Zoeken

MIJN HERSENS KRAKEN VAN ONGELOOF EN VERWARRING!

Kan het, dat je hersens kraken van ongeloof? Dat je ze voelt knarsen en piepen van verwarring? Waardoor,  zullen jullie vragen. Door heel veel, door bijna alles wat er vandaag de dag gebeurt. Zie ik het verkeerd? Of word ik zo’n chagrijnige oude zeur die niet meer mee is? Heel der steden en natuurparken kreunen onder het massatoerisme. De vakantiegangers die vroeger met open armen ontvangen werden, die geld in het laatje brachten, worden nu overal geweerd. Een nieuw soort klootjesvolktoerist is opgestaan en loopt zonder enig respect over de wandeldijken en de ramblas. Normen en waarden worden lallend en comazuipend weggewuifd. Dronken en neukende ettertjes vernietigen de horeca op Mallorca. Reusachtig grote cruiseschepen spuwen hun duizenden opvarenden, als een plaag spreeuwen, door de kanaaltjes van Venetië. Toeristen gaan met elkaar op de vuist omdat ze geen selfie kunnen maken voor de Trevifontein in Rome. Wandelpaden worden afgesloten omdat we massaal op hetzelfde ogenblik een selfie op een uitstekende rots op een Noorse fjord willen maken. Meer dan 20 kinderen verdronken in Duitsland omdat hun ouders meer oog hadden voor  hun smartphone dan voor hun  kopje onder gaande kroost. Idioten maken video’s terwijl ze uit hun rijdende auto’s springen en zingend naast hun wagen lopen, die als een ongecontroleerd projectiel recht op een tegenligger of een boom afdendert. Een hype circuleert op het internet, dat je er bij hoort, als je een emmer kokend water over je kop uitgiet. En het ergste van al is, dat er halfgaren zijn, met een herseninhoud van een mierentepel die dit blindelings volgen. Waarom beginnen sommige onverdraagzame haantjes terug homo’s in elkaar te slaan? Wie volgt die vloggers, die dagelijks vertellen, waar en wat ze gegeten en gedronken hebben, welke rommel ze aan hun gezicht smeren? Wie interesseert dit? Waarvoor, voor wie? Wie houdt er zich allemaal bezig met zulke waanzin.  Iedereen lijkt wel krankzinnig geworden. Zit er misschien teveel cocaïne in ons drinkwater? Hangt er iets meer in de lucht dan de CO2 die de lage emissiezone er probeert uit te filteren? Glijden we terug af naar onderontwikkeling?Wat is er aan de hand met iedereen op deze overbevolkte planeet? Meer dan 1000 kinderen misbruikt door honderden priesters in de VS? Pennsylvania, sprake van “systematische doofpot”. Denken wij nu echt dat dit pedofiele misbruik stopt aan de buitengrens van Pennsylvania?  Als jullie de baby over het doopvont houden, bekijken jullie dan mijnheer pastoor al niet een beetje argwanend. Misschien heeft die, op het moment dat hij het water over het kind uitgiet, al hitsige gedachten. Brengen jullie de toekomstige eerste communie kandidaatjes nog met een gerust hart naar de catechesepastoor?  Ze zijn dan juist van leeftijd! Misschien heeft mijnheer pastoor zich al wat opgewarmd met naar een blote Venus van Botticelli of naar wat sappige engeltjes te loeren. Of geraakt die geestelijke dagelijks al wat opgewonden als hij die blote Jezus, met alleen zijn schaamlapje aan, op zo’n beetje sado masochistische manier aan het kruis ziet hangen.  En al die grijze en kale kerkgangers, die op zondagochtend nog naar de katholieke misviering gaan, luisteren jullie nog naar die pastoor, die jokkebrokkend vertelt dat hij een directe lijn met God heeft? Aanhoren jullie nog allemaal dat pastoorsgeleuter en dat kazuivel- modefats- gezwets, die met een vermanend vingertje naar de gelovigen, over de zondaars vertellen die hun goddelijke overtredingen bij hen zouden moeten komen opbiechten? Gaat er dan misschien niet ergens tijdens zo’n misviering een flits door jullie geïndoctrineerde hoofden, dat die predikant misschien met zijn katholieke fikken aan jullie klein- of achterkleinkinderen gezeten heeft? En dan, door de jaren heen, pausen die de voeten van de zondaars gingen wassen maar met de christelijke arm der liefde de pedofilie verhalen in de grote kerkelijke doofpot lieten verdwijnen! In plaats dat Sinterklaas in zijn grote boek alle namen van stoute kindjes zou bijhouden, zouden wij beter de namen van de pedofiele geestelijken neerpennen. In de naam van de vader, liefst de zo jong mogelijke zoon, en de heilige geest, amen. Ik blijf erbij, mannen met denkbeeldige vriendjes zijn een gevaar voor de ganse planeet. Als een Turkse regeringsleider een uitspraak durft doen als: “Jullie hebben Trump en de dollar, wij hebben Allah!”dan schort er duidelijk iets aan die man zijn bovenkamer. Moet zo’n gestoorde man niet in de gaten gehouden worden? Voor we het weten denkt hij dat hij Napoleon, Osman I of Mohammed zelf is. Dan prefereer ik toch een Trump, die als een olifant in een porseleinkast rond baggert en al zijn stommiteiten op zijn medewerkers afreageert, dan zo’n klojo die zijn bevolking wijsmaakt dat ze hun goud, euro’s en dollars tegen lira’s moeten inwisselen. En bovenal dat zijn imaginaire kompaan de boel wel gaat oplossen. Mijn hersens kraken nog steeds van ongeloof en verontwaardiging. Met religies niets dan last en zever. Ik word oud… Sim, Edegem 16/8/2018

Sim
499 0

WE ARE BELGIUM!

