Zoeken

Zondebloemen (2)

  Zaterdagochtend, in zijn kamer met aan de muur één poster van Darlene Bubbles en één van Skinny Puppy. Roeland opent het raam. Gisteren was het nog een hot-and-shiny-borsten-worsten-dag, waarop de zon een vermeende vrolijkheid uitstraalde; vandaag is het kil en bewolkt. Een schimmelpaardje trekt een grijze koets door de lucht. Het ding drijft dichterbij en vervoert twee schapen, met of zonder kop, want ogen of oren kan hij niet onderscheiden van de rest. Het gevaarte vliegt gevaarlijk laag, zal straks misschien blijven haperen aan de appelaar. Dan vallen de schimmel en de schapen in de groenselhof om daar een hoop vuile sneeuw te vormen.   Ja, sneeuw op een ochtend in september en mijn vader, Florimond Wittebolle, heeft deze nacht allicht weer enkele stervende koeien in zijn Magirus getakeld om ze naar Van Hoornweder te voeren, naar dat kleine Sijseelse slachtkot waar ze nog snel in stoofvlees versneden werden.   Aan de horizon ziet Roeland rode voertuigen, rijdende ladders en blauwe zwaailichten. Misschien hebben enkele van die getikte Lotjes het gesticht van Onze-Lieve-Vrouw in de fik gestoken, en staan Lieselotje, Charlotje, Lancelotje en Lorelei buiten naar de vlammen te kijken, allen met de handen in het verwarde haar en de voeten in pantoffels van konijnenpels.   Als Roeland de keuken binnenkomt, staat tante Gladys blootvoets voor het aanrecht, op haar tenen, om alles beter te kunnen zien. Ze leunt voorover waardoor haar benieuwde tepels de vensterbank bijna raken. Zeven brandweerwagens telt ze en op haar negligé prijken ongeplukte anjers, eronder leeft dat zachte vel   Snel! Koffie moet ik zetten. Deze ochtend geen gepluimde kippen in de keuken! Anders gaat ze klappertandend rondlopen, om ze te vangen, en verschijnen er rode vlekken op de muur, bloed dat uit hun koploze nek spettert.   “Daar had ik nu zo’n trek in”, zegt ze met een stem als warme melk, terwijl ze met beide handen de tas streelt en wat koffiedamp in zijn richting blaast, “neem ook een tas en trek straks iets warms aan.” “Waarom?”, wil Roeland weten. “Vertel ik je straks wel, op de trein naar Paardenput.” “Paardenput?’ “Ja, Paardenput”, glimlachte ze. Ze drinken en ze zwijgen. Tante Gladys laat een hemels boertje. Haar kop is leeg (de tas, bedoelt hij) en spoelt hem in de pompbak.   "Ti-da-ti-da-ti-da..." Zingend als een blijde ambulance, loopt ze de trap op terwijl haar flinterdunne negligé zonder twijfel openvalt en als een verkwikkende sliert ochtendnevel achter haar aandrijft. Roeland probeert nog aan een eeuwige zomer te denken maar haalt dan toch een pullover uit de wasmand en trekt die aan boven een losse jeansbroek. Een onderbroek vindt hij niet.   Ze gooit een elastiek naar hem voor ze de fiets opkruipt: “om boven je rechter enkel te doen, anders draait je broek in de ketting” ...en komt die slurf uit zijn broek te hangen, denkt zijn scrotum. Onderweg naar het station van Brugge, passeren ze de nasmeulende, platgebrande, brood- en boterkoekenfabriek. “Dit stond dus in lichter laaie deze ochtend. Vaarwel tonnen schuimbrood en vettigheden!”, zegt tante Gladys met een stem die harder klinkt dan hij gewoon is en ze test haar fietsbel wanneer ze de laatste brandweerman voorbijrijdt. Blusschuim hangt hem tussen de benen.   De fietsen maken ze 1-2-3 met een cijferslot vast aan een ursusdraad, die een hondenkakperkje scheidt van het trottoir. Op het perron wacht een trein, op sporen, wissels, bruggen en tunnels. “Die nemen we,” weet ze, “de boemeltrein naar Brussel. Die zal wel stoppen in het station van Paardenput.” “Als jij het zegt...” en Roeland neemt een krantje van de grond, begint uit de rubriek ‘vakantie en tijdverdrijf’ luidop voor te lezen:   driedaagse sauna in Helsinki helend bubblebad in Bollywood treinreis door een Ijslands paradijs weekendje in Willy Wankerland slurffestijn in Florida   Gladys lacht waardoor haar bolle welpjes weer wakker schrikken. Terwijl hij een slapertje uit zijn oog rechter oogput peutert, neemt zij de gratis krant van hem af, mept er een wesp mee dood en het zwartgele wezen valt op het oranje tafeltje. “Moordenaar,” zegt Roeland zonder enige verontwaardiging in zijn stem. “Ben ik allergisch aan, aan bijensteken, wespensteken, breisteken en bereid je maar voor, mijn jongen. Straks te Paardenput moeten we volledig uit de kleren. Warm is het niet vandaag”. “Geloof ik niet”, zegt Roeland, terwijl zijn slurf het tegendeel beweert. “Echt. Oidipous en Iokaste. Bij een schilder. Model staan. Maar ik ben je moeder niet, dus maak je geen zorgen, lieverd. Gewoon jezelf blijven, poseren, eigenlijk een stilleven, want een schilderij is maar een momentopname.” Als jij het zegt, denkt Roeland terwijl hij de schuin naar onderen wegdruipende regendruppels op het raam volgt; ze kruipen gelukkig door de wand van de wagon en hopelijk slaagt hun koelte erin zijn zestienjarige willy weer wat kleiner te krijgen.   Dit alles terwijl er niet eens een station is te Paardenput en ze niet eens op een stoptrein zitten. Het is een intercity en eenmaal voorbij Aalst stopt die pas in Brussel-Zuid. Maar er is een stroompanne, net voorbij de bocht bij Paardenput. Een kraan is bij een overweg in de buurt van Erembodegem tegen de bovenleiding gereden. Enfin, de conducteur komt langs en vraagt de reizigers om uit te stappen en zich te voet westwaarts, naar de bushalte ‘Paardenput’ te begeven. “Daar zullen vervangbussen U dan afhalen”, stelt hij gerust.   De wesp lijkt definitief dood te zijn. Geen stuiptrekking zal die angel nog in beweging krijgen, denkt Roeland. Met zijn hand veegt hij de wesp in de krant, die hij als een lijkverbrandingsbootje onder het tafeltje bij het raam houdt, legt de wesp daarna te rusten in de kleine assenbak en sluit het dekseltje. “Kom we gaan,” en Gladys trekt Roeland bij de mouw, “Lewis wacht op ons. Straks is zijn verf al droog.”         Stroompanne te Paardenput deel 2 van ‘Zondebloemen’ uit de reeks ‘Roeland Wittebolle’

Bernd Vanderbilt
50 0

Zondebloemen (1)

  yoghurt op Griekse wijze schuimzeep pitloze pruimen honing konijn kaaskroketten     Roeland overloopt het boodschappenlijstje en vermoedt dat hij het konijn met rode ogen niet zal kunnen vinden, ook niet slapend, de oren naar beneden, onderin het rek bij de kassa, onder de kauwgom, doosjes tic tac en condooms met de fletse smaak van vroeggeplukte aardbeien. Hij stapt verder tot hij voor een koeltoog staat, waar ze roerloos liggen, in een kunststof schaaltje onder vershoudfolie, lepeltje-lepeltje, telkens een bruine bloedworst tegen een witte pens aangedrukt.   Krijg je lichtbruine stoelgang van en de kaaskroketten van den Aldi zijn beter. Supersmeuïg. Goudbruine korst. Geloof me. Terwijl er helemaal geen Aldi is in Tillegem en tante Galdys geen frietpot heeft, duwt Roeland met zijn wijsvinger krachtig op één van die gevulde varkensdarmen. Geen leven in die neger te krijgen! Een vrouw achter de koeltoog kijkt argwanend toe. "Of je ook placenta hebt, het liefst die van Adam of Eva?", is de vraag die hem op de lippen zwelt, maar hij zwijgt, legt één schaaltje worsten in het karretje en als hij de pamperafdeling voorbijrijdt, denkt hij aan zijn oudste nicht Vanessa.   Toen die haar melkbusjes na het baren en zogen van twee mollige dochters volledig wilden wegkwijnen, heeft ze nog Franse implantaten laten inbrengen, maar tevergeefs. De rek bleek volledig uit haar huwelijk te zijn en toen kocht haar man Kevin zich een BMW-brommer met twee voorwielen. Hij verhuisde, ging alleen wonen in de plooien van het Heuvelland om daar elk weekend gezwind bergop-bergaf te crossen; de lucht gierde hem als een zuiverende zeebries door zijn leeggesnoten neusgaten.   Na het vergeefs afschuimen van verschillende datingsites -alleen is maar alleen- heeft Vanessa een reis naar Cuba geboekt, werd daar halsoverkop verliefd op een bruine Adonis. Vanessa hertrouwde. Het werd een feest met rum, rommeltoetjes en roombotergebak. Adonis kreeg na enkele weken zijn verblijfs- en werkvergunning en nachten-, weken-, maandenlang, van heilige Justinus tot heilige Libertus, lagen ze bij elk ochtendgloren, net als een beulink tegen een witte braadworst, bloot in het schaaltje van het hete bed te bekomen van hun daden.   Maar toen het lente werd, kocht ook Adonis kocht zich een brommer, één met één voorwiel minder dan Kevin en is er mee weggereden naar god weet waar, de vergunningen veilig in zijn achterzak, om nooit meer terug te keren.     Roeland nadert de kassa. Het bleke meisje, dat er voor een rek vol met korte drank zit, heeft vier knoopjes van haar lichtblauwe schort openstaan, waardoor ze zichtbaar worden, het spannende shirt met rolkraag, een kruisjeshanger, ketting en borsten die als peren, als ferme muilpeertjes hangen te rijpen.   Zwijgend scant ze, terwijl ze passeren: de Griekse wijze die zich de buik volspoot met eigen yoghurt, kinderschuim, een valse baard, honing achter zuiver glas en in hun rayon blijven ze onaangeroerd liggen, pruimen in zakkjes naast rozijnen voor de sultan.   De Griekse wijze neuriet moeilijk hoorbaar en Roeland staart naar de kleine glasplaat met die rode schijn, wacht telkens op de volgende 'piep' van een gescande barcode. Had hij maar geen lege doos met opschrift Lucky Dog genomen. De hondenbrokkengeur, die uit het karton opstijgt, overheerst alles, het parfum van de kassierster, de smaak van weerbarstige pruimen of van honingkoekjes in de vestzakken van een kruimeldief.   Als hij buitenkomt, wacht diezelfde vrijdag hem weer op, aarzelt hij om naar de kassierster te wuiven. Met zijn rekker bindt hij de doos op de fietsstaander en vertrekt, rijdt door een onwel, naar berkenwants riekende dreef naar het huis van tante Gladys. Het poortje van de tuin staat open en tante Gladys trekt onkruid in de voorhof. Haar kale kameeltje bengelt in een los zomerkleedje. "Alles gevonden?", vraagt ze en Roeland denkt terug aan het meisje bij de kassa.   "Bijna, neen, niet alles. Het konijn was nergens te bespeuren en die pruimen heb ik dan ook maar niet gekocht", zegt hij, terwijl hij het schaaltje met de worsten uit de Luck-Dog-doos neemt en met zijn wijsvinger twee putjes als oogkassen in elk van de worsten duwt. "Roeland met vlezige worsten in z’n pollen?", zegt Gladys met een bedenkelijke blik, "en toen je het konijn niet kon vinden heb je die worsten maar gekocht?". "Omdat ze zo zorgeloos tegen elkander lagen, die ene is precies een blanke meisjesworst met biosproeten". "En die andere?", vraagt tante Gladys. "Dat is een neger", antwoordt hij. "Een zwarte, zal je bedoelen en die kaaskroketten bakken we wel in een casserole. Een flinke scheut olie erin. Maar een blanke meisjesworst, gij malle loeder. Hoe kom je erbij?".   Roeland zweet nog van het fietsen en in de badkamer gaat hij zijn tronie wat spoelen. Als hij de deur opentrekt, ziet hij hem daar languit liggen in een bad vol schuim. De Griekse wijze met zeepbellenbaard staart hem aan, haalt van onder het schuim een bloedworst tevoorschijn, prikt er wat bellen mee dood en tante Gladys is intussen ook de badkamer binnengekomen. Poedelnaakt. Haar rosse schaamhaar prijkt als een bermudadriehoek op haar onderbuik.   Ze zet zich neer op de rand van het bad, spreidt de benen en strijkt met haar rechter middelvinger door de klonters yoghurt, die als gestold eiwit aan de borstharen van die ouwe geilaard kleven. Daarna likt ze de vinger binnensmonds schoon en brengt haar hand naar haar dief, duwt de schaamlippen wat open en zegt spottend: "Hier groeit echt geen blanke meisjesworst, mijn lieve Roeland, eerder het puntje van een hete peper".   De ouwe bok met saterkop richt zich op en brengt de bloedworst over de verraderlijke bermudadriehoek tot bij die glimmende dief om, na wat heen en weer gefrot met die ronde dichtgeknoopte top, hem bijna volledig in de hongerige poes van tante Gladys te laten verdwijnen. Enkel het knoopje dat aan de andere van de worst zit, ziet Roeland nog. De vunzige bellenbaardemaker trekt er wat aan en wrijft het knoopje heftig tegen het puntje van haar pepertje. Haar buik- en mosselspieren spannen zich meer en meer op. Tante Gladys sluit de ogen, houdt haar adem in en schreeuwt dan enkele seconden lang, als een dolle duivelsdochter, als een vurig lam dat net de staart afgehakt werd.   Roeland wendt zijn blik af, schudt zich de natte kop voor de blinde spiegel, wrijft de waterspatten van zijn gezicht en kijkt daarna opnieuw naar het bad. Het bad is leeg en als hij terugkomt in de keuken, is Gladys appels aan het schillen. "Van eigen boom, compote, voor bij de worst," zegt ze vrolijk, "proef alvast een kaaskroketje". Hij neemt er één tussen duim en wijsvinger, bijt door de krokante bast en al gauw voelt hij de kaas smelten op zijn tong terwijl zij naar een beha grijpt in de wasmand. Haar armen haalt ze uit kleedje met motief van doornloze rozen en het valt op haar heupen. Ze draait zich om, steekt haar armen in de frisgewassen soutien en heft haar rijke natuur erin, kijkt over een schouder eerst naar Roeland en dan naar de haakjes van haar beha. Roeland knikt, springt recht, veegt zijn vette vingers en de chapelurekruimels af aan zijn broek, haakt de beha dicht, legt de wreef van zijn hand even op die wervels waarin het liefste merg van de ganse wereld zich schuilhoudt, en gaat dan weer zitten. Ze verlegt haar puppy’s nog wat en de rozen kruipen terug omhoog, over haar rug en schouders.   Het vuur zet ze snel op een lager pitje en roerend door de kokende appelen, zegt ze warm: "Straks worst met compote en als dessert honing op een kwakje Griekse yoghurt".         Yoghurt op Griekse wijze deel 1 van 'Zondebloemen' uit de reeks  'Roeland Wittebolle'

