Zoeken

Oorbellen van de vrouwen

Wat ze daar liggen te doen in de lade van de antieke mahonie bureau in Carolines woonkamer, weten de oorbellen zelf niet en Caroline nog minder. Ze zijn niet van haar, ze liggen er sinds kerst 2013. Ze hebben zich genesteld tussen andere oorbellen en bijhorende opsmuk. Daar voelen ze zich goed en Caroline laat het daar ook bij. Toch hebben de oorbellen vanalles te vertellen. En dat zouden ze doen als ze konden praten. Want er is zoveel te vermelden over hun vorm, hun ouderdom en vooral over Nicole. Nicole? Ja Nicole, de “vorige” eigenaresse van de oorbellen. Of ze nog altijd van Nicole zijn, laten de oorbellen in het midden. Ze zijn in bruikleen bij Caroline. Of ze ooit terug gaan naar Nicole, weten ze niet. Of ze dit willen, weten ze nog minder. De oorbellen zijn oorspronkelijk aangeschaft door Maurice. Een verlaat huwelijkscadeau of eerder een vervroegd kerstcadeau, dat weten de oorbellen niet meer. Nicole ook niet, ze heeft ze ook al zo lang. Al veertig jaar of langer, dat weet ze niet. Maurice is ook al zo lang dood. Hun samenzijn en hun niet samenzijn lijkt te zijn samengesmolten tot één groot vlak. Een groot vlak dat eerst grijs, dan blauw en dan zwart werd. Een zwart dat al jaren toeneemt, tint na tint donkerder en dikker. Het neemt zo hard toe dat Nicole zich eerst verwonderde over de hoeveelheid tinten dat zwart kan aannemen en nadien deze niet meer zag. Ergens rees daar het idee bij Nicole om zich de oorbellen te ontdoen. Want hoe zwarter de tinten werden, hoe zwarter werden haar herinneringen aan Maurice ook. De oorbellen leken eveneens zwarter te worden, ook al poetste Nicole ze elke week met steeds grotere fanatieke stress. Daar ergens wist Nicole dat ze de oorbellen terug moest brengen naar het huis. Het huis waar ze met Maurice getrouwd is. Want dat weet Caroline niet, haar huis was van Nicole en Maurice. Verkocht na zijn dood aan Carolines ouders, die het op hun beurt aan Caroline schonken. Maar zonder het verhaal te vertellen van Nicole Deschacht en de de verdwenen tweede huissleutel.

