lippen zeggen in zijn blozende oor: “Het geeft niet, jongen, ik vergat zelf te stoppen bij het wegvliegen van de condor.”   Ze schenkt hem en Lewis nog wat jenever in. “Als mijn Simca starten wil, rijd ik zachterdag via Rochefort, helemaal tot in Redu. Misschien vind ik er nog wat exemplaren van Kamera of zit June Palmer op me te wachten in l’Auberge du Désir,” zegt Lewis.   “Redu, het boekendorp?“, vraagt Roeland. Gladys knikt en strijkt Roeland door het haar, “en June Palmer stierf tien jaar geleden,” gaat ze verder, “het is gewoon een nare necrofiel, die Lewis!”   Lewis lacht en zegt: “Rij met me mee. We kunnen er overnachten. Een weekendje uit, samen, als een klavertje drie.” Roeland knikt en Gladys vindt het een goed idee: “Neem hem maar eens mee naar die berg schimmelboeken. Zelf kan ik niet. Ik moet naar een kunstsmid te Poperinge.”   “Om haar kuisheidsgordel te laten repareren,” zegt Lewis, die zijn glas achterover kapt.         Kuit voor de vogel deel 5 van ‘Zondebloemen’ uit de reeks  ‘Roeland Wittebolle’

Bernd Vanderbilt
0 0

Zondebloemen (4)

Door het hek. Gladys roodt zich de lippen nog een keer en Lewis heeft een deur, waarop men kloppen kan, hetgeen gebeurt en Lewis is thuis, Roeland nog lang niet. Gladys vertelt Lewis iets over bloed en beuling, over schuimbrood en een brand. Ze gaat dan vlak voor hem staan, op haar tenen, alsof ze achter hem ook brandweerwagens gehoord heeft en over zijn kop wil kijken om ze te tellen. Ze geeft Lewis een zoen op het voorhoofd en een afdruk van haar mond prijkt boven zijn wenkbrauwen. Slechts vel, wat bot en een hersenvlies scheiden de rode smak van zijn frontale kwab. “En waag het af te vegen,” lacht ze de slaperige man toe, wiens huis op een volgestouwd arsenaal lijkt:   beitels, magazines, raspen duimspijkers, vingerschroeven, affiches rolletjes, kwasten en filmbanden prenten, boeken, uitgescheurde billen vijlen, velletjes en blokken hout   Krabbelpennen en een rol wc-papier liggen op een schrijfbureau; in de hoek van de enige kamer staat een ezel met een blanco doek. Overal waar Roeland kijkt hangt wel wat schaamhaar uit de stapels (op vergeeld papier); tepels en borsten hangen her en der, als te veel abrikozen in dezelfde boom, te veel bomen in hetzelfde bos. Gladys merkt dat Roeland niet weet waar eerst te kijken en zegt: “Op den duur let je er niet meer op. Hij verzamelt die dingen als reservenaalden voor die ene roze den die maar niet groeien wil.”   Roeland durft te lachen en Lewis schudt het hoofd: “dat doet ze nu elke keer, de draak steken met mijn collectie”. Hij zet een kan rozenbottelthee, en drie tassen bovenop een toren prenten en tijdschrijften, waarvan de bovenste mammeloesjes (die van Ann ‘bang bang’ Arbor) het al snel warm zullen krijgen, denkt Roeland.   “Of schenken we die knaap iets sterkers in?”, zegt Lewis. “We zien wel”, antwoordt Gladys, die Roeland op de dij klopt. De thee verdwijnt in hun keel en Lewis werpt Roeland een goedkeurende blik wanneer hij in één van de magazines begint te bladeren. Dude Magazine, March 1965, The Russian Bared or one day in The Life of Tanja Tolstoj.   Gladys staat op, zegt dat ze dringend moet, trekt wat velletjes van de rol wc-papier, verlaat de bungalow en stapt naar het vertrek op de achterkoer. Als onderweg haar hak in een verdwaalde dennenvrucht blijft steken, trekt ze het muiltje uit en slingert het naar het hoofd van de blauwe kabouter, die het projectiel niet ontwijken kan.   Twee mannen, temidden massa’s bloot en naakt. Lewis moet het kwijt aan Roeland: “Duizend borsten en granaatappelen! Dat is me wel een tantetje dat jij hebt. Dat ze al die jaren lang quasi onaangeroerd gebleven is?” “Geef mij toch maar een dreupel”, zegt Roeland, want straks komt ze terug met in haar hart de ziel van Iokaste, met een lege blaas, met niets aan en zonder muiltjes.           Duizend borsten en granaten deel 4 van ‘Zondebloemen’ uit de reeks  ‘Roeland Wittebolle’

Bernd Vanderbilt
0 0

Zondebloemen (3)

Het is als in een elektrische slow motion western. Ze springen uit de trein en komen in een dorre berm terecht met enkel grint, een poppenpoot en een halve neonbuis. Zij het dan op een druilerige zaterdag want in Amerikaanse cowboyfilms schijnt altijd de zon en tante Gladys neemt hem bij de hand, in een poging zijn aarzelende tred te versnellen.   “Niet bang zijn, Roeland. Niets staat op het spel. Ik heb al eerder voor Lewis geposeerd. Laatst schilderde hij me als Artemis temidden een toom krielkippen. ‘Breng de volgende keer een jonge knaap mee’, zei hij en ik dacht onmiddellijk aan jou.” “Is het de bedoeling dat we samen iets doen op dat schilderij?”, vraagt Roeland. “In een schilderij leeft hoogstens ongrijpbaar verlangen, maar wat Lewis precies voor ogen heeft, weet ik niet”, zegt Gladys die haast een hak omslaat op enkele grove keien. Ze stopt bij een paal die zonder geweld de bovenleiding zweven doet, neemt lippenstift uit haar handtas, zoent de lucht om haar lippen wat extra te kunnen roden en tekent daarna een even rode smiley op de paal. “Ik heb aan je moeder beloofd goed voor te zorgen, je verder op te opvoeden, ver weg van die beul,” gaat ze verder, “ik wil dat binnen enkele jaren elke vrouw van je zou zeggen: dit is nu pas een man!”   Zij kijkt hem aan, hij in haar ogen. “Ik zal straks de ganse tijd bij je zijn, lieverd, en Lewis is een vrijdenkend man. Hij heeft ook een aardige collectie oude filmpjes. Harrison Marks. Zegt dat ik de ziel van June Palmer in me draag.” “Nooit van gehoord,” zegt Roeland terwijl hij vijf cent op de sporen legt. “Ik breng je wel op tijd op de juiste gedachten,” stelt ze hem gerust, “of misschien juist op andere gedachten en fluister ik wat in je oor, misschien wel een verhaal over je vader, die zich in een hazelaar verbergt, naast een edelweissjesveld, vlakbij een kleine Noorse nederzetting met falurode huisjes. De gevels zijn er geschilderd met walvisbloed en in het witte veldje heeft hij een val gezet, met knalrode bessen erin, om een zwerm lijsters te vangen en ze daarna met blote handen één voor één de kop af te rukken.” “Niet grappig,” zegt Roeland, “maar het zou een ongepaste opwinding wel snel naar de wip helpen.” “Ongepast is relatief”, spreken haar lippen, terwijl haar duim en wijsvinger een glimlach vormen en hem bij de kin vasthouden. Ze kijkt hem opnieuw prangend aan en wanneer ze loslaat, zegt hij: “Je klinkt net als een wijze filosoof, een oude Griek met witte krullen.”   “Straks zal je wel merken dat ik geen witte krullen heb,” plaagt ze hem, “we moeten doorstappen. Hij woont ginds in een bungalow, in een naaldbos.” In de verte zien ze de dennen al. Er loopt een pad tussen stammen, hars en een laag afgevallen naalden, die met de jaren de grond en het leven van de bosbloemen zuur gemaakt heeft. Dan moeten ze nog door het smeedijzeren hek en voorbij die blauwe kabouter, zonder broek en zonder ogen.         Vijf cent voor twee ogen deel 3 van ‘Zondebloemen’ uit de reeks  ‘Roeland Wittebolle’

