Zoeken

VAN DIE BOER GEEN EIEREN

Eindelijk is ma kip afgekickt van haar dioxineverslaving of moet ik zeggen, afgekipt. Zonder dat er een haan naar kraait, worden er duizenden kippen door zo’n pluimveehouderboertje in één ruimte bij elkaar gedreven. De kakeldames staan daar pluim tegen pluim en als ze hun pootjes twee centimeter willen verzetten botsen ze tegen elkaar op, dat noemt de boer dan scharrelen. Dus vandaar de naam: scharreleieren. Scharrelen, foefelen en leggen zoals de kiekens, zonder papa haan. Zij drummen en lopen als kippen die hun ei niet kwijt kunnen. Door het plaatsgebrek pikken de hennen elkaar kaal, maar dat pikt de boer niet. Zelfs een kale kip kan nog leggen! Moederkloek is er nog steeds van overtuigd, dat zij met elk legsel voor haar nageslacht zorgt, terwijl ze echter alleen aan onze voedselketen doneert. En nu heeft die kiekenboer ontdekt dat er een luis in de pels zit..de leghennen hebben bloedluizen in de pluimen! Niet echt luizen, maar vogelmijten die zich overal in hun kippenparadijs nestelen.  Bloedluizen vormen een vervelend probleem voor de kippenhouders. Kippen die gebeten worden, leggen daardoor minder eieren en dat betekent op termijn dat de scharrelkweker minder in het laatje krijgt.  Om te voorkomen dat de eierenboer, zonder actie te ondernemen zijn kip met de gouden eieren zou slachten, koos hij snel eieren voor zijn geld. Als een kip zonder kop gaf de Nederlandse kiekenbaron zijn scharrelkippen een ‘anti bloedluis bestrijdingsmiddel Fipronil douche’. Nederland stond op zijn kop! Volgens het Nederlandse voedselagentschap was er Fipronil vergif in de eitjes terechtgekomen en dat was gevaarlijk voor de volksgezondheid. De Belgische pluimveehouders zouden het gifbadschuim niet over hun kakelhennen gesproeid hebben maar er alleen de nesten, zitstokken en voederbakken in de kippenhokken mee behandeld hebben. Toch kwam er een hoeveelheid mijtenshampoo in onze Vlaamse eitjes terecht. Het Belgisch Voedselagentschap, dat al meer dan twee maanden hiervan op de hoogte was, beweert echter dat er met onze eitje niets gevaarlijks aan de hand is. Wij mogen lustig ons gekookte eitjes blijven uitlepelen en probleemloos ons cholesterolgehalte blijven opdrijven. Als U dan zo, ’s zondagsmorgens uw reepje brood in de gele dooier duwt, denkt U dan nu ook niet spontaan aan een geel zwavelmeer?  U kan er vergif op innemen dat U onmiddellijk verbanden gaat leggen met de volgende eigerechtjes: Opgelet, dit wordt een kippenboeren-gif-omelet! Of er is geen smaakverschil aan een roerei met Fipronil. Of een broodje Russisch ei op een bedje van sla met mijtenvergif.  Ei benedict, ‘t is nu geen mosterd maar Fipronil dat pikt. Gebakken paardenoog, sunny side up, met snuifje zout en gemalen mijtenkorrels. En als dessert meringues met bloedluizensuiker. De Fipronil fraude is stukken groter dan gedacht. Wij hebben duidelijk een eitje te pellen met het Belgische voedselagentschap! De pluimveesector beweert dat de kippenboeren heel goed wisten waarmee ze bezig waren en nu worden de voor de bevolking ‘onschadelijke’ vergiftigde eieren alsnog uit de Belgische winkelrekken gehaald en in Nederland de luizenkippen preventief vernietigd. Zijn wij zulke zachte eitjes geworden, dat wij alles letterlijk en figuurlijk blijven slikken? Dioxinekippen, gekke koeienbiefstukken, slechte kwaliteit olijfolie met een label van extra virgine, hinnikend paardenvleesgehakt in de rundvlees-hamburgers en diepvrieslasagnes,  salmonella in de zalm, nepchianti in de wijnrekken, kortom fraude, list en bedrog op ons bord…en dit alles voor het grote geld. En dan even een kippenvelmomentje! Stellen wij ons nu na jaren plots de vraag, waar komen toch al die kankers vandaan? Ach ik heb deze ochtend lekker een zachtgekookt eitje weg gesopt en ik voel me nog steeds kiplekker en U??   Sim, 5 augustus 2017

Sim
150 0

DE HEILIGE KOE

Nog maar een paar jaren geleden, bevestigden wij onze fietsen achter aan de auto vast en reden richting één of ander fietsparadijs. Nu, vandaag de dag, draaien wij onze straathoek om en staan in de file. Of je nu rekening houdt met de huis- werk- spitsuren of niet, om de hoek sta je stil. Want er zijn veel teveel mensen en veel teveel auto’s.  Als wij op familiebezoek willen gaan, van de zuid-  naar de noordkant van Antwerpen, rekenen wij er sowieso al een half uur extra rijtijd bij, want je mag door de drukte op de autostrade op sommige stukken nog amper 70 km, in plaats van de toegelaten 120 km, per uur rijden. Kriskras wriemelen de wagens van het ene naar het andere baanvak, want het lijkt er immers altijd op, dat waar jij rijdt het veel trager en soms helemaal niet vooruitgaat. Met een beetje geluk rij jij zelf juist voor die ene wegpiraat die zigzaggend, zelfs over de pechstrook, van rechts naar links een ongeval uitlokt en de autobaan na zich, in een regelrecht compleet verkeersinfarct achterlaat. Want er zijn teveel mensen, teveel auto’s, teveel files en teveel wegpiraten . Als je vanuit het Antwerpse een daguitstapje naar de Belgische kust plant, moet je  alle inzittenden voor de rit onderweg van een noodrantsoen eten en drinken voorzien. Al snel wordt het drie uren autostradebumperen in de blakende zomerzon. Gezellig kleef je uren achteraan dezelfde auto, waar lieve kindjes door de achteruit wuiven, obscene gebaren maken of je het vingertje geven. Per meter vooruitgang, houd je het hart vast, want in de achteruitkijkspiegel, zie je telkens die vrachtwagenmastodont gevaarlijk dicht achter je bumper remmen. Als je twee linkerbaanauto’s voorbij treuzelt, kom je steevast telkens opnieuw naast die ene neuspeuteraar of die rijdende daverende discobarbolide te staan. Op de autoradio kwebbelt een stem een tiental minuten de verkeersinformatie en alle files aan elkaar. Zij vertelt je, veel te laat, juist voorbij die ene afslag, waar je het beste de autostrade kon verlaten. Volgens de radiodame zou je dan uiteindelijk langs de gewestwegen, door steden en dorpjes, via rotondes en verkeerslichten sneller je eindbestemming kunnen bereiken. Wie had er jaren geleden gedacht dat het woordje “snelweg”  de autolading helemaal niet meer zou dekken. Want er zijn teveel mensen, teveel auto’s, teveel files, teveel wegpiraten en teveel vertragingen. Als je de pech hebt dat je gemeente bestuurt wordt door een “Groene”, dan zie je al snel dat alle tweebaanswegen, waar je vroeger vrolijk door kon rijden, herschapen worden tot één- baanvak trajecten, waar, de kop staart aanschuivende auto’s, de bestuurders met de meest uiteenlopende uitlaatgassen elkaar trachten te vergiftigen. Want er zijn teveel mensen, teveel files, teveel wegpiraten, teveel vertragingen en teveel versmallingen. Ook in onze achterafstraten worden er, om het verkeer te vertragen, veel te hoge drempels aangelegd, waarover je, als je er iets sneller dan de toegelaten 30 km per uur, overheen gaat, als een stuntrijder omhoog gekatapulteerd wordt. Een ietwat geoefende fietser zoeft je met zijn twee vingers in zijn neus vrolijk voorbij. Want er zijn te veel mensen, teveel files, teveel wegpiraten, teveel vertragingen, teveel versmallingen en teveel drempels. Nu moesten wij laatst van Edegem richting Boechout rijden om iets uit de caravanstalling te halen. Maar in de gemeente Hove, die er juist tussenin ligt, presteerde men het, al meer dan anderhalf jaar, overal wegdek- en rioleringswerken tegelijkertijd uit te voeren en allerlei omleidingen uit te stippelen. Langs dit omleidingsparcours stonden er, om en om, langs beide kanten van de rijbaan overal ineens gigantische betonnen geel geschilderde bloembakken, zonder enige reflecterende signalisatie. Als een rallyrijder moest je door de velden, tussen de boerderijen en recente nieuwbouwwijken slalommen. Bijna verwonderlijk dat hier ’s nachts niet meer bloempotcrashes voorkomen. Een ritje dat je, normaal ruim berekend, op maximaal 20 minuutjes reed, duurde nu meer dan één uur en twintig minuten. We hadden het gevoel dat we heel Vlaanderen gezien en bereden hadden, want ergens onderweg was er in geen einde en verte nog een omleidingssignalisatie te bespeuren. Verder wordt je ook constant door een doemdenker weerman aangemaand niet met je wagentje de weg op te gaan als er ergens ten lande een onweersbui of sneeuwvlaag kon vallen of indien bevroren ijzel het wegdek in een ijsbaan kon veranderen. De strooiwagen kan dan immers ook niet strooien, want hij staat in de file. Als je dan toch, op eigen risico, meer varend, schuivend en sleerijdend,  besluit met je auto aan te sluiten aan de meest dramatische langste file ooit, dan kan je alleen maar hopen dat je zonder enige blikschade je eindbestemming bereikt. Ook in Antwerpen graaft men alle straten tegelijkertijd open. Het is zelfs zo erg dat mensen die in de haven werken nu niet meer met de auto op hun werkplek geraken, zonder eerst een rondje sightseeing fileleed te ondergaan. Sommigen hebben, uit pure ellende, zich een elektrische fiets aangeschaft waarmee ze langs de omgespitte putstraten kunnen manoeuvreren. Want er zijn teveel mensen, teveel files, teveel wegpiraten, teveel vertragingen, teveel versmallingen, teveel drempels, bloembakken en teveel omleidingen. En juist nu wordt die brug over het kanaal afgebroken, die ene brug die voor de inmiddels helft fietsende Antwerpenaren een behoorlijke shortcut bleek te zijn. Tot maart volgend jaar moeten ook de E-bike trappers een alternatieve fietsroute uitdokteren. Als je dan toch besluit, omdat je fiets ergens gepikt werd, opnieuw met je autootje richting stad of haven te pendelen, ben je uren zoet met het vinden van een parkeerplaats. Je bent in een wip een fortuin kwijt aan parkeergarages, parkeermeters of boete schrijvende parkeerwachters.  Want er zijn teveel mensen, teveel files, teveel wegpiraten, teveel vertragingen, teveel versmallingen, teveel drempels en bloembakken, teveel omleidingen en te weinig gratis parkeerplaatsen. Als enige tijdrovende alternatief heb je dan nog het openbaar vervoer. Dus je stapt op bus en tram en laat je statussymbool onbewaakt op je oprit of in je straat geparkeerd staan. Bij je thuiskomst kan je dan alleen maar vaststellen, dat tijdens je afwezigheid, dieven,  je velgen, je voor- of achterbumpers van,  en je gps- systeem, je radio, zelfs je airbag en stuur uit je auto gestolen hebben. Je auto-onderdelen rijden nu vermoedelijk, gedemonteerd, in een Oostblokvrachtwagentje richting rommel- of zwarte markt . Want er zijn teveel mensen, teveel files, teveel wegpiraten, teveel vertragingen, teveel versmallingen, teveel drempels en bloembakken, teveel omleidingen, te weinig parkeerplaatsen en veel te veel crapuul. Je wordt nog aangemaand om een nieuwe minder vervuilende auto te kopen, zodat je zonder problemen in de Antwerpse lage emissie zone binnen mag, maar je kan er nergens meer mee rijden, laat staan parkeren! Iedere burger zijn eigen auto. En daarom staan we nu met zijn allen uren met onze auto’s en camions benzine verdampend in de rij, stil, heel stil, onbeweeglijk, onveranderlijk, roerloos, stokstijf stil… En juist op het moment, als je dan uiteindelijk uit pure ellende beslist om je auto dan maar aan de kant of in je garage te laten staan, je de wandelschoenen wil aantrekken en te voet in de omgeving wil gaan rondstappen, valt er de jaarlijkse autoverzekering en de autobelasting in de brievenbus, de heilige koe moet gemolken worden….Want met die taks moet men de straten vernieuwen, versmallen, overal drempels en bloembakken plaatsen, omleidingen aanleggen, weg- en rioolputten graven, aan elke nog vrije parkeerplaats parkeermeters plaatsen en de lonen van de parkeersmurfen betalen..   Sim, op zondag wandelend door Edegem     16/7/2017

