Zoeken

Tip

Laten we het maar liefde noemen

“Het was niet echt een knappe man, maar hij had wel iets. Zoals Freddie Mercury, dat was ook geen knappe man, maar hij had ook wel iets. Ik wil trouwens niet verliefd worden… Ik ben al verliefd! Maar goed... Het eten was eigenlijk wel gezellig, niet dat het chique was of zo, maar het was in ieder geval geen Mc Donalds… Ik heb hem laten betalen. Hij stond erop. Dat vond hij normaal vond hij, dat een man betaalde, net zoals de deur opendoen of de stoel achterover schuiven. Echt een gentleman. Het was de eerste keer dat hij een date had sinds zijn echtscheiding, zei hij, maar ik weet niet zeker of ik hem geloofde. Hij had een pak aan, kun je dat nu geloven? Een grijze. Welke man draagt nu een pak op date? Hij praatte nogal veel over zijn ex vond ik. Ik liet hem maar. Je weet dat ik een goede luisteraar ben. Beter luisteren dan praten. Flirten deed hij eigenlijk niet. Ik denk dat hij daarvoor het zelfvertrouwen miste. Van mij had het wel gemogen. Toen we naar buiten liepen, het was bij negenen, pakte ik zijn arm beet. Een beetje menselijk contact kan geen kwaad, dacht ik. Ik merkte dat hij zich er wat ongemakkelijk bij voelde, maar ik zette dapper door. Geen haar op mijn hoofd die eraan dacht zijn arm los te laten. Tot dat moment wist ik eigenlijk niet of ik wilde. ‘Nog een slaapmutsje bij jou?’ hakte ik meer de knoop door voor mezelf dan voor hem. Hij schrok er een beetje van, de arme kerel. Hij had waarschijnlijk niet gedacht dat ik zo gemakkelijk zou zijn. Maar ja, het is alweer enkele weken geleden, en ik wilde je niet teleurstellen… God wat was hij onhandig. Hij gaf me wel een amarettootje, maar daar bleef het dan ook bij. Geen muziekje, geen dimmen van de lichten, en nog altijd geen geflirt. Niets. Het leek wel alsof hij nog nooit met een vrouw had gedate. Bijna had ik gewoon mijn amarettootje uitgedronken en hem goede nacht gewenst. Maar toen dacht ik dat het misschien wel leuk was zelf de jacht te openen. Ik ben altijd veel te passief geweest, denk ik, niet als minnaar dan, maar wel bij het versieren. Ik liet het altijd over me heen komen. Dat is misschien het voordeel van niet lelijk te zijn, of van vrouw te zijn, je hoeft er eigenlijk nooit veel voor te doen. Ik schopte mijn naaldhakken uit en kroop wat dichter naar hem toe. Ik probeerde echt te doen als een verleidelijke deerne, dat is toch wat mannen aantrekkelijk vinden, of niet?” James luisterde ijverig, of dat hoopte ze toch. Het was inmiddels twee weken dat hij niet meer kon spreken. “Ik vond het echt zo belachelijk… Onschuldig en sletterig doen tezelfdertijd. Wat is dat moeilijk, weet je! Daarin hebben mannen het wel gemakkelijk, ze moeten gewoon wat stoer doen, wij moeten altijd van alles zijn! Hij bleef maar naar zijn handen staren waar hij precies geen weet mee wist. Ik begon me zelfs een beetje te ergeren, hoe ik ook probeerde positief te denken. Een vrouw is niet gewend om zo hard te werken om iemand in bed te krijgen, weet je! Was het niet voor jou, had ik die man zeker laten vallen. Voor zoveel moeite was hij lang niet knap genoeg! Dan zit hij daar met een knappe vrouw in zijn zetel en weet hij niet wat hij ermee moet aanvangen. Snel dronk ik mijn amaretto leeg. Niet omdat ik er een einde aan ging maken, maar omdat ik een beetje dronken wilde worden. Dan ben je moediger, toch? Moest je denken dat hij me er nog eentje aanbood, dan ben je eraan voor de moeite. Het leek wel alsof hij van me af wilde. ‘Vind je vrouwen die seks hebben op een eerste date te gemakkelijk?’, vroeg ik hem liefjes. Ik legde één van mijn handen op zijn dij en streelde hem zacht. Eindelijk keek hij me aan. ‘God, daar heb ik eigenlijk nog nooit bij stilgestaan.’ Hij staarde naar zijn glas en sprong nerveus recht, maar zijn halve erectie in zijn broek was mij niet ontgaan. ‘Nog eentje?’ ‘Graag!’ Eindelijk, dacht ik. Ik merkte dat hij lichtjes beefde toen hij mijn glas volgoot. ‘Wil je me dronken voeren’, vroeg ik sarcastisch toen hij het glas bijna tot de rand had vol gedaan. Hij grijnsde ongemakkelijk. ‘Sorry.’ ‘Kom hier terug bij me zitten’, zei ik, en klopte verleidelijk dicht naast me op de zetel. Een beetje aarzelend kwam hij terug naast me zitten, alsof hij een jongen was die een kwajongensstreek had uitgehaald en nu op het matje geroepen werd. Op een vreemde manier deed hij me aan onze kat van vroeger denken. Weet je nog hoe die altijd zijn hoofd schuin hield als hij iets had uitgestoken en we hem riepen en hij maar probeerde om niet op het bevel in te gaan? Zijn glas whisky hield hij strategisch voor zijn kruis. Ik nam het glas amaretto op en dronk er een grote teug van, alsof het limonade was. Ik voelde me aangenaam bedwelmd en werd steeds stoutmoediger. Langzaam liet ik mijn hand van zijn dij naar zijn kruis glijden. Hij zuchtte. Zacht, heel zacht, maar het ontging me niet. Ik werd zelf ook een beetje nat. Vooral van het vooruitzicht. Ik probeerde zijn broek open te maken wat geen sinecure was met zijn handen ervoor. Ik haatte het, maar leek wel net een bakvisje die voor het eerst in haar leven de broek van haar vriendje openmaakte. Al die tijd keek hij me niet aan. Bewegingloos bleef hij zitten. Bijna als een standbeeld.” Ze hoorde hoe James adem verzwaarde. Het was de enige reactie die hij haar gunde. Verder bleef hij haar met die lege bruine ogen van hem maar aanstaren alsof dit de eerste keer was dat hij haar zag. Het heeft lang geduurd voordat ze daar aan gewend raakte, maar uiteindelijk had ze geen andere keuze. Ze werd weer een beetje nat bij het denken en herbeleven van haar verleidingsspel. In het begin had ze het ronduit beschamend gevonden om hem over haar seksuele escapades te vertellen. Toen had hij nog kunnen spreken en had hij haar steeds aangemoedigd om verder te gaan, als één of andere perverseling die anoniem van achter zijn computer de pornoverhalen van anderen doorstruinde. Maar zelfs de computer had hij toen al niet meer kunnen gebruiken, daarvoor hadden zijn handen teveel getrild. “Hij deed zijn handen eindelijk uit de weg zodat ik er beter aan kon. Elke man wil het wel als je zover was. En zo lelijk dat ze me liever kwijt waren dan rijk, ben ik ook niet. Ik haalde zijn pik uit zijn broek en begon hem langzaam te masturberen. Er droop al voorvocht uit dat mijn hand zo glibberig maakte als een aal. Het was duidelijk dat het al een hele tijd geleden was van hem. En nog steeds keek hij me niet aan. Hij bleef daar maar zitten. Zijn halfgesloten ogen op zijn penis gericht, alsof hij hem voor de eerste maal stijf zag. Daarna begon ik hem te pijpen. Heel langzaam en grondig. Ik deed alsof het jouw pik was die ik in mijn mond nam. Je weet wel dat sommige meisjes haarfijn het verschil kunnen zien tussen de pik van hun vriendje en de pik van iemand anders, maar voor mij zien de meeste piemels er toch eender uit, hoor. Ik deed mijn ogen halfdicht en deed alsof ik met jou de liefde bedreef. Net zoals vroeger. Wat maakte me dat geil! Hij was zo passief weet je. Pas naar het einde toe legde hij eindelijk zijn hand op mijn hoofd. Aan het versnellen van zijn ademhaling kon ik horen dat hij op het punt stond om klaar te komen. Ik liet zijn pik los, wat niet gemakkelijk was, want hij hield mijn hoofd tegen. Ik liet me op mijn rug vallen zodat ik mijn slipje uit kon doen. Ik was echt nat geworden door over jou te fantaseren. Achteloos smeet ik mijn slipje tussen de zetel en de salontafel. Ik wachtte even. Ik wilde dat hij terug op adem kon komen zodat hij niet meteen zou klaarkomen als ik hem in me bracht.” Onderzoekend keek ze naar het aangezicht van James. Ze vond het vreselijk dat hij geen enkel teken meer kon geven. Ben ik nu zijn hoer, moest ze onwillekeurig denken. En aan hoe gemakkelijk ze dat was geworden. Twee jaar inmiddels ging ze op afspraakjes. Toen had hij zowat heel zijn lichaam nog kunnen bewegen. Ze herinnerde zich hoe ze de eerste keren na haar verhaal, zijn broek probeerde uit te doen. Hij had namelijk altijd een stijve gehad. Ze had hem altijd oraal willen bevredigen, maar steeds had hij haar tegen gehouden. Wat had ze zich vernederd gevoeld. Van de enige pik die ze eigenlijk in haar mond wilde nemen, kreeg ze geen toestemming. Ze had zich dan altijd uit de voeten weten maken, want ze wilde hem absoluut niet haar tranen laten zien. Inmiddels werkte ook dat stukje van zijn lichaam niet meer. “Ik wilde hem eigenlijk niet zoenen, weet je… Dan werd het terug hem waar ik mee vrijde, en ik wilde dat het jou bleef.” Ze grinnikte. “Ik wou mijn lippen op de zijne drukken. Hard en nat. Vol lust, maar zonder liefde. Meer uit verplichting. Maar hij wendde zijn hoofd af, kun je dat nu geloven? ‘Nee’, zei hij schor, en deed zijn ogen dicht. Het moet wel heel vreemd klinken, maar voor mij was dat echt een afknapper. Ik ging op hem zitten, liet hem naar binnen glijden, en terwijl ik zelf mijn ogen dichtkneep en aan jou dacht, maakte ik de klus af. Geen vijf minuten later kwam hij klaar. Ik was inmiddels alweer droog aan het worden. ‘Waar is het wc?’ vroeg ik, na een minuut stilte, wat me wel aanvaardbaar leek. ‘De hal in… de eerste deur rechts.’ Snel stond ik op, nam mijn slipje van de grond en waggelde met open benen naar het toilet. Ik voelde zijn sperma langs mijn dijen glijden. Wat vond ik het vies. Ik wou daar eigenlijk zo snel mogelijk weg. Nog nabevend van het orgasme was hij zelf ook weer zijn broek aan het dichtknopen toen ik terugkwam van het toilet.” Haar seksuele verhalen waren voorspelbaar; ze eindigden altijd op dezelfde manier: het waardeloze gevoel en het weg willen. Zo moest een hoer zich ook voelen, dacht ze. En meteen dacht ze aan hoeveel ze van deze man hield, maar hoe blij ze zou zijn dat hij eindelijk dood zou zijn. Hoe lang kon ze dit nog aan? Ze zuchtte even, hief dan haar achterste uit de eenzit en deed voor de tweede maal die avond haar slipje uit. Het was plakkerig en ze was opgelucht het uit te kunnen doen. “Zo, ik ga douchen”, zei ze, opgewekter dan ze zich voelde, terwijl ze recht stond. Zachtjes legde ze haar slipje op zijn schoot. Nog net voor ze hem voorbij liep, zag ze tranen blinken in zijn ogen.