Bernd Vanderbilt
0 0

De vos

Kortverhaal                       De vos                                                                                                                     Ingeborg Daniëls   Achteraf gezien was het een voorteken geweest dat ze van al haar porseleinen diertjes juist de vos aan diggelen had laten vallen. Zoals altijd moet de tijd erover neerstrijken om aan een voorteken betekenis te geven.    In haar knoestige handen houdt ze het stapeltje bidprentjes dat ze verzameld heeft  na een leven van zondagse missen. Op elk prentje prijkt vooraan een heilige, de Maagd Maria met boreling, naar obesitas neigende cherubijnen, een lijdende Christus of een oplichtend kruis op een donkere achtergrond. Op de achterkant staan gebeden en bezinningsteksten die aanmanen tot christelijk leven en het te allen tijde vermijden van de katholieke hoofdzonden. Het papier is intussen verweerd tot leer. De klok op de marmeren schouw tikt gedurig voort.    Terwijl ze de gebeden prevelt, dwalen haar ogen door de ommuurde tuin. De hagen van beuk en de palmstruikjes heeft George nog geplant en 40 jaar lang plichtsbewust gesnoeid. De gele rozen, salvia’s, geraniums en afrikaantjes worden nu verzorgd door Roger van op de hoek, die zijn kleine pensioen aanvult met het onderhouden van de hofjes in de straat. Ze mag straks niet vergeten te zeggen tegen George dat hij het gras moet afrijden. Nee, dat mag ze in geen geval vergeten.    Haar gedachten zijn opeens afgeleid van de prentjes. Er beweegt iets tussen de onderste takken van de rododendron. In een flits ziet ze een witte vlek en een roodbruine vacht. Dan oplichtende ogen.  Een gele blik pint haar aandacht vast en heel even voelt ze haar hart verkrampen. Dan verdwijnt het dier even snel als het verschenen is. Versteend kijkt ze naar de zwiepende takken van de struik. Een vos! Een vos in haar hof! Even twijfelt ze. Was het geen hond? Nee, de honden uit de straat kent ze bij ras, naam en vachtkleur. Hoe komt Reynaert dan in haar ommuurde stadstuin terecht? Het dier moet vanuit het natuurdomein zijn territorium hebben uitgebreid of misschien is het wel een moervos met hongerige pups. Ze tast met haar voeten naar haar pantoffels onder de tafel en duwt zich recht. Even blijft ze zo staan met haar ogen strak op de struik gericht, dan schuifelt ze naar de achterdeur.   De oktoberlucht waait haar vochtig en onaangenaam tegemoet. Buiten het geluid van een paar mussen is er geen spoor meer van de vlammende aanwezigheid van de vos. De tuin is weer stil en in zichzelf gekeerd. Ze moet plots denken aan de oude dorpspastoor.    ‘Geluk is een tuin en een goed boek.’ ‘En het geloof natuurlijk’, voegde hij er dan aan toe, voor het geval we zouden denken dat hij in een onachtzame bui aardse zaken boven de Heer verkoos.     De hele avond blijft ze stil voor het raam zitten onder haar zelf gebreide dekentje. Zou hij terug komen? De verschijning van de vos heeft haar geraakt tot diep onder haar ribbenkas. Ze voelt hem nog trillen tussen haar longen en hart, op de plaats waar ze ook andere dingen heeft gevoeld, zoals liefde en doodsangst.   De komst van het dier projecteert beelden van lang geleden op de binnenkant van haar netvlies.    Als schoolmeisje was ze graag bij haar grootouders in het lemen huisje met het rieten dak, al ontzag haar grootmoeder haar niet als het op werk aankwam. In de hoek achter de deur stond grootvaders wandelstok. In het eikenhout had hij afbeeldingen gekerfd die haar kinderlijke fantasieën hadden gevoed. Een draak, een boer met zeis, een melkmeisje, een zwijn en de heilige Castulus die -om redenen die ze zich niet meer kon herinneren- zijn favoriete heilige was geweest. Maar het allermooist vond ze de pluimstaart die aan het handvat hing. Ze herinnert zich hoe zacht hij had geleken, maar hoe stug de haren aanvoelden als ze hem streelde. Het had haar grootvader een zeker aanzien gegeven als hij met die wandelstok, laarzen en een pet over het erf wandelde. De vossenstaart bungelde tot halfweg de stok als een trofee. Dat de staart inderdaad van een dier afkomstig was, had ze pas later beseft. Grootvader had een vossenkadaver op tafel gesmeten. Hij had het beest in een klem bij het kippenhok gevangen en de doodsstrijd was duidelijk lang en hevig geweest. De aanblik van de bebloede tong en de gebroken ogen hadden haar maag doen keren. Toen grootvader met één trefzekere slag de staart van het dier kapte, kon haar verbijstering niet groter zijn. Nu had hij twee staarten voor zijn wandelstok, had hij lachend gezegd. Zijn zichtbare minachting voor dit dier had haar evidente bewondering voor haar grootvader op slag van alle naïviteit ontdaan.   Voor de rododendron ligt een opengevouwen pakje van de slager met daarop twee sneetjes hesp en wat kaaskorsten. Die heeft ze tussen de klaargemaakte sneetjes brood uit gepeuterd en apart gehouden als aas voor de vos. Misschien verleidt de geur van het welkomstgeschenk hem wel. Ze heeft moeite om zich te concentreren op de gebedsprentjes die ze routineus leest en op een stapeltje legt. Haar kaartspel met God kan haar vandaag maar moeilijk tot rust brengen. Wanneer ze de gebeden voor de derde keer wil doorploegen, verrast een plotse beweging in haar linkerooghoek haar. Een roodbruine vos met zwarte poten schrokt in een paar seconden het vlees naar binnen en grist dan het witte inpakpapier met zich mee de struik in.  Ze spert haar ogen open naar de plek waar ze vanmorgen nog stond. Op doorweekte pantoffels en in haar nachtkleed, probeerde ze tussen de takken te turen. Haar knieën hadden zich krakend verzet. Het moet de Heer zijn die haar met dit magische wezen zijn goedkeuring toont!    ‘Dank, Heer’, prevelt ze. ‘Dank!’ De rest van de avond tintelt het in haar maag en gloeien haar oren.   Ook de volgende dagen verschijnt de vos in haar tuin, steeds op hetzelfde moment, na haar gebeden. Eerst waagt hij zich maar enkele seconden van onder de beschermende takken vandaan. Na enkele dagen blijft hij een paar minuten zitten om zijn presentje te verorberen. Hij gunt haar een blik op zijn glanzende vacht die het herfstlicht nu eens bruin, dan weer oranje kleurt. Boven zijn zwarte, slanke voorpoten valt zijn witte bef des te feller op. Alsof hij de jagers uitdaagt:    'Hier is het te doen! Schiet maar in de roos!'    Ze wil zich verzekeren van zijn terugkomst en na enige tijd offert ze niet alleen haar broodbeleg, maar ook haar middagmaal op. Reikhalzend kijkt ze uit naar de komst van haar roofvriend, het ijkpunt van haar dag. De felle verschijning vervult haar met een warmte die nog het meest lijkt op verliefdheid, een gevoel dat ze zich met moeite kan herinneren. De vos is haar minnaar. Iemand die haar apathie doorbreekt. Iemand om naar uit te kijken. Dat ze hem gadeslaat, beseft de vos duidelijk. Op het moment dat hij zich op het voedsel stort en hij tegelijk zijn priemende blik naar omhoog richt, naar haar, achter het raam, houdt ze telkens haar adem in. In zijn pupillen schitteren arrogantie en ontembare honger. Terwijl de tijd haar voordien voorkwam als lijm waar ze doorheen moest waden, vloeien de dagen nu door elkaar. Wanneer ze 's morgens de ogen opent en haar stramme knoken uitrekt, is de vos haar eerste gedachte.    Ze weet niet meer hoeveel weken of maanden het geleden is sinds hij zich voor het eerst vertoonde. In elk geval  vriest het en zit de ijsgrijze lucht vol sneeuw wanneer ze op een morgen beslist om buiten te blijven zitten. In haar dikke kamerjas en pantoffels met schapenwol sleurt ze een plastic stoel van het terras. Tot naast het eten, bij de rododendron.     Ze moet ingedommeld zijn, want het schemert al wanneer ze uiteindelijk geritsel hoort. Ze moet geen moeite te doen om doodstil te blijven zitten. Haar lijf is een ijsklomp. De vos lijkt niet verrast en kijkt haar recht aan met zijn brandende ogen. Onmiddellijk voelt ze zijn warmte. Ze wil iets geruststellends zeggen, maar durft niet. Bang dat haar krakende stembanden hem zullen verjagen. Ze glimlacht alleen maar. Ik ben ongevaarlijk. Ik ben geen jager. Ze denkt het en hoopt dat de vos het begrijpt. Hij buigt zijn kop, snuffelt aan de kaas en kalkoenfilet en eet alles op zonder schrokken. Daarna likkebaardt hij en wast rustig zijn poten. Tijd en ruimte vallen samen, ze versmelt met de vos. Hij kijkt haar aan en slaat zijn staart rond zijn voorpoten. Dan grijnst hij. Vosje Vos Rent door het bos Met tanden die blikkeren En ogen die flikkeren Slacht nu het konijn Vosje mijn.    ’s Nachts ziet ze zijn gele ogen en voelt ze de aanraking van zijn staart tussen haar benen.   De vos is nu altijd aanwezig in haar tuin. Ze wijkt niet meer van zijn zijde, al vriest het stenen en soppen haar pantoffels van het water.    Ze zingt voor hem, terwijl hij op haar schoot slaapt. Haar handen strelen de sneeuwvlokken van zijn stugge vacht. Wanneer hij uitgeslapen is, geeuwt hij zijn tanden bloot en richt zijn blik op haar. Het verbaast haar geenszins dat hij spreekt.    ‘Wilma’, zegt hij. ‘Wilma, George wacht.’  

Ingeborg Daniëls
3 2

Zondebloemen (2)

  Zaterdagochtend, in zijn kamer met aan de muur één poster van Darlene Bubbles en één van Skinny Puppy. Roeland opent het raam. Gisteren was het nog een hot-and-shiny-borsten-worsten-dag, waarop de zon een vermeende vrolijkheid uitstraalde; vandaag is het kil en bewolkt. Een schimmelpaardje trekt een grijze koets door de lucht. Het ding drijft dichterbij en vervoert twee schapen, met of zonder kop, want ogen of oren kan hij niet onderscheiden van de rest. Het gevaarte vliegt gevaarlijk laag, zal straks misschien blijven haperen aan de appelaar. Dan vallen de schimmel en de schapen in de groenselhof om daar een hoop vuile sneeuw te vormen.   Ja, sneeuw op een ochtend in september en mijn vader, Florimond Wittebolle, heeft deze nacht allicht weer enkele stervende koeien in zijn Magirus getakeld om ze naar Van Hoornweder te voeren, naar dat kleine Sijseelse slachtkot waar ze nog snel in stoofvlees versneden werden.   Aan de horizon ziet Roeland rode voertuigen, rijdende ladders en blauwe zwaailichten. Misschien hebben enkele van die getikte Lotjes het gesticht van Onze-Lieve-Vrouw in de fik gestoken, en staan Lieselotje, Charlotje, Lancelotje en Lorelei buiten naar de vlammen te kijken, allen met de handen in het verwarde haar en de voeten in pantoffels van konijnenpels.   Als Roeland de keuken binnenkomt, staat tante Gladys blootvoets voor het aanrecht, op haar tenen, om alles beter te kunnen zien. Ze leunt voorover waardoor haar benieuwde tepels de vensterbank bijna raken. Zeven brandweerwagens telt ze en op haar negligé prijken ongeplukte anjers, eronder leeft dat zachte vel   Snel! Koffie moet ik zetten. Deze ochtend geen gepluimde kippen in de keuken! Anders gaat ze klappertandend rondlopen, om ze te vangen, en verschijnen er rode vlekken op de muur, bloed dat uit hun koploze nek spettert.   “Daar had ik nu zo’n trek in”, zegt ze met een stem als warme melk, terwijl ze met beide handen de tas streelt en wat koffiedamp in zijn richting blaast, “neem ook een tas en trek straks iets warms aan.” “Waarom?”, wil Roeland weten. “Vertel ik je straks wel, op de trein naar Paardenput.” “Paardenput?’ “Ja, Paardenput”, glimlachte ze. Ze drinken en ze zwijgen. Tante Gladys laat een hemels boertje. Haar kop is leeg (de tas, bedoelt hij) en spoelt hem in de pompbak.   "Ti-da-ti-da-ti-da..." Zingend als een blijde ambulance, loopt ze de trap op terwijl haar flinterdunne negligé zonder twijfel openvalt en als een verkwikkende sliert ochtendnevel achter haar aandrijft. Roeland probeert nog aan een eeuwige zomer te denken maar haalt dan toch een pullover uit de wasmand en trekt die aan boven een losse jeansbroek. Een onderbroek vindt hij niet.   Ze gooit een elastiek naar hem voor ze de fiets opkruipt: “om boven je rechter enkel te doen, anders draait je broek in de ketting” ...en komt die slurf uit zijn broek te hangen, denkt zijn scrotum. Onderweg naar het station van Brugge, passeren ze de nasmeulende, platgebrande, brood- en boterkoekenfabriek. “Dit stond dus in lichter laaie deze ochtend. Vaarwel tonnen schuimbrood en vettigheden!”, zegt tante Gladys met een stem die harder klinkt dan hij gewoon is en ze test haar fietsbel wanneer ze de laatste brandweerman voorbijrijdt. Blusschuim hangt hem tussen de benen.   De fietsen maken ze 1-2-3 met een cijferslot vast aan een ursusdraad, die een hondenkakperkje scheidt van het trottoir. Op het perron wacht een trein, op sporen, wissels, bruggen en tunnels. “Die nemen we,” weet ze, “de boemeltrein naar Brussel. Die zal wel stoppen in het station van Paardenput.” “Als jij het zegt...” en Roeland neemt een krantje van de grond, begint uit de rubriek ‘vakantie en tijdverdrijf’ luidop voor te lezen:   driedaagse sauna in Helsinki helend bubblebad in Bollywood treinreis door een Ijslands paradijs weekendje in Willy Wankerland slurffestijn in Florida   Gladys lacht waardoor haar bolle welpjes weer wakker schrikken. Terwijl hij een slapertje uit zijn oog rechter oogput peutert, neemt zij de gratis krant van hem af, mept er een wesp mee dood en het zwartgele wezen valt op het oranje tafeltje. “Moordenaar,” zegt Roeland zonder enige verontwaardiging in zijn stem. “Ben ik allergisch aan, aan bijensteken, wespensteken, breisteken en bereid je maar voor, mijn jongen. Straks te Paardenput moeten we volledig uit de kleren. Warm is het niet vandaag”. “Geloof ik niet”, zegt Roeland, terwijl zijn slurf het tegendeel beweert. “Echt. Oidipous en Iokaste. Bij een schilder. Model staan. Maar ik ben je moeder niet, dus maak je geen zorgen, lieverd. Gewoon jezelf blijven, poseren, eigenlijk een stilleven, want een schilderij is maar een momentopname.” Als jij het zegt, denkt Roeland terwijl hij de schuin naar onderen wegdruipende regendruppels op het raam volgt; ze kruipen gelukkig door de wand van de wagon en hopelijk slaagt hun koelte erin zijn zestienjarige willy weer wat kleiner te krijgen.   Dit alles terwijl er niet eens een station is te Paardenput en ze niet eens op een stoptrein zitten. Het is een intercity en eenmaal voorbij Aalst stopt die pas in Brussel-Zuid. Maar er is een stroompanne, net voorbij de bocht bij Paardenput. Een kraan is bij een overweg in de buurt van Erembodegem tegen de bovenleiding gereden. Enfin, de conducteur komt langs en vraagt de reizigers om uit te stappen en zich te voet westwaarts, naar de bushalte ‘Paardenput’ te begeven. “Daar zullen vervangbussen U dan afhalen”, stelt hij gerust.   De wesp lijkt definitief dood te zijn. Geen stuiptrekking zal die angel nog in beweging krijgen, denkt Roeland. Met zijn hand veegt hij de wesp in de krant, die hij als een lijkverbrandingsbootje onder het tafeltje bij het raam houdt, legt de wesp daarna te rusten in de kleine assenbak en sluit het dekseltje. “Kom we gaan,” en Gladys trekt Roeland bij de mouw, “Lewis wacht op ons. Straks is zijn verf al droog.”         Stroompanne te Paardenput deel 2 van ‘Zondebloemen’ uit de reeks ‘Roeland Wittebolle’