Bernd Vanderbilt
1 0

Tijd heelt altijd te laat

‘Waarmee kan ik u van dienst zijn, mevrouw?’ vroeg Marcel die net de sleutel in de deur van de pastorie had gestopt. ‘Meneer pastoor, dit is voor jou,’ zei de vrouw met hijgende stem en een lichtjes rood aangelopen hoofd. Verbouwereerd nam hij het boek aan. Nog voor hij iets kon zeggen, was ze al geruisloos in de uitgestorven straat verdwenen.   Het boek Het huis van de moskee had een bibliotheeksticker op de rug. Toen hij het boek wou neerleggen op het glazen tafeltje in de hal, merkte hij tussen de vergeelde pagina’s een klein, wit driehoekje op dat als een handje van een drenkeling omhoog stak, schreeuwend om gered te worden. Het bleek het uitleenticket van de vorige ontlener. Sabrina De Cock. Onder Het huis van de moskee had ze een getallenreeks gekrabbeld: 22  39  29  32  36  25. Ze had nog een boek ontleend: Godverdomse dagen op een godverdomse bol van Dimitri Verhulst. Dat is wel heel veel vloeken voor een titel van een boek, dacht hij. Onder al dat gevloek weer een reeks getallen:   52   35   46   29   40   23. Het verbaasde hem hoe hij plots gebiologeerd was door een vrouwennaam, twee boeken en twaalf getallen. De gedachte dat ook zij dit stukje papier aangeraakt had, ontlokte hem een siddering van genot. Hij rook eraan met zijn ogen dicht. Hij ademde niet zozeer de geur van papier in, maar het aroma van streelzachte vingers en een snuifje kersenrode lippen. Al wist hij dat het niet kon. Dat het niet mocht. Hoe meer hij het wou loslaten, hoe dwingender de gedachten werden. Zijn geest maakte vreemde bokkensprongen van een verhitte omstrengeling over losgerukte kleren tot verrukking in de hoogste graad. Hij zat als een gladiator zonder teugels in een strijdkar achter losgeslagen paarden, paarden van verlangens naar de intimiteit met een vrouw. Maar een verzonnen vuur verwatert snel. Marcel zuchtte eens diep en legde het briefje in de onderste la van zijn bureau, onder wat dikke dossiers. De inleverdatum van het boek noteerde hij keurig in zijn agenda. Dagen gingen voorbij, weken gingen voorbij. Traag, maar ze gingen voorbij. Hij doopte een kindje met dezelfde verwondering als voorheen. Hij zegende huwelijken in geheel eigen stijl in. Met veel beeldspraak, veel humor en tomeloze passie. De koppels keken hem dankbaar aan alsof ze de zegen van een engel hadden ontvangen. Als een zingend kind op een fiets trok hij elke dag een spoor van blijdschap door de stad. Hij straalde een vorm van zorgeloosheid uit waar anderen hem om benijdden. Ware geluk is elke avond gaan slapen met een gerust gemoed, zo formuleerde hij dat. Hoewel hij af en toe eens een nachtje wakker lag, had hij zijn leven weer helemaal onder controle.   Tot een artikel in het Brugsch Handelsblad zijn nieuwsgierigheid opnieuw had geprikkeld. Een speling van het lot. Ja, daar kon Marcel het op afschuiven. Het artikel handelde over bijzondere trouwdata. Een koppel uit het naburige Assebroek was getrouwd op woensdag 11 december 2013, om 14 uur 15 minuten en 16 seconden. Omwille van de rekenkundige reeks 11 12 13 14 15 16. Zes getallen! Een rekenkundige reeks, dat hij daar niet aan gedacht had! Hij haastte zich naar zijn bureau, deed de onderste la open en diepte het ticketje vanonder de dossiers op. Hij bestudeerde opnieuw de reeks getallen: 22   39   29  32  36   25. Nu pas zag hij twee fijne puntjes achter de getallenreeks staan. Hij moest de rij aanvullen met twee andere getallen, natuurlijk. Maar welke? Uit zijn hoofd lukte het niet, dan maar op papier. Rusteloos zocht hij alle mogelijke verbanden, kraste en telde. Tot hij opeens het licht zag alsof God hem persoonlijk de code toefluisterde. Het eerste, derde en vijfde getal wordt telkens met 7 verhoogd, de andere getallen met 7 verminderd: 36 + 7 = 43, 25 – 7 = 18. Twee getallen: 43 en 18. Pagina 43, regel 18, net als psalmen en verzen. Vlug bladerde hij in het boek, naar pagina 43, regel 18: Ik geloof niet in toeval. Sabrina gelooft niet in toeval. Dus ze heeft dit spel bewust opgezet. De andere getallen, 52  35  46  29  40  23, alweer gevolgd door twee puntjes. Natuurlijk, de oneven getallen min zes, de even getallen ook. Dus 40 - 6 = 34, 23 – 6 = 17. Pagina 34, regel 17 uit de Godverdomse dagen. Vlug rende hij naar de bibliotheek. Wie of wat hij onderweg tegenkwam, zag hij niet, hoorde hij niet. Hij had Sabrina in zijn hoofd. En veel fantasieën. En ook een angst die hij niet kon verklaren. Zoeken bij VERH van Verhulst. Hij vond het boek. Hij bladerde gejaagd door naar pagina 34 en las regel 17: Bloot blijft altijd mode. Zijn ogen bleven een tijdje kleven op bloot. Nieuwsgierig las hij verder. Enkele regels later: Priester is een schone stiel. En onderaan in potlood geschreven: ‘Molenweg 102 – elke dinsdag 10 uur’. De adrenaline gierde als een gek door heel zijn lijf. Daar stond hij in de bibliotheek, een geile priester met het boek Godverdomse dagen in zijn handen. En een spoor naar Sabrina. Hij had het hierbij kunnen laten maar de vlam waarvan hij dacht dat die gedoofd was, wakkerde opnieuw aan. Ook al wist hij dat één kaars een heel huis in de as kan leggen, zelfs die onheilspellende gedachte kon het monster van de begeerte niet verdrijven.   Elke dag, vanaf de woensdag dat hij haar adres gezien had tot de volgende dinsdag, duurde wel een eeuwigheid. Hij genoot van het vuur dat door zijn aderen stroomde, hij gaf voor het eerst in zijn leven een tournée générale in het café dat niet bekend stond om een katholieke geloofsovertuiging. Hij speelde er zelfs tafelvoetbal met de frivole dochter van de kroegbaas. Hij had zichzelf heruitgevonden. Als je beseft wie je bent, dacht hij, heb je twee keuzes: of je begint te leven, of je begint te sterven. Hij koos voor het eerste.   Uiteindelijk, na zes lange dagen en nog langere slapeloze nachten stond hij voor het huis van Sabrina. Hij keek nog eens links en rechts – alsof hij zich daar onzichtbaar mee zou maken – en belde aan. De seconden tot zijn ontmoeting met Sabrina leken wel uren. Zou het dan toch waar zijn dat het meest angstige moment het moment is waarop je een droom kunt realiseren? Hij keek nog eens opzij in de straat. Niemand te zien. De deur ging open. Hij stond oog in oog met een man van tussen de dertig en de veertig jaar. Zijn scherp gezicht kwam hem niet onbekend voor. Toch kon Marcel hem niet thuisbrengen. ‘En?’ vroeg hij. ‘Euh… ik kom eigenlijk voor Sabrina,’ stamelde Marcel. ‘Wat wil je dan?’ Marcel zweeg. Hij kon het niet over zijn lippen krijgen. ‘Wil je misschien weten of Sabrina buiten mag spelen? Dat zul je aan haar mama moeten vragen,’ zei hij. Deze situatie had hij zich niet voorgesteld. ‘Euh… ja, neen… ik denk dat ik me vergist heb. Sorry voor het storen.’ ‘Ach, doe niet zo gek. Kom binnen, ik ging toch juist vertrekken. Het is boven te doen. Eerste deur rechts.’ Hij trok Marcel nogal hardhandig aan zijn arm zodat hij in een fractie van een seconde in de hal stond, alleen, in een onbekend huis en niets anders voor hem dan een uitdagende wenteltrap. Danig in de war door het vreemde gesprek, aarzelde hij om naar boven te gaan. Hij kon nog terug, dat was zeker. Maar hij kon ook naar boven. Naar het paradijs. Of naar de hel. ‘Kom maar,’ riep een lieve vrouwenstem. Dat het niet de stem van een kind was, was al een hele opluchting. Op de trap hield hij de leuning goed vast. Zijn flanellen benen boden nauwelijks nog steun. De eerste deur rechts stond op een kier. Zijn opgewondenheid haalde het van zijn zenuwachtigheid, zijn lust won het van zijn verstand. Hij duwde voorzichtig de deur open. Hij zag een groot bed, maar geen Sabrina. Schuifelend, voetje voor voetje, trad hij dit heiligdom binnen. De warmte overviel hem meedogenloos. Hij keek rond maar zag niemand. Op het nachttafeltje een Boeddhabeeldje. Het lachte Marcel toe, maar stelde hem niet gerust. Was dit een grap? Of een val? Hij moest daar weg, er klopte iets niet. Hij draaide zich om en keek recht in de donkere ogen van een beeldschone vrouw. Zwarte krullen, bruine teint, vuurrode lippen. Haar purperen kimono viel net niet open, maar onthulde toch al genoeg. Ze glimlachte. Alle onrust maakte plaats voor een heftig hunkeren. Ze deed de deur dicht, ze liet haar kimono van haar lichaam glijden en kuste zacht zijn mond. Nog geen half uur later verliet Sabrina de kamer. Marcel lag naakt op het bed. Er werd op de deur geklopt. Hard. Nog voor Marcel kon reageren, kwam er een man binnen, die zonder aarzelen naast hem op het bed ging zitten. ‘Je herkent me niet hé?’ vroeg de jongeman. ‘Ja, van daarstraks… beneden,’ zei Marcel die ondertussen rechtop zat, met een hoofdkussen tussen zijn opgetrokken knieën. ‘Don Boscocollege… internaat… 1979… misschien was ik niet memorabel genoeg… of was ik een van de zo velen,’ zei hij. Hij bleef Marcel stuurs aankijken. ‘Een leerling?’ vroeg Marcel. ‘Zo kun je het stellen. Alleen heb ik iets te veel van jou geleerd. Iets wat niet in het lessenpakket zat.’ Zijn bitsigheid verlamde Marcel. ‘Wat er hier gebeurd is, heb ik opgenomen op video.’ Hij wees naar een piepklein oogje aan het plafond. ‘Sabrina is nu onderweg naar de politie. Hoe lang staat er op verkrachting, denk je?’ Marcel werd lijkbleek en voelde zich misselijk worden. Angsttranen schoten in zijn ogen. ‘Ge zijt een zielig ventje. Ze moesten je in een diepe put steken. Ge hebt zelfs mijn moeder niet herkend, ja, diegene die het boek is komen geven. Zij haat je evenveel als ik. Maar nu is het definitief gedaan.’ Marcel probeerde tevergeefs zijn bijtende klanken weg te laten vloeien als vuil afwaswater in de gootsteen. Hij werd overwoekerd door gedachten, als een muur vol klimop. Vluchten uit deze vretende gedachtestroom kon hij niet. Hij voelde hoe zijn vuisten zich opspanden. Zijn vingernagels sneden in zijn handpalm. Met alle macht die hem restte, greep hij naar het lachende Boeddhabeeldje.  

