Zoeken

Het gesprek

De wind blies haar haar alle kanten op. Irritante wind! Stomme haren, storend in haar gezicht. Ze was zenuwachtig. Nog een uur en ze zou hem eindelijk terugzien. Eindelijk wilde hij weer praten, met haar en met niemand anders. Ze las om de tijd te doden. De woorden drongen niet meer echt tot haar door. Maar ze las toch verder. Het boek ging over ‘graag zien, hoe je uw relatie sterk houdt’. Misschien kon ze hier nog wat informatie uit opsteken die ze kon gebruiken straks bij het gesprek. Dus las ze verder.   Vijf voor. Snel nog even het wc passeren en naar de plaats van afspraak. Ze wilde zeker niet te laat zijn. Dat zou typisch zijn voor haar. Weeral te laat. Deze keer ging dat niet gebeuren. Stipt op tijd stond ze er. Ze was voorbereid. Haar gsm op vliegtuigstand, in de rugzak, rugzak in de fietszak. Ze was onbereikbaar vanaf nu. Anders dan normaal. Waar hij zich steeds aan stoorde, dat ze steeds bereikbaar was, voor iedereen. Nu dus niet. Nu even niet. Nu enkel hij en zij en niemand anders. Ohja, en de hond.   Hij was laat. Ze nam haar rugzak terug uit de fietszak, gsm uit de rugzak en zette haar gsm terug aan. Misschien had hij al gestuurd en had ze dat nu niet gekregen, misschien ging hij nog later zijn, misschien was er iets gebeurd, misschien had hij afgezegd, gevraagd om het te verplaatsen, misschien… Ah! Daar is hij! Ze moest lachen. Ze moest zich inhouden om niet te lachen. Een warm gevoel, ze ontdooide. Zo blij om hem te zien, zo vertrouwd hem te zien sukkelen met de fiets en de hondenbak erachteraan. “Mijn twee mannen”, dacht ze. Maar ze slikte haar tong in en haar lippen werden terug hard. Ze begroette de hond, uitvoerig. Lang geleden. Dan hem, ongemakkelijk. Gelukkig nam hij haar meteen in zijn armen. Hij wist wel wat te doen, of volgde zijn impulsen. De spanning steeg, in haar borst en haar schouders. Ze wilde zo graag ontspannen, ontdooien, plooien, helemaal terug knuffelen, maar ze hield zich stijf. Het was nog niet besproken, het kon nog niet. Nu nog even niet.   Of we nog ergens iets kunnen eten, vroeg hij. De spanning nam toe, ze voelde het in haar lijf. Zij had speciaal op voorhand gegeten. Ze had net gegeten. Ze had net gegeten, zodat ze meteen konden doorgaan naar de hondenwei, zodat ze niet eerst ongemakkelijk moesten neerzitten aan een tafeltje omringd door mensen en in elkaars ogen kijkend. Ongemakkelijk. “Oké” Honger is een akelig beestje, dus “oké, we zullen eerst nog even iets eten en drinken”. Ze gingen meteen zitten bij het eerste het beste dat ze zagen. Hij bestelde eten en drinken, zij enkel drinken. Ze wist niet goed wat te zeggen, maar ze haatte de stilte. Ze vroeg hoe zijn weekend was, hoe het met de hond was, hoe het eten was,… Ze vroeg dingen die niet relevant waren, aan de buitenkant speelde. Spanning liep op, weer voelde ze dit in haar lijf. De wc, de wc was haar uitweg. Altijd al geweest eigenlijk. Haar eigen plekje, waar niemand haar stoort. Hier kon ze even zijn. Ze liet de spanning los en de tranen volgden meteen. Zucht. Ogen afvegen en weer naar hem. De rest van zijn eten was om mee te nemen, ze konden vertrekken. De hond bood afleiding op de roltrappen. “Hoe voelt ge u?” Hij vertelde. Hij was boos geweest, had alles opgeschreven in een brief. Zeer ongewoon voor hem. Hij ging de brief niet afgeven, hij was gekalmeerd nu. Het was beter. Hij wilde haar verhaal horen. Zij vertelde. Ze moest wenen. Ze weende snel. Ze weende om de spanning te bevrijden, weg