Bernd Vanderbilt
50 0

Zondebloemen (1)

  yoghurt op Griekse wijze schuimzeep pitloze pruimen honing konijn kaaskroketten     Roeland overloopt het boodschappenlijstje en vermoedt dat hij het konijn met rode ogen niet zal kunnen vinden, ook niet slapend, de oren naar beneden, onderin het rek bij de kassa, onder de kauwgom, doosjes tic tac en condooms met de fletse smaak van vroeggeplukte aardbeien. Hij stapt verder tot hij voor een koeltoog staat, waar ze roerloos liggen, in een kunststof schaaltje onder vershoudfolie, lepeltje-lepeltje, telkens een bruine bloedworst tegen een witte pens aangedrukt.   Krijg je lichtbruine stoelgang van en de kaaskroketten van den Aldi zijn beter. Supersmeuïg. Goudbruine korst. Geloof me. Terwijl er helemaal geen Aldi is in Tillegem en tante Galdys geen frietpot heeft, duwt Roeland met zijn wijsvinger krachtig op één van die gevulde varkensdarmen. Geen leven in die neger te krijgen! Een vrouw achter de koeltoog kijkt argwanend toe. "Of je ook placenta hebt, het liefst die van Adam of Eva?", is de vraag die hem op de lippen zwelt, maar hij zwijgt, legt één schaaltje worsten in het karretje en als hij de pamperafdeling voorbijrijdt, denkt hij aan zijn oudste nicht Vanessa.   Toen die haar melkbusjes na het baren en zogen van twee mollige dochters volledig wilden wegkwijnen, heeft ze nog Franse implantaten laten inbrengen, maar tevergeefs. De rek bleek volledig uit haar huwelijk te zijn en toen kocht haar man Kevin zich een BMW-brommer met twee voorwielen. Hij verhuisde, ging alleen wonen in de plooien van het Heuvelland om daar elk weekend gezwind bergop-bergaf te crossen; de lucht gierde hem als een zuiverende zeebries door zijn leeggesnoten neusgaten.   Na het vergeefs afschuimen van verschillende datingsites -alleen is maar alleen- heeft Vanessa een reis naar Cuba geboekt, werd daar halsoverkop verliefd op een bruine Adonis. Vanessa hertrouwde. Het werd een feest met rum, rommeltoetjes en roombotergebak. Adonis kreeg na enkele weken zijn verblijfs- en werkvergunning en nachten-, weken-, maandenlang, van heilige Justinus tot heilige Libertus, lagen ze bij elk ochtendgloren, net als een beulink tegen een witte braadworst, bloot in het schaaltje van het hete bed te bekomen van hun daden.   Maar toen het lente werd, kocht ook Adonis kocht zich een brommer, één met één voorwiel minder dan Kevin en is er mee weggereden naar god weet waar, de vergunningen veilig in zijn achterzak, om nooit meer terug te keren.     Roeland nadert de kassa. Het bleke meisje, dat er voor een rek vol met korte drank zit, heeft vier knoopjes van haar lichtblauwe schort openstaan, waardoor ze zichtbaar worden, het spannende shirt met rolkraag, een kruisjeshanger, ketting en borsten die als peren, als ferme muilpeertjes hangen te rijpen.   Zwijgend scant ze, terwijl ze passeren: de Griekse wijze die zich de buik volspoot met eigen yoghurt, kinderschuim, een valse baard, honing achter zuiver glas en in hun rayon blijven ze onaangeroerd liggen, pruimen in zakkjes naast rozijnen voor de sultan.   De Griekse wijze neuriet moeilijk hoorbaar en Roeland staart naar de kleine glasplaat met die rode schijn, wacht telkens op de volgende 'piep' van een gescande barcode. Had hij maar geen lege doos met opschrift Lucky Dog genomen. De hondenbrokkengeur, die uit het karton opstijgt, overheerst alles, het parfum van de kassierster, de smaak van weerbarstige pruimen of van honingkoekjes in de vestzakken van een kruimeldief.   Als hij buitenkomt, wacht diezelfde vrijdag hem weer op, aarzelt hij om naar de kassierster te wuiven. Met zijn rekker bindt hij de doos op de fietsstaander en vertrekt, rijdt door een onwel, naar berkenwants riekende dreef naar het huis van tante Gladys. Het poortje van de tuin staat open en tante Gladys trekt onkruid in de voorhof. Haar kale kameeltje bengelt in een los zomerkleedje. "Alles gevonden?", vraagt ze en Roeland denkt terug aan het meisje bij de kassa.   "Bijna, neen, niet alles. Het konijn was nergens te bespeuren en die pruimen heb ik dan ook maar niet gekocht", zegt hij, terwijl hij het schaaltje met de worsten uit de Luck-Dog-doos neemt en met zijn wijsvinger twee putjes als oogkassen in elk van de worsten duwt. "Roeland met vlezige worsten in z’n pollen?", zegt Gladys met een bedenkelijke blik, "en toen je het konijn niet kon vinden heb je die worsten maar gekocht?". "Omdat ze zo zorgeloos tegen elkander lagen, die ene is precies een blanke meisjesworst met biosproeten". "En die andere?", vraagt tante Gladys. "Dat is een neger", antwoordt hij. "Een zwarte, zal je bedoelen en die kaaskroketten bakken we wel in een casserole. Een flinke scheut olie erin. Maar een blanke meisjesworst, gij malle loeder. Hoe kom je erbij?".   Roeland zweet nog van het fietsen en in de badkamer gaat hij zijn tronie wat spoelen. Als hij de deur opentrekt, ziet hij hem daar languit liggen in een bad vol schuim. De Griekse wijze met zeepbellenbaard staart hem aan, haalt van onder het schuim een bloedworst tevoorschijn, prikt er wat bellen mee dood en tante Gladys is intussen ook de badkamer binnengekomen. Poedelnaakt. Haar rosse schaamhaar prijkt als een bermudadriehoek op haar onderbuik.   Ze zet zich neer op de rand van het bad, spreidt de benen en strijkt met haar rechter middelvinger door de klonters yoghurt, die als gestold eiwit aan de borstharen van die ouwe geilaard kleven. Daarna likt ze de vinger binnensmonds schoon en brengt haar hand naar haar dief, duwt de schaamlippen wat open en zegt spottend: "Hier groeit echt geen blanke meisjesworst, mijn lieve Roeland, eerder het puntje van een hete peper".   De ouwe bok met saterkop richt zich op en brengt de bloedworst over de verraderlijke bermudadriehoek tot bij die glimmende dief om, na wat heen en weer gefrot met die ronde dichtgeknoopte top, hem bijna volledig in de hongerige poes van tante Gladys te laten verdwijnen. Enkel het knoopje dat aan de andere van de worst zit, ziet Roeland nog. De vunzige bellenbaardemaker trekt er wat aan en wrijft het knoopje heftig tegen het puntje van haar pepertje. Haar buik- en mosselspieren spannen zich meer en meer op. Tante Gladys sluit de ogen, houdt haar adem in en schreeuwt dan enkele seconden lang, als een dolle duivelsdochter, als een vurig lam dat net de staart afgehakt werd.   Roeland wendt zijn blik af, schudt zich de natte kop voor de blinde spiegel, wrijft de waterspatten van zijn gezicht en kijkt daarna opnieuw naar het bad. Het bad is leeg en als hij terugkomt in de keuken, is Gladys appels aan het schillen. "Van eigen boom, compote, voor bij de worst," zegt ze vrolijk, "proef alvast een kaaskroketje". Hij neemt er één tussen duim en wijsvinger, bijt door de krokante bast en al gauw voelt hij de kaas smelten op zijn tong terwijl zij naar een beha grijpt in de wasmand. Haar armen haalt ze uit kleedje met motief van doornloze rozen en het valt op haar heupen. Ze draait zich om, steekt haar armen in de frisgewassen soutien en heft haar rijke natuur erin, kijkt over een schouder eerst naar Roeland en dan naar de haakjes van haar beha. Roeland knikt, springt recht, veegt zijn vette vingers en de chapelurekruimels af aan zijn broek, haakt de beha dicht, legt de wreef van zijn hand even op die wervels waarin het liefste merg van de ganse wereld zich schuilhoudt, en gaat dan weer zitten. Ze verlegt haar puppy’s nog wat en de rozen kruipen terug omhoog, over haar rug en schouders.   Het vuur zet ze snel op een lager pitje en roerend door de kokende appelen, zegt ze warm: "Straks worst met compote en als dessert honing op een kwakje Griekse yoghurt".         Yoghurt op Griekse wijze deel 1 van 'Zondebloemen' uit de reeks  'Roeland Wittebolle'