Door omstandigheden, zijn wij in juni, op een camping aan de Belgische kust beland. Het was zo’n twintig jaar geleden dat wij nog op een camping aan zee gekampeerd hadden. De campings waren uitgegroeid tot abnormaal grote bungalowparken. Als je optrekje helemaal achteraan op zo’n camping stond, kon je al snel niet meer spreken van ‘mijn adresje aan zee’, maar van mijn vierkante meter grond ergens in de polders. Als je op de brug over de kustweg stond en je keek in de verte naar de verkavelingen dan zag je, zo ver het oog reikte, witte caravans-  stacaravans-  bungalows- chalets- en namaak vissershuisjes- daken die op een meter van elkaar bij elkaar gepropt stonden Vanaf die hoogte leek zo’n bungalowpark op een illegalen-, asielzoekerskamp. Naargelang het soort verkaveling kan je de financiële draagkracht van de chaleteigenaars bepalen en zie je dat ook gewoon zeezoekers hun stukje paradijs aan de kust verworven hebben. Maar op zo’n doorsnee door de jaren uitgegroeide camping, als waar wij nu staan, wil je in de maanden juli en augustus toch geen vakantie vieren!  Na de Belgische zomermeimaand leek de herfst vroegtijdig ingetreden. Het was jeansbroeken- dikke truien- en windjackenweer. Het was tijdens de week abnormaal rustig aan zee. Alle bungalowtjes en staancaravans stonden er wat verlaten bij. Het toercampingveldje lag gelukkig wat afgezonderd van de weekendhuisjes. We hoorden gisteren op de televisie dat de doorsnee intelligentie bij de meeste mensen geboren na de jaren 1975 er duidelijk op achteruit gegaan is. Maar als je eens goed rond je kijkt, werden er volgens ons een bepaalde groep mensen van voor ‘75  duidelijk ook niet met een ruim stel hersens bedeeld. We verkenden de camping en stonden versteld hoe een volkje het simpele kinderniveau blijkbaar nog steeds niet overstegen was. Op de twee vierkante meter gras voor hun chalet stonden Sneeuwwitje en de 50 dwergen. De stacaravan ernaast wou niet onderdoen en had drie plaasteren eenden en een stenen hond in het voorhofje gezet. De volgende buur had twee grote stenen leeuwen aan de deur geplaatst die voor het wereldkampioenschap voetbal versierd waren met rode duivelhorentjes en een chalet verder zwiepten driekleurige molentjes hun wieken in de westenwind.  Maar op vrijdagavond en zaterdagmorgen ging de slagboom van de camping continu op en neer, want dan kwamen de vaste jaarcampinggasten massaal naar hun ‘huis’ aan zee. Toeterend kwamen ze, met zwart-geel-rode condooms over hun zijspiegels en flapperende driekleurwimpels de camping opgedraaid. Je verwachtte dan dat er zo’n stoer haantje in de auto zat, maar achter het stuur zat een oude rokende sassa. Terwijl de voetbalfreakman aan de stacaravan de Belgische vlag omhoog hees en voor de ramen en aan de afsluiting de Jupiler- reclame- Rode Duivels vlaggen drapeerde, sleurde een vrouw, met schouderlange uitgerafelde zwarte Lola haren, nijlpaardformaatbillen en gekleed in een veelkleurige terlenca jurk, een zeppelinworsthondje uit de auto. De kleine keffende, kwijlende en veel te dikke gedrochtjes werden in een hondenkinderwagen gedropt, duidelijk een nieuwe hype aan de Belgische kust. De campingvrouwen dweilden met hun hondenbuggy over de camping. De viervoeters werden als kinderen toegesproken en vertroeteld. Een hond had zelfs een bain de soleil aan en een andere had een mini rode duivelspet op. Nog nooit zagen wij honden zieliger en ongelukkiger kijken. Zowel honden als vrouwtjes klaar voor de psychiater. Manlief kon het niet laten en vroeg aan een duidelijk beschaamde man, die naast zijn vrouw zo’n kinderwagen voortduwde, of het niet spijtig was dat hun hondjes geen pootjes hadden en vroeg of dat dit misschien een nieuw soort ras was. Zaterdagochtend begonnen de jaarkampeerders één na één, hun vierkante meter gras te maaien. Overal hoorde je de machientjes en de hondjes kabaal maken. Voor een passerende buitenlandse toerist is er momenteel geen twijfel mogelijk. De Belgische driekleur wappert je vanaf de autostrade, langs de dorpsstraten, vanaf de torenhoge zeedijkappartementen, in de etalages, hotels en cafés overal tegemoet. WE ARE BELGIUM! De Belg had eventjes geen aandacht meer voor de op de Middellandse Zee verdronken en ronddobberende hooggekwalificeerde zwarte toekomstige leefloners. De Belg werd niet meer warm of koud van de klimaatopwarming. Het zou de Belg deze weken worst wezen dat zo’n vier miljoen Turken in Europa voor hun grote Turkse leider gingen stemmen. De Belg was een maand niet meer verontwaardigd over de onterechte geldstromen van Vlaanderen naar de Walen want Koning voetbal is weer in het land. Soms gewoon leuk, maar meestal compleet krankzinnig.  Het is tenslotte een spelletje met een bal, miljardentransfers en met heel veel geluk. Waarom is een WK voetbal voor de meeste mensen elke keer toch zo leuk? Omdat zelfs simpele  marginalen, jonge hitsige pubers, suffe opaatjes, fanatieke huisvrouwtjes en  hooggekwalificeerde voetbalfans eendrachtig zij aan zij supporteren. Langs de zijlijn geven ze elk hun eigen commentaar. Als de Rode Duivels maandag verliezen, dan kunnen ze allemaal één voor één uitleggen waar het mis ging. Waarom die spits die bal juist op de paal pleurde, of dat het volgens hen geen buitenspel was want dat de scheidsrechter een pel op zijn oog had of duidelijk omgekocht was. Dat het niet een gele maar een rode kaart moest zijn. We are Belgium, we are red! En allemaal hebben deze voetbalsupporters het grootste gelijk. In de aanloop van zo’n wereldkampioenschap wordt de massa al maandenlang op voorhand opgehitst. De voetbalgekte slaat toe en er worden met bakken bier, wimpels, mutsen, pruiken, sjaals en vlaggen uitgedeeld. Jupiler bier heet ineens geen Jupiler meer, maar noemt zich nu Belgium…We are Belgium.  Kinderen krijgen in de supermarkten plakboeken en wisselen Panini-voetbalstickers uit. Wekenlange op voorhand wordt er gediscussieerd over het Rode Duivels voetballied, het wel of niet meenemen van Naigolan of over de blessures van Kompany. Samen juichen, samen goal roepen, samen zingen, samen drinken en samen de boel afbreken. Gek hoe dubbel het kan zijn, dat mensen die vorige weken stakend achter de rode linkse vlag aanhuppelden en riepen dat de rijken moesten betalen, zich nu zonder problemen vergapen aan miljonairtjes die achter een bal aanlopen? Voetballertjes die gezwind zo’n Euro 400.000 per week verdienen! Geld dat jan modaal zijn hele leven niet bij elkaar gespaard krijgt. De nieuwe generatie brood en spelen gladiatoren, die als het even kan, met hun centen in Monaco of Panama zitten om de fiscus te ontlopen. In plaats dat ze mee het begrotingsgat vullen, zitten ze eigenlijk in de zakken van de belastingbetaler, dus in onze geldbeugel.  Ook manlief zal maandagnamiddag, als de Rode Duivels hun eerste match moeten spelen, niet voor het tv scherm in de caravan weg te branden zijn. En dan heb je nog na elke match het oeverloze panelgeleuter en het uitmelken in allerlei napraat- en ontleedtelevisieprogramma’s van de beste voetbalstuurlui aan wal. Het is slecht weer aan de kust en de kampeerders exodus komt al vroeg in de namiddag op gang. Terug richting huis, naar de grootbeeld televisie, naar de eigen sofa, het Belgium-Jupiler bier binnen handbereik of naar de kroeg waar zij weer met zijn allen uit hun dak kunnen gaan. De vlaggen en wimpels laten ze hangen tot volgende week, of totdat de duivels eruit geflikkerd worden of misschien tot de finale op 15 juli! Gelukkig moet ik maandag, als de camping weer leeggelopen is, het dronken geschreeuw van die zwart, geel, rood carnavaleske verklede dikbuiken met horentjes op hun kletskop, madammen met driekleur sjaals en mutsen op en de bijbehorende toeters en bellen op de camping niet aanhoren. Neem het van mij aan : Als je, in de weekend, de doorsnee ‘Belgische vaste staander kampeerder’ over deze camping ziet dwalen, dan lijkt het voor ons klontjesklaar: Het is duidelijk het voorspel van het einde van een beschaving.   Sim, 17 juni 2018, Belgische kust, Wenduinen

Sim
0 0

WAT RIJMT ER OP STENT EN EEN FLUITJE VAN EEN CENT

Als op zaterdagochtend om 10 uur de telefoon rinkelt en ik manlief vanaf het Universitair Ziekenhuis hoor zeggen, dat onze auto gestolen is, nijpen mijn darmen bij elkaar en moet ik de voorstuwende stressdiarree terug naar boven duwen. Er is hoegenaamd geen tijd om eerst die zenuwbagger te lozen. Ik sommeer manlief dat hij moet blijven staan waar hij staat en dat ik onmiddellijk zijn richting uit kom gelopen. Gelukkig is het hospitaal maar een viertal straten bij ons verwijderd, dus hinkel ik de trappen af, schiet in mijn sandalen, negeer mijn opborrelende darmen en ren mij nog half aankledend de straat uit…. Wat vooraf ging! Nadat we in de helft van maart van Tenerife terug thuis kwamen, sloeg de vakantiestemming onmiddellijk om. Niet alleen was er hier nog geen spriet zon te bespeuren, was het nog winterskoud en klaagde manlief van een knijpende druk in de borstkas als hij in dit Vlaamse winterklimaat een wandelingetje wou maken. Het zou wel verdwijnen als de temperaturen wat omhoog gingen … Zoals alle vrouwen stilaan weten, komt een man met een handleiding. Alles gaat volgens hen vanzelf wel over, als je maar lang genoeg wacht! Niet dus.. Ik stuurde manlief dus zonder pardon richting kliniek en na controle bleek dat hij angina pectoris had, een toe geslipte ader.  ‘Dus, mijnheer Vercauteren, het is nu woensdag,  komt U vrijdagochtend zo vroeg mogelijk eventjes binnen. Voor ons dokters is dit ondertussen een routineklusje. Wij dotterden of steken een stent langs de lies of via de pols. U blijft een nachtje over en zaterdagochtend bent U weer een nieuwe, piesofkeek.’ Zal wel.. Alle hulp van vrienden of buren om hem naar het ziekenhuis en terug naar huis te brengen werden door manlief koppig geweigerd. Hij ging zelf met de eigen wagen naar de UZA en zou zelf die vier straten terug naar huis rijden. Ook mocht ik van hem, omdat ik al jaren niet meer gereden had de auto niet terug thuis zetten. Dus die ene nacht kon onze wagen gerust langs de baan blijven staan. Donderdag hoorde ik rare geluiden in de badkamer. Toen ik de deur opende, viel ik midden in een SM scène. Manlief die met een been op het bad stond en met een tondeuze kreunend in zijn lies zijn schaamhaar uitroeide. ‘Maar schatteke toch, dat doen ze toch in de kliniek!’ ‘Nee, de boel moet er op voorhand af, aan mijn lijf geen polonaise!’. ‘Maar schat, er bestaat zoiets als ontharingscrème, op 3 tot 6 minuutjes kan je alle haar wegschrapen. Kom ga op het bed liggen’. Terwijl ik de crème overvloedig aanbracht, zei manlief dat het net slagroom leek. ‘Schatteke, nu moet je je niet teveel in een seksscène inleven, je stent zit er nog niet in hoor!’ Manlief bleef met een brede glimlach op het bed liggen en na een 6 tal minuten werd zo’n grijze Fellaini krullenbol zonder teveel problemen in een blinkende kale knikker Kojakcoupe herschapen. (Voor de generatie die Kojak niet meer kent: Kojak was een kale Mister Proper look -alike politieagent in een jaren 70 feuilleton.) Fluitje van een cent. En inderdaad wat er na de grote ‘schaamhaarverwijderaarstruuk’ overschoot..fluitje van een…. Dus manlief vrijdagochtend heel vroeg met de eigen wagen richting ziekenhuis. In de voormiddag al een telefoontje: ‘De operatie was al gedaan, de stent steekt er in en moet je nu eens iets weten, ze hebben het verdorie langs de pols gedaan, lig ik hier nu met mijn blote kl…!’ Tijdens het namiddag bezoekuur opperde ik nog om alsnog onze vrienden te contacteren om hem af te halen, maar steenezelig hield manlief vol, dat hij niets meer wist van de verdoving en dat hij zelf naar huis ging komen. Ik moest hem op zaterdag zelfs niet tegemoet komen…hij voelde zich als herboren! Dus eventjes opnieuw: Op zaterdagochtend rinkelde om 10 uur de telefoon en hoorde ik manlief vanaf het Universitair Ziekenhuis zeggen, dat onze auto gestolen was. Mijn darmen borrelden en ik  moest de voorstuwende stressdiarree terug naar boven duwen. Er was hoegenaamd geen tijd om eerst die zenuwbagger te lozen. Ik sommeerde manlief dat hij moet blijven staan waar hij stond, dat ik ofwel een taxi zou bellen of onze vrienden waarschuwen en dat ik onmiddellijk zijn richting zou komen gelopen. Gelukkig is het hospitaal maar een viertal straten bij ons verwijderd, dus hinkelde ik de trappen af, schoot in mijn sandalen en rende, mij nog half aankledend, de straat uit…Onze vrienden jammerden samen met mij, dat het de dag van vandaag toch wel schandalig is! Het moest toch weer eens lukken, nu die auto voor één nachtje onbemand op straat stond, wat gingen we nu doen, want we hadden onze wagen nodig om de caravan te trekken. Pech, pech, ze zouden onmiddellijk in hun auto springen en richting UZA komen. Ik was nog geen halve straat uitgesprint of de smartphone ging opnieuw. ‘Schatteke, heumm, heu, sorry, ik was verkeerd, onze auto staat er nog wel hoor, ik zag hem eerst niet staan, hij stond in de schaduw onder een boom en ik vond dat dit niet op de kleur van onze wagen leek …bel de hulpvrienden maar af.’  Ik had waarschijnlijk toen manlief naar het hospitaal verdween de mannenhandleiding niet goed genoeg bestudeerd en terwijl ik op de pot de zenuwen uit mijn lijf scheet dacht ik nog: ‘Dus wat rijmt er godverdomme op stent of op een fluitje van een cent…juist een chaotische, geopereerde, koppige vent! ‘   Sim, 14 juni 2018, Belgische kust, slecht weer Wenduine

