Zoeken

Het Grote Avontuur Van Paarse Roberta - Deel 1 - Het Begin

Heel lang geleden, ergens halfweg in de tijd. In het verre Halverwegeland, op een kwartje van hier vandaan, woonde er een arme ketellapper in het Sleutelwoud. In een woud vol bos was er weinig werk voor een arme ketellapper. Het woud zat vol gevaarlijke en woeste rovers en het weinige geld dat de ketellapper verdiende werd iedere keer weer door een rondtrekkende bende geroofd. Het was niet makkelijk om zijn achttien kinderen, negen zonen en negen dochters, van eten en kleren te voorzien. De ketellapper jammerde zo wanhopig dat zijn vrouw, Rooie Sonja, besloot om in het woud op zoek te gaan naar eten. De ketellapper smeekte haar om het niet te doen, uit angst voor de vele rovers. Zijn smeekbeden haalden niets uit en al op haar eerste strooptocht verdween zijn echtgenote. De arme ketellapper was ontroostbaar en werkte dag en nacht door zijn verdriet heen.Op een hongerige nacht besloot de middelste dochter dat het zo niet verder kon! Ze wou geen honger meer lijden en zou daarom naar het woud gaan, op zoek naar eten. Het dappere kind heette Paarse Roberta. Iedereen noemde haar zo omdat ze veel op haar buurman, Blauwe Robert, leek. Ze deed haar reiskleren aan en snoerde de veters van haar knobbelschoenen strak. Tot slot zette ze haar veel te grote hoed op die over haar ogen zakte en nam emotioneel afscheid van haar broers en zussen."Ik ga op zoek naar eten voor ons allemaal en ik ga onze moeder terugvinden. Dat beloof ik."Paarse Roberta kwam haar beloftes altijd na. In feite waren haar beloftes zo sterk, dat ze gebruikt werden als funderingen van kastelen. Licht nerveus omdat ze het onbekende avontuur tegemoet ging, vulde Paarse Roberta haar knapzak met stijve sleutelbloemen en knalharde harseikappels. Tot slot haalde ze een puntige naald uit de kousenmand en verstopte die in de zoom van haar rok.Gepakt en gezakt trok Paarse Roberta over het Okerpad, steeds dieper en dieper het Sleutelwoud in. Toen ze op een open plek aankwam, werd ze tegengehouden door drie blinde monniken. Nog voor Paarse Roberta iets kon zeggen, declameerden de drie slechtzienden een gedicht over het gevaar dat ze op haar pad zou vinden."Stinkende brei en gladde wegen.Kom je verder en zekers tegen.""O Dwaze Mensen, die toch verder gaan!Luister toch eens goed en mijd deze baan.""Voor je eigen veiligheid mijn kind!Je slaat onze raad niet in de wind.""Voor geluk wrijf op onze bollie.Dan krijg je een lekkere lolly."Paarse Roberta lustte geen lolly's en voelde er weinig voor om op wat dan ook te wrijven. Ze nam dringend maar beleefd afscheid en keek toe hoe de visueel mindere patertjes op een sukkeldrafje het Okerpad afvielen. Paarse Roberta was niet veel wijzer geworden van hun vreemde rijmelarijen... Dus haalde ze haar schouders op en liep, met een vrij gerust gemoed, het Okerpad af.Paarse Roberta kwam net vanonder het loemerte van het bladerdak, toen ze glibberig weggleed over de oranje bananenschillen die her en der over het Okerpad verspreid lagen. Ze hoorde een vreemd geluid en met schrik in het hart keek ze op naar enkele laaghangende takken. De schrik sloeg om naar volle paniek toen ze de monsterlijke wezens ontdekte. Op een dikke tak zaten vier Roze Groezelapen. Uit hun tandeloze bek walmde de geur van dood en verderf. Paarse Roberta zoog haar longen vol verse lucht voordat ze een stap durfde te zetten. Ze wist dat, dankzij hun broze botten, Roze Groezelapen zelden een aanval waagden. Die vieze beesten hoefden ook niet echt te vechten, want ze hadden hun vieze adem waarmee ze zelfs de sterkste mens konden vellen. Met hun adem kon je zuiver goud oplossen. Met de tranen in haar ogen grabbelde Paarse Roberta in haar knapzak in de hoop iets te vinden dat de apen zou verjagen. Vertwijfeld balde ze haar rechtervuist rond de stijve sleutelbloemen en gooide die uit alle macht naar de krijsende Roze Groezelapen. Die schrokken zo erg van de zoete bloemengeur dat ze hun evenwicht verloren en van hun tak vielen. Al hun broze botten waren gekraakt en gebroken. De vieze Roze Groezelapen waren op slag dood. Voorzichtig en met dichtgeknepen neus, schuifelde Paarse Roberta verder. Ze haalde pas opgelucht adem toen de stinkende massa ver achter haar lag.Het Okerpad leidde Paarse Roberta steeds dieper het Sleutelwoud in. Achter een van de vele meanders, kwam ze oog in oog te staan met een vreemd ogende kerel. Hij droeg een zijde bloemetjespyjama en zijn haar zat in een kunstig knotje samen gebonden. Paarse Roberta vond dat hij een adellijk voorkomen had... toch was er iets geks aan deze man. Om de een of andere reden vertrouwde Paarse Roberta zijn vreemde ogen niet. De edelman zat op het zachte mos in kleermakerszit en schilderde een natuurtafereeltje op een plankje. Paarse Roberta probeerde stilletjes langs de vreemdeling te trippelen, maar werd ontdekt!"Bloesem in de wind, je lawaai verstoort de rust, wat doe je mij aan!""Sorry heer," stamelde Paarse Roberta. "Ik wou u niet storen in uw... bezigheden. Ik volg gewoon dit pad op zoek naar eten voor mij en mijn familie.""Nobel is je doel, maar je tocht is vol gevaar, als je verder gaat.""Wat bedoelt u? U spreekt in raadsels, edele heer.""Zwijg cultuurbarbaar, mijn dichtkunst is mijn leven, spot met een ander."Die rare kwiet irriteerde Paarse Roberta enorm. Als hij verder bleef zagen en kreften, zou ze hem een lap rond de oren verkopen!Heftig met zijn verfborsteltje zwierend, orakelde de edelman verder: "Versperd is je pad, sleutels groeien in het wild, openen de poort."Voorzichtig wiebelend verwijderde Paarse Roberta zich, in haar ogen, van de malloot weg. Ze hoopte dat zijn eer niet gekrengd was en een wapen zou trekken."Hopelijk vermijd ik een zwaardstoot zolang ik oogcontact hou." Mompelde Paarse Roberta - bijna - onhoorbaar.Toen ze vond dat ze ver genoeg was, draaide ze zich om en knalde hard weg.De vreemde edelman riep haar nog iets na: "Je krijgt een lolly, als je mij eens goed verwent, met een kleine aai."Paarse Roberta werd nu echt kwaad en schakelde een versnelling hoger. De edelman schreeuwde nog iets, maar ze was al veel te ver weg om het te verstaan.Een beetje in de war liep Paarse Roberta verder. Omdat ze zo diep in gedachten was verzonken, merkte ze de stevige houten poort die haar de weg versperde veel te laat op. Ze knalde met een professionele kopstoot, die een kleine olifant kon vellen, tegen de massieve poort. Gelukkig voor haar wist ze niet wat een olifant was en na die galmende kopstoot zou ze in haar hele leven geen enkele olifant te zien krijgen. Die 'kopstootgalm' was namelijk in de hele wereld te horen en geen enkele 'goed-bij-zijn-verstand-zijnde' olifant durfde zich nog in de buurt van Paarse Roberta te vertonen.Toen de sterretjes in en rond haar hoofd eindelijk waren verdwenen, dansten er twee identieke deuren voor haar ogen. Paarse Roberta knipperde een paar keer met haar ogen totdat er nog maar één deur voor haar stilstond. Het was een stevige houten deur, gemaakt van dikke oeroude planken. Ze morrelde aan de klink, maar de poort bleef potdicht. Ze bekeek het slot en zag dat het sleutelgat in de vorm van een stijve sleutelbloem was gemaakt. Ze graaide in haar tas en haalde er enkele harseikappels uit. Paarse Roberta had al haar bloemen opgebruikt. Ze keek beteuterd naar de lelijke vruchten in haar hand. Het huilen stond haar nader dan het lachen... totdat ze zich herinnerde dat het sap van harseikappels heel brandbaar was. Paarse Roberta schudde de appels hard en snel voor gebruik. Zachtjes kneep ze het sap eruit en smeerde die heel secuur uit over de deur. Het duurde een tijdje voordat het hele houten oppervlakte was besmeurd. Ze haalde de naald uit haar zoom en schraapte die een paar keer over de poortstenen. Er sprongen enkele vonkjes op en de poort vatte vlam. Paarse Roberta rende van het vuur weg. De hitte was zo ondragelijk dat het bijna haar wenkbrauwen schroeide! Het helse vuur brandde een hele dag en nacht door. Aan de ene kant was Paarse Roberta blij met dit inferno omdat het de wilde dieren op een afstand hield. Aan de andere kant lokte dit heldere vuur heel wat motmuggen die, voordat ze hun lijf en ziel met vrolijke doodsverachting aan het vuur offerden, zich eerst tegoed deden aan Paarse Roberta's bloed. Het vleugelgefladder en de beten bezorgden haar een moeilijke nacht. Gelukkig maakte de prachtige sterrenhemel het ongemak een beetje goed. De eerste zonnestralen wekte Paarse Roberta. Haar humeur was alles behalve opperbest. Het verbeterde aanzienlijk toen ze merkte dat de stevige deur helemaal was opgebrand. Met haar stevige knobbelschoenen stampte ze het deurvormig overblijfsel finaal aan gruzelementen. Ze dacht hiermee haar frustraties in één gebalde woede-uitbarsting kwijt te raken. Helaas leverde het haar enkel een pijnlijke teen op. Zuchtend mankte ze over de nog hete brokstukken van de ex-deur.Het Sleutelwoud was hier minder dicht en na een paar uurtjes goed doorstappen kwam Paarse Roberta eindelijk aan de rand van het woud. Onder haar strekte een vruchtbare vallei uit, omzoomd met groene heuvels. Een zacht briesje voerde de zoete geur van rozen met zich mee. Paarse Roberta was eventjes van haar stuk gebracht, maar met een einddoel voor ogen keek ze gretig uit waar het Okerpad haar naar toe zou leiden. Het pad eindigde aan de oevers van een meertje met in het midden een kasteeltje. De opgekropte emoties van de laatste dagen kwam als een zachte, maar diepe zucht over haar lippen.Terwijl ze voor zich uit staarde, hoorde ze een soort gezang dat verdacht veel klonk op het gekrijs van gevilde tijgerkatten. Ze luisterde ietsjes aandachtiger en stelde haar eerdere hypothese drastisch bij... dit was overduidelijk tijgerkattengekrijs. Paarse Roberta gruwde pas echt toen ze ontdekte wie dit onmenselijke gekrijs voortbracht.Achter haar, uit het woud, schuifelden vijf heksen tevoorschijn. Paarse Roberta herkende hen onmiddellijk als heksen dankzij de misvormde kenmerken: groezelige huidskleur vol wratten, kromme haakneuzen vol wratten en vieze wratten met hun eigen wratten."Wij zijn heksen en zijn aardig noch schoon.Wij toverknallen er vrolijk op los.En zingen altijd vals en uit de toon.Rol Rol Toverknol,Rol Rol Toverbol,Rol Rol Toverhol,Rol Rol Toverwol.Wij zijn boze heksen en heel erg stout.De toverketel staat reeds op het vuur.En dan sprokkelen we rond in het woud.Rol Rol Toverlol,Rol Rol Tovertol,Rol Rol Toverrol,Rol Rol Tovertrol.We zijn altijd gemeen en kijken zuur.Neem je vliegbezem en de heksenzalfen vlieg de nacht in op het heksenuur.Rol Rol Toversnol,Rol Rol Toverkol,Rol Rol Toverdol,Rol Rol Toverschol.""Wat gaan we nu beleven..." mompelde Paarse Roberta terwijl de vijf afschuwelijke wezens dichterbij schuifelden."Gegroet, gegroet." Klonk de schraperige stem van de hoofdheks."Zonder een hoed." Kakelden de andere vier.Paarse Roberta fronste haar wenkbrauwen terwijl ze een groet terug mompelde."Lang en gevaarlijk is je weg geweest?""Pas op voor de koe, het is een wreed beest."Paarse Roberta was compleet uit het veld geslagen. "Euh ja, dank u voor de tip over de koe en zo... en... euh... is iedere weg niet een beetje lang en gevaarlijk? Allez, dat denk ik toch.""Je reis is bijna voorbij, tot aan dat kasteel.""De meest gevaarlijke kleur is het vale geel."Paarse Roberta ergerde zich over het heksenkoor dat er maar op los leek te rijmelen. Oké, het leek iets traditioneels of zo, iets dat je van heksen kon verwachten! Maar dat betekende niet dat Paarse Roberta het mooi moest vinden. De hoofdheks oreerde lustig verder."In dat kasteel vind je de laatste beproeving.""Wat je ook mooi vindt, kies toch voor de bronzen ring.""Neen." Zei Paarse Roberta."Ga heen en volbreng... hoe bedoel je neen?""Schrik niet van een beetje bot want alleen daar is het goed."Het duurde even voordat het heksenkoor snapte dat er iets niet klopte en keken elkaar verward aan. Een van de heksen kraste: "Agaat, dat rijmt hier niet!"Hoofdheks Agaat keek woedend naar haar genoten en richtte daarna