Zoeken

Laat mij slapen!

Met een schok zit ik rechtop, een wazige gedaante danst rondjes in de kamer. Mijn vrees is bewaarheid. Ik zat er al op te wachten. Op de tast reik ik naar de muur en na een druk op de knop springt het licht in de kamer aan. Een gnoom met blonde krullen, gele tanden en een gigantische neus met pukkels zingt tijdens het dansen: ‘Niemand weet, Niemand weet dat ik …’    ‘Kop dicht en laat mij slapen,’ roep ik terug.   Hij staat stil met een verwonderde blik in zijn ogen. Eerst kijkt hij mij aan, dan zwaait die blik rond mijn slaapkamer.   ‘Wat mot je?’ vraag ik.   ‘Ik zoek de dochter van een prinses,’ antwoordt Repelsteeltje.   ‘Zie ik er uit als een prinses?’ Ik sla de dekens van mij af. Het jeukt en ik krab aan mijn kloten.   ‘Meer als een middelbare vent… ’   ‘Precies.’   ‘...met een dikke pens, vlekkerig hemd...’   ‘Precies, genoeg.’   ‘...vettige haren, uitgelubberde onderbroek.’    ‘Genoeg zei ik!’   Die veel te grote neus snuift om zich heen als een stofzuiger die spinnenwebben verwijdert en de kabouter trekt een vies gezicht maar durft niets te zeggen.   Hij zakt zwijgend op de vloer en pakt uit zijn wambuis een rol papier. Met zijn handen strijkt hij het papier vlak, zet zijn voeten op de onderste punten van het papier zodat dit niet dicht rolt en buigt voorover. Lenig is hij wel, dat moet ik hem nageven. Geconcentreerd kijkt hij naar de plattegrond waar in het midden een groot rood kruis staat, omringt door pijlen, tekens en tekst. Hij mompelt een paar getallen en opent de locatie-app op zijn mobiele telefoon.   ‘Laat me raden,’ zeg ik. ‘Drieduizend nog iets bij achttienhonderd zoveel.'    Repelsteeltje knikt verrast en toetst de getallen in de app. Hij drukt op “Go” en het scherm wordt groen, links in het scherm verschijnen drie foto’s. Hij mompelt en zoekt de overeenkomsten tussen mijn slaapkamer en de plaatjes van een slaapzaal met gouden hemelbed. Hij scrolt door naar een roodharige schoonheid met een baby in haar armen. Zijn ogen schieten van de foto naar mij en weer terug en schudt zijn hoofd.   ‘Anton…’ begint hij.   ‘... van de planning. Ja, die ken ik nu wel,’ knor ik geïrriteerd. ‘De afgelopen drie weken wordt die knul elke keer als excuus gebruikt.’ Ik stap met een been uit bed, de vloer voelt kil. ‘Eerst die prins in zijn belachelijk strakke maillot, toen een kudde dwergen en eergisteren een wolf.’ De gedachte doet mij weer rillen. ‘De eerste stak zijn tong in mijn mond en prevelde hitsig “Oh, Doornroosje” in mijn oor, de dwergen zochten tevergeefs naar een glazen kist en die laatste hield niet op met klagen over de kwaliteit van de grootmoeders: “Die tegenwoordig allemaal een snor hebben.” En nu sta jij voor mijn bed te dansen. Rot op en laat mij slapen!’   Repelsteeltje kijkt beteuterd op zijn kaart en zegt: ‘Het staat hier toch echt: 3859,43 - 1843,98.’ Hij houdt de resetknop van de app vijf seconden vast. Het scherm flikkert twee keer en wordt zwart met een draaiend, blauw zandlopertje in het midden. ‘Nou, dan ga ik maar weer.’ Hij rolt de kaart dicht en staat op.    Naast de afzichtelijke kobold vormt zich een grijze mist en vanuit deze steeds donkerder wordende schim klinkt de roep: ‘Doe open, doe open.’ Een wolf met een witte poot verschijnt en staat dreigend wijdbeens in de kamer. Nu heb ik het helemaal gehad.   ‘Laat me raden,’ schreeuw ik tegen de wolf die mij stoer aankijkt. ‘Je zoekt een geit?’    De wolf knikt vastberaden en zegt: ‘Zeven geiten om precies te zijn.’   ‘En Anton stuurt je hierheen?’   De wolf knikt weer, nu onzekerder en zoekt met zijn ogen steun bij Repelsteeltje die ingespannen de rode belletjes op de punten van zijn groene sloffen bestudeert.    ‘Zie ik eruit als een geit?’ zeg ik. ‘Of “Om Precies Te Zijn”, zie ik eruit als zeven geiten?’   ‘Volgens mij is mijn zus hier ook geweest,’ stamelt hij. Ik sta met twee benen op het koele zeil, de kou slaat op mijn blaas. ‘Ik ga pissen, en als ik terug ben zijn jullie vertrokken. Vertel al jullie vriendjes en vriendinnetjes die de komende tijd uitvliegen, dat de volgende die midden in de nacht aan mijn bed staat, terugkeert met ongelofelijke hoofdpijn!’ Bij de deur roep ik ze na: ‘Die Anton moet je ontslaan of op zijn minst een goed functioneringsgesprek mee houden. En de basiscursus planning is geen overbodige luxe.’