't Achterlicht
0 0

Wraak van de prinsessen

  De Prinsessen   Ergens te lande in een kasteeltuin in Sprookjesland.   'Kussen, kussen, kussen!' Ze blijft het horen. Wat moet ze dan toch kussen. Dan komt een lakei met een kussentje naar voor. 'Hmmm, misschien een lief klein katje' Dan is de lakei bij haar. 'Wat is dat?' brult ze verschrikt: 'Een kikker. Dat kus ik niet. Ik ben het beu om altijd van die vieze beesten te moeten kussen. Ik ben hier weg. Zoek maar een ander om die gladde, slijmerige dingen te kussen.'   Ergens anders te lande in een slaapkamer in Sprookjesland. 'Een kus. Dat terwijl ik zachtjes wakker word. Oh nee, een kus, toch niet weer. WACHTERS, WACHTERS!' Snel sprinten de koninklijke wachters binnen en blijven dan bedremmeld staan. ' Wat is dit? Wie heeft die rare snuiter in mijn slaapkamer binnen gelaten' 'Orders van de koningin.' stamelt er één verlegen. 'Waarom altijd van die wildvreemden? Weet je wat, leg jij je vanaf nu in mijn bed om gekust te worden door wildvreemde mannen. Deze had dan nog een snor. Ik ben hier weg. Zoek maar een ander om kussen van rare snuiters te krijgen. Salut.'   Nog ergens anders te lande in een reusachtige eetzaal in Sprookjesland. 'Lekker, mijn favoriete eten. Lamsboutjes met boontjes en lekkere kroketten. Een grote portie op mijn bord en smullen maar. Maar wat is dit, dit smaakt niet normaal! Bweurk, ik voel me niet zo goed. Het zal toch weer niet waar zijn hé. Alweer vergif. Nee hé, daar heb je het al, mijn maag draait en keert en,... aiaiai, het komt,... ik moet overgeven!' 'Papa, ze hebben weer geprobeerd mij te vergiftigen.' 'Ja liefje, dat weet ik. Dat moest van mij.' bromt de koning in zijn baard. 'Wat!! Dat moest van jou?' 'Ja liefje, dan kan je tegen al die giftige stoffen wanneer je echt vergiftigd wordt', antwoordt hij. 'Wie gaat mij nu vergiftigen, ik ben keilief. Ik ben het beu. Ik ben hier weg. Zoek maar iemand anders om te vergiftigen. Uw favoriet varken of zo. Salut'   Helemaal ergens anders te lande op een kruispunt in Sprookjesland.   'Dat is nu toch niet te geloven hé, kikkers.' 'Verdikke zeg, altijd die vreemde mannen die mij wakker komen kussen.' 'Grmbl, vergif vergif, ik moet daar altijd zo van die vies smakende boeren van laten.' Zo gaat het verder op drie wegen die naar ons bewuste kruispunt leiden wanneer plots, uiteraard. Boem patat, knal en botsing alom. In het rond vliegende armen en benen en ook nog ergens een hoofd. Nee hoor, zo erg was het niet. De prinsessen vallen allemaal recht op hun achterwerk, even stil geworden van het schrikken. Maar dan nemen de goede hofmanieren het over. 'Hallo,' zegt de een stem: 'ik ben de Kikkerprinses, ook wel Kikkie genaamd.' 'Aangenaam,' zegt een andere stem: ' ik ben de mannenkusprinses, maar jullie mogen Mannie zeggen.' 'Burps,' klinkt nog een andere: 'sorry daarvoor, mijn naam is gifprinses maar zeg maar Louise.'   Daarop vertellen ze hun verhaal. Ze blijken allemaal iets gemeenschappelijk te hebben. Allemaal moeten ze dingen doen die ze niet graag doen. Maar hoe zou dat komen? Wie zorgt daarvoor? Dat zouden onze drie prinsessen wel eens willen weten. Ze zitten kniezend in het gras wanneer Kikkie plots zegt:' Hey, ik weet misschien iets. Een verhaal dat ik lang geleden van een lakei gehoord heb. Die vertelde me dat onze levens geschreven worden door een schrijver. Dat die alles wat wij doen uitvindt en beschrijft. Misschien moeten we die wel eens een bezoekje brengen.' 'Akkoord!' brullen Mannie en Louise in koor: 'Op naar de schrijver!' 'Euhm, waar vinden we die?' vraagt Kikkie zich dan af. 'We gaan gewoon rechtdoor en altijd naar rechts als er een kruispunt is!' vindt Louise. 'Wat een enig plan!' kirt Mannie. Ze gaan op weg. Rechtdoor, dan rechts dan verder rechtdoor, nog eens rechts. Tot ze opeens bij een huisje komen waar 'Scriptus: schrijver' opstaat. 'Zou het hier zijn?' vragen de drie zich af. Tijd voor overleg.   De schrijver   'Wat een leuk beroep heb ik toch', denkt de schrijver bij zichzelf. 'Een kop thee, mijn schrijfveer, een blad papier en ik kan er weer tegenaan.' 'Wat zou ik de prinsessen nu eens laten doen, laten kussen door mannen, kikkers of nog een beetje vergif? Er zijn zoveel mogelijkheden.' 'Misschien moet ik het eens van een andere kant bekijken?', mijmert hij. Hij drinkt zacht slurpend van zijn thee. 'Misschien moet ik de prinsessen eens stoer laten zijn? Op jacht gaan, beren vangen en zomeer.' 'Nee, dat gaan de kindjes niet goed vinden hé. Wat kan ik die dekselse prinsessen toch laten doen?' “Klop klop klop” 'Nee, dat kan ik ze toch niet laten doen, kloppen.' “KLOP KLOP KLOP” Ohla, het is Rudolf de deurklopper.   De schrijver en de Prinsessen   De schrijver komt moeizaam uit zijn zetel en gaat naar de deur. Nadat hij die geopend heeft ziet hij een vreemd tafereel. Drie mooie meisjes die vol schrik naar zijn deurklopper kijken. ' D d d d d d d dd d d d die deurklopper praat,' zegt eentje met een wel heel bleke huid. 'Ja, dat is Rudolf de deurklopper, die heb ik van een tovenaar gekregen', zegt de schrijver. 'JAAA,' kraakt Rudolf: 'en hoe harder je met me klopt hoe liever ik het heb. Doe het nog eens, toe toe toe?' Waarop de prinses met de glibberige lippen; van kikkers kussen krijg je dat namelijk; een redelijk harde gil slaat zoals alleen prinsessen dat kunnen. De schrijver nodigt de drie uit in zijn woonkamer en vraagt hen wat het probleem is. 'Wel' begint Kikkie... 'Ik moet altijd' zegt mannie tegelijkertijd. 'Dat kan toch niet meer' lispelt Louise, ondertussen een boertje ophoudend. Zo gaat het een heel tijdje door en de schrijver raakt niet wijs uit die drie kwebbelende meisjes. Maar wacht, hij heeft de oplossing. Hij zoekt snel zijn cd met oceaangeluiden en steekt zijn oordopjes in. Wanneer hij de cd opzet vallen de drie prinsessen al snel in slaap. 'Ah eindelijk rust,' denkt de schrijver bij zichzelf en gaat rusten verder schrijven. 'Morgen kom ik wel te weten wat er scheelt, nu nog een beetje schrijven.'   De volgende dag   'Een goede morgen, beste dames. Een koffietje, boterhammetjes met choco?' De schrijver doet zijn best om beleefd te zijn. Ja een kopje koffie en een boterhammetje zou er wel ingaan bij Kikkie en Mannie. Lousie slaat groen uit bij het idee en vraagt om een thee en een beschuitje. Want die koffie ligt zo zwaar op de maaaaag en die boterhammen liggen ook zo zwaar op de maaaaaaag, zeuren kan ze wel een beetje. Bij het lekkere ontbijt leggen de prinsessen hun frustraties uit. Ze vinden het echt niet meer leuk om al die vuile dingen te doen. Zou de schrijver er niets aan kunnen doen? De schrijver snapt dit en belooft plechtig om er iets aan te doen. Waarop de prinsessen heel blij hun ontbijt verderzetten. De schrijver gaat aan zijn bureau zitten. 'Wat moet ik nu doen?' vraagt hij zich af. 'Ik weet niets anders wat die prinsessen kunnen doen, prinsessen doen toch altijd hetzelfde. Wat kan ik die laten doen? De was, de strijk, daar zullen ze niet mee akkoord zijn. Hij start dan maar zijn laptop op en begint te googelen. Wat een zoektocht. Maar plots ziet hij iets. 