uit haar lichaam. Ze weende en vertelde en schaamde en voelde schuld. Ze deelde en hield zich dan weer in. Ze vond de woorden niet, aarzelde, probeerde te voelen. Hij begreep haar eerst niet. Dacht dat het enkel om de uitleg rond de zatte kus ging, niet over meer. Dacht dat alles anders was gelopen. En kon het abstracte niet volgen. Hij had nood aan concreetheid, aan 1 + 2 = 3. Zij kon hem dat niet bieden. Zij dacht veel en chaotisch en abstract. Dit viel niet te lijmen. Eerst leek het weer te blokkeren, te stagneren.   De hond in het water bracht ruimte en adem. Blote voeten want het gras was bezaaid met plassen regen. Elk liepen ze aan een kant van het water, het water dat tussen hen lag, de weg naar elkaar splitste. De hond liep ertussen heen en weer, door het water. Probeerde voor verbinding te zorgen. De verbinding die zij zochten, maar zo moeilijk konden vinden. Dat beeld hielp. Het werd concreter. Ze hield niet van die stiltes. Er waren dan te veel gedachten en na een tijdje kon ze die niet meer delen. Ze wist dan niet meer hoe. Ze wilde zijn hand vastnemen, hem licht aanraken met haar vingertoppen, de verbinding letterlijk voelen. Ze hield zich in. Misschien was dat niet zo’n goed idee om nu te doen. Hij deed het wel. Hij deed het in haar plaats. Hij trok haar tegen zich aan. “Meisje toch”. Heel even was het er weer. De verbinding, de connectie. Ze keken naar de hond die in het water plonsde en voor de allereerste keer zwom. Beiden met trots. Ze lachten. Het lachen bracht hen dichter bij elkaar. Samen. Het voelde alsof er niets aan de hand was, alsof alles nog was als daarvoor, alsof alles beter was dan ervoor, alsof alles was zoals het was ‘Oké’. Hij keek naar haar, ze durfde niet goed terug te kijken. Gelukkig was ze kleiner. Ze dook weg in zijn borstkas, begroef haar neus in zijn oksel. Hij tilde haar kin op. Nu moest ze wel kijken. Ze zag zijn gezicht, zo mooi en zacht. Hij kuste haar. Ze kusten. Zacht. Het was met een dubbel gevoel. Ze wist niet wat ze voelde. Ze dacht. “Denken is misschien geen goed teken”, dacht ze.   Zijn zus belde. Hij nam op. Haar gsm stond nog uit, zat in de rugzak, uit de fietszak op haar rug, zij was voorbereid. De spanning kwam terug. Ze voelde het in haar schouders. Ze kromp ineen. Hij was boos, lastig. Ze voelde zijn ambetant zijn in haar lichaam. Ze wilde zich onzichtbaar maken, zorgen dat hij niet nog meer zou ontploffen. Ze wist dat ze iets moest zeggen. Ze moest iets zeggen als ze het anders wou. Ze benoemde het. Die spanning, het ambetant worden van hem, de zwaarte. Hier ging het om, ze wisten het weer. Ze waren het alweer vergeten door de zachtheid, liefheid, humor en verbinding van de dag. Maar dit, deze spanning, die zwaarte, dat is wat hun relatie de laatste tijd was. Hier wilden ze allebei van weg. Hier liep het telkens mis. “Maken we elkaar wel echt gelukkig?” vroeg ze, maar beiden wisten ze het antwoord niet.   Ze willen ervoor gaan, maar hebben de energie niet meer om te vechten. Toch niet nu, niet nu onmiddellijk. Ze nemen terug afscheid. Weer ongemakkelijk. Het is beter nog wat te ademen, elk op zichzelf, even apart. Hij wilt haar meenemen, in hun bed leggen, naast elkaar leven. Zij wilt meegaan, de avond samen eindigen. Maar ze zijn nu slimmer dan alle keren hiervoor. Ze nemen afscheid. Elk hun eigen we. Ze zien het nog. Ze ademen nu eerst even. Dan zien ze nog. Ze zien het nog, we zien wel. Ze voelen het nog even na en gingen nu elk hun eigen weg.

