Zoeken

roze

Ze heeft iets voor me, zegt ze met een ietwat ondeugende glimlach, terwijl ze de handen achter de rug houdt. ‘Je mag nog niet kijken.’ Ik sluit gewillig de ogen, benieuwd met welke verrassing ze dit keer komt aanzetten. Klaartje is een kei in verrassingen, kleine ditjes en datjes, een gedroogde bloem, een gedicht, een schelp. Dit keer zal het niet anders zijn. Ik zal overdreven blij reageren, de gelukzaligheid zal uit haar ogen stromen.        Ik houd mijn handen voor me uit, handpalmen naar boven, in afwachting van het lieflijke niemendalletje dat ze erop zal leggen. Iets hards raakt mijn huid, het weegt zwaar, ik heb beide handen nodig om het te dragen. ‘Je mag je ogen opendoen!’        Ik zie een groot, plat, roze ding. Het blijkt een steen te zijn, een roze egale steen van wel vijftien centimeter doorsnee, twee centimeter dik. ‘Wow,’ zeg ik zachtjes, twijfelachtig. Het ding is zo apart dat ik niet weet wat te zeggen. Het is niet bepaald mooi, maar het lijkt ook weer niet uit de natuur te komen, het roze, de egaliteit zijn haast te gemaakt. ‘Op het strand gevonden,’ zegt Klaartje trots. ‘Ik moest meteen aan jou denken.’   Al de spulletjes die Klaartje me de afgelopen maand heeft geschonken liggen slordig in een hoek van mijn kast. Ik hou ze bij uit beleefdheid, zoals ik dat voor mijn petekind zou doen. Niet omdat de spullen mooi of waardevol zijn, maar omdat ze van haar komen, omdat zij er waarde aan schenkt. Dit keer blijf ik echter geboeid naar het ding kijken. De pretoogjes tegenover me wachten op een antwoord, een oordeel. ‘Het is echt… heel speciaal, Klaar,’ slaag ik erin te zeggen. Ik kijk haar aan, onze ogen haken zich in elkaar vast. Ze pakt de steen weer uit mijn handen en loopt ermee naar binnen. Ik weet niet of ze wil dat ik volg, besluit van niet.        ‘Ik heb hem op een bijzondere plaats gelegd, zodat je altijd aan me blijft denken.’ Klaartje vertrekt morgen weer naar huis, naar de drukte van de stad. Ik mag er niet aan denken daar zelf weer naartoe te moeten. Gelukkig heb ik dit jaar een permanente woonplek gekregen hier in Tommelein. Waarom het zo heet weet ik eigenlijk niet. Misschien betekent het iets, maar ik heb het nooit aan Jan of Els gevraagd.   Klaartje is een van de sporadische bezoekers die hier komen. Ze is ongeveer van mijn leeftijd, Els is haar tante. Ze zou een maand blijven, moest er even uit. De eerste dagen heb ik haar vanuit de verte bespied, wantrouwde haar maar bleef kijken. Ik maak niet snel contact met andere mensen. Ze had een wipneus en heel veel sproeten, wat ik erg vond voor haar. Ik was plots blij met mijn bescheiden neus en egale huid. Pas toen ze onverwacht in mijn tuin stond en met een brede glimlach ‘Hallo!’ zei, zag ik dat de sproeten haar iets bijzonders gaven. Een sfeervolle omlijsting van de lachrimpels en fonkelende ogen. De wipneus leek verder de lucht in te gaan als ze lachte. Ik vond het wel grappig.        Ik vind haar wel grappig. Ze vertelt, danst, lacht, brengt me cadeaus. Zelf zeg ik meestal weinig, luister en kijk des te meer. Haar bewegingen fascineren me, terwijl haar stem en de melodie van haar lach me bedwelmen. Algauw raak ik in de ban van de sproeten die een tekening van vele verhalen op haar gezicht lijken te schetsen. Van de wipneus ben ik nog steeds geen fan, maar neem hem op de koop toe.   Dat ik verliefd op haar ben wist ik pas toen ze een week weg was. Elke avond had ik naar de steen gekeken die ze op mijn nachtkastje had gelegd, naast de kaars die ik steevast voor het slapengaan brand, voor mezelf, voor mijn familie ver weg, en inmiddels ook voor haar. Terwijl ik het gladde oppervlak van de steen aanraakte dacht ik aan haar, besefte dat de steen zonder haar minder straalde, zijn betekenis verloor. Ik had contactgegevens maar durfde niet te schrijven. Wat moest ik zeggen? Ze zou me stom vinden als ik zei dat ik haar miste. Klaartje was iemand die in het moment leefde, ik geloof niet dat ze ‘missen’ zou begrijpen. Misschien hield ik mezelf dat maar voor, omdat ik vooral bang was van mijn eigen gevoelens. Zodra ik ze op papier zou zetten zouden ze echt zijn, onontkoombaar.        Op een avond, terwijl mijn vingers de gladde steen strelen, weet ik plots wat ik moet doen. De volgende ochtend, na een koortsachtige droom waarin haar sproeten erg dichtbij waren en haar wipneus mijn wang beroerde, kruip ik vastbesloten uit bed en neem de steen mee naar buiten. In de tuin ga ik op zoek naar iets waarmee ik mijn plan ten uitvoer kan brengen. Na een half uurtje vind ik een puntige steen en een stevig stuk hout. Ik leg de roze steen voorzichtig op de terrastegels, plaats de punt van de andere steen in het midden en beuk op de bovenkant met het stuk hout. Het lijkt niet meteen te willen lukken, maar uiteindelijk geeft het roze met een krak zijn geheimen prijs. Binnenin, langs beide zijden van de breuklijn is de steen bruinrood, als een bloedend hart. Ik weet niet of ze de boodschap zal begrijpen, misschien vindt ze het vreemd om een halve steen in haar brievenbus te vinden. Ik wacht geduldig af, raak elke avond de bruinrode kern aan, wetend dat daarin de waarheid verscholen ligt van haar gevoelens en de mijne.   Ik lig in bed, op nauwelijks vijftien centimeter van mijn gezicht liggen de sproeten en de wipneus om een gesloten mond, gesloten ogen. Ik reik er met mijn vingers naar, besluit dan om haar niet wakker te maken. Mijn hand grijpt over haar heen naar het nachtkastje, waar ik net de breuklijn kan voelen die de twee delen roze met elkaar verbindt.

LL Rigby
0 0
Tip

Het cadeau

De nacht dat mijn oma stierf wist ik niet dat het mooiste cadeau in een schoendoos op mij lag te wachten. Het was totaal onverwacht toen het ziekenhuis belde. Er waren complicaties. Een longembolie. Het had niet lang geduurd.  Ik kon het niet geloven. Hoe kon mijn oma nu doodgaan? De familie was kwaad en overlegde of ze een klacht zouden indienen. Wat ik mij vooral herinner was de machteloosheid en het immense gemis dat ons toen overviel.     De laatste groet was pijnlijk, maar ik wou er absoluut bij zijn. Ook al was ik nog maar een kind, ik moest met eigen ogen zien of het wel mijn oma was die daar lag. Op de begrafenis liet ik geen traan. Deed mij vooral stoerder voor dan ik was. Misschien ook wel onbewust, om de plaats van mijn mama in te nemen, voor haar was het emotioneel te zwaar.  Van de plechtigheid heb ik nog maar een paar vage beelden. De weg naar het kerkhof en wat er daarna gebeurde, het is allemaal weg. Alsof mijn geheugen het ergste gewist heeft.   Bij het leeghalen van het huis verdeelden mijn mama, haar zus en broer de inboedel. De kleinkinderen, waaronder ik mochten een aandenken uitkiezen. Mijn zus had vooral oog voor de porseleinen pop waar ze altijd mee gespeeld had telkens we op bezoek gingen en mijn neef koos de go-cart met houten blokken over de pedalen. Als ik had mogen kiezen, dan had ik mijn oma gekozen, maar dat ging niet zei mijn mama.    Toen dacht ik aan de brief van jaren geleden. Het was bijna Pasen. Ik had mijn oma geschreven dat ik graag bij haar paaseitjes kwam rapen, dat ik mijn best deed op school en of ze mijn brief voor altijd wilde bewaren. Of die brief er nog was, wist ik niet. Maar in haar nachtkastje stond een schoendoos. Tussen vergeelde krantenknipsels, oude bankbiljetten en enkele verkreukte doodsprentjes vond ik hem. Ik was veertien maar ik wist meteen, een mooier cadeau dan dit zou ik nooit meer krijgen.   Volgende week word ik eenenveertig. Zoals ieder jaar op mijn verjaardag lees ik dan luidop voor. Uit eerbetoon aan mijn oma, uit machteloosheid en immens gemis, maar vooral opdat mijn geheugen haar nooit zou wissen.   Diegem 18 maart 1983   Lieve oma,   Het is bijna Pasen en dan kom ik weer bij u. Dan kan ik in de tuin paaseitjes rapen maar ik mag er niet te veel eten anders word ik ziek en krijg ik misschien buikpijn. Ik doe mijn best op school en ik vraag een brief van mijn lieve oma terug. Nu sluit ik maar. Dag oma tot binnenkort. Nog vele lieve kusjes van mijn zus, mama, papa en je kapoen.   Sascha xxxxxx xxxxxx xxxxxx   Ps. Kun je mijn briefje altijd bewaren

Sascha Beernaert
34 0

vlucht

Terwijl ik rennend de lange meters afleg die me nog scheiden van de gate, tasten mijn vingers in plotse paniek naar de rechterzak van mijn jas, wriemelen de knop open en vinden tot mijn grote opluchting het papiertje dat tegenwoordig dienst doet als vliegticket, netjes om mijn identiteitskaart gevouwen. Het is een gewoonte die ik al jaren heb. Gezien ik regelmatig vlieg is het goed om bepaalde routines te handhaven: na het inpakken boardingpass opsnorren, identiteitskaart uit portemonnee vissen, samenvouwen en hop in de rechterjaszak. Geen kans op onnodig gewroet in de handtas bij de douane, geen kans op vergeten. Maar gisteren was ik mezelf niet, het inpakken ging moeizaam, bij elke handeling betrapte ik mezelf erop dat mijn gedachten afdreven naar de nacht voordien. Ik kon me dus ook niet herinneren dat ik de papieren volgens de standaardprocedure had opgeborgen. Regelmaat vs. verwarde harten: 1-0. In de jaszak zit nog iets, ik vis het eruit, mijn hart slaat een slag over. Het is het toegangskaartje van het concert eergisteren, met achterop het telefoonnummer van Rui gekrabbeld. Terwijl mijn vingertoppen over de letters strijken die hij geschreven heeft, voel ik zijn vingertoppen weer over mijn blote onderrug glijden. Zie ik Jan, die met me danste en zoende als een verliefde puber. Terwijl ik als eersteklas hypocriet over zijn schouder heen flirtte met de gitarist, die me geen seconde uit het oog verloor. Jan was vrolijk dronken en blind voor alles om hem heen, blind voor mij die hij zo verliefd aankeek. De gitarist vond me, rokend met mijn rug tegen de muur van de steeg, nam de peuk van me over, trok eraan, gooide hem weg, kronkelde zijn linkerarm om mijn middel, drukte me tegen zich aan, bracht zijn lippen tot vlak voor de mijne. Terwijl onze adems versmolten wist ik dat ik verloren was – en Jan de verliezer. Zonder zijn ogen van de mijne af te wenden zoende Rui me met een intensiteit die mijn knieën deed trillen. In één beweging tilde hij me op, met zijn rechterhand onder mijn jurk, vingertoppen onder de rand van mijn slip. Zonder aarzeling zocht mijn hand zijn kruis, zijn riem, zijn rits. Onze lippen bespraken wat moest gebeuren, zonder een woord. In een paar tellen en met minimale onhandigheid wisten we elkaar te vinden. Zijn vlees in het mijne, mijn vlees om het zijne. Nooit was de liefdesdaad zo statisch en tegelijk extatisch. Het kloppen van zijn geslacht werd me uiteindelijk teveel en ik kwam klaar met mijn hete adem in zijn mond. Dat ook hij was klaargekomen wist ik pas achteraf toen ik op de WC zat te kijken naar de kleverige inhoud van mijn slip. Ik rook eraan alsof het een ruiker bloemen was. Durfde niet te denken aan Wat nu?, wist alleen dat onze bewegingsloze dans slechts kon betekenen dat vanaf nu elk ander contact eraan zou gemeten worden. Dat het kaartje met zijn nummer het meest erotische voorwerp was dat ik ooit in handen had.  