Sim
56 1

Spullen

Ik was 12 jaar en op daguitstapje met het gezin in Antwerpen. Naast de Kloosterstraat en Scheldekaai liepen we, zoals gewoonlijk, naar de Boerlaschouwburg voor high tea en even windowshoppen in de buurt van de Nationalestraat. Mijn fashiongehalte beperkte zich tot jeans van de Jeansshop, kleedjes van Mexx, en een occasioneel lichtblauw leren jasje van dé lokale boetiek. Dat leren jasje was iets speciaal, op school hadden maar twee meisjes dit jasje, een meisje in een jaar lager, en ik. Het jasje ging vervolgens járen mee. De potentiële liefde voor mode was wél al gewekt, door het windowshoppen, de Weekend Knack en de Glossy. Als 12-jarige ging ik ervan uit de Mode met de grote M niet weggelegd was voor meisjes uit dorpjes met jeans van de Jeansshop. En die dag maakte een uitzondering. Het was vakantie en mijn pa goedgezind, bij Longchamp kreeg ik, totaal onverwacht, een tasje. De Pliage. En zo had ik als 12-jarige een donkerblauwe plastic vouwtas van Longchamp, met leren hengsel. Uit voorzichtigheid heb ik de tas het eerste jaar niet gebruikt. Ik ben 29 nu, de Pliage heb ik nog, intact, even mooi en veelvuldig in gebruik. Door de jaren heen zijn er wel wat andere leuke spullen in de kast bijgekomen, niet overdreven. Noem het minimalisme of purisme of gewoon "ik heb mijn geld nodig om van te leven en af en toe koop ik iets waar ik héél blij van word". Deze zomer gaat de Pliage natuurlijk mee op vakantie. Het ding is al op heel wat plekken geweest, dat je het gevoel hebt een stukje familie bij te hebben maakt het extra leuk. Home is where my Pliage is. 

Evelien
8 0

BuikBrieven #1

Lieve Baby in mijn Binnenste,   Je hebt werkelijk geen benul. Jij weet nog van niks, jij vertoeft in een magische onderwaterwereld, één en al ervaring. Jij groeit in mijn Buik, volgens onze aardetijd een aantal maanmaanden nu. Voor de mensen rondom mij is het intussen zichtbaar geworden dat ik jou in mij draag. Ik begin op te bollen als de wassende Maan. Het is een klein wonder hoe je dit jaar nog als miraculeus menselijk wezentje quasi volledig volmaakt zal beginnen ademen na je geboorte. Jij weet daar allemaal nog niks vanaf natuurlijk, je hebt geen benul van buik of menselijk lijf of lucht. Grenzen bestaan niet in jouw beleving. Jij zwemt enkel maar terwijl je Vis en Water tegelijk bent. Je deint mee met de golven van het wiegen van mijn heupen in alle veiligheid en weldaad. In jouw Kosmos is alles één. Je bent een druppel uit de Bron, een pluisje in de Wind, een vlammetje van het Vuur, een zandkorrel op het strand, een Sterrenstofje, een vonkje Energie, een Ether-elementje. Deeltje van het Geheel zonder kleiner of groter te hebben aanschouwd. Kletskoek vertel ik jou, je hebt nog geen benul, je bent alles tesamen zonder besef. Je bent zo vrij en puur.   Je hebt geen idee dat ik deze brief aan jou schrijf, dat ik besta überhaupt. Bestaan en Taal ben je nog aan het absorberen. Het prille begin van Moedertaal. Om daarna langzaamaan je Vaderland te betreden. Laten we niet teveel op de zaken vooruitlopen. Het geschreven Woord en digitale communicatie moeten al helemaal je verste voorstellingsvermogen voorbij gaan. Of droom je toch wel eens van deze planetaire spelletjes, van de systemen die ons definiëren, van de onuitputtelijke Kunst? Ken je je Essentie zonder dat zo te benoemen? Heb je veel Plezier? In elk geval heb ik momenteel serieuze binnenpretjes, ahum.   Soms is het hier een gekkenhuis, lieverd. Echt on-ge-loof-lijk. Niet zozeer in ons huis, wel op deze wereldbol. Je zal veel kans versteld staan, zoals ik dat nog steeds doe na al die jaren. Niet van de schoonheid en pracht die de natuur biedt, op een andere manier. Ik bereid je graag al een beetje voor. Omdat ik het zelf nog niet helemaal begrijp, wat sommige zielen hier op aarde komen klooien. En om mijn waardevolle stem te boek te stellen, dat is zeker een motivatie. Echt onzin wat er hier en daar gebeurt, lieve kind. Ik heb ook mijn eigenste portie geklooi gehad, hoor, daar niet van. Gelukkig hebben wij liefde ontdekt, en ontwikkeld en gecultiveerd. Jouw vader en ik, jouw moeder. Omringd door enkele bijzondere individuen dicht bij ons en wat verder weg, is dat een heus feestje geworden. Wat zeg ik: een heerlijk paradijsje, een dagdagelijkse Hemel op Aarde zonder uit het oog te verliezen dat alles komt en gaat van de diepste pijn tot de uitzinnigste vreugde. Het Waarnemen en Beïnvloeden, dat is Toverkracht. Want als je één ding moet onthouden, lieve kind, is dat je heel veel alleen kan verwezenlijken maar dat liefde voelen en voeden enkel mogelijk is doordat er anderen bestaan naast jou. Laat je nooit iets anders wijsmaken, en uiteindelijk zal de ervaring het je leren als je ’t niet gelooft. Dat is allemaal voor later, en je hoeft eigenlijk helemaal niet naar mij te luisteren. Jij bent enkel hier en nu, ontstaan uit die smakelijke liefdessoep, vol vertrouwen.   Je bent heel rustig terwijl ik zo opschrijf wat mijn vingers verlangen. Jouw mama heeft enkele missies te volbrengen, lieve kind, net als jij en iedereen. Ze raakt taboes aan, die foetermoeder van je. Ze kan creëren en confronteren als de beste. Wat niet steeds in dank wordt afgenomen, helaas pindakaas. Intussen heeft ze wel met scha en schande geleerd het ietwat beter aan te pakken, in de verbinding te blijven gaan. Want dat is uiteindelijk de bedoeling. Ze is een kunstenares die graag goochelt met taal en betekenis, om knipogen te bewerkstelligen en bewustzijn te vergroten en zich vooral niet teveel te vervelen. Ze vindt nieuwe woorden uit zoals de Properbak, waar een heel concept achter zit. Ze heeft het ene idee na het andere. Zij is mij. Ik en jij, kind, wat zal dat allemaal worden, een zoveelste avontuur… Voorlopig is het nog een goed bewaard Geheim. Een stil verbond, jij en ik. En jouw vader, lieve kind, dat is een bijzonder architect en beeldhouwer en verzorger. En nog veel meer. En ik ben natuurlijk niet alleen schrijfster. Zoveel zijdes hebben kristallen en geslepen diamanten, met onvermijdelijke hoekjes af. En jij bent een combinatie van ons, een nieuwe samensmelting van talenten en gaven en onnozelheden. We kijken al uit naar je komst, zo bouwen wij nu voort aan ons nestje samen met de hele familie. Je bent al welkom. Je hebt zowat jezelf uitgenodigd eigenlijk, en dat mag. Kom maar helpen want het is nodig met die klojo’s hier. Kom maar jezelf zijn erbij. Je bént er al bij, jezus moeder maria, wat ben je zo verschrikkelijk aanwezig! Ik ben nu meer en meer symbiose en synchronisatie geworden. Het is straf, op zijn minst. Jij schrijft mee dit verhaal. Waar waren we gebleven?   Lieve schat, hier bestaat zoiets als dag en nacht, zomer en winter, gisteren en morgen, verleden en toekomst, tijd en ruimte. Morgen schrijf ik je weer, nu gaan we slapen in een comfortabel bed en de liefde nog even bezingen. Je vader, jij en ik.   Van harte, tot weldra, met liefs x