Kristien
0 0

Ode aan mijn slaapzak.

Of hoe de koude ne mens kan doen hallucineren. Treinrit Servië - Bulgarije. 6 dagen lang heb ik je gedragen. 6 dagen lang heb ik je gehaat.   Wat zeg ik? Verafschuwd heb ik je. Walging, woede, degoût, you name it, álles heb ik voor je gevoeld. Lapje stof, hoopje vod, functieloos, onnuttig gezwel dat bleef groeien en nooit in z'n stulp bleef. Veel beloven, maar de daden bleven uit. Je sloeg m'n rug naar de kloten en was een blok aan m'n been. Wurgen wou ik je. Tevergeefs. Je wrong je tegen m'n wil m'n leven in en was er verdomme niet uit te krijgen.Je liet me anderen doen vallen en bande zowat al het noodzakelijke uit m'n leven énkel & alleen omdat jouw overheersende aanwezigheid zich moest en zou monopoliseren over mijn rugzak. Vuil stukske materie, KAPOT moest je, boeten, voor al wat je me had voorgelogen.Ingetogen, lag je daar, toen ik je vond, afgeleefd, onder het stof. Schreeuwend weergalmde jouw ter dood veroordeeld gefluister met afgeschilferde waarheden die steeds weer herleid kunnen worden tot grove leugens. Ik nam je mee. Alles heb ik geprobeerd. Verdrinkingsdood, verstikking, onderkoeling, vierendelen. Moest ik de kracht gehad hebben, ik zou je aan flarden gescheurd hebben, om je vervolgens traag maar gestaag in brand te steken. Reepje, per reepje. Niet omdat het praktischer zou zijn, God no! Omdat ik ervan zou genieten. Omdat sadisme heilig is en omdat het mijn lijden ietwat zou verlichten. Beograd-Sofia. De nacht dat alles anders was. De nacht die om 23 uur begon en om 8u eindigde. De nacht waar 5 paar sokken & 7 lagen truien niet meer voldoende was. De nacht waar de verwarming het besloot op te geven daar het niet opgewassen was tegen dergelijke temperaturen. De nacht dat de lichten op de trein uitmoesten om elektriciteit te sparen. De nacht dat het -26°C was en mogelijk nog kouder. De nacht waarop ik in de trein de eerste 'echte' (nuja; Montenegro) Serb ontmoette wiens VV (verdachte vriendelijkheid) me niet ontging. Och, call me a WP (wantrouwige pessimist) maar zijn overdadig ril & beefgedrag werkte aanstekelijk en hij was basically de reden waarom ik kou had. Vooral toen hij door de koude gebeten (see what I did there) rechtsprong, in een mum van tijd een muf deken fixte (hij 'kende' de conducteur), de zetels tot bedden omtoverde, - 18 uur op dergelijke treinen en dat nu pas ontdekken, way to go Alex- zich naast mij nestelde en mij begon in te stoppen.Nuja, instoppen. Een half uur heeft die man pogingen gedaan om mij in te stoppen/aan te raken. Toen hij éénmaal in slaap lag, had ik geen deken maar. Classic. Ieder voor zich, hebben we het ooit anders geweten? Ik was effectief op het randje van onderkoeling toen ik plots aan je dacht, jij. Een warm stukje hemel op de bodem van mijn trekzak, jij. Je hebt me gered. Mijn flesje water was een blok ijs geworden and so was I. Ik zal nooit vergeten hoe je rustig op me lag te wachten en de onbeschrijflijkheid van het gevoel dat een opgepropt stukje materie een mens kan geven. Met een sierlijke zwaai zal ik afscheid van je nemen & je zal wedereens in mijn gedachten zweven als de motten ten huize van Schoor zich tegoed doen aan jouw wezen. Want wraak is zoet en dat, mijn vriend, kan je me absoluut niet kwalijk nemen. Het ga je goed.

