Zoeken

Van Weelde

01 – 25 juni 2016 Norman van Weelde (49) is een boer in Noord-Holland. Hij heeft twee zonen; Rudie (21), Jurrien (18) en een dochtertje, Verle (12). Hij woont samen met zijn tweede vrouw, Heleen van Weelde-Haan (46). Normans nichtje, Robin Rosche (16), logeert van 23 juni tot 27 juni bij hem.   Om 21:18 uur wordt Norman door een onbekend nummer op zijn iPhone 4 gebeld.   Om 21:24 uur belt Norman 112. Hij klinkt bang en lijkt te hyperventileren.   112 DIGITAAL VERSLAG (VANAF 21:25 UUR) 112-telefonist: “Meneer van Weelde, rustig. Ik kan u niet goed horen.” Norman: “Hun oren, vrouw! (onverstaanbaar) hun oren!” 112-telefonist: “Meneer van Weelde, opnieuw, rustig-” Norman: “(onverstaanbaar) mijn dochter! (ruis) mijn vrouw! Oh God, Robin.” 112-telefonist: “Meneer, wat is er met uw familie?’ Norman: “(onverstaanbaar) oren!’ 112-telefonist: “Meneer van Weelde, is er iemand anders waarmee ik kan praten?’ Norman (lijkt 112-telefonist niet te hebben gehoord): “Robin! (ruis) –in! Verle!” 112-telefonist: “Wat gebeurd er, meneer?” Norman: “Hun oren, het zijn hun oren! Het (ruis) hun oren!” 112-telefonist: “Meneer, agenten zijn onderweg naar uw locatie.” Norman: “Sne- (ruis)”   Agenten arriveerden om 21:57. Ze ontdekten de lijken van Jurrien in de woonkamer en Heleen in de slaapkamer van Verle. Rudie, Robin en Verle werden niet gevonden. Norman werd later gevonden, in elkaar gekropen in de kast, zijn iPhone nog in zijn verslapte hand.   POLITIERADIO DIGITAAL VERSLAG (VANAF 22:00 UUR) Agent Tisselink: “Thijs, iets gevonden?” Agent Desmet: “Niets, Bas, huis is leeg… (Geluid van een deur die wordt geopend) Wacht.” Agent Tisselink: “Wat is er?” Agent Desmet: “Het lichaam- van meneer Van Weelde.” Agent Tisselink: “Wat is ermee?” Agent Desmet: “Ik scheen met m’n zaklamp op hem en- toen… Je moet komen, Bas, ik denk dat- (geluid dat Desmet iets over de grond verschuift, vermoedelijk het lichaam van Norman) Ik denk dat er iets in hem zit.” Agent Tisselink: “Wat?” Agent Desmet: “Ik weet- (kucht) niet hoe ik het moet uitleggen. Kom snel.” (Geluid van Tisselink die een trap oploopt, daarna een deur die opengaat.) Agent Desmet: “Hier, kijk dan.” (Korte stilte. Geluid van Desmets en Tisselinks ademhaling. Kort, kokhalzend geluid wordt gehoord.)   Om 22:14 uur draagt Thijs Desmet een bewusteloze Bas Tisselink uit het huis. Agent Desmet zegt dat hij iets in het oor van Norman zag zitten, maar wist het niet zeker. Bij nader inzien leek het alsof een spin of kakkerlak in zijn oor was gekropen. Tijdens het forensisch onderzoek werden er geen sporen van dieren gevonden en ook geen duidelijke doodsoorzaak. Wel werd er bij alle slachtoffers een beschadigde gehoorgang aangetroffen.   Rudie, Robin en Verle werden nog steeds vermist. “Hun oren, vrouw! (onverstaanbaar) hun oren!” 02 – 30 juni 2016 Sinds 26 juni, 06:30 uur, zoekt men naar Rudie en Verle van Weelde en Robin Rosche. Er werd gezocht tussen 06:30 uur en 21:00, met tussendoor pauzes in een 5km-radius van het huis Van Weelde. Buiten deze radius werd er korter gezocht. Op 28 juni werd er om 09:00 uur precies een landelijk AMBER-alert uitgezonden. Er worden vele tips gegeven, maar geen van hen leiden naar de vermisten kinderen.   Op 30 juni, om 21:00 uur, wordt 112 gebeld.   112 DIGITAAL VERSLAG (VANAF 21:01) Rudie: “Hallo? Spreek ik (ruis) politie?” 112-telefonist: “U spreekt met de politie in Assen, met wie spreek ik?” Rudie: “Rudie- Rudie van Weelde. Ik- (ruis).” (De 112-telefonist geeft door dat Rudie is gevonden) 112-telefonist: “Rudie, waar ben je nu?” Rudie: (onverstaanbaar) 112-telefonist: “Rudie, kan je rustiger praten? Ik versta je niet.” Rudie: “Er- er is geen- ik weet het niet.” 112-telefonist: “Kan je je omgeving omschrijven?” Rudie: “Ik ben in een huis- klein huis. Verlaten. Vervallen.” 112-telefonist: “Dan heb je ontzettend veel geluk gehad. Kan je iets zien wat de omgeving onderscheid?” Rudie: “Naast de deur van het- eh- huisje hing een bordje. Van koper, denk ik. Meijers, stond erop.” 112-telefonist: “Ik denk al te weten waar je bent. Blijf in het huis, we komen er direct aan.” (Korte stilte, enkel het geluid van zijn gejaagde ademhaling. Er klinken voetstappen op hout, daarna een keiharde knal.) 112-telefonist: “Rudie…? Rudie…?”   Om 22:59 arriveerde een politiekorps van vier agenten en een ambulance bij het verlaten Meijers-huis in Drenthe. Ze troffen Rudie dood aan op de vloer van de woonkamer. Het mobieltje waarmee hij had gebeld, een Blackberry uit 2004, lag een meter van hem vandaan, het scherm gebroken. Na onderzoek van het huis vond agent Van Damme drie aangevreten en opengescheurde lijken op zolder. Deze konden niet meer geïdentificeerd worden.   Bij terugkomst vertelde agent Van Damme dat hij iets zag rondkruipen in de drie gevonden lijken. Velen zeiden dat dit hoogstwaarschijnlijk ongedierte waren, of zilvervisjes. Agent Greef beweerde dat hij iets zag in het oor van Rudie. Agent Schulte en agent Bone bevestigen dit. 03 – 1 juli 2016 Boekenwinkeleigenaar Laurien Kempes (30) is bezig met de winkel af te sluiten. Haar boekenwinkel, De Boekenwurm, bevindt zich aan het einde van de Jan Klaverstraat. Om 20:08 uur wordt er op het raam van de winkel geklopt door Robin Rosche. Samen met Robin is Verle.   Om 20:23 uur wordt het Henri Veen Ziekenhuis gebeld.   HENRI VEEN ZIEKENHUIS DIGITAAL VERSLAG (VANAF 20:26 UUR) Laurien: “Ja, ze kwamen me inderdaad bekend voor, ja.” Ziekenhuistelefoniste: “Het beste wat u kunt doen is hen naar ons toe brengen. De politie is al gebeld.” Laurien: “Is goed, i- (ruis).” Ziekenhuistelefoniste: “Het spijt me, mevrouw Kempes, de verbinding viel weg. Kunt u herhalen wat u zonet zei?” Laurien: “Ik zie (ruis) oren.” Ziekenhuistelefoniste: “Wat is er met hun oren?” Laurien: (ruis) Ziekenhuistelefoniste: “Mevrouw Kempes. Bent u er nog?” Laurien: “Ja, sorry, normaal gesproken (ruis) zo’n slechte verbinding. Wat ik zei, is dat ik denk dat er (ruis) oren zit.” Ziekenhuistelefoniste: “Er zit iets in hun oren, is dat wat u bedoeld?” Laurien: “Ja, ik- (haar telefoon valt vermoedelijk op de grond)” Ziekenhuistelefoniste: “Mevrouw Kempes? Mevrouw Kempes?”   De politie werd naar De Boekenwurm gestuurd, in plaats van het ziekenhuis. Bij aankomst troffen ze mevrouw Kempes dood aan. In de rechterzijkant van haar hoofd zat een gat, alsof er een kogel door haar hoofd was geschoten.   Verle werd niet gevonden. Robin werd op de bank in de woonkamer aangetroffen. Er droop bloed uit haar oren. Bij het forensisch onderzoek bleek dat ze een ernstig beschadigde gehoorgang had en beschadigde organen. 04 – 22 juli 2016 Op 1 juli werd er direct, na de vondst van wijlen Robin Rosche, een AMBER-alert uitgezonden voor Verle van Weelde. Vele zoektochten werden gehouden, maar leiden tot niets.   Op 22 juli, om 20:54, werd er 112 gebeld.   112 DIGITAAL VERSLAG (VANAF 20:57 UUR) (Doorgegeven dat Verle gevonden is en verblijft bij de familie Dollen in Sneek) Verle: “Kom snel, alstublieft. Ik ben bang.” 112-telefoniste: “Dat begrijp ik, Verle, maar je moet me vertellen waar je was.” Verle: “Ik- ik weet het niet, mevrouw.” 112-telefoniste: “Weet je dat je bijna eenentwintig dagen weg was?” Verle: “Dat weet ik nu, mevrouw, maar (ruis) slechts een paar uur.” Meneer Dollen: “Wat was dat?” 112-telefoniste: “Verle, wat gebeurd er?” Verle: (ruis) (Hard geluid dat vergelijkbaar is met iemand die valt. Gegil van Verle)   Bij aankomst bij het huis van de familie Dollen wordt meneer Dirk Dollen (70) dood gevonden in de woonkamer. Zijn vrouw, Geertje Dollen-Speldt (69), ligt zwaargewond in de keuken. Verle werd in de kast in de woonkamer gevonden. Op de rechterhelft van haar gezicht zaten diepe sneden en schrammen. Datzelfde gold voor de rechterhelft van haar lichaam. Haar kleding was gescheurd en in haar bleke huid zaten sneden.   Verle en mevrouw Dollen zijn allebei met spoed naar het ziekenhuis gebracht. 05 – 31 juli 2016 Op 22 juli, om 21:59, stierf mevrouw Dollen aan haar verwondingen.   Op 30 juli was Verle voor een groot deel genezen van haar verwondingen. Ze werd voor de zekerheid nog een week in het ziekenhuis gehouden.   Op 31 juli, rond 14:00 uur, bezochten agenten Bas Tisselink en Thijs Desmet Verle in het ziekenhuis, op kamer 162.   VERSLAG VAN BAS TISSELINK “Verle, wat is er gebeurd op 25 juni?” Verle: “Er was iets in de telefoon.” “Wat was er in de telefoon?” (Verle haalt haar schouders snel op) “Denk je dat- het spijt me- je ouders hierdoor zijn overleden?” (Verle knikt) Verle: “Bij de oude man en vrouw was het er ook. Het kon toen niet volledig bij mij komen.” “Waarom denk je dat?” Verle: “We belden niet via mobiel.”

Aaron de Bruijn
25 0

Kampvuur en avondrood

De laatste avond aan het kampvuur op scoutskamp was altijd de leukste. Leen porde me aan: ‘Wie vind jij de knapste?’‘Ward,’ loog ik. Ik had daar eigenlijk nog niet over nagedacht, maar dan zou ik er vast en zeker niet bijhoren. Ik was niet zo met jongens bezig in die tijd. Of neen, ik vertel het verkeerd: ik was niet zo serieus bezig met jongens in die tijd. Ik was zeventien en op dat vlak nogal een laatbloeier.‘Oké Ward!’ zei Leen enthousiast ‘Ga er dan maar snel bij staan, want Ina is hem al aan het inpakken.’Ik trok mijn schouders op. ‘Jaja, straks.’‘Ha hier, Leen en Fran.’ Ik keek opzij, recht in de ogen van een blonde jongen. Ik had hem vaagweg wel eens zien rondhangen op het kampterrein bij de andere jongens, maar had nooit echt aandacht aan hem geschonken.‘Ha Bram!’ zei Leen met een hoog stemmetje, zoals alleen jonge meisjes dat kunnen. ‘Ben je aan het genieten van de laatste avond?’‘Ik heb biertjes meegenomen,’ negeerde Bram Leen en hij duwde de flesjes in onze handen.‘Dank je’, zei ik en keek hem arrogant aan. Wie dacht hij wel dat hij was, ik kon mijn bier best wel zelf halen. Bram grijnsde, alsof hij mijn gedachten kon lezen. ‘Ik heb je vorige week gezien,’ zei hij geheimzinnig.‘Oh ja, waar dan?’ vroeg ik.‘In de supermarkt vorige vrijdag, met je moeder.’Verrek, dacht ik, dat klopt. ‘Oh, ja dat kan,’ zei ik en probeerde daarbij zo nonchalant mogelijk te klinken.Leen, die had opgemerkt dat ze overbodig werd in deze scène, zei fijntjes ‘Ik ga dan maar eens daar staan,’ en verdween. ‘Drink van je biertje, straks is het lauw. Niets viezer dan lauw bier,’ zei Bram en wees naar het flesje in mijn hand.Ik nam snel een slok. Bram leunde op zijn linker been en trok zijn ogen tot spleetjes. ‘Ik heb je niet veel gezien dit kamp, heb je het naar je zin gehad?’Ik knikte: ‘Ja hoor, het was heel plezant. Jammer wel van het weer. Veel regen hé?’ zei ik schaapachtig. Typisch, dacht ik, terwijl iedereen vanavond een kampliefje probeert scoren, ben ik over het weer aan het praten.Gelukkig had hij meer zin voor sfeer en romantiek. ‘Je hebt eigenlijk best mooie ogen,’ zei hij.Ik kuchte ongemakkelijk. ‘Vreemd toch dat ik jou niet heb gezien in het warenhuis dan.’‘Ja,’ zei hij schalks. ‘Ik stond nochtans niet zo ver van je vandaan en keek duidelijk in je richting.’Oh jeetje, mijn maag trok samen. Hij glimlachte geruststellend. Er zat een fonkeling in zijn ogen, zo eentje die je niet zo heel vaak in je leven in jongensogen tegenkomt.‘Rook je?’ vroeg hij plots.‘Soms,’ zei ik stoer.Hij greep mijn arm en trok me mee, weg van het kampvuur. Aan de slaaptenten bleven we staan. Hij bood me aan sigaret aan. Onwennig stak ik het ding aan en nam een trek. Er viel een stilte, tot we werden opgeschrikt door gegiechel uit een tent.‘Kijken?’ fluisterde hij.Ik giechelde en knikte hevig. We doofden onze peuken en slopen naar de tent waaruit het geluid kwam. Bram en ik staken onze hoofden naar binnen. Daar zaten Rik en Lena in een innige omhelzing te zoenen. Toen ze ons opmerkte schrokken ze zich rot.‘Oprotten, jullie storen!’ bulderde Rik, terwijl Lena zenuwachtig begon te lachen. Rik gooide vervolgens een kussen naar onze hoofden, die we tijdig konden ontwijken door gierend van het lachen weg te rennen.‘Eindelijk,’ hijgde ik toen we weer bij het kampvuur aankwamen. ‘Lena loopt al maanden gek van Rik. De volle maan heeft de vonk dan toch doen overspringen.’‘Het gevolg van kampvuur en avondrood.’ grijnsde Bram. ‘Ach ja, Rik, knappe jongen en super charmant met meisjes. Wie loopt er niet gek van?’‘Ik niet hoor,’ zei ik.‘Oh neen en van wie loop jij dan gek?’ vroeg hij. Hij zette een stap dichter naar me toe. Ik schrok. Zo dicht had ik me nog niet vaak gevoeld bij iemand, figuurlijk dan. Ik had heus wel al eens met een jongen gekust, maar nog nooit had iemand uit zichzelf zo veel interesse in mij getoond.‘Ik moet naar de toilet,’ flapte ik er uit.‘Oh, dan moet je gaan,’ antwoordde hij. De teleurstelling was van zijn gezicht af te lezen.‘Ja sorry,’ stamelde ik, draaide me om en rende weg.In de toiletten moest ik even op adem komen. Daarna raapte ik al mijn moed bij elkaar en liep terug naar het kampvuur. Bram stond niet meer op de plek van daarnet. Ik plofte neer naast Leen.‘Was het plezant met Bram?’ gniffelde ze.Ik zuchtte. ‘Er is niks speciaals gebeurd hoor.’‘Jammer,’ zei Leen en sloeg haar arm half plagend, half troostend om me heen.‘Ach ja,’ mompelde ik. Op dat moment zag ik Bram aan de overkant van het vuur, in een donkere hoek, zitten. Hij was met een paar andere jongens aan het grappen. Hij leek zich te amuseren. Misschien vond hij het dan toch niet zo erg dat ik was weggelopen. De avond liep ten einde. Onze leiders spoorden ons aan naar onze tenten te gaan en een laatste keer in onze klamme slaapzakken te kruipen. Rik en Lena, die ons ondertussen weer aan het kampvuur hadden vervoegd, gaven elkaar een laatste kus voor deze avond. Ina die knus tegen Ward aanlag, zette zich met veel tegenzin recht. Leen was het druk tegen mij aan het uitleggen, maar wat ze zei, hoorde ik niet. Ik tuurde in het donker, in de hoop nog een laatste glimp van Bram op te vangen. Helaas, hij was nergens meer te zien. Ik draaide me om en liep richting Ina, Lena en de andere scoutsmeisjes.‘Wat een avond,’ zei Ina.‘Ja, wat een avond,’ lachte Leen. ‘Lena, heeft eindelijk met Rik gekust. Wie had dat nog durven dromen,’ zei ze terwijl ze Lena een vette knipoog gaf.‘Ik ben zo gelukkig,’ glimlachte die gelukzalig.‘Het is al goed,’ zei Leen, ‘kom we gaan slapen. Hoe sneller we slapen, hoe sneller je weer bij hem kan zijn.’De meisjes maakten aanstalten om richting tenten te lopen. Ik treuzelde.‘Komaan Fran,’ zei Leen en trok aan mijn mouw.Teleurgesteld draaide ik me nog een laatste keer om naar het kampvuur. Niks. Alleen maar een uitdovend vuur en opkomende ochtendmist. Zo jammer, dacht ik.Ineens schoot er een schim uit de duisternis naar me toe. Het was Bram. Hij liep recht op me af en kuste me vol op de mond. Ik stond als aan de grond genageld.‘Dat was ik nog vergeten,’ zei hij.Ik keek naar hem zoals ook ik dat daarna niet zo heel vaak meer naar een jongen zou doen.‘Tot morgen?’ vroeg hij.‘Tot morgen,’ fluisterde ik.Tevreden draaide hij zich om en liep richting jongenstenten.Leen, die het hele tafereel had zien gebeuren, stond met open mond naar mij te kijken.‘Dat was pas echte liefde,’ zei ze en begon te lachen.‘Neen Leen,’ zei ik ‘dat was gewoon kampvuur en avondrood.’