haar dodelijke blik op Paarse Roberta."Wat bedoel je met neen?"Terwijl in haar achterhoofd alle dwaze figuren en de ontberingen van de reis de revue passeerden, groeide de woede bij Paarse Roberta. Ze ontplofte en de vijf heksen kregen de volle lading."Neen, neen, neen! Ik ben het beu! De hele situatie is zo absurd dat het niet meer grappig is. Wat denken jullie wel? Dat ik in een sprookje leef of zo? Bekijk het maar!"De hoofdheks wou iets zeggen, maar Paarse Roberta liet haar de kans niet."Kijk, ik ben op zoek naar een beter leven voor mij en mijn familie. Ik wist op voorhand dat het niet makkelijk zou worden, maar dat ik onderweg belaagd ging worden door een stel idioten en debielen, dat wist ik niet. De hele situatie is ongepast voor een klein meisje als ik. Dit is ontoelaatbaar, ik pik het niet meer!"Vol ongeloof staarden de heksen haar aan. Paarse Roberta kwam nu pas goed op dreef."En wat is het doel van dit alles? Ik vraag het jullie! Wat is het uiteindelijke doel van al dit leed en verdriet?"Het was eventjes stil terwijl de hoofdheks moeizaam haar gedachten verzamelde en haar moed ordende."Het... het doel van dit alles is de ultieme vervulling van je Lot. De prijs voor al je leed en verdriet is de Aura der Verwezenlijkingen."Vol woede stampte Paarse Roberta een gat in de wereld. De heksen deinsden angstig en vol ontzag achteruit."Ik ben geen instrument dat door het lot bespeelt wordt. Ik ben een volwaardig mens. Mijn naam is Paarse Roberta en ik neem mijn eigen Lot in mijn eigen handen."De heksen schrokken zo erg van deze uitbarsting dat ze achterover op hun gat vielen. De woede vlamde in Paarse Roberta's ogen op terwijl ze langzaam naar de terugdeinsende heksen toe stapte."Ik verzaak het mij toegekende Lot. Ik verwerp de prijs van de Wezen Aura...""De Aura der Verwezenlijkingen..." Zei Agaat zwakjes.Paarse Roberta negeerde het gemompel van de hoofdheks terwijl haar woede tot een hoogtepunt kwam."Ik wil een echte prijs voor mijn moeite. Een echt ding van tastbare materie... Zoals een volle zak goud! Zo kan ik graan en zout voor mijn hongerige familie kopen."De vijf heksen kropen van pure angst dicht bij elkaar en wachtten geduldig af totdat Paarse Roberta was uitgeraasd. Zachtjes krasten ze terwijl Paarse Roberta terug op adem kwam. Na kort overleg schuifelde hoofdheks Agaat zo gedistingeerd mogelijk naar Paarse Roberta en raapte onderweg een lang fijn twijgje op. De heks mompelde een paar bezweringen over het stokje en raapte een tweede op. Met het eerste tikte ze drie keer op het andere dat onmiddellijk in goud veranderde. Hoofdheks Agaat gaf Paarse Roberta het toverhoutje en waggelde met de andere heksen, zonder nog iets te zeggen, terug het woud in.Ondanks de woede die nog steeds door haar raasde, voelde Paarse Roberta zich een beetje beter. Een laatste keer keek ze naar de vruchtbare vlakte, de groene heuvels en het kasteeltje in het midden van het meer. Met het machtige toverhoutje stevig in haar hand gekneld, snoof ze de rozengeur op die iets zoeter leek dan daarjuist. Ongewild verscheen een glimlach op haar gezicht en met een opgelucht gemoed ving Paarse Roberta de terugreis aan.Paarse Roberta volgde, nu in omgekeerde richting, het Okerpad naar huis. Ze was al goed opgeschoten toen ze de vreemde edelman zag zitten. De man schilderde heel geconcentreerd en groette Paarse Roberta niet toen ze hem passeerde. Ze vond dat nogal onrespectvol en besloot om de vreemde edelman een lesje te leren. Paarse Roberta schuifelde zo stilletjes mogelijk dichterbij en nam haar Machtige Toverhoutje ter hand. Snel tikte ze drie keer op het houten schilderplankje dat in goud veranderde. De edelman schrok zo hard dat hij het loodzware onding uit zijn handen liet glippen, recht op zijn voet. De pijn moest verschrikkelijk zijn, dacht Paarse Roberta terwijl de edelman enkele vulgaire vloeken uitbraakte."Luister goed!" En na een dramatische pauze ging ze dreigend verder. "Want als je dat niet doet verander ik je bloemetjesjurk in een gouden gevangenis.""Ik luister, ik luister..." Bibberde de edelman.Een onzichtbare glimlach verscheen op Paarse Roberta's gezicht. De edelman sprak al een heftig toontje lager en dat vond ze fijn."Vertel me eens... wat doe je eigenlijk een ganse dag?""Ik zit hier hele dagen op deze of andere plek en draag mijn poëzie voor aan passerende reizigers.""En? Verdient dat goed?""Niet echt... daarom trek ik vaak mijn Onoverwinnelijke Zwaard om het nodige respect af te dwingen." Terwijl hij dat zei, trok de vreemde edelman een lang rank zwaard in een flamboyante stijl tevoorschijn. Paarse Roberta had de neiging om verschrikt achteruit te deinzen, maar onderdrukte haar angst voor dat scherpe wapen. Het leek alsof de lucht voor haar ogen in kleine reepjes werd versneden. Ze slikte al haar moed bij elkaar en met het Machtige Toverhoutje als haar degen, stapte ze dapper naar voren. Ze merkte niet dat de edelman voor haar achteruit deinsde."Doe me alstublieft niets!" Griende hij. "Ik zal u mijn Onoverwinnelijke Zwaard geven als u me laat leven!" Hij boog diep en mompelde onhoorbaar terwijl het ranke zwaard omhoog zweefde. Paarse Roberta knielde neer om het zwaard aan te nemen en hoorde wat de edelman murmelde."Verander me alstublieft niet in goud, verander me alstublieft niet in goud, verander me alstublieft niet in goud..."Toen ze het zwaard oppakte, voelde ze een geweldige kracht in haar lijf vloeien. De vreemde edelman boog zich nog dieper in het stof."Dit zwaard is al vijf generaties in onze familie. De ziel die in dit zwaard huist, is ongelofelijk machtig en zorgt ervoor dat zijn drager onoverwinnelijk wordt in elke strijd."Speels zwiepte Paarse Roberta rondjes met het zwaard en schrok toen een bosje dikke worteldennen met het nodige geraas omvielen. Ze onderzocht het gladde zwaardblad en kon het maar moeilijk bevatten dat zij die bomen had geveld. Vol ongeloof, gewapend met het Machtige Toverhoutje en het Onoverwinnelijke Zwaard, torende ze hoog boven de steeds dieper in het stof kruipende edelman. Om de sacrale stilte voorzichtig te doorbreken, schraapte Paarse Roberta plechtig haar keel."Wat ik wil dat je nu doet, is je leven beteren. Vanaf vandaag geen gezwam of geroof meer in het woud! Je volgt dit pad het woud uit totdat je aan een vruchtbare vallei komt. De mensen die daar wonen ga je helpen. Is dat duidelijk?"Het lukte de edelman om nog dieper in het stof te kruipen. Vol ongeloof hielp Paarse Roberta de arme man opstaan, borstelde hem af en wuifde hem uit... zijn nieuwe bestemming tegemoet.Op een slag en een keer voelde Paarse Roberta zich beter omdat ze een talentloze rijmelaar op weg had geholpen naar een beter leven. En als dat nieuwe leven hem niet beviel, dan stond het hem vrij om een ander te kiezen. Paarse Roberta filosofeerde verder en goot haar gepeins in de hypothese dat de edelman een heel leven had om een beter leven te ontdekken. Als hij dat wenste.Paarse Roberta wandelde langzaam verder en begon te genieten van al wat er rondom haar gebeurde: de fluitende vogeltjes, het ruisende bladerdak, de tsjirpende insecten en de religieuze gezangen. Paarse Roberta bleef abrupt staan terwijl haar humeur een gek sprongetje maakte voordat het de dieperik induikelde. Ze herkende de stemmen van de drie blinde monniken die haar met belachelijke rijmpjes op pad hadden gestuurd.Door hun gezang hoorden de drie geestelijken haar niet naderen en Paarse Roberta zag hoe die mannen zich tegoed deden aan allerlei wonderlijke spijzen. Ze had honger en de smakelijke geuren deden haar watertanden. Ze dacht aan haar familie die honger leden en die gedachte maakte haar kwaad. Het was niet eerlijk dat sommigen zich zo vol konden proppen terwijl anderen stierven van de honger. Op dat moment besloot haar maag zo luid te knorren, dat de drie monniken verschrikt opluisterden, hun blinde ogen schichtig ronddraaiend."Reiziger zo groot!""U deed ons schrikken.""Zeg, wat is uw nood?"Paarse Roberta beantwoordde het kunstige rijmpje door haar nieuw verworven zwaard te trekken. Het sissende geluidseffect ging verrassend goed samen met Paarse Roberta's furieuze stem."Luister goed volgevreten wietelingen (wietelingen zijn een soort van schijnbare dikke vogeltjes die hun donzig uiterlijk enkel te danken hebben aan hun zware botten en redelijk dun verenkleed)! Het hoort niet dat monniken zomaar rond zwerven en mensen bestoken met raadselachtige rijmpjes die dan leiden tot nutteloze queestes!"Paarse Roberta gaf de bange monniken niet de kans om te antwoorden en donderde lustig verder."Het is tijd dat jullie terugkeerden naar het klooster waar jullie ongetwijfeld uw tijd en energie aan nuttige zaken kunt wijden: echte mensen helpen met echte hulp!"De monniken probeerden zich te verdedigen, maar werden onverbiddelijk door Paarse Roberta afgesnauwd."Ik was nog niet klaar met mijn tirade! Hoe komt het toch dat jullie zo dik zijn? Ik kan niet zeggen dat jullie zwaar bepakt rondreizen. Dus waar halen jullie in vredesnaam al dat eten vandaan?"De stilte die volgde werd enkele tellen later verstoord door Paarse Roberta's knorrende maag. De middelste monnik tastte rond zich totdat hij zijn knapzak vond en die aan Paarse Roberta gaf."Zak zonder bodem. Zit magisch zo vol. Fruit, vlees of desem.""Slechte rijm mijn broeder." Sneerde Paarse Roberta. Ze had onmiddellijk spijt van deze harde woorden en voegde er iets vriendelijker aan toe: "Weet je, volgende keer ga je weer een goed rijmpje vinden."Het angstige gezicht van de monnik klaarde een beetje op en toen het tijd werd om afscheid te nemen, had Paarse Roberta een aangename middag met de monniken achter de rug."We zijn opgelucht.""Dat we naar huis gaan.""Zonder klacht of zucht.""Voor ons ist gedaan.""Beu zijn we de reis."" 't Werd van ons verwacht.""Maar dit ist bewijs.""Nu doen we de plicht.""Terug naar 't klooster.""Helpen waar men kan."Goedkeurend knikkend, merkte Paarse Roberta op dat de drie laatste regels niet meer rijmden en opgelaten wuifde ze de drie monniken uit.Helemaal verkwikt vatte Paarse Roberta de laatste etappe huiswaarts aan. Iedere stap bracht haar dichter bij haar vader, broers en zussen en deed haar hart jubelen tot in haar keel. Toen de rand van haar dorp opdoemde, begon ze te rennen. Ze was thuis! Als een gek stormde ze het huis binnen en schrok omdat het leeg stond. De haard was koud, de kasten leeg gehaald. Ze doorzocht alles, van het kleinste kamertje tot de hoogste nok... maar er was niets of niemand daar. Het leek alsof iedereen hals over kop was vertrokken. Zelfs de dooie muizen waren weg gegaan. Paarse Roberta begreep er niets van en ging met een verdrietig plofje aan de keukentafel zitten.En toen vond ze het briefje. Ze griste het naar zich toe en herkende het zwierige handschrift van haar moeder."Liefste Roberta,Als je dit briefje leest, weet je dat ik nog leef. Ik ben tot in de Grote Stad geraakt waar ik een baan als Naaister vond. Ik was zo goed in dit werk dat ik op korte tijd heel veel geld heb verdient. Zoveel zelfs dat ik nu een eigen huis heb met mijn eigen Naaisters. Je hoeft nooit meer honger te lijden, mijn allerliefste kindje. Daarom heb ik je vader, broertjes en zusjes al naar de Grote Stad laten overkomen.Ik wacht enkel nog op Jou.Veel liefs,Maman"Paarse Roberta had tranen in haar ogen. Oh, had ze nu maar leren lezen! Dan wist ze wat haar Moeder had geschreven.Tussen een tranendal en een emmer vol verdriet door, werd er hard op de deur geklopt."Wie stoort er mij in mijn onmetelijke verdriet?"*Is dit het einde van het verhaal? Neen! Wie stoort Paarse Roberta? Zal ze ooit haar familie terugvinden? Wie is de vader? Waar gaat dit verhaal heen?Welnu Beste Lezer... hier wordt het nu interessant (of niet). Vol ijver heb ik vier verschillende eindes verzonnen voor dit verhaal. U krijgt de keuze. Ofwel kiest u het einde dat bij u past, ofwel kiest u ervoor om alles of niets te lezen. Maak uw keuze aan de hand van onderstaande titels:*2A Het Korte Einde2B Het Deprimerende Einde2C Een Realistische Conclusie2D Happy End

