Zoeken

Billy Sønderland (7)

  We zijn die nacht straalbezopen doch levend thuisgeraakt. Ook tijdens onze wandeling op het strand van Heist is ons niets overkomen. Het strand is daar aan het verzanden. De stroming is er sterk vermindert sinds de uitbreiding van de haven. Meer en meer zand zet zich daar jaar na jaar af. Je moet er al een heel eind wandelen om tot bij de branding te komen en er als een kind over de eerste golfjes te kunnen springen.     350.000 ton munitie ligt daar, gestort net na de eerste wereldoorlog. Dat was snel in een achterkameterje van de senaat bedisseld tussen de toenmalige liberale Minister van Oorlog Fulgence Masson en diens partijgenoot en senator Emmanuel De Cloedt.   Men noemde het een grote verrassing in 1971, toen duikers van Baggerwerken De Cloedt het ‘vergeten’ bommenkerkhof aantroffen voor de kust van Heist en Knokke. Laten liggen (lees: Laten doorroesten) was de oplossing, vonden de Ministers van de Noordzee (Etienne Schouppe in 2010 en Vande Lanotte in 2013) in antwoord op kritische vragen van de pers.   Een fluitje van een cent wordt het straks om een paar van die gifgasbommen te laten exploderen. Elke terrorist in spe kan er dan met een metaaldetector het strand oplopen, bij de eerste ‘piep’ een put van een meter diep graven en er een paar laten ontploffen, vlak naast het dichtbevolkte Heist, naast een schooltje jonge tongen en de gasterminals van Fluxys. Laten liggen dus!     Ook wij blijven deze ochtend liggen. De laatste modetrends in de nachtkledij volgt Doesjka niet en naakt ligt ze naast me in de twijfelaar, op een laken met schelpenmotief. Mijn arm glijdt tussen haar benen, als een pieterjan die door de schorre zich een weg baant naar de open zee. Ze duwt mijn hand weg als een waakzame wachter in het Zwin en de telefoon rinkelt.   De persoonsverantwoordelijk van DEME, een oud lief van Gert De Cloedt, is aan de lijn en zegt dat “ik morgen aan de slag kan bij OWA (Offshore & Wind Assistance), voor het onderhoud van de windmolens op de Thorntonbank.” Ik moet me aanmelden in Zeebrugge, bij de Vlaanderen XX, die in de buurt van de Thorntonbank baggert en daar een zodiac voor me zal neerlaten. Elke dag zal ik één van de molens inspecteren, volgens een bepaald schema.   "Goed," zeg ik en Doesjka draait zich op haar zijde. Haar heupen zijn mooier als de mooiste glooiing in een duin en haar toefje helmgras verbergt het wilde konijntje amper. Ik ga een bad nemen!   Onderweg val ik bijna over die blauwe trein naar Genua. Ik draai de kranen open, om straks languit te liggen weken. Verlangen zal zich van mijn vel losmaken, een eend zal over golfjes dobberen en het zal in dit bad krioelen van de kwallen, die als onzoenbaar, pasgeboren eiwit zullen rondzwemmen.         Het gif der kwallen deel 7 van het historische kortverhaal 'Billy Sønderland' uit de reeks  'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
0 0

Billy Sønderland (6)

En of ze zwanger was, Doesjka, in die zomer van 1334? Neen, overmatig had ze zeevruchten genuttigd. Ze moest dan toch overgeven. Ik veegde de kots van haar kinnebakje. Daags nadien hebben we gewoon weer vlas geoogst bij Remboudsdorp op het eiland Wulpen en enkele maanden later ging alles naar de Filistijnen.   De Clemensvloed van 23 november 1334 overspoelde de velden en zette het erf voorgoed onder water. De familie Vanderbilt was nog net op tijd naar Nieuwvliet gevlucht maar landerijen hadden ze niet meer en vader Berend Vanderbilt (°1294 - 1357) trok met vrouw en kroost naar Brugge om zich daar te vestigen als vlashandelaar.     Er is weinig volk in de Old Steamer en Serge Gainsbourg zingt in een luidspreker een liedje over komen en gaan.   “Billy blijft de ganse week op zee,” zegt Natascha me, terwijl ze Doesjka aankijkt, die met haar smartphone zit te prutsen. “Voor mij een oude gueuze van Boon,” en Doesjka bestelt een Bloody Mary. Teleurgesteld is ze. The suicide king of hearts zal ze vandaag niet ontmoeten. Het kaartenspel zal onaangeroerd achter de toog blijven liggen.   Achter in het etablissement beweegt iets, een donkerrood gordijn. Een man komt uit een donker gat tevoorschijn. Een deerne met rood haar klampt zich rond zijn arm. Ze is lang niet zo jong als Doesjka, haar ogen zijn wat gezwollen en ze bestelt een Safir, om zich de mond te spoelen.   Als de man ons tafeltje nadert, herken ik hem. Het is Joachim Coens. “Dat moet verzekers tien jaar geleden zijn dat ik U nog zag.” Joachim kijkt mij verwonderd aan. “Bernd, van ‘t college, in Assebroek”, zeg ik en zijn lichtje gaat branden. “Mò got, dat ik U hier moet tegenkomen. Wat doet gij tegenwoordig nog?”   “Niets, nog niets nieuws gevonden na het faillissement van Windstar.” "Ook niet gezocht,” maar dat zeg ik er niet bij. Hij laat zijn ogen op Doesjka vallen, die aan haar cocktail zit te slurpen, door een zwart strootje, daarna wat bellen onder het ijs blaast om de lucht wat te koelen.   “Ik zal kijken wat ik voor je kan doen,” belooft Joachim, “morgen zie ik Gery De Cloedt, al is die de laatste tijd niet welgezind. Zijn Hedwigepoldertje zal onder water gezet worden en hij weet niet waar naar toe met zijn veertig polopaardjes en drie ezeltjes.”   Doesjka verslikt zich, omdat de gedachte aan een polopaardenlul in een ezelfoef gegiechel in haar opwekt. Ik geef Joachim een bierviltje met daarop mijn telefoonnummer, druk hem de hand, vóór hij vertrekt met Mevrouw Safir, die in een jas van wit en krullend schapenbont gekropen is.   Ik neem nog een slok van de oude Boon, een paprikanootje verdwijnt in mijn mond en ik wrijf zacht over de wreef van Doesjka’s hand, over de littekens op haar onderarm.         Polopaardengelul deel 6 van het historische kortverhaal 'Billy Sønderland' uit de reeks  'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
1 0

Billy Sønderland (5)

Het is de eerste keer dat ze in mijn armen wakker wordt, op een zondag. We liggen in een bedkast, in een hofstede in Remboudsdorp, op het eiland Wulpen voor de Vlaamsche kust. Het is zaterdag 20 juli 1334 en ik heb de godganse dag vlas getrokken op de velden van de Vanderbilts. Mijn pollen zijn stijf. Zij heeft honderden handenvollen samengebonden, na zonsondergang mijn rug gemasseerd, met die jonge handen en wat zeehondenvet.   In de namiddag zullen we de Sincfal overzwemmen, onze kleren in de takken van een duindoorn hangen, om puur op het strand te liggen, tureluurs te volgen in hun vlucht. Dat er iets op komst is, zegt Doesjka, het meisje dat enkele weken geleden als een Russische regenboog uit de wolken kwam gevallen. Een openbaring was het geweest, die verschijning van fris en betoverend poollicht boven een hete zomerduin en hier op dit strand van Cadzand, voelen haar tienertietjes gezwollen aan. We hebben karakollen leeggepeuterd, mosselen op de tong gevoeld en oesters leeggelikt. Ik denk dat ze gaat overgeven.     Lang mag dit sprookje echter niet duren, omdat ze mijn neus dichtknijpt, ik de mond openen moet. Ik voel een ijsblok tegen mijn verhemelte, word wakker, open mijn linker oog en haar lach hangt boven mijn twijfelaar. Haar borstjes kruipen haast uit het witte XXL T-shirt dat haar deze nacht omhullen mocht en ze draagt het zwarte opblaaskroontje weer.   Ben ik iets vergeten? Haar verjaardag blijkbaar. Er knalt een kurk en een scheut champagne vloeit over mijn borst en dartele aardbeien liggen in een tupperwarepotje, te wachten op wat slagroom of een eerste beet.   “Ik neem je mee,” zeg ik haar, “over zeeën en oceanen, naar de monding van de Amazone, om er kleurrijke parkieten, kaketoes te vangen, om ze te pluimen en met hun veren een indianenjurkje voor je te maken, het over die fijne schouders van je te hangen, er je schoonheid, je onschuld mee te verbergen voor mijn dierlijke inborst.”   Ze lacht en ik geef toe dat ik lieg, “gewoon naar Heist, een avondwandeling over het mijnenstrand en dan naar The Old Steamer.”   “Ik wil hem best eens ontmoeten, die Billy,” zegt ze en met een scherp mes snijdt ze het groen van een aardbei, alsof ze een koning scalpeert en hem dan tussen haar tanden de kop leegzuigt.         Aardbeien vóór de storm deel 5 van het historische kortverhaal 'Billy Sønderland' uit de reeks  'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
1 0

Billy Sønderland (4)

Het is namiddag, rond drieën, op deze black Friday 28 november 2016 en de zon schijnt zowaar weder, zelfs op de gevel van het hoekhuis aan het begin van de Garenmarkt. Dit is het huis waar vorige generaties Vanderbilt woonden; nu ik. Er is een bistro aan de overkant van dit huis, Bistro Christophe, van Christophe, met kleine tafeltjes op het trottoir, waar ik een plaatsje vind naast enkele toeristische reizigers.   De trein heeft mij teruggebracht, de zak met de zilveren muizen die naast mijn voordeur stond, is verdwenen, ook geen Doesjka achter het raam. Onderweg lag hij voor me, op het oranje tafeltje in mijn wagon, de hartenkoning. “Heeft U ook een geldig vervoersbewijs?” vroeg de conducteur, die zijn rechter wijsvinger tegen zijn rechterslaap hield en daarbij een duim omhoog stak, alsof hij zichzelf door de kop ging schieten.   Ik toonde mijn railpass en stak de hartenkoning in mijn binnenzak, waar hij nu rust terwijl ik een Westmalle Dubbel bestel en onderweg tuurde ik in de richting van het westen, omdat die nietsvermoedende zon daar stond, boven grijze gedrochten, loodsen in de Zeebrugse achterhaven. Als mechanische everzwijnen waren ze daar in de grond aan het wroeten, kranen, bulldozers en werfwagens, die Dudzele en Lissewege onder het gras proberen te rijden, om er bredere bruggen en wegen aan te leggen, waarover ze zullen denderen, vrachtwagens met containers vol brol en biezonderheden, koelwagens met één miljoen kortharige groene kiwi’s, gele neven en nichten, ook uit Nieuw-Zeeland, of tonnen tilapia's, pangasiusvissen en lieve kleine piranha's, morsdood, onder strakgespannen folie en in weer andere dozen steken sinterklaasplastiek, hardhouten fallussen met een metalen onderkant, om flessen te openen, altijd grappig. Hier, in Brugse souvenirwinkels hangen ze, naast valse chocoladetieten en eindelijk verschijnt ze achter mijn raam op de eerste verdieping van de Garenmarkt nummer één.   Doesjka! Ik maak een scholbeweging met mijn glas en kijk toe, hoe ze de beide wreven van beide handen in beide heupen legt, trots haar jonge heupen heen en weer wiegt, een pirouetje draait. Een zwarte opblaaskroon prijkt op het hoofd van mijn teenage queen of spades, Pallas, godin van reine maagdelijkheid. Ze draagt een slobbertrui gebreid door de engelen van de wellust, horizontale strepen, paars, oranje, rood. Het zijn de kleuren van de vlag die prijken zal op ons eigenste eiland, ons nieuwe paradijs ergens in de Noordzee en haar adem blaast damp op het enkele glas. Ze tekent een hartje en ik voel. Ja, hij zit er nog! In mijn binnenzak. Met een zwaard door zijn kop.   De bodem, een slok door mijn strot en dan mijn trap op. Doesjka vleit zich neder in de sofa. Met een duimspijker bevestig ik de kaart die Natascha me toestak, aan de keukendeur. Als Doejska een hand op mijn sleutelbeen legt, een wijsvinger tegen mijn nek wrijft, zeg ik haar dat ik een zakje verse garnalen meegebracht heb, dat ik ze voor haar pellen zal, voorzichtig opbaren zal in de buik van een leeggelepelde tomaat, met wat mayonnaise, peterselie, en dat ik slechts een zoen van haar wil, alvorens ik mezelf vanavond, later, vannacht, onder een milde maan te slapen leg.         Teenage Queen of Spades deel 4 van het historische kortverhaal 'Billy Sønderland' uit de reeks  'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
0 0