Ans DB
0 0

Oen, Doos, Trijs

Oen, Doos, Trijs, dat vond hij geschikte namen voor zijn 3 katten, hij vond dat grappig. Dat kat nummer 1 daardoor met vreselijke naam door het leven ging, dat was maar bijzaak. Ik mocht die beesten vanaf de 1ste seconde niet. Ik had in heel mijn leven nog nooit katten gehad en in mijn naaste omgeving waren er ook geen katten. Anders had ik geweten dat ik een serieuze kattenallergie heb. Alles erop en eraan; snotneus, hoofdpijn, niezen. Maar de katten kwamen er gratis en voor niets bij, bij mijn droomman. Over hem kan ik uren zwijmelen, een fotomodel maar met een ruw kantje. Overal waar ik met hem kwam, keken de vrouwen naar ons om. Een man om te houden. Dat hij uit een rijke familie kwam, maakte het geheel helemaal af.   Ik had het na een paar bezoeken bij hem thuis door dat mijn non-stop lopende neus niet kwam van een hardnekkige verkoudheid maar van zijn katten. Het was alsof die beesten het roken. Vooral Doos vond mij prachtig. Overal waar ik ging zitten, was meneer daar ook. Als de katten me mochten, kon er absoluut aan mij niets mis zijn, dat dacht hij toch. Ik liet maar achterwege dat ik absoluut geen dierenvriend ben. Dieren horen thuis in een zoo of als pelsje op mijn jas, dat is mijn mening. Maar als hij mij dan aankeek met die prachtige grijze ogen van hem, dan kwam voor mijn part de hele Ark van Noa hier wonen, het was maar bijzaak.   Na 3 maanden daten, stelde hij voor om bij hem te komen wonen. Ik was in de wolken! Ik had me via het internet voor een prikje 10 dozen anti-allergiepillen gekocht, die ik ergens achter in een kast verstopte. Mijn geheimpje. Na 3 weken die pillen te nemen, begonnen de bijwerkingen zich te manifesteren. Ik kreeg onverklaarbare hoofdpijnen, duizelig, moe en toch niet kunnen slapen. Na de bijsluiter te lezen, wist ik het zeker, ik was allergisch aan mijn anti-allergiepillen. Typisch iets voor mij. Hem maakte ik wijs dat ik leed aan de ziekte van Lyme. Ik veinsde dan ook allerlei tripjes naar de dokter terwijl ik eigenlijk bij een vriendin me zat te beklagen over de katten.   Na 2 maanden samen te wonen, begon ik de eerste scheuren in onze relatie te voelen. Ik was steeds ziek en mijn libido was naar een dieptepunt gezakt. Hij voelde het aan alsof ik hem al beu was. Er moest iets gedaan worden, die katten gingen mijn relatie met de knapste vent ter wereld niet verknallen. Het was geen kwestie van ik of de katten, het was ik en niets anders. Helaas vreesde ik dat hij de katten zou verkiezen dus er zat maar 1 ding op. Oen, Doos, Trijs zouden moeten verdwijnen.   Oen Alle drie de katten zomaar laten verdwijnen zou opvallen. Dus ik besloot te beginnen bij Oen. Eentje kon wel verdwijnen, dus op een mooie zomeravond, toen ik alleen thuis was, stak ik Oen in een doos met wat gaatjes, want ik ben geen onmens, zetten hem in de auto en reed naar een asiel 30 kilometer verderop. Daar zette ik hem aan de deur. Voila Oen was weg, nog twee te gaan.   De volgende dag vond hij het maar vreemd dat Oen er niet was, Oen was de kat die meestal binnen was, niets voor hem om een nacht weg te blijven. Ik stelde hem gerust, Oen zou wel terugkomen. Diezelfde avond werd hij opgebeld en hij keek opgelucht. Hij had die verdomde beesten gechipt! De volgende dag was Oen daar terug, hij keek me aan zoals alleen katten dat kunnen, hooghartig. Hij stak nog net niet zijn middelklauw naar mij op.   Ik zou dit anders moeten aanpakken.   Doos Ik liet Oen maar even voor wat hij was en concentreerde ik me op Doos. Ik had ooit eens gelezen dat katten en rattenvergif niet samen gaan. Omdat Doos de jager was van de 3 en dus de grootste kans had een vergiftigde rat te vangen, besloot ik hem een handje te helpen. Maar hoe? Het was mijn vent die me de oplossing zo aanbood. 2 weken nadat Oen terug was, zag ik hem stukjes paté nemen en er pilletjes in doen. Hij legde me uit dat hij zo de katten hun pilletjes kon geven. Zij vonden paté zo lekker dat ze het in 1 keer opaten.   De volgende dag stond ik bij de beenhouwer en kocht een groot stuk paté. Dan nam ik de doos rattenvergif uit de berging, die hadden we thuis staan tegen de ratten in de schuur. Ik verdeelde het rattenvergif over kleine stukjes paté en voederde ze zo aan Doos. Het zou een nare dood worden en ergens voelde ik me wel schuldig. Dus ik nam Doos op en legde hem achteraan in de schuur zodat ik zijn doodsstrijd niet zou moeten zien.   Doos kwam niet meer terug en tegen dat hij hem terugvond was Doos helemaal verstijfd en zaten de maden hem al in de ogen. Het beest stonk vreselijk. De dierenarts bevestigde dat het rattenvergif was, allicht een reeds vergiftigde rat opgegeten. De dierenarts zei tegen hem dat dit niet verstandig was geweest, ratten vergiftigen, wetende dat Doos graag ratten at. Hij barstte in tranen uit, het was zijn fout dat Doos dood was. Ik bood hem een troostende schouder aan zoals een goede vriendin dit doet. Nog 2 te gaan.   Trijs De dood van Doos had onze relatie doen opleven. Ik verzorgde en troostte hem en dat resulteerde in geweldige seks. Ik had nu even de tijd om te bedenken wat ik met Trijs zou doen. Ik nam mezelf een maandje te wachten vooraleer ik met haar zou afrekenen. Maar na een maand had ik nog geen goede oplossing gevonden, ik gaf het een beetje op. En toen deed de gelegenheid zich zo prachtig voor. Het was een regenachtig avond en het werd reeds vroeg donker, ik reed het straat in en ik zag een hoopje op de baan liggen. Normaal let ik daar niet op maar ik zag het nog bewegen. Ik stapte uit en zag Trijs liggen, duidelijk aangereden. Haar pootje lag in een rare bocht, ik vermoedde dat het nog maar net gebeurd was. Ik stapte in de auto en reed over haar heen terwijl ik luid de radio opzetten en hard meezong en danste, zo voelde ik de bult niet waar ik overheen reed.   Een half uur later kwam hij thuis, met Trijs in zijn armen. Die avond vroeg hij me ten huwelijk. Nog eentje te gaan.   En Oen Daar bleef Oen over. Oen was zijn eerste kat, zoals de naam wel deed vermoeden en dus ook de oudste. 5 maanden nadat ik hem had afgezet aan de asiel, begon Oen ziek te worden. Ik had daar niets mee te maken. Oen was 18 jaar oud en wit, naar het schijnt krijgen witte katten vaak huidkanker. Ik moest niet veel doen, een operatie was mogelijk maar het was niet zeker of hij de narcose zou overleven. Het kostte me even wat overredingskracht maar ik kreeg hem zover om Oen rustig te laten inslapen en te besparen van een lijdensweg. Hij bedankte me voor de gouden raad en vond dat ik gelijk had. Ik ben geen onmens.   De trouw Een jaar nadat ik bij hem was ingetrokken, trouwden we. Het was perfect! Hij zeurde af en toe voor een kat maar omdat ik “ineens” niet meer ziek was en ik me “ineens” deftig liet testen, bekende ik hem dat al die verkoudheden en Lyme-symptomen aan de katten lagen. Omdat hij me had zien treuren om zijn 3 katten en zich bovendien zo schuldig voelde dat ik al die tijd zo ziek was, beloofde hij dat hij geen kat meer in huis ging nemen. En zo trouwden we als het perfecte koppel. Iedereen mocht zien hoe mooi we bij elkaar pasten. Het werd een groot en opzichtig feest, precies zoals ik het wou. Toen de wijn begon te werken en ik voor de 5de keer op rij naar het toilet ging, hoorde ik zijn moeder zachtjes praten tegen zijn zus. “Ik vertrouw dat mens niet”, hoorde ik haar zeggen. “Ze loopt er altijd bij alsof ze een modeshow gaat lopen, zo een jongen is hij niet, hij is zo down to earth. En die trouwerij, zo opzichtig, hij zei vroeger dat hij een trouw zag als een reuze barbecue met vrienden en familie en moet je nu zien! Ik heb het altijd gedacht maar volgens mij blijft ze bij hem vanwege zijn geld. En dan met zijn katten, hij zag die beesten zo graag, zij komt daar wonen en de katten gaan één voor één dood”! “Nou mams overdrijf je nu niet een beetje?” “Dat zou je denken hé! Maar weet je wat hij net kwam zeggen? Ze had helemaal de ziekte van Lyme niet! Ze bleek een allergie te hebben voor katten!” “Denk je dat zij er voor iets tussen zit?” “Het zou me niets verbazen, ik moet haar niet.”   Ik vroeg me af of er goede anti-allergie pillen bestaan tegen schoonmoeders, anders zou ik een andere oplossing moeten zoeken.

Dana's plakboek
0 0

40 dagen

'God ziet u.' De spreuk hangt boven de deur naar het kantoor van de directrice. Daarbinnen ruikt het naar lentelucht. Maar de ramen zijn gesloten en het kan niet anders dan haar parfum zijn, verneveld over haar weelderige rode mantelpak met zwarte knopen. Ze gebaart me te gaan zitten. Mijn grommende buik probeert haar erop te wijzen dat hij de laatste dagen verwaarloosd is. Dat er enkel fastfood in verdween tussen lesvoorbereidingen, verbeterwerk en vergaderingen door. Ik kijk op mijn horloge. Binnen tien minuten is de pauze voorbij en moet ik naar 3B. Een toets afnemen over zinsontleding. ‘Laat ik meteen de koe bij de horens vatten’, zegt de directrice. ‘Ik heb klachten gekregen. Over jou. Zowel van leerlingen als van ouders.’ Het speeksel trekt weg uit mijn mond. Ik probeer te slikken, maar mijn tong is plots een dorre tak in het midden van de woestijn. De directrice staart naar haar computerscherm. Bewaart ze daar misschien een lijst met al mijn zonden? ‘Je hebt een leerling gestraft, omdat hij jouw boekentas uit het raam heeft gegooid. Van de tweede verdieping, om precies te zijn.’ Ze rolt met haar ogen, schudt haar hoofd en klakt met haar tong. ‘Zoiets doe je toch niet? Onze leerlingen zijn onze klanten. We moeten hen tevreden houden.’ Haar blik verandert mijn huid in een speldenkussen. De lucht vloeit uit mijn gescheurde poriën. ‘Die leerling deed je conditie een plezier door je een keer extra op en neer te doen lopen’, mompelt ze. ‘Maar goed. Een dag later heb je dan ook nog drie leerlingen naar de leerlingenbegeleider gestuurd, omdat ze je buiten het klaslokaal hadden gesloten.’ Ze kijkt me aan en glimlacht. ‘We kunnen toch nog tegen een grapje, nietwaar? Ik denk dat de leerlingenbegeleider wel belangrijkere dingen te doen heeft.’ Ik sla mijn armen over elkaar. Mijn hart bonst tegen mijn hand. De aanzwellende drum in mijn oren kan niet op tegen het getrommel van haar lange nagels op het tafelblad. Tikketakketikketakke. Maakt mijn stilte haar nerveus? Ze wendt zich af van haar computer en gooit een plastic mapje op de tafel. Het bevat papieren met de hoofding van de school. Ik herken mijn handschrift. Het zijn de blaadjes die ik ingevuld heb om de leerlingen strafstudie te geven. Ze haalt ze uit het mapje en legt ze op een rijtje naast elkaar. ‘Kijk eens aan. Als jij ervoor zorgt dat deze aanvragen voor strafstudie veranderen in positieve, constructieve opmerkingen aan de leerlingen, dan veeg ik er de spons over. En dan mag je de rest van je vervangingsopdracht afmaken. Je bent nu twee weken hier, dus nog zowat 30 dagen te gaan, nietwaar?’ Mijn botten zijn veranderd in elastiek. Er sijpelt iets tot in mijn merg, maar mijn hoofd is te murw om te onderscheiden of het onmacht, woede of verdriet is. Het doet mijn benen in elk geval trillen. De directrice heeft geen geduld. Ze zucht en veegt de blaadjes met één zwaai van de tafel. ‘Goed dan’, monkelt ze. ‘Jij je zin.’ Ze staat op, maar ze loopt niet naar de deur om me eruit te zetten. Nee, ze komt naar mij toe en trekt bruusk aan mijn arm. Haar kracht overvalt me en ik laat me meeslepen tot bij het raam. Ze gooit het open en gilt vlak bij mijn oor: ‘Weet jij echt alles beter? Spring dan, als je durft! Jij waant je toch zo geweldig? Misschien krijg je wel vleugels!’ Er zit een steen in mijn keel die geen schreeuw laat ontsnappen. Een paar meter onder mij zie ik de leerlingen krioelen over het grijze beton. Ik raak hun gelach en gejammer net niet aan. De greep van de directrice verslapt. Haar nagels drukken nog licht door mijn mouw. Ze duwt me opzij en gooit het raam weer dicht. Dan legt ze haar handen op mijn schouders en kijkt me aan. Haar gezicht is veranderd. In haar ogen schemert tevredenheid. ‘Prima’, fluistert ze. ‘Daar heb je goed aan weerstaan. Misschien heb je dan toch meer ruggengraat dan ik dacht.’ Ze loopt me voorbij en neemt weer plaats achter haar bureau. De weg naar de deur is vrij. Ik scherp mijn ogen aan de buitenwereld die zich door de kieren wringt. Onvast wankel ik ernaartoe, falend in de illusie van zelfzekerheid. ‘Nog een laatste opmerking, schat,’ zegt ze wanneer ik mijn hand uitstrek naar de deurklink. Ik wil het niet horen, maar toch blijf ik staan. Mijn ondergeschiktheid hangt als een te zware mantel om mijn schouders en lijmt mijn voeten vast. ‘Hoewel je als leerkracht niets voorstelt, zou jij wel een prima assistente zijn. Een luxe voetveeg, als het ware. Doe wat ik je vraag en je mag me overal volgen. Via mij zul je ervaren wat macht is. Meer dan dat zul je nooit bereiken. Nu te nemen of te laten.’ Ik open de deur. De gang vangt me op in zijn leegte. Ik haast me naar beneden. Naast de buitendeur zit een leerling aan het raam. Zijn engelachtige gezicht zweeft boven zijn opgestoken middelvinger.  

Gitta VR
24 0

JED

Tergend langzaam dooft het rode lampje en wordt de kamer pikdonker. Het is voorbij. Hij is weg. Ik sta op en zoek de lichtschakelaar naast de keukendeur. Een vaal geel peertje floept aan boven de stapel vuile borden in de wasbak. Els zit met vochtige ogen voor zich uit te staren. Ze kan het niet geloven. Ik eigenlijk ook niet. Ik zucht en zet een ketel op het vuur. De nacht is zwart. Over enkele uren begint het te schemeren. Ik ga bedremmeld naar haar toe en plaats wat onhandig mijn hand op haar schokkende schouder. Ze huivert. Ik vind het oprecht verschrikkelijk, zeker voor haar. ‘Hypocriet,’ sist ze, ‘nu tevreden?’ Ze staat op met een ruk en stuift de keuken uit. Ik blijf. De hoop ijzer op het aanrecht recht voor me staart me grijnzend aan. Hij beweegt niet meer. Voorgoed gedaan. De rode ogen definitief gesloten. Jed, onze allerliefste huis- tuin- en keukenrobot  heeft zijn laatste digitale adem geblazen.  De ketel begint te fluiten. Ik glimlach en zet een kopje thee.  Ik voel me vreemd genoeg opgelucht, na twee bizarre jaren vol achterdocht. In het begin was het wel leuk. Een hobbyprojectje. Iets waar Els en ik samen aan konden werken. Na zeven jaar huwelijk en onze gedwongen verhuis naar deze achterhoek waar we niemand kenden, stapelden de ergernissen zich op. We leefden op elkaars lip en maakten overal ruzie. Tot ik die handleiding vond. We bouwden hem samen. En we hadden er lol in. Het gaf ons een gezamenlijk doel, opnieuw. Een mooie bliksemafleider voor de sleur. We lachten, knutselden, sleutelden en soldeerden, maanden aan een stuk. Langzaam kreeg Jed vorm. Een metalen mannetje, onze ijzeren vriend. Het was Els haar idee om hem een naam te geven. Ze koos Jed. Dat had ze in één of ander magazine gelezen en vond ze wel passen voor een robot. Belachelijke naam. Ik kijk door het raam en drink van mijn kopje. Ik hoor Els boven met de deur slaan. Ik haal mijn schouders op. Buiten wordt het al een beetje licht. Of beeld ik me dat in? Jed was plezierig. Zeker de eerste weken. De dag dat zijn ogen voor het eerst oplichtten en hij zijn hoofd naar ons draaide was, hoe zal ik het zeggen, magisch. We waren verbijsterd en liepen over van trots. Toen kwam een krakerig ‘Goedendag’ uit zijn mond, een oude speaker van een klokradio. We sprongen een gat in de lucht. We vierden die avond uitgelaten de geboorte van onze nieuwe vriend. Els, ik, flessen champagne en Jed, die ons goedkeurend aanschouwde vanaf de keukentafel. Ik kuste Els die avond zoals ik al een lange tijd niet meer had gedaan en ook een lange tijd niet meer zou doen. Die eerste dagen leerde Jed razendsnel bij. We amuseerden ons te pletter. We gingen van eenvoudige woord- en zoekboekjes voor kleuters over naar jeugdboeken en algauw kleppers als Kafka, Tolstoj en Claus. Hij verslond televisie, vooral reality-tv programma’s. En hij was handig. Jed nam alle vervelende taken in huis voor zijn rekening. Was, plas en gras. Die lekkende kraan werd na vier maand eindelijk gerepareerd. Een fluitje van een cent voor onze metalen huisgenoot. Die kadertjes die al een half jaar smeken om aan de muur te hangen. Zo gefikst. Wat een kerel zeg. Els in haar nopjes, wat had je gedacht. Ik zet mijn lege kopje op het aanrecht en kijk hem aan. Die razendsnelle metalen beentjes hangen er nu wat lullig bij. Naast hem ligt mijn Engelse sleutel. Enkele draadjes pulken uit het verwrongen metaal aan de zijkant van zijn hoofd. Ik neem de sleutel vast en weeg hem in mijn hand. Waar had ik mijn werkbak nu weer gelaten? Nu, na enkele weken begon die hele robot mij wel al wat te vervelen. Ik vond nieuw werk in de suikerfabriek aan de andere kant van de stad en had lange werkdagen. Wanneer ik thuiskwam wou ik vooral een fris pintje en met de voetjes op de salontafel voetbal kijken. Geen gezeik. Het interesseerde me niet welke hilarische avonturen Els en Jed die dag beleefd hadden of wat voor geniale prestatie die ijzerhoop nu weer gedaan had. Gewoon mijn bier brengen en niet te veel praatjes. Mijn kop liep zo al om.   Ik loop naar de kelder. Mijn werkbak staat op het rek. Ik leg de Engelse sleutel weg en hijs me loom de keldertrap op. Eerst een klein dutje doen en dan onze vriend naar het containerpark brengen.  Ik loop de keuken in met een glimlach. Jed zit me levenloos op te wachten. Ik moet lachen. Els werd kribbiger tegen me. Die blikken trommel was blijkbaar veel interessanter. Ze keek me soms aan met een blik vol afkeuring en walging. Ze kon niet wachten tot ik naar mijn werk vertrok. Telkens ik de kamer binnenkwam stopte het gesprek. Jed en Els keken dan wat verveeld weg, mompelden een excuus en gingen weg. Mij kon het niet schelen. Ik haalde mijn schouders op en probeerde mijn irritatie te negeren. Ik trok een blikje open en ging zitten sudderen in mijn zetel. Ik voelde me het vijfde wiel aan de wagen, of beter het derde aan de fiets. Ik was vervangen. Overbodig gemaakt door boutjes en draadjes. Een machine met praatjes maakte nu het mooie weer bij mij thuis. Ik stond er bij en werd hooguit geduld. Voorlopig toch. Els en Jed begonnen me steeds meer te mijden. Ze staken hun ontgoocheling niet weg als ik onverwachts thuiskwam. Soms gingen ze hele weekend op stap, god weet waarnaar toe. Mijn aanwezigheid werkte op hun zenuwen. Jed fluisterde dan iets in mijn vrouw haar oor waarna ze giechelend naar mij keek. Dan schudde ze haar hoofd en nam ze Jed mee naar de andere kamer. Ik voelde me niet meer op mijn gemak. Toen ik twee weken geleden de keuken inliep stond Jed net een groot vleesmes te slijpen. Een karweitje waar ik me nooit aan gewaagd heb. Ik bleef staan en wou me net omdraaien. Hij keek me recht aan en wees met de punt van het mes in mijn richting. Hij zei niets. Misschien is het mijn verbeelding maar na enkele gespannen seconden zag ik een grijns op zijn metalen smoelwerk komen. Ik staarde hem bevroren aan. Jed liet het mes weer zakken en sleep luchtig verder. Ik liep de keuken uit met een bonzend hart.   Na twee zenuwslopende weken had ik gisteren eindelijk de moed gevonden. Ik had de hele avond in de garage gewerkt aan mijn motor. Daar liet ik die eikel niet aan prutsen. Vol olie en met een zware Engelse sleutel nog in de hand kwam ik de keuken binnengewandeld om een pilsje te nemen. Het olijke duo zat schaterlachend bij kaarslicht monopolie te spelen. Els was duidelijk teut. Naast haar glas stond een halflege fles rode wijn. Op het aanrecht stond nog een lege fles. Jed zat met zijn rug naar mij. Hij nam zelf de moeite niet om zich om te draaien, maar praatte gewoon verder met Els. Die proestte het uit bij elk woord van hem. De arrogante klootzak. Ik had er genoeg van. Ik zwaaide de sleutel de lucht in en ramde hem los op zijn blikken kop. Hij viel voorover op de tafel. De kaars rolde op de grond en doofde. Zijn twee rode ogen gaven de kamer een sinistere gloed. Langzaam werd de keuken pikdonker. Ik kon weer ademen. Ik was het kopje af en zet het opnieuw in de kast. Ik loop langs Jed en knip het licht uit. Ik blijf staan aan de keukendeur. In het ochtendschemer zit een rode gloed. Ik durf me niet omdraaien maar voel de ogen van Jed op mijn rug branden.  