Sim
0 0

Voor altijd hier

Liefste   Het is hier heerlijk. Als ik kon, zou ik voor altijd blijven. Gaan we later in Italië wonen?   Veel kusjes   P.S.: Alles doet me aan jou denken. Ik mis je.     Het kaartje hing al maanden tegen de muur boven zijn bureau. Hij keek nog elke dag naar het mooie, sierlijke handschrift, dat tegelijk verraadde dat ze het heel snel had moeten schrijven. Telkens stelde hij zich voor hoe ze daar zat met haar gezin, aan een tafeltje dat eigenlijk te klein was om met vier personen aan te eten, op het terras van een of ander Italiaans restaurant. Hoe ze van haar mama die kaartjes echt wel op dat moment moest schrijven, op die te kleine tafel tussen de gemorste etensresten, terwijl ze dat liever rustig in haar kamer had gedaan. Bij zulke beelden verscheen er onwillekeurig een glimlach op zijn gezicht en tegelijk een traan in zijn ooghoek. Soms streelde hij over haar foto, probeerde hij zich te herinneren hoe zacht ze was, en verzachtte dat de pijn een beetje. Andere keren veroorzaakte dat een heuse waterval met zijn wangen als pijnlijk decor. Het niet weten was misschien nog wel het ergste. Hij wilde stilaan verder met zijn leven, zich klaarmaken voor een nieuwe relatie, maar altijd was er dat ene stemmetje. Wat als ze nog terugkwam? Als ze ineens voor de deur stond en hij een nieuwe vriendin had? Zij zou kwaad zijn en hij een bedrieger. Toch? Misschien was ze wel bewust verdwenen. In dat geval had alleen hij het recht om boos te zijn. De twijfel knaagde aan hem. Ze spookte niet meer constant door zijn hoofd, maar als ze er was, kwam het extra hard aan. Sinds een maand of twee gebeurde dat vooral in zijn dromen. “Ben je die meid nu nog niet vergeten?”, reageerden zijn vrienden als hij probeerde om erover te praten. “Kom op, ze heeft je zomaar achtergelaten. Zo iemand wil je toch niet?” “Ze was je sowieso niet waard,” zeiden zijn ouders. “En is het nog geen tijd om die foto weg te halen?” Hij haalde dan zijn schouders op, negeerde het, veranderde van onderwerp en praatte verder in gedachten.   Een nachtje Spanje “Wil je met me naar de sterren kijken?” Hij knikte, trok haar tegen zich aan en drukte zijn lippen tegen haar kruin. De motorkap van zijn auto zat niet goed, maar dat maakte niet uit. Zij lag in zijn armen, de hemel was vergeven van kleine lichtjes die eigenlijk al lang gestorven waren en die je alleen in het donker kan zien. Ze zaten daar, kusten, knuffelden en zwegen. Elkaars gezelschap was genoeg. “Ik wil voor altijd hier blijven. Komen we later in Spanje wonen?” Zelfs in zijn droom besefte hij dat dat niet klopte – ze wilde naar Italië. Toch knikte hij en beloofde dat ze dat zouden doen. “Met jou wil ik overal gaan wonen. Jij bent mijn thuis.” Dat was goed, ze leek tevreden. De wereld draaide en zij bleven even stilstaan, op hun plekje alleen op een verlaten weg tussen het dorpje en hun afgelegen verblijfplaats, alsof alles voor eeuwig goed zou blijven en niets hen in de weg stond. “Ik houd van jou.” Ze draaide haar hoofd zo dat ze in zijn ogen kon kijken en hij wist dat ze het meende. “Ik ook van jou.” Hij had geen enkel tijdsbesef en bijgevolg wist hij niet hoe lang ze daar zo zaten. Het was veel te lang geleden dat hij nog eens in haar prachtige ogen had kunnen kijken, dat hij die vlinders in zijn buik gevoeld had en dat hij zo intens gelukkig was. Het duurde allemaal veel te kort. Een fractie van een seconde sloot hij zijn ogen, maar toen hij ze weer open deed, was ze weg. Hij zat nog steeds op de motorkap van zijn oude autootje met alleen een gapende leegte naast hem. In de verte hoorde hij een gil en het geluid van een geforceerde motor. De paniek sloeg hem om het hart, meteen daarna het schuldgevoel. Op dat moment werd hij zwetend wakker, zijn wangen vol tranen, zijn borstkas ging snel op en neer. Hij had niet eens gemerkt dat hij was beginnen huilen. Het is niet jouw schuld, fluisterde hij tegen zichzelf. Echt niet.   Hartzeer Hij had die droom wel vaker gehad. Elke keer liep het hetzelfde af, elke keer voelde hij zich even schuldig, elke keer hoopte hij dat ze terug zou komen en zou blijven. Ook elke keer vervloekte hij zichzelf omdat zijn gevoelens voor haar weer een beetje versterkt waren. Ogen zijn maar gewoon ogen, tot ze je in vuur en vlam zetten en je beseft dat ze misschien zelfs een beetje ziel in zich dragen. “Heb je haar weer gezien vannacht?” Zijn mama wist dat ze niet over dromen moest spreken, want het waren eerder nachtmerries, al zou hij ze zo ook niet omschrijven. Het waren beelden, scenario’s, wat gebeurd zou kunnen zijn, wat misschien niet was geweest als hij haar had kunnen helpen. Het waren bijna martelingen. “Ja. Vreselijk.” Ze knikte, liet het onderwerp met rust. Gelukkig herhaalde ze niet nog een keer dat hij haar moest vergeten, dat het tijd was voor een ander, dat zijn verdriet wel heel lang duurde. Hij at langzaam zijn boterham op en vertrok naar de les. Nog steeds zag hij haar lege stoel en deed dat pijn. De aula’s waren niet meer die waarin ze samen hadden gezeten, veel proffen had ze nooit gekend, medestudenten leken er niet aan te denken dat elke plek die zij niet invulden van haar had kunnen zijn. Haar afwezigheid was soms zo pijnlijk dat het leek alsof ze in zijn oren schreeuwde en zijn hart van binnenuit opvrat.   Een avond Londen De lichtjes van de stad verlichtten hun laatste avond in het hart van Engeland. Ze hadden niet veel eerder een laatste keer de eekhoorntjes van St. James’ Park gevoerd, de kirrende lach die zij had uitgestoten toen er eentje over haar been naar boven klom, weerkaatste nog steeds in zijn hoofd. “Je bent zo mooi,” zei hij. “Londen ook.” Hij glimlachte, schudde zijn hoofd, bedacht zich wat een typische reactie dit was en sloeg zijn arm om haar middel. “En het leven met jou.” Ze gaf hem een zoen, alsof ze zo wilde bevestigen dat zij er net hetzelfde over dacht. De wereld was alleen van hen. Een liedje van Clouseau kwam spontaan bij hem op en hij begon zachtjes te zingen. Ik wil jou de wereld geven, die van ons kan niet meer stuk; ‘k neem je mee naar warme oorden op een eindeloze reis, dit zijn meer dan mooie woorden: jij verdient de Nobelprijs. Ze danste om hem heen, over het voetpad, op de straat. “Pas op, er rijden auto’s,” waarschuwde hij haar nog. De lampen van typisch Londense taxi’s, rode bussen en andere voertuigen leken soms meer een spotlight dan een gevaar voor haar. Ze speelde ermee, liet haar witte jurkje in het rond zwieren. Hier was het licht te fel om sterren te zien. Het kwam echter niet eens bij hem op om omhoog te kijken, zij eiste al zijn aandacht op. Zij was zijn ster, zijn licht in de duisternis, zijn alles. Terwijl zij danste, zelf zong wanneer hij er even mee stopte en het verkeer gewoon doorging, droomde hij over hun toekomst, probeerde hij zich in te beelden dat ze daar waren met twee kindjes – een jongen en een meisje en na haar de liefdes van zijn leven. Ze leken meer op haar dan op hem. Getoeter en piepende remmen haalden hem uit zijn gedachten. Hij wilde zijn arm uitstrekken, haar tegenhouden. Het was te laat. Ze vloog de lucht in, werd naar achteren gekatapulteerd. Haar witte jurkje kleurde bijna even rood als de bus die nog maar net kon uitwijken en zijn leven zo zwart als de taxi die ze niet had zien aankomen. Hij schrok wakker. Het was donker in zijn kamer, in zijn hoofd, in zijn hart, overal. Je kon niets voor haar doen, zei hij tegen zichzelf. Echt niet.   Zwart De nacht was zwart, de dag was zwart, alles was zwart. Het rood van liefde leek te zijn verdwenen, zelfs die voor haar. Enkel ’s nachts keerde het af en toe nog terug, heel kort. Hij klom langzaam uit zijn dal, kon bijna accepteren dat ze niet meer terug zou komen.   Een dag Italië Ze zaten samen in een restaurantje in Italië. De tafel was groot genoeg voor twee, maar die voor vier waren eigenlijk te klein om met een gezin aan te eten. Het rook er naar pizza en pasta. “Proscuito e melone,” bestelde ze. Dat deed hem altijd even glimlachen. In warme landen was meloen met ham haar lievelingsgerecht, dat wist hij al. “Zullen we nu onze kaartjes schrijven?” Eerst protesteerde ze, ze wilde tijd om na te denken wat erop moest, om te beslissen wie welk kaartje kreeg en mooi te schrijven. Hij wist haar om te praten: hier in San Gimignano hingen postbussen en dan hadden ze een stempel van haar favoriete Italiaanse dorpje. Ideaal, vond hij. Oké, vond zij. Na even nadenken schreef ze op elk kaartje hetzelfde. Het is hier heerlijk. Zonnige groetjes uit Italië. Hij vond het nogal onorigineel, maar wist zelf ook niets beter te bedenken. Alleen bij het kaartje voor haar ouders schreef ze een zinnetje extra. Als ik kon, zou ik voor altijd blijven. “Gaan we later in Italië wonen?” Dat was tegen hem en hij knikte. “Het maakt me niet uit waar we wonen, jij bent mijn thuis.” Daarop pakte ze zijn hand vast, drukte haar zachte lippen er tegenaan en gaf hem zo onbewust duizenden vlinders. “Te quiero.” Ze lachte. “Dat is Spaans, slimmerik.” Hoe het in het Italiaans dan moest, wist ze niet. Ze schreven verder kaartjes en zij wilde aan alle postzegels likken, want dat vond ze lekker. “Vreemde smaak heb je.” Daarop kaatste ze de bal echter meteen terug. “Besef je dat je net ook jezelf hebt beledigd?” Het duurde even voor het tot hem doordrong wat ze bedoelde. Er verscheen spontaan een pijnlijk grimas op zijn gezicht en hij bewoog zijn hoofd heel zachtjes op en neer. Onderweg terug naar de auto postte ze de brieven, draaide ze rondjes onder zijn armen door, zoende ze hem op de meest onverwachte momenten op de vreemdste plaatsen. Mensen draaiden zich om en keken naar hen, maar dat maakte niet uit. Hij was trots op haar, op zijn eigen, gekke, lieve vriendin. Die avond zaten ze samen op het terras van hun Bed&Breakfast, keken naar de heuvels en eindeloze boomgaarden die zich voor hen uitstrekten. Af en toe vlogen er vogels voorbij, kwamen er merels drinken aan het zwembad, deed een wesp haar van haar stoel opspringen. “Weet je dat ik schreef dat ik hier zou willen blijven wonen?” “Ja, dat heb ik gezien.” Ze slikte, draaide haar hoofd lichtjes opzij en vermeed elk oogcontact. “Ik heb hier een studiootje gevonden. In Rome, eigenlijk. Morgen trek ik erin, overmorgen laat ik mijn naam veranderen en binnen drie dagen ben ik verdwenen in de massa. Zoek me niet, alsjeblieft. Het spijt me echt. Ik wil gewoon verdwijnen.” Hij werd wakker met tranen op zijn wangen, zijn hoofd begraven in zijn kussen. Het is haar eigen keuze, daar kan je niets aan doen, zei hij tegen zichzelf. Echt niet.   Stilletjes helen Zijn derde droom was het pijnlijkste en zachtste scenario dat hij zich kon voorstellen tegelijk. Ze leefde nog, was vast gelukkig, had ervoor gekozen om te verdwijnen en alles en iedereen achter zich te laten. Dat nam niet weg dat hij zich afvroeg waarom hij niet mee mocht. Had hij iets verkeerd gedaan? Soms dacht hij dat haar ouders misschien wel beslist hadden om in Italië te blijven en een nieuw leven te gaan leiden. Hadden ze geheimen? Wat wist hij allemaal niet? Het brak zijn hart, zijn hoofd, zijn slaappatroon, alles. Het helingsproces leek eeuwen in beslag te nemen. Op de meest vervelende momenten dook ze bij hem op, vroeg hij zich af wat er aan de hand was, of hij wel echt kon doen en laten wat hij wilde, want ze zou zomaar eens plots voor zijn deur kunnen staan. Na twee jaar moest hij wel stilaan accepteren dat dat niet zou gebeuren. Ze was weg, ze bleef weg. Haar lichaam leek onvindbaar, zijzelf ook. De politie schatte de kans dat ze nog leefde in op bijna nul. “Je kon er niets aan doen”, zei zijn mama dan. “Echt niet. Als je mee was geweest op vakantie met haar, dan zat jij hier nu misschien ook niet. Had je dat liever gewild?” Hij schudde elke keer zijn hoofd en meende dat hij het wel goed vond zo. De mogelijke scenario’s in zijn hoofd namen af, het gepieker verdween hoe langer hoe meer naar de achtergrond en een ander meisje begon haar plaats in te nemen. “Nee, dat niet.” Even dacht hij na, toen vulde hij aan. “Ooit ga ik op vakantie naar Italië, naar diezelfde plaatsen, zien wat zij zag en waar ze zo graag voor altijd wilde blijven, hetzelfde avontuur beleven en dezelfde dingen ontdekken. Als ik een lieve vriendin heb om mee te nemen en de kracht om alles te bezoeken zonder me in te beelden dat zij er ook is, dat ze met mij naar huis gaat, dat ze veilig is. Ik hoop niet dat ik haar ga vinden. Ze is weg. Voor altijd.”

Marthe
0 1

Zondagrituelen

Linda en Gert prutsen aan hun quads. Dat is hun zondagochtendritueel. Al jaren. Linda was ermee begonnen toen bleek dat Gert niet zo een viriele man was als hij de eerste vijf jaar liet uitschijnen. De eerste vijf jaar van hun verkering nam Gert immers elk vrij moment te baat om Linda in allerlei posities te grazen te nemen. Linda vond dat leuk. Ze werd graag te grazen genomen; zeker in de tuin wanneer de mogelijkheid bestond dat de frisse moslimbuurman hen kon beloeren. Maar nu wordt Linda niet te grazen genomen. Nu prutst Linda aan haar quad.   Claudia is acht en is de dochter van Linda en Gert. Ze is intelligent, knap, speels, moedig, grappig en bijt elke zaterdagnacht rond twee uur de banden van Linda's quad stuk. Ook de banden van die van Gert moeten eraan geloven. Claudia is namelijk verlekkerd op rubber. Haar droom is om een rubberplantage te beginnen in Congo. In het diepe binnenland van Congo.   Gert: 'Staat ons huwelijk op springen, liefje?' Linda: 'Geef me die moersleutel eens aan.' Gert: 'Ik bedoel... Ik ben ook niet meer gelukkig. Dus kunnen we geen regeling treffen?' Linda: 'Olie alsjeblief.' Gert: 'Ik weet niet of het Midden-Oosten de ideale plaats is om een dochter op te voeden.' Linda: 'Wil je ze?' Gert: 'Wie?' Linda: 'Je dochter.' Gert: 'Heb je het over het hoederecht?' Linda: 'Of co-ouderschap. Ik weet niet hoe die dingen noemen de dag van vandaag. Olie?' Gert geeft Linda de smeerolie. De wrijvingen verminderen onmiddellijk.   Claudia ligt in haar bed te dagdromen over Congolese rubberplantages. Ze mag haar kamer niet uit als straf voor de stukgebeten quadbanden. Al drie jaar mag ze 's zondags haar kamer niet uit. Maar Claudia voelt zich niet alleen. Ze voelt zich nooit alleen, ze dartelt in haar dromen rond tussen de rubberbomen van haar plantage. Ze zal de Congolezen een goed loon uitbetalen, denkt ze. En een quad. Elke Congolees zal een quad krijgen. En een goed loon.   Gert gaat zoals elke zondagavond darten met zijn vrienden. Dat is het moment waarop Linda het huis uit glipt en zich in het bed nestelt van haar frisse moslimbuurman. Hij neemt haar te grazen. Linda valt in slaap. De frisse moslimbuurman durft haar niet wakker te maken. Hij is onder de indruk van haar blondheid en borsten. Hij legt zijn hoofd op haar buik en hoopt dat ze beiden wakker worden in het paradijs maar hij beseft dat dat onzin is en neemt haar nogmaals te grazen. Ze vallen beiden in slaap. Gert ligt dronken te slapen op de vloer van het café waar hij dart. Zijn vrienden hebben dartpijltjes in zijn wangen gestoken bij wijzen van grap. Claudia dwaalt door het donkere huis. Ze heeft honger. Ze ziet de quads en hun banden. Ze kan er niet aan weerstaan.   Het is zondagnacht

Michaël Verest
36 0

Otto, deel 1

We zitten zwijgend naast elkaar in de auto. Bart lijkbleek achter het stuur, ik als in een pijnlijke roes. Het lijkt alsof mijn middenrif tegen mijn rug plakt. Ik probeer Barts blik te vangen, maar hij houdt zijn ogen strak op de weg gericht. De auto krijgt een stevige ruk wanneer een vrachtwagen ons met een rotvaart voorbij steekt. Bart klemt zijn kaken op elkaar, ik weet dat hij inwendig vloekt. Mijn oude Nissan Micra puft en steunt tegen negentig per uur op de rechterrijstrook, terwijl we om de paar seconden voorbij worden gestoken. Voor het eerst sinds we elkaar kennen steekt Bart het niet op de wagen en maak ik geen grapjes over zijn rijstijl. Vandaag heeft ons allebei het zwijgen opgelegd. Wanneer we na tien eindeloze minuten de snelweg verlaten en hij de wagen even later de oprit op manoeuvreert, voel ik hoe mijn lichaam zich overgeeft aan een opslorpende vermoeidheid. thuis. Hij is intussen om de auto heen gelopen en opent mijn portier. Een niet te benoemen gevoel gaat door me heen wanneer hij het wiegje van mijn schoot tilt. Ik onderdruk de neiging om ze uit zijn handen te trekken, stap uit en loop hem moeizaam achterna naar de voordeur. We zwijgen nog steeds. De hiel van zijn linkerschoen is helemaal scheefgelopen en de kraag van zijn hemd zit dubbel. Heel even lijkt het of hij terug mijn puisterige buurjongen is en we allebei weer dertien zijn. Ik weet niet meer wanneer mijn afgrijzen voor hem juist is omgeslagen in liefde. Hij is er gewoon nooit niet geweest. ‘Zal ik hem in zijn wieg leggen?’ vraagt hij zonder me aan te kijken. Ik wil hem vragen wat hij denkt. Of hij boos is op mij. Hem zeggen dat zijn kraag dubbel zit. ‘Ja, dank je. Vind je het goed als ik me even in de zetel leg?’ ‘Tuurlijk, schat. Ik ben in de keuken, roep maar als je me nodig hebt.’ Ik wacht tot hij in de keuken is verdwenen en buig me over het witte babybed. Otto is zo stevig ingepakt dat hij wel een popje lijkt. Hij ziet er prachtig uit. Zijn neus is rond en stevig, zijn kleine lippen zijn perfect gevormd. ‘Wat ben je mooi, lieveling.’ fluister ik tegen zijn volmaakte gezicht. ‘Mijn kleine, mooie Otto.’ Ik leg mijn hand op zijn gemutste hoofdje. De vroedvrouw heeft gezegd dat we daar beter afblijven omdat zijn schedel nog niet helemaal af is, maar ik kan me niet inhouden. Even lijkt het of hij beweegt. Alsof zijn lichaam zachtjes schokt en hij dadelijk zal wakker worden. Ik weet intussen dat hij koud en hard aanvoelt en ik zie de donkere vlek boven zijn linkeroog. En toch krijg ik de gedachte dat hij plots wakker kan worden maar niet uit mijn hoofd. Ik blijf beweging in zijn armen zien. Zoals eergisteren. Eerst bewoog hij zijn vuisten in lichte schokjes, daarna strekte hij zijn vingers en begon hij zijn hoofdje te schudden. Daar was ik niet op voorbereid. Hij opende zijn ogen en keek recht in de mijne. Helblauw. Daarna gleden ze zachtjes weer dicht. Ik heb altijd gedacht dat ik nooit over een vorm van moederinstinct zou beschikken, maar op dat moment voelde ik hoe het me bij de keel greep. Een enkele blik heeft mij van een doodgewone vrouw tot een moeder gemaakt. Twee, hooguit drie seconden. Ik kan onmogelijk uitleggen hoe het komt en hoe het voelt. Als ik lang genoeg naar hem kijk, lijkt het alsof hij zijn ogen toch opnieuw opent. Alsof het allemaal maar een droom was.

Annelies Leysen
0 0
Tip

Jeuk

In de zomer van 1943 moest Gurkje op een namiddag eieren brengen naar een oom en tante die met hun kinderen uit Rotterdam waren gekomen, na de bombardementen. Ze waren in het huis naast de smidse getrokken, waar de oude Matse had gewoond. Ze liep traag, haar benen voelden zwaar. Oom en tante deden uit de hoogte, alleen maar omdat ze uit de stad kwamen. Altijd was ze bang iets doms te doen als ze bij hen was. En dan was neef Fer er nog, bij het vechten met de andere jongens dreigde hij met een mes. Huu. Hij was al vijftien en had een snorretje, een beetje een vies snorretje. Ach, misschien waren de nichtjes er wel. Hè, haar lange wollen kousen kriebelden zo achter haar knieën. Zou het vanavond weer helemaal rood zien, net als gisteren? Nou, ze smeerde er heus geen karnemelk op hoor. Niet nog eens. Moe kon dat wel zeggen, maar het was erg gaan stinken. Bah. Het kwam vast door de warmte dat die kousen zo kriebelden.   De keukendeur was open, Fer zat aan de keukentafel. Eigenlijk was er niks mis met zijn snorretje als je hem zo rustig zag zitten lezen. ‘Vader en moe zijn er niet,’ zei hij. Ze voelde haar hart bonzen, heel raar, niet alleen in haar keel maar ook ergens diep in haar buik. Daar zat haar hart toch helemaal niet? ‘Ik kom eieren brengen, de kippen hebben goed gelegd.’ Ze zette het mandje op tafel. Zou ze verder nog iets tegen haar neef moeten zeggen? Hij was best wel knap, zoals hij daar aandachtig naar haar zat te kijken. ‘Je bent toch een mooi meidje, voor in zo’n stom boerengat,’ zei hij. Ze wiebelde een beetje, van haar tenen naar haar hielen en terug, zijn stem klonk zo vreemd; stoer en beslist maar ook vriendelijk. Er kriebelde iets, maar het waren niet haar kousen en het kriebelde ook niet aan haar benen. Ze wist niet goed waar het wel kriebelde.  Zou dit nou vleien zijn, wat hij daar deed? De nonnen op school waarschuwden voor vleiende mannen. Maar hij was haar neef, of is dat ook een man. Fer stond op, nu kon ze niet meer naar buiten, haar neef en zijn stoel blokkeerden de weg tussen tafel en gootsteen. Wou ze dan weg? Nee, ze wou weten hoe het verder ging. Ze schuifelde naar achteren. Hè, ze moest plassen en het gemak was buiten, in de tuin. De kraan drupte, ze duwde haar bovenbenen steviger tegen elkaar. Fer had toch een mooie glimlach, zo volwassen, alsof hij alles wist. Gek dat ze dat niet eerder had gezien. Wanneer zou ze eigenlijk borsten krijgen? Oei, wat een rare gedachte, waar kwam die nou weer vandaan. Het was misschien wel een zondige gedachte. Zou het? Moe had ook borsten. Toen deed Fer zijn broek naar beneden, zonder iets te zeggen. Zijn piemel was dik en paars en stond omhoog. Ze voelde een zweetdruppeltje van tussen haar haren omlaag naar haar neus lopen en maagzuur dat naar boven kwam. Nu moest ze wel weg, straks ging ze nog zo over die piemel spugen. Ze loerde naar het keukenraam en de deur. Het lukte haar niet om te bewegen en er wou geen geluid uit haar mond komen. De jeuk achter haar knieën werd erger en ze moest nog steeds plassen. Plots werd de stilte van die zomermiddag verbroken door het gerammel van emmers bij de buren. Er ging een schok door Gurkje heen, ze keek van de tafel naar de deur, dook in elkaar en schoot onder de tafel door naar buiten. ‘Huh’, zei Fer. Hij stond nog bij de tafel toen ze door de tuin rende. Bij het hekje voelde ze dat ze in haar broek pieste. Een beetje maar.   Ze rende naar de nonnenschool, die was vlakbij. Achter de kapel kon niemand haar zien, de struiken daar stonden vol in blad. Ze schortte haar rok op, deed haar onderbroek naar beneden en hurkte. Ze voelde de pis naar buiten sproeien. In haar onderbroek zat een natte plek maar die zou met dit weer wel drogen. Weer aangekleed bleef ze daar nog wat staan. Het bonzen van haar hart nam af, haar maag werd rustig. Ze wreef over de jeukende plekken achter haar knieën. Vanuit de kapel hoorde je de nonnen zingen en bidden. Misschien moest ze iemand vertellen wat er gebeurd was, maar wie dan. En wat als ze Fer zijn dinges zou moeten beschrijven of als ze vroegen wat ze allemaal had gedacht. ‘Et in saecula saeculorúm, Amen,’ klonk het. De nonnen zouden zo naar buiten komen en daarna was het al bijna spertijd. Ze kon beter naar huis gaan. Gurkje kroop door de struiken naar de kant van de sloot. Hè, ze had het mandje vergeten, het stond nog op de keukentafel bij Fer. Nou kreeg ze natuurlijk een standje.