MCH
18 2

Duikboot

Sindsdien mochten we niet meer in de buurt van het meer komen. Mama belde de moeders van mijn klasgenoten op met de vraag of hun kinderen in de tuin kwamen spelen en tikte luid op het raampje van de keuken als ze vermoedde dat we iets verdachts aan het uitspoken waren.  Op school ruimden de lessen plaats voor urenlange praatsessies om het verlies te verwerken. Na twee weken waren we de kringgesprekken in de stille ruimte en de knutselsessies om creatief met de nagedachtenis om te gaan spuugzat. De juf begon weer over gewone onderwerpen te praten, zodat we volgend jaar zouden meekunnen in de grote school. Alles wat met water, duikboten of zelfs maar experimenteerdrang te maken had, verdween onverbiddelijk uit het programma.  De laatste dag van het schooljaar had ik er genoeg van. ’s Middags hadden we elkaar uitgewuifd, wetende dat we de helft in september zouden weerzien en de andere helft waarschijnlijk nooit meer. Toen de bel ging, stroomde de school leeg. De banken bleven achter vol chipskruimels en gemorste limonade. De naam van Benno was nergens gevallen.  In plaats van rechtstreeks naar huis te gaan, maakte ik een kleine omweg. Niet langer dan tien minuten, prentte ik me in, anders zou mama ongerust worden. Ik fietste naar het bos, zette mijn fiets vast tegen het bord waarop de wandelroutes uitgestippeld waren en verdween in de richting waarin er volgens de kaart niets lag. Het modderige pad hadden we vorige zomer zo vaak gevolgd, met Benno, op weg naar ons strandje waar we in het water doken en onze zwembroek als een vlag boven ons hoofd uitzwaaiden. Ik ging op de oever zitten, trok mijn schoenen en sokken uit en waadde door het doorzichtige water.  Ik beeldde me in hoe Benno hier had gewandeld, in het donker, met het gevaarte achter zich aan. Ik zag weer voor me hoe hij onder mijn raam had gestaan nadat hij me met kiezels had gewekt, wijzend naar de duikboot gemaakt van een houten vat, een autoruit en een tuinslang, hoe hij hijgend fluisterde dat ik moest meekomen, hoe ik uit angst mijn raam weer dichtschoof en me tussen de lakens wentelde.

Felix Sandon
9 1

Lijm... Het been.

Aan de horizon dook de zon rusteloos onder en trok ei zo na een paartje kirrende duiven met zich mee. In de verte luidden de klokken het begin van de nacht in. Elisa volgde het silhouet dat zich van haar verwijderde zo lang als mogelijk, en deed de deur dicht. Iets wat ze de laatste tijd al vaak had moeten doen. Veel te vaak. Ettelijke keren waren er mannen gekomen, nadat ze het goed met elkaar hadden kunnen vinden op Tinder. Ze was niet te vangen voor een losse flodder, dus de mannen die ze er uitpikte waren gedetailleerd uitgelicht. Beschouw het als haar verkozenen. En zij wilden haar ook. Tot ze dus bij haar aanbelden, en zij open deed en ze haar houten been niet meer kon verbergen. De ene was weggelopen zonder een woord te zeggen, een ander was roder dan een tomaat geworden en had met wat gestamel uiteindelijk ook het hazenpad gekozen. Een uitzondering had zich toch tot haar slaapkamer gewaagd, maar verder dan dat en een simpele ‘Sorry, dit was een vergissing’, was het nooit gekomen. Ze veegde een verdwaalde traan weg en dacht terug aan Dries. De enige man die het aandurfde door haar voile van mismaaktheid heen te kijken. Met weemoed in haar hart herinnerde ze zich hoe hij haar altijd op haar gemak probeerde te stellen, terwijl ze verwachtte dat het andersom had moeten zijn. Hoe hij haar nieuwsgierig maakte door een tipje van zijn eigen sluier te lichten, maar voldoende ruimte liet om meer te ontdekken. Ze proefde weer het zout op zijn lippen toen hij haar na vier glazen wijn en een hele kom chips naar zich toetrok en lang en passioneel kuste. O ja, ze wist ook nog heel goed dat ze zich afvroeg hoe het zou zijn om zijn lichaam op het hare te voelen. Ze had nooit kunnen bedenken wat hij allemaal voor haar in petto zou hebben. De zon was nu helemaal onder en de tuin was in een donkere deken gewikkeld. Eliza zette het onaangeroerde wijnglas terug in de kast en ontkurkte de fles dan maar voor zich alleen. Ze zou zich niet laten kelderen door alweer een kleine tegenslag. Vastberaden nam ze haar mobieltje, zocht de juiste app en begon aan een nieuwe swipe-marathon. Hello World, meet Eliza!