Pseudoniem
18 0

Witter kan

22 uur. Ze kwamen kijken of je er nog geen eind aan had gemaakt. Routine. Je zag het meisje met de lange haren naar je staren vanuit je ooghoeken, en als je niet oplette, kwam deze dichterbij, nam ze je over. Gelukkig had je jezelf getraind, opgeleid. Gelukkig had je jezelf aangeleerd dat wat je psyche zelf produceert, je eveneens zelf kan vernietigen. Je wist dat je manipulatieve geest even lachwekkend als het meisje in kwestie was, maar je mondhoeken gingen niet altijd mee. De angst voelde aan gelijk een spin die zich snel uit de voeten treedt, als het web wordt vernield. De wirwar aan uiteenvallende emotiedruppels, alsof je hart vloeibaar wordt, het uiteenspatten van gevoel, en je lichaam dat zodanig één wordt met de ruimte, is net wat je wilt mijden. Complotvorming over zij die je gevangenhouden is onvermijdelijk. Wanneer je je vuisten niet meer kunt ballen, en de kracht wegvloeit, blijft het sponzige over, de nutteloze materie. De essentie, de moedige wilskracht, het kernachtige vuur is dan dat wat je overeind dient te houden. Zolang de vlam brandt, kan het sudderen zijn gang gaan. Als het donker wordt, kan je wild naar adem happen, daar waar de lucht je ontnomen wordt, of je wentelen in haar assen, en leren zwemmen zonder vinnen, vliegen zonder vleugels en sterven zonder pijn. Als de brandstof op is, en de winkels der logica gesloten, volg dan het maanlicht. Zij zal je naar de zon leiden, op je lijdensweg der ziellozen, opdat het doelloze weer zin kan krijgen. Brand, mijn kind, het zal je goed doen.

Pseudoniem
0 0

Relaas over de superioriteit van het Westen. In de depressiviteit.

Het leven is anders hier. Meer verantwoordelijkheden. Op de lange termijn. Je hebt minder het gevoel van groot nut te zijn omdat je minder snel je problemen overwint. Je krijgt minder vaak resultaten geboekt en je krijgt al even minder schouderklopjes op de weg er naartoe. Je kijkt mensen minder in de ogen en er is zo’n afstand die zelfs op fysiek vlak is waar te nemen, die fameuze beschermende bubbel van privacy, om elke mens. De lach-en op mensen hun gezicht zijn niet echt hier, het is een kopie, van iets wat ze op de televisie geleerd hebben. Ik voel me dom, als ik met hen in conversatie treedt, die mensen. Ik voel me dom, omdat ik niet meer met ratio alleen redeneer. En zelfs die wetenschap die broedt op kennis, feiten en objectiviteitstheorieën in de hiërarchie der dwazen is niet het enige wat scheelt. Er scheelt veel hier, in deze maatschappij, in deze superieure, Westerse, domme, inherent zieke en veeleer arrogante maatschappij. Ik ben zo boos dat ik het niet eerder zag. Ik neem me dat kwalijk. Ik draag een deel van dat arrogante in me, en ik wil het uit mijn lichaam krijgen. Wat wij eten, wat wij inademen, wat wij van stress met ons meedragen, hoe wij elkaar aanspreken, hoe wij eigenlijk geen zak om elkaar geven of hoe we er althans weinig aan doen om dat te veranderen: hoe we weinig als collectief om elkaar kunnen geven. Het is zoveel en in zoveel kleins, het zit in onze gezichtsuitdrukkingen, waarom tonen wij niet? Er is geen licht. Donker is het hier. De straten zijn anders. Grauw, blauw is echt verleden, leven er hier gelukkigen? Ik zie ze nooit, zij, zij die stralen, zij lopen niet op straat. Ze zijn er niet, of ze stralen op een ander. De straatlampen zijn stuk, de universiteiten, zij blinken, maar zij hebben geen karakter, zij schijnen niet. De zwervers op straat spreken zelfs in de wartaal der verloren kuddedieren, maar zij denken, zij zien de wereld voor wat het is, niet ingepakt in die versierde kerktoren met zo’n zilveren schotel die je in slaap sust en valse dromen doet najagen. Ik klaag je aan, Westen. Je hebt het helemaal mis.