Malakh Ahavah
69 1

Het vertrek

Vijf minuten over tijd. Te vroeg om zich ongerust te maken.   Voetstappen van de pendelaars echoën door de stationshal. Er wordt amper gesproken op dit vroege uur. Ieder loopt in gedachten verzonken of met slaapogen langs hem heen. Enkel de stem van de omroeper galmt van tijd tot tijd luid door het gebouw. Het gieren van de remmen dringt vanuit de lager gelegen sporen tot in de hal door. Kort nadien verschijnt de stroom reizigers boven aan de trappen. Zodra ze de open ruimte bereiken, lost de kudde op in kleinere groepjes. Nadien worden het stuk voor stuk individuen die de kortste weg naar hun werk inslaan.    Tien minuten. Het ongeduld begint de kop op te steken. Nog te vroeg om die gevoelens toe te laten. Er kan van alles zijn waardoor ze iets vertraagd is. Hij heeft zich altijd al geërgerd aan haar nonchalance bij afspraken. Zelf houdt hij eraan om altijd stipt op tijd te zijn. Niet te vroeg maar zeker ook niet te laat.   Een lichtstraal valt door de grote ramen de stationshal binnen. Terwijl de wolken verder wegtrekken, verheldert de zon het hele gebouw. Alsof dit zonlicht een glimlach op de gezichten van de pendelaars tovert. Ineens is de vermoeide blik uit vele ogen verdwenen en lijkt levenslust op te borrelen. Met een vrolijke noot blaast de muzikant de ochtend op gang. De melodie weerklinkt door het hele gebouw. Een deftig geklede dame huppelt even op de muziek en denkt dat niemand haar gezien heeft.   Een kwartier. ‘De Thalys met bestemming Parijs komt over enkele ogenblikken aan op spoor 12’, schalt door de hal. ‘Voor deze Thalys is een reservering verplicht.’ Hij kijkt naar de twee tickets in zijn hand. Zijn maag krimpt samen in een pijnlijke prop: het besef dat ze niet meer zal komen.  

Marieke Genard
0 0
Tip

Horzel

Zandkorrels doorzeefden de zonneharpen die rood en moe door het gebladerte braken. Met elke beweging van Roels schepje tolde het zand omhoog om daarna weer de zandbak in te zinken. Al een half uur was hij zandkastelen aan het bouwen. Een rijk voor koning Roel. Daarvoor had hij alle spades, harkjes en emmers uit de speeltuin verzameld. De meeste andere kinderen waren toch al weg. De schommel werd nog slechts bewogen door wind en de glijbaan schoof uitgeput de laatste zandkorrels van zich af. Op het terras zaten nog een paar ouders met lome, uitgespeelde kinderen. Hoewel de geur van wafels en pannenkoeken nog in de lucht hing, waren de meeste tafels al afgeruimd en herinnerde alleen een leeg flesje aan vroegere aanwezigheid.  Roel had enkel oog voor zijn zandkastelen. Tien omgekiepte emmers stonden er als torens te pronken. Nu lag hij op zijn buik en kerfde hij met een scherp takje in de muren, die door grillige verticale lijnen op pilaren leken te steunen. Het kasteel werd een tempel. Koning Roel werd keizer Roel. Een mier liep vanuit het zand kietelend op Roels hand. Roel drukte haar plat met zijn duim. Hij voelde het kleine lijfje kraken tegen zijn huid en veegde de bruine vlek weg met een glimlach. Een gelig insect scheerde plots brommend voorbij. Roel ging rechtop zitten en kliefde met zijn hand door de lucht. ‘Weg, wesp!’  Het diertje vloog opnieuw vervelend brommend rond zijn hoofd en dook toen de bomen onder.  ‘Dat is geen wesp, maar een horzel’, klonk een hoog stemmetje. Vlakbij Roel stond een kereltje met blonde krullen. Roel had hem nog niet eerder gezien. Zat hij daarnet op het terras? ‘Scheer je weg, dikzak’, zei Roel op een toon die hij van zijn moeder gewoonlijk niet mocht aanslaan. Het jongetje bleef echter staan en staarde naar zijn voeten. Zijn blote tenen wriemelden als wormpjes in het zand. ‘Vind je me dik?’ vroeg hij toen. ‘Wat is dat eigenlijk, dik?’ Roel lachte. Wat een onnozel ventje. Begreep niet eens dat Roel hem uitlachte. Was misschien ook de eerste keer. Nou, het zou niet de laatste zijn. ‘Jij bent dik. Dat zeg ik toch net? Zie je daar staan, met je dikke armen en benen.’ Roel plakte er een voldaan lachje achter.  Het jongetje hield zijn hoofd schuin en haalde zijn schouders op. ‘Dus ik ben dik, omdat je mijn armen en benen dik vindt?’ vroeg hij. 'Misschien zijn mijn kleren wel te klein.’ Roel schudde verbluft zijn hoofd. Wat een vervelend ventje!  ‘Nee, jij bent dik’, herhaalde Roel en hij beklemtoonde de ‘jij’. ‘Waarschijnlijk geeft je moeder je alleen hamburgers te eten?’ Die toevoeging beschouwde hij als het einde van het gesprek. Tevreden draaide hij zich om en richtte hij zich weer op zijn bouwwerk. ‘Eigenlijk lust ik geen hamburgers.’  Het schrille jongensstemmetje echoode tegen Roels muren van zand. Met een ruk draaide Roel zich om. Daar stond de krullenbol nog steeds.  ‘Lust jij ze wel? Hamburgers, bedoel ik. Ben jij dan ook dik?’ ‘Ik ben helemaal niet dik, joch!’ riep Roel. Dat laatste woord surfte op een klodder spuug uit zijn mond. ‘Ik ben zo sterk als een beer! Zo dapper als een koning! Zo machtig als een keizer! Hier is mijn rijk en dikkerds zoals jij, die amper een emmertje kunnen opheffen, zijn NIET welkom!' Nauwelijks onder de indruk kwam het jongetje dichterbij en hij raapte een plastic emmertje op.  ‘Kijk, ik kan dit emmertje zonder moeite opheffen. Jij zegt dat dikkerds dat niet kunnen. Dus ben ik niet dik, toch?’ Elk woord van het jongetje leek door de lucht te gieren en met een smak tegen Roels wangen te beuken. Hij voelde hoe die roder en roder werden. ‘Dat is MIJN emmertje’, snauwde hij. Hij stond op en graaide het plastic speelgoed uit de hand van het jongetje. Die wankelde even en stootte zijn voet tegen een zandkasteel. De bovenkant stortte in elkaar.  ‘Als je niet dik bent, dan ben je wel dom! Dom om mijn tempel kapot te maken!’ riep Roel en hij ging dreigend voor het jongetje staan. Hij spreidde zijn benen en zette zijn handen op zijn heupen. Het jongetje hield zijn hoofd weer schuin en fronste zijn wenkbrauwen. ‘Je noemt me dom. Maar jij zei daarnet wesp tegen een horzel. Was dat dan slim?’ vroeg hij. Roel balde zijn handen. De trilling in zijn vuisten verried hoe zeer hij zich moest bedwingen om niet toe te geven aan het verleidelijke vooruitzicht van een mep. Over het hoofd van het jongetje zag Roel de mensen op het terras. Zijn moeder, die onafgebroken tuurde naar het scherm van haar smartphone. Hopend op een sms van zijn vader. Wat als ze plots naar Roel zou kijken? Ze zou boos worden. Ze zou zeggen dat hij geen ruzie moest maken. Zeker niet mocht vechten. Roel zette een stap naar achteren. ‘Ik kan niet alles weten, druiloor’, fluisterde hij met nauwelijks ingehouden woede. ‘En scheer je nu weg.' ‘Dus af en toe iets fouts zeggen, betekent niet dat je dom bent? Wat is dan dom zijn?’ vroeg het jongetje.  Het zweet brak Roel uit. Alsof de laatste zonnestralen van de avond allemaal tegelijk op zijn rug vielen en hem eerst zacht prikten, maar daarna zwaar en jeukend schrijnden over zijn huid. Zijn hartslag bonsde luid in zijn oor. ‘Laat me met rust!’ piepte hij benauwd. ‘Jij noemde me toch dom? Ik wil graag weten waarom.’ Roel lachte nerveus. ‘Je bent te nieuwsgierig, kleine.’ Het jongetje lachte ook. ‘Dus jij zou mij slim vinden als ik jou niets meer zou vragen?' Het gebons in Roels oor zwol aan tot een monotoon gebrom. Hij hield zijn handen op zijn oren en siste: ‘Precies. Maak dat je wegkomt.' De lach van het jongetje groeide.  ‘Bedankt om je ideeën met me te delen. Ik zal er zeker nog verder over nadenken’, zei hij. Een blonde vrouw met krullen riep plots van aan de rand van de speeltuin. ‘Ach, zit je daar!’ Het jongetje draaide zich om en baande zich wankelend een weg door het zand. ‘Ik kom, mama!’ Roel veegde zuchtend het zweet van zijn voorhoofd. Zijn hoofd tolde nog. Langzaam zette hij een stap naar achteren. Zijn voet kwam op een van zijn zandtorens terecht en hij verloor zijn evenwicht. Met een doffe plof viel hij midden in zijn keizerrijk, dat zonder aarzelen instortte. Het jongetje met de blonde krullen stond ondertussen bij zijn moeder. Ze lachte naar hem en legde haar hand op zijn schouder. ‘Tijd om naar huis te gaan, Socrates’, zei ze.