Vlechtenmeisje
25 2

Bridezilla's not allowed

‘Mama, kijk!!!!’ Andrea trekt aan mijn mouw en wijst enthousiast naar een hele tros witte ballonnen aan de zijkant van de tent. Ze komen mooi uit tegen de donkere achtergrond van de ingevallen avond en worden opgelicht door een cluster bolvormige lichtjes die vanop het gras tegen de witte wanden van de silhouette tent schijnen. ‘Mag ik er één, oh mama, alsjeblief?’ ‘Ik weet het niet, lieverd. Ik geloof dat ze er zijn voor de versiering van het feest, niet om aan kleine deugnieten als jij uit te delen.’ Ik kus haar liefdevol op haar vers gewassen haren en ruik nog een zweempje amandelbloesem. ‘Laat ons eerst even kennismaken met het bruidspaar. Ik beloof dat ik straks eens pols voor die ballon.’ De maître vinkt onze namen af en loodst ons snel naar een tafeltje aan het andere eind, waar we plaatsnemen en prompt een roos in de handen gedrukt krijgen. Vragend kijken we hem aan, en krijgen te horen dat de speech van de vader van de bruid zo zal beginnen en hij het wel zal uitleggen. En dan valt het geroezemoes, dat tot dan de lucht vulde, helemaal stil. ‘Dames en heren, mag ik even uw aandacht?’ Ik recht mijn rug en zie een man met witte haren in een overjaars maatpak staan. Hij frunnikt zijn scheef hangende stropdas recht en kucht. Zijn trillende handen verraden zijn nervositeit, maar hij steekt van wal en zijn kalme basstem verraadt niks. Hij legt uit dat het bruidspaar even naar buiten is gelokt door de fotograaf, en dat hij zijn dochter wil verrassen met een reuzeboeket witte rozen. Geduldig demonstreert hij hoe het volgens hem moet verlopen om alle bloemen bij de bruid te krijgen. Onze tafel zal het voorlaatste aan de beurt zijn, dus we hebben nog wat tijd om af te kijken. Een paar minuten later is het al zover: het bruidspaar wordt met veel tromgeroffel aangekondigd en op het moment dat ze binnen zijn, en de bruid haar gehandschoende arm door die van haar vader steekt, staat de hele zaal als een peloton soldaten recht. Een voor een komen de gasten hun roos afgeven en de armen van de bruid komen boller en boller te staan. Naarmate ze naderen, zie ik enkele tranen glinsteren op haar gemaquilleerde wangen en ik raak ontroerd door de warme blik waarmee de dirigent van dit extraatje vanonder zijn witte haren naar haar loert. Nog twee mensen en het is aan ons. Andrea’s hand verstrakt in de mijne en ik voel ook mijn spanning stijgen. ‘Alsjeblieft!’ zegt ze trots wanneer ze haar bloem afgeeft. Maar wanneer ik ook de mijne wil schenken, struikelt Andrea met haar kleine hakjes en valt languit op de sleep van de bruid. Die springt van schrik achteruit en gooit de bloemen in de lucht. Terwijl het rozenblaadjes regent en iedereen zijn adem inhoudt, hoor ik een luide krak. En daar staat de bruid plots kortgerokt. Heel kortgerokt. Mijn hart staat stil en Andrea kruipt dicht tegen me aan. Maar dan begint de jonge vrouw hartelijk te lachen, neemt een ballon, en drukt ze in Andrea’s kleine handen. ‘Hier meid, trek het je niet aan. Dit is veel makkelijker om te dansen straks!’  