Gino Dekeyzer
0 0

Laurent

Moeizaam schuifelde hij de krantenwinkel binnen met zijn onafscheidelijke vriend, zijn wollige hondje. Hij diepte zijn portefeuille op en gaf de krantenman een verfrommeld lottobriefje. Twee vrouwen stopten hun zinloos gesprek en bekeken heel het tafereel met een laatdunkende blik. “Goedemorgen, Laurent, ik zal het formuliertje eerst eens wat gladstrijken,” grapte de krantenman. “Zijn kledij kan ook wat strijk en zeker een wasbeurt gebruiken,” mompelde de ene vrouw tegen de andere. “Dank u vriendelijk, Thomas,” zei Laurent. In zijn ooghoek zag Laurent hoe de vrouwen hun neus dichtknepen. De hond gromde naar de vrouwen. “Pluisje, stil, de dames willen je geen kwaad doen. Geef de dames eens een pootje,” reageerde Laurent. Maar zij doken in de vrouwenbladen en hadden plots heel veel interesse in de laatste escapades van het koningshuis. “Weer niets gewonnen, Laurent,” meldde Thomas. “Ik speel al heel lang en nog nooit heb ik wat gewonnen,” probeerde Laurent een gesprek te voeren tegen de vrouwen. Zij negeerden hem compleet en keken ostentatief de andere kant op. Laurent was wat bedroefd omdat hij ook hier geen gehoor kreeg. Alleen zijn trouwe viervoeter gunde hem een blik en kwispelde verlangend. Laurent aaide zijn Pluisje.  “Ik probeer nog maar eens.” Hij legde wat muntstukken op de toog. Thomas valideerde het formulier en gaf het aan Laurent. Het geld stopte hij in zijn kassa. Laurent slenterde naar buiten. Het leek of de hond zijn baasje leidde. “Tot ziens,” riep Thomas. “Tot ziens,” antwoordde Laurent en sloot onhandig de deur. “Hij zoekt vriendschap!” zei Thomas tegen de vrouwen. “Hij is al even vuil als zijn hond. Zo’n armoezaaier wil ik niet in mijn vriendenkring. De dames van de kunstkring zouden nogal ogen opzetten,” reageerde de ene vrouw. De andere vrouw knikte schaapachtig en onderdrukte een grimlach. “Mevrouw Robijns, u bent wel voorzitster van de kunstkring ‘Ars Universalis’, maar dat geeft u niet het recht om op die manier te praten over mensen die uw geluk niet gevonden hebben,” strufte Thomas. “Meneer Thomas Elst, je ziet mij hier niet meer. Ik spreek over… dat gepeupel zoals ik dat wil. In mijn vriendenkring zitten meer notabelen dan dat jij hier boektitels hebt. Eén woord en je kan dit winkeltje sluiten. Kom, mevrouw Esmarald, we zijn weg,” riep mevrouw Robijns vuurrood. Met de neus in de wind verlieten zij de winkel en sloegen de deur zo hard dicht dat de bel eraf donderde. Beduusd keek Thomas naar de deur. “Ben ik te ver gegaan?” sprak hij tegen zichzelf. Een zware stem vanachter het tijdschriftenrek doorbrak de stilte. “Goed gezegd en vrees niets. Veel geblaat en weinig wol, deze wolven in schapenvacht.” Thomas herkende de stem en was dankbaar dat deze bezoeker het hele verhaal gehoord had.   In de vroege morgen zongen vogeltjes een vrolijk liedje. De zon gaf al warmte. Het zou een mooie dag worden. Een straalblauwe hemel met enkele wolkjes lachte Laurent tegemoet toen hij de gordijnen van zijn sjofele slaapkamer opende. “We gaan een flinke wandeling maken,” zei hij tegen zijn hond terwijl hij zich aankleedde. Pluisje kwispelde ongeduldig en streek met zijn hoofd tegen het been van Laurent. Een lieftallige aai was het antwoord. Als een onafscheidelijk duo gingen zij naar de keuken. Laurent trok de kast open en strooide wat hondenbrokken in Pluisjes bakje. Hij vulde tevens het drinkbakje met wat fris water. Pluisje begon gretig te eten en lonkte dankbaar naar zijn baasje. “Flinke jongen!” glimlachte de eenzaat. Plots kreeg Laurent een pijnscheut in zijn hoofd. Hij hield de tafel vast en strompelde naar de zetel. Hij plofte zich neer en greep met beide handen naar zijn hoofd. “Ai, wat een pijn. Ik heb anders nooit hoofdpijn,” jammerde Laurent. Pluisje wist niet wat er gebeurde en kwam tot bij zijn baasje. Vertederd legde hij het hoofd op het been van Laurent, die roerloos in de zetel lag. De hond begon zachtjes te huilen. Laurent reageerde niet. Pluisje blafte en ijsbeerde van de zetel naar de deur. “Het is niets, jongen. De pijn is voorbij,” zei Laurent na een tijdje. Hij stond op, wankelde nog wat, maar ging dan naar de keuken. Pluisje volgde hem. Laurent zette wat water op en haalde een paar sneetjes brood uit de trommel. Rechtstaand smeerde hij wat confituur op de boterhammen. Krakend gleed het mes over het oude brood. Het water was warm en Laurent schonk thee op. Suiker en een wolkje melk vervolledigde het ochtendritueel.  Als hij klaar was met zijn ontbijt, tuurde hij vanaf de tafel naar buiten.  “Zo’n mooie dag laat ik niet verpesten door wat hoofdpijn,” zei hij vastberaden. Hij voegde meteen de daad bij het woord, stond recht en ging naar buiten. Pluisje liep in zijn voetsporen het huis uit. Het dorp lag er nog wat verlaten bij. De kerkklokken luidden negen uur. “Oh ja, het is zondag vandaag,” zei Laurent tegen Pluisje. Voor de bakker stond een lange rij wachtenden. Klanten verlieten haastig de winkel volgeladen met broodzakken en gebakdoosjes. Lachende kinderen verwelkomden hun vader of moeder in de auto’s, kriskras geparkeerd in de straat. De wagens vertrokken snel en Laurent kon nog net Pluisje opzij trekken.  Drie lummeljongens wezen zittend vanop een tuinhek naar het tweetal. Eén gooide een steentje naar Pluisje, die kermde. De anderen lachten om deze heldendaad. Laurent gebaarde boos naar hen, maar een opgestoken middelvinger was het antwoord. Ze sprongen van het hek, passeerden Laurent en keken hem minachtend in de ogen. Eén trapte nog naar Pluisje, de andere spuwde een fluim voor de voeten van Laurent. Voor het kerkportaal wenkte hun vader en devoot gingen zij het gebouw binnen. Klanken van het orgel vloeiden de straat in. Laurent luisterde naar de muziek. “Johan Sebastian Bach,” zei hij tegen Pluisje terwijl hij naar de kerk wandelde.  Even leek het of de hond zijn oren spitste voor deze muziek, maar het was voor de poort die scheurend gesloten werd door de koster.  “Geen honden in de kerk,” riep deze tegen Laurent. Laurent vlijde zich neer op de trappen voor de kerk. Hij luisterde naar de muziek die uit de ramen ontsnapte. Hij droomde weg en dacht aan de tijd dat hij het symfonisch orkest dirigeerde, met het jaarlijks paasconcert in deze kerk.   Na enige tijd kondigde klokkengelui het einde van de kerkdienst aan. De poort vloog open en de koster verscheen. “Ga weg, geen bedelaars aan de kerk!” brieste de koster. Pluisje gromde, maar Laurent stelde hem gerust. “Het is niets, Pluisje.” Laurent stond recht en verliet het portaal. De kerkgangers kwamen buiten en de pastoor aan de zware deur staand, wenste hen een gezellige zondag. Familieleden en vrienden hielden nog een praatje voor de kerk alvorens naar hun wagens te hollen en zich over te geven aan een leuke familiale namiddag. “Wij hebben toch elkaar, hé Pluisje,” zei Laurent. Hij veegde een traan uit zijn ogen. “Lastig die wind.”   Het was woensdag. Laurent en Pluisje wandelden over de markt. Laurent hield halt aan het groentekraam. Hij keurde vooral het fruit. De sinaasappelen leken hem heerlijk. “We brengen de Spaanse zon in huis,” zei hij tegen Pluisje. De hond keek verlekkerd naar de kraam aan de overkant. Smakelijke worstjes lokten naar hem. Laurent volgde de blik van zijn vriend. “Ik zal wat worstjes voor je kopen. We zullen ze straks samen opeten.” De groenteboer kwam tot bij hem en Laurent bestelde het fruit. Hij nam zijn geldbeugel. Net voor hij het briefje wilde overhandigen, werd het zwart voor zijn ogen. Hij hoorde flarden van gesprekken, gegil en dan niets meer.   “Hij komt bij,” hoorde Laurent in de verte. Hij opende zijn ogen. Hij vroeg zich af waar hij was. Naast hem stonden een man en een vrouw. Zijn rechterarm werd opgetild. Hij voelde iets raars rond zijn bovenarm dat aanspande. In zijn linkerarm stak een infuus. Stilaan besefte hij dat hij in een ziekenhuis lag. “Twaalf over negen.  Dat is goed,” zei de verpleegster tegen de arts. “Meneer Dhosse, goedendag, ik ben dokter Verburgt. U bent vorige week opgenomen hier in het UZA. We hebben u onderzocht en hebben helaas geen goed nieuws.” “Waar is Pluisje?” vroeg Laurent aan de arts. “Meneer Dhosse, wie is Pluisje?” “Dat is mijn hond. Waar is hij?” “Toen we bij u aankwamen op de markt, hebben we geen hond gezien. Er stond heel wat volk rond u. Ik zal de sociale dienst eens navraag laten doen.” “Dank u wel, dokter,” zei Laurent. “Meneer Dhosse, we hebben een kwaadaardige tumor bij u gevonden. We kunnen u niet meer opereren, maar met de nodige medicatie kunnen wij het leed verzachten.” Laurent slikte en tuurde opzij door het raam. Het was een stralende lucht. Hij dacht aan de dag dat hij ging wandelen met Pluisje. “Hoe lang heb ik nog? Geen gedoe, gewoon de waarheid,” gebood Laurent. De arts kuchte en zuchtte: “Hooguit twee maanden.” “En wat moet er Pluisje gebeuren?” jammerde Laurent, “Hij is al heel zijn leven bij mij. Waar is hij nu? Ik moet hem zoeken. Wanneer mag ik naar huis?” “Meneer Dhosse, ik hou je nog een paar dagen hier voor observatie. Daarna mag je naar huis, maar je moet je medicatie nemen.” “Oké, maar zorg alsjeblieft snel voor Pluisje. Wie weet wat er met hem is gebeurd?” “Yanthi, schakel zo snel mogelijk de sociale dienst in!’ zei Verburgt tegen de verpleegkundige. Zij begroetten Laurent en verlieten de kamer. Laurent sloot de ogen en weende.   Na enkele dagen vroeg Yanthi aan Laurent of hij geen familie of kennissen had. Zij verwonderde zich dat hij nooit bezoek kreeg. Hij heeft zelfs het aanbod van de aalmoezenier afgewimpeld.  “Ik wil alleen maar naar huis om mijn Pluisje te zoeken,” was zijn antwoord. Verburgt kwam de kamer binnen. “Meneer Dhosse, ik zie geen reden om je hier langer te houden. Je mag naar huis, maar ik heb de sociale dienst verwittigd. Zij zullen u opvolgen.” “Ik heb geen babysit nodig,” antwoordde hij bitsig. Yanthi wilde hem helpen, maar Laurent was haar te vlug af. Vlug kleedde hij zich aan en scharrelde zijn weinige bezittingen bij elkaar.  Hij kreeg zijn ontslagpapieren van de verpleegkundige, toen iemand van de sociale dienst binnenkwam. “Meneer Dhosse, ik ben Arne. Ik zal u naar huis brengen en daar het een en ander in orde brengen. Ik kom je bezoeken wanneer het nodig is.” “Dankjewel, maar dat hoeft niet. Ik kan perfect voor mezelf zorgen.” “Maar je naar huis brengen, dat doe ik zeker,” was het kordate antwoord van Arne.   De ogen van Laurent begonnen te glinsteren toe de wagen zijn straat inreed. Voor het woonhuis wachtte geduldig zijn trouwe viervoeter. De auto stopte en Laurent stapte uit.  Pluisje stormde tegen hem aan en sprong op zijn achterste pootjes. Arne was ook uitgestapt en bleef op de achtergrond om deze hartelijke begroeting niet te storen. Na een tijdje kuchte Arne: “Kom, meneer Dhosse, laat ons naar binnengaan.” Laurent nam de sleutel en samen met Arne traden zij de woning binnen. Pluisje bleef maar  springen en kwispelen. Hij was wel vermagerd. Arne hielp mee met uitpakken, schikte wat in de keuken en keek de kasten na. “Ik zal wat aankopen doen,” zei hij. Laurent gaf wat geld en Arne verliet het huis. “Eindelijk terug samen!” zuchtte Laurent, maar dacht aan de uitslag van zijn onderzoek. Bedroefd ging hij in de zetel zitten en onmiddellijk legde Pluisje zijn hoofd in de schoot van Laurent. Het hondje snapte het plotse verdriet niet.    De deurbel schrikte Laurent op die ingedut was. Pluisje gromde en liep naar de deur. Laurent volgde en opende. Arne bracht de boodschappen. “Ik heb een krant meegebracht,” zei hij. “Dankjewel, Arne.” Laurent nam alles over. Arne begroette hem, aaide Pluisje en ging weg. Pluisje keek wantrouwig. “Ik zal wel telefoneren als ik je nodig heb,” riep Laurent hem na. “Ik kom morgen terug!” was het antwoord. “Morgen, morgen, wat een gedoe!” morde Laurent. Hij zette alles op tafel, nam de krant en vleide zich neer in de zetel. Zijn oog viel op een artikel: “Enige winnaar Euromillions maakte zich nog niet bekend.” Hij grabbelde in zijn portefeuille en diepte het lottoformulier op. “Verdorie, ik heb de juiste combinatie! Ik ben die winnaar!” jubelde hij. Pluisje kwispelde omdat zijn baasje zo vrolijk was.  “We zijn rijk!” Maar dan sloeg zijn vreugde om toen hij zich de uitslag van het ziekenhuis herinnerde. “Geld genoeg, maar leven dat is wat anders.” Pluisje sloeg alles gade, maar begreep de plotse stemmingswissel niet. Laurent staarde voor zich. “Wat moet ik nu doen?” vroeg hij zich af, “Ik heb geen familie of vrienden. Ik heb alleen Pluisje. Bovendien heb ik niet lang meer te leven. Wat moet ik met die miljoenen?” De hond week geen ogenblik van de zijde van zijn baasje.  De hand van Laurent streelde over het hoofd van Pluisje. Hij voelde aan de halsband en sprong dan recht. “Dat is het! Ik heb een idee.” Laurent greep een pen en papier en begon naarstig te schrijven. Als hij met het briefje klaar was, voegde hij het lottoformulier eraan toe, rolde beiden op en stak het in de halsband van Pluisje. Zijn hond liet alles gewillig toe. “Kom Pluisje, we gaan wat wandelen.” Pluisje kwispelde en sprong op. Ze gingen naar buiten. Laurent voelde de pijn in zijn hoofd en wist dat het niet lang meer zou duren. Hij was de laatste week erg verzwakt. Zijn hond was zijn enig doel, maar nu had hij voor hem ook een oplossing. Ze kwamen aan een bushalte. Hier stopte Laurent en zette zich neer. Hij knuffelde zijn hond hartstochtig. Hij keek op het uurrooster en zag dat de bus snel ging komen. Hij pakte de leiband van Pluisje en bond hem vast naast het bushokje. Pluisje werd onrustig. De bus kwam eraan en Laurent stapte snel op. De chauffeur sloot de deuren en vertrok. Pluisje huilde en trok aan de leiband. De knoop loste en Pluisje rende achter de bus. Hij zag zijn baasje zitten en blafte. Laurent hoorde zijn hond, maar keek niet om. Over zijn wangen rolden de tranen.  De afstand tussen Pluisje en de bus vergrootte en uiteindelijk bleef de hond hijgend staan. Bedroefd zag hij hoe de bus uit het zicht verdween. Het papiertje van zijn baasje jeukte aan zijn halsband.