Pseudoniem
0 1

Gewoon....te.... Liefde

GEWOON………………………………TE………………………LIEFDE    ik zie je                                                                                    ik vertel het je  herkende je bijna niet                                                             die ontmoeting  jij ziet mij                                                                                die ongemakkelijk was  Ik zwaai, uit gewoonte, waarom?                                            ik moet het vertellen    Ik zwaai, uit gewoonte, waarom?                                            ik moet het vertellen  je komt naar me toe                                                                hopelijk doet het geen   niet doen                                                                                 pijn, mijn pijn te zien  ik kan niet glimlachen                                                            vanwege iemand anders    ik kan niet glimlachen                                                            vanwege iemand anders  het doet pijn                                                                           tranen in mijn ogen  om wat je deed                                                                       je ziet het, beetje kwaad  nog steeds                                                                              vanwege hem of mij    nog steeds                                                                              vanwege hem of mij  sta je daar                                                                              "Hij is niet over je"   paar beleefde zinnen                                                              ik wel over hem  meer lukt niet                                                                         en toch die pijn    meer lukt niet                                                                         en toch die pijn  ongemak, zo veel ongemak                                                    maar ook geluk  jij voelt het ook                                                                      geluk vanwege jou  je gaat weg                                                                            die me steunt    je gaat weg                                                                            die me steunt  met datzelfde ongemak                                                        die me liefheeft  ik zie het, ik voel het                                                             die ik liefheb  Toch zwaai ik, uit gewoonte, waarom?                                  samen gelukkig                                                                                                  samen gelukkig                                                                                                ondanks af en toe                                                                                                een beetje pijn                                                                                                vertel ik het je   

Dana's plakboek
0 1

Diesel-tempo

Nieuwe school, avontuur - Ge wet wel - grote mond. Rondhangen me de vrienden, smore van lampbestuurde grond. Ontgrond, waar ik stond, met tanden van mijn mond, niet gedacht dat het bestond, nog voor dat alles echt begon.    Ik moest er nog mee starten, mee aan de slag, “Hallo - ik ben nieuw hier - ja - eerste dag”. Denkte echt dat da mijn woorden werden? Niks wereld-derde, elke dag die fucking Merde, Sorry dak ff hardop lach.   Vergelijk me met een beest als een tijger, een vechter, een krijger,  altijd eerst op startblokken, de steun van de steiger, Mensen vragen mijn mening, shit - really - ge moogt is raden waarom ik weiger.    “Hallo Mevrouw, goeiemorgen, ik zoek het toilet”, Ook zij had mij weer snel met de mond vol tanden gezet,  ik zeg ‘halloww.. da’s toch ni zo moeilijk he, zeg me gewoon de weg" Die vrouw bleek dus doof te zijn, en niemand da't da efkes zegt?!   Stunt nummer 1, en ik ben een man van vele, zou men stommiteit af en toe moeten kunnen verdelen, lokaal lokaliseren door te transporteren en te transformeren, zodat ik ’t me enkel moet verbeelden.    Dromen is erg maar vaak snel over, een soort manier waardoor ik mij naar een universe tover. Daar is het proper, rein en ongelogen, zonder te betogen, zonder ne moskee of synagoge.   Helemaal niet, waarom voelt gij u nu aangesproken? Ineens - ver uit het niks - komde gij hier aangekropen, ff kloppe, telefonneke, nee niks late wete, en dan nog verwachte da ge hier ’s avonds me ons mee kunt eten?!   Shit weg - die fucking vanzelfsprekendheid, Respect voor mekaar -neje- het volk van vandaag krijgt het schijt, in alle tegenstrijd, niemand is nog toegewijd, ge weet da gij de toekomst zijt, ge hebt zelfs nog geen beetje spijt.    Uw ouders - zo hard gewerkt om er voor u te zijn, centjes op de bank gezet voor uw succesje, groot of klein, Gij moet het wete, gij liever dan de mijn want - de mijn doe ik geen pijn, Gij zult het kruisje van het huisje zijn.   Sorry mama - ik lust da ni - ik wil alleen echte cola, meende gij da nu - men kind - shit verwende Lola. En Lola krijgt alweer haar zin,  dus tegen beter weten in,  klop ik vandaag weer op m’n kin omdat’k niet graag van m’n zusje win.   Ooit moeten we leren, doen we allemaal, en ’t is gewoon een feit, vandaag elk in ons eigen taal.  Fysiek of mentaal, introvert of asociaal. we moeten best massaal, organiseer nogmaals het laatste avondmaal.   Ma da's moeilijk want de tafel is te klein, of misschien hebbe we gewoon te weinig plek. Zijn weer maar eens verhuist, alles behalve fijn, weinig ander keus want den Immo ging op z'n bek.    Neenee, da's ni wa da'k zeg,  hoe wilde da'k het uitleg? Zo da gij mij verstaat, Immo en ik waren beginnen vechten op de straat.   