Vlechtenmeisje
35 1

Blauwe maandag

Elke ochtend komt er een moment waarop je weet dat de wekker binnen enkele minuten zal aflopen. Ook al hoop je op je veel te heldere telefoonschermpje een ander uur te zien, of voel je de adem van de ochtend nog niet in je nek. Ik weiger te kijken. Een bloot voetje, maat 28, doet herhaalde pogingen om mij uit het bed te schoppen. Er schijnt blauw licht door de kamer. Ik krijg het er benauwd van. Ik probeer te luisteren naar mijn ademhaling, iets wat ik vroeger vermeed omdat het mijn angst helemaal isoleerde. ‘Bij uw volgende angstaanval moet u zich concentreren op uw eigen ademhaling, dan ebt de paniek weg.’‘Dokter, dat is net hoe ik mijn angst beleef: alleen opgesloten zitten in de pulserende kamers van mijn longen.’ Als een dibboek kruipt het langs je benen omhoog naar je hals om zich in je gedachten te nestelen. Sinds het laatste bezoek aan een hopelijk laatste therapeut begrijp ik wat de dokter had bedoeld. Door de recent onder de knie gekregen kunst der respiratietechnieken kan ik het zwarte deken van me afwerpen nog voordat het mijn edele delen heeft bereikt. De vrees voor mijn angst is weg. Ik heb – samen met de therapeut – vakkundig een vierkant rond die cirkelredenering getrokken. Mijn ademhaling is niet de enige in de kamer. Ik probeer ze één voor één te onderscheiden. In die van mijn vrouw zit de suggestie van een snurk, in die van mijn dochter het piepend geluid zoals de ontsnappende lucht van een opblaaspomp. Die van mijn zoon kenmerkt zich door de sporadische onderbrekingen van een tikkend geluid van de tong tegen het verhemelte. Misschien leef ik in de waan van mijn eigen gedachten, maar mijn ademhaling is nauwelijks hoorbaar.In alle kamers waar ik ooit de nacht met anderen heb gespendeerd, ben ik geheid de stilste. Ik sta op als eerste. De dagen waarop dat gebeurt, kan ik op één hand tellen. Om vrouw en kinderen niet te wekken, stap ik zo voorzichtig mogelijk naar het venster. Het blauwe licht maakt me niet alleen angstig, maar ook nieuwsgierig. We hebben overal houten vloeren in huis. Dat is zeer authentiek maar ook vervelend als je je bijvoorbeeld ’s morgens heel stil wil verplaatsen. Elke plank klinkt als een knarsende kasteeldeur met piepende scharnieren. Gelukkig ken ik ondertussen mijn weg doorheen dit mijnenveld en manoeuvreer ik langs de planken die mijn voetzool al kennen. Ik schuif één gordijn open. De regen klettert oorverdovend als een machinegeweer tegen de ruiten en vertroebelt mijn zicht. Met moeite ontwaar ik drie voertuigen met zwaailichten. Het is nog te vroeg voor luide sirenes, en ik vind het haast hartverwarmend dat men daar rekening mee houdt bij de hulpdiensten.Ik voel me een wrede god, vanop een hoogte mensen in volle actie en paniek af en aan zien rennen terwijl ze roepen, schreeuwen, huilen of angstig toekijken vanuit de belendende gebouwen. En als soundtrack alleen machinegeweren. Een wirwar van menselijke emoties. Een futuristisch doek van Bruegel. Eén man speelt de hoofdrol in dit tableau. Met gestrekte armen richt hij zich jammerend naar de hemel als in een Grieks epos. Op het moment dat de draagbaar naar buiten wordt gereden, springen de straatlantaarns uit. Er heeft zich reeds