Marijke Roza-Scholten
37 3

Een penvriend

“Zo af en toe iets rustig neerpennen? Dat valt eigenlijk wel best mee hoor...” Zei ik tegen mezelf toen ik een persoonlijke dodentocht van 15km vroegtijdig moest afbreken omdat ik verdomd hard moest gaan kakken. Sommmige zaken vallen moeilijk te bepalen anno 2017... Er zijn niet veel zekerheden in het leven, en al zeker niet of er al een keuze bestaat wnr je wilt gaan kakken bijvoorbeeld. Ik heb zo ooit eens op een warme zomermiddag mijn driekwartsbroek volgescheten toen ik met vrienden was gaan zwemmen aan het fort hier in Oelegem. Tussen de lauwe Bacardi Breezers en de gezellige deuntjes van Franz Ferdinand op de Discman, sprongen we daar regelmatig het koude water in om wat afkoeling te zoeken. Maar jullie lezers... zullen zich niets meer van die tijd herinneren, ik betwijfel dat ten zeerste... Want ondanks mijn 28jarige leeftijd ben ik nostalgisch gezien 2000jaar oud. Ik ga onbewust één van de vele zeikerds worden die je op café tegenkomt die jongere mensen hun zakken volgiet met nostalgische verhalen van...    “Goh! In mijnen tijd é suske...”   Waren er nog echte warme zomers, en winters waar ze in Siberië nog eens niet aan toe zijn. Wij hadden teletekst! Mijn eerste GSM was een Nokia 3310 waarvan er maar 10smsjes in de inbox konden... Met die GSM’s konden verdomse een Leopard-tank in frut van één kloppen. In mijnen tijd waren er nog fuiven, knokpartijen met omringende gemeentes, heksen werden verbrand, heidenen verdreven en buiten gepest. Er was Michael Schumacher die even goed kon racen als skieën, Buffalo’s waren een statement, België werd nog niet geteisterd door de euro maar we hadden de Belgische frank verdomme. Als ge thuis op de computer blote tieten aan het bestuderen waart konden de mensen u niet contacteren op de thuistelefoon... Angelina Jolie had toen trouwens nog de eer om een stel tieters te mogen bezitten. Jacques Brel scoorde een geweldige hit met “Ne me quitte pas”, Jean-Luc Dehaene was dik en leefde nog, Felice leefde ook nog en presenteerde het swingpaleis. Er waren nog geen herhalingen van FC de kampioenen. Pasgeboren baby’s zoals Anna Frank werden warm gehouden onder de Leuvense stoof. De Falklandoorlog van 1982 staat nog steeds in mijn geheugen gegrifd. Jeanne d’Arc heb ik leren paardrijden. In Oostenrijk heb ik nog samen met Jörg Haider schnaps liggen zuipen in de discotheek “Wiener Freiheit”. Op reis in Turkije heb ik nog geweten dat de “Jonge Turken” een beetje gefrustreerd waren op hun Armeense vriendjes. De toren van Pisa stond nog recht.   Kortom, echte nostalgische verhalen waar jullie nog wel iets van kunnen opsteken. In ieder geval, toen ik hier thuis kwam en mijn toilet vol met sproeten aan het bekladden was dacht ik even terug aan die tijd toen ik als jonge knaap, met een broek vol kak, naar huis was aan het fietsen om een andere modieuze driekwartsbroek aan te doen. Ik probeerde het natuurlijk te verbergen voor mijn moeder dat haar oudste zoon een “accidentje” had gehad. Tevergeefs... Zelfs een blinde had “schaamte en ongemak” kunnen aflezen op mijn gezicht.   Het is niet zozeer de gebeurtenis zelf die ik met jullie wil delen, maar in tegenstelling dat ik het in mijn verleden moeilijk had om bepaalde momentopnames te verbergen... Wel daar ben ik nu heer en meester in.   Ik heb namelijk een penvriend.   Spannend toch? Echt iets dat op mijn olympisch lijf geschreven staat, al zeg ik het zelf. Mijn echte identiteit geef ik natuurlijk niet bloot aan de loser die mijn brieven te lezen krijgt... Nee... erger nog...   Als ik mijn penvriend stalk met alle rotzooi die ik hem opstuur ben ik Wilfried. Wilfried is 63jaar, heeft een athletenlichaam dat kurkdroog op de weegschaal 194,56kg!!!!!! tegen hem roept, is biseksueel, heeft 7katten die hem gezelschap houden in zijn veel te kleine studio in Meulebeke, en heeft zonet promotie gemaakt op zijn job bij “Transport Vandendorpe Zwevegem” door een gloednieuwe camion onder zijn crocs  geschoven te hebben gekregen... Namelijk een Iveco Stralis. Hobby’s heeft deze gatblazer evenveel als mensen in zijn leven... Niets of niemand dus... Ook nog heeft Wilfried te kampen met het probleem dat zijn Medion tablet van den Aldi gecrashed is wegens het teveel downloaden van dierenvriendelijke porno.   Arme Wilfried.   Al een geluk is er nog zijn buurman, boer Teun... Deze magere nietsnut wiens ballen op 58jarige leeftijd nog steeds niet zijn ingezakt, houdt zich vooral bezig met pogingen te ondernemen om zijn boerenveld iets meer vruchtbaar te laten worden dan hijzelf. Boer Teun heeft dan weer wel het geluk om in het bezit te zijn van 12 zeer goede melkkoeien... Romy, Belinda, Dineke, Kaylee, Flora, Ljoeba, Frouke, Bahukshira, Ellemiek, Hope, Brigida en Moppie produceren elks een 50liter volle melk per dag. Wat mijlenver boven het gemiddelde ligt van een doorsnee melkkoe.   Als de tijd rijp is mag Wilfried, na het fantaseren over een orgie met jonge veulens, komen helpen met het melken van de koeien... Handmatig wel te verstaan... We zijn in de Vlaanders dus we moeten rekening houden met het feit dat er zich nog taferelen plaats vinden waarvan zelfs ik met mijn nostalgische leeftijd van 2000jaar geen antwoorden op kan bieden...   Vol passie en overgave gooit robuuste Wilfried zich in de strijd om ons allen te voorzien van volle melk. Het is al lang geen geheim meer dat deze vetzak een boontje heeft voor zijn buurman. Wie zou er anders zijn vrije tijd opofferen om koeien te gaan melken? Dit zijn toch duidelijke signalen? Niet? Wat heeft boer Teun te verliezen vragen we ons allemaal af?   Boer Teun is impotent en vreselijk onzeker... Wat raar is, want vroeger in zijn jeugd heeft hij nog brons behaald tijdens de 75meter zaklopen bij de juniors. Als ik me niet vergis was het tijdens de jaarlijkse kermis in Ardooie. Er waren ook maar 3deelnemers trouwens. Komt er nog eens bij dat deze überloser nog niet over de mislukte romace heen is geraakt met zijn nicht Chelsea, waar het vroeger bij de juniors een eitje was om een parcours af te leggen zonder 80keer vallen maar 79keer, heeft onze vriend het nu zeer moeilijk met het gegeven “vallen en opstaan” op liefdesgebied. Ik geef toe dat Chelsea zeker niet de liefste was... Laten we maar zwijgen over het woord knap... Het nichtje van boer Teun had de pech te beschikken over een stel slappe tieten, een kurkdroge doos, en welgeteld 12tanden... Als dat geen toeval is. En een klein detail, Chelsea was 44jaar... jonger... Wat maakt dat het misbaksel met een veel te lelijke naam amper 14jaar oud was toen ze de liefde probeerde te bedrijven met boer Teun.   Een andere spijtige zaak in een zaak die alleen maar spijtige zaken kan verder brengen is dat ik tegenwoordig, allé, eigenlijk nooit echt respons heb gekregen van de loser die mijn brieven te lezen krijgt. Paco vindt het blijkbaar niet nodig om eens terug te schrijven naar mij. We leerden elkaar kennen op netlog, ik had nog niet zo lang geleden daar een “shout” op geplaatst dat ik nogal zeer wanhopig op zoek was naar een echte penvriend with benefits. Het profiel van “DePutaMadre_69” sprak me enorm aan, en ik hoopte echt op meer toen hij mij beloofde om mijn beste en eenigste penvriend te worden voor altijd.   Uiteindelijk had ik er zoal mijn bedenkingen bij toen ik naar hem begon te schrijven. Paco is blijkbaar een Spaanse gelukzoeker die van zijn hobby zijn beroep heeft kunnen maken. Ballet. Hij heeft het “Ballet Flamenco dé Madrid” door de grote poort verlaten voor een nog groter avontuur bij het “Koninklijk ballet van Vlaanderen”... Balletdansers zijn zo een beetje van adel als het aankomt op arrogantie. Beweren bij hoog en laag dat de wereld onder hun tutu ligt. Hopend dat ik Paco eens goed tegen zijne zak mag stampen, ben ik er zeker van dat deze puber met pornosnor nooit succes zal kennen zoals ik met mijn teksten die ik online zet op Azertyfactor.     Het zal u leren om niet terug te schrijven naar mij capullo!

Bart Van de Peer
0 0

Vliegen

Het was de tijd van het jaar. De tijd voor onze jaarlijkse uitstap naar de kust. Het was maar voor een paar dagen, maar toch probeerden we de dagen niet te tellen. Aan de krant, die we ’s morgens beurtelings doorbladerden, zagen we welke dag van de week het was. Op de tweede dag trokken we naar die grote stad aan zee met de viskraampjes aan de haven. Onze oudste had de trip van een jaar eerder duidelijk nog niet verteerd. Het voorval kwam dan ook meteen ter spraken toen we het station uit wandelden, waar we de vis al roken en de eerste kraampjes in ons gezichtsveld opdoken. Vorig jaar bestelden we er maatjes en kibbeling. “Pas op voor de meeuwen”, waarschuwde de visverkoper ons toen. Onze oudste had het niet gehoord -of niet geloofd- en stapte met de portie kibbeling in zijn hand moedig de weg over. Een meeuw had hem evenwel in de smiezen en dook rakelings over zijn hoofd, waarbij ze bijna een gratis lunch te stekken had. “Nee nee nee’, zei hij dit jaar, met een blik op de meeuwen die op de kramen zaten. Hij dacht wellicht dat de beesten hem nog herkenden. “We kopen zeker niets aan die viskramen.” We besloten dan maar om langs de kustlijn een hapje te eten. We stapten een restaurant binnen, duidelijk buiten de meeuwengevarenzone. Een jonge medewerker wees ons naar een tafel. Hij was er één van het enthousiaste type. Een felle. Dat zagen we meteen. En zijn enthousiasme werd er allesbehalve minder op. Toen mijn vrouw een bruiswater bestelde, gebaarde hij zoals kinderen tijdens een cowboyspel wel eens doen als ze met hun vingers een revolver uit een denkbeeldige holster trekken. Hij draaide zich om en beide wijsvingers schoten naar de kust. “Als u bruiswater wenst, moet u daar zijn mevrouwtje. Het zeetje is volop aan het bruisen.” Waarna hij in een lachsalvo schoot, alsof hij de mop voor het eerst vertelde. Iets in me zei dat dit zeker niet het geval was. Even later kwam een andere medewerker onze maaltijd brengen. De felle kregen we niet meer te zien. Plots, bij het afrekenen, vloog er zowaar een duif door de open deur naar binnen. “Die zien we hier bijna elke dag”, vertelde de medewerker. De kinderen waren al achter de rug van mijn vrouw gedoken.  Ze dachten dat het een meeuw was, maar de man stelde hen gerust. “Nee, meeuwen komen hier niet binnen”, zei hij. “Maar deze duif zien we hier elke dag wel eens naar binnen vliegen.” Ik meende nog iets te vragen over de andere medewerker, of hij ze ook zag vliegen, maar ik zag hier toch maar van af. De rest van het gezin was al naar buiten gevlogen.  

Rudi Lavreysen
0 0

Aan de ontbijttafel

Ze was die ochtend om half zeven opgestaan. Het was haar mans beurt om uit te slapen. Haar twee zonen smulden van een bruine boterham met Kwatta-choco, toen plots haar telefoon plingde. "Wie stuurt er nu op zo'n ontiegelijk uur een berichtje", dacht ze. Maar de avond was nog maar net gevallen. Zijn haren glansden en op zijn rug droogden de laatste druppels van zijn koude douche. Die kon hij wel gebruiken na een hele dag vergaderen. De airco in het nieuwe kantoorgebouw deed het nog niet, waardoor de Texaanse hitte vrij spel kreeg. Hij had de grootste moeite om zijn aandacht bij de balance sheets te houden. Gelukkig had hij geen interviews vandaag. Die waren pas morgen gepland. Hopelijk deed die verdomde airco het dan wel.   Net een drukke dag achter de rug. Geen airco in het nieuwe kantoor. Al een geluk dat jij er niet was.   Achter haar zaten haar zonen vliegtuigen en draken te maken van hun boterhammen.   Hoezo een geluk?   Ze stak een pad in het Senseo-apparaat. "Als hij eens wist dat ik Senseo drink", grinnikte ze in zichzelf.   Dan was het pas echt broeierig geworden.   Het vliegtuig maakte een looping, de draak bestormde de hemel.   Zeker als ik die blouse met knoopjes zou dragen. Dan was je helemaal van je stokje gegaan.   Ze duwde op het knopje met twee tassen. De Senseo liep door.   Over stokken gesproken. Door nog maar aan jou te denken krijg ik al een harde.   Ze sipte van haar koffie. "Mamaaa, Emiel heeft de vleugel van mijn vliegtuig opgegeten!" "Maar Wannes heeft de staart van mijn draak getrokken!" "Net op tijd", dacht ze.   Hij stopte zijn Italiaanse designerhemd in zijn broek en wierp een zoveelste blik op zijn telefoon. "Trut", dacht hij terwijl hij het volgende nummer in zijn contactenlijst zocht. "In die blouse lijk je toch dik."   Later, veel later schreef haar man:   Laat haar godverdomme met rust.   Hij had het eindelijk ontdekt. Het was alsof er een betonblok van haar schouders viel. Ze was niet meer alleen. Ook hij vertrouwde nu niemand meer.

het stille meisje
9 0

Welkom, mijn kleine wonder

Acht maanden had ze hem gedragen. Was haar lichaam opgezwollen, zaten haar voeten vol water, haar buik vol bloed en vocht en koek. Acht maanden had ze zichzelf uit bed gesleept, was ze net op tijd (of net te laat) naar de badkamer gekropen. Op haar knieën gaan zitten, met haar hoofd boven de toiletpot gaan hangen. Of boven het bad. De lavabo. De douche. De emmer naast haar bed. Ze had in haar leven nog nooit zoveel honger gehad. Ze at alles. Ze vrat nog meer. Iedere week joeg ze er drie grote zakken Maltesers van 135 gram door. Ze wist toen nog niet dat er party emmers van een halve kilo bestonden.   Elke dag kon ze wel een hele diepvriespizza op. Liters Nesquick dronk ze, vergezeld van een half brood met Kwatta. Ze had in haar leven nog nooit zoveel gekotst. De geur van half verteerde boterhammen met choco vergeet ze nooit meer.   Ze was nog nooit zoveel afgevallen. Vijf kilo op twee weken tijd. Toen ze na al dat kotsen in volle paniek en tjokvol hormonen de dokter van wacht belde op een zaterdagavond, was het verdict snel duidelijk: hyperemesis gravidarum of extreme misselijkheid. Ja, dat wat Kate Middleton had. Naar het ziekenhuis, stante pede aan een baxter gaan hangen. En slapen, alleen maar slapen.   Wie zegt dat zwanger zijn geen ziekte is, is zelf nog nooit zwanger geweest. Of is één van die duizend vrouwen ter wereld die een droomzwangerschap beleeft.   Ze had in haar leven nog nooit zoveel gewogen. En toch woog ze op het einde slechts zes kilo meer dan in haar corpulente periode, toen de weegschaal ook boven de zestig kilogram toornde.   Ze had in haar leven nog nooit zoveel gelogen en bedrogen en gehuild als in die acht maanden. Ze loog over wat ze at en niet at. Hoeveel uren ze geslapen had. Welke taakjes ze uitvoerde. Wat de poetsvrouw of haar collega nu weer vergeten was.   Ze loog over wat ze droomde. Ze loog over wat haar opwindde en met wie ze sliep. Ze loog over haar overuren en met wie ze die doorbracht. Ze loog over welke pillen ze nam. Over wat ze dronk. Ze loog over van wie ze hield en wie ze verafschuwde.   Acht maanden had ze hem gedragen, maar toen hij zich eindelijk veel te vroeg aankondigde, voelde ze zich leeg. Niet alleen had ze al het vocht en bloed en koek en de pizza van de avond voordien eruit geperst. Alle emoties waar ze de maanden voordien van overliep, had ze met dat kind meegeduwd. Ze waren weg. Haar vat was leeggetapt. Haar borsten zaten vol, maar haar buik en hart waren leeg.   Wanneer hij huilde sleepte ze zich mechanisch uit bed. Ze legde hem op haar boezem en voelde haar borsten zwellen, haar baarmoeder samentrekken. Maar in haar hart was het kil.   Ze had hem acht maanden gedragen. Drie weken later lag hij in zijn wiegje achter het raam in de zon. Hij droeg een wollen vestje en over zijn lijfje lag een felgroen fleece dekentje. Na drie uur wenen en drinken en kakken was hij eindelijk ingeslapen. Ze had hem lekker warm ingeduffeld. Te warm, wist ze.   Ze had hem acht maanden gedragen, maar toen hij drie weken later voorgoed insliep in de eerste februarizon voelde ze niets.  Alsof die februarizon ook haar leven had weggesmolten. 