Bernard Govaert
0 0

Het fototoestel

Lode was een verwoed amateurfotograaf. De laatste tijd had hij problemen met zijn toestel. Tijd voor een nieuw, dacht hij. Op weg naar het shoppingcenter zag hij in een zijstraat een antiekwinkeltje waar in de etalage een aantal digitale fototoestellen te koop werden aangeboden. Hij vond dit nogal eigenaardig en stapte de winkel binnen. Te midden van allerlei snuisterijen verscheen de verkoper. Hij leek even oud als sommige van zijn antiquiteiten. Hij lachte vriendelijk naar Lode. “Wat kan ik voor je doen?” “Ik zoek een digitaal toestel, maar ik had het niet verwacht om moderne toestellen te vinden in een antiekwinkel.” Er verscheen een glinstering in de ogen van de uitbater. “Soms vind je het onverwachte op een plaats waar je het niet verwacht. Ik had je vandaag verwacht. Dat is mijn zesde zintuig.” Lode keek verwonderd en begon het allemaal wat bizar te vinden. Hij was echter zo gefascineerd door de oude man dat hij bleef. Hij nam een fototoestel, bekeek het vluchtig en vroeg naar de prijs. “Dat toestel past niet bij jou, maar ik heb er één dat uiterst geschikt is.” De verkoper toverde een apparaat vanuit de toonbank. Lode keek vol bewondering naar het toestel. Kon hij zich dit wel veroorloven? 75 euro wilde hij wel hieraan besteden, dacht hij. “Voor 75 euro is het de uwe,” zei de verkoper. Lode was verbaasd omdat dit de prijs was die hij in zijn hoofd had. Hij twijfelde toch nog. “Werkt het nog optimaal?” “Het is een bijzonder toestel. Niet iedereen kan en mag ermee fotograferen. Ik wist dat u vandaag zou komen en dat u 75 euro ervoor zou betalen.” Lode keek zeer wantrouwig en dacht de oude man ze niet meer op een rijtje had. Aan de andere kant was hij wel gefascineerd door de overtuigende stem van de verkoper. Hij wilde er toch het fijne van weten. “Hoe wist u dat ik vandaag zou komen en dat ik er 75 euro voor wou geven?” “Van een foto die ik vorige week genomen heb.” Dit kan niet meer, dacht Lode, die man is gek. De verkoper zag de blik in de ogen van Lode. Hij nam het fototoestel, zette de instellingsdatum op 1 februari 1996. “Het is vandaag 10 maart 2016,” zei Lode. Maar de oude man luisterde niet, gaf het toestel aan Lode en vroeg een foto van hem te nemen achter zijn toonbank. Lode legde aan en nam een foto. De verkoper duwde op de display en toonde de foto. Lode zag de man achter de toonbank, maar hij leek twintig jaar jonger. De dagkalender tegen de muur wees de datum aan: 1 februari 1996. Lode keek naar de dagkalender achter de verkoper. Het was 10 maart 2016. “Overtuigd van het toestel?” vroeg de oude man. “Ik heb verleden week op verschillende data foto’s genomen van mijn winkel. Enkel jij stond op 10 maart 2016 aan mijn toonbank.” “Het apparaat ziet niet enkel beelden uit het verleden, ook uit de toekomst,” stamelde Lode. “Ik heb destijds ook het fototoestel gekocht. De verkoper van toen beweerde dat het toestel zijn fotograaf kiest en niet andersom. Waarom? Dat weet niemand, maar jij komt vandaag in het bezit van dit wonderding.” Lode wist nog niet goed waarom, maar toch kocht hij het toestel. “Nog een laatste goede raad. Wees voorzichtig met de beelden uit de toekomst en gebruik het toestel niet voor je eigen voordeel,” zei de verkoper nog voor Lode de winkel verliet. In gedachten verzonken wandelde Lode terug naar huis. Wat kon hij allemaal met het toestel doen? De uitslag van de lotto bekijken, zodat hij eindelijk zijn fotostudio kon uitbouwen. Gewoon het toestel op een week later zetten en een foto nemen van de krant. Hij kon dan zo de winnende cijfers invullen. Maar dan herinnerde hij de raad van de oude man. Dit kon hij niet doen. Hij wilde het toestel eens testen. Hij veranderde de datum in 29 maart 2016. Hij focuste op de straat en drukte af. Toch wat bevend toetste hij het display aan. Een beeld van een begrafenisstoet verscheen. Nieuwsgierig zoomde hij in en zag zijn kinderen wenend achter de lijkwagen. Verschrikt duwde hij het beeld weg. Na enkele minuten wilde hij terugkijken, maar het beeld was verdwenen. Een beangstigd gevoel overviel hem. Lode kwam aan zijn huis. Hij opende de deur. Zijn kinderen en zijn vrouw waren nog niet thuis. Stilletjes ging hij in de zetel zitten. Met het toestel in zijn handen sloot hij zijn ogen. Even later vloog zijn vrouw binnen. Enthousiast gaf zij hem een kus. “Ik heb een verrassing voor jou. We gaan op reis.” Zijn vrouw toonde hem de vliegtickets. “We vertrekken binnen tien dagen. Op 22 maart 2016 moeten we om acht uur ‘s morgens op Zaventem inchecken.”

Ludo Herwijn
14 0

Drang om te tekenen

01 Er is iets goed mis met mijn zoontje Ian. Het voelt vreemd om dat gewoon te zeggen. Ik snap dat een ouder dat niet echt kan zeggen over hun driejarig kind. Ik moet er een beetje omheen dansen, snap je, subtielere woorden gebruiken, of beweren dat er niets mis met hem is en toch, voor de zekerheid, naar de dokter gaan. Ieder mens is anders en hij is gewoon anders. Hoewel daar hoogstwaarschijnlijk wel waarheid in zit, is Ian niet anders in een positieve zin. Als ik zeg dat er “iets goed mis” met hem is, dan bedoel ik dat ook zo. Deze hele situatie is goed mis. Het is niet alleen dat hij wezenloos in het niets staart, nooit spreekt of geen vrienden heeft. Het is niet eens dat hij elke dag eet als een zieke kip en zich in zijn kast verbergt en je hem er zowat moet uitsleuren. Zulke dingen kunnen worden afgeleerd. Mijn zoon tekent graag. En dat is wat er goed mis aan hem is. Ian tekent met alles waarmee hij kan tekenen; potloden, krijtjes, stoepkrijt, muurverf, make-up, crèmes, shampoo en zelfs eten, wat hij uitsmeert over zijn canvas. Het is bijna een ongezonde drang om te tekenen. Als het papier op is begint hij de muren te bekladderen, of op meubels te schilderen of op de gordijnen. Het dreef me bijna tot krankzinnigheid. Ik kon hem geen enkel moment van de dag meer alleen laten. Bang dat hij weer had getekend op iets waarop niemand hoort te tekenen. Om eerlijk te zijn, ben ik ten einde raad. Ik ben al meerdere keren naar dokters geweest, maar er is niets mis met hem. Niets dat te bewijzen is, in ieder geval. 02 Een maand of zo geleden was ik met hem naar zijn vaste psychiater Lance Paulink geweest. Elke week breng ik hem ernaartoe. Vaak vraag ik niet aan meneer Paulink wat ze precies in die kamer doen. Wat hij zegt (makkelijk te begrijpen, altijd rechtdoorzee) is vaak geruststellend. Maar die maand geleden kreeg ik iets totaal anders voorgeschoteld dan de typische voortgang. Hij leidde Ian naar het speelhoekje en riep mij toen naar zijn kantoor. In dat stoffige, door tl-buis verlichtte kamertje, leunde hij achterover in een grote, leren stoel die veel dokters lijken te hebben, en klakte toen met zijn tong. ‘Uw zoon is- heeft naar vermoeden een fantasievriendje.’ ‘Een- fantasievriendje?’ Lance Paulink knikte. ‘Hij zegt dat hij geen vrienden op school heeft omdat dit fantasievriendje zegt dat hij niemand anders nodig heeft dan hem.’ Ik slikte. ‘Valt er iets aan de toen?’ ‘Nee. Vaak gaat het vanzelf over. Het is zelfs ontzettend normaal voor een kind van zijn leeftijd. Het beste is om een beetje mee te gaan met zijn spelletje, vaak genoeg weet het kind ook wel dat het vriendje niet echt is. Maar als hij begint door te slaan, dan moet u wel ingrijpen.’ ‘En hoe weet ik dat hij doorslaat?’ Lance Paulink ging recht zitten. ‘Als u niet meer op de bank mag zitten omdat zijn fantasievriendje er al ligt, of als u een extra bord op tafel moet zetten met een extra stoel.’ Hij boog naar mij toe. ‘Maakt u zich maar geen zorgen. Dit gaat vanzelf over.’ Dit stelde mij gerust. Maar slechts twee dagen na het bezoek was dat gevoel alweer verdwenen. In het begin waren Ians tekeningen normaal, je weel wel, typische kindertekeningen. De hoekige poppetjes, het huisje met het puntdakje, de zon in het hoekje van het papier. Maar toen namen zijn tekeningen een twist. De eerstvolgende tekeningen die hij vol trots aan mij presenteerde, was een stapel met tekeningen van menselijke figuren; mannen, vrouwen, jongens en meisjes; lang, dun, dik, groot, kort, rond, alleen het gezicht of alleen het lichaam. Het waren imperfecte creaties van een kind. Sommigen hadden één arm korter die korter was dan de andere, sommigen hadden zelfs extra vingers of complete ledematen. Soms was één oog ontzettend groot, terwijl de andere niet meer was dan een stip. Monden tekende hij maar zelden, en anders nooit op hetzelfde gezicht en iedere jongen of meisje droeg dezelfde set kleding: lange mouwen, gestreept shirt, met soms een korte of lange broek, puur voor de variatie. Hun huiden waren nooit echt “huidkleurig”. En dan bedoel ik niet dat ik geen beigekleurige potloden in de doos had. De huiden van de poppetjes waren felpaars, felgroen, felblauw of felrood. Nooit roze, geel of bruin. Een week na het bezoek aan Lance Paulink kwam hij ’s avonds met een nieuwe tekening aanzetten, als je dat een tekening kon noemen. Het waren niet-ingekleurde, gekraste lijnen. Het was een gezicht, maar de ogen waren reusachtig groot en keken dreigend en het had een lange muil vol puntige tanden. Op dat moment had ik er genoeg van. Ik griste de tekening uit zijn hand, gooide de gruwel in de prullenbak en ging direct daarna door naar zijn kamer. Ik haalde al het papier weg en nam de potlodendoos in beslag, waarna ik ze verborg in de kast in de woonkamer die ik op slot deed. Ian zei niets. Hij zou me op dat moment zeker weten hebben gehaat. Om eerlijk te zijn, haatte ik mijzelf toen ook. Zijn verslagen blik brak mij, maar ik slikte en zette door. Alles wat hij als tekengerei kon gebruiken zette ik achter slot en grendel waar ik alleen bij kon komen. Ik bracht hem naar bed en belde daarna direct Lance Paulink, voor een afspraak morgenvroeg. 03 Die nacht kon ik niet slapen. Ik lag maar te draaien en te piekeren, niet in staat de gekraste tekening uit mijn hoofd te krijgen. Ik wreef mijn handen over mijn gezicht, sloeg de dekens van me af en zette mijn voeten buiten het bed. De koelte van de nacht prikkelde aan mijn zolen en stroomde door mijn zenuwen door mijn hele lichaam. Ik liep de trap af, naar de keuken. Daar vulde ik een glas met water en nam een slok. Ga naar hem toe. Ik verslikte me. De gedachte was opeens in mijn hoofd gedrongen, maar het was niet mijn gedachte. Het klonk niet zoals mij. Hij is weer aan het tekenen. Hij gaat sterven. Het waren gitzwarte fluisteringen. Ik vluchtte de keuken uit, terug de woonkamer in. Ineens hoorde ik de kast schudden en trillen, alsof er een beest in zat opgesloten en eruit wilde breken. Hij sterft. Ga! Op dat moment dacht ik niet helder meer na. Ik rende de trap op, naar Ians slaapkamer. Ik duwde de deur open die altijd op een kier stond. De gordijnen waren opengeschoven en het raam stond wagenwijd open. De dekens van zijn bed waren opzij geslagen, maar het bed was leeg. Ik rende naar het raam en keek naar buiten. Het was een donkere, bewolkte nacht. Ik riep zijn naam, maar ik kreeg geen antwoord van buiten. De deur van zijn kast vloog open en Ian viel er als een slappe pop uit. Ik snelde naar hem toe. In zijn arm zaten diepe sneden, rood bloed vloeide eruit. Over zijn bleke huid zaten bloedvegen. Zijn rechtervingers waren nog slap om de greep van een broodmes gekruld. ‘Ian,’ mompelde ik zacht. Zijn ogen stonden halfopen en opgedroogd spuug had zich in zijn mondhoeken verzameld. Ik deed het licht aan. Op de bodem van de kast had hij twee poppetjes getekend, hand in hand, lopend door een bloederig veld. De linker was hij (een pijltje met erboven “IK” wees ernaar). Het rechterpoppetje was een lang schepsel. Het gezicht was precies zoals die op zijn gekraste tekening. Ik staarde vol afschuw naar de tekening. Pas later zag ik dat diezelfde gekraste tekening aan een wand was geplakt. De diepzwarte pupillen waren de ooghoeken in geschoven. Het keek naar mij. De muil was gesloten, maar toen het begon te praten, bewoog het vloeiend mee, alsof het een levend wezen was.   Dit is jouw schuld. Hij wilde alleen weer mij tekenen.