Wibboo Jozefs
0 0

GRENADINE

Anna was beïnvloedbaar, impulsief en gedroeg zich buitengewoon volgzaam terwijl Martha van nature de leiding nam. Martha schiep er een zonderling genoegen in haar zus te manipuleren en voortdurend af te tasten hoe ver ze kon gaan. Dan fluisterde ze Anna allerlei kattenkwaad in, zich er goed van bewust dat deze haar listige plannetjes gewillig tot uitvoering zou brengen en ze verkneukelde zich omdat ze wist dat de stakkerd dan op haar kop zou krijgen. Ze hield zielsveel van haar tweelingzus, maar het idee dat ze Anna als geen ander kon domineren was haar even lief. De scènes, als rechtstreekse gevolgen van het kneedbare karakter van Anna, bezorgden haar een bevredigende sensatie. Zoals die avond toen ze hun vader hadden aangetroffen op de zetel, in een diepe slaap verzonken, en hoe Martha Anna toen had bevolen om diens haar te knippen. Martha had er even aan getwijfeld of Anna dit zou durven. Anna nam echter gezwind hun moeders keukenschaar, stapte op haar vader af en sneed met veel drift en overgave een aantal plukken haar weg. Eerst werd de slapende man helemaal niets van het gefrunnik gewaar en toen hij uiteindelijk wakker schrok was het te laat. Het resultaat was afschuwelijk. Of die keer toen ze buiten speelden en met behulp van een hoopje aarde en een teiltje water modderballen maakten, een bedenksel van Martha. Ze had aan Anna verteld dat mensen uit voorbijrijdende wagens het wel grappig zouden vinden om zo’n bal tegen hun ramen gegooid te krijgen. Anna had geen ogenblik geaarzeld en de eerste auto die voorbij reed kreeg een grote modderbal tegen het zijraam gekegeld. De statige wagen hield abrupt halt en een grote, gezette heer in een stijlvol tweedelig maatpak stapte briesend uit. Furieus en met grote passen beende hij naar de haag waar de meisjes achter weggedoken zaten, glurend door minuscule openingen tussen de takken. Met hevig bonzend hart zetten Martha en Anna het plots op een lopen. De man bleef nog even staan stampvoeten en maakte toen ziedend van woede en luid vloekend rechtsomkeer naar zijn besmeurde wagen.   In de zomer waarin Martha en Anna acht jaar werden, planden hun ouders een dagje uit naar zee. De meisjes waren door het dolle heen, dergelijke uitstapjes waren in het gezin een zeldzaam gegeven. Vroeg in de voormiddag hadden ze hun plekje uitgezocht op het strand, een hoekje bij de duinen dat hun vader zorgvuldig afbakende met het windzeil. Hun moeder schikte de strandzetels en –lakens, haalde emmertjes, schopjes en vormpjes tevoorschijn en wenkte de meisjes voor een stevige boterham en een koel grenadinedrankje uit de thermos. Ze had erg uitgekeken naar dit dagje zon en strand en was in haar nopjes. Na een emotioneel slopende periode, waarin ze haar beide ouders op relatief korte tijd had verloren, was ze hard toe aan wat rust en ontspanning. Martha en Anna hadden het al gauw naar hun zin op het strand. Energiek en luid taterend bouwden ze een burcht van zand met een gracht eromheen, die voortdurend van vers zeewater moest worden voorzien. Zoals gewoonlijk nam Martha het voortouw en ze gebood haar zus om emmer voor emmer te gaan vullen. Gedwee en ijverig deed Anna wat haar werd opgedragen. Frequent holden ze naar het plekje bij hun ouders en slorpten gretig van hun favoriete grenadinedrankje. Hun moeder had zich intussen met een meeslepende roman in de strandzetel genesteld en keek geregeld blijmoedig in de richting van haar dochtertjes. Hun vader had het gevecht met een wapperende krant al gauw gestaakt en besloot een uiltje te knappen. Na een half uurtje had Martha schoon genoeg van de burcht, ze kreeg de duinen in de gaten en keek gefascineerd naar het helmgras. Een perfecte plaats om je te verstoppen, vond ze en verwoed begon ze tegen de hoge duin aan te klimmen. Zo mak als een schaap ging Anna haar achterna. Een euforisch gevoel overviel hen toen ze eenmaal boven stonden, wat een fraai zicht hadden ze hier over de zee, het strand en de menigte badgasten! Het wit met groen gestreepte windzeil bij het plekje waar hun ouders zaten zag er ineens belachelijk klein uit. Plots viel Martha’s blik op een grote, felrode strandschop. Ze keek snel om zich heen maar er was niemand in de buurt aan wie deze gloednieuw ogende schop zou kunnen toebehoren en haar ogen begonnen te fonkelen. “Hé, Anna!” Nieuwsgierig snelde Anna dichterbij. “Moet je hier zien, een grote schop! Ligt hier zomaar voor ons.” “Een grote schop”, papegaaide Anna. “Maar niet van ons, Martha. Een ander kind is deze vast vergeten en komt er zo weer om.” Met een onderzoekende uitdrukking op het gelaat sjokte Martha door het zand en merkte even verder een tamelijk diepe kuil op, het anonieme kind was hier al naarstig aan het graven gegaan. Martha, een mysterieuze glimlach om de lippen, gluurde even schichtig om zich heen en met een haast duivelse blik keek ze toen in de richting van haar zus. Ze verheugde zich al op wat volgen zou. “Anna?”, fluisterde ze poeslief. “Weet je nog toen oma en opa doodgingen?” Vragend keek Anna haar zus aan. “J… ja… Martha… Ik ben er alle dagen nog een beetje verdrietig om”, zei ze zacht. “En weet je nog, op dat kerkhof, Anna? Waar oma en opa toen heen gingen, in hun kist?” Als betoverd tuurde Martha van haar zus naar de kuil. “In… in… de aarde…”, stamelde Anna. “Helemaal naar beneden in de put.” Anna staarde dromerig voor zich uit. Martha’s vingers omklemden stevig de steel van de schop. “Zou je wel eens willen weten hoe het voelt, Anna, hoe oma en opa zich toen voelden?” Haar ogen stonden duister en Anna gaapte haar zus niet begrijpend aan. Martha zuchtte diep, haar zus snapte ook nooit iets. “Wil je wel eens begrafenisje spelen, Anna? Eens voelen hoe het is om begraven te zijn, in de aarde te zitten? Of je dan nog wat hoort? Of hoe het voelt als er mensen over je graf heen lopen?” Verwachtingsvol bestudeerde ze Anna, hopend dat haar snode plan zou lukken. “Jij mag eerst, Anna. Jij mag eerst in de put, beloofd. Dan graaf ik je terug op en dan ben ik aan de beurt!” Anna liet zich meestal graag overhalen als haar zus met één of ander onstuimig spelletje kwam aanzetten, maar begrafenisje spelen, dat was toch wel erg avontuurlijk. “Maar Martha, zal ik dan nog kunnen ademen, zal ik mijn ogen nog kunnen openen?”, vroeg ze met een trillend stemmetje. “Tuurlijk, Anna. Heel even je adem inhouden, tien tellen! En dan haal ik al het zand er snel af”,  zei Martha op erg overtuigende wijze. “En daarna mag jij het laatste teugje grenadine!” Dit klonk aannemelijk en Anna stemde, tot groot jolijt van Martha, in. Ze volgde vol vertrouwen de instructies van haar zus op, ging gewillig in de kuil liggen en wachtte geboeid af. De eigenaar van de schop had echt al aardig gegraven, vanuit de kuil kon Martha enkel de blauwe hemel zien en aan de linkerkant een petieterig stukje van het lange helmgras. Hoe wondermooi, dacht ze, jammer dat oma en opa zoiets niet konden zien want ze lagen in een kist en werden begraven op een somber kerkhof. “Daar gaan we dan!”, kondigde Martha glunderend aan. Vastberaden pakte ze de schop, schepte een hoopje zand op en gooide dit over de voeten van Anna heen. Anna vond dit wel geinig, keer op keer zag ze het zand op zich af komen. Het opgegooide zand contrasteerde zo magnifiek met de helderblauwe lucht, vond ze. Ze schaterlachte telkens ze een lading over zich heen kreeg want het kriebelde een beetje en Martha grinnikte met haar mee. Martha concentreerde zich eerst op de voeten en benen van Anna, schep voor schep werden ze bedekt met zand. De meisjes vonden dit buitengewoon komisch, want op een gegeven moment leek het of Anna helemaal geen benen meer had. Eerst de benen goed begraven, maande Martha zichzelf aan, ze ging er volledig in op. Ze wou absoluut vermijden dat Anna het op een lopen zou  zetten, dit spelletje was per slot van rekening veel te vermakelijk. Anna vond het wel zwaar beginnen wegen, al dat zand op haar benen. Vervolgens ging Martha naarstig van start met het bedekken van Anna’s buik, handen en armen. Anna kreeg een merkwaardig gevoel, het leek wel alsof ze vast zat in een blok beton en Martha groef onverstoorbaar en pijlsnel door. Nu bleven enkel een deel van Anna’s bovenlichaam, haar schouders en haar hoofd onbedekt. Martha commandeerde Anna nu om roerloos te blijven liggen want nu kwam het lastigste deel. Ze verplichtte Anna om de ogen te sluiten, haar mond dicht te houden en zo lang mogelijk de adem in te houden van zodra ze zand voelde op haar gezicht. Anna kreeg het wat benauwd maar deed wat Martha vroeg, ze stelde zichzelf gerust dat het spelletje zo voorbij zou zijn en bovendien, ze kon geen kant meer uit…   Inmiddels opende op het strand de moeder van de tweeling geeuwend de ogen en bemerkte even verderop de verlaten burcht en het strandspeelgoed, de meisjes waren echter nergens te bespeuren. Geschrokken wekte ze haar echtgenoot en verwenste zichzelf, hoe stom en onverantwoord om beiden zomaar in te dommelen! Hij stelde haar gerust, de meisjes waren vast niet ver, misschien eventjes gaan pootjebaden en hij ging poolshoogte nemen aan het water. Zij bleef ontdaan zoeken op het strand, tuurde overal in het rond en schreeuwde herhaaldelijk hun namen uit. Met iedere minuut die verstreek nam haar gevoel van vertwijfeling en onmacht toe.   Martha ging aan de slag voor het finale en meest delicate stukje. Het uitputtende graafwerk liet zich voelen in haar korte, tengere armen maar ze zette verbeten door. Zand over de schouders van Anna en een stukje van haar wangen, kin en mond. Zand over haar neus, ogen en haren. Nog meer zand, kriebelend jeukend zand in haar oren. Nu en dan probeerde Anna haar ogen te openen, wat haar ongelooflijk veel moeite kostte en met als resultaat een pijnlijk schurend gevoel. Anna trachtte haar hoofd te draaien in een poging het zand uit haar ogen te schudden maar dit lukte niet, haar hoofd was al half ingegraven. Anna kreeg het nu uiterst beklemd en wou Martha dringend een halt toeroepen, ze vond dit helemaal niet fijn meer. Met alle kracht die ze in haar kleine magere lijfje had probeerde ze dit duidelijk te maken aan Martha. Verwoede pogingen om haar benen te bevrijden of haar armen op te steken kenden echter geen succes. Het zand was te zwaar, haar ledematen waren eronder bedolven en Anna stond doodsangsten uit. Het zand hoopte zich intussen ook op in haar neusgaten waardoor ademen steeds moeizamer ging. In een alles overheersend gevoel van wanhoop stootte Anna de meest akelige klanken uit, klanken die leken op neuriën of op de ‘zeg eens a’ met een spateltje in de mond in het dokterskabinet, alleen klonken ze gruwelijk en onheilspellend. Haar mond zat al onder het zand, bij iedere poging om te schreeuwen schoof er meer zand in haar keel en de kermende klank die ze nog kon uitstoten klonk futloos en had geen enkel effect op Martha. Anna kon niet geloven dat Martha niet van ophouden wist en helemaal niet scheen te beseffen dat ze in gevaar was. Maniakaal ging Martha door en na een klein poosje was er van Anna niets meer te zien. Zelfvoldaan aanschouwde Martha haar werk. Zo, dacht ze, begrafenisje gelukt. Even richtte ze zich naar de plek waar het hoofd van Anna zich bevond, concentreerde zich diep en luisterde gespannen. Heel vaag kon ze een dof, gedempt en klagend geluid onderscheiden. Martha vond dat, zolang haar zus kabaal kon maken, ze best nog wel een momentje kon wachten met het ontgraven. Ze moest er eerst maar eventjes het zwijgen toe doen. Fier en met een triomfantelijk gevoel bekeek ze het resultaat van het vele zwoegen. Dit was haar verdienste, vond ze, nog heel even genieten nu. Het geluid was intussen gestopt.   De ouders van de meisjes waren in alle staten. Ze hadden ontredderd talloze badgasten aangesproken, overstuur het strand op en neer gerend, gehuild en gebruld om Anna en Martha maar hun stem ging verloren in de wind. Ten slotte hadden ze radeloos een strandredder aangeklampt, die opperde dat de meisjes mogelijk de duinen waren ingegaan. De vader van de tweeling holde, foeterend en brullend, de duinen in en zette zijn zoektocht gejaagd verder. Ineens meende hij de lange zwarte lokken van één van de meisjes te ontwaren en klauterde puffend en hijgend tegen de duinen op. “Martha, eindelijk. Daar ben jij!” Martha schrok op uit de gelukzalige extase waarin het zo hemels toeven was en keek haar vader misprijzend aan, ze hield er niet van om gestoord te worden. “Wel, Martha, we hebben jullie overal gezocht. Zomaar verdwijnen! Waar is Anna?” Martha gaf geen reactie en keek afwezig voor zich uit. “Martha, waar is Anna? Geef antwoord alsjeblief!” Martha keek op, haar blik stond vurig en ijskoud tegelijk. Ze wees naar de plek waar Anna begraven lag. “Die is nog met ons spel bezig. Begrafenisje.”   Martha zou zich alles wat toen volgde later slechts in een waas herinneren. Er ontstond paniek en chaos, mensen snelden te hulp en trommelden in allerijl de hulpdiensten op. En haar vader, die in rode zwembroek en met rood verbrande rug, als een bezetene aan het graven ging op de plaats die Martha aanwees terwijl haar moeder maar uitzinnig bleef gillen dat ze voorzichtig moesten graven om Anna niet te kwetsen. Martha sloeg het tafereel gade, blik op oneindig en zich hullend in een ijzige stilte.   Het hoofd en bovenlichaam van Anna werden blootgelegd en al snel werd duidelijk dat het te laat was. Gestikt onder een hoop zand, begraven door haar zus. Martha aanschouwde deze dramatiek in het zand eigenaardig berustend, met een raadselachtig kille grijns op het gezicht. Martha was verschrikkelijk trots op haar zus. Nu had ze wel een verkoelend glaasje grenadine verdiend…                                                                                          