Ludo Herwijn
23 0

Hoe moeder stierf en dat dat eigenlijk mijn schuld was

  ‘Moeder, je zou me toch komen ophalen aan het station? Ik had gezegd om kwart voor twee. Half drie is het nu.’   ‘Moeder, het is drie uur. Waar blijf je? Bel je me?’   Maar moeder belde niet. En ook op de boerderij nam niemand op.     Om half vier kreeg ik de jongste broer aan de lijn. Ik zat op de rand van één van de grote bloembakken voor de stationsingang en keek verveeld rond. Na een weekend in Gent het dorp troostelozer dan ooit. Ik keek naar de bussen die af en aan kwam rijden. Naar de mensen die op en af stapten. De meesten beladen met zakken van de Aldi, er is een filiaal in de naburige gemeente. De Aldi is voor arme mensen, zei moeder altijd toen ik als kind vroeg waarom wij er nooit heen gingen. Arme mensen zonder auto.   De jongste broer ademde onregelmatig en probeerde zich goed te houden. ‘Ons moeder. Louiza, toch.’   Ik zocht tevergeefs houvast op de rand van de betonnen bloembak die, toen de jongste broer verderging, stroperig werd, als drijfzand. Ik dreigde weg te zinken. ‘Maarten. Met zijn tractor. En moeder, met de auto. Verblind door de zon, zeggen ze.’                                                                      *   In de keuken zaten de vier broers samen met vader aan tafel. Ze keken naar het tafelblad. Ze keken niet op toen ik ook ging zitten, maar bogen hun hoofd nog dieper. Hun neuzen raakten het tafelblad net niet. Wie niet beter wist, zou de aanblik komisch gevonden hebben.   De jongste broer richtte zich op. Hij keek me aan en ik dacht een veeg bloed op zijn T-shirt te zien. Dat hij er als eerste bij geweest was. Dat hij net het erf afgereden was, hij was de maaier komen halen, het gras op het stuk land aan de Wissel stond zo hoog. Daar, aan de Wissel, in de bocht… Moeders auto stak half in de gracht. De tractor van Maarten was er half over gegaan. Dat hij erbij was toen ze… Dat hij de deur eerst niet open kreeg. Hij had haar gordel losgemaakt, haar uit de auto gehaald. Ze had iets gezegd, maar hij begreep niet wat. Dat alles zo snel ging. Dat Maarten haar niet gezien had. Dat Maarten daar stond. Gewoon stond. Godverdomme, de klootzak.   Ik haastte me naar mijn kamer.                                                                   *   ‘Zusje, het is net zo druk nu. Kun je niet pas tegen de avond terugkeren? Ze komen materiaal leveren voor de nieuwe stal en vader is niet thuis. Ik ga me te erg moeten haasten. Kun je echt geen trein later nemen?’   ‘Nee, ma, dat kan ik niet. Ik vertrek nu naar het station. Ok?’                                                                        *     Maarten vraagt om langs te komen op de boerderij. Maar men wil Maarten niet zien. Men wijst hem met de vinger. Het is zijn schuld. De politie komt enkele keren langs en er passeert ook een verslaggever van de krant, maar niemand wil met hem praten behalve een loslippige buurvrouw.   In de krant heeft men het over een tragisch ongeval en over Maarten D. (39), een bekende van de familie, goed bevriend met de vier zonen van het slachtoffer. Dat hij mij om de twee weken de hersenen uit mijn kop neukt, heeft de verslaggever er niet bij vermeld.   Dat het niet de eerste keer is dat de jonge boer een ongeval veroorzaakt. Alleen niet eerder met zo’n tragische afloop. Het slachtoffer was een liefhebbende echtgenote en moeder van vier zonen en een dochter. Lid van de KVLV. Een hardwerkende boerin, die haar boerderij met trots bestierde.   Maar ik moet Maarten wel zien.   Ik klop op de achterdeur en vind zijn ouders in de keuken. Ze zitten aan tafel en veren op wanneer ik binnenkom. Een klamme hand, enkele woorden van medeleven en verder niets. Boeren zijn harde werkers, geen praatjesmakers. ‘Hij is bij de kalveren,’ zegt zijn vader ten slotte. Toonloos. Mijn tong plakt tegen mijn verhemelte. Ik trek de achterdeur geruisloos achter me dicht.   Hij staat werkloos naar de eerste kalverhut te staren, een emmer met melk in zijn rechterhand. Ik schuifel met mijn voeten in het stro, zodat hij wel moet omkijken. Hij ziet me, maar hij mijdt mijn blik. Hij zet de emmer neer en veegt zijn handen af aan zijn overall. ‘Louiza.’ Dan pakt hij de emmer weer op, gaat voor de tweede kalverhut staan en giet wat melk in het drinkbakje. Het kalfje begint meteen gulzig te drinken. ‘Ik heb haar niet zien komen,’ zegt hij. Hij gaat in de richting van de derde kalverhut. Het kalfje komt nieuwsgierig dichterbij, likt in afwachting aan de tralies. Ik sla mijn armen om zijn grote, logge bovenlijf. Hij houdt de emmer nog steeds in zijn hand. Zelfs wanneer zijn tranen in mijn hals beginnen te druppen.   Mannen huilen niet, wil ik zeggen.   De broers huilen niet. Vader ook niet.   Dus waar haal jij het recht?  

Valerie Tack
78 2

Wie heeft meneer konijn vermoord?

Rudy was allergisch. Niet in die mate dat hij rode ogen of een loopneus kreeg. Het was erger. Papa had gezegd dat het kalfsragout was in chocoladesaus. Het was zo lekker dat Rudy hem had geloofd en twee keer van het malse vlees had opgeschept. Pas tijdens het dessert niesde hij voor het eerst.   Zoals iedere ochtend liep Rudy naar het konijnenhok achterin de tuin. Gewoonlijk zat meneer konijn braaf te wachten op het lekkers dat hij voor hem had fijngesneden. Wortel, appel, venkel en wat broccoli. Maar vandaag was het hok leeg. Rudy schrok, liep als een gek over het gras, zocht achter de schutting, keek in elke struik, maar vond niets. De pluizige vlek die hij vanuit zijn ooghoek zag bewegen deed hem even twijfelen, maar het was de kat van de buren. Ze liep langs zijn benen tot aan het tuinhuis. Daar stond een vuilniszak. De kat kromde haar rug en krabde er een gat in. Er vielen restjes op de grond. Rudy niesde een tweede keer. Toen hij dichter kwam zag hij tussen het afval een witte vacht.   Eerst was het nog onschuldig. In het grootwarenhuis, nam hij af en toe een reep chocolade uit het rek. Maar na een tijd waren het ook pralines en truffels uit krantenkiosken of plaatselijke superettes. Wanneer hij zich echt slecht voelde, was alles goed. De meeste chocolade verstopte hij op een plaats waar hij zijn allergie onder controle had.   Het liep pas fout tegen het einde van het schooljaar. Rudy had een muffin uit de handen van een meisje gerukt. Ze stond rustig op de bus te wachten. Hij had gezien hoe ze ervan had gegeten, hoe er stukjes chocolade aan haar tanden kleefden en toen was er iets in zijn hoofd geknapt. Hij had het op een lopen gezet, maar een man die ook aan de bushalte stond was achter hem aan gegaan.   Toen de politiewagen voor de deur stopte, zat Rudy op zijn kamer. Mama stond in de keuken. Zijn papa liet nietsvermoedend de twee agenten binnen. Hij vroeg zelfs of ze iets wilden drinken. Ze bedankten vriendelijk, zeiden dat er aangifte was gedaan, dat er een getuige was. Rudy’s ogen waren rood. Hij hield een zakdoek voor zijn neus. ‘Het ligt daar,’ zei hij en wees naar boven. De agenten gingen hem voor, gevolgd door zijn ouders. Aan het einde, links van de trap, was de zolder. De vloer lag bezaaid met chocolade. In het midden, als een soort orakel, lagen op elkaar gestapelde botten, de vacht van een dier en een muffin. Mama sloeg haar handen voor haar ogen: ‘WIE HEEFT MENEER KONIJN VERMOORD?’   Rudy was allergisch maar erg was het niet. Mama had voor hem kalfsragout klaargemaakt. Het was zo lekker dat hij nog een bord opschepte. Als dessert at hij een reep chocolade. Daarna nam hij een blad papier en schreef een brief die begon met: ‘Sinds vorige week ben ik niet meer allergisch’. Zijn papa schreef niet terug.