Gitta VR
21 4

In ons midden

Deze ochtend ben ik iemand voorbij gefietst die zich in de regen op de grond had neergelegd. Midden op de grote markt. Een jonge vrouw met een dikke grijze wintermantel, opgerold als een foetus, stil en onbeweeglijk. Het was een bevreemdend tafereel, mistroostig tussen de onregelmatige regendruppels die flirtten met verdwaalde sneeuwvlokken. Mensen leggen zich niet zomaar neer zonder bed of zomer, en dan nog op de natte straatstenen in deze vrieskou. Ze was geen dakloze, ze nestelde zich niet in een portiek of onder een brug. Open en bloot lag ze pal in het midden van het grote plein, enkel beschut door haar totaal niet haveloze kledij. De kap van haar mantel met een bontkraagje stevig rond haar hoofd getrokken, armen voor de borst gevouwen. Zwarte winterlaarzen met eveneens een bontkraagje onder opgetrokken knieën in een broek met onduidelijke donkere kleur. Crisiskleuren, zoals zovelen ze dragen in deze tijd, de zonnige tinten uitgebannen. Wel een paar fluweelrode handschoenen die iets sierden. Had iemand ooit zoiets gezien?   Ik fietste haar voorbij. Want ik ben de schrijfster/journaliste en dit zou een verhaal van hoop worden. Bevrijding lijkt meestal te komen na de ellendigste wanhoop. Alle miserie op een hoopje tot die een reusachtige berg is geworden waar je niet meer overheen kan. Of afdalen tot in de diepste put waar geen bodem of konijn wacht zoals bij de kleine Alice die wél een wonderland kent. Blijven vallen of kruipen, moederziel alleen, tot je het opgeeft – geblokkeerd – en erbij gaat neerliggen, je lot uit handen geeft. Zo lag die dame daar, dat voelde ik tot in mijn vingertoppen. Ze kon niet meer. Genoeg geweest. Op, ten einde. Ze had zich eindelijk overgegeven, op een uiterst bizarre manier weliswaar. Totaal radeloos met nog een zweem van elegantie, had ze zich zo deftig mogelijk opgevouwen midden in de anonieme openbaarheid. Het kon toch geen volledige reddeloosheid zijn, ze had haar plekje zo goed gemikt. Er passeerden daar voldoende voorbijgangers. Wat ze uitstraalde, was die dubbelzinnigheid van een gekwetst kind dat zich schreeuwend van zijn moeder losrukt. “Laat me met rust” en “help me alsjeblieft” tegelijkertijd. Pijn die moeilijk kan zijn, bedreigde veiligheid. De confrontatie was voor mij te groot, wat kon ik bijdragen behalve dit gadeslaan en rapporteren. Ik parkeerde mijn fiets een beetje verderop en ging een cafeetje in, achter het raam zitten, met pen en notitieboekje. Lekker warm theetje binnen met uitzicht op de grote markt. Hallucinant. Ik kon er niet in doordringen. Iets met fictie en werkelijkheid, droom en daad, deze wereld en die andere echte mystieke. Die verloren vrouw de hand reiken of zelfs nog maar gewoon even stoppen en het woord tot haar richten; ik geloofde dat ikzelf daar niet toe in staat was maar anderen wel. Ik zou afwachten wat er verder gebeurde, in mijn kunstenaarscocon. Dit moment was te kostbaar om er niet stil bij te gaan zitten. En kijk, daar was een eerste passant die stil hield. Een man op leeftijd, hij keek eens naar links en naar rechts rond op de grote markt. Was er niemand anders die eveneens zijn pas minderde en bleef staan bij deze gekke vrouw… Wat moest dit in hemelsnaam?   Ik was razend nieuwsgierig hoe dit zich verder zou ontplooien. Zou er eens iets veranderen? Ik had net een symbolisch fietstochtje gemaakt, was bijna thuis toen ik die dame daar plots zag liggen, niet levend en niet dood. Eigenlijk ben ik al een hele tijd aan het ronddolen, al wandelend of fietsend. De mensen rondom lijken zo verdoofd of verslaafd, bijna zonder uitzondering. Waar kan ik nog heen? Ik was net nog een broodjeszaak gepasseerd waar de dienster na haar eerste ochtendshift vlug buiten op straat een sigaretje rookte. Onze collectieve staat van snelle valse bevrediging is zo maatschappelijk verantwoord als wat. Duurzaamheid en werkelijk zuiver contentement is precies een randfenomeen. De stad is vol koffiebars en tegenwoordig heten de drinkers van het zwarte duivelssap hipsters. Ze openen pop-ups, tijdelijke zaakjes zoals die wenskaarten waar kinderen dol op zijn. (Voor je verjaardag krijg je een kaart die je kan openflappen en waar 3d-figuren en muziek uit komt. Tovenarij! Magie! Wonder der techniek! Je wordt er wild van en kan niet ophouden met de kaart open en dicht doen. Verwachting die blijft uitkomen. En na een poosje begint plots het liedje te vervormen. De batterij loopt leeg. Lichte paniek. Betovering verbroken, doodgewone realiteit keert weer. Niks kan het tij nog keren, dit is niet gemaakt om te kunnen repareren. Weldra is de kaart onherroepelijk voor de papiermand. Vaarwel pleziertje. Op naar de volgende aandachttrekkerij!) Er bestaat nu zelfs een dampwinkel, vol elektronische sigaretten in alle mogelijke synthetische geuren en kleuren. Bekenden van me blijken alcoholisten te zijn, of rokers of dampers, van tabak of wiet, of wat dan ook. Niet zomaar voor een keertje - een opkikkertje of zondagse verwennerij, eens gek doen om niet gek te worden - maar dagelijkse kost. Zoals ik water drink of brood eet. Vriendinnen zijn koffiekletskousen, shopaholics, chocoladekickchicks. Ontmoette ik ooit een zelfverklaarde nuchtere man, was die eigenlijk seksverslaafd. Een andere bleef constant lachen als een idioot, zelfverklaard verlicht of natural high, you name it. Nog een andere had niet door dat ie dan maar workaholic was geworden. En ga zo maar door. Pù nog te zwijgen over de reguliere pillenslikkers en tv-zappers. Niet bijster gezond allemaal. Redelijk deprimerend zelfs. En ik kan mezelf niet helemaal vrijpleiten, al heb ik wel het een en ander door. Ik kan me niet ontdoen van mijn generatie, ik ben niet meer of niet minder. Ik kan wel wat schrijven of eerder noteren – zoals die verslaafden die ik hier eenduidig typeer elk stuk voor stuk hun noemenswaardige talenten hebben. Wanneer komt echter deze grootsheid serieus aan de oppervlakte? Waar zijn we bang voor? Waarom houden we de schijn op, desnoods tot en met een dagelijks geschminkt gezicht waarachter we ons verbergen? Wat zitten we onze tijd te verklikken op facebook of schuivend achter een schermpje? Wie zet de eerste stap om haar masker af te gooien, waardig en sereen, naakt en trots, met de eeuwige glimlach?   De situaties met groeipotentieel doen zich gewoon voor, vlak onder onze neus. Veel hoeven we niet te doen, enkel geduldig zijn en meewerken. Zo zat ik erbij deze ochtend, in het café met mijn thee. Mijn pen in de aanslag, want dit werd een cruciaal verhaal. Die jonge vrouw lag daar niet zomaar op een doordeweekse dag. Grijs met rode handen, opgerold als een garnaal, ver van de zee. Een zeemeermin die haar staart was verloren? Een dame die haar verstand kwijt was? Een zottin? Een verdwaalde ziel met een dichtgeplamuurd hart? De oudere man die erbij was gaan staan, leek het zich eveneens af te vragen wat dit te betekenen had. Wat moest hij nou doen? Hij boog voorover en zag enkel gesloten ogen. Regen en tranen waren vermengd. Hij praatte tegen haar, maar dat had geen effect. Ze bleef stil en onbeweeglijk liggen in haar eigen pose, zichtbaar bij bewustzijn. Ze was niet gevallen of had niet een of andere crisis zoals een epilepsieaanval of hartstilstand, zoveel was duidelijk. De man durfde haar niet aanraken. Een hand in haar richting had haar een beetje doen opschuiven en zich nog meer doen oprollen en terugtrekken in zichzelf, als een beest in een kooi. Hij wenkte andere voorbijgangers, die sowieso al halt hielden bij het bizarre tafereel. Zelfs wie voorbij fietste, minderde even vaart en ontwaakte kortstondig uit zijn normale doen. Verward, verstoord, opgeschrikt; evenveel ongemakkelijke reacties als passanten, een enkele die luidop lachte. Er verzamelde zich al gauw een groepje rondom de vrouw. Bijna zo onvertrouwd als de oorspronkelijke situatie zelve van de eenzame dame. De mensen wisten zich geen raad, er waren er die naar hun mobieltje grepen. Zou iemand de hulpdiensten telefoneren? De troep werd zo groot dat ik de vrouw niet meer kon zien liggen. Het werd een ongecontroleerde wirwar van mensen en blikken. Wie nu nog halt hield op het plein, wist helemaal niet meer wat er gaande was. Dit was het moment voor mij om terug naar buiten te gaan, samen met enkele andere cafégangers. Het plein stroomde stilaan vol. Nu zou het bijna gaan gebeuren. Hoe lang zou het nog duren? Flitsende sirenes? Ambulance of politie?   En toen werd het nog vreemder, vooraleer er ordebewaarders arriveerden. Twee roodfluwelen handschoenen staken plots in het midden boven de menigte uit. Twee handen die elk een andere hand vasthielden. De jonge vrouw was klaarblijkelijk opgestaan en klemde zich nu vast aan de handen van de toevallige passanten. Eén ervan herkende ik: die allereerste man die bij haar was komen staan. Twee handenparen troonden breed en hoog in de lucht, als een rare overwinning. De dame bleek redelijk groot, groter tenminste dan een gemiddelde vouw. Je kon het bovenste van de kap van haar mantel ontwaren boven de anderen uit. En stilaan kwam er beweging. De rode handen leidden de groep traag in een zekere richting. Mensen volgden curieus, geprikkeld, verwachtingsvol. Ik liep mee in de verwarring die toch ergens heen leidde. Ze nam ons mee naar de kathedraal! Ik voelde iets van vreugde. De laatste tijd was ik in kerken mijn heil gaan zoeken, de nog overgebleven stilteplekken van de stad. Niks met religie of godsdienst te maken, krachtplekken bestaan sinds mensenheugenis. En nu slaagde deze vrouw erin om een mensenmassa naar binnen te lokken in onze fiere kathedraal?! Ik was verstomd. En ik niet alleen. De spanning steeg, samen met oorverdovend geroezemoes. Mensen gaan al gauw praten om te proberen begrijpen. Vatten met taal als overlevingsboei.  Waarom ging iedereen mee de kerk binnen? Van wie waren die rode handschoenen? Wie was dat? Wat zou die vrouw daarbinnen gaan doen? Wat was ze van plan? Wat was dit voor een gedoe? Wat had dit in godsnaam te betekenen? Zou dit een ordinaire reclamestunt zijn…   Ik stond achteraan in de kerk en genoot met volle teugen. Het maakte niet uit wat er zich nog verder zou ontwikkelen. Er was al iets veranderd. We stonden met zijn allen in onze kathedraal op een gewone weekdag, even uit onze dagdagelijksheid gehaald. Al was die evenveel waard, want een voorval als dit kan werkelijk elke dag ontstaan, in het klein of het groot. We waren nu met enig besef deel van een groter geheel dat we niet snapten, door deze merkwaardige ervaring. Allerlei mensen door elkaar, een bont gezelschap in een kerk, daar terecht gekomen als waren ze de rattenvanger van Hamelen gevolgd. Een onbekende dame had iets onnoemelijks teweeggebracht. Het enige wat ze had gedaan, was zich oprollen als een foetus midden op de grote markt in de stad tot er genoeg publiek rondom haar verzameld was om met onverwachte hernieuwde moed rechtop te gaan staan. Ze had vreemde handen stevig vastgenomen, niet dwingend en toch losten ze niet. Het hoorde zo, dit was even nodig. Vele andere mensen hadden eveneens elkaars handen vastgepakt, al hielden ze ze niet hoog in de lucht zoals die met de roodfluwelen handschoenen. Ik bleef nog even met mijn ogen dicht in het tumult en liep dan de kathedraal uit om de verbreking van de betovering niet hoeven mee te maken, om de magie vast te houden, de ware kunst. Want deze vrouw was geen heilige, natuurlijk niet, zij ging geen wonderen voor ons verrichten.   Het bijzondere had zich reeds voltrokken. Teleurstelling zou sowieso volgen als de massa uit elkaar viel en elk terug zijn eigen weg ging, verder de stad door de realiteit in, weliswaar een speciale herinnering rijker. Vanavond zou het wel in het nieuws komen, of zo meteen al op de sociale media. Sensatie! Afleiding van onze algehele verdoving! Dan wisten we gauw wat het nou precies was, ieder kon zijn interpretatie eraan toevoegen. Analyses en opinies. Wie bij de parade was bij geweest, tot en met deze vrouw op het altaar was gekropen, grijs met haar rode handen in de lucht, ohlalaaaaa! Zo kon ik niet denken, ik had het van in het prille begin meegemaakt. Deze jonge vrouw was de wanhoop nabij geweest, dat had ik gezien, ze was vleesgeworden wanhoop. In een laatste poging had ze omsingeld haar handen in de lucht gestoken en was gewoon beginnen wandelen, nog een restje intuïtie gevolgd. Het begin van een spirituele queeste. Ik dankte de vrouw met de rode handen in stilte, wie ze ook was, waar ze vandaan kwam of naartoe ging. Ik dankte alle mensen aanwezig in de kathedraal. Zij stonden open voor een tijdsbubbel van verbinding, een sacraal moment, verpakt in een mini-massahysterie. Of massamysterie? Ik grinnikte zelfs, gans dit binnenpretje kwam naar buiten. Het laatste wat ik hoorde toen ik een waterzonnetje in liep, was een heel uniek lied van een rauwe vrouwenstem, half huilend, half schreeuwend. Nog nooit eerder gehoord. Prachtig schoon met een grote hoek af. Ik keerde me nog even om, en zegende dit alles met een onhandig gebaar van mijn pen.

Elke Van Opstal
37 0

Vos

Ik hoorde de kippen kakelen. Niet verontwaardigd zoals gewoonlijk, wanneer de ene de andere op de poot getrapt had. Of wanneer ze het allemaal op hetzelfde graantje gemunt hadden. Of wanneer de hond te dichtbij kwam. Mijn kippen waren steeds verontwaardigd. Maar deze keer niet. Ze kakelden eigenlijk ook niet. Ze krijsten. IJzingwekkend, zo midden in de vriezende nacht. De hond blafte. Ik rende de trap af en trok mijn laarzen aan. De sleutel had ik gelukkig op de deur laten steken, uit schrik dat het slot anders kapot zou vriezen, want ik beefde te hard om de sleutel er in te steken. Met een grote lamp rende ik naar het kippenhok. Ik gleed bijna uit, maar kon me vasthouden aan de omheining. Het gekrijs was opgehouden. Ik trok het hok open en zag mijn kippen, morsdood. Koppen afgebeten. Verontwaardiging in hun ogen. Achter me hoorde ik gejank. Ik draaide me om en scheen met mijn lamp op de vos. Hij had Tilly in zijn bek, de kleinste en zachtaardigste kip van het hok. De vos had een grote wonde tussen zijn ogen en miste wat vacht. Hij ademde snel, zag ik aan de wolkjes die uit zijn neus kwamen. Hij rende weg, onze weide in, richting het bos. Ik rende achter hem aan, maar hij was te snel. Ik gleed uit. Waarom had ik het ook geprobeerd? Wat had die vos mij ook misdaan? Het vroor nu eenmaal, en hij had vast honger. En zijn gehavende kop en vacht bewezen dat de kippen zich verweerd hadden. Maurice, de oude haan, had zijn dames vast goed proberen te beschermen. Waar was Maurice eigenlijk? Ik had hem niet gezien tussen de slachtoffers. Ik stond op en wandelde weer naar huis. En daar lag Maurice, dood in de weide, in stukken als de kalkoen die we nog niet zo lang geleden voor kerst aten. Voor het eerst in zijn leven keek hij niet verontwaardigd. Beschaamd eerder, dat hij hen niet had kunnen redden. Ik raapte op wat ik kon. Hij was een goeie jongen, onze Maurice. Ik wilde hen ’s ochtends begraven, maar wilde hen niet nog enkele uren daar in de kou laten liggen. Misschien kwam de vos wel terug. Ik nam een spade en probeerde die in de bevroren grond te duwen. Min twaalf, zo koud is het in geen jaren geweest. Ik bleef steken tot ik een diepe put had, ook al zou ik daarna nog twee weken stijf zijn. Ik legde hen zo dicht mogelijk bij elkaar in de put en gooide de bevroren stukken zand er weer op. Daarna nam ik een stoel, en bleef zitten bij hun graf. Min twaalf. Het zijn maar kippen, zei ik mezelf. Maar waren het maar kippen? Had ik hen als kuiken niet grootgebracht en een naam gegeven? Had ik geen emotie gezien in hun ogen, en gehoord in hun gekakel? Had Tilly niet keer op keer haar hoofd tegen mijn schouder gelegd, wanneer ik haar optilde omdat ze zo dom was om in de regen te blijven zitten? Had ik hen niet telkens bedankt voor hun eieren met een krop sla of een bloemkool? Hadden de kippen en ik dan geen band waarin we elkaar voedden? Een soort natuurlijke band? In de verte hoorde ik een vos keffen. Misschien was het wel de vos die Tilly meegenomen had. Misschien riep hij zijn kinderen wel. Of zij. Dat er eindelijk nog eens eten was, na dagen van ontbering en koude. Ik stond op en wandelde naar de rand van de weide. Misschien is de natuur wreed, maar bij min twaalf is wreedheid soms de enige manier om te overleven. Als mijn kippen en ik een soort natuurlijke band hadden, heb ik hen nu teruggegeven aan de natuur.

