Zoeken

Olifantengenen

Ik denk dat ik niet mag klagen over de genen die ik geërfd heb. Geen enge ziektes in de familie, geen rare afwijkingen, toch geen zichtbare in ieder geval. Iedereen in mijn familie ziet er voor hun leeftijd heel geconserveerd uit. Nu bestaat mijn naaste familie maar uit 6 personen dus misschien is dit niet echt een referentie.   Zo hebben mijn neefjes een zwarte vader waardoor zij gezegend zijn met de knappe mengeling van koffie met een beetje melk. Als kind beweerde ik stellig dat ik mijn snel bruinende kleur te danken had aan mijn neefjes. We hadden in die tijd, op de basisschool, nog niets geleerd over erfelijkheid. We leerden toen het verschil tussen een eik en een es, we  moesten in het park dan blaadjes zoeken en die tussen telefoonboeken drogen. Ik vraag me af hoe ze dit nu doen, blaadjes drogen. Als mama haar favoriete passage uit “50 tinten grijs” wil doornemen, kan ze wel eens voor een verrassing komen te staan. Het kind heeft dan misschien niet alle juiste blaadjes gevonden maar op vlak van seksuele voorlichting met een vleugje sm, heeft het kind toch iets nuttigs geleerd.   Ondanks die goede genen heb ik ook een paar mindere kantjes geërfd. Mijn eerste grijze haar ontdekte  ik toen ik 20 werd. Die werd prompt uitgetrokken. Toen werd het wat bizar en de volgende 5 jaar heb ik een grijze bles ontwikkeld. Die kon ik niet meer uittrekken want een kale plek midden op mijn hoofd, dat was nog "bizarder". Het zou nog jaren duren vooraleer ik aan het kleuren ging want ik was best wel trots op die grijze bles die niemand anders had!   Verder hebben mijn genen af en toe toch wel voor frustraties gezorgd, zeker in mijn pubertijd. Ik, bruin krullend haar (nu grijs dus), “zwaardere botten”, nogal rare wipneus en ongewenst haargroei dat typisch is aan brunettes versus mijn zus, 5 cm groter, 10 kilo magerder, sluik lang blond haar, zelfde neus maar minder prominent aanwezig. Iemand die zelf een vuilniszak kan laten doorgaan als de nieuwste modetrend. Die ogenschijnlijk alles kan eten wat ze wil. Ik kom ze wel eens tegen in een winkel, op een groot reclamebord. Iemand die haar broek maat 38 aan jou geeft omdat die van haar kont afzakt. Ik verkondigde luidkeels dat ik heus wel in een 38 geraak (wat ook zo is, echt waar! Meestal…) maar zij heeft toevallig die merken gekocht die net te klein zijn. Het is ook het type broek met wijde pijpen die haar fantastisch staan maar die mij het uitzicht geven van formaatje olifant. Nu pas na al die jaren heb ik dat allemaal kunnen loslaten, ik heb tenminste grotere borsten…

Dana's plakboek
0 0

De kok met k-o-k

Het Vriendje is kok, niet van beroep maar wel van opleiding. Het Vriendje is wel een blijvertje, toch zolang hij zo blijft koken.   Ik ben daar eens goed over nagedacht en ik ben tot de conclusie gekomen dat je als vrouw geen betere man kan hebben dan eentje die graag en goed kookt. Koken is namelijk iets dat iedere dag terugkeert in het huishouden. Je bent toch meteen een uurtje per dag bezig aan dat koken, een uurtje waarin je iets anders kan doen.  Een boek lezen, met de hond gaan wandelen, je benen ontharen, allemaal dringende zaken. En tegen dat je klaar bent schuif je je voetjes onder tafel.   Een man dat handig is en wel raad weet met de klusjes, is ook zeker makkelijk maar op uiteindelijk zijn de meeste klusjes wel gedaan en wat moet je hem dan laten doen? Uiteraard moet de man ook nog aan de klusjes willen beginnen. Uit ervaring en verhalen van andere lotgenoten hoor ik al te vaak dat hun man weliswaar handig is maar dat je even geduld moet hebben tegen dat hij er aan begint. Een maandje of 6 is zo het gemiddelde. Maar koken… wel een man heeft ook honger, de meeste altijd, dus alleen al uit eigen belang begint hij  dan maar te koken en wij vrouwen genieten daarvan mee. Zolang hij niet te veel desserts maakt en een halve kilo boter gebruikt voor een stukje vis uiteraard. Je moet hem voor je eigen gezondheid wel nog een beetje opleiden en sturen maar daar weten we wel raad mee. Je moet ze tenslotte ook leren dat hun sokken in de wasmand horen en niet ernaast. Het zal later aan de weegschaal te merken zijn of de opleiding al dan niet gelukt is. En ook aan de kledingstukken naast je wasmand.   Een man vinden die én goed kookt, dat ook iedere dag wilt doen én dan nog handig is, en die klusjes ook nog eens meteen immédiatement klaart én bij voorkeur ook nog zijn sokken in de wasmand doet. Nou ik zal maar stoppen want ik kom bijna niet meer bij van het lachen.   Dus ik ben zeer tevreden met het Vriendje die goed kookt en wiens sokken bijna altijd de wasmand bereiken. Ik zal die vijs dan wel in de muur draaien. Mijn vijskunsten overtreffen ruim mijn kookkunsten. I rest my case.

Dana's plakboek
0 0

mars en venus

Cliché: Mannen zijn sociaal, altijd omringd door makkers waarmee ze praten over vrouwen en auto’s. Toch is een man blijkbaar ook een solitair wezen. Het misstaat immers niet wanneer een man zich een hele avond op zijn eentje aan de toog nestelt met een biertje als enige gezelschap. Een vrouw daarentegen… Ik doe de test en ga alleen op café. Ik spot een man evenzeer alleen en duidelijk bereid om de avond ook alleen te eindigen. Of zo lijkt het althans. Is hij in werkelijkheid ‘op zoek’, en is die solitaire aanblik een pose? Het moet gezegd dat wij ons als vrouwen die pose niet kunnen veroorloven, hij (de pose) zou steevast geïnterpreteerd worden als zielig of wanhopig. De man in kwestie blijkt timide, doch enigszins in de stemming voor een bescheiden gesprek, wellicht omdat dat beter staat dan gewoon alleen zijn – hoewel. Het bescheiden gesprek verloopt moeizaam maar zeker en de nodige koetjes en kalfjes tieren welig. Ik heb absoluut geen zin om nu al naar huis te gaan, anders zou ik misschien toch vriendelijk bedanken voor al dit goedkope en oppervlakkige gezwets. We mekkeren en kabbelen gezapig verder over een aantal biertjes en ettelijke sigaretten (die verdomde houding weer!) en terwijl ik me suf pieker over een interessant onderwerp, komt plots de spreekwoordelijke aap uit de mouw. Mijn gesprekspartner is er in geslaagd het gesprek in de richting van zijn relatie te sturen. Hij heeft ruzie met zijn vriendin. Zijn vriendin is jaloers. Onnodig en belachelijk. Meneer is ook wel wat aan de jaloerse kant, geeft hij mompelend toe, maar haar gedrag is toch echt onvergeeflijk. “Dus dan maar besloten om je te komen bezatten,” vraag ik op wat hopelijk een ironische toon is. Nee, nee, schudt het hoofd van mijn gezel heftig en verongelijkt. “Niet echt.” Een trieste blik volgt. Een korte stilte. En dan, als een waterval, komt heel het verhaal van de ongelukkige liefde in geuren en kleuren over me heen, en ik merk dat zijn tong niet meer gecoördineerd de lettergrepen vindt om zijn frustratie en ongenoegen te uiten. “Ach, het is overal wel wat,” zeg ik uiteindelijk, in de hoop de conversatie een andere wending te kunnen geven. Maar ik merk dat de bal doel mist en dat mijn proefkonijn geen oren heeft naar de opmerking, naar wat dan ook. Ik dien duidelijk enkel als klankbord en het glas Duvel aan zijn lippen zorgt daarbij voor een perfecte akoestiek. Door de alcoholnevels heen onderscheidt mijn vriend opeens een bekende van hem aan de andere kant van het café. Hij verontschuldigt zich met de woorden, “die man is als een broer voor mij,” verlaat vervolgens zijn barkruk en stapt op de man af. Dankbaar terug alleen te zijn met mijn eigen gedachten staar ik onwillekeurig naar het gesprek tussen beide ‘broers’. Van wat ik ervan kan opmaken, is het een vrij eenzijdig gesprek, met mijn mannetje in de hoofdrol. Veel begrijpende hoofdknikjes en een schouderklopje van Broer. Wat later zie ik ze samen grapjes maken en lachen. Mijn vriend werpt mij af en toe een schampere blik toe waarin ik enige vorm van medelijden meen te onderscheiden. Ach, mannen onder elkaar. Dat kan een vrouw toch niet begrijpen. (Maar het staat ieder vrij een poging te doen.) Mijn laatste solitair glas van die avond leeg ik met de gedachte dat een man alleen aan de bar niet minder zielig is dan een vrouw, integendeel. Maar het café, en meer bepaald de zones aan en rond de bar, is toch nog immer mannelijk territorium, en wij vrouwen kunnen slechts trachten om er ons met de elleboog tussen te wriemelen. Ik blijf alvast proberen…