Flashlab
1 0

Hoe moeder stierf en dat dat eigenlijk mijn schuld was

  ‘Moeder, je zou me toch komen ophalen aan het station? Ik had gezegd om kwart voor twee. Half drie is het nu.’   ‘Moeder, het is drie uur. Waar blijf je? Bel je me?’   Maar moeder belde niet. En ook op de boerderij nam niemand op.     Om half vier kreeg ik de jongste broer aan de lijn. Ik zat op de rand van één van de grote bloembakken voor de stationsingang en keek verveeld rond. Na een weekend in Gent het dorp troostelozer dan ooit. Ik keek naar de bussen die af en aan kwam rijden. Naar de mensen die op en af stapten. De meesten beladen met zakken van de Aldi, er is een filiaal in de naburige gemeente. De Aldi is voor arme mensen, zei moeder altijd toen ik als kind vroeg waarom wij er nooit heen gingen. Arme mensen zonder auto.   De jongste broer ademde onregelmatig en probeerde zich goed te houden. ‘Ons moeder. Louiza, toch.’   Ik zocht tevergeefs houvast op de rand van de betonnen bloembak die, toen de jongste broer verderging, stroperig werd, als drijfzand. Ik dreigde weg te zinken. ‘Maarten. Met zijn tractor. En moeder, met de auto. Verblind door de zon, zeggen ze.’                                                                      *   In de keuken zaten de vier broers samen met vader aan tafel. Ze keken naar het tafelblad. Ze keken niet op toen ik ook ging zitten, maar bogen hun hoofd nog dieper. Hun neuzen raakten het tafelblad net niet. Wie niet beter wist, zou de aanblik komisch gevonden hebben.   De jongste broer richtte zich op. Hij keek me aan en ik dacht een veeg bloed op zijn T-shirt te zien. Dat hij er als eerste bij geweest was. Dat hij net het erf afgereden was, hij was de maaier komen halen, het gras op het stuk land aan de Wissel stond zo hoog. Daar, aan de Wissel, in de bocht… Moeders auto stak half in de gracht. De tractor van Maarten was er half over gegaan. Dat hij erbij was toen ze… Dat hij de deur eerst niet open kreeg. Hij had haar gordel losgemaakt, haar uit de auto gehaald. Ze had iets gezegd, maar hij begreep niet wat. Dat alles zo snel ging. Dat Maarten haar niet gezien had. Dat Maarten daar stond. Gewoon stond. Godverdomme, de klootzak.   Ik haastte me naar mijn kamer.                                                                   *   ‘Zusje, het is net zo druk nu. Kun je niet pas tegen de avond terugkeren? Ze komen materiaal leveren voor de nieuwe stal en vader is niet thuis. Ik ga me te erg moeten haasten. Kun je echt geen trein later nemen?’   ‘Nee, ma, dat kan ik niet. Ik vertrek nu naar het station. Ok?’                                                                        *     Maarten vraagt om langs te komen op de boerderij. Maar men wil Maarten niet zien. Men wijst hem met de vinger. Het is zijn schuld. De politie komt enkele keren langs en er passeert ook een verslaggever van de krant, maar niemand wil met hem praten behalve een loslippige buurvrouw.   In de krant heeft men het over een tragisch ongeval en over Maarten D. (39), een bekende van de familie, goed bevriend met de vier zonen van het slachtoffer. Dat hij mij om de twee weken de hersenen uit mijn kop neukt, heeft de verslaggever er niet bij vermeld.   Dat het niet de eerste keer is dat de jonge boer een ongeval veroorzaakt. Alleen niet eerder met zo’n tragische afloop. Het slachtoffer was een liefhebbende echtgenote en moeder van vier zonen en een dochter. Lid van de KVLV. Een hardwerkende boerin, die haar boerderij met trots bestierde.   Maar ik moet Maarten wel zien.   Ik klop op de achterdeur en vind zijn ouders in de keuken. Ze zitten aan tafel en veren op wanneer ik binnenkom. Een klamme hand, enkele woorden van medeleven en verder niets. Boeren zijn harde werkers, geen praatjesmakers. ‘Hij is bij de kalveren,’ zegt zijn vader ten slotte. Toonloos. Mijn tong plakt tegen mijn verhemelte. Ik trek de achterdeur geruisloos achter me dicht.   Hij staat werkloos naar de eerste kalverhut te staren, een emmer met melk in zijn rechterhand. Ik schuifel met mijn voeten in het stro, zodat hij wel moet omkijken. Hij ziet me, maar hij mijdt mijn blik. Hij zet de emmer neer en veegt zijn handen af aan zijn overall. ‘Louiza.’ Dan pakt hij de emmer weer op, gaat voor de tweede kalverhut staan en giet wat melk in het drinkbakje. Het kalfje begint meteen gulzig te drinken. ‘Ik heb haar niet zien komen,’ zegt hij. Hij gaat in de richting van de derde kalverhut. Het kalfje komt nieuwsgierig dichterbij, likt in afwachting aan de tralies. Ik sla mijn armen om zijn grote, logge bovenlijf. Hij houdt de emmer nog steeds in zijn hand. Zelfs wanneer zijn tranen in mijn hals beginnen te druppen.   Mannen huilen niet, wil ik zeggen.   De broers huilen niet. Vader ook niet.   Dus waar haal jij het recht?  