'ja, dat is het. Dat gaan de prinsessen fantastisch vinden.' Snel bestelt hij de spulletjes die hij gezien heeft en licht hij de meisjes in. Deze zijn natuurlijk heel nieuwsgierig maar de schrijver wil niets zeggen, ze moeten maar wachten op de koerier. Deze laat niet lang op zich wachten. Eerst horen ze een paard galopperen, dan zachtjes vertragen tot het stopt. Voetstappen naar de deur. “Klop Klop Klop.” 'Jaah jaah nog eens', een verschrikte gil, een plof, snelle voetstappen die zich verwijderen en een weg galopperend paard. De schrijver opent de deur en geeft Rudolf een veeg uit de pan. Hij mag de mensen zo niet laten schrikken. Rudolf bonkt van het lachen tegen de deur. 'Misschien moet ik me maar eens een nieuwe deurklopper aanschaffen,' denkt de schrijver nukkig, 'deze laat de mensen te hard schrikken.' Hij raapt het pakje op dat de koerier laten vallen heeft en gaat ermee naar de prinsessen. Benieuwd kijken de meisjes naar de kleurige kledingstukken die de schrijver uit het pakje haalt. 'Wat zijn dat?' vraagt Mannie. 'Zo kleurige kleren,'zegt Louise. 'Dit, lieve prinsessen,' zegt de schrijver: 'dit zijn voetbaluitrustingen. Ik ga jullie laten voetballen. Dat is eens iets anders dan altijd prinses te moeten zijn.' 'Dat klinkt leuk.' zegt Kikkie. De meisjes trekken de uitrustingen aan en gaan buiten op het veld spelen. De schrijver is de scheidsrechter. Hij legt de regels uit maar de drie dames begrijpen niets van strafschop, buitenspel, hoekschop,... 'Zou het dan toch geen goed idee geweest zijn?' mijmert Scriptus. Louise, die hem hoort, antwoordt: ' Nee, dat is geen goed idee geweest. Dat is hier veel te moeilijk.' 'Verdorie toch,' denkt de schrijver: ' wat moet ik nu doen? Die dekselse vrouwen eten al zijn koekjes op. Zeker die één die niet meer vergiftigd wordt. Het is net of ze haar schade moet inhalen.Zo een vreetmonster. 'Ah ik heb het.' denkt hij. 'Meisjes, kom eens bij mij? Wat zouden jullie ervan zeggen om op schattentocht in het bos te gaan?' 'Mja' zegt Kikkie:' wordt ge daar niet keivuil in dat bos? Al die beesten die daar zitten. Stel u voor, misschien zitten er zelfs kikkers.' 'Dan de boswachter tegenkomen zeker. Die gaat mij ook al willen kussen.' bibbert Mannie lichtelijk hysterisch. ' Zijn daar koekjes in het bos of heeft die boswachter misschien koekjes?' wil Louise verlekkerd weten. 'Waar staan de koekjes trouwens?' Nu is de schrijver ten einde raad. Hij weet het echt niet meer. Misschien moet hij een verhaal schrijven, speciaal voor de meisjes. Hij legt het plan voor. De meisjes gaan meteen akkoord, vooral als er koekjes in zitten.   Het verhaal   De schrijver zet zich aan zijn bureau en begint te brainstormen. 'Prinsen, draken, boswachter, gekke paters, abdij, schmink, queeste en ja koekskes.' De schrijver begint te schrijven. De prinsessen vinden het wel spannend dat ze op Queeste mogen, wat een spannend woord zeg. Helaas zitten er geen koekjes in Queeste.   “De meisjes zijn op weg naar de abdij. Onderweg komen ze een gekke pater tegen. ' D d d d d d d d' zegt hij 'Wat bedoelt hij?' vraagt Mannie zich af? Kikkie raadt ernaar:' dansen, duikboten, dreigbrieven, donderwolken, dakbedekkers,...?' De pater schudt de hele tijd van nee. ' Der zijn geen koekskes meer?', gokt Louise. 'DRAAAAAAK ' gilt de pater plots: ' er zit een draak aan de abdij. Hulp, help, SOS en grote paniek.'   De meisjes zien een confrontatie met een draak wel zitten en gaan op weg naar de abdij. Onderweg passeren de drie een blinkend gepoetst raam. Daar worden ze geconfronteerd met een vreselijke waarheid. Hun schmink is uitgelopen van het voetballen. Zo kunnen ze toch niet op queeste gaan. Stel dat ze de prins van hun dromen op zijn witte paard tegenkomen. Zo kunnen ze die toch niet tegemoet treden. Louise vraagt zich stiekem af of zo een paard lekker zou zijn. Ze nemen rustig de tijd om hun schmink in orde te brengen wanneer ze plots in de verte een verschrikkelijk gebrul horen. Maar echt een verschrikkelijk gebrul, hé. Geen leeuw die een beetje boos is. Dit is duidelijk een draak. Of iemand met een slechte maag, volgens Louise. Voorzichtig gaan ze verder op zoek naar de draak. Ze beginnen langzaam een verschrikkelijke stank te ruiken. Kikkie en Mannie kijken beschuldigend naar Louise maar die beweert dat ze geen boertje gelaten heeft. ‘Kom op meisjes’, zegt Kikkie. ‘Ja, we moeten bewijzen dat we sterk zijn, hup hup hup. Op naar de draak’, zegt Mannie vastberaden. Zo elkaar oppeppend gaan ze verder naar het nest van de draak. Nu komen ze wel heel dichtbij. Voorzichtig bereiken ze de abdij. Aan de verwoestingen te zien ligt de draak net achter de hoek. De drie prinsessen bereiden zich voor en springen dan tevoorschijn. ‘Kajaaaaaa!’ ‘Hoejaaaaaaa!’ ‘Kom maar op lelijk beest!’ dergelijke kreten uitstotend springen ze naar voor en.. …geen draak te zien. Teleurgesteld gaan ze op zoek. ‘Waar zou die nu toch zijn?’, vraagt Mannie zich af. ‘Ik denk dat hij gaan jagen is.’ zegt Kikkie. ‘Oooooooh, gaan jagen;’ bromt Louise: ‘dan krijgt die tenminste wel eten. Heeft er iemand koekjes mee? Toevallig? Nee? ‘ De prinsessen besluiten dan maar op de draak te wachten bij de paters in de abdij en ondertussen een tasje thee met een koekje te nuttigen. Opeens worden ze opgeschrikt door een felle windstoot. De draak is terug. ‘Kom op meiden, we pakken hem’, zegt Kikkie vastberaden. ‘Olaaaaa, eerst mijn thee met koekjes, dan drakenvangen,' mompelt Louise met een volle mond. Een half uur laten zijn ze dan eindelijk klaar en bespringen ze de draak. Ligt die knuppel toch wel te slapen, zeker! Die heeft zoveel gegeten dat hij ligt te dromen. Plots begint zijn neus te bewegen. Hij ruikt iets. Lui doet hij een oog open en ziet daar drie lekkere brokken staan. Hij komt overeind en brult loeihard terwijl er vlammen van wel 10 meter uit zijn bek schieten. Hij zwaait zijn grote kop in de richting van de drie verstijfde prinsessen en doet zijn bek al open om ze in één hap te verslinden. Wanneer plots, BUUUUUURPS. Louise heeft van schrik een enorme boer gelaten. De draak haalt diep adem om ze te braden, slaakt een piepje en valt om. Poef, draak dood. Dat was een giftig boertje. Al de vergiften in haar maag in combinatie met de thee en de koekjes blijken een giftig gas te produceren. De drie prinsessen zijn zo blij dat ze even de hofmanieren vergeten en een gat in de lucht springen. ‘Zou die draak eetbaar zijn?’ vraagt Louise zich af. De andere prinsessen willen dat toch liever niet proberen en overtuigen Louise ervan om terug naar de schrijver te gaan.”   ‘Hoe is het geweest, meisjes?’, vraagt de schrijver nieuwsgierig want die heeft natuurlijk het gebrul gehoord en de vlammen gezien. ‘Super’ ‘Fantastisch, geweldig’ ‘Lekkere koekjes bij de paters’, roepen ze door elkaar. ‘De draak is dood’, zegt Kikkie fier. ‘Zeg nu nog eens dat wij alleen maar kunnen gekust worden door vreemde mannen en al die dingen’, zegt Mannie triomfantelijk. ‘Ok meisjes, jullie hebben gelijk. Vanaf nu schrijf ik alleen nog maar verhalen over prinsessen die draken verslaan en prinsen gaan redden. Wat denken jullie daarvan?’ ‘Dat is heel goed’, beamen Kikkie en Mannie. ‘Wat vind jij ervan Louise?’ vraagt de schrijver. ‘Louise, waar ben je?’ ‘gggmmmkkllldddddddrrr’ klinkt het. ‘Louise, die cake was voor iedereen;’ zegt de schrijver verontwaardigd, ‘nu moet ik een nieuwe bakken.’ ‘Spforry.’murmelt ze met volle mond.   Einde    

