Zoeken

Iets beklemmends Bang in 't bos.

Iets beklemmends BANG IN ‘ BOS.   Ons huisje ligt in het bos. Tegen Jan en alleman pretendeer ik niet bang te zijn. Mijn man en ik hebben de anonieme brieven waarin men ons bedreigde, indien we door zouden gaan met het werk voor de Braziliaanse kinderen, men ons huisje in brand zouden steken, nooit ‘au serieus’ genomen.      Ben ik even blij een dag alleen te zijn. Kan ik eindelijk eens de dingen doen die mijn partner nutteloos vind zoals de tegeltjes in de badkamer reinigen, een stuk behangpapier achter het toilet plakken en teksten fantaseren om in te tokkelen op de laptop. Wat een luxe, een hele dag! Later op de avond, zal ik na een lekker heet bad en nadat ik me heb verwend met crèmes en zalfjes, vroeg in mijn bed kruipen en dat boek ter hand nemen dat al dagen op de theetafel ligt te huilen om gelezen te worden.      Schrijven, vooruit dan maar. Klinkt het niet dan botst het. Er zal wel een mentor te vinden zijn die mijn teksten verbetert. Die voor mij een uitgever vindt, mijn kortverhalen en ander geschrijf uitgeeft!      Het boek is spannend! Ik lees en blijf lezen. Plots voel ik iets beklemmends, net alsof ik een limiet heb overschreden. Is het de tijd die verglijdt? Het vioolconcerto van Mendelsohn is al lang uitgespeeld. Het is stil en…toch niet stil. De vensters zijn zwarte gaten omdat ik de gordijnen heb vergeten dicht te schuiven. De living is enkele met een leeslamp verlicht. Ergens buiten brandt er een ander licht.      Met knikkende knieën sta ik op en doe handelingen die me gerust zouden moeten stellen, bijvoorbeeld een schemerlampje aanknippen. Ik druk mijn hoofd tegen het vliegengaas, De donkerte slaagt in mij maar ik ontwaar niets anders dan zwarte schaduwen van bomen en takken. Ik sluit het onwaarschijnlijke buiten door de gordijnen dicht te doen. Ik zet een nieuwe CD op,  mijn handen trillen. Ik verman mij.      Zet de waterketel op. Lekker warme chocoladekoffie. Dat zal me goed doen of toch liever thee met citroen. Ik vul de warmwaterkruik met het overblijvende hete water. Heeft iemand ooit tegen me gezegd dat hij je beste partnet is.      De buitendeur vliegt open. Mijn hart bonkt. Ik ga er naartoe en sluit hem. Hoe heb ik  dat kunnen vergeten? Ik vlei me neer op de divan, drink van de thee en neem het boek. Duizenden geluiden komen op me af. Ik herken ze als de geluiden van het bos maar hoor ik geschuifel in de living? De poezen natuurlijk. Domme gans. Er is niets te vrezen. De wekker tikt, luid en waarschuwend. Toch val ik ervan in een halfslaap.      Plots zit ik met een schok rechtop. Een hardere tik heeft me opgeschrokken. Natuurlijk afkomstig van de elektriciteitsmeter. De lucht in de kamer lijkt dik. Ik kan amper ademen. Ik besluit wat te eten. Ik breng de moed op om naar de keuken te gaan. Mijn twee katten kijken me vanaf de zitting van een keukenstoel verwonderd aan. Ik geef ze een kattensnoepje. Smeer een boterham en terwijl ik eet kijk ik of alles veilig is. Bang? Ik die altijd beweer enkel bang te moeten zijn wanneer er echt gevaar IS. Ik maak aanstalten om eindelijk in het warme nest te kruipen wanneer ik door een spleetje van een gordijn een zwak schijnsel zie.    Moedig schuif ik ze opzij. Er brandt licht in de schuur. Daar ben ik vandaag niet geweest. Mijn partner? Die is voor de schemering al weg. Ik heb geen hond zoals de meeste bosbewoners.      Zal ik naar de buren telefoneren, maar wat een mal figuur zal ik slaan indien het vals alarm is.  Ik trek een warme sjaal over mijn schouders, neem de zaklantaarn en loop, links en rechts speurend, het 20 meter lange pad af, zwaai met een ruk de deur open. Niemand, maar inderdaad het licht brandt. Ik druk de schakelaar uit, nu pas wordt het écht donker. Ik ren terug naar het huis en let erop dat ik de deur goed sluit. Oef!      De zwarte kater geeft me kopjes. Dom vrouwtje, zeg ik tegen hem. Nu is het gedaan met die flauwe kul. Ik ga kordaat naar de badkamer en was mijn handen. Ik kijk in de spiegel en staar in een bleek vrouwengelaat, dat van mij maar…. en het is alsof een koude hand zich om mijn nek vouwt….. er straalt licht uit de caravan! Dat kan helemaal niet. De staanwagen is voor de kinderen. Ze kunnen er naar hartelust in spelen en vriendjes mogen er blijven logeren. We hebben het ding wat verder in het bos gezet . Ik val op de sofa en merk dat ik beef. Zou ik durven naar de caravan te gaan? Toch niet pluis, eerst licht in de schuur en daarna in de caravan. Ik tracht me te kalmeren. Mijn verbeelding slaat weer op hol. Ik denk, God nog aan toe, wie zou mij naar het leven staan. Wie denkt aan geld of juwelen in deze kleine bungalow. Verkrachten? Vijanden? Voor zover ik weet heb ik er geen. Om de Braziliaanse kinderen? Wel als slechten willen toeslaan, steken ze gewoonweg het huis in de brand.      Dapper sla ik weer de sjaal rond mijn nachtjapon, en ga deze keer gewapende met de basebalbat, de deur uit. Het is ‘hartstikke' donker. Waarom heb ik in Godsnaam het licht van de pergola niet aangeknipt? De natuur komt me ter hulp. Plots schuiven de wolken opzij en gluurt de maan. In de caravan brandt inderdaad licht. Ik floep het uit en stap op mijn gemak naar het huisje. Niets kan mij nog deren, niets kan mij overkomen, tot uit het struikgewas een gedaante zich losmaakte. Ik beef niet meer. Hij komt op me toe. In zijn omhoog gerichte hand zie ik metaal glinsteren. Koel en vastberaden laat ik de baseballknuppel op zijn hoofd terecht komen. Hij wankelt.  Nogmaals sla ik, nu op de schouder. Het mes vliegt knettert ergens neer. En dan herinnerde ik me wat mijn man me leerde. Ik sla de bad tussen zijn benen. Dan hol ik naar huis, barricadeer de deur, draai de hulp en politiediensten. Mijn knieën begeven.     Altijd nachtmerries door deze belevenis. Bijvoorbeeld: Iets na negen brandt er licht in het schuurtje…De deur van het schuurtje staat open en een vreemdkleurig licht schijnt naar buiten. Niet gelig zoals het licht van het peertje dat daar hangt. ‘Het is niks, het is gewoon een licht’, zeg ik bij mezelf… Dit is waar de droom stopt. In een andere ga ik naar buiten. De schuurdeur is dicht, maar de caravan staat open! De lucht s zwoel, ik word warm en voel mij bespied… en vlucht weg. Een ander scenario. Ik zie mezelf voor het venster staan en kijk verbouwereerd naar het licht in het schuurtje. Dan sta ik in het donkere schuurtje en kijk naar het licht buiten. Het licht glijdt naar de caravan en ik ga het achterna… , ga naar binnen en strek mij uit op het gastenbed… het is te warm in de caravan… ik trek mijn nachtjapon uit… Iemand fluistert mijn naam. De kater springt op het bed. Wat is die kater zwaar. Het bed rolt en kraakt en piept. De caravan is voor de kinderen om in te spelen… Ik krijg mijn ogen niet open. Ik heb angst van mijn dromen…   Rhea van der vloet.  

Rhea van der Vloet
0 0

Mijn Houten poot!