LL Rigby
0 0

Oude mannen

Ik aanvaard een compliment enkel zonder schroom wanneer het uit de mond van een man boven de zeventig komt. Ik hou van de bijna- vaderlijke manier waarop de bejaarde zijn oppervlakkige opmerking vakkundig in respectvolle woorden verpakt. Alleen het fonkelen van zijn door cataract aangetaste ogen verraden naweeën van de lust die op zijn twintigste door zijn lijf woelde. De gedachte overvalt me wanneer ik met de uitbater van mijn garage keuvel. De oude man heeft tal van en zonen verwekt die de zaak overnemen maar hij sloft toch nog eens graag door zijn imperium van autobanden en benzinegeur. Tussen zijn werkend nageslacht, voorzien van typisch garage-blauwe overallen en tribal tatoeages, kletsen we over de oorlog en hoe de tijd intussen te snel gaat voor hem. Hij is 84, zegt hij, maar de eerste honderd zijn de moeilijkste. Hij knipoogt en ik lach.   Ik denk aan die keer met de man van tachtig. We raken aan de praat op straat, hij nodigt me uit op restaurant en zo geschiedt. Hij haakt zijn arm lachend in de mijne en troont me als een duur geschoten kermisprijs mee  door het etablissement. Zijn hoffelijkheid wisselt soepel af met schunnige opmerkingen en knipoogjes. De man is een meester- verleider. Hij heeft dan ook al 80 jaar ervaring.In de zak die hij bij zich draagt zitten de pantoffels en een vuile pyjama van zijn vrouw. Haar ogen staan vaag en ze kent hem enkel uit beleefdheid. Toch bezoekt hij elke dag. Hij vertelt het me met de rauwe eerlijkheid die alleen oude mensen in zich hebben. Dat soort oud dat de mens wekelijks de balans van zijn omgeving doet opmaken: wie welke dodelijke kwaal heeft, wie het leven opgaf. Dat soort oude mens dat eindelijk groeipijn leert aanvaarden, om dat het ongemak van krimpen. De garagist buigt zich naar me toe om me iets toe te fluisteren. Zijn muffe adem kruipt in mijn neus. Zou het het nestelen van de dood in zijn binnenste zijn dat ik ruik, vraag ik me af. En als dat zo is, hoe zou het dan zijn om met hem te slapen. Om zijn vuur te voelen wanneer ik zijn doven ruik. Deze jonge man in zijn oude huls, die leven spreekt maar dood uitademt: ik zuig zijn verhalen gretig op. Ik hang aan zijn lippen. Er is weinig waar ik meer plezier uit haal dan gedetailleerde bejaardenverhalen. Tenzij misschien een compliment.

Amarylis
0 1

Jukebox voor dromen

“Met wilde regelmaat is het dag en nacht in mij.” Prachtzin uit een dichtbundel van Stijn Vranken. Maar op dit uur (08u14) voel ik me toch vooral heel erg wild ochtend. De vrouw rechts van mij doet dan weer haar best om wild in slaap te vallen. Ik zie (en hoor) haar vingers ongecontroleerd meetikken op Rihanna’s golden oldie ‘Shut up and drive’. Intussen staan we al vijf minuten stil in het station van Gent-Dampoort: shut up conducteur, en laat ons voorttreinen. Ik hoor het refrein dwingend nagalmen.   Ik lijk solidair met de old school Rihannafan aan m’n rechterzijde, maar ik ben soms maar een schijnsocialist. Ik beken: ik hou ervan om een koptelefoon te dragen zonder dat er muziek opligt. Niet omdat ik een show off of gadgetnerd ben: de koptelefoon is een afdankertje van m’n lief. Let’s listen to some music like it’s 1999. Een discman was geloofwaardiger geweest. Ik probeer van de stilte en de passerende Vlaamsche landschappen te genieten, maar de spreekwoordelijke stokjes tussen m’n oogleden houden het niet recht. De dichtbundel die ik lees lijkt de slaap niet te overwinnen. Dus ik gun m’n ogen wat rust en schakel m’n gedachten naar modus unconscious – ik scheur weg in de turquoise oldtimer uit de videoclip van ´Shut up and drive’ en ga cruisen door het achterland van Beervelde. Nog even neemt m’n bewustwijn het over. Note to self: google de videoclip als je opnieuw kunt verbinden met wifi.   De fase voor het inslapen is vaak het heerlijkst. Je beseft niet dat je denkt, dus je denkt wíld. Geen zelfcensuur op dit moment. Tot je wakker schrikt uit je schijnslaap – “Vervoersbewijs alstublieft!”- en je tot je verbazing moet betalen voor je tripje langs Beervelde. What was I thinking? Ja, wát droomde ik nu weer? Damn, de droom is weg, maar het cruisegevoel zindert nog na. (Of is het de trein die eindelijk op snelheid rijdt?) Last note to self: lees in het vervolg geen dichtbundels meer maar Uitvinden voor dummies en ontwerp een registratiemachine van prille dromen. Toch tijd genoeg nu; ik pendel twee uur per dag. Twee uur extra om te doen alsof je naar hippe muziek luistert, in slaap te vallen en te dromen over uitvindingen als jukeboxes voor dromen. Cruisedroom van Gent-Dampoort naar Beervelde in Riri’s car: 2 euro. Put another coin in the jukebox baby!

Flor Naranja
24 1

BSO-leerling en trots

Er is niets mis mee om ergens niet goed in te zijn. Wel is er iets mis mee om iemand te beoordelen omdat hij iets minder goed kan dan jijzelf, terwijl hij andere dingen hoogstwaarschijnlijk beter kan. Het mag dan een cliché zijn, maar iedereen heeft zijn of haar eigen talent. Een talent dat veel kan inhouden. Een talent dat broodnodig kan blijken te zijn in onze huidige maatschappij en in de onzekere toekomst die voor ons ligt.   Toen ik in mijn derde middelbaar moest overschakelen naar BSO omdat ik de vakken wiskunde en fysica maar niet wist onder de knie te krijgen, schaamde ik mij. Nu schaam ik mij omdat ik mij toen durfde te schamen. Dat ik dezelfde gedachten en vooroordelen koesterde die zovelen bewust of onbewust voor meer praktische opleidingen koesteren. ‘Afzakken’ noemt men het, een woord met een bijzonder negatieve ondertoon. Mijn ouders gingen steevast in tegen deze benaming. Je ‘verandert van richting’, je ‘daalt’ toch niet af?   Mijn jaren in het beroeps-onderwijs bleken achteraf de beste jaren uit mijn middelbare schoolcarrière te zijn geweest. Ik kon doen waar ik me goed bij voelde en me uitleven. Ik had een leuke, gemotiveerde klasgroep. Zo nu en dan kregen we vervelende opmerkingen zoals die ene keer toen een docent tijdens onze theorie-rijles zei dat BSO-studenten gemakkelijker buisden omdat zij ‘minder hard werkten’ of toen een leeftijdsgenoot mij op vakantie gebood de koffie te gaan zetten ‘want daar studeer jij toch voor?’. Leerlingen uit het ASO kregen dan weer de opmerking ‘seuten’ te zijn. Er was met andere woorden een wisselwerking aan straffe beledigingen waaraan docenten duchtig meededen.   Ik heb nooit spijt gehad dat ik van studierichting ben veranderd. De vervelende opmerkingen hebben mij gemotiveerd om verder te studeren, ik begin dit jaar aan mijn master. Weliswaar in de culturele sector, die momenteel jammer genoeg stevig onder vuur ligt. Maar niet iedereen kan grove, denigrerende uitspraken omzetten naar iets positiefs. Mijn hart brak toen een jongen nadat ik hem over mijn studierichting had verteld, antwoordde dat hij ‘gewoon werkte’. Iets als ‘gewoon werken’ bestaat in mijn ogen niet. Chapeau dat je werkt! Geweldig dat je elke morgen opstaat om ervoor te zorgen dat ons land draaiende blijft. In tijden van crisis, wie hebben we meer nodig dan bakkers, verpleegsters/verplegers, slagers en werkmannen/werkvrouwen die ons van beschutte woningen voorzien? Hoe zouden onze steden eruit zien zonder gemeentewerkers, smerig allicht.   We hebben iedereen nodig, niemand is minderwaardig. Poetsvrouw/poetsman, architect, schilder of ingenieur, tout! BUSO, TSO, ASO, BSO of starten met werken op je 16de, zolang je maar doet waar je je goed bij voelt. Onderwijs en werken horen geen competities te zijn, het gaat niet om ‘de beste’ zijn. Laten we voor een keer onze vooroordelen overboord gooien en trots zijn op de ander en (!) op onszelf.