Bernd Vanderbilt
1 0

Tijd heelt altijd te laat

‘Waarmee kan ik u van dienst zijn, mevrouw?’ vroeg Marcel die net de sleutel in de deur van de pastorie had gestopt. ‘Meneer pastoor, dit is voor jou,’ zei de vrouw met hijgende stem en een lichtjes rood aangelopen hoofd. Verbouwereerd nam hij het boek aan. Nog voor hij iets kon zeggen, was ze al geruisloos in de uitgestorven straat verdwenen.   Het boek Het huis van de moskee had een bibliotheeksticker op de rug. Toen hij het boek wou neerleggen op het glazen tafeltje in de hal, merkte hij tussen de vergeelde pagina’s een klein, wit driehoekje op dat als een handje van een drenkeling omhoog stak, schreeuwend om gered te worden. Het bleek het uitleenticket van de vorige ontlener. Sabrina De Cock. Onder Het huis van de moskee had ze een getallenreeks gekrabbeld: 22  39  29  32  36  25. Ze had nog een boek ontleend: Godverdomse dagen op een godverdomse bol van Dimitri Verhulst. Dat is wel heel veel vloeken voor een titel van een boek, dacht hij. Onder al dat gevloek weer een reeks getallen:   52   35   46   29   40   23. Het verbaasde hem hoe hij plots gebiologeerd was door een vrouwennaam, twee boeken en twaalf getallen. De gedachte dat ook zij dit stukje papier aangeraakt had, ontlokte hem een siddering van genot. Hij rook eraan met zijn ogen dicht. Hij ademde niet zozeer de geur van papier in, maar het aroma van streelzachte vingers en een snuifje kersenrode lippen. Al wist hij dat het niet kon. Dat het niet mocht. Hoe meer hij het wou loslaten, hoe dwingender de gedachten werden. Zijn geest maakte vreemde bokkensprongen van een verhitte omstrengeling over losgerukte kleren tot verrukking in de hoogste graad. Hij zat als een gladiator zonder teugels in een strijdkar achter losgeslagen paarden, paarden van verlangens naar de intimiteit met een vrouw. Maar een verzonnen vuur verwatert snel. Marcel zuchtte eens diep en legde het briefje in de onderste la van zijn bureau, onder wat dikke dossiers. De inleverdatum van het boek noteerde hij keurig in zijn agenda. Dagen gingen voorbij, weken gingen voorbij. Traag, maar ze gingen voorbij. Hij doopte een kindje met dezelfde verwondering als voorheen. Hij zegende huwelijken in geheel eigen stijl in. Met veel beeldspraak, veel humor en tomeloze passie. De koppels keken hem dankbaar aan alsof ze de zegen van een engel hadden ontvangen. Als een zingend kind op een fiets trok hij elke dag een spoor van blijdschap door de stad. Hij straalde een vorm van zorgeloosheid uit waar anderen hem om benijdden. Ware geluk is elke avond gaan slapen met een gerust gemoed, zo formuleerde hij dat. Hoewel hij af en toe eens een nachtje wakker lag, had hij zijn leven weer helemaal onder controle.   Tot een artikel in het Brugsch Handelsblad zijn nieuwsgierigheid opnieuw had geprikkeld. Een speling van het lot. Ja, daar kon Marcel het op afschuiven. Het artikel handelde over bijzondere trouwdata. Een koppel uit het naburige Assebroek was getrouwd op woensdag 11 december 2013, om 14 uur 15 minuten en 16 seconden. Omwille van de rekenkundige reeks 11 12 13 14 15 16. Zes getallen! Een rekenkundige reeks, dat hij daar niet aan gedacht had! Hij haastte zich naar zijn bureau, deed de onderste la open en diepte het ticketje vanonder de dossiers op. Hij bestudeerde opnieuw de reeks getallen: 22   39   29  32  36   25. Nu pas zag hij twee fijne puntjes achter de getallenreeks staan. Hij moest de rij aanvullen met twee andere getallen, natuurlijk. Maar welke? Uit zijn hoofd lukte het niet, dan maar op papier. Rusteloos zocht hij alle mogelijke verbanden, kraste en telde. Tot hij opeens het licht zag alsof God hem persoonlijk de code toefluisterde. Het eerste, derde en vijfde getal wordt telkens met 7 verhoogd, de andere getallen met 7 verminderd: 36 + 7 = 43, 25 – 7 = 18. Twee getallen: 43 en 18. Pagina 43, regel 18, net als psalmen en verzen. Vlug bladerde hij in het boek, naar pagina 43, regel 18: Ik geloof niet in toeval. Sabrina gelooft niet in toeval. Dus ze heeft dit spel bewust opgezet. De andere getallen, 52  35  46  29  40  23, alweer gevolgd door twee puntjes. Natuurlijk, de oneven getallen min zes, de even getallen ook. Dus 40 - 6 = 34, 23 – 6 = 17. Pagina 34, regel 17 uit de Godverdomse dagen. Vlug rende hij naar de bibliotheek. Wie of wat hij onderweg tegenkwam, zag hij niet, hoorde hij niet. Hij had Sabrina in zijn hoofd. En veel fantasieën. En ook een angst die hij niet kon verklaren. Zoeken bij VERH van Verhulst. Hij vond het boek. Hij bladerde gejaagd door naar pagina 34 en las regel 17: Bloot blijft altijd mode. Zijn ogen bleven een tijdje kleven op bloot. Nieuwsgierig las hij verder. Enkele regels later: Priester is een schone stiel. En onderaan in potlood geschreven: ‘Molenweg 102 – elke dinsdag 10 uur’. De adrenaline gierde als een gek door heel zijn lijf. Daar stond hij in de bibliotheek, een geile priester met het boek Godverdomse dagen in zijn handen. En een spoor naar Sabrina. Hij had het hierbij kunnen laten maar de vlam waarvan hij dacht dat die gedoofd was, wakkerde opnieuw aan. Ook al wist hij dat één kaars een heel huis in de as kan leggen, zelfs die onheilspellende gedachte kon het monster van de begeerte niet verdrijven.   Elke dag, vanaf de woensdag dat hij haar adres gezien had tot de volgende dinsdag, duurde wel een eeuwigheid. Hij genoot van het vuur dat door zijn aderen stroomde, hij gaf voor het eerst in zijn leven een tournée générale in het café dat niet bekend stond om een katholieke geloofsovertuiging. Hij speelde er zelfs tafelvoetbal met de frivole dochter van de kroegbaas. Hij had zichzelf heruitgevonden. Als je beseft wie je bent, dacht hij, heb je twee keuzes: of je begint te leven, of je begint te sterven. Hij koos voor het eerste.   Uiteindelijk, na zes lange dagen en nog langere slapeloze nachten stond hij voor het huis van Sabrina. Hij keek nog eens links en rechts – alsof hij zich daar onzichtbaar mee zou maken – en belde aan. De seconden tot zijn ontmoeting met Sabrina leken wel uren. Zou het dan toch waar zijn dat het meest angstige moment het moment is waarop je een droom kunt realiseren? Hij keek nog eens opzij in de straat. Niemand te zien. De deur ging open. Hij stond oog in oog met een man van tussen de dertig en de veertig jaar. Zijn scherp gezicht kwam hem niet onbekend voor. Toch kon Marcel hem niet thuisbrengen. ‘En?’ vroeg hij. ‘Euh… ik kom eigenlijk voor Sabrina,’ stamelde Marcel. ‘Wat wil je dan?’ Marcel zweeg. Hij kon het niet over zijn lippen krijgen. ‘Wil je misschien weten of Sabrina buiten mag spelen? Dat zul je aan haar mama moeten vragen,’ zei hij. Deze situatie had hij zich niet voorgesteld. ‘Euh… ja, neen… ik denk dat ik me vergist heb. Sorry voor het storen.’ ‘Ach, doe niet zo gek. Kom binnen, ik ging toch juist vertrekken. Het is boven te doen. Eerste deur rechts.’ Hij trok Marcel nogal hardhandig aan zijn arm zodat hij in een fractie van een seconde in de hal stond, alleen, in een onbekend huis en niets anders voor hem dan een uitdagende wenteltrap. Danig in de war door het vreemde gesprek, aarzelde hij om naar boven te gaan. Hij kon nog terug, dat was zeker. Maar hij kon ook naar boven. Naar het paradijs. Of naar de hel. ‘Kom maar,’ riep een lieve vrouwenstem. Dat het niet de stem van een kind was, was al een hele opluchting. Op de trap hield hij de leuning goed vast. Zijn flanellen benen boden nauwelijks nog steun. De eerste deur rechts stond op een kier. Zijn opgewondenheid haalde het van zijn zenuwachtigheid, zijn lust won het van zijn verstand. Hij duwde voorzichtig de deur open. Hij zag een groot bed, maar geen Sabrina. Schuifelend, voetje voor voetje, trad hij dit heiligdom binnen. De warmte overviel hem meedogenloos. Hij keek rond maar zag niemand. Op het nachttafeltje een Boeddhabeeldje. Het lachte Marcel toe, maar stelde hem niet gerust. Was dit een grap? Of een val? Hij moest daar weg, er klopte iets niet. Hij draaide zich om en keek recht in de donkere ogen van een beeldschone vrouw. Zwarte krullen, bruine teint, vuurrode lippen. Haar purperen kimono viel net niet open, maar onthulde toch al genoeg. Ze glimlachte. Alle onrust maakte plaats voor een heftig hunkeren. Ze deed de deur dicht, ze liet haar kimono van haar lichaam glijden en kuste zacht zijn mond. Nog geen half uur later verliet Sabrina de kamer. Marcel lag naakt op het bed. Er werd op de deur geklopt. Hard. Nog voor Marcel kon reageren, kwam er een man binnen, die zonder aarzelen naast hem op het bed ging zitten. ‘Je herkent me niet hé?’ vroeg de jongeman. ‘Ja, van daarstraks… beneden,’ zei Marcel die ondertussen rechtop zat, met een hoofdkussen tussen zijn opgetrokken knieën. ‘Don Boscocollege… internaat… 1979… misschien was ik niet memorabel genoeg… of was ik een van de zo velen,’ zei hij. Hij bleef Marcel stuurs aankijken. ‘Een leerling?’ vroeg Marcel. ‘Zo kun je het stellen. Alleen heb ik iets te veel van jou geleerd. Iets wat niet in het lessenpakket zat.’ Zijn bitsigheid verlamde Marcel. ‘Wat er hier gebeurd is, heb ik opgenomen op video.’ Hij wees naar een piepklein oogje aan het plafond. ‘Sabrina is nu onderweg naar de politie. Hoe lang staat er op verkrachting, denk je?’ Marcel werd lijkbleek en voelde zich misselijk worden. Angsttranen schoten in zijn ogen. ‘Ge zijt een zielig ventje. Ze moesten je in een diepe put steken. Ge hebt zelfs mijn moeder niet herkend, ja, diegene die het boek is komen geven. Zij haat je evenveel als ik. Maar nu is het definitief gedaan.’ Marcel probeerde tevergeefs zijn bijtende klanken weg te laten vloeien als vuil afwaswater in de gootsteen. Hij werd overwoekerd door gedachten, als een muur vol klimop. Vluchten uit deze vretende gedachtestroom kon hij niet. Hij voelde hoe zijn vuisten zich opspanden. Zijn vingernagels sneden in zijn handpalm. Met alle macht die hem restte, greep hij naar het lachende Boeddhabeeldje.  