Mijn houten poot.   Verbouwereerd zit ik in mijn eigen uitwerpselen. Misselijke trek ik een stuk wit glanzend porselein uit mijn kont. Bloed mengt zich met de smurrie. Hoe geraak ik uit de gebroken toiletpot? Mijn stijf been zit geklemd tegen de deur. Ik tracht me op te trekken door met mijn handen tegen de muren te duwen. Een bruin lekkend spoor getuigen van de poging. Er zit niets anders op dan om hulp te roepen.      Stilte! Het stinkt hier als een veld dat juist gebeerd is. Terwijl ik met ingehouden adem wacht, bedenk ik hoe het mogelijk is dat in dit walgelijk ouderwets huis, zo eng klote wc’tje is. Ik hoor ze komen, mijn verloofde, de notaris en zijn prachtige vrouw.           Ik ben 17 en heb voor de eerste keer een lief! Ze is zo lelijk als de nacht, maar ik ben er tevreden mee. Door mijn handicap heb ik niet veel keus. Voor de deur van ons huis staan nu eenmaal geen toekomstige schoonheidskoninginnen in de rij. Mijn ouders zijn opgetogen. De dochter van de notaris, notabene!! Ik kan het niet beter treffen.        Hoe dikwijls heb ik met afgunst door het venster gekeken naar de jongens die voetbalde op het pleintje, naar de koppeltjes, hand in hand wandelend door onze straat. Zelfs naar de ouderlingen op de donkergroen geschilderde banken tussen de heesters. Sinds mijn derde jaar zit ik gevangen in beugels, kinderverlamming.    Om mijn verdriet en frustraties te overwinnen leer ik pianospelen. Niet onverdienstelijk zegt de muziekleraar. Mijn ouders zijn verrukt over de prijzen die ik in de wacht sleep. Ook studeer ik dat de stukken er af vliegen. Waarschijnlijk is het daarom dat ik bij de ouders van Delphine een wit blaadje krijg. Meisjes? Nee, geen enkele heb ik kunnen versieren en uit medelijden hoeft het echt niet. De dokters hebben beslist mijn knie vast te zetten. Op die manier kan ik me alleen redden. Geen rolstoel of hulp van derden nodig. Mijn linker­been is niet evenre­dig met het rechter. Dat wordt verholpen door een speciale schoen met een dikke zool.           Verleden maand werd in het gemeentehuis Delphine en ik samen op het op het podium gevraagd. Zij kreeg een onderschei­ding voor het kweken van een speciale soort bloem, een zwarte lelie, geloof ik. Ik won de prijs voor het beste opstel, uitge­schreven door het gemeentebestuur, waarvan de opgelegde titel was: 'Hoe groen is onze stad'. Op de receptie daarna kwamen we 'nader tot elkaar'.    We maakten een eerste afspraak. Samen naar de bioscoop. Ik hield heel de tijd dat de voorstelling duurde stevig haar hand vast, bang dat ze zou weglopen. In de pauze trakteerde ik haar op ijspra­li­nes. Choco­lavlek­ken op mijn nieuwe broek. Na afloop gingen we in Het Lekkerbek­je, op de hoek van de Zomerstraat en de Groen­straat, een ijsje eten. Een volgende keer kregen we van haar ouders kaartjes voor een toneelvoorstelling. Het was zomer en zwoel en al donker toen we buiten kwamen. We gingen, weer in hetzelfde Lekkerbekje, een frisdrankje consumeren. In een dol­drieste overmoedige stemming trakteerde haar op enkele kersenje­ne­vertjes en mezelf op verschillende biertjes.   Was het de alcohol dat ons naar ons hoofd steeg, of was het dat geheime onbekende verlangen, de nieuws­gierigheid van het ontdekken van de andere sekse?    We sloegen de richting in van het openge­stelde buiten van baron D’Isquière, waar we onder de licht­groene slierten van de overkoe­pelende treur­wilg de eerste schuchte­re kussen wisselden. Dit beviel ons zo erg dat we niet konden ophouden en ik mijn handen niet thuis kon houden, zodat ik haar in een tame­lijk verfomfaaide toestand thuis afleverde. Delphine ‘s ouders waren daardoor geschrokken. Ze namen het zekere voor het onzekere en drongen aan op een officiële verloving. Mijn moeder en vader vonden het nogal overhaast maar verder hadden ze er niets op tegen. De volgende zondag zou ik officieel in het chique notarishuis op de thee geïnviteerd worden.              Ik heb mijn haar gewassen en mijn beste pak aan. Mijn vader heeft mijn das geknoopt en mijn moeder een wit geborduurd pochet­je in mijn borstzak gestoken. Met een dure ruiker bloemen voor mevrouw  en een half pond pralines voor haar dochter, bel ik aan. Delphine doet de voordeur open en geeft me onverhoeds een natte tongzoen. In de tussendeur staat de heer notaris en gebiedt me om in het salon te komen. Bedremmeld en hoogrood ga ik op het puntje van de mij toegewezen fauteuil zitten. De salon is duur gemeubeld met gebeeldhouwde voleiken meubelen. Dure Perzische vloerkleden liggen op het glad geboende parket. Door de roodpluchen gordijnen dringt amper licht naar binnen. Tegenover mij zit op een lange bruinleren sofa de familie Tittel­boom. Papa groot en corpu­lent, een dure sigaar in de mond en met een zelfge­noegzame uitdrukking op zijn gezicht. Hij leunt, zijn rechterbeen over het linker geslagen zwaar achter­over. Naast hem zijn blonde vrouw in een jurk van chiffon, het haar in een wrong opge­stoken. Ze ziet er sierlijk en elegant uit, zelfs een tikje wulps. Naast haar zit de houterige dochter, beide benen zedig tegen elkaar gedrukt, het donkergrijs rokje ver over de knieën.      Notaris Tittel­boom biedt me een dikke Havana aan. Ik durf niet weige­ren. ‘Wat zijn de plannen?’ ‘Plannen?’ vraag ik onnozel. ‘Wat denk je zoal van de toekomst. Wat wil je doen in het leven?’ ‘Ik studeer economie, mijnheer Tittelboom.’ ‘Zeg maar Jean-Marie. Dus accountant of zo iets.’ ‘Ja, mijnheer Tittel..Jean-Marie.’ ‘Zelfstandig?’ ‘Dat weet ik nog niet. Ik zal eerst stage moeten lopen.’ ‘Hmm’ bromt mijnheer Tittel­boom. ‘Misschien studeer ik verder voor advo­caat.’ zeg ik en wanneer ik zijn verwachtingvolle blik ontmoet, voegde ik er aan toe:’Of voor nota­ris.’ ‘Dat is interessant, zo wil ik het horen.’ ‘Moet u suiker in de thee?’ komt mevrouw poeslief. ‘Ja, dank u.’ ‘En melk?’ ‘Een wolkje, graag.’   Ze reikt me het porseleinen kopje aan. Het rinkelt vervaarlijk. Ik glimlach, Delphine glimlacht, iedereen glimlacht. Delphine prutst het lint van het pralinedoosje en biedt ons elk één een praline aan. Een volgt een lange stilte. Ik glimlach nog maar eens, welke door alle drie wordt beantwoord. ‘Neem een koekje’ zegt mijn verloofde, terwijl ze het zilveren schaaltje voorhoudt. Ik neem er een. Ze zijn lekker maar ik durf geen tweede nemen, trouwens niemand biedt er nog eentje aan. De doos met pralines is intussen in het dressoir gestopt. Omdat ik met mezelf geen blijf weet, trek ik aan de sigaar. Met moeite onder­drukt ik de opkomende benauwdheid en de drang om te hoesten en hoop dat ze de tranen in mijn ogen niet zien. ‘Ik hoor dat je niet onverdienstelijk piano speelt’ zegt de nota­ris. ‘Ceciel,’ hij wijst naar zijn knappe vrouw,’ is een virtuoze.’ Ik heb me al een tijd zitten afvragen hoe het mogelijk is dat deze mooie vrouw zo'n lelijke dochter heeft kunnen voortbren­gen. ‘Kun je 'Pour remercier la pluie’ spelen?’ ‘Van Debussy’ antwoord ik, met mijn kennis prijkend. ‘Ja zeker.’ ‘Maman, dan kunnen jullie dit stukje in quatre main spelen.’ Mevrouw kijkt me vragend aan. ‘Ik weet het niet’, hakkelde ik. ‘Vooruit’ zegt de dictator en voor ik het weet zit ik naast mevrouw Tittelboom voor de zwarte piano, waarop twee zilveren kandelaars tronen. Ze slaat de pianoklep op, haalt het fluwelen kleed van de toetsen en bladert in enkele partituren, zet er een op de staander en kijkt me verwachtingsvol aan. In het begin gaat het wat stroef, maar naar gelang we verder spelen gaat het vlot. Nu en dan raken onze handen elkaar. Plots voelde ik een chifonne knie tegen de mijne. Ik sla een verkeerde toets aan. ‘Opnieuw,’ commandeerde de notaris. Delphine staart sip voor zich uit. We brengen het muziekstuk tot een goed einde. Vader en dochter klappen in de handen. Nogal ieltjes in de duffe kamer. Ik ga terug op mijn plaatsje zitten. Mevrouw brengt briljant nog enkele werkjes van Mozart.              Plotse krampen in de buik, mijn darmen seinen alarm. Een vette scheet ontglipt, gelukkig, geluidloos, onaangenaam ruikend, mijn gezicht staat op onschuld. Weer een kramp. Ik besef dat ik hoogdringend naar het toilet moet. Deze keer ontsnapt er een die klinkt als een klok. Ik schuif over de zetel heen en weer om de familie Tittel­boom te sugge­reren dat het aan het leer van de leren zetel ligt.       Bij de volgende knaller verontschuldig ik me en vraag naar het privaat. Het toilet bevindt zich in de gang juist naast de salon. Er zijn wc's waar men een biblio­theek kan installeren, men heeft er ook waarvan de deur zich pal voor de neus sluit. Met alle geweld van de wereld krijg ik deze deur niet dicht. Mijn stijf been zit in de weg. Diarree! Het pruttelt en borrelt. Omdat het stinkt als de pest, rek ik me zo ver als ik kan voorover en krijg de deur alsdan nog toe. Ik strek met veel gewring en gekronkeld mijn hand naar de toiletrol die erg onhandig te ver naar achter is geplaatst, en daar zit ik nu.           Wanneer ik er terug een beetje presentabel uitzie, besluit ik de gegeven omstandigheden in acht genomen, het huis uit te sluipen, de badkamer als een slagveld achter me latend. Maar mijn wandelstok staat nog in de salon! Daar zat een totaal verslagen familie. Om van de schrik en ontsteltenis te bekomen, wordt er toch een fles wijn geopend. Ik uit me in allerlei verontschuldigingen, maar hoe meer ik zeg, hoe drukkender de sfeer wordt.  Ik ben nog steeds niet om aan te zien, vraag diplomatisch of ik mijn ouders kan verwittigen om me op te halen. Men brengt de telefoon daar waar ik zit. Ze vertrouwen het zaakje niet meer. Ik moet even wachten. Moei­zaam komt er een gesprek op gang. ‘ Hallo’, hoor ik. Nog natrillend van de zenuwen, kiep, ik de rode wijn in mijn oor.   Rhea van der Vloet  

Rhea van der Vloet
19 0

Hondenhaar

  “In godsnaam Malva,” zei Connie, “hoe vaak heb ik je gevraagd niet onderwater te zwemmen.” Malva draaide geërgerd met haar ogen. Ze kon het niet laten. Wanneer ze onderwater zwom voelde ze zich vrij, verlost van de dagelijkse sleur, in haar eigen wereld. “Weet je wel wat voor viezigheid in zwembaden ronddwaalt,” vervolgde Connie, “urine, afgebladerde nagellak en sperma.” Malva trok een zuur gezicht. Er viel een stilte. “Jij zwemt toch ook,” zei ze toen. “Ja,” zei Connie, “maar boven water, dat is heel anders.” “Hoezo anders?” vroeg Malva. “Wanneer je onderwater zwemt kunnen vunzigheden zich via je neus naar binnen werken,” antwoordde Connie. Malva keek naar haar voeten. Dikke druppels rolden langzaam naar beneden. “Jij zegt het,” zuchtte ze. Ze draaide zich om in haar ligstoel en sloot haar ogen. “Laat me nu maar gewoon Connie.” Even dacht ze dat Connie het hierbij zou laten. “Denk maar niet dat ik compassie zal hebben wanneer je een of andere enge infectie blijkt te hebben,” zei ze. Geen antwoord.   Rondom hen gilden, spetterden en kirden kinderen. Ouders keken verveeld naar hun kroost. Dikke, harige, rode buiken daalden op en neer. Goudbruine borsten werden geniepig gadegeslagen vanaf de uithoeken van het buitenzwembad dat toebehoorde aan een vakantiepark. Plots waren in de verte geweerschoten te horen. Verschrikt draaide Malva zich om. “Verrekt mormel,” klonk over het terrein, “kom hier dat ik je te grazen neem, kom hier dat ik me van je ontdoe!” Een man liep achter een hond en loste om de paar seconden een schot. Kwijlend met zijn tong uit zijn mond spurtte de hond richting het zwembad. “Duik dan, muidhond,” gromde de man. Met een plons sprong het dier het water in. Een laatste schot klonk. Het zwembad kleurde rood. “Urine, afgebladerde nagellak, sperma, hondenhaar en bloed,” zei Connie.(Tekst geschreven om een boekenpakket te winnen - alle nominaties van de fintro literatuurprijs zijn verwerkt in dit kortverhaal)