Ruth Govaerts
48 1

Flamenco, por favor!

“Je grenzen opzoeken, dat raad ik je aan,” zei Serge, mijn loopbaanbegeleider uit het Oostvlaamse Lovendegem. “Stap uit je comfortzone.” Met zijn handen opengesperd op de armleuningen van de fauteuil, priemden zijn ogen recht de mijne in. Ondertussen borst en Bourgondische mansbuik vooruit. “Ga es naar de sauna,” (zot!) en “Neem es het vliegtuig naar Spanje en loop daar twee dagen alleen rond”.   Twee dagen? Twee landen verderop? In 2011 deed ik drie weken India voor een cursus. De laatste twee dagen in Mumbai heb ik met veel plezier in mijn eentje de weg gevraagd, logies gezocht, bedelaars afgewimpeld, afgedongen op Indische koopwaar en in het holst van de nacht een wilde taxirit beleefd. Hoezo grenzen verleggen?   Dus, de sauna. Maar dat is een ander verhaal, beste lezer. “Dat is een hans ander verhaal”, zou de Serge zeggen.   Whatsappt een vriendin mij eerder van't jaar: “Seg Esmé, hebt gij goesting om mee te gaan naar Barcelona ? Ah nee, dat interesseert u nie zeker, het Zuiden.” Nee inderdaad. Macho’s, droge sossissen, en siesta in de zon tot het reetzweet langs uw benen in uw sletsen drupt. No me gusta. In een ver verleden ging ik Engels-Spaans studeren. Algauw bleek ik geen klik te krijgen met de taal van de tapas en tortillas. Het volgend jaar koos ik voor een andere studie. De basis was gelegd. Spanje en ik, wij zouden nooit vriendjes worden.   Kanttekening: Mijn schoonmoeder-sinds-vijftien jaar is lichtelijk geobsedeerd door el sur. Haar zus is getrouwd met een Spanjaard en woont al meer dan 40 jaar in Barcelona. Mijn schoonzus danst al jaren Flamenco. Ze heeft haar lief, de broer van mijn man, leren kennen tijdens de Spaanse les. Die schoonbroer is van opleiding vertaler Engels en… SPAANS!   En dan, een citytrip naar Barcelona in mei. Met een vriendin op vakantie, een kamer delen. Vijf volle dagen met iemand anders dan mijn echtgenoot. In een land waar ik evenveel affiniteit mee had als een stier met een stierenvechter. Grensoverschrijdend genoeg voor een introverte hoogsensitieveling?   Bueno, ik kan vertellen over het mooie weer, de uitstekende locatie van onze B&B, de sympathieke gastvrouw, de liters sangría, heerlijke veggie paella, goddelijke churros con chocolate, etcetera etcetera. Maar ik wil het hebben over de ervaring die er met kop en schouders bovenuit stak. De ervaring die mijn weerstand tegen “alles Spaans” met de grond gelijk maakte.   Flamenco, por favor!   Dankzij een plaatselijke kennis van mijn reisbuddy kreeg ik de kans om zaterdagavond mee te gaan naar een flamenco-optreden. “Zoek maar es op”, zei Emmanuelle de avond voordien bij een sangría tussen de locals. “De show heet Fla.Co.Men. Ik heb nog een ticket op overschot.” Oorspronkelijk wilde ik op zaterdag de gratis museum night meepikken. Let wel, ook buiten mijn comfortzone! Maar als het lot mij onverwacht een ander plan voor de voeten gooit, wil het universum me iets duidelijk maken. Ikke mee, nada opgezocht, want flamenco, dat is toch hevig opgemaakte dames in zwierige rokken, met boze gezichten, stampvoetend en castagnettend in het rond, no?   No! Of toch niet uitsluitend. Het is ook Israel Galván, een vernieuwend flamencodanser, een man. Uit Sevilla, stad der Flamenco. En ik met een ticket voor op de eerste rij, pal in ‘t midden. Het begon vreemd. ‘t Is te zeggen, hij bracht kort enkele typetjes naar voor. Ondanks mijn weinige kennis Spaans, begreep ik dat hij zo de draak stak met de traditionele en behoudsgezinde flamencobeweging. Oh, een rebel? Mmmm…  Stap voor stap kwam de show op gang. Aye caramba, que espectáculo!   Ik begon te snappen waarom mijn compagnie vond dat je flamenco vanop de eerste rij moet beleven. Met momenten dreef het zweet voorbij in de lucht. Gestamp in mijn maag. Geklap in mijn hoofd. Opzwepende muziek met doordringende zang. Geen houden aan, in mijn hart ontvlamde la pasión. Israel Galván haalde me uit mijn hoofd en deed me VOELEN, met de tranen brandend achter mijn ogen. Niet van tristesse, maar van pure heerlijke emotie binnenin. Sta me ook wat drama toe, na al het drama op het podium: Als nadien een bus mij had overreden, was ik perfect gelukkig gestorven!   Awel Serge, wat zeght he daar van?

Esmé Lemmens
79 0

Het Roze-Bril-Defect

Mijn foto prijkt op plaatsen op het wereldwijde web waar ik het vroeger nooit verwacht had. Ik heb ze er zelf gezet. Inclusief leeftijd, lengte en de antwoord op de vraag of ik wel een kinderwens heb.   Ben ik een roker? Gelovig? Zo ja, welk merk? Van geloof?   En andere vragen, onbeantwoord.   Wat verwacht ik van een relatie?Vul dit veld in. Maak uw profiel compleet. U bent er bijna! – Ja ja, ok.   Ik ben het zoveelste vakje tussen een zoo van vakjes die maar al te graag ten prooi willen vallen voor liefde. We hebben er allemaal gewillig voor gekozen en gaan – zo blijkt – verleidelijk lachend een happy ending-leven tegemoet. Dat hopen we toch.   Ik daarentegen, kijk op mijn twintigersleeftijd terug op welgeteld 2 kapotgesprongen relaties, waarvan 0 met volle enthousiasme – of verliefdheid – zijn aangegaan. 0 is de hoeveelheid gelukzalige momenten die ik met deze mensen heb beleefd.Ontelbaar de keren dat ik op de rand van bevrijding van hen stond en het alsnog uitstelde.   3 jaar ertussen, voorwaardelijk vrij.   De “liefde”, al zou ik het niet zo mogen noemen, ervoer ik als een benauwend cachot.   Ik begon te denken dat de voorraad Roze Brillen, waarvan iedereen (of zo leek het toch) één bij de geboorte was toegestopt, tot op de bodem was uitgekamd op het moment dat ik naar buiten kwam.   Of de mijne heeft maar één keer gemarcheerd, maar door het teveel aan energie hadden mijn batterijen het al opgegeven na één flikkering. En ben ik hem daarna verloren.   Het is misschien niet toevallig dat ik me nu na alweer 3 jaar me op het spelersveld der liefde begeef.   Met enig verschil dat eenzaamheid me nu zo vertrouwd is geworden dat ik er misschien wel niet meer van wil scheiden.   Taboe zijn degenen die de woorden “Forever Alone” grappend in de mond nemen en er de tranen niet van inzien.   Ik kan me niet behelpen om het meer en meer ook zo te voelen.   En toch, daar sta ik dan. In mijn vakje tussen duizenden andere hoopvolle vakjes, wachtend op een andere soort vrijheid die me nog altijd vreemd is.   Op mijn Roze Bril die ze dan toch nog hebben teruggevonden.     Bron: https://inkognitoweb.wordpress.com    