Aaron de Bruijn
25 0

Dood van de haan

                                        We moeten aanvaarden dat de mensen die we liefhebben  ons niet liefhebben zoals we hopen.  We moeten verraad en ontrouw aanvaarden,  en het moeilijkst van al, dat iemand verfijnder is van karakter en geest dan wijzelf zijn.     (Sándor Márai, Gloed)         I Ze zat in de zomer van 1968 op het terras van het duurste café op het marktplein van Bad Arolsen. Ik wachtte op Rik, die me aan zijn echtgenote zou voorstellen. Geen idee dat het de vrouw twee tafels verder was naar wie ik niet probeerde te staren. Ze dronk haar thee als was het een kunstvorm en als waren de mensen om haar heen haar toeschouwers. Ze was helemaal anders dan de studentes in de Leuvense cafés, van wie ik er sommigen op de wang had gekust en van wie er een paar op mijn schoot waren gaan zitten. Ze was zelfs helemaal anders dan Valerie, het meisje met wie ik had gestudeerd en slechts in hoofse zin had verkeerd.             Ik moest naar haar kijken. Zij keek terug zonder dat ik uit haar blik iets kon opmaken. Naast haar stoel stonden draagtassen van een dure boetiek. Ze rookte lange sigaretten. Haar bewegingen waren traag. Ik bedacht dat ze een aristocrate moest zijn. Net voordat Rik eraan kwam, begroette ze een andere man. Hij kwam het terras op en kuste haar op de wang. Ze fluisterde iets in zijn oor. Zo leerde ik Helene kennen.               Als Helene alleen mooi was geweest, dan had ik mijn beste vriend Rik nooit bedrogen. Helenes aantrekkingskracht school in haar onorthodoxe gedrag. Dat ze onconventioneel was, ontdekte ik op een galadiner van het leger.             We zaten aan een lange tafel die gedekt was met linnen en servies waarop het monogram van onze koning stond. Er werd gepraat over de politiek in België, over het weer en de opera. Het gesprek verliep zo kabbelend dat ik het met sloten wijn door trachtte te komen. In gedachten was ik ver weg, thuis, ik rook de bossen van Heidonk nadat het net geregend had, ik zag de paarse heide voor me die zich als een woestijn tot aan de horizon uitstrekte. Tot haar stem me terugriep. Het gesprek ging over componisten, en dat had een gevoelige snaar bij haar geraakt. Ze had een diepe stem, in onberispelijk Frans, maar zonder haar Duits accent te verhullen, zei ze tegen niemand in het bijzonder:             ‘U, heren, hoort u praten, slaafse volgers van bevelen. Waar is uw eigen mening? Durft u niet? Is er hier niemand die durft te erkennen dat Wagner een genie was? Of heerst hier aan tafel een gebrek aan mening, aan intelligentie? Heeft u feitelijk ooit iets van Wagner gehoord? Spreekt dan, weest moedig!’ Hoewel de monoloog gekunsteld overkwam, alsof hij van buiten geleerd was – en, bedacht ik later, wie weet was dat ook zo – was ik meteen in de ban.             ‘Wagner had geen woorden nodig. Mag ik u opdragen eens naar zijn muziek te luisteren. Op zoek te gaan naar de motieven in Der Ring der Nibelungen. Doe het desnoods heimelijk. Houdt u van een liefdesverhaal? Luistert u dan naar Tristan und Isolde. Baanbrekende opera. Ik hoop dat u dan de moed vindt om te spreken, want ik weet wat u allen denkt: Wagner – antisemiet – Hitler. Zo kortzichtig als u bent.’ Er werd gekucht. Dan gelachen. Een commandant met een snor veegde zijn mond aan zijn witte gesteven servet af. Rik sneed een stuk van zijn chateaubriand, de vork ging langzaam naar zijn mond. De man naast mij fluisterde:             ‘Schitterende actrice, die Hélène. Vind je niet, Philip?’ Het stoorde me dat hij haar naam verkeerd uitsprak. ‘Hélène’, zei hij, op z’n Frans. Toen wendde ze zich tot mij:             ‘Dokter Beauclerck, wat vindt u van Wagner?’ Alle ogen waren op mij gericht. Ik werd rood en nam een slok wijn om tijd te winnen.             ‘Ik ken Wagner niet,’ stamelde ik naar waarheid. Bij ons thuis werden geen Duitse componisten gespeeld.             ‘Ik zal u een paar platen van hem lenen.’ Ze knipoogde schalks, waarna ze de naad van haar lange handschoenen rechttrok. Verloren staarde ik naar de schitterende diadeem in haar kastanjebruine haar.                         Via Rik kreeg ik de volledige cyclus van Der Ring der Nibelungen te leen, maar geen Tristan und Isolde. De avonden na het galadiner luisterde ik uren naar Wagner. Ik begon met Das Rheingold en vervolgens Die Walküre, in een poging vervoerd te raken, zoals ik dacht dat Helene in vervoering raakte.             Hoewel ik daarna meermaals bij Helene en Rik ging eten, peilde ze niet naar mijn indruk. Weten wat ik voelde, leek geen noodzaak voor haar te zijn. Uiteindelijk sneed ik het onderwerp opnieuw aan. Ze legde me uit dat Wagner erin was geslaagd om de dualiteit tussen woord en waarheid te verbeelden. De muziek die de zangers begeleidde, liet een andere waarheid horen dan de woorden uit hun mond. Waarna ze terugkwam op het galadiner:             ‘Toen ik over Wagner begon, zag ik wel hoe gechoqueerd iedereen keek. Dat ik überhaupt, als vrouw én bovendien Duitse, mijn mond opendeed, was voor die, van regels stijf staande, mannetjes al schandelijk genoeg. En dan durfde ik het nog hebben over Wagner, en erger nog, over Hitler. Ik zag de angst in hun ogen. Straks groet ze Heil Hitler!  Der Schein regiert die Welt, und die Gerechtigkeit ist nur auf der Bühne. Niemand reageerde, niet omdat ze hem niet goed vonden, maar omdat niemand van al die mannen die jullie leger leidt, de ballen heeft om zelfstandig te denken. Mein Gott, jullie zou hetzelfde als ons, Duitsers, kunnen overkomen, toch?’ Ze hief haar handen en sloeg haar ogen naar de hemel op in wat een gebaar van ergernis moest voorstellen. Intussen wist ik dat ze toneel had gestudeerd en dat ze, tot ze met Rik trouwde, op de Bühne had gestaan. Viel me daarom opnieuw de dramatische toon op? En de overdreven handgebaren, de tragische blik? Alsof overacting haar wapen was in de strijd voor haar vaderland.             Alsof ze mijn gedachten kon lezen, ging ze na een pauze veel kalmer verder: ‘Ik kan niet zeggen dat ik van Wagner houd. Geef mij maar Sergei Rachmaninov, Toteninsel.’               Grapte ze? Later, nadat ik haar beter had leren kennen, bedacht ik dat ze had willen choqueren. En op de dag van de begrafenis van Rik vreesde ik dat er iets grondig mis met haar was.       II   Het is vrijdag 18 augustus 1989 en ik heb vanochtend Rik begraven. Ik leef meer dan ooit in een onvoltooid verleden. Ik zit aan de keukentafel in mijn huis en heb mezelf een glas Marc de Bourgogne ingeschonken. Voor het eerst vallen mij, net boven de vloer, op de witte plint en de onderkant van de witte deur die naar het terras leidt, een paar bloedspetters op. Boven het aanrecht hangen de messen keurig op hun plaats, van klein naar groot: aardappelmes, broodmes, vleesmes. Hoewel het buiten zomert, is de art-nouveauvilla vochtig en kil. Hier is mijn vader geboren en hier is hij gestorven. Hier ben ik geboren, hier zal ik sterven.             Ik steek een sigaret op. Mijn mond smaakt klef door de twee flessen Bourgogne die ik vannacht soldaat heb gemaakt ter inspiratie voor het in memoriam dat ik voor Rik moest houden. Ik heb hem de eer willen bewijzen die hem toekwam, maar ik voelde me een huichelaar daar vooraan in de halfvolle kerk.               Al bij al was er veel volk komen opdagen voor een man die zich zo weinig onder zijn dorpsgenoten had begeven. De meesten waren ouder dan hij zelf was geworden. Gieren waren het. In vergelijking met hen was ik wellicht zijn beste vriend geweest. Beiden waren we enig kind. Beiden verloren we onze moeder vroeg. Niet alleen buren, maar ook lotgenoten. Totdat ik de verschillen begon te zien. Zijn gelapte broek tegenover mijn nieuwe linnen pantalon. Mijn witte boterhammen tegenover zijn grof brood. Zijn vader die de bladeren in onze tuin bijeenharkte, terwijl mijn vader in zijn Minerva de oprit opreed. Toen het te pijnlijk werd, zijn we onze eigen weg gegaan. Totdat ik tijdens mijn legerdienst onder zijn bevel kwam te staan in Bad Arolsen. Sindsdien was ons lot door één vrouw  verbonden.               Vanochtend in de uitvaart kon ik dit alles onmogelijk vertellen. Noch kon ik het hebben over zijn enige liefde en over zijn dochter. Wat moest ik zeggen? Ik sprak over hem als over een van mijn patiënten, wat hij ook was geweest. Ik vertelde hoe dicht hij als bevelhebber in het leger bij zijn mannen had gestaan. Hoe hij na een auto-ongeval noodzakelijkerwijs het leger moest verlaten. En dat hij altijd even toegewijd was, als militair en later als diplomaat. Dat hij een cruciale rol had gespeeld bij diverse onderhandelingen. Zo bemiddelde hij met succes voor de behouden terugkeer van Belgische toeristen die eind ’79 in Afghanistan vastzaten na de Sovjet-Russische invasie. Totdat leukemie hem dwong om zich ook uit de diplomatie terug te trekken. Vorig jaar, in de lente van 1988, keerde hij terug naar zijn geboortedorp om daar te sterven in zijn ouderlijk huis. Toen hij bedlegerig werd, wou hij niemand meer zien. Te trots. Een rijzige man met een verzorgde snor, meestal in driedelig pak. Een man die nooit stil zat, voor wie het vaderland vóór alles kwam. Misschien met uitzondering van God, op zondag. Hij weigerde elke therapeutische of pijnverlichtende behandeling. Alleen ik mocht hem bezoeken en enkel om een minimum aan zorg te verstrekken. Rik Hendrickx had beslist te sterven en zoals een stervende olifant zich terugtrekt uit de kudde, zo had hij beslist om alleen te sterven. Op zijn uitdrukkelijk verzoek heb ik hem de laatste dagen niet meer opgezocht. Hij was een moedig man.             Vooraan op de eerste rij zat Alice. Ze leek een beetje afwezig, zoals Helene vaak afwezig lijkt.             ‘Ik heb hem nauwelijks gekend, maar als jij dat graag wil, vader, zal ik naar zijn begrafenismis komen.’ Zo gelaten had ze geantwoord. En inderdaad, dat wilde ik. Ook al begreep ze wellicht niet waarom.               Het is stil in huis. Ik weet niet waar Alice is en hoewel het al na de middag is, ligt Helene, alweer, in het bed in de logeerkamer.             Ik zou nu niet meer durven zeggen dat het allemaal pas begon in ’77, met de terugkeer van Rik naar Heidonk. Met de dood van de haan. Voordien al, tijdens onze eerste jaren in Heidonk, had ze donkere periodes. Dan ging er een halve dag voorbij eer ze aangekleed was. Wanneer ik na mijn eerste ronde huisbezoeken thuiskwam om in de agenda op te zoeken wie er ondertussen had gebeld, stond ze nog in haar ochtendjas in de stomende badkamer. Omdat ik zo lang in de ban van haar ben geweest, wilde ik, of kon ik, niet zien dat er iets mis liep met haar.               Ze ligt in het halfduister, opgerold in haar lakens als een dier in zijn hol. Op het nachtkastje vind ik de Illias, de originele Griekse versie. Daarin zit een postkaart van een schilderij van Arnold Böcklin, Die Toteninsel. De twintigjarige Helene zou me gezegd hebben dat hij een groot kunstenaar was. De veertigjarige zegt niets meer. Met een zucht steek ik de kaart weg.  Soms denk ik dat ik degene ben die ziek is, paranoia. Als ik mijn hand op haar schouder leg en ze niet meteen reageert, trek ik haar in een moment van verminderde zelfbeheersing overeind. Eindelijk zit ze op de rand van het bed als een glazen pop, haar lange armen naast haar lichaam, haar hoofd knikkend, haar haren een ragebol, haar ogen hol. Ze zakt in elkaar. Wat voor haar waarheid is of spel, is me nog altijd een raadsel. Ik voel haar pols. Haar hartslag is laag.             ‘Helene!’ Ik schud haar hevig door elkaar. Dan zie ik naast het glas water op het nachtkastje een doos slaapmiddelen staan. Geen idee hoe ernstig het is.               Ik ben een paar keer door rode stoplichten gereden. Op de spoeddienst van het ziekenhuis hebben ze haar maag gespoeld. De spoedarts vertelt me dat hij haar in observatie wil houden. Hij vraagt tweemaal of ik hem heb begrepen en voegt er bezorgd aan toe dat ik er bleek uitzie. Ik ben tweemaal zo oud als hij.             Op de gang kruis ik een zuster. Ze buigt haar hoofd. Ik denk niet uit devotie. Intussen ligt Helene, nog steeds buiten bewustzijn, in de laatste kamer op de gang. Het ruikt er naar ontsmettingsmiddel. Boven het bed hangt een crucifix. God ziet u. Wat als het toch waar zou zijn? Dat we berecht worden na onze dood? Ik voel haar pols, die is weer normaal. Zo blijf ik een uur of twee zitten. Een wolf in schaapskleren.       III   Tijdens mijn legerdienst in Bad Arolsen ging ik gaandeweg vaker bij Helene langs. Vooral wanneer ik wist dat Rik er niet was.             Mijn taak als legerarts was licht. Ik had spreekuren, waardoor ik veel dril- en schietoefeningen kon overslaan. Het kwam wel eens voor dat na mijn spreekuren, de werkdag er voor mij op zat. Terwijl Rik bij de barakken commando’s exerceerde of in zijn bureau zat (hij zat daar graag, hij kon daar heel gewichtig over doen), was ik bij Helene.               Helene kookte en ze kookte goed. Samen met haar heb ik blauwe bessenconfituur ingemaakt. Terwijl ze het fruit door de zeef haalde en met een houten lepel in een grote rode kookpot roerde, vertelde ze me over wat ze gelezen had. Ik deed mijn uiterste best om haar te volgen, maar in werkelijkheid volgde ik nauwgezet een zweetdruppeltje dat tevoorschijn was gekomen onder de blauwgeruite sjaal rond haar hoofd. Het parelde langs haar nek naar beneden. Net voordat het de rand van haar donkerblauwe jurk bereikte, veegde ze het met de binnenkant van haar pols weg. Helene was in hart en ziel trots op haar vaderland en de genieën die het had voortgebracht. Ze had het over Friedrich Nietzsche. Tegelijkertijd probeerde ik zonder morsen de weckpotten met de hete confituur te vullen. Ook deze Duitser was nagenoeg een onbekende voor me. Zijn opvattingen beangstigden me, een leven zonder leven na de dood was nooit bij mij opgekomen. Ze zette me aan om op zoek te gaan naar mijn eigen waarden en moraal. Misschien heb ik die, tot op de dag van vandaag, niet gevonden.                         De zondag daarop gingen we samen naar de mis. Ik moest aan ons gesprek over Nietzsche denken. Helene zat tussen Rik en mij in en even raakten onze benen elkaar. Snel probeerde ik mijn zondige gedachten te verdrijven. Hoe kinderlijk was ik in mijn geloof en hoe naïef in mijn hoop. Na afloop wandelden we samen naar hun huis. Ze haakte haar armen in de mijne en die van Rik.             ‘Philip, ook al bestaat God niet, het christendom heeft veel wijsheid in pacht. Heb je vandaag geluisterd naar wat de priester zei? Wat denk jij, waarom heeft Eva van de appel gegeten?’ Zo was het steeds weer. Helene stelde een vraag waarvan ik me afvroeg waarom ik ze mezelf nooit had gesteld.             ‘Opdat we vrij zouden zijn,’ vervolgde ze. ‘Zonder Eva had de mens nooit de keuze gehad om het leven te leiden dat hij wou. We bepalen zelf wat goed is en wat kwaad. We kunnen onze verantwoordelijkheid niet doorschuiven naar een God.’                         Die zondagmiddag na de lunch, trokken Rik en ik ons terug in het salon. Rik bood me een sigaar aan. Toen ik weigerde, drong hij aan.             ‘Philip, Helene is een verstandige vrouw. De verstandigste die ik ooit heb gekend. Vandaag vertelde ze weer iets wat jou verwonderde. Philip, ik zie wel hoe je naar haar kijkt….’             Ik sputterde tegen, beledigd.             ‘Zwijg. Laat me uitspreken. Je weet toch wat Jezus tegen Petrus zei op het laatste avondmaal? Voorwaar, Ik zeg u, deze nacht, vóór het kraaien van de haan zult gij Mij driemaal verloochenen.’       IV             Het gebeurde kort daarop, op een nazomerdag in september. Rik had een telegram gekregen van de legertop. Hij moest onmiddellijk naar Brussel komen. Helene was me in Riks Volkswagen Kever op komen halen. Toen ik in zijn wagen stapte, wist ik dat ik een grens overtrad en ik voorvoelde dat er daarna geen weg terug zou zijn.             We reden voorbij het Residenzschloss en voorbij het park, langs de velden. Ik wist niet waarheen ze me voerde. Het was tropisch warm. Mijn haren plakten tegen mijn voorhoofd en mijn hemd kleefde tegen mijn borst. We hadden al een tijd geen auto’s meer gekruist. We stopten aan een bos. Daar parkeerde ze de wagen. Ik moest de picknickmand dragen. Het pad ging stijl bergaf. Onze benen werden stoffig van het zand dat bij elke stap omhoog stoof. Helene lachte. Tot ze halt hield, waardoor ik bijna tegen haar opbotste. Ze had vingerhoedskruid gezien. Beneden in de ravijn raasde de rivier. De lucht was lauwwarm. De natuur leek hoogzwanger, in barensnood, maar die dag zou geen onweer haar verlossen.              ‘Het bos is betoverend,’ zei Helene en ze wees naar de vliegenzwammen die groeiden onder een eeuwenoude eik. Zonder haar zou ik er pal voorbij gelopen zijn.             Aan de rivier, vlakbij een verlaten hut, omringd door uitgebloeide rododendrons en varens, haalde Helene de deken uit de picknickmand. Er was sekt en paté en boerenbrood en kersen, bessen, bramen en perziken. Feest. Half liggend en steunend op mijn elleboog volgde  ik haar met mijn blik. Hoe ze een kers in haar mond stopte, aan het steeltje trok, er bedachtzaam op kauwde en tenslotte het pitje uitspuwde. Toen ze doorhad dat ik haar gadesloeg, verschenen er kuiltjes in haar wangen             Ze wou zwemmen, dat wou ik niet. Of misschien wou ik het toch, maar het moment was al voorbij. Dat ze het ook warm had, merkte ik aan haar lome bewegingen en de blos op haar wangen. We zeiden niet veel, mijn hoofd tolde. Ik had zin om haar arm te strelen en haar zachtjes in haar nek te kussen. Zou haar huid naar zout proeven? Zou ze daarna als ik met mijn tong het zout had weggelikt, zo zacht zijn als een perzik? En zo zoet? Hoe zou het zijn om binnen in haar te dringen? In een teug ledigde ik het laatste restje sekt en ging op mijn rug liggen, in gezelschap van de lege fles en de omgevallen glazen. De zon scheen door de kruinen van de bomen en de schittering was als de kristallen in een caleidoscoop. Het was zo mooi. Ik wou voor altijd hier bij haar blijven. Ik wou dat ze op mij ging zitten en zou rijden totdat de lucht roze kleurde en vervolgens diepblauw en dan donkerzwart, tot de zilverwitte sterren verschenen die lichtjaren van ons verwijderd waren.             Bijen zoemden en een vlinder was neergestreken op het laken dat ze had uitgespreid.  Helene had zich op haar zij gerold met hare ene arm rond haar hoofd en was in slaap gevallen. Ik keek een hele tijd naar haar. Ik wou dat er geen verleden was en dat we hier en nu opnieuw konden beginnen. Dat we vrij waren, zoals zij beweerde dat de mens vrij was, dat het leven een spel was. Als ze van me hield, dan zou ik dat ook geloven. Of was ik voor haar gewoon onderdeel van het spel dat het leven voor haar was?             Terwijl ik verder piekerde, draaide ze zich op haar andere zij en keek me met slaapdronken ogen aan. We zeiden nog steeds niets. Een koekoek zong ‘goe-koe’, waarna het doodstil werd. Vanaf dan ging alles snel. Ik weet dat ze plots op me zat, dat ze me met haar handen leidde en dat ze vochtig was en warm en dat me, toen ik klaarkwam, een enorme droefheid overviel.       V   Nadat ik haar pols voor de zoveelste keer heb gecontroleerd, blijf ik hem in mijn hand vasthouden. Een zuster heeft me beleefd gevraagd om naar huis te gaan. Het bezoekuur is al lang voorbij. Mijn vrouw moet rusten.               Thuis is Alice nergens te bekennen. Op het antwoordapparaat is één bericht ingesproken. Irma. Met een zucht neem ik mijn dokterstas en stap op mijn fiets. De oude vrouw woont in de hoofdstraat.             Heidonk is een dorp omringd door bossen en door heide. Er is een onbemand station, met een schattig stationshuis, waar één trein per uur passeert. Zoals in elk dorp in België, en vaak ook elders, staat de kerk in het midden. Er omheen de slager, de bakker, de krantenwinkel. Hoe charmant ook, Helene heeft Heidonk veranderd. Heidonk heeft Helene veranderd. Veroordeeld.                             Nog in de deur betuigt Irma me haar medeleven. En vraagt meteen daarna of ik de conciërgewoning waar Rik woonde, ga verkopen. Het huis is toch nog steeds eigendom van de familie Beauclerck?             Ik word bekeken als een prooi. God, houdt het dan nooit op. Voorzichtig maak ik mijn hand los die ze bij mijn begroeting heeft vastgegrepen.             ‘Rustig, Irma,’ zeg ik, ‘rustig, straks stijgt uw bloeddruk.’ Ik neem mijn stethoscoop en doe de gebruikelijke onderzoeken. Mijn kordaat ‘ssst’ legt haar het zwijgen op.             Hoe ik me tot mijn patiënten verhoud? Zakelijk, en gepast vriendelijk.  Ik denk dat ik die vriendelijkheid goed kan faken. Het is ironisch, maar alleen het voorbije jaar bij Rik kon ik mezelf nog zijn. Misschien kwam dat omdat hij, net zoals ik, een buitenstaander was geworden in het dorp. Voor altijd verbonden met en gescheiden van dezelfde vrouw. Misschien kwam het omdat hij nooit vragen heeft gesteld. Hij was een groot man. Ik heb hem onrecht aangedaan. Meer dan tien jaar geleden heb ik hem uit Heidonk verjaagd omdat ik me bedreigd voelde. Toen hij een jaar geleden terugkeerde, stond ik klaar om zoals een wolf zijn roedel te beschermen. Ik wou geen herhaling van wat er in ’77 was gebeurd. Helene en Alice waren mijn vrouw en mijn dochter. Hij had op hen geen enkele aanspraak meer. Uiteraard had ik geen doodzieke man verwacht.                         Irma schuifelt zenuwachtig heen en weer op haar stoel. Als ik mijn stethoscoop in mijn tas wil steken, grijpt ze opnieuw mijn pols vast.             ‘Dokter, neemt u toch een koekje.’ Hoewel ik er geen zin in heb, neem ik er een aan. De koek smaakt klef, net zoals ik verwachtte. Irma steekt opnieuw van wal:             ‘Naar het schijnt hebt u een mooie speech gegeven in de kerk. Wat hebt u verteld? Het moet niet gemakkelijk voor u geweest zijn.’ Nog moeilijker zijn de valse steunbetuigingen, schiet het door me heen. Ik mompel iets over zijn carrière, maar het kost me moeite om verder te gaan als ik zie hoe gretig Irma kijkt. Normaal kan ik Irma probleemloos aan, maar sinds Riks dood heb ik mezelf slecht in de hand.             Ongeduldig onderbreekt ze me om de vraag te stellen die al de hele tijd op haar lippen brandt en die ik van mijlenver zag aankomen: ‘Linda vertelde me dat uw vrouw niet op de begrafenis was. Hoe gaat het met haar? Voelde ze zich niet goed? Als echtgescheiden vrouw in een kerk… ’ Haar waterige ogen staren me aan, terwijl ze mijn mouw vasthoudt.             ‘Irma, u hebt het recht niet om zo over mijn echtgenote te spreken,’ flap ik eruit en ik word rood van ingehouden woede.             ‘Sorry, dokter, zo heb ik het niet bedoeld, ik heb heel veel respect voor uw vrouw.’ We weten allebei dat ze het niet meent.             ‘En voor u. Het is niet gemakkelijk voor u. En voor uw dochter, het arme kind. Ik hoop dat ze niet naar haar moeder aardt.’ Ze kan het niet laten.             ‘Irma! … Ik maak me een beetje ongerust over uw hart. Ik hoorde een ruis. Ik zou het rustig aan doen, als ik u was, tenslotte bent u de jongste niet meer. U kan overigens ook beter ophouden met zo veel suiker in de koffie. U bent een risicogeval voor ouderdomsdiabetes.’ Het is kinderachtig en ik betwijfel of het effect heeft.             In Irma’s voortuin steek ik een sigaret op en inhaleer met driftige trekken. Terwijl ik naar de uitgebloeide rozen staar, denk ik aan Helene. Wat rest er dat ons nog kan verbinden?       VI   Na mijn spreekuur ga ik in een tuinstoel op het terras zitten. De villa is in verval. De verf van de met bloemen gestileerde ramen is afgebladderd, de tuin is verwilderd als een verlaten Eden. Alice staat naast de magnolia bij de vijver. Twintig is ze al, mijn dochter. Ze draagt nog steeds haar moeders zwart lange jurk die ze voor de begrafenis had aangetrokken. Ze hebben dezelfde lange armen en benen en dat brengt me in de war. Ongrijpbare zielen zijn ze. Waren ze bomen, dan waren het treurwilgen.             Ze heeft me gezien en komt naar me toe. Bij elke beweging van haar nu moet ik denken aan het vrouwenbeeld van La valse van Camille Claudel. De zoom van haar jurk is achteraan losgekomen en stoffig door de aarde van het kerkhof en de bosweg. Zonder iets te zeggen, komt ze naast me staan.             Ik vertel dat ik haar moeder naar het ziekenhuis heb gebracht en dat ze haar even in observatie willen houden. Ze reageert niet. Het verhaal van haar moeder is vaak verteld. Een theatrale persoonlijkheidstoornis, heb ik ooit overwogen. Op andere momenten denk ik dat ze eerder manisch-depressief is. Misschien was het verkeerd haar nooit te laten behandelen. Maar waar ligt de grens tussen ziek en gezond? Grenst genialiteit niet aan krankzinnigheid? Bestempelen we afwijkend gedrag niet al te gemakkelijk als een ziekte?                     Hoewel ik Alice alleen in profiel kan zien, weet ik dat ze heeft gehuild.             ‘Wat denk je, vader, tijd voor een pastis?’ Ze haalt binnen twee glazen met ijsblokjes, een fles water en de pastis. We drinken snel, uit onwennigheid. Ze gaat op de rand van mijn stoel zitten en schenkt de glazen meteen weer vol. Ik neem een trek van mijn sigaret en staar naar de ondergaande zon, die, klaar voor zijn helletocht, tussen de al zwart wordende bossen schijnt. Rik is dood en niets is me nog duidelijk. Ik heb gekregen wat ik altijd wou: zijn vrouw en zijn dochter zonder derde in het spel. Toch voel ik me niet bevrijd.             ‘Zei je iets?’ vraagt ze. Ze neemt een sigaret uit mijn pakje. Terwijl ik haar een vuurtje geef, kijkt ze naar de vijver. In nuchtere toestand zijn we formeel tegen elkaar, als vreemden.             ‘Vader, mag ik je fiets lenen?’             ‘Waar is de jouwe?’ Ze haalt haar schouders op.             ‘Ik denk bij La Luna.’ Het onkruid dat tussen de stenen groeit, is hoog uitgeschoten.             ‘Veel plezier.’ Zonder om te kijken fietst ze weg. Ik schenk nog wat pastis in.                         De zon gaat langzaam onder. Te laat sla ik een horzel dood. Hij heeft me gestoken en er zullen er nog volgen. Ik probeer de stem die me opjut te negeren, zoals ik de horzelbeet probeer te negeren. De gedachte wordt echter zo groot dat ik me uiteindelijk niet meer kan beheersen en toch krab. Dan doet het er niet meer toe. Ik blijf krabben. Tot bloedens toe. Het doet geen deugd. Ik voel me zoals een boulimie-patiënte die urenlang aan de verleiding heeft kunnen weerstaan en zich nu aan suikerwafels en chips te buiten gaat.               Geen idee hoe lang ik heb geslapen. Wanneer ik wakker word, staat er een dunne maansikkel. Er is wat speeksel uit mijn mond gelopen. Een auto rijdt traag voorbij, de koplampen verlichten het bos. Gekraak. Een vogel klapwiekt.             ‘Alice,’ roep ik, ‘Alice!’ De Alice naar wie ik roep, is het achtjarig meisje op de avond van de dood van de haan. Opeens was ze weg. Door de heisa met de haan waren we haar vergeten. Het was donker. Het had hevig geonweerd. Ik was naar buiten gelopen met Rik achter me aan. Ik zag haar het eerst, een witte glimp tussen de bomen. ‘Alice,’ riep ik. Ze maakte geen aanstalten om dichterbij te komen. Een kind dat niet bang is in het donker. Een kind bang voor mij.               Dat het al meer dan tien jaar geleden is, maakt de herinnering niet minder pijnlijk. Opeens voel ik me oud en doodmoe. Sloffend ga ik naar binnen. De sleutel van de terrasdeur draai ik twee keer om. Het licht van het peertje in de badkamer doet pijn aan mijn ogen. Op mijn wangen tekent zich een blauwblonde schaduw stoppels af. Ik probeer mijn haren glad te strijken, maar hier en daar blijft er een weerbarstig. Mijn linkeroog is opgezwollen en bloeddoorlopen. Ik leg mijn bril op het wastablet en krab over mijn onderarm waar de horzel een rode bult heeft achtergelaten. IJskoud water over mijn gezicht. Ik poets mijn tanden langzaam. Het spoelwater kleurt rood. Ik knip het licht uit.             De deur naar de studeerkamer staat open. Ik ga zitten in de roestbruine fauteuil van mijn vader. Verstrooid pak ik het boek vast dat met zijn rug naar boven opengeklapt in de zetel ligt. Het is De Profeet van Khalil Gibran. Op de bladzijde waarop het boek is opengeslagen, is een zin met potlood onderstreept: Uw kinderen zijn uw kinderen niet.             Waarom weet ik niet, maar vannacht wil ik in de logeerkamer slapen, in het bed waar Helene vanmiddag nog lag. Ik sla mijn armen rond haar kussen.       VII   Even weet ik niet waar ik ben. Tijdens de nacht heb ik het hoofdeinde met het voeteinde verwisseld, wat me sinds mijn kinderjaren niet meer is overkomen. De digitale letters van de wekkerradio geven 6u12 aan. Buiten kraait een haan me in één klap wakker. Alice! Ik gooi de lakens van me af en ga naar haar kamer. Haar bed is leeg. Onbeslapen. Ik schiet mijn kleren aan en rijd naar het dorp. De witgekalkte boomstammen langs de steenweg flitsen aan mij voorbij. Als ik het centrum nader, zie ik vanuit mijn ooghoek de neonverlichting van La Luna. Ik vertraag, hoewel ik denk dat ze daar niet is. Ik trek weer op, langs de frituur en de superette, sla linksaf het centrum in. Aan de rechterkant van de weg staat de vrouw met haar aardbeienkraam. Tegen de houten balustrade van De Linde herken ik mijn fiets. Ik stop. Haastig parkeer ik mijn wagen voor het terras van het café. Vanaf de dakgoot hangen gele, rode en blauwe lampjes in een slinger naar beneden.             Er zit nog volk. Door het zonlicht dat dwars door het raam schijnt, zie ik de stofdeeltjes oplichten die in het café hangen. Op de achtergrond speelt een liedje van enkele jaren geleden, Major Tom. Aan de bar staat een onbekende man met zijn rug naar mij gekeerd te betalen. Achter hem zie ik haar zitten. Hij kust haar op de wang. Het diffuse licht valt op haar donkerbruine haren, haar hoofd ondersteunt ze met haar elleboog op de toog. Naast haar ligt haar walkman, de hoofdtelefoon hangt nog rond haar nek. Opnieuw zie ik het. Hoe ze op haar moeder lijkt. Hoe mannen bevangen raken door haar, als darren door hun koningin.             Ik kijk nog om naar de man maar hij is verdwenen. De barjongen droogt tergend traag de glazen af. Het is Serge, de zoon van Melanie, de bazin. Hij heeft een enorme bos zwarte engelenkrullen en ik vertrouw hem voor geen haar. Ik vertrouw Alice voor geen haar. Ik pak haar elleboog vast.             ‘Wat doe jij hier?’ zegt ze verbolgen.             ‘Kom, tijd om naar huis te gaan.’             ‘Vader, ik ben twintig.’ Serge heeft de muziek uitgezet en blijft met zijn handen in de zakken van zijn jeans bij de muziekinstallatie dralen. De enkele mannen in het café draaien zich naar ons. Ik neem haar vestje en help haar overeind. Ze zakt even door haar knieën, laat zich toch gewillig leiden. Al die tijd spreekt niemand. Vanmiddag weet het hele dorp dat dokter Beauclerck zijn dochter uit het café is komen halen. Ik laat Alice half slapend in de auto plaatsnemen. De fiets gaat in de koffer.                 VIII   Ik zal nooit vergeten wanneer het begon, het wantrouwen. In 1977, twaalf jaar geleden, had Rik een zwaar auto-ongeluk in de Alpen. Hij was naar Heidonk teruggekeerd om te herstellen. Dat was althans de uitleg die hij mij gaf. Hij trok zich terug in het huis van zijn inmiddels overleden vader, de conciërgewoning die vroeger bij onze villa hoorde. Ik heb hem toen aangeboden om als arts voor zijn revalidatie te zorgen, ik was het hem verschuldigd. Voorzichtig heb ik Helene gevraagd of ze voor hem wou koken, zijn was wou doen. Ze had geen bezwaar. Maandenlang was hij meer thuis in mijn huis dan ikzelf. Tot mijn verwondering konden Helene en Rik het weer goed met elkaar vinden. Hij had het haar vergeven, dat was duidelijk. Zij toonde zich een toegewijde verzorgster.               Op een dag keerde ik terug van mijn huisbezoeken. Alle drie – Helene, Rik en Alice – zaten aan tafel in het gras. Op tafel de resten van hun middagmaal: een van mijn goede flessen Meursault, afgekloven lamsboutjes, de servetten opgepropt. De haan, die we al een tijd in en rond het huis hielden, pikte kruimels onder de tafel. Rik zat op zijn stoel en trok Helene naar zich toe. Helene lachte. Alice lachte. Niemand zag mij. De zon scheen in mijn ogen. Woede overspoelde me als een tsunami.               Die middag is het me gelukt om mij om te keren en weg te fietsen. Ik bleef maar rijden. Riks grote handen, de handen van een tuinierszoon, stonden op mijn netvlies gebrand. Ik fietste tot aan de rand van de heide en ging daar te voet verder totdat mijn schoenen vol zand zaten, tot aan het meer, waar Rik en ik als kinderen vaak stenen in het water hadden geketst.             Wat God verenigd heeft, kan de mens niet ongedaan maken, flitste als een dwaze mantra door mijn hoofd.       IX   In die tijd dat Rik herstelde van zijn auto-ongeluk, eind jaren ’70, bracht hij op een dag van de markt in het dorp een kuiken mee. Na vijf maanden bleek het om een haan te gaan. Een bijzondere haan, met Indische voorouders. Hij had grijze weelderige pluimen en zijn poten waren bedekt met veren. Rik noemde hem de kleine musketier, ik noemde hem Bonaparte. Iedereen, behalve ik, was dol op de haan. Helene liet hem in de keuken toe, hij kreeg de etensresten van tafel. Ik had er niets aan te zeggen en hoe kinderachtig het ook moge klinken, ik voelde me buitengesloten. Nomen est omen. De haan mat zichzelf Napoleontische prerogatieven aan. Vaak zat hij onder de keukentafel, klaar om mij in mijn benen te pikken. Hij wist dat we geen vrienden waren. Elke keer opnieuw schrok ik me te pletter.               Aan de dood van de haan houd ik enkel flarden van herinnering over. Er was een gigantisch onweer losgebarsten. Ik was kletsnat en slecht gezind thuisgekomen. Mijn maag rammelde en de twee glazen porto die ik bij een patiënt had gedronken, hadden me kloppende hoofdpijn bezorgd. Helene, Rik en Alice zaten aan de keukentafel. Ik had me omgekleed en toen ik in de keuken kwam, ruimde Helene de tafel al af. Ik moest maar alleen zien te eten. Toen zag ik het beest onder tafel en verloor ik de pedalen. In één beweging heb ik het servies van tafel geveegd. Goud omrande borden met roze bloemen, het servies van mijn moeders moeder. De scherven vlogen in het rond, de jus op de borden besmeurde de muren tot tegen het plafond. De zwart-witte tegelvloer was bezaaid met scherven. Met een kracht waarvan ik niet wist dat ik die had, duwde ik de eiken tafel om. Rik was opgesprongen. Helene hield haar hand voor haar mond. Alices gezicht vertrok tot een kramp. De haan klapwiekte. Tegen de muur boven het aanrecht hing het aardappelmes en het broodmes. Het vleesmes, dat nog op het aanrecht lag, griste ik vast. Helene greep mijn arm, maar ik rukte me onmiddellijk los.  ‘Nee!’ schreeuwde ze. De haan fladderde naar de hoek van de keuken waar ik hem bij zijn nek wegplukte. In mijn greep verstarde hij. Het werd rood, dan zwart voor mijn ogen. Geschreeuw. Misschien van mezelf. Geschrokken als ik was van mijn eigen geweld. Achteraf heb ik vaak gedacht dat ik toen en daar een mens had kunnen doden.                         Hoe het daarna precies gelopen is, weet ik niet meer. Alleen dat Alice plots verdwenen was en ik opeens buiten stond. Het goot. Hoewel het pikdonker was, wist ik dat het natte warme vocht op mijn handen bloed was. Een donshaartje was in mijn mond terechtgekomen. Ik liep de bossen in. In mijn kielzog, Rik met een zaklamp. Ik kreeg een tak in mijn gezicht en bezeerde mijn knie, maar ik voelde niets. Tussen de bomen zag ik een witte glimp. Ik riep haar naam, Alice, maar het geluid klonk dof, alsof ik onder water zwom. Toen ze me zag, bleef ze een seconde staan, om dan verder weg het bos in te lopen. Rik ging haar achterna. Zonder zijn stok mankte hij vreselijk. Verdwaasd bleef ik staan. Even later keerde hij terug met Alice. Ze had haar armen om hem heen geslagen, ze wou hem niet loslaten.               Zwijgend liep ik het huis in, pakte de fles Marc de Bourgogne uit de barkast en wankelde de trap op naar de studeerkamer op de bovenverdieping, waar ik in mijn vaders stoel ging zitten. De deur op slot, de gordijnen dicht. Het enige licht kwam van de smalle strook onder de deur. Helene en Rik liepen heen en weer door de gang. Ze spraken met gedempte stemmen. Ik spitste mijn oren, ook al was ik bang voor wat ik zou horen. Weer leek het alsof ik uit mijn eigen leven werd verbannen.               Ik werd gewekt door de deurbel. Door de gordijnen zag ik het grijsblauwe licht, het begin van de dag. Op de bijzettafel stond de fles Marc de Bourgogne of wat daarvan overbleef.             In de gang stond een taxichauffeur. Rik wees de man zijn koffer aan. Hij verontschuldigde zich omdat hij de koffer niet zelf kon dragen en toonde zijn wandelstok. Op dat moment glipte Alice vliegensvlug langs me heen. Ze greep Rik bij zijn middel vast. Teder streelde hij haar lange haar. Dan zag hij mij bovenaan de trap staan. Bij wijze van afscheid nam hij zijn hoed even af en bevrijdde zich vervolgens voorzichtig uit Alices omhelzing. Tot mijn verbazing zei hij warm en zonder verwijt:             ‘Dank voor je gastvrijheid.’    Mijn gedachten kwamen traag, het lukte me niet om een logische zin te vormen, maar Rik had zich al omgedraaid naar Alice. Hij nam zijn hoed opnieuw af en maakte een lichte buiging voor het kleine meisje, waarop ze haar armen opnieuw om hem heen sloeg.             Ik was slechts in staat om de steek in mijn hart te registreren, te beneveld voor emoties of diepere gedachten. Als verdoofd liep ik terug naar de zetel om mijn roes uit te slapen.               Het beeld van de afscheidnemende vader zal ik nooit meer van me af kunnen werpen. Jarenlang was ik jaloers op een man wiens vrouw en kind ik had ontnomen. Een man die uit respect voor zijn vrouw en zijn kind zijn dorp verliet. Enkel nog om te sterven was hij teruggekeerd naar het huis waarin hij geboren was. En wellicht ook om een laatste keer zijn vrouw en dochter terug te zien. Als toeschouwer. Nu hij dood is, blijf ik verweesd achter. Het verlangen om van hem te winnen, is zo groot geweest dat het elke ratio domineerde. Misschien omdat ik vanbinnen altijd heb geweten dat  ik geen winnaar ben.       X   De dag na de dood van de haan was de keuken schoongemaakt. Helene maakte, o gruwel, coq au vin. Ik zei dat ze niet meer van me hield. Ze was een bedriegster. Zo had ik haar leren kennen, zo zou ze blijven. Ze goot de wijn bij de haan, bond de kruiden bij elkaar tot een tuiltje, roerde en zei niets.                         Steeds vaker bleef haar kant van het bed leeg. Dan was ze verhuisd naar de logeerkamer. Soms dronk ik te veel en viel in slaap, buiten op het terras of in de zetel in de studeerkamer en werd daar pas de volgende ochtend weer wakker. Soms zocht ik na een nachtelijk huisbezoek de heide op, om daar een sprankel van de magie terug te vinden die ik als kind zo vaak had gezien.               Op een nacht na een huisbezoek bleef ik hangen bij een circus dat op de weide tegenover De Linde zijn tent had opgeslagen. Het circus had zijn beste tijd gehad. De kleuren van het zeil waren verschoten blauw, rood en geel. Caravans stonden kriskras. Wagons met uitgebluste leeuwen achter tralies. Een oude olifant. Mest. Net toen ik ervan overtuigd was dat ik de enige levende ziel op deze aarde was die niet sliep, zag ik een clown. Ik liep hem achterna, maar hij verdween zoals een goochelaar in een truc. Verloren keek ik om me heen. Bij De Linde brandde licht. In een opwelling stak ik de straat over.             De stoelen stonden omgekeerd op de tafels, de krukken op de toog. Een emmer en dweil leunden tegen een tafel. Ik wilde me omdraaien toen de vrouw van de waard door het kraalgordijn kwam dat de keuken van de zaal scheidde.      Helene zou haar eenmaal smalend Molly noemen. In werkelijkheid heette ze Melanie.             De rest van de nacht ben ik in De Linde gebleven.               Ik heb Melanie vervloekt omdat mijn nieuwe verliefdheid me confronteerde met mijn eigen schuld. Kon ik mezelf nog het slachtoffer noemen? Verliefd op een ander. Het klikte. Een zeldzame verstandhouding. We vertelden alles, stelden vragen zonder gêne. Geen van beiden waren we vrij. Daar lag de grens die we beurtelings aftasten. Een niemandsland waar alleen gesuggereerd kon worden. Daar werden de maskers opgezet en werd het spel van aantrekking en afstoting gespeeld en we speelden het goed. Als de naam van haar man over haar lippen kwam, wist ik niet waar ik stond. Soms leek zij meer te willen. Probeerde ze me telefonisch te bereiken. Vaak nam Helene op. Melanie had dan een smoes kunnen verzinnen. Dat haar zoon Serge ziek was. Dat deed ze niet, ze vroeg gewoon naar mij. Melanie loog nooit, hoogstens verzweeg ze de waarheid. Helene gaf de hoorn door. Melanie vroeg of ik kwam, terwijl Helene naast me stond             ‘Nee,’ zei ik en ik haakte in. Ik ging niet.               Ik ging evenmin als ik zelf opnam. Elke kans die Melanie me heeft geboden, heb ik voorbij laten gaan. Melanie maakte iets bij me wakker dat ik dacht verloren te hebben. En wat ik sindsdien weet, alleen onvervuld blijft het verlangen.       XI   Het is zaterdagavond. Alice is weer uit. Vanavond wacht ik niet. Deze keer vind ik haar in La Luna. Ze danst met haar handen boven haar hoofd in een veel te korte jurk op The Sound of C. De discolichten kleuren haar gezicht en haar lichaam beurtelings blauw, rood, groen om haar dan weer in het donker te zetten. Zwarte krullenbol Serge loopt met twee glazen naar haar toe. In een blauwe flits buigt ze haar hoofd naar hem. Een tel donker. In het rode licht daarna vang ik een glimp van haar op, lachend, haar hoofd tegen zijn schouders, zijn handen op haar heupen. Ik wil hier weg. De klapdeur raakt de man in mijn kielzog Zijn gezicht komt me vaag bekend voor, zoals wel vaker onbekenden me bekend voorkomen.   Ik leun met mijn rug tegen de koele muur van het gebouw en laat me op de grond zakken. Dan zie ik de lege spuitbussen liggen en merk ik dat mijn handen, die ik op de grond heb gezet, besmeurd zijn met zand en verf van de nog natte graffiti aan de muur. Twee jongeren komen de hoek om. Het zijn de graffiti-artiesten met joints in hun mond. Ze schrikken even zoals ik van hen schrik. Ik weet niet waarom ik één arm afwerend voor mijn ogen houd. ‘Dokter Beauclerck, alles oké?’ vraagt de langste van de twee. De andere verbergt snel zijn joint achter zijn arm. Krabbelend probeer ik overeind te komen. De lange pakt me behulpzaam bij mijn onderarm. Ik sla hem van me af en zet het op een lopen.   Ik ben naar de heide gereden. De zon strekt zich in lange rode halen boven het meer uit. Het is eind augustus, de natuur over haar hoogtepunt: minder intens, vermoeider, de eerste tekenen van verdorring. Waarom zag ik nooit eerder de schoonheid van wat vervalt? Prachtig en tragisch, zoals het karakter van een actrice zich pas aftekent op het einde van haar carrière.     XII   Het hek van de villa staat open. Dat heb ik gedaan. De deur van de keuken staat open. Dat heb ik niet gedaan. Ik hol naar binnen. In de keuken staat Helene in een indigokleurige jurk alsof ze nooit is weg geweest. Ze maakt thee. Haar haar is in een dot gedraaid. Haar rug en schouders recht zoals een ballerina. Mijn god, hoe mooi is haar hals. Als ik in haar grijsblauwe ogen kijk, ben ik verstomd, als op de eerste dag.             ‘Hoe komt het dat jij hier bent,’ zeg ik, ‘het ziekenhuis laat toch niemand gaan op zondag?’ Ze kijkt me aan alsof ik een idioot ben. Nog altijd kan ze alles gedaan krijgen.             ‘Er ligt een dode duif op de oprit. Wil je die straks opruimen?’ Zo is het vaak, zij beantwoordt mijn vraag met een andere. En hoewel haar opdracht me niet is ontgaan, zijn ook mijn gedachten elders. ‘Alice heeft een vriendje,’ flap ik eruit, ‘Serge, van De Linde.’ Hoewel mijn borst hevig op en neergaat, merk ik tot mijn opluchting dat het me niet meer raakt. Ze trekt een wenkbrauw op. ‘Serge, de zoon van Molly? Ben je hen gevolgd? Zie je er daarom zo mooi uit?’ Ik moet er na deze nacht inderdaad verfomfaaid uitzien en hoewel haar spot me ergert, knik ik vol ongeduld, maar ze zegt niets meer. Toch ben ik blij omdat we tenminste iets tegen elkaar zeggen en misschien ook omdat de zon schijnt en de vogels fluiten en daardoor alles opeens zo normaal lijkt.             De ketel fluit en ze schenkt het water op de theebladeren. In een zeldzaam moment van samenhorigheid zitten we tegenover elkaar. Zo stelde ik me vroeger een bejaard echtpaar voor. ‘Wil je een spiegelei?’ ‘Graag.’ Ik win tijd. Ze neemt twee eieren uit de koelkast en staat dan met haar rug naar me gekeerd bij het aanrecht. Het nieuws maakt een einde aan de stilte. Aan de grens van Oostenrijk-Hongarije werden gisteren tijdens een groots georganiseerde picknick de grenzen een aantal uren opengezet. Honderden Oost-Duitsers, die via folders verwittigd waren, zijn de grens overgestoken. De Hongaarse grensbewakers hebben hen niet tegengehouden.             Helene veegt met haar onderarm over haar ogen.                    ‘Misschien is dit een begin,’ zegt ze. Waarom blijf ik hangen in het verleden? Ik negeer het nieuws en steek van wal:             ‘Ik zal met Alice praten. Ik neem haar mee naar Bad Arolsen, ik vertel haar hoe we verliefd werden. Ik zal haar vertellen over Rik, hoe veel hij van haar hield. Ik zal haar vertellen over de scheiding…’ Zwijgend zet ze mijn spiegelei op tafel. Ik zwijg ook. Ik twijfel weer. Ik weet niet meer of mijn, ons verhaal is zoals ik altijd dacht dat het was. Ik weet niet wie de vader is van Alice. Ik weet niet of Helene het weet. Ik weet niet wie Helene is, wat er in haar omgaat. Ik weet niet wat ik van het leven met Helene had verwacht. Dat het altijd leuk zou zijn te leven met iemand die buiten de randjes kleurt? Dat ons leven zou zijn zoals een zomer in de natuur, zeg maar Ibiza?  ‘Der Ring macht Ehen - Und Ringe sind’s, die ein Kette machen,’ zegt ze alsof ze mijn gedachten kan raden.  