Ruth Govaerts
30 1

Ooit heb ik iets goeds gedaan

“Clowns verbergen een groot verdriet”, zei hij, toen ik hem vertelde dat zijn humor, niettemin wel een beetje flauw, de dingen lichter toonde. Voor complimenten was hij op zijn hoede. Ik weet het niet. Voor mij zit een man die ik niet nader definiëren kan en ik vraag mij niet langer af of dit wel nodig is. Analyseren tot ik er blauw van word, onze zinnen opnieuw en opnieuw afspelen in mijn hoofd, woord voor woord met klank, intonatie en aanblik, neen, dat is zelfs voor mij geen keuze meer. “Je kan dus nog altijd zo dramatisch zijn”, zegt een dierbare vriend meewarig als ik hem een parafrasering geef van mijn gevoelens voor de onbereikbare man. Potsierlijk moet het zijn als je aan het tafeltje naast ons mijn emotioneel gebrabbel moet aanhoren .“Ik heb het je toch al eerder gezegd? Karma. Dat is het. Je karma. Bad karma is haunting you”, voegt hij er zingend treiterend aan toe.  “Maar ik ben toch een goed mens?” Zuster Gemma moest het horen.  “Vroeger niet. ” Een lange stilte volgt. Net dit heb ik niet nodig. Ik kan mijn imperfecties beschrijven al ware ik de monnik, de voorziener van miniaturen, zo precies, de tijd van geen belang. Helaas, zij volgen mij overal. Zij zijn een aapje op mijn schouder met bovendien een rinkelende oorbel aan zijn voet. Altijd daar, gedoemd niet te vergeten. “I’ll be back”, zeg ik dramatisch. Ik duikel uit het restaurant, struikel over mijn voeten, zoals het past bij deze scène. Ik zie in mijn rug mijn vriend het hoofd meewarig schudden.  Een plan heb ik niet. Wat verlang ik ernaar mijn neus eens diep te kunnen snuiten in een stoffen zakdoek. Al wie ik ooit heb pijn gedaan, liggen nu als struikrovers te wachten in de bosjes op mijn weg, dus ik moet van wanten weten. Als ik straks een snerpende pijn voel aan mijn strottenhoofd moet ik bovendien op zoek naar mijn voodoopop: ongetwijfeld een miezerig wit poppetje met pluizige haarplukjes en dubbele kin. Hoe gelukkig ben ik later die avond als ik mijn garagepoort naar beneden zie schuiven en ik ongeschonden de dag doorkwam. De volgende morgen piept de zon door de gordijnen en ik zie dit als een nieuwe kans. Op weg dus naar de fietsenmaker. Mijn fiets is krom, vol spinnenwebben, de banden plat. Ik laat hem vrolijk achter. “Het kan wel tien dagen duren”, zegt de fietsenman, “je bent geen vaste klant.” “Dat is niet erg”, lach ik de man opgewekt toe. Hij kijkt verbaasd. Dat had hij niet verwacht. “Je moet mij toch begrijpen, de fiets komt niet van ons”, herhaalt hij alsof ik het niet begrepen heb. “Dat is toch maar normaal?, zeg ik, “onmiddellijke service, dat verdien ik niet.” Ik wuif nog uitgelaten en vertrek dan weer te voet. Op weg naar huis priemt de zon in mijn rug. De straten van het dorp zijn leeg. Hier en daar zie ik mensen voorzichtig piepen naar de straat van achter het huis naar die voetganger op dat middaguur. Ik roep “jep” en “hey” naar alles wat beweegt. Zo ben ik snel weer thuis. Een hele morgen was ik al Maria uit de Sound of Music. De lieftalligheid droop van mijn bezwete T-shirt en ik verdien een frisse pint. Een middag in de supermarkt. Drie vloeken willen mij ontsnappen als een auto mij coupeert en ik nog net mijn karretje en mezelf kan redden. Ik geef geen kik en schrijd als een vorstin de winkel in, boodschappenlijstje in krullende letters op een net blaadje volledig horizontaal geklemd op het voorziene plekje van het karretje. Nu vooral gezicht niet laten zakken. De karretjes staan overal in de nauwe gangen. Geen mensenzee die openbreekt als ik voorbij wil gaan. Een koppel staat te twijfelen aan de wijn en blokkeert al gelijk de vlotte stroom. Rosé of wit blijkt de issue van hun relatie te zijn. Ik wacht geduldig aan de rechterkant tussen de flessen rode wijn. Voorlopig is er nog geen winnaar. De rij wordt langer achter mij. Er wordt getoeterd in de file en het koppel verlaat de gang zonder rosé of wit. Een slaak van opluchting zou nu gepast zijn of misschien wat ergernis, maar ik lach begrijpend naar het twijfelende koppel. Dat wordt een hele rit discussie. Wat zou ik graag wat flessen rood in hun karretje zetten, stiekem en ongemerkt, en dan gniffelend hun snerpende dialoog aanschouwen voor de ogen van een verveelde kassierster. Gelukkig bedenk ik mij nog net op tijd en ik hergroepeer mijn alles-innemende en begripvolle grondpatroon. “Veel plezier vanavond!”, glimlach ik spontaan naar het gezinnetje met wel tien soorten nootjes en chips argeloos gestapeld in hun karretje. “De melk staat in gang vier”, zeg ik als de schooljuf op een maandagmorgen aan het twijfelende dametje. Zij probeert haar gekrabbel te ontcijferen maar ik heb het al lang gezien. “Zet de verwarming aan!”, roep ik doorheen de koelafdeling. Een grap met een baard en absoluut niet grappig. Mijn levensreis naar mijn goede karma is in het eerste station en alles gaat naar wens. “Het leven is in deining en wij dobberen gewoon maar rond”, zegt een man die uit het niets aan mijn auto verschijnt met een karretje vol waspoeder van het huismerk. Zijn helblauwe, doorschijnende ogen staren naar een punt ver weg van mij. Hij herhaalt de zin, steeds opnieuw, zonder intonatie en zonder communicatiedoel. “A mind wants to forget but a heart will always remember”, antwoord ik in een stilte op de parking tussen gillende kinderen, haastige moeders en vaders, krassende wieltjes op de hobbelige asfalt. De man reageert niet en blijft staan aan zijn karretje dicht bij het mijne. Ik zeg het steeds luider “A mind wants to forget but a heart will always remember”. De klep van de koffer staat open en mijn gevuld karretje leunt tegen mijn arm. De man verdwijnt, een afscheid was er niet. A mind wants to forget but a heart will always remember…Wat doet die zin toch in mijn hoofd? De hele weg naar huis laat het mij niet los. Een week later zit ik weer tegenover mijn dierbare vriend. “Ik zat er wel wat mee”, zegt hij, “ik heb de hele week aan jou moeten denken.” “Als er weer een lijst gaat volgen met al mijn fouten, dan ben ik hier weg,” verdedig ik mijzelf met bange hoge toon. “Het was een grap, verontschuldigt hij zich, maar ik besefte al gauw dat jij de hele week hierover zou piekeren.“ “Vond je mij vroeger echt zo slecht?”, vraag ik nu opgelucht. “Je was niet slecht, maar je maakte een aantal, voor mij toen onbegrijpelijke keuzes”, verklaart hij zich eindelijk nader. Na al die jaren. Nooit eerder hebben wij hierover gepraat. “Ik begrijp nu wel waarom je deed wat je deed en ik neem je niets kwalijk”, vervolledigt hij en ik voel de opluchting doorheen mijn hele lichaam. “Waarom koos je niet voor mij?”, durf ik na al die jaren vragen. “Besef je hoe verlaten ik mij voelde?” Net dat ene ogenschijnlijk banale feit is de kern geweest van al mijn acties en het heeft mijn leven moeizaam vorm gegeven, met pijn, dat voornamelijk, maar gelukkig met nimmer stoppende, ongedurige levensdrang en altijd met een randje geïdealiseerde zekerheid over hoe goed het had kunnen zijn. “Ik weet het niet”, schokschoudert hij. “Mijn hele leven lang ben ik op zoek naar uitvergrote emoties die mijn leven doen stormen. Wij hadden het even, maar het was niet goed genoeg.” “Daarmee kan ik leven”, geef ik vastberaden toe, na onze tijd samen als in een versneld screenshot te zien passeren. “Dat is ook de reden waarom wij hier na al die tijd zo samen kunnen zitten”, zegt hij na een noodzakelijke stilte. “Wij hadden het altijd goed met mekaar voor. Wij wisten dat het fout zat ook al spraken wij het niet uit, maar wij konden geen oplossing verzinnen en dat is niemands fout. Hiermee moeten wij nu beiden leven.” De rest van de avond doet ons deugd. Het gaat over koetjes en kalfjes. “Maar waarom toch doet die zin: A mind wants to forget but a heart will always remember. mij zoveel?” Waarom raakt het die ongenezen plek in mijn hart?”, vraag ik opeens, zonder overgang en zonder enige terughoudendheid. “Ach, je hoorde het, half slapend, in een Amerikaanse televisiefilm, je weet wel, die kleffe films waar altijd alles goed komt en die zin is gewoon blijven hangen”. Ik kan niet loslaten, toen niet en nu niet. “Ik zal dit moment en deze avond nooit vergeten”, zeg ik en ik wijs naar mijn hart. “Vul mijn glas en doe mij lachen, “ zegt hij.

Anne-Marie De Clercq
0 0

Op de camping

Het is zomer. Gert-Jan en Ellen gaan een weekje naar de camping waar ze elkaar zeven jaar geleden leerden kennen. Ellen laadt de auto in terwijl Gert-Jan voor de laatste keer de tuin nog even sproeit. Wanneer de auto vertrekkensklaar staat, dekt Ellen de tafel en eten ze een tomatensalade met gegrilde aardappelen. Vlak daarna vertrekken ze naar zee. Enkele uren later staan ze te kibbelen rond een hoopje tent en staat Gert-Jan op punt om een piket in Ellens strot te rammen. Hij houdt zich in, stelt voor dat zij zich even gaat verfrissen in het zwembad terwijl hij de tent verder opzet en hoopt dat ze daar wat van ontspant.   Ellen heeft nooit zin. De eerste jaren van hun relatie konden Gert-Jan en Ellen elkaars ogen, handen en lippen niet van elkaar afhouden. Tegenwoordig hebben ze een keer per maand seks en komt Ellen de beurt door door naar het plafond te staren en te doen alsof ze er toch een beetje van geniet. Gert-Jan heeft veel geduld gehad, maar hoopt al jaren op een keerpunt. Hij wil niet de lullige vriend zijn die zijn vriendin in de steek laat omdat ze hem niet kan bevredigen. Ellen wil niet weg van Gert-Jan omdat ze bang is iemand te ontmoeten bij wie ze wel passionele gevoelens heeft om dan te beseffen hoeveel jaar ze heeft verspild aan plafondstaren bij Gert-Jan.   Gert-Jan heeft de tent inmiddels in z’n eentje opgezet, Ellens koffer naar binnen gezwierd, een zwembroek aangetrokken en zijn witte buik voorzien van factor 50. Hij wil een kind. Hij hoopt dat Ellen daar na deze vakantie ook zo over denkt. Als hij aankomt bij het zwembad, ziet hij Ellens blauwe badpak ronddobberen op het water en ligt zij naakt te zonnen. Hij gooit haar snel een handdoek toe, vraagt wat haar bezielt en gaat na of niemand haar gezien heeft.   “Er is hier niemand, stijve pummel.” mompelt Ellen Gert-Jan toe. “Er hadden kinderen kunnen aankomen.” sist Gert-Jan die nog steeds niet is bekomen van de schok. “Wel, Gert-Jan, ik dacht zo, ik gooi het eens over een andere boeg.” “En je gooide je badpak ineens mee?”   Ellen lacht, maar draait zich om zodat Gert-Jan haar niet zou zien. Hij legt zich naast haar op een stoel, geeft zichzelf een houding en probeert om achteloos te spelen met een stukje riet. Gert-Jan heeft Ellen een tweetal jaar geleden voor de laatste keer naakt gezien toen ze zo ziek was ze non-stop langs beide kanten onverteerd voedsel spoot. Hij kleedde haar toen uit en legde haar in bad, spoelde haar haren en haar lichaam en bracht haar dan een lakentje. Nu lag ze hier open en bloot te zonnen en kon hij eindelijk nog eens een blik werpen op haar volle borsten.

Annelies
11 0

Alles werd anders

De jongen keek vanop een stoel op het houten terras naar het wuivende gras in de lange tuin. De opkomende zon stuurde haar warme stralen al van ’s morgens vroeg naar beneden en gaf de wereld een gelige gloed, waarin pluisjes en vlinders darteldansten en witte en rode bloemen lachend meewiegden. Onzichtbare vogels floten vol overmoedige bravoure hun opgewekte lied, terwijl de kerselaar spottend met zijn takken schudde. In de met gladde keien afgebakende vijver zwommen onverschillige vissen in elkaars water, dicht bij het oppervlak in afwachting van het ontbijt.  Hoog boven hen werden duizenden sterren aan het zicht van de kijkende jongen onttrokken door niks anders dan het warme licht van de schitterende ochtendzon. Heel in de verte weerklonk het geluid van een naderend vliegtuig.   De jongen op de stoel liet zijn stille gedachten als losgelaten blaadjes meedwarrelen op de strelende stromen van de warme wind en, wanneer ze waren weggevlogen tot buiten het bereik van zijn aandacht, begon weer van vooraf aan. De avond voordien had hij zijn vader tegen zijn moeder het lang verhoopte woord horen zeggen: morgen. Hij had meteen geraden waarover zijn vader het had gehad. Loerend en luisterend vanuit zijn bed had hij het antwoord van zijn moeder niet goed gehoord, maar wel de trots en de genegenheid die het hadden gekleurd. De jongen raakte zo opgewonden dat hij pas in slaap viel lang nadat zijn ouders waren gaan rusten en dan nog was hij de volgende ochtend als eerste wakker geworden en opgestaan. Sindsdien zat hij buiten op de stoel. Het vliegtuig was nu goed te zien, een dikke zwarte vlieg in een eindeloos blauwe hemel.   Het verhaal van de duizend zonnen was het belangrijkste in het leven van elk kind. Meer nog, het leven begon pas echt nadat je vader je het verhaal van de duizend zonnen de eerste keer had verteld. Daarna vertelde hij het nog twee keer en vanaf de vierde dag leerde hij je het te lezen. Nadat je de eerste drie hoofdstukken kon lezen of, wat waarschijnlijker was, uit het hoofd kon opzeggen, leerde je vader je schrijven. Na lezen en schrijven volgden nog rekenen en tot slot zelfverdediging. Tegen dan was je twaalf geworden en klaar om, gewapend met de kennis die je vader je had onderwezen, je verdere leven zelf in te kleuren. De jongen wist hoe het ging. Vanavond zou zijn vader hem het verhaal van de duizend zonnen de eerste keer vertellen. Het vliegtuig vloog nu boven de stad, het zag er best indrukwekkend groot uit.   Ook al had hij het nog nooit gehoord, de jongen hield van het verhaal van de duizend zonnen. Hij wist waarom het verhaal zo heette. Lezen, schrijven, rekenen en zelfverdediging waren de 4 Poorten tot de Ware en Oneindige Kennis. Wie deze vaardigheden meester was, zag licht waar de onwetenden in het duister tastten. De enige beperking was je eigen interesse. De jongen probeerde het zich voor te stellen, het licht van duizend zonnen. Hij wist niet hoe. Maar één ding wist hij heel goed: alles werd anders…viel daar nu iets uit dat vliegtuig? De jongen stond op uit zijn stoel en keek met half toegeknepen ogen naar de prachtig blauwe hemel, naar het grote, donkere vliegtuig dat alweer weg leek te vliegen en naar het zwarte stipje dat ogenschijnlijk langzaam in een rechte lijn naar beneden viel.   In de werkkamer op zijn vliegdekschip in de grote oceaan las de president vermoeid en zonder echt te kijken de telex in zijn zweterige handen. Missie volbracht. Om 8u15 plaatselijke tijd had het monsterlijke wapen alle stoutste verwachtingen ruimschoots overtroffen. De vijand ging zich zonder voorwaarden overgeven. De oorlog was eindelijk voorbij. Miljoenen levens waren gespaard. Van de jongen wist de president niks, zijn bestaan was om 8u15 door het zwarte stipje volledig uitgewist. Het verhaal van de duizend zonnen heeft de jongen nooit te horen gekregen. Lezen, schrijven, rekenen en zelfverdediging zou hij nooit meester worden. Maar één ding had hij wel geleerd. Toen de bom ontplofte, had de jongen vol oprechte bewondering gedacht: ik heb het gezien, ik heb het gezien! Straks vertel ik het aan pa: ik heb het gezien! Het licht van duizend zonnen.  