Nachtpieker
0 0

Meisje vermoord lief met één van de vier kussens

Hey liefje, Gij denkt nu zeker: OEI EEN BRIEF Geen nood: ik ga hem ondertekenen met ‘uw lief’. Bij Ikea bleek ons bed er eentje voor twee Net geen king-size: dat leek ons wel oké Iedereen die erin slaapt, zal ondervinden: Dit is gemaakt voor de dikste man ter wereld Zijn vrouw en hun vijf obesitas-kinderen. Toch zit er iets scheef Terwijl gij op uw twee oren kunt slapen Blijf ik draaien, wiebelen en gapen. Een slaaponderzoek lijkt me dan weer Nutteloos tot de tweede macht Want ook al zegt ge elke keer"Tot morgen liefje, slaapzacht"Ik weet dat ge dat niet kunt beloven Even later komt namelijk De schizofreen in u, onherroepelijk naar boven Liefje: snachts doet gij iets wat Tegen alle waarden van een huwelijk indruist Gij slaat op mijn gezicht schat Vol met de vuist Of ik in uw dromen nu Het gedaante aanneem Van Mohammed Ali Of gewoon mezelf op een slechte dag Ik ben er vrij zeker dat een aanval in de rug In geen van de gevallen mag. Liefje: uw kracht is gelukkig beperkt Maar ik heb tot mijn spijt Nog iets anders opgemerkt Je rolt soms over me heen Alsof ik de zakdoek in het bed ben En je stampt tegen mijn been Blijkbaar is noch mijn gewicht, noch mijn gestalte Een hindernis voor jouw Volgende halte: De andere hoek van ons bed Daar wil jij slapen Daar heb je uw zinnen op gezet Nu is het zo dat ik daar eigenlijk hoor En mij daar de laatste tijd Toch wat aan stoor Het volgende moest ik vragen van mijn nekspieren De kussens op onze matras ZIjn ondertussen al met z’n vieren Ik wist niet dat dat niet voldoende was Nu hebben blijkbaar jou voeten, Hoofd, rug en buik Erg graag een kussen in gebruik Waardoor het bloed snachts lustig Stroomt tot het hoogste punt van mijn hoofd En geloof me er is niemand je die rustig Van je kussens beroofd Alsof het je lottowinst is, je grootste schat Je verdedigt die zak met veren  Alsof je nooit eerder een kussen hadLiefje, slaapmonster, nachtschizofreen Mijn koffer blijft voorlopig hier Ik ga nog nergens heen Maar – gewoon voor mijn slaapvertier Zou ik willen dat je even oplet Want ik wil – alstublieft – Een,fuckingSTAPELBED.Uw lief.

Lot
0 0

Wat een geluk - ik erger me weer dood aan alles en iedereen

Welk een genoeglijke uurtjes heb ik tot nu toe al beleefd aan de biografie van Geert van Oorschot. Er zit vaart in, er passeert een hele reeks dode schrijvers/dichters/redacteurs/recensenten de revue waarvan je denkt: allemaal aanzetten tot wederom waarschijnlijk wonderlijke biografieën - het is gespekt met zo mag ik verhopen waarheidskundige details (dat is welzeker, auteur/biograaf Arjen Fortuin tekent hier voor een titanenwerk) en vooral ook: er wordt - althans in deze fase van het boek, zo ongeveer middenin - kwistig rondgestrooid met citaten van de uitgever zelve uit brieven en telegrammen allerhande (het telegram! ik hing gisteren anderhalf uur aan de lijn van een ouderwetse telefoon - ik kan alleen maar hopen dat deze beeldcultuur-jeugd dat genoegen op een dag ook nog eens mag smaken). Het is een boek zonder maren die zich opwerpen, twijfels of ongerijmdheden die zich in het riet zouden verbergen. Het is bovenal een inspirerend boek.   Maar kom, voor zij die graag 'maren': de biograaf maakt door het belichten van bepaalde fasen en contacten (en soms expliciete terzijdes) natuurlijk een keuze: als hij daarbij patronen ontwaart (Van Oorschot als ruziemaker, als op de kleintjes lettende commerçant, als ... ) dan zou je weleens kunnen durven denken: echt? echt? Selecteren is ook propageren - maar zoals gezegd: ik neem aan dat deze keuzes niet uit de lucht komen vallen / al ontbreekt er dan ook wat vergelijkingsmateriaal (hoe zat dat bij andere uitgevers? hoe was die hun relatie met hun poulains, dichters, schrijvers?) Maar dat is maar een kleine maar, geen bezwaar om ongestoord te kunnen genieten van dit boek - mooi uitgegeven bovendien, al zou ik weleens willen weten op welk papier het nu is gedrukt.   Het fijne aan dit boek - althans, zoals ik het nu ervaar - is niet hoe Geert van Oorschot tot leven wordt geroepen - al zijn de citaten zoals gezegd wel een cadeautje van over het graf, ze geven inzage in temperament en strategie van een man die hoewel gedreven toch ook blijkbaar regelmatig redelijk 'stoemelings' succes oogstte. Het is eerder hoe er ook iets van zijn geest in de lezer lijkt te varen. Passie, gedrevenheid, voortvarendheid, durf. Maar ook: ergernis. En zodoende kan ik alleen maar met de grootste vreugde constateren dat ook ik opnieuw mijn ergernis terug heb. Ik erger me weer dood aan alles en iedereen, niet het minst aan mezelf. En welk een prachtcadeau is dat! Want door praktische modaliteiten en welwillende liefdesomstandigheden leek ik de laatste maanden wel meer dood dan levend. Maar dank god - of Fortuin of Van Oorschot - dus voor dit boek. Want is het niet bij een bijkanse regelmaat van ongeveer elke pagina dat ik denk: het verleden is springlevend, hoezeer toch zijn bedenkingen, oprispingen en kanttekeningen over macht en onmacht van literatuur van alle tijden.   Hoe Van Oorschot halsstarrig probeert een goed tijdschrift uit te geven (geniaal toch, zo'n satelliet rond een uitgeverij om te wegen op het publieke debat - vandaag reiken de ambities niet verder dan de omzet en het aankopen van wat kutkunst). Zo'n Hermans die verzucht dat het tijdschrift in kwestie geen aandacht heeft voor de actuele literaire ontwikkelingen (wat zouden die ontwikkelingen van vandaag dan wel mogen wezen, vraag ik me af). Hoe de uitgever zich ergert aan slappe literaire kost en lamlendige positioneringen ... Ik leef op bij zoveel voortvarendheid, bezieling, energie. Het is een misprijzen dat bij Van Oorschot altijd gepaard gaat met de hoop op beterschap.   En zo dwaal ik tijdens het lezen af in mijn eigen geestesbibliotheek van ongerijmdheden. Bekijk die dorheid die ons tegenwoordig overspoelt - zo van die gesubsidieerde 'wat nemen we onszelf toch ernstig' literaire magazines waar je met de beste wil van de wereld geen leven in kan schoppen. Zo van die in de publieke ruimte oprijzende figuren die je eigenlijk gewoon in een pennenzak kan steken: ze hebben dezelfde goede opleiding gehad, ze lezen dezelfde boeken, ze gaan naar dezelfde conferenties, en ze vertellen dezelfde lauwe prut - zelfs hun vertelstramienen zijn aan elkaar ontleend. Zo van die columnisten die zich druk maken over het kapitalisme in een kapitalistisch medium - op hun bananenschillen stormen ze de berg af - maar zeg hun niet dat het richting ravijn is. Het is een zichzelf repeterende draaikolk die me alleen nog maar doet kokhalzen. En terwijl ik bijna stik in mijn ergernis, voel ik me zo ook weer wat vrijuit ademen. Een politiek geworteld magazine met literaire bijdragen! Waarom zou het ook vandaag niet kunnen? Ik zie bijvoorbeeld vrucht in een communisme light (Van Oorschot draait zich om in zijn graf): kapitalistische uitwassen behoeven correcties, en daarmee val je heus niet het hele systeem aan. Armoede, overbevolking en hoge huurprijzen: het zijn serieuze onderwerpen die licht kunnen gebracht worden. Het zijn onderwerpen die door de schrijvers van vandaag vakkundig vermeden worden, omdat ze er gewoon geen weet van hebben, niet willen doorgaan voor een zeur (iedereen weet/kent het al) of zich vooral politiek neutraal willen positioneren. Kortom: het zijn onderwerpen die voor het rapen liggen, ze wachten alleen nog op de juiste schrijver(s).