Marie Veys
41 1

De eeuweling

Stroomafwaarts vaar ik de reusachtige rivier af die zich kronkelend een weg baant doorheen het machtige landschap van mijn leven. Urenlang glijdt mijn mahoniehouten bootje over het melkige water alvorens ik begrijp dat de rivier niets minder is dan mijn eigen geheugen! Het wordt me pas echt duidelijk wanneer ik zie hoe het zich omringende landschap zich heeft gevormd naar de grillen van de rivier, er als het ware door gevoed wordt. Op sommige plekken, waar zij amper een kabbelend stroompje is en onbevaarbaar, wordt de rivier omgeven door de kale vlaktes van vergetelheid; op andere plaatsen is zij dan weer onmetelijk diep en breed en omgeven door de vruchtbare gronden die mijn meest levendige herinneringen zijn. Onder de helderblauwe hemel peddel ik kilometers ver de rivier af, dieper en dieper in het diverse landschap van mijn geheugen. Een zoete, warme bries streelt mijn gezicht. Naadloos loopt de ene herinnering over in de andere, ongeacht de chronologische volgorde waarin zij in mijn leven heeft plaatsgevonden. Talloze plaatsen uit mijn verleden doemen op als nederzettingen aan de oevers van de rivier. Ik peddel langs het armtierige arbeidershuisje waar ik de eerste jaren van mijn leven heb doorgebracht en zie er moeder staan, turend door het keukenraampje zoals zij vaak deed. Ik wuif maar zij ziet me niet. Weer wat verder ligt het oude dorpsplein, krioelend van joelende kinderen en tieners die roken en op bankjes hangen. Ze zien me voorbijvaren en zwaaien wild naar me, uitnodigend om hen te vervoegen. Maar ik stop nergens, ik blijf peddelen, peddelen, peddelen. Dat blijft zo maar doorgaan, tot het plots erg donker wordt; de helderblauwe hemel van zo even wordt door donkergrijze wolken overtrekken en een stevige wind zet op. Het kleine bootje is nu overgeleverd aan de steeds hoger wordende golven. Ik probeer me kras te houden om niet in het woeste water te tuimelen. Het gitzwarte, dreigende wolkendek boven me neemt vaag de vorm aan van een gezicht, en weldra spreekt het wolkengezicht me zelfs aan: ‘Walter… Walt-eeer!’ dondert het. De golven worden steeds heftiger en schudden me heen en weer. Het water gutst in het bootje en ik ben drijfnat. In paniek schrik ik recht. ‘He-help me! Ik verdrink!’ roep ik uit. Hulpeloos als een kind tracht ik me ergens aan vast te klampen om niet in het water te vallen. ‘Ach, Walter, rustig nou! Je gaat heus niet verdrinken, je was gewoon even ingedommeld. Het was maar een nare droom.’ Het wolkengezicht neemt de vorm aan van een breed grijnzende zuster Rosa. ‘Ga je met me mee naar de leeszaal, Walter?’ vraagt ze vriendelijk. ‘We dachten bijna dat je verdwenen was.’ Ze lacht vrolijk en ik zie haar kinnen heen en weer schudden. Het stelt me gerust. Mijn god, ik dommel steeds vaker in. Zuster Rosa heeft me deze keer in de kapel gevonden, waar ik me soms verstop om niet aan het middagspel deel te hoeven nemen. Maar het wordt steeds moeilijker om aan haar alziend oog te ontsnappen. Ik volg haar gedwee naar de leeszaal. De oranje namiddagzon warmt mijn gezicht door de grote glasramen, de zoete geur van koffie en gebak verwelkomt me als een oude vriend. Isidoor, mijn tandenloze kameraad, nodigt me uit voor spelletje schaak, maar ik heb weinig zin en bedank hem. Hij hoort slecht en stelt het bord op. Vanuit mijn ooghoek merk ik dat zuster Rosa me bezorgd aankijkt. Ik negeer haar subtiele pogingen om me met Isidoor te verzoenen en houd doelbewust mijn blik uit het raam gericht, strak en doelloos in de verte, zoals moeder.    ‘Honderd jaar,’ pieker ik bij mezelf, ‘wat houdt dat eigenlijk in voor een mens?’ Het is de vraag die me de afgelopen dagen in een verstikkende greep houdt. ‘Alvast vier lettergrepen minder dan het vorige levensjaar,’ was het eerste beste antwoord dat ik toen had kunnen bedenken. Maar ik besef maar al te goed dat achter die verwaarloosbaar korte ademstoot (hon-derd) wél een volledige eeuw schuilgaat. Een eeuw waarin ikzelf vanop de eerste rij heb kunnen aanschouwen hoe de wereld in een razendsnel tempo verandert en waarbij ik op momenten, hoe minimaal dan ook, zelf heb bijgedragen aan die veranderende wereld. Wanneer ik terugdenk over mijn leven, dan kan ik bijna niet anders dan het te beschouwen in twee aparte delen: er is de tijd vóór en de tijd na de tweede wereldoorlog. In feite maakte ik tot tweemaal toe een wereldoorlog mee, maar omdat ik de eerste niet bewust heb beleefd kan ik de invloed die hij op mijn verdere leven heeft gehad moeilijk in rekening brengen. Over die andere wereldoorlog kan ik simpelweg zeggen dat geen enkele andere periode in mijn hele leven me ooit méér heeft geleerd over de menselijke aard. Ik leerde dat mannen en vrouwen, als jij en ik, zich in hun wanhoop en hun angst al te gemakkelijk laten leiden door brullende stemmen, grote petten en blinkende decoraties; dat zij in staat zijn om slaafs orders op te volgen en zelfs andere, even gewone mannen en vrouwen te doden. Maar ik zag ook diezelfde wanhopige, angstige mannen en vrouwen weer opstaan uit de enorme puinhoop om hen heen, opnieuw in staat om elkaar lief te hebben. Met eigen ogen zag ik de liefde van een moeder voor het kind dat telkens weer het laatste stuk brood, het laatste lepeltje soep toebedeeld kreeg. En het is die liefde voor elkander, die een onmetelijke kracht die de mensen uit de meest zware en donkere periodes kan sleuren. En toen die donkere tijden voorgoed achter ons lagen kon het leven pas echt van start gaan, dat voelde ik al snel. Ik kocht een spiksplinternieuwe wagen en bolde over gladde afvaltwegen naar Brussel. Dat was waar het allemaal gebeurde, toen. De Amerikanen verkochten er ijskasten en wasmachines aan onze blozende moedertjes en kleurrijke frisdranken en roomijs aan onze kindertjes. De mannen speelden poker en paften vrolijk sigaretten met stoere namen als Lucky Strike of Marlboro. In de blakende zomerzon kwam ik er voor het eerst oog in oog te staan met een echte Afrikaan, die niets meer dan een rieten rok droeg en met een speer in de hand paradeerde in een nagebouwd primitief dorpje. Het was net zoals ik hem in de geschiedenislessen in de middelbare school afgebeeld had gezien. Pas later, toen er eentje in onze straat kwam wonen, ontdekte ik dat ook zij liever in spijkerbroek gekleed gingen en dat ze die rieten hutten bovendien maar niets vonden. En tussen al die gekte door las ik in de krant dat een Russische hond in een baan rond de aarde zweefde. Je kon het zo gek niet bedenken! Ik keek op naar de bleke hemel, nam een grote slok van mijn frisse pint en leefde volop, ten volle bewust van het feit dat het spannende tijden waren, die dagen. Dat niet alles peis en vree geworden was ondervond ik gauw. Toen ik weer terug vlamde naar mijn Vlaamse dorp zag ik met lede ogen aan hoe het zompige boerenland dat mijn thuis was, stukje bij beetje verkaveld werd. Lelijke villa’s rezen als betonnen paddenstoelen uit de grond en werden spoedig volgestouwd met stompzinnige stadslui die niet eens meer de namen van hun eigen buren kenden. Teruggetrokken in mijn woonkamer keek ik naar satellietbeelden van over de hele wereld op de nieuwste kleurentelevisie, en ik zag dat die wereld er geen betere plek op was geworden. Alle voorspoed en vooruitgang, de vernieuwde hoop waar we in onze streken van genoten, werd aan de andere kant van de wereld in harde munt betaald. De oorlog woedde in koude stilte verder. En wij, wij ‘die den oorlog nog hebben meegemaakt’, met onze verouderde wijsheden en onze hoop, deden er hoe langer hoe minder toe. Ik hield het nog wel even vol, veel langer zelfs dan ze gedacht hadden. Maar op een dag krijgt iedereen de deur toch vol in het gezicht.   Nu vraagt u zich vast af hoe dat dan in zijn werk gaat? Laat ik het zo stellen: op een onbeduidend zonnige dag komen je eigen kinderen onverwachts bij je op de koffie, ze vertellen je trots en uitgebreid over hun laatste reis naar Australië, over de nieuwe terreinwagen die ze hebben, over het uitmuntende rapport van ‘je knappe achterkleinzoon’. Op datzelfde moment schuiven ze je geniepig en zonder schaamte enkele folders onder je neus. Ontegensprekelijk lees je het unanieme verdict dat je beter af bent in een rustoord dan in je eigen, naderhand veel te groot geworden huis (nietwaar?). Plots is je hele inboedel verkocht, op een antieke wandklok en een stuk of wat stoffige fotokaders om je nieuwe slaapkamer mee op te vrolijken na. Een wrange ‘je zal het best aangenaam vinden in je nieuwe stek’ geven ze je nog mee, maar daarmee is de kous wel af. Natuurlijk zag ik toen al hoe de vork werkelijk in de steel zat: ik was een oude, eenzame lastpost geworden waar niemand nog langer naar wilde omkijken – en eerlijk, kon ik ze dat zelfs kwalijk nemen? Zo geschiedde: Walter, goeie, oude, verstrooide Walter begon aan zijn nieuwe leven in het rustoord. Ik arriveerde er met volgepakte koffers. Op de hoge muren van de inkomhal las ik in sierlijke, donkerrode kalligrafieletters: Rustoord De Vlakte geschreven. Dat ik een enkele reis maakte, werd al snel duidelijk. Een korte rondleiding leidde me langs de wandelpaden, die doorheen het gehele, netjes omwalde domein langs de prachtige tuinen, de felbegeerde petanquebanen en het vijvertje (inclusief zwanenkoppeltje en fontein!) lopen. In zijn geheel biedt het rustoord plaats aan een enkele duizenden andere oude van dagen, als ik het goed heb. Rondom rond het reusachtige domein reikt een fantastisch ogend loofbos tot zover het oog kan zien, De Vlakte zorgvuldig afsluitend van de buitenwereld met zijn dichtbegroeide bladerdek. Ja, het moet toch gezegd, beste lezer, een waar stukje architecturale kunst van de eenentwintigste eeuw! En in die moderne, prachtig verzorgde vergeetput slijt ik nu al meer dan tien jaar mijn oude dagen… Of zijn het er reeds twintig?   Ach, wie honderd is kan dan wel de geschiedenisboeken openslaan en verder dan wie ook terugbladeren, dat is waar; maar hoe het ook zij, veel zwaarder wordt zo’n boek toch ook niet meer! De dag waarop ik mijn laatste bladzijde om zal slaan komt met rasse schreden dichterbij. Soms maakt het me nog wel eens bang, hoewel ik niemands tranen hoef, dat niet meer. Want is de wereld ten slotte niets meer dan een eeuwigdurend schouwspel, waarbij wij allen met volle overgave onze acte spelen in de spotlight van het leven? Dat verzin ik allemaal niet zelf, natuurlijk, het werd eeuwen geleden al geopperd. Nog één laatste buiging en zij verdwijnen voor altijd weer achter het gordijn van de eeuwige coulissen. En of ik me daarin kan vinden! Maar ik dwaal weer af, beste lezer – een onvermijdelijk kwaaltje van de leeftijd, me dunkt. Want u moet begrijpen dat hetgeen ik hierboven heb beschreven niet de ware weergave is van mijn gedachtenstroom zoals ik hem beleefd heb de afgelopen dagen, o nee! De vele wilde opflakkeringen van mijn herinneringen, overpeinzingen en gevoelens, hoezeer zij ook naar alle kanten uitgingen, heb ik getracht te ordenen tot een verstaanbaar geheel – een helse karwei voor een tot op de naad versleten brein. Hoe dan ook, de dagen razen ongenadigd verder, en voor ik goed en wel besef klauter ik het bed in, klaar om als eeuweling te ontwaken. Nietsvermoedend ontdoe ik mezelf van mijn zintuigen: het gehoor in de lade, de tanden in een glas, de ogen op het nachttafeltje… Naakt en kwetsbaar kruip ik dan onder de lakens. En wanneer de grote wijzer van mijn wandklok me met een korte slag genadeloos tot eeuweling riddert ben ik vast in een diepe slaap verwikkeld. Om zes uur kwart wekt de zuster van wacht me, waarop ik zo gezwind als mogelijk uit het warme bed zal glijden, mijn heerlijk vertrouwde pantoffels in. Vervolgens schuifel ik door de lege gangen van het rustoord, vrolijk wuivend naar de eenzame vroege vogels die zich op mijn pad begeven. Doorheen mijn loep zou ik een oude krant doorbladeren, op zoek naar leuke weetjes en wieleruitslagen. Nog in de leeszaal zou ik tegen zevenen het stukje verjaardagstaart, gekregen van zuster Maria, smakkend naar binnen werken en afwisselend luid slurpen van mijn zwarte koffie – je wordt maar één keer honderd, toch? En later, wanneer de lieflijke dames-op-leeftijd van het rustoord me wiegelend en giechelend tegemoetkomen, zal ik ze met halfgesloten pretoogjes begroeten, waarna ze me zoenen en hun overweldigend sterk geparfumeerde boezems tegen me aandrukken, gewoon omdat het mijn dag is. ‘Er zijn vast wel slechtere vooruitzichten om in je bed te kruipen,’ denk ik nog. Maar wat ik echter niet besef is dat niets van dit alles zou komen te gebeuren. Zei ik niet eerder dat het leven niets meer is dan een simpel schouwspel? Mijn acte nadert zijn einde, halvelings lonk ik reeds naar de coulissen, en dan, wanneer werkelijk niemand het nog maar zelf durft te dénken, vindt een ultieme plotwending plaats: want daar, in het zwakke licht van de spotlichten, verschijnt vanuit de schaduwen een onverwachte speelster.  Ja, beste lezer, zoals het soms in schouwspellen gebeurt, zo ook bij mij.

arnomaetens
0 0

Het gaat regenen

01 ‘Het gaat regenen,’ zei ik tegen niemand in het bijzonder. ‘Verdomme,’ zei de oude man voor mij zachtjes. Ik keek op van mijn koffie. De oude man had een rond, kaal hoofd met dunne, grijze haartjes die uit zijn slaap sprongen. Hij had een zelfs nog grijzere snor. Zijn vaalbruine ogen keken vanachter twee vieze brilglazen door het raam naar buiten, waar het steeds schemeriger werd door de grijze wolken die zich voor de zon begonnen op te hopen. Ik kende de man niet, maar zijn gezicht kwam mij wel bekend voor. Misschien kwam hij ook regelmatig in dit café, net zoals ik? De oude man hield zijn blik gefixeerd op de buitenwereld en ik volgde zijn blik. Het was een rustige lentemiddag. Ik zag dunne zonnestralen nog maar net door de donkergrijze wolken breken, maar steeds meer stralen leken deze strijd te verliezen. Het krijtbord van het café aan de overkant klapperde mee met de harde wind die opstak, gruis en bladeren werden over de straat geblazen. Diverse papiertjes van vermiste huisdieren en dorpsevenementen werden bevrijd van de lantaarnpalen waaraan ze waren geplakt. Ze werden meegevoerd door de lucht om vervolgens een paar meter verderop weer op de grond te dwarrelen.   Ik bestelde nog een kop koffie. Alleen al in het vorige uur had ik al drie koppen opgedronken. Zoals altijd verwachtte ik weer een slapeloze nacht. Ik wist echter niet die cyclus van slapeloosheid na vandaag door iets anders dan koffie werd veroorzaakt. Naar mijn mening zijn cafés geweldige plekken om te zijn. Alleen al de huiselijke sfeer in die ouwe cafeetjes overlaadt mij al met een gevoel van comfort en rust en de gesprekken die op de achtergrond werden gevoerd weerhielden mijn gedachten van fossielen uit het verleden op te graven. Donkere plekken begonnen te ontstaan op de lichtgrijze stoeptegels. Het ging regenen. Eerst leek het slechts een voorbijtrekkend buitje. De oude man slaakte een opgeluchte zucht. Maar al snel keken de oude man en ik naar een schemerige muur van water. De oude man fronste en zuchtte opnieuw, deze keer uit frustratie. ‘Waar moet u naartoe?’ vroeg ik. ‘Thuis,’ antwoordde de man. ‘Als u wilt, kan ik u een lift geven. Het is slechts vijf minuutjes lopen naar mijn auto.’ De oude man glimlachte. ‘Bedankt, maar ik moet nee zeggen. Vat het niet verkeerd op, maar ik ben eens beroofd toen ik in de auto van een vreemdeling stapte.’ ‘Oh, dat spijt me,’ zei ik simpelweg, niet wetend wat ik daarop moest antwoorden. Het gesprek liep al snel stil. Ik bestelde nog een kop koffie en wierp een blik naar buiten.   02 De oude man stond op en trok zijn jas aan. Hij haalde zijn portemonnee tevoorschijn en legde een 2-euromunt op de tafel. ‘Ik betaal deze kop,’ zei hij. ‘Dank u wel,’ zei ik en glimlachte door deze onverwachte gunst. ‘Drink alleen niet te veel,’ voegde hij toe, terwijl hij zijn hand in een jaszak liet verdwijnen. Toen sperden zijn ogen lichtelijk open. ‘Verdomme, mijn paraplu,’ vloekte hij. Ik wist niets te antwoorden. Ik nam een slok en keek naar buiten. Ineens, als dom geluk, schoof er een opengeklapte paraplu over de straattegels, gedreven door de wind. Het kwam een paar meter voor de ingang van het café tot stilstand. ‘Kijk dan,’ zei ik en keek naar de oude man. ‘Dit moet je geluksdag zijn.’ De oude man gromde zacht maar glimlachte vooralsnog. ‘Als het inderdaad mijn geluksdag was, dan regende het niet,’ verkondigde hij. ‘Maar ja, ik heb toch nog iets van geluk.’ Hij boog zijn hoofd. ‘Fijne dag verder nog.’ Hij legde een paar munten op de bar en duwde toen de voordeur open. Even werd al het geluid in het café overstemd door het gekletter van de regenstorm buiten. De zure geur dreef naar binnen en prikkelde mijn neus. De oude man stapte snel naar buiten. De houten deur viel langzaam achter hem dicht. Zijn bruine jas werd al snel donkerder door de regen. De nette schoenen die hij droeg zouden al verpest zijn voordat hij thuiskwam. Ik keek koffiedrinkend naar de oude man. Hij sprong richting de paraplu (waarschijnlijk voor het geval de wind het object weer zou meevoeren) en greep het handvat beet als leeuw die zijn prooi greep. De paraplu was niet bijzonder, waarschijnlijk had de voormalige eigenaar het voor vijf euro gekocht bij een discounter, dus het verlies was niet zo ontzettend. Bovenin was het zwart met ijzeren uiteinden; onderin een simpele, ijzeren schacht met een stomp, plastic vierkant als handvat. Ik gniffelde toen de oude man de paraplu vasthield, nam nog een slok en stak toen mijn duim naar hem op. Glimlachend hield de oude man de paraplu boven zijn hoofd. ‘Wel thuis,’ zei ik zachtjes, mijn mond duidelijk bewegend op de woorden. De oude man knikte en liep een paar stappen verder. Aan de rand van de stoep bleef hij staan, keek naar links en naar rechts voordat hij overstak. De wind stak weer op, stotend tegen de ruit en blies een wolk gruis voorbij het raam. Ik nam een slok koffie en zag dat de oude man moeite had met de paraplu vast te houden. Ineens klapte het dicht. ‘Oeps,’ mompelde ik zonder erbij na te denken. De oude man bleef staan te midden van de weg. Ik lachte zachtjes toen het beeld in me opkwam dat hij, omhuld door de duidelijk kapotte, zwarte flappen, zachtjes stond te vloeken op zijn ongeluk. Het werd al snel duidelijk dat hij de paraplu niet afkreeg. Ik zette mijn kop neer en liep het café uit. Maar toen ik buiten stond, hoorde ik het geschreeuw van een man in nood. Opnieuw zonder erover na te denken, rende ik naar de oude man toe. De regen plensde op me neer. Mijn haar kleefde langs mijn hoofd, mijn witte t-shirt aan mijn lichaam. Hoe dichterbij ik bij hem kwam, hoe meer het leek alsof hij stond te worstelen om de paraplu af te krijgen. ‘Gaat alles goed?’ riep ik, mijn stem nauwelijks hoorbaar door de regen. De man begon krampachtig aan de zwarte flappen te krabbelen. Toen ik hem hielp, voelde ik een warmte door de zwarte stof gloeien. Dat was geen regen. Maar op dat moment schoot mij ook niets te binnen wat het wel kon zijn. Het leek het beste om de paraplu van zijn hoofd te trekken aan de ijzeren uiteinden. Ik zag dat de witte knopjes zich in het zachte vlees van ’s mans nek hadden geboord. Ik begon aan de uiteinden te trekken en voelde diezelfde warmte op mijn vingers druipen. Het was een vloeistof. Mijn hart sloeg een slag over. Geschrokken trok ik mijn handen terug en keek naar ze. Ik keek lijdzaam naar het bloed op mijn vingers, hoe het werd weggespoeld door de regen. Toen, vervuld met adrenaline, deed ik een laatste poging de man te redden. Ik greep de zwarte stof beet en voelde het gezicht van de oude man eronder; verwrongen in een doodsbange schreeuw. Ik pakte de uiteinden vlakbij zijn gezicht beet en begon te trekken. Toen begon de paraplu dunner te worden, alsof het hoofd van de man langzaam smaller werd. Het geschreeuw werd gereduceerd tot hopeloos gegorgel. Ik slaagde erin de uiteinden uit zijn nek te trekken, maar de paraplu bewoog nauwelijks. Ik begon nog harder te trekken, een misselijkmakende knars kroop in mijn oren. Mijn handen waren doordrenkt met bloed. Toen sprong de paraplu ineens weer open. Ik werd achterovergeslagen door de onmenselijke kracht en landde op mijn billen. De zwarte paraplu stuiterde verder over de straat, wederom mee met de wind. De ijzeren schacht, plastic handvat en de zwarte stof binnenin waren rood van het bloed. Doorweekt door de regen staarde ik ernaar, hoe het verdween in de muur van water. Ik raapte al mijn moed bij elkaar en dwong mijzelf om naar de oude man te kijken. Toen mijn ogen op hem vielen, liet ik een hoge schreeuw horen; een schreeuw die beter bij het slachtoffer van een moord hoorde, niet een getuige. Het hoofd van de man was inderdaad smaller geworden. Het zag eruit als een pakje sap dat helemaal leeg was gezogen door een kleuter. Een stroompje bloed vloeide uit een klein gaatje in het midden van het kale hoofd. Zijn gezicht was onherkenbaar, maar de schreeuw was nog steeds duidelijk te zien in de gerimpelde contouren van zijn lege hoofd.   03 Hoewel ik daarna direct was weggerend, kan ik mij nog precies elk detail herinneren. Wanneer ik eraan terugdenk is zijn er twee herinneringen die mij het helderst van allen zijn nagebleven. ’s Mans gezicht; hoe het eruit zag als een uitgewrongen handdoek of een uitgezogen pakje sap. Ondanks dat zijn hele hoofd letterlijk was leeggezogen, waren zijn opengesperde ogen en loshangende kaak makkelijk te onderscheiden. Het tweede was de paraplu, hoe het eruit zag als een verzadigde vleeseter die het karkas van zijn prooi achterliet. Ik heb meer koffie nodig.