Cindy Van de Velde
0 0

Nostalgwii

01 De avond van 21 januari was een avond van ongeïnspireerd schrijfwerk en lege koppen koffie. Het was een avond waarop hij Josh Holmes de woorden dwong om op het papier te verschijnen, alleen maar om te beseffen dat het niet zou werken. Maar de avond van 21 januari werd later ook een avond van nostalgie en het herbeleven van zijn jeugd. Toen Josh zijn geforceerde schrijfwerk opzij had geschoven (en een paar pennen en een notitieboek op de grond vielen), opende hij zijn laptop en besloot een pauze te nemen. Hij had er genoeg van om de stress van mislukt schrijfwerk op zich te voelen drukken, dus besloot hij de druk te verminderen door tot rust te komen. Dat deed hij doormiddel van YouTube kijken. Hij was van plan om maar één, wellicht twee video’s te kijken, maar al snel was het al een halfuur later en naderde Josh het einde van video nummer tien. Hij was zijn schrijfwerk totaal vergeten en had ook niet meer zin om te schrijven. Het was op het moment dat Josh zijn laptop wilde dichtdoen om toch nog een paar woorden op papier te krijgen, dat hij een video van Super Mario Galaxy 2 in zijn suggesties zag verschijnen. Het was de soundtrack van de game. Toen hij dat vrolijke, Nintendo-achtige logo zag, bewoog hij zijn cursor er automatisch naartoe en klikte. Toen de muziek aansprong, voelde hij een krachtig, nostalgisch gevoel hem in het hart raken; een dart dat precies in de bullseye belandde. Hij luisterde deze ene soundtrack opnieuw en opnieuw. Hoewel een groot deel van zijn stress al verdwenen was door de vorige tien YouTube-video’s, voelde het alsof alle stress-vlekken werden weggespoeld door de nostalgische klanken van deze soundtrack. Hij neuriede mee met de muziek en merkte dat hij nog precies wist hoe het ging, zelfs na al die jaren. Hij zette het volume hoger. Herinneringen van vroeger speelden af in zijn hoofd; de dag waarop hij Super Mario Galaxy 2 van zijn ouders kreeg op dezelfde dag dat het was uitgekomen, die zaterdagavond dat hij tot twaalf uur ’s nachts speelde, hoe hij Power Star na Power Star binnenhaalde. Een moment zonder zorgen. Hij deed zijn koptelefoon af en rende de trap op naar zolder, terwijl hij: ‘Hij heb ‘m nog, hij heb ‘m nog,’ en: ‘Waar is ‘ie, waar is ie,’ opdreunde als een spreuk. Hij rommelde door de tientallen afgeplakte, kartonnen dozen, bijna wanhopig zoekend naar zijn oude Nintendo Wii. Ben je niet te oud voor je Wii? hoorde hij een jeugdherinnering echoën. Het was de stem van zijn vader. Je bent twaalf, tijd om volwassen te worden. Een zwarte vlaag trok voorbij zijn ogen. Verkoop ‘m anders aan je oom. Hij heeft een zoontje van zes. Hij weet zeker dat je oom er goed geld zou voor betalen. Ondanks dat hij toentertijd spaarde voor een nieuwe PlayStation 4 en inderdaad dacht aan het verkopen van zijn Wii, had hij het nooit daadwerkelijk gedaan. En op een avond als deze, waarin hij overspoeld werd door herinneringen, was hij zijn verleden-Josh dankbaar dat hij het nooit had verkocht. Als hij zijn Wii zou hebben verkocht, zou hij zijn herinneringen hebben verkocht. Na twee uur zoeken vond hij zijn Wii dan eindelijk. Hij bracht de console naar beneden en ging weer terug om de bedrading, Wii Remote en Nunchuck te halen. Daarna ging hij aan de slag met het verbinden van zijn Wii met zijn tv.   02 Toen hij met alles klaar was (in totaal kostte hem het slechts een kwartier werk), werd hij overspoeld met blijdschap. Hij deed het nog perfect, hetzelfde gold voor de Wii Remote en Nunchuck. Hij had enkel nog niet Super Mario Galaxy gevonden, maar dat kon wachten. Hij bekeek het hoofdmenu, staarde naar de kanaaliconen. Hij opende het Mii Creation Channel, luisterde naar die iconische, simpele Nintendomuziek om het vervolgens tien minuten later weer te sluiten. Terug in het hoofdmenu zag hij het pictogram van het Messageboard (een lichtgrijze brief), met eronder een 1. Nieuwsgierig drukte hij erop. Het Messageboard opende en hij zag een witte brief knipperen. Het had het icoontje van zijn Mii erop staan. Dit had hij nog nooit eerder gezien. Hij opende het bericht en las wat er stond.   Gooi deze Wii weg! Verkoop het niet, geef het niet weg, gooi het weg. Naar een plek waar niemand het kan vinden, naar een plek waar ik het niet meer kan terugvinden! Er zit te veel van mij in hem, speel geen spel   Had hij dat geschreven? Een bericht van verleden-Josh naar oudere heden-Josh? Maar wat moest het betekenen? Het was onduidelijk maar tegelijk ook weer wel. Gooi deze Wii weg! was niet moeilijk te begrijpen, maar omdat hij het bericht waarschijnlijk jaren geleden had geschreven, wist hij niet meer wat de betekenis erachter was. Pas later had hij gewild dat hij naar zichzelf had geluisterd.   03 Het kostte hem zeker nog een uur, maar hij slaagde erin de doos te vinden dat tot aan de rand was gevuld met allerlei Wii-games. Hij haalde ze er allemaal uit, want hij zocht Super Mario Galaxy 2, geen enkel ander spel. Tuurlijk, die kon hij altijd nog spelen, maar nu wilde hij terugkeren naar dit meesterwerk. Tijdens het zoeken had hij de soundtrack op de achtergrond spelen. Uiteindelijk vond hij het spel en hij overstroomde van opgewondenheid. Hij ging zo snel mogelijk weer terug naar de woonkamer en deed de disk in de Wii. Het spel begon en hij werd begroet door de opening-theme. ‘Yes, eindelijk!’ riep hij uit, maar zijn blijheid mocht niet lang duren. Op het moment dat hij de A –en B-knop tegelijk indrukte, bevroor het beeld en stopte de vrolijke muziek abrupt. Met halfopen mond keek hij naar het opgelichte logo, voordat de Wii ongelofelijk hard begon te blazen. De kleuren verdwenen ineens; het beeld werd zwart. ‘Godver- nee,’ jammerde hij teleurgesteld. Hij smeet de Wii Remote tegen de grond. Maar de Wii was niet uitgeschakeld. Het lampje naast de Power-knop brandde nog steeds groen. Ineens sprongen alle lampen in zijn huis uit, waardoor het leek alsof hij werd bedekt door een duister laken. Het enige licht dat nog brandde, was het groene lampje van de Wii, dat alsmaar feller en feller werd. Luid geruis steeg op in de kamer. De flauwe geur van angstzweet drong zijn neus binnen. Het groene licht vulde nu zijn gehele woonkamer. ‘Wat gebeurd er?!’ riep hij uit. Hij tastte met zijn hand in zijn broekzak, zoekend naar zijn telefoon, maar die was er ineens niet meer. ‘Wat?’ siste hij. Het groene licht vernauwde en focuste op zijn bank. Het meubel leek in een groene spotlight te staan. Hij zag dat zijn bank in het licht geen bank meer was, maar een bed. Een kinderbed, om precies te zijn. Het bed dat hij had als kind. ‘Wat is dit?’ zei hij, kijkend naar de Wii, maar natuurlijk zou het apparaat niet antwoorden. Zijn ogen werden automatisch teruggetrokken naar de vertoning in het licht. Hij kwam dichterbij en zag verleden-Josh in bed liggen, bedekt met zijn Mario-dekens. Maar hij sliep niet. Hij was klaarwakker. Het groene licht werd breder. Het onthulde de rest van zijn kinderslaapkamer. Nu pas zag hij dat de ogen van verleden-Josh strak op de deur gefixeerd waren. Hij bespeurde iets van angst in de glans van zijn ogen. Toen ging zijn slaapkamerdeur open. Geluidloos. Maar tegelijkertijd opende ook de deur van zijn woonkamer. ‘Wat- hallo? Is daar iemand…? Jake? Jake?’ zei hij, opkijkend naar de geopende woonkamerdeur. Hij probeerde de lichten aan te doen, maar alles bleef uit. ‘Jake, ben je daar? Zeg alsjeblieft iets?’ Geen antwoord. ‘Zie- zie je deze krankzinnigheid, Jake? Gast, zeg alsjeblieft dat jij het ook ziet…’ Stilte. ‘Ben je niet te oud voor je Wii?’ hoorde hij de stem van zijn vader achter mij zeggen. Hij draaide zich om. Als een holografische echo uit het verleden, stond zijn vader in de slaapkamer van verleden-Josh. Hij was… anders dan hij mij herinnerde. Magerder en somberder dan in zijn hoofd, maar er was iets in zijn ogen dat mij niet aanstond. Verleden-Josh keek zijn vader met een brandende haat aan. Waarom? Voor zover hij me kan herinneren, konden zijn vader en hij het altijd goed met elkaar vinden. Altijd. Voordat mama ons verliet. Een donkere herinnering kroop terug uit zijn achterhoofd. Ja, dat klopt. Mam verliet zijn vader voor een andere man. De scheiding was allesbehalve makkelijk. Voor hem, voornamelijk. Verleden-Josh zei niets tegen zijn vader. ‘Je bent twaalf,’ zei zijn vader, op de rand van huilen. ‘Tijd om volwassen te worden.’ Hij naderde verleden-Josh en haalde de dekens van mij af terwijl hij zijn broek ontknoopte. Zijn hart schokte in zijn borstkast en hij wendde zijn blik af van de holografische vertoning. Hij was niet bang, hij was geschokt. Geschokt dat hij dat was vergeten. Hij weet niet meer wanneer hij begon met huilen. Alleen dat zijn gehuil bijna synchroon liep als het gehuil van verleden-Josh. Hij hoorde zijn vaders stem, zijn gekreun door zijn kinderlijke gejammer. ‘Zet het uit, zet het uit!’ riep hij, opnieuw opdreunend als een spreuk. Het groene licht werd feller en zette zijn woonkamer opnieuw in groen licht. Dat was toen hij de magere gestalte in de hoek zag staan. ‘Ben je niet te oud voor je Wii?’ vroeg de gestalte. Hij hield zijn adem in. ‘Het is tijd dat je volwassen wordt.’ De gestalte stapte uit de hoek en kwam met brede stappen op mij af. Hij stapte in het licht en hij zag het verwrongen gezicht van zijn vader. Zijn ogen waren zowat gigantisch; de rode adertjes erin opgezwollen als wurgslangen waardoor het oogwit bijna onzichtbaar was; uitpuilende, melkwitte pupillen staarden mij doordringend aan. Met een sinistere grijns ontblootte hij zijn gele tanden. Zijn losse, witte t-shirt was bevlekt met vers, helderrood bloed en zijn handen waren donkerrood. Het licht begon gewelddadig te knipperen, waardoor het leek alsof alles werd gefotografeerd met een groene flits. Toen het gezicht van zijn vader op nog geen meter afstand van zijn gezicht was, en hij in een onmenselijke beweging naar mij toe boog, veranderde het licht naar rood. Als scherven werd zijn vader uit elkaar geblazen. De verloren scherven van zijn jeugd waren weg. Ontsnapt. Toen Josh wakker werd, zat hij in de foetushouding in de hoek van zijn woonkamer, ver weg van de Wii. Het lampje brandde niet meer en alle lampen stonden nog aan. Was het allemaal een droom geweest? Josh ging weer staan en liet zijn ogen op de Wii rusten. Nu pas begreep hij wat verleden-Josh hem wilde vertellen in dat bericht op het Messageboard. ‘Er zit te veel van mij in hem,’ herhaalde Josh. ‘Te veel van mij.’ Josh bleef deze woorden herhalen terwijl hij de stekker en andere bedrading uit de Wii trok en het apparaat weer terugdeed in de kartonnen doos, samen met de andere verborgen scherven van zijn herinneringen.

Aaron de Bruijn
0 0
Tip

Over te grote pillen en internet

Jacoba knijpt zacht in het wit plastic medicijndoosje dat ze in haar hand klemt en tuurt door de ronde opening. De pillen zijn veel te groot, dat ziet ze zo. Die krijgt ze nooit doorgeslikt. Ze huivert bij de gedachte dat er eentje in haar keel zou blijven steken. De kans dat de kanker haar binnen een aantal maanden fataal zal worden is reëel, het hoeft nu ook niet per se sneller dan het al zal gaan.Ze schudt een pastille uit het potje en stopt die in haar mond. De pil voelt tussen haar tong en gehemelte nog groter aan dan hij er uitzag. Poging één. Kin naar beneden en met veel water naar binnen, had de dokter gezegd. Jacoba schenkt zichzelf een groot glas in en neemt een serieuze slok. Niet nadenken, gewoon slikken. Als bij wonder lukt het haar om de pil in keer naar binnen te spelen. Ze glimlacht tevreden. Deze eerste horde van de dag heeft ze al met glans genomen. Straks nog naar het ziekenhuis voor een bespreking met dokter Boyens, daarna lunch met ongemakkelijke gesprekken bij haar ouders en vanavond doen alsof er niets aan de hand is bij haar vriendinnen van de oud-scouts. Vandaag wordt een makkie in vergelijking met de eerste chemotherapie die haar volgende week te wachten staat. Jacoba zucht. Ze wordt zenuwachtig bij de gedachte dat niemand haar met zekerheid kan zeggen hoe haar toekomst er uitziet. Niemand kan voorspellen hoe ze op de behandeling zal reageren.Ze gaat aan haar bureau zitten en klapt haar laptop open. Ze twijfelt even, maar surft dan toch naar Google. Tegen beter weten in typt ze ‘bijwerkingen van chemotherapie bij leukemie’ in het zoekvenster. Iedereen weet dat je beter nooit zo’n zaken op internet opzoekt, maar Jacoba kan het toch niet laten. Als ze voorbereid is op het ergste, dan kan het alleen maar meevallen. Misselijkheid, haaruitval, verlies van je vruchtbaarheid. Rillingen lopen over haar rug bij wat ze allemaal leest. Ze heeft altijd getwijfeld of ze kinderen wilde, maar nu de kans bestaat dat ze zelfs de keuze niet meer zou hebben, ontstaat er toch opstandigheid in haar hoofd. Ze klapt de laptop dicht. Genoeg zelfkwelling. Jacoba staat op en gaat aan het raam staan. Vogels zingen een laatste herfstdeuntje alvorens ze naar betere zuiderse oorden vertrekken. Een beter leven tegemoet. Jacoba staart naar hun guitige gele snavels. Misschien gaat zij ook wel een beter leven tegemoet. Misschien bestaat de hemel waar ze vroeger op school over leerde wel en kan ze daar heerlijk hele dagen in de zon liggen en fijne dingen doen waar ze nu nooit tijd voor heeft. Eindelijk genieten van het leven zoals ze dat op deze aarde misschien nooit echt genoeg heeft gedaan. Ze tikt met haar nagels tegen het raam. De vogels in de tuin schrikken en vliegen op.Over de dood heeft ze hiervoor eigenlijk nog nooit nagedacht. Een hemel zou mooi zijn, maar wat als er niets meer was na dit leven. Haar vader zegt altijd dat een mens gewoon een soort chemische reactie van cellen was en dat eens die chemische reacties stopten, je lichaam gewoon een kapot omhulsel was. Misschien is dat wel zo. Jacoba krijgt een vreemd gevoel van spijt. Spijt om de dingen die ze uit angst nooit heeft gedaan. Reizen naar Australië bijvoorbeeld of zeggen tegen Frank hoe graag ze hem zag op het moment dat Nel en Lilo er nog niet waren. Jacoba slentert naar de bank en ploft daar neer. Haar ademhaling wordt zwaar en voor ze het goed en wel beseft barst ze in hevig snikken uit. Heel haar leven heeft ze geprobeerd om iets te betekenen op deze aarde. Ze heeft willen het verschil maken, al was het maar voor één iemand. Ze heeft hard gewerkt en altijd geprobeerd om goed en eerlijk te zijn. Toch lijkt haar grootste angst nu waarheid te worden: ze zal sterven zonder ooit iets te hebben betekent. Ze zal nooit de Nobelprijs hebben gewonnen en ze zal nooit een medaille hebben gekregen. Ze kreeg geen onderscheiding voor bewezen diensten of werd nooit benoemd tot werknemer van de maand. Ze zal nooit iemands grote liefde of vrouw zijn geweest en nooit iemands moeder. Haar leven zal een verwaarloosbare passage in de de geweldige geschiedenis van de mensheid zijn. Jacoba probeert haar tranen tevergeefs te drogen. Ze moet naar het ziekenhuis vetrekken. Langzaam hijst ze zichzelf van de bank en loopt ze naar de badkamer om haar make-up te fatsoeneren. Ze forceert een glimlach in de spiegel om zichzelf bij elkaar te rapen voor vandaag. De hordes van die dag zijn dan misschien niet zo hoog bedenkt ze zich, maar ze nemen wordt door haar ziekte dag na dag toch net iets moeilijker.