Guy Bourgeois
25 0

LOSLATEN EN AANVAARDEN

DE DOOD IS EEN UITDAGING DIE ONS VERTELT GEEN TIJD TE VERSPILLEN DIE ONS VERTELT NU METEEN TE ZEGGEN DAT WE VAN ELKAAR HOUDEN Leo F Buscaglia     HET BIJZONDERE TESTAMENT VAN EEN MEER DAN BIJZONDERE ZUS   Ik had een jongere zus, onze ouders hadden haar, bij haar geboren worden, de naam Ingeborg meegegeven. Een mooie naam die je toen, in onze contreien, zelden tegenkwam. We noemden haar Inge. Inge werd 5 jaar na mij geboren. Tijdens de eerste 3 eerste maanden van de zwangerschap was ons mama constant misselijk en ziek. Uiteindelijk werd ze met uitdrogingsverschijnselen voor korte tijd in het ziekenhuis opgenomen. Na negen maanden kwam het reeds in de baarmoeder op de proef gestelde wezentje ter wereld. Het “door het leven” op de proef gesteld worden zou een belangrijk onderdeel van haar opdracht hier op aarde worden. Aanvankelijk ging alles zijn gewone dagelijkse gangetje. Inge groeide op, leerde lopen, leerde praten en ging, net als ik een paar jaar eerder, naar de kleuterklas op de school van ons mama. In het eerste leerjaar werd vastgesteld dat Inge, meer dan de andere kinderen, moeite had met lezen, schrijven en rekenen. Mijn ouders schakelden een kennis, Luc, die onderwijzer was, in. De man kwam gedurende een bepaalde periode op geregelde tijdstippen bij ons thuis langs om samen met Inge de opgelopen schoolachterstand in te halen. Toch bleek dat niet voldoende en werd er voor gekozen dat Inge naar het in Wetteren pas opgerichte “bijzonder onderwijs” zou gaan. In de volksmond sprak men een beetje denigrerend van “den BLO”. Zelf heb ik het me toen nooit gerealiseerd, maar achteraf is gebleken dat Inge die uit een gezin kwam waar men “beschaafd” met elkaar omging en waar men AN sprak, in een omgeving terecht kwam van voornamelijk kinderen uit kansarme en gebroken gezinnen waar de omgangsvormen, om het zacht uit te drukken, minder veiligheid bieden aan een kind, zeker als dat kind zeer gevoelig en kwetsbaar is zoals ook mijn zus was. Inge heeft daar onder geleden. Ze zag dat haar oudere broer en zus en later de benjamin van het gezin een “normale” ontwikkeling doormaakten en naar een “gewone” school gingen terwijl zij “anders” was en niet kon spelen met kinderen met een min of meer zelfde achtergrond als zijzelf. Gelukkig was er ons moeder bij wie ze troost en steun vond en thuis beleefde ze wel gelukkige momenten. Ze haalde zelfs graag kattenkwaad uit en werd, om wie ze was, ook wel eens extra verwend en er werd al eens meer iets met de mantel der liefde bedekt als ze wat had uitgevreten wat niet koosjer was. Ik herinner me dat ze op vrij jonge leeftijd, ze was niet ouder dan 12, sigaretten begon te roken hangend uit het dakvenster van haar zolderslaapkamer. Ze genoot zichtbaar, dat kon je merken aan haar guitige blik, van het verboden experiment en deed er alles aan om niet gesnapt te worden maar grote broer had het gezien en vond het wel gedurfd en vermakelijk. Samen met de buurjongen Marco deed ze liefst alles wat niet mocht en ze was gewiekst genoeg om uit het vizier van ons vader te blijven. Daarbij had ze een grote aaibaarheidsfactor met haar van ondeugd fonkelende oosters aandoende oogjes die toen nog onschuldige, aanstekelijke levensvreugde uitstraalden. Buitenhuis echter ging het minder als vanzelfsprekend. Na haar jaren in het BO ging ze, alweer, naar de school van ons moeder in de Wegvoeringstraat, het Sint-Jozef-instituut, waar ze onder andere leerde naaien. Opnieuw kwam ze in een veilige omgeving in de buurt van mama terecht. Na de schooltijd begonnen voor haar de problemen pas echt. Ze zou nu ook werk moeten zoeken en voor haar eigen inkomen leren zorgen. Dat was voornamelijk de wens van vader die “vooruit” dacht en Inge er op wilde wijzen dat ze ooit haar eigen boontjes zou moeten doppen. Daar kon je maar beter vroeg genoeg mee beginnen. Zo heeft ze onder andere, terug via ons moeder in een naaigeriefwinkel en een naaiatelier gewerkt. In de winkel was ze graag en ze was er ook graag gezien. De uitbaters waren bekenden en namen haar liefdevol onder hun hoede. In het naaiatelier moest ze steeds doorwerken en productiecijfers halen. Bovendien was het een monotone afstompende bezigheid waar Inge helemaal niet voor in de wieg gelegd was. Ze was uiterst stressgevoelig en hoog-sensitief. Ze werd geleefd en werd er ongelukkig. Op een dag, na maanden rond te hebben gelopen met een pijnlijke knie, waarvan de pijn werd onderschat en de oorzaak niet ernstig werd onderzocht, werd bij Inge botkanker vastgesteld. Dat was in het jaar 1992, ze was  toen 26 jaar oud. Het verdict kwam als een donderslag bij heldere hemel. Onze zus had ”kanker” . Zoiets gebeurde toch alleen bij anderen. Sinds die diagnose is haar leven langzaam maar zeker beginnen te veranderen. Ze kreeg verschillende keren chemo toegediend en verbleef regelmatig periodes in het ziekenhuis. Inge werd zich bewust van de draagwijdte van wat haar overkwam en ging op zoek naar zingeving voor zichzelf. Ze ontdekte dat de vreselijke ziekte, o wonder, ook positieve kanten voor haar had. Ze hoefde, voorlopig althans, niet meer te werken. Ze kon op zoek gaan naar wat haar echt “bestaansredenen” gaf. Ze ging boeken lezen en haalde zo onder andere kracht uit het boek “je kan je leven helen “ van “Louise Hay”. Ze geraakte ondermeer geboeid door de Aboriginal-cultuur uit Australië waar ze zich in verdiepte. Ze luisterde naar, voor haar, inspirerende muziek zoals die van Tracy Chapman en Doe Maar. Ze schreef gedichten, maakte etsen en tekeningen, leerde weven op een klein weefgetouw en deed nog veel dingen meer. Maar bovenal ontdekte ze de, voor haar, “therapeutische” klei. Ze ging naar de academie en volgde er keramiek bij Evert voor wie ze al vlug een boontje had. Evert kwam soms bij ons aan huis en als hij er was kon je er op vertrouwen dat je enkel hoefde te luisteren naar de vleesgeworden spraakwaterval die hij was. Sommige mensen zoals ik vinden dat best ok omdat je, in mijn geval, dan zelf niet veel hoeft te zeggen wat ik toch meestal vermoeiend vind. Als Inge of ons moeder zelf het initiatief namen om een onderwerp aan te snijden werd hun poging na hooguit een drietal uitgesproken zinnen in de kiem gesmoord door Evert die plots een ingeving kreeg die hij absoluut eerst en vooral moest meedelen. Inge treurde er niet om, ze hing meteen opnieuw aan ‘s mans lippen en droomde haar “impossible rêve”. Ik begreep wel waarom mijn zus voor hem viel. Hij had charme en zijn onmiskenbare “aanwezigheid” en sappige manier van vertellen brachten geregeld animo in huis. Hij was kunstzinnig en fijngevoelig. Er was echter 1 hindernis. Evert was homo. Toch had ik het gevoel dat dat haar er niet van weerhield er van te blijven dromen dat zij en Evert  samen “iets” konden hebben al weet ik niet hoe ze dat concreet voor zichzelf invulde. Telkens ze over hem sprak stroomde ze over van bewondering en een diep gekoesterd, tot dan toe onbevredigd verlangen naar een beetje aandacht van haar leraar voor haar diepere zielenroerselen. Mijn lieve zus, ze heeft nooit een lief, in de echte betekenis van het woord, gehad, tenminste toch niet voor zover ik weet. Ze heeft het troostende en helende van lichamelijke liefde, als was het maar een tedere kus of een zachte streling over de huid nooit gekend. Nochtans was dat ongetwijfeld één van haar stoutste dromen. Wat ze uiteindelijk wel heeft gevonden is wie ze in wezen “was” en dat heeft ze naar buiten gebracht in honderden werkjes in klei, langgerekte smalle, op het eerste zicht op elkaar lijkende maar in essentie totaal verschillende beeldjes van een soort menselijke wezens. Je kan er meerdere terracotta-legers mee op de been brengen. Elk beeldje is uniek aangekleed, heeft een eigen gelaatsuitdrukking, heeft andere kleuren maar bovenal lijkt het alsof elk figuurtje een “verstild leven” is. Alsof het “echt” leeft maar even, zij het voor altijd, on hold is gezet. Ik kan, misschien is het inbeelding, het