LL Rigby
0 0

curves

(beeld: An impossible dialogue on repeat van Nel Aerts) Dat ik recht was en hij krom scheen er niet toe te doen, net zo min als ons verschil in kleur of het feit dat we een andere taal spraken. Ik hoorde zijn klanken en zag zijn gezicht. Begreep vanuit de lichte beweging van een neusvleugel of de trilling van een wenkbrauw de achterliggende emoties die overigens door geen enkele zin in geen enkele taal met dergelijke precisie zouden kunnen worden beschreven. Wanneer ik aan de opwaartse tendens van zijn intonatie merkte dat hij mij een vraag stelde gaf ik antwoord. In mijn eigen taal, op een willekeurige vraag. Een vraag die ik graag wilde beantwoorden, of net niet. Ik formuleerde woorden waar ik blij mee was of waarvoor ik me zo schaamde dat het me bevrijdde om ze uit te spreken tegen iemand die niet de woorden maar wel de gevoelens erachter begreep, wilde begrijpen. Een gesprek zonder enige zin, dat tegelijk het meest waarachtige was wat ik ooit had gedaan. Zwijgen en luisteren, naar klanken als houders van betekenis. Niet de eigen blik in de reflectie van de ander zijn oogbol zoeken maar kijken en de ander zien, een schets maken van diens pijn en vreugde aan de hand van de lijnen van zijn gezicht en de minuscule spiertrekkingen. Spreken zonder filter, angst of schaamte, zonder zoeken naar de juiste woorden, zonder rekening te houden met de mogelijke interpretatie van de ontvanger. De boodschap zichzelf laten vertellen. Mijn adem en zijn adem in een rustig tempo op elkaar in laten werken, met de stroming van onze emotionele hoge- en lagedrukgebieden mee. Onze harten laten kloppen op het zelfde ritme. Samen onszelf zijn, meer dan we ooit onszelf waren geweest.   Dat ik recht was en hij krom scheen er niet toe te doen, net zo min als ons verschil in kleur of het feit dat we een andere taal spraken. Ik hoorde zijn zuchten en zag zijn lichaam. Begreep vanuit de lichte beweging van een vinger of het trillen van een spier de achterliggende verlangens die overigens door geen enkele zin in geen enkele taal met dergelijke precisie zouden kunnen worden beschreven. Wanneer ik aan de vragende tendens van zijn ledematen merkte dat hij de leiding aan mij wilde geven, beantwoordde ik hem met een streling, een zoen of een krachtige afdruk van mijn vingers op zijn huid. Ik deed wat ik kende, of wat nieuw voor me was. Ik voerde liefkozingen uit die ik normaal niet durfde en net daarom over hem uit moest storten. Omdat hij ze ontving en wilde ontvangen. Een samensmelting van tegengestelde lichamen, die tegelijk zo vanzelfsprekend leek dat onze vormen tot op de millimeter in elkaar leken te passen. Stil blijven en ontvangen, nemen zonder schroom. Geven zonder remmingen, angst of schaamte, zonder denken over de juiste handelingen, me niet afvragend welke aanraking hem meer of minder zou opwinden. De lust zijn eigen dans laten voeren, op het ritme van zijn adem en mijn adem, die lyrisch en staccato om elkaar heen kronkelen tot ze uitmonden in een hijgend crescendo van passie. Onze hartslagen voelen door de huid van de ander zonder nog te weten welke beat wie toebehoort. Samen één zijn, meer dan we ooit twee waren geweest.