Valerie Tack
78 2

Appelflap

  Zo van die dagen. Druilerige regen. Stil verdriet in mijn hart. Mijn hoofd fluistert mijn hart bemoedigend toe: “Het is oké hoor, Hart van me. Natuurlijk doet dit pijn. Laat het maar pijn doen. Laat het me maar weten als je klaar bent om verder te gaan, dan neem ik je hand vast en wandelen we samen verder. Zal ik je helpen te schrijven? Te wenen op papier? Zal ik je een kopje thee zetten?”   Ik wil gewoon een beetje zijn. We gaan een eindje fietsen. Ondanks de regen. Om de regen. Ik wil voelen. Het verdriet als steken in mijn hart. Tranen branden in mijn zielenvijvers. Voélen. Voel ik echt pijn? Voel ik echt verdriet? Voel ik niet ook dankbaarheid? Dankbaarheid voor het moois dat ik heb mogen beleven, mogen voelen in elke vezel van mijn lijf? Geluk, zo intens dat het pijn doet? Liefde voor een man die nooit de mijne zal zijn en dat ook niet hoeft te zijn? Zo lang hij is, ben ik blij. Hij is te realistisch om zich te binden. Te wijs voor beloftes. Te nuchter voor Liefde. Te complex om met woorden of verstand te kunnen vatten. En hou ik echt zoveel van hem of ben ik gewoon verknocht aan het gevoel dat hij me geeft? Het gevoel dat ik lééf. Ik voel inspiratie borrelen in het diepste van mijn buik, in het diepste van mijn zijn.   We gaan een eindje fietsen. Ondanks de regen. Om de regen. En als beloning, een stop bij de bib voor nog wat inspirerende boeken. Over schrijven, over leven, over gebroken harten. En een stop bij de Panos voor een appelflap. Thuis een troostende kop thee met de zalig zoete appelflap en de zalvende muziek van Yndi Halda. De appelflap is veel te zoet. Héérlijk. Plakkerig. Vettig. Mijn tong maakt een sprongetje bij het gevoel van de dikke korrels suiker. De appeltjes maken hem net niet té zoet. Lekker. De smaak van troost. ’t Is allemaal zo erg nog niet.

Mandy
0 0

Wie zegt dat het voorbij is?