Verdiend geluk

Ik opende mijn ogen voor het eerst in een koude, vochtige stal. Het was er schemerig; het enige, grijze licht was afkomstig van de slordig met hout dichtgespijkerde ramen. Ik lag op een versleten, muffe handdoek met een onbestemde kleur in een hoek van de grote, tochtige ruimte. Ik rilde; een ijzige wind waaide door de kieren in de deur en de ramen en af en toe streek een kille tocht langs mijn magere lijf. Onder de deur lag een plas water, die alsmaar groter werd door de grote sneeuwvlokken die door de stevige novemberwind naar binnen geblazen werden. Ik hoorde muizen rondscharrelen in het hooi dat in een andere hoek bijeengeveegd was. Ik raakte niet gewend aan het duister en merkte ­- eerder door te voelen dan te zien -­ dat ik niet alleen op de handdoek lag. Overal om me heen voelde ik beweging en hoorde ik de piepende ademhaling van lotgenoten, die zich in dezelfde onaangename situatie bevonden als ik.   Een streep winterlicht gleed over de handdoek en piepende scharnieren van een slecht geoliede deur deden me angstig in elkaar krimpen. Ik huilde zachtjes. Ik hoorde opgewonden kinderstemmen en een sussende vrouwenstem. Een jonge vrouw kwam de stal binnen met een emmer in haar hand. Toen ze de emmer neerzette, bewoog een van mijn lotgenoten naar haar toe en begon gulzig te drinken van het frisse water, waarmee de emmer tot de rand toe gevuld was.   Na een tijdje doezelen, tilde iemand me op en duwde me in een container. De ruimte was veel te klein en al snel hoorde ik gehuil en jachtige ademhalingen. Ik dook weg in een hoekje en kroop tegen één van mijn lotgenoten aan. Mijn instinct zei dat het mijn zusje was. Toen de container plots in beweging kwam, zochten we trillend steun bij elkaar. Ik hoorde geschuifel en het leek of er een gevecht losbarstte in het midden van de trein. Tot mijn ontsteltenis eindigde het voor een van de vechtersbazen niet goed. Ik hoorde een reutelende ademhaling, die alsmaar onregelmatiger werd en uiteindelijk niet meer te horen was. Na wat een eeuwigheid van indommelen en wakker schrikken leek, ging de deur van de container een klein beetje open. Drie grote, stevige mannen schoven een gigantische bak met water naar binnen en gooiden droge broodkorsten de wagon in. Onmiddellijk draaide het uit op een nieuw gevecht, waarbij ook hier weer een aantal van mijn reisgezellen het niet overleefden. Mijn maag rammelde en ik kroop zo stil mogelijk over de vloer van de trein, terwijl ik probeerde zo laag mogelijk bij de grond te blijven en tegen niemand op te botsen. Een aantal keren moest ik noodgedwongen flink van me afbijten. Ik grabbelde wat broodkorsten bij elkaar en kroop, op dezelfde manier als ik gekomen was, terug naar mijn zusje in de hoek van de vieze, donkere container.   Dagen, weken of misschien zelfs maanden later, waarbij één keer per dag water en broodkorsten de trein ingeduwd werden, werd de deur van de container volledig opengegooid. Ik kneep mijn ogen dicht tegen het felle zonlicht dat de trein binnenstroomde. Toen ik om me heen keek, zag ik een ware veldslag. Er waren niet veel overlevenden.   Alles was nieuw: de geuren, de kleuren, de geluiden. Ik werd bij mijn zusje geplaatst. Ze zat te trillen van angst. Ik ging naast haar zitten en leunde tegen haar aan, hopend dat ik haar zo kon zeggen dat alles in orde kwam. Ik was een optimistisch iemand. Ik zag overal het goede in. Zo zag ik dat de zon stralend door de ramen scheen en de ruimte in een zomerse gloed liet baden. Ik zag een straat met vrolijk babbelende mensen en kinderen, die dubbel zoveel afstand aflegden als hun ouders door een eind voor hen uit te rennen en dan zo snel mogelijk terug te sprinten. Van plezier kraaiende baby's werden voortgeduwd in wandelwagentje, terwijl ze met hun tot knuistjes gebalde handen in de lucht zwaaiden, grijpend naar loom voorbijvliegende hommels en sierlijk voorbijfladderende vlinders. Honden snuffelden aan alles wat hun pad kruiste en bekeken iedere voorbijganger van top tot teen. Zo donker de koude winter in Slovenië was geweest, zo vrolijk en warm was de zomer in mijn nieuwe wereld.   De lichte, glazen deur, die uitgaf op de drukke winkelstraat, werd opengeduwd en een vrouw en drie kinderen kwamen de ruimte binnen. Aan de balie werden ze begroet door een dikke man, met vettig haar. Hij sprak ons altijd heel vriendelijk toe en liefkoosde ons, maar stuurde ook regelmatig een vrouw in een witte jas op ons af. Ze had dingen die ons prikten en een koude dop waar -­ zo leek het tenminste -­ een koptelefoon aan verbonden was. Na een bezoek van de lieve mevrouw voelde ik me altijd ziek en uitgeput. Het duurde dan een aantal dagen voor ik mijn aangeboren optimisme terugvond en terug aan het raam kon gaan zitten om naar de eeuwig interessante voorbijgangers te kijken. Telkens wanneer een kind opgewonden naar me wees en zwaaide, aan de mouw van zijn moeder of vader trekkend, sprong ik juichend in het rond en zwaaide even enthousiast terug, hen in gedachten overtuigend -­ soms zelfs smekend -­ mijn zusje en mij in hun gezinnetje op te nemen. De vrouw, die net binnengekomen was, vroeg of ze even mochten rondkijken. Na een bevestigende knik van de baas liepen ze de ruimte door. Ze begroetten ons allemaal even hartelijk en bleven een tijdje vertederd naar de kleinsten onder ons staan kijken. Langzaam maar zeker kwamen ze dichterbij. Na veel "Oh"'s en "Ah'"s bij andere lotgenoten zag ik de kleine jongen zijn moeder aanstoten en naar ons wijzen. Hij praatte opgewonden, maar zijn moeder kwam maar aarzelend dichterbij. Toen ze ons zag, verzachtten haar ogen echter en ze gaf me een lieve aai. Ik voelde het: dit was ons moment. Ze zouden Zusje en mij meenemen; het was voorbestemd! Veel te snel draaiden ze zich om en verlieten mijn tijdelijke huis.
Toen ik een teleurgestelde blik naar buiten wierp, zag ik de kleine jongen met een zielig gezicht naar me kijken.
 Ik zuchtte, draaide me om en viel in slaap.   Ik schrok op toen de deur openging. "Kom, jongen," zei de vriendelijke, maar kordate stem van de baas, "Ik heb voor jou een thuis gevonden." Ik kon mijn oren niet geloven! We hadden een thuis; een echte thuis! De baas tilde me op en legde me in de armen van de vrouw die eerder op de dag naar ons was komen kijken. Er was nu een man bij, die met een glimlach om zijn lippen zijn hoofd schudde en ons naar buiten leidde.
 Maar toen ik over de schouder van mijn nieuwe mama keek, brak mijn hart. Zusje bleef eenzaam en alleen achter en keek me bedroefd na. Ik worstelde om los te komen, maar de vrouw was te sterk. Ze fluisterde me kalmerende woordjes toe en aaide me over mijn rug. Toen de deur achter ons dichtviel, begon ik zachtjes te huilen. "Vaarwel, Zusje, morgen zal ook jij een nieuwe thuis vinden," zond ik haar in gedachten toe.   Mijn nieuwe gezin bracht me naar een gezellig huis met een grote tuin. Ik genoot van het groene gras, de trampoline en de schommel. Ik maakte kennis met mijn nieuwe zusjes en broers en met mijn nieuwe leven. Ik kreeg een eigen plek om te slapen, met schone en zachte lakens. Kortom, ik kreeg de liefde, waar ik zo hopeloos naar verlangd had en die ik zo hard verdiend had. Met heel mijn hart wenste ik voor Zusje hetzelfde. Terwijl ik tevreden zuchtend rondkeek op de plek waar ik terechtgekomen was, wist ik eindelijk wie ik was: ik was Thor, hond en trouwe viervoeter van een eigen gezin!  