Ans DB
0 0

Deadline

Er was eens een schrijver zonder inspiratie en met een deadline. Elf woorden had hij nog maar geschreven en zijn inzending moest ten laatste vandaag af zijn of het was te laat. Zijn laptop maakte al de hele tijd een irritant zoemend geluid en de tekstverwerker bleef hem maar quasi leeg aankijken. Buiten kwetterden de vogels naar hartenlust en de buren hielden vlak onder zijn raam een luide conversatie over het eerste lentezonnetje. Hij wist niet van wat hij het meest zenuwachtig moest worden. De schrijver pulkte wat aan zijn sikje alsof hij daardoor inspiratie zou vinden, kreeg warempel wel degelijk een ingeving voor een vervolg op hetgeen hij al had geschreven, typte als een bezetene op zijn laptop de woorden tevoorschijn die in zijn hoofd zaten, las ze hoopvol na, besloot teleurgesteld dat het pure rommel was en verwijderde ze weer allemaal door de daarvoor voorziene toets op zijn klavier ingedrukt te houden. Echter liet hij zijn eerste elf woorden staan. Hij zuchtte eens diep en fluisterde zijn eerste en enige zin tot nu toe: “Een schilder struinde door de duinen van Oostende vergezeld van de maneschijn.”   De schrijver fronste zijn wenkbrauwen. Op zijn vingers telde hij ieder woord van die zin. Hij herhaalde het proces nog eens ter controle en kwam tot de conclusie dat het twaalf woorden waren en geen elf. Hij wreef over zijn sikje, ditmaal kwam er niets. Kwetterden de vogels nu luider dan daarstraks? De buren geraakten maar niet uitgepraat over hoe mooi het weer vandaag wel niet was.   “Hij was op weg naar de Koninklijke Gaanderijen,” typte de schrijver. Hij wist niet waarom hij dat net had verzonnen want hij had geen idee wat zijn personage daar ging uitrichten. “Onder zijn arm hield hij een schetsboek geklemd en in zijn lange overjas staken verschillende potloden verdeeld over de drie binnenzakken, twee links en één rechts.” De schrijver grijnsde schaapachtig, hij was op de goede weg nu. Hij herhaalde in zijn hoofd het laatste deel van zijn laatste zin.   Twee links en één rechts.   Die vogels werden nu wel erg luid.   Twee links en één rechts, twee links en één rechts, twee links en één rechts, …   De schrijver vroeg zich af of die vogels niet elders uit volle borst konden gaan tsjilpen.   Twee links en één rechts, twee links en …   De overbuurvrouw had zich nu gemengd in het gesprek over het goede weer.   Twee …   De echtgenoot van de overbuurvrouw was zijn vrouw kwijt en had haar net weergevonden onder het raam van de schrijver. Hij praatte gezellig mee met de rest.   De buren spannen samen met de vogels.   De buren waren net allemaal uitgepraat en klaar om hun weg te vervolgen toen de voordeur openging van het huis waar voor ze al die tijd een babbeltje hadden staan slaan. Uit het deurgat kwam hen een gek achterna gelopen met een laptop in zijn handen klaar om hen er een tik mee uit te delen. Ze konden niet precies verstaan wat hij riep maar het had met vogels te maken.   Er was eens een schrijver zonder inspiratie en met een deadline.

Michael J. Steeper
0 0

Chocolaatjes

Tanguy stopte nog snel een chocolaatje in zijn mond. Hij veerde van de bank op en stapte op zijn kousen naar de voordeur waar zonet Jonathan had aangebeld. Tanguy wist dat het Jonathan was aan de andere kant van de deur omdat hij hem had uitgenodigd. Toen hij de voordeur opende, was het dan ook geen verrassing dat die laatste er stond. Het was al zo laat op de avond dat de zon plaats had geruimd voor het geluid van krekels. Tanguy gebaarde dat Jonathan binnen moest komen en wees verontschuldigd naar zijn volle mond als de reden waarom hij niet sprak. Jonathan gehoorzaamde, hij voelde zich wat ongemakkelijk maar probeerde dat te verdoezelen. 'Ah, Tanguy,' zei hij overdreven opgewekt. Tanguy slikte zijn chocolaatje weg en zei: 'ja ja, doe je schoenen uit voor je de living binnenstapt, wil je. Lilianne heeft vandaag nog gepoetst.' 'Ah-ah ja, oké,' zei Jonathan en hij hoopte dat hij geen zweetvoeten had. Hij had Tanguy altijd al een rare snuiter gevonden maar hij had er nooit echt de vinger op kunnen leggen wat hem precies zo tegenstak aan die kerel. Het was misschien wel de optelsom van kleine dingen zoals hoe hij daarnet de deur opende zonder hallo te zeggen en niet eens de moeite nam om elementaire beleefdheid te veinzen door te vragen hoe het ging om daarna dan op dat toontje van hem te eisen dat Jonathan zijn schoenen uitdeed. Hij snapte niet wat een vrouw als Lilianne in een bruutzak als Tanguy had gezien. Hij werkte nu al een jaar samen met Lilianne in de bibliotheek op het Hendrik Heymansplein. En deed dus ook al een jaar zijn best om Tanguy te ontwijken, een gevoel waarvan hij zeker was dat het wederzijds was. Het was zowat het enige waar ze op gelijke golflengte lagen: dat ze elkaar niet mochten. En vanavond, plots, had Tanguy hem dan gebeld en gezegd dat hij zo snel mogelijk moest komen. Hij had gebeld met de telefoon van Lilianne en op zijn typische wijze niet vermeld wat de reden was van zijn verzoek, dat verzoek niet eens verpakt als een verzoek maar als een gebod en ingehaakt nog voor Jonathan iets had kunnen zeggen. Ondanks het late uur en gebrek aan uitleg was hij toch gekomen. Voor Lilianne. Ze zou hem eens nodig kunnen gehad hebben. Niet voor die verwerpelijke Tanguy. Die kon een eind gaan verrekken. Het was voor Lilianne dat hij die rotvent verdroeg. Hopelijk niet voor lang meer. 'Ga zitten,' zei Tanguy tegen zijn gebruikelijke onvriendelijke manier in, 'chocolaatje? Ze zijn om een moord voor te begaan.' 'Nee, bedankt,' zei Jonathan en hij nam plaats in de fauteuil die het verst weg stond van de bank waar Tanguy op zat. 'Jammer,' zei Tanguy en hij pakte er nog eentje voor zichzelf. De doos was al halfleeg. Jonathan vroeg zich af waar Lilianne was. 'Lilianne ligt boven in bed,' zei Tanguy en Jonathan voelde zich betrapt. Hij keek Tanguy ongemakkelijk aan. ‘ Ze heeft wat te veel van deze gegeten,' ging Tanguy verder en hij tikte op het doosje met chocolaatjes. Jonathan knikte met een geforceerde glimlach en schraapte zijn keel. Hij verschoof zenuwachtig in de fauteuil. 'Ze zijn van Guylian,' ging Tanguy ongevraagd en ongestoord verder, 'wist je dat die beroemde zeevruchten in chocolade hier in Sint-Niklaas hun oorsprong vonden? Getrouwd koppel, man en vrouw. Hij was patissier, zij bedacht en maakte de vormpjes die zo beroemd zouden worden.' De ademhaling van Jonathan was heel onrustig, zijn hart ging gejaagd te keer. Wat wou die Tanguy van hem? Hij kreeg er de stuipen op het lijf van, hij was zo rustig dat hij nog gekker deed dan anders. 'Toe, Jonathan, neem er eentje.' Tanguy stak uitnodigend de doos uit. Jonathan bedankte. ‘Zonde,’ zei Tanguy. Hij zette de doos weer neer en bekeek Jonathan stilzwijgend. Die laatste deed zijn uiterste best om geen oogcontact te maken. Tanguy kon een monkellachje niet onderdrukken. Hij had die Jonathan altijd al maar een oelewapper gevonden. Zijn grote mond die diende ter compensatie van zijn kleine gestalte. Altijd maar de aandacht naar zich toe willen trekken in de bibliotheek waar hij werkte samen met Lilianne. En zij viel er nog voor ook. Hij had nooit gesnapt hoe zij bevriend had kunnen worden met zo’n blaaskaak. Hij voelde zich toch zo goed omdat hij toevallig eens een boek had gelezen. Tanguy klemde zijn kaken op elkaar.   ‘Tanguy …’ zei Jonathan, ‘het is niet dat het niet gezellig is maar waarom moest ik nu komen? Ik neem aan dat er een reden is dat je speciaal belde op dit uur. Ik bedoel …’ ‘Dat heb jij goed gezien, Jonathan,’ zei Tanguy, ‘jij bent allesbehalve een uil, he.’ Jonathan wist niet of Tanguy dat laatste nu meende of niet. ‘Zal ik jou eens vertellen wat ik vandaag allemaal gedaan heb, Jonathan,’ zei Tanguy. Jonathan voelde zich alsmaar onzekerder worden. ‘Tanguy,’ zei hij, ‘ik weet niet wat je …’ ‘Het heeft er nochtans alles mee te maken waarom jij hier bent, dat verzeker ik je.’ ‘Zeg het dan maar, Tanguy.’ ‘Jij denkt natuurlijk dat ik nu ga zeggen dat ik deze ochtend naar mijn werk in de fabriek vertrok en daar mijn werkdag doorbracht om daarna weer naar huis toe te gaan, naar mijn lieve vrouw.’ Er was iets grondig mis met de manier waarop Tanguy sprak over zijn lieve vrouw, vond Jonathan. Hij moest misschien eens een kijkje nemen bij Lilianne. Zeker maken dat alles oké was met haar. ‘Jonathan?’ ‘Ja, Tanguy?’ ‘Kan je stoppen met dagdromen en mij antwoorden.’ Weer een vraag die geen vraag was van Tanguy. ‘Op wat moet ik dan antwoorden?’ vroeg Jonathan. ‘Of je dacht dat ik gaan werken was, ja of nee,’ zei Tanguy nu iets minder beheerst als hij al de hele tijd was geweest. ‘Euhm, ja,’ zei Jonathan, ‘maar moeten we eens niet een kijkje gaan nemen bij Lilianne? Misschien heeft ze iets nodig.’ ‘Zo meteen,’ zei Tanguy en hij stak wederom de doos met chocolaatjes uit. Met een zucht nam Jonathan er toch eentje, al was het maar om niet telkens één aangeboden te krijgen. Tanguy keek hem lang aan. Te lang. Had hij vergif in die chocolaatjes gedaan? Zou hij het weten van … Oh nee. ‘Tanguy.’ ‘Ja, Jonathan.’ ‘Ik w-weet niet wat je …’ ‘Zoals ik dus zei,’ negeerde Tanguy het gehakkel van Jonathan, ‘denk jij natuurlijk dat ik gaan werken ben vandaag. Dat dacht Lilianne ook. Het is niet zo.’ Tanguy wist het, daar was Jonathan nu van overtuigd. ‘Ik heb stiekem een vrije dag genomen vandaag. Ik wou Lilianne namelijk verrassen. Dat verdiende ze wel, vond ik.’ Nee, hij kon de chocolaatjes niet vergiftigd hebben, hij kon er zelf niet van afblijven. Had hij Lilianne dan bont en blauw geslagen? Ging hij nu hetzelfde doen met Jonathan? Hem zijn verdiende loon geven? ‘Dus trok ik deze voormiddag naar de supermarkt en kocht daar alle ingrediënten voor het lievelingsrecept van mijn vrouw: spaghetti carbonara.’ ‘Tanguy …’ ‘Zwijg,’ antwoordde die dreigend, ‘carbonara dus.’ Tanguy had hen betrapt, ergens gezien. Samen, vandaag. Ze hadden voorzichtiger moeten zijn. Jonathan merkte dat hij nog steeds kauwde op het chocolaatje van daarnet. Alle smaak was verdwenen. De spanning in zijn lichaam was echter zo opgehoopt dat hij zich er niet toe kon brengen het door te slikken. Tanguy bleef doorpraten: ‘toen ik op weg was naar de kassa, viel mijn oog op deze chocolaatjes en …’ Jonathan was als een pijl uit een boog rechtgesprongen en verkocht Tanguy een dreun zo hard als hij kon. Hij zette het op een lopen naar de trap in de gang en riep op Lilianne maar die antwoordde niet. Nog voor hij een eerste voet op de trappen kon zetten, had Tanguy hem al ingehaald en bij de enkel gegrepen. Jonathan viel met een smak voorover. ‘Mijn vrouw!!!’ riep hij. Hij zag er uit als een bezetene en sleurde Jonathan aan zijn beide enkels weer naar de living. Die wrong uit alle macht tegen maar was niet opgewassen tegen zijn tegenstander. ‘Dacht je nu echt dat ik jullie niet had gezien?!’ brulde Tanguy. Waarom antwoordde Lilianne niet? Ze moest nu toch al wakker zijn van het lawaai. ‘Op de parking van de supermarkt wat liggen vozen in die auto van jou!’ zei Tanguy, ‘Onder de middagpauze! Ik zag het! Ik heb het gezien! Ik weet het!’ ‘Tanguy! Nee!’, smeekte Jonathan, ‘Ik zal het nooit meer doen! Je mag haar hebben! Maar doe mij niets!’ Tanguy trapte met zijn platte voet op de neus van Jonathan. Die brak. ‘A-auw,’ huilde Jonathan. ‘Wil je weten wat er met Lilianne gebeurd is, Jonathan?’ vroeg Tanguy met hervonden kalmte, ‘ik zal het je tonen.’ Hij nam een handvol resterende chocolaatjes en duwde die in de mond van Jonathan. Hij kneep zijn neus dicht en lag met zijn volle gewicht op Jonathan zodat die laatste zich niet kon verzetten.   Buiten zou weldra het geluid van krekels plaats ruimen voor de eerste voorzichtige zonnestralen.

Michael J. Steeper
0 0

Just ask!