MDB
0 0

Geronimo's Rarekiek!

Meneer Visser stond erom bekend een voorzichtig en bijzonder nauwgezet man te zijn. Ik hoorde hem weleens treffend over zichzelf zeggen: ‘Ik laat de ene riem door het water, de andere langs de oever strijken.’ Toen hij op een avond later had moeten doorwerken op kantoor, baande hij zich haastig een weg doorheen de drukke straten van de stad om op tijd het treinstation te bereiken. Uit gewoonte wist hij dat daar de laatste trein richting huiswaarts klaar stond op perron twaalf. Hij arriveerde net op tijd en helemaal buiten adem in het station. Met het zweet nog op zijn voorhoofd parelend plofte hij zich achteloos neer in de zachte zetels van een eersteklascoupé. Door het raampje keek hij toe hoe de trein het felverlichte station, en niet veel later ook de stad, verliet, in de richting van het in duisternis gehulde platteland. Tevreden slaakte hij een zucht van voldoening, waarna hij de ogen sloot en zich op het ritme van het schokkende treinstel in een ondiepe slaap liet wiegen. Dat deed hij wel vaker, zodat hij doorheen de jaren het uitzonderlijke talent had ontwikkeld om op het exacte ogenblik te ontwaken wanneer de trein zijn halte bereikte. Hij voelde aan dat het moment daar was gekomen. Zorgeloos stapte hij met een sprongetje uit het gestopte treinstel en plofte neer op het zanderige perron. De trein sloot zijn deuren weer en vertrok puffend en klagend. Voor het eerst merkte meneer Visser op hoe verschrikkelijk donker het buiten was: aan de hemel waren de sterren talrijk aanwezig, helder schitterend in afwezigheid van enige andere lichtbron. Op het eenzame geoehoe van een uil na was het stil. Argwanend fronste hij de wenkbrauwen en hij wachtte geduldig af tot zijn ogen wenden aan het donker. Na enige tijd kon hij in grote drukletters zijn fout aflezen op het blauwe stationsbord. ‘Zo, zo,’ mompelde hij tegen zichzelf, beseffend dat hij in zijn haast een verkeerde trein was opgestapt. Hij bracht nog wat woordeloze geluiden voort om zijn recente bevinding te delen met de akelige stilte rondom hem, wanneer hij plots een vaag, rood licht bemerkte; heel zwak en nauwelijks zichtbaar schijnend in de verte. Meneer Visser voelde een uitzonderlijke aantrekkingskracht om naar het licht toe te wandelen en zonder aarzelen (maar nauwlettend in de gaten houdend waar hij zijn voeten plaatste) stapte hij weg van het verlaten stationnetje, het rode licht tegemoet. Naarmate hij dichter kwam kon meneer Visser langzaam maar zeker een vorm herkennen in het licht: het was een in neonlicht gevormde hoed. Hij zag nu ook de contouren zichtbaar worden van het gebouw waarop de hoed bevestigd was. In sierlijke letters stond op de voorgevel in het groot geschreven “GERONIMO’S RAREKIEK!”. Zijn oude angst voor het onbekende weerhield hem bijna om dichterbij te komen, maar een klein papiertje achter de raam van het gebouw lokte toch zijn nieuwsgierigheid. Hij las: “Vanavond: bijzondere voorstelling! Maak een reis door het leven van je tweede zelf!” Voorzichtig opende meneer Visser de deur van het gebouw en tuurde hij binnenin. Een flauw licht verlichtte de kamer, waar op het eerste gezicht niemand te zien was. Een elektrisch orgel speelde zachte muziek. Eens binnen zag hij hoe stoelen rondom rond een centrale kijkkast opgesteld stonden. Op een van de stoelen zat een man te slapen. Hij droeg een lange jas en een hogehoed, als een oude circuseigenaar. Bij het horen van zijn bezoeker sprong hij recht uit zijn stoel en maakte hij zichzelf bekend als Geronimo. Een spraakwaterval van grootse woorden overviel meneer Visser, waaruit hij begreep dat Geronimo’s tent normaal gesproken afgeladen vol zat, maar dat het een uitzonderlijk rustige avond was gebleken. ‘O, maar ik wist zeker dat iemand zou komen,’ zei de man ten slotte mysterieus, ‘de juiste persoon.’ Geronimo ontblootte zijn witte tanden en nam meneer Visser bij de schouders vast. Hij plaatste hem op een stoel voor twee kijkgaatjes in de kijkkast en legde hij uit: ‘Maak u gereed voor een vreemde ontmoeting, meneer Visser; u zal een man te zien krijgen die geen enkele gelijkenis met uzelf treft: uw tweede zelf. U hebt uw hele leven zelfverwijtend doorgebracht, u hebt een minderwaardigheidscomplex, u voelt zichzelf geremd, u geeft zichzelf de schuld voor het niet volgen van uw impulsen. Tja, wat zijn deze impulsen? Het is de druk van uw tweede zelf op het handvat van de deur naar uw leven, meneer Visser. En nu zult u komen te herkennen waarom u deze deur gesloten houdt, waarom u remmingen heeft, waarom u uw impulsen niet volgt. Bent u er klaar voor, meneer Visser?’ Zo begon de reis doorheen het leven van zijn tweede zelf. Voor de ogen van meneer Visser verschenen een voor een twaalf beelden, elk begeleid van een onderschrift en een verklarende uitleg van de oude Geronimo, die de beelden verwisselde en tussendoor zenuwachtig heen en weer schuifelde doorheen de kamer. De onderschriften die de beelden begeleidden waren achtereenvolgens:   Het pad dat je wilde bewandelen De brief die je wilde schrijven Het leven dat je wilde redden De job die je wilde uitoefenen De vrouw die je wilde liefhebben De zin die je wilde horen De deur die je wilde openen Het pak dat je wilde dragen De vraag die je wilde stellen Het land dat je wilde bewonen De kans die je wilde grijpen   Op sommige beelden was meneer Vissers tweede zelf te zien, terwijl hij op de andere beelden enkel een situatie zag waarin zich zijn tweede zelf zou hebben ontwikkeld. Hij keek aandachtig en zweeg gedurende het hele gebeuren. Na enige tijd wierp hij zijn ogen van de kijkgaten weg en riep luid: ‘Genoeg!’ Natte tranen rolden over zijn wangen toen hij de oude Geronimo in de ogen keek. Ook Geronimo huilde, zij het stil en medelijdend. Zonder verder nog een woord te zeggen verliet meneer Visser de kamer; hij sloot de deur achter zich en zag buiten het ochtendlicht al aan de horizon verschijnen. In het verlaten treinstation wachtte hij op de eerste trein die de richting van de stad uitreed.

arnomaetens
0 1

Verboden vrucht

‘Wisten jullie,’ vroeg Matteo in slecht Engels, ‘dat de verboden vrucht geen appel maar een tomaat was?’ Hij glimlachte en wierp de rode vrucht in kwestie nonchalant op en neer. ‘Wat een onzin!’ riep Ed uit. ‘Waar haal je zoiets vandaan?’ We zaten op het terras van Matteo’s finca en dronken koffie en grappa, terwijl de gastheer druk in de weer was ons een lunch voor te bereiden. Ik stond aan het balkon en keek uit over de lager gelegen vallei, die uit wijngaarden en droge akkers bestond tot zo ver het oog reikte. De ouwe Texaan Ed Sullivan zat als enige aan het tafeltje onder de parasol en speelde een kaartspel. Naar eigen zeggen was hij op het eerste het beste vliegtuig richting Italië gestapt nadat hij een foto van Toscane zag in een Amerikaans reistijdschrift. “Net als een droom!” had hij wild enthousiast uitgeroepen toen hij met z’n koffers arriveerde op het domein van Matteo. Ik genoot van de hete koffie en was niet bepaald geïnteresseerd in een filologische discussie over een Bijbelverhaal, maar het tweetal dacht daar duidelijk anders over. ‘Luister eens hier,’ wierp Matteo op tegen Ed, ‘waarom denk jij anders dat we in Italië van een pomo d’oro spreken? Een gouden appel. En in Frankrijk spreken ze over pomme d’amour; de liefdesappel. Moet ik er nog een plaatje bij maken? Ik zeg het je, Ed, die duivelse Eva was verlekkerd op tomaten!’ Hij sneed er één in stukken en stak smaakvol een part in zijn mond. ‘En of ze gelijk had!’ grinnikte hij geamuseerd. Ed keek hem wantrouwig aan en kwam met een tegenargument aanzetten. ‘Akkoord, Matteo,’ begon hij, ‘maar die beide benamingen tonen net aan dat er éérst een appel was, alvorens men de tomaat kende. Semantisch gezien dan. Zonder Eva’s appel was er geen gouden appel of een liefdesappel, begrijp je?’  Matteo moest op mijn gezicht hebben afgelezen dat ik de redenering van Ed volgde, want hij vroeg me op de man af: ‘Dus jij denkt dat Ed gelijk heeft?’ Ik kon me nu niet langer uit de discussie onthouden. ‘Ik moet toegeven dat je een interessant punt aanhaalt, Matteo,’ zei ik, ‘maar ik volg Ed. Als we er vanuit gaan dat Eva de eerste vrouw was, moet zij toch de vrucht gegeten hebben die het eerst benoemd werd? Anderzijds,’ bedacht ik me op dat ogenblik, ‘werden tomaten nog tot laat in de negentiende eeuw als puur vergif gezien, in onze contreien. Ik bedoel, men kweekte haar toen al wel voor haar knappe kleuren, maar in gerechten meed men ze als de pest. Misschien zat het Bijbelverhaal daar dan toch wel voor iets tussen?’ ‘Ach nee, wat bewijst dat?’ vroeg Ed. ‘Die angst had puur te maken met haar verwantschap aan de uiterst giftige nachtschade, en niets met Eva’s zondeval! Bovendien weten we toch allemaal dat die appel voor iets geheel anders symbool stond in het verhaal, nietwaar?’ Hij ontblootte zijn vals gebit en schaterlachte. Matteo knipoogde en bracht de lunch op tafel.

arnomaetens
0 0

Badkuipbluess

Ella opende haar ogen onder water en keek naar het door het water dansende badkamerplafond.Met enige tegenzin kwam ze boven om adem te halen, om vervolgens zo langzaam als mogelijk weer uit te ademen en haar hele lijf mee te laten deinen alsof ze geen enkele weerstand kon bieden aan de zuurstof die haar lichaam verliet en het badwater dat hierop reageerde. De spiegels waren aangedampt en de kamer was gevuld met een mix van stoom en opgesloten sigarettenrook. Grijze wolken die bleven breken boven het licht van de van de twee blauwe kaarsen die op het oude houten handdoekenbankje naast het bad stonden te flikkeren, maakten dansende schaduwen op de muur erachter. OP de achtergrond kon je het gedempte verloop horen van de jazzplaat die in de andere kamer stond te spelen.  Met een diepe inhaal strekte Ella zich uit en ging ze rechtop liggen, het moderne meubilair en de heldere witte voegen tussen de tegels irriteerden haar.  Het verraadde de plaats en tijd waarin ze zich bevond. Ik ben in de verkeerde tijd geboren, bedacht ze zich.Met niet al te veel verbeelding kon eender wie die zich aldaar de ogen sloot, een sprong in de tijd nemen en zich in een verouderde flat in Parijs wanen.  Waar dronkenlappen en oude vrijsters zich ophielden in onderbelichte bars die stand hielden wanneer andere zaken zich sloten. Waar de oude saxofonist van een ingehuurde band bleef zitten en na enkele borrels in zijn eentje een beter  optreden gaf voor de drie overgebleven klanten, dan in de betaalde uren daarvoor.  Misschien was het typisch voor iemand van haar leeftijd om vroegere tijden te romantiseren. Om het gemakzuchtige leventje dat ze niet meer kon missen te verafschuwen en zich schuldig te maken aan de luxe om neer te kijken op de wegwerpgeneratie waar ze zelf deel van uit maakte. Misschien was het vroeger net zo. Waarschijnlijk. Toch leek het haar toen beter. De tijd voor televisie, gsm’s en internet, waar het leven simpeler was, weliswaar harder maar simpeler in eenvoud.  Waar armoede in elke huishouden tekeer ging als een wervelwind die elk gespaard korstje brood van tafel veegde , maar waar de dingen die er echt toededen nog waarde hadden. Ze draaide de kraan toe en keek naar haar handen onder het wateroppervlak. haar vingertoppen leken zichtbaar te verschrompelen alsof de tijd onder  water sneller liep. In dromen blijken uren slechts seconden, misschien was dit net zo, of misschien had het niets met water te maken. Misschien gaven haar vingers sneller toe aan de strijd in haar hoofd en wilden ze niet langer meewerken aan de leugen over jeugdigheid, die allang was verdwenen.