Elke Van Opstal
47 0

Oorlog in kindertaal

'Mama, waarom maken grote mensen oorlog? Ik word daar zo verdrietig van.' Hij kijkt me met grote ogen en een blik vol verwarring en verwachting aan. In zijn ogen zie ik het kleine meisje weerspiegeld dat ik ooit was; het meisje dat niets snapte van de grote mensenwereld. In de vriendenboekjes van mijn vriendinnen - ik zat op een katholieke meisjesschool - schreef ik als antwoord op de vraag 'Wat is jouw grootste wens?' steevast: 'Nooit meer oorlog.'   In mijn kinderjaren had ik nog de naïeve hoop dat er een dag zou komen waarop er overal in de wereld vrede zou heersen. Die hoop is reeds lang vervlogen. Eeuwen en eeuwen voeren mensen al oorlog, soms omdat ze hun rijk willen uitbreiden, soms omdat ze anderen hun geloof willen opleggen, soms omdat ze het niet eens zijn over een bepaalde kwestie,... Altijd vloeit oorlog voort uit haat en onbegrip.  Ik weet vrijwel zeker dat niemand daar ooit gelukkiger van is geworden. Fanatieker misschien wel, machtiger ook, rijker zeer waarschijnlijk. Maar liefdevoller, warmer, meer verbonden, hartelijker? Nee, dat zeker niet.   Ik zucht eens even diep. Ik kijk vertederd naar de gepijnigde blik in de blauwe ogen van de jongen die ik 7 jaar geleden ter wereld bracht. Ik vertel hem dat ik ook verdrietig word van oorlog, dat ik me soms machteloos voel en bang. Dat ik me soms gefrustreerd voel omdat ik er niets tegen kan beginnen. 'Grote oorlogen beginnen vaak met een kleine ruzie' vertel ik hem. 'Maar mama, als je ruzie hebt met iemand, dan kan je toch gewoon weer vriend worden?' 'Ja, maar soms kunnen mensen heel koppig zijn.' 'Wat is koppig, mama?' 'Koppig zijn, wil zeggen dat je niet wil toegeven, dat je blijft vinden dat jij gelijk hebt en de ander niet.' 'En waarom zijn grote mensen dan koppig, mama?' 'Soms zijn ze koppig omdat ze graag de baas willen zijn. Soms zijn ze koppig omdat ze vinden dat hun geloof beter is dan dat van een ander. Soms zijn ze koppig omdat de andere persoon dingen wil doen die niet goed zijn voor de mensen, die bijvoorbeeld niet goed zijn voor de gezondheid van de mensen of voor onze planeet,...' 'En hoe komt het dan dat er oorlog is als mensen koppig zijn?' 'Als belangrijke mensen, zoals de bazen van landen, koppig zijn, dan kan er oorlog van komen. Ze willen dan niet meer praten met elkaar omdat ze denken dat het toch niets uitmaakt. En dan sturen ze hun legers op elkaar af en beginnen ze te vechten.' 'Mijn juf zegt altijd dat je beter met elkaar kan praten als je ruzie hebt dan met elkaar te vechten. Waarom is dat dan bij grote mensen niet zo?' Daar sta ik dan met mijn mond vol tanden. Hoe leg je aan een kind van 7 uit dat grote mensen soms verteerd worden door haat door wat ze hebben meegemaakt en daar anderen voor willen laten boeten? Hoe leg je aan een kind van 7 uit dat grote mensen soms liever oordelen en veroordelen dan te luisteren naar elkaar? Hoe leg je aan een kind van 7 uit dat sommige mensen echt geloven dat geweld de juiste manier is om een conflict op te lossen? En hoe leg je uit dat geweld misschien, heel misschien, wel gerechtvaardigd is als één of andere gek de planeet naar de verdoemenis wil helpen? 'Het is altijd beter om een ruzie uit te praten, zoals jouw juf vertelt. Het is beter om ervoor te zorgen dat alle mensen voelen dat ze erbij horen dan om met geweld de ander te doen luisteren of aan de kant te zetten. Sommige grote mensen denken daar spijtig genoeg anders over', zeg ik. En nog voor hij een nieuwe vraag kan stellen, ga ik verder.  'Maar weet je wat wij kunnen doen?'  'Nee', zegt hij met een nieuwsgierige blik in zijn ogen. 'Wat wij kunnen doen, is lief zijn voor elkaar en mekaar helpen en naar elkaar luisteren. En als we ruzie hebben, het ook weer proberen bijleggen door er met elkaar over te praten, door te vertellen hoe we ons voelen en waarom we ons zo voelen. Zo is er in ons klein stukje van de wereld vrede en geen oorlog.' 'Mama, ik wil ermee voor helpen zorgen dat er in ons huisje en op mijn school geen ruzie is en als ik ruzie heb, zal ik proberen om het bij te leggen', zegt mijn zoontje met een zekere ernst en kordaatheid in zijn stem. Ik glimlach naar hem en sluit hem in mijn armen. En ik hoop uit de grond van mijn hart dat hij in zijn leven nooit een oorlog mee moet maken.

Aline
0 0

Die eerste glimlach

We noemden jou ons geschenk uit de hemel. Het was een lange pijnlijke bevalling geweest waarbij je koppig naar de verkeerde kant bleef kijken - en de vroedvrouw zat te draaien en te wroeten in mijn lijf om je goed te draaien. Ook ik was koppig en duidelijk overmoedig om jou zonder epidurale uit mijn lijf te persen. En toen was je daar, het schoonste en meest kwetsbare wezen op deze planeet. De werkelijkheid verdween naar de achtergrond. De sneeuw en de koude buiten stonden in schril contrast met de gloed van warmte, licht en liefde waarin wij werden opgenomen toen jij ter wereld kwam. De gynaecoloog was nooit helemaal zeker van haar stuk geweest toen ze jouw geslacht bepaald had. Ook tijdens de echo's al had je een sterke wil getoond en was je niet van plan zomaar te tonen wat wij wilden zien. Dus toen de vroedvrouw jou in mijn armen legde, werd mijn blik automatisch naar de plaats tussen jouw benen getrokken en zag ik daar dat je zonder enige twijfel een jongen was. Mijn jongen, wat heb je ons vele slapeloze nachten bezorgd. Iedereen die op kraambezoek kwam in het ziekenhuis schrok van de felheid van jouw gekrijs. In de rest van de gang was het stil, op een kreetje van een enkeling na die honger had of een vuile luier. Jouw honger kon echter op geen enkele manier gestild worden en zelfs als je een verse luier droeg en dicht bij mij of jouw papa lag, bleef je vaak schreeuwen, uren aan een stuk. De meeste verpleegsters waren erg lief en behulpzaam, maar er was ook een harde tante bij die jouw papa en ik Cruella hadden gedoopt. Zij sprak ons vermanend aan alsof het onze schuld was dat je van geen ophouden wist. Eén keer wou ik jou een badje geven, maar dat was zonder Cruella gerekend. Zij trok jou uit mijn armen omdat zìj, degene met bakken ervaring, mij eens ging tonen hoe het moest. Wat was ik je toen dankbaar dat je het op een nog harder krijsen zette en je uiteindelijk toch een beetje kalmeerde toen ik je opnieuw in mijn armen hield. We deden er alles aan om je te troosten lieve jongen en eerlijk waar, op geen enkel moment verloren wij ons geduld. We werden het gewoon dat je het gros van de dag schreeuwend doorbracht, lieten je op onze buik slapen omdat dat de enige manier was om je even naar dromenland te laten vertrekken. We droegen je in een draagdoek omdat je rechtop zittend duidelijk minder last had van jouw maag en darmen - de oorzaak van jouw gehuil. We verloren ons geduld niet want jij was ons geschenk uit de hemel. Papa verloor wel heel wat van zijn haren en mijn rug werd steeds pijnlijker, maar we hadden het allemaal over voor jou, lieve schat. En op een keer, toen je me weer midden in de nacht gewekt had, ik de uitputting nabij was en op het punt stond om uiteindelijk toch mijn geduld te verliezen, toen krulden jouw twee mondhoeken zich naar boven en keek je me doordringend aan. Een warmte welde op in mijn hart en ik glimlachte terug naar jou, vol ontroering. Veel vroeger dan de gemiddelde baby maakte jij glimlachend contact met mij. Daarom dacht ik eerst dat het toeval was, maar toen je mijn glimlach beantwoordde met een mimiek die nog duidelijker was dan voordien wist ik dat jij niet alleen een geschenk maar ook een wonder was dat ik altijd zou blijven koesteren. 