Sascha Beernaert
33 0

Als het ons overkomt: over Kapaza en de nachtwinkel

Later dan deel 1:  +++ Titel zoekertje:Jos PauperBeschrijving: (N): Slechte vader(E): Bad father(F) : Malheureuse pèrePrijs:BedragGratisRuilenPrijs overeen te komenNiet van toepassingLevering:OphalenVerzendenConditie:GebruiktNieuw Tegelijk met deel 1:  o 6 chocoladekoekjes van het huismerk, een fles rode wijn en een pakje condooms lagen op de kast van zijn hotelkamer. "Hey, heb je een vuurtje voor mij?""Nee, sorry." Waarop de tiener een aantal vloekwoorden uitsprak.Jos zat op een trein van Barcelona op weg naar zijn hotel. Zijn wagon, die gevuld was met brullende schoolkinderen, had iets weg van een bijennest gevuld met een zwerm zoemend ongedierte. De tieners aan de andere kant rookten met de raampjes dicht. Iemand sprak tegen hem."Je krijgt dat er nooit meer uit," Zei de vrouw die tegenover hem zat."Uhm," stamelde Jos."Die aardbeienvlek op je hemd.""Oh.""Ik kan het er misschien uit krijgen, maar ik kan niets beloven.""Dan kan ik je in de plaats trakteren op een etentje."Er verscheen bij beiden een opgewonden glimlach.De trein arriveerde waarna alle passagiers uit de trein ontsnapten zoals lucht uit een doorgeprikte ballon.Jos en de vrouw waren de twee laatste luchtdeeltjes die de ballon verlieten en zich nu op het lege perron bevonden.Het hotel waar Jos verbleef was een honderdtal meter verderop te zien door een groot bord met de lichtgevende letters: RO A DA IMA.Het verbaasde Jos dat de mensen die op de snelweg ernaast reden nog nooit verblind waren door het felle licht.Met een zwierige pas liep de dame van de trein voorop naar binnen en nam plaats aan een van de vijf tafels in het restaurantje dat meer leek op een inkomhal. Het keukenpersoneel zat een tafeltje verderop iets te roken dat op wiet leek.Eén iemand moffelde zijn rolletje snel maar voorzichtig in een asbak, om er straks nog een paar trekjes van te kunnen nemen. Met losse veters beende hij naar Jos en de vrouw. Jos had intussen ook plaats genomen tegenover de vrouw.Na hun bestelling zaten Jos en de vrouw af en toe speels naar elkaar te staren."Hoe heet je?" vroeg Jos.Een korte stilte."Ik heb geen honger," zei ze afwezig. Haar ravenzwarte haar kwam even voor haar glanzende groene ogen."Wat?""Ik heb geen honger," herhaalde ze."Ik ook."Langzaam haastten ze zich uit het inkomrestaurant naar Jos' kamertje, zonder te betalen. Het potje rattenvergif in de hoek van de hotelkamer moest weer opgevuld worden."Je kunt hier een nachtje blijven als je wil?""Kan niet, ik wil morgen naar Madrid."Ze nam een lichte aanloop naar het bed, nam een halve draai en sprong met armen gespreid als een bungeejumper erop. Jos legde zich naast haar.Toen hadden ze seks, met ingehouden adem en gesmoorde kreunen; ze gingen ervan uit dat de muren zo geluidsdicht waren als karton. Jos' hemd met de vlek lag op de grond. Na de seks nestelden ze zich naast elkaar. "Mijn naam is Anita," fluisterde ze en ze legde haar hoofd naast zijn borst (niet erop, dat lag niet goed).Het geruis van voorbijrazende auto's wiegde hen in slaap. Later dan deel 1:  ++ 6 chocoladekoekjes van het huismerk, een fles rode wijn en een leeg pakje condooms lagen op de kast van de hotelkamer. Zondag dood, maandag begrafenis! Wel dat was niet de eigenlijke slogan van Ruyts rouwcentrum, maar daar kwam het wel op neer. Zijn Spaanse vakantieliefde, verloofde, grauw hoopje as zat nu in een urne. Iedereen die haar ooit heeft gekend, familie, vriend of klasgenoot, zat te huilen. Een uur later zat iedereen buiten de nieuwste modetrends te bespreken terwijl Anita's overblijfselen via de achterdeur in een camionette werden gekieperd. Tot zover zijn maandagnamiddag. Eenmaal thuis, toen de straatlantaarns aansprongen, plofte hij in de zetel. Hij realiseerde zich dat hij zijn dochter was vergeten op te halen van school.Hij schuifelde, alsof hij in een wachtrij voor een attractie was, naar zijn auto. De grijze verf begon af te bladeren net als zijn geluk de voorbije jaren dag na dag begon te eroderen. De groeven als resultaat waren duidelijk te zien op zijn asgrauwe gezicht. Op het tempo van een schildpad kraakte de Volkswagen door de bebouwde kom.Hij kwam piepend tot stilstand voor de gezonde voedingswaren-winkel die alcohol, sigaretten en nog meer alcohol verkocht. De winkelier die van een ander afkomst leek, lachte hem vriendelijk toe met een snuifje argwaan."Ik ga niets stelen," zei Jos droog. De man keek hem heel bevreemdend aan met zo een 'oh, dacht je soms dat ik dat dacht?'-blik.Sloffend tussen de rekken griste hij een fles rode wijn mee. Het etiket was intussen niet meer leesbaar, maar hij bekeek het optimistisch; die wijn heeft vast goed gerijpt.Met een zwier liet hij de fles op de toonbank landen."Foer juros plees."Jos rolde 2 euro naar hem toe, zei dat hij het wisselgeld mocht houden en verliet met een rustige pas de winkel. Onder de nachtelijke hemel reed hij naar de parking van de school van zijn dochter.Hij lag op de grond en dronk de hele fles wijn op.Twee minuten later smeet hij de lege fles aan duigen op de grond. De scherven glinsterden in het witte maanlicht.Er schoot een hevige pijnscheut als een bliksemschicht door hem heen naar zijn linkerhandpalm. Hij had niet door dat hij met een scherf in zijn tere huid zat te krassen.Hij liet zich vergezellen door de maan die zo helder scheen dat ze op de zon leek. Later dan deel 1:  + 6 chocoladekoekjes van het huismerk, bloedrode scherven van een rode fles wijn en een pakje lege condooms lagen op de kast van zijn hotelkamer. "Kom! Hier zijn de koekjes," riep Jos' dochter uitbundig.Jos keek aandachtig naar de prijs, alsof het zou dalen door ernaar te staren."Godver...""Wat zeg je, papa?""Wil je vanille of chocolade?""Chocolade. Mijn vriendinnetjes hebben ook altijd chocoladekoekjes, met die dino op." Hij legde de koekjes in de mand."Waarom mag ik die koekjes met de dino niet?""Ik dacht dat je bang was van dino's."Ze stond op het punt te antwoorden, maar hij snoerde haar de mond door naar de kassa te stappen.Even later zaten ze in de auto op weg naar huis. De benzinemeter stond al een week in de rode zone."Mama zou die dinokoekjes hebben gekocht."Ze vulde haar monoloogje aan. "Waarom is mama me niet komen halen?""Mama is op reis, naar Spanje," fluisterde Jos nauwelijks verstaanbaar door de regendruppels die op de vooruit kletterden."Ze heeft me geen afscheidskusje gegeven.""Mij ook niet, ze moest haar trein halen."Het melodieus getik van regen was in harmonie met het gesnik op de achterbank."Zitten al jouw vriendinnetjes nog in je klas?""Ja." stotterde ze terwijl zoute tranen haar lippen streelden.Toen ze thuis waren, verwarmde Jos een magnetronlasagne voor beiden en dan stopte hij zijn dochter in bed."Luister, het kan zijn dat ik je morgen wat later ophaal. Ik moet naar... een feestje. Als ik je niet op tijd kan ophalen, zeg je dat maar aan je juffrouw. Deal?" Hij aaide haar wang."Deal.""Slaapwel," liet Jos zijn dochter na terwijl hij even later in de deurpost stond."Papa, mag ik maandag twee koekjes meenemen naar school?""Morgen? Ja. Natuurlijk.""Slaapwel," geeuwde ze.Jos rolde de zetel in en dacht aan een website waarvan hij had gehoord. Hij ging dat Kapaza-ding zeker eens bekijken. Later dan deel 1: +++ 4 chocoladekoekjes van het huismerk, bloedrode scherven van een rode fles wijn en een pakje lege condooms lagen op de kast van zijn hotelkamer. Jos zat voorovergebogen op een stoel naar z'n computerscherm te staren. De oude computer zat luid te zoemen. Door de tranen in zijn ogen leken de woorden op het scherm te dansen. Hij had zichzelf te koop gezet op Kapaza. 1 reactie(s): Locatie: in de buurt van Rome, Italië.'Ik kom naar je toe, vader - J.P.'

Etlir Xharra
49 0

Vliegpartij

De geur van onze vorige vliegpartij hangt in haar krullen. Ik beeld het mij in als een film die ik in mijn hoofd laat afspelen. Ik ken haar ondertussen al een jaar of vijf, maar iedere keer opnieuw vervaagt de herinnering wanneer ze de deur achter zich sluit. Omdat ik makkelijk overspoeld word door indrukken, komt Ilse iedere laatste donderdag van de maand naar de instelling. Zo hoef ik niet weg te gaan uit mijn vertrouwde omgeving. Geen bus te nemen, niet door drukke straten te wandelen of mensen aan te spreken waarvan ik niet weet wat ze van mij willen. Vandaag is donderdag. Ilse is zoals steeds gekleed in haar stewardess pakje. Ik ben weg van alles wat met vlieghavens te maken heeft. Omdat ik niet zo goed met geld overweg kan, zijn haar bezoekjes op voorhand geregeld door mijn ouders. Om het toch echt te laten lijken betaal ik met een zelfgemaakt vliegticket. New York en Monaco zijn voor een volgende keer. Ilse staat naakt voor mij. 'Gaan we vliegen?' vraagt ze. Ze weet dat ik het woord 'vrijen' vies vind. 'Als ik de commandant mag zijn' zeg ik. Ik lig op mijn rug. Ilse zit op mij, beeldt uit hoe de reddingsvesten zichzelf opblazen. 'Come on my commandant you can do it'. Ze neemt mijn handen vast. Brengt ze in wiegende bewegingen tot bij haar borsten. Laat dan los. We stijgen op. 'This is your captain speaking' zeg ik. Mijn vingers glijden in haar nek, naar de achterkant van haar hoofd. Ik land op rood krulhaar. 'Mayday mayday' roept ze. De geur van een nieuwe vliegpartij hangt in de kamer.

Sascha Beernaert
0 0

Li Yin

Li Yin miste haar thuisland, het altijd groene land van haar voorouders. Wilde rivieren stroomden door de uitgestrekte wouden, vielen metersdiep van hoge rotspartijen en zochten hun weg doorheen de flarden van mist die altijd door het groene land dreven. ‘De mist is onze verbinding met de zielenwereld,’ had grootmoeder haar als klein meisje verteld. Li Yin hield er toen van om het woud in te trekken, tot aan de Watervallei of de Eeuwenboom. Elke keer dat ze mist zag, ging ze erin staan en sloot haar ogen. Dan kon ze de stemmen van de bomen horen, van de dieren die zich tussen het bladerdek en in hun holen verscholen, van het bruisende water. En soms, als ze heel goed luisterde, kon ze de aarde onder haar voeten horen ademen. Dan ging ze op de grond liggen tot de dieren kwamen kijken, die verschrikt wegschoten als ze bewoog. Ze liet de stemmen doordringen tot in haar hart en ademde mee met het ritme van de aarde, als deel van het groen en de mist. ‘Li Yin, luister je wel?’ Li Yin schrok op. ‘Vergeef me, vader, ik was…’ ‘Aan het dromen?’ Li Yin boog haar hoofd en reikte naar haar stok. ‘Waar gaan we heen, vader?’ ‘Ik heb een groep gevonden die je misschien interesseert.’ Li Yin zuchtte inwendig. Niet wéér een hobbygroep. Waarom begreep vader niet dat ze nergens bij paste? Ze had al kleien, dictie en zang uitgeprobeerd. De activiteiten vond ze heel fijn en in het begin waren de mensen erg behulpzaam. Maar na een tijdje merkte Li Yin dat ze haar vergaten, geen uitleg meer gaven of gewoon niet meer naar haar toe kwamen. Dan voelde ze zich zo alleen als toen ze naar dit lawaaierige land aan de andere kant van de oceaan waren verhuisd en Li Yin merkte dat ze de stemmen van de zielenwereld niet meer kon horen. Ze had gesmeekt om terug te gaan, maar haar ouders vonden haar gezondheid belangrijker. Li Yin tikte met haar stok links en rechts op de grond tot ze de band van de auto voelde. Ze reikte naar het achterportier en stapte in. Haar vader reed een hele tijd zonder een woord te spreken. Haar ouders waren voor haar verhuisd. De dokters in China hadden haar een jaar gegeven. In Amerika stond de geneeskunde verder en via een aantal pijnlijke operaties hadden de dokters haar tijd met vijf jaar kunnen verlengen. Haar tijd om het licht te zien, en de bomen en het water, om de vogels te zien vliegen en de mieren te zien kruipen. Op haar vijftiende was haar zicht toch achteruit gegaan en Li Yin had moeten leren hoe ze met haar stok moest wandelen en braille moest lezen. De prijs voor dat alles was de stilte in Li Yins hoofd. Zelfs in de rustigste wijk was het Amerikaanse lawaai te luid om de zielenwereld te horen. Het piepen van de vele elektronica maakte haar soms gek. Dan kon ze enkel met haar handen tegen haar oren heen en weer zitten wiegen tot het lawaai stopte. Ze had gehuild en gehuild om wat ze was verloren en soms voelde ze zich zo onnoemelijk eenzaam. Toen haar vader uiteindelijk de auto parkeerde en haar portier opende, hield Li Yin haar adem in. Geen elektronica, geen motoren. Enkel een briesje frisse wind. Een zacht geruis van water vulde Li Yins oren en ze ademde diep in en uit. ‘Kom.’ Vader legde haar arm op de zijne en leidde haar naar wat een stuk wilde natuur bleek te zijn. Li Yins hart ging sneller slaan. Het ruisen van het water werd luider, de wind feller. Vader legde haar hand tegen de ruwe stam van een boom en Li Yin legde haar tweede hand ertegen. Vader liet haar los. Li Yin deed haar sandalen uit en groef haar tenen in de dampende aarde. Ze luisterde, zette enkele stappen en ging op de grond liggen. Li Yin wachtte tot de geluiden van de natuur verstilden en haar hart het ritme van de aarde aannam. Toen hoorde ze hen. Ruisende stemmen, zacht als een briesje. Verwelkomend, vol vreugde. Li Yin huilde tranen en lachte. Thuis!