Stefan De Keyser
0 0

We waren met twee toen het gedicht begon

  Met haar handen vol met boeken rende Hannah het zaaltje op de eerste verdieping van café De Vrede binnen. Kwart voor drie. Veel te laat! Was dat haar eigen schuld of kon ze het steken op tram 15 met moeilijk sluitende deuren en daarom verschillende keren eindeloos te laat vertrok? Op de tram steken was het fijnste. Maar veel veranderde dat niet aan het nijpende tijdsgebrek dat voor haar lag. Hannah keek de de zaal rond. Mathieu was zo lief geweest om de stoelen al in rijen te plaatsen. Ze telde vijf rijen van zeven stoelen. Vijfendertig luisteraars, dat ze nog nooit meegemaakt. Een neerslachtigheid overviel haar. Kwamen er maar eens meer dan tien mensen naar haar gedichten luisteren. Ze schudde met haar hoofd. Zo goed als Paul van Ostaijen zou ze nooit worden. Ze troostte zich ermee dat Paul waarschijnlijk ook niet direct volle zalen lokte in zijn begindagen. Hannah maande zichzelf aan om wakker te worden. Tien voor drie was het al. Waar ging die tijd toch naar toe? Snel legde ze de exemplaren van haar dichtbundels op de tafel vooraa en rende dan dan naar beneden om een flesje plat water uit het café te halen. Vijf minten later holde Hannah weer het zaaltje binnen. Ze vervloekte Mathieu dat hij het verhaal over zijn cavia’s tandpijn net op dat had willen vertellen. Ze ging achter de tafel zitten en zette haar flesje neer. Drie voor één en nog niemand. Dit kon toch niet waar zijn? Niemand? Zelfs Sophie en Mira niet? Haar vriendinnen hadden het nochtans beloofd te komen. Hen nu nog bellen had geen zin. Al tien minuten zat Hannah daar. Ze frunnikte aan haar dichtbundel en sloeg hem open. Het eerste gedicht, ‘Wit vlees’ genaamd, bleek haar vragend aan te kijken. Zonder er bij na te denken begon ze het hardop voor te lezen. ‘Niemand weet wat er achter dat witte vlees huist. Het is wit, Aantrekkelijk en toch niet Is het maagdelijk of toch net bezoedeld?’ Handengeklap deed haar opschrikken. ‘Mathieu?’ stamelde ze. ‘Ja ik.’ De oudere man kwam de zaal binnen en ging op een stoel op de eerste rij zitten. ‘Waarom sta jij daar nou?’ ‘Het viel me op dat hat al een eind na één was en dat er nog niemand was opgedaagd. Dus ik dacht dat het wel leuk zou zijn dat er toch één persoon kwam luisteren.’ Tranen prikten in Hannah’s ogen, ze kon hem wel zoenen.  Ze stond op en liep naar hem toe. ‘Meisje, je bent een goede dichter. Ook al beseft nog niet genoeg mensen dat. Geef het tijd,’ fluisterde Mathieu. ‘Je hebt waarschijnlijk wel …’ Haar zin werd afgebroken door een hoop meiden die binnenstormde, Mira en Sophie voorop. ‘Sorry Han, die tram hé, het leek wel of hij elk rood licht en wat voor elke kleur ook moest hebbben!’ Mira sprong van haar ene voet op de andere. ‘Maar hier zijn we, met een hele fanclub!’ Hannah lachte, ze herkende maar één of twee van dames, maar dat donderde voor haar niet. ‘Ga allemaal zitten, ik ga er aan beginnen.’

't Achterlicht
38 0
Tip

Lost in the Alps

Snow fell over the dark, night time Alps. The stars, that are always more beautiful the higher you go, were blocked by winter clouds. The man stood guard along the ridges of one mountaintop. It served as an outpost, from where he could see the enemy’s trenches. The snow had halted the war, or at least the great offensives. Nothing would happen tonight, the man thought, but he could not hope it would remain so for the rest of the war. The dying of men was a discomforting pleasure to some, the man thought. And it seemed they would not give up their bloody addiction any time soon. As the wind blew up snowy dust, the man closed his eyes almost completely. It was cold, but the soldier was at ease. There was a silence at the outpost, and to a soldier’s ear, silence was the most beautiful noise. No shots that silenced the golden eagle soaring over the mighty snow peaks. No cannons that overwhelmed the crushing thunder of distant avalanches. After standing in the cold for two hours, his guard duty was over. He returned to his little shelter. To ordinary people, the shelter was just a hole in the ground. But to the soldier’s eyes, it was home, and the trenches that covered the south side of the Alps had become a neighbourhood of fighting men. When the man crawled into his small home, he lit the gasoline lamp and sat down at the improvised desk. It was time to write to Anna. She lived in the brown gold Tuscan sea of farmland. He had written her countless letters, and when he read her answers, there seemed to be no distance between the cold Alps and the fertile Tuscan soil. He took his pencil. It was sharpened carefully, and was now a small witness to his words of love. His letters to Anna always started with the same words. “My little olive orchard”. They had met in an orchard with spring blossoms. It was, as he told her numerous times, the symbol of Italy. “I hope you are doing well, and that the war hasn’t touched our small village.” He knew the war wasn’t fought in Tuscany, otherwise he wouldn’t be on top of the Alps. But what do you write in times of war? “The snow has halted the fighting, but it won’t last. When the winter landscape melts away, the hearts of war loving men grow cold. And we are left with the warm barrels of our rifles, but the icy feeling of killing fellow men.” “I don’t know when I will see you again. But when I do, our hands will no longer be separated. There will be no sigh of wind between our chests, or floods of dark thoughts between our minds.” “How I need you Anna. Out here, on these forgotten mountains, it feels like I’m touched by the cold of the moon. I don’t know what people in the backcountry really know about us. It feels like we are in the middle of the ocean, with the coastline far away. Nobody to see, and nobody to help us.” “How is it Anna, that sometimes a heart can be surrounded by barbed wire? Isn’t it terrible sight to see my body so divided by trenches.? They say it’s our duty. That we fight for a greater cause. But when great men say that the faith of humankind rests upon the barrel of a gun, you know there’s something wrong.” He sat back for a while. How can a man just sit there and do it all again the next day? He felt like he was touched by the cold of the moon. Standing up, he grabbed a blanket from his bed and hung it over him. The gasoline lamp flickered through the small room. He missed her. He sat back down, and started writing again. “I don’t know how we are led to sail away on this darkened moonlight. Tell me what it is Anna, that keeps me from you? I can no longer see or hear without you, I need you. Away from these frozen mountains that steel the love of so many doubtful men.” “Let me be, back in your Tuscan hands. Can’t they see I want the warm soil back under my cold soles? For you I would fly off this mountain… But forget it Anna. This war has no place for hope. I only know that when I sleep, I feel your touch and smell your hair. And even though it’s not much, it’s a slice of life that feeds my hunger. I will see you again, either during these lonely nights, or in warm Tuscan days.” He stopped writing, stood up, and dressed himself up. Then he left his little house, moved up to the outpost and stood on top of the trenches. He only saw the white landscape and Austrian lines. He spread his arms and yelled “if I die, the silent whispering words of love have lost all their power”.