joris
0 0

De Terugkeer

Het was ongelofelijk dat het voor een tweede keer gebeurde. Normaal gezien leerden mensen van hun fouten. Ze leerden om die geen tweede keer te maken. Ze leerden om deze soort problemen te vermijden, zodat ze de gevolgen geen tweede keer onder ogen zouden komen,  zodat ze nooit meer in situaties zoals deze terecht zouden komen. “Jij?” siste ze. Ze kon dit niet geloven. Dit was onmogelijk. Het kon gewoon niet anders. “Jij?” Hij keek haar aan in pure shock en zijn lichte karamelkleurige ogen gleden naar de sportauto die naast haar stond. De wind bracht een geur van zoutige zee met zich mee en liet haar lange, roodbruine haren opwaaien. “Wat is er gebeurd met haar?” vroeg hij geschrokken. Zijn gezicht was de perfecte combinatie van verbazing, bewondering en slecht verborgen plezier. “Wat doe jij hier?” vroeg ze. Haar stem klonk woedend. Hoe kon dit gebeurd zijn? Ze had gezworen dat ze hem nooit meer zou zien. Niet na wat hij tegen haar had gezegd op die dag dat ze Ethan de mantel uitveegde. Caleb Moreno, de beruchte vrouwenverleider. Een nagel aan haar doodskist. En toch was ze hier, recht voor zijn neus, voor de tweede keer in haar leven. Eén keer te veel. Hier, op de parking van George Garages, waar hij overduidelijk werkte. Kon deze dag nog slechter worden? “Ik werk hier. Maar wat is jouw excuus, Gabrielle? Hoor jij niet in New York te zitten, de slimmerik uit te hangen op poepchique Columbia in plaats van je broers zuurverdiende Ferrari in de prak te rijden?” “Ik ben afgestudeerd, jij verwaande kwast,” beet ze hem toe. “Niet iets wat jij ooit deed of ooit zal doen in je miserabel leventje.” Gabrielle probeerde niet al te veel te denken aan Christopher, haar twee jaar oudere broer en de trotse eigenaar van een zwarte Ferrari 612 Scaglietti. Of was de trotse eigenaar van eentje, eigenlijk, verleden tijd. “Dus, even alles op een rijtje zetten.” Caleb deed alsof hij diep nadacht en begon op zijn vingers te tellen. “Jij studeerde af in New York, je kwam terug naar dit slaperig dorpje in Californië en toen vernietigde je deze schoonheid?” Caleb schudde zijn hoofd in ongeloof en glimlachte toen zijn helderwitte tanden bloot. “Ik heb altijd geweten dat je pit in je had zitten.” Gabrielle ademde diep in en uit. Ze dwong zichzelf om kalm na te denken. Hij werkte in een garage. Hij was in staat haar te helpen – hoewel ze momenteel een hardnekkige drang bevocht om haar knie niet in een plek te stoten waar het echt heel erg veel pijn zou doen. Negeer gewoon de vervloekte bastaard, Gael, dacht ze in zichzelf. Gewoon simpelweg negeren en die woorden uitspuwen. “Je weet dat ik je haat met elke vezel in mijn lichaam, Moreno, maar deze auto moet echt opgelapt worden. Zo dringend mogelijk.” Voordat Christopher hem zo te zien kreeg, voegde Gael er in gedachten aan toe. Haar broer zou deze aanblik niet overleven. Zijzelf ook niet. Gael klemde haar kaken op elkaar en vouwde haar armen voor haar borst. “Reed jij niet met een middernachtdonkerblauwe Dodge Challenger uit de jaren ‘70?” Caleb leunde voorover om de motorkap open te doen om Ferrari vanbinnen te inspecteren en floot toen hij de schade zag. “Je hebt haar best hard toegetakeld, Gael.” “Hoe weet jij dat?” vroeg Gael hem opeens stomverbaasd. “Ik bedoel, hoe weet jij dat ik met een middernachtdonkerblauwe Dodge Challenger uit de jaren ‘70 rijd?” Gael merkte zelf nauwelijks op dat ze zijn exacte bewoording overnam. Caleb draaide zijn hoofd om haar aan te kijken. “Dus je hebt nog altijd die auto. Prima. Ze past bij je.” Onder andere omstandigheden zou Gael dat compliment geweldig hebben gevonden. Ze aanbad de Dodge. Nu kon ze enkel kwaad naar Caleb kijken en haar woede bekoelen door een opstandige haarlok achter haar oor te duwen. “Maar je dacht toch niet serieus dat ik de dag ben vergeten waarop jij stopte voor de deur om Ethan in zijn gezicht te meppen en in het Frans begon te gillen omdat hij je beste vriendin Amy zwanger had gemaakt - ook al zijn ze nu gelukkig getrouwd met twee prachtige kinderen?” Hij glimlachte naar haar. “Die herinnering, jij die daar staat in Ethans kleine keuken met schattige rode wangetjes en vuurspuwende ogen, is onmogelijk te vergeten. Zelfs als ik het wou vergeten,” eindigde Caleb, terwijl hij de motorkap weer zachtjes liet vallen. Gael probeerde niet naar beneden te kijken. “Dus je herinnert je de nacht nog waarop ik je inpeperde dat ik geen meisje voor één nacht ben. Goed. Fijn voor jou. Het is niet omdat ik het enige meisje ben dat je nog niet hebt verleid, dat ik ook automatisch op je lijstje wil staan.” Ze fronste haar wenkbrauwen. Haar toon was beledigend, maar het had totaal geen effect. Calebs grijns werd enkel groter. “Wie heeft je wijsgemaakt dat ik je op De Lijst wil hebben?” Hij knipoogde naar haar. Gael lachte kort. “Dus je zegt dat geen mannelijke hoer bent?” vroeg ze met een zoete glimlach. “Auwch. Is dat hoe je nog altijd over me denkt, zelfs na al die jaren?” Caleb deed een stap in haar richting. Zijn handen waren besmeurd met motorolie, net zoals de donkergroene overall met het logo van George Garages op zijn borst geborduurd. “Ik weet best dat jij dat bent, Moreno. Vergeet niet dat ik naar dezelfde middelbare school ging als jouw – laten we ze vriendinnen noemen bij gebrek aan een betere definitie – naar toe gingen. En ik heb een uitstekend goed beeld van je doen en laten tijdens de afgelopen jaren toen ik in New York was, de bolleboos uithangen zoals jij het zo mooi verwoordt, gekregen. Amy heeft me altijd op de hoogte gehouden.” Caleb deed nog een stap in haar richting.  “Erg jaloers?” sneerde hij. Hoe durfde hij dat zelfs maar te denken? Waar haalde hij het lef vandaan om haar zo te beledigen? Ze balde haar vuisten van pure woede. “Jij pompeuze idioot!” schreeuwde ze. “Het enige waarop ik jaloers ben, is dat ik nooit de mogelijkheid zelf heb gehad om je in je afgrijselijk gezicht te slaan!” “Je bent wel agressief voor zo’n klein ding, niet? Nu, vertel me alsjeblieft wat je met die auto hebt gedaan.” Caleb wees naar de auto. Hij had nog altijd die debiele grijns op zijn gezicht, alsof hij haar reactie het grappigste vond wat hij ooit had aanschouwd. Gael begon zich af te vragen of die lach soms op zijn gezicht was geplakt met secondelijm. Het zou veel verklaren. Ze had geen enkele intentie om zijn vraag te beantwoorden. Zeker niet nadat hij haar klein had genoemd. “Wil je dat ik de auto herstel of niet? Vertel me wat er gebeurd is.” Gael aarzelde. Ze voelde er niet veel voor om hem iets te vertellen over het illegale straatraceverhaal. De enige reden waarom ze er aan had deelgenomen was om Mason, degene die de race had georganiseerd en haar had uitgedaagd door te zeggen dat ze niet zou durven te rijden, een paar toontjes lager te doen zingen. Ze had meegedaan en ze zou gewonnen hebben, als die kerel haar niet van de weg had gereden. “Ik heb een ongelukje gehad,” antwoordde ze kalm. En ze loog nog niet eens tegen hem. “Met je broers Ferrari 612 Scaglietti, een auto die een V-12 bezit en 533 hp onder haar motorkap heeft liggen terwijl je zelf een prachtauto bezit? Goede poging, maar ik trap er niet in.” Caleb bestudeerde haar met een lange blik waar Gael zenuwachtig van werd. “Ik denk dat je naar de bergen bent gereden, naar die straatrace van Mason,” concludeerde hij uiteindelijk. “Hoe weet jij….” begon ze. Dat kon hij niet weten! Dat was onmogelijk! Of misschien was hij toch een beetje slimmer dan ze had gedacht. Nee, schrap dat. Hij maakte gewoon een goede gok. “Wat ik opmaak uit de weinige keren dat Amy het over je heeft, is dat jij altijd iets idioots en roekeloos uitvreet elke keer als je er de kans toe hebt. Deelnemen aan een illegale straatrace met je broers geliefde Ferrari past perfect in dat kadertje, vind je zelf ook niet?” Gael kon hem enkel kwaad aankijken. “Goed,” snauwde ze. “Ik heb inderdaad mee gedaan aan die stomme straatrace. En dan? Het was niet mijn fout dat ik de controle verloor over het stuur. Die oen duwde me van de weg met zijn Porsche!” Gael dacht terug aan wat er gisterenavond gebeurd was en voelde hoe het bloed weer door haar aders pompte. Het triomfantelijke gezicht van de man die haar van de weg duwde, zweefde voor haar ogen. Wie dacht die hersenloze sukkel dat hij was? De Stig? Lewis fucking Hamilton? Caleb begon de schade te bestuderen. “Duwde hij je van de baan bij die draai boven die kliffen, zo'n twintig kilometer verderop?” vroeg hij. “Ja. Ik had net nog de kans om het stuur zo te draaien dat de auto niet het ravijn in zou duiken,” antwoordde Gael, die nog steeds razend was door de herinnering aan het ongeluk. “Het is een mirakel dat je niet in het ravijn stortte. De weg is daar bezaaid met scherpe keien en stenen. Het is moeilijk om daar te rijden overdag, laat staan ’s nachts, zonder enige verlichting.” Zijn blik was bezorgd en respectvol tegelijkertijd. Als het niet zo serieus was geweest, zou Gael gewoon in het lachen zijn uitgebarsten. Maar het was serieus, en niet enkel omdat Caleb de man was die in de garage werkte, maar ook omdat hij één van Christophers beste vrienden was. Gael haalde haar schouders op. “Ik weet het. Ik heb het overleefd, oké. Alsjeblieft, vertel het niet tegen Chris.” Ze wist dat het klonk alsof ze bijna smeekte, maar dat kon haar op dit moment niet veel schelen. “Ik zal niets zeggen,” beloofde hij rustig. Om de één of andere reden die ze zelf niet kon verklaren, geloofde Gael hem. Hij mocht dan een kerel zijn die meisjes enkel goed genoeg vond voor onenightstands en kon vaak – nou ja, bijna altijd – een echte klootzak zijn, maar ze wist dat ze hem met dit kon vertrouwen. Ze staarden elkaar aan voor een lange tijd. Het enige geluid dat de stilte tussen hen verbrak waren de geluiden van werkende mannen uit de garage achter hen, de ouderwetse radio met de krakende countrymuziek en de aanrollende golven van de zee in de verte. Gael rook de vertrouwde geur van olie en benzine gemengd met de zoutige lucht. Het rook troostend, bijna als thuis. Caleb was degene die als eerste zijn stem terugvond. “Ik kan de schade wel repareren. Het is niet zo veel – het lijkt erger dan het in feite is, vooral blikschade.” Gael knikte. Ze was niet in staat om te spreken. “Ik heb een dag of twee nodig. Kan jij een verhaal verzinnen dat Chris zal slikken?” ging Caleb verder. Meteen had Caleb haar stem terug. “Ik ben niet achterlijk, weet je. Ik ben degene die naar de universiteit is gegaan om literatuur te studeren. Natuurlijk kan ik een verhaal verzinnen dat Chris zal geloven.” Caleb lachte opnieuw. Zijn witte tanden staken scherp af tegen zijn zongebruinde huid. “Gewoon even nachecken, schatje.” “Noem me geen schatje,” beet ze hem toe. Haar stem trilde van ingehouden woede. “Oké, liefje dan, als je dat leuker vindt.” Gael gromde. “Hou op met te flirten, Moreno. Ik ben hier pas twee dagen. Het is tot nu toe al een ramp dat ik je ben tegengekomen, nog afgezien van het feit dat ik jou - van alle mensen hier in de stad - moet vragen om me te helpen. Probeer niet om me te versieren, want je zal niet slagen.” “Je bent pas twee dagen geleden teruggekomen en je hebt al een kans gezien om een Ferrari in een hoop schroot te veranderen? Wauw, ik moet je echt bonuspunten geven in de categorie van wereldvernietiger.” “Stop met lachen, Moreno. Het is niet grappig.” “Ik vind dat je fascinerend bent. Ik heb nog nooit een meisje zoals jou ontmoet.” “Je bedoelt: een meisje dat niet geïnteresseerd is om de nacht met je door te brengen?” reageerde Gael meteen op het kleffe gedoe van Caleb. “Dat ook,” gaf hij toe. “Oké, ik moet terug aan het werk, liefje. Ik bel je wel als ik klaar ben.” Gael gaf hem een verdachte blik. “Je hebt mijn nummer niet,” zei ze langzaam. “Zeker heb ik dat. Ik heb het van Ethan.” “Ethan heeft mijn nummer ook niet.” “Maar Ethan heeft het gekregen van Amy, babe.” Zijn ogen glansden van plezier. “En zeg nou niet dat Amy je nummer ook niet heeft, want dat zou echt wel zielig zijn.” “Heb ik je al verteld dat ik je haat?” “Dat heb je inderdaad al gedaan. Meerdere keren zelfs, geloof ik. Maar vergeet alsjeblieft niet dat ik de auto moet herstellen, liefje.” Gael keek hem recht aan. Als blikken konden doden, zou Caleb allang op de grond moeten liggen. Misschien nog een beetje stuiptrekkend. Maar in ieder geval morsdood. “Goed. Bel me dan.” Ze haalde haar schouders op. Hij was onverbeterlijk. Calebs grijns werd groter. “Zoals je wenst, prinses.” “Jij denkt echt dat je zo slim bent, niet soms, Moreno?” Gael keek naar hem. Haar handen rustten op haar heupen. Haar vingers speelden met de lusjes van haar donkergrijze jeans. De wind speelde met haar crèmekleurige zijden sjaal. Onder haar zwartleren jasje had ze het warm. De zon liet haar huid gloeien. “Ik kan niet slimmer dan jou zijn, liefje. Jij bent immers degene van ons twee die naar de universiteit is gegaan.” Gael schoot hem nog één laatste scherpe blik toe en draaide zich toen om. Ze was bijna de parkeerplaats afgelopen toen ze achter zich Caleb haar naam hoorde roepen. “Gabrielle!” “Wat!” schreeuwde ze terug toen ze zich omdraaide. “Zie je vanavond op de barbecue van Amy en Ethan. Vergeet niet om dat sexy jurkje te dragen, liefje. Je zag er goddelijk in uit toen ik je de laatste keer zag.” Hij lachte en verdween toen in de garage. Gael stond een paar meter van de weg vandaan en wilde niet geloven wat ze daarnet had gehoord. Hoe wist hij van die barbecue? Hoe wist hij dat ze was uitgenodigd? Zodra ze aan die vraag dacht, kwam het antwoord meteen in haar hoofd op. Natuurlijk had Ethan hem uitgenodigd en hem verteld dat zij ook zou komen. Gael schudde haar hoofd. In haar gedachten overliep ze haar kleerkast. Kon het zijn dat ze dat fuchsia korte jurkje van Just Cavalli nog ergens had hangen? Ze dacht terug aan haar ontmoeting met Caleb in Ethans keuken, drie jaar geleden. Hoe hij haar had uitgekleed met zijn ogen en hoe zij hem had uitgescholden. Gael had hem toen net geen mep verkocht. Met een lichte sarcastische glimlach die rond haar lippen speelde, stak ze de straat over en liep langs het pad naar beneden. Door de hoge cipressen heen kon ze de zee zien stralen in de vroege ochtendzon. Welkom terug, schatje.