L.C.
0 0

Billy Sønderland (3)

De vuilniszak staat buiten en ik zelf ook. Gelukkig is er geen kat, geen kat die op de loer ligt om de zak open te scheuren, alsof er zilveren muizen zouden wonen achter het Gulden Vlies van de Heilige Maagd, en ook geen kat die weet wat er allemaal wél in steekt.   Alles wordt verbrand, bananenschillen, piep- en scheerschuim, flacons met restjes heimweewater, nageboortes van een schommelveulen, van een babydraakje, haakwerkjes, met liefde werden ze gemaakt om er een bierglas op te zetten en ze zwaait naar me, Doesjka, door het raam, onvoorzichtig, met een losse hand.   Op perron één zal hij op me wachten, de trein naar Zeebrugge-Dorp en na een kwartiertje stappen zal ik er zijn, in café The Old Steamer. Het zal een modern vehikel zijn, dat minder kabaal maakt dan de blauwe blokkentrein die even oud is als ik en van Hamburg via Basel helemaal tot in Genua kan rijden.     Als ik het etablissement achter de donkerrode gordijnen binnenstap, zie ik slechts één man zitten. Dat Marvin Gaye ooit in Oostende woonde, weet zowat iedereen, maar de kerel aan dit tafeltje daar, die woont in Zeebrugge en hij moet het zijn: B.B. King!   “Bernd Vanderbilt." Ik stel me voor, geef hem een hand, waarna hij een gebaar maakt, dat ik aan de andere kant van het tafeltje kan plaatsnemen. De dame die achter de toog twee fluitjesglazen droogde, staat intussen aan onze tafel: “Wat zal het zijn?”   Een Safir wil Billy en ik bestel een gueuze, terwijl ik met beide handen over de zachte flanelle van de zetel wrijf en wat te lang toekijk hoe ze haar boezem wat omhoogdrukt in de zwarte beha onder een spannend, synthetisch pulltje.   “Dat het geen hoerenborsten zijn,” zegt ze terwijl ze twee bierviltjes klaarlegt en een spel kaarten op tafel legt, “met de kaarten wordt hier soms gespeeld.” “Manillen,” zegt Billy, “enkel met een Engels kaartspel."   B.B. King, Billy Bagger King of Hearts, deelt de kaarten uit terwijl voor die twee onbetaalbare borsten van Natascha een kraag schuim op een glas bier verschijnt, een gueuze ingeschonken wordt. Billy vertelt over zijn grootvader, Nils Sønderland, een Deense matroos die in Zeebrugge was blijven plakken, aan het vel van Louise De Wachter, die bij de vismijn werkte en dat hij nu de derde generatie is die baggert bij Decloedt, dat het dankzij hem is dat die Chinese containerchepen binnengeraken in de haven.   Ik zie het zo voor me: Chinese mastodonten die de havengleuf zoeken en Louise, die elke avond weer zich de garnaalpelhandjes, het ganse lijf, zorgvuldig waste met citroenwater, want Nils kon elk moment thuiskomen van het ruime sop om in haar een halve aardling, de vader van Billy te verwekken.   “Dat is mijn job,” zo gaat hij verder, “elke dag weer, baggeren, in de haven, en ook buiten de haven, de vaargeul vrijhouden want op de Noordzee staat een sterke stroming, die zand meesleurt en weer afzet. Dat baggeren kost de staat jaarlijks 70 miljoen en wie gaan daar mee lopen: DEME, Decloedt, De Nul.”   Als ik hem uitleg dat ik meer te weten wil komen over het bommenkerkhof voor het strand van Heist, kijkt hij in zijn glas. “Piques troef”, zegt hij. We spelen, we drinken en telkens als hij als eerste aan slag is, legt hij, als hij kan, steevast de hartenkoning, die hij dan telkens aan mijn aas of harten tien verliest. “Merci, drie punten kado,” dank ik hem in het begin nog. Daarna zwijg ik en zegt hij dat een mens soms gewoonweg verliest, terwijl hij de mouwen van zijn hemd oprolt en ik niet vragen durf naar de littekens op zijn polsen.   Van doorvragen over die duizenden tonnen bommen komt niet veel in huis. “Wat interesseert jou dat,” is zijn antwoord en als ik hem probeer gerust te stellen, dat ik geen journalist ben, vraagt hij me: “Wat zijt ge dan wel, of leef je van de ziekenkas? Zoek toch een deftige job! Slijkspuiter of broldumper,” zegt hij smalend en staat dan recht. “Ik moet ervandoor, morgen vroeg op, weer aan de slag op de Vlaanderen Twintig,” en hij verdwijnt in het deurgat.   Ik blijf nog even zitten, raap de kaarten samen. Natascha komt afruimen, ik betaal het gelag en zij haalt de hartenkoning uit het pakje kaarten. “Neem hem mee,” zegt ze met een knipoog, “Slaap er eens over. Vergeet het niet. Engels kaarten, nooit Franse!”       King of Hearts deel 3 van het historische kortverhaal ‘Billy Sonderland’ uit de reeks  ‘Waanhoop’

Bernd Vanderbilt
1 0

Heaven and Hell for Gerard

While mister and misses Clementine were waiting in the faintly yellow waiting room, the man started to scratch heavily behind his ear. He turned his head to the left so he would get the right spot. “Stop it Gerard, you’re making me nervous”, his wife said. Miss Clementine was a small woman, with a hair fool of dense curls. Along with her sharp nose, her hair made her look like a grey poodle.   When the doctor called out their name, the couple walked into his office. “You sit down here Gerard”, the wife said pointing to the second chair. The doctor knew the couple all too well. They had come to him ever since they got married, some 40 years ago. The man, of quite a size but with a remarkable small head, smiled at Gerard. “So, what can I do for you?” Mister Clementine opened up his mouth, but it was his wife who spoke first. “Hush now Gerard, don’t tire yourself. I’ll explain it to the good doctor.” She bent over a bit, keeping her hand seated on her lap. “You see doctor, our daughter just bought a house. Right in the middle of James Street. Yes, such a lovely place!” “Well, that’s nice to hear, kids grow up so fast”, the doctor smiled. “Yes, very fast. But there was still some work to be done in the house, so Gerard offered to help. He’s such a handy man, you know that.” Gerard smiled gently, tilting his head a bit sideways. “During his work, he had to get up the roof, but while he was getting up a ladder, he fell down! Right on his head!” The woman touched her soft curls. “Ouch”, said the doctor and looked at Gerard’s head with an investigative frown. “No, you won’t see a thing doctor, it’s his mind that got hurt.” Miss Clementine started to whisper, “I fear he’s broken.”   “What do you mean with broken? He seems fine to me.” “Yes, he seems fine, but there’s just one thing doctor…” The woman paused, staring at her wriggling hands. “What is it?”, the doctor asked. “Well, … Sometimes… Oh my, It’s quite embarrassing.” “Now, don’t you worry miss Clementine. Everything said here is in complete confidence and without judgement.”, the doctor reassured her. The wife looked at her husband and back at her hands. “Sometimes he… starts to shake his buttocks…” “You mean like in a dance?”, the doctor asked surprised. “No, that’s just it, Gerard never dances. I mean, take yesterday for example. I was cooking when he came home from work. Normally he would give me a kiss and watch the telly. But now, he gave me a kiss and stood behind me shaking him behind!”. “Mmmh I see”, the doctor looked at Gerard who was still smiling gently with his head slightly tilted sideways. “Maybe he’s just looking for attention?”, the man suggested. “Unless he hit and damaged a nerve during his fall of course.” Miss Clementine shifted on her chair. “That’s not all doctor… He also makes this noise. When someone’s at the door, the postman for example. Instead of just opening up, he simply stands there making this growling noise.” The doctor sat back, and started to list up all the mental illnesses in his mind.   “But that’s still not all doctor.” “Oh no?”, the doctor lifted his left eyebrow. “This morning, when I got out of the shower, Gerard was shaving himself at the sink. When he saw me in the shower, he fell on hand and knees and came crawling to me…” “Now miss Clementine,” the doctor held up his hand. “Uhm, I’m just a regular doctor, not one of those fancy new sex therapists.” “Oh no doctor! No, it was nothing sexual, I assure you. He simply licked my wet legs and started waving his buttocks again!” The woman shifted in her chair again. “However, there is one thing though…”   Hearing her tone drop, Gerard dropped his head and stared at his shoes. The doctor became weary. “You see, sometimes when I’m walking through the house, Gerard does this thing.” “This thing?” Gerard’s head was sinking deeper and deeper. “Yes, when I’m walking through the house, he comes standing beside me, and falls on his knees.” “Uhu”, the doctor nodded slowly. “And then he grabs my leg and clinches onto it, but he also makes this upwards and downwards movement. “How do you mean?” Miss Clementine looked at the doctor and whispered, “He humps on my leg doctor.” “he humps?”, the doctor asked. “Like a…” “Like a dog yes, like a dog in heat who needs a bitch. And it’s disgusting doctor. You should see the look on his face when he does it.” The woman took out her handkerchief, and dipped her forehead softly. “It’s unbearable. The noise, the licking, the humping. I can’t stand it anymore! I want my nice little Gerard back.” The doctor thought about it for a while. Gerard looked at his wife like he had just taken a beating.   “I might have a solution.” “You do doctor?”, miss Clementine leaned forward with big eyes. “Yes, we simply have to neuter him.” “Neuter him? What does that mean?” “Well, simply pluck the seeds, cut off the bollocks, remove the bricks if you will.” “I see”, the wife wondered about it. “And how will he be afterwards?” “Oh, he’ll be a lot quieter. Maybe he’ll sleep a bit more, gain a few pounds. But the humping will stop for sure. “Oh, that’s good news, isn’t it Gerard?”   The man, who had kept quiet all that time, finally jumped up. “Now wait a minute”, he yelled. “Sit down Gerard, be a good boy now”, Missed Clementine waved her finger sternly at her husband. He sat back down, staring at the ground. His wife looked back at the doctor. “How will we proceed?” “Well, we can operate tomorrow morning if you will. “The doctor started to write down the appointment in his agenda. “But might I suggest you give him some nice treats tonight? It will keep him calm.” He stood up and opened the door for the couple. “That’s a very good idea doctor. Come now Gerard, follow me.” They stood up, and Miss Clementine shook the doctor’s hand. When Gerard passed him, the doctor stroke the poor man’s hair. “Tomorrow it will all be over, don’t you worry”, he said with the most sadistic smile.

Simon Sileghem
0 0

Billy Sønderland (2)