Simon Sileghem
30 0

Gaybashing en zinloos geweld, een plaag!

Gaybashing en zinloos geweld, een plaag!   Een probleem waar we meer en meer van horen en hopelijk nooit meer. Homo's en lesbiennes hebben het al zo moeilijk om uit de kast te komen tegenover hun ouders en familie en dan staat je zoiets barbaars en totaal nutteloos te wachten, niet te begrijpen. Ikzelf ken homo's en lesbiennes en ik heb daar niet de minste problemen mee, laat mensen hun leven leiden op hun manier en niet op de manier dat zogezegd normaal is want het is dat wat de hetero's zeggen, dat zij normaal zijn en homo's en lesbiennes niet. Ik scheer niet iedereen over dezelfde kam want er zijn ook mensen met hetzelfde gedacht als ik, daar ben ik zeker van, bekijk de opkomsten en betogingen maar eens. In mijn uitgaanstijd en zeker in het begin ben ik ook in homobars geweest, dan mocht ik langer wegblijven want het was met een familielid waar ik verder niet over ga uitwijken maar die is homo. Ik kan zeggen dat ik mij daar kostelijk geamuseerd heb en niet om die mensen uit te lachen, integendeel. Duwde je daar per ongeluk tegen iemand dan had je tenminste niet direct ruzie wat in (gewone) discotheken wel het geval was. Wat ik ook ondervind en dat is gewoon zo dat de generatie voor mij, ik ben van de jaren '70 er een grote afschuw van vertonen en daar hoor je dan van (in onzen tijd was't niet waar). Wel, ik kan aan die generatie zeggen dat het altijd heeft bestaan en zal blijven bestaan en waarom eigenlijk niet? Indertijd dat ik enkele keren ben meegeweest heb ik ook een voorstel gekregen maar zeg je één keer neen dan is de kous af, wat je bij hetero's al niet hebt en daar zullen vooral de vrouwen het met me eens zijn, dat van een eerste keer neen, de kous niet af is bij mannen. Zelf al ondervonden dat meisjes en vrouwen gewoon de zaak verlieten omdat ze werkelijk gestalkt werden. Ik wil hier homo's en lesbiennes niet de hemel in prijzen en dat het allemaal engeltjes zijn maar zijn wij hetero's dat dan wel? Dan de huiselijke sfeer is doorgaans veel gezelliger en warmer dan bij hetero's, vind ik en oordeel ik ook naar mijn ondervindingen. Bij deze zou ik willen dat het gaybashing stopt want hoe hypocriet kan je zijn, op een gayparade in Antwerpen bvb ziet het zwart van het volk dat zich uitbundig zit te amuseren en je gaat mij niet vertellen dat daar geen hetero's zijn. Die mensen moeten tijden door die wij als hetero's niet kunnen vatten, het opbiechten thuis waar het begint, daarna komt het bij je vrienden en kennissen en dan leer je ze snel kennen. Die dat je op dat moment laten vallen zijn al geen vrienden, dan op school als ze er vroeg voor uitkomen, de sportverenigingen en de werkcollega's.  Daar bovenop moet je dan ook nog eens steeds over je schouder kijken of je niet aangevallen word door een bende losers want alleen doen ze het niet, daar zijn ze te laf voor. Eigenlijk ben ik blij dat ik het allemaal niet hebben moeten doorstaan maar was het zo, zou ik het ook niet wegsteken.   Stop dit nutteloze geweld en laat ieder leven op zijn manier, met wie hij/zij dat wil en zonder vooroordelen want daar zitten betere koppels tussen dan tussen de hetero's. Leef je eigen leven en zie dat dat op punt staat maar bemoei je niet met het leven van anderen en een zin die ik dikwijls gebruik, behandel een ander zoals je zelf behandeld wil worden. Hopelijk bereiken mijn woorden de juiste personen en laten ze het nutteloze geweld achter wege.

Ceuleers Bart
35 0

Niet meer

Mijn gedachten vertragen, stollen. Ik probeer naar ze te grijpen, reik naar ze met onzichtbare tentakels van pure wilskracht, maar steeds weer kan ik er net niet bij. Ik kan ze aanraken, strelen, maar als ik mijn tentakel eromheen wil krullen, schieten ze weg. Het is een hopeloos gevecht tussen mijn verschillende zenuwcellen, sterk en zwak, waarbij de winnaar al lang vastligt.  Dementie, noemen mensen het — maar dat kan ik me nu ook al niet meer herinneren. Vijf jaar geleden begon mijn geheugen beetje bij beetje te verbrokkelen, en nu blijft er niet veel meer over dan een klomp basis overlevingstechnieken, bijeengehouden door een snoer aan vage herinneringen. Ik zie gezichten voor mijn geestesoog drijven, namen, woorden, maar kan het ene niet aan het andere koppelen. Het zijn losse stukken die niets met elkaar te maken lijken te hebben, ook al weet ik ergens nog dat ze hand in hand gaan. Als ik ze probeer te combineren, vervagen ze allemaal en veranderen in een stekende pijn in mijn achterhoofd. Sommige dingen weet ik wel. Willekeurige begrippen, herinneringen, feitjes. Het Italiaanse restaurant waar ik elke zondag een heerlijke carpaccio van rundvlees at; de uitslag van de  Olympische Zomerspelen van 1992 in Barcelona; jaartallen van bepaalde oorlogen, zoals de Varkensoorlog in 1906 of de Brabantse Successieoorlog van 1355 tot 1357. Maar de echt zinvolle zaken gaan aan me voorbij. Ik ben een oud omhulsel, helemaal versleten, met nog net genoeg hersencapaciteit om te bestaan, maar te weinig om nog honderd procent levend genoemd te kunnen worden. En ik haat het. Ik haat het niet meer goed kunnen en ik haat het helemaal niet meer kunnen en ik haat het dat alles wat ik was nu steeds meer begint te vergaan. Ik haat het niet weten en ik haat het eindeloos wachten, maar veel meer kan ik niet doen. Dus grijp ik met mijn tentakels naar de wegschietende herinneringen, alsof het een spel is, en registreer gezichten en namen en stemmen zonder te weten wie ze zijn of wat ze voor mij betekenen.      