LL Rigby
3 0

Bijster

Pieter staart naar het immense kleurenpallet. Hoeveel verschillende soorten koffiecapsules  en smaken kunnen er in godsnaam bestaan? Hij kijkt naar de krabbels op het briefje in zijn hand en dan opnieuw naar het rek. Kobe trekt aan zijn jas. ‘Komaan papa,’ jengelt hij, ‘doorgaan!’ Pieter haalt zijn schouders op en neemt lukraak enkele doosjes beet en gooit deze naast de braadworsten en de fles witte wijn in de winkelkar. Kobe loopt de hoek om. ‘Hela, wachten hé, pruts,’ zegt Pieter. Pieter loopt zijn zoontje achterna en ziet hem een enorm pak chip dragen. ‘Leg dat maar terug,’ zegt Pieter. Kobe kijkt Pieter aan met een brede grijns en tovert een tweede kleinere zak van achter zijn rug. ‘Deze dan?’ vraagt hij poeslief. ‘Ok dan, maar dan is het ook genoeg makker.’ Kobe legt triomfantelijk de zak chips in de kar terwijl Pieter de andere terugplaatst. Hij kijkt op zijn horloge. Hij kan beter niet al te veel treuzelen met de boodschappen. Straks komt het bezoek al. Hij draait zich om en Kobe is nergens te bespeuren. Waar is dat joch nu weer gebleven? Hij voelt zijn GSM trillen in zijn broekzak. Hij kijkt geërgerd op het schermpje. Els. Wat moet die nu? Even controleren, zeker maken dat hij niets vergeet. Dat mens heeft geen greintje vertrouwen in hem. Pieter neemt niet op en stopt de GSM terug in zijn zak.  Hij duwt de kar langzaam het gangpad uit. Kobe loopt hikkend van de lach tegen hem aan.  Pieter aait over zijn hoofd. Vijf jaar. Niet te geloven. Gisteren lag hij nog te slapen op zijn buik, melkpufjes in het gelaat, nu rent hij hier rond en vult de kar met zijn eigen zinnetjes. Pieter kijkt naar zijn zoontje. Hij lijkt op zijn moeder. Zou hij haar missen? Zou hij haar überhaupt nog herinneren? Hij was amper twee jaar ten tijde van het ongeluk. Pieter voelt aan het littekenweefsel op zijn onderarm. Hij had geluk gehad. Nu ja, wat is geluk. Tot voor kort vroeg Kobe nog af en toe naar Veerle. Was ze mooi? At ze graag macaroni, zoals ik? Waar zou ze nu zijn? Komt ze misschien nog terug? Maar de laatste tijd was hij er mee gestopt. Haar beeld is bedolven onder nieuwe ervaringen. In het hoofd van een vijfjarige is er amper plaats voor nostalgie en verlies. Ze hollen door. De toekomst tegemoet. En zo moet het ook zijn. Niet te veel stilstaan, doorgaan. ‘Was dat je telefoon?’ vraagt Kobe. ‘Het was Els maar,’ zegt Pieter, ‘waarschijnlijk om te zeggen dat we geen boter of zo mogen vergeten. Kom we gaan verder.’ Kobe draait zich om en loopt opnieuw de hoek om. Pieter volgt en probeert ondertussen het gekrabbel van Els op het boodschappenlijstje te ontcijferen. Er is geen beginnen aan.  In volgende gangpad neemt hij een kratje Duvel uit het rek en staat hij even te twijfelen of hij nog een speciaal biertje zou meenemen ook. Hij laat het voor wat het is. Best geen extra munitie voor Els aanbrengen. Hij kijkt even rond. Kobe is nergens te bespeuren. ‘Kobe?’ Geen antwoord. Pieter stapt verder en plaatst een bak plat water onder aan de kar. Kobe zal vast in de koelafdeling zijn. Daar kan je meestal proeven van een kaasje of een stukje vlees. De promotie van de week. Niet te missen, artisanaal, fantastisch, probeer het hier! Twee kopen, derde gratis! Hij knoopt zijn jas toe en laveert zijn kar door de plastic flappen. Altijd een akelig gebeuren. De kaas staat klaar. Met trotst uitgesteld op het tafeltje aan de ingang. Geen Kobe te zien. Pieter krijgt het benauwd. Waar zit die nu toch? Hij parkeert zijn kar naast het demonstratietafeltje en loopt de koelruimte door. Iedereen is druk in de weer de items op zijn lijstje te verzamelen. Vijf tomaten, een broccoli, een pak gemalen kaas, smeerboter en pizzadeeg. De klanten vullen hun karren en lijken niet op te merken dat Pieter steeds zenuwachtiger zijn zoontje zoekt. Ze willen hun kar vol en de winkel uit. De rest is afleiding. Pieter laat zijn kar staan en slaat de plastic flappen opzij. Hij kijkt door het gangpad, links, rechts. Oudjes kiezen aardappelen en kruiden. Het is warm. Terwijl hij zijn jas opent loopt hij de winkel door. Eerst zwijgend, na een paar minuten begint hij te roepen. ‘Kobe?’ Nergens te bespeuren. ‘’t Is genoeg geweest jongen!’ Pieter loopt bijna een dame omver die net een pak echte Belgische frites uit de diepvriesvak nam. De zak valt op de grond. Het besje foetert. Pieter kijkt niet om en rent verder. ‘Nu hier komen!’ Pieter zijn hart begint hard in zijn keel te slaan. Aan de kassa’s ziet hij een baasje staan.  ‘Kobe?’ De moeder kijkt om en neemt het jongetje bij de hand. ‘Kom Basje, bij mama blijven.’ Pieter kijkt de ruimte rond. Alles lijkt te draaien. Het voelt alsof hij boven de grond zweeft, door de mensen en rekken heen. Hij kan bijna niet meer ademen. Hij loopt langs de kassa’s de deur uit, de parking op. Het koopvee laadt zijn wagen en brengt trouw de karretjes terug. Auto’s zoeken een plaatsje, anderen rijden opgelucht weg. Pieter ziet in zijn ooghoek een bruine bestelwagen de parking afrijden. Net iets sneller dan de doorsnee klant. Pieter denkt niet na en springt in zijn wagen. Met gierende banden zet hij de achtervolging in. Pieter klemt zijn stuur vast. De knokkels wit. Hij rijdt de parking af, de steenweg op en ziet de bestelwagen bij de volgende lichten rechts afslaan. Pieter weet dat Kobe in die bestelwagen zit. Hij voelt het. Het kan niet anders. Hij drukt het gaspedaal in en gaat er achter aan. De lichten slaan net op rood. Hij negeert ze en slaat rechtsaf. De bruine bestelwagen is nergens te zien. Pieter begint te vloeken en slaat op zijn stuur. Bij het volgende kruispunt aarzelt hij. De adrenaline giert door zijn lichaam. Hij verlamt. Vastgevroren in zijn zetel. De toeter van de wagen achter hem brengt hem terug in het hier en nu. Hij slaat linksaf en rijdt met de moed der wanhoop verder. Trager nu. Onzeker en radeloos. Hij hangt over zijn stuur en speurt tussen de wagens, fietsers en achteloze voetgangers naar de bestelwagen. Het is mooi weer en druk. Gezinnetjes gaan op uitstap, anderen doen boodschappen. Iedereen is op weg naar ergens. Zorgeloos. Geen vuiltje aan de lucht. Bij elke zijstraat hoopt hij de bestelwagen terug te zien. De minuten glijden voorbij. Pieter begint zwaar te ademen. Het zweet breekt hem uit. Hij opent het raampje van de wagen en ademt diep de frisse lucht in. In zijn achteruitkijkspiegel ziet hij een bruine flits. Hij remt bruusk en draait de wagen in schokkende bewegingen om. Hij vlamt naar het volgende kruispunt en kijkt rond. Hij ziet een bruine stationwagen. Geen bestelwagen. Zijn ogen schieten vol. Hij blijft stilstaan in het midden van het kruispunt.  Het claxonneren van de andere wagens klinkt ver weg. Hij stapt uit en begint te schreeuwen. ‘Kobe! Kobe! Ik…waar…Kobe?’ Alles wordt zwart.  Hij begint te duizelen. Hij valt op zijn knieën. Zijn hoofd omlaag. Hij vecht tegen de tranen. ‘Kobe?’ snikt hij. ‘Waar ben je man?’ Pieter voelt een hand op zijn schouder. Een oude man is uitgestapt en naar hem toegelopen. Zijn stem is zacht en geruststellend. Hij is niet kwaad. Hij wil Pieter helpen. ‘Rustig, jongen,’ zegt hij. ‘Alles komt in orde, laten we eerst maar even van straat gaan, nee?’  Een halfuur later rijd Pieter de parking van de winkel weer op. Hij neemt met trillende handen zijn GSM uit zijn broek. Hij selecteert de naam ‘Els’. Zijn duim blijft hangen boven het groene telefoontje. Hij haalt diep adem, stopt de GSM weg en loopt de winkel in. ‘De politie is onderweg,’ zegt Didier.  Hij ziet bleek en probeert zich een houding te geven tegenover Pieter. Pieter zit voor zich uit te staren in het kleine duffe kantoortje boven de winkel. Didier staat achter hem. Hij twijfelt of hij Pieter een schouderklopje of zo moet geven. ‘Wil je nog een kopje koffie misschien?’ vraagt hij. Pieter blijft zwijgen. Didier bijt op zijn nagels en kijkt naar de man die voor hem zit. Zijn eerste dag als winkelmanager zat er bijna op toen deze vader de winkel kwam binnengerend op zoek naar zijn zoontje.  Hij liep al een bezetene door alle gangpaden en riep de hele winkel bijeen. Didier was net de stock aan het controleren op zijn nieuwe laptop toen er op de deur werd geklopt. Of hij niet beter eens kwam kijken. ‘Ze zullen hier nu wel elk moment zijn hoor,’ zegt Didier. Meer tegen zichzelf dan tegen Pieter. ‘Moet je nog iemand anders telefoneren?’ Pieter zegt niets. Hij haalt langzaam zijn GSM boven en kijkt naar het scherm. Els haar telefoonnummer staat klaar. Hij drukt op het groene telefoontje en brengt de telefoon naar zijn oor. De woonkamer staat vol mensen. Politiemensen lopen binnen en buiten. Op de salontafel staat een halflege thermoskan en enkele vuile koppen koffie. Els zit aan de keukentafel met een agente te praten. De buurvrouw doet alsof ze onmisbaar is en loopt de hele tijd op te ruimen. Pieter wou dat ze weggingen. Hij wil alleen zijn.  Zijn hoofd is leeg. Hij kan niet meer nadenken. Hij ziet enkel die bruine bestelwagen wegscheuren. ‘Welk soort bruin?’ had de agent gevraagd. Wist hij veel. Bruin is bruin. Een gewone bruine bestelwagen. Misschien iets naar de lichte kant. ‘Waar heb je Kobe het laatst gezien?’ Pieter was beginnen twijfelen. In de groenteafdeling? Of nee daar was hij al weg. Het was net daarvoor. Of toch niet? De agent had een en ander genoteerd in een boekje en pieter alleen gelaten. Pieter staat op en loopt door het open schuifraam de tuin in. Hij zoekt in zijn zakken en haalt er een plat pakje Drumtabak eruit. Zeven maand geleden rookte hij zijn laatste sigaret. Het was op een feestje in een kroeg in de stad. Een vriend van hem werd veertig en had de tent afgehuurd. Drank a volonté en de betere platen. Pieter had zich laten overhalen. Genoeg zielig zitten doen en wegteren. Hij moest weer onder de mensen komen. Wat was zijn alternatief? Pizza, lauwe duvel en The Voice op TV. Hij stond net een biertje te bestellen aan de bar toen Els aan zijn mouw trok.  Ze was een beetje dronken. Later zou ze beweren dat ze helemaal niets gedronken had. Ze vond hem een toffe knul en het was zonde om heel de avond aan de toog te kleven. Ze trok hem op de dansvloer. Pieter liet het gebeuren, vond het ook wel fijn. Hij liet zich gaan. Het deed ergens wel een beetje deugd. Terwijl Tante Tina iets schreeuwde over Nutbusch en city limits, legde Els haar armen om zijn nek. ‘Zie je wel. Veel leuker toch?’ Hij was die nacht bij Els blijven slapen. Op weg naar haar huis had hij zijn laatste sigaret gerookt. ‘Rook jij?’, vroeg ze. Ze trok daarbij een lelijk gezicht. Pieter had het weggelachen. ‘Niet echt. Alleen op feestjes en zo.’ Maar het pakje Drum was sindsdien onaangeroerd gebleven. Pieter opent het pakje. De tabak is droog. De geur is verdwenen. Hij peutert een verfrommeld blaadje uit het pakje Rizla dat weg gepropt zit aan de zijkant. Hij rolt onhandig een sigaret en kijkt de tuin in. Waar zou Kobe nu zijn? Het is een ondraaglijke gedachte. Zijn hart begint te kloppen en het zweet breekt hem uit. Pieter neemt een trek van zijn sigaret en hoort agenten met elkaar praten met over de schutting. Ze staan op straat naast hun combi. Pieter probeert zich te concentreren op hun gesprek. Hun politieradio braakt metalige boodschappen. Cryptische aanwijzingen en opdrachten. ‘ongeval Gentse Steenweg, over,…, 2 personenwagens’ ‘Gisteren voetbal gezien?’ ‘Nee, er was badmintontraining’ ‘patrouillewagen 45 onderweg,…’ ‘Zonder Kompany gaan we op ons bakkes gaan.’ ‘Bwah, misschien,…’ ‘Melding bestelwagen, bruin, overeenkomst signalement vermoedelijke verdwijning’ Pieter bevriest. Hij haalt de sigaret langzaam uit zijn mond en luistert gespannen naar de politieradio. ‘Stationsstraat…wagen onderweg voor buurtverhoor’ Pieter staat te beven op zijn benen. Hij kijkt door het raam naar Els. Deze staat nog steeds te praten met de agente. Hij haalt diep adem en sluipt naar het poortje achteraan de tuin. Op straat loopt hij snel naar zijn wagen. Hij moet naar de Stationsstraat. Hij moet Kobe vinden. Hij wil zijn zoontje terug.  Met trillende handen steekt hij de sleutel in het contact. Pieter rijdt langzaam door de Stationsstraat. Voor de vierde keer reeds. Er is nergens een bestelwagen te zien. Laat staan een bruine. Hij zet zich aan de kant van de weg en houdt zijn stuur krampachtig vast. Het is beter om terug te keren. Iedereen vraagt zich vast af waar hij gebleven is. Hij staat op het punt naar huis te rijden als aan de overkant van de straat een poort opendraait. Een blauwe Ford rijdt de straat op. Achter de poort ligt een terreintje met daar rond garageboxen. In de hoek ziet pieter een bruine bestelwagen staan. De poort sluit langzaam. Pieter blijft enkele seconden besluiteloos zitten en stapt dan langzaam uit de wagen. Zonder op het verkeer te letten steekt hij de straat over. Net voor de poort dichtvalt, glipt hij binnen.  Het terrein is verlaten. De boxen zijn besmeurt met graffiti. Er groeit onkruid in de spleten in het asfalt. Aan de overkant gaat de garagebox voor de bestelwagen open. Een man stapt naar buiten en opent het achterportier van de wagen. Pieter begint te rennen. Zijn vuisten gebald. Pieter brult. De knie in zijn rug drukt door. Hij voelt zijn hart bonzen tegen het natte asfalt. Hij spartelt maar het heeft geen zin. De agent kent zijn vak. Jarenlange betogingen, voetbalmatchen en caféruzies hebben hem gehard. Hij houdt Pieter zijn handen tegen de grond geklemd. Pieter draait zijn hoofd. Een pijnscheut schiet door zijn hals. Hij ziet het openstaand achterportier van de bestelwagen. In het laadruim staat een oude fiets. Niets meer. Enkele meters voor hem zit een man op de grond. Zijn hoofd bloedt hevig. Hij houdt een bebloede lap stof tegen zijn hoofd en kijkt met bange ogen naar Pieter. Een tweede agent knielt bij hem neer en legt sussend zijn hand op zijn schouder. Pieter kan niet horen wat ze zeggen. De politie was net op tijd gekomen. Enkele seconden later en Pieter had de man kapot gemaakt.  De man kwam net van een fietsenwinkel. Hij had een koopje gedaan. Een mooie tweedehandsfiets. Die zou hij met zorg weer herstellen. Een beetje nieuwe lak, een nieuwe ketting, het zadel vernieuwen. Een prachtig geschenk voor zijn kleinzoon. Hij wou net de fiets uit zijn bestelwagen tillen toen hij achteraan op zijn hoofd geslagen werd. Zijn gezicht knalde tegen het openstaand portier. Hij viel bloedend op de grond. In een waas zag hij een wildeman boven zich uit torenen. Deze maakte zich op voor de finale slag. Op dat moment werd de aanvaller gegrepen door een bonkige politieman en op de grond gesmeten. De knie wordt weggehaald. Er stroomt weer lucht naar Pieter zijn longen. Hij sluit zijn ogen en drukt zijn voorhoofd op het natte asfalt. Hij ziet Kobe.  Kobe fietst en lacht naar hem. Kobe probeert zijn kousen aan te doen, het puntje van de tong uit zijn mond, in opperste concentratie. Kobe smeert een boterham. Meer choco aan het mes dan op het brood. Met pretoogjes likt hij zijn schat af. Kobe loopt door de supermarkt, hij wijst naar allerlei soorten koekjes. Pieter blijft liggen. De ogen dicht. Hij voelt twee armen hem optillen.  ‘Nog eens hetzelfde.’ Pieter zegt het zonder opkijken. Hij roert met zijn lepeltje door het bodempje koude koffie.  Het cognacglas ernaast is al een tijdje leeg. De barman neemt het weg en zet een nieuw glas voor zijn neus. Hij knalt het koffiegruis in een lade en maakt een nieuwe koffie. Pieter neemt alvast een grote slok. Een lekker warm gevoel in zijn lege borstkas. Hij zit aan de hoek van de bar. Het is nog vroeg. Het café is bijna leeg op een verdwaald koppeltje toeristen na. Deze zitten gebogen over een kaart van de stad een fruitsap te drinken. Pieter kijkt door het raam naar buiten. De eerste winkels gaan open. De mensenmassa trekt zich op gang. Koopvee. Hij denkt aan Els. Zij was er altijd als de kippen bij tijdens de solden. Zou ze hier ergens rondlopen? Waarschijnlijk wel. Met de kredietkaart van een of andere sul. Vier jaar al. Vier jaar geleden mikte ze een lege fles wodka naar zijn hoof. Hij lag dronken op de sofa lag. Pieter hoorde enkel de deur dichtslaan. Daarna had hij ze nooit meer teruggezien. Best. Pieter drinkt het glas leeg. ‘Doe nog maar eentje,’ brabbelt hij, ‘en laat de koffie maar zitten.’ Hij staart naar de mensen op straat. Een moeder met een kinderwagen. Twee tieners druk bezig met hun telefoon. Een koppeltje, arm om de schouder, hand in de achterzak. Een man met een jongetje aan de hand. Pieter schat het jongetje ongeveer tien. Kobe moet nu ook zowat tien zijn denkt hij. Hij probeert de gedachte te verdringen. De man en het jongetje staan met de rug naar Pieter. Ze wachten om de straat over te steken. Pieter blijft kijken. Hij krijgt een onbehaaglijk gevoel. Hij ziet de man de hand van het kereltje steviger vastgrijpen. Dat haar, die hals,… ‘Kobe?’ Pieter richt zich verdwaasd op. De lichten springen op groen. De man en de jongen steken de straat over. Pieter springt van zijn kruk, valt bijna op de grond en loopt naar de openstaande deur van het café. ‘Kobe!’ Pieter schreeuwt naar de overkant. Ze stoppen. Het jongetje draait zich om. Hij kijkt Pieter recht in de ogen. Pieter staat vastgenageld aan de grond en strekt zijn armen uit.  

Bernard Govaert
0 0

Achid

Ik sta buiten op de stoep van het nachtcafé roken en een man klampt mij aan. Of hij twee sigaretten mag hebben. Het is te zien dat hij niet veel heeft. Zo heeft hij bijvoorbeeld maar twee tanden, linksonder. Ze staan wel nog netjes naast elkaar, alsof een dronken tandarts een misselijke grap met hem heeft uitgehaald.   ‘Wie zijde gij,’ vraag ik hem? ‘Achid,’ spuugt hij haastig en steekt een groezelige hand uit.   Ik geef hem een hand, zo heeft hij al iets. Hij blijft mij echter verwachtingsvol aankijken. Ik zucht en vis twee sigaretten uit mijn jaszak. Hij lacht zijn twee tanden bloot en slaat mij op mijn schouders.   ‘Wij zijn vrienden hè,’ zegt hij enthousiast. Twee sigaretten, zo weinig kost vriendschap tegenwoordig. Hoewel iemand toestaan zichzelf langzaam te vergiftigen niet door iedereen als een teken van vriendschap zal worden beschouwd.   Binnen trekt hij een iPod uit zijn zak. Als hij mij ontwaart komt hij meteen aangesprongen en stopt ongevraagd de twee dopjes in mijn oren. Een hels kabaal zaagt door mijn brein.   ‘Schoon hè,’ toetert hij boven de herrie uit. Ik knik en trek de dingen uit mijn oren. Ze zien er erg gedragen uit, to put it mildly. Maar goed dat hij het me niet van tevoren gevraagd had, want dan had ik een smoesje moeten verzinnen om de vettige stopjes niet in te hoeven. Als een echte vriend heeft hij me voor een leugen behoed.   Maar hij heeft dus niet veel. Al heeft hij wel een iPod. En veel dorst. Maar geen geld. Ik ook niet, maar geef hem toch een pint als hij daar even later om vraagt. Vanwege de mooie smoes dat hij nog moet pinnen.   Ik mag hangen als hij een bankkaart heeft.      