  Ze moet 's avonds in een bestiaal hoofdstukje van Mieke Maaike’s Obscene Jeugd hebben liggen lezen, daar in haar nest in slaap gevallen zijn nadat de hond naarstig gelikt had, en een droom van jewelste gehad hebben.   De wind is geluwd en ze komt mijn slaap- en schrijfkamer binnen, gaat op de rand van mijn twijfelaar zitten. Zoals altijd is haar jonge lichaam bij nacht en ochtendgloren slechts in een XXL T-shirt gehuld en hangt het katoen tot net onder haar lentetuin.   Of ik het erg vind, dat ze alle potjes chocomoes alleen heeft zitten opeten? Dat er nu enkele bruine vlekken zitten op Boons bladzijden. De antwoorden kent ze. Ik zwijg eerst en vraag haar dan om de vuilnis buiten te zetten. “Vandaag ook PMD, karton en papier,” zeg ik, “maar doe het boek nog niet weg.” Aan haar blik zie ik dat er een voor-wat-hoort-wat-spel zit aan te komen.   “Alleen als ik eens warm paardenzaad, van een Arabisch volbloed mag voelen,” zegt ze zonder op haar lip te bijten, “hoe het over mijn buikje loopt en mijn kerststalletje vult.”   “Dan moet ik je teleurstellen,” antwoord ik, dat in de kelder van dit huis geen bokalen met paardenspul staan heb, dat de gleuf in de voordeur voor mensenpost is en ik niet meedoe aan dat kerstgelul.   “Kijk wat je kunt doen,” en op haar tenen stapt ze over de lege flesjes lambiek die naast mijn bed liggen, trekt haar T-shirt wat naar beneden. “Ik zet alvast koffie.”   Voor het verhaal en na lang goede-huisvader-gegoogel vindt hij die zocht: 8000 EUR voor een scheut Arabisch zaad van Quail Ridge Marc “de mooiste van Dubai”, verkrijgbaar in de stoeterij Knocke Arabians van Paul Gheysen, was in 1980 nog tuinaannemer en heeft nu een vermogen van 650 miljoen EUR, vergaard via Ghelamco, met de bouw van immense hangars in Polen, Rusland en Oekraïne. Nu richt hij zich meer op de Belgische markt, voetbalstadions, louche deals met burgemeesters, financieringen via Optima Bank en watermaatschappijen, Charleroi-aan-de-Leie, blablabla...   “Zuiver van bloed, die hengst, zoon van de merrie Sweet Dreams,” zeg ik haar. Ze is naast me komen staan. Met haar handen rond de tas geslagen, leest ze mee van mijn scherm. “Meer bonen waren er niet,” zegt ze en bladert door die Knack van 22 november, probeert nog wat stront van Daniëls knikker te krabben.   Ik klik op afsluiten, sta op, trek mijn pyjamabroek recht. Het zijn die rustige strepen, die barcode van een zebra, die mij rechthouden. Ik moest maar eens een koud bad nemen, er fris gaan uitzien als een noordzeegarnaal in februari.   “Doesjka, laat ons wachten op de winter.” “Ik weet het,” zegt ze, “dan graast hij stilletjes, hier in de tuin, ruikt hij de klokjes.” “Ja, dat ezeltje, met roze laarsjes, en sokken van een geit.”         Knikkerstront en paardenzaad deel 2 van het historische kortverhaal 'Billy Sønderland' uit de reeks  'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
0 0

Billy Sønderland (1)

Doesjka woont er nog altijd, in het zonnige achterhuis. Een hersenchirurg zou haar logeerkamer, dat bed met spiralen, dons en overtrek met oermotieven omschrijven als “een broeinest, ergens achter het gebied van Broca, een nest met kraaienkuikens, boven in de vezels van de achterhoofdskwab, waar zij te veel ziet maar zelf niet gezien wordt”, en ze roept naar me dat ik naar de Spar moet, "om drank en drugs!”   Ik zeg haar dat ze mij nooit aan de nicotine of marokkanenhennep zal krijgen en zeker niet op deze quade saterdach, want het stormt, stormwinden heersen over het land, stormschade zal er zijn, een overbelaste noodcentrale, en een eik zal ongelukkig vallen, op een krijsend wijf dat loopt te vechtscheiden in het bos. Haar man zal met zachte hand de schors, het mos en het bloed van haar gezicht vegen, haar optillen, op de achterbank van zijn leasingwagen leggen en naar een ziekenhuis voeren. Hoe het zal aflopen weet ik niet, maar Frank had gewaarschuwd: blijf binnen!   Fuck Frank!  Tegen de wind in ga ik. Bladeren, meeuwen, brokken PUR-isolatie van een in aanbouw zijnde residentie vliegen door de lucht, maar ik geraak er voorbij, voorbij de kraan en de nieuwe blok, die nog grijs is, vanbinnen en langsbuiten. Alles wacht behalve ik, rode pakken baksteen op een metser, kalende mensen op de oplevering, op die eerste druppel water uit de sproeikop van de inloopdouche met handgrepen voor wilde rimpelseks en ik hoor haar naroepen, als een echo die op een grassprietje fluit, dat ik bier moet meebrengen, spekkelbrood, kip curry, chips met paprika. “En chocomoes!”   Het moet jaren geleden zijn dat ik ze nog kocht: een flesje Piraat Tripel Hop en een tijdschrift omwille van de kop. Doch vandaag, nu al dat kwaad dreigt onder een grauwe hemel, laat ik me vangen en koop ik de Knack. Vijf euro vijftig cent voor enkele Russische callgirls. “Dat hij daar nooit voor uitgenodigd werd,” houdt de kop vol. Hij kijkt streng, de lippen op elkaar en boven zijn voorhoofd, staat het, dat Trump een fascist is, over de revolutie van de blanke merderheid, dat De Winter het weer eens gaat uitleggen waarom in een hogedrukgebied de windhozen altijd naar rechts, met de klok meedraaien.   “Het waren beschouwingen over populisme, Piet Piraat, het zwakke vlees op pagina 35 en de malse blik van de kassierster die mij aanzetten tot de aankoop van dit tijdschrift,” leg ik uit aan Doesjka, die op het aanrecht gekropen is, de benen niet stil kan houden terwijl ik het bier, de kip, curry, choco, moes in de frigo steek.   Frank heeft gelijk: binnen blijven, cocooning is in. Straks met Doesjka het bad in, schuimbellen blazen en nadat ze zich afgedroogd zal hebben, zal ze zich de mond roden, met de lippenstift een neerwaartse pijl op haar buik tekenen. Daarna en met dezelfde kleine lepel zullen we proeven uit hetzelfde potje, komen er bruine vlekken op haar warme tong, van de chochomoes.   Met haar wil ik immer, blijven leven, uit dezelfde pot eten, zoals weleer, gewoon, pap van twee broden, bouillabaisse van vijf vissen en hij kijkt toe vanuit zijn kader, de grootvader van mijn grootvader, Victor Vanderbilt, wiens foto niet vergelen wil en die me eraan herinnert: vrijdag is het zover, de ontmoeting met B.B. King te Zeebrugge.       Fuck Frank! deel 1 van het historisch kortverhaal "Billy Sønderland' uit de reeks 'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
0 0

The Clouds

Hank pressed the bell, and not even two seconds passed before the door opened up with a cracking sound. A man appeared with a bald spot on top of his head, but long hair on the sides. He must have been close to fifty years old, was wearing a white shirt with stains on it, brown pants and black leather shoes. Taking a step back, Hank watched the man look at him with a wondering stare. He looked like he had been painting, and had been disturbed during one of his most intimate artistic endeavours.   “Yes?”, the man asked. Hank spread out his arm, and handed the man a piece of paper. “It’s for the room sir, I saw the newspaper ad.” “What…”, the man looked over the paper, and wondered through his mind. “Oh yes, the room, of course!”. He gestured Hank to come in, and stepped forward into the house. “I’m so sorry, I completely forgot about the ad”, the man said, “but yes, I do have a room for rent”.   They left the dark blue hallway and came into a living room. The walls where covered by books in oak tree bookcases. Some of the cases were divided by painting of clouds. “Oh, you’re a painter?”, Hank asked while pointing to a picture of a thundering storm. “Yes, you could say that I’m a painter”, the man smiled.   “So, this is the living room, but your room is on the second highest floor”. “And how many floors are there?”, Hank asked. “Not sure”, the man proclaimed while holding his hands in the air. “I only stay at the lowest and highest floors, not sure what happens in between.” “wait, what? You don’t know what happens in your own house?” Hank just couldn’t believe it. “Well, I know the floors are there, I just don’t know what they are used for”, the man said. “But how can you not know?” “You tell me, do you know what every mouse, every insect, every bird or every sparkle of dust does in every building you know?” “No, but..” “Then don’t assume that I know what happens on every floor of this house”, the man interrupted him. “Come on, I’ll show you your room”.   They left the living room, went back into the hallway and started ascending the stairs. Hank looked up the staircase, that looked like the deepest cave hanging upside down. How high was this house? But the man didn’t seem to notice Hank’s shock, so they continued their way upstairs in silence. After what seemed like an age, but what was only five minutes, they stood in front of a light blue door. “So, this is your room, well, if you like it of course!”.   When the man pushed down the handle and stepped into the doorway, Hank was struck by the glares of light. A big round window was placed in the northern wall of the room. It offered a splendid view of the sky. Hank could see the summer blue in between white fluffy clouds. How marvellous they seemed. They looked like a picture you might see in a museum, he thought.   The man stood in the middle of the room and spread out his arms. “So, what do you think?” Hank, still mesmerized by the big window, looked around. Just like in the living room, the walls were covered by bookcases and paintings. There were no paintings of thunderous storms, but only of bleu summer skies. The room was a gentle one. In the left corner stood a small wooden bed.   “It looks fine, splendid even! Hank couldn’t believe it. Sure, the man was weird, but the house and room looked amazing. “I’ll take it”, he said with a smile like he had just made the deal of his life. He turned to the man. “I’ll unpack right away, so my stuff won’t be in your way.” “Oh, that’s quite alright. You can take your time. I’ll just be upstairs for a while, but why don’t we have dinner together? I’ll cook something up for you.” Hank was surprised, the man didn’t really look like much of a cook, but then again, so didn’t he. “That’s nice, I’d love to. When will we eat?” “I don’t know, I don’t like to eat before it gets dark. How does 8 pm sound?” Hank was used to eating sooner, but he didn’t want to be impolite, so he said “that’s fine by me. “Okay, I’ll see you then.” The man turned around, walked out of the room and closed the light blue door behind him.   While the clouds passed by, the sun lowered itself towards earth. Time passed, and soon it was 8pm. Hank went back down, into the book-filled living room. Darkness was being chased out of the house by two lights. They gave a warm glow to the books.   The man had just set the table, when he turned to Hank. “Ah, just in time, please sit down.” Hank sat down, and watched his plate, that was filled with sausages and cream puree. It looked delicious, how can a puree be so soft and creamy? “So, if you don’t mind me asking sir, you said you are a painter. Is that all you do?” “Yes, but I’m not just an amateur, mind you. My work has been seen by the entire world.” “So, I might have seen your work is some museum?” “That depends, you could say you can see my work while being in a museum.” “How do you mean?” “Well, if you see something while staring out of a window of a museum, is that something then in that museum?” “No.. So you’re a street artist?” “I wouldn’t call myself that, it just sounds so … cliché. I mean, yes, most people see my work while walking down the street, but I’m not a guerrilla hippie with nothing else to do then painting the pavement.”   Hank couldn’t figure it out. Until now, the man had been nothing but a mystery to him. While eating another piece of cream puree, he became determined to look for answers. The semi-bald man would become a light in a dark forest.   But for now, Hank was happy to enjoy his meal. Once again he wondered about just how fluffy cream puree could be. it was like a soft southern spring sky in his mouth. When they finished their meal, the man said “so tell me, what do you think of the house?”. “It’s very nice,” Hank said “but I still have to figure out how many floors there are though.” “Oh, I wouldn’t mind that. I’ve lived here for an eternity, and I still don’t have an answer to that.” Hank sat back, and took a sip of his wine. “Just explain me if you will, how can you not know how many floors your house has?” The man chuckled. “Well, everyone has a favourite room in his house, right? I like floors. I like this floor and the highest. This is where I relax, and up there is where I work.” “And why do you work on the top floor? You must have really strong legs to walk up and down the stairs all the time.” “Yes, my legs are wonderful, believe me. But I need the height for my work, you see. The second floor wouldn’t do.” Hank thought about that one for a while. “But, why exactly do you need the height?” The man frowned, “Now young man, don’t be stupid. Every painter needs a canvas, right? That’s where mine is!”.   Hank lost it completely. “But that hasn’t got anything to do with the height? If you put your canvas on the second floor, you’d be fine!” The man sighed. “You simply don’t have the imagination to understand, and that’s a pity. How old are you?” “I’m 24 sir, but what does that have to do with it?” The man suddenly stood up, with his fists planted on the table. “See, it’s the disease of our times! 24 and already you have lost all your imagination.” The man walked round the table, stood beside Hank, raised his finger and said “Tomorrow you’ll see me work, and you’ll understand. But until then, no more questions. Good night”.   The man left the room. For a while Hank sat there and watched the cloudy darkness out of the window. He felt sleepy, so he got up and made his way up the long stairs. In his room, he closed the curtains from the big round window and got into bed. He fell asleep instantly.   The next morning, Hank woke up at a huffing and puffing sound. What on earth is that? “When you get your rigid mind out of your bed, come join me on the top floor. There’s no time to waste in the morning”, he heard the old man shout through the light blue door. Hank heard the man pause for a while and then the huffing and puffing sound started again. He got up and spread out his arms. A pity, the bed is so soft. I wonder where he got it from, Hank thought.   He made his way up the stairs and stopped before a white door. This is it, now I’ll finally know what the hell is going on here. Hank knocked on the door, and heard the man stammering “Come on in, mmpff!” He opened the door and saw the bald spot of the man going up and down. The guy was doing push ups! After two more times going up and down, he jumped up on his legs. “No need to be surprised young man. When you paint, you need strength. You need to be a force against the powerful paintbrush”. Hank smiled. Obviously, the man was a looney, a simpleton. But when he looked away, he watched the room in full amazement. There were no books or paintings covering the walls here. they were simple splattered with paint. But what struck him most, was that the northern wall was made of glass. The window had massive wooden frames, made out of oak tree, Hank noticed. it looked out over the morning sky. it was still dark, but a lonesome cloud was hovering next to the house. A tiny companion to the mighty sea of stars.   Hank saw the man crossing the room towards the window. He spread out his arms and started pushing the wooden frames. With a gentleness that surprised Hank, the window opened up. “It’s spectacular huh”, the man said. “I have never gotten used to the sight. It’s just too beautiful.” A soft breeze filled the room, but the man didn’t seem to notice. He took some cardboards and divided them over the floor. Then he started to pour out tubes of paint on them. Each colour had his own place. First white, then yellow, afterwards blue and finally black. “But where is your canvas? You said you needed this floor just for your canvas?”, Hank asked “Still you don’t see it, just wait”, and the man took up his paintbrush. First he pushed it heavily in white, spread it over a vacant cardboard and then dipped the brush gently in black. With a patience only old people and artists have, he began mixing the colours. It became light grey. Then he pointed the brush to the sky and started moving it. “What…”, Hank shook his head. “Now just wait! have some patience dammit!”, the man cursed.   As the brush moved over nothing but the air, a soft grey form appeared. It looked to Hank like a pillow someone just slept on. “You see, I paint the sky”, the man said with a smile. He started colouring in the pillow. He added some dark touches, which gave it some depth. “But… I mean… How does it stay up there?”, Hank asked with a bewildered gaze. “It stays up there, because I painted it there. But wait, the best is yet to come”. When the cloud was done, the man put aside his brush, watched his creation and simply blew on it. The pillow slowly moved out of the window, like when you walk to the toilet in the middle of the night.   That can’t be, he must have drugged me. The dirty bastard is probably playing some tricks on me while I’m fast asleep. Wake up Hank, goddammit! “I see you still don’t believe it”, the old man started cleaning his brush with an old cloth. “But this cloud will be taken by the western winds, all over the world you know.” He put down the cloth on a nearby table. “So you see, I didn’t really lie when I told you my work has been seen by the entire world.”   Hank stood amazed by what he had seen. The freshly painted cloud floated next to the house. It would begin its journey over the entire world. Pass through storms and keep the moon company is pure silence that only true friends can appreciate. Outside the house, the sun rose like a sleepy child, slow and warm. Life had just started over for Hank, even though he didn’t know it yet.   The man stood by the window. He closed his eyes halfway, as the sunlight came into the room. Suddenly they could see all the dust particles hovering in the light. Hank came closer to the man. “I don’t understand. Does this mean that every cloud I’ve seen in my life was painted by you?” “Most people don’t get it, but clouds are silent witnesses to their lives. The first time you kissed a girl, and looked up to the sky with the feeling you don’t need anything else, a cloud was there. When thunderstorms came into your head as a loved one died, and you sit hurled away in your room, the clouds see your sadness as they pass your house. They are the most intimate pieces of art you’ll ever see.”   “You know what the most beautiful thing is about clouds?”, the man walked away from the window and picked up his paintbrush. “Their beauty lies in their form. No one will ever see the same cloud. You might see a duck in it, as you lack the imagination, but others might see a white cherry tree in full blossom. Something that helps them through the day. A storming wave over the land that inspires them to unknown symphonies and poetic activities.”   The man dipped his brush in the white and yellow paint. “It feels like a good day, doesn’t it? Time for some colour to brighten the mood.”