  'Ik hoorde onlangs iets treffends op de radio, over kinderen hebben.’ zegt mijn vader. Hij trekt zijn jas uit en hangt die over de rug van de keukenstoel. Mijn jongste kruipt de keuken in en trekt als vanouds de besteklade open.  ‘Vertel eens’, mompel ik en pluk mijn peuter weg van de keukenkastjes. ‘Koffie?’ ‘Ja graag. Ze hadden het over hoe je je kinderen doodgraag ziet. Je kan ze niet missen. Ze zijn zo'n wezenlijk deel van je leven, dat ze bijna een deel van jezelf zijn.' 'Mmmm',  ik hijs mijn jongste met één arm op mijn heup en probeer met de andere hand koffie te zetten. ‘En?’ 'Maar minstens éénmaal per dag',  gaat mijn vader verder met opgeheven wijsvinger. 'Minstens éénmaal per dag wil je ze in de hoogste boom zetten die je kan vinden. Al is het maar voor even.' Vanaf mijn heup graait de jongste naar de koffiekopjes. Voorzichtig laat ik haar op de grond zakken en lach door het protest heen. 'Of achter het behang.' ‘Eigenlijk zouden kinderen geleverd moeten worden met een uit-knopje. Om ze midden in een brulconcert gewoon even uit te schakelen.’ Met onfeilbare timing start mijn eigen exemplaar het schoolvoorbeeld van een driftbui.  ‘Een mute-knop is ook goed.’ Mijn ogen dwalen over het aanrecht op zoek naar een fopspeen.  ‘Neen, echt gewoon uit. Of een fastforward-knop om de driftbui door te spoelen. Ik heb er meer dan genoeg uitgezeten.’   Hij kijkt naar zijn jengelende kleinkind aan mijn been.  ‘Was ik dan zo erg?’ Ik zie een bestofte fopspeen liggen achter het kruidenrekje.  ‘Och zwijg.  Jij kon echt het bloed vanonder mijn nagels halen. Zeuren om dit of dat. Koppig je eigen ding doen. Selectief doof zijn als het je goed uitkwam.’  'Blij dat dat voorbij is?' Ik prop het tutje in de brullende mond ter hoogte van mijn kuiten.  ‘Maar lieve schat, wie zegt dat die tijd voorbij is?'

KiM
17 1

Eerlijk

En dan wordt alles zwart.En nat.Mijn ogenmijn schootmijn mouwende tafelde trui van mijn warme troosterde zakdoekjes bij de hoofdverpleegkundigede tafel.Waar collega’s en familieleden starenEr hangt nog een onwennige gloed van de eerlijke uitbarsting met vuile woordenWant niemand herkent me nuDe meegaande, plooibare identiteit met engelengeduldVandaag toon ik mezelf ruw en prikkelbaarEindelijk Na driehonderdvijfenzestig dagen rode huid, rusteloos lichaam en geprikkelde zenuwen te verbergenachter de lieve glimlach op het knikkende hoofdje.Langzaam heeft het ontembare mij overgenomenHeerst er machtsmisbruikwant moest ik ooit vergeten en een dag me zorgeloos of zelfs gelukkig wanen,maakt het mij wakker, om mijn voorzichtig herstellende huid opnieuw aan flarden te krassen.Met de zorgen hoe ik morgen zonder rode huid de dag doorsputterOf iemand mij gaat bekijken, lelijk vindenmisschien zelfs onuitstaanbaarNEE ik ga de dag vroeger trotseren en mijn huid met een extra laag zalf en make up behandelenDe jeuk krijg ik er gratis erbij, maar kan ik negerenzolang niemand mij met ogen kan beoordelen en neerhalen Dan plots knappen die verduurde zenuwdraden Na dat ik de zoveelste keer mijn energie, mijn ziel overdraag aan de pathetische psychiatrische patiënte die ík net overdroeg van toiletstoel tot bed Nadat ze uitdrukkelijk vraagt wanneer mijn shift eindigt en ik uit haar dag verdwijn, om nadien zelf haar ziel over te dragen en uit mijn dag te verdwijnen Zeven dagen kan je doorwaden, sociale opdrachten overleven, uren aftellenalsof je niet bestaatMaar dan wordt het zwart.En nat.

meneernilsson
0 0