Aline
0 0

Vakantie

Vakantie, volgens de reclame 'de beste tijd van het jaar'. Ik vind het een beetje sneu om een jaar te leven voor 3 weken lol. Bovendien ligt de lat dan wel erg hoog voor deze 3 weken. Vriend en ik pakten de tent in en reden met jeep richting Polen. De hond mocht ook mee. Kamperen, worstjes grillen en pintjes drinken. Zonder bh rondlopen. Heerlijk. Even een voetnoot. De vriend heeft vaak uitzonderlijk geluk in het leven, speciaal rond reizen. Vriendelijke strangers die zijn vergeten portefeuille terugbrengen, zonder diesel vallen en een buurman die hem uit de nood helpt, zo'n dingen. Mijn familie staat bekend uitzonderlijk pech te hebben op verlof. Verre reizen naar waar de zon altijd schijnt en dan in een orkaan zitten (buiten orkaan seizoen). Vliegtuigpanne. Voedselvergiftiging. Zo van dat. Tot nu toe hadden we tijdens gezamenlijke reizen meestal het geluk van de vriend aan onze zijde. Tot nu toe. Deze vakantie reeg een stroom aan kleinere en grotere pechjes aan elkaar. Verloren voorwerpen. Een vies pension (waar we meteen vertrokken). Alle campings volzet. Alle restaurants op sluitdag. Het einde van de reis leek de pech afgewend. Laat in de avond toch een gasthof gevonden in de bergen, mooi weer en rust. Ontbijten op het terras. Vriend en hond rustig aan een tafeltje. Vandaag is er zelfs een dorpsfeest! 5 knallen om 09h00. Geweerschoten zegt de vriend. De vriend is gepassioneerd jager. De hond is zijn compagnon. En weg zijn ze! Ik zit en eet, schud nog een kopje hete koffie in. Genieten dat kan op ieder moment van de dag, en dat kunnen kleine dingen zijn! 

Evelien
22 0

Huisvlieg.

De afgelopen twee jaar hebben zich veel ,meer dan anders het geval was, voorvallen van opmerkelijke aard en bijzondere verschijnselen voorgedaan. Misschien dat ik er nog meer ontdek in de jaren van daarvoor, maar wat zojuist alweer het geval was wil ik graag vermelden. Drie weken geleden zat ik ook juist op dezelfde plek als waar ik nu zit, in de voortuin. Op een middag ,na mijn werk, was het precies tijd voor een glas koud bier in de schaduw toen ik een bepaald insect opmerkte. Te snel voor een kever, te groot voor een mier. Het bleek een vlieg te zijn die een van haar vleugels had verloren. Ze liep nog steeds met dezelfde snelheid voort, maar in plaats van weg te vliegen als ik haar met mijn wijsvinger probeerde aan te raken, maakte ze een sprongetje en bleef dan op haar rug rondtollen. Er liepen ook mieren, torretjes en spinnen rond op de tegels van de voortuin. Het zou niet lang duren voordat ze daar uiteindelijk aan ten prooi zou vallen. Ik schonk mijn glas weer bij en keek toe hoe ze inmiddels aan de aanval van twee mieren had weten te ontsnappen. ‘Die sterft zeer zeker’, dacht ik. Ook alleen al door een vleugel te missen. Toen de mieren met meerderen tegelijk  de vlieg in de gaten kregen was mijn bier op. Ik liep mijn huis in, pakte uit de koelkast nog een biertje, een stukje brood en een overgebleven stuk appel van het ontbijt. De vlieg kreeg het steeds drukker met het ontwijken van haar belagers. Steeds weer opspringen, even rondtollen op de rug en dan weer vliegensvlug weglopen. Het is weldra schaakmat tegen de strategie van slechts drie mieren die paard, toren en koningin om haar heen spelen. Ik maak mijn blik bier open en neem er een slok uit. Het stuk brood breng ik naar mijn mond en spuw er het bier in. Mijn lege glas leg ik over de vlieg heen en duw het natte brood met het stuk fruit erin. Ze zit gevangen. ‘Je sterft toch. En de mieren zullen je na je dood ook nog wel weten te waarderen. Eet en drink.’ Ik liet haar daar en kwam volgende middag pas weer kijken naar het omgekeerde glas in de voortuin. Daar was plots beweging te zien van een vlieg die onder het stuk brood vandaan kwam en op het stuk fruit sprong. Ik kon duidelijk zien dat ze zich eraan tegoed aan het doen was. ‘Beschermd tegen alle anderen, behalve je eigen dood’, dacht ik nog. Ik liet haar zo en keerde de volgende middag pas weer terug. Nog steeds was de vlieg over het brood en fruit aan het kruipen. De buurvrouw had er nog naar gevraagd. Waarom dat omgekeerde glas daar nog steeds stond. ‘Laat u dat maar daar, morgen haal ik het weg’.  De dag erna zag ik haar niet meer in het glas. Het brood was opgedroogd en het fruit beschimmeld. Niet dat dat voor vliegen een probleem hoeft te zijn. Maar ze was niet meer in haar beschermwoning aanwezig. De mieren hadden misschien toch een manier gevonden om onder het glas door te komen en haar meegenomen. Ik pak het glas op en gooi het brood en fruit in de compostbak. Het regent. Een en een halve dag, totdat de zon weer twee middagen volop schijnt. Uit hetzelfde glas dat diende als bescherming voor de vlieg zit nu weer ijskoud bier terwijl ik, nog in mijn werkvest, in de voortuin zit. Ik kijk naar de mieren die hun spoor voortzetten over de tegels.  En kijk. Er springt een insect op mijn schoen. Te groot voor een mier, te snel voor een kever. Het is een vlieg met 1/4 vleugel. Als ik haar mijn wijsvinger toesteek, springt ze op en wijkt opzij. Maar ze verlaat mijn schoen niet. Ook niet na drie keer. In een van de zakken van mijn vest vind ik een stuk verkruimeld biscuit. Ik doop het in mijn bier en leg het op mijn schoen bij de vlieg neer. Met haar trompetsnuit doet ze zich eraan tegoed. En ik aan mijn bier. Plots springt ze van mijn schoen af en haast zich over de tegels naar een stuk afgesneden tuinslang waar ze inkruipt.   Ze heeft inmiddels helemaal geen vleugels meer. Maar ze komt nog steeds voor brood, bier en koek of fruit.

Stanley
25 0

Zon, zee, maandverband?