Esje Volter
22 0

parabel van het schip

Nelo was zoals iedereen opgegroeid op een schip. Niet bij iedereen echter werd dat schip bestuurd door twee personen, bij Nelo wel. Kapitein stond aan het roer, Tweede Stuurman hield het schip schoon. Af en toe wisselden ze wel eens. Het was een goed schip waar de jongen op groot werd gebracht en dat voelde hij zelf ook zo aan. Toen Nelo ouder werd leerde Kapitein hem alles over het weer, het water en het roer. Tweede Stuurman vertelde hem alles over het onderhoud van het schip en over de verhoudingen tussen een kapitein en zijn bemanning. Toen hij achttien werd voelde de jongen zich geen jongen meer maar een man en kocht zo snel mogelijk zijn eigen schip. Niet al zijn leeftijdsgenoten deden dat, velen kozen ervoor om voor even of zelfs voor lange tijd op het schip van hun jeugd te blijven varen. Nelo wist dat hij geluk had gehad alles te kunnen leren wat hij moest weten om zijn eigen schip te kunnen besturen; hij zag dat dat bij anderen vaak niet zo was. Hij koos er bewust voor om geen bemanning te nemen. Hij had zoveel zin om het geleerde in de praktijk om te zetten en wilde dat het liefste helemaal zelf doen. Nelo genoot met volle teugen. Heel af en toe stak er wel eens een kleine storm op die hij dan moedig alleen trotseerde, maar er was hem nog niks overkomen waar hij niet tegen opgewassen was. Na een tijdje voelde Nelo af en toe de nood om toch even uit te blazen en begon hij te zoeken naar bemanning. Een geschikte Tweede Stuurman vinden bleek echter niet gemakkelijk. Sommige kandidaten nam hij een tijdje mee aan boord, maar Nelo merkte al gauw dat ze niet compatibel, niet capabel of eenvoudigweg niet interessant genoeg waren. Uiteindelijk vond hij dat wanneer je samen een schip deelde het toch ook een beetje gezellig moest zijn. Zo bleef hij dus maar alleen verder varen en stiekem vond hij dat nog steeds het leukste. Hij genoot van zijn eigen gezelschap en vond dat hij kon sturen als de beste. Jarenlang ging dat prima, tot er plots een herfst aanbrak met heel veel en heel grote stormen. Met veel vaardigheid stuurde Nelo, die inmiddels een echte man was geworden, het schip over de woeste zee en overwon telkens meer gevaren. Langzaamaan voelde hij zich weliswaar moe worden, maar hij wist dat er zonder Tweede Stuurman geen mogelijkheid was tot rusten en zette moedig door. Gauw zou de zon weer schijnen en dan kon hij even bijkomen. Storm na storm bleef zich echter aandienen en putte zijn lichaam en geest helemaal uit. Het werd zo erg dat hij op een gegeven moment het allerliefst zijn roer wilde loslaten. Nelo wist dat hij dan tenonder zou gaan met het schip waar hij zo van hield. Telkens opnieuw deed zijn liefde voor het schip hem volhouden, maar het kostte hem steeds meer moeite. Toen op een dag een heuse orkaan uitbrak wist Nelo dat hij niet de energie had om zich er nog doorheen te slaan. Hij had twee keuzes. Het roer loslaten en snel onder de golven verdwijnen, of met zijn laatste restjes energie het roer nipt vasthouden wetende dat het bijna onmogelijk was om op die manier veilig door de storm te raken. Op hoop van zege koos hij voor het laatste.  Liggend op het kletsnatte dek, met één hand het houten roer boven zijn hoofd vastklemmend en kijkend naar de dreigende hemel vol bliksemschichten gaf hij zich over aan wat zou komen. De ene gedachte na de andere flitste aan hem voorbij. Hij dacht aan het schip dat hij zou verliezen, dat ooit mooi was maar dat er door de vele stormen eigenlijk vreselijk aan toe was. Hij dacht aan alle aspirant-bemanningsleden die hij aan boord had gehad en wist dat geen van hen in staat zou zijn het nu van hem over te nemen. Toch voelde hij jaloezie egens alle andere Kapiteins die hij kende die wel een Tweede Stuurman aan boord hadden. Hij dacht aan de Kapitein en Tweede Stuurman die hem hadden grootgebracht, die zo’n mooi team hadden gevormd. Hij voelde verdriet en boosheid omdat anderen er wel waren in geslaagd het perfecte scheepsmaatje te vinden. Zij hebben het niet zo zwaar als ik! Waarom moet ik alles alleen doen! Ik ben te moe om het nog alleen te doen! Hij vroeg zich af of iets hem nu nog zou kunnen redden. Hij voelde zich al verloren, maar liet toch het roer niet los. Uren of misschien wel dagen later werd Nelo wakker van een zonnestraal die zijn gelaat verwarmde. Hij opende de ogen en probeerde om zich heen te kijken. Zijn hele lichaam verkrampte van de pijn wanneer hij zijn hoofd draaide om de ravage rond hem te aanschouwen. De mast van het schip was afgeknakt en had zich op nauwelijks een halve meter van Nelo in het schip geboord. De relingen waren afgebroken, de achtersteven leek door een monster te zijn opgeslokt. De voorsteven kon Nelo niet zien maar langzaam daagde het hem wel dat er nauwelijks meer van het schip over was dan een stuk van het dek. De hemel was nog steeds grauw en grijs, een klein gaatje in het wolkendek zorgde ervoor dat die ene zonnestraal precies op zijn gezicht neerviel. Zijn hand zat niet meer om het roer geklemd, dat waarschijnlijk ook geen dienst meer deed. Hoe het mogelijk was dat de golven het schip niet geheel hadden verzwolgen kon hij moeilijk bevatten, maar hoe langer hij erover nadacht hoe meer hij hierin een teken van de goden zag, die voor hem nog een toekomst in petto hadden. Maar hoe moest dat dan, zonder schip? Traag klauterde hij overeind en zag dat er inderdaad niet meer over was van het dek dan een schamel vlot. Hij had geen idee van waar hij zich bevond en begon de einder af te speuren. Terwijl de uren voorbijgleden en de hemel steeds meer opentrok begon er vanuit het diepste van zijn ziel een gevoel van hoop op te borrelen. Een vaag plan waarvan de contouren steeds zichtbaarder werden. Hij moest enkel eerst... Daar! Zag hij daar niet...? Jazeker, daar aan de horizon, in paarse nevelen gehuld, een donkere streep... Land! Ondanks de pijn in zijn lichaam sprong hij op en neer van pure blijdschap. Met een overgebleven stuk reling begon hij het vlot richting kust te sturen, en terwijl de paarse gloed plaatsmaakte voor een fonkelende sterrenhemel wist hij dat daar op dat stuk land de antwoorden lagen. Daar zou hij in alle rust wachten tot het juiste scheepsmaatje voorbij zou komen – het mocht zelfs ook een Kapitein zijn, dan werd hij zelf wel Tweede Stuurman! Het idee opnieuw alleen een schip te besturen lonkte niet meer. Al moest hij vijftig jaren aan land wachten, hij zette geen voet meer op een schip zonder het perfecte maatje...

LL Rigby
4 0

Aan tafel

‘Hoe was het op je werk, schatje?’ vraagt hij terwijl hij in de tomatensaus roert. De tagliatelle ligt in elkaar gezakt in het pruttelende water. Hij zet snel het vuur af, want hij weet dat ik hou van pasta al dente. Voor hem maakt dat niet uit. Hij doet alles voor mij. Het huis opruimen. Poetsen. Boodschappen doen. Ik ben een carrièrevrouw. Vroeg op en laat thuis. Maar hij vindt dat niet erg. Hij zorgt graag voor me. Hij is altijd al zorgzaam geweest, zegt zijn moeder. Zeker als hij verliefd is. ‘Hoe was het op je werk, lieverd?’ vraagt hij nog eens. Ik kijk stil voor me uit. ‘Waarom zucht je zo?’ vraagt hij. ‘Had je een baaldag? Dat kan iedereen weleens overkomen, mijn scheetje.’ Als hij zich omdraait om de tagliatelle af te gieten, vangt hij mijn blik op. Dromerig en blauw. Om mijn mond speelt een flauwe glimlach. Ik heb mijn staart losgemaakt. Mijn lange haar valt om mijn schouders als een gouden aura. Mijn vingers prutsen aan het roze servetje dat hij naast mijn bord heeft gelegd. Altijd even attent. ‘Je bent moe’, stelt hij vast. Zijn woorden doorprikken de stoom van het kokende water dat uit de gootsteen wolkt. Hij zet de pot op tafel en veegt zijn handen af aan zijn schort. Daarna neemt hij de pan met tomatensaus van het vuur. Voorzichtig schept hij mijn bord vol. De warme dampen gloeien in mijn gezicht. Dan haalt hij een fles rode wijn uit de kast. Hij giet zijn glas vol. Hij weet dat ik geen alcohol drink, dus hij vraagt het niet eens. Is dat dezelfde fles als gisteren? Nee, die had een zwart etiket. Een nieuwe fles dus. Die al bijna leeg is. Mijn hart krimpt in elkaar. Maar ik mag het hem niet tonen. Ik moet hard zijn. Hij is immers zo gevoelig! Hij ziet hoe ik naar zijn glas kijk. Hij neemt zijn vork en draait er tagliatelle rond. ‘Ja, beertje’, zucht hij. ‘Het was een lange dag zonder jou. Maar nu zijn we weer samen.’ Er waait een koude tocht langs mijn blote benen. Ik schud er een beetje van. Hij wrijft over mijn rug. ‘Frisjes, hier? Eet nu maar van de pasta, liefste. Dan krijg je het snel warm.’ Het ziet er heerlijk uit, maar ik krijg geen hap door mijn keel. Ik kan het niet helpen. Het gaat gewoon niet. Zijn blik wordt donker. Hij legt zijn lepel en zijn vork naast zijn bord. Schuift dichter naar mij toe. Zou hij gaan huilen? Ik wilde dat ik het kon. Maar ik ween enkel droge tranen. Voorzichtig pakt hij mij vast. Aait over mijn haar. Kust me op mijn schouder. Kijkt diep in mijn ogen. Dromerig en blauw. Altijd dromerig en blauw. ‘Rustig maar’, fluistert hij. ‘Het komt allemaal weer goed. Het komt altijd goed. Rustig maar, mijn popje.’