Hugo Luijten
0 0

De Bruiloft

  De eindeloze kasseienweg die naar de trouwerij van het jaar zou leiden, gaf me de rustige doch licht dramatische intocht die ik dacht te verdienen. Een grootse witte hoeve met lapjes vochtige weide er rond neer gepuzzeld, vredig in de valavond gebaden, soppend in de moor. De onstuimigheid van aankomend onweer werd versterkt door de drukke treden van vele arriverende sleehakken en de hoge tonen van gesmaakte kreetjes bij het zien van een vers in gelukszweet gemarineerde bruid. Zelfs ik werd er heel even kirrend van.   Schuin geparkeerd in het hoge natte gras, gaf ik mezelf een honderdste aanblik in de spiegel en vond dat ik er 30 uit zag. De luide kapsels en oog tergende patronen lagen ondertussen mijlenver achter mij en ik vond een toegeeflijke gemoedsrust in mijn sobere make-up en blinkende haren. Ik vond dat ik simpel en eerlijk oogde. Het was zo stilaan genoeg voor mij. Ik had niets meer te bewijzen. Ik dacht dit klinkklaar feit op zijn beurt te demonstreren aan de hand van een pastelkleurig kleed op knielengte. Dana Winner op visite.   Met haar knokige beentjes en zwarte kanten Halloweenjurk volgde ze hem op de voet en gaf me een ingetogen zoen. Hij lachte breed, nog steeds op dezelfde manier, zijn je-m’en-foutisme trots gedragen door een bescheiden postuur. De ongemakkelijkheid ging allemaal best vlotjes aan hem voorbij, terwijl hij ons de armpjes liet kruisen. De nieuwe en de oude. Eentje met veel eyeliner en eentje zonder.   Schuifelende voetjes, blikken in alle richtingen van het rustieke feestsalon. Tijdens de huwelijksceremonie zeiden man en vrouw mooie woorden. Verhalen gemeten op het lijf van hij en ik. Vroeger. Het drong tot me door dat we zo stilaan geen verhalen meer hadden samen. Hij las niet eens meer mijn blog.   Naarmate de drank vloeide en stiletto’s ingeruild werden voor teenslippers, moest ik steeds vaker rook- en plaspauzes inlassen, telkens even vluchtend van vrienden die naar alle waarschijnlijkheid toch niet meer de mijne waren. Ondergedoken in het kleinste kamertje, in de geur van vers gespuid braaksel, dacht ik na over mijn volgende move. Misschien eventjes nonchalant langs het dessertbuffet, daarna is het vast wel weer tijd om een luchtje te scheppen. Mensen die eerder enthousiast naar me toe zouden komen lopen, leken me nu niet te herkennen.   Terwijl de avond onhebbelijk traag in nacht veranderde, werden de ogen van het meisje kleiner en scherper. Mijn arm richting dansvloer sjorrend, trok ze steeds dichter en dichter naar me toe, tot op 5 centimeter van mijn aangezicht en blies haar verwarring mijn neusgaten in. Ik weet niet of het haar onervarenheid was waardoor ze het rebelleren van mijn hele lichaam niet kon signaleren, mijn grenzen niet kon detecteren, zelfs met de gigantische zaklamp die ik haar probeerde aan te reiken. Waarschijnlijk is het de tijd, de dagen en jaren die ons fijn besnaren. Het werd een avond van achteruit deinzen. Op zuurstofrijke afstand van dat vinnig bedwelmde kleintje die duidelijk haar edelmoedige volwassenheid te bewijzen had aan de man waar ze naar op keek. Bekken trekken. Er kwam nooit een spatie voor connectie, al was het maar een petieterig verbond, iets om mee te werken. Ik wist niet hoe ik het hem moest zeggen dus deed ik dat gewoon niet. En zoals het me betaamde, keerde ik huiswaarts.   Wanneer je je eenzaam als de pest voelt naast iemand die twaalf jaar lang iedere dag je onderbroek heeft gezien, is het tijd om naar bed te gaan. Terug door het koele natte gras met de sandalen. Voiture in, faren aan. Een perfect verlichtte tunnel in rechte lijn naar huis. Door de velden en langs de konijnen. Stilte in het landschap. ’t Was goed zo.

't schareke
0 0

zwart-wit

Machteld kan een glimlach niet onderdrukken wanneer de warmte van het zand door de zolen van haar voeten naar binnen dringt. Ze begint te rennen en hoopt dat ze haar niet zien. Ze weet niet of het verboden is te lachen of te rennen maar vermoedt van wel. Alles wordt bestraft. Een bepaalde kant op kijken – de verkeerde – levert een pak slaag of enkele uren afzondering op. Machteld is al een tijd opgehouden om het allemaal te willen begrijpen, ze houdt zich stil en ontwijkt op die manier meestal de toorn van de nonnen, dat is voldoende.   Ze laat zich op het warme zand vallen en woelt met de handen rondom zich, terwijl ze haar voeten zo diep mogelijk ingraaft. In tegenstelling tot de meeste van de kinderen is het voor haar niet de eerste keer dat ze de zee ziet. De eerste keer was met haar moeder en haar broer, maar niks aan die herinnering doet haar glimlachen. Ze kan zich niet heugen dat het zand warm was, of de golven indrukwekkend. Alles was toen grijs en grauw, of had zo aangevoeld.   Haar mooiste herinnering gaat ver terug, ze moet een jaar of twee geweest zijn. Ze herinnert zich een man en een vrouw, die zich lachend om haar heen bogen, een witte duif die voor haar zat en haar leek aan te kijken, een kleurige ballon in de hoek van haar oogveld. Mettertijd waren de beelden met elkaar versmolten, zodat wanneer ze zich gelukkig voelde, zoals nu, ze een beeld voor zich zag van een stel witte, breed glimlachende duiven met in de klauwen touwtjes waaraan honderden gekleurde ballonnen hingen. Die duiven zijn haar ouders, die glimlachen en haar cadeautjes geven.   Aan haar echte ouders denkt ze liever niet meer. Haar moeder zou haar aan het einde van de paasvakantie komen ophalen, dan zou het beter gaan met Machtelds astma en kon ze weer naar huis. Het is inmiddels augustus. Machtelds vader bestaat enkel in dat ene beeld uit haar herinnering.   Ze zijn weer terug ‘thuis’, bij het grote vervallen gebouw dat moet doorgaan als opvanghuis voor zieke kinderen. Machteld dacht eerst dat alle kinderen astma zouden hebben, maar eigenlijk zijn ze allemaal gezond, hooguit een beetje raar. En zij heeft van haar astma al een tijd geen last meer. Waarom ze hier dan allemaal zijn, vraagt ze zich vaak af. ‘Omdat onze ouders ons niet willen,’ wist Tommy haar onlangs te vertellen. Ze weet niet of dat waar is.   Omdat het blijkbaar Moederdag is zijn vanavond veel moeders op bezoek gekomen, om van hun kinderen de gedwongen felicitaties te ontvangen. Machteld heeft geen bezoek gekregen en mag daarom als troost een uurtje in de tuin zitten. Ze kijkt om zich heen en hoopt stiekem een witte duif te zien. Terwijl ze verlangt naar ballonnen en gelach hoort ze achter zich een krassend geluid. Wanneer ze zich omdraait staat ze oog in oog met een zwarte kraai die haar lijkt toe te schreeuwen: ‘Weg! Weg hier!’

LL Rigby
0 0

desnuda

Naakt sta ik naar de golven te kijken, die onder de paarse avondlucht hun ritmisch komen en gaan voltrekken. Het zout van de opgedroogde tranen op mijn kaken sluit een verbond met de zilte lucht die met een zucht over me heen waait. Ik durf me niet bewegen of om me heen te kijken, ik voel hun blikken zo ook wel. Ik wou dat het zand onder mijn voeten me zou verslinden. Ik kan geen kant op. Het donkere water beangstigt me, maar de spottende wezens achter me nog veel meer. Voorzichtig zet ik een stapje vooruit, tast met mijn tenen af hoe koud het water is. Ik voel me misselijk. Ik zou willen kotsen, schreeuwen, huilen, schuilen. Ik besef dat de golven mijn enige mogelijke schuilplaats zijn. Vaag hoor ik het gejoel achter me en breng onwillekeurig de handen naar mijn oren. Gelach. Elk zenuwuiteinde in mijn lichaam staat op barsten, ik hou het niet meer uit, ik wil uit mijn vel springen, dit lichaam achterlaten, het van me afstropen en verdwijnen in de duisternis. Ik stoot een soort oerkreet uit en begin te rennen, de golven in. De kou dringt niet door, het is alsof mijn lichaam is opgehouden met voelen. Verdwijnen is alles wat me rest. Voor ik het besef voel ik geen grond meer onder de voeten en krijg ik een eerste gulp zout water binnen. Ik ga kopje onder voor wat een eeuwigheid lijkt. Wanneer ik weer bovenkom zie ik ze daar in de verte, schemerig. Ze lijken te applaudisseren. Ik laat me weer onder water glijden. Levensdrang neemt over, mijn lichaam wil lucht en werkt zich weer naar de oppervlakte. Geschreeuw dichterbij, mijn naam. Ik zie niks dan duisternis, mijn ogen prikken van het zout. Maar ik hoor geplons. Ze komen het water in! Met de laatste resten energie die ik voel probeer ik te zwemmen, van het geluid weg. Mijn verlangen om te verdwijnen is groter dan hun wil om bij me te komen, me verder te vernederen. Ik raak verder en verder van het strand verwijderd. Ik kijk nog één keer om, en moet glimlachen om hun zielige pogingen om me te vatten. Ik duik onder, open de ogen en sper mijn mond wagenwijd open. Ik lach. Bijna thuis.

LL Rigby
0 0

de donkere kamer

Seconden voor het licht uitging, stonden ze met zijn allen zwijgend voor zich uit te staren. Ze waren op dat moment met acht; eerst waren ze met twaalf geweest, weinig voor een weekdag, hoewel, het was misschien nog wat vroeg. Omdat er genoeg ruimte was, waren ze stuk voor stuk op een veilige afstand van elkaar gaan staan, met de rug naar de enorme spiegel, blik steevast op de deuren gericht. Ieder drukte zijn respectievelijke nummertje en ging vervolgens terug naar zijn plaats om er als een standbeeld te blijven staan. De deuren gingen al dicht wanneer ze vanuit de gang nog een jonge vrouw zagen die hun richting kwam uitgerend. Te laat, de massieve deuren gleden onherroepelijk dicht. Ze konden nog net de uitdrukking van bijna-wanhoop onderscheiden op het gelaat van de vrouw. Ze was duidelijk gehaast geweest, ondanks het vroege uur. De vloer onder hun voeten zoemde lichtjes en het led-schermpje boven de deur schoot vliegensvlug van 0 naar 1, van 1 naar 2, van 2 naar 3. Een nogal zware man achteraan schuifelde wat heen en weer. Hij had een lange rit voor de boeg. Het schermpje gaf 9 aan en er weerklonk een korte ‘ping’. Een vrouw van middelbare leeftijd die vooraan stond, wachtte tot de deuren opengingen en stapte naar buiten. Zo gingen er nog drie: op 24, op 27 en op 50. Driemaal ‘ping’ en dan weer stilte. Tot plots een oorverdovend geluid doordrong tot de metalen wanden van de cabine. Het was een bloedstollend geluid geweest en ze keken allen met ogen vol verschrikking voorzichtig naar hun medepassagiers. Een fractie van een seconde was het weer muisstil, tot er een ander geluid de lucht rondom hen vulde. Gedempte kreten, krakend en scheurend materiaal. Eén van de passagiers wilde net zijn vertwijfeling uitspreken als de lift met een schok tot stilstand kwam en het licht uitviel. De woorden bleven achter in zijn keel vastzitten. De zware man achteraan had net tijd genoeg om vast te stellen dat hij enorm begon te zweten en om van schaamte nog wat verder naar achter te schuifelen. Op hetzelfde ogenblik voelden de andere zeven passagiers ook de enorme hitte en kwam er door de spleten langs de deur een vage oranje gloed naar binnen. In het vreemde licht keken ze elkaar voor de tweede keer allemaal aan. Acht paar ogen zochten angstig om zich heen naar een verklaring voor dit alles en terwijl het lawaai nog steeds hun gedachten overstemde, begonnen ze te vallen. Ze vielen, vielen, het waren slechts luttele seconden maar in een impuls grepen ze elkaar in het duister vast. Met elkaar verstrengeld stootten ze als één wezen hun laatste wanhoopskreet de leegte in. Tussen de brokstukken werden acht polshorloges teruggevonden.