Gino Dekeyzer
0 0

Laurent

Moeizaam schuifelde hij de krantenwinkel binnen met zijn onafscheidelijke vriend, zijn wollige hondje. Hij diepte zijn portefeuille op en gaf de krantenman een verfrommeld lottobriefje. Twee vrouwen stopten hun zinloos gesprek en bekeken heel het tafereel met een laatdunkende blik. “Goedemorgen, Laurent, ik zal het formuliertje eerst eens wat gladstrijken,” grapte de krantenman. “Zijn kledij kan ook wat strijk en zeker een wasbeurt gebruiken,” mompelde de ene vrouw tegen de andere. “Dank u vriendelijk, Thomas,” zei Laurent. In zijn ooghoek zag Laurent hoe de vrouwen hun neus dichtknepen. De hond gromde naar de vrouwen. “Pluisje, stil, de dames willen je geen kwaad doen. Geef de dames eens een pootje,” reageerde Laurent. Maar zij doken in de vrouwenbladen en hadden plots heel veel interesse in de laatste escapades van het koningshuis. “Weer niets gewonnen, Laurent,” meldde Thomas. “Ik speel al heel lang en nog nooit heb ik wat gewonnen,” probeerde Laurent een gesprek te voeren tegen de vrouwen. Zij negeerden hem compleet en keken ostentatief de andere kant op. Laurent was wat bedroefd omdat hij ook hier geen gehoor kreeg. Alleen zijn trouwe viervoeter gunde hem een blik en kwispelde verlangend. Laurent aaide zijn Pluisje.  “Ik probeer nog maar eens.” Hij legde wat muntstukken op de toog. Thomas valideerde het formulier en gaf het aan Laurent. Het geld stopte hij in zijn kassa. Laurent slenterde naar buiten. Het leek of de hond zijn baasje leidde. “Tot ziens,” riep Thomas. “Tot ziens,” antwoordde Laurent en sloot onhandig de deur. “Hij zoekt vriendschap!” zei Thomas tegen de vrouwen. “Hij is al even vuil als zijn hond. Zo’n armoezaaier wil ik niet in mijn vriendenkring. De dames van de kunstkring zouden nogal ogen opzetten,” reageerde de ene vrouw. De andere vrouw knikte schaapachtig en onderdrukte een grimlach. “Mevrouw Robijns, u bent wel voorzitster van de kunstkring ‘Ars Universalis’, maar dat geeft u niet het recht om op die manier te praten over mensen die uw geluk niet gevonden hebben,” strufte Thomas. “Meneer Thomas Elst, je ziet mij hier niet meer. Ik spreek over… dat gepeupel zoals ik dat wil. In mijn vriendenkring zitten meer notabelen dan dat jij hier boektitels hebt. Eén woord en je kan dit winkeltje sluiten. Kom, mevrouw Esmarald, we zijn weg,” riep mevrouw Robijns vuurrood. Met de neus in de wind verlieten zij de winkel en sloegen de deur zo hard dicht dat de bel eraf donderde. Beduusd keek Thomas naar de deur. “Ben ik te ver gegaan?” sprak hij tegen zichzelf. Een zware stem vanachter het tijdschriftenrek doorbrak de stilte. “Goed gezegd en vrees niets. Veel geblaat en weinig wol, deze wolven in schapenvacht.” Thomas herkende de stem en was dankbaar dat deze bezoeker het hele verhaal gehoord had.   In de vroege morgen zongen vogeltjes een vrolijk liedje. De zon gaf al warmte. Het zou een mooie dag worden. Een straalblauwe hemel met enkele wolkjes lachte Laurent tegemoet toen hij de gordijnen van zijn sjofele slaapkamer opende. “We gaan een flinke wandeling maken,” zei hij tegen zijn hond terwijl hij zich aankleedde. Pluisje kwispelde ongeduldig en streek met zijn hoofd tegen het been van Laurent. Een lieftallige aai was het antwoord. Als een onafscheidelijk duo gingen zij naar de keuken. Laurent trok de kast open en strooide wat hondenbrokken in Pluisjes bakje. Hij vulde tevens het drinkbakje met wat fris water. Pluisje begon gretig te eten en lonkte dankbaar naar zijn baasje. “Flinke jongen!” glimlachte de eenzaat. Plots kreeg Laurent een pijnscheut in zijn hoofd. Hij hield de tafel vast en strompelde naar de zetel. Hij plofte zich neer en greep met beide handen naar zijn hoofd. “Ai, wat een pijn. Ik heb anders nooit hoofdpijn,” jammerde Laurent. Pluisje wist niet wat er gebeurde en kwam tot bij zijn baasje. Vertederd legde hij het hoofd op het been van Laurent, die roerloos in de zetel lag. De hond begon zachtjes te huilen. Laurent reageerde niet. Pluisje blafte en ijsbeerde van de zetel naar de deur. “Het is niets, jongen. De pijn is voorbij,” zei Laurent na een tijdje. Hij stond op, wankelde nog wat, maar ging dan naar de keuken. Pluisje volgde hem. Laurent zette wat water op en haalde een paar sneetjes brood uit de trommel. Rechtstaand smeerde hij wat confituur op de boterhammen. Krakend gleed het mes over het oude brood. Het water was warm en Laurent schonk thee op. Suiker en een wolkje melk vervolledigde het ochtendritueel.  Als hij klaar was met zijn ontbijt, tuurde hij vanaf de tafel naar buiten.  “Zo’n mooie dag laat ik niet verpesten door wat hoofdpijn,” zei hij vastberaden. Hij voegde meteen de daad bij het woord, stond recht en ging naar buiten. Pluisje liep in zijn voetsporen het huis uit. Het dorp lag er nog wat verlaten bij. De kerkklokken luidden negen uur. “Oh ja, het is zondag vandaag,” zei Laurent tegen Pluisje. Voor de bakker stond een lange rij wachtenden. Klanten verlieten haastig de winkel volgeladen met broodzakken en gebakdoosjes. Lachende kinderen verwelkomden hun vader of moeder in de auto’s, kriskras geparkeerd in de straat. De wagens vertrokken snel en Laurent kon nog net Pluisje opzij trekken.  Drie lummeljongens wezen zittend vanop een tuinhek naar het tweetal. Eén gooide een steentje naar Pluisje, die kermde. De anderen lachten om deze heldendaad. Laurent gebaarde boos naar hen, maar een opgestoken middelvinger was het antwoord. Ze sprongen van het hek, passeerden Laurent en keken hem minachtend in de ogen. Eén trapte nog naar Pluisje, de andere spuwde een fluim voor de voeten van Laurent. Voor het kerkportaal wenkte hun vader en devoot gingen zij het gebouw binnen. Klanken van het orgel vloeiden de straat in. Laurent luisterde naar de muziek. “Johan Sebastian Bach,” zei hij tegen Pluisje terwijl hij naar de kerk wandelde.  Even leek het of de hond zijn oren spitste voor deze muziek, maar het was voor de poort die scheurend gesloten werd door de koster.  “Geen honden in de kerk,” riep deze tegen Laurent. Laurent vlijde zich neer op de trappen voor de kerk. Hij luisterde naar de muziek die uit de ramen ontsnapte. Hij droomde weg en dacht aan de tijd dat hij het symfonisch orkest dirigeerde, met het jaarlijks paasconcert in deze kerk.   Na enige tijd kondigde klokkengelui het einde van de kerkdienst aan. De poort vloog open en de koster verscheen. “Ga weg, geen bedelaars aan de kerk!” brieste de koster. Pluisje gromde, maar Laurent stelde hem gerust. “Het is niets, Pluisje.” Laurent stond recht en verliet het portaal. De kerkgangers kwamen buiten en de pastoor aan de zware deur staand, wenste hen een gezellige zondag. Familieleden en vrienden hielden nog een praatje voor de kerk alvorens naar hun wagens te hollen en zich over te geven aan een leuke familiale namiddag. “Wij hebben toch elkaar, hé Pluisje,” zei Laurent. Hij veegde een traan uit zijn ogen. “Lastig die wind.”   Het was woensdag. Laurent en Pluisje wandelden over de markt. Laurent hield halt aan het groentekraam. Hij keurde vooral het fruit. De sinaasappelen leken hem heerlijk. “We brengen de Spaanse zon in huis,” zei hij tegen Pluisje. De hond keek verlekkerd naar de kraam aan de overkant. Smakelijke worstjes lokten naar hem. Laurent volgde de blik van zijn vriend. “Ik zal wat worstjes voor je kopen. We zullen ze straks samen opeten.” De groenteboer kwam tot bij hem en Laurent bestelde het fruit. Hij nam zijn geldbeugel. Net voor hij het briefje wilde overhandigen, werd het zwart voor zijn ogen. Hij hoorde flarden van gesprekken, gegil en dan niets meer.   “Hij komt bij,” hoorde Laurent in de verte. Hij opende zijn ogen. Hij vroeg zich af waar hij was. Naast hem stonden een man en een vrouw. Zijn rechterarm werd opgetild. Hij voelde iets raars rond zijn bovenarm dat aanspande. In zijn linkerarm stak een infuus. Stilaan besefte hij dat hij in een ziekenhuis lag. “Twaalf over negen.  Dat is goed,” zei de verpleegster tegen de arts. “Meneer Dhosse, goedendag, ik ben dokter Verburgt. U bent vorige week opgenomen hier in het UZA. We hebben u onderzocht en hebben helaas geen goed nieuws.” “Waar is Pluisje?” vroeg Laurent aan de arts. “Meneer Dhosse, wie is Pluisje?” “Dat is mijn hond. Waar is hij?” “Toen we bij u aankwamen op de markt, hebben we geen hond gezien. Er stond heel wat volk rond u. Ik zal de sociale dienst eens navraag laten doen.” “Dank u wel, dokter,” zei Laurent. “Meneer Dhosse, we hebben een kwaadaardige tumor bij u gevonden. We kunnen u niet meer opereren, maar met de nodige medicatie kunnen wij het leed verzachten.” Laurent slikte en tuurde opzij door het raam. Het was een stralende lucht. Hij dacht aan de dag dat hij ging wandelen met Pluisje. “Hoe lang heb ik nog? Geen gedoe, gewoon de waarheid,” gebood Laurent. De arts kuchte en zuchtte: “Hooguit twee maanden.” “En wat moet er Pluisje gebeuren?” jammerde Laurent, “Hij is al heel zijn leven bij mij. Waar is hij nu? Ik moet hem zoeken. Wanneer mag ik naar huis?” “Meneer Dhosse, ik hou je nog een paar dagen hier voor observatie. Daarna mag je naar huis, maar je moet je medicatie nemen.” “Oké, maar zorg alsjeblieft snel voor Pluisje. Wie weet wat er met hem is gebeurd?” “Yanthi, schakel zo snel mogelijk de sociale dienst in!’ zei Verburgt tegen de verpleegkundige. Zij begroetten Laurent en verlieten de kamer. Laurent sloot de ogen en weende.   Na enkele dagen vroeg Yanthi aan Laurent of hij geen familie of kennissen had. Zij verwonderde zich dat hij nooit bezoek kreeg. Hij heeft zelfs het aanbod van de aalmoezenier afgewimpeld.  “Ik wil alleen maar naar huis om mijn Pluisje te zoeken,” was zijn antwoord. Verburgt kwam de kamer binnen. “Meneer Dhosse, ik zie geen reden om je hier langer te houden. Je mag naar huis, maar ik heb de sociale dienst verwittigd. Zij zullen u opvolgen.” “Ik heb geen babysit nodig,” antwoordde hij bitsig. Yanthi wilde hem helpen, maar Laurent was haar te vlug af. Vlug kleedde hij zich aan en scharrelde zijn weinige bezittingen bij elkaar.  Hij kreeg zijn ontslagpapieren van de verpleegkundige, toen iemand van de sociale dienst binnenkwam. “Meneer Dhosse, ik ben Arne. Ik zal u naar huis brengen en daar het een en ander in orde brengen. Ik kom je bezoeken wanneer het nodig is.” “Dankjewel, maar dat hoeft niet. Ik kan perfect voor mezelf zorgen.” “Maar je naar huis brengen, dat doe ik zeker,” was het kordate antwoord van Arne.   De ogen van Laurent begonnen te glinsteren toe de wagen zijn straat inreed. Voor het woonhuis wachtte geduldig zijn trouwe viervoeter. De auto stopte en Laurent stapte uit.  Pluisje stormde tegen hem aan en sprong op zijn achterste pootjes. Arne was ook uitgestapt en bleef op de achtergrond om deze hartelijke begroeting niet te storen. Na een tijdje kuchte Arne: “Kom, meneer Dhosse, laat ons naar binnengaan.” Laurent nam de sleutel en samen met Arne traden zij de woning binnen. Pluisje bleef maar  springen en kwispelen. Hij was wel vermagerd. Arne hielp mee met uitpakken, schikte wat in de keuken en keek de kasten na. “Ik zal wat aankopen doen,” zei hij. Laurent gaf wat geld en Arne verliet het huis. “Eindelijk terug samen!” zuchtte Laurent, maar dacht aan de uitslag van zijn onderzoek. Bedroefd ging hij in de zetel zitten en onmiddellijk legde Pluisje zijn hoofd in de schoot van Laurent. Het hondje snapte het plotse verdriet niet.    De deurbel schrikte Laurent op die ingedut was. Pluisje gromde en liep naar de deur. Laurent volgde en opende. Arne bracht de boodschappen. “Ik heb een krant meegebracht,” zei hij. “Dankjewel, Arne.” Laurent nam alles over. Arne begroette hem, aaide Pluisje en ging weg. Pluisje keek wantrouwig. “Ik zal wel telefoneren als ik je nodig heb,” riep Laurent hem na. “Ik kom morgen terug!” was het antwoord. “Morgen, morgen, wat een gedoe!” morde Laurent. Hij zette alles op tafel, nam de krant en vleide zich neer in de zetel. Zijn oog viel op een artikel: “Enige winnaar Euromillions maakte zich nog niet bekend.” Hij grabbelde in zijn portefeuille en diepte het lottoformulier op. “Verdorie, ik heb de juiste combinatie! Ik ben die winnaar!” jubelde hij. Pluisje kwispelde omdat zijn baasje zo vrolijk was.  “We zijn rijk!” Maar dan sloeg zijn vreugde om toen hij zich de uitslag van het ziekenhuis herinnerde. “Geld genoeg, maar leven dat is wat anders.” Pluisje sloeg alles gade, maar begreep de plotse stemmingswissel niet. Laurent staarde voor zich. “Wat moet ik nu doen?” vroeg hij zich af, “Ik heb geen familie of vrienden. Ik heb alleen Pluisje. Bovendien heb ik niet lang meer te leven. Wat moet ik met die miljoenen?” De hond week geen ogenblik van de zijde van zijn baasje.  De hand van Laurent streelde over het hoofd van Pluisje. Hij voelde aan de halsband en sprong dan recht. “Dat is het! Ik heb een idee.” Laurent greep een pen en papier en begon naarstig te schrijven. Als hij met het briefje klaar was, voegde hij het lottoformulier eraan toe, rolde beiden op en stak het in de halsband van Pluisje. Zijn hond liet alles gewillig toe. “Kom Pluisje, we gaan wat wandelen.” Pluisje kwispelde en sprong op. Ze gingen naar buiten. Laurent voelde de pijn in zijn hoofd en wist dat het niet lang meer zou duren. Hij was de laatste week erg verzwakt. Zijn hond was zijn enig doel, maar nu had hij voor hem ook een oplossing. Ze kwamen aan een bushalte. Hier stopte Laurent en zette zich neer. Hij knuffelde zijn hond hartstochtig. Hij keek op het uurrooster en zag dat de bus snel ging komen. Hij pakte de leiband van Pluisje en bond hem vast naast het bushokje. Pluisje werd onrustig. De bus kwam eraan en Laurent stapte snel op. De chauffeur sloot de deuren en vertrok. Pluisje huilde en trok aan de leiband. De knoop loste en Pluisje rende achter de bus. Hij zag zijn baasje zitten en blafte. Laurent hoorde zijn hond, maar keek niet om. Over zijn wangen rolden de tranen.  De afstand tussen Pluisje en de bus vergrootte en uiteindelijk bleef de hond hijgend staan. Bedroefd zag hij hoe de bus uit het zicht verdween. Het papiertje van zijn baasje jeukte aan zijn halsband.