Aaron de Bruijn
19 0

Leo

‘s Morgens stond hij op, zoals meerdere mensen dat wel doen. Alvorens versuft naar de badkamer te sloffen, schoof hij zijn witte pantoffeltjes vol stof, gestolen uit een goedkoop hotelletje in Den Haag aan zijn opgezwollen voeten. Het gebeurde wel vaker dat zijn voeten zonder reden verdubbelden in breedte, hij had er geen erg in. Veel zin had hij niet in wat de dag zou brengen, ook dat gebeurde vaker. Net zoals de manier waarop hij zich waste, aankleedde, in de spiegel keek naar zijn mottige, grijze kop vol barsten. Hoe was het ooit zover kunnen komen? De tijd laat z’n sporen na, daar was hij het halflevende bewijs van. Het werd tijd iets van zijn tijd te maken. Een boetseerwerk die het verdiende in een vitrinekast geplaatst te worden bij één van zijn toekomstige nakomelingen. Dat was het! Voor nakomelingen moest hij zorgen om iets betekend te hebben in de geschiedenis van zijn stamboom! Natuurlijk! Maar hoe begin je daar toch aan? Zonder wijfje is dat niet zo evident. Hij gaf zichzelf wederom tijd om over dit vraagstuk zijn hoofd te breken zoals hij zich voor alles tijd gaf. Vervolgens vertrok hij naar zijn werk. Op de vuilkar staand, keek hij naar de lucht. De grauwe grijze lucht moest niet weten van zijn staar en spuwde hem in zijn gezicht. Prachtig vond hij dat, de wereld antwoordde hem op vragen die hij niet stelde en een glimlach vol opgedroogd kwijl openbaarde zich op zijn gezicht. De hele ochtend dacht hij na. Hoe kon hij een mensje creeëren uit zijn zaad zonder wijfje? Eureka! Plots had hij het gevonden! Het antwoord was zowaar naar hem toe gehuppeld in de vorm van een krant. Een advertentie, dat is het! Meteen begon hij naarstig met schrijven. Een meesterwerk moest het worden, alle aandacht trekkend. Na uren zwoegen en zweten, gebogen over zijn krakkemikkige bureautje, zittend op een kruk met twee en een halve poot, was het af. Wat een ontroerend gedicht, zo vond hij zelf: Man zkt wijfje om mee te poepen & kind te maken. Contact leoversmaggen@zetmeel.be. Xxx Vol trots zond hij het naar zijn favoriete maandblad dat gelezen werd door veel gelijkgestemden. De volgende maand sloeg hij vol verwachting de contactpagina open en met terechte trots zag hij zijn pulitzerprijswaardige inzending gepubliceerd in de Woef. Nu was het wachten geblazen, een kwestie van tijd.

Lore
0 0

Two to tango

Two to tango   Dat kinderfietsje! Eva grijpt het beet en tilt het boven haar hoofd. Met alle kracht die ze in zich heeft, slaat ze er twee, drie keer mee op de ruit van het grote raam achteraan de woning. De derde keer springt het glas aan diggelen. Eva gaat naar binnen. ‘Is er iemand thuis?’ Alle lichten zijn gedoofd. Van beneden uit begint de woning zich te vullen met rook. In de open leefruimte, die wat onder het niveau van de tuin komt, ziet Eva de vlammen al hoog opslaan. De gordijnen hebben vuur gevat en zijn deels op de sofa gevallen. Die is aan het smeulen. Eva stormt de trap op. Via haar noodknop roept ze de centrale op. ‘Fred? Eva hier. Brand aan de Fransenlaan 17. Ik ruik gas.’ Eva gaat een grote slaapkamer in. Niemand. ‘Er kunnen kinderen in huis zijn, in de tuin ligt een kinderfiets. Haast je, Fred!’ Op één van de kamerdeuren kan Eva Anna’s naam onderscheiden, Jordi’s kamer ligt daar vlak naast. Aan het kapstokje naast de deur hangt een kartonnen kroon. ‘Eén jaar’, leest Eva. Vanuit de centrale activeert Fred rechtstreeks het alarm in de brandweerpost. Die ligt op minder dan twee kilometer van de Fransenlaan. In geen volle vier minuten zal de snelle interventiewagen ter plaatse zijn. ‘De noodploeg is onderweg, Eva. Niet alleen naar binnen gaan!’ Dat laatste valt in dovemansoren. Agent Akermans wacht geen vier minuten als zij denkt dat er geen tijd te verliezen valt. Ze tilt de kleine Jordi uit zijn bedje en schudt Anna wakker. Geen minuut later haast ze zich het huis uit, de slapende Jordi op de arm en de slaapdronken Anna aan de hand. Kort na middernacht belt Eva aan bij nummer 19. Geen gehoor. De onwerkelijke stilte rond het brandende huis wordt doorbroken door de naderende sirene. Terwijl de interventiewagen stopt, floept er aan de overkant een licht aan. Het is koud en de kinderen hebben alleen hun pyjamaatje aan. Eva steekt de straat over. Die overburen moeten hen maar even opvangen. ‘Ik weet niet of er nog iemand in huis is!’, roept Eva de brandweerlui nog toe. ‘Er hing …’ Voor ze haar zin kan afmaken, weerklinkt een oorverdovende knal. Een steekvlam spat langs de voorkant van de woning naar buiten. Jordi schrikt wakker en begint hysterisch te krijsen. Anna kijkt met haar grote kleuterogen naar het schouwspel. Dikke tranen wellen uit haar overdonderde ogen. ‘Waar is mama?’, stamelt ze. Haar knuistje wijst verslagen in de richting van het huis.   Naarmate de nacht vordert, ontrolt zich het standaard scenario van een uitslaande brand. Veel meer dan de naburige woningen vrijwaren, kan de brandweer het eerste uur niet doen. De politie zet de straat af, de kinderen worden voor controle naar een ziekenhuis gebracht, een tweede ziekenwagen blijft doelloos wachten. Links en rechts krijgt Eva een schouderklopje. Haar bewustzijn gaat in overlevingsmodus. Zelf handelt ze niet meer, ze kijkt toe. Wat kan ze doen? Als een paar journalisten haar aanklampen, gaat er een huivering door haar heen. Deze hel is nog nieuws ook. Nog voor hij Eva een vraag heeft gesteld, noemt één van de mannen haar al een heldin. ‘Wat ik nu liefst wil’, antwoordt Eva wat later op alweer dezelfde vraag van een andere vroege journalist, ‘is naar huis gaan en languit in bad gaan liggen. Achter dit koele optreden dat jullie zo fantastisch vinden, zit ook maar een mens die dit allemaal moet verwerken. En deze vreselijke brandgeur komt daarbij bepaald ongelegen.’ Eva voegt de daad bij het woord, keert de journalisten de rug toe en gaat zich afmelden bij de chef aan de commandowagen. ‘Ik ga naar huis, Stan. Te voet. Nee, doe geen moeite. Ik was toch onderweg toen …’ Eva’s stem valt even weg. ‘Iedereen vindt het geweldig van die kinderen,’ aarzelt ze, ‘maar mama of papa moet in de brand gebleven zijn. Misschien zelfs allebei. Dat weten we allemaal. Het lijkt verdorie bijna een scenario voor een goedkope jankfilm.’ Eva slikt. ‘Is het cru te hopen dat de ouders hun avondje uit hadden en dat er een babysitter in huis was?’ Stan sust haar kordaat. ‘Kijk, Eva, een furie zoals jij denkt in een reflex dat het nooit goed genoeg is. Daarom zeg ik je alleen dit. Bedankt. Je hebt alles gedaan wat je kon doen. Dat was veel meer dan je moest doen. Beyond the call of duty zouden ze zeggen, in het land van de goedkope jankfilms. Ga gewoon met dit ene woord naar huis. Bedankt.’   Het is half twee als Eva de deur van haar loft openmaakt. Het licht laat ze uit, de volle maan geeft genoeg. In huis is het warm, te warm. Carlo heeft vast de thermostaat hoger ingesteld voor hij vertrok. Eva trekt haar hele plunje uit, dat gaat de wasmachine in. Kookwas, dan blijft er niks van die verduivelde avond hangen. Naakt schenkt ze zich een glas in en neemt een grote slok rode wijn. Beeldt ze het zich in of kleuren haar lippen echt dieprood in de spiegel? Bij het schuifraam achteraan wordt Eva’s blik door de lange, spaarzaam verlichte Canadezenlaan naar de T-splitsing getrokken die uitgeeft op de Fransenlaan. Pal op het kruispunt licht de gloed van de brand duidelijk op. Wat een inferno. Eva neemt nog een glas. Ze geniet ervan. Het is wijn uit Ulignano, bijna tien jaar geleden nu. 7 juli 2007, wat een iconische datum. Eva had nooit geloofd dat je op je dertigste nog smoorverliefd kon worden. Tot haar weekje Toscane werd gekaapt door zes weken zaligheid. Op zoek naar haar hotelletje, lag hij plots daar, languit op de Toscaanse bodem na een stevige slipper met zijn fiets. Zijn truitje hing aan flarden, zijn stevig gespierde en ferm geschaafde bips kleurde snel rood, uit een jaap in zijn linkerarm sijpelde bloed. Als bij ingeving had Eva zijn gehavende toestand genegeerd en hem koudweg gevraagd of ‘dit de kortste weg naar Ulignano was’. Na een ogenblik van totale verbijstering – wat keek hij ongelooflijk schaapachtig toen – was hij in lachen uitgebarsten en overeind gekrabbeld. ‘Je bent waar je moet zijn!’ was het enige wat hij zei. Profetische woorden! Nog voor hij helemaal rechtop stond, had ze hem aan zijn nek naar haar toegetrokken en hadden ze elkaar gekust, steeds weer gekust. Nog diezelfde avond gingen ze tot het einde. Zes weken lang verkenden en aanbaden ze elkaars lichaam. Ze genoten van de zon, de wijn, de zee, de steden en dorpjes en van het onderweg zijn tussen de ansichtkaarten. Ze lieten toe dat hun gevoelens en gedachten in een mum van tijd steeds meer vervlochten raakten. Onmiddellijk na de vakantie gingen ze samenwonen op Eva’s loft. Ze waren elkaars thuis geworden. Ulignano had hen onafscheidelijk verbonden.   Eva heeft al uren niets meer gegeten. De wijn krijgt zo vrij spel in haar afgetrainde lichaam, en wekt een glimlach op haar lippen. Had Stan gelijk? Heeft ze gedaan wat ze kon? Haar mondhoeken krullen verder omhoog. Een euforische stemming sluipt Eva’s malende hersenen binnen. Beheersing, controle, bijna macht, is dat wat ze voelt? Ja! Eva wil het uitschreeuwen. Ja, ja, ja! Steeds luider wil ze het roepen. De nacht en de rede weten wel beter. Een hete douche brengt Eva tot rust. Een half uur later blaast ze haar haren droog en kruipt in bed. Door vermoeidheid overmand slaapt ze in. Alleen, voor het eerst in bijna tien jaar.   07:43. De zoemer aan de voordeur haalt Eva uit haar slaap. Even zoekt ze naast zich, maar ze is nog steeds alleen. Terwijl ze haar badjas omslaat, ziet ze op het scherm van de videofoon Stan staan praten met een man die ze niet kent. ‘Stan? Wat brengt jou hier?’ Wat later zit Eva met Stan en rechercheur Vrancken aan tafel. ‘Zal ik koffie zetten?’ vraagt die laatste tactvol. Alleen met Stan kan Eva zich moeilijk bedwingen. ‘Wat is er aan de hand, Stan? Mijn verklaring kan toch wachten tot ik op het bureau ben?’ Stan kijkt haar in de ogen, schraapt zijn keel. ‘Is je dienstwapen in huis, Eva? Ik wil het graag zien.’ Eva is verrast. Stan onderbreekt haar kordaat. ‘Toon me gewoon waar je je dienstwapen bewaart.’ Eva neemt Stan mee naar de slaapkamer en wijst op de kleine safe daar. Stan trekt handschoenen aan. 7707. De safe is leeg. Niet begrijpend kijkt Eva haar chef aan. ‘Hoe kan dat nu? Maandagavond laat heb ik de Glock hierin gelegd!’ Met het dienblad nog in de hand neemt Vrancken de leiding over. ‘Denk goed na. Wanneer heb je voor het laatst je wapen gezien?’ Eva aarzelt niet. ‘Zoals ik al zei. Dat was zonder enige twijfel eergisteren, ’s avonds laat. Na mijn avonddienst heb ik het in de safe gelegd. Gisterenavond had ik het niet bij me omdat we toen die opleiding Verkeersrecht hadden. Kunnen jullie mij niet gewoon vertellen wat er aan de hand is?’ De mannen wisselen een blik van verstandhouding. ‘Kijk Eva. Zoals we al vreesden zijn in het uitgebrande huis twee volledig verkoolde lichamen gevonden, een man en een vrouw. De vrouw is zo goed als zeker de moeder van de kinderen.’ Stan neemt er zijn notitieboekje bij. ‘Rosa Vazquez, 32 jaar, dubbele nationaliteit, Argentijns-Belgisch, vijf jaar getrouwd met Henricus Debaeck. Een buurvrouw herkende het mobieltje en de sleutelbos die in de keuken lagen, de bril van de vrouw was nogal opvallend, de lichaamslengte klopt, de gezinswagen stond op de oprit. Alles moet nog worden nagetrokken, maar veel twijfel is er niet.’ Rechercheur Vrancken kucht. ‘Het verkoolde mannenlichaam is moeilijker te identificeren. We hebben geen tweede mobieltje gevonden, geen sleutels, geen bril of zo. Er is geen tweede auto. Voor een positieve identificatie is het dus wachten op pakweg tandheelkundige gegevens. Toch staat het als een paal boven water dat het lichaam niet dat van Henricus Debaeck is. Dat is een kleine, eerder gezette man. Het stoffelijk overschot is dat van een man van haast twee meter.’ Eva verstijft. Mannen van twee meter zijn dun gezaaid. ‘Is Carlo thuis?’ Het lijkt of Eva de vraag niet heeft gehoord, maar dat is natuurlijk niet zo. Haar stem verandert in een laag, hees keelgeluid, ingehaald door het onvermijdelijke. ‘Zeg nu alsjeblieft niet dat je mijn pistool op de plaats delict hebt gevonden. Zeg dat alsjeblieft niet.’ Eva houdt het hoofd in beide handen, de vingers gespreid over haar mond. ‘Carlo is niet thuis?’ Eva schudt het hoofd. Tranen komen er niet. ‘Heb je hem vandaag nog gezien?’ Eva slikt opvallend. Tweemaal, driemaal. ‘Maandagnacht kwam ik rond een uur of twaalf thuis. Gedoucht. Nog wat gegeten. Samen een glas wijn gedronken. Rond een uur of twee naar bed gegaan. Ik heb een gat in de dag geslapen. Ik weet niet hoe laat Carlo gisteren naar kantoor is vertrokken. Het ging zeker laat worden, er was iets met een beursintroductie.’ Korte stilte. ‘We weten natuurlijk niet of hij het is. Maar jouw pistool lag inderdaad tussen beide lichamen in. Het serienummer stemt overeen met het register.’ Stan kijkt Eva ernstig aan. ‘Het mannenlichaam vertoont één schotwond. In de linkerslaap. Denken we. Dat kan wijzen op een wanhoopsdaad. De lijkschouwing vanmiddag zal uitsluitsel brengen. Kan Carlo de Glock uit de safe hebben gehaald met de bedoeling Rosa Vazquez om te brengen en daarna de hand aan zichzelf te slaan?’ Eva aarzelt. 7707. Zou de klootzak dat vergeten zijn? Nee … ! ‘Tja, ik heb hem wel eens … .’ Vrancken trekt de wenkbrauwen op. ‘Kom nu! Stan weet vast wel hoe dat gaat. Je komt laat thuis, moe, bezweet. Je duikt recht de douche in en leeft net lang genoeg op om voor TV in slaap te sukkelen. Wat later sleep je jezelf naar bed en denkt dan aan je Glock die nog op tafel ligt. Dan helpt je boomlange kabouter je toch graag een handje? Natuurlijk heeft hij hem wel eens in de safe gelegd. De lader ligt er niet bij, hoor. Die gaat met de rest van mijn gordel linea recta de bureaulade in als ik thuiskom. Netjes afgesloten.’ De toon van de rechercheur wordt formeler. ‘Kijk Eva, het forensisch team moet hier in huis een grondig kijkje komen nemen. Jij gaat best met ons mee naar het bureau, daar blijf je beschikbaar. Na de lijkschouwing zullen we zeker nog met je moeten praten. Het spijt me.’ Stan knikt. ‘Saskia van slachtofferhulp blijft de hele dag bij je. Het … heeft er helaas alle schijn van dat je een slachtoffer bent. En een heldin, natuurlijk. Laten we dat vooral niet vergeten.’   Op het bureau zit Eva urenlang door het raam voor zich uit te staren. Saskia houdt bewust afstand, Eva heeft geen behoefte aan praten. Wat gebeurd is, herhaalt zich in haar hoofd. Elke minuut. Eva heeft moeite om haar ademhaling onder controle te houden. Op een vreemde manier krijgt ze ook de brandgeur niet uit haar neus. Langgerekte wolken glijden voorbij. Over een uurtje is de lijkschouwing afgelopen. De technische recherche zal het plaatje netjes afwerken. Carlo’s vingerafdrukken staan op haar glas van maandagavond, naast de spoelbak. De forensische jongens vinden vast de sporen van benzodiazepine. Dus, zal Vrancken besluiten, heeft Carlo haar één of ander slaapmiddel gegeven zodanig dat hij zelf ongehinderd bij de Glock kon. Op de safe staan natuurlijk ook zijn sporen. En op de bureaulade. En op het sleuteltje. Carlo was een schatje. Rosa zal dat ook gedacht hebben. Teef! Ze kon de schaduw van hun gewriemel door het gordijn maar al te goed thuisbrengen. Lekker dicht tegen elkaar aan. Zeven keer de voorbije maand. Haar stank hing in zijn haar als hij thuiskwam. Maar oh nee, Eva, er is niets van aan! Ik ben van jou, Eva, alleen van jou. Tien jaar bijna, had hij gezegd, hij leek het er keer op keer te willen indrammen. Rosa’s nek was droog geknapt. Clean. Jammer, ze had haar de nagels willen uitrukken, de ogen uitsteken, haar oren en haar tieten afsnijden. Maar daar was geen tijd voor, en het paste niet in het plan. Met de Glock in de hand achter haar rug had ze Carlo binnen aangetroffen. ‘Carlo? Jij hier?’ Vanuit de sofa keek hij op. Betrapt. ‘Wat, wat brengt jou hier?’ ‘Ik werk bij de politie, schatje. Het raampje van de wagen op de oprit is ingeslagen.’ Eva ging naar hem toe. ‘Oh.’ Terwijl Carlo voorover boog om op te staan, hoorde Eva een spitsvondige uitleg door zijn hoofd ratelen. De kogel doorboorde eerst zijn linkerslaap en dan zijn leugens. De gasfles ging makkelijk. Carlo had die opgepikt die middag. En netjes in de wagen gelaten. Achter Rosa’s huis. Zijn vlam. Eva onderdrukt een glimlach. Die is uitgedoofd nu.   Stan en Vrancken komen met twee agenten het platform op. Eva huivert. ‘Eva Akermans, ik arresteer je wegens moord op Rosa Vazquez en Carlo Strackx.’ Stans stem klinkt schor. ‘Rosa’s man heeft verklaard dat Carlo tangoles nam bij haar. Als verrassingsact voor jullie tiende verjaardag samen.’ Eva steekt beide armen naar voren, de polsen naar boven. ‘Goedkope politiefilm,’ zucht ze Stan toe.         bart e. g. vinck