LL Rigby
0 0

zonsondergang

De zon gaat onder in zijn hoofd. Net zoals bij een echte zonsondergang ziet hij een doek vol kleuren, de tinten rood maken echter snel baan voor paars en bruin-oranje, alvorens onherroepelijk af te stevenen op diepblauw-zwart. Hij gaat kopje onder in de duisternis, voelt de grond onder zijn voeten wegzinken. De fauteuil waarin hij zit wordt verzwolgen door de linoleum vloer en sleurt Patrick mee de diepte in. Met zijn ogen open ziet hij nog steeds de verduisterde kamer, het afgebladderde behang, de overvolle asbak en de lege wijnflessen. Achter zijn gesloten oogleden openbaart zich een wereld vol chaos, met gezichten die om hem heen tollen, stemmen die weerklinken uit de diepste duisternis. Waarom deed je dat nu? Je had toch kunnen weten dat ze naar buiten zou glippen? Je had toch niet verwacht dat ze zelf zou terugkomen? Waarom ben je niet verantwoordelijker? Ik had het kunnen weten, eens een loser, altijd een loser! Patrick maait om zich heen, wil de gezichten en de stemmen afweren. Terugroepen durft hij niet, hij is te beschaamd en voelt dat de verwijten zijn verdiende loon zijn, hoewel hij ze niet langer wil aanhoren. De kat. De kat van zijn buurvrouw. Zijn buurvrouw die… Ach waar te beginnen? Het is alles zo’n tumult in zijn hoofd, hoe weet hij nog waar het begon? Zijn flat op 6 hoog is zijn heiligdom, zijn rustplaats. De wereld daarbuiten een wilde jungle. Hij had vroeger altijd het gevoel dat de heer Asperger hem stuurde, bepaalde hoe hij vooral niet leefde. Na veel oefening en op maat ontworpen strategieën had hij met de jaren een manier ontwikkeld om zich door de jungle te bewegen voor de noodzakelijke dingen en zonder kleerscheuren de deur van zijn flatje weer achter hem dicht te trekken. Dat ging prima. Tot de buurvrouw er zich mee kwam bemoeien. De nieuwe buurvrouw die zich vriendelijk aan hem komt voorstellen. De buurvrouw die hem per sé wil binnenvragen voor een bakje thee. De buurvrouw die hem trots haar kat voorstelt. De buurvrouw die hij zo adembenemend vindt dat hij opeens in de weelderige stilte van zijn flatje onrustig wordt. Ondanks zichzelf (hij vermijdt mensen zoveel mogelijk; hij begrijpt hen niet en zij hem nog minder), laat hij haar binnen in zijn heiligdom, wanneer zij voor de zoveelste keer aan zijn deur staat, om te vragen of hij iets nodig heeft van de winkel, om te informeren naar zijn gezondheid, om hem kippensoep te brengen, om ‘gewoon’ even een praatje met hem te maken. Ondanks zichzelf zegt hij toe om op haar kat te passen, wanneer zij twee dagen naar haar moeder gaat. Geheel in lijn met zichzelf daarentegen, vergeet hij daarna de aanwezigheid, het bestaan van de kat – de kat die, zo vertrouwde de buurvrouw hem toe, haar hele leven is. In zijn gewone verstrooidheid, in zijn heimliche chaos doet hij gewoon zijn ding: hij eet, slaapt, rookt, verdiept zich urenlang in stripverhalen en games, bedenkt dat hij de jungle in moet om brood en sigaretten, bereidt zich zoals altijd grondig voor, staat zoals gewoonlijk ruim een half uur met zijn jas aan voor de gesloten deur op zichzelf in te praten, zodat hij niet merkt dat de kat aan zijn voeten zit en mee met hem naar buiten gaat wanneer hij dan eindelijk toch de deur opent. Teruggekeerd uit de jungle betreedt hij zijn flatje en ziet in een moment van helderheid de zak kattenbrokken in de hoek staan. Vaag gaat er ergens een belletje rinkelen, het belletje wordt langzaam een sirène, die hem in een aanval van plotse paniek als een bezetene door de flat doet rennen, op zoek naar de kat. Tevergeefs. Hij zakt in zijn fauteuil bij het besef, het volle besef van zijn daad, of veeleer zijn mis-daad. In die fauteuil probeert hij grip te krijgen op zijn gedachten. Hij redeneert niet zoals andere mensen zouden doen, de jungle in voor een zoekactie naar de kat komt niet eens in hem op. Hij redeneert enkel dat hij niet deugt voor interactie met de buitenwereld, of dat nu een kat of een aanbiddelijke buurvrouw is. Hij redeneert dat hij dat al die tijd al wist dus waarom toch de deur open, waarom de thee en de praatjes en de kippensoep… waarom de kat. In ieder geval komt hij nu weer tot inzicht. De jungle en de wilde dieren die als mensen poseren vormen een permanent gevaar, en hij duidelijk ook voor hen. Beter zich niet meer buiten wagen. Beter niet meer proberen, zelfs niet met de juiste voorbereiding en uitrusting. Hij heeft brood en blikken soep, wijn, sigaretten en… kattenvoer. Hij verroert zich niet. Slechts voor het noodzakelijke staat hij op van de fauteuil, om bij terugkomst weer een beetje dieper weg te zakken. Het geklop en geroep van de buurvrouw hoort hij al niet meer. Hij sluit de ogen en laat zich de diepte in zuigen.

LL Rigby
0 0

COMMUNAUTAIRE STRUBBELINGEN OP EEN FRANSE CAMPING

We staan al een aantal dagen op de camping te Agde waar elke kampeerplaats voorzien is van een privé sanitair. Een negerhutje, met daarin een wc, een douche en lavabo. Langs de buitenkant een afwasplaats. Naast ons is de staanplaats lang leeg gebleven, nadat een paar Nederlandse caravanbezitters, op zoek naar stabieler zomerweer, richting Spanje waren getrokken. Gisteren in de late namiddag arriveerden een paar nieuwe kampeerders. Belgen. De man reed van vermoeidheid bijna de haag omver. Manlief riep heel hard: “Stop” en vroeg of hij misschien een handje moest toesteken. Het koppel keek hem aan, als twee koeien die naar saffraan staarden.  Beeld zonder geluid. Het waren Franstalige Belgen en het was meteen duidelijk dat de financieringsstroom die vanuit Vlaanderen de taalgrens overgestoken was, niet gediend had om Nederlands te leren. Manlief werd volledig genegeerd. Tien minuten later kwamen er twee bevriende Waalse seniorenkoppels, die al een tijdje op de camping stonden, Alain en Marie een handje helpen. Ze bekeken onze autonummerplaat en zeiden: “Haha aussi des Belges.” Marie duimde onze richting uit en ik hoorde nog juist: Sont des Flamands. Alain stond er een beetje op te kijken toen zijn caravan met vereende krachten op zijn plaats geduwd werd. De voortent werd door de rail gehesen en onder luid gekwetter, trokken ze, door de ongecoördineerde bedrijvigheid, bijna de tentstokken en de touwtje uit elkaars handen. Ik hield, over de oleanderhaag de werkzaamheden een beetje in het oog en kon het niet nalaten om manlief er eventjes bij te roepen en te zeggen: “Vlug kom kijken voor het te laat is, zes werkende Walen!” Manlief vond mijn opmerking heel hilarisch. Ik kon hem nog juist bij zijne schabbernak vast grabbelen, want hij stond al bijna met één been op Waals grondgebied, om hen op deze manier te begroeten. Wij moesten tenslotte misschien nog een paar dagen langs de taalgrens blijven kamperen niet? De volgende nacht begon het te onweren en te regenen en werd onze slaap dus herhaaldelijk door hevige rukwinden gestoord. Wij waren juist terug ingedommeld, toen onze Franskiljonbuurman om acht uur ’s morgens onder luide orders van madame Wallonie, zijn tentharingen in de grond begon te rammen. Van alle Waalse werkweigeraars, van alle stakende cipiers, spoorwegbeambten en vakbondsyndicale arbeiders, hadden wij naast ons juist die ene werkwillige Waal staan die bij het krieken van de kampeerdag, een ochtendlijke energie opstoot had. Respect voor medeburgers of kampeerders: “Mon oeil!”. Hij had dan ook nog een knalrode T-shirt aan, maar dit eventjes terzijde. Ach ik weet wel dat het beeld dat wij Nederlandstalige Belgen van de Waalse landgenoten hebben wel heel karikaturaal is. Het zijn niet allemaal rode stakende rakkers en luieriken die leven van de Vlaamse geldstromen, er zijn ook noeste werkers tussen. Niet veel, maar er zijn er. Later op de dag was de zon terug van de partij en besloten we om naar het zwembad te gaan. Na een paar baantjes in het verwarmde water, nestelden wij ons lekker in het zonnetje en probeerden op de zwembadligstoelen ons slaaptekort wat in te halen. Ik knikkebolde nog maar net een beetje toen vier van de zes Franstalige Belgen zich al kakelend juist naast ons op strandbedden lieten neervallen. Mijn oren draaiden als radars om zeker geen sappige, taalgrens gerelateerde, verhalen te missen. Ik wist ondertussen dat de mannen Louis, Alain en Jacques heetten en dat de vrouwen, alsof het lot ermee gemoeid was, Marie, Marie-Jeanne en Jeanne waren. Louis en Jeanne waren er niet bij. Uit het vrouwengebabbel kon ik opmaken dat Louis voor de caravan lag te snurken en dat Jeanne naar de kapper was. Ze stonden hier jaarlijks, al meer dan acht jaar op rij, op dezelfde camping, op dezelfde plaats en Jeanne ging hier al jaren naar één en dezelfde coiffeur. En voor de allereerste keer had Jeanne nu meer dan twee weken moeten wachten voor ze een kappers rendez-vous kreeg. Incroyable.  Dan kwebbelde de dames over de kapper die er nu gans alleen voor stond omdat zijn kappersassistente was bevallen. Zij kwam niet meer terug werken en de kapper had het uiterst moeilijk om een nieuwe assistente de vinden…en waarom Jeanne nu juist naar deze haarstylist moest gaan…en pattati en pattata…kwek kwek kwek. Ik had me al min of meer afgesloten van het Franse geratel, toen het gebabbel plots volledig stilviel. Gecoiffeerde Jeanne was op de catwalk van het zwembad verschenen en schreed over de rode loper richting Marie en Marie-Jeanne. Onder mijn zonneklep opende ik één oog en keek recht naar de lelijkste vogelverschrikker aller tijden. Moest je Jeanne tussen de kerselaars zetten dan was er, zonder twijfel, in de wijde omtrek geen kersenpikkende vogel meer te bespeuren. Ik vermoed dat Jeanne, als voorbeeld voor de haarsnit die ze wou, een foto van Hitler naar de haarstylist meegenomen had. Een grote zwarte bles kleefde over haar voorhoofd van de ene kant van haar hoofd tot het oor aan de andere kant. De zijkanten van haar hoofdhaar waren volledig weggeschoren en het haar boven op haar hoofd was als coupe bloempot rondgeknipt. Alleen het Dolf- snorretje ontbrak. Haar Francofone vriendinnen waren sprakeloos en zeiden een beetje aarzelend dat het wel een hele speciale coupe was. De mannen staarden haar vol ongeloof aan. Nederlanders die wat verder lagen te zonnen, kregen die akelige angstige blik van herkenning in de ogen toen ze die vrouwelijke reïncarnatie naast het zwembad zagen verschijnen. En terwijl Jeanne liefdevol over haar zwarte bles streek, vertelde ze dat ze eigenlijk nog wat highlights gewenst had, maar dat de Agde kapper er nu geen tijd voor had gehad, hij er helemaal alleen voorstond, want dat zijn kappersassistente…kwek kwek kwek, wel een kwartier lang over de interne keuken van het haaratelier. Er kwam geen eind aan het Franse getater. Toen de Walinnen, eindelijk de moed hadden om Jeanne de mond te snoeren, vroegen ze haar of ze nog mee ging zwemmen. Jeanne antwoordde, dat ze niet van plan was om haar duurbetaalde kapsel eventjes met chloorwater te laten ruïneren???Als ze Louis tenminste uit zijn coma kon wekken, zouden ze naar de supermarkt rijden om een voorraad wijn en pastis. Straks waren al de Belgische vrienden uitgenodigd op de borrel. Ik denk niet dat wij erbij hoorden, de taalbarrière en de communautaire zee waren veel te diep.   Sim, de Simone     Agde, 29/5/2016    