Ludo Herwijn
23 0

Hoe moeder stierf en dat dat eigenlijk mijn schuld was

  ‘Moeder, je zou me toch komen ophalen aan het station? Ik had gezegd om kwart voor twee. Half drie is het nu.’   ‘Moeder, het is drie uur. Waar blijf je? Bel je me?’   Maar moeder belde niet. En ook op de boerderij nam niemand op.     Om half vier kreeg ik de jongste broer aan de lijn. Ik zat op de rand van één van de grote bloembakken voor de stationsingang en keek verveeld rond. Na een weekend in Gent het dorp troostelozer dan ooit. Ik keek naar de bussen die af en aan kwam rijden. Naar de mensen die op en af stapten. De meesten beladen met zakken van de Aldi, er is een filiaal in de naburige gemeente. De Aldi is voor arme mensen, zei moeder altijd toen ik als kind vroeg waarom wij er nooit heen gingen. Arme mensen zonder auto.   De jongste broer ademde onregelmatig en probeerde zich goed te houden. ‘Ons moeder. Louiza, toch.’   Ik zocht tevergeefs houvast op de rand van de betonnen bloembak die, toen de jongste broer verderging, stroperig werd, als drijfzand. Ik dreigde weg te zinken. ‘Maarten. Met zijn tractor. En moeder, met de auto. Verblind door de zon, zeggen ze.’                                                                      *   In de keuken zaten de vier broers samen met vader aan tafel. Ze keken naar het tafelblad. Ze keken niet op toen ik ook ging zitten, maar bogen hun hoofd nog dieper. Hun neuzen raakten het tafelblad net niet. Wie niet beter wist, zou de aanblik komisch gevonden hebben.   De jongste broer richtte zich op. Hij keek me aan en ik dacht een veeg bloed op zijn T-shirt te zien. Dat hij er als eerste bij geweest was. Dat hij net het erf afgereden was, hij was de maaier komen halen, het gras op het stuk land aan de Wissel stond zo hoog. Daar, aan de Wissel, in de bocht… Moeders auto stak half in de gracht. De tractor van Maarten was er half over gegaan. Dat hij erbij was toen ze… Dat hij de deur eerst niet open kreeg. Hij had haar gordel losgemaakt, haar uit de auto gehaald. Ze had iets gezegd, maar hij begreep niet wat. Dat alles zo snel ging. Dat Maarten haar niet gezien had. Dat Maarten daar stond. Gewoon stond. Godverdomme, de klootzak.   Ik haastte me naar mijn kamer.                                                                   *   ‘Zusje, het is net zo druk nu. Kun je niet pas tegen de avond terugkeren? Ze komen materiaal leveren voor de nieuwe stal en vader is niet thuis. Ik ga me te erg moeten haasten. Kun je echt geen trein later nemen?’   ‘Nee, ma, dat kan ik niet. Ik vertrek nu naar het station. Ok?’                                                                        *     Maarten vraagt om langs te komen op de boerderij. Maar men wil Maarten niet zien. Men wijst hem met de vinger. Het is zijn schuld. De politie komt enkele keren langs en er passeert ook een verslaggever van de krant, maar niemand wil met hem praten behalve een loslippige buurvrouw.   In de krant heeft men het over een tragisch ongeval en over Maarten D. (39), een bekende van de familie, goed bevriend met de vier zonen van het slachtoffer. Dat hij mij om de twee weken de hersenen uit mijn kop neukt, heeft de verslaggever er niet bij vermeld.   Dat het niet de eerste keer is dat de jonge boer een ongeval veroorzaakt. Alleen niet eerder met zo’n tragische afloop. Het slachtoffer was een liefhebbende echtgenote en moeder van vier zonen en een dochter. Lid van de KVLV. Een hardwerkende boerin, die haar boerderij met trots bestierde.   Maar ik moet Maarten wel zien.   Ik klop op de achterdeur en vind zijn ouders in de keuken. Ze zitten aan tafel en veren op wanneer ik binnenkom. Een klamme hand, enkele woorden van medeleven en verder niets. Boeren zijn harde werkers, geen praatjesmakers. ‘Hij is bij de kalveren,’ zegt zijn vader ten slotte. Toonloos. Mijn tong plakt tegen mijn verhemelte. Ik trek de achterdeur geruisloos achter me dicht.   Hij staat werkloos naar de eerste kalverhut te staren, een emmer met melk in zijn rechterhand. Ik schuifel met mijn voeten in het stro, zodat hij wel moet omkijken. Hij ziet me, maar hij mijdt mijn blik. Hij zet de emmer neer en veegt zijn handen af aan zijn overall. ‘Louiza.’ Dan pakt hij de emmer weer op, gaat voor de tweede kalverhut staan en giet wat melk in het drinkbakje. Het kalfje begint meteen gulzig te drinken. ‘Ik heb haar niet zien komen,’ zegt hij. Hij gaat in de richting van de derde kalverhut. Het kalfje komt nieuwsgierig dichterbij, likt in afwachting aan de tralies. Ik sla mijn armen om zijn grote, logge bovenlijf. Hij houdt de emmer nog steeds in zijn hand. Zelfs wanneer zijn tranen in mijn hals beginnen te druppen.   Mannen huilen niet, wil ik zeggen.   De broers huilen niet. Vader ook niet.   Dus waar haal jij het recht?  

Valerie Tack
78 2

Wie heeft meneer konijn vermoord?

Rudy was allergisch. Niet in die mate dat hij rode ogen of een loopneus kreeg. Het was erger. Papa had gezegd dat het kalfsragout was in chocoladesaus. Het was zo lekker dat Rudy hem had geloofd en twee keer van het malse vlees had opgeschept. Pas tijdens het dessert niesde hij voor het eerst.   Zoals iedere ochtend liep Rudy naar het konijnenhok achterin de tuin. Gewoonlijk zat meneer konijn braaf te wachten op het lekkers dat hij voor hem had fijngesneden. Wortel, appel, venkel en wat broccoli. Maar vandaag was het hok leeg. Rudy schrok, liep als een gek over het gras, zocht achter de schutting, keek in elke struik, maar vond niets. De pluizige vlek die hij vanuit zijn ooghoek zag bewegen deed hem even twijfelen, maar het was de kat van de buren. Ze liep langs zijn benen tot aan het tuinhuis. Daar stond een vuilniszak. De kat kromde haar rug en krabde er een gat in. Er vielen restjes op de grond. Rudy niesde een tweede keer. Toen hij dichter kwam zag hij tussen het afval een witte vacht.   Eerst was het nog onschuldig. In het grootwarenhuis, nam hij af en toe een reep chocolade uit het rek. Maar na een tijd waren het ook pralines en truffels uit krantenkiosken of plaatselijke superettes. Wanneer hij zich echt slecht voelde, was alles goed. De meeste chocolade verstopte hij op een plaats waar hij zijn allergie onder controle had.   Het liep pas fout tegen het einde van het schooljaar. Rudy had een muffin uit de handen van een meisje gerukt. Ze stond rustig op de bus te wachten. Hij had gezien hoe ze ervan had gegeten, hoe er stukjes chocolade aan haar tanden kleefden en toen was er iets in zijn hoofd geknapt. Hij had het op een lopen gezet, maar een man die ook aan de bushalte stond was achter hem aan gegaan.   Toen de politiewagen voor de deur stopte, zat Rudy op zijn kamer. Mama stond in de keuken. Zijn papa liet nietsvermoedend de twee agenten binnen. Hij vroeg zelfs of ze iets wilden drinken. Ze bedankten vriendelijk, zeiden dat er aangifte was gedaan, dat er een getuige was. Rudy’s ogen waren rood. Hij hield een zakdoek voor zijn neus. ‘Het ligt daar,’ zei hij en wees naar boven. De agenten gingen hem voor, gevolgd door zijn ouders. Aan het einde, links van de trap, was de zolder. De vloer lag bezaaid met chocolade. In het midden, als een soort orakel, lagen op elkaar gestapelde botten, de vacht van een dier en een muffin. Mama sloeg haar handen voor haar ogen: ‘WIE HEEFT MENEER KONIJN VERMOORD?’   Rudy was allergisch maar erg was het niet. Mama had voor hem kalfsragout klaargemaakt. Het was zo lekker dat hij nog een bord opschepte. Als dessert at hij een reep chocolade. Daarna nam hij een blad papier en schreef een brief die begon met: ‘Sinds vorige week ben ik niet meer allergisch’. Zijn papa schreef niet terug.