het stille meisje
0 0

Gereserveerd gepamper is een mannenzaak

Gereserveerd gepamper is een mannenzaak, en het liefst van al zijn het de alleenstaande übermannen zoals ik die graag pamperen... Den boom in met metroseksuelen, nieuwe mannen die groene vingers hebben als ze peterselie in de wortelsoep hebben gedraaid, homo’s die meer vriendinnen hebben als ik. “Ik heb niks tegen janetten maar ze moeten van mijn wijf blijven.” Zei de verafgode Herman Brusselmans ooit eens... Dat is een leuke quote die ik ten tijde van ons instagramtijdperk wel eens goed kan gebruiken om de draak te steken met mensen en homo’s. And by the way, als Herman Brusselmans zichzelf de beste slechtste schrijver vindt van de Nederlandse taal... Hoe moet ik me dan voelen? Idd, tot aan het arrogante toe, en er nog ver over, zoveel meer beter als mijn collega... Het is toch OK dat ik u als een collega mag bestempelen Herman?   Wat zijn zo de zaken die mij tot het verschil maken van alleenstaande papa, tot papa’s die de echte wortels vormen van een gezin? En niet zoals ik, een leuke combinatie kunnen zijn als je er peterselie bijdraait?   Een vrij simpel voorbeeld, mannen als ik? Die gaan alleen naar de winkel om inkoopjes te doen... Die trotseren met de nodige manoeuvres oude vrouwtjes die met hun pensioen even grote sier kunnen komen maken als met hun winkelkarretjes. Alleenstaanden nozems zoals ik zijn aan hun lot overgelaten als ze amper klein geld vinden voor een minder grote sier te maken om hun winkelkarretje verder te duwen met de nodige angst naar de kassa.   De winkel waar ik zo de laatsten tijd mijn inkoopjes ga doen is de Lidl in Zandhoven... Als u denkt dat Oelegem een boerengat is, dan zijn uw gedachten helemaal gegrond en staan ze voor 100% waarheidsgetrouw, want Zandhoven heeft een pak meer te bieden... Niet alleen zijn er verkeerslichten, maar ze hebben daar zelfs een exclusieve schoenenwinkel “de van look”, zoals ze hier in omstreken en ver daarbuiten allemaal zeggen. Maar dan wel “Van Loock” geschreven. In tegenstelling tot de echte leiders van het gezin die er een drukke, stressvolle uitstap van kunnen maken om met hun kroost naar de winkel te gaan in de vakantieperiode, trek ik er alleen op uit om met een verfrommeld boodschappenlijstje in gedachten de Lidl af te schuimen.   Nu stel ik mij wel de nodige vragen over de supermarktketen die zichzelf de voorbije jaren zo wat even bekend heeft doen maken van naam als mezelf. Kuch Kuch... Waar zou zich het geheime ingrediënt bevinden van onze Duitse buren om van een winkel als Lidl een even groot succes te maken zoals die zomerhit van in 1999... “Mambo #5” van Lou Bega. Los van het feit dat we het allemaal moeilijk vinden om een neger als rasechte Duitser te beschouwen, zijn er wel cijfers die aantonen dat “Louke-one-time-hitmachine-Bega” net zoals Lidl de kassa al serieus heeft laten doen rinkelen.   Duitsers zijn volgens mij echte raseconomen. Het uurtje bedrijfsbeheer per week dat ik heb gevolgd gedurende mijn schoolcarrière in het VTI van ... jawel ... Zandhoven, hebben mij een idee gegeven dat Duitsers doordachte werkliederen zijn op alle niveau’s... Van de fabrieksarbeiders in de Opelfabriek te Bochum, tot de wijnboeren aan de Moesel, om dan terug te keren naar de uitvinders van de perfecte dieselmotoren van Volkswagen qua uitstoot...   Pure Weltklasse.   Het zijn zulke domme idiote weetjes die nog eens geen weetjes zijn eigenlijk die het verschil maken tussen mij, en in mijn ogen, de rest van jullie bekrompen wereldje waarin het woord “geluk” centraal staat. Geluk is een privilege, is iets waar je van geluk mag van spreken als je het nog maar eens hebt mogen proeven. Zelf mag ik absoluut geen spruitjes.   Terug naar de Lidl in Zandhoven, en we noteren een dinsdag, 10h... Ik parkeer me uiteraard op de parking van deze supermarktgigant... Ik ben niet meer zo een leek op vlak van commisjes doen, dus zorg ik dat ik een stuk van 2euro meeneem als waarborg voor een gammel winkelkarretje te mogen huren. En verdorie, ik zie daar al een neo-hippie zitten op de stoep vlak aan de ingang...  Ik merkte op dat deze 24jarige snotneus, iedereen die trouwens jonger is als de beste schrijver ter wereld is een snotneus, lag te wachten op iemand... Ik voelde aan zoals Witse, of De Cock met c-o-c-k, dat er iets niet pluis was... De eenige jood van Zandhoven en omstreken genaamd Samuel wandelde achter mij en merkte het ook op dat er idd iets niet koosjer was...   Wat zijn joden en homo’s toch een makkelijke prooi voor mij, ze zijn zoals scheten laten in een druk bezette bibliotheek... Even een raar gezicht trekken vol afgunst maar het stiekem toch wel grappig vinden. Scheten zijn altijd grappig. Ik heb zo ooit is een heuse knaller mogen afknijpen op de begrafenis van Gaston Berghmans... Zoals ik al zei, eventjes ongepast... tijd is relevant ... maar toch zag ik bij Bart Van de Peer een glimlach verschijnen...   En! We keren nogmaals terug naar de Lidl... Net toen ik mijn winkelkarretje had genomen kwam die snotter mij iets vragen... “Excuseer mijnheer, heeft u een momentje tijd?” U kent het wel, van die vragen waar je verdomse nog niet de tijd voor hebt om op te antwoorden. Ik zal dat ventje het eens goed zegg.... “Ik ben Geertrui van Greenpeace Belgium, wist u dat onze zeeën overbevist zijn? Bijvangsten zijn bijvoorbeeld een heel groot probleem. De soorten vis die per ongeluk worden gevangen en eigenlijk niets opleveren, overboord worden gegooid... Heel erg allemaal mijnheer... De garnalenvangst leidt tot 90% van de bijvangsten... Zeg eens mijnheer, wat zou u ervan zeggen als we binnekort geen vis meer hebben op ons bord?” “Wel wel lieve Geertrui” zei ik nogal serieus angstaanjagend... “Vooraleer ik uw chirobroekske over uw belachelijk ballonnekeshoofdje ga trekken wil ik u eerst attent maken op bepaalde zaken... Punt 1. Tijd is relevant, ik heb ooit is een scheet afgeknepen op de begrafenis van Gaston Berghmans, toen vond niemand dat grappig... Maar op de koffietafel na een serie van 12pinten begonnen de rouwende mensen toch tot besef te komen dat het eigenlijk wel grappig was die momentopname. En zo gaat dat ook met uw afgezaagd verhaaltje dat je keer op keer staat te verkondigen als een fiere puber die denkt dat hij de wereld heeft gezien, maar vergeet aub niet dat uw lievelingseten fishsticks met wortelpurree zijn die uw mama Sabrina voor u gaat klaarmaken als ge om 18h aan tafel wordt verwacht. Punt 2 dan, dat belachelijk truitje van Fruit of the Loom met "save the whales" op dat je draagt zal ook wel niet zo groen zijn als de ideale denktank waar zowel uw bed, als uw geweten in staan gestockeerd. Punt 3, en dat wordt hier tevens mijn laatste punt Geertrui, wat zou Greenpeace doen met de volle €5 die je zou kunnen loswringen van deze simpele havenarbeider? Een toeter kopen om de slechte visserbootjes weg te toeteren mss? Toet Toet Toet!”   “Maar allé mijnheer? Er bestaan echt wel cijfers die aantonen dat er binnekort geen vis meer zal zijn, vind u dat dan niet erg? U mag toch ook graag fishsticks?” Verdorie, die linkse rakkers met een bos vol groen achter hun oren spelen in op mijn gevoelens...   “Natuurlijk Geertrui, ik ben dol op fishsticks, zeker met droge pasta... Maar weet je kleine kapoen, of wat uw rangorde al dan niet mag zijn bij de chiro, ik kan de wereld niet verbeteren door alle organisaties die onrecht willen bestrijden 5euro te geven. Ik heb al een negerke zitten in Ghana die me elke maand 6euro kost via Unicef en daar hoor ik ook niks van... Het is een beetje ieders voor zich in deze wereld Geertrui.. En kom laten we eerlijk zijn? Als ge morgen uw vakantiejob bij Greenpeace, waar ge wat de pladijs ligt uit te hangen aan de Lidl in Zandhoven voor 800euro op 2maand tijd, kunt vervangen door te gaan werken voor de “visvangst lobby” waar ge met uw verdiende 2400euro als VIP naar Pennenzakkenrock kunt gaan? Dan zullen die fishsticks die ge uitkakt rond 20h30 ook wel niet slechter hebben gesmaakt é jongen.”           Het werd stil.         “En oohja Geertrui? Mss dan toch nog een laatste puntje... Gereserveerd gepamper is een mannenzaak snotneus.”

Bart Van de Peer
0 0

Koning Salomon

Ooit zijn er van die dagen die aanbreken die al veel langer en vroeger hadden moeten aanbreken, maar door omstandigheden zich wel 1000keer te laat hebben aangemeld... Als er ooit sprake mocht zijn van iets te laten weten had dit nog altijd een zeer, maar dan ook zeer onaangenaam gegeven geweest. Maar laten we een varken met lippenstift ook maar gewoon een varken noemen en zulke zaken niet verbloemen door er 3 pisbloemen bij te zetten.   Kortom ik zou beleefdheid stiekem op de 2de plaats willen schuiven door mijn geweten te sussen dat ik toch ooohzo beleefd ben geweest om iets... ooit te laten weten.. Ik heb een nog beter idee... Laat ik de kaart van beleefdheid maar helemaal trekken...   Diezelfde kaart die ik bewust bovenhaal als ik mijn buurvrouw tegenkom in de hal als ik naar mijn werk moet vertrekken bijvoorbeeld. Niets zo leuk dan even mee te draaien op de zweterige verhalen die de dag ons alles zullen doorweken... Zou zij het weten denk je? Dat ik me de avond/nacht ervoor nog in slaap heb mogen rukken met de gedachte dat ik een megalomane sekskoning ben die het vrouwelijk ras in extase kan brengen door orgasmes te geven bij de vleet? Ach die schaamte zijn we al wel even voorbij.   Erger nog, ik vervang mijn laag zelfbeeld voor een bui euforie en een onweer van impulsiviteit door mijn buurvrouw mee te vragen op reis.. “Liza...” zei ik. “Laten we dit apenland verlaten voor een avontuur op te zoeken in een ander apenland... Ga met mij mee Liza...”   Een zeer fragile en nog meer onthutsende stilte breekt aan, ik had dit scenario al zeker ingecalculeerd. Feiten zijn er genoeg om dit aanbod te weigeren van haar buurman, maar op feiten worden nu eenmaal geen avonturen gebouwd... Hoewel? Mss juist een fundering voor een brievenbus kan wel eens realisatie zijn als er dan toch gemixt kan worden met feiten en avontuur... Maar “de essentiële Bart van Vlaanderen” heeft hier natuurlijk geen boodschap aan...   De vele rimpels die deze roos kent vermenigvuldigen zich al snel rond haar gezicht, even twijfel ik om gewoon door te gaan... twijfels nemen zich zelf zo een gedaante aan dat ik al begin te denken of Liza mij überhaupt wel gehoord heeft. Maar net dan volgt er een antwoord waarvan ik dacht.. “Dat komt hier inorde Bartje”   “Bartje..” mompelde ze. “En onze Ludo dan?”... Fuck! Dat “moeder de gans syndroom” telt nog steeds mee op deze prestigieuze leeftijd.. “Ach Lizetje van mij, Ludo is 54jaar en kan zijne plan wel trekken, sterker nog hij zal zich alleen maar verheugen met het nieuws dat zijn moeder van 81jaar op reis gaat met een adonis van jewelste naar Israël” “Israël?!”antwoorde ze, het zicht van ons Liza werd nogmaals vertroebeld door de vele rimpels die zich rond haar oogkassen opstapelden. “Is dat niet het land van Jezus?” Terwijl ze snel een weesgegroetje doet is ze blijkbaar zeer up to date en weet ze mij met verstomming te doen slaan dat de Likoed partij van Netanyahu daar het nog steeds voor te zeggen heeft bijvoorbeeld... Of dat er naast joden, christenen, moslims ook nog een deligatie druzen zijn... Diezelfde druzen mogen blijkbaar ook  genieten van het bouwverlof dat de joodse bouwbedrijven in de maand Augustus inlassen als er nog maar eens een verlet opduikt om onze joodse vriendjes aan huisjes te helpen. Wapenstilstand voor de moslims is blijkbaar een totaal ander begrip voor de joodse buren.   “Daar zeggen ze niks van op het nieuws é Bartje?”... “Daar hoorde Ben Crabbé nog geen vraag over stellen tijdens Blokken é?” Terwijl ze zich verder focust op het wisselende decor van Blokken en de migraine die de soundtrack van Bent Van Looy veroorzaakt, ben ik vooral bezig om me uit de voeten te maken... Ik moet namelijk gaan werken... De focus van Liza is een marathon aan het afleggen en bevindt zich nu al bij de nieuwe afvalkalender van de gemeenste Ranst, ik besef eens te meer dat de tijd is aangebroken om mij vriendelijk te excuseren om mijn geplande filleleed te doorstaan op weg naar mijn werk. We spreken de dag erna af om 09h voor onze reis verder te bespreken en vooral toe te lichten waarom nu juist Israël. “Dat is goed Bartje...” een zachte streling over mijn rechterschouder is de bevestiging die ik krijg van mijn buurvrouw... Het gaat ons goed.   Onderweg naar mijn werk zijn mijn gedachten bij de reis, het grote avontuur, dat ons te wachten staat... Eens aangekomen op DE containerkaai van België onderneem ik dezelfde autistische routineuze handelingen om een dagje kuiperij te doorstaan... Ik zet me aan tafel in de refter, haal mijn iPhone boven en begin bepaalde thema’s op te zoeken voor onze reis. Niet zozeer praktische zaken als bepaalde visums die we nodig zullen hebben maar eerder luchtige zaken, laat ons het samenvatten onder het oog van God ziet alles, en dus ook details. “Hoe maak ik een geweldig blog aan”  “Een 2de account aanmaken voor instagram”  “Waarom vinden mensen joden vies?”  “Zijn joodse vrouwen echt zo vuil als we denken?”  “Zijn er tijdens de intifada stenen over de klaagmuur geraakt?”  “Moet je inkom betalen om te klagen daar?”  “CD knuffelrock vol.21 bestellen”  ... Mijn zoektocht wordt tot een einde gebracht  als mijn foreman zich tot mij wendt om er mij attent op te maken dat de geplande werkzaamheden gaan beginnen. De shift gaat voorbij, het vast en losmaken van containers op verschillende zeeschepen houdt mij fysiek bezig maar mijn gedachten zijn ergens anders... Vol ongeduld tel ik af naar morgenvroeg 09h.   En zo geschiede, klokslag 08h45 liep mijn wekker af. Zoals zo vaak stond ik pas op wnr het echt niet meer anders kon... 08h55 dus... Met de eeuwige belofte in mijn achterhoofd om de komende nacht eens op tijd te gaan slapen haaste ik me naar mijn buurvrouw om op de koffie te gaan. Niet dat ik bij het bepaalde type koffiedrinkers behoor maar we snappen allemaal wel wat ik bedoel? Eens aangekomen bij Liza hoef ik niet aan te kloppen of de deur gaat al open. Liza stond te wachten aan de deur en hoorde mij komen aanlopen. Het leek wel alsof het haar plicht was om op de uitkijk te staan wnr deze adonis kwam aankloppen. Weeral dezelfde zachte streling over mijn rechterschouder volgde, zoals een gentleman zich hoort te gedragen vroeg ik aan Liza of ik mijn schoenen moest uitdoen. Beredeneerd als ik was ging ik er van uit mijn schoenen te mogen aanhouden, puur wetende dat dezelfde stereotype antwoorden zich alleen maar zouden herhalen als ik deze vraag stel als ik bij iemand op visite kom. “Maar nee, ik moet morgen nog kuisen...” Maar dat telde echter niet voor Liza.. “Doe ze maar uit ventje.” Met een glimlach die je alleen maar op uw gezicht kan toveren als een oud vrouwtje u aankijkt, deed ik mijn schoenen uit en begaf me naar de living om mij er te ergeren aan de TV die veel te luid stond.   “Een tas koffie jonge snaak?” vroeg ze doodnormaal aan mij... “Nee bedankt Liza, doe mij maar een blik Monster Ultra Sunrise”  “Dat heb ik niet Bartje” antwoorde ze een beetje nerveus, en terecht trouwens... “Onze Ludo heeft hier gisteren het laatste blik Monster Ultra Sunrise meegenomen toen hij naar zijn  2de herkansing aquarellen moest in Boortmeerbeek...” Ik ben een man van vooroordelen net zoals de rest van de algemene opinie die onze wereld siert, maar eenmaal de kaart van beleefdheid getrokken vroeg ik haar oprecht.. “Ah Liza? Dat wist ik niet dat onze Ludo aan aquarellen deed... Zijn er hier geen werkjes aanwezig van uw zoon die te lelijk zijn voor in de living op te hangen?”  “Oohja hoor Bartje, ik heb in het WC zijn eerste werkje opgehangen, kom we zullen eens gaan zien..” Natuurlijk verwachte ik er niet veel van, kan ik eigenlijk wel iets verwachten van een 54jarge man die aan aquarellen doet? Maar de kaart van beleefdheid zal nu éénmaal getrokken worden zoals het hoort... Dus waagde ik mijn kans om het allemaal een beetje te ondergaan. Daar stonden we dan in het toilet van mijn buurvrouw, onwennig aan het staren naar een canvas, dezelde stilte brak aan zoals de dag voordien toen ik haar vroeg of ze met mij op reis wou gaan naar Israël... Ze hadden Ludo blijkbaar verteld tijdens zijn 1ste les dat hij zijn creativiteit helemaal moest benutten, zelfs een beetje buiten de lijnen denkend zou zeker een troef kunnen zijn voor de eventuele verdere carrière van deze asparant aquareller... Het resultaat mocht er zeker zijn, als we tenminste sarcasme en spot even hoog in het vaandel mochten dragen als beleefdheid... Een fucking microgolfoven was het resultaat, al een geluk was er nog Liza die me wist te vertellen dat het wel degelijk om een microgolfoven ging anders had ik het wss nooit geraden. Ik merkte aan Liza dat ze het eigenlijk stiekem ook maar niets vond maar uit respect voor haar zoon en het principe van “mijn kind, heilig kind” het allereerste kunstwerkje van haar zoon dan toch maar had opgehangen in het WC aan de binnenkant van de deur...   Eens we terug zijn in de living plofte ik me neer in de zetel, ik nam de afstandsbediening, zette de TV af, en keek vervolgens Liza aan met een blik waar van zelfs John Wayne het in zijn broek zou doen. “Liza..” zei ik.. “Ik wil u het 1 en al duidelijk maken voor we naar Israël gaan.” Ze knikte volmondig ja en werd tevens ook terecht nerveus... “Heb je ooit al gehoord van koning Salomon?” vroeg ik haar. “Natuurlijk Bartje, Salomonsoordeel is ons toch allen bekend? Niet?” Ik knikte ook even volmondig  ja maar ging ook even beredeneerd verder en vroeg haar of ze de steden wou bezoeken die de laatste koning van het verenigd koninkrijk van Israël had gebouwd, namelijk Jerusalem en Megiddo. “Waar en wnr stijgen we op Bartje?” vroeg de buurvrouw van mijn leven aan de knapperd die dezelfde naam draagt als ik. “Liza, tegenwoordig met al die tegen-en aanslagen op luchthavens en andere openbare plaatsen verkies ik liever de auto, de rolstoel bij uitstek van iedereen die zich in het bezit van een rijbewijs type B mag ontfermen, om onze eindbestemming te bereiken... Het wordt een lange tocht maar ik heb een vlekkeloze route in gedachten.” Oudere mensen kan je vanalles wijsmaken en zo dus ook Liza, ik zweeg over de grens van Turkije en Syrië, steden als Aleppo en Homs om dan via Beiroet de kustlijn te volgen naar Israël... Toegegeven bij eventuele fille had ik een alternatieve route in gedachten via Damascus. Net zoals God heb ik dus ook een oog voor details, bepaalde visoenen qua filleleed en andere ergernissen van wij, de mensen.. Het feit dat we oudere mensen vanalles kunnen wijsmaken is mss ook allemaal een beetje overoepen... Het zal wel allemaal wat geforceerd zijn bepaalde beelden en nieuwsberichten die op ons worden afgevuurd door verschillende mediakanalen over de verwoestende oorlog in Syrië, laat staan dat er zoveel partijen zijn bijbetrokken... “Het is allemaal wat opgeblazen Liza” zei ik.. “We gaan ons zeker niet laten kennen.”   Net zoals er gras op mijn terras groeit besluiten we even snel om meteen te vertrekken... De juiste woorden vinden plaats op de juiste momenten, het was een kwestie van tijd om Liza te doen overhalen om haar middagdutje te doen in mijn bolide. Easy breezy... Hupaké, bukake.. Bart en Liza zijn vertrokken zenne!   De tocht was lang, en het grote avontuur werd in tegenstelling van de geplande lange tocht even snel gecounterd door mijn buurvrouw zelf... Ter hoogte van de parking in Turnhout moest ik al eens stoppen voor een toilet bezoek. Ik ergerde mij aan Liza, nu al.. We hadden nog geen 30km afgelegd van de in totaal 3299km die we voor de boeg hadden of madam moest haar gedragen als een 81jarige bejaarde troela... Pfft. Het was volharding, een doel voor ogen hebben, pure wilskracht, die me later in Israël gebracht zouden hebben. Ik had berekend via google maps dat we er een kleine 35-40uur over zouden doen om onze eindbestemming te halen... Het eenige detail dat ik over het hoofd had gezien was bagage... Ik wou het avontuur helemaal, pur sang, tot zijn recht laten komen en had men koffer enkel gevuld met 60blikken Monster Ultra Sunrise. Liza kon mijn zak kussen met haar kleerkast vol Damartbrol en we waren hals overkop vertrokken. “My way or the highway Liza...” zei ik haar, waaronder valt te verstaan dat ik het echt meen... Liza verstaat geen Engels, en ze trok enkel maar een seniele kop als antwoord. Ik bevestigde dus door te zeggen “My way dus bi-atch”... Zo wat alles werd zo geregeld naar mijn zin, op de tonen van Still D.R.E. scheurden we met piepende banden hier weg... Kritiek of ik niet te veel sigaretten rookte werd de kop ingedrukt door te repliceren dat ik nog meer rook uit mijn grofgebekte mond blaas dan een schoorsteen in Auschwitz dat vroeger deed. Waarden en normen zoals beleefdheid vervaagden een beetje...veel...   Een lange reis werd het dus, dat kunnen jullie al wel voorstellen natuurlijk. Van fille werden we bespaard, het was een wonder, en ik dank God nog steeds voor die zegen die hij mij toen heeft gegeven... Ik ben nu sinds ik terug thuis ben gekomen bezig met het bingeluisteren van het liedje van Phil Collins en zen bescheten groepje Genesis... Jesus he knows me.. het simpele en satisferende refreintje zing ik vol uit de borst als ik hier sta te paraderen in mijn living. “Cause Jesus he knows me, and he knows I’m right... I’ve been talking to Jesus all my life. Oooh yes he knows me and he knows I’m right! Well he’s been telling me everything’s gonna be alright!!” We kunnen Israël eigenlijk kort besluiten hoor… Ik heb dan ook geen reet zin meer om verder te schrijven… Megiddo zijn slechts een hoopje stenen, kost een handvol Shekels om de site daar te mogen bezichtigen. Jeruzalem was een ramp, zat er bomvol met joden, en we moesten ook voor de klaagmuur de nodige Shekels op tafel leggen.   Betalen om te klagen.   Het is een beetje zoals een leuk einde verwachten van het befaamde hoofdstuk koning Salomon van de essentiële Bart van Vlaanderen.