Simon Sileghem
0 0

Nutcase

De schaamte. Ik voel ze vooral hier, in de supermarkt. Mensen mijden oogcontact sinds ik de ronde doe als een virale infectie. Ze kijken me aan wanneer ik mijn boodschappenlijstje doorstreep of het etiket van een fles wijn lees. Hun geniepige blikken branden door mijn winterjas. Het is zelfs zo erg geworden dat ik mijn vlees niet meer laat afsnijden bij de slager. Voortaan koop ik alles voorverpakt. Wat maakt het ook uit. Alles heeft een wrange bijsmaak tegenwoordig.   Ze zeggen dat mijn masker is afgevallen. Ze menen te weten wie ik nu écht ben. Maar wie was ik daarvoor dan? Iemand die de schijn ophield? Dat zeggen ze ook. En oké, ik was de controle verloren en de gevolgen zijn drastisch. Het is een jammerlijk feit uit een leven dat al 41 jaar braaf bestaat. Maar ben ik door het voorval veranderd? Ik geef de planten evenveel water als vroeger. Ik slaap nog altijd op mijn buik en ik kijk met evenveel spijt terug op bepaalde keuzes in mijn leven.   Maar goed. Het is dus gebeurd en veel mensen hebben het gezien. Ik ben nu officieel de nutcase van het dorp. De overdaad aan wijn en goedkope pralines in mijn winkelkar zullen die perceptie alleen maar voeden. Aan de kassa komen daar nog roddelboekjes bij. Mocht ik niet beter weten, ik zou denken dat het bewijs van mijn teloorgang naar de kassière schuift. Ik betaal de rekening en krijg er gratis een afkeurende blik van de winkelbediende bij. Wat een conservatief hol is dit toch.   En als ik eerlijk mag zijn: vóór de schaamte was ik trotst op mezelf. Fier op mijn daadkracht en uitstekend gevoel voor timing. Als een slechtvalk die in vrije val zijn prooi vangt. 12 jaar geleden, toen ik hem voor het eerst zag, had ik het lef nog niet. Hij kwam toen spreken over zijn investeringsplannen in de regio. Ik walgde van zijn dominante houding en vrouwonvriendelijk gezwets, maar als kersvers communicatiemedewerker van de gemeente deed ik wat van mij werd verwacht. Ik bedankte hem na zijn speech voor zijn kostbare tijd met een uitstekende fles Bordeaux. Hij nam de fles aan, gaf me een zoen en fluisterde onder luid applaus in mijn oor: “Heb je plannen vanavond, Barbie?” Ik was te geschokt om te reageren. Hij genoot van zijn macht.   Dat was ons laatste contact tot vorige maand, toen hij terug naar ons dorp kwam. Hij was hier niet om te spreken over de investeringen die uiteindelijk nooit zijn doorgegaan, maar om verkozen te worden. Ik overhandigde hem opnieuw een fles Bordeaux. Deze keer met een extraatje erbij. Om het in de woorden van de wereldpers te zeggen: “Lady grabs Trump by the nuts after speech.”    

Antony Samson
1 0

Diesel-tempo

Nieuwe school, avontuur - Ge wet wel - grote mond. Rondhangen me de vrienden, smore van lampbestuurde grond. Ontgrond, waar ik stond, met tanden van mijn mond, niet gedacht dat het bestond, nog voor dat alles echt begon.    Ik moest er nog mee starten, mee aan de slag, “Hallo - ik ben nieuw hier - ja - eerste dag”. Denkte echt dat da mijn woorden werden? Niks wereld-derde, elke dag die fucking Merde, Sorry dak ff hardop lach.   Vergelijk me met een beest als een tijger, een vechter, een krijger,  altijd eerst op startblokken, de steun van de steiger, Mensen vragen mijn mening, shit - really - ge moogt is raden waarom ik weiger.    “Hallo Mevrouw, goeiemorgen, ik zoek het toilet”, Ook zij had mij weer snel met de mond vol tanden gezet,  ik zeg ‘halloww.. da’s toch ni zo moeilijk he, zeg me gewoon de weg" Die vrouw bleek dus doof te zijn, en niemand da't da efkes zegt?!   Stunt nummer 1, en ik ben een man van vele, zou men stommiteit af en toe moeten kunnen verdelen, lokaal lokaliseren door te transporteren en te transformeren, zodat ik ’t me enkel moet verbeelden.    Dromen is erg maar vaak snel over, een soort manier waardoor ik mij naar een universe tover. Daar is het proper, rein en ongelogen, zonder te betogen, zonder ne moskee of synagoge.   Helemaal niet, waarom voelt gij u nu aangesproken? Ineens - ver uit het niks - komde gij hier aangekropen, ff kloppe, telefonneke, nee niks late wete, en dan nog verwachte da ge hier ’s avonds me ons mee kunt eten?!   Shit weg - die fucking vanzelfsprekendheid, Respect voor mekaar -neje- het volk van vandaag krijgt het schijt, in alle tegenstrijd, niemand is nog toegewijd, ge weet da gij de toekomst zijt, ge hebt zelfs nog geen beetje spijt.    Uw ouders - zo hard gewerkt om er voor u te zijn, centjes op de bank gezet voor uw succesje, groot of klein, Gij moet het wete, gij liever dan de mijn want - de mijn doe ik geen pijn, Gij zult het kruisje van het huisje zijn.   Sorry mama - ik lust da ni - ik wil alleen echte cola, meende gij da nu - men kind - shit verwende Lola. En Lola krijgt alweer haar zin,  dus tegen beter weten in,  klop ik vandaag weer op m’n kin omdat’k niet graag van m’n zusje win.   Ooit moeten we leren, doen we allemaal, en ’t is gewoon een feit, vandaag elk in ons eigen taal.  Fysiek of mentaal, introvert of asociaal. we moeten best massaal, organiseer nogmaals het laatste avondmaal.   Ma da's moeilijk want de tafel is te klein, of misschien hebbe we gewoon te weinig plek. Zijn weer maar eens verhuist, alles behalve fijn, weinig ander keus want den Immo ging op z'n bek.    Neenee, da's ni wa da'k zeg,  hoe wilde da'k het uitleg? Zo da gij mij verstaat, Immo en ik waren beginnen vechten op de straat.   