In zijn advertentie staat, naast zijn leeftijd – 24 – en een foto, geschreven : « Just ask!”.   Ik : If I’d ask, what would you tell? Hij : I don’t know, what would you ask? Ik : Well, I’m asking now, what would you tell? Hij : ??? (niemand begint een zin met enkele vraagteken, dat is iets voor arrogante losers vol pretentie) What would I tell what? Ik : I don’t know, I’m asking you since you ask me “Just ask!”. So, I ask. Hij : I don’t get your point. Ik : Well, I’m asking you. Hij : this conversation is driving me mad! What are you up to? Ik : I don’t know, I’m asking you. Hij : I’m here for fun. Ik : That’s a coincidence, so am I. Hij : I don’t think you want the same fun as me. Ik : Just ask! Hij : I’m off. Ik : Well, you could’ve asked. Hij : Ok, let me try : what are you looking for? Ik : Fun. Hij : Is that all? What kind of fun? Ik : I don’t know, I’m asking you. Hij : This is not gonna work. Ik : You’ll never know if you never ask… Hij : You seem to be a smartass, you seem to know it all. Ik : Is that so? What makes you say that? Hij : You never answer my questioning. You avoid in a smart way what I want to know. It’s driving me mad. Ik : Yes, but I asked and it’s actually you who never answers. You invite me to ask you, and then you don’t say it. I must admit, your profile is a bit confusing. Hij : Confusing?! Me? Ik : No, not you, your profile. Hij : But I’m my profile, I created it. Ik : That’s’ why I ask. Hij : Ask what?!?! Ik : I don’t know, you asked me to ask you. Hij : sigh…. I agree… Would you like to meet for a coffee? I’ll pay. Ik : I thought you’d never ask! Hij : You’re funny. Ik : I’m not but you can always ask. Hij : To be funny? Ik : Yes. Hij : I want you to be funny when we meet. Ik : Just ask!   http://erwinabbeloos.over-blog.com/  

Erwin Abbeloos
0 0

PAISAJA LUNAR, HET MAANLANDSCHAP

In de toeristische gids over Tenerife staat dat de wandeling naar het Paisaja Lunar, de mooiste wandeling van het eiland is, met kers op de taart een adembenemend natuurverschijnsel een maanlandschap. Wij beseffen na jaren rondreizen en gidsen lezen, dat iedereen de toerist wil lokken met een scheet in een fles en zijn bezienswaardigheden opklopt tot mirakelniveau,maar al sinds 2004 hebben wij toch deze wandeling in ons achterhoofd. De kleine huurautootjes en de weg er naar toe, lieten ons steeds weer afhaken.. Vorig jaar echter hadden wij een grotere en wat solidere auto en trokken wij samen met onze stoute schoenen tevens ons wandelbottines aan. Wij reden eerst naar het hoogste dorp van Tenerife en sloegen vol moed de bosweg in.  Een 7 km lange onverharde weg, vol putten en stenen leidde naar de parkeerplaats waar de hoogte wandeling begint.  Manlief stuurde de auto tussen de kuilen, lavastenen en langs afgronden stapvoets tot aan de parking. Met onze wandelstokken duwden wij ons anderhalf uur door het lavagrind langs een pad met afwisselende vergezichten.  Dan kwamen wij aan een plek waar 5000 jaar geleden de vulkaanuitbarstingen een speciaal mooi fenomeen heeft doen ontstaan.  Mooi, de Canaries mogen er trots op zijn. Terwijl wij met het zicht op de puntige rotsen picknickten, bedacht ik hoeveel mensen ik al naar de maan heb willen schieten. Ik ben er rotsvast van overtuigd dat deze plek nog veel te mooi is voor alle terroristen, fundamentalisten en moordenaars. Als al onze gevangenissen overvol zitten en men beslist om hen toch richting maan te lanceren, dan stelde ik vanaf dat moment mijn veto. Voor mijn part mogen ze rechtstreeks naar hun eigen beloofde hemel..recht naar hun eigen God. Ik kan me als atheïst moeilijk voorstellen hoe dat dan allemaal in het werk zou gaan, maar als je er in gelooft zal het helemaal niet onaangenaam zijn om ineens naar Allah, Mohammed, God de Vader, Jezus Christus, Jahweh, Boeddha of  Ganesh te gaan. Al eeuwen ontvangen deze “goden” uitgemoorde Moslims, Christenen of vergaste joden. Jaarlijks kloppen er duizenden aan met de vraag om in een betere kaste opnieuw naar de aarde te mogen. Zitten die goden dan ergens in het heelal rond  een ronde tafel, statistieken bij te houden of een soort om ter meeste te spelen ? Wat gebeurt er in de komkommertijd, als er geen grote oorlogen meer uitgevochten worden. Zitten ze zich dan op een wolk te vervelen, als er nu en dan nog maar alleen een verbrande heks, een vergiftigde paus, een paar vermoorde kinderen aankloppen ? Lachen zij  sarcastisch als er een van de laagste kaste verhongerde paria aanklopt met de vraag om als maharadja terug te kunnen ? Ja nu en dan komt er een grote vis, zoals een Bin Laden, maar geef nu toe, zonder het Amerikaanse duwtje in de rug, zat ook deze liever met zijn kont in het woestijnzand in plaats van in het Allah paradijs. Spreken deze goden dan een gezamenlijk strategie af om hun quota wat op te krikken ? Heuh wat zullen we weer eens doen ? Een aardbeving links of rechts, of wat denken jullie van een vulkaanuitbarsting, of nog leuker een tsunami over een eiland sturen ook goed om wat zieltjes naar boven te krijgen. Een grote epidemie is ook niet slecht, of weten jullie wat, we kunnen de salafisten wat tegen de sjiieten en de soennieten uitspelen. Waar kunnen we nog een oorlogje uitlokken, in  Oekraïne misschien? Wat vinden jullie het plezants, als ze daar beneden denken dat het de natuur is of de mens zelf die elkaar uitroeit ? Wie beslist er dan daarboven, wie naar de hemel en wie naar de hel moet, want geef toe wij krijgen langs de gelovige hoek wel heel tegenstrijdige meningen. Als er bij de Christenen iemand zelfmoord pleegt, dan is dit een grote zonde en mag die niet aan de rijstpap beginnen. Als bij de moslims daarentegen, een zelfmoordterrorist zichzelf en een aantal spijtige slachtoffers opblaast, wordt hij direct als held, met open armen en benen door duizenden maagden in de Allah hemel ontvangen. Je moet het maar begrijpen ! Terwijl ik aan mijn sandwich knabbelde en naar het besneeuwde topje van de Teide staarde, bedacht ik dat wij onze hemel en hel hier op aarde krijgen en niet in een voor mij fictief hiernamaals. De hemel is als je gezond bent, als je een fantastisch lief hebt, je kinderen en kleinkinderen zonder te grote problemen door het leven huppelen en als je soms het gevoel hebt dat je lichaam gaat openbarsten van geluk. Dat is de hemel. De hel krijg je, als je als homo of transgender levenslang tegen onverdraagzaamheid moet opboksen. Als je als atheïst of anders gelovige, probleemloos door medemensen als “niet gelovige honden” afgeslacht wordt. Als je partner van je wegglijdt door een ernstige operatie, kanker, dementie of Alzheimer. Als geliefden door een ongeval of een operatie zonder afscheid van je weggerukt worden of als je je eigen kinderen moet overleven. Dat is de hel. Ja, ja  ik hoor jullie al denken, waar blijft nu dat plezante verhaal ? Wel het leuke was, dat wij eindelijk na al die jaren het Paisaje Lunar gezien hebben en na anderhalf uur dalen probleemloos onze geparkeerde auto teruggevonden hebben. Wij vervolgens zonder platte banden de hobbelige weg door het lavalandschap overleefden. Ik voelde me gloeien van geluk en was trots op manlief zijn rijkunst. Wat later zaten wij,in het stralende zonnetje van een lekker koel pintje te genieten op een terrasje in het hoogste bergdorp van Tenerife, Vilaflor. Als we in ons huurhuisje aankwamen en ik mijn laptop opende, plopten er een prachtige foto van onze kleindochter en een mailtje van onze kleinzoon binnen. Dat is geluk, dat is de hemel !                  