Sim
0 0

NOIR AVEC UN PARFUM DE PIPI

Het is het jaar van El Nino. Dit natuurverschijnsel gooit wereldwijd roet in alle normale weersverwachtingen. Het was reeds de tweede helft van mei en aan de Franse Middellandse zeekust was, op een paar dagen na, de zuidelijke blauwe wolkeloze hemel en de bijbehorende warmte nog ver te zoeken. Twee dagen Mediterraan klimaat, twee dagen Belgisch grijs. De enige constante warme plekken bevonden zich aan de stakingsposten van de Franse olieraffinaderijen. Om hun eisen kracht bij te zetten, stookten hier verhitte vakbondsheethoofden autobanden op. Ze trachtten het gehele autorijdende land plat te leggen door de leveringen van benzine aan de tankstations te boycotten. Stakers in Frankrijk, betogers en stakers in België, tweemaal gijzeling van de gewone bevolking.  De zondag was begonnen met een zachte motregen die al snel overging in hevige stortbuien. De plensregen tokkelde oorverdovend op de caravan. Er zat niets anders op dan een vakantiedag al lezend en internetend uit te zitten. Maandagochtend was de zon terug van de partij. Cap d’Agde lag nog in een diepe winterslaap . De rolluiken van de zomerresidenties waren meestal nog allemaal gesloten.  De felle rukwinden deden ons fietsscenario echter in duigen vallen en wij besloten dan maar te voet naar Agde  te wandelen. Agde, een stadje dat 26 eeuwen geleden door de Grieken gesticht werd, weerspiegelde, zijn uit donker vulkanische gesteente opgetrokken, kerk in de rivier de Herault. Voor ons een raadsel wie er nog in die oude verkommerde huizen in die smalle straatjes wou wonen. Uit de wind en onder een mager zonnetje beslisten wij om in een basserie op een pleintje een koffietje te gaan drinken. Er was duidelijk iets aan de hand op het pleintje. Er stonden wat jonge mannen rond te drentelen. Ze riepen wat schuttingtaal naar elkaar, mepten wat op elkaars schouders en na wat getrek en gesleur verdwenen een aantal jongelui op een brommertje naar de andere kant van het pleintje om dan vervolgens met veel lawaai terug te komen aanrijden. Er stond een grote vrachtwagen op het plein met daarnaast een tafel waar allerlei eten en drinken op uitgestald stonden. Om beurten schoven de jongeren aan, staken een stuk baguette in hun mond en openden een blikje fris. Een kleine dikke man die breder dan hoger was hield de wacht naast deze lunchtafel. Zijn T-shirt spande over zijn speklagen. Hij droeg een donkerblauwe, volledig door de zon verschenen trainingspak, waarvan de twee ritshelften van zijn trainingsvest al decennia lang elkaar nooit meer waren tegengekomen.  Was het misschien een vrije dag voor de gesloten jeugdinstellingen? De haantjes zagen er allemaal een beetje hetzelfde uit. Licht terroristisch gekleurd met een debiele criminele stupide glimlach en een groot bakkes. Elk moment verwachtten wij dat er een bendeoorlog zoals in de film “Black” zou losbarsten en dat de Belgisch-Marokkaanse filmregisseur Adil El Arbi met een ‘putain’ tussenbeide zou komen. Toen er ook nog een man van de security op het pleintje kwam staan ronddraaien, zat ik van nieuwsgierigheid in mijn één centimeter grote koffietas de bodem weg te roeren en op mijn caféstoeltjes op en neer te wippen. Wat was er aan de hand?  Uit de tegenoverliggende straat kwamen er twee hippe mensen elk met een hond aan de lijn, onze richting uitgewandeld. Hier werd onmiddellijk de uitdrukking, mooi van ver, maar ver van mooi overduidelijk. De vrouw droeg een rode baret op haar knaloranje haren. Aan haar vaselinekleurige, gerimpelde aangezicht met knalrode lippen en valse oogwimpers, was nadrukkelijk te zien dat ze de kaap van drie maal twintig al eventjes overschreden had. Ze droeg een jeansjasje met glitters en een uitgerafelde jeanshort, die net iets te kort afgesneden was. Vanuit de onderste bilronding staken twee melkwitte cellulitus-putjesbenen, die blijkbaar ook nog niet teveel zon gezien hadden. Vanaf de bobbels in de knieholtes liep een Google- stratenplan met blauwe aders door tot in de hooggehakte cowboybotten. Haar man droeg een blauw met witte strepen matrozentrui op een knalrode broek en onder zijn arm twee stokbroden. Hij was bijna helemaal kaal, maar had zijn beetje nog resterende haar, achteraan met een fluo elastiekje, in een pijpenkrulpaardenstaartje bijeen gebonden. Het zag eruit als een verschrompeld Wiener worstje. Hij had zulke grote flaporen, dat als het mijn partner zou geweest zijn, hij op dagen dat de mistral of de transmontana wind opstak, niet buiten de deur zou mogen komen. Het risico zat er dan immers in, dat je hem enkele dagen later in Marokko zou moeten gaan ophalen. Sommige mensen komen weg met zo’n outfit, maar dit seniorentweetal leek net van een gekostumeerd bal met als thema “De Moulin Rouge” te komen. Rond het terras van de brasserie waren overal grote betonnen plantenbakken gezet, gevuld met yucca’s en orleanders. Terwijl het bizarre koppel ook naar de bedrijvigheid op het pleintje keken, snuffelde de dobberman- hond van mevrouw aan de bakken, hief zijn poot op en plaste recht in het zand van de bloembak. Hij draaide zich nog eens om zijn as en pieste een tweede keer tegen de plantenwortels. Het kleinere foxhondje, van mijnheer, had te korte pootjes die hij niet hoog genoeg kon opheffen om de potgrond te besproeien. Hij kletterde zijn urinestraal dan maar tegen de onderkant van elke plantenbak. Zo kreeg elke bloembak een driedubbele ammoniakinfuus. Noch madame, noch monsieur, noch de café- uitbater reageerden. Alleen de klanten keken elkaar aan en trokken hun wenkbrauwen wat vragend op. Straks, als de zon weer in alle hevigheid op die hondenpissijnen zal schijnen, de urinegeur zich met het aroma van de pastis, de rosé en de koffie zal vermengen, de planten mistroostig en verwelkt hun koppen gaan laten hangen en de klanten hun neus gaan ophalen, dan misschien zal de brasserie- eigenaar zich de dagelijkse wandeling van de twee kaketoeachtige hondenbezitters herinneren en denken :”Merde alors” maar ’t zal zijn’ de geur van pis dehors’… Het tweetal hippe seniorenvogels vervolgden hun weg en werden iets verder door een politieagent tegengehouden. Wat gebeurde er toch allemaal?  Onze pleintjesaandacht was eventjes verslapt maar toen er ook nog twee jonge hoertjes op meters hoge hakken , met ontblote schouders op het pleintje kwamen aantrippelen en cola en Frans brood van de tafel snaaiden, moest en zou ik weten wat er daar toch aan de hand was. Nieuwsgierig aagje? Weetgraag Simmeke zeker! De security man, wees naar de straat achter ons, bootste een camera na en vertelde ons, dat daar inderdaad in de oude smalle straatjes van Agde een filmploeg aan het filmen was. De plaatselijke politieagent hield alle belangstellende tegen en de Franse Adil- regisseur  riep heel luid:”De nouveau et cut”. Dus gelukkig toch een bende figuranten en geen kleine criminelen… Hoe zal de film heten? Noir avec un parfum de pipi.   Sim, Agde 25 mei 2016                      

Sim
0 0

De reis van meneer patiënt en mevrouw dokter (deel 2)

Er was eens een dokter die zoals ze had beloofd mee op reis was vertrokken met een van haar patiënten. Ze was op een boot gestapt, had over de reling gehangen langs stuurboord met windkracht zeven en een half opspelend in haar lange haren, en zeeziek geworden. Gedirigeerd uit het zuidwesten had ze de zeeschommelingen in het belang van haar patiënt getrotseerd. Nog voor er land in zicht was, was ze in een opwelling van misselijkheid aan een tirade over mindfulness begonnen.‘De kracht van heel deze reis is.....’ stak ze van wal net voor ze over boord kotste.Kwakjes smurrie afgewisseld met reutelend stil gekreun stervend in meelijwekkend gehoest, kleurde het dek in regenboogkleuren. In de verte dreef een eiland.Als twee schipbreukelingen tête-à-tête gezeten in een rubberen reeds opgeblazen reddingssloep werd er aangemeerd door een wat voor een anker moest doorgaan verroest stuk gebogen ijzer uit te werpen over een houten paaltje dat loodrecht verdwaald stond te staan in de verzengende hitte van een hagelwit zandstrand.Krabben liepen schuin voorbij, keken verbaasd opzij om niet ijlings tegen een eenzame, aan een stuk hout vastgebonden gummiboot op te botsen.In de verte druppelde het nattigheid die almaar dichterbij regende.‘Dit lijkt mij niet het moment om aan mijn dichtbundel 'punt aan de lijn te beginnen.’ zuchtte een licht gepikeerde patiënt.‘Wat maakt dat jij je op dit moment in een literair werk dreigt te verliezen?’ vroeg een tot aan het borstbeen lijkbleek geworden dokter.Misschien kwam het door de overweldigende stilte die uit die vraag ontstond, maar de oceaan leek plots veel weidser en het eiland op z'n minst een volle centimeter kleiner. 

Sascha Beernaert
15 0

De reis van meneer patiënt en mevrouw dokter (deel 1)

Patiënt: ‘Gaat u met mij mee op reis?’Dokter: ‘Mmmmm....dat zal moeilijk gaan. Hierna heb ik nog een patiënt. Waar wilde je naartoe?’Patiënt: ‘Heeft het zin u daar mee te belasten nu de volgende patiënt al in uw hoofd zit?’Dokter: ‘Voel je je afgewezen?’Patiënt: ‘Neen.’Dokter: ‘Goed.’Patiënt: ‘Niks goed.’Dokter: ‘Ik ben niet mee.’Patiënt: ‘Logisch, u bent bij de volgende patiënt.’Dokter: ‘Je lijkt gekwetst. Kan je mij zeggen wat jou op dit ogenblik zo van streek maakt.’Patiënt: ‘Ik dacht dat dat duidelijk was.’Dokter: ‘Ik luister...’Patiënt: ‘Blijkbaar niet, anders had u geweten dat ik een reis wilde maken.’Dokter: ‘Ja, en je zou mij graag met je meenemen. Al zie ik niet meteen...begrijp me niet verkeerd, maar vertelde je mij vorige week niet dat je een hekel hebt aan reizen?’Patiënt: ‘Deze is anders.’Dokter: ‘Omdat je vergezeld wordt?’Patiënt: ‘Zoiets. Alhoewel, eigenlijk is het de bedoeling dat..... .....Pip... pip... pip.. pip pip pip piiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiip. Dokter: ‘Oeps, dat was mijn alarm. Onze tijd zit erop. Ik stel voor dat we hier afronden. Laten we voor volgend keer die reis van jou als uitgangspunt nemen. Dan kunnen we daar verder mee werken. Als jij dat ziet zitten natuurlijk.’Patiënt: ‘Hoeveel moet ik u?’Dokter: ‘De volgende sessie staat dan volledig in het teken van de plaats waar je bent geweest en hoe jij dat hebt ervaren.’Patiënt: ‘Is het nog altijd vijfenveertig?Dokter: ‘Als bijkomende opdracht stel ik voor dat je op die reis één persoon toelaat. En dat je een summiere beschrijving geeft van wat er je in het algemeen opviel, wat er je ergerde aan je reisgezel, of je alleen bent verder gereisd of er onderweg veel of weinig verteld werd...enz.’Patiënt: ‘Kan u weer op vijftig euro?Dokter: ‘Uiteraard staat het vrij je te uiten op de manier die voor jou het beste voelt. Doe je eigen ding, volg je intuïtie, verras me als het ware met een staaltje van je artistieke kunnen. Zo dat was het. Dan krijg ik vijfenveertig euro van je.’Patiënt: ‘Alsjeblieft.’Dokter: ‘Dankjewel, dat is vijf terug. Tot over een week dan?’Patiënt: ‘Dat zal moeilijk gaan.’Dokter: ‘Euhm...??? Hoe bedoel je?'Patiënt: ‘U heeft me zonet op reis gestuurd.’Dokter: ‘Tja, daar zeg je zoiets. Als het je kan helpen ga ik wel met je mee.’Patiënt: ‘Graag.’Dokter: ‘Ik zie een boottrip wel zitten, wat denk je?’Patiënt: ‘Is een schip ook goed?’Dokter: ‘Mij goed, maar nu moet ik echt naar mijn volgende patiënt, sorry.’