Nel
0 0

Buiten het huis

Ik stap uit de douche en huiver als mijn blote voeten de koude stenen vloer raken. Met een handdoek om mijn lichaam geslagen loop ik naar de kledingkamer, als ik de deur open doe wordt ik omringd door een sterke lavendelgeur van de pas gewassen goederen. De wasmiddel die ik toen der tijd gekocht had verzekerde me dat de lavendel kalmerend werkt en de geest weer in balans brengt. Niets is minder waar, maar wat verwacht je voor één euro vijftig.   Uit de kast pak ik een pyjama broek en een warme trui met daarop een afbeelding van een uiltje. Als ik volledig aangekleed ben loop ik naar mijn slaapkamer om de gordijnen dicht te trekken. Wat ik toen zag deed het bloed in mijn aderen bevriezen. Hij staat er weer, die klootzak staat daar weer stoïcijns voor zich uit te kijken. voor mijn huis met zijn capuchon op, die lafaard. Als een pijl uit een boog ren ik naar de telefoon die in de, met lavendel bevuilde kledingkamer ligt. Met trillende handen toets ik 112 in. ‘Met wie kan ik u doorverbinden politie, brandweer of ambulancezorg?’ klinkt de stem van een beleefde vrouw. ‘Politie’ fluister ik, alsof hij me buiten kan horen. Na een korte ééntonige piep hoor ik een andere stem, een man deze keer ‘Wat is uw noodgeval?’ ‘Hij staat er weer, hij staat er elke avond. Ik heb jullie gister ook gebeld.’ Schijnbaar was de paniek in mijn stem merkbaar. De stem aan de andere kant van de telefoon probeert me gerust te stellen, tevergeefs. ‘mevrouw, we gaan u helpen. Wat is uw naam en adres, dan sturen we iemand naar u toe’. Tussen het snikken door probeer ik een verstaanbaar antwoord te verwoorden. ‘Mijn naam is Dewi Roosendaal en ik woon op Vuurdoornstraat 1071’.  ‘oké Dewi, er komt iemand aan’. Nog voordat ik de behulpzame man aan de telefoon kan bedanken klinkt er een oorverdovend geluid door het huis en begin ik te schreeuwen. Het glas van mijn slaapkamer ligt nu overal. Na anderhalf uur was de politie eindelijk ter plaatse, tenminste zo voelde het. Mijn klok zegt dat het maar 7 minuten heeft geduurd. Natuurlijk was hij toen allang verdwenen. De agenten waren snel weg, geen onderzoek, geen patrouille. Geen prioriteit.   Langzaam maar zeker wordt het ochtend, het eerste daglicht breekt door het dichte wolkendek. Koude lucht stroomt binnen via het slaapkamerraam. Het doordringende geluid van de deurbel haalt me uit gedachten. Langzaam trek ik de deur open en voor me staat mevrouw Stielstra van nummer 1086, wat tevens ook haar geboortejaar is. Mevrouw Stielstra is een klein oud vrouwtje, met meer rimpels op haar gezicht dan haar op het hoofd. In haar knokige handen heeft ze een schaal met broodjes. ‘Dag lieve schat, ik hoorde wat er gister gebeurt is’. Haar moederlijke stem kalmeert me. Ze plaatst de schaal op het sleutelkastje naast de deur en legt haar hand geruststellend op mijn schouder.  ‘lieverd, de deur staat altijd voor je open’, ‘dank u’. Ze knikt en sluit in de tussentijd haar vriendelijke ogen, om daarmee te zeggen; geen probleem, je bent altijd welkom. Daarna loopt ze met een flinke pas terug naar haar huis.   De wijzers van de klok lijken wel voortuit te kruipen, keer op keer kijk ik naar de klok hopend dat er een uur verstreken is. Vijf minuten, geen lucht. drie minuten, droge keel. zeven minuten, zweet handen. Ik moet hier weg. Zo snel als ik kan trek ik de voordeur open. De koude regen druppels vallen op mijn gezicht, mijn haar plakt aan mijn wangen. Ik ga met mijn rug tegen voorpui aan staan en laat me langzaam naar beneden glijden totdat ik me in een zittende positie begeef. ‘Dewi, is alles goed?’ vraagt een zware stem. Ik kijk naar rechts, waar Alex onder een grote paraplu in zijn voortuin staat, Alex is mijn buurman. Hij is niet bepaald een mooie man, lelijk eigenlijk. Hinkend loopt hij naar me toe. Hij heeft enkele jaren terug een auto ongeluk gehad, waarbij hij bekneld was geraakt. Zijn vrouw Vivian, zoon Benjamin en dochter Mira zaten ook in de auto, die hebben het niet overleefd. Alex kon alleen maar toekijken hoe zijn gezin één voor één overleed. Tegen de tijd dat ze hem uit het wrak konden knippen waren de zenuwen in zijn been al zwaar beschadigd, waardoor hij nu in pijn leeft. Als hij voor me staat steekt hij zijn hand naar me uit, ik pak hem niet. Met samengeknepen ogen blijft hij me aan kijken, die ogen zijn niet te vertrouwen. Blijkbaar voelt hij mijn ongemak, want hij sloeg als een blad aan een boom om en tovert een grote glimlach op zijn gezicht. Nog steeds houd hij zijn hand voor me, dit keer pak ik hem wel. Hij trekt me met zijn ruwe hand omhoog. ‘Bedankt’ zeg ik kortaf. Dan loopt hij weg en wuift me gedag. Op het moment dat hij zijn huis binnen stapt kijkt hij kort naar mij, in zijn ogen zit veel verdriet en pijn verschuild, maar het gene wat zijn gedrag juist onvoorspelbaar maakt is de woede.   Die avond lig ik in mijn bed, mijn raam is inmiddels gemaakt. Het enige geluid aanwezig is het tikken van de klok, soms denk ik dat die klok me in de maling neemt, ik weet zeker dat die secondes steeds langer gaan duren. Af en toe voel ik onder mijn kussen om zeker te weten dat het keukenmes, die ik daar een paar weken terug neer heb gelegd, er ook daadwerkelijk nog is.  Ik strijk met mijn vingers over het gladde lemmet en op zeker hoogte geeft het me een geruststellend gevoel. Om een uur of twee val ik in slaap, maar zelfs in mijn dromen wordt ik achterna gezeten door de onbekende man. Midden in de nacht wordt ik wakker, badend in het zweet. Ik draai me op mijn rechter zij en kijk naar de klok, kwart voor vier. Mijn oog valt op mijn nachtkastje, waar mijn mes op ligt. Mijn hart begin sneller te kloppen en mijn longen beginnen te branden, Hij lag onder mijn kussen. Ik ga rechtop zitten, mijn telefoon is nergens te bekennen. Snel pak ik het mes van nachtkastje af en ren naar beneden. Hij is binnen. Eenmaal beneden doorzoek ik het sleutelkastje, maar mijn sleutels liggen er niet. Met een trillende hand duw ik de deurklink naar beneden, hij heeft mijn sleutels. In de keuken hoor ik gerommel, kastjes worden open getrokken en weer dicht gesmeten. Ik ren naar buiten, Ik haal mijn blote voeten verschillende keren open aan de scherpe stenen. Door de tranen zie ik niet echt waar ik heen ren, het maakt me ook niet echt uit, het enige wat ik belangrijk vind is dat er zoveel mogelijk afstand zit tussen mij en de man die nu mijn huis overhoop haalt.   Als ik licht zie ga ik daarop af, er is iemand wakker. De deur staat op een kier, op dit moment vindt ik dit helemaal niet verdacht, het enige waar ik aan denk is dat ik daar veilig ben. Naast de deur hangt een boordje met daarop het huisnummer, 1086. Opgelucht haal ik adem, dit is het huis van mevrouw Stielstra. ‘Hallo, mevrouw Stielstra’, mijn stem trilt en klinkt bang. Het huis is warm en overal staan oude spulletjes, ik loop naar de oude draaitelefoon en til de hoorn op en druk hem tegen mijn oor aan, geen kiestoon. De deur slaat dicht en de kamer wordt ineens donker, op dit moment is de enige lichtbron een lantaarnpaal die voor het huis staat. Verstijft van angst blijf ik naar de deur kijken, er staat daar iemand. Langzaam komt hij op mij aflopen, hij hinkt niet. Voordat ik het weet kijk ik in de duistere ogen van mevrouw Stielstra, die ogen die eens zo vriendelijk waren. In haar hand heeft ze een kleine revolver, met een sadistische grijns op haar gezicht drukt ze de loop tegen mijn slaap. ‘laat dat mes vallen’, de stem komt uit haar mond, maar hij komt me niet bekend voor. Ik gooi het mes opzij, de tranen blijven komen. Met haar oude hand veegt ze over mijn wang, ‘loop maar naar de schuur’. Zegt ze terwijl ze met haar wapen naar de tuin gebaarde. Toen ik niet bewoog kreeg ik een duw, de reis van de achterdeur naar de scheur duurde eeuwig, maar toch niet lang genoeg. Ze doet de krakende, van ijzer gemaakte deur open en duwt mij naar binnen, ze loopt achter me aan en sluit de deur. Aan het plafon hangt een enkel peertje die zijn best doet om de hele kamer te verlichten, de muren zijn bedekt met verschillende geluidswerende panelen en tegen de linker muur staat een grote opslag box. Er hangt een vreselijke geur, rottend vlees. Enkele jaren terug was ik in Frankrijk waar ik aan de kant van de weg een dood beest zag liggen, het was een vreselijke geur. Toch was dit erger, want ik weet zeker dat er geen dood beest in die box ligt. Ik hoor een harde knal en de grond komt snel dichterbij, het doet geen pijn en voor het eerst in een hele lange tijd ben ik niet meer bang.  