stilstaande leven, je kan het ook de ziel van het beeldje noemen, erin waarnemen, voelen, er bijna contact mee maken. Vaak stralen ze een zekere, bijna voelbare tristesse uit maar evenzeer volledige overgave aan wat “is”. Inge blijft “aanwezig” in haar fragiele schepseltjes en soms als ik voorbij het beeldje in onze woonkamer passeer valt het me plots op en word ik even stil om het in me op te nemen, om er even contact mee te maken en me weer bewust te worden van mijn eigen sterfelijkheid. Mijn zus heeft nog een tentoonstelling van haar werk meegemaakt  in de “Cultuurschuur “in Overbeke. Veel mensen waren oprecht ontroerd. Ik gebruik de term niet graag omdat hij vaak te pas en te onpas opduikt maar in het geval van mijn zus voel ik hierover geen gêne. Zij was een “kunstenares” in de ware betekenis van het woord geworden of beter, de kunstenares die altijd al verscholen in haar aanwezig was geweest was eindelijk op de voorgrond getreden en had zich aan de wereld kenbaar gemaakt. Inge is na te zijn hervallen van botkanker op 28 mei 2004 om 5 voor twaalf overleden. Daar wil ik later, in een volgend stukje, nog even op terug komen. Ze had ondertussen ook nog een beenamputatie doorstaan en nooit had ze geklaagd over haar lot. Ze voelde zich soms terneergeslagen maar gaf iedereen, mij incluis, moed en goede raad. Zo drong ze er steeds op aan dat ik iets creatiefs zou gaan doen want ze wist dat het met mij ook niet altijd even goed ging, dat ook ik voornamelijk werd geleefd vanuit de angst niet te voldoen. De vraag is echter: “voldoen aan wat?” Laat dit schrijven dan ter ere van haar zijn. Als dankbaarheid omdat ik haar stimulerende woorden nog steeds kan horen en er op dit moment, beter laat dan nooit, gehoor aan kan geven. Dit alles stond altijd al in de sterren geschreven zoals alles in de sterren staat geschreven, zoals elk haar op ons hoofd is geteld. Niets gebeurt “zomaar”. Het was vaak prettig in haar “langzame, zachte” aanwezigheid te vertoeven. Het leven werd voor mensen in haar omgeving plots klaarder en vrolijker als ze blij was en ze kon vol overgave lachen met anekdotes uit ons gezamenlijk verleden. Zo is er die keer dat ik samen met haar naar het zuiden van Frankrijk, meer bepaald ergens in de Ardèche, ben gereden. We zouden er met ons tweetjes kamperen en er een familie bezoeken, want ik was weer eens hopeloos verliefd geworden op een meisje dat ik had leren kennen tijdens een VDAB-cursus voor polyvalent bediende, die er op een camping verbleef. Dat bezoekje liep uit op een sisser. Het meisje en haar familie lieten uitschijnen dat we welkom waren maar hun lichaamstaal verraadde het tegenovergestelde. Het meisje had, toen ik voordien in België zei dat ik haar zou bezoeken, hoogstwaarschijnlijk niet geloofd dat dat in werkelijkheid ook zou gebeuren en ik had beter kunnen weten maar wou mijn “kansje” wagen want had verder niets te verliezen. Met een smoes, ik weet niet meer welke, zijn we toen zo vlug als we konden weer vertrokken. We zouden het niet aan ons hart laten komen en de bloemetjes eens vrolijk buiten zetten. Inge en ik zijn toen gaan dineren in een table d’hôtes. We zaten er tussen enkele al wat rijpere koppels en het gezelschap bestond uit in totaal zo’n achttal mensen. Het was avond en het weer was broeierig waardoor je gemakkelijker ontspant en zonder gedronken te hebben reeds in een lichte roes verkeert. Het eten was heerlijk en bestond uit verschillende gangen. De sfeer onder de aanwezigen, allemaal Fransen, was opperbest en uitgelaten. Nog heerlijker dan de maaltijd was de wijn en tot mijn  meer dan stomme verbazing liet mijn zus zich lachend en genietend steeds opnieuw, aangemoedigd door een vrolijke Fransman, van het goedje bijschenken. Ze dronk Godallemachtig alcohol! Dat had ik nog nooit van haar gezien. Het was even verrassend als toen ze als 10-jarige sigaretten “hing” te roken uit het Velux-zolderraam. Bovendien werd ze er behoorlijk vrolijk van en ging ze met de paar woordjes frans die ze kende afgewisseld met wat, naar de inspiratie van het moment naar het frans vervormde Vlaamse woorden, in conversatie met de Fransman die haar op tijd en stond van wijn voorzag. De man genoot van haar grappige gestes die steeds komischer werden naarmate de alcohol nauwkeuriger zijn werk deed en hij daagde haar een beetje uit, meer nog, hij begon haar op een speelse manier zachtjes te verleiden. En mijn zus…die vond het allemaal geweldig! Na het eetfestijn liepen we, na een korte autorit, over de stille camping, licht beneveld naar ons kleine twee-persoonstentje en ik moest haar in bedwang houden of ze schaterde, ondertussen allerlei leuke onzin uitkramend, de andere kampeerders wakker. Zo had ik haar nog nooit gezien en ik heb in mijn leven niet dikwijls zoveel binnenpret gehad. Het duurde, toen we in onze slaapzakken gekropen waren, nog ruim een half uur voor ze uitgebrabbeld en in een heerlijke roes verkerend in slaap viel. Nog een ander kampeerverhaal dateert uit het jaar toen we met mijn zus Veder, haar vriend Carlos en nog een paar mensen, ik weet niet meer wie er allemaal bij waren, eveneens in Zuid-Frankrijk, in de Provence, op reis waren. Weer sliep ik met Inge in een klein tentje toen, midden in de nacht, een meer dan hevig onweer losbrak. Er was paniek en geroep in vele tenten. Ik, die niet vlug onder de indruk ben van een onwedertje meer of minder, bleef rustig liggen en zei tegen Inge dat ze zich geen zorgen hoefde te maken. Het zou zo weer voorbij zijn en dan hadden al die flauwe bangeriken voor niets de moeite gedaan om uit hun warme bedje op te staan om angstvallig naar de buienzwangere en om de haverklap apocalyptisch verlichte hemel te staan staren. Zo gezegd zo gedaan. Mijn zus vertrouwde haar door de wol geverfde, niet van een kleintje vervaarde, grote stoere broer, tot we op een gegeven moment nattigheid begonnen te voelen, zij het letterlijk. In geen tijd stond er 10 centimeter water in onze tent en waren we opeens klaarwakker. Inge begon vrolijk te gillen en vluchtte de tent uit. Ik riep haar na dat ze naar de auto moest lopen, ik zou onmiddellijk achterkomen. Dat deed ik maar dan wel poedelnaakt. Daar heeft ze mij in haar verdere leven nog vele malen aan herinnerd en telkens bestierf ze het, evenals op het moment van de feiten, van de pret. Ze vond het grandioos en hilarisch en ik geniet weer na als ik er aan terug denk. Ja dat waren onvergetelijke momenten en ik veronderstel dat ze het verhaal ook aan derden heeft doorverteld. Die lieve, soms dolkomische zus. Ik wil haar terug zien om samen te lachen en onnozel te doen. Om het verhaal af te ronden kan ik er nog bij vertellen dat we de rest van het onweer in mijn kleine auto, rechtopzittend hebben geslapen, of het tenminste hebben geprobeerd. Na Inge’s dood zijn er nog honderden beeldjes en andere creatieve scheppingen van haar hand in kasten, waarvan ze de sleutels had verborgen, en in dozen door ons moeder teruggevonden. Een bijzonder testament en een heel emotionele gebeurtenis voor de vrouw die altijd bij haar is gebleven (Inge is thuis blijven wonen) en die steeds voor haar heeft gezorgd. Samen hebben ze ontelbare innige momenten met elkaar beleefd, musea bezocht, concerten bijgewoond, reisjes gemaakt en hun hart bij elkaar uitgestort. Inge toverde met haar ontwapenende opmerkingen fijne lachjes en twinkelende oogjes op het gezicht van onze dementerende vader die precies een jaar voor haar stierf. Ze heeft hem samen met ons moeder warme gelukzalige ogenblikken bezorgd bij zijn aftakeling. Wat een geschenk gaf ze die oude hulpeloze man daar “zo maar“, volledig belangeloos! Haar vader was niet de gemakkelijkste hindernis op haar weg geweest maar Inge had alles vergeven, Inge had alles wat haar vroeger ongelukkig maakte getransformeerd in haar levenswerk en in de liefde voor haar familie, ze was het aardse gedoe en geploeter ontstegen. Ze was opgeklommen naar een hogere orde. Ze was een voorbeeld voor zij die willen zien.