Sascha Beernaert
0 0

Titel nadien gekozen

Na drie, nee toch vijf afleveringen van Aqua Teen Hunger Force val ik in slaap. Op mijn buik met de idee dat ik dan een fitnessoefening doe en ik misschien ooit wakker word met het door iedereen gewilde Six pack.   Ik droomde, nachtmerriede of had een realistisch accuraat visioen. In ieder geval was de vijf minuutjes durende droom, genoeg om me om 7 uur achter mijn laptop te zetten om alles voor de eerste keer deftig neer te typen. En Fuck Jou Marco Borsato niemand buiten zwaar mentaal gehandicapten mogen jou. De droom ging over de liefde, een liefdes tafereel dat zich vaak afspeelde in mijn dagdagelijks leven. Een angsthazerige liefdestafereel. De confrontatie niet aan durven gaan ondanks je grote idealen omdat je toch voor het oppervlakkige polygame gevrij wilt kiezen. Ik bevond mij in een internaat met een feestzaal. Een soort van slecht aangeklede prom.   Er was geen muziek, wel veel volk. Veel gezeik over alles en niets. Alles niets. Ik voelde dat er iets niet klopte, de liefde die ik voordien had gekend zwierf niet meer rond maar stond standvastig ongeïnteresseerder naar mij te luisteren. Al hield ze het gesprek met de traditionele ja-knikjes, de verplichte glimlachjes maar in gang om te wachten op mijn initiatief om naar buiten te gaan. Weg uit de danszaal waar er wel beweging was, maar dansen niet echt lukte. We ontvluchtte de stilte, want muziek kan ik me niet herinneren. Geen top 40 plaatjes met afwisselend een slow, geen harde noten die je gehoor onnodig beschadigen maar wel zo hard moeten staan omdat de muziek zo adembenemend slecht is dat ze het van de decibels moeten hebben en niet van de kwaliteit.   We gaan het gangencomplex in van wat ik denk dat een internaat is. Jaren ’70 inrichting, al is mijn architecturale kennis niet zo groot. Ik wachtte tot zij iets zei. En wachtte maar kon me niets herinneren. Ze moest iets gezegd hebben, we moesten ergens hebben gezeten. Want staan kon in niet meer, er waren te veel beladen woorden. Mijn virtuele blaas begon signalen naar mijn hersenen door te sturen. Ik moest dringend. Terwijl ik zelfs in het onbewuste al bewust was dat het een excuus was. Net voor ik waarheden ging zeggen, maar de waarheden me bang maakte. Mijn zieke getwiste gevoelens als gal over haar prachtige verschijning te spuwen. Lafbekkend verzon ik de smoes dat ik moest gaan plassen.   Een groot rechthoekig toiletcomplex omringd door ziekenhuisvloeren met meerdere ingangen en gedecoreerd met lichtdonker hout, jaren ’70 hout. Ik ga de mannentoiletten binnen die ik herken aan de urinoirs en ik ga staan aan de middelste zeikbak. Ik plas niet, maar pak mijn gsm. En lees een bericht. Afzender: de liefde die mij twee jaar wakker heeft proberen te houden. Er staat: Jef ik heb een videoboodschap doorgestuurd met daarin te zeggen wat ik wilde zeggen, check Facebook.  Zonder al te veel twijfel klik ik Messenger open. En zie ik inderdaad Eén ongelezen bericht. Een videoboodschap. Nog een klik en dan komen de seconden die alles bepalend zullen zijn voor de rest van mijn leven, ongeacht de keren dat ik op herhalen duw. Klik. De boodschap wordt verticaal afgespeeld op het volledige scherm. Ze zit op een zetel, met een afgebladderde gelige muur, ik ken de ruimte die door mijn fantasie is samengesteld niet. Niet de zetel, de muur alleen maar de vrouw, de alleszeggend jongedame die mij haar pleidooi gaat voordragen. Wat er exact gezegd wordt in haar zoete vrouwenstem kan ik me niet herinneren. De kern van de monoloog wel. Ze wou me niet meer zien. Ze had eindelijk genoeg gehad van mijn aanlengend getwijfel. Ze wou een antwoord en kreeg dat niet en kwam daarom er zelf maar mee voor de nacht. Ze wou me niet meer zien, haar ziel en lichaam niet meer voorbehouden voor mijn handen. Maar voor een vetzak van een andere vent. Voor de volgende groter geschapen kwal. Ze keek niet meer bedroefd als voorheen maar zelfzeker, recht in de camera. Ik besefte dat ik al die tijd het loodje had gelegd niet zij. Het waren meerdere zinnen, maar enkel die ene bleef me bij. Ik wil je niet meer zien. Een reden had ik niet nodig, de boodschap was genoeg.   Ik stap de mannentoiletten uit, ga de gang naar links en bedenk me op de hoek van de gang dat ik haar een bericht terug moet sturen. Een gestructureerd bericht met punten van kritiek die ik had op het filmpje. Ten eerste wie hield de camera vast. Was het haar beste vriendin, die ene doos die oudere mannen en hun edele delen verslond alsof ze een pornoster was en nu al lachend amateuristisch de camera bediende. Dat zou geen probleem gevormd hebben maar dan mocht ze ook niet haar ongenoegen uitspreken over mijn uitlatingen, mijn zat gelal op café, tegen mijn beste vrienden dan nog wel. Waarom via een videoboodschap, zeg het dan toch tegen mij, in mijn gezicht. Een derde kon ik mij niet herinneren, maar was er wel. Ik was ondertussen al naar rechts afgeslagen en een deuropening ingegaan. Ik moest weeral niet plassen, het middelste minst gebruikte urinoir, had een grotere taak dan de gele druppels opvangen. Mij bedwingen, het lukte hem niet. Ik pakte mijn gsm…   Ik werd wakker, ik wou nog niet wakker worden. Mijn wekker van mijn gsm was afgegaan. Getril met een afschuwelijke ringtone onthielden mij van de laatste letter, het laatste woord en van een zin geen spraken. Dit moet het zijn, de trigger om haar te bellen. Iets te doen. Schrijven werd het.  Stiekem hoop ik dat zei mij belt. Zij mij zegt hoeveel ze van me houdt. Ongezouten liefde daar snak ik na.   Maar ik ben haar kwijt.  

GG
0 0

4. Huisnummer 4 - Oude Man

Mieke Moes zaliger in gedachten kanaliseert mijn opkomende depressie zich naar een niveau waar verleden, heden en toekomst op de één of andere manier lijken samen te komen. Meesmuilend slenter ik verder door de straat en staar links en rechts de huizen binnen. Ze zijn hetzelfde als jaren geleden, hetzelfde als jaren vooruit. Een historische constante. De regendruppels vallen nog steeds met zijn miljoenen uit de lucht. Op nummer vier staat een oude man me recht in de ogen te turen. Lijkbleek, graatmager, sigaretje in de mond. Bij elke trek van de sigaret lijkt hij enkele jaren te verouderen. En ik denk wat hij denkt.   Een mozaïek, meer ben ik niet. Maar geen samenhangende. Elke afzonderlijke kleur staat los van zijn aanliggende componenten. Ik ben niet gebroken maar ook niet meer samen te stellen. En elk component beslaat een deel van mijn zijn.  Dit onsamenhangend geheel maakt dat ik geen mens ben. Noch man, noch muis. Een gedefragmenteerd muilwezen.   Hoe graag ik hem ook uit zijn lijden zou verlossen, het is onmogelijk. Ik ben hem, hij is mij, wij zijn elkaar. Waarop mijn hoofd me dwingt de blik af te wenden van zijn met een onmenselijke pijn vervulde ogen.   Op straat katapulteert een jongen een autoruit aan diggelen. Goed schot! Nu de andere kant. Hij grijpt nog een steen en legt hem in de elastiek, spant het wapentuig hard aan en focust zich. Zo moet het. Goed concentreren, niet te overhaast te werk gaan. Neem je tijd, man. Hij telt op naar vijf, ik tel af van vijf. Hij is mij, ik ben hem, wij zijn elkaar. Vuur!   Net op het moment dat de jongen de katapult loslaat, grijpt de oude man naar zijn linkerschouder. Hij wordt dubbel zo bleek als hij al was. Voor het neervallen verschijnt een doodsblik in zijn ogen, een blik met een sinistere vorm van gelukzaligheid. Morbide met hoop. En vanaf dat moment is er door het raam enkel een muur te zien. Het lijkt nu al alsof er nooit iemand heeft gewoond, hoewel de resident slechts seconden op de grond ligt.   De ambulance wordt gebeld en een tiental minuten later loeien de sirenes de straat in, flikkerlichten aan. Lawaai, licht. Lawaai af, licht blijft aan. De medische dienstverleners hollen naar binnen met een lege brancard en slenteren naar buiten met een volle. Daarop een zwarte hoes met een, naar ik vermoed, lijk in. De brancard wordt zorgvuldig in het achterste compartiment geschoven, de ziekenbroeders nemen voorin plaats. All on board! Licht dan ook maar uit, het dramatische moment is nu wel gepasseerd. Met het wegrijden van de ambulance druipen de verzamelde toeschouwers net zo snel af als het water naar de riolering.   Ik heb altijd gedacht dat een overledene moest gecollecteerd worden door een erkend begrafenisondernemer. Iemand die perfect weet wat de verstijvingsgraad per minuut bedraagt. Iemand die kennis heeft van de hellingsgraad waarop het lijk in lijkzak of kist dient geschoven te worden. Niet dus, of het is niet volgens het juiste protocol verlopen. Het zal met een zorg wezen. Liever geen doden in mijn straat dan wél doden in mijn straat.   Verleden heeft toekomst vermoord, maar nu is heden. De jongen springt op een skateboard en zet koers richting einde straat. Ik ga terug naar binnen wegens buiten te somber. Het raam is hersteld, de werkmannen vertrokken. Factuur op tafel. Stilte.

Bluyke
0 0

Het ooit zo mooie Antwerpen

30 juni 2016. Antwerpen was niet meer wat het was. Al lang niet meer, maar het werd erger en erger. Stakingen liepen uit de hand, net als manifestaties. De media werden subjectiever en de propaganda was aan het streven naar een hoogtepunt. Op straat werd ik nog dagelijks aangesproken door alle soorten mensen die me bestoken met alle soorten vragen. Het voelde niet juist. Er klopte iets niet. De vragen waren dan ook allemaal dezelfde. “Mevrouw, waar vind ik het centraal station?” in alle mogelijke talen. Nog nooit had ik deze vraag zo vaak moeten aanhoren. Het was alsof iedereen weg wou van Antwerpen. Het ooit zo mooie Antwerpen. “Sorry,” een dunne man met een dik accent stootte me uit mijn gedachten, letterlijk. Hij zag er bang uit. Bang en slordig. Zijn ogen schreeuwden om hulp maar voor ik het hier besef van had was hij alweer verdwenen tussen de Chinezen en Italianen. Vreemd.   Mijn weg zette ik voort richting de Keyserlei, net als de jonge man. Het zag er zwart van het volk en de militairen stonden rustig te praten en lachen, om enkele momenten later terug naar hun post te gaan. Het voelde allemaal aan als een hoofdstad met een geheim. De overheid die iets weet wat wij, gewone burgers, niet mochten weten. Was dat wel een goed idee? Dat wij niets weten? Waarschijnlijk wel. Maar toch knaagde er iets aan me. Er klopte iets niet met de militairen. Ze zagen er jong en talrijk uit. Normaal zou ik me veiliger gevoelt hebben, maar met deze hoeveelheden zou ik vooral willen weten waarom. Al denkend ging ik op de eerste de beste bank zitten waar nog plaats was. M’n gsm had ik al snel in de hand, om mijn gedachten eens positief te verzetten. Aangezien ik niet zo trotse eigenaar was van heel wat applicaties van kranten van over de hele wereld, om deze dan te kunnen vergelijken, ontvang ik al wel eens meldingen over ‘belangrijke’ dingen die er gebeuren. Deze keer was het echt belangrijk. Iets waarvan ik dacht dat het hier niet meer ging gebeuren.   “BREAKING: 12 doden, 203 gewonden aanslag Rock Werchter”   De melding vulde m’n scherm in alle talen. Ik wist niet wat te denken. Wat te voelen. Wat te doen. Toen het echt doordrong tikte ik één van de meldingen aan. Het ergste was wat ik verder las.   “Wat we al hebben opgevangen is dat de aanslag, die omstreeks 14:30 gepleegd werd, te vroeg was. Het zou de bedoeling zijn geweest een boodschap aan alle Belgen te brengen, op verschillende plaatsen tegelijk.”   M’n hart ging steeds sneller. Was Antwerpen wel veilig? Er waren zeer veel mensen. Zouden de militairen al iets geweten hebben? Wat moest er gebeuren?   “Er zou nog een verdachte in Antwerpen rondlop-“   Een knal. Gegil. Stilte. Het zijn de drie dingen die elkaar opvolgden en niets aan de verbeelding overlieten. De militairen waren al bij de het station, maar te laat. Het centraal station. Een plek waar Antwerpenaren, Belgen trots op zijn. Een station van schoonheid en rust. Verwoest. Ik kon niet bewegen. Alles was een waas. Mensen liepen voorbij me, weg van de horror. Anderen liepen ernaartoe. Het moment dat ik terug controle had over mezelf twijfelde ik niet om er zelf ook naartoe te lopen. Nog nooit was ik zo snel. Tranen stroomden langs mijn wangen en maakten alles wazig. Maar ik bleef doorlopen. Ik zou iets doen. Ik zal deze mensen niet alleen laten.   Toen ik er was, waren er al heel wat mensen aan het helpen. Militairen, agenten, ambulanciers,… Maar een iemand leek niemand te zien. Doorheen alle rook zag ik een meisje. Ze was helemaal alleen en keek van de ene kant naar de andere. Haar blik zei alles. Ze had gewonden gezien, ze was écht alleen, ze had kunnen ontsnappen van de dood. Ik deed er alles aan om mijn tranen weg te vegen, niet te trillen en mijn ogen vrolijk te houden toen ik op het meisje afstapte. Het moment dat ik voor haar stond, keek ze naar boven. Haar ogen waren leeg. Behalve haar ellendige blik was het een prachtig kind. Ze had lang licht blond haar met dunne krullen. Natuurlijke krullen. Het kleedje die ze droeg gaven weg dat ze naar de zee zou gaan. Er stond een lachende zeehond op die een zeester een high five gaf. Onder haar kleedje kon je dan weer de bandjes van haar bikinitopje zien. Er zaten zelfs nog vegen zonnebrandcrème op haar arm. Ze moest zo’n zes jaar geweest zijn. Om haar niet nog angstiger te maken, hurkte ik. “Dag,” is alles wat ik kon zeggen met een klein oprecht lachje. Een teken van erkenning tegen het meisje. “Mama…” het was alles dat uit het prachtige meisje kwam, ‘mama’ en tranen. Veel tranen. Ik wist genoeg. “Mag ik je naam weten? Ik ben Isleen,” mijn enige doel was het meisje op haar gemak stellen. Door me zo op haar te concentreren was ik even vergeten wat er rondom ons gebeurde. Wat ze wel niet zag. “Ekaterini,” het klonk als een zucht en was amper hoorbaar. “Ekaterini? Wat een mooie naam!” haar ogen keken me onzeker aan. Na een kort moment van, waarschijnlijk, vele gedachten van Ekaterini kreeg ik een kleine glimlach. Een kleine oprechte glimlach.