Ashlyn Cardwell
10 0

De veroveraar

De veroveraar keek vanop een heuveltop naar de strijdende menigte beneden hem. Vijftigduizend geharde mannen vochten als leeuwen tegen een leger dat in dapperheid niet onderdeed, maar waarin de eerste barsten van de wanhoop zichtbaar werden. De afloop van de strijd was nu al duidelijk. Straks wapperde zijn banier op de muren van alweer een nieuwe stad. Ze was niet de eerste, ze zou evenmin de laatste zijn.   Zijn aanspraak was even eenvoudig als duidelijk: hij was de uitverkorene. De veroveraar maakte zich echter geen illusies. De meesten geloofden hem niet. Maar sommigen wel. Dat volstond. Overal waar hij hen naartoe leidde, vochten fanatici en sceptici zij aan zij, omdat hij dat zo wou. In zijn naam konden ze moorden. In zijn naam gingen ze dood. Zijn faam reikte tot ver buiten hun veroverde rijk en betekende vaak al de halve overwinning.   De aandacht van de veroveraar werd getrokken door een strijder, die, ver weg van hem, het strijdperk ontvluchtte, bebloed en bezweet, een andere heuvel op. Zijn wapen was hij kwijt, zijn vertrouwen blijkbaar ook. Zo snel liep de wanhopige vluchter, dat hij niet zag dat niemand hem achterna kwam. Hij snelde voort de heuvel op, negeerde het pad, was bijna boven toen hij een voet verkeerd neerzette en de helling aftuimelde, weg van het gewoel, uit het zicht van de veroveraar.   Vele uren na zijn val werd de vluchter bevend wakker. De huivering werd heviger toen hij zag waar de helling hem had neergeworpen. Een wereld van sneeuw en ijs zover het oog reikte, strekte zich uit in alle richtingen. De bevroren woestijn leek in niets op de warme wereld thuis. Angst vulde het gemoed van de vluchter. Veel groter echter was de angst die hij las in de ogen van de mannen en vrouwen die zich in een cirkel rond hem hadden verzameld. De sneeuwbewoners riepen dingen die de vluchter niet begreep. Daarna knielden ze een voor een voor hem neer in de sneeuw.   De ijsmensen waren een simpel volk. Van de wereld wisten ze niks. Nadat hij hun woorden had leren begrijpen, was de vluchter niet verbaasd toen hij ze over hem hoorde zeggen: de Uitverkorene, gezonden door God. Wij worden de nieuwe koningen van de wereld. De vluchter, het vluchten moe, twijfelde niet. Hij riep ‘volg mij en ik leg de wereld aan uw voeten’. De jaren daarop maakte hij van jongens mannen en van mannen soldaten. Toen ze vertrokken op hun lange mars naar eeuwige glorie, dacht de Uitverkorene slechts één ding. Naar huis.   De eerste keer dat de ijsmensen iets anders zagen dan sneeuw, waren ze bijna te verbaasd om te vechten. Maar ze raakten eraan gewoon en algauw vochten ze een rijk bij elkaar waarin hun sneeuwvlakte maar een kleine witte vlek vormde. Stad na stad viel in de ijskoude handen van het bevroren volk. Maar ze stopten nooit. De Uitverkorene joeg zijn strijdlustige leger onverbiddelijk voort. Langzaam kwamen ze dichter bij zijn thuis. Zijn faam was daar al.   Uiteindelijk kwam de dag waarop slechts één veldslag hem scheidde van het land dat hij zo lang geleden was ontvlucht. De Uitverkorene ging voorop in de strijd, bijgestaan door duizenden mannen uit alle hoeken van zijn rijk. Met zijn banier in de ene hand en zijn zwaard in de andere hieuw hij zich een weg door de vijandelijke gelederen. De afloop van het gevecht lag al vast. Toen hij zijn zwaard diep in de buik van een tegenstander dreef, zag de Uitverkorene in zijn linkerooghoek hoe in de verte een soldaat het slagveld ontvluchtte. Het kwam hem bekend voor: de manier waarop de soldaat liep, viel en verdween in het niets.         Inspiratie: Genesis, One for the vine