Flashlab
1 0

Zondebloemen (slot)

Als ze toekomen in de bed & breakfast ‘la Femme du Couchant’ te Revogne, valt de frank van Roeland: “Dat was gedomme de Magirus van mijn vader in die bocht. Hij komt in die bossen everzwijnen laden voor Van Hoornweder!” en hij pakt de sleutels van de Simca uit Lewis’ jas.   “Ik rij wel”, zegt Lewis en ze scheuren over de N355 terug naar Daverdisse. De boswachter ligt al lang met zijn okapi in bed, maar op de bosweg richting oevers van de Lesse, schijnen ze, de koplampen van de Magirus. Een knoeste gestalte sleept spartelende wezens over een laadklep de kamion in, geeft ze met een voorhamer een klop op de kop als ze te veel tegenwerken.   Roeland zoekt en vindt een knots, een kort stuk eik, nadert de man in de rug en slaat hem de schedel in. Als Florimond na een tiental minuten geen stuip meer trekt, roept Lewis: “Hij is verdomme de pijp uit, dat vadertje van je”. In de Magirus vinden ze twee koorden, binden er één rond elke enkel en sleuren Florimond naar de Simca.   Terug in ‘la Femme du Couchant’ neemt Roeland een lange douche, stuurt Lewis een smsje naar Gladys: de dwerg is er geweest, morgen schilderen en een zoen van Roeland   Bij dageraad laten ze Revogne achter zich. Met het lijk van Florimond in de koffer rijden ze door Tilleul en nog verder, tot temidden de immense zonnebloemvelden van Beauraing. Nu nog geen kat of vogel te bespeuren is, binden ze het lijk van Florimond ondersteboven op een achtergelaten driepikkel. Enkel het geraamte staat er nog, vogels zijn met het hooi gevlogen en uit het handschoenkastje haalt Lewis een vlindermes. Het heft legt hij in de hand van Roeland.   “Als een konijn,” zegt Lewis, die een klein spieraam met doek, tubes en kwasten van onder de achterbank van de Simca haalt. Roeland aarzelt niet, snijdt Florimonds kruis eruit, haalt de ingewanden eruit, sleurt ze in een gracht en vilt zijn vader, als een tam konijn. Met een stevige draai wringt hij hem de nek om en snijdt de laatste pezen door, die de kop met bebloede ogen nog vasthouden aan de ruggegraat.   Samen met Lewis, draait hij de romp met ledematen weer met de poten naar beneden. Lewis keert terug naar zijn schildewerk en Roeland vult de romp met kruid en distels, haalt een kleurig kleed uit de tas van June Palmer die ze in de Simca vergat en verscheurt het tot wat lompen voor de vogelverschikker; haar hoed en nog meer gras maken hem compleet.   Lewis duwt wat grijs, zwart, wit en rood, de bodem uit zijn tubes en ze wachten, op de condor. Een gsm rinkelt. Die van Roeland. Gladys, en Roeland stelt haar gerust: “Ik heb er één gevonden, een konijn met rode ogen. Onderweg stoppen we nog bij een Aldi, voor bruin bier, een zakje droge pruimen.”   Vol verwachting. Ze staat. Bijna poedelnaakt. Bij de telefoon en slurpt nog wat vruchtensap uit het heldere glas. Haar lippen bijten het rietje stuk en het sap sijpelt over haar loesjes, langs haar dijen. Tot. In. Haar. Roze. Laarzen. Met print. Van dolle zondebloemen.         Zonnebloemen te Beauraing laatste deel van ‘Zondebloemen’ uit de reeks  ‘Roeland Wittebolle’

Bernd Vanderbilt
0 0

Zondebloemen (7)

Ze rekenen af, Lewis zijn ferme prenten (van Pepper Powel, Machine Gun Kelly, Winnie Garnett en Penny Page), Roeland drie exemplaren van Anneke en Teefje, gesigneerd door de the writer himself, Mike Van Hulle. Roeland had er graag ook een handtekening op gezien van de tekenaar, Benny Weensteen, maar waar Benny momenteel uithangt, weet Mike niet. “Mollen aan het vangen, in een gang onder de grond, het is nu zomer en ze leven minder diep,” zegt Mike lachend.   Ze verlaten het lugubere pand. In sommige dozen hebben ze niet eens gekeken en Lewis wil Roeland in ‘le Clocher' trakteren op een glas kabouterbier uit Achouffe om te toasten op het heengaan van de blauwe gnoom.   Terwijl de barvrouw, voozien van een klokkenspel als een zwangere okapi, met een biermes het schuim op hun glazen een kopje kleiner maakt, leest Roeland de toeristenfolder die hem in de handen gestopt werd door een man (met snor en vernikkelde brilmontuur):   geleide rondleiding in de nauwste spleten van Ham op mosselen vissen aan de oevers van de Semois gratis naailessen in de abdij van Soleilmont kinderspelletjes plus clown in de kelders van Sars-la-Buissière snorkelen bij de watervallen van Coo   “Van een flauwe plezanterik, dat foldertje,” zegt Lewis terwijl hij een peket de Namur bijbestelt en er een bordje koude bloelingschijfjes bijkrijgt, “en nu nog een plaats vinden om te overnachten.” Ze betalen het gelag en vertrekken richting Revogne. Onderweg in de bossen van Daverdisse is er een wegomleiding, en houdt een boswachter de Simca tegen: “dat ze de omleiding moeten volgen en als ze weer op de N355 komen, ze dan best niet afwijken van de hoofdweg. In de bossen van Daverdisse liggen de everzwijnen te creperen van de jeukpest!”   Lewis zet de radio op en terwijl ze luisteren naar ‘Je t’aime moi non plus’ van Gainsborug, denkt Roeland aan tante Gladys, aan de paarse bloemen van haar aubergines met die stamper als een veel te grote clitoris.   “Jeukpest is niet eens besmettelijk voor de mens,” zegt Roeland en Lewis moet fors bijsturen om in een bocht de tegenligger, een donkerblauwe Magirus, te ontwijken. “Hoe weet je dat?” wil Lewis weten. “Mijn vader vervoerde tientallen zwijnen met de jeukpest. Aan een touw rond hun achterpoot sleurden we ze in de kamion en we voerden ze naar Sijsele, waar ze gewoon in worst gedraaid werden. Van Hoornweder stond in zijn handen te wrijven. Geen cent voor betaald, geen mens die het proeft, geen mens die er ziek van wordt, zei hij tegen mijn vader.”         Geen okapi’s te Daverdisse deel 7 van ‘Zondebloemen’ uit de reeks  ‘Roeland Wittebolle’

Bernd Vanderbilt
0 0

Zondebloemen (6)

Rechts voorbij een automobielenfabriek en een gillende meisjesbus, links voorbij een pampermanufactuur en een lijkwagen met verstorven banden, dwars door een gesplitste kieskring, over viaducten, asfalt en volle strepen. Het is een bundeltje ‘best of’ dat aan Roelands voeten ligt. Eva Eden, Irma the Body, Michelle Angelo en Bambi Leigh. Pas aan het vierarmenkruistpunt, waar een stapel Smart-voituurtjes in een glazen koker het Zoniënwoud probeert te overstijgen, komen ze in een file te staan. Roeland kijkt door het raam van de Simca en alles lijkt er op een rij te staan:   Adonis op een Kawasaki Kevin op zijn driewieler plofkipsoldaten in een Unimog vijf prinsessen, tiental peertjes, glazen muiltjes in een overvolle koets moeder met een kruiwagen op het logo van een bouwbedrijf een beestenwagen met elf paarden en één dode poney   “We moeten het bord E411 volgen,” zegt Lewis. Ja de E411, de autostrade naar Stockem en Arlons, die begint na die scherpe bocht en net voorbij die blinde darm, die er als betondiarree uit de aars van Brussel begint te druipen, richting Luxemburg, waar de blanke goegemeente zich met zwart geld de reet schoonveegt.   Lewis moet er remmen, daar in die bocht bij Jezus-Eik en als hij volledig stilstaat, stapt ze in via het rechter achterportier van de Simca, gaat midden op de achterbank zitten. June Palmer herself, in slechts wat zwarte lingerie. Ze spreidt zich de benen en de bijzondere lucht van een nylon poes slaat hen rond de oren. Lewis knipoogt naar haar in zijn achteruitkijkspiegel en als ze haar onderste ledenmaten één voor één tussen de voorzetels steekt, weet Roeland instinctief dat hij die naaldhakschoentjes uit moet trekken. Hij moet aan tante Gladys denken, hoopt dat ze zich niet laat naaien bij die kunstsmid te Poperinge.   June slaakt een zucht van opluchting nu haar voetjes niet meer gekneld zitten en al gauw hangt de zwarte tule van een even donkere beha over de schouder van Lewis. Dat ze niet onderweg zijn naar een beurs voor kwekers van exotische bonen, vertelt Roeland haar, terwijl hij haar zuignapjes bewondert. Te opzichtig misschien, want het lijkt alsof ze haar handen voor de boezem brengt, om er een grote hostie te breken.   Roeland kijkt weer voor zich. De Scania voor hen vervoert varkens en een jonge beer steekt zijn kop door de opening in het achterberd, terwijl June de armen spreidt en haar vingers over de rug van de achterbank glijden, om daarna haar benen nog meer te spreiden en haar tintelteentjes onder de voorstoelen te schuiven.   Lewis rijdt een parking op (van de Aire de Services te Bierges) en tankt de Simca vol. “Rij jij maar verder,” zegt hij tegen Roeland, die uitstapt en plaats neemt achter het stuur. Lewis stapt achteraan in, via het linker achterportier en neemt er plaats naast zijn eeuwige liefde. Roeland schakelt en vindt de versnellingen. Pas als de Simca op volle snelheid is en een volgende helling afbolt, kijkt Roeland in de achteruitkijkspiegel. June en Lewis zijn verdwenen. Het is de blauwe kabouter, die al die tijd in de koffer opgesloten zat, die nu smalend naar hem lacht, zonder ogen, zonder broek. Hij zit aan zijn minipietje te trekken en naast hem liggen een zwarte beha, een ongeopend blik witte bonen (gnomenklootjes in tomatensaus) en ook een stel verleidende ogen, op de cover van Kamera n° 32, photographed by Harrison Marks, featuring June Palmer.   Een gsm rinkelt. Die van Roeland. “Hoe je het, duizend borsten en bananen, in je kop haalt om me achter te laten bij die Esso,” roept Lewis door het toestel. “Ik dacht dat je met haar op de achterbank lag,” antwoordt Roeland. “Ik op de achterbank? Met haar? Met wie? Keer terug, jij geile ukkepuk!” waarna Lewis neerlegt en Roeland naar derde terugschakelt. Via de afrit Waver maakt Roeland rechtsomkeer en als hij weer bij de Esso van Bierges is, trekt Lewis een achterportier open, grijpt de zwarte beha bij de lintjes en de kabouter bij de keel. Hij blijft knijpen en als die blauwe dwerg de pijp uit is, rolt hij hem in de beha en kiepert hem in een vuilnisbak.   “Niemand zit nog met zijn fikken aan dit stuur, behalve ik, en zeker niet zonder rijbewijs,” schreeuwt Lewis, terwijl hij met zijn linkerhand op het stuurwiel slaat, daarna een zakfles uit zijn jas haalt en wat jenever naar binnen kapt. Hij slikt, herpakt zich en zegt: “Gij dreutel, gedomme, hoe is het mogelijk?”. Hij houdt zijn vuist twee seconden lang tegen Roelands kin, start dan de Simca en ze rijden verder, richting Redu.   In Redu parkeert Lewis zijn vierwieler naast ‘Mike & Benny’, een winkeltje in een kramikkelig pand naast een poelier. In de rekken staan en liggen, hangen roze jurkjes, balletbroekjes, macaber zijn de maskers, en vooral veel brol, kettingen en nagels met een punt, zelfbouwdozen voor een spijkerbed, lederen corsetten, riemen voor een hond of elf en nog meer klit en kluwen. Het is hier een echte augiasstal, denkt Roeland bij zichzelf.   “Mein friend Lewis!” roept Mike als hij Lewis ziet en klopt hem op de schouder. “Ik wist niet dat je een soon had,” gaat hij verder. “Deze picaro is de neef van een vriendin,” zegt Lewis terwijl al in een stapeltje vergeeld naakt begint te snuisteren. “Lewis een friendin?” lacht Mike en wijst Roeland een stapel stripverhalen aan. “Hier, fripouille, van mijn hand!”   Roeland knikt en leest het voorblad : De avonturen van Anneke en Teefje, Kelderzipken en de zijnen, tekeningen van Benny Weensteen en tekst van Mike Van Hulle.         Kelderzipken shags Bambi Leigh deel 6 van ‘Zondebloemen’ uit de reeks  ‘Roeland Wittebolle’