Lotte
0 0

Jade

Inleiding: Volwassen worden doe je door te groeien. Niet enkel met je lichaam, ook je geest moet mee. Maar hoe makkelijk is dat groeien wanneer liefde je totaal heeft verblind? Is het kiezen van je eigen weg dan nog een evidentie? Jade heeft alles op het moment dat ze Justin ontmoet. Ze kiest voor hem en het leven dat daarop volgt. Groeien is vanaf dat moment onmogelijk. Na een aantal verschrikkelijke gebeurtenissen, begint Jade te twijfelen aan de weg die ze is ingeslagen. Moet ze kiezen voor het bekende afgeknotte leven of moet ze in het onbekende groeien? ‘Jade’ is een hedendaagse bewerking van het alom bekende ‘Medea’-verhaal. Waar Medea in haar tijdsgeest weinig keuzes had, liggen voor Jade in onze moderne tijd alle opties open. Maar hoeveel opties hebt je wanneer niet enkel rede maar ook emotie meespeelt? Synopsis: Jade is een zondagskind. Als knappe dochter van wereldberoemde rockzanger Mick, ligt de wereld aan haar voeten. Ze bouwt een carrière uit als topmodel en is ongelooflijk succesvol. Op relationeel vlak is Jade een beetje een laatbloeier. Ze is al begin de 30 wanneer ze op het verjaardagsfeestje van Madonna de veel jongere Justin tegenkomt. Hij is een aantrekkelijk jeugdidool die net zijn zangcarière heeft gestart. Jade valt voor hem als een blok. Het duurt dan ook niet lang of ze vormen een veel besproken celebrity koppel. Na een jaartje gelukkig samen zijn, trouwen ze en volgt de geboorte van hun tweeling. Jade leeft op een roze wolk. Dan gebeurt er iets wat niemand had kunnen voorspellen: niet veel nadat ze getrouwd zijn, begint Justin langzaam maar zeker Jade’s leven de te domineren. Ze mag niets meer. Justin dwingt haar te stoppen als topmodel en haar sociaal leven legt hij drastisch aan banden. Financieel maakt hij zijn vrouw totaal afhankelijk van hem. Psychologisch boort hij haar helemaal de grond in en ook een mep hier en daar schuuwt hij niet. Jade laat zich doen, nog steeds verblind door liefde. Het gaat van kwaad naar erger. Justin laat Jade’s vader Mick tegen wil en dank opnemen in een luxe resort voor oudjes. Daarna zorgt hij ervoor dat de arme maar ietwat excentrieke man ontoerekeningsvatbaar wordt verklaard. Jade is als enig kind beheerder van zijn fortuin, maar aangezien ze met Justin in gemeenschap van goederen is getrouwd, is alles wat zij bezit ook van hem. Micks fans zorgen er echter voor de Jade en Justin niet van hun luxe leven in LA kunnen genieten. Al snel volgt er dus een verhuis. Het koppel trekt naar New York. Justin heeft daar zijn zinnen gezet op de post van CEO van een grote platenmaatschappij. Via een list zorgt hij ervoor dat de baas van die maatschappij, Jay-Q, van fraude wordt beschuldigd. Jay-Q wordt daarop door de raad van bestuur aan de kant geschoven, waarna Justin zichzelf al snel een weg naar de top van het bedrijf baant. Justins imperium is nu groot en veel bevallige dames werpen zich aan zijn voeten. Jade die al haar zelfvertrouwen is verloren, ziet het oogluikend aan. Ze vlucht in jet-set feestjes, drank en drugs. Op een dag komt Justin Tiger-Lily tegen. Zij is de veel jongeren vrouw van Jay-Q. Deze laatste is ondertussen door alle vernedering in een depressive gesukkeld. Jay-Q verwaarloost daardoor zijn bevallige vrouw. Tiger-Lily is een jong opkomend top model. Ze is fris, knap en ongelooflijk sexy. Dat ontgaat ook Justin niet. Al snel zet hij zijn zinnen op Tiger-Lily en zoals altijd krijgt hij wat hij wil. Jade komt er achter de affaire van Justin. Eerst verdringt ze het gegeven en blijft ze naïef geloven dat het wel goedkomt. Ze verliest zich in het afschuimen van feestjes en geraakt zichzelf steeds meer kwijt. Wanneer Justin op een bepaald moment de kinderen meeneemt op een weekendje naar Florida met zijn nieuwe vlam, is dat de spreekwoordelijke druppel voor Jade. Ze stelt Justin voor de keuze: zij en de kinderen of Tiger-Lily. Wanneer Justin voor Tiger-Lily kiest, slaan bij Jade de stoppen door. Ze stuurt haar twee kinderen naar een kostschool in Europa en zegt tegen Justin dat ze gestorven zijn in een verkeersongeluk. Jade staat nu op een keerpunt. Ze moet kiezen: alles proberen te vergeten en blijven doorfeesten of volwassen worden, de juiste beslissingen maken en haar leven weer opbouwen.    Scène01 regie/scenografie: Het stuk start op het moment dat Jade op een keerpunt staat: blijven feesten of volwassen worden. Deze monoloog is de openingsscène van het stuk. Ze wordt gespeeld door Jade’s geweten: engel en duivel. Ze zitten beiden op een soort schommel die helemaal links en rechts van het podium hangen. De ene is versierd met frisse bloemen en veren in lichte kleuren, de andere met pakjes sigaretten, flessen drank en zwart leer / plastic. Beide personages geven hun visie op de situatie aan Jade. De engel en de duivel zijn geslachtsloos, maar hebben wel uitgesproken kostuums aan. Jade zit ook op scène, pal in het midden op een stoel. Ze staart enkel voor zich uit en reageert niet.   Engel: (licht schommelend) Ik zie u daar nog zo staan. Mooie Jade. Het gebeurde op die zwoele zomeravond. Weet ge nog, het verjaardagsfeest van Madonna? Heaven must have been missing an angel. Ge paste er niet. (schuddend met hoofd) Een parel voor de zwijnen. Ge waard…(korte pauze)… anders. Waard ge daar maar nooit heen gegaan. Ik had u nog zo gezegd weg te blijven uit The Valley. Maar ge ging toch, the Hills naar beneden, like a Rolling Stone.   Ik ben u altijd en overal gevolgd. Ook die bewuste avond bij Madonna, toen ge Justin leerde kennen. Hij zong de sterren van de hemel. Ja ja, hij was ook een soort van ster, jong en knap. Misschien wel té jong en knap. Maar ja, liefde overwint alles zeggen ze, Ook een te groot leeftijdsverschil. Ik ben er nooit gerust in geweest. Die jongen was slecht nieuws. Een wolf in schaapsvacht. Hij wist wat hij wilde: he saw a red door and he wanted to paint it black   Duivel: (zegt alles nogal spottend) De tragedie begon bij die arme drommel, uw vader Mick. Die stopte Justin tegen wil en dank – hopsa- (maakt sprongetje van schommel en loopt richting Jade) in een luxe resort voor rockers op retour. Highway to hell, je weet wel. (lacht kort duivels) De oude excentrieke sok was er kapot van en vele van zijn fans met hem. Niet veel daarna volgde jullie eerste verhuis. Van LA naar The Big Apple. You made a brand new start of it, New York, New York. (grotesk gezegd) Echt Crazy in Love waarde gelle. Haha…(lacht hard, gaat naast haar staan en spreekt nu recht naar Jade) Ge waard zo naïef Jade, trouwen in gemeenschap van goederen. In deze tijd? Komaan zeg, hoe onnozel kunt ge zijn? En ja, al snel waren ook die twee kleine mormels van kinderen er. Toen kon ge al helemaal niet meer weg hé. (heel uitdagend, gaat ook dicht bij haar staan) Wat ging er eigenlijk door u heen toen ge die eerste mep kreeg? Vond ge dat ge ze verdiende? Of vond ge dat misschien plezant? Jade? Wond het u op? Genoot ge van de vernedering? Komaan Jade, geef het toe. (staat nu met zijn mond bijna naast het oor van Jade verheft zijn stem)Of vond ge het gewoon makkelijker om slachtoffer te zijn dan om voor uzelf op te komen? Zwakke geit. (zegt dit vol afschuw en rochelt erna op de grond vlak naast haar)   (Engel komt van zijn schommel en jaagt Duivel weg, deze laatste gaat terug naar zijn schommel) Engel: Het is niet uw fout lieve Jade. Het is niet uw fout. Ge waard gewoon verliefd. Goedgelovig, naïef misschien… Het was schoon hoe ge hem altijd zijt blijven steunen. Samen met hem zijn dromen achterna. Justin zag het groots daar in die nieuwe stad Hij zou zich opwerken van new kid on the block naar de new king of pop Dat heeft die goedzak van een Jay-Q geweten. Hij knipperde met zijn ogen en voor hij het wist runde Justin zijn bedrijf.   En gij Jade, gij onschuldig schaap. Ge liet u doen. Ge aanvaarde elke klap. Letterlijk en figuurlijk. Terwijl Justin zich verloor aan roem en vrouwen, verloor gij u in de nacht. (gaat naast Jade staan en neemt haar arm vast, Jade blijft voor zich uit staren) Jade, Mijn charmante, sprankelende, ambitieuze Jade. Wat is er toch met u gebeurd? Kijk in de spiegel, Uw ogen stralen niet meer. Waar zijn uw gedachten?(Blijft heel even staan in de hoop op reactie, laat arm los als deze niet komt en gaat weer op schommel zitten) Duivel: (zittend op schommel, zeer neerbuigend gespeeld) Ooit waard ge de ultieme top van de Californische jetset Nu zit ge daar under the bridge. Uit de zevende hemel naar beneden gevallen Pats. (spring tegelijk van schommel en gooit fles tegen de grond en gaat weer naast Jade staan)tegen de grond gesmakt.   Ge hebt het zelf gezocht. Ge moest hem per se hebben. En hij? Wat deed hij nadat gij alles voor hem had gelaten? Hij liet u vallen. Hij liet u vallen voor die jonge poes. Als een groot stuk vuil. Aan de kant geschoven als de eerste de beste oude jas. Begrijpelijk, ziet u daar nu zitten, als een soort opgezette mens. Geen greintje zelfrespect meer over.   Hij nam u alles af Jade. Alles. Uw geld, uw vrienden, uw leven. Wat ga ge nu doen? Waar gaat ge nu heen? En wat met die kleine mormels van u die ge ver weg op kostschool hebt gedumpt? Die kunnen daar toch niet voor eeuwig blijven? Word toch eens volwassen mens. Ge zijt al 34. Leer nu toch eens instaan voor uw eigen beslissingen. Ge moet kiezen Jade. (Engel komt langs de andere kant van Jade staan) Engel: Ge moet kiezen Jade. Pakt uw leven terug in handen. Ge kunt het. Ik weet het. Ge kunt het. Ge waard efkens verloren, heel efkens van uw pad af. Maar diep in u zit het nog, dat vuur, die passie die goesting in het leven. Kies toch voor de vrijheid. Kies voor één keer voor uzelf. Neem uw leven terug in handen, Jade.   Engel en Duivel gaan beiden op hun schommel zitten. Engel en duivel samen: Ge moet beslissen Jade, het moet nu echt. Het licht op de engel en de duivel gaat uit. Er is enkel nog licht op Jade. Jade ontdooit. Jade: (vertelt tegen het publiek) Ik zie mij daar nog zo staan. Het gebeurde op een zwoele zomeravond, Ik weet het nog. Het was op het verjaardagsfeestje van Madonna.   Licht dooft. Scène twee.

Ans DB
0 0