Sascha Beernaert
33 0

Als het ons overkomt: over Kapaza en de nachtwinkel

Later dan deel 1:  +++ Titel zoekertje:Jos PauperBeschrijving: (N): Slechte vader(E): Bad father(F) : Malheureuse pèrePrijs:BedragGratisRuilenPrijs overeen te komenNiet van toepassingLevering:OphalenVerzendenConditie:GebruiktNieuw Tegelijk met deel 1:  o 6 chocoladekoekjes van het huismerk, een fles rode wijn en een pakje condooms lagen op de kast van zijn hotelkamer. "Hey, heb je een vuurtje voor mij?""Nee, sorry." Waarop de tiener een aantal vloekwoorden uitsprak.Jos zat op een trein van Barcelona op weg naar zijn hotel. Zijn wagon, die gevuld was met brullende schoolkinderen, had iets weg van een bijennest gevuld met een zwerm zoemend ongedierte. De tieners aan de andere kant rookten met de raampjes dicht. Iemand sprak tegen hem."Je krijgt dat er nooit meer uit," Zei de vrouw die tegenover hem zat."Uhm," stamelde Jos."Die aardbeienvlek op je hemd.""Oh.""Ik kan het er misschien uit krijgen, maar ik kan niets beloven.""Dan kan ik je in de plaats trakteren op een etentje."Er verscheen bij beiden een opgewonden glimlach.De trein arriveerde waarna alle passagiers uit de trein ontsnapten zoals lucht uit een doorgeprikte ballon.Jos en de vrouw waren de twee laatste luchtdeeltjes die de ballon verlieten en zich nu op het lege perron bevonden.Het hotel waar Jos verbleef was een honderdtal meter verderop te zien door een groot bord met de lichtgevende letters: RO A DA IMA.Het verbaasde Jos dat de mensen die op de snelweg ernaast reden nog nooit verblind waren door het felle licht.Met een zwierige pas liep de dame van de trein voorop naar binnen en nam plaats aan een van de vijf tafels in het restaurantje dat meer leek op een inkomhal. Het keukenpersoneel zat een tafeltje verderop iets te roken dat op wiet leek.Eén iemand moffelde zijn rolletje snel maar voorzichtig in een asbak, om er straks nog een paar trekjes van te kunnen nemen. Met losse veters beende hij naar Jos en de vrouw. Jos had intussen ook plaats genomen tegenover de vrouw.Na hun bestelling zaten Jos en de vrouw af en toe speels naar elkaar te staren."Hoe heet je?" vroeg Jos.Een korte stilte."Ik heb geen honger," zei ze afwezig. Haar ravenzwarte haar kwam even voor haar glanzende groene ogen."Wat?""Ik heb geen honger," herhaalde ze."Ik ook."Langzaam haastten ze zich uit het inkomrestaurant naar Jos' kamertje, zonder te betalen. Het potje rattenvergif in de hoek van de hotelkamer moest weer opgevuld worden."Je kunt hier een nachtje blijven als je wil?""Kan niet, ik wil morgen naar Madrid."Ze nam een lichte aanloop naar het bed, nam een halve draai en sprong met armen gespreid als een bungeejumper erop. Jos legde zich naast haar.Toen hadden ze seks, met ingehouden adem en gesmoorde kreunen; ze gingen ervan uit dat de muren zo geluidsdicht waren als karton. Jos' hemd met de vlek lag op de grond. Na de seks nestelden ze zich naast elkaar. "Mijn naam is Anita," fluisterde ze en ze legde haar hoofd naast zijn borst (niet erop, dat lag niet goed).Het geruis van voorbijrazende auto's wiegde hen in slaap. Later dan deel 1:  ++ 6 chocoladekoekjes van het huismerk, een fles rode wijn en een leeg pakje condooms lagen op de kast van de hotelkamer. Zondag dood, maandag begrafenis! Wel dat was niet de eigenlijke slogan van Ruyts rouwcentrum, maar daar kwam het wel op neer. Zijn Spaanse vakantieliefde, verloofde, grauw hoopje as zat nu in een urne. Iedereen die haar ooit heeft gekend, familie, vriend of klasgenoot, zat te huilen. Een uur later zat iedereen buiten de nieuwste modetrends te bespreken terwijl Anita's overblijfselen via de achterdeur in een camionette werden gekieperd. Tot zover zijn maandagnamiddag. Eenmaal thuis, toen de straatlantaarns aansprongen, plofte hij in de zetel. Hij realiseerde zich dat hij zijn dochter was vergeten op te halen van school.Hij schuifelde, alsof hij in een wachtrij voor een attractie was, naar zijn auto. De grijze verf begon af te bladeren net als zijn geluk de voorbije jaren dag na dag begon te eroderen. De groeven als resultaat waren duidelijk te zien op zijn asgrauwe gezicht. Op het tempo van een schildpad kraakte de Volkswagen door de bebouwde kom.Hij kwam piepend tot stilstand voor de gezonde voedingswaren-winkel die alcohol, sigaretten en nog meer alcohol verkocht. De winkelier die van een ander afkomst leek, lachte hem vriendelijk toe met een snuifje argwaan."Ik ga niets stelen," zei Jos droog. De man keek hem heel bevreemdend aan met zo een 'oh, dacht je soms dat ik dat dacht?'-blik.Sloffend tussen de rekken griste hij een fles rode wijn mee. Het etiket was intussen niet meer leesbaar, maar hij bekeek het optimistisch; die wijn heeft vast goed gerijpt.Met een zwier liet hij de fles op de toonbank landen."Foer juros plees."Jos rolde 2 euro naar hem toe, zei dat hij het wisselgeld mocht houden en verliet met een rustige pas de winkel. Onder de nachtelijke hemel reed hij naar de parking van de school van zijn dochter.Hij lag op de grond en dronk de hele fles wijn op.Twee minuten later smeet hij de lege fles aan duigen op de grond. De scherven glinsterden in het witte maanlicht.Er schoot een hevige pijnscheut als een bliksemschicht door hem heen naar zijn linkerhandpalm. Hij had niet door dat hij met een scherf in zijn tere huid zat te krassen.Hij liet zich vergezellen door de maan die zo helder scheen dat ze op de zon leek. Later dan deel 1:  + 6 chocoladekoekjes van het huismerk, bloedrode scherven van een rode fles wijn en een pakje lege condooms lagen op de kast van zijn hotelkamer. "Kom! Hier zijn de koekjes," riep Jos' dochter uitbundig.Jos keek aandachtig naar de prijs, alsof het zou dalen door ernaar te staren."Godver...""Wat zeg je, papa?""Wil je vanille of chocolade?""Chocolade. Mijn vriendinnetjes hebben ook altijd chocoladekoekjes, met die dino op." Hij legde de koekjes in de mand."Waarom mag ik die koekjes met de dino niet?""Ik dacht dat je bang was van dino's."Ze stond op het punt te antwoorden, maar hij snoerde haar de mond door naar de kassa te stappen.Even later zaten ze in de auto op weg naar huis. De benzinemeter stond al een week in de rode zone."Mama zou die dinokoekjes hebben gekocht."Ze vulde haar monoloogje aan. "Waarom is mama me niet komen halen?""Mama is op reis, naar Spanje," fluisterde Jos nauwelijks verstaanbaar door de regendruppels die op de vooruit kletterden."Ze heeft me geen afscheidskusje gegeven.""Mij ook niet, ze moest haar trein halen."Het melodieus getik van regen was in harmonie met het gesnik op de achterbank."Zitten al jouw vriendinnetjes nog in je klas?""Ja." stotterde ze terwijl zoute tranen haar lippen streelden.Toen ze thuis waren, verwarmde Jos een magnetronlasagne voor beiden en dan stopte hij zijn dochter in bed."Luister, het kan zijn dat ik je morgen wat later ophaal. Ik moet naar... een feestje. Als ik je niet op tijd kan ophalen, zeg je dat maar aan je juffrouw. Deal?" Hij aaide haar wang."Deal.""Slaapwel," liet Jos zijn dochter na terwijl hij even later in de deurpost stond."Papa, mag ik maandag twee koekjes meenemen naar school?""Morgen? Ja. Natuurlijk.""Slaapwel," geeuwde ze.Jos rolde de zetel in en dacht aan een website waarvan hij had gehoord. Hij ging dat Kapaza-ding zeker eens bekijken. Later dan deel 1: +++ 4 chocoladekoekjes van het huismerk, bloedrode scherven van een rode fles wijn en een pakje lege condooms lagen op de kast van zijn hotelkamer. Jos zat voorovergebogen op een stoel naar z'n computerscherm te staren. De oude computer zat luid te zoemen. Door de tranen in zijn ogen leken de woorden op het scherm te dansen. Hij had zichzelf te koop gezet op Kapaza. 1 reactie(s): Locatie: in de buurt van Rome, Italië.'Ik kom naar je toe, vader - J.P.'

Etlir Xharra
49 0

Vliegpartij

De geur van onze vorige vliegpartij hangt in haar krullen. Ik beeld het mij in als een film die ik in mijn hoofd laat afspelen. Ik ken haar ondertussen al een jaar of vijf, maar iedere keer opnieuw vervaagt de herinnering wanneer ze de deur achter zich sluit. Omdat ik makkelijk overspoeld word door indrukken, komt Ilse iedere laatste donderdag van de maand naar de instelling. Zo hoef ik niet weg te gaan uit mijn vertrouwde omgeving. Geen bus te nemen, niet door drukke straten te wandelen of mensen aan te spreken waarvan ik niet weet wat ze van mij willen. Vandaag is donderdag. Ilse is zoals steeds gekleed in haar stewardess pakje. Ik ben weg van alles wat met vlieghavens te maken heeft. Omdat ik niet zo goed met geld overweg kan, zijn haar bezoekjes op voorhand geregeld door mijn ouders. Om het toch echt te laten lijken betaal ik met een zelfgemaakt vliegticket. New York en Monaco zijn voor een volgende keer. Ilse staat naakt voor mij. 'Gaan we vliegen?' vraagt ze. Ze weet dat ik het woord 'vrijen' vies vind. 'Als ik de commandant mag zijn' zeg ik. Ik lig op mijn rug. Ilse zit op mij, beeldt uit hoe de reddingsvesten zichzelf opblazen. 'Come on my commandant you can do it'. Ze neemt mijn handen vast. Brengt ze in wiegende bewegingen tot bij haar borsten. Laat dan los. We stijgen op. 'This is your captain speaking' zeg ik. Mijn vingers glijden in haar nek, naar de achterkant van haar hoofd. Ik land op rood krulhaar. 'Mayday mayday' roept ze. De geur van een nieuwe vliegpartij hangt in de kamer.