een kleine file gevormd achter de ziekenwagen, die half balancerend op het trottoir een vlotte toegang tot het rondpunt voorkomt. De heer in de Audi A4, die achter de Citroën Berlingo geen blijf weet met zijn ochtendhumeur, gaat tekeer op zijn claxon alsof hij zijn eigen vrouw wil reanimeren. Hij heeft geen besef van wat er zich een aantal voertuigen voor het zijne afspeelt. Mijn straathoekbuurman is ontroostbaar en hoort niet wat de ambulancier hem zegt.Haar woorden waaien weg in de wind.Zijn verdriet gaat op in de regen.De regen en de wind proberen mijn slaapkamer en ziel binnen te dringen. Dan hoor ik wel een geluid achter me. Ze zijn wakker, de bengels. Ik verplaats mijn aandacht van de straat naar de nog niet zo wakkere ogen van mijn dochter. Terwijl ze met haar vuistjes het slaapzand eruit wrijft, weet ik wat ze gaat vragen. ‘Papa, moeten wij naar school vandaag?’ Een vraag die zij alleen stelt op een schooldag, nimmer in het weekend. Het doet me vermoeden dat zij een spelletje met me speelt wanneer ze niet weet welke dag van de week we zijn.‘Ja, het is maandag, de eerste dag van de week.’‘Mag ik ook kijken?’ Ze gaat op haar tippen staan om toch maar met haar ogen boven het vensterraam uit te komen.‘Kom, schat, we gaan onze tanden poetsen, het is al laat.’ Mijn zoon moet en zal als eerste beneden zijn. Daarom doe ik elke ochtend zo snel mogelijk mijn kleren aan. Het is de enige invloed die ik kan uitoefenen op hem. ’s Morgens doet hij maar al te graag dingen die tijdrovend zijn, zoals rondjes lopen in zijn adamskostuum, in het boek beginnen lezen waarin hij gisteren niet wilde lezen omdat het te veel tijd in beslag zou nemen of aan parkour doen met de weegschaal, de stoel en de badkamerkrukjes.‘Ik ben klaar’, laat ik hem weten, en ik toon hem mijn volledige outfit als bewijs. Hij schiet licht gepanikeerd twee versnellingen hoger en begint te worstelen met zijn broek. Ik keer terug naar de slaapkamer om de slaapgeur te verdrijven en de overige gordijnen te openen. Het lijkt zo’n dag te worden waarop kelders onderlopen. De ziekenwagen is uit het zicht verdwenen en van de rij auto’s is geen spoor meer. Twee snelheidsduivels kruisen elkaar: een man die volledig uit leder lijkt vervaardigd scheurt voorbij op een motorfiets en passeert in een splitseconde een jonge magere Marokkaan op een elektrische step, die, ondanks een stilaan ontluikende ochtendspits, geen oog heeft voor het verkeer om zich heen. Alle sporen van het accident zijn uitgewist. Nietsvermoedende fietsers, voetgangers en automobilisten bewegen zich voort over de weg en in hun gedachten. De meesten moeten ergens zijn. Liefst dringend. Sommigen willen graag snel af zijn van hun kinderen om te kunnen werken, om zich maatschappelijk verantwoord te voelen. Anderen strompelen naar de apotheker voor hun pillen of naar de bakker voor een brood. Zij hebben reeds gewerkt. Ze hebben deze nacht weer eens niet het geluk gehad te sterven in hun slaap. Ik luister opnieuw naar mijn ademhaling. Ik sluit mijn ogen en probeer het tempo te laten zakken. De regen is opgehouden en ik hoor een sirene in de verte. Ik laat mijn ademhaling zakken totdat inademen en uitademen samenvallen met de la en de re van de sirene.