Sim
0 0

The winery

‘MYSTERIEUZE ANTWERPENAAR SPOORLOOS VERDWENEN’ ‘Bijzonder zorgwekkend. Zo noemt het gerecht de verdwijning van de 71-jarige Howard Hyde. Het Antwerpse gerecht en de politie hebben de voorbije maand al het denkbare gedaan om de mysterieuze, alleenwonende man terug te vinden. Zonder resultaat. De telg uit een welstellende familie van de Antwerpse beau monde lijkt van de aardbodem verdwenen.’ Jeffrey kijkt op van de krant en nipt van zijn koffie. Als je het zo leest, lijkt het wel een begin van een spannende televisieserie. Toch had de journalist niet overdreven. Oom Howard wàs een mysterieuze man. Toen hij veertien was had hij zijn oom gevraagd wat hij deed om de kost te verdienen. Hij had op een vriendelijke maar ernstige toon gezegd dat hij daar niet op kon antwoorden, daar zijn werk om discretie vroeg. Ook vroeg hij met niemand over de familie te praten. Jeffrey vond het toen allemaal best spannend, fantaseerde erop los en bedacht later dat oom gewoon heel rijk was en zich wilde beschermen. Maar een antwoord op zijn vraag had hij nooit gekregen. Zelfs nu wisten ze bij het gerecht enkel dat oom zich ‘raadgever’ noemde. Wat ze ook wisten, was dat Howard op de dag voor zijn verdwijning nog thuis was geweest. Daar had hij Jeffrey nog gebeld over zijn vertrek de volgende dag naar Engeland. Hij zou er tien dagen verblijven. Oom reisde dikwijls naar het buitenland, soms voor enkele maanden. En zoals gewoonlijk ging Jeffrey dan de post uit de brievenbus halen en af en toe de wagens in de garage eens starten. Na zijn terugkeer ontmoetten ze elkaar in de lounge van de zeilclub waar ze beiden lid waren, dronken cognac bij de koffie en praatten bij. Maar toen Jeffrey na twee weken niets van zijn oom had vernomen en hem ook nergens kon bereiken, werd hij ongerust en verwittigde de politie. Na onderzoek bleek dat Howard nooit om het gereserveerde busticket was geweest en dat hij ook niet was komen opdagen op een afspraak bij zijn bankier. Punctueel als hij was, bleek dit uiterst ongewoon. Na zes weken had de politie nog steeds geen spoor en hadden ze gehoopt via dit artikel misschien informatie te kunnen verzamelen. Het 0800-nummer getuigde hiervan en Jeffrey bedacht dat oom rijk genoeg was om op pagina 4 van het Nieuwsblad mét een foto (naast zijn sportvliegtuig nota bene) te prijken. Hij zuchtte. Om redenen die hem vroeger beletten in de aandacht te komen, was hij nu misschien verdwenen. Jeffrey stond op en nam een schaar om het artikel uit te knippen. Hij was een beetje verward. Oom Howard was altijd een constante geweest in zijn leven, de familie die hem nog restte. Jeffrey was enig kind, zijn vader was vorige zomer aan een hersenbloeding overleden en zijn moeder zat sindsdien suf voor zich uit te kijken in een bejaardentehuis. Howard was nooit gehuwd en beschouwde Jeffrey een beetje als ‘zijn gezin’, al was dit op een correct familiale, maar enigzins oppervlakkige manier. En het feit dat hij op 71-jarige leeftijd nog steeds heel fit en gezond was (en nog goed bij de pinken), maakte dat ooms vergankelijkheid nooit in hem was opgekomen. Nu besefte hij pas, hoe belangrijk oom wel voor hem was. Hij verweet zichzelf nooit te hebben aangedrongen omtrent ooms vroegere werk. Na een gesprek op het politiebureau had hij alle mogelijke scenario’s laten voorbijgaan in zijn hoofd. Was hij gevallen tijdens één van zijn wandelingen en lag hij ergens waar niemand hem vond? Was hij ontvoerd en konden ze elke dag een vraag naar losgeld verwachten? Had zijn ‘mysterieuze’ verleden hem parten gespeeld en was zijn lichaam na een afrekening verstopt? Het gerecht was al deze opties nagegaan, maar geen stap waren ze verder gekomen. Toegegeven, het was soms ver gezocht, maar ze tastten als het ware in het duister met de weinige informatie die ze hadden en elke mogelijkheid werd overwogen.Hij prikte het artikel op het bord in de keuken en liep naar de badkamer. Over een half uur kwam de poetsvrouw en dan wou hij het huis uit zijn. Hij had ook een reden om snel te vertrekken, want deze middag kon hij de sleutel weer afhalen bij het politiebureau en had hij toegang tot het huis. Misschien vond hij iets wat kon helpen in het onderzoek. Het was vrij onwaarschijnlijk, maar hij zou het in ieder geval proberen. In al die jaren dat hij in zijn ooms huis was geweest, had hij altijd zijn privacy gerespecteerd. Nu hij binnenstapte, voelde hij zich een ondeugend jongetje die die afspraken met voeten ging treden. Het wàs ook een huis waar je je klein in voelde; alle ruimten waren hoog en ruim, bedekt met donkerblauwe granietsteen en smaakvol ingericht met rode, kersenhouten meubels. Zoals gewoonlijk tijdens zijn afwezigheid was het huis leeg, maar het had nog nooit zo verlaten aangevoeld als nu. Het was gebouwd door zijn overgrootvader, een Amerikaan die na de oorlog van 1918 zijn geboorteland vaarwel zei om te huwen met een Vlaams meisje dat hij had leren kennen tijdens de bevrijdingsfeesten. Het huis had vier verdiepingen. Sommige kamers, wist hij, waren ingericht als logeerkamer maar hadden zolang hij zich kon herinneren nooit dienst gedaan voor andere gasten dan hijzelf. Jeffrey trok op de eerste verdieping enkele ramen en luiken open, zette naar gewoonte koffie en gaf de planten in de tuin water. Het had de voorbije dagen niet meer geregend en zo kon hij iets vertrouwds doen. Hij ging weer naar binnen, liep doelloos door de kamers, trok hier en daar een kast open, keek vluchtig in elke la maar vond niets dat zijn aandacht trok. Alles lag geordend, nergens was rommel of lagen nutteloze dingen. Hij kon zich voorstellen dat oom alles precies wist liggen en nooit naar iets moest zoeken. Hij besloot dan maar de werkkamer binnen te gaan. Het was een grote ruimte waar het zonlicht door het gekleurde glas scheen en zo voor een prettige gloed zorgde. Het voelde geruststellend aan, alsof oom hier nog was. Op het houten werkblad van het bureau stonden twee computerschermen, één aangesloten op het internet, één voor privégebruik, ‘want je kon nooit voorzichtig genoeg zijn’. Ernaast stond een grote doos met spullen die de politie voor onderzoek in beslag had genomen en weer teruggebracht. Ze hadden geen aanwijzingen gevonden, zelfs niet in de archiefkasten die drie van de vier wanden bedekten. Hij besloot ze toch maar één voor één te doorzoeken. Hij zag dat ze gevuld waren met gebonden boeken, gerangschikt per jaar en per onderwerp. Hij hoopte iets te vinden wat kon wijzen op oom Howards eventuele werk. Maar hij vond enkel gegevens over aandelen, bankverrichtingen, eigendommen, reiskosten, schenkingen aan liefdadigheidsinstellingen (oom had zijn hemel al verdiend), onderhouds- en huishoudkosten en allerhande aankopen. Jeffrey ging met zijn vingers door zijn zwarte haar. Hier was niets waar hij wijzer uit werd. Hij besliste om de spullen uit de doos te bekijken en ze daarna weer op hun oorspronkelijke plaats te leggen. Hij nam er foto’s, brieven en een adressenboekje uit en bedacht dat de enige objecten die over ooms persoonlijkheid vertelden, door een buitenstaander in één doos verzameld waren. Alsof alle ander spullen in het huis slechts decor waren voor een film. Vreemd eigenlijk, voor iemand met zoveel diepgang. Maar bij oom was het materiële nooit echt belangrijk geweest. Ze hadden er een keer over gefilosofeerd en oom had terecht opgemerkt dat mensen zich te veel hechtten aan het materiële, terwijl dat net het meest vergankelijke was. Al zijn herinneringen zaten in zijn hoofd en die nam hij overal mee naartoe, veilig en verborgen voor nieuwsgierigen om zo de onwetenden onwetend te laten. Hij bladerde het adressenboekje door. Zoals oom Howard ze ook in het echte leven van elkaar had gescheiden, stonden de personen die hij had gekend niet alfabetisch volgens naam, maar volgens ‘groep’ waartoe ze behoorden. Zo stond iedereen van de familie onder de ‘f’ en iedereen van de zeilclub’ onder de ‘z’ opgesomd. Beetje ongebruikelijk, bedacht Jeffrey, maar wel te verwachten van oom. Jeffrey kende iedereen, behalve enkele namen van mensen van de zeilclub die oom waarschijnlijk had leren kennen toen Jeffrey een jaar forfait gegeven had. De foto’s waren gerangschikt volgens onderwerp. Er waren vier boeken ‘familie’en twaalf met ‘reizen’ en ‘zeilen’. Op het politiebureau hadden ze hem gevraagd om ze één voor één nog eens te bekijken. En op de vraag of hij iedereen bij naam kon noemen had hij dit gedaan. Oom had hem vorig jaar (na het overlijden van Jeffrey’s vader) de familiestamboom en -foto’s laten zien en hun geschiedenis verteld. Iets waar zijn eigen vader nooit toe was gekomen. Ze hadden de hele nacht door aan de gezellig knetterende haard foto’s bekeken en hij had ervan genoten, beseffend dat dit één van die zeldzame momenten was dat oom loslippig was en hij zo iets over zijn familie te weten kon komen. Alles wat hij wist had hij ook aan de mensen op het politiebureau verteld. Niet dat er iets bezwarends was om te verzwijgen, alleen, hij had het moeilijk gehad omdat hij oom ooit had beloofd niet openhartig te zijn tegen buitenstaanders. Ook bij de foto’s en brieven van de ‘adoptiekindjes’ had hij uitleg moeten geven. Misschien kwam het doordat oom zelf geen gezin had, maar op de één of andere reden trokken kinderen hem aan. Vooral arme kleintjes. Hij kon hun leed niet verdragen. Je kon dit merken door de vele kinderen die hij fotografeerde op zijn reizen. Zo was hij ooit teruggekeerd uit Peru en vertelde hij honderduit over de leefomstandigheden van die’ arme, onschuldige zielen’. Na enkele weken had hij reeds plannen gemaakt om hen te helpen. Zo gaf hij geld om een schooltje te bouwen en engageerde hij zich na zijn volgende reizen voor verschillende projecten waarvan hij zeker wist dat zijn geld goed besteed zou worden. Ook bezocht hij weeshuizen die een fors geldbedrag op hun rekening gestort kregen. Sommige kinderen stuurden foto’s en schreven brieven bij wijze van bedanking. Oom had ze allemaal bewaard. Jeffrey bekeek ze één voor één. Je kon merken dat ze correspondeerden. Af en toe stond er een anekdote in over zijn bezoek. Dit vond hij interessant. Jeffrey las over uitstapjes en gekke dingen die hij had gedaan. Zo had hij zich een keer als kertsman verkleed, kompleet met slee en kadootjes. Het boeide hem wel, oom op een andere manier te kennen. Jeffrey had de giften altijd als een geruststelling voor ooms geweten beschouwd, maar nu hij de brieven zag, bedacht hij dat de kinderen wel veel voor hem hadden betekend. Het vervolledigde zijn karakter van een gevoelige, warme, vrijgevige man die deelde wat hij zelf in overvloed had. Verder waren er de fotoboeken met kiekjes van hun zeiltrips. Eén keer per jaar organiseerde de club een reis naar het buitenland. Jeffrey was dikwijls meegeweest en kende de meeste mensen die er aan deelnamen. Dat waren er wel wat, want soms vertrokken ze met 35 boten die dan elk op hun eigen tempo of met bevriende boten langs verschillende havens voeren. Zo’n reis kon drie weken duren en dan werden wel wat banden gesmeed. Op Howard’s boot was het altijd een komen en gaan van bevriende clubleden. Maar ook in de havens waar ze aanlegden waren veel bekende gezichten. Iedereen had altijd wel iets fris in de ijskast staan en bij gelegenheid werd een barbeque georganiseerd. Jeffrey genoot van de ontspannen, zorgeloze sfeer waar niemand iets tekort kwam, maar waar je je ook nooit ongemakkelijk voelde. Het waren allemaal welgestelde -jongere en ook oudere- mensen die met hun geld konden omgaan. Hij bladerde door het dikke fotoboek en dacht dat hij dit jaar misschien de reis moest annuleren. Hij zou niet zonder oom gaan. Iedereen zou vragen stellen waar hij niet op zou kunnen of willen antwoorden. Alles was altijd zo vanzelfsprekend gegaan dat hij zich niet kon voorstellen oom Howard nooit meer terug te zien. Hij schudde zijn hoofd even, als om die gedachte weg te bannen en sloeg het boek toe. Hij deed het een beetje hard en er viel een foto uit. Jeffrey raapte hem op. Die was hem niet opgevallen. Had die achteraan gezeten en was hij door het dichtslaan er uitgewaaid? Hij bekeek de foto goed. Hij zag een vrouw op een zeiljacht met de naam ‘The Helena’. Hij kende de vrouw niet. Ook de boot kwam hem niet bekend voor. Mogelijks van een trip waar hij niet bij was. Maar op de achterkant stond niets en dat was niet van ooms gewoonte, dat wist hij. Op alle foto’s stonden achteraan naam, plaats en datum. Misschien was er een verklaring voor. De politie had er alleszins geen aandacht aan besteed. Hij besloot eens navraag te doen in de club en thuis te kijken op het internet of de naam van het jacht iets opleverde. Het was trouwens al tegen de avond en Jeffrey besloot dat het genoeg was voor vandaag. Hij had een afwezig gevoel in zijn hoofd. Hij zette alles waar hij dacht dat het hoorde en verliet met een bedrukt gevoel het huis. Hij snoof de frisse buitenlucht op en voelde zijn hoofd opnieuw helder worden. Hij moest dringend alles doorspoelen. Jeffrey stapte op de hoek van de straat een cafeetje binnen en hoopte nog een snack te kunnen eten. ____________________ 20 juni 2005. Jeffrey stond bij de scheurkalender. Hij had zijn dochtertje Amy opgetild om net als elke morgen een briefje af te scheuren. Vandaag was de verjaardag van oom Howard. Hij zou 76 geworden zijn. Normaal gezien hadden ze dit gevierd in hun favoriete restaurant met een goed wijntje en een entrecôte op de grill. Maar hun regelmatige etentjes, boottochten en gezellige gesprekken in de club waren samen met oom verdwenen. Er was sindsdien veel gebeurd en in zijn leven was niets anders dan geluk. Maar het deed nog steeds pijn als hij er aan herinnerd werd en hij kon de gedachte niet verdragen dat ooms lichaam nooit gevonden was. Nadat de politie Howard als vermist geclasseerd had, was ook Jeffrey op een dood spoor geraakt. De vrouw op de foto, noch het zeiljacht was bij iemand bekend. Hij had zelfs de foto doorgestuurd naar vrienden uit zeilclubs in het buitenland,  kennissen uit het adresboekje gebeld, kortom al het mogelijke gedaan om uiteindelijk te moeten toegeven dat hij geen stap verder geraakte en zich moest neerleggen bij het feit dat hij oom nooit meer zou zien. Maar zelfs nu nog betrapte hij zich erop dat hij rechtveerde als de telefoon of de deurbel ging, in de hoop nieuws te horen over zijn verdwijning. Zolang Howard niet gevonden was, kon Jeffrey er moeilijk in berusten. Nadat Jeffreys moeder plots in haar slaap overleedt, was alles in een stroomversnelling gegaan. De notaris adviseerde om een procedure op te starten om Howard Hyde als overleden te kunnen verklaren, waarna Jeffrey dit deed en uiteindelijk zijn testament kon worden voorgelezen. Zoals verwacht zouden uit bepaalde fondsen jaarlijks nog geldsommen gestort worden naar liefdadigheidsinstellingen en werd Jeffrey als enige erfgenaam aangeduid. Hij was plots heel rijk geworden. Het was allemaal als in een droom aan hem voorbijgegaan. Dit was twee jaar nadat hij Marianne, nu zijn vrouw, had leren kennen. Dankzij haar had hij alles doorstaan en kunnen afhandelen zoals het hoorde. Als je bedacht dat hij haar de avond nadat hij in ooms huis was gaan rommelen in een cafeetje had ontmoet, vond hij het wel een hele bizarre samenloop van omstandigheden. Alsof oom Howard er toch nog ergens de hand in had, ook al was hij niet aanwezig. Hij streek nog eens met zijn vingers door zijn haar, een gewoonte waar hij zich vroeger nooit bewust van was (maar sinds Marianne het had opgemerkt wel) en hielp Amy in haar jasje. Marianne bracht haar elke morgen naar school. Het was vlak naast de drukkerij waar ze eigenaar van waren, een zaak die ze samen hadden uitgebouwd. Ze maakten plannen om nog twee winkels te openen en Jeffrey werkte vandaag thuis. Er kwam wel wat marktonderzoek en voorbereiding bij kijken en hier kon hij zich het best concentreren. Hij liep met hen naar beneden en Amy wuifde hem na tot ze achter de hoek verdwenen waren. Haar vrolijkheid had hem opgemonterd. Het waren z’n twee schatten. Hij kon zich een leven zonder hen niet voorstellen. Amy werd volgende maand vier en Marianne was één uit duizend. Hij had dit onmiddellijk bij hun eerste ontmoeting gevoeld en had toen tegen zijn gewoonte in zijn hart uitgestort en haar alles verteld. Ze hadden een tweede afspraakje en een derde en een jaar later woonden ze samen. Eerst boven de drukkerij, nu op een loft die ze prachtig hadden verbouwd en ingericht. Elke dag voelde nog steeds aan als toen ze net samen waren en hij hoopte dat er snel nog een kleintje bij mocht komen. Hij stapte terug binnen en maakte de brievenbus leeg. Elke morgen de krant bij een kop koffie en de dag kon beginnen. Zijn oog viel op een postkaart. Hij kon niet bedenken dat iemand van hun vrienden op vakantie was en terwijl hij de trap opging bekeek hij de handgeschreven tekst. Maar halverwege verstijfde hij: dit was oom Howards handschrift, zonder twijfel! Het bloed trok uit Jeffreys gezicht en hij voelde zijn slapen kloppen terwijl hij las: ’A visit to Helena’s Winery, a place to meet with friends.’ Hij draaide de kaart om en zag een geschilderd tafereel waarop een vrouw stond bij een typisch zuiders winkeltje met open, uitnodigende deuren, plantjes en wijn. De vrouw kwam hem vaag bekend voor. Hij kneep zijn ogen tot spleetjes en dacht diep na. Toen wist hij het: ‘The Helena’. Het was dezelfde vrouw als op de boot-foto. ‘Helena’s Winery’. Helena was haar naam. Maar van wie? Van iemand die hij kende? Zijn vrouw? Zijn dochter? Ze was veertig, hooguit vierenveertig. ‘A place to meet with friends’, een schijnbaar neutraal zinnentje, maar duidelijker kon het voor Jeffrey niet zijn. Het was een bericht van oom en hij wilde dat hij kwam! Hij gooide de krant op tafel en plofte op een stoel met de kaart in beide handen om elk detail te bekijken. Hij moest zien te ontdekken waar oom op dit moment verbleef. Hij bekeek de postzegel en zag dat hij in Languedoc, Frankrijk was afgestempeld. Een grote streek wist hij. Frankrijk. Er begon hem iets te dagen. Hij wist zeker dat hij tussen de bankafschriften van ooms schenkingen een adres in Frankrijk was tegengekomen. Jeffrey sprong recht en liep naar de kast, nam er een kaft uit en bladerde door de laatste afschriften. Zijn vinger gejaagd natmakend, bekeek hij ze één voor één. Hij vond al snel wat hij zocht: een overschrijving naar een weeshuis genaamd ‘Sint Hélène’ in Ambroix, France. Weer die ‘Helena’. Hij wist dat er jaarlijks een bedrag op de rekening van die instelling werd overgemaakt. Nu hij er over nadacht, had oom Howard er nooit over verteld. Bestond het dan wel? De foto’s! Als het weeshuis bestond moesten er foto’s en brieven zijn! Jeffrey nam het laddertje. In de hoogste kasten bewaarde hij de fotoboeken en correspondentie van oom Howard. Hij nam het doosje met daarop geschreven: ‘Mijn kinderen’ en zette het op tafel, haalde alles eruit en bekeek ze nog eens aandachtig. Bij één foto sloeg zijn hart letterlijk een slag over. Hij zat zomaar tussen enkele brieven afkomstig van een weeshuis in Argentinië. Jeffrey schrok toen hij dezelfde vrouw vanop het kaartje en de boot-foto herkende. In haar armen had ze een meisje van een jaar of twee en naast zich een jongen van zes of zeven. ‘Mijn kinderen’, de naam van de doos, kreeg plots een heel andere betekenis. Op de achterkant: ‘Sint Hélène, 1985’. De enige foto van dat zogenaamde weeshuis dat er waarschijnlijk helemaal geen was. Hij was verbluft. Die kinderen, waren dan zijn kinderen? Hij stond recht en legde alle stukjes naast elkaar. Was hij net tot de constatatie gekomen dan zijn oom nog leefde, vrouw en kinderen had, zichzelf via een ingenieus systeem geld doorsluisde en al vijf jaar bewust ondergedoken had gezeten? Maar waarom? Het moet iets met zijn verleden te maken hebben! Zijn werk of een voorval dat hem er toe noodzaakte het bestaan van vrouw en kinderen te verzwijgen en iedereen te doen geloven dat hij dood was. Hij had vijf jaar gewacht tot de erfenis was geregeld en iedereen Howard Hyde was vergeten om dan terug contact te zoeken met Jeffrey. Het was verbluffend slim. Als het waar was, moest hij oom nageven dat hij het erg goed had gespeeld. Niemand had deze mogelijkheid overwogen. Zelfs hij niet. Na al die jaren wist hij nu wat hij was blijven hopen: oom was niet dood, ze gingen elkaar weerzien en wel binnenkort! Marianne! Hij moest Marianne bellen. Ze zouden deze zomer naar Frankrijk gaan. O ja, deze zomer gingen ze ‘Helena’s Winery’ bezoeken, een plaats om met vrienden te vertoeven! -tekst Katelijn Van Hove-  

Katelijn Van Hove
0 0

Benito en de poezenblues

Ik maak me zorgen over Maurice. Maurice is een kat, mijn kat, een grote kat, een stevige kat. Een kat die muisjes in de muil neemt om ze vervolgens uit te spuwen.   Ik weet wat Maurice van plan is. Ik weet niet wat Maurice van plan is, maar ik weet wel waar Maurice mee bezig is.   Maurice schuimt het internet af naar toespraken van Benito Mussolini. Dat zie ik in mijn zoekgeschiedenis.   Ik heb Maurice er al op aangesproken. Ik heb hem gezegd: 'Maurice, die man, die Benito... Dat was een zwarthemd. En een vechtjas. Geen man om een geïndustrialiseerde staat te leiden, dus.' Maar Maurice keek me schaapachtig aan en miauwde iets dat ik niet verstond.   Gisteren heeft Maurice artikels gelezen over de vrouwen van Mussolini. Il Duce stond erom bekend een robuust minnaar te zijn, maar welke boodschap heeft een poes daaraan? Wou Maurice me iets duidelijk maken? Dat zijn castratie niet goed gelukt is misschien? Ik vroeg hem dan ook: 'Maurice, wil je me iets duidelijk maken?' Maar hij liep naar zijn kattenbak. Toen vroeg ik: 'Maurice, wie heeft je Italiaans geleerd? Wie, Maurice?' Geen antwoord.   De poezenpsychologe die wekelijks langskomt, weet het ook niet. Ze is mooi, die poezenpsychologe. Ik doe alsof ik van teflon ben. Ze mag ook eens een beetje moeite doen voor me.   Maurice heeft de beelden bekeken van de Mars op Rome. Hij was volledig opgezweept toen ik thuiskwam. Ik heb hem in de hoek gezet. Hij heeft de nacht erop in alle plantenbakken gekakt. Ik weet niet meer wat te doen.   De poezenpsychologe en ik roken een sigaret in bed. Ze is poedelnaakt en dat staat haar goed. Ik zeg: 'Ik maak me zorgen om Maurice. Hij leunt iets te zeer naar rechts.' De poezenpsychologe lacht: 'Ach, Mussolini was de kwaadste nog niet. Hitler, Stalin, Pol Pot... dat waren massamoordenaars. Maar Mussolini? Een fascistisch clowntje. Een voetnoot in de geschiedenis. Laat Maurice maar doen.' 'Jij kan me geruststellen', zeg ik.   De poezenpsychologe schaterlacht en verandert in een tijger.