Sascha Beernaert
0 0

Li Yin

Li Yin miste haar thuisland, het altijd groene land van haar voorouders. Wilde rivieren stroomden door de uitgestrekte wouden, vielen metersdiep van hoge rotspartijen en zochten hun weg doorheen de flarden van mist die altijd door het groene land dreven. ‘De mist is onze verbinding met de zielenwereld,’ had grootmoeder haar als klein meisje verteld. Li Yin hield er toen van om het woud in te trekken, tot aan de Watervallei of de Eeuwenboom. Elke keer dat ze mist zag, ging ze erin staan en sloot haar ogen. Dan kon ze de stemmen van de bomen horen, van de dieren die zich tussen het bladerdek en in hun holen verscholen, van het bruisende water. En soms, als ze heel goed luisterde, kon ze de aarde onder haar voeten horen ademen. Dan ging ze op de grond liggen tot de dieren kwamen kijken, die verschrikt wegschoten als ze bewoog. Ze liet de stemmen doordringen tot in haar hart en ademde mee met het ritme van de aarde, als deel van het groen en de mist. ‘Li Yin, luister je wel?’ Li Yin schrok op. ‘Vergeef me, vader, ik was…’ ‘Aan het dromen?’ Li Yin boog haar hoofd en reikte naar haar stok. ‘Waar gaan we heen, vader?’ ‘Ik heb een groep gevonden die je misschien interesseert.’ Li Yin zuchtte inwendig. Niet wéér een hobbygroep. Waarom begreep vader niet dat ze nergens bij paste? Ze had al kleien, dictie en zang uitgeprobeerd. De activiteiten vond ze heel fijn en in het begin waren de mensen erg behulpzaam. Maar na een tijdje merkte Li Yin dat ze haar vergaten, geen uitleg meer gaven of gewoon niet meer naar haar toe kwamen. Dan voelde ze zich zo alleen als toen ze naar dit lawaaierige land aan de andere kant van de oceaan waren verhuisd en Li Yin merkte dat ze de stemmen van de zielenwereld niet meer kon horen. Ze had gesmeekt om terug te gaan, maar haar ouders vonden haar gezondheid belangrijker. Li Yin tikte met haar stok links en rechts op de grond tot ze de band van de auto voelde. Ze reikte naar het achterportier en stapte in. Haar vader reed een hele tijd zonder een woord te spreken. Haar ouders waren voor haar verhuisd. De dokters in China hadden haar een jaar gegeven. In Amerika stond de geneeskunde verder en via een aantal pijnlijke operaties hadden de dokters haar tijd met vijf jaar kunnen verlengen. Haar tijd om het licht te zien, en de bomen en het water, om de vogels te zien vliegen en de mieren te zien kruipen. Op haar vijftiende was haar zicht toch achteruit gegaan en Li Yin had moeten leren hoe ze met haar stok moest wandelen en braille moest lezen. De prijs voor dat alles was de stilte in Li Yins hoofd. Zelfs in de rustigste wijk was het Amerikaanse lawaai te luid om de zielenwereld te horen. Het piepen van de vele elektronica maakte haar soms gek. Dan kon ze enkel met haar handen tegen haar oren heen en weer zitten wiegen tot het lawaai stopte. Ze had gehuild en gehuild om wat ze was verloren en soms voelde ze zich zo onnoemelijk eenzaam. Toen haar vader uiteindelijk de auto parkeerde en haar portier opende, hield Li Yin haar adem in. Geen elektronica, geen motoren. Enkel een briesje frisse wind. Een zacht geruis van water vulde Li Yins oren en ze ademde diep in en uit. ‘Kom.’ Vader legde haar arm op de zijne en leidde haar naar wat een stuk wilde natuur bleek te zijn. Li Yins hart ging sneller slaan. Het ruisen van het water werd luider, de wind feller. Vader legde haar hand tegen de ruwe stam van een boom en Li Yin legde haar tweede hand ertegen. Vader liet haar los. Li Yin deed haar sandalen uit en groef haar tenen in de dampende aarde. Ze luisterde, zette enkele stappen en ging op de grond liggen. Li Yin wachtte tot de geluiden van de natuur verstilden en haar hart het ritme van de aarde aannam. Toen hoorde ze hen. Ruisende stemmen, zacht als een briesje. Verwelkomend, vol vreugde. Li Yin huilde tranen en lachte. Thuis!

Lyne Uytterhoeven
14 0

Frank, mezelf en toevalligheden

“Is dit wat ik wil, dat ik mijn verhaal vertel? Is dat wat men van mij vraagt, dat ik dit wil, dat ik mijn verhaal vertel?”       Het leven van bekende mensen is niet simpel, bedacht hij zich toen hij voor de spiegel stond. Hij was al langer beroemd dan de tijd dat hij nu daar stond, reeds een jaar of vijf? Toen hij meedeed aan een kwis op tv. Bij toevalligheid word je leven bepaald, want natuurlijk, zoals dat gaat, had hij zichzelf niet ingeschreven. Het waren zijn gekke makkers van het werk, waar hij al lang niet meer werkt, die al lang ook zijn vrienden niet meer zijn. Hij bedacht zich voor de spiegel dat ze eigenlijk nooit zijn vrienden geweest zijn, maar bij toevalligheid, werkmakkers bij de autofabriek, de mensen waren waarmee hij zich associeerde. “Ga je mee ééntje drinken?” Het werden er gauw meer, en het bleef niet bij één nachtelijk cafébezoek. Als de weersvoorspelling die avond niet was uitgekomen, dat de komende uren zwoel gingen blijven, met in de loop van de nacht weliswaar onweer, met kans op hagel en hevige windstoten, zoals dat er steeds wordt bij verteld, alsof we niet weten wat een onweer inhoudt, hij was niet mee gegaan. De derde toevalligheid bedenkt hij zich voor de spiegel, terwijl hij zijn haren in de plooi legt. Eigenlijk zijn er weinig ontoevalligheden. Het café op de hoek van de straat aan de fabriek, dat is nu ontoevallig. Wat wil je immers? De plaats waar we ons kunnen verdrinken en vergeten dat we leven op toevalligheden, hoe zouden we anders onze onmacht overleven? Dat begreep de cafébazin maar al te best en ze telde het geld. Met deze pientere gedachte was hij klaar voor de wereld daarbuiten, met het venster op een kier. Het onweer was net gepasseerd dus kon hij de baan op, naar het interview met een gladjanus journalist van een gladjanus tijdschrift die zijn verhaal wilde horen. Geen weg terug, dacht hij, trok de deur achter zich toe en weg was hij. Zijn naam is Frank.   Gelukkig zijn de meeste mensen, zoals ik, onberoemd, en hoeven wij ons deze vragen niet te stellen en vertellen wij ons verhaal, onze gedachten, onze gevoelens op de manier dat wij dat willen. Ik doe het met gedichten en schrijf verhalen over Frank.   Weerbericht Het was met gelaten en vredige onmacht om horen Dat de ontmoeting van twee druppels water, in niets geleek in al wat zou volgen Dat denderende hagelbollen, inslagende bliksem en de wind zonder weerga Zouden uitsterven in de zang van een merel   ...........    

Maarten Vandervelpen
13 0

Fetish uit een doos

Ik heb een dildo gekocht om de kunst van het masturberen te leren. Op de doos staat LOVEHONEY in dikke roze letters. Ik test hem vanavond voor het eerst. Aan wie ik zal denken weet ik nog niet, waarschijnlijk niet aan mijn man. Batterijen heb ik niet gekocht, dat hoeft naar het schijnt niet bij een dildo. Ik heb even getwijfeld, maar een vibrator leek me toch te fake. Een penis trilt ook niet minuten aan een stuk. Hoogstens enkele seconden misschien. Neen, een penis pulseert in op- en neerwaartse stoten. Daarom is het een penis. Bovendien was de dildo afgeprijsd. Voor 28,95 euro heb ik vanavond voor het eerst in zes weken weer eens goede seks. Als ik de verpakking mag geloven toch. Die valt trouwens wat tegen nu ik thuis ben. Ik had meer tijd moeten nemen daarnet in de winkel. Ik koop niet elke dag een seksspeeltje. Vijf minuten om te kiezen en af te rekenen is niet veel. Het kan ook liggen aan de plaatsvervangende schaamte die mij tijdens mijn aankoop overviel. De man voor mij aan de kassa had een fetish. Dat hij daar stond omdat de toonbank hem opwond, had ik pas door toen de verkoopster mij wenkte en hem vriendelijk verzocht plaats te maken. Hij schuurde nog snel zijn onderbuik tegen de glazen zijkant en verdween vervolgens achter een rek dvd’s vol parafilieën. De twee meiden achter mij die met enkele attributen, zogezegd voor een vrijgezellenparty, stonden te zwaaien maakten het nog gênanter. 'Strapon' en 'Futaner' hoorde ik hen giechelen. Ik was opgelucht toen ik weer buiten stond.   Uit de doos lijkt hij langer. Hij heeft blijkbaar ook een zuignap. Dat betekent dat, als ik hem optimaal wil gebruiken, op zoek moet naar iets om hem tegenaan te kleven. Onze slaapkamer heeft geen gladde ondergrond. De badkamer is geen optie, die is vandaag nog gepoetst. De woonkamer dan maar. Vanavond ben ik toch alleen. Ik spuug zo hard ik kan op de onderkant en plof hem in het midden van de tafel. Hij wiebelt van links naar rechts, maar blijft overeind. Gehurkt schuif ik een 6 inch siliconen dildo zo diep als ik kan in mij. Stel je voor dat mijn man nu binnenkwam. Ik probeer de gedachte te verdringen, alsook die van mijn ongeschoren bikinilijn. Ik plaats mijn handen voor mij uit, krom mijn rug zo ver ik kan. Vervolgens kantel ik mijn bekken en begin op en neer te bewegen. Op de een of andere manier slaag ik erin om pulserende penisbewegingen na te bootsen. Ik voel het aan een opkomend orgasme. Alsof er iets in mijn hoofd knapt duw ik plots mijn knieën tegen elkaar en wacht… In een flits zie ik een man en een toonbank. Ik veer recht en trek de dildo weg. Voor ik het weet sta ik voor het tafelblad. Het harde hout tegen mijn schaambeen windt mij op. De kwast op de rand die ik met mijn gedrup groter lijk te maken,  geiler. Ik doe het zonder nadenken. Duw mijn vagina tegen de hoek, wrijf steeds wilder in op- en neerwaartse bewegingen. Harder, harder, nog, harder, nog, nog, nog… Bij iedere kreun neuk ik de tafel tegen de muur. ‘Ik kom.’ gil ik. … Er liggen scherven op de grond. Ik ruim ze op. Als Filip mij morgen vraagt wat er met onze trouwfoto is gebeurd zeg ik dat hij van de muur viel tijdens het afstoffen. Vrouw-zijn is een kunst die je niet kunt leren. Masturberen daarentegen…

Sascha Beernaert
40 0