Bart Van de Peer
0 0

Drie tramverhalen

1.Een groep voetballers stapte op de kusttram. Het was een uitgelaten voetbalbende, allemaal rond de twintig jaar oud. Geen profs, maar voetbalvrienden, die er tijdens hun voetbalkamp aan zee geen Spartaans leven op hadden nagehouden. Dat meende ik toch te kunnen vaststellen, gezien de verhalen die ik hoorde. Heel wat jaren geleden, toen ik zelf nog voetbalde, maakten we op 16-jarige leeftijd met de club een trip naar Duitsland. De combinatie van grote Duitse pinten en voetballen bleek niet zo succesvol. Eén van de jonge voetballers zette zich naast me en viel bijna meteen in slaap. Dezelfde combinatie wellicht. Na een paar haltes stapten ze af. De jongeman naast me lag nog te dutten. Geen enkele van zijn vrienden maakte hem wakker. Ik besloot hem toch maar stilletjes aan te stoten. “Uw maten stappen af hè”. Hij keek beduusd om zich heen. “Wat, oei, en die maken mij niet wakker? Fraai maten zijn dat”, waarna hij recht stond. “Merci hè”, riep hij nog na. We zagen hem nog samen met zijn vrienden naar de plaats van bestemming wandelen. Zijn bal al kunstig de lucht in gooiend. Duidelijk uitgerust voor een nieuwe avond in Oostende.   2. We hadden die dag een tentoonstelling bezocht in Oostende. Nog aan het nakeuvelend over de muurschilderingen die indruk hadden gemaakt, wachtten we op de tram aan het Marie-Joséplein, genoemd naar de dochter van Koning Albert I. Die Marie-José heeft trouwens het één en ander meegemaakt. Ze mocht ooit 33 dagen koningin van Italië zijn en ze had nog een affaire met Mussolini. Maar dat is een ander verhaal. We stonden er niet alleen. Drie wielertoeristen stapten samen met ons op. Hun racefiets ging mee de kuststram op. Bleek dat ze van Brussel naar Koksijde wilden fietsen, maar ze hadden beslist om dat laatste stukje toch maar gemotoriseerd af te leggen. Wegens totaal afgepeigerd. Eenmaal op de tram ging ik op een bank zitten waar nog drie, nu ja, oudere vrouwen zaten. De mevrouw naast me belde even met haar man op het thuisfront en vroeg wie de rit van de Tour gewonnen had. Omdat de verbinding tamelijk slecht was, kon ze haar echtgenoot nogal moeilijk verstaan. En moest ze vrij luid spreken. “Nee, laat maar”, zei ze in dat smakelijk West-Vlaams. “Ik kijk het straks wel op tv. Naar Vive Le Vélo.” Eén van de drie wielertoeristen keek om en glimlachte. Ik kon eenzelfde glimlach niet onderdrukken.   3.  We lazen de krant op de tram. Onze jongste had één katern vast, ik de andere. Tijdens de vakantie gaat de gazet door heel wat handen. Dan hebben we de tijd. De gesprekken die erop volgen zijn wellicht nog interessanter dan de artikels die we net gelezen hebben. Die papieren krant blijft toch altijd interessant. Je kan ze delen, maar je blijft ook gespaard van al de meningen en opmerkingen, die je op social media tegenkomt. Een man naast ons zat niet op een bank, maar op een verhoog waar je eigenlijk niet hoort te zitten. Maar och, veel kwaad kan het niet natuurlijk. Hij keek onze jongste aan. “Mag ik eens iets vragen?”, zei hij. Onze zoon knikte. “Gelooft ge alles wat daar in staat?”, vroeg hij, wijzend naar de krant. “Ik niet hoor”, voegde de man er zelf meteen aan toe. Ik meende nog te zeggen, ‘niet geloven wat hij zegt’, maar onze jongste gaf zelf het perfecte antwoord. “Het meeste toch”, antwoordde hij, lichtjes grijnzend. Ik meende er nog een ‘daar heb je niet van terug’ aan toe te voegen, maar besloot het er maar bij te laten. Soms kan zwijgen ook best slim zijn.  

Rudi Lavreysen
0 0

Aurora

Uit alle ogen die haar aanstaarden, koos ze de zijne. Ze waren diepblauw met een kleine fonkeling. Alsof ze naar de hemel keek, wanneer de zon net onder was en een enkele heldere ster – Venus, godin van de liefde – het donkere gewelf sierde, al dan niet vergezeld door de maan. Vanaf het allereerste contact wilde ze alleen nog naar boven zweven, zichzelf verliezen in de prachtige nacht die hij uitstraalde. Ze zag, hoorde en voelde niets anders dan de lonkende roep van zijn irissen en baande zich een weg door de zee van mensen die tussen hen in stonden. Zodra hij haar plan in de gaten kreeg, zette hij eenzelfde beweging in en ergens in het midden ontmoetten ze elkaar. Pas op dat moment zag ze meer dan enkel de ogen die haar hierheen hadden gelokt. Ze moest zich inhouden om niet naar adem te happen. Het leek alsof de nacht zelf verscholen zat in een persoon. Zijn huid was bleek als de maan, zijn haren bijna zwart en zijn handen zo groot dat ze haar gezicht gemakkelijk konden omsluiten. Qua lichaamsbouw zag hij er doodnormaal uit. Niet opvallend groot noch bijzonder klein, niet breed noch smal, niet te dik en niet te dun. Als hij niet zulke prachtige ogen had gehad, zou hij haar wellicht niet eens opgevallen zijn. Hij toverde een charmante glimlach op zijn lippen en streek een goudblonde haarlok achter haar oren. “Zo mooi,” fluisterde hij. “De kleur van de zon.” Zijn stem was zwaar en zijn vingers voelden koud aan, maar toch gloeide ze vanbinnen. Meteen legde ze haar hand over de zijne. “Ik heb het nogal warm. Zullen we naar buiten gaan?” Hij knikte, pakte haar bij haar pols en trok haar mee door de mensenmassa tot ze uiteindelijk de deur bereikten en frisse lucht konden opsnuiven. De volle maan wierp haar licht over hen, Venus stond er niet ver vanaf en ze ontwaarde ook de Grote Beer. “Hoe heet je?” Ze keek opzij en knipperde met haar ogen. Het leek alsof het nu pas tot haar doordrong dat ze helemaal niets van hem wist. “Aurora. Jij?” Bijna onmerkbaar trok hij zijn neus op, maar ze had het wel gezien. “Dageraad,” vertaalde hij binnensmonds. Onmiddellijk daarna draaide hij zich weer naar haar toe en sprak wat luider. “Nox. Mijn naam is Nox.” “Nacht.” Het klonk meer als een ademhaling dan als een woord. Ze durfde het gewoonweg niet uitspreken. Op dat moment had ze het kunnen weten – had ze het móéten weten. Het leek wel voorbestemd. Hij gaf haar niet de kans om verder na te denken. “Nu je het zegt, je ziet er behoorlijk licht uit met je goudblonde haren en lichtblauwe ogen. Over je huid zal ik niets zeggen, want die is bijna even wit als de mijne.” Meer dan een glimlach en een hoofdknik kreeg hij niet als antwoord. Ze besefte toen voor de eerste keer dat haar irissen eigenlijk ook hemelsblauw zijn, dat van een zonnige dag aan het begin van de lente of van een mooie zonsopgang, maar lang niet zo diep als de zijne. “Stoort het je als ik een sigaret opsteek?” Spontaan trok ze een afkeurend gezicht. Ze vond roken een van de meest vieze gewoontes die iemand kan hebben en bovendien een heuse afknapper. “Als je ervoor zorgt dat ik er geen last van heb, niet.” Gelukkig stond de wind zo dat de rook niet in haar gezicht terecht zou komen en hij hield het brandende ding aan de andere kant van zijn hoofd. “Mijn naam is niet voor niets Nox, liefste Aurora. ‘s Nachts gebeuren er wel meer dingen die het daglicht niet mogen zien.” Ze snoof afkeurend, hij lachte. “Wat doet een meisje als jij hier eigenlijk alleen? Ik had je nog nooit gezien.” Een beetje onverschillig haalde ze haar schouders op. “Ik had zin om uit te gaan en dit is het dichtst bij huis. Trouwens, mijn broer is ergens daarbinnen.” Hij gooide nonchalant zijn sigaret op de grond, trapte erop en draaide zijn hoofd naar haar toe. Zijn ogen gleden over haar lijf. Ze huiverde. Het voelde alsof hij door haar heen kon kijken, recht in haar ziel. Op dat moment wilde ze niets liever dan hem kussen, zichzelf verliezen in zijn greep. Voorzichtig stak ze haar hand uit. Haar vingers streelden over zijn borstkas, bewogen als vanzelf naar zijn rug toe en voordat ze goed en wel besefte waar ze mee bezig was, stonden ze tegen elkaar in een innige omhelzing. Ze tilde haar hoofd een beetje op en keek naar zijn lippen. Donkerrood, mooi gevormd en zeer aanlokkelijk om de hare op te planten. Pas toen de geur van sigaretten haar neusgaten binnendrong, liet ze los. Het vooruitzicht van een kus met asbaksmaak vond ze net iets minder aangenaam en ze zette een stap achteruit. Hij trok een grimas dat nog het beste te omschrijven is als pijnlijk en haalde een doosje muntjes uit zijn broekzak. “Is dat beter?” Ze wachtte tot hij er eentje op had en drukte hem nog eens tegen zich aan in een subtiele poging om zijn adem te ruiken. Pas daarna bevestigde ze. “Ja, ik denk het wel.” Er was nog steeds een klein spoor van nicotine te bespeuren, maar de aanblik van zijn lippen deed haar dat vergeten. Zonder verder na te denken kuste ze hem. Natuurlijk proefde ze dat hij gerookt had. Het kon haar niet langer schelen, ze wilde alleen maar meer. Ze gingen in elkaar op tot ze bijna één geheel vormden. Haar linkerbeen hing om zijn middel, haar handen verkenden zijn rug. Op dat moment leek ze zich te realiseren wat ze aan het doen was en duwde ze hem voorzichtig een stukje van zich af. “Sorry,” mompelde hij. “Ik had je niet mogen kussen.” Ze keek hem niet-begrijpend aan. “Waarom niet? Ik wilde het ook, hoor, en het was nog niet eens zo slecht.” “Begrijp je het dan niet? Dit is geen toeval, lieveling. Jouw naam is Aurora, de mijne Nox. Jij ziet eruit als de hemel wanneer de vogels weer beginnen te fluiten, tooghangers het café inruilen voor hun bed en ochtendmensen opstaan. Ik ben net de nacht: donker en hard. Bijna iedereen voelt zich onbehaaglijk in mijn aanwezigheid.” “Ik niet.” Het was een fluistering, want ze besefte stilaan wat hij wilde zeggen. “Nee, jij niet. Dageraad kan niet bestaan zonder nacht. Als zij er niet was, bleef de aarde voor eeuwig onbelicht. We kunnen niet zonder elkaar, maar we zullen nooit samen zijn. Heb je al ooit dag en nacht op dezelfde plaats op hetzelfde moment gezien?” Ze begreep het niet helemaal. “Je bent een mens, Nox, en ik ook. Denk je nu echt dat wij niet samen kunnen zijn gewoon omdat de betekenis van onze namen niet bij elkaar past, dat we zelfs niet zouden mogen kussen?” “Ik denk het niet.” Hij pauzeerde, ze zag de flikkering in zijn ogen kort uitdoven. “Ik weet het zeker. Je broer zal zo dadelijk wel naar buiten komen. Zoek me niet, Aurora, je zult me niet vinden. Als de zon weer ondergaat en je Venus aan de hemel ziet verschijnen, weet dan dat ik over je waak en dat ik je altijd zal beschermen. Ooit snap je het wel, het is gewoon nog een klein beetje te vroeg. Vergeet me niet, alsjeblieft, ik zal jou ook nooit vergeten.” Ze kreeg niet de kans om nog iets te zeggen. Hij lachte een laatste keer naar haar, draaide zich om en stapte weg over de lange, lege straat voor hen. Achter haar kwam de zon op. Nog geen seconde later ging de deur open en stapte haar broer naar buiten. “Ha, zusje. We moeten naar huis.” Voordat ze hem volgde, wierp ze nog snel een blik over haar schouder. Nox was nergens te bekennen. “Wist je dat de zonnegod van de Inca’s dezelfde naam had als ik? Inti.” Hij keek even bedenkelijk en toen klaarde zijn gezicht op. “Zie je, ik ben echt goddelijk!” Glimlachend schudde ze haar hoofd en dacht aan de mysterieuze jongeman die ze vannacht ontmoet had. Misschien had hij gelijk en was het inderdaad allemaal geen toeval.