Lyne Uytterhoeven
14 0

Frank, mezelf en toevalligheden

“Is dit wat ik wil, dat ik mijn verhaal vertel? Is dat wat men van mij vraagt, dat ik dit wil, dat ik mijn verhaal vertel?”       Het leven van bekende mensen is niet simpel, bedacht hij zich toen hij voor de spiegel stond. Hij was al langer beroemd dan de tijd dat hij nu daar stond, reeds een jaar of vijf? Toen hij meedeed aan een kwis op tv. Bij toevalligheid word je leven bepaald, want natuurlijk, zoals dat gaat, had hij zichzelf niet ingeschreven. Het waren zijn gekke makkers van het werk, waar hij al lang niet meer werkt, die al lang ook zijn vrienden niet meer zijn. Hij bedacht zich voor de spiegel dat ze eigenlijk nooit zijn vrienden geweest zijn, maar bij toevalligheid, werkmakkers bij de autofabriek, de mensen waren waarmee hij zich associeerde. “Ga je mee ééntje drinken?” Het werden er gauw meer, en het bleef niet bij één nachtelijk cafébezoek. Als de weersvoorspelling die avond niet was uitgekomen, dat de komende uren zwoel gingen blijven, met in de loop van de nacht weliswaar onweer, met kans op hagel en hevige windstoten, zoals dat er steeds wordt bij verteld, alsof we niet weten wat een onweer inhoudt, hij was niet mee gegaan. De derde toevalligheid bedenkt hij zich voor de spiegel, terwijl hij zijn haren in de plooi legt. Eigenlijk zijn er weinig ontoevalligheden. Het café op de hoek van de straat aan de fabriek, dat is nu ontoevallig. Wat wil je immers? De plaats waar we ons kunnen verdrinken en vergeten dat we leven op toevalligheden, hoe zouden we anders onze onmacht overleven? Dat begreep de cafébazin maar al te best en ze telde het geld. Met deze pientere gedachte was hij klaar voor de wereld daarbuiten, met het venster op een kier. Het onweer was net gepasseerd dus kon hij de baan op, naar het interview met een gladjanus journalist van een gladjanus tijdschrift die zijn verhaal wilde horen. Geen weg terug, dacht hij, trok de deur achter zich toe en weg was hij. Zijn naam is Frank.   Gelukkig zijn de meeste mensen, zoals ik, onberoemd, en hoeven wij ons deze vragen niet te stellen en vertellen wij ons verhaal, onze gedachten, onze gevoelens op de manier dat wij dat willen. Ik doe het met gedichten en schrijf verhalen over Frank.   Weerbericht Het was met gelaten en vredige onmacht om horen Dat de ontmoeting van twee druppels water, in niets geleek in al wat zou volgen Dat denderende hagelbollen, inslagende bliksem en de wind zonder weerga Zouden uitsterven in de zang van een merel   ...........    

Maarten Vandervelpen
13 0

Fetish uit een doos

Ik heb een dildo gekocht om de kunst van het masturberen te leren. Op de doos staat LOVEHONEY in dikke roze letters. Ik test hem vanavond voor het eerst. Aan wie ik zal denken weet ik nog niet, waarschijnlijk niet aan mijn man. Batterijen heb ik niet gekocht, dat hoeft naar het schijnt niet bij een dildo. Ik heb even getwijfeld, maar een vibrator leek me toch te fake. Een penis trilt ook niet minuten aan een stuk. Hoogstens enkele seconden misschien. Neen, een penis pulseert in op- en neerwaartse stoten. Daarom is het een penis. Bovendien was de dildo afgeprijsd. Voor 28,95 euro heb ik vanavond voor het eerst in zes weken weer eens goede seks. Als ik de verpakking mag geloven toch. Die valt trouwens wat tegen nu ik thuis ben. Ik had meer tijd moeten nemen daarnet in de winkel. Ik koop niet elke dag een seksspeeltje. Vijf minuten om te kiezen en af te rekenen is niet veel. Het kan ook liggen aan de plaatsvervangende schaamte die mij tijdens mijn aankoop overviel. De man voor mij aan de kassa had een fetish. Dat hij daar stond omdat de toonbank hem opwond, had ik pas door toen de verkoopster mij wenkte en hem vriendelijk verzocht plaats te maken. Hij schuurde nog snel zijn onderbuik tegen de glazen zijkant en verdween vervolgens achter een rek dvd’s vol parafilieën. De twee meiden achter mij die met enkele attributen, zogezegd voor een vrijgezellenparty, stonden te zwaaien maakten het nog gênanter. 'Strapon' en 'Futaner' hoorde ik hen giechelen. Ik was opgelucht toen ik weer buiten stond.   Uit de doos lijkt hij langer. Hij heeft blijkbaar ook een zuignap. Dat betekent dat, als ik hem optimaal wil gebruiken, op zoek moet naar iets om hem tegenaan te kleven. Onze slaapkamer heeft geen gladde ondergrond. De badkamer is geen optie, die is vandaag nog gepoetst. De woonkamer dan maar. Vanavond ben ik toch alleen. Ik spuug zo hard ik kan op de onderkant en plof hem in het midden van de tafel. Hij wiebelt van links naar rechts, maar blijft overeind. Gehurkt schuif ik een 6 inch siliconen dildo zo diep als ik kan in mij. Stel je voor dat mijn man nu binnenkwam. Ik probeer de gedachte te verdringen, alsook die van mijn ongeschoren bikinilijn. Ik plaats mijn handen voor mij uit, krom mijn rug zo ver ik kan. Vervolgens kantel ik mijn bekken en begin op en neer te bewegen. Op de een of andere manier slaag ik erin om pulserende penisbewegingen na te bootsen. Ik voel het aan een opkomend orgasme. Alsof er iets in mijn hoofd knapt duw ik plots mijn knieën tegen elkaar en wacht… In een flits zie ik een man en een toonbank. Ik veer recht en trek de dildo weg. Voor ik het weet sta ik voor het tafelblad. Het harde hout tegen mijn schaambeen windt mij op. De kwast op de rand die ik met mijn gedrup groter lijk te maken,  geiler. Ik doe het zonder nadenken. Duw mijn vagina tegen de hoek, wrijf steeds wilder in op- en neerwaartse bewegingen. Harder, harder, nog, harder, nog, nog, nog… Bij iedere kreun neuk ik de tafel tegen de muur. ‘Ik kom.’ gil ik. … Er liggen scherven op de grond. Ik ruim ze op. Als Filip mij morgen vraagt wat er met onze trouwfoto is gebeurd zeg ik dat hij van de muur viel tijdens het afstoffen. Vrouw-zijn is een kunst die je niet kunt leren. Masturberen daarentegen…

Sascha Beernaert
40 0

Zeezicht op Zurenborg

  Het is een zwoele zondagavond. Ik zit op een kruk en leun nonchalant tegen de voorgevel van café ZeeZicht op de Antwerpse Dageraadplaats. Ik zie overal lachende gezichten, pretoogjes en frisse pintjes. Uitlaten als: "Gij meent da!" en "Ge hebt hem toch de waarheid verteld?" worden de verzadigde lucht in geschoten, maar ze lossen even snel op als de geblazen zeepbellen van de kinderen op het plein. Het is een luidruchtige mensenmassa op twee veertigers na. Alsof een glazen stolp hen, zittend aan een klein rond tafeltje, scheidt van de rest van het plein.   Hij draagt een gecentreerd wit hemd met hoge kraag, een marineblauwe vest en een klassieke zwarte Ray-Ban. Zijn grijzende haren zijn strak over zijn kalende kruin gekamd. De dikke gouden ring met diamant aan zijn rechterpink schittert door de laagstaande zon. Zij heeft zichzelf in een zwart maatpak gewrongen. Aan de stand van haar intimiderende borsten te zien, loert een nipplegate gevaarlijk om de hoek. Haar geblondeerde haren vallen op zoals een fluovestje dat doet en steken af tegen haar gebronzeerd, verrimpeld velletje.   Ik bestel mijn tweede bolleke Koninck.   Het valt mij op dat de ijdele man – ik noem hem in gedachten Ray - schichtig om zich heen kijkt en voortdurend zijn benen beweegt alsof hij een dubbele basdrum aan de praat houdt. Hij jongleert non-stop met zijn witte iPhone 6 en werpt zijn vlam regelmatig kusjes toe. Zij kijkt geamuseerd, giechelt en tracht ondertussen haar borsten in het gareel te houden. Ze stift haar lippen babyroze op het moment dat de ober met twee glaasjes bubbels komt aangewaaid. Ze klinken en nippen van hun glas.   Links van mij komt een mollige dame met knalrode kop aangestormd. Ze sleurt daarbij aan elk hand een jongen van een jaar of twaalf mee. Ik vermoed dat de twee fils à papa haar kinderen zijn. Ray heeft haar ook in de mot en hij veert recht. Nog voor hij een woord kan uitbrengen, zet de vrouw het op een brullen. “Kijk eens jongens, hier zit hij! Dat ziet er een belangrijke vergadering uit!” Ray sist: “Rustig Brigitte, moet heel het plein u horen of wat! En wat doen de jongens hier? Die moesten al lang in hun bed liggen!” Brigitte keelt verder: “Wat krijgen we nu? Gaat gij mij hier opvoedingsadvies geven of wat? Ge zijt nooit thuis, vuile leugenaar!”   De blonde bimbo zwijgt, kruist de armen en rolt met haar ogen. De twee jongens lopen ondertussen ook rood aan. Niet van woede, maar van schaamte. De ene broer huilt en schuilt achter de schouder van de andere.   Ray kijkt naar Brigitte en wijst naar zijn gebroken zonen. Hij snauwt: “Zijt ge nu content, Brigitte? Ge kon toch evengoed wachten tot ik thuis was in plaats van heel het plein op stelten te zetten. Mijn meeting met de bank was afgesprongen, oké? Er kwam een gaatje vrij en ik heb mijn collega Veronica uitgenodigd om nog een aantal dingen te bespreken voor de belangrijke meeting van morgen.” Veronica richt zich tot Brigitte en zegt triomfantelijk: “Aangenaam.” Brigitte brult verder: “Gij omhooggevallen stukske zeveraar! Ik ben uw excuses spuugzat, Ywein. Een gat in uw agenda … Haar gat zeker? Bedrieger!” Veronica giechelt.   Ik vind het jammer dat Ray eigenlijk Ywein heet. Ray past hem veel beter als midlife-macho.   Brigitte raast ondertussen verder: “Ik, wat zeg ik, wij, houden u al 10 minuten in de gaten en we weten genoeg! Ge zit verdorie met uw neus tussen haar borsten terwijl ge haar handje vastpakt. Ik zal u eens iets zeggen, meneertje de directeur. IK WIL DAT GE VANAVOND UW BOELTJE PAKT!”   Door de laagstaande zon zie ik hoe Brigittes woorden worden versterkt door een spervuur van speekseldeeltjes die het gezicht van Ywein bombarderen. Ondertussen is het plein stiller dan ooit. Alsof elke caféganger getuige is van een indrukwekkend stukje straattoneel. Een hipster aan het tafeltje naast mij denkt trouwens écht dat dit doorstoken kaart is. Hij zegt tegen zijn vriend dat dit ‘stuk’ waarschijnlijk een leuke verrassing is van één of ander theatergezelschap dat meedoet aan de Zomer van Antwerpen.   Luttele seconden na de zware woorden tracht Ywein zijn vrouw te bedaren. Dat ze het rustig thuis zullen bespreken en dat het een groot misverstand is. Dat hij het zal goedmaken en dat hij belooft vaker thuis te zijn. Dat hij de verloren tijd zal inhalen. Maar daar heeft Brigitte geen oren naar. Ze zwaait haar handtas tegen haar man zijn linkerwang. Als blijkt dat Yweins oor bloedt, lijkt de hipster al wat minder zeker van zijn ‘stuk’. Zijn wenkbrauwgefrons zegt genoeg. En Veronica, die is ondertussen met de noorderzon verdwenen.   Brigitte sleurt haar getraumatiseerde zonen letterlijk mee in haar verdriet. Weg van de flirtende boeman die verslagen zijn wonden likt op een plein dat terug ademhaalt.   Ik bestel mijn derde bolleke Koninck.  