Gitta VR
0 0

DROMENVANGER GEZOCHT

Ik scharrel door een donkere buis. Het stinkt hier enorm. Ik kruip hier niet alleen door. Achter mij grijpt een man regelmatig mijn voeten en enkels vast, duwt zijn neus tegen mijn kont. Voor mij kruipt een vrouw met een achterste als een immens grote pompoen. Zij ontneemt mij alle zicht op het einde van de enge tunnel. Het is hier verschrikkelijk warm. Het zweet druipt van mijn gezicht en pikt in mijn ogen. De ruimte is zo eng, dat ik het vocht niet uit mijn wimpers kan wrijven. Het is hier zo smal dat ik mijn armen amper tot aan mijn hoofd kan brengen. Mijn ellebogen schuren tegen de glibberige wand.  De angst omklemt mijn hart en mijn hoofd bonst alsof ik alle seconden een infarct ga maken. Heet, zo ontzettend heet. In de verte hoor ik Herbert Flack naar me roepen dat ik me moet haasten. Als ik hem terugroep dat de lamp op mijn hoofd uitgegaan is, dat ik niet meer zie waar ik kruip en dat mijn hoofd tegen de bovenkant bonkt als ik over die kolossale kont wil loeren, brult hij, dat ik mijn traumatische claustrofobie nu maar eens moet overwinnen! Hij loeit dat ik met mijn handen de wanden moet aftasten en verdomme zo snel als mogelijk in het kantoor moet komen. De vrouw voor mij stopt met kruipen, zij blijft in de benauwde ruimte vastzitten. Iemand moet haar met touwen uit de spleet trekken. De hele menselijke kruiptrein stokt. Warm, de loeiwarme temperatuur stijgt. Er is nauwelijks zuurstof meer. Het is hier om te stikken. Dorst!  Als mijn voorgangster als een gigantische ontstopper uit de rioolbuis plopt,  strompel ik op handen en voeten in een immens grote hal van een grot. Flack duwt mij een draagbare pc in de handen. Mijn vingers zijn verkleumd en hangen vol smurrie, mijn knieën liggen open en in mijn hoofd suizen mijn oren een tamtamliedje. In de grote ruimte staan duizend aangezichtsloze blote mensen. Ze staren me angstaanjagend aan en wijzen met hun handen naar de computer.  Verhalen, ze willen verhalen. Ik typ azerty- woorden op een querty- klavier. Geen zinvol woord komt er op het computerscherm. Het wordt griezelig stil. Angst, ik moet hier weg. De meute komt dichter en dichter en wil mij vastgrijpen. Ze verandert in de hoofddoekjesbrigade die mij, met mijn inkopen,  naar hun kassa in de winkel willen sleuren. Ik hoor ze schateren omdat ik geen religieusloze kassierster meer vind.  Plots hoor ik een harde knal en de winkel begint in te storten. De bommen zaaien dood en verderf. Een hoop stenen en een zware balk denderen juist naast mij op een groepje winkelende mensen. Ik kan amper de afbrokkelende stenen voor mijn aangezicht wegstoten. Warm, heet, nachtmerrieachtige toestanden en ik kan nauwelijks ademen.  Ik strompel uit het stenen graf.  Overal liggen huilende, vuile en bebloede kinderen. In hun verdrietige ogen wriemelen duizend vliegen. In de verte zie ik mijn zoon staan. Niet de bijna 40 jarige bonk, die hij nu is, maar de kleuter van een jaar of 4, die hij toen was. Hij huilt hartverscheurend. Ik ren naar hem toe en sleur hem mee het winkelcentrum uit recht naar de grote marmeren trappen. Hij roept dat hij moe is en dat hij in de buggy wil zitten. Nergens vind ik een niet beschadigde kinderwagen. Als ik mij omdraai, verandert zijn gezicht in het aangezicht van mijn kleinzoontje. Ik neem hem op mijn arm en ren met hem een lange gang in. Kilometers witte wanden en overal zitten deuren. Ik open ze één voor één, aan de andere kant zie ik alleen maar rotsen en stenen maar nergens een uitgang. Enkel achter één deur vind ik een lift. Paniek bonkt in mijn keel. Tweestrijd, dilemma, red ik ons beiden? Maar ik durf de lift niet in te gaan. Liften zijn eng, traag en blijven overal hangen.  Helemaal in de verte hoor ik mijn tante roepen dat ik mij moet haasten want dat anders de boot zonder mij naar Bordeaux wegvaart. Op het allerlaatste moment kan ik nog aan boord springen. Radeloos zoek ik naar mijn kleinkind. Het schip, dat groter en groter wordt en cruiseschipafmetingen aanneemt vaart met een rotvaart van de kant weg. De boot bonkt tegen de golven in. Mijn maag ramt tegen mijn slokdarm aan. Dorst, ik moet drinken. Heet, warm, de misselijkheid golft over mij heen. Laurette Onckelinck sust mij, zij toetert wat scheldwoorden over mij heen. Het totale horrorverhaal kan niet meer erger worden. Zij troont mij mee naar een kajuit helemaal onderin het megaschip. In mijn kajuit zijn er geen ramen en staat er alleen een bed, er is geen badkamer of wc voorzien. Ik moet dringend plassen. Op zeeziektebenen ga ik op zoek naar een toilet. Het is er aardedonker. Hyperventilerend tast ik alle meubels en muren af op zoek naar de deur. Ik duw ze open, ga twee trapjes af en zet me op het toilet. Net als ik wil plassen hoor ik achter mij geroep. Het geluid komt van heel ver. Plots steekt er iemand een licht aan en word ik wakker. Ik zit in mijn blote reet in een campingzeteltje onder de luifel van de caravan. Mijn hart gaat nog steeds van boemtataboem en mijn blaas staat op springen. Manlief kan er niet meer om lachen. Dat is nu reeds de tweede keer deze week dat ik, na een nachtmerrie, slaapwandelend,  in het midden van de nacht mompelend de caravan uitstrompel. Hij foetert dat ik moet stoppen met juist voor het slapengaan die enge thrillerverhalen te lezen!  De nacht heeft nauwelijks voor afkoeling gezorgd. Alle kampeerders liggen gelukkig nog lekker te slapen. Ik blijf nog even zitten, kijk naar de sterrenhemel en luister naar het fluiten van een nachtuil. Mijn hartritme wordt stilaan terug normaal. Ik waggel terug de caravan in en laat me op het toiletje neerzakken. Ik drink een glas gekoeld water en laat me terug in het caravanbed zakken. Manlief duwt zijn arm knuffelend over mij heen. Gered door mijn alerte bedgenoot anders had ik wel degelijk een plas door de campingstoel op het grondzeil gemaakt. Iemand die mijn droom kan ontleden, schrijf mij gerust!   http://cornelissimone.blogspot.be  

Sim
38 0

Kabouters

Speciaal geschreven voor een lief, klein meisje dat gepest wordt.   Er was eens een klein meisje dat in een groot bos woonde samen met haar mama en papa. Dat kleine meisje had iets speciaals, ze had een wipneusje. Maar heel weinig meisjes hebben zo een neus, echt heel bijzonder. 's Avonds voor het slapengaan kwam haar mama altijd een verhaaltje voorlezen, zij vertelde vaak over de kabouters die 's nachts van haar neusje kwamen glijden met hun ski's, zodat ze ver konden springen. Het meisje was trots op haar neusje! Want bij wie kwamen er nu kabouter 's nachts? Bij niemand, behalve bij haar!   Het meisje had mooie krulletjes en die krulletjes die sprongen altijd vrolijk op en neer bij het spelen. En spelen deed ze graag met haar vriendinnetjes op school! En 's nachts? 's Nachts kwamen nog steeds die kabouters van haar wipneusje glijden, keer op keer. Ze probeerde zelf eens wakker te blijven om de kabouters te leren kennen maar zo slim waren die kabouters wel, die kwamen alleen als ze heel erg diep sliep.   Op een dag was ze weer aan het spelen met haar vriendinnetjes met de poppen, tot dat er een jongetje zomaar hun pop afnam! Wel dat was zeer brutaal van dat jongetje en het meisje zei hem dat ook "Dat mag je niet doen dat is onze pop." De jongen zei "Ik pak die pop af wanneer ik wil!". Het meisje vond dit niet leuk, ze waren net zo fijn aan het spelen! "Dat mag je niet doen! Dat is erg stom van jou!" De jongen werd nog brutaler en zei "Jij bent ook stom met je rare neus!" Omdat het meisje trots was op haar neus zei ze fier "'s Nachts komen de kaboutertjes daarop skiën, bij jou komen er geen kabouters omdat je maar een gewone neus hebt." "Kabouters bestaan helemaal niet!" riep de jongen en liep weg, met hun pop. Het meisje schrok best wel, haar mama zei dat kabouters wel bestaan. Wie had nu gelijk?   Mama kwam haar 's avonds halen en het meisje was een beetje droef. Ze zei tegen mama "Bestaan kabouters echt?" "Ja natuurlijk waarom denk je dat?" "Omdat een jongen zei dat dit niet waar was" "Waarom zei hij dat?" vroeg mama. Het meisje zei "Daarom". Want ze wou mama niet vertellen wat die jongen over haar neus had gezegd, dat die stom is. "Nou", zei mama, "het jongetje is vast jaloers dat jij kabouters op bezoek krijgt"   De volgende dag was het meisje weer aan het spelen met de kindjes van haar klas. Ze hadden een zandkasteel gemaakt en speelden dat ze prinsessen waren. Weer kwam dat jongetje, hij wou graag meespelen en dan zou hij koning zijn. Het jongetje zei tegen het meisje "Jij mag niet meedoen want jij bent maar een stomme prinses die gelooft in kabouters, met je rare neus". Het meisje was verdrietig, haar mama vond haar toch mooi? Waarom hij dan niet? Wat was er mis met haar? Ze voelde zich ook zo lekker niet. Ze ging naar haar juf want ze had nu wat buikpijn. Mama kwam haar halen, het meisje was blij, want thuis vonden ze haar neus zelfs heel mooi! Maar toch voelde ze zich verdrietig want ze speelde ook zo graag prinses met haar vriendinnen. De dag daarna zouden ze met de hele klas naar de kinderboerderij gaan, daar had het meisje zo naar uit gekeken! Zelf had ze een pony thuis staan maar een koe en een ezel had ze van zo heel dichtbij nog nooit gezien. Het was zo spannend! Er gingen zelf mama's mee maar haar mama kon vandaag niet mee. Maar dat gaf niet, mama was vorige keer mee naar de speeltuin geweest met de klas. Ze zag dat de mama van het jongetje wel mee was. Die mama was heel lief voor alle kindjes en het jongetje was vandaag niet stout. Het meisje dacht "Misschien heeft zijn mama verteld dat er wel kabouters bestaan en is hij nu blij."   Mama vroeg haar of ze nog buikpijn had gehad. "Maar nee mama, het was zo leuk!" "Dat is fijn om te horen" zei mama en het meisje vertelde over de ezel die zo een hard geluid kon maken, dat heette balken wat ze een erg raar woord vond voor zoveel lawaai. En dat de koe een natte neus heeft, net zoals een hond wat wel grappig is want een koe dat is net een pony met vlekken en die hebben een droge neus! Die nacht droomde ze dat er ezels en koeien van haar neus kwamen skiën. Wel kleine ezeltjes en koetjes, want anders zou haar neus plat zijn!   De laatste dag school van de week, vrijdag, was er al. In de voormiddag moesten ze kleurtjes nemen en in groepjes tekeningen maken over de kinderboerderij. En ze mochten er zelf al woordjes bijschrijven! De juf schreef ze op het bord en zij mochten ze dan natekenen. Het was erg leuk! Ze had de mooiste kleurpotloden genomen en was vol ijver begonnen met tekenen.Ineens verscheen het jongetje naast haar. Hij zei heel gemeen "Mijn mama vindt ook dat jij een stomme neus hebt en stomme kinderen mogen de mooiste kleurpotloden niet hebben." En hij nam haar potloden af. Het meisje begon te huilen. Ze snapte er niets van! "Geef mijn potloden terug! Ik zeg het tegen de juf!" Het jongetje zei gemeen "Als jij het verteld krijg je straf". "Waarom dan?" vroeg ze snikkend. "Omdat je een leugenaar bent en stom bent en lelijk". Het meisje was zo verdrietig... Ze kreeg ook weer veel buikpijn en even later kwam mama haar weer ophalen. Gelukkig was haar buikpijn bijna over toen ze thuis kwam. Ze zou dan wel in haar eentje kleuren.   's Nachts werd er ineens op haar voorhoofd getikt. Ze openende haar ogen. "Dag meisje met het wipneusje" zei de kabouter, die piepklein op haar neus stond en met zijn ski in haar voorhoofd had geprikt om haar wakker te krijgen. Het meisje schrok een beetje maar de kabouter was zo grappig! Hij had een dikke lange muts op en een wollen mantel en aan zijn rode neus hing een druppeltje water, dat uit zijn neus kwam. Hij haalde een zakdoek uit zijn broekzak, bijna zo groot als zichzelf, en snoot luidruchtig zijn neus. "Excuseer meisje, even mijn neus snuiten, het is hier ook zo koud!!" Het meisje giechelde "Het is hier helemaal niet koud!" "Jawel hoor, zie je de sneeuw niet? Zonder die sneeuw kunnen we niet van je neusje skiën." En inderdaad, er lag een klein laagje sneeuw op haar neus! Het meisje vroeg "Waarom maak je mij wakker? Jullie komen toch alleen als ik diep en diep slaap?" De kabouter zei "Normaal gezien wel maar je bent zo verdrietig en daar kunnen wij niet tegen. Kan je vertellen waarom je verdrietig bent?" Het meisje aarzelde want ze wou niet dat kabouter weg zou gaan als hij wist wat voor een stom en lelijk meisje ze wel niet was. De kabouter prikte haar weer en zei bazig "Komaan vertellen! Ik heb niet de hele nacht tijd want ik wil nog wat skiën. En wat je verteld, dat hou ik voor mezelf. Beloofd!" "Er is een jongetje op school" vertelde het meisje "van wie ik niet mag meespelen omdat hij mij lelijk en stom vindt. Hij zegt ook dat ik lieg omdat ik zeg dat kabouters bestaan." "Nou" zei de kabouter "het jongetje is mis hé. Want hier ben ik! Dus kabouters bestaan. Dus als hij zegt dat je stom en lelijk bent, heeft hij ook dat goed mis!" "Je mag niets zeggen tegen mijn mama of de juf! Want ik ben bang van het jongetje!" zei het meisje. "Okidoki" zei de kabouter "maar je moet me wel iets beloven" "Wat dan?" zei het meisje "Ik wil dat jij het je mama zelf vertelt. En je zegt ook wie dat jongetje is. Want jongetjes die niet in kabouters geloven, zijn niet blij. En als jij het je mama verteld, dan kan zij misschien helpen van dat jongetje een blij jongetje te maken". "En als dat niet helpt?" vraag het meisje "Dan slaag je hem zo hard op zijn neus dat hij zelf een wipneus krijgt, dan kunnen we ook bij hem eens gaan skiën"... THE END  