Marthe
0 2

Genoegdoening - verslag van een onverkwikkelijke historie

Terwijl ik deze woorden schrijf vechten trots en bezorgdheid een verbeten strijd uit in mijn hart. Toen mijn kleinzoon zich vanochtend klaarmaakte om naar de militaire academie te vertrekken, was het mijn eigen verwachtingsvolle glimlach die ik op zijn gezicht zag verschijnen, las ik in zijn ogen de onbevangenheid van de jongeman die ik ooit was. Voor hij op de trein stapte heb ik hem omhelsd en de wens uitgesproken dat hij tijdens zijn opleiding even succesvol als voorzichtig mag zijn. En hopelijk zal hij, net als zijn grootvader zo veel jaren geleden, een moment meemaken waarop hij zich bewust wordt van zijn eigen feilbaarheid. Want pas dan is een man klaar voor het leven. Mij overkwam het tijdens de burgeroorlog, kort nadat generaal Sherman het bevel had gekregen over de troepen die zouden oprukken tegen Johnston. Ik was officier bij de artillerie. Een plichtsbewuste patriot, in mijn eigen ogen onkreukbaar, maar vooral jong en dom. Onder mijn leiding had ons regiment verdienstelijk gestreden in de bloedige slag om Chattanooga, en dat was mijn superieuren niet ontgaan. Daarom werden mijn batterijen toegevoegd aan het leger van de Cumberland. Zo kwam het dat ik op een mooie avond in mei van het jaar 1864 deel uitmaakte van een overleg tussen de hogere officieren van de tweede divisie, die werd aangevoerd door brigadegeneraal Jefferson C. Davis. Over deze man deden wilde verhalen de ronde, en eerlijk gezegd had ik hem liever niet als commandant gehad. Van hem kregen we onze laatste instructies vooraleer de honderdduizend man sterke troepenmacht zich in beweging zou zetten, in een ultieme poging om de zuidelijke rebellen in een wurggreep te krijgen. We bevonden ons even buiten Ringgold, in een landschap vol vruchtbare akkers en groene heuvels, waarvan de vreedzaamheid ruw werd verstoord doordat één van de grootste legers uit de geschiedenis er zijn kampen in opsloeg. De lentezon liet zich door zoveel machtsvertoon niet stuiten in haar jaarlijkse opmars en daarom hadden we buiten vergaderd, rechtstaand, met onze papieren verspreid over een paar inderhaast opgestelde schragentafels. Het kostte mij na afloop enige moeite om de kaarten en orders die mij toebehoorden terug te vinden en veilig op te bergen, waardoor ik als laatste van de officieren achterbleef bij generaal Davis. Hoewel ik tijdens de krijgsraad mijn uiterste best had gedaan om niets van mijn achterdocht te laten blijken, moet hij mijn nervositeit hebben opgemerkt. Als een Amerikaanse Bonaparte kwam hij naast me staan, zijn rechterhand onder zijn jas geschoven, wat zijn nochtans tengere gestalte een zekere grandeur verleende. Zijn mond zat verborgen achter een baard en een indrukwekkende snor, en zijn woeste bruine haren leken van zijn hoge voorhoofd te willen ontsnappen. Hij had iets ontembaars over zich, en tegelijk was zijn blik helder, vastberaden en ontspannen. Ik voelde me klein naast hem, terwijl ik in werkelijkheid misschien wel vijf inch groter was. ‘Een prachtige avond, nietwaar, kolonel?’ Ik knikte en mompelde instemmend, was niet op mijn gemak. Als een militair van die rang een gesprek over het weer aanknoopt met een ondergeschikte kan dat alleen een schijnmanoeuvre zijn. En inderdaad, net op het moment dat ik mijn spullen had verzameld en wilde terugkeren naar mijn tent, wond hij er niet langer doekjes om. ‘Probeer voor een oude rot als ik niet te verbergen dat je ergens mee verveeld zit, kolonel. Hou jezelf en vooral mij niet langer voor de gek en zeg mij wat er op je lever ligt.’ Ik was in de val gelokt. Vrijuit spreken zou tot een pijnlijke confrontatie leiden, zwijgen betekende dat ik voorgoed het recht verloor om mijn bedenkingen bij zijn reputatie kenbaar te maken. Ik durfde hem niet aan te kijken toen ik vroeg: ‘Generaal, is het waar wat er over jou verteld wordt?’ ‘Dat hangt af van wat er verteld wordt.’ Uiteraard wist hij heel goed waar ik op doelde. Wilde hij het mij werkelijk horen uitspreken? Ik besloot te zwijgen. Tenslotte was hij het die dit gesprek begonnen was. Ik fixeerde mijn blik op een groep kaartspelers iets verderop, als was het een uitzonderlijk schouwspel dat ze opvoerden, een grandioos spektakel dat ik niet mocht missen. Generaal Davis stoorde zich niet aan het uitblijven van mijn reactie en tot mijn verbazing nodigde hij mij uit in zijn eigen tent. ‘Zodat we de zaak rustig kunnen uitklaren,’ voegde hij eraan toe. Ik volgde hem tot in de tent, die ruimer was dan de mijne, maar sober ingericht. Ik zag een veldbed en een enorme koffer waarin hij kennelijk zijn gerief bewaarde, naast een tafeltje en twee stoelen, alsof hij mij had verwacht. Hij gebood mij plaats te nemen aan het tafeltje, waarop een bijbel lag. Ik schoof mijn stoel wat achteruit, op zekere afstand van de tafelrand. Generaal Davis opende de koffer om iets te zoeken. ‘Ondanks de droeve tijden die ons land doormaakt ben ik in het bezit gekomen van een uitstekende bourbon. Gun mij het plezier om samen het glas te heffen op de goede afloop van deze campagne.’ ‘Ik drink niet. Mijn excuses.’ Hij zuchtte. ‘Een geheelonthouder. Goed dan. Maar iets anders heb ik niet, vrees ik. Of ik moet iemand vragen voor koffie te zorgen.’ Van het smerige zwarte brouwsel dat in het leger voor koffie moest doorgaan had ik de afgelopen jaren al te veel door mijn geteisterde keel gegoten, en dus bedankte ik voor het aanbod. Nadat hij voor zichzelf had ingeschonken ging de generaal zitten. De vingers van zijn linkerhand speelden om het glas, zijn rechter liet hij op de bijbel rusten. ‘Louisville, Kentucky,’ zei hij. Hij keek klaar uit zijn ogen, zonder emotie. Ik wist niet of er iets van mij verwacht werd. ‘Daar wilde je het toch met mij over hebben, veronderstel ik?’ ‘Er zou zich een … incident hebben voorgedaan.’ Ik bleef bewust op de vlakte, wat aan hem een misprijzend lachje ontlokte. ‘Een incident. Zo zou je het kunnen noemen, inderdaad.’ Hij nam een stevige slok voor hij verderging. ‘Na Corinth was ik, om zo te zeggen, aan het eind van mijn Latijn. Was jij in Corinth? Nee, natuurlijk niet. Bijna twee jaar geleden is het. Deze vervloekte oorlog blijft maar duren. Maar goed, in de zomer van ’62 werd ik ziek. Mijn verzoek om verlof werd goedgekeurd en niet veel later zat ik thuis in Indiana. Een prachtige staat, trouwens. Ben je er al geweest, kolonel?’ ‘We zijn er ooit doorheen gemarcheerd. Ik herinner me vooral de snijdende wind.’ Ik weet niet wat ik probeerde te bereiken door neerbuigend over zijn thuisland te spreken. Hij was er in elk geval niet door aangedaan. ‘Waar kom jij vandaan, kolonel?’ ‘Ik ben geboren en opgegroeid in de mooie staat Ohio, meneer.’ ‘Dan zijn we eigenlijk buren. Kijk eens aan.’ Hij irriteerde me met zijn praatjes. Had hij mij uitgenodigd om het over geografie te hebben? ‘We zijn allebei ver van huis, jongeman, en dan nog uitgerekend om de Unie te vrijwaren en te zorgen dat ons huis het thuis blijft dat we gekend hebben voor onze vrienden uit het zuiden de kolder in de kop kregen. Maar waar was ik gebleven? O ja, mijn ziekteverlof. Het was fijn om mijn Marietta weer in de armen te sluiten, maar ik liep al snel tegen de muren op. En toen ik hoorde dat Bragg en Smith, die vervloekte heethoofden, naar het noorden oprukten, wist ik dat men mij nodig had.’ Hij pauzeerde even, liet het glas tussen zijn vingers schommelen en staarde naar een willekeurig punt op de grond. Alsof hij vergat dat hij midden in een gesprek zat. ‘En toen?’ vroeg ik dan maar. Net een kind dat zich door zijn moeder laat voorlezen en weet dat er een belangrijke wending in het verhaal zit aan te komen. ‘Ik ging naar Cincinnati, en van daaruit stuurde generaal Wright me naar Louisville. Ik kreeg opdracht mij te melden bij William Nelson.’ De naam was gevallen. Was het slechts een indruk, of omklemde hij de bijbel nu iets steviger? ‘Noemden ze hem niet de stier?’ ‘Bull Nelson, dat klopt. Driehonderd pond pure zelfgenoegzaamheid.’ Ik vond het aanmatigend, zoals hij over generaal Nelson sprak. De man had grote verdiensten in de strijd voor de Unie en was zelfs gewond geraakt in Shiloh. Toen ik Davis daarop attent maakte sloeg zijn toon om, klonk hij plots bitter. ‘En ik dan? Moet ik de veldslagen opnoemen waarin ik mij heb onderscheiden? Toch bestond het Nelson om mij te belasten met het bewapenen van de burgers van Louisville. De burgers!’ Hij schonk zichzelf bij, hoewel zijn glas nog niet leeg was. Na een nieuwe slok kalmeerde hij en ging bedaard verder. ‘Je begrijpt dat ik die inferieure taak zoveel mogelijk delegeerde aan ondergeschikten.’ Dat begreep ik niet, maar geen haar op mijn hoofd dacht eraan om dat toe te geven. ‘Na twee dagen was ik weer op Nelsons hoofdkwartier in het Galt House. Toen hij me vroeg hoever ik stond met de organisatie, en hoeveel regimenten en compagnies ik al op de been had gebracht, moest ik hem het antwoord schuldig blijven. Ik wist het niet en eerlijk gezegd interesseerde het mij ook nauwelijks.’ ‘Hoe reageerde hij?’ vroeg ik met oprechte belangstelling. Ik had het verhaal natuurlijk al gehoord, maar ik was benieuwd om het uit zijn eigen mond te horen. ‘Bull was niet geamuseerd. Ik ook niet trouwens. Daarom haalde ik er een getuige bij. Dokter Irwin had zijn kamer recht tegenover die van Nelson. In aanwezigheid van Irwin eiste ik van Bull dat hij mij zou behandelen met het respect dat iemand van mijn rang toekomt. Maar in plaats van een kalmere toon aan te slaan, ontsloeg hij mij op staande voet van mijn plichten en stuurde hij me weg. Wat hem betrof kon ik niet snel genoeg achter de Ohio verdwijnen. Ik was furieus. Hoe zou je zelf zijn?’ Hoe ik zelf zou zijn? In elk geval niet zo verdomde koppig, dacht ik. ‘Had één van beiden zich niet beter wat inschikkelijker opgesteld? Je had de verstandigste van de twee kunnen zijn.’ ‘Inschikkelijk? Verstandig? Moest ik dan mijn eigen rang en eer verloochenen door mij als een voetveeg te laten behandelen door die bullebak?’ Ik nam aan dat het een retorische vraag was, en dat was het ook, want hij ging meteen verder. ‘Ik dus terug naar Cincinnati. Maar intussen bereikte generaal Buell Louisville, en die stond, zoals je ongetwijfeld weet, hoger in de pikorde dan Nelson.’ ‘Waardoor er voor jou geen reden meer was om uit Kentucky weg te blijven.’ ‘Precies. En de negenentwintigste stond ik alweer in het Galt House, maar ik was de vernedering nog niet vergeten. Oh nee, helemaal niet!’ Zijn ogen fonkelden. Het leek wel of hij er schik in had. ‘Het was een drukte van jewelste in de grote hall. Ik ontmoette er verschillende bekenden van vroeger, waaronder mijn goede vriend gouverneur Morton. Alles ging prima eigenlijk, tot ik Nelson zag staan.’ Weer onderbrak hij zijn betoog. Een paar seconden lang sloot hij zijn ogen, ongetwijfeld om zich de exacte omstandigheden van toen voor de geest te halen. Ik zou er elke dollar in mijn zak voor verwed hebben dat hij in staat was om iedere persoon die zich op dat tijdstip in het hotel had bevonden niet alleen bij naam te noemen, maar ook nog eens uitvoerig te beschrijven. ‘Hoe moet ik dat aan een jongmens als jij uitleggen? Hoe Bull daar tegen de balie geleund stond in een vest dat veel te net en veel te wit over zijn dikke buik spande, uitdagend de zaal in kijkend met die geniepige oogjes en dat spottende grijnslachje van hem … Er knapte iets in mijn hoofd. Ik stormde op hem af, herinnerde hem aan zijn beledigingen en eiste genoegdoening.’ ‘Je zou iets in zijn gezicht gegooid hebben, heb ik gehoord.’ ‘Pas nadat hij mij opnieuw beledigd had. Ik moet in mijn nervositeit – ja, ik was zenuwachtig – een visitekaartje van de balie genomen hebben om het te verfrommelen. Het is idioot, maar ik moet altijd iets in mijn handen hebben, dat heb je misschien al gemerkt.’ Dat had ik inderdaad. De ganse duur van ons gesprek zat hij al aan zijn glas en aan het boek te prutsen. ‘Bull wilde mij daar weg, maar ik bleef bij mijn standpunt. Toen hij mij een vervloekte hond noemde en zei dat hij niks met mij te maken wilde hebben, mikte ik de prop in zijn gezicht. Heb jij als jongen geknikkerd, kolonel?’ ‘Af en toe.’ ‘Ik was er goed in. Nog steeds. Ik raakte hem precies in het oog. Maar toen haalde hij uit met zijn hand. Hij uitte eerst zijn ongenoegen bij de gouverneur, en stoof dan weg in de richting van de trappen.’ Ik was intussen voldoende op mijn gemak om te durven vragen hoe zijn eigen gemoedstoestand op dat moment was geweest. Het antwoord op die vraag kon mij helpen om een correct oordeel over de gebeurtenissen te vormen. ‘Ik was voor de tweede keer op rij diep vernederd, uiteraard, maar merkwaardig genoeg kwam er een soort rust over mij. Alsof ik een verdovend middel had gerookt, zoals de wilden soms doen. Hoe dan ook, er ontstond wat beroering in de hall. Het was uiteindelijk Thomas Gibson die mij van een wapen voorzag. Ik kende Gibson goed uit mijn tijd in Mexico. Een prima kerel.’ Ik vond dat hij er nogal licht over ging. Een vuurwapen is geen onschuldig voorwerp, zeker niet in het bezit van een vernederd man. ‘Ik baande mij een weg door de hall en vond Nelson onderaan de trap. Blijkbaar was hij teruggekeerd van zijn kamer, waarom weet ik niet.’ ‘Was hij gewapend?’ ‘Nee. Maar ik dus wel. Het pistool van Gibson lag in mijn hand alsof het nergens anders thuishoorde. Ik had de vinger al aan de trekker. Ik weet nog dat het wapen blonk. Het was net opgepoetst. Vreemd dat je daar op zo’n moment op let.’ ‘Zeiden jullie nog iets tegen elkaar?’ ‘Nee. Hij keek me gewoon aan. Zelfs met een pistool op hem gericht slaagde hij er niet in de arrogantie uit zijn gezicht te wissen. Had hij verschrikt gekeken, zoals ieder weldenkend mens in die situatie zou doen, had ik misschien niet geschoten.’ Mijn hart ging sneller slaan. Eindelijk kwam hij ter zake. ‘Maar je deed het toch.’ ‘Ik vuurde, en hoewel hij vlakbij stond was hij niet op slag dood. De kogel moet ergens in zijn vetlagen blijven steken zijn. Hij slaagde er nog in de trap op te klauteren. Ik was te verbaasd om het karwei af te maken. Boven in de gang zeeg hij dan toch neer, maar hij leefde nog steeds, en hij bloedde als een rund. Wat dat betreft had hij zijn bijnaam niet gestolen.’ Dat hij generaal Nelson afschilderde als een stuk vee dat het verdiende geslacht te worden vervulde mij met walging. Davis moet dat gezien hebben, want zijn ogen waren op mij gericht, maar hij vervolgde zijn verhaal zonder spoor van empathie voor zijn slachtoffer of voor mij, zijn gesprekspartner. ‘Plots was het een komen en gaan van mensen. Er werden een dominee en een dokter bij gehaald. Het mocht niet baten. Minder dan een uur later was Bull dood.’ ‘Wat gebeurde er met jou?’ ‘Ik werd gearresteerd door generaal Fry, nota bene een vriend van mij. Ik nam het hem niet kwalijk. Integendeel, het deed me goed om afgezonderd te worden en mijn versie van de feiten aan een vertrouwensman mee te delen.’ ‘Waarom ben je niet gevlucht?’ ‘Is dat wat jij zou doen, kolonel? Ik heb gedaan wat ik heb gedaan, en een man moet verantwoordelijkheid opnemen voor zijn daden. Niet wegvluchten als een bange wezel.’ Het nauwelijks verdoken verwijt stoorde me mateloos. Ik liet het echter niet merken, omdat ik het vervolg van deze onverkwikkelijke historie niet wilde missen. ‘Ben je veroordeeld voor de moord?’ ‘Nooit. Nochtans waren er genoeg die mij wilden zien hangen. Helaas voor hen waren er niet voldoende officieren beschikbaar om een krijgsraad in te stellen. Er is een poging gedaan om de zaak door Washington te laten regelen, maar daar moest men er niet van weten. Er konden gewoon geen competente bevelhebbers gemist worden, ook ikzelf niet. Na een week of twee werd ik vrijgelaten. Het was een chaotische tijd. Dat is het natuurlijk nog steeds. Niemand heeft de moeite genomen om mij binnen de wettelijke termijn officieel in beschuldiging te stellen. Zoveel vrienden had Nelson dus blijkbaar ook niet.’ Op dit punt aanbeland kon ik mijn ergernis niet langer verborgen houden. Ik greep de leuning van mijn stoel vast en boog voorover. ‘Maar dat is onvoorstelbaar! Je hebt in koelen bloede een ongewapende man vermoord, en je komt ermee weg!’ ‘Hoeveel mannen heb jij in deze oorlog al gedood, kolonel?’ Ik moest het antwoord schuldig blijven. Het waren er veel, misschien té veel, en als artillerist ben je nooit rechtstreeks getuige van de verwoesting die door je kanonnen wordt aangericht. ‘Dat waren vijandelijke soldaten, dat is iets anders. Jij hebt een kameraad gedood.’ ‘Een kameraad? Laat mij niet lachen. Wie treft meer schuld, kolonel? De zuidelijken die, weliswaar door dwaasheid gedreven, hun eigen huis en haard verdedigen, of zo’n opgeblazen kikker als Nelson die er plezier in schept zijn mede-officieren te vernederen?’ ‘Gesteld dat hij inderdaad een onaangenaam mens was, dan nog heb je ons leger van een bekwaam generaal beroofd.’ ‘Of ik heb plaats gemaakt voor iemand die nog beter is, en sympathieker bovendien. Toegegeven, ik had hem liever in een eerlijk duel gedood. Maar de omstandigheden beslisten er anders over.’ ‘De omstandigheden? Jij bent degene die naar een wapen heeft gegrepen.’ ‘Omdat ik het nodig dacht te hebben om mij te verdedigen. Ik wist niet anders of Bull zou zelf een wapen gedragen hebben wanneer ik hem terugzag.’ ‘Daarin heb je je dan vergist.’ ‘Ja, maar wat maakt het uit? Hij had mijn eer bezoedeld, mijn waardigheid aangetast, en dus had ik recht op genoegdoening. Het had allemaal wat eleganter kunnen verlopen, maar ik heb geen spijt dat ik geschoten heb.’ ‘Je spreekt over recht? Het recht dat je in eigen handen hebt genomen?’ ‘En het recht waarvoor ik ter beschikking stond na het fatale schot. Ik ben niet weggelopen. Ik zou elke rechtvaardig uitgesproken straf met opgeheven hoofd aanvaard hebben.’ Mijn bloed kookte. Die duivelse man had op alles een antwoord. Elk van mijn verbale aanvallen werd met een trefzeker weerwoord gepareerd. Ik verloor elk gevoel voor decorum, vergat de hiërarchische kloof die tussen hem en mij gaapte totaal. ‘Dat is makkelijk praten, nu je weet dat je op vrije voeten bent. De waarheid is dat het recht, waarnaar je zo ijdel refereert, nooit zijn beloop heeft gehad.’ Op dat moment nam hij de bijbel van tafel en begon er schijnbaar achteloos in te bladeren. ‘Het recht der mensen misschien niet,’ zei hij. ‘ De Almachtige daarentegen zal over mij oordelen wanneer de tijd rijp is, zoals hij dat over iedereen zal doen. En wie zegt dat het niet de Heer zelf is, die het pistool in mijn hand heeft gelegd?’ ‘Pardon?’ ‘Het boek der wijsheid. De Allerhoogste zal zijn schepselen wapenen tot wraak tegen de vijanden.’ ‘Ik dacht dat onze vijanden in het zuiden leefden. Hun president draagt dezelfde naam als jij: Jefferson Davis. Hoe toepasselijk.’ ‘Toepasselijk, inderdaad. Mijn ouders hebben mij vernoemd naar Jefferson, het verlichte brein achter onze grondwet, en naar Columbus, de ontdekker van dit wonderlijke continent. Een mooiere naam voor een patriot is ondenkbaar. Me dunkt dat het eerder die afvallige in Richmond is, die zijn naam gestolen heeft. Mijn naam!’ Buiten rukte de koele avond gestaag op, maar in de tent maakte de hitte van overdag nog steeds de dienst uit. Mijn huid werd aangevallen door een leger van kleverige zweetdruppels. Generaal Davis had minder last van de temperatuur. Niet gehinderd door enig protocol had hij zijn uniformjas losgeknoopt. Bovendien genoot hij van zijn drankje, terwijl ik al urenlang geen vocht meer had binnengekregen. ‘Ik begrijp niet hoe een eerzaam man zo rustig kan blijven na het stellen van een daad zo vreselijk als het vermoorden van een mede-officier. Hoe zijn geweten hem niet bezwaart. Hoe hij de slaap kan vatten.’ ‘Dat kan hij omdat hij ook maar de rol vervult die het lot hem heeft toebedeeld. Schat je jezelf hoger in dan mij, kolonel?’ Ik schraapte mijn droge keel. ‘Ik zou in elk geval geen strijdmakker doodschieten.’ ‘Dat dacht ik voor de gebeurtenissen in Louisville ook. Toen ik nog niet op de proef was gesteld door omstandigheden waar ik geen vat op had.’ ‘Sta mij toe de zaken anders te zien. Het beeld dat ik van jou had gekregen door de verhalen die over je werden verteld, is door dit gesprek niet afgezwakt. Ik denk dat het voor ons beiden beter is als ik morgen een aanvraag tot overplaatsing indien.’ ‘Ik zal ze niet goedkeuren. Je blijft onder mijn bevel.’ ‘Waarom? Wat heb je aan een ondergeschikte die jouw deugdzaamheid in vraag stelt?’ ‘Laat ons zeggen dat ik nieuwsgierig ben. Nieuwsgierig naar wat er zal overblijven van de jonge deugdzame dwaas die je bent als we door Georgia zijn heen getrokken.’ ‘Jonge dwaas? Ik was de beste van mijn jaar op West Point!’ ‘En de beste ooit op het vlak van ballistiek, dat weet ik. Ook daarom wil ik je in mijn divisie houden. Maar je bent ook een idioot. Omdat je niet inziet voor welke gruwelijke opdracht we hier staan. Ik ken Sherman. Hij is de beste commandant die we hebben en hij zal ons naar de overwinning leiden, maar de triomf zal duur bevochten worden. Misschien overleven we dit en wordt ons achteraf een onderscheiding opgespeld. Worden we als helden onthaald en geprezen als mannen van eer. Maar onze zielen zullen voor altijd besmeurd zijn met het bloed van de onschuldigen die door onze hand zijn gedood. Mannen en ja, ook vrouwen die Bull Nelson in deugdzaamheid ver overtreffen. Dus bespaar me je gezeur over plicht en rechtschapenheid.’ Mijn ergernis sloeg om in woede. Voor wie hield deze man zich dat hij meende mij op deze manier de les te moeten lezen? Alsof ik nog een groentje was aan de academie. Ik wilde hem van antwoord dienen, maar mijn greep op de situatie verslapte. Mijn slapen bonsden, mijn keel brandde. De geur van mijn eigen zweet drong mijn neusgaten binnen. Enkel de ogen van Davis en het boek in zijn hand zag ik nog helder voor me. De rest danste om me heen. En nog was zijn vernederend betoog niet ten einde. ‘Je vindt jezelf heel wat, nietwaar kolonel? Eén en al plichtsbewustzijn, vaderlandsliefde en voornaamheid. Maar Sherman, die rosse duivel, zal ons meevoeren naar de hel. Er zullen momenten zijn dat je wenste dat die hoer van een moeder van je jou nooit ter wereld had gebracht.’ De Colt had al die tijd in mijn holster gezeten. Ik was er mij amper van bewust, tot dat moment. Ik trok het wapen zonder er bij na te denken. Tegelijk veerden we overeind. Ik weet niet meer hoe lang we daar precies stonden. Ik met de revolver op hem gericht, hij met de bijbel voor zijn hart, erop vertrouwend dat het Woord Gods zou volstaan om het fatale schot af te weren. We zijn nu vijftig jaar verder en nog steeds gaat er geen dag voorbij zonder dat ik mij de vraag stel: wat als ik de trekker had overgehaald? Wat als ik niet bevend mijn arm had laten zakken terwijl hij mij onverstoorbaar bleef aankijken? Ik weet het niet. Ik weet wel nog wat ik toen zei. ‘Doe mij toch maar die bourbon.’         Noot van de auteur: De moord van Jefferson Columbus Davis op William “Bull” Nelson is historisch. De verteller in dit verhaal en zijn dialoog met Davis zijn fictief.