Leo Stearny
0 0

Afscheid op de Moll’ d’ Espanya

Barcelona, 1928. Maria Alvarez de Camacho legde haar handen op haar buik. Zoals altijd was ze uitwendig kalm. Haar ongeboren kind voelde echter de onrust door haar bloed kolken en schopte als een waanzinnige. Maria onderdrukte een kreun.    ‘Moeder…’ aarzelde ze.    ‘De politie kan hier elk moment binnenvallen en Fernando meenemen. Dat wil je je broer toch niet aandoen?’ viel Maria’s moeder haar in de rede. Fernando Alvarez-Sanchez, de jonge adonis, over wie de twee vrouwen spraken, bladerde in de krant alsof het hele gesprek hem niet aanging. Maar de schichtige blik waarmee hij zo nu en dan opkeek, verraadde het belang dat hij stelde in de uitkomst van de discussie. Hij verwenste voor de honderdduizend éénentachtigste keer het moment waarop hij ongevraagd de auto van zijn baas had ‘geleend’ om diens dochter Lorena mee te nemen opdat ze op een afgelegen plaats ongestoord van elkaar konden genieten. Als zijn baas op dat moment niet de garage was binnengestapt, dan lag Lorena nu in zijn armen. Een kleine rilling trok door Fernando’s lichaam toen voor zijn geestesoog het beeld verscheen van zijn baas, die in volle colère op de auto afrende, zijn eigen been dat van de schrik de gaspedaal in plaats van de rempedaal indrukte, het bloedende lichaam van zijn baas, Lorena’s verschrikte gezicht. Hij had Lorena aangespoord haar moeder te verwittigen en was zelf zo snel hij kon naar huis gelopen. En nu lag zijn lot in de handen van zijn voorbeeldige zus. Maria verafschuwde de lafheid van haar tweelingbroer. Met zijn knappe uiterlijk had hij steeds alle vrouwen uit de buurt, jong en oud,  om zijn vinger kunnen winden. Ze had gehoopt dat met het ouder worden de verantwoordelijkheid zou komen. Maar op zijn vierentwintigste was hij nog steeds een klaploper.  Ze beet op haar onderlip, een tic die verraadde dat ze diep nadacht.    Haar moeder keek haar smekend aan: ‘ Denk aan de schande, Maria. Voor hem, voor mij.’    ‘Goed. Ik neem Fernando mee naar het huis van Don Manuel. Die is net een week naar zijn landgoed vertrokken.’ Ze wendde zich tot haar broer ‘ Zie dat je het daar ordelijk houdt. Ik heb geen zin om jouw rommel op te ruimen.’ Het kind in haar buik gaf een krachtige trap.     De schemering viel toen Maria de volgende dag de treden van Don Manuels herenhuis beklom. Hoewel niemand het vreemd zou vinden als zijn huishoudster ook tijdens zijn afwezigheid zijn vertrekken op orde hield, wilde ze niet te veel aandacht te trekken. Het tempo waarmee ze de trappen besteeg was traag. Ze weet het aan haar dikke buik, maar in werkelijkheid stelde ze de ontmoeting met haar broer zo lang mogelijk uit.  Ze had Fernando’s streken jarenlang  veroordeeld. En nu sloeg de schrik haar om het hart bij de gedachte dat haar broer later misschien een slechte  invloed zou hebben op haar kind. Ze zou nooit kunnen voorkomen dat Fernando…      ‘Maria!’ Hangend over de leuning van het witte balkon wuifde Fernando haar enthousiaster toe dan hij ooit had gedaan. ‘Heb je wat te eten voor me bij? Er is niets meer in huis.’ Maria keek achterom, de straat leek gelukkig verlaten.     ‘Ga binnen, Fernando’, fluisterde ze woedend. ‘Jij mag dan je baan kwijt zijn, ik wil de mijne houden.’    ‘Wind je niet zo op, zusje. Iedereen is toch binnen om te eten. Wat heb jij trouwens voor me bij?’ Hij griste de loodzware tassen uit haar handen en floot tussen zijn tanden.    ‘Ik zie dat mama mijn lievelingskostjes heeft klaargemaakt. Ze weet beslist hoe ik afzie. Opgesloten en in angst. ‘ Maria keek de kamer rond. De grammofoonplaten van haar baas slingerden rond op de tafel. Een halflege fles rode wijn.  Die onbeschaafde vlegel had zelfs de broek en het hemd aan van…   ‘Doe die kleren uit Fernando.’    ‘De mijne waren vuil.’    ‘Doe ze uit, verdomme!’ Ze verraste zowel haar broer als zichzelf met deze krachtterm. In haar buik volgde een aanmoedigende beweging.    ‘ De auto van jouw baas, de kleren van de mijne. Wanneer groei je eens op?’ Fernando kromp ineen, keek naar de grond en sloeg toen zijn diepbruine ogen weer op.  Vierentwintig jaren ervaring, die ze nochtans met haar moeder deelde, volstonden ruimschoots voor Maria Alvarez de Camacho, geboren Maria Alvarez- Sanchez, om vanaf de eerste seconde dit gebaar te herkennen als vals berouw.  ‘ Je baas ligt in coma. Ik kan je hier niet blijven verbergen. Over vijf dagen komt mijn baas terug. Wat ga je doen?’ Ze draaide zich om en vertrok, haar rechterhand op haar buik.   Wat ga ik doen? Die vraag stelde Maria Alvarez de Camacho zichzelf  toen ze drie dagen later over de Mercat de la Boquieria liep.  Het geroep van de marktkramers die hun waar aanprezen - verse vis, de lekkerste tomaten, de geurigste sinaasappelen, de goedkoopste speklappen en de witste broden – ging aan haar voorbij. Ze had gehandeld tegen haar rechtvaardigheidsgevoel in, alleen om haar moeder terwille te zijn. De plicht van een oudste dochter. Die des te zwaarder woog omdat Fernando zijn plichten als oudste zoon niet vervulde.  En nu zat hij in het huis van haar baas. Over twee dagen moest hij er weg. Waar naartoe? Moeder zou weer op haar rekenen om Fernando in veiligheid te brengen terwijl zij zelf vond dat Fernando eindelijk eens de gevolgen van zijn daden onder ogen moest zien. De enige manier om aan haar moeders appel te ontsnappen was om te verhuizen. Miguel, haar man, speelde wel eens met de gedachte om, net zoals zovele landgenoten, hun geluk te gaan beproeven in Chili of Peru of welk Zuid-Amerikaans land dan ook. Maria wist dat zowel zij als Miguel te weinig avontuurlijk waren om hun geboortestad, laat staan hun geboorteland, te verlaten. Toch trokken ze op zondag regelmatig naar de haven om naar de schepen te kijken die van de Moll d’ Espanya naar Chili vertrokken.  Plots trok er iemand aan Maria’s mouw. Naast haar stond Fernando’s geliefde.    ‘Lorena, hoe is het met je vader? Ik moet zo vaak aan hem denken. ‘    ‘Hij is buiten levensgevaar. Hij wordt verpleegd in la Santa Creu. Volgens de dokter zal hij  uit zijn  coma ontwaken. ‘    ‘Hoelang kan dat duren?’    ‘Daar hebben ze geen idee van. Bij sommige patiënten gaat het snel . Vooral als er iets gebeurt dat hen prikkelt.’ Lorena zuchtte. ‘Ik mis Fernando zo. Weet jij waar hij is?’ Maria bekeek de jonge vrouw met een mengeling van medelijden en misprijzen. Hoe kon een verstandig iemand als Lorena naar haar broer verlangen? En dat nog wel nadat Fernando Lorena’s vader had aangereden.    ‘Jammer genoeg kan ik je niet helpen. Ik weet niet waar hij zich ophoudt. Wens je moeder veel sterkte van me, Lorena. En jij ook. ’   Het plan rijpte op weg naar Fernando. En het verbaasde zowel Fernando Alvarez – Sanchez als Maria Alvarez de Camacho toen hij er uiteindelijk mee instemde.   ‘Naar la Santa Creu? De familie vermoordt me.’ Hij keek haar bedenkelijk aan.  ‘De dokters zeggen dat een schok hem uit zijn coma kan brengen. Jij moet de ergste schok zijn die er voor hem mogelijk is.’    ‘ Ik durf niet, Maria.’ Deze keer wendde hij zijn blik niet af. Vierentwintig jaren  ervaring volstonden ruimschoots voor Maria om zijn angst als oprecht in te schatten.    ‘Ik ga met je mee. Maak je fout weer goed, Fernando. Hier kan je niet blijven.’   Rafael Zamora-Gento, Fernando’s baas, lag al zes dagen onbeweeglijk in het ijzeren ziekenhuisbed.  Hij kon alles horen, voelen en ruiken. Daar bleef het bij. Hij kreeg zijn ogen niet open, kon geen enkele van zijn ledematen bewegen en kreeg geen woord over zijn lippen. Zijn mond opende zich enkel als iemand hem water liet drinken. Hij voelde zich vernederd als hij voelde hoe de urine  zijn broek bevochtigde of als hij de stank van zijn eigen ontlasting rook. Hij was tot tranen toe bewogen als zijn vrouw en dochters aan zijn bed zaten, maar de tranen kwamen niet. Hij had honger, maar kreeg geen eten. Zijn gigantische buik was op die zes dagen serieus geslonken.   De verminderde omvang van zijn baas’ buik was het eerste dat Fernando Alvarez- Sanchez opmerkte. Staand in de deuropening vergeleek hij Rafaels buik met de immer groeiende berg die zijn zus meetorste. Hij stelde zich voor hoe haar buik één van deze dagen zou openbarsten omdat het hem onmogelijk leek dat haar huid nog verder zou oprekken.  Inwendig moest hij grinniken. Maar hij lette er wel voor op dat Maria hier iets van zou merken. Hij had haar nodig.    Met schuchtere schreden naderde Maria het bed.  Gisteren had haar idee zo logisch geleken. Nu ze voor don Rafael stond, twijfelde ze. Hoe zou Fernando don Rafael uit zijn coma kunnen brengen?  Een schop in haar buik zette haar aan tot actie.    ‘Fernando, kom dichter.’  Haar anders zo haantjesachtige broer kwam nu aarzelend,  als een veulen dat zijn eerste stappen zet, naar haar toe. Ze  fluisterde hem iets in het oor.   ‘Maar dat is niet waar, Maria.’ Ze keek hem streng aan.    ‘Don Rafael…’ fluisterde Fernando. Het bleef stil. Maria pakte Fernando’s hand en kneep erin. ‘Harder.’    ‘Don Rafael’,  iets luider nu , ‘ik kom de hand van uw dochter vragen.’ De man in het bed reageerde niet. Maria kneep opnieuw in Fernando’s hand. ’ Harder.’    ‘Don Rafael,’ en daar was hij terug; de vertrouwde stem van Fernando, die mengeling van honing en vers gekapt hout, die stem die vrouwen deed smachten en mannen wantrouwend deed opkijken, ‘ uw dochter verwacht mijn kind.’ De man in het bed lag nog steeds onbeweeglijk stil. Maar in zijn hersenen knetterde het. Er woedde onweer, donder en bliksem op hetzelfde moment, storm op zee, draaikolken en orkanen. Toen openden zijn ogen zich en al zijn woede uitte zich in één woord: ‘Jij’. Maria Alvarez de Camacho boog zich voorover naar don Rafael en stelde hem zo vlug ze kon gerust. ‘Het is niet waar, don Rafael, ik ben degene die een kind draagt. Fernando is hier gekomen om u bij bewustzijn te brengen.’ Trots keek ze naar haar broer. ‘Fernando, haal een verpleegster. En laat de familie verwittigen.’   Een klein uur later zaten don Rafaels twee dochters en zijn vrouw aan zijn bed. Maria was opgelucht. Fernando was het afgelopen uur erg stil geweest, had zich verontschuldigd bij zijn baas en berouwvol aangeboden extra te komen werken om de schade te vergoeden. Een kleine prikkeling in haar buik deed Maria opkijken. Ze zag haar broer, pratend met een verpleegster. Voor ieder ander zou er niets zichtbaar zijn, maar vierentwintig jaren ervaring volstonden ruimschoots voor Maria Alvarez de Camacho om te zien dat hij weer op de versiertoer was. Terwijl zijn geliefde op nog geen vijf meter van hem vandaan stond, aan het ziekenhuisbed van haar vader. Nu woedde de storm in Maria’s hersenen. En zo werd een nieuw plan geboren. Ze overtuigde haar broer om afscheid te nemen van don Rafael en zijn familie: het was immers tijd om hun moeder de gelukkige afloop te vertellen.   Fernando Alvarez-Sanchez was aangenaam verrast toen zijn zus bij het verlaten van het hospitaal voorstelde om in de haven iets te gaan drinken vooraleer huiswaarts te trekken.    ‘Je hebt zolang in de rats gezeten, Fernando, je kan zeker wel een opkikkertje gebruiken.’    Een opkikkertje werden er vele. En toen bleek dat er net die avond in de Moll d’ Espanya een schip vertrok naar Chili, en zijn zus  hem waarschuwde voor de verschrikkelijke wraak van Don Rafael, leek het Fernando alsof dat het beste was dat hij kon doen: vertrekken. In Chili hielden alle meisjes van Spaanse mannen, dat was algemeen bekend. Ze waren niet zo preuts als in Spanje, ook dat was algemeen bekend. En er viel veel geld te verdienen. Dat wist hij zeker. Maria betaalde voor de overtocht en Fernando stapte aan boord. Zijn zus wuifde hem uit vanop de kade. Het schip was nog maar net de haven uit, toen Maria Alvarez de Camacho’s water brak en over haar schoenen gutste. Ze legde haar handen op haar buik. ‘Kom maar, kindje.’  