Dana's plakboek
0 0

PIS, PLAS, POEP EN KAKCONTRACT

Vorige weken ergens in de krant:   “Consternatie in Nederland nu aan het licht is gekomen dat een rusthuis van een concern dat er zeker twintig uitbaat bejaarde bewoners een “plascontract” laat tekenen. Daarin staat dat ze slechts drie keer per dag naar het toilet mogen. Gisteren maakte RTV Rijnmond bekend dat in rusthuis Grootenhoek in Hellevoetsluis, behorend tot de groep Careyn, de bewoners op vaste tijden om 11, 14 en 18 uur naar het toilet kunnen gaan. Buiten deze tijden om is dat niet mogelijk, of doet het personeel daar moeilijk over. Soms moeten bewoners wachten met toiletbezoek totdat het personeel klaar is met de koffiepauze.” Als U in Nederland woont, hebt U dan al samen met Uw uitvaartverzekering, een pamper rekening en een plascontract afgesloten? Als U zulke onzin van onze noorderburen leest, denkt U dan als tachtig jarige al eens twee keer na over dat euthanasiepilletje. Misschien hebt U al eens rondgekeken op welke spoorwegovergang U het best met Uw rolstoelwielen kan blijven steken voor er zo’n zelfmoordexpresstrein U uit Uw plaslijden komt verlossen. Stel je voor dat zo’n plascontract een Europese stelregel wordt! Willen wij, zelfs wanneer we gehandicapt en lichtjes dementerend zouden worden, dan nog wel op deze wijze oud worden, als anderen voor ons gaan beslissen wanneer we mogen pissen en kakken? Je moet maar toevallig in zo’n rusthuis met tweedehands verzorgers terechtkomen. Is dit misschien het begin van het opruimen van de steeds groter wordende bejaardenberg? Oké zulke maatregelen ontspruiten uit het brein van rusthuismanagers met een schrijnend personeelstekort. Ik kan me echter niet voorstellen dat zo’n rusthuisopperhoofd zijn eigen moeder of vader een halve dag met een ‘moeraspamper’ tussen zijn benen zou laten zitten! Dit idee is toch van de pot gerukt! Of juist niet, kak of gene kak, de pot op en wel op de uren die in het contract vastgelegd werden. Terwijl U drukt en tevergeefs wacht tot Meneer de Bruin zich meldt, vermindert U in één keer de werkdruk van het personeel. Als negentig jarige niet-Alzheimer rusthuisbewoonster, die echter niet meer zelfstandig uit haar bed of uit de rolstoel kan, heb je dan toch schijt aan zulke contracten! Je moet maar juist na de verversbeurt van 11 uur de drang voelen opkomen om een bruine trui te gaan breien. Moet je dan wanhopig je laxerende verteerde en gecomposteerde avondmaal zitten terugduwen totdat zo’n Nederlands rusthuis verzorgstertje haar koffiekoek met bakje troost doorgeslikt heeft? Kunt U zich voorstellen hoe het moet voelen als men U, tussen de vooropgestelde uren, met een sompige naar ammoniak geurende pamper in Uw rolstoel hijst en U de gangen richting refter door duwt? Kan U ook reeds voelen hoe U tevergeefs Uw bruintje tussen de contracturen zal proberen terug te duwen? Al staat de sluitspier nog zo strak, aan Uw kont kleeft strakjes kak. Leuk dat Uw lotgenoten, die met U samen aan de 12 u lunch zitten, U al op afstand  kunnen ruiken als U komt aanrijden. Leuk om als U met zijn allen de gehaktballen met puree tussen Uw tanden zit te vermalen, de stront langs Uw steunkousen naar beneden sijpelt. Het woordje smeerpijpen krijgt dan ineens de juiste betekenis, niet?  Toen pissen, plassen werd is het gezeik begonnen! Het Nederlandse plascontract plan lijkt wel een Big Brother bejaardenaflevering. Welke incontinente, gehandicapte, Alzheimer of Korzakov dementerende houdt het langst stand zonder tussentijds onderhoudsscenario? Wie het eerst een plas of een mosterd- bruinkleurige baggervijver onder zijn rolstoel krijgt, vliegt er onverbiddelijk uit. De winnaar wint een persoonlijke toiletverzorgster, inclusief een jaar gratis pampers en mag de WC eend voeren op elk gewenst uur van de dag. Het is onbegrijpelijk dat in een land waar, in het tijdperk van de centrale verwarming, waar kinderen nog nooit een schoorsteen gezien hebben, men zijn hoofd breekt over de Zwarte of de Schoorsteen Pieten en tegelijkertijd met zo’n bejaarden- zeikplan op de proppen komt.  Gehandicapte senioren, AOW’s  en licht dementerede noorderburen verenigt U en vraag massaal in België asiel aan een paar meer of minder zullen de zaak niet maken! Wij hebben hier nog verzorgsters die met plezier Uw pamper zullen verversen!    

Sim
244 0

PEUMPERSWEUDEN

Vraagje: In wat voor ‘pampermaatschappij’ leven wij nu toch? Ik las vorige weken in de krant dat men in Zweden de teruggekeerde jihadisten, gratis woonst, gratis rijbewijs en belastingvoordeel wil schenken! Zijn ze daar nu helemaal van de Zweedse pot gerukt? Ik zou nog verder gaan en ze allemaal een job geven. Vermits de doorsnee jihad- collaborateur met zijn herseninhoud zelfs geen Ikea kast in elkaar gezet krijgt, stel ik voor dat ze allemaal een militaire opleiding bij de Zweedse staat aangeboden krijgen. Bij het leger krijgen ze dan een versnelde opleiding bij de Svenska ontmijningsdienst en dan kunnen de Zweuden ze onmiddellijk terug op missie sturen. Zij weten als geen ander waar hun IS- vriendjes hun booby traps, bergbommen en springstoffen verborgen hebben en hebben voor de volgende vijftig jaar gegarandeerd werk.  Als er dan al eens eentje op een mijntje trapt is er nog geen kalf verdronken. Staan de doorsnee rökt -kaviarpastasmeerders en köttbullarvreters nog achter zulke stupide krantenuitspraken?  Vindt men in de andere Europese lidstaten niet, dat het lijkt alsof de hersens van de Zweedse politici aangetast werden door de, meestal jarenlange, thuisgestookte alcohol ? Raar dat er van geen enkele normaaldenkend Europees land commentaar kwam. Waren de Europarlementariërs allemaal teveel bezig met hun postjesstoelendans en het Canadees handelsverdrag? Zaten ze met zijn allen op de televisie naar debatten tussen de Amerikaanse presidentskandidaten te kijken en zich te verkneukelen hoe Donald modder trumpetterde over Hilary of waren ze te opgefokt door Poetin’s  spelletjes Stratego en zeeslag? Was de Russische vloot misschien via het Kanaal en de Middellandse Zee onderweg om voor ons de zuidelijke Europese grenzen eens degelijk af te bakenen?  Europa blijkt er tot op vandaag niet veel van te bakken. Tot op heden kunnen we duidelijk niet voorkomen dat dagelijks opnieuw overladen opblaasbare bootjes en luchtmatrassen vol zwarte gelukszoekers van de Libische oever weggeduwd worden en onze richting uit dobberen. Heel veel vroeger verzamelden wij,als kind, voor de arme negertjes, tonnen zilverpapier van de ingepakte repen chocolade. Wat ze daar, in dat donkere Afrika allemaal met die vrachten zilverpapier deden, bleef voor mij toen en tot op dit moment een gigantisch groot raadsel. Toen ginds de zilverpapierberg geen echte oplossing bood, gingen de hulporganisaties allerlei evenementen bedenken om geld in te zamelen.  Het meeste bij elkaar gebedelde geld diende vervolgens om de riante lonen en het grote wagenpark van de zaakvoerende hulpverleners te betalen. Met de overgebleven kruimels besloten de humanitaire instellingen om in de Afrikaanse hongerdorpen waterputten te graven en er pompen bij te installeren.  Al na drie maanden zag je de zwarte vrouwen terug met bidons op het hoofd en emmers aan de hand, op blote voeten, twee kilometer afleggen om drinkbaar water te gaan halen. De dorpswaterput lag er verlaten bij en de mooie koperen pomp hing bij de dorpsoudste in zijn hut te blinken. Het was opnieuw een waterdruppel op de hete kokende Afrikaanse plaat. Daarna betaalden wij met zijn allen, via onze belastingen een deel aan ontwikkelingshulp. Geld dat nooit bij de noodlijdende bevolking terecht kwam, maar waarmee de plaatselijke corrupte presidenten en koningen hun kastelen nog wat rijkelijker lieten versieren. Nog een vraagje: Nu de wereld voor deze Afrikanen, via satelliet en internet zo klein geworden is, schrikken wij er dan van dat die zwarten nu de omgekeerde weg, richting noordwaarts, vanwaar het geld ooit kwam naar oorsprong, onze geldbeugel, al stappend, varend of zwemmend afleggen. Zouden wij in hun plaats niet hetzelfde ondernemen om eindelijk een stukje van de op de televisie getoonde welstand op te eisen? Van honger- naar bijstandsneger. In Antwerpen werd vorige week de eerste sigaretten- en prullariaventer in dienst van de ‘zwartemannekesleurdersmaffia’ op de Groenplaats gesignaleerd, zijn zakken vol asielweigeringen en papiertjes met: U moet ons land verlaten. Voor we het weten, zullen we niet meer ongestoord op een Antwerps terrasje een koffie kunnen drinken, zonder dat we voordurend houten maskers, speren, handtassen en namaak merkkledij onder onze neus geduwd krijgen. Vraag drie: kijkt U al eens naar ‘De Buurtpolitie’ met zijn fantastisch nagespeelde maar soms lachwekkende en onnozele echte politiezaken?  In de krant stond te lezen dat echter de echte politiemensen en rechercheurs, en zeker diegenen die rond het Brusselse patrouilleren, regelmatig tegen een burn out zitten. Zouden jullie niet gefrustreerd raken als je het crapuul, met het middenvingertje omhoog, vrij voorbij het commissariaat ziet lopen nog voor je het proces verbaal uitgetypt hebt? Al wat deze agenten doen, is gewoon dweilen met de kraan open. Om hun werk wat op te leuken, sluiten ze nu intern weddenschappen af: De pot is voor diegene die kan raden, hoe lang in uren, minuten en seconden het duurt voordat een onderzoeksrechter het juist aangehouden boefje terug laat lopen. Wat voor watjes zijn die rechters! Het voorgeleide schorremorrie was al een veertigtal keer voor diefstal opgepakt en had met een engelengezichtje, met de hand op het hart, voor de veertigste keer aan de onderzoeksrechter beweert dat hij het nooit meer zou doen en werd opnieuw zonder straf  door die zachte ei-rechter terug de grote boze dievenwereld ingestuurd. Krijgen wij als burger niet stilaan het gevoel, dat deze rechterlijke schijtlijsterreacties de straffeloosheid in België in de hand werken? Wereldvreemd mag je hen niet noemen! Hoe noem je die ivorentorenmagistraten dan?? Je moet maar als slachtoffer, met een gebroken heup in het ziekenhuis liggen nadat dit handtassentrekkertje je onderuit gesleurd had en horen dat die wereldvreemde halfzachte rechters het gespuis, soms zelfs niet eens onder voorwaarden, terug vrijlaten. Met hun vermanende pasop- vingertje hebben ze het boefje toegesproken en wachten nu geduldig af tot het schoelje zijn 100ste diefstal pleegt, zodat ze hem een ‘volhoudingsmedaille’ kunnen uitreiken! Nog een vraagje: Begrijpen jullie dat sommige advocaten nog de slaap der rechtvaardigen slapen?  Hebben zij misschien een duister complot met een aantal knoeiboelmagistraten, die keer op keer door procedurefouten het tuig ongemoeid moeten laten lopen? Wat mankeert er aan ons rechtssysteem? Nu moet men mij toch eens eventjes vertellen, waarom men, een jihadmoeder, die al in de gevangenis zat, midden in terreurniveau 4, terug vrij gelaten werd in afwachting van de uitvoering van een nieuw proces in beroep! Waarom worden terugkerende Syriëstrijders met een enkelbandje en de hoop dat ze uiteindelijk ooit eens gaan deradicaliseren, terug in onze maatschappij geretourneerd? En die pedofiel, die door verschillende mensen ontmaskerd werd, waarom liet men die na ondervraging terug lopen? Waarom kunnen drugdealerkopstukken lachend het gerechtsgebouw verlaten, omdat er ergens op een papiertje een verkeerde vertaling staat?  Vragen, vragen, zoveel vragen. Gaat daar ooit een oplossing voor gevonden worden? Ik betwijfel het…meer nog ik weet wel zeker van niet! Dus laat ons al eens beginnen met aan die Zweedse idiotiska retande politiker en linkse grav laxlikkepotte te laten weten dat wij, de rest van Europa,  helemaal niet achter hun naïeve wollegeitesokken- krantenidee staan en dat ze dringend moeten stoppen met hun peumpergedeu!