Bert
0 0

Dan was het zomer

En dan vertrek je op vakantie. Pas op, het is meer dan 10 jaar geleden. De mannen waren nog klein mannen. Dan heb je eindelijk beslist welke korte en lange broek en welke schoenen je meeneemt, naast degene die je aan hebt want die moet je ook meetellen, en dan zwijg ik nog over de spullen van de mannen die mee op de achterbank moeten. Elk hun koffertje. Het ene koffertje was oranje met Winnie de Poeh op. Toch gek dat je sommige zaken niet vergeet. Dan vertrek je voor een rit van bijna 1000 kilometer. Met de wagen die toch al wat jaren had. “We wagen het er op”, zeiden we als grap, dat weet ik ook nog.   Niet lang nadat je Brussel gepasseerd bent, verdwijnt Studio Brussel van de radio. En dan moet je ook door Parijs. “Op de Périphirique”, hadden ze me gezegd, “wil het wel eens druk zijn”. Tja, het was inderdaad met geen enkele ringweg te vergelijken. Dan is die van Brussel een gewestweg. Dan ben je daar eindelijk door en dan rij je fout. Op die honderd kilometer zal het wellicht ook niet steken. We waren al blij dat Parijs achter ons lag. Later zouden we daar nog wel eens naartoe rijden. Gewoon, naar de lichtstad. Nu lachen we daar een beetje mee. “Weet je nog, toen we hier voor eerst door moesten?”   Dan kom je op de plaats van bestemming en dan verschijn je even in het leven van de mensen ter plaatse. En dan begint de dag met de vraag: “Wat zullen we straks eten?” En dan bezoek je marktjes en doe je eigenlijk niet veel en dan heb je het wel goed. Met dat boek aan het water, maar toch moet er ook wat animatie zijn voor de mannen. En dan denk je stiekem toch ook al aan die terugtocht, waar je een beetje tegenop ziet. Opnieuw 1000 kilometer. Opnieuw die Périphirique. Ondertussen kan je het al foutloos schrijven.   De tijd vliegt, zeker op vakantie, en dan ben je ondertussen opnieuw door Parijs en dan zie je “Bruxelles” terug op een bord verschijnen. Nog eens 350 kilometer en dan kan je Studio Brussel ontvangen. “Dat is toch altijd een beetje thuiskomen”, zeiden we altijd. Maar dan hoor je één van de klein mannen op de achterbank zeggen. “En wanneer gaan we nu naar de zee?” Tja, dan zou je toch. Niet?

Rudi Lavreysen
20 0

Toen ik een kind was

Toen ik een kind was, bedroog mijn moeder mijn vader met een andere vrouw. De liefde waarmee ze naar die vrouw keek, en die ik nooit in haar ogen had gezien wanneer ze naar mij of naar mijn vader keek, dàt deed het meeste pijn. Ze dacht dat ik dat niet zag. Mijn moeder hield wel van ons, maar ze had een idee over hoe haar leven eruit moest zien, en wij pasten daar niet in. Wij waren ballast, mijn vader en ik, de twee-eenheid van haar verdriet, we stonden symbool voor gemiste kansen.  Ze sleepte me mee op haar uitjes met die vrouw. Ik was te klein om alleen thuis te blijven en te groot om geen derde wiel aan de wagen te zijn. Op woensdagnamiddag zat ik op de koude, betonnen bankjes van de Meir terwijl zij samen kleedjes gingen passen. Ik had altijd twee boeken in mijn rugzak zitten, zodat ik een reserve bij had voor wanneer het ene uit zou zijn. 'Mijn leven valt best mee', dacht ik wanneer ik las over kinderen die misbruikt werden of op straat leefden en verslaafd waren aan lijm. Ik had koude billen op die bankjes. Ik leerde me daartegen wapenen. Op woensdagochtend deed ik altijd een kousenbroek aan onder mijn jeans, voor het geval zij in de auto zou zitten wanneer mijn moeder me van school kwam halen. Het hielp maar matig.   Ze giechelden als kleine meisjes. Dat hebben ze me afgenomen: giechelen heb ik nooit gedaan, als kind niet en nu niet. Dat is maar één van de vele dingen die ik hen kwalijk neem. Als ze uit de winkels op de Meir naar buiten kwam en mij zochten, zag ik de teleurstelling in hun ogen omdat ik er nog zat. Ze leken altijd te hopen dat ik - 'poef' - zou oplossen in het niets. Dat er van mij hoogstens nog een stofwolkje zou overblijven, en daarna niets meer. Dat kon ik hen niet kwalijk nemen. Niet meer bestaan was ook míjn vurigste wens. Ik wilde niet sterven, want dat leek me zo'n gedoe. Mijn ouders zouden een begrafenis moeten regelen. Mensen uitnodigen die ze niet meer wilden zien. Verdriet hebben (mijn vader) of verdriet spelen (mijn moeder). Nee, ik wilde niet sterven. Ik wilde ophouden te bestaan. Oplossen, verdwijnen, zonder een spoor achter te laten. Onzichtbaar was ik toch al.   Mijn moeder drukte me op het hart niets over haar ontmoetingen met die vrouw tegen mijn vader te zeggen. Voor ze me in dat complot betrok, vertelde ik alles aan mijn vader. Het was moeilijk om nu iets voor hem te moeten verzwijgen. Was ik medeplichtig aan mijn moeder haar overspel als ik niets zei? Maar wat zou er gebeuren als ik het wel vertelde? Dan gingen ze misschien uit elkaar en was het mijn schuld dat ons gezin kapot ging. Bovendien wist ik niet wat ze met mij zouden doen. Mijn moeder was me liever kwijt dan rijk, maar dat zou ze nooit aan hem toegeven. Als ik een week bij mijn vader en een week bij mijn moeder moest verblijven, zou ik de helft van de tijd ongeliefd en ongelukkig zijn. Dus ik besloot om nog even te zwijgen.   'Je bent zo stil tegenwoordig, meisjelief', zei mijn vader op een avond toen hij me onderstopte. Ik reageerde niet. 'Gaat het niet goed op school', vroeg hij. Ik reageerde nog steeds niet. 'Je weet dat je me alles kan vertellen, meisjelief', drukte hij me op het hart terwijl hij me op mijn voorhoofd zoende. Vlak voor hij naar buiten ging, zei ik 'Papa', maar ik bedacht me. Het was beter om niets te zeggen. Hoe stiller ik thuis werd, hoe liefdevoller mijn vader me behandelde, en hoe schuldiger ik me voelde over het bedrog waarin mijn moeder me betrokken had. Ik keerde me van hem af, snauwde hem af wanneer hij vroeg hoe het op school was geweest. Mijn hart brak wanneer ik zag hoe ik hem kwetste en hoe weinig hij ervan begreep.   Soms nam mijn moeder me mee wanneer ze iets ging drinken met die heks. Ze zochten altijd brasserieën op waar het rook naar een mengeling van oude mensen en zoet gebak. Daar waren ze zeker dat ze niemand zouden tegenkomen die ons kende. Zij keken diep in elkaars ogen over hun koppen thee heen en fezelden over waar en wanneer ze elkaar zouden terugzien. Ze hielden mij zoet met wafels met slagroom en warme chocolademelk. Ook vijftien jaar later word ik nog ongemakkelijk van de zure geur van oude mensen en de zoete geur van wafels.   Op een dag besloot ik om haar erop aan te spreken. Als ik het niet tegen mijn vader mocht zeggen, kon ik wel proberen om haar ervan te overtuigen om dat zelf te doen. Toen ik op vrijdagmiddag thuiskwam van school was ze erg vrolijk en ik trok mijn stoute schoenen aan. 'Mama', vroeg ik 'wanneer ga je het eigenlijk tegen papa vertellen, dat je verliefd bent op iemand anders?' Ze schrok, kwam naast me zitten: 'Kindje toch, waar ben jij nu mee bezig. Wat er tussen haar en mij is, dat heeft niets met jou en je papa te maken. Je moet niet bang zijn. Hier zal er niets veranderen. Voor jou blijft alles hetzelfde.' Ze leek te denken dat die woorden geruststellend waren. De rest van dat weekend was ze erg lief tegen mij en mijn vader. Ze was de vrolijkheid zelve. We gingen naar de speeltuin in het park en aten daar zelfs vol-au-vent met frietjes. Ik was hoopvol. Ik dacht dat ons gesprekje haar de ogen geopend had en dat ze besloten had om voor ons te kiezen en haar relatie te beëindigen. Maar toen werd het weer woensdag en ging haar spel door als vanouds.