wimpel
0 0

Wat kwam na wat voorafging...

BEGRIJP JIJ DIE MENSEN DIE OP FEESTEN DE OVERWINNING VIEREN VAN HET LEVEN OP DE DOOD EN DIE KANSEN GRIJPEN WAAR ZE LIGGEN EN DIE ALTIJD WETEN WAT ZE DOEN ? Gorki   WAT KWAM NA WAT VOORAFGING   Ik heb lang getwijfeld over wat ik nu ga vertellen. Het zou kunnen overkomen als het profiteren van een “bekend” iemand die er niet meer is en die mijn woorden dus niet meer kan bevestigen of ontkennen. Ik zou dit kunnen schrijven om mezelf wat belangrijker te maken, of ten minste de indruk te wekken dat ik dat ben, bij mensen die vatbaar zijn voor die manier van denken, waar ik mezelf ook nu en dan ook toe reken. Aangezien het verhaal dat ik ga neerschrijven echter evenzeer deel uitmaakt van mijn leven als alles wat vooraf ging ga ik het toch vertellen en vrij vlug zal blijken dat het in de toenmalige context simpelweg niets bijzonders voorstelde. Het verleden zou in dat opzicht voor mezelf pas meer gewicht krijgen naarmate de tijd “erna” verstreek.   Op een frisse maandagmorgen van het jaar 1990 parkeerde ik mijn witte, 2dehandse Citroën AX Diesel, waar ik weer eens aan bedrogen was geweest omwille van de verborgen gebreken die zich na korte tijd openbaarden en die ik er als gratis optie had bijgekregen, voor de gebouwen van het opleidingscentrum van de VDAB . De opleiding zou een paar maanden duren en ondertussen bleef ik tijdens de weekends als bobijnopzetter aan het werk bij “Van Neder Carpets” in Waregem. Er kwam dus geen druk aan te pas want ik “had” werk en mocht in de opleiding falen zonder dat het mij, buiten het verder ondermijnen van mijn al niet opzienbarende zelfvertrouwen, schade kon berokkenen. Voor het eerst hoefde ik niet te presteren bij iets wat ik ondernam en niemand zou het te weten komen als het mislukte want niemand wist dat ik er ooit aan was begonnen. Vrij ontspannen stapte ik de refter binnen waar al enkele mensen, bijna allemaal jonge vrouwen, lichtjes gespannen via eerste verkennende gesprekjes elkaar aftastten en kliekjes begonnen vormen. Tussen hen in, een beetje afwezig stond een nog vrij jonge man, eigenlijk meer een jongen, wat onwennig te wezen. Hij zag me op mijn eigen manier minstens even weinig op mijn gemak zijn en kwam naar me toe. We praatten wat, beiden opgelucht dat we niet de enige man in het gezelschap waren. We stelden ons aan elkaar voor en kwamen tot de conclusie, Luc en ik, dat we daar beiden waren omdat we zelf niet goed meer wisten van welk hout pijlen te maken, we waren nog net niet verloren voor het vaderland maar de tijd begon wel te dringen. Hij vertelde me dat hij met zijn groepje onlangs had deelgenomen aan Humo’s Rock Rally. Ik vond dat wel leuk alhoewel ik de wedstrijd al een aantal jaren niet meer volgde maar we hadden meteen een aanknopingspunt gevonden voor een gesprek want ook ik had jaren tevoren met mijn groep “M. B.” deelgenomen aan de wedstrijd. Niet dat we ver geraakt waren maar de commentaar in HUMO op onze vertoning was zeker niet vernietigend geweest. Ik dacht bij mezelf: “dit is weer één van de velen die het hebben gewaagd en zo succesrijk zal hun deelname waarschijnlijk ook wel niet geweest zijn” want voor mij stond geen flamboyante rockster maar een doodgewone brave, wat onzekere jongen. Hij vertelde me dat hij in het Nederlands zong en al zo lang bezig was met muziek in verschillende groepjes dat het deze keer alles of niets was. Als het na deze Rock rally deelname niets zou worden zou hij er mee ophouden en doen wat de maatschappij en zijn moeder van hem verwachtten, namelijk een baan zoeken zoals bijna iedereen dat deed en het leven leiden van de middelmatigheid. Wat hij me niet vertelde was dat ze derde geworden waren achter “Noordkaap” en “Kitchen of Insanity”. Naarmate ons verblijf tussen de meisjes van de cursus polyvalent bediende langer duurde leerden we elkaar beter kennen en kwam hij af en toe langs in mijn kleine huisje in de Sint-Machariusstraat rechtover de kerk waar om de hoek ook singer-songwriter “Tom Wolf” woonde. Het waren gezellige bijeenkomstjes en we genoten van een drankje en wat gemijmer en gefilosofeer over het leven en over muziek. Op een dag haalde ik er nog een man, Peter, bij die ik kende uit de muziekschool aan de Poel in Gent waar ik toen voor de tweede keer in mijn leven notenleer volgde. Ik had die lessen als kind reeds bijgewoond in de muziekschool in W. maar had er toen voornamelijk voor spek en bonen bijgezeten. Peter speelde piano en ik had nog een oude studiepiano van mijn zus in mijn woonkamertje staan. Met ons drieën begonnen we al improviserend wat te spelen en te zingen. Er was weinig overleg en iedereen deed zowat zijn ding waardoor we niet echt tot iets vruchtbaars kwamen maar dat deerde ons niet. Eindelijk maakte ik weer een beetje muziek hoewel wat ik deed op mijn gitaar bitter weinig voorstelde. Toen ik Peter had uitgenodigd om samen met mezelf en ene "Luc De Vos" wat te komen muziek maken bij mij thuis merkte ik aan zijn reactie dat er onmiddellijk een belletje ging rinkelen in zijn hoofd. Hij wist  duidelijk wel wie Luc De Vos was en leek al enigszins onder de indruk. Al vlug werd het me duidelijk dat “Gorki” niet zo maar een groepje was en toen Luc me uitnodigde om naar een optreden in de Vooruit te komen kijken ben ik op zijn uitnodiging ingegaan. Toen ik er aankwam en de deur opende was de zaal barstensvol met uitzinnige mensen. Ik kon er gewoonweg niet doorheekomen. Er steeg zichtbaar stoom op in de zaal van de verhitte lijven die uitgelaten dansten op de muziek en in de verte op het podium zag ik een onverschrokken podiumbeest te keer gaan. Het was die rustige, beleefde, wat onzekere jongen die ik kende. Ik was overdonderd maar kon er niet langer blijven omdat ik min of meer angstig word als ik me in een bewegende ondoordringbare massa bevind. We zijn elkaar na de cursus, waar we op een dag, voor het officiële einde van de opleiding ons attest zomaar kregen omdat ze waarschijnlijk niet goed wisten wat met ons aan te vangen hoewel we twee brave nette jongens waren, nog een tijdje blijven zien tot ik uiteindelijk de vrouw van mijn leven ontmoette waar ik zo lang had op gewacht. Het was een tumultueuze tijd in mijn leven en in mijn hoofd en ik sloot me af van de rest van de wereld om een nieuw gedeeld leven te beginnen met mijn huidige echtgenote. Ik heb toen mensen verwaarloosd omdat ik mijn vroegere leven, dat me niet zo bevallen was, volledig achter mij wou laten. Ondertussen werd Luc meer en meer  beroemd met zijn groep en zijn columns. Hij heeft me nog een kaartje gestuurd, een Gorki prentkaart, met de vraag om nog eens af te spreken. Ik was langzaam onder de indruk geraakt van wie hij ondertussen geworden was en durfde geen contact meer op te nemen. Bovendien had ik in de tussentijd een “gewoon” baantje gevonden en verwachtten wij een eerste kind. Wat zou ik hem nog te vertellen hebben nu hij beroemd was. Ik hield me liever afzijdig wat ook te maken had met een zekere schroom, een beetje schaamte ook omdat ik al lang niets meer van me had laten horen en hij toch nog het initiatief had genomen om contact met mij op te nemen. Kort daarna verhuisden we naar Brugge en telkens ik hem op de radio of op tv hoorde en zag voelde ik wat pijn in mijn hart omdat ik afstand van hem had genomen en anderzijds blijheid en trots om wat hij presteerde en om hoe hij zijn weg gevonden had en het had klaargespeeld om bij zo goed als iedereen in Vlaanderen “geliefd” te worden. Telkens mijn zus, die nog in Gent woonde hem tegenkam, vroeg hij hoe het met me ging. Het deed me telkens deugd om dat van haar te horen. Zonder dat hij het zelf wist bleven we op een bizarre manier via een paar mensen met elkaar verbonden. Hij zou dat ontdekken toen we elkaar na vele jaren in Brugge, na een optreden, terug tegen kwamen en, alsof het van gisteren geleden was, elkaar vertelden hoe het met ons ging. Daarna zouden we elkaar nog een keer ontmoeten en kort met elkaar praten, ondertussen 4 jaar geleden, ook in Brugge, bij de begrafenis van iemand die ons al die tijd met elkaar had verbonden maar over wie ik, om redenen van privacy, niet kan uitweiden. Toen ik het nieuws hoorde van zijn overlijden voelde het alsof ikzelf ook een beetje doodging, alsof ik een compagnon de route, die ik vrijwel nooit meer zag, verloor. Ik kon het niet geloven. Het kwam vrij heftig bij me binnen en toen ik het verhaal hoorde van het appartement en zijn eenzame heengaan moest ik onmiddellijk terugdenken aan Wim De Craene die eveneens alleen, in een appartement in Gent, aan zijn einde kwam. De dag dat Wim De Craene overleed kreeg mijn zus Lieve hevige pijn in haar knie en wou ze onmiddellijk naar de dokter. Het vervolg van haar verhaal heb ik reeds beschreven. Ze heeft lange tijd getreurd om de dood van Wim De Craene met wie ze zich ook op één of andere manier verwant voelde. Hoe het met Luc is gegaan en wat er in hem omging tijdens zijn laatste uren zal waarschijnlijk een raadsel blijven en toch zou ik het heel graag willen weten. Ik wil het weten om het te kunnen begrijpen en om het daarna eventueel te kunnen aanvaarden maar het zijn mijn zaken niet. Ik weet dat iedereen in Gent hem kende na zijn doorbraak en dat hij met iedereen sprak. Ik had het geluk hem te kennen, net ervoor. We liepen toen door Gent zonder dat iemand naar hem keek. We hadden het goed samen, die korte tijd dat we makkers waren en ik ben dankbaar om die bijzondere, getalenteerde, zij het zeer eenvoudige en warme mens, van dichtbij te hebben mogen meemaken. Bij zijn dood voelde ik me al niet zo goed meer in mijn vel en vanaf dat moment zou het steeds minder goed met me gaan tot ik in juni, een half jaar later instortte.   Tot zover mijn eerste boek.