Sim
0 0

HIER EINDIGT DE BESCHAVING, MEER DAN EENS HEEL ACTUEEL!

Ik weet niet hoe het met jullie gesteld is, maar het fenomeen “reacties op dagblad- en facebook artikels” houdt mij hevig  bezig. Sinds jaren lees ik gratis de kranten via het internet en ik kan niet aan de lokroep weerstaan om telkens weer de reacties op de artikels, van al die anonieme aliassen eventjes open te tikken. Bij het lezen van al die reacties lijkt het wel, dat in dit land iedereen wel zijn eigen mening dringend wereldkundig moet maken of plezier vindt in het afzeiken van andersdenkenden. Het is alsof je de beerput opent en het rioolpersluchtje rond je hoofd komt stinken. Ik begrijp nog steeds niet ten volle waarom de internetdagbladen een forum geven aan een gefrustreerde Yor, een James kont, een tisaltijdwat, een Vlaams kieken of een Zeurpiet.  Ik weet, na al dat lezen ondertussen, dat de meeste respons geschreven werd door simpele zielen of platvloerse judassen die al hun anonieme pesterijregisters on line opentrekken om hun opgekropte ergernis ergens te kunnen lozen. Ongelofelijk hoe mensen met blijkbaar een hersencapaciteit van een mini garnaal en een nog kleinere portemonnee-inhoud plots al hun frustratie en jaloezie als ‘would be’ journalisten moeten ventileren. De virtuele ruziestokers verkondigen, via reacties aan de krant en op allerlei sociale media zoals Twitter of Facebook ongezouten hun mening. Ze vallen op een laffe naamloze achterbakse manier, politiekers, bekende Vlamingen en hun collega- reactieschrijvers (die niet hun zelfde mening toegedaan zijn) met pijnlijke scheldkanonnades aan.   Het liefst zouden ze nog een cyberoorlog ontketenen, met elkaar via de webcam op de vuist gaan of virtueel met rotte eieren en overrijpe tomaten willen smijten. De meesten zijn boosaardige hufters die uit pure verveling de moraalridder willen uithangen. Vroeger kocht mijn vader een papieren krant, mompelde wat, riep vervolgens verontwaardigd wat naar mijn moeder, en daarmee was de kous af. Diegenen die thuis geen luisterende partner hadden, trokken naar een of andere bruine kroeg en hingen daar aan de toog, achter pot en pint, wat tegen elkaar te ouwehoeren. Na een nachtje leuteren over foute toestanden en hun ongenoegen over de interne- en wereldpolitiek uitgestort te hebben, sleepten ze zich dan als menselijk wrakhout richting thuis om daar hun roes uit te slapen. Vandaag de dag bestaan er bijna geen buurtcafés meer, is het sociale luisterende oor zoek en riskeer je op je bek getimmerd te worden als je andersdenkend, verkeerdelijk het foute antwoord geeft. Dus verplaatst de platvloerse woordenstrijd zich achter de computer, de pc , de smartphone of de tablet. Lekker anoniem met een alias als, Poeki, dakdekkertje, Humpidumpie of Deug niet, durven deze marginale zwak begaafden alle zangers, sportlui of Belgische politici met een zekere minachting en afgunst afkraken. O wee, de enkeling die deze bekende Vlamingen een hart onder de riem wilt steken en positief uit de hoek komt, die krijgt de volledige beerputkritikasters over zich heen. Als er om 7 uur ’s morgens een krantenartikel verschijnt, dat er die nacht op de Vlaamse wegen zich weer vier jongeren te pletter hebben gereden, staan er om 5 na 7 honderden, weliswaar goedbedoelde ‘innige deelnemingen’ en ‘sterkte’ reacties te lezen van een Mallebabbe, een Hubie , een Lief huisvrouwtje of een Sariemarijs. Op één enkeling na die ‘eigen schuld, dikke bult’ neergepend heeft. Denken die simpele van geest nu werkelijk dat de rouwende familie die ochtend niets anders aan zijn hoofd heeft dan na zo’n ongeval al deze reacties te gaan lezen? Als de Minister voor Asiel en Migratie, Theo Francken met zijn hoofd in de ochtendpers komt, dan zie je onmiddellijk aan de reacties van welke kant van de zetelverdeling de schrijfsels komen. Onder het pseudoniem van  Filip de Zomer, ssjef en Rechts worden er allerlei simplistische oplossingen aangereikt om de toestroom van armoe- illegalen tegen te gaan en kunnen er volgens hen niet genoeg teruggestuurd worden. Een ander verhaal krijg je van Rooiemia, Boeleke, Hubu en Linkseteo, die vinden dan dat ‘zwarte’ Theo niet genoeg vluchtelingen binnenhaalt en er, in hun ogen, teveel uitwijst. Diezelfde schrijvers maken dan later een reactiebocht van 180 graden als Theo met een plan komt om 2500 extra bedden voor asielzoekers te voorzien in een kazerne ergens in hun eigen gemeente of in een centrum juist om de hoek. Onmiddellijk worden er dan niet mis te verstane moordlustige haatcampagnes gelanceerd. Maggie de Block, Minister voor Asiel en Migratie, in een vorige regeringssamenstelling, werd prompt de populairste vrouwelijke minister nadat ze een, in de media opgevoerde, compleet geïntegreerde, vlot Nederlands pratende, hard werkende maar een volledig uitgeprocedeerde 18 jarige Afghaan terug naar Afghanistan retourneerde. Maggie is nu Minister van Volksgezondheid en krijgt nu bakken kritiek. Een Sprietje, een dieetgoeroe, anorexia8 en een Robinhoet  kunnen nu in alle anonimiteit onze obesitas- Rubensvrouw beoordelen op haar lichaam en niet op haar beleid. Op een artikel over de Gay Parade in Antwerpen, tuimelen stante pede een tweehonderd reacties over elkaar de krant binnen. Nog nooit heb ik op zo’n korte tijd zoveel synoniemen voor het woordje homo of lesbo gelezen. Notoire homohaters, zoals een Godismetu, Lulleman en een Engeltje moeten hun purgerende shit over deze, volgens hen, schaamteloze optocht uitstorten. Deze zedenpredikers, die nog steeds beweren dat holebi of transgender zijn een ziekte is, moesten tot in hun liezen, purperpaars van schaamte worden. Hopelijk krijgen ze in de toekomst een zoon of een kleinzoontje die alleen met een pop onder zijn arm,  in een roze pamper wil rondlopen of een babymeisje dat hun in de puberteit komt vertellen dat ze volgens ‘hem’ een stukje te weinig heeft. ’t Zal ze leren. Als Vlaams Minister van Dierenwelzijn, Ben Weyts niet van zijn standpunt afwijkt, dat onverdoofd schapen slachten niet meer in onze Westerse beschaving thuishoort, krijg je meteen een soort fonetische analfabetische reacties van een Momo, een Pitalover en een Abia3, die vinden dat zij als gasten in ons land en als nieuwe Belgen het recht hebben om voor hun Offerfeest ritueel te slachten. Daartussen staan dan de schrijfsels van Puck, Minoeke, Wafwaf en Flipper2, alle dierenactivisten, honden- en poezenliefhebbers en Gaia sympathisanten die de verstandige Minister toejuichen. Vorige zomer verscheen er in de internetkrant een artikel over klagende burgers. Na drie jaar strijd, met politie interventiesen proces verbalen werden zij nog steeds niet door de gemeente au serieux genomen. Zij klaagden over lawaaioverlast, nachtlawaai,verkeerd geparkeerde auto’s voor hun deur en tegen hun poort rotzooi achterlatende, brakende en pissende klanten van een restaurant/café/dancing in de buurt. Ten einde raad staken zij hun koppen bij elkaar, lieten een petitie rondgaan en lieten ze in hun eigen voortuin een bord plaatsen met de woorden ‘Hier eindigt de beschaving’. Direct kwam er een reactie van de restaurantuitbater, want waarschijnlijk wie het schoentje past, trekke het aan. Nu woon ik niet in de buurt en ik weet dus niet of de klachten gegrond zijn, maar iets zal er wel waar van zijn anders zouden de mensen er niet stilaan genoeg van krijgen. Of het plaatsen van zulk ‘reclamebord’ nu de juiste oplossing was om een oplopende burenruzie alsnog uit te praten, betwijfel ik, maar de omwonenden kregen nu wel een forum op de plaatselijke ATV nieuwszender en meteen een luisterend gemeenteoor. Nadat een journalist (die waarschijnlijk op een gratis etentje in het restaurant uit was) een volgens mij niet geheel onpartijdig artikeltje in de krant deed verschijnen, was het besmeurde hek van de dam. Alle lawaaizoekende tamtamklanten,  kroeg- of klaplopers en potentiële herrieschoppers, of zij daar in de buurt woonden of niet, kropen achter de computer en begonnen in de krant met diepe minachting de desbetreffende goedgeboerde villa bewoners de huid vol te schelden. Zelfs de mogelijke immobiliën waarde van hun huizen kwam sommige jaloerse schrijvers de strot uit en gaven, volgens hen, deze rijke stinkerds geen reden tot klagen. Ook iedere meelevende burger die het aandurfde begripvol te reageren, werd met bagger overgoten.  Het is meer dan duidelijk dat niet alleen in Schilde de beschaving eindigt, maar achter alle computerschermen waar anonieme aliassen, censuurloos en schaamteloos hun drek over de krantenlezers uitstorten. Weet U Mevrouw of Mijnheer, welk het alias van Uw wederhelft is? Leest U met flikkerende oogjes over zijn of haar  schouder mee, wat zij allemaal ongegeneerd op de sociale media durven schrijven. Of krijgt U het ongemakkelijk warm van plaatsvervangende schaamte als U al die beerputergernis en racistische uitlatingen van Uw partner ongewild onder ogen krijgt? Ik hoop dan maar dat alle bekende Vlamingen, politici  en ‘mede van repliek genietende schrijvers’, in de toekomst deze reacties niet meer openklikken, want niemand blijft tenslotte onberoerd na al die randdebielenkritiek.  En terecht moeten al die marginale racisten die schaamteloos in hun eigen leefwereldje hun frustratie wegtypen, vervolgd worden! Wat er in die hoofden van die virtuele ruziestokers omgaat is moeilijk te begrijpen. Dus bij deze, als ‘Heethoofdje, Pierewaaier, ArmVlaanderen en Criskras zich, na het lezen van dit verhaaltje herkennen en jullie jezelf misschien aangesproken moesten voelen om een reactie achter te laten:” Be my guest!” Na elke artikel in deze krant is er een plaats voorzien waar jullie ophemelende reacties zoals; “Leuk geschreven” of vernietigende kritiek zoals; “Simone is een supertrut, die denk dat ze schrijfster is of wat allemaal nog meer kunnen achterlaten. Lezen zal ik ze echter niet. De beschaving eindigt achter jullie computer…niet achter de mijne. Sim

Sim
0 0