Antony Samson
60 0
Tip

Twee sterren

“Niemand wil ons helpen,” zei de man in de rolstoel. “U bent onze laatste hoop.”   Wat leek hij jong om in een rolstoel te zitten. Hooguit vijfendertig. En ook de vrouw die bij hem was, had iets wat me van mijn stuk bracht, iets wat niet klopte. Misschien waren het haar glanzende, blonde haren, die niet bij haar grauwe huid en doffe ogen pasten, of was het iets wat ik in haar blik ontwaarde, iets wat ik niet kon thuisbrengen. Tussen hen in zat het meisje. Ze was erg jong, een kleutertje nog. Haar voetjes zweefden hoog boven de grond, maar ze wiebelde niet met haar benen. Wat je van een klein meisje op een hoge stoel toch zou verwachten. Ze zaten met zijn drieën in de voor het overige lege wachtkamer.   “We weten dat het een ongewoon verzoek is, maar we hebben er heel lang en goed over nagedacht,” zei de vrouw. Ze hield de hand van het meisje stevig in de hare geklemd.  “Ziet u, wij komen voor onze dochter. Het is haar eigen idee.” Ik keek geschrokken naar het muizenmeisje op die grote-mensenstoel. “Ze is niet bang,” voegde de man er snel aan toe. “Hoe oud is jullie dochter?” vroeg ik. “Vier en een half.”   Ik herinner me nog haarscherp de dag waarop ik mijn eerste tattoo zette, in het schuurtje achterin de tuin van mijn grootouders. Een naald, ontsmettingsalcohol, een pak watten, een doosje lucifers en een flesje Oost-Indische inkt, meer had ik niet nodig. Ik tatoeëerde een spinnetje op mijn linkerelleboog, dat later geïncorporeerd werd in de jungle-tekening die van mijn schouder tot mijn pols vloeit. Een tijger, paradijsvogels, een krijsende aap, lianen. Maar dat spinnetje zit nog steeds op zijn plaats.   “Het spijt me,” zei ik, “maar ik tatoeëer geen kinderen,” en liep naar de deur om die open te houden voor de man in de rolstoel. Buiten passeerden de auto´s over de grijze kinderkopjes. Er hing regen in de lucht.   De vrouw liet voorzichtig de hand van het meisje los en ging rechtstaan. “Wacht even voor u een beslissing neemt,” zei ze. “Laat ons het eerst uitleggen. Het enige wat ze wil, zijn twee sterren op haar arm. Twee kleine sterretjes, meer niet.” “Waarom wil jij twee sterren op je arm?” vroeg ik aan het meisje, maar het kind bleef kaarsrecht op haar stoel zitten en fixeerde haar blik op de poster van een zeemeermin die boven de balie hing.   De man verliet nu ook zijn plaats en draaide zijn rolstoel naar mij toe. Ik merkte nu pas dat hij daarvoor niet aan de wielen moest draaien, maar dat hij een elektrische rolstoel had, die hij via een klein staafje met twee vingers kon besturen.   “Ik ben drie jaar geleden met ALS gediagnosticeerd,” zei hij. “De laatste tijd gaat het snel bergaf. En mijn vrouw...” Hij keek haar aan als om toestemming te vragen. Ze knikte. “Bij mijn vrouw is onlangs kanker vastgesteld. Een zeer kwaadaardige.” Plots begreep ik wat er anders was aan die vrouw. Ze droeg een pruik. “We weten niet hoeveel tijd we nog hebben,” ging de man verder. “Maar wat ik wel weet is dat mijn dochter twee sterren op haar arm wil. Kunt u ons daar alstublieft bij helpen.” Die laatste woorden waren geformuleerd als een vraag, maar de diepe vermoeidheid in zijn stem liet zijn intonatie te snel zakken om ze nog als vraag te laten klinken.     Langzaam draaide ik mijn blik van de vader naar de moeder. En behalve het geheim van haar haren, begreep ik nu ook wat er in haar ogen verborgen lag. Het was verdriet. Maar ik had het niet herkend omdat het een soort verdriet was dat ik zelf nooit gekend had. Een duizend keer dieper soort verdriet.   Mijn God. Wat moet je met zo´n situatie.   Ik hurkte neer voor het meisje, en haalde diep adem terwijl ik een vraag probeerde te kiezen uit alle vragen die door mijn hoofd schoten. “Je beseft toch dat een tatoeage voor altijd is?” vroeg ik uiteindelijk.   Ze keek me strak aan met grijze wolvenogen. “Dat weet ik,” zei ze. “Daarom wil ik het juist.”      

Kathleen Verbiest
243 10

17 maart 1999

Het was een koude nacht. Ik hoorde de wind die de takken meesleurde en de klok die tikte. Mijn broertje lag in zijn bed bij het raam. Ik keek hoe hij langzaam in slaap viel.Net toen ik mijn ogen dicht wou doen hoorde ik iets. Het leek of dat iemand iets zei. Ik weet niet wat hij of zij of wat dan ook zei. Maar ik wou het weten.Even later hoorde ik het weer. En mijn broertje ook, want hij keek me bang aan en vroeg met een bange stem: "Wat was dat?" We hoorden het weer. Ik zag dat mijn broertje bang was dus ging ik bij hem liggen en hield hem stevig vast."Ik ben bang", zei hij."Ik ook"We hoorden het weer, alleen was het deze keer luider.Na een tijd hield het op. Ik ging terug in mijn eigen bed liggen, en viel terug in slaap. Plots hoorde ik mijn broertje gillen. Ik pakte snel de zaklamp op mijn nachtkastje en riep mijn broertjes naam, maar hij antwoordde niet.Ik scheen op zijn bed. zijn kussen en zijn deken was gevallen. Er lag alleen zijn teddybeer en een paar druppels bloed.Mijn hart bonkte bijna uit mijn lijf. Ik scheen met de zaklamp in het rond, maar ik zag niks. Ik zweette van top tot teen. Ik hoorde het weer maar luider en luider. Ik dacht aan mijn broertje, ik dacht aan mijn mama en papa, aan mijn oma die nu aan het snurken was. Ik dacht aan iedereen en alle leuke momenten. Ik hoorde het weer.Ik wachtte en wachtte maar er gebeurde niets. En net, net op het moment dat ik dacht dat het gedaan was voelde ik een vreselijke pijn in mijn rug, een pijn die ik nog nooit eerder had gevoeld. Ik kreeg het ijskoud. Alles werd donker. Ik voelde het bloed over mijn rug stromen. Ik viel op mijn knieën, en overal lag bloed. En toen, DUISTERNIS!

Fenne Wens
0 0

Wie hoog vliegt

Ze ziet er sjofel uit in haar gevangenisoverall. De stof valt om haar lijf als een wijde tent en haar blik is leeg. Waar er vroeger vuur brandde in die gitzwarte ogen, zie ik nu alleen nog resten as.    Ze hoeft hier niet te zitten, dat weten we allebei. Met één welgemikte ijsknal blaast ze de wanden van haar cel tot gruis en kiezels. Maar ze houdt haar handen stevig gesloten. Meer dan de muren van de gevangenis, sluit ze zichzelf op in haar eindeloze zee van spijt.    Ik heb nooit veel over mijn vrouw gepraat. Dat deden kranten al genoeg in mijn plaats. Zij was Freeze, de superheldin in diepblauw en ijswit. De vrouw die explosies bevroor met één handbeweging,  branden bluste met één ademteug en iedereen vol slechte bedoelingen met een vingerknip achter slot en grendel mikte.  Ons appartement puilde uit van de krantenknipsels en uitvergrote foto’s van spectaculaire reddingen. Zij was de publiekslieveling. Ik was de onzichtbare hulp die de brandlucht uit haar eindeloze reeks spandexpakjes waste.  Maar hoe meer het publiek haar op handen droeg, hoe groter mijn afkeer werd voor haar.    Weet je nog hoe superhelden in stripreeksen altijd een dubbelleven leiden? Daar had mijn vrouw geen boodschap aan. Ze flaneerde door de straten in haar strakke heldinnenpak.  ‘Klaar voor het onverwachtse’, zei ze altijd.  ‘Wentelen in je eigen roem’, noemde ik het.  Hoe hoger zij vloog, des te dieper zakte ik weg.    Langzaam sloop de haat ons huis binnen. ‘s Nachts rolden we elk naar het verste uiteinde van het bed, vastbesloten om zelfs geen ademteug van de ander te voelen. Telkens wanneer ik na dagen moed bijeenschrapen haar aansprak over onze relatie die verder afbrokkelde, was er altijd een ramp die ze dringend moest voorkomen.    Die bewuste ochtend betrapte ze me in de gang. Zelfs op kousenvoeten ontsnap je niet aan de aandacht van een superheldin.  ‘Waar ga jij heen met die valiezen?’  ‘Ik ga weg. Ik ben er klaar mee, Freeze. Gedaan met pakjes wassen en wachten tot de wereld eens zes seconden rustig is zodat wij kunnen praten.’ ‘De wereld kan niet zonder mij’, beet ze me toe.  ‘De wereld redt zich prima zonder jou.’ ‘Ik ben een superheldin!’ ‘Je bent een omhoog gevallen trut met één miezerig talent. Je kan toevallig ijs afvuren. Onze buurman laat oorverdovende boeren. Zullen we hem ook in een spandexpakje steken?’ Freeze keek me ijskoud aan.  ‘Ik ga! Zoek maar een ander hulpje. Zet wel even in de vacature dat een ruggengraat en eigen wil totaal overbodig zijn.’ Woest haalde ze uit. Haar vuisten spanden zich op en ze opende haar handpalm. ‘Freeze! Niet doen’, brulde ik. Ik duwde haar hand weg en dook op de grond. Een ijskoude wind suisde over mijn hoofd. Het raam versplinterde en ik voelde het appartementsblok daveren toen haar ijsknal doel trof.    Het gegil vanop straat drong langzaam tot me door. Ik keek op en zag Freeze aan het raam staan, witter dan de ijswitte schicht op haar pak. Een schoolbus vol kinderen lag als een gebarsten ijsblok dwars over de weg. De passagiers voor altijd bevroren. Iemand schreeuwde. Ik weet niet wie het was. Freeze of ikzelf...   ‘De wandeling is voorbij!’, brult een barse stem. Ik draai me weg van de afsluiting tussen de mannen- en vrouwenafdeling en sluit achterin de rij aan. Met een moedeloze tred lopen mijn medegevangenen en ik terug naar de cellen. De stof van mijn overall wappert als een te wijde tent om mijn benen.

KiM
0 0

Wie zegt dat het voorbij is?

  'Ik hoorde onlangs iets treffends op de radio, over kinderen hebben.’ zegt mijn vader. Hij trekt zijn jas uit en hangt die over de rug van de keukenstoel. Mijn jongste kruipt de keuken in en trekt als vanouds de besteklade open.  ‘Vertel eens’, mompel ik en pluk mijn peuter weg van de keukenkastjes. ‘Koffie?’ ‘Ja graag. Ze hadden het over hoe je je kinderen doodgraag ziet. Je kan ze niet missen. Ze zijn zo'n wezenlijk deel van je leven, dat ze bijna een deel van jezelf zijn.' 'Mmmm',  ik hijs mijn jongste met één arm op mijn heup en probeer met de andere hand koffie te zetten. ‘En?’ 'Maar minstens éénmaal per dag',  gaat mijn vader verder met opgeheven wijsvinger. 'Minstens éénmaal per dag wil je ze in de hoogste boom zetten die je kan vinden. Al is het maar voor even.' Vanaf mijn heup graait de jongste naar de koffiekopjes. Voorzichtig laat ik haar op de grond zakken en lach door het protest heen. 'Of achter het behang.' ‘Eigenlijk zouden kinderen geleverd moeten worden met een uit-knopje. Om ze midden in een brulconcert gewoon even uit te schakelen.’ Met onfeilbare timing start mijn eigen exemplaar het schoolvoorbeeld van een driftbui.  ‘Een mute-knop is ook goed.’ Mijn ogen dwalen over het aanrecht op zoek naar een fopspeen.  ‘Neen, echt gewoon uit. Of een fastforward-knop om de driftbui door te spoelen. Ik heb er meer dan genoeg uitgezeten.’   Hij kijkt naar zijn jengelende kleinkind aan mijn been.  ‘Was ik dan zo erg?’ Ik zie een bestofte fopspeen liggen achter het kruidenrekje.  ‘Och zwijg.  Jij kon echt het bloed vanonder mijn nagels halen. Zeuren om dit of dat. Koppig je eigen ding doen. Selectief doof zijn als het je goed uitkwam.’  'Blij dat dat voorbij is?' Ik prop het tutje in de brullende mond ter hoogte van mijn kuiten.  ‘Maar lieve schat, wie zegt dat die tijd voorbij is?'