bart e. g. vinck
0 0

De boomgrens

De boomgrens   Ignace Pollet   Het pad is te smal, de grond te drassig. Niet voorzien op de wielen van een rolstoel. Ik kan niet meer terug, ben al te ver. Je hoofd schudt en slingert. Je laat je gewillig naar boven duwen, alsof het jouw beslissing is om te eindigen op deze hoge graslanden. We hebben ze samen ontdekt, lang geleden, tijdens de jaren van belofte en schuld. En herontdekt tijdens onze kinderloze tweede jeugd, de vrijheid van het lege nest, de inhaalmanoeuvers, de bucket list. Het was voor je benen het begaven, voor je binnenkant verbrokkelde, voor het licht uitging. Mijn handpalm zocht je niet meer, je vezels herinnerden zich niets. We komen boven de struiken uit. Op een heldere dag zouden we de vallei zien, het afgeleefde dorp, de rotonde met richtingaanwijzers naar de oorden van bezigheid. Ik duw de rolstoel op goed geluk verder. Het pad houdt op, alsof het niet echt een pad is maar de doorsteek van een kudde geiten. Waar de hellingsgraad vermindert, verspreiden de sporen van hun hoeven zich. Je knikt bij elke put waarin de wielen kantelen. De regen deert ons niet. Dit is onze laatste gezamenlijke inspanning. Je kijkt naar me op als ik de rem opzet. Om uit te hijgen. Omdat deze plek zo goed is als een andere. Je kijkt naar me. Je ziet me niet. Je ziet niets. Je had gewild dat het gehotsebots zou blijven duren. Dat ene straaltje zon tussen dat pak wolken, ik weet niet waar het vandaan komt. Het verlicht je lange grijze haar, nooit meer bijgekleurd sinds de dag dat je de weg naar ons huis niet terugvond. Irene trof je met je voorhoofd tegen haar achterdeur. Sakkerend bracht ze je terug. Sakkerend op mij. Alsof ik je niet al die tijd heb gevoed, verschoond, gekleed, bestudeerd, getest, dooreengeschud. Toegebruld. Wie ben ik, Friede, zeg me wie ik ben. Je rook aan het voedsel dat ik je voorzette. Je vingers in mijn hand bewogen als die van een kind. Je zat tussen de planten die ik dagelijks begoot en even zo vaak een dag oversloeg, tot jullie allemaal doorbogen, Ficus, Aloe Vera en jij. Je neeg naar de bodem, steeds dieper, tot de bodem bereikt was. Ik trek je regenjasje over je fleeze en zet je mijn muts op. Ofschoon je nooit een muts hebt willen dragen, komt er geen protest. Ik heb een blad vol handgeschreven woorden klaar maar door de regen lopen ze in elkaar over en de betekenis zou je ontgaan. Wanneer ik mijn gezicht tegen je wang druk, geeft je mee. Het hangt helemaal achterover hangen. Ik laat je los. De rolstoel wankelt. Vanop het geitenpad kijk ik nog eenmaal achterom . Je blik volgt me niet. Beneden ril ik van de uitgekoelde transpiratie. Mijn broekspijpen hebben de kleur van de modder. Wandelaars monsteren me argwanend, alsof ze weten dat ik een rolstoel heb achtergelaten. Een rolstoel met iemand in. Ik ga opzij om ze door te laten. De gids van de groep gromt iets tegen me maar ik schud het hoofd. Ik weet dat ik er niet vanaf kom, van het beeld van haar, alleen op een hoog plateau, de mond vol speeksel, de ogen vol nevel, de wangen nog zacht. Lange haren, lange vingers, lange nek, zelfs in haar rolstoel behoudt ze haar elegantie. Ze heeft me altijd vertrouwd. Toen ik te laat thuiskwam. Toen de kamer vol rook hing omdat ze het vuur was vergeten. Toen helderte haar verliet. Het beeld van haar zal me blijven volgen, ook al vervaagt het tot gestalte, silhouet. Ik stap in mijn wagn en wacht. Heb ik haar genoeg slaapmiddel toegediend? Zal het werken voor de vrieskou intreedt? Ik reken op een harde, droge winter, zodat niemand op het plateau iets te zoeken heeft. De koude nachten moeten Friede tot poreus gesteente maken, verpoederd, uitgehold van binnen, alleen nog bijeengehouden door de rode algen. Drie uur in de ochtend, een hond huilt in het dorp. De temperatuur blijft boven nul. Zit zij nu te rillen, te vechten tegen de slaap? Is ze met rolstoel en al omgevallen? Wordt ze opnieuw wakker van de ijzige wind?  Ik stap uit mijn wagen. Het geitenpad is niet meer te vinden. Mijn vingers verliezen elk gevoel, mijn tenen vinden geen grip. In laffe voren verzwik ik mijn beide voeten. Overal heeft de wind vrij spel. Ik strompel rond op wat ik vermoed het plateau is. ‘s Nachts is alles anders. Ik kam alle begaanbare plekken uit. Ze is er niet meer. Niet zij, niet de rolstoel. Ik speur de randen af, kijk in het niets. Het is te donker. Ik geef het op. Ik probeer de wagen geluidloos te starten. De motor loeit zo hard dat ik er meteen de sleutel uittrek. Ik open het portier en luister. Achter geen enkel raam wordt een licht aangestoken. Dit dorp is ontvolkt. Nogmaals in het contact. Met gevoelloze onderbenen ontkoppel ik en geef gas. Geduldig kruipt de auto de weg op. De lichten houd ik gedoofd tot ik tussen de bomen zit. Ik concentreer me op de gebroken strepen in het midden, hopend dat deze mij volledig kunnen inpalmen. Maar de strepen zijn te dun voor wat binnendrijft. Door de mistbanken heen meng ik hete thee met honing, koester ons oude hoofdkussen en laat haar laatst gedragen nachthemd door mijn handen glijden. In het ochtendwit stop ik voor een huis. Ik heb geen idee hoe ik hier geraakt ben. Ik ga achterom en stoot de achterdeur open. Irene zit er met koffie en een krant. Ze kijkt niet op. ‘Irene,’ zeg ik. ‘Ik zag dat je gebeld had. Ik ben de hele nacht opgebleven, Alex, de hele nacht.’ ‘Friede is verdwenen,’ zeg ik. ‘Ik vind haar niet meer.’ Hoe kan ik haar vertellen wat er gebeurd is. ‘Friede is al drie jaar dood, Alex.’

Ignace Pollet
0 0

Twee Bloemen (kortverhaal)

Twee verwelkte bloemen staan op de vensterbank voor het raam. Ze delen een aarden bloempot en een schrale kluit potgrond. Rechts, een rode wijnvlek. Alsof de kleur uit miserie uit de kroonbladen is gegleden en is blijven liggen op het kozijn. Hun stengels en kelkbladen zijn verdord. Het genadeloze zonlicht droogt hen nog wat verder uit. Als je goed luistert, kan je ze horen kraken en verschrompelen. Ooit zo kleurrijk en fleurig, nu gedoemd om te verworden tot vuile bruine schilfers en snippers, waar niemand nog aan zal ruiken. # 1 Ze dronk haar glas leeg, zette het op tafel en schoof de stoel achteruit. Onderuitgezakt met een hand achter het hoofd, keek ze nog even naar de bloemen. Ze vroeg zich af hoe zoiets prachtig had kunnen veranderen in zoiets ellendig. Bedroevend. Treurig. Ze schudde haar hoofd, stond op en wandelde naar het raam. De geur van verlepte bloemen, vergane glorie, drong in haar neusgaten. Ze zou hen beter weggooien in plaats van ze daar verder te laten creperen. Het was echt geen zicht en het had iets meelijwekkend, maar ze kreeg het gewoon niet over haar hart. Het was haar schuld dat ze dood waren. Haar godverdomse schuld. # 2 Ze bedacht dat het geen toeval is dat bloemen geven een teken van liefde is. Een groots maar ook broos teken, want zoals geliefden van elkaar afhangen, zo hangen bloemen van hun eigenaars af. Vergeet hen water en wat zonlicht te geven en het schone verdwijnt even snel als het schuim op een slecht gemaakte cappuccino. Iemand die bloemen geeft, zegt eigenlijk: “Ik vertrouw erop dat jij even goed zorg zal dragen voor deze bloemen, als jij dat voor mij doet. Zorg ervoor dat ze zo lang mogelijk bloeien en groeien.” Een relatie is dus net zoals een ruiker bloemen. Zolang ze bloeien, is het allemaal mooi en goed, maar eens ze beginnen te verwelken, kan het vlug lelijk worden. # 1bis Hij liep over straat en zag mutsen en sjaals gedragen worden door zich daaronder verstoppende mensen. Ze verstopten zich voor de kou, uit schrik dat indien ze te diep zouden inademen, de koude lucht niet alleen hun tenen, maar ook hun hart zou bevriezen. Hij gaf ze geen ongelijk. Met een bevroren hart kun je niet leven. Enkel pretenderen dat te doen. Met een bevroren hart valt ook niet samen te leven. Dat wist hij ondertussen ook al. # 2bis Wat ze voor hem voelde, had ze in één welgemikte zin naar zijn hoofd geslingerd. “Je bent een kamerplant.” Hij had niet beter gevonden dan te antwoorden: “En jij, onkruid. Dat vergaat niet en parasiteert op de rest”. Het verbaasde hem niet dat een romance tussen een kamerplant en onkruid geen lang leven beschoren was, maar toen ze eraan begonnen, waren ze nog niet meneer Kamerplant en mevrouw Pisbloem. Neen, toen waren ze Monseigneur Grote Leeuwenbek en Madam Magnolia en leek het allemaal wel goed uit te zullen draaien. Ze zouden zich samen naar de zon richten en diens stralen omzetten in een onuitputtelijke energie om groter, sterker en mooier te worden. Het eeuwige samenzijn lachte hen toe. # 3 Ze duwde haar pink in de potgrond. Droog. Geen enkele korrel bleef kleven aan haar vinger. Alle levenskracht uit de aarde gezogen door de hongerige wortels. Arme aarde. Ze nam het plastic potje uit de vaas en zag dat de wortels er onderaan uit staken. Op zoek naar restjes water en mineralen, waren ze dieper en dieper gaan zoeken om ten slotte op de kale bodem van de bloempot te stoten. Ze moeten zo teleurgesteld zijn geweest als een ruimtevaarder die na maanden vliegen door het eindeloze zwarte heelal, eindelijk landt op een planeet, uitstapt en niets buiten stenen en stof ziet. Voor de wortels betekende de bodem het einde van reis en ze gaven het op. Een ruimtevaarder stapt terug in zijn ruimteschip en zoekt verder. Welk van de twee paden haar lot zou zijn, wist ze nog niet. # 3bis Hij liep voor een naderende bus in en wist net op tijd de stoep te bereiken. Hij voegde zich in de stroom winkelende mensen en diepte zijn trillende gsm op uit zijn borstzak. Het was een bericht, zijn gsm dan toch niet rillend van de kou. ‘Waar ben je?’ Goede vraag. Hij antwoordde haar: ‘Wie ben jij? Nu begon ze zich plots zorgen te maken. Nu, na maanden snoeien en pesticide sproeien, zou ze haar kamerplant eindelijk wat aandacht schenken. Nu was het te laat. De zure regen had zijn werk gedaan. Er zat niets meer in de aarde om verder op te groeien. Helemaal uitgeput. ‘Depleted’ zouden ze in Londen zeggen. # 4 Ze zonk neer in de zetel en legde haar gsm op het salontafeltje. Ze wist niet wat te doen. De kasten waren gevuld met boeken, geschriften waarin ze geen enkele raad zou vinden. De stoelen stonden rond de tafel, maar er was niemand om mee te overleggen. De stilte in huis was daar om gebroken te worden, maar bleef halsstarrig doorklinken. Nu had ze iemand nodig. Nu. Op dit ogenblik, in dit moment besefte ze hoe eenzaam hij moet geweest zijn. # 5 Ze bleef nog even rechtop zitten en liet zich vervolgens neervallen op de beige zetel. Ze tuurde naar het witte plafond. Hij was vrij duidelijk geweest en zij had het klaar en helder verstaan. Hij zou niet meer terugkomen tenzij voor zijn spullen te komen halen. Hun relatie was in een barre winter terechtgekomen. Beter, een ijstijd. De bomen waren zonder bladeren en zouden geen knoppen meer krijgen. Een dooi, een lente was onmogelijk geworden. # 4bis De lucht deed zijn grijs gewaad aan en begon dicht te trekken. Hij dwaalde door de stad en liet zich leiden door zijn automatische piloot. Die deed hem landen bij Bar Celona, waar Céline achter de toog stond. Hij bestelde een cappuccino en bleef staan aan de bar. “Alsjeblieft.” Ze zette een koffie met halfslachtig opgeklopte melk voor zijn neus. Het schuim verdween als sneeuw voor de zon. Gelukkig voor de zaak was ze beter in het tappen van pinten met een deftige schuimkraag. “Céline, wat als ik je zeg dat ik klaar ben om verpot te worden?” # 5bis Verpotten moet je in de lente doen, had hij ergens ooit gelezen. Moet je doen als de wortels uit de pot groeien, want dat betekent dat de plant geen kant meer uit kan en zou stoppen met groeien. Wel, dat moment was aangebroken. Zijn winterslaap had lang genoeg geduurd. Maanden binnen zitten, wachtend op een geniale inval, een antwoord, een aanbod. Hij snakte naar wat zonlicht, verse grond. Een nieuw begin. # 6 Hij had maanden zitten lanterfanten, terwijl zij met moeite de tijd kon nemen om eens fatsoenlijk te slapen. Duizenden ideeën vulden zijn hoofd, pende hij neer op papier, maar werden nooit bewaarheid. Hij wou ondernemen, uitvinden, de wereld verbeteren, maar kwam niet verder dan zijn eigen bureau. Behoorlijk tragisch. Hij weigerde, in afwachting van het grote licht, wat te werken waardoor zij de boel draaiende moest houden. ‘Later’ zou hij dat allemaal dubbel en dik terugverdienen. Nu zwart zaad, later gigantische bomen. Dat was zowat zijn motto, al vergat hij blijkbaar dat zaad te planten. Zelf stelde hij het dan voor als dat ‘de zon nu even niet scheen’. # 6bis Geen enkel idee zou ze kunnen opnoemen, mocht hij het haar vragen. In haar ogen vergooide hij zijn tijd. Was hij een verstrooide en nutteloze pater die opstond zonder doel, ging slapen zonder reden om wakker te worden en leefde zonder te bestaan. Zij wou vooruit, wou dingen bereiken, een richting kiezen en zo ver mogelijk geraken. Als hij haar dan vroeg welke richting, bleef het stil. Kon ze niet antwoorden. Zelf was ze in de eerste beste job getuimeld en had ze besloten daar alles voor op te geven. Om te bestaan zonder te leven. # 7 Die nacht lag ze op haar zij met haar ogen gesloten. Ze vroeg zich af of ze nu eigenlijk de achterkant van haar oogleden zag of dat haar ogen gewoon ophielden met werken. Veel maakte het in ieder geval niet uit, het resultaat zou het hetzelfde blijven. Als ze haar ogen sloot, liet ze een zwart doek neer. Een zwart doek waarop gedachten en twijfels, zo hardnekkig als onkruid, konden woekeren. Hoe harder ze probeerde hen tegen te houden en in te dammen, hoe verder ze zich verspreidden en uitbreidden. # 7bis De zwakke ochtendzon duwde zachtjes tegen de gordijnen en liet zichzelf na even twijfelen toch binnen. Céline lag met een speelse lach nog vredig langs hem te slapen. Zijn zaad was geplant. Nu nog een ander bloempje uittrekken, met wortel en al. Als dat geen goede reden was om op te staan. Hij zou een deel van zijn spullen gaan halen, vertrekken en tijdelijk bij Céline verblijven. De praktische zaken en de grote spullen zouden ze later wel afhandelen, dat kon wachten, maar hij moest en zou vandaag vertrekken. # 8bis De deurbel had weerklonken. Hij had het altijd een stom deuntje gevonden, maar nu werd hij er om een of andere reden vrolijk van, fleurde hij er van op. Hij keek rond zich en zag een kleine deuk in de muur. Die was daar gekomen toen hij vol goede moed de nieuwe zetel naar boven had gesleurd. Bleek dat ze hem toch niet zo leuk vond. Hij meldde haar dat ze hem dan maar zelf naar onder mocht brengen. De deur ging open. # 8 De deurbel had weerklonken. Ze zat net met haar koffie in bed, verschoot en verslikte zich. Ze wist haar kop op het nachtkastje te zetten en zo te vermijden dat haar gebroken witte lakens zouden veranderen in vodden die bescheten leken. Ze stapte in haar pantoffels en slofte naar de deur. Zaterdagmorgen, om negen uur, welke nietsnut heeft er dan niets beter te doen? Zonder te kijken, opende ze de deur. # 9 “Goedemorgen.”   “Dag Leo, wat kom je doen?”“Wat spullen en kleren halen.”   “Ben je niet beschaamd over het uur?”“Je bent toch wakker. Wat maakt het uit?”   “Niets dan. Kom binnen.”“Ik kom later nog terug voor m’n computer en zo te halen.”   “Waarom blijf je niet gewoon?”“Waar valt ervoor te blijven?”   “Dit, ons, wij.”“Neen, voor jou was het altijd al ik en jij.”   “Wat bedoel je daar mee?”“Gewoon, het is over, gedaan tussen jou en mij.”   “Het kan niet dat er niets meer is.”“Zie je die twee bloemen daar. Dat zijn wij. Gereed voor de composthoop. Miserabel groenafval.” # 9bis Ze wist niet wat te zeggen. Ze wou fel en nietsontziend, furieus tekeergaan. Hem neer-branden tot tegen de grond zoals dat gebeurde met de olijfgaarden van de oude Grieken. Dan zou het nog jaren duren vooraleer er terug vruchten zouden verschijnen. Ze wou hem met de grond gelijk maken, geen enkele spaander heel laten, maar deed het niet. Ze kreeg haar mond niet open. Alsof er terpentijn tussen haar lippen zat. Hij hoopte dat ze zou ontploffen. Dat ze met een wolk napalm heel zijn regenwoud zou affikken. “I love the smell of napalm in the morning”. Een Apocalyps en nu, graag. Hoe minder hij moest opruimen, hoe makkelijker het zou zijn om iets op te bouwen. Op een afgebrande akker groeien de dingen nu eenmaal beter. Maar het bleef stil. Hij nam een rugzak, vulde die met kleren en zocht twee paar schoenen uit. Ze stond en staarde. “Dan ga ik er maar mee vandoor” # 10 -01 Ze keek hem aan, sprak hem aan. Zonder woorden. Begreep hij wat zij wou. Hij keerde zich om, zonder vaarwel, en vertrok. De deur leek voor hem een grens. Een grens die hij over moest om opnieuw te kunnen beginnen. Te verrijzen uit zijn as. Een grens waar de douane zijn koffer niet zou openbreken maar zijn verleden voorgoed in beslag zou nemen. Zijn handel in verdrongen herinneringen en verbroken beloftes voorgoed kwijt. Ergens veilig weggestopt in een kluisje aan de grens.  

Egbert Dasdonk-Mirador
144 1

Die eerste glimlach

We noemden jou ons geschenk uit de hemel. Het was een lange pijnlijke bevalling geweest waarbij je koppig naar de verkeerde kant bleef kijken - en de vroedvrouw zat te draaien en te wroeten in mijn lijf om je goed te draaien. Ook ik was koppig en duidelijk overmoedig om jou zonder epidurale uit mijn lijf te persen. En toen was je daar, het schoonste en meest kwetsbare wezen op deze planeet. De werkelijkheid verdween naar de achtergrond. De sneeuw en de koude buiten stonden in schril contrast met de gloed van warmte, licht en liefde waarin wij werden opgenomen toen jij ter wereld kwam. De gynaecoloog was nooit helemaal zeker van haar stuk geweest toen ze jouw geslacht bepaald had. Ook tijdens de echo's al had je een sterke wil getoond en was je niet van plan zomaar te tonen wat wij wilden zien. Dus toen de vroedvrouw jou in mijn armen legde, werd mijn blik automatisch naar de plaats tussen jouw benen getrokken en zag ik daar dat je zonder enige twijfel een jongen was. Mijn jongen, wat heb je ons vele slapeloze nachten bezorgd. Iedereen die op kraambezoek kwam in het ziekenhuis schrok van de felheid van jouw gekrijs. In de rest van de gang was het stil, op een kreetje van een enkeling na die honger had of een vuile luier. Jouw honger kon echter op geen enkele manier gestild worden en zelfs als je een verse luier droeg en dicht bij mij of jouw papa lag, bleef je vaak schreeuwen, uren aan een stuk. De meeste verpleegsters waren erg lief en behulpzaam, maar er was ook een harde tante bij die jouw papa en ik Cruella hadden gedoopt. Zij sprak ons vermanend aan alsof het onze schuld was dat je van geen ophouden wist. Eén keer wou ik jou een badje geven, maar dat was zonder Cruella gerekend. Zij trok jou uit mijn armen omdat zìj, degene met bakken ervaring, mij eens ging tonen hoe het moest. Wat was ik je toen dankbaar dat je het op een nog harder krijsen zette en je uiteindelijk toch een beetje kalmeerde toen ik je opnieuw in mijn armen hield. We deden er alles aan om je te troosten lieve jongen en eerlijk waar, op geen enkel moment verloren wij ons geduld. We werden het gewoon dat je het gros van de dag schreeuwend doorbracht, lieten je op onze buik slapen omdat dat de enige manier was om je even naar dromenland te laten vertrekken. We droegen je in een draagdoek omdat je rechtop zittend duidelijk minder last had van jouw maag en darmen - de oorzaak van jouw gehuil. We verloren ons geduld niet want jij was ons geschenk uit de hemel. Papa verloor wel heel wat van zijn haren en mijn rug werd steeds pijnlijker, maar we hadden het allemaal over voor jou, lieve schat. En op een keer, toen je me weer midden in de nacht gewekt had, ik de uitputting nabij was en op het punt stond om uiteindelijk toch mijn geduld te verliezen, toen krulden jouw twee mondhoeken zich naar boven en keek je me doordringend aan. Een warmte welde op in mijn hart en ik glimlachte terug naar jou, vol ontroering. Veel vroeger dan de gemiddelde baby maakte jij glimlachend contact met mij. Daarom dacht ik eerst dat het toeval was, maar toen je mijn glimlach beantwoordde met een mimiek die nog duidelijker was dan voordien wist ik dat jij niet alleen een geschenk maar ook een wonder was dat ik altijd zou blijven koesteren. 

Aline S
27 1