Eén van de krantenkoppen die me deze week opviel ging over afval. Over hoe er na een dagje zon-, zee- en strandplezier steevast een smerige berg vuilnis achterblijft op onze Belgische stranden. Blikjes, plastic, luiers, ja, zelfs maandverband, zowat alles wordt dagelijks achtergelaten op het strand. Ik dacht meteen: dat knap stukje menselijk gedrag verdient een snedig stukje op mijn blog. Of misschien toch niet. Ik heb immers graag dat mijn columns een glimlach toveren op het gelaat van de lezer. Omdat die lezer zich in iets herkent, omdat hij wordt ontroerd door wat hij leest of gewoon omdat hij het om te lachen vindt. Het waarom maakt eigenlijk niet echt uit, maar wel die glimlach graag. En daar knelt het schoentje toch vandaag. Want wat kan er ook maar enigszins grappig zijn aan een bende onnadenkende kuddebeesten – nochtans net als zij die hun afval wel flink sorteren en braaf in de juiste vuilnisbak deponeren, behorend tot die vorm van zogenaamd ‘intelligent leven’ die wij mens noemen - die, na een dagje genieten van de schoonheid en de weldaad van de zon en de zee, hun windschermen weer netjes opplooien, hun badlakens grondig uitschudden, hun gebruinde voeten secuur afborstelen (want we willen geen zand in huis, hoor, stel u voor) om dan hun schup af te kuisen en het strand achter te laten als een gore vuilnisbelt? Niks. Daar is echt niks grappig aan. Wat bezielt hen? Is het puur egoïsme? Après nous le déluge? Doen ze het vanuit één of andere misplaatste overtuiging dat ze het wel verdiend hebben om hun vuiligheid door anderen te laten opruimen? ‘Waarvoor dienen anders de mannen van de vuilkar? Daar betalen wij toch belastingen voor?’ Ligt het aan de warmte? Een zonneslag? Een dagelijks terugkerende vlaag van collectieve verstandsverbijstering? Of ben ik gewoon te streng? Misschien is het wel goed bedoeld? ‘Ach kijk, er zit nog een restje ketchup in het frietbakje, laat maar liggen, zoet, zo hebben de dolfijnen er ook nog wat aan. Ja, tuurlijk, dat blikje cola ook, kan nog wel dienen, hoor, als huisje voor een kreeft of zo.’ Seriously. Precies of er dobbert nog niet genoeg plastic in de zee. Vergeef me het woord onnadenkend. Vergeef me het woord kuddebeest. En begrijp me vooral niet verkeerd. Hoewel tussen tienduizenden anderen gaan liggen bakken en braden niet my cup of tea is, heb ik wel al veel mooie momenten beleefd aan ’t zeetje en heb ik ook echt helemaal niets tegen mensen die wel graag voor bakharing spelen. Ieder diertje zijn pleziertje. Ik heb ook niets tegen mensen die al eens graag een hapje eten of een drankje nuttigen op het strand. Dat doe ik zelf ook als ik er ben. Maar ik neem wel mijn vuilnis mee als ik ermee klaar ben. Altijd. Is het leuk om met een vol poepzakje, een berg vuile luiers, een stuk of wat plakkerige waterijswikkels en een dozijn perzikpitten in de hand de weg naar huis weer te moeten aanvatten? Neen, dat is het niet. Maar wees er maar zeker van dat tussen tientallen (honden)drollen, vuile luiers, vieze wikkels en afgekloven pitten van anderen moeten zitten nog veel minder leuk is. En - hoewel ik ze het, toegegeven, niet kan vragen - ben ik er vrij zeker van dat de vissen en bij uitbreiding alle andere planten en dieren in de zee het volmondig (en liefst zonder plastic erin) met me eens zijn. En kom, geef toe, als je ’s ochtends je hele hebben en houden tot op dat allermooiste plekje van het strand gesleurd krijgt, is het toch maar een kleine moeite de boel er ’s avonds ook weer af te halen. Niet? Ik denk het wel. Dus, lieve mensen, lieve lezers, lieve kuddebeesten allerhande: geniet. Geniet met volle teugen, van de zon, van de zee en van het strand maar - alsjeblieft - houd het daarbij gewoon voor iedereen plezant!