Marijn
0 0

Cafetaria

De oude man zat aan de ontbijttafel. Hij was nog moe, wou wakker worden. Voor zich zijn kop koffie en een schaal speculaasjes. Zijn medebewoners van het rusthuis slurpten en keuvelden gezellig. Hij durfde niet. Hij wachtte. Wanneer hij dacht dat niemand op hem lette, deed hij een poging het oor van het kopje te grijpen. Zijn duim ketste erop af. Schaamte. Hij keek rond. Lette er eigenlijk wel iemand op hem? Ooit? Hij zag zijn ex-vrouw, die drie tafels verderop met haar nieuwe toyboy (de man was pas zevenenzestig) lachte en speculaasjes deelde. 'Hallo meneer! Hulp nodig?' Het leek de stem van een overenthousiaste engel. De oude man keek op, zag een jong, fleurig gezicht; pigmentvlekje in het linkeroog. Waarschijnlijk een stagiaire.'Nee, dank u mevrouw', kraste de oude man.'Onzin!' glimlachte de stagiaire, nam het kopje, en wou de oude man doen drinken.'Ik ben geen klein kind!' riep die 'Verdomme, ik ben geen klein kind!' Hij wou de stagiaire met de achterkant van zijn vlekkerige hand op de schouder slaan maar miste. Opnieuw schaamte.'Ja, hij is geen klein kind!' de ex-vrouw bemoeide zich er ook mee. Ongevraagd en luid.Nog steeds dezelfde dacht de oude man.'Maar... Maar... Ik wou helpen...' piepte de stagiaire plots heel mak.'Hij hoeft niet geholpen te worden!' brulde de ex-vrouw over alle tafels heen 'Het is waar hé. Je hoeft niet geholpen te worden, hé?''Klopt!' riep de oude man terug met een krop in zijn keel.De stagiaire ging weg, de muren van de eetzaal weerkaatsten het geroezemoes van de senioren.Langzaam stond iedereen op, begon de dag.De oude man bleef alleen achter. Een kop koude koffie en een schaal speculaasjes voor zich. Hij wou er eentje nemen.Hij greep er naast.

Michaël Verest
0 1

Aardbeienconfituur

“Blauw” “Wat is het kleinste land van Latijns-Amerika?” “El Salvador, deze vraag hebben we al eens gehad.” “Ik stel een andere. Welke twee landen worden verbonden door de Brenner Pas?” “Oostenrijk en Italië!” “Ja, goed! Je krijgt een puntje en je mag nog eens.” “Groen dan.” “Uit welk land komt de kiwivrucht oorspronkelijk?” “Gho… Uit Nieuw-Zeeland?” “Nee, Loesje, uit China! Het is aan mij.” Het is zondagavond, Loes en Willem spelen Trivial Pursuit, drinken wijn en eten worstjes. Meestal wint Willem en gaat hij daarna naar bed. Loes blijft graag wat langer op en geniet van die tijd met zichzelf. De laatste maanden vraagt ze zich ’s avonds vaak af hoe haar leven eruit zou zien zonder hem. Ze bedenkt dan wie er elke maandagochtend over haar aan tafel zou zitten. Of hij ook zou zeuren als er geen aardbeienconfituur meer is en of hij ’s morgens zijn tanden voor of na het ontbijt zou poetsen. Loes houdt niet van maandagochtend. Ze houdt niet van het begin van een sleur die vijf dagen zal duren en vrijdagnamiddag eindigt met de wekelijkse seksbeurt met Willem. Vanavond besluit Loes een avondwandeling te maken. Ze trekt haar jas en laarzen aan, luistert even of Willem al diep slaapt en sluipt de gang door naar de voordeur. Het regent zachte druppels en Loes vangt ze op met haar tong. Ze wandelt de voortuin uit, kijkt even binnen bij de buren en vraagt zich af hoe routineus hun weken zijn. Loes heeft nood aan natuur en trekt de bossen in. Ze passeert het bord waarop staat dat je de runderen niet mag aanraken en vlak daarna de laatste straatlantaarn.  Loes sluit haar ogen, ademt diep in en spreekt zichzelf wat moed toe. In het bos is het donker en ze schuifelt zacht naar voren. Haar laarzen soppen in de modder en ze vraagt zich af waar ze aan begon toen ze een huis kocht met Willem en hoopte op een vrolijk leven. Onlangs besefte Loes hoe ontiegelijk saai en lelijk Willem eigenlijk is. Hij wil nooit uit eten, draagt al jaren dezelfde lelijke regenjas en heeft neusgaten waarin je gemakkelijk je duim kwijt kan. Hij zet netjes de vuilniszakken buiten, houdt deuren open en belt elke week zijn moeder. Het regent dikke druppels. Loes krabt even aan haar enkel, trekt haar kousen op en sopt verder in de modder. Haar ogen wennen aan het duister en in de verte staat een bankje. Loes gaat neerzitten. Ze steekt haar handen in haar zakken, zet haar kap op en zuigt de regen uit haar haarpunten.  Elke maandagochtend ontbijt Willem met twee boterhammen met aardbeienconfituur en een grote kop koffie. Een tijdje terug besloot Loes geen aardbeienconfituur meer te kopen. Gewoon. Om te zien wat hij zou doen. Ze hadden ruzie. Willem brulde dat zij hem niet waard was en dat ze kon stikken in haar luie kont. Een week nadien kocht Loes hem een andere deodorant en zette die zondagavond op zijn lavabo. De week daarop kocht ze voor het eerst een speltbrood en stak ze kiezels in zijn schoenen. De regen valt inmiddels met bakken uit de lucht en Loes besluit naar huis te keren. Als ze opstaat en het pad zoekt, staat er plots een zwarte koe voor haar. Loes kijkt even in haar ogen, draait zich om en schrikt zich rot. Voor haar staat nu Willem, gehuld in zijn lelijke regenjas. “Wat doe je hier?” vraagt hij. “Wat doe jij hier?” vraagt Loes verschrikt. “Ik werd wakker en je lag niet in bed, ik kon niet meer slapen en besloot je te gaan zoeken. Je laarzen stonden niet op zijn plek en ik vermoedde dat je hier was.” “Morgen is het maandag, Willem.” “Ik weet het, Loes. Ik weet dat het morgen maandag is en ik weet ook dat je mijn laptop hebt verstopt. Ik weet dat je mij elke week op stang wil jagen en mij maar een saaie piet vindt. Maar het is goed, ik speel je spelletje wel mee. En nu gaan we naar huis, want het is koud. Morgen melden we ons ziek en kijken we een hele dag herhalingen van Thuis.” “Goed” stamelt Loes. “Goed zo” antwoordt Willem.