Sofie Strubbe
16 1
Tip

Otto

Voor Otto Frener was het leven een kermis. In zowel de letterlijke als de symbolische betekenis van het woord en alle schakeringen daar tussenin. En er zijn drie belangrijke dingen die je over hem moet weten vooraleer we verdergaan: hij had een hekel aan onnodige dramatiek, zijn smoutebollen waren bijna even memorabel als de hittegolf van 2003 en na de dood van zijn vrouw waren er krakjes beginnen ontstaan. En Otto had humor, zelfs zakken vol ervan. Bij de geboorte van zijn zoon had hij zo lang aangedrongen dat zijn arme vrouw er akkoord mee was gegaan het kind Fred Frener te dopen. Enkele jaren daarvoor, bij de opening van zijn smoutenbollenkraam, had hij naar eigen zeggen de wonderbaarlijke ingeving gekregen het de naam “Smottobollen en meer” te geven. Otto Frener was dan wel niet te vinden voor dramatische gebeurtenissen, als het op plezier maken aankwam hadden veel mensen iets van hem te leren. Je moet ook weten dat Otto een heel wijze man was, van de soort intelligentie die bekrompen zielen niet zouden toeschrijven aan een simpele marktkramer. Otto’s kraam had een vaste plaats op het dorpsplein en gedurende het hele jaar werd het vaak bezocht door dorpelingen en passanten. Wanneer de warmere maanden aanbraken en er in naburige dorpen een kermis op poten werd gezet, ging ‘Smottobollen en meer’ naar goede gewoonte ieder jaar de andere kraampjes en tal van attracties vergezellen. Toen kleine Fred drie jaar oud was spoorde Otto hem aan om in een straal van een vijftigtal meter met een stel macarenas al kierend mensen aan te klampen en reclame te maken voor zijn goede oude heer die even verderop boven de frituurketels stond te zwoegen. “Ach Anja,” zei hij dan wanneer zijn vrouw protesteerde, “die jongen groeit zo snel dat het ons ontgaat.” En enkele woorden zoals deze waren dan genoeg om zijn lieve Anja gunstig te stemmen.   Het groeien ging zo snel dat het verouderen aan zowel Otto’s als Anja’s aandacht was voorbijgegaan. Voordat ze het goed en wel beseften was de kleine Fred een stevige jongeman van twintig geworden en waren hun eigen lichamen begonnen aan een trieste aftakeling. Want dat was het enige woord dat Otto eraan gaf: triest. Zijn wangen waren doorheen de jaren ingevallen, er lagen donkere kringen onder zijn ogen en zijn dunne haar was geleidelijk begonnen aan de vergrijzing. Anja had het moeilijker met de hele zaak. Het vet aan haar buik begon stilaan meer en meer over haar broeksrand te hangen en fijne rimpeltjes sierden haar grijze ogen. ‘Wat heb ik nu eigenlijk aan mijn jonge jaren gehad?’, vroeg ze Otto een keer toen de twee zich aan het klaar maken waren om naar het trouwfeest van een achternichtje van Anja te gaan. Ze draaide enkele keren rond haar as voor de spiegel en probeerde het riempje rond haar jurk nog een gaatje strakker te steken. ‘Waarom heb jij mij nooit ten huwelijk gevraagd? Ik heb vroeger nooit de kans gekregen om met mijn strakke troeven te pochen in een trouwjurk, boerke!’ Otto had met zijn ogen gedraaid en zijn das wat losser getrokken. ‘Omdat ik geloofde dat er nog mensen zijn die uit welwillendheid bij elkaar blijven.’ En met die woorden in zijn achterhoofd waren ze ten slotte vertrokken. En toen had Otto nog maar eens een keer tegen zichzelf gezegd dat hij een hekel had aan discussies zoals deze. (het was allemaal minder serieus dan hoe het hier op papier klinkt) Een jaar later waren ze vertrokken naar het huwelijk van Fred. Anja’s buik was nog meer gaan uitpuilen, Otto was haar beginnen te verliezen, en hun kibbelen was blijven verdergaan zoals het pruttelen van het frituurvet in zijn kraam: steeds luider, maar makkelijker te negeren met het verstrijken van de jaren. En hoewel ze hun goede en slechte tijden kenden, Otto was altijd een beetje trots geweest op zijn keuze om niet te trouwen. Want wit was toch nooit Anja’s kleur geweest.     Na zijn middelbare school afgemaakt te hebben was Fred vrijwel direct begonnen met fulltime in het kraam te werken. Het had niet minder dan logisch geleken, zoals het had moeten zijn. Otto genoot altijd van het reizen en zeilen in zijn kraam, maar pas wanneer ze naar een kermis in de buurt trokken had hij de tijd van zijn leven. Hoe ouder Otto en Anja werden, hoe meer Fred en zijn vrouwtje Sarah het werk op zich namen. ‘Waar is die oude rakker?’ vroeg men dan bij het bestellen van een portie smoutebollen of Brusselse wafel. Meestal haalde die twee dan hun schouders op. ‘Hij vindt het leuk om alle attracties uit te proberen’, zeiden ze dan uiteindelijk. En natuurlijk, na verschillende ritjes in de wildste attracties achter de rug te hebben kwam Otto dan altijd weer aangesloft bij zijn kraam. ‘Fred, geef je vader eens een keer een portie van 12, de sfeer zit goed vanavond.’ En zoals een zoon dan gehoord was om te doen, luisterde ook Fred naar zijn oude vader, terwijl hij zich steeds weer afvroeg waarom Otto dikwijls met een paar macarenas in zijn ene en zijn smoutebollen in de andere hand op wandel ging. Die man zat vol mysteries en grappen, en Fred had geen idee tot welke categorie dit rare voorval toebehoorde. Anja stierf in januari 2006. Het plein met de vaste plaats van “Smottobollen en meer” transformeerde in een zee van bloemen. Otto besloot om zich een paar dagen in stilte terug te trekken achter zijn voorgevel, maar na een kleine week stond hij erop zijn werkschort weer aan te trekken en smoutebollen te frituren zoals hij nog nooit eerder had gedaan. Telkens wanneer Freds blik de zijne kruiste keek een oude man met een aantal krakjes terug. ‘Kijk niet naar mij alsof ik elk ogenblik neer kan vallen,’ zei hij op een dag tegen hem. En met die woorden strooide hij een hoeveelheid bloemsuiker op een bestelling die het dochtertje van de vrouw aan de andere kant van de toonbank deed kirren van plezier. Voor Otto Frener was het geen optie zich gewonnen te geven aan de tol van zijn drukke jaren, hij had nog zoveel dingen te beleven.   ‘Er valt nog zoveel te beleven, Fred.’ Wanneer hij het fotoalbum neerlegt en zich omdraait, staat Otto in de deuropening. Er blinken pretlichtjes in zijn ogen en zijn zoon kan zien dat zijn gedachten elders zijn. Wanneer Fred de auto aan het plein parkeert begint de middagzon net door de wolken heen te breken. Otto haalt zijn sleutelbos tevoorschijn en begint de sloten van het kraam te openen. ‘De sfeer gaat goed zitten vanavond, Fred,’ zegt hij opgewekt. ‘Waarover had je het daarnet?’ vraagt die nieuwsgierig. Otto kijkt hem even aan alsof hij hem net heeft gevraagd hoeveel één plus één is. ‘Wat ik zei, jongen! Er valt nog zoveel te beleven, en mijn zoon zit zijn tijd te verdoen met oude fotoalbums door te bladeren en herinneringen op te halen van lang vervlogen tijden. Leef in het nu, zoon, da’s wat ik je zeg.’ Na die woorden bond Otto al fluitend zijn schort om en liep het kleine trapje af om het bord recht te zetten, terwijl Fred zich afvroeg of zijn vader briljant of seniel verward was. Hij gokte op de middenweg. Tegen de avond was het plein gevuld met allerhande kramen van de jaarlijkse kermis in Otto’s dorp. Vrijwel alle marktkramers begaven zich na aankomst naar “Smottobollen en meer” om hun oude vriend te begroeten en iets lekker mee te pikken na hun vaak lange reis. ‘Ottoman!’, schreeuwde een gezette man met een walrussnor en Nederlandse toonval enthousiast vanaf 30 meter afstand. ‘Hoe gaat het met mijn favoriete ouwe oliebol?’, vroeg hij toen hij Otto in een stevige omhelzing nam. ‘Ik kan wel een stevige portie van je bollen gebruiken man, dat verkeer was niet te doen vandaag!’ Otto klopte hem amicaal op de rug en begon enthousiast te vertellen. Na nog enkele nieuwsuitwisselingen nam de man afscheid en liet Otto beloven dat ze straks samen een glas zouden drinken. Otto ging samen met Fred weer aan de slag en mompelde nog wat gelukzalig na over zijn weerzien met een oude vriend. ‘Zorg dat hij je niet onder tafel drinkt straks,’ grinnikte Fred. Otto lachte en gooide een pannenkoek de lucht in. “Zeg maar tegen je moeder dat ik laat thuiskom vanavond.”   Als alles goed ging was er lawaai. Gelach en getier, met een glimlach en geamuseerd handgebaar. Als het goed ging waren ze met drie als een geoliede machine. Er was een logica en herhaald patroon terug te vinden in hun handelingen. Otto nam vanzelfsprekend de charismatische taak op zich. ‘Ze komen niet alleen voor de calorieën, benjamins,’ zei hij op een avond tegen zijn zoon en schoondochter toen het laatste groepje klanten was weggeslenterd. ‘Er is meer nodig dan suiker om mensen zoet te houden.’ En met die uitspraak reikte hij hen beiden een gekarameliseerde appel aan die hij bij het vallen van de avond stilletjes opzij had gelegd. Bij kermissen was het altijd goed, was er altijd lawaai en meer terug te vinden. In de dagelijkse sleur slopen er met het verstrijken van de jaren meer en meer slechte dagen. Op een zomerdag, enkele jaren na Anja’s dood, begonnen Otto’s handen te trillen. ‘Dat is de elektriciteit die hier in de lucht hangt’, grapte hij dan als er vrouwelijk schoon aan zijn kraam stond. ‘Het kan geen kwaad om wat af te bouwen, vader’, haalde Fred op een zondagmorgen voorzichtig aan. Otto en hij maakten naar goede gewoonte een wandeling naar de bakker voor keizerpistolets. ‘Doe het een beetje rustiger aan, zoek misschien een hobby. Ik heb gehoord dat ze in het café op de hoek nog iemand zoeken voor te kaarten.’ Otto wimpelde zijn voorstel met een groot handgebaar weg. ‘Doe niet zo dwaas Fred Frener, mijn kraam is de beste hobby die ik kan hebben.’ Om zijn woorden kracht bij te zetten versnelde hij zijn pas en ging met zijn handen in zijn zakken voor zijn zoon uit lopen. Na een minuutje draaide hij zich om en liep achterwaarts verder. ‘Ik zal je nog meer zeggen: mijn zoon is een hannes die denkt dat ik mijn vervaldatum nader en schrik heeft dat ik binnenkort met mijn verwarde hoofd in een driftige bui op mijn toonbank ga staan en in een pruttelende frituurpan urineer. Wel, vandaag trilt alles.’ En na die uitspatting, die voor Otto Freners karakter bijzonder ongewoon was, liep hij het eerstvolgende zebrapad over en ging een supermarkt binnen. Want uiteindelijk was een doos ontbijtgranen even goed voor hem.   Er zijn altijd zaken die het verdienen om onthouden te worden maar toch in de vergetelheid terecht komen. Bijvoorbeeld de manier waarop Anja haar lippen stiftte en hoe ze zich na een lange dag gelukzalig in de sofa uitrekte. Of de euforie van een kleine Fred wanneer de zomervakantie begon, zonnestralen leken nog nooit zo warm. En er begonnen dagen voor te vallen waarop Otto in een te lage versnelling leek vast te zitten. Dan leek de damp in het kraam nog nooit zo heet en het kabaal nog nooit zo luid. Bij de plaatselijke kermis in de zomer van 2011 was er een dieptepunt en het begon allemaal met die verdomde appelbeignets. Een vrouw van middelbare leeftijd, het type waarvan men na één blik kan afleiden dat ze aan bloemschikken doet in haar vrije tijd en graag tripjes maakt naar plaatsen als Zurich, had een portie churros en enkele gekarameliseerde appels bestelt. Nu moet je weten dat de familie Frener in de loop der jaren een duidelijke taakverdeling had ontwikkeld. Hoe ouder Otto werd, hoe vaker hij Fred de opdracht gaf vooraan te staan en hem om de zoveel tijd enkele bestellingen toe te roepen. Het was geen poging om zichzelf te ontlasten van het harde werk, het was simpelweg Otto die na het lange zeuren van zijn oude lichaam inzag dat hij niet langer het meeste werk op zichzelf kon nemen. En natuurlijk waren er mensen die zich dan afvroegen waar die fervente verkoper van lekkernijen naartoe was gegaan, en met een simpel gebaar kwam hij dan vanachter het achterste keukenmateriaal vandaan. Op de dag dat de dame in kwestie bij ‘Smottobollen en meer’ stond, was het ook haar bestelling die Fred zijn vader toeriep. En met zijn arme verwarde hoofd had Otto per ongeluk een portie appelbeignets klaargemaakt. Zoals elke bestelling die hij op zich nam gaf hij ook deze zelf af aan de klant, wat hem die dag een verontwaardigde blik opleverde. ‘Ik heb zoveel over deze tent gehoord,’ had de bloemenschikster met een opgeheven neus gezegd, ‘en dan blijkt er hier zo weinig verschil tussen appels met karamel en appelbeignets te bestaan? Misschien had ik in dat geval beter een stroopwafel kunnen bestellen, dan waren die appels misschien toch in orde gekomen.’ Na die kleine uitval had ze de zak appelbeignets uit Otto’s trillende handen gegrist en hem ontzet achtergelaten, terwijl de jingles van de nabije attracties hem luider en luider in de oren klonken en er niets anders dan schaamte door hem heen ging. Later die avond, op een moment dat het rustig was en de gewoonlijke drukte al even voorbij was, mompelde hij tegen Fred dat hij een luchtje ging scheppen en liep het kraam uit. De avondlucht leek zuiverder en koeler dan anders, ook al hingen er verscheidende kermisgeuren in de lucht. Hij had geen bestemming, maar besloot om niet terug te gaan vooraleer hij zich beter voelde. Hij dacht aan Anja en al die keren dat haar lach aan zijn zijde had geklonken. Alles was heel ver weg, zelfs de schort die hij nog steeds aanhad was niet van hem. En dan zag hij plots de vrouw van de appelbeignets, slenterend aan de arm van haar man. Hoewel ze nog relatief ver weg was zag Otto restjes bloemsuiker aan haar mondhoeken hangen. ‘Ik heb een kraam, geen tent,’ fluisterde hij tegen zichzelf. En op dat moment wist hij heel zeker dat hij dat moment nooit mocht vergeten.   Ik vraag mij af waar het ophoudt, denkt Otto wanneer hij de zoveelste donkere hoek omslaat. Pas toch op ouwe vent, heb je dat geraamte niet zien staan? Otto grijpt naar zijn borstkas en lacht. ‘Je had me er bijna bijgelapt, knul!’, roept hij over zijn schouder. Ergens ver achter hem breken opgewonden kindergilletjes door. Vanaf het plafond strijken metalen schakelkettingen over zijn kalende kruin en in de wanden licht regelmatig schemerige rode neonverlichting op. Gewillig laat de oude Otto zich op zijn handen en knieën zakken. Na een paar meter buigt de grond stijl af naar beneden. ‘Ik verwacht een prijs straks,’ mompelt hij voor zich uit, vooraleer hij op zijn zij naar beneden rolt. Na nog een kleine vijf minuten het donkere parcours gevolgd te hebben en een schouderklopje te hebben uitgedeeld aan een jongedame die zich voordeed als Bloody Mary, staat Otto weer buiten in de drukte. Een groeiende rij wachtenden kijkt hem aan. Hij maakt een buiging en loopt om hen heen naar het kleine loket toe. ‘Ik hoop dat er volgend jaar weer een paar zombies zijn. Die rakkers zijn pas eng,’ fluistert hij het tweetal achter de kassa met een knipoog toe. Als hij zijn weg vervolgt maakt Otto een zwierige pirouette. Het spookhuis is een favoriet van hem.   Het leven is zoeken en opnieuw kwijtraken. Ik ben altijd aan het broeden op iets. Een gezicht dat mij bekend voorkomt; iets dat ik twee minuten geleden wou zeggen en me nu ontglipt is; bepaalde puinhopen die ik maar niet uitgeklaard krijg; het vinden van een iets dat wacht. Er zijn momenten van sereniteit en er zijn dagen van paniek. En ik wil praten over de gaten in mijn leven en het zoemen in mijn hoofd. Ze willen mij doen bedaren en begraven, suiker was nog nooit zo nutteloos. Ik loop rond en rond en zonnestralen zijn zo heet dat alles koud is. En dan uiteindelijk gaat iedereen te snel voor een oude marktkramer die onzin uitkraamt en begint vast te roesten in een iets dat al lang vervlogen is. Maar er is een schoonheid die ik niet kan thuisbrengen en mij daaraan vasthouden is het enige dat mij nog zekerheid kan brengen. Hoeveel dagen zijn er nodig om weg te schemeren? Zelfs een spookhuis voelt als ongrijpbare rook. Gelukkig zullen er altijd jingles zijn om op te dansen.   Otto voelt een hoestbui opkomen en laat het gaan. Hij moet een paar keer in het gras spugen om er helemaal vanaf te geraken. Het is een warme dag en hij zoekt met zijn ogen steeds weer het weerkaatste zonlicht op het wateroppervlak van het meer op. ‘Het is goed zo,’ mompelt hij. Anja maakt zich los van haar eigen gedachten en kijkt hem van opzij aan. ‘Wat? Wat is goed?’ Otto wacht even met antwoorden en raakt vluchtig haar hand aan. ‘Het nu. En alles wat nog komen zal.’ Hij gooit de laatste stukjes brood naar de kwetterende eendjes en zet zich neer in het gras. ‘Soms doe jij toch zo’n zotte uitspraken.’ Anja komt naast hem zitten en probeert een moedige eend wat dichterbij te doen komen. Otto bekijkt de lucht, die blauw en eindeloos is, en kan een glimlach niet onderdrukken. Zot is hij altijd al een beetje geweest.   Als er een getolereerde manier zou zijn om het einde van verhalen te verklappen, zou dit het moment zijn waarop een lang verwachte aap uit de lapjesmouw komt. Want er zijn veel anekdotes van Otto die de moeite waard zijn om te vertellen en minstens evenveel woorden die het verdienen om te worden geciteerd, maar niemand is onvervangbaar. En natuurlijk sterft onze lieve vriend Otto ergens tussen deze regels. Pif poef paf, deze kous is allang af. Voor Otto lag er schoonheid in zijn kluwen van vervlogen tijden en gingen liefde en zotheid hand in hand. Voor sommige mensen is het leven een jacht en er zijn ongetwijfeld schatten die de moeite waard zijn, terwijl anderen rondslenteren op een kermis van kleurpaletten die uiteindelijk durven vervagen. En oud worden leek nog nooit zo moeilijk en makkelijk nu Otto zijn schort aan één of ander haakje heeft weggehangen. Want er is niets meer zinvol dan te leven met teveel zaken om allemaal in handen te houden. Bestaan is niet loslaten en leven is vasthouden, en met die geruststellende gedachte heeft Otto Frener uiteindelijk alles laten gaan.              

Cara Jacobs
18 2

En toen kwam jij Jennifer Jennings

Weet je het nog Ramsie? .. Ramsie? Allé Ramsie geeft nu toch eens antwoord?!    U zult zich waarschijnlijk afvragen waar ik het in Godsnaam over heb... Ramsie is de 1nige echte vriendennaam die alleen ik mag gebruiken aan Ramses Shaffy...   Laat mij nu vooral doen en laten we onthouden dat deze multiculturele zanger nog steeds leeft... Dat kan namelijk ook niet anders want ik ben met hem nog op stap geweest, een gezellig uitstapje naar de zwarte markt in Tessenderlo.   Ik weet het alleszins nog goed, het was een koude miezerige zondagmiddag, Ramsie daarentegen zal het wss niet meer weten en daar zijn vrij simpele oorzaken voor. Ramsie lijdt en is tegelijk leider bij uitstek van het syndroom van Korsakov, hij kan het niet laten om eens stevig te bingedrinken... En wie ben ik als goede vriend om hem dat te ontzeggen... Ok ja, Ramsie is totaal geen leuke zatte mens zoals ik.. kan ook moeilijk anders, als Ramsie weer eens lekker lam in zijn rolstoel ligt te verkleuren en zijn neus er weer maar eens dreigt af te vallen moet ik mijn seniele vriend er van weerhouden om zichzelf te pijpen... Gênant? Zou je denken... maar Korsakov heeft ook zo zijn voordelen...    Soit, de zwarte markt... het hoogtepunt van bal marginal in Vlaanderen. Op deze plaats doen de echte carapils Vlamingen zichzelf alle eer aan, genieten was het voor mij.. Enkel mijn vriend Ramsie verder duwen in de geleende rolstoel van de CM werd een domper op de feestvreugde... Maar zo gaat het nu eenmaal in het leven... Ik keek rondom mij en er waren nog mensen in een rolstoel.. Obese lelijke moeders die zich op hun best hadden gekleed om hun zondag optimaal tot een hoogtepunt te brengen... De kansarme dochter genaamd Wanda had natuurlijk de ongewilde taak om haar moeder verder te duwen terwijl papa Maurice genoot van een hamburger en zoonlief Kiano koortsachtig op zoek was naar een nieuwe bibigun...   Verschillende levens en verhalen kruisen zich elkaar die dag.. En zo ook die van Hamid, deze verkoper van iPhone hoesjes van onder andere Enrique Iglesias en Wendy Van Wanten sprak mij en Ramsie aan, wel eens waar zonder te weten, allé dat ik eigenlijk geen reet intresse toonde... Ik probeer ten volle te genieten van het tafereel Tessenderlo op zich, dus waarom ook niet..   Al snel verandert de toon van het 1000ste mislukte verkoopspraatje van Hamid wnr Wanda en haar "stront wie heeft mij gescheten" marginaal gezinnetje de revue passeert op zoek naar een bibbigun voor zoonlief Kiano... Naast het standje van Hamid bevindt zich namelijk een kraampje met nog meer rommel waar zelfs Hamid alleen maar van kan dromen.. Er zijn samuraizwaarden voor in de living of in de eetkamer van de caravan op te hangen, er zijn beeldjes van Hentai wijven met zwaarden, er is een bananenhangmat verkrijgbaar, spelletjes voor de gameboy, houten bordjes met de meest originele quotes zoals "Thuis... waar liefde woont, herinneringen ontstaan en vrienden altijd welkom zijn" , tandpasta van Colgate uit Turkije voor maar €1,... En ja idd ook bibiguns   Nu vader Maurice, die nog steeds beweert 1 van de kopstukken te zijn geweest van het VMO, kan het natuurlijk niet laten om eens vies te zien naar Hamid en tegelijk voor hem het meest toepasselijke te roepen... "Ey vullen bruine,  zoude is ni beter naar uw eigen land gaan met uw kuthoesjes van Enrique Iglesias en Wendy Van Wanten!"  Hamid zijn argument dat hij wel degelijk is geboren in België haalt niets uit.. Kiano heeft vrijwel meteen zijn bibigun gevonden en het gezin begeeft zich verder naar de eetkraampjes om zich te voldoen aan een heerlijke kebap voor ze richting camping Eekhoornhof vertrekken...   Nu sta ik daar, met een iets wat verbijsterende Hamid, Ramsie die eigenlijk al in het slaap was gevallen onderweg naar hier, en nogmaals ikzelf die stiekem meer aandacht had voor de ontblote torso van Enrique op de hoesjes.... Een beetje raar allemaal, maar niets is abnormaal voor de beruchte zwarte markt.. Ik zou mezelf niet zijn mocht ik geen intresse hebben in het verhaal van Hamid zoals dat van Maurice ..   Wat volgt is een wel zeer kort gesprek waarin ik al snel spijt kreeg dat ik achter het "waarom" vroeg van Hamid de lelijken bruine zijn bestaan... Want verdomme het is toch echt wel een lelijke bruine, met zijn froefelig kort krullend haar, die sandalen, zijn gele tanden, stinkende adem van noten en olijven op een bedje van pijptabak...   Soit, Hamid zijn vader Mourad is in de jaren '60 naar België gekomen om te werken in de mijnen van Genk.. Wat een mooi verhaal kon worden werd het dus niet... Gered werd ik door mijn trouwe 2wieler Ramsie, hij had zoals dat dan gaat zijn broek vol gescheten... Dank u Ramsie!    Eenmaal aangekomen bij het toilet ververste ik het maandverband van Ramsie en deed hem een reservekousenbroekje aan die ik steeds bij heb als er een ongelukje zoals vandaag zich mocht plaatsvinden. Ik had ook nog even de tijd om het hoesje van Enrique te bewonderen dat ik had gepikt van Hamid toen Maurice hem de les aan het spellen was...    We zetten onze tocht verder, ik ben ondertussen te weten gekomen dat  Louis Neefs zal optreden om 19h op de Main Stage van de zwarte markt! Super! Dat zorgt toch voor een leuke intermezzo, dat het voorprogramma verzorgd wordt door zijn lullig gepest kutkind van een zoon Gunther Neefs zal geen roet in het eten gooien...   Ik begeef me alvast naar de toog om mij en Ramsie te voorzien van het nodige gerstenat om het vocaal gezever en gezeik te kunnen doorstaan... Een kleine 24pinten later is het dan zover... Ramsie probeert zichzelf te pijpen en Louis Neefs begint aan zijn show! Wat volgt is een compilatie van Louis zijn bekendste liedjes...  Mijn vriend Benjamin, Margrietje, Ik heb zorgen, Aan het strand van Oostende, Martine, Laat ons een bloem,... De zwarte markt gaat uit zijn dak! En net als ik dacht dat het niet mooier kon zijn sluit Louis Neefs zijn memorabele best hits compilatie af met Jennifer Jennings... mijn lievelingsliedje...   Het einde nadert van een prachtig dagje Tessenderlo, ondertussen ben ik al goed beschonken en kan het mij alsmaar minder en minder schelen hoe Ramsie zich gedraagt in de rolstoel... Het wordt tijd om maar eens naar huis te gaan.   Ik moet toegeven dat het een geweldig plan was, idd was.. Geen rekeninghoudend met alcoholcontroles in België rijden we los zo een controle in... Miljaar! Wat nu?! Ik twijfel niet en neem absoluut geen verantwoordelijkheid voor mijn daden door Ramsie aan te duiden als chauffeur... maar het mocht niet zijn...   Terwijl ik naar de combi begeleid wordt maak ik er de agenten op attent dat Ramsie nog eens naar het toilet zou moeten, mijn woorden zijn nog niet koud of het onheil is geschied... Ramsie plast zen kousenbroekje vol...   Alles is ondertussen wat bekoeld.. niet alleen de warme pisbroek van Ramsie maar ook onze vriendschap...   Hoe zou het eigenlijk nog zijn met Ramsie?... Ramsie?.. Ramsie?!!    

Bart Van de Peer
72 0