KiM
17 1

Waterlanders

Hij leefde nog. Ik kon het zien aan zijn kieuwen.Om een of andere reden was hij gestopt met zwemmen. Moe of ziek of zomaar. Hij kon niet verder. Ze haalde hem uit het water en hield hem voor me uit.“Je mag hem niet aaien met je droge handen.”  zei ze. Doe ik niet. Hij zou me toch niet vertrouwd hebben. Vissen doen dat niet. Zij maken het zichzelf nooit zo moeilijk. Ze legde hem in onze emmer, half gevuld met water, en zo snel we konden fietsten we klotsend naar het kleine vijvertje aan het eind van de wijk. Het water zag er daar properder uit dan hier. Er dreef in ieder geval minder huisvuil rond. Ik moest de emmer dragen en ik deed dat met plezier. Toen we aankwamen aan het vijvertje was hij dood. Ik kon het zien aan zijn kieuwen. Hoe sterft een vis? Zou hij zich zijn leven herinneren? Wat zou hij voelen? Misschien wist hij dat hij doodging. Misschien net niet. Ik liet mijn fiets vallen in het gras en mezelf zakken op de grond. Was het mijn schuld dat hij is doodgegaan? Dit heb ik niet gewild. Daar kwamen de waterlanders.   Zouden wij met graagtevallenals dwarrelendzonder onszelf pijn te doenmaar met steedsdiezelfde bestemming Onderaandaar waar zwaartehaar verlangen legthaar wilhaar doelen sprekennoch zwijgenertoe doet   Ze kwam voor me staan. Ik weet niet meer hoe ze me troostte maar ze deed het. Misschien zei ze zelfs helemaal niets, maar het deed wel iets met mij, alsof ik zelf een vis was die van het vuile in het propere water terechtkwam. En of ik leefde. Dat kon je zien aan mijn kieuwen. Sowieso, dat wist ik wel zeker!

Jürgen NaKielski
29 0

De Blauwe Boeken

  Knus en gezellig, antieke, houten rekken die helemaal tot aan het plafond reiken met alfabetisch gerangschikte boeken, een plaats waar tijd noch ruimte vat op hebben, waar bij elke inhalering dat zo herkenbaar muffige aroma van oude verhalen je ene neusgat binnenhuppelt, terwijl de aangename geur van nieuwe boeken je andere neusvleugel zachtjes kietelt. De kleine boekenwinkel net buiten het centrum was dat alles helemaal niet. Aan de buitenzijde floreerden mos en onkruid weelderig tussen alle mogelijke kieren en spleten. Binnenin was het donker. De groezelige ramen en de tot op de draad versleten gordijnen hielden genoeg zonlicht buiten om het er vleermuizen naar hun zin te maken. Het rook er eigenaardig, wat zurig, alsof er al jaren geen grammetje verse zuurstof naar binnen was gesijpeld. Helemaal achterin brandde een staande schemerlamp die net na de uitvinding van de gloeilamp heel modern was. Daaronder zat een man, ineengedoken en met priemende oogjes die heen en weer flitsten over de pagina's van een dik boek, op een oude, krakkemikkige stoel aan een al even gammel bureautje. Daarop stond een vooroorlogs telefoontoestel als een magneet stof te vergaren en een prehistorische computer waar mammoeten nog hadden leren op typen en die jaren geleden al gedegradeerd was tot kapstok. De bel krijste. De deur ging moeizaam open en een vrouw wrong zich naar binnen. Ze struikelde net niet over een berg boeken, botste met haar knie tegen een rek en baande zich al vloekend een weg door de schemering. “Bob”, riep de vrouw. “Ik ben terug.” “Dat hoor ik, Bea”, zei de man onder de lamp zonder haar ook maar één blik te gunnen. “Vraag je niet hoe het geweest is?” vroeg ze. Bob rolde met z'n ogen. “Alsof ik een andere keuze heb”, verzuchtte hij. Met tegenzin klapte hij z'n boek toe en vroeg: “Hoe is het geweest?” “Fantastisch”, riep Bea uit. “Het was precies zoals in de boekskes. Parelwitte stranden, een helderblauwe zee, wuivende palmbomen en van 's morgens tot 's avonds scheen de zon. Het was in één woord zááálig.” Ze trok de dichtstbijzijnde stoffige stoel naar zich toe, gooide er de erbarmelijk gebouwde krantentoren af en plofte zich erop neer. “Dat ziet morgen bont en blauw”, klaagde ze en masseerde haar pijnlijke knie. “Heb je zo niets om te bekomen?” Bob trok de onderste bureaulade open, haalde er enkele trappisten uit, ontkurkte de flesjes en schonk als een volleerde zytholoog twee kelkvormige glazen vol. Bea nam gulzig enkele slokken. “Dat smaakt”, zei ze en veegde met de rug van haar hand het schuim van haar lippen. “Dat hadden ze daar waarschijnlijk niet?” vroeg Bob, dronk één vierde van z'n glas in één keer uit en liet een luide, krachtige boer. Bea schudde haar hoofd. “Ze hadden daar alleen van die mierzoete cocktails in kleuren die er niets eens drinkbaar uitzien en waarvan de suiker aan je tanden blijft plakken. En het eten was er ook al niet veel soeps. De eerste dagen heb ik meer de binnenkant van het toilet gezien dan iets anders.” Ze nam nog een grote slok om de gedachte eraan door te spoelen. “En dan al dat zand, dat plakte overal aan. Ik voel het nu nog overal zitten. En kijk,” ze stroopte haar mouwen op en toonde haar armen, “ik zie eruit als een gekookte kreeft die tussen een braillemachine heeft gezeten.” Bob grijnsde. "Dat is helemaal niet grappig", zei Bea en begon te krabben. “Als je nu 'Ik heb het je toch gezegd' zegt, dan ...” “Ik zeg toch niets?” “Ik hoor het je tot hier denken.” “Ik heb altijd al geweten dat mijn brein tot uitzonderlijke dingen in staat was.” “Ja, lach er maar mee.” “Wat moet ik anders doen, Bea? Jij wou per se op reis naar één of ander paradijselijk eiland.” “En nu kan ik mijn prachtige vakantiefoto's aan iedereen laten zien. Ze zullen nogal jaloers zijn.” Bob schudde meewarig het hoofd en nam nog een slok van de lauwe trappist. “Moet jij je winkel nog niet gaan opendoen?” vroeg hij. “Morgen pas”, zei Bea en zette haar glas neer. Ze stond op, stapte over de rommel, schopte hier en daar iets aan de kant, schoof de gordijnen opzij en zette de ramen wagenwijd open. Bob vloekte luid en hield zijn armen voor zijn ogen. “Wat doe je nu? Dat brandt”, riep hij. “Ik zorg voor je portie vitamine D.” “Ik ben allergisch aan vitaminen.” “Heb je hier al eens rondgekeken? Een stort is properder. En langs buiten is het al even erg. Je ziet meer mos en onkruid dan bakstenen.” “Dat is een natuurlijke vorm van isolatie.” “Aan je uitleg zal het ook niet liggen. En laat me raden. Die rommel hier is om de vloer te beschermen tegen vuiligheid?” Bea zuchtte. “Dit kan zo niet langer, Bob. Je laat me geen andere keus.” Ze nam de telefoon en draaide die naar zich toe. “Wie ga je bellen?” vroeg Bob argwanend. “Wie denk je?” “Nee. Dat doe je niet. Dat durf je niet.” Een lichte paniek was hoorbaar in z'n stem. “Wil je het uittesten?” Bea nam de hoorn van de haak, niesde van het vrijgekomen stof dat op en neer danste alsof het gebeten was door een nest rode mieren, en draaide het eerste cijfer. “Bea, doe nu niet zo kinderachtig. Ik ben geen vijf meer.” Bea draaide het tweede cijfer en keek naar Bob. Die hield z'n kaken stijf op elkaar geklemd, maar zei niets. Bea draaide het derde cijfer, dan het vierde, maar nog voor ze het vijfde cijfer kon draaien, graaide Bob de hoorn uit haar handen. “'t Is al goed”, gaf hij uiteindelijk toe. “Ik laat het hier wel opruimen.” Een week later geurde het in het kleine boekenwinkeltje zoals vlak na een fikse plensbui in het voorjaar en zag het eruit alsof het eindelijk uit een lange en diepe winterslaap ontwaakt was. Alleen de eigenaar paste niet in dit nieuwe plaatje. Hij voelde zich als een varken in een veel te propere stal. Zijn gezicht stond op vijf voor onweer. Nergens was er nog een stofje te bespeuren, de vloer blonk als een spiegel, door de ramen kon je weer naar buiten kijken, er slingerde niets meer rond, en alle boeken waren netjes geclassificeerd. Hoe moest hij hier in hemelsnaam nog iets terugvinden nu zijn systeem volledig om zeep geholpen was? De bel kermde. Een man waggelde naar binnen. Hij zag eruit als een vleesgeworden kathedraal wiens funderingen het elk moment konden begeven. Bij iedere stap hopten zijn kwabben op en neer. Hijgend en puffend sleepte hij zichzelf voort tot helemaal achteraan de winkel. Vlak voor Bob zette hij een grote, kartonnen doos neer. Bob keek niet op. De man kuchte. “Ik ben bezig”, zei Bob, sloeg een pagina om en las verder. “Meneer De Blauwe?” vroeg de man aarzelend. “Ik heb hier iets heel interessants voor u.” Bob legde zuchtend zijn boek neer en keek de man aan. “Ja?” Met zijn kleine, dikke worstenvingertjes haalde de man een oud, in leer gebonden boek uit de doos. “Wat denk je?” vroeg hij. “Hoe kom je hieraan?” vroeg Bob. “Geërfd”, zei de man. “Van een tante van mij.” “En hoe ben je hier terechtgekomen?” “Bea heeft me deze plaats aangeraden.” “Ah”, zei Bob. Hij had het kunnen weten. Waarom wil ze zich toch altijd moeien? “Zijn ze iets waard?” vroeg de man. Bob bekeek de andere exemplaren uit de doos aandachtig en bladerde ze één voor één heel voorzichtig door. “Het is een volledige reeks, in leer gebonden, in ongeschonden staat, en een eerste druk”, zei Bob bewonderend. “Ze zijn meer dan iets waard.” “Hoeveel wil je er voor geven?” vroeg de man. “Niets”, zei Bob. “Niets?” “Niets.” “En daarnet zei je nog dat ze veel waarde hebben.” “Dat is ook zo. Maar ik heb geen interesse om ze te kopen.” “En waarom niet?” “Dat is teveel gedoe.” “Gedoe?” herhaalde de man niet-begrijpend. “Heb je enig idee hoeveel werk en tijd daarin kruipt?”, vroeg Bob. “Eerst gaan we onnodig lang discussiëren over de prijs, daarna moet ik ze hier in de winkel prijzen, ze uitstallen, en het ergste van al, dan komen er ook nog klanten. Nee nee, daar begin ik niet aan.” De man staarde hem stomverbaasd aan. “Weet je wat”, zei Bob en schoof de bovenste lade van zijn bureau open. Hij haalde er een koffertje uit, viste de sleutel uit zijn broekzak, opende het kistje en haalde er een briefje van vijftig uit. “Ik geef je dit als je me nu met rust laat”, zei hij en propte het tussen de dikke vingertjes van de man. “Is het niet genoeg?” vroeg Bob ongeduldig toen de man zich niet verroerde. “Wil je nog meer?” Hij grabbelde nog enkele briefjes uit het kistje en duwde ze bij het andere briefje in de hand van de man. “Wil je nu weggaan?” “Je bent gestoord”, was het enige dat de man kon uitbrengen. “Compleet gestoord.” Hij nam z'n doos, draaide zich om en maakte zich zo snel zijn vlezige aanhangsels hem toelieten uit de voeten. De rest van de namiddag had Bob alle tijd om rustig te lezen. Vlak voor sluitingstijd jammerde de bel. “Typisch”, mompelde Bob in zichzelf. Maar nog geen vijf stapjes en drie woorden (“Hebt u kookboeken?”) later werd de oude vrouw die tot het selectieve clubje behoorde van de met uitsterven bedreigde regenkapjesgeneratie hardhandig door de slechtgezinde eigenaar terug naar buiten geduwd. Hij sloot de deur en draaide het bordje open om zodat men aan de buitenkant GESLOTEN kon lezen. Bob slofte terug, gleed uit over een natte plek op de spekgladde houten vloer, stootte de achterkant van z'n hoofd tegen de scherpe hoek van z'n bureau, viel op de grond en bleef roerloos liggen. Twee dagen later hing er aan de deur een briefje: 'De Blauwe Boeken – Gesloten wegens sterfgeval'.

Jenna
3 0