Annelies
0 0

#Twitteroticon

A   #twitteroticon A} Bij het ochtendkrieken kraaide de agrariër van plezier: “Mijn Adamsroede komt de brakke Akker van Venus beploegen!"   B   #twitteroticon B} Na het bezichtigen van de broedse bellevue nam de reisgids meteen poolshoogte: “Ga je mee naar Bethlehem?”     C   #twitteroticon C} Terwijl de knappe kop het werkwoord ‘concubijnen’ vervoegde, dacht de lerares maar aan één ding: conjugeren.     D   #twitteroticon D} En de dichter declameerde het deuntje van Confloribus: al zal ik mijn dienaar dienen te richten, ik zal Eva’s dal dichten!     E   #twitteroticon E} In een coup de foudre bedacht de erogene cuisinier: honger is de beste kokkin. En hij sloeg zijn eieren in het emolument.     F   #twitteroticon F} “Wacht!”, gebood de agent. “Flikker op!”, kletste de ruigpoot. En de flik flipte in het wufte fundament.     G   #twitteroticon G} De generaal stond voor schut toen zijn grof geschut groetenis deed aan het gescheurde goed.     H   #twitteroticon H} Hymne aan het hymen door de holstaande hovenier: die hof omspitten, die snijbloem splitten!     I   #twitteroticon I} De schrijnwerkster was niet ingesneden op zijn instrument waarop het intiem ijken een kluif bleek.   J   #twitteroticon J} “Ik heb d’r jeuk aan”, sprak de jongeheer. Waarop de verpleegster joyeus haar jetsers aanprees.     K   #twitteroticon K} Kussen waar iemand geen neus heeft, was haar gekoosde liefhebberij. En de kare kapster dronk van kaalaards bier.     L   #twitteroticon L} Lollepotten zetten graag de lippen aan loopse barmeiden: hun likeurkelder smaakt naar parfait amour.     M   #twitteroticon M} Het planten van de minnestander kwam de kleine middenstander voordelig uit: hij was eindelijk van de markt.     N   #twitteroticon N} In het bijzijn van de rechtschapen notaris en de balorige getuigen maakte de advocate een straf nummertje: negenenzestig.     O   #twitteroticon O} De kloosterlinge was door Meneer Pastoor in ’t ootje genomen. En verkeerde, o wee, in gezegende omstandigheden.   P   #twitteroticon P} Toen de buitenwipper de poort opende, informeerde de partypoepende pooier of pimpernellen was toegestaan.     Q   #twitteroticon Q} Qua vervulling der quantemolevestis was de uroloog wiskundig zeker: pi quadrupel is gemiddeld. Quod erat demonstrandum.     R   #twitteroticon R} Rollebollen, rampetampen of roereloeren? Eenmaal de ritsige stilist zijn pen in rababbel doopte, werd het één pot nat.     S   #twitteroticon S} De lullige solist heeft nooit met de schuiftrompetten gespeeld. Hij was van een slappe gemaakt.     T   #twitteroticon T} Op de naamkaart van de triomferende croupier stond als lijfspreuk: Troef in, Troef uit. En hij blufte met zijn taars.     U   #twitteroticon U} “Yoehoe…”, slaakte de frivole ornitholoog. “Uhu!”, riep de ruigpootuil. En hij liet zijn tureluur vliegen.     V   #twitteroticon V} Teneinde de voering uit de broek te strijken, vond de naaister het raadzaam om even aan de veter te tokkelen.     W   #twitteroticon W} Met een haakse wijbewabbewulle kroop de geschoren wever onder de wol. En produceerde snel deze klamme tweed.     XY   #twitteroticon XY} “Yuppie, het is een burgerjongen met X-factor!”, exclameerde de burgemeester met opgeheven hoofd.     Z   #twitteroticon Z} Na zeventig-eenenzeventig meegemaakt te hebben, mocht Zebedeus verzadigd op nabestaandenpensioen.    

The Knight Writer
0 0

Krijgt ge uw tijd kapot?

  Mijn moeder aan de telefoon. Met ineens, na wat koetjes en kalfjes, die vraag: ”Krijgt ge uw tijd kapot”. Ik moet lachen en schrikken tegelijk. Haar woorden klinken nogal ruw, de functie van figuurlijk taalgebruik is uitgeschakeld. De intentie achter die uitspraak is echter loepzuiver. Ergens in haar gammele hoofd weet ze dat de zomervakantie begonnen is. En dat dat niet mijn favoriete periode in het jaar is. Te lang. Te leeg. Te saai.   Een half jaar geleden heeft mijn moeder een val van een buitentrap overleefd. Ze heeft aan de poort van de dood gestaan, maar ze is teruggekomen. Misschien om mij op de een of andere manier duidelijk te maken dat ik wel tot haar ben doorgedrongen. Dat ze haar eigen vlees en bloed veel beter kent dan ik besef. Dat er vele manieren van luisteren bestaan. Dat laatste bedenk ik er nu bij. Het is niet omdat ik mijn verhaal niet verteld kreeg, dat ze het niet gehoord heeft.   Haar leven lang was mijn moeder een taalridder. Vlijmscherp met woorden. Dat lag aan haar liefde voor taal, maar ook aan haar karakter. Ze sneed alle fijngevoeligheid eraf. Wit is wit en juist is juist.   Ze is dus uit een diepe coma weergekeerd. Het onverstaanbare brabbelen is terug praten geworden. Al is het met een hoek af. Ze zegt cabaret, terwijl ze cafetaria bedoelt. Maar als ze mij out of the blue vraagt of ik mijn tijd kapot krijg, begrijp ik haar heel goed. Zou die coma haar minder moederlijke eigenschappen hebben achtergehouden?                

Johanna-Tara
0 0

Stukken van mensen; hier is visser Fred.

Hier is visser Fred. Een man met nieuw vismateriaal en een raam om door te kijken. Hij ziet het water. Hij wordt lid van de visclub zodra het raam uit pvc aangekocht is.   De andere leden kijken op wanneer hij gedecideerd naar de visput komt gelopen. Ze zijn verbaasd; een handige helper monteert het raam in het gras, zet er een versleten visbak achter. De jongen controleert nog even, keurt het goed en Fred neemt plaats.  Hij houdt ervan naar buiten te kijken. Naar het water, de andere gezichten, de drijvende wolken in de verte. Hij zuigt zich vol met lucht. Zijn kastanjebruine haar tot op schouderlengte, het pokdalige gelaat ongeschoren.    Op de tweede zondag aan de visput heeft hij zijn helper weer mee. Die draagt een deur onder de arm. Opnieuw monteert hij dat ding in het gras. Vissers kijken vol ongeloof naar wat gebeurt.  Eerst een raam bij de vijver, dan een deur uit pvc. Wordt daar schaamteloos een opslagplaats opgetrokken? De andere leden begrijpen dat ze hem moeten stoppen. Wat zullen de vissen daarvan denken? Waterwezens worden niet graag begluurd door ramen en deuren, door de ogen van een visser met ondoorzichtige plannen? Belangrijk is om goed te weten wat de vissen willen eten.   De snoeken wilden geurende dode zeevis. Ze snakten naar een kikker om door te slikken. Daar droeg elk lid van de visclub een verpletterende verantwoordelijkheid. Met een plug in hun kieuwen zweefden de snoeken in een boog van onderwater door de lucht. Tijdens die vlucht kietelde hun buik tot ze bij de vissers aankwamen. Een ruwe hand nam hen beet en wierp hen weer de vijver in. En nog een hand, en nog één... Behalve de hand van Fred. Hij liet de vangst op het droge gras liggen of smeet ze zonder veel zorg in de visbak. Liet daar geen streepje licht meer binnen.   De derde zondag. Zonnig, 24 graden celsius en een gematigde wind. Ze verzamelden in het vergaderlokaal. Iedereen was het erover eens: hij kon niet blijven. Hij had het profiel van iemand die zich wilde isoleren en respecteerde de wet op terugzetting van snoeken niet. Hij moest eruit!  'Kende hij de wetgeving?' Jack bleef goedgelovig tot het tegendeel bewezen was.   Op de vierde zondag werd de nieuweling verrast. Hij zat weer bij het water en staarde door het raam naar zijn vislijn. Naast hem op de grond werd de hoeveelheid lege flesjes bier steeds groter. Omstreeks vier uur viel hij in een korte maar diepe slaap, de lijn slap in de hand. Van zijn gesnurk werden de vogels bang. Grassprieten maakten dat ze weg kwamen door hun eindjes aan mekaar te knopen en weg te duiken in de aarde. Daar was het heerlijk stil.  De snoeken werden zenuwachtig. Van stress wipten ze naar het oppervlak van het water. Steeds maar wippend naar het oppervlak en dan weer met de neuzen naar beneden. Dat duurde een heel kwartier, veel te lang voor vissen met een grote honger. Ze versterkten al doende wel hun spieren. Na een onuitstaanbaar half uur maakten ze gebruik van die fysieke kracht en sprongen vijandig naar het ergerlijke gesnor, met hun scherpste tanden richting het slapende lichaam. Ze zogen zich vast op zijn huid. Ze beten gretig stukken vlees uit hem tot ze er moe van werden.   Dan vormden ze een kring rond de bloedende man. Met ogen als helden in hun kassen. Met korte stootjes stem uit de keel gaven ze blijk van een geslaagde missie.   Jack stond nog bij het raam in het gras. Hij opende het en liet een lage, donkere wolksliert binnen.            

Ingrid Strobbe
0 0

Dit is waarom Sinterklaas geen Zwarte Pieten met een rood jasje nog in dienst wil nemen

Sinterklaas was er dit jaar vroeg aan begonnen. Waarmee? Met het voorbereiden van de jaarlijkse festiviteiten rondom zijn naamfeest natuurlijk. Enkele weken geleden zou het nog een halfjaartje duren eer de goedheiligman op zijn stoomboot weer het ruime sop zou kiezen en op die manier zou afreizen vanuit zijn Andalusische haciënda naar het verre Vlaanderen. Het te warme weer en de vervelende vliegen die de tropische temperaturen in het zuiden van Spanje aanbaden, waren er de schuld van dat ‘Slecht-Weer-Vandaag’, de schimmel van Sinterklaas, een speciaal zalfje had voorgeschreven gekregen, dat de Paardenpiet tussen de achterbenen van de hengst moest smeren. Het arme dier verlangde naar het aangename weer en de soelaas brengende regen uit het kleine Vlaamse land. De overige Pieten waren ook druk in de weer. Diegenen met het gele jasje stonden aan een heet geblakerde oven en bakten er Sinterklaasspeculaas. De hete dampen die uit de schoorsteen kwamen verschroeiden de Spaanse hemel en zij zorgden ervoor, tezamen met een lichte bries, dat de volgende avonden de wolken boven de Vlaamse horizon roze kleurden. Andere Pieten, zij met het blauwe kostuum, goten een dun laagje chocolade over een koekje met daarbovenop een licht gezoet eiwitschuimpje. Ziezo, ze hadden weer een grote lading negerzoenen klaar. Wel had Sinterklaas, die zich nog maar pas - bij de koffie - had tegoed gedaan aan een verse moorkop, laten weten dat ze dit woord “negerzoen” niet meer mochten gebruiken. Vanaf nu zou dit lekkers schuimzoen of chocozoen heten. Maar de Pieten wisten maar al te goed dat de Vlamingen dit koekje nog anders noemden en ze lachten eens goed in hun vuist. Naast de zoenenfabriek stond er een groot gebouw waar de Pieten met groene outfit aan het werk waren. Zij waren gespecialiseerd in het zure snoepgoed. Ze fabriceerden zuurstokken aan een hoog tempo en de dropveters kwamen kilometers lang over de band gerold. Maar in de grootste Sinterklaassnoepgoedenalleswatdaaroplijktfabriek smolten de Pieten met het paarse pak letters van chocolade en sloegen zij munten van datzelfde, lekkere bruine goedje. Elke dag kwam Sinterklaas inspecteren of alles goed verliep. Zo ook die dag toen hij het kleine gebouwtje binnenliep waar de Pieten met het rode jasje verondersteld werden te werken. Maar er werd niet gewerkt. De rode Pieten staakten. “Deze aardappeltjes van marsepein ruiken wel naar venijn” zei rode Piet Rudy vanuit de hoogte. “En wat gaan onze Vlaamse kindjes daarvan zeggen” vroeg Sinterklaas zich af. De rode Piet schudde zijn hoofd zodanig dat de pluim van zijn muts viel, zomaar pardoes in het blubberende marsepeinfestijn. “Dan moeten jullie maar aan de Costa del Sol in de horeca gaan werken” ergerde de Sint zich en hij dreef met een roe de rode garde naar buiten. Aan zijn Opperpiet Nicodemus liet hij weten dat de aardappeloogst dit jaar mislukt was en dat de kindjes wat extra suikerbeestjes zouden krijgen. En een extra goede tandenborstel. Die Sint toch ! Altijd klaar voor een grapje.

Marc M. Aerts
0 0

U van” om U tegen te zeggen”.