Bernd Vanderbilt
30 0

Zondebloemen (5)

Eerst cirkelen ze nog de ijzervogels, vliedend boven het witte veld, waar in het midden kuit van felrode forellen ligt, meer dan een handvol, tussen de duizenden edelweissjes, net als een merkpunt in Japanse grinttuin, waar van onder elke kiezel een witte bloem kroop, kleurloos als de dood.   Niet Attis, maar de macabare handen van Florimond hebben er een slagnet klaargezet, de rode visparels erin gelegd en hij wacht, in een hazelstruik, tot ze neerstrijken en het net toeslaat.   Het is Chione, godin van de sneeuw, die de ijsvogels redt. Vlokken dwarrelen neer en de rode kuit verdwijnt onder een laag sneeuw. Florimond ontsteekt in woede. Furieus is hij, zijn oogaderen spatten en het bloedt druipt van zijn gezwollen kop, drupt in de sneeuw, lokt een condor, die hem als een reuzenspecht de schedel openhamert, de gruwel, zijn hersenen en de foetus van de Hydra eruit pikt en wegvliegt.   Roeland daalt en landt, stapt uit zijn kleine zeppelin. Zijn beide armen steekt hij omhoog, strekt ze in de vrieslucht en slaakt een kreet van bevrijding naast het lijk van zijn vader.   Op zijn sleutelbeen voelt Roeland een hand, van Chione, die hem sneeuw aanreikt, waarmee hij zich de geest reinigen kan en ze leidt hem mee. Hij zweeft en kleeft aan haar zuivere sluier. Verslingerd raakt hij, zoent haar in het bos van de minne.   Chione, rein en wit, hunkert naar zijn wilde kleuren, kleedt hem uit. Hij voelt haar lichaam warm worden en zijn geslacht zwelt, glijdt tussen haar dijen, eksters tikken op het raam en Roeland schrikt wakker.       Roeland laat Gladys los. Lewis werkt hier en daar het rood en het wit nog wat bij op het schilderij. “Het is geen Oidipus en Iokaste geworden,” zegt Lewis maar dat lag niet aan mij.   “Wat kan ze heerlijk fluisteren...” Veel meer kan Roeland niet uitbrengen en tante Gladys trekt wat velletjes wc-papier van het rolletje, wrijft Roelands zaadcellen uit haar rosse driehoekje en haar lippen zeggen in zijn blozende oor: “Het geeft niet, jongen, ik vergat zelf te stoppen bij het wegvliegen van de condor.”   Ze schenkt hem en Lewis nog wat jenever in. “Als mijn Simca starten wil, rijd ik zachterdag via Rochefort, helemaal tot in Redu. Misschien vind ik er nog wat exemplaren van Kamera of zit June Palmer op me te wachten in l’Auberge du Désir,” zegt Lewis.   “Redu, het boekendorp?“, vraagt Roeland. Gladys knikt en strijkt Roeland door het haar, “en June Palmer stierf tien jaar geleden,” gaat ze verder, “het is gewoon een nare necrofiel, die Lewis!”   Lewis lacht en zegt: “Rij met me mee. We kunnen er overnachten. Een weekendje uit, samen, als een klavertje drie.” Roeland knikt en Gladys vindt het een goed idee: “Neem hem maar eens mee naar die berg schimmelboeken. Zelf kan ik niet. Ik moet naar een kunstsmid te Poperinge.”   “Om haar kuisheidsgordel te laten repareren,” zegt Lewis, die zijn glas achterover kapt.         Kuit voor de vogel deel 5 van ‘Zondebloemen’ uit de reeks  ‘Roeland Wittebolle’

Bernd Vanderbilt
0 0

Zondebloemen (4)

Door het hek. Gladys roodt zich de lippen nog een keer en Lewis heeft een deur, waarop men kloppen kan, hetgeen gebeurt en Lewis is thuis, Roeland nog lang niet. Gladys vertelt Lewis iets over bloed en beuling, over schuimbrood en een brand. Ze gaat dan vlak voor hem staan, op haar tenen, alsof ze achter hem ook brandweerwagens gehoord heeft en over zijn kop wil kijken om ze te tellen. Ze geeft Lewis een zoen op het voorhoofd en een afdruk van haar mond prijkt boven zijn wenkbrauwen. Slechts vel, wat bot en een hersenvlies scheiden de rode smak van zijn frontale kwab. “En waag het af te vegen,” lacht ze de slaperige man toe, wiens huis op een volgestouwd arsenaal lijkt:   beitels, magazines, raspen duimspijkers, vingerschroeven, affiches rolletjes, kwasten en filmbanden prenten, boeken, uitgescheurde billen vijlen, velletjes en blokken hout   Krabbelpennen en een rol wc-papier liggen op een schrijfbureau; in de hoek van de enige kamer staat een ezel met een blanco doek. Overal waar Roeland kijkt hangt wel wat schaamhaar uit de stapels (op vergeeld papier); tepels en borsten hangen her en der, als te veel abrikozen in dezelfde boom, te veel bomen in hetzelfde bos. Gladys merkt dat Roeland niet weet waar eerst te kijken en zegt: “Op den duur let je er niet meer op. Hij verzamelt die dingen als reservenaalden voor die ene roze den die maar niet groeien wil.”   Roeland durft te lachen en Lewis schudt het hoofd: “dat doet ze nu elke keer, de draak steken met mijn collectie”. Hij zet een kan rozenbottelthee, en drie tassen bovenop een toren prenten en tijdschrijften, waarvan de bovenste mammeloesjes (die van Ann ‘bang bang’ Arbor) het al snel warm zullen krijgen, denkt Roeland.   “Of schenken we die knaap iets sterkers in?”, zegt Lewis. “We zien wel”, antwoordt Gladys, die Roeland op de dij klopt. De thee verdwijnt in hun keel en Lewis werpt Roeland een goedkeurende blik wanneer hij in één van de magazines begint te bladeren. Dude Magazine, March 1965, The Russian Bared or one day in The Life of Tanja Tolstoj.   Gladys staat op, zegt dat ze dringend moet, trekt wat velletjes van de rol wc-papier, verlaat de bungalow en stapt naar het vertrek op de achterkoer. Als onderweg haar hak in een verdwaalde dennenvrucht blijft steken, trekt ze het muiltje uit en slingert het naar het hoofd van de blauwe kabouter, die het projectiel niet ontwijken kan.   Twee mannen, temidden massa’s bloot en naakt. Lewis moet het kwijt aan Roeland: “Duizend borsten en granaatappelen! Dat is me wel een tantetje dat jij hebt. Dat ze al die jaren lang quasi onaangeroerd gebleven is?” “Geef mij toch maar een dreupel”, zegt Roeland, want straks komt ze terug met in haar hart de ziel van Iokaste, met een lege blaas, met niets aan en zonder muiltjes.           Duizend borsten en granaten deel 4 van ‘Zondebloemen’ uit de reeks  ‘Roeland Wittebolle’

Bernd Vanderbilt
0 0

Zondebloemen (3)

Het is als in een elektrische slow motion western. Ze springen uit de trein en komen in een dorre berm terecht met enkel grint, een poppenpoot en een halve neonbuis. Zij het dan op een druilerige zaterdag want in Amerikaanse cowboyfilms schijnt altijd de zon en tante Gladys neemt hem bij de hand, in een poging zijn aarzelende tred te versnellen.   “Niet bang zijn, Roeland. Niets staat op het spel. Ik heb al eerder voor Lewis geposeerd. Laatst schilderde hij me als Artemis temidden een toom krielkippen. ‘Breng de volgende keer een jonge knaap mee’, zei hij en ik dacht onmiddellijk aan jou.” “Is het de bedoeling dat we samen iets doen op dat schilderij?”, vraagt Roeland. “In een schilderij leeft hoogstens ongrijpbaar verlangen, maar wat Lewis precies voor ogen heeft, weet ik niet”, zegt Gladys die haast een hak omslaat op enkele grove keien. Ze stopt bij een paal die zonder geweld de bovenleiding zweven doet, neemt lippenstift uit haar handtas, zoent de lucht om haar lippen wat extra te kunnen roden en tekent daarna een even rode smiley op de paal. “Ik heb aan je moeder beloofd goed voor te zorgen, je verder op te opvoeden, ver weg van die beul,” gaat ze verder, “ik wil dat binnen enkele jaren elke vrouw van je zou zeggen: dit is nu pas een man!”   Zij kijkt hem aan, hij in haar ogen. “Ik zal straks de ganse tijd bij je zijn, lieverd, en Lewis is een vrijdenkend man. Hij heeft ook een aardige collectie oude filmpjes. Harrison Marks. Zegt dat ik de ziel van June Palmer in me draag.” “Nooit van gehoord,” zegt Roeland terwijl hij vijf cent op de sporen legt. “Ik breng je wel op tijd op de juiste gedachten,” stelt ze hem gerust, “of misschien juist op andere gedachten en fluister ik wat in je oor, misschien wel een verhaal over je vader, die zich in een hazelaar verbergt, naast een edelweissjesveld, vlakbij een kleine Noorse nederzetting met falurode huisjes. De gevels zijn er geschilderd met walvisbloed en in het witte veldje heeft hij een val gezet, met knalrode bessen erin, om een zwerm lijsters te vangen en ze daarna met blote handen één voor één de kop af te rukken.” “Niet grappig,” zegt Roeland, “maar het zou een ongepaste opwinding wel snel naar de wip helpen.” “Ongepast is relatief”, spreken haar lippen, terwijl haar duim en wijsvinger een glimlach vormen en hem bij de kin vasthouden. Ze kijkt hem opnieuw prangend aan en wanneer ze loslaat, zegt hij: “Je klinkt net als een wijze filosoof, een oude Griek met witte krullen.”   “Straks zal je wel merken dat ik geen witte krullen heb,” plaagt ze hem, “we moeten doorstappen. Hij woont ginds in een bungalow, in een naaldbos.” In de verte zien ze de dennen al. Er loopt een pad tussen stammen, hars en een laag afgevallen naalden, die met de jaren de grond en het leven van de bosbloemen zuur gemaakt heeft. Dan moeten ze nog door het smeedijzeren hek en voorbij die blauwe kabouter, zonder broek en zonder ogen.         Vijf cent voor twee ogen deel 3 van ‘Zondebloemen’ uit de reeks  ‘Roeland Wittebolle’