wimpel
0 0
Tip

Het cadeau

De nacht dat mijn oma stierf wist ik niet dat het mooiste cadeau in een schoendoos op mij lag te wachten. Het was totaal onverwacht toen het ziekenhuis belde. Er waren complicaties. Een longembolie. Het had niet lang geduurd.  Ik kon het niet geloven. Hoe kon mijn oma nu doodgaan? De familie was kwaad en overlegde of ze een klacht zouden indienen. Wat ik mij vooral herinner was de machteloosheid en het immense gemis dat ons toen overviel.     De laatste groet was pijnlijk, maar ik wou er absoluut bij zijn. Ook al was ik nog maar een kind, ik moest met eigen ogen zien of het wel mijn oma was die daar lag. Op de begrafenis liet ik geen traan. Deed mij vooral stoerder voor dan ik was. Misschien ook wel onbewust, om de plaats van mijn mama in te nemen, voor haar was het emotioneel te zwaar.  Van de plechtigheid heb ik nog maar een paar vage beelden. De weg naar het kerkhof en wat er daarna gebeurde, het is allemaal weg. Alsof mijn geheugen het ergste gewist heeft.   Bij het leeghalen van het huis verdeelden mijn mama, haar zus en broer de inboedel. De kleinkinderen, waaronder ik mochten een aandenken uitkiezen. Mijn zus had vooral oog voor de porseleinen pop waar ze altijd mee gespeeld had telkens we op bezoek gingen en mijn neef koos de go-cart met houten blokken over de pedalen. Als ik had mogen kiezen, dan had ik mijn oma gekozen, maar dat ging niet zei mijn mama.    Toen dacht ik aan de brief van jaren geleden. Het was bijna Pasen. Ik had mijn oma geschreven dat ik graag bij haar paaseitjes kwam rapen, dat ik mijn best deed op school en of ze mijn brief voor altijd wilde bewaren. Of die brief er nog was, wist ik niet. Maar in haar nachtkastje stond een schoendoos. Tussen vergeelde krantenknipsels, oude bankbiljetten en enkele verkreukte doodsprentjes vond ik hem. Ik was veertien maar ik wist meteen, een mooier cadeau dan dit zou ik nooit meer krijgen.   Volgende week word ik eenenveertig. Zoals ieder jaar op mijn verjaardag lees ik dan luidop voor. Uit eerbetoon aan mijn oma, uit machteloosheid en immens gemis, maar vooral opdat mijn geheugen haar nooit zou wissen.   Diegem 18 maart 1983   Lieve oma,   Het is bijna Pasen en dan kom ik weer bij u. Dan kan ik in de tuin paaseitjes rapen maar ik mag er niet te veel eten anders word ik ziek en krijg ik misschien buikpijn. Ik doe mijn best op school en ik vraag een brief van mijn lieve oma terug. Nu sluit ik maar. Dag oma tot binnenkort. Nog vele lieve kusjes van mijn zus, mama, papa en je kapoen.   Sascha xxxxxx xxxxxx xxxxxx   Ps. Kun je mijn briefje altijd bewaren

Sascha Beernaert
34 0