(uit “verhalen van A tot Z”)   (Deze tekst verscheen in “Verzin” met commentaar van Vitalski. Dit is de aangepaste versie met dank aan de commentator)   Etiquette en waar het toe kan leiden   Ze was Franstalig maar bezat genoeg kennis van de Nederlandse taal (zij het met zware Antwerpse tongval) om in een privéschool  te mogen doceren.   Haar cursus heette “sociale relaties” .  Vermits er in de Nederlandse taal over protocollaire regels en voorkeuren geen boek bestond,  nam de docente het initiatief zelf een cursus samen te stellen.   Ook in haar schrijftaal was het Aantwaarps niet veraf  (manlief was afkomstig van een welgestelde Antwerpse familie).  Op de sympathie van haar studenten kon zij alvast rekenen.   Terecht werden de leerlingen er op gewezen dat weinigen het voorrecht kregen om tijdens de lesuren “manieren te leren”.   Tijdens de (soms hilarische) colleges  werden de gekste thema’s aangesneden.  Allen even voor de hand liggend maar wie kende de regels  en wie durfde het aan om ze aan jonge twintigers open en bloot voor te leggen ? Daarom verontschuldigde zij zich meermaals alvorens een delicaat onderwerp aan te boren .   Zo stond er letterlijk  (inclusief taalfouten)  :   Citaat:  “Wil U mij nu verontschuldigen voor het eerder delikate onderwerp dat ik thans ga aansnijden.  Wanneer de heren naar het toilet gaan, klappen zij de bril op.  Zij kontroleren hun handelingen om geen onprettige overstromingen te veroorzaken.  Zij knopen hun broek volledig dicht vooraleer het toilet te verlaten.  Niets is onaangenamer dan heren uit het toilet te zien komen terwijl zij nog hun hemd in hun broek steken of hun broek dichtknopen en naar U toe komen om U de hand te geven.  Het komt nochtans veel voor “ .   Of dit citaat : “ op internationaal vlak zult u verder geraken wanneer U niet de indruk geeft een onbehouden boer zonder fijnheid te zijn”   Iemand als wijlen JL Dehaene, die er allicht niet fier op was,  maar die het verder weinig kon schelen dat hij als een bullebak overkwam,   zou baat hebben gehad bij haar lessen.  De schade die dit aanbracht aan de politiek, de internationale uitstraling van het land en de dagelijkse omgangsvormen (als de premier zo is mag ik ook zo zijn…) was groot.  Men kan zich afvragen of  de vele verdiensten van de man die schade enigszins heeft beperkt.     Mevrouw,  uw naam zal hier uit discretie niet genoemd worden maar vele studiegenoten zullen u uit bovenstaand verhaal herkennen.  Of uw lessen nut hebben gehad ?  Wel, ruime tijd geleden was de schrijver van deze lijnen op een receptie.  Nadien kreeg hij via via te horen dat hij in alle modestie toch was opgevallen.  De organisatrice, een Franstalige dame,  beschreef uw vroegere student als iemand met “prestance”.  U heeft bij dit woord  geen verdere uitleg nodig.   De taal in uw cursus liet wat te wensen over  maar ook vele jaren later staan een aantal waarheden nog als een paal boven water.  Wees ervan overtuigd dat de basis van die prestance in uw lessen werd gelegd.     Destijds waren uw andere activiteiten  niet gekend, maar dat u daarvoor in de adelstand werd verheven heeft uw oud-leerling niet verbaasd maar wel juist zeer verheugd.  U werd een terechte barones, om U tegen te zeggen.    

Vic de Bourg
0 2

Zwijgend

De akelige stem van mijn moeder vormt een telkens groter wordend contrast met haar warme, vriendelijke persoonlijkheid. Ik ben blij dat ze niet meer onophoudelijk tegen me praat. De eerste dagen na het ongeluk was het verschrikkelijk. Ik had een ontzettende hoofdpijn en het continue gekras van mijn moeders stembanden om een stroom van geruststellingen mijn kant op te sturen maakte die pijn alleen maar erger. Nu zit ze naast me en ze zwijgt. Ik zwijg ook. Ik hoor dat ze haar stoel wat dichter naar mijn bed schuift. Ze heeft zojuist een Delfts Blauw bordje -zo'n echte met golvende dunne randjes- waarop een met zwetende kaas belegde boterham ligt, naast mijn benen op de lakens gezet. Ik heb geen honger, maar hoef haar dat niet eens te vertellen. Ik voel me op mijn gemak als zij er is. Het voelt goed om niet te hoeven te praten, om niet te hoeven luisteren, om niet gezellig te hoeven te doen. Het voelt gewoon goed om samen te zijn. Vanmorgen is mijn broer nog bij me langs geweest. Ik zweefde tussen wakker en slaap. Hij ging naast me zitten, keek om zich heen in deze sfeerloze ziekenhuiskamer en schudde zacht zijn hoofd. Ik voelde dat hij mijn linkerhand pakte, er teder in kneep en dat hij daarna zocht naar mijn reactie. In mijn rozigheid kneep ik niet terug. Ik wilde zeggen dat ik blij was dat hij er was, maar ik was nog te moe. Even te ver weg. Ik kijk naar het Delfts Blauwe bordje met de boterham. Ik heb geen honger. Mijn moeder weet dat, dus zij pakt het sneetje brood en ze neemt er een flinke hap van.  Stilte. Dan springt de televisie aan en kijken we samen de favoriete serie van mijn moeder.  ‘Zo dadelijk komt dokter Berg langs om even te kijken hoe het gaat,’ zegt ze tegen me. Niet nodig, ik voel me top! wil ik zeggen, maar ik hou me in. Ik wil geen discussie en daarbij, ik weet hoe moeders zijn. Ik weet hoe mijn moeder is. Zij wil dat de dokter naar me kijkt. Komt Tim ook nog langs vandaag?  Ik zou graag hebben dat mijn broer wat vaker langskwam, ik mis hem. Mijn moeder zwijgt even en zegt: ‘Dokter Berg gaf aan dat hij me wil spreken over je herstel. Het gaat straks vast beter. Misschien met kleine stapjes, maar ik weet zeker dat je vooruit gaat. Langzaam maar zeker vooruit, toch lieverd?’ Hoezo langzaam? Ik heb een auto-ongeluk gehad! Wat denk je dan? Dat ik in twee dagen weer rondhuppel? Hoe lang is het eigenlijk precies geleden? Eén week? Twee weken? En ik voel me nu per dag weer beter. De deur aan de andere kant van mijn kamer glijdt langzaam open. Ik hoor voetstappen op de linoleum vloer. Ik hoor aan het geluid dat het dure nette schoenen zijn. Van het soort met houten hakken. Ik zit helaas niet helemaal rechtop en kan het daardoor niet goed zien. Dokter Bergman, neem ik aan? ‘Meneer Vrijman. Ik kom even kijken hoe het met u gaat.’ De dokter loopt in beeld en hij komt met zijn gezicht vlak voor me hangen. Hij houdt een soort pen vast, met aan het uiteinde een lampje. Hiermee schijnt hij in mijn ogen. Dit is een terugkerend ritueel. Hij heeft een mooie pokerface, ik kan nooit uit zijn blik opmaken wat hij ervan vindt. Ik zie hem aandachtig kijken, terwijl zijn gezicht nog iets dichterbij komt. Zijn adem stinkt naar salami. Ik vind het vreemd dat de omgeving zo'n invloed heeft op mijn beleving. Bij de lunch vind ik de geur goddelijk. Nu walg ik ervan. Ik wil er iets van zeggen, maar hou me nog net in. ‘En… ziet u iets?’ De stem van mijn moeder. ‘Onveranderd. Helaas.’ Mijn moeder barst in een hysterisch huilen uit. 'Het wordt tijd om een beslissing te nemen.' De stem van de dokter. Mijn moeder buigt zich over mij heen en ik zie haar gezicht. Mijn God, wat ziet ze er oud uit. Zou ze sinds mijn ongeluk zo slecht geslapen hebben? Nee, dat kan het niet alleen zijn. Ze lijkt wel twintig jaar ouder. Mam, wat is er met je? Wat is er gebeurd? Geen reactie. Mam! Mama!! Waarom zeg je niets? ‘Ze kan je niet horen. Dat komt door het ongeluk,’ de stem van mijn broer. Ik… Wat? Hoezo? Wij hadden een ongeluk, niet zij! ‘Precies…’ Hoorde ik mijn broer nog zeggen. Ik zoek hem in de kamer, maar zie hem niet. Ik begrijp er niets meer van. In stilte kijk ik naar de dokter en mijn moeder. Mijn moeder heeft tranen in haar ogen. Ze veegt ze ongemakkelijk zo snel als mogelijk weer weg. ‘Betekent dit echt dat hij nooit meer wakker wordt?’ ‘Dat is inderdaad wat ik u wil zeggen. De kans is in ieder geval extreem klein. Uw zoon ligt al ruim vier jaar in coma. In zo’n situatie is er vrijwel geen hoop meer op een herstel. Sterker nog, de kans dat hij wakker wordt en nog de zoon is die u kent, is nog een stuk kleiner dan één procent. Feitelijk is die kans nihil.' Het snikken van mijn moeder wordt luider. Ik wil mijn broer roepen, ik heb hem heb toch net nog gesproken? Waarom heeft hij me dit niet verteld?  Tim, waar ben je?  Dan hoor ik de wegstervende stem van mijn moeder: ‘Ik wil niet nog een zoon verliezen.’

Frank Lubbers
0 0

tijd zonder oordeel

Het tikken van mijn armen, die 10u30 aanwijzen, lijkt de aanwezigen gerust te stellen. Eén voor één staren ze voor zich uit, lijken in hypnose. Een enkele vrouw bladert door een magazine maar schijnt de woorden nauwelijks in zich op te nemen. Af en toe werpt ze een blik op de man naast haar, de enige man in de ruimte voorzien voor vrouwen.  Een andere vrouw houdt steevast haar rechterhand om de ronding van haar buik. Ze gooit steelse blikken naar de andere vrouwen die het vooralsnog  zonder buikje moeten stellen. Zij en de man zijn de twee vreemde eenden in de bijt in deze ruimte waar de geur van ongeduld en wanhoop zich vermengt met één van hoopvolle verwachting. De lichamen van deze vrouwen laten hen in de steek, de dokter is er om daar verandering in te brengen. Met een beetje geluk. De dokter komt de volgende patiënte halen. Die gooit haar magazine opzij met een elan dat haar ongeduld verklapt. Bij de deur kijkt ze om wanneer ze merkt dat de man nog steeds op zijn stoel zit. Hulpeloos en angstig kijkt hij haar aan. ‘Ik wacht hier wel’, slaagt hij erin te mompelen. De blik van de vrouw verandert van geïrriteerd naar boos in amper een seconde; nog eentje later muteert hij tot hardheid. Verbeten draait ze zich weer om en stapt achter de dokter aan diens kabinet binnen. De man kijkt naar zijn voeten, de handen onder de dijen geklemd. Hij schrikt op wanneer de zwangere vrouw hem toespreekt. ‘Het is niet makkelijk hè. Ik begrijp het wel. Mijn man blijft ook liever thuis.’ Van onder zijn wimpers kijkt hij haar verbaasd maar dankbaar aan. Hij knikt haar een beetje onhandig toe.  Wanneer mijn wijzers vijf voor elf aangeven, kijkt hij verontwaardigd mijn richting uit, als om te zeggen dat het mijn schuld is dat zijn vrouw zo lang wegblijft. Met een zucht wendt hij zijn blik van me af en laat zijn ogen op de vrouw voor hem rusten. Heel langzaam glijdt zijn blik over haar benen, haar rokje, haar bolle buik. Tot ze blijven rusten op haar gezwollen borsten. ‘Wil je een keer voelen?’, vraagt plots de vrouw, die zijn blik niet was ontgaan. Ze wijst op haar buikje. Zonder te weten waarom knikt de man verlegen, gaat naast haar zitten en legt zijn hand op haar navel, die door het strakke truitje prijkt. Hij kijkt in haar ogen, hun hoofden nu slechts centimeters van elkaar verwijderd. De vrouw schenkt hem een warme, troostende glimlach. Moederlijk. Hij voelt haar warmte en drukt in een impuls zijn lippen op de hare. Net wanneer zij zich van hem losmaakt, met de ogen knippert en haar mond opent om te protesteren, gaat de deur open en komen de dokter en de vrouw buiten, die elkaar de hand schudden en slechts elkaar zien. De man springt recht en loopt snel op zijn vrouw toe. ‘Alles okee schat?’, waarop de vrouw hem vergevingsgezind een zoen op zijn wang drukt.  

LL Rigby
0 0