Lennart Vanstaen
0 0

Beken(d) in Gent!

Een tijdje terug bezocht ik mijn goede vriend Pieter. Hij woont in Gent. We zouden daar iets doen wat menig mens heeft gedaan het afgelopen jaar: wandelen. We waren erg verheugd elkaar nog eens in volle glorie te mogen aanschouwen, en we kuierden keuvelend door de Gentse stadskern. Omdat Pieter om de haverklap verhuist, ben ik al bijna even bekend met Gent als met Antwerpen. Ik wist echter niet wat ons te wachten stond na zonsondergang… We hebben geluk met het weer. De imposante betoncentrale, die haar laatste rookpluimen al meer dan tien jaar geleden heeft uitgeblazen, baadt in het zonlicht. Het is een prachtig staaltje industriële architectuur. Het internet leert me dat men niet zo gek lang geleden rond deze mastodont nog een toekomst wilde bouwen, maar het plan om het gebouw een tweede leven te geven als bakermat van een nieuwe woonwijk, werd plots van de baan geschoven. Pieter vertelt me ook dat het gekraakt werd en nog steeds een geliefkoosd doek vormt voor vele graffitikunstenaars. Na een deugddoende wandeling van enkele uren, een meeneemkoffie en een warme maaltijd wordt het stilaan tijd dat ik huiswaarts keer. Het schemert al. Pieter vergezelt me nog even op mijn weg naar station Dampoort, kletsend over vervlogen tijden, waarin we ons nog niet hoefden te bekommeren over een avondklok. Frappant, dat woord. Er schuilt nog steeds dat beeld in van een luidende kerktoren, terwijl onze zuiderburen met couvre-feu eerder de suggestie krijgen de lichten te doven. We draaien een laatste straat in naar het station. Plots licht er een enkel zwaailicht op vlak bij ons en er stappen vier donkere figuren uit een al even donkere wagen. Ik voel mijn hartslag in mijn keel. Worden wij slachtoffers van een gewelddadige overval? Het is in ieder geval de uitgelezen plaats, zo rond tien uur ’s avonds in een duistere steeg nabij Dampoort. Een man vat post achter mij, een andere blokkeert de weg voor Pieter. Links loopt de Leie en aan de rechterkant staat de wagen. We kunnen geen kant op. Een derde man stapt op ons af en grijpt in zijn binnenzak. Hij toont zijn badge en voegt eraan toe dat hij een agent is. Iets in mij heeft er geen vertrouwen in. Ik ben namelijk al enkele keren in mijn leven belazerd door echte con men. Ik overhandig met een zekere onzekerheid mijn identiteitskaart. Pieter kribbelt zijn naam en adres neer – hij had zijn portemonnee niet bij zich. Uit mijn ooghoek merk ik dat de agent met de bril me zo streng mogelijk aankijkt. Dat lijkt me niet evident met een neusmondmasker en aangedampte brilglazen. “Wat doen jullie hier?” blaft hij. Pieter vertelt dat we op weg zijn naar het station.“Het station?”Er zit zoveel argwaan in zijn stem dat ik zelf ook begin te twijfelen aan mijn bestemming. Met de rigiditeit van een schoolprefect doet hij alsof hij ons op heterdaad heeft betrapt op een pertinente leugen.“Mannekes, het station is naar daar hé!”“Excuseer, meneer de agent, maar Dampoort is wel ginder hoor”, snijdt Pieter hem de pas af.“Ah, ja… Dampoort.”Ik zie hem denken: welke onverlaat neemt nu een trein in Dampoort? Dan volgt er een halve minuut pijnlijke stilte. “En wat doet u dan in Gent?” richt hij zich tegen mij, met de trofee in zijn hand waarop staat dat ik woonachtig ben te Antwerpen. Ik gun hem een karig antwoord.“Wandelen”. Het was niet eens gelogen.“Wándelen?” Hij had dit antwoord kennelijk niet verwacht. En nu lijkt het bij de man te dagen, hij verandert zijn toon. Zou het aan mijn zwoele stem gelegen hebben? Of misschien aan de trefzekere stijl van de één-woord-zin?“We gaan even controleren of u bekend bent met het gerecht. Dat duurt niet lang hoor, wanneer vertrekt uw trein?” Ik lieg dat ik m’n trein nog wel zal halen. Bijna laat ik me ontvallen dat ik redelijk bekend ben met het gerecht, maar dat ik absoluut nog kan bijleren. Gelukkig denk ik op tijd aan het feit dat ik een onnozelaar ben en hij een agent. Pieter en ik zoeken elkaars blik tussen muts en mondmasker. Daarin lees ik dat hij vooral bekend is met het vegetarisch gerecht. We knipogen in gedachten. De agent heeft inmiddels door met wat voor brave zielen hij hier te maken heeft. Hij voelt zich dan ook genoodzaakt wat duiding te geven bij dit alles.“Er gaat nogal wat drugs rond in deze buurt, zeker als het donker is. U moet dat begrijpen, met die mondmaskers en die mutsen… Zo zien wij het verschil niet goed hé.”Met ‘het verschil’ bekent hij zijn kleur nog voordat de radio van zijn collega ons heeft vrijgesproken. We zien er misschien uit als schimmige cocaïnedealers, we klinken helemaal anders.“Zeg, zijn er eigenlijk in Antwerpen veel controles?” wil de man van me weten. Ik haal m’n schouders op waarmee ik enerzijds bedoel dat ik het niet weet en anderzijds dat het mij niet kan bommen. Terwijl ik op mijn telefoon het uur raadpleeg, klinkt vanuit de dispatch eindelijk de bevrijding. Niet bekend met het gerecht. Ik voelde een zekere teleurstelling om niet bekend te zijn. Als zonderling in een vreemde stad verliet ik Gent. Ik was wel nog vóór het luiden van de klokken thuis.

Lennart Vanstaen
33 0