Bregtje Van Bockstaele
70 0

Werken met klei

Mijn moeder zei “kyrie eleison”, en ze sprak het onhandig uit. Het waren haar laatste woorden, want ze wilde ze niet verbeteren. De halfvolle injectiespuit met gele vloeistof overweldigde haar enkele seconden later. Haar mond zakte open terwijl ik nog naar de naald in haar arm keek. Het slaapmiddel had haar waarschijnlijk onmiddellijk gedood, nog voor de tweede definitieve injectie zijn werk had kunnen doen, zei de arts na afloop.   Dat onhandige kyrie eleison, dat leek op het gemompel van een dronkaard, was een verrassing. Onze moeder had mijn zus en ik, beiden aan een kant van het bed een hand vasthoudend, ondergedompeld in woede over haar streng gereformeerde opvoeding. Vandaar misschien dat die woorden zo slecht gearticuleerd waren, want ze had ze sinds haar jeugd niet meer uitgesproken, en misschien wel helemaal nooit. Met dat kyrie eleison wilde ze iemand, op aarde of hierboven, nog iets vertellen. Het was een eigen toneelstuk, en ze voerde dat uit voor mijn zus, mij en de arts als publiek zodat haar sterven betekenis zou krijgen. De wereld moest weten dat ze weer geloofde en dat ze nu naar God ging. Vlak voor haar dood verdampte haar atheïsme.   Als vijfjarige overwoog ik de mogelijkheid dat mijn moeder een heks was. Ik had bij haar gestaan toen ze op handen en voeten de keukenvloer boende en woedend was. “Bah, ik moet dit allemaal doen. Ik heb er schoon genoeg van!” dat soort kreten slakend zwoegde ze voort met een emmer sop naast zich. Ik dacht dat ze tegen mij uitvoer. Eerder had ik in een wachtkamer mijn moeder gevraagd of ‘die mevrouw met die grote neus’ een heks was. Mijn moeder schaamde zich, maar diste dit later weer vrolijk op. Want die vrouw was wel erg lelijk geweest. Als ze iets inferieurs aan een andere vrouw ontdekte, gaf dat reden tot giechelig vermaak. Na de boze schrobscène zocht ik naar tekens die haar zouden verraden. Maar behalve haar flinke neus vond ik geen bewijs. Een jaar of wat later volgde de hypothese dat mijn ouders inbrekers waren. Ze deden alsof ze van me hielden, maar in werkelijkheid waren ze gemeen en gingen ze als ik sliep met snode plannen op pad. Deze spookgedachtes waren de concretisering van een verborgen werkelijkheid die ik niet begreep maar wel vermoedde. Mijn moeder had geen liefde gekend en kon die niet geven. Het enige moment dat ze genegenheid bij haar vader merkte was na een bombardement. Vlak voor de bevrijding lieten Engelse vliegtuigen per vergissing kettingbommen los boven Den Haag die voor de V2 lanceerinstallaties naast de stad waren bedoeld, wat vijfhonderd doden veroorzaakte. Mijn moeder lag op zolder in bed. Een serie ontploffingen ontzette de voorgevel. Op straat klonk gegil en in de kamer hing een wolk van verpulverde kalk. Ze bleef liggen, verlamd van schrik. Na verloop van tijd verscheen uit de witte wolk haar vader. Beverig vroeg hij: “Jenny, leef je nog?” Zijn bezorgdheid bewees dat hij om haar gaf, concludeerde ze. Meer interesse had hij nooit voor haar getoond. In plaats van liefde, heerste in het gezin de angst voor het kwaad. Bioscoop en theater waren ‘van de duivel’, bedoeld om zondige mensen te vermaken. Tijdens de hongerwinter, toen men aan tafel zat, en vader, na gebed en Bijbellezing bij het armzalige voedsel verkondigde dat het gezin ondanks alles ‘het goed had’, stond zus Jopie op. “We zijn verdoemd, we gaan allemaal naar de duivel!,” schreeuwde ze. Daarop sleurde ze het tafelkleed van tafel, zodat borden, bestek en soepterrine op de vloer kletterden. Ze werd met de diagnose godsdienstwaanzin opgenomen in een inrichting. Eerder was een van haar broers opgepakt als communist en afgevoerd naar een concentratiekamp. Hij liep er TBC op, overleefde het kamp, maar stierf enkele jaren na de oorlog omdat de ziekte in zijn botten was gedrongen. Als kind kreeg ik meer dan eens het verhaal te horen dat deze broer in de dakgoot van een barak een beschimmelde kaaskorst had ontdekt, op het dak was geklommen, en die korst had opgegeten. Mijn moeders leven stond in het teken van de oorlog, die zich tijdens haar puberjaren had afgespeeld en als een zware klok in haar nagalmde. Haar verhalen vertelde ze voor het slapengaan, mogelijk omdat ze dat nodig vond voor mijn opvoeding. Als negenjarige verbeterde ik de meester toen hij vertelde dat Hitler een huisschilder was geweest. Ik koesterde de boosheid op de Duitsers; hoe ze met hun lompe laarzen door de straten hadden gestampt, wat ze de Joden hadden aangedaan, dat mijn moeder tulpenbollen had gegeten, een bombardement had meegemaakt en concentratiekampslachtoffers in hun gestreepte kleren had gezien. Ik ontdekte in onze boekenkast de bezettingsreeks van professor Lou de Jong, en las die alsof het een spannend kinderboek was. Jaarlijks keken we naar de dodenherdenking op de Waalsdorpervlakte, waar we als kinderen nadrukkelijk bij werden betrokken. De enorme klok met het grote rad slingerde in de duinen onder een grijze hemel. De camera toonde een eenzaam kruis. Er klonk een rafelig trompetje. Mijn moeder hield een zakdoek gereed. De sfeer in huis was even kil als het winderige duinlandschap met het kale klokgelui, waar de motregen op de helmen van de in overalls gehulde mannen van de erewacht tikte. Eenzelfde loden stemming koesterden we bij de jaarwisseling. Op verzoek van mijn moeder las mijn vader, die ouderling was in de hervormde kerk, voor uit de Psalmen. Hij vermeldde nadrukkelijk dat dit gebeurde naar moeders wens, omdat haar vader dit ook tijdens de oorlog had gedaan. Terwijl Nederland feestte, reisde ons gezin terug in de tijd en kreeg ik het te kwaad omdat mijn vader, die mooi kon voorlezen, het woord ‘goedertierenheid’ zo doordesemd van diep gevoel uitsprak. “Maar Gij, Heere! zijt een barmhartig en genadig God, lankmoedig, en groot van waarheid en goedertierenheid,” las mijn vader met de tremulerende stem van een toneelacteur, terwijl buiten de eerste kanonslagen knalden. Ik vocht tegen de tranen, die gepast leken in deze situatie. Daarna schakelde hij de radio in en klonk om twaalf uur het plechtige Wilhelmus, een oudejaarsgewoonte die uit mijn vaders familie stamde. We toostten met de inmiddels afgekoelde bisschopswijn, maar van een vrolijk vooruitzicht op een nieuw begin was geen sprake. Het zakdoekje van mijn moeder was niet ongebruikt gebleven. Toen twee Duitse collega’s van mijn vader bij ons kwamen eten, begreep ik niet waarom mijn ouders zo vriendelijk tegen ze waren. Ze zagen er tamelijk onschuldig uit met hun bakkebaarden, felle overhemden en brede jaren zeventig stropdassen. Mijn moeder serveerde nasi uit een Conimex pakje. De volgende dag vroeg ik of die Duitsers zich wel geëxcuseerd hadden voor ‘de oorlog’. Het antwoord, dat dat al zo lang geleden was dat déze mensen er niks aan konden doen, bevredigde me niet, want ik kende mijn moeder niet anders dan dat ze over Duitsers als ‘die rotmoffen’ sprak. Ze was me toen al aan het leren het slachtofferschap in praktijk te brengen. Eerder had ze een schoolgenoot uit een hogere klas ontboden om me met lezen te helpen. Het was een blonde dikzak, Harm-Jan genaamd, een typisch exemplaar van wat de Engelsen een bully noemen. Hij was mij niet al te best gezind, wat mijn moeder niet wist. Harm-Jan nam een boek mee over ridder Floris en probeerde me de onderschriften bij de foto’s te laten lezen. Vervolgens speelden we in de achtertuin riddertje, en raakten we werkelijk slaags. We vochten op het gras voor de ogen van mijn moeder en haar nieuwe hulpmeisje, die achter het raam thee dronken. Het overgewicht van mijn tegenstander hielp hem aan de overwinning. Die werd gevierd door zittend bovenop de overwonnene te juichen en kreten te slaken. Na dit ritueel vertrok hij via het laantje achterom en ik voegde me vernederd en hijgend bij de vrouwen. Ik rekende op medeleven, maar werd opgewacht met de mededeling dat vechten niet aardig was voor Harm-Jan. De aanwezigheid van haar ‘hulp in de huishouding’ zoals mijn moeder haar meisjes altijd noemde, maakte het er niet beter op. Wat moest dat meisje van haar zoon denken? Die schoolmeisjes rekruteerde ze om een middag per week te helpen. Het huishoudelijk werk dat een gezin met twee kinderen opleverde was voor haar een nauwelijks te dragen last. Ze liet dat blijken als ze zuchtend de aardappelen en sperziebonen opdiende. Als slachtoffer was je moreel gezien de winnende partij, zonder iets ervoor te hoeven doen. Na de verloren vechtpartij met Harm-Jan hoorde ik andere jongens als de verstandigste de linkerwang toe te keren. Ik was de grootste van de klas, zodat ik aanvallende jongetjes van me af kon slingeren. Ook mijn beste vriendje Lodewijk hield ik met die techniek op afstand. We woonden in dezelfde straat en liepen altijd samen naar school. Na schooltijd vloog Lodewijk me soms aan. Hij was klein en had een ‘roffeltechniek’, waarbij hij zijn vuisten als een ongerichte mitrailleur gebruikte. Op een keer smeet ik hem zo hard op een geteerde stoep met ingezaaid grind, dat hij met vertrokken gezicht en schaafwonden op handen en gezicht huilend bleef liggen. Ik liep naar huis met een triomfantelijk gevoel van moreel gelijk. Mijn moeder zag wat er was gebeurd omdat ik bij het Lodewijk-slingeren mijn jas had gescheurd. Nu was haar dus ook onrecht aangedaan, wat ze niet zomaar liet passeren. Ze belde het huis van Lodewijk en sommeerde hem de scheur te komen herstellen. Vroeg in de jaren zeventig was ze bekeerd tot het feminisme, en jongens moesten ook leren naaien. Met dit educatieve element vermomde ze haar wraak. De schaamte verwarde me zo dat ik niet aanbood zelf die scheur te dichten, want ik begreep niet dat ik in opstand kon komen. Toen ik de kleine Lodewijk, met een verse schram op zijn gezicht, gedwee mijn jas zag naaien, voelde ik me een verrader. Mijn moeder had hem in de grote fauteuil gezet waar mijn vader doorgaans zat, waardoor hij nog kleiner leek. Ze keek achter de stoel bits toe of haar instructies goed werden uitgevoerd. Het resultaat was erbarmelijk, maar daar ging het niet om. Ze zal later wel opnieuw naald en draad ter hand hebben genomen. Met tegenzin, want ze had meer in haar mars dan het huisvrouwenbestaan, en ze was inmiddels secretaris van de ‘aksiegroep Man Vrouw Maatschappij’, afdeling Haarlem. Ook door ons huis woei de bevrijdende geest van de emancipatie. In bed luisterde ik maandelijks naar het gezoem van vrouwenstemmen. Na zo’n vergadering hing in de woonkamer een waas van vrouwengeur en sigaretten, en er stonden leeggedronken wijnglazen. In de keuken sloeg ik de bodempjes achterover. Ik lette een keer niet op en kreeg het aftreksel binnen van as met een sigarettenpeuk. De volgende dag typte mijn moeder woest ratelend notulen met carbondoorslagen, die ze ondertekende met haar meisjesnaam. Ze bevatten zinnen als: “Joke stelt dat persoonlijke bewustwording onderdeel moet zijn van het lesprogramma op de lagere scholen. Dit kan via ouderparticipatie bereikt worden. Els merkt op dat we eerst de psychologische mechanismen van de onderdrukking moeten leren kennen.” Ongeveer tegelijk met haar feministische bekering veranderde ze haar kapsel, van krullend watergolf permanent naar strakke knot. Haar mondhoeken trokken verder omlaag, de verticale rimpel boven haar neus verdiepte. Het duurde niet lang of ze verscheen op school. Ze had werk gemaakt van de ouderparticipatie en zich een rol toegemeten als bibliothecaresse. Plotseling riep dan een klasgenoot ‘Vincent, je moeder!’ en ontstond hilariteit. Achter de gangruitjes beende ze voorbij, het hoofd met wapperend hoofddoekje opgeheven alsof ze iets verdachts rook. In mijn geheugen staat als een soort paaltje in een snelstromende rivier één gebeurtenis overeind. Onbeduidend en ver weg, maar onveranderlijk; onze visite aan een bejaarde halfbroer van mijn moeder in Stadskanaal. Het was een hete zomerdag. Het bruine kunstleer van onze Simca 1100 brandde na het instappen tegen mijn blote benen. Mijn ouders voorzagen me van een stapel Donald Ducks, en lezend vergat ik dat we ergens naartoe gingen. Ter hoogte van Meppel draaide de auto de snelweg af een klaverblad op. Ik keek op uit een avontuur van Donald, oom Dagobert, Kwik, Kwek en Kwak, en werd misselijk. Mijn moeder zwengelde haar raam open. De bocht duwde me tegen de kunstleren bekleding, de lauwe flakkerende wind blies in mijn gezicht. Op een nieuwe snelweg kwam de auto plotseling weer recht en verhevigde de misselijkheid. Uit mijn moeders handtas kwam de fles 4711 Eau de Cologne. Het interieur vulde zich met een bitterzoet zweem. Ik drukte de koude zakdoek met verdampend reukwater tegen mijn bovenlip. De misselijkheid bleef, werd zelfs versterkt door het 19e-eeuwse mengsel van sinaasappel en grapefruitoliën. In Stadskanaal schroeide de zon de verlaten straten. De schaduwen waren kort en scherp, de helle stoepen smeten de hitte terug tegen de huizen met hun potdichte deuren. Ik stapte uit met slappe benen. In de deur van een rijtjeswoning wachtte een bejaard echtpaar. Ik volgde mijn ouders naar binnen. Direct over de drempel braakte ik. Op de sisal vloerbedekking produceerde ik een roodbruin plakkaat ter grootte van een 45-toeren singeltje. Die dag was ik voor het eerst eenzaam. Voor het eerst ervoer ik datgene dat je met het woord ‘desolaat’ aanduidt.   Hoewel de spanning tussen mijn ouders opliep als opgestuwd door de glazen schijven van de elektriseermachine in het Teylers museum, maakten ze nooit ruzie. Het oplopende voltage bleef in de bak met Leidse flessen opgeslagen. Het gevolg was een eindeloze stilte voor de storm. Uit de houding van mijn moeder sprak verwijt, terwijl onduidelijk bleef wát ze mijn vader precies aanwreef. Ze was het tiende en laatste kind uit een arm gezin van een melkboer, en was als in een nest honden de onbelangrijkste geweest, de underdog. Mijn vader groeide op in een gezin van bourgeoise kolonialen. Tijdens de crisisjaren werd hij opgevoed door Duitse kindermeisjes, in de grootste villa van Laren. Hun verleden, dat van heer en meid, zette zich in hun huwelijk voort. Aan tafel vroeg mijn moeder soms: “Mag ik vijfhonderd gulden opnemen?” Het was de enige wens die ze te berde bracht. Het mocht altijd, want financieel ging alles voor de wind. Waarom ik steeds sneller van tafel wilde, begreep ik niet. Ik zat half naar de kamerdeur gedraaid, en zei niets, hopend op spoedige opheffing. Ook mijn moeder zweeg mokkend, nadat ze stuurs het eten had opgediend. Mijn vader, in geruit colbert en stropdas, zei zoetsappig dat het lekker was. “Het is weer heerlijk, moes. Ik neem nog wat appelepoes.” Eerder nog kwam hij tijdens het lunchuur thuis, zoals men in de jaren zestig gewoonlijk deed. De radio stond vaak aan. Een opgewonden man met afgeknepen stem riep door een telefoon: “Hier Tel Aviv.” Ik dacht dat hij de telefoon van Aviv bedoelde. Het drong tot me door dat er iets belangrijks in Aviv gebeurde. Ik begreep niks van de gesprekken van mijn ouders. Ik zag hun monden bewegen maar vatte de woorden niet. Toen spraken ze nog met elkaar. Later luisterden we naar mijn zus. De gezamenlijke lunch was verleden tijd en mijn zus nam tijdens het avondmaal de functie over van radio. Ze kakelde aan een stuk alsof ze dysenterie had. Nog veel later vertrouwde ze me toe dit uit wanhoop te hebben gedaan, omdat de spanning haar te veel werd en ze het gevoel had dat mijn ouders elkaar iets zouden aandoen. Dat gevoel was niet geheel onterecht. Tijdens een vakantie in Frankrijk huilde mijn moeder geluidloos in haar zakdoekje en scheurde mijn vader met zo’n geweld omlaag door de haarspeldbochten dat ik zeker wist dat we in het decimeters van mijn zitplaats verwijderde ravijn zouden verongelukken. Ik had geen idee wat er tussen hen was voorgevallen Onaangekondigd sloeg de bliksem over. Tijdens een beklemmende maaltijd maakte mijn vader een schijnbaar onschuldige opmerking. Mijn moeder vloog overeind, smeet haar bestek kletterend neer en zei: “Ik laat me door jou niet intimideren!” Ze siste het als een blazende kat, en de opgebrachte zelfbeheersing maakte die woorden juist extra giftig. Mijn zus en ik vlogen huilend naar onze kamers. Voor het eerst duidelijk aanwijsbaar was er iets ergs gebeurd, de onderhuidse etter was doorgebroken, en de schaamte daarover besmette ons gezin als een smerige olievlek. Hier diende nooit meer over gesproken te worden. Mijn moeders afkeer van dominante mannen, hetgeen ze ook mijn vader verweet, gold vrijwel iedere man. Vanuit haar africhting als underdog waren normale mannen, die wisten wat ze wilden, verdacht. Haar voorkeur gold het neurasthene Wertherachtige kunstenaarstype, een man die ‘ook niet wist wat hij met het leven aanmoest.’ Acteurs waren favoriet, vooral toneelacteurs, waarbij ze de juist geziene rol verwarde met de persoon. “Zo’n leuke, gevoelige man.” Las ze ergens dat een acteur depressief was, dan kreeg dat haar bijzondere aandacht. Ze vond dat ik als 11-jarige toe was aan ernstig theater. Op de rand van het lijsttoneel brulden acteurs in toga’s hun verheven Oedipusregels. Hun speeksel spatte glinsterend in het voetlicht. Na afloop wurmden we ons langs hippies die met gitaren opdringerig en luid de overdekte passage bij de schouwburg in bezit hadden genomen. Ik vond ze eng, en mijn ouders ook. Een van de vrouwen droeg een lammy coat en had een bloedrode mond die een merkwaardig effect op me uitoefende; iets in mijn binnenste rekte zich naar haar toe, als een mot naar een vlam. Tijdens een volgende Franse vakantie kregen we twee ‘nozems’ als buren. Ze verbleven in een groen uitgeslagen caravan die aan het eind van het veldje scheef gezakt in een poel stond van rottende modder. Bij tijd en wijle verschenen deze ‘opgeschoten knullen’, – mijn moeder had voor dit fenomeen verschillende uitdrukkingen beschikbaar -, in een Deux-chevaux die er nog erger aan toe was dan hun vakantieverblijf. Deze schepsels uit een duistere wereld, in spijkerpakken, hielden zich vervolgens onledig met uit een fles drinken en fluiten naar het zestienjarige meisje dat bij de tent van onze overburen hoorde. Als een kuikentje dat broodkruimels oppikt, schuifelde het meisje blootsvoets in haar hotpants, voetje voor voetje als gehypnotiseerd, bij ieder fluitsignaal dichter naar de bemoste caravan. Mijn moeder observeerde dit openlijke staaltje van succesvol baltsgedrag met minachting. “Bah, wat een opdringerige melkmuilen,” vond ze. Haar eigen zoon zou een nette jongen worden en zou zich nooit zo ongepast gedragen. Mannen maakten slachtoffers, vrouwen wàren het. Die angst voor een eventueel nozemschap omspoelde me vaker. “Hij is lang en hij is smal,” beet ze de verkoopster toe in het warenhuis, alsof deze niet haar eigen waarneming kon vertrouwen. Een jas met bontkraag werd afgewezen, omdat die breed was en een nozem van me maakte. De punk had inmiddels zijn intrede gedaan, wat haar ontging. Maar ik peinsde er niet over een speld door mijn wang te duwen en mijn haren in een hanenkam overeind te zetten. Ik had me al overgegeven. Ik nam de identiteit op die als een rode loper voor me was uitgelegd, die van krachteloze intellectueel. Ik werd een ‘gevoelige jongen’. Dat ik eigenlijk mijn moeder als een kleverige bromvlieg van me af wilde meppen, werd door zowel haar als mezelf niet begrepen. Het besef had in mij postgevat dat mijn opvoeding bedoeld was als aanloop naar een sprong die enorm moest zijn, en ook dat ik die sprong nooit zou kunnen maken. Ik zou steeds harder rennen, maar niet weten wanneer en hoe ik moest afzetten, tot de uitputting volgde en ik enkel kon terugkijken op die onzinnige aanloop die niets anders dan een valse start was geweest. Mijn leven was leeg; alles was bedoeld voor ‘later’. Ik was dermate afgericht in verstandig zijn, dat ik in de eerste klas van de middelbare school verdrietig werd. Mijn nieuwe klasgenoten waren ‘ordinair’. Ik leek te zijn ontwaakt in aan ander werelddeel. In de fietsenkelder had ik een klasgenoot, die alle trekken van het nozemtype vertoonde, – hij had lang haar en droeg onveranderlijk hetzelfde spijkerpak -, met een meisje zien zoenen. Een andere klasgenoot was verslaafd aan shag, wat hem het voorkomen bezorgde van een witte teringlijder, en ik was met mijn sjaal onder luid gelach door een paar hogere klassers aan een boompje vastgebonden. Mijn moeder nam me mee naar de schoolpsycholoog. Op haar gebruikelijk hoge toon vertelde ze wat er met mij aan de hand was. Voor een tweede sessie moest ik zelfstandig naar een apart kantoor. Ik nam plaats in de wachtkamer, tot een uur later een bezorgde assistente vroeg waar ik eigenlijk op wachtte. Mijn moeder vond het achteraf vreemd dat ik niet had geweten dat ik me bij de balie moest melden. Was dit een teken van Freudiaanse weerstand? Toen de psycholoog me alsnog ontving, meldde ik dat ik helemaal geen probleem had. Ik voelde me opgewekt en zelfs blij. Met bruine schapenogen en een weeë glimlach keek hij me onderzoekend aan. “Heeft het soms met je moeder te maken dat je de vorige keer je niet zo prettig voelde?,” vroeg hij zalverig half fluisterend. Het woord ‘prettig’ was typisch zo’n jaren zeventig woord, maar klopte, want ik voelde me die eerste keer allerminst prettig. Hij had het begrepen. Ik ontkende heftig. Dat ik een hekel had aan mijn moeder was te erg om te denken, laat staan uit te spreken.   Uiteindelijk kwam het allemaal goed. Mijn ouders gingen uit elkaar toen ik het huis uit was. Mijn vader had een Duitse vriendin genomen en daarmee een openlijk conflict geforceerd, zodat ze zich eindelijk van elkaar konden bevrijden. Mijn moeder begon met schilderen en beeldjes maken. Er verschenen boekjes van uitgeverij De Cantecleer in haar huis met titels als ‘Werken met klei’ en ‘Werken met gouache’. Ze putte haar inspiratie uit lijden en ellende. Na haar dood erfde ik een door zijn hoeven gezakt stervend paard, waarvan de nek grotesk achterover is gedraaid. Op een tegel tekende ze een dood vogeltje dat met uitgespreide vleugeltjes en pootjes op zijn rug ligt. Hoewel ze het geloof had afgezworen, bleef haar bestaan beheerst door schuld en boete. In brons liet ze een langwerpig figuur van zo’n twintig centimeter gieten, dat plat voorover met de armen uitgespreid ligt als een biddende moslim. Het is een zelfportret. De eerst negentien jaar van haar leven was ze onderworpen geweest aan hel en verdoemenis. Pas onlangs begreep ik dat ikzelf haar eerste werkje was.

Vincent Baumgart
76 1