Michaël Verest
14 0

Eruptie.

Hij.  Zwijgzaam. Stil en onrustig. Stil, onrustig en onopvallend. Volgt de modetrends niet. Een paar neutrale donkere schoenen, een jeansbroek en een trui zoals er nog vijf andere in zijn kast hangen. Een bril die hij tien jaar geleden gekocht heeft en die nog steeds functioneel is. Een krullende bos haar op zijn hoofd waaraan hij nooit aandacht heeft besteed. Het uiterlijk van een professor, maar dan niet van het verstrooide type. Eerder van het type dat goed georganiseerd is en welbespraakt wat het eigen vakgebied betreft. Zwijgzaam echter wat alles buiten het eigen vakgebied betreft. Een vulkaan die op uitbarsten staat.   Zij  Spreekt voor twee. Praatziek en heel aanwezig. Als hij een zin begint, maakt zij die voor hem af. Het gezicht onopgemaakt. Draag neutrale kleren. Heeft wel schoenen met hakken aan.  Waarschijnlijk ter compensatie van haar kleine gestalte. Een kwetterende vogel die theatraal boven op een tak zit. Die niet kan begrijpen dat andere mensen andere voor- en afkeuren hebben dan zijzelf, die het moeilijk heeft met veranderingen, die voldoende heeft aan haar werk en haar gezin. Heeft er geen idee van dat ze naast haar eigen woorden, ook de onuitgesproken onrust van haar man braakt. Een vulkaan die een deksel nodig heeft.   Zo noteerde Emma, een gerespecteerde relatietherapeute, haar bevindingen van het koppel dat voor haar zat in haar notitieschrift. Dit koppel helpen om gewoontepatronen te doorbreken zou een harde noot worden om te kraken, maar ze had al moeilijkere gevallen over de vloer gekregen en had vertrouwen in zichzelf en in het proces dat ze zouden gaan. Toen ze vertrokken waren, schreef ze verder. Ze maakte graag gebruik van beelden in haar beschrijvingen van vastgeroeste patronen en bezat de gave om deze beelden ten gepaste tijde in te zetten in de therapie.   Reden van aanmelding. Hij. De vulkaan die twee weken geleden tot een gigantische uitbarsting was gekomen. De lava die zo lang had liggen smeulen, was met een enorme kracht naar buiten getreden en had meer dan honderd huizen naar de vernieling geholpen. Hij was geschrokken van zichzelf. De uitbarsting duurde welgeteld 10 minuten maar voor hem leek het alsof het een eeuwigheid had geduurd. Na 10 minuten waren schaamte en schuldgevoel hem ter hulp gekomen. Zij hadden het puin opgeruimd en waren op zoek gegaan naar een reusachtig deksel. Toen ze dat gevonden hadden, hadden ze het op de top van de vulkaan geplaatst. Ze drukten het na twee weken nog altijd stevig op zijn plaats en kregen hierbij ook nog de steun van angst, angst voor een nieuwe uitbarsting. Zij. Hevig ontregeld door zijn uitbarsting. Ontdaan door de agressieve klanken die hij had gespoten en de heftige beschuldigingen die uit hem waren gestroomd. Geschrokken van hoe de fundamenten onder haar voeten waren gaan trillen en hoe haar ramen aan diggelen waren geslagen. Ze had zich klein en nietig gevoeld in zijn aanwezigheid, iets wat hij háár verweet. Ze had zich monddood gevoeld, ook een verwijt aan haar adres. Ze was bedolven geweest onder het puin en had nadien nog heftige naschokken gevoeld. Beetje bij beetje had ze zichzelf opgeraapt, was ze opnieuw begonnen met adem te halen. En toen hij voor de vijfde keer sorry had gezegd, dacht ze het hele voorval voor eens en altijd terug op te kunnen bergen. Ze had het graag in een doosje met slot gestopt en het veilig weggeborgen in een kast. Als niet...

Aline S
0 0

Onzichtbaar

Elke keer als ze naar de stad gaat, hoopt ze hen niet tegen te komen. Als ze de aasgieren op haar ziet afkomen, probeert ze weg te duiken of zich onzichtbaar te maken. Eigenlijk is het frappant dat ze tijdens de vergaderingen op haar vorig werk meestal onzichtbaar was terwijl ze door de aasgieren wonderbaarlijk snel wordt opgemerkt en deze roofvogels in haar een ideale prooi zien.   Ze weet ondertussen heel goed waar de bloeddorstigen die geld proberen te ronselen zich ophouden. En als het ook maar even kan, vermijdt ze die plaatsen.  Vandaag echter wil ze in die ene winkel, waar er vaak twee haar staan op te wachten als ze buitenkomt, ondergoed kopen voor haar vierjarige dochter.   Ze speurt in het rond als ze haar sleutel in het fietsslot steekt, is opgelucht niemand met een duidelijk opschrift op zijn borst te bemerken en is van plan zich snel naar binnen te haasten. Doen alsof je gehaast bent, is altijd een goede tactiek. Ze heeft het al vaak gezien: mensen die op hun duizendste gemak aan het winkelen zijn en die dan plots zeer dringend ergens moeten zijn als ze aangesproken worden door een man of vrouw van het goede doel. Wanneer ze zich terug opricht, staat hij al naast haar. Als een schim lijkt hij uit het niets te zijn opgedoken. 'Dag mevrouw, er is mij verteld dat mensen met coole mutsen met veel plezier geld schenken aan het goede doel. Hebt u even tijd voor mij?' Zijn woorden vormen wolkjes in de koude lucht.   Ze aarzelt en maakt aanstalten om verder te gaan. Het is ijzig koud en ze wil eigenlijk gewoon naar binnen. Ergens voelt ze zich ook wel gevleid en zet ze haar hippe muts wat rechter. De niet onaardig uitziende jongeman, op de been voor Oxfam, speelt gretig in op het moment van twijfel. 'Zal ik u even vertellen wat wij allemaal doen en hoe u ons daarbij kan helpen?' vraagt hij met het enthousiasme van iemand die geroutineerd is en die al menig persoon heeft weten te overtuigen.   Ze voelt zich schaakmat gezet. Nu nog zeggen dat ze geen tijd heeft, is ondertussen geen optie meer. 'Ja, heel even dan,' zegt ze snel met een half oog op de winkel en een half oog op hem gericht. 'Wat vindt u ervan, mevrouw, dat er boeren zijn in het Zuiden die meer dan 10 uur per dag werken en dan toch in armoede leven?' 'Dat is niet eerlijk,' antwoordt ze zacht. En ze vindt het ook echt niet eerlijk en zeer onrechtvaardig en het is ook helemaal niet dat het haar niet raakt, maar op dit moment is ze zelf op zoek naar een nieuwe job en moet ze rondkomen van een werkloosheidsuitkering die na een jaar nog amper 300 euro per maand bedraagt omdat ze samenwonend is. In tegenstelling tot wat haar familieleden denken, is dit een extreem laag bedrag voor iemand die op één jaar tijd duizenden sollicitatiebrieven verstuurd heeft, honderd antwoorden heeft gekregen waarvan 80 negatief; voor iemand die 20 gesprekken heeft gevoerd waarvan twee met positieve feedback maar met geschiktere kandidaten. Dus voelt ze zich ongemakkelijk en wenst ze dat ze assertiever kon zijn en hem zou durven onderbreken, maar dat durft ze niet.   'Nee mevrouw, zo zou het inderdaad niet mogen zijn. En daarom zijn wij er, mevrouw. Wij zijn er om dit onrecht uit de wereld te helpen. Zoals u wellicht weet, gaat een product door heel wat verschillende handen voor het in die van u terechtkomt. Wij willen ervoor zorgen dat elke schakel in dat proces, elke persoon die erin betrokken is, een eerlijke kans krijgt en dus ook een eerlijk loon. Zou het niet mooi zijn, mevrouw, indien u, door ons maandelijks een gift te schenken, uw steentje kan bijdragen op weg naar een betere wereld?' 'Euh ja, inderdaad. Ik zal er eens over nadenken', zegt ze dan. Op het moment dat ze zich wil omdraaien, houdt hij het formulier dat ingevuld moet worden onder haar neus. 'Nu inschrijven, bespaart u heel wat administratieve rompslomp, mevrouw. U kunt uw bijdrage op elk moment stopzetten en uw gift is bovendien fiscaal aftrekbaar. Waarom zou u nog twijfelen, mevrouw met de coole muts, de luisterbereidheid en de mooie ogen?' probeert hij nu het onderste uit de kan te halen. Ze wil zo graag geliefd zijn. Ze is het laatste jaar zo vaak afgewezen geweest dat ze het niet over haar hart krijgt deze jongeman die het hart op de goede plaats heeft en die opkomt voor mensen in moeilijke situaties zoals zijzelf, de rug toe te keren. Voor ze het goed en wel beseft, heeft ze het formulier ingevuld, met een week gevoel in haar maag, dat wel. En hij bedankt haar met zijn jeugdig enthousiasme. Hij neemt haar hand vast en kijkt haar in de ogen. 'U maakt zoveel mensen gelukkig door dit te doen, mevrouw', zegt hij. 'U zal het zich niet beklagen.' En weg is hij, op zoek naar een nieuwe prooi.    In de winkel gaan haar gedachten alle kanten op. Ze overtuigt zichzelf ervan dat ze dit gedaan heeft omdat ze nu eenmaal in een betere wereld wil wonen. Ze probeert zichzelf ervan te overtuigen dat er nog mensen zijn die én aan Oxfam én aan Amnesty én aan Artsen zonder grenzen, geld doneren. Ze maakt zich sterk dat het telkens om een zeer minieme bijdrage gaat en dat het beter is aan elke organisatie iets te geven dan veel aan één enkele. Ze weet alleen nog niet zo goed hoe ze dit nu straks thuis aan haar man zal moeten uitleggen. Misschien kan ze er wel voor zorgen dat hij het niet te weten komt. Tenslotte is zij degene die de geldzaken beheert.   Ze besluit alvast wel om vandaag geen geld meer te geven aan bedelaars. Onderweg naar de stad heeft ze immers al 2 euro in totaal uitgegeven aan bedelende daklozen: een halve euro aan de man die een been miste en toch hoopvol leek, 1 euro aan de vrouw met de meest gepijnigde blik in haar ogen die ze ooit had gezien, en nog een halve euro aan drie sjofel geklede straatmuzikanten waarvan er twee een paar tanden misten. Ze durfde al deze mensen nooit lang aan te kijken, als schaamde ze zich in hun plaats. Met het hoofd naar beneden, ineengedoken, wierp ze snel en behendig het muntstuk in hun hoed of kommetje zonder hun eventuele blijk van dankbaarheid af te wachten.   Maar haar besluit voor vandaag staat vast: haar geldbuidel gaat na deze aankoop voor haar dochter definitief dicht, hoe behoeftig iemand ook naar haar mag kijken. De aasgieren buiten vormen nu geen bedreiging meer. Eens ze jou als prooi gehad hebben, laten ze je gerust en gaan ze cirkelen rond andere bereidwilligen. Ze is dan wel werkloos, maar ze doet vrijwilligerswerk, doneert aan goede doelen en geeft geld aan bedelaars. Jammer dat niemand haar daar ooit eens een pluim voor geeft, dat dat geen kwaliteit is die gewaardeerd wordt in haar zoektocht naar werk. Jammer dat niemand voor haar doet wat zij voor anderen doet. Jammer dat ze onzichtbaar is.

Aline S
0 0

De boot en de woestijn

  Ik heb een botenwinkel geopend in het midden van de Sahara. De passerende nomaden zijn geïnteresseerd in mijn handelswaar, maar vragen er zich het nut van af.   'Het nut? Het nut? Die mooie vrouwen van jullie, zijn die nuttig?' piep ik. Daar hebben ze geen antwoord op, maar ze bieden me er wel één aan. Eén die ik graag in ontvangst neem.   Mijn gloednieuwe vrouw is een harde werkster. Ze heeft marketing gestudeerd aan de universiteit van Caïro. Ze promoot mijn boten via Facebook.   Steeds meer woestijnnomaden vinden hun weg naar mijn winkel, maar hebben geen geld om mijn boten te kopen, hoewel ze me op het hart drukken dat het de mooiste boten zijn die ze ooit gezien hebben.   Mijn vrouw fluistert me in dat ik boten moet ruilen tegen kamelen. Ze fluistert naakt, zoals altijd. Ik luister gekleed. Binnen de kortste keren zijn al mijn boten uitverkocht en heb ik veel, maar dan ook zeer veel kamelen.   Ik vraag mijn vrouw wat een kameel zoal eet. En vooral: waar we dat eten op de kop kunnen tikken. En nog meer vooral: hoeveel me dat zal kosten.   Mijn vrouw heeft geen antwoord op mijn prangende vragen. Ik verlaat haar op een kameel en laat dat dier de etalage van mijn vroegere botenwinkel uit schoppen. Ik weet niet of mijn vrouw één traan gelaten heeft.   We zijn nu enkele weken later en we bereiken de kust. Blijkbaar kunnen kamelen lang zonder eten en drinken. Ik niet, dus ik ben stervende. Ik jaag mijn kameel de zee in, met mezelf nog steeds geklemd tussen zijn twee bulten. Kamelen zijn slechte zwemmers. En ik heb geen kracht meer. Een boot vol nomaden passeert. Zie ik daar mijn vrouw? Of is het een fata morgana? Is zij een fata morgana? Was dat haar naam?   Mijn kameel en ik zinken naar de bodem. De wereld ligt open.

Michaël Verest
0 0

You know what I mean

I wish I could write you a lovesong To show you the way I feel   _________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________   _________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________   _________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________   _________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________   _________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________   _________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________   Seems you don’t like to listen   http://erwinabbeloos.over-blog.com/

Erwin Abbeloos
12 0