Bernd Vanderbilt
0 0

De vos

Kortverhaal                       De vos                                                                                                                     Ingeborg Daniëls   Achteraf gezien was het een voorteken geweest dat ze van al haar porseleinen diertjes juist de vos aan diggelen had laten vallen. Zoals altijd moet de tijd erover neerstrijken om aan een voorteken betekenis te geven.    In haar knoestige handen houdt ze het stapeltje bidprentjes dat ze verzameld heeft  na een leven van zondagse missen. Op elk prentje prijkt vooraan een heilige, de Maagd Maria met boreling, naar obesitas neigende cherubijnen, een lijdende Christus of een oplichtend kruis op een donkere achtergrond. Op de achterkant staan gebeden en bezinningsteksten die aanmanen tot christelijk leven en het te allen tijde vermijden van de katholieke hoofdzonden. Het papier is intussen verweerd tot leer. De klok op de marmeren schouw tikt gedurig voort.    Terwijl ze de gebeden prevelt, dwalen haar ogen door de ommuurde tuin. De hagen van beuk en de palmstruikjes heeft George nog geplant en 40 jaar lang plichtsbewust gesnoeid. De gele rozen, salvia’s, geraniums en afrikaantjes worden nu verzorgd door Roger van op de hoek, die zijn kleine pensioen aanvult met het onderhouden van de hofjes in de straat. Ze mag straks niet vergeten te zeggen tegen George dat hij het gras moet afrijden. Nee, dat mag ze in geen geval vergeten.    Haar gedachten zijn opeens afgeleid van de prentjes. Er beweegt iets tussen de onderste takken van de rododendron. In een flits ziet ze een witte vlek en een roodbruine vacht. Dan oplichtende ogen.  Een gele blik pint haar aandacht vast en heel even voelt ze haar hart verkrampen. Dan verdwijnt het dier even snel als het verschenen is. Versteend kijkt ze naar de zwiepende takken van de struik. Een vos! Een vos in haar hof! Even twijfelt ze. Was het geen hond? Nee, de honden uit de straat kent ze bij ras, naam en vachtkleur. Hoe komt Reynaert dan in haar ommuurde stadstuin terecht? Het dier moet vanuit het natuurdomein zijn territorium hebben uitgebreid of misschien is het wel een moervos met hongerige pups. Ze tast met haar voeten naar haar pantoffels onder de tafel en duwt zich recht. Even blijft ze zo staan met haar ogen strak op de struik gericht, dan schuifelt ze naar de achterdeur.   De oktoberlucht waait haar vochtig en onaangenaam tegemoet. Buiten het geluid van een paar mussen is er geen spoor meer van de vlammende aanwezigheid van de vos. De tuin is weer stil en in zichzelf gekeerd. Ze moet plots denken aan de oude dorpspastoor.    ‘Geluk is een tuin en een goed boek.’ ‘En het geloof natuurlijk’, voegde hij er dan aan toe, voor het geval we zouden denken dat hij in een onachtzame bui aardse zaken boven de Heer verkoos.     De hele avond blijft ze stil voor het raam zitten onder haar zelf gebreide dekentje. Zou hij terug komen? De verschijning van de vos heeft haar geraakt tot diep onder haar ribbenkas. Ze voelt hem nog trillen tussen haar longen en hart, op de plaats waar ze ook andere dingen heeft gevoeld, zoals liefde en doodsangst.   De komst van het dier projecteert beelden van lang geleden op de binnenkant van haar netvlies.    Als schoolmeisje was ze graag bij haar grootouders in het lemen huisje met het rieten dak, al ontzag haar grootmoeder haar niet als het op werk aankwam. In de hoek achter de deur stond grootvaders wandelstok. In het eikenhout had hij afbeeldingen gekerfd die haar kinderlijke fantasieën hadden gevoed. Een draak, een boer met zeis, een melkmeisje, een zwijn en de heilige Castulus die -om redenen die ze zich niet meer kon herinneren- zijn favoriete heilige was geweest. Maar het allermooist vond ze de pluimstaart die aan het handvat hing. Ze herinnert zich hoe zacht hij had geleken, maar hoe stug de haren aanvoelden als ze hem streelde. Het had haar grootvader een zeker aanzien gegeven als hij met die wandelstok, laarzen en een pet over het erf wandelde. De vossenstaart bungelde tot halfweg de stok als een trofee. Dat de staart inderdaad van een dier afkomstig was, had ze pas later beseft. Grootvader had een vossenkadaver op tafel gesmeten. Hij had het beest in een klem bij het kippenhok gevangen en de doodsstrijd was duidelijk lang en hevig geweest. De aanblik van de bebloede tong en de gebroken ogen hadden haar maag doen keren. Toen grootvader met één trefzekere slag de staart van het dier kapte, kon haar verbijstering niet groter zijn. Nu had hij twee staarten voor zijn wandelstok, had hij lachend gezegd. Zijn zichtbare minachting voor dit dier had haar evidente bewondering voor haar grootvader op slag van alle naïviteit ontdaan.   Voor de rododendron ligt een opengevouwen pakje van de slager met daarop twee sneetjes hesp en wat kaaskorsten. Die heeft ze tussen de klaargemaakte sneetjes brood uit gepeuterd en apart gehouden als aas voor de vos. Misschien verleidt de geur van het welkomstgeschenk hem wel. Ze heeft moeite om zich te concentreren op de gebedsprentjes die ze routineus leest en op een stapeltje legt. Haar kaartspel met God kan haar vandaag maar moeilijk tot rust brengen. Wanneer ze de gebeden voor de derde keer wil doorploegen, verrast een plotse beweging in haar linkerooghoek haar. Een roodbruine vos met zwarte poten schrokt in een paar seconden het vlees naar binnen en grist dan het witte inpakpapier met zich mee de struik in.  Ze spert haar ogen open naar de plek waar ze vanmorgen nog stond. Op doorweekte pantoffels en in haar nachtkleed, probeerde ze tussen de takken te turen. Haar knieën hadden zich krakend verzet. Het moet de Heer zijn die haar met dit magische wezen zijn goedkeuring toont!    ‘Dank, Heer’, prevelt ze. ‘Dank!’ De rest van de avond tintelt het in haar maag en gloeien haar oren.   Ook de volgende dagen verschijnt de vos in haar tuin, steeds op hetzelfde moment, na haar gebeden. Eerst waagt hij zich maar enkele seconden van onder de beschermende takken vandaan. Na enkele dagen blijft hij een paar minuten zitten om zijn presentje te verorberen. Hij gunt haar een blik op zijn glanzende vacht die het herfstlicht nu eens bruin, dan weer oranje kleurt. Boven zijn zwarte, slanke voorpoten valt zijn witte bef des te feller op. Alsof hij de jagers uitdaagt:    'Hier is het te doen! Schiet maar in de roos!'    Ze wil zich verzekeren van zijn terugkomst en na enige tijd offert ze niet alleen haar broodbeleg, maar ook haar middagmaal op. Reikhalzend kijkt ze uit naar de komst van haar roofvriend, het ijkpunt van haar dag. De felle verschijning vervult haar met een warmte die nog het meest lijkt op verliefdheid, een gevoel dat ze zich met moeite kan herinneren. De vos is haar minnaar. Iemand die haar apathie doorbreekt. Iemand om naar uit te kijken. Dat ze hem gadeslaat, beseft de vos duidelijk. Op het moment dat hij zich op het voedsel stort en hij tegelijk zijn priemende blik naar omhoog richt, naar haar, achter het raam, houdt ze telkens haar adem in. In zijn pupillen schitteren arrogantie en ontembare honger. Terwijl de tijd haar voordien voorkwam als lijm waar ze doorheen moest waden, vloeien de dagen nu door elkaar. Wanneer ze 's morgens de ogen opent en haar stramme knoken uitrekt, is de vos haar eerste gedachte.    Ze weet niet meer hoeveel weken of maanden het geleden is sinds hij zich voor het eerst vertoonde. In elk geval  vriest het en zit de ijsgrijze lucht vol sneeuw wanneer ze op een morgen beslist om buiten te blijven zitten. In haar dikke kamerjas en pantoffels met schapenwol sleurt ze een plastic stoel van het terras. Tot naast het eten, bij de rododendron.     Ze moet ingedommeld zijn, want het schemert al wanneer ze uiteindelijk geritsel hoort. Ze moet geen moeite te doen om doodstil te blijven zitten. Haar lijf is een ijsklomp. De vos lijkt niet verrast en kijkt haar recht aan met zijn brandende ogen. Onmiddellijk voelt ze zijn warmte. Ze wil iets geruststellends zeggen, maar durft niet. Bang dat haar krakende stembanden hem zullen verjagen. Ze glimlacht alleen maar. Ik ben ongevaarlijk. Ik ben geen jager. Ze denkt het en hoopt dat de vos het begrijpt. Hij buigt zijn kop, snuffelt aan de kaas en kalkoenfilet en eet alles op zonder schrokken. Daarna likkebaardt hij en wast rustig zijn poten. Tijd en ruimte vallen samen, ze versmelt met de vos. Hij kijkt haar aan en slaat zijn staart rond zijn voorpoten. Dan grijnst hij. Vosje Vos Rent door het bos Met tanden die blikkeren En ogen die flikkeren Slacht nu het konijn Vosje mijn.    ’s Nachts ziet ze zijn gele ogen en voelt ze de aanraking van zijn staart tussen haar benen.   De vos is nu altijd aanwezig in haar tuin. Ze wijkt niet meer van zijn zijde, al vriest het stenen en soppen haar pantoffels van het water.    Ze zingt voor hem, terwijl hij op haar schoot slaapt. Haar handen strelen de sneeuwvlokken van zijn stugge vacht. Wanneer hij uitgeslapen is, geeuwt hij zijn tanden bloot en richt zijn blik op haar. Het verbaast haar geenszins dat hij spreekt.    ‘Wilma’, zegt hij. ‘Wilma, George wacht.’  

Ingeborg Daniëls
3 2