joris
0 0

allemaal sam

Sam bloedt. De rode vlek op de witte stof is afkomstig van de wijsvinger. Sam bijt op de nagels, vaak zonder het te beseffen. Het is een tic, een verslaving. Een vlucht. De frustraties van alledag wegen op Sam, niet de frustraties zoals de afbetaling van het huis, de auto, het ophalen van de kinderen, wel de meer verfijnde frustraties; Sam bijt op de nagels bij het denken aan het overaanbod in de consumptiemaatschappij, bij het tobben over het wat wel en niet gezegd, over het goed of fout van de impulsieve neigingen van de mens, over assertiviteit of gelatenheid. Sam tobt over de puinhoop aan cassettes en lege doosjes op de passagierszetel die toch eens moet georganiseerd worden. Vervolgens vraagt Sam zich af waarom eigenlijk. Doet het ertoe? Vindt Sam dat het ertoe doet? En zoja, is dat dan de Sam die Sam verlangt te zijn of de Sam die de universele conventionaliteit weerspiegelt die zegt dat cassettes in hun respectievelijke doosjes moeten zitten, en liefst mooi weggeborgen in een doos? Heeft de echte Sam hier allemaal geen lak aan? Sam zuigt op de bloedende wijsvinger. Sam denkt terug aan wat Bie gisteren zei – jij neemt jezelf veel te serieus, Sam. Sam fronst en zet de auto in eerste, het licht springt net op groen. De stem in het hoofd zegt dat Sam zich net niet genoeg au serieux neemt en daarom alles in twijfel trekt. Leven is de zwaarste taak ooit. De stem in het hoofd laat niet leven maar laat Sam geleefd worden. Geleefd, beleefd. Beleefd zijn, nog zo’n moeilijke taak. Hoewel dat eigenlijk gemakkelijker is dan grof zijn, rebel zijn, spugen op alles. Dát zou Sam wel willen, maar daarvoor moet eerst de stem in het hoofd worden uitgeschakeld. Een rebel hoeft die stem niet eens uit te schakelen, want een rebel heeft nooit een stem in het hoofd gehoord. Het is hopeloos. Sommigen dansen, maken muziek, schilderen, sporten en vinden daar de toegang tot het bedieningspaneel voor de stem in het hoofd. Sam denkt vaak dat schrijven een goede oplossing zou zijn. De stem woorden laten spreken tegen het papier, in plaats van wartaal te verkondigen in het hoofd (en liefst in spiraalvorm). Maar het bemiddelen tussen stem en papier blijkt een dubbel zware taak voor Sam. Soms, soms lukt het even, dan is de trance er, waardoor Sam een rechtstreeks kanaal is tussen het papier en de stem, zonder te moeten bemiddelen, wikken of wegen. Sam remt bruusk wanneer een jongeman onverwacht de straat over rent op vijf meter van het zebrapad, bij rood licht. Sam voelt woede opkomen, maar is al snel verward over de oorsprong van de woede. Woede vanwege de overtreding? Vanwege het gevaar? Vanwege het feit dat het weer een onverantwoorde jonge vreemdeling was? Of vanwege de schuldgevoelens over deze laatste gedachte? Misschien was Sam zelf wel onoplettend? Misschien was het niet eens een vreemdeling? Misschien had Sam gisteren een gelijkaardige situatie veroorzaakt als fietser? Sam beseft dat er teveel woede en kritiek broedt in het lichaam. Weer rood licht. Weer nagelbijten, aan de andere kant nu. Het bloeden is gestopt. Jezelf graag zien is een makkie. Maar breekt onherroepelijk zuur op. Sam kijkt vaak in de spiegel en denkt – ik zie je graag, Sam. Soms kan die zelfliefde zo intens zijn dat Sam op alles en iedereen zelfverzekerd toe stapt. Dat is het uiteindelijke doel van de zelfliefde. Dan gebeurt onvermijdelijk het volgende: Sam merkt dat niet iedereen Sam zo fantastisch vindt als Sam zelf, en dan wordt Sam boos. Om te kunnen liefhebben moet je eerst jezelf liefhebben, de stem in het hoofd schreeuwt Sam de woorden toe in een oneindige loop. Wanneer Sam het punt bereikt van de absolute zekerheid over de eigen grootsheid en schoonheid, kan in de eerste plaats slechts woede een gevolg geven aan de wanhoop jegens zij die deze kwaliteiten niet erkennen. Vervolgens breekt de twijfel los – hebben zij gelijk? Heeft Sam gelijk? Dan laat Sam de spiegel weken links liggen en wentelt zichzelf in onzekerheid en vervolgens de zekerheid dat Sam allerminst fantastisch is. De straatlantaarns knipperen wakker, de avond valt. Sam draait de steeg in en parkeert de auto. Ziet bij het uitstappen een verplaatsbaar parkeerbord staan. Zucht. Niet parkeren morgen tussen 6.00u en 18.00u. Sam stapt de auto weer in en begint gedachteloos de rit rond de blok. De eenrichtingsstraten wijzen de weg, de route loopt in acht-vorm. Na vier rondjes zonder enig succes grinnikt Sam bij zichzelf: als er ergens één of andere satellietsysteem de auto zou registreren, wil Sam het gezicht wel eens zien van de operator die op het scherm de auto oneindig achten ziet rijden…

LL Rigby
0 1

Doorlopende wenkbrauwen en gouden tanden in Brussel

Mooie dag op het Beursplein. Mensen fietsen, skateboarden, wandelen en lopen heen en weer over de Anspachlaan.   Aan de voorgevel van de McDonalds zit een bedelaar. Voor hem staan vier plastieken bekertjes met elk een naambordje. De bedoeling is dat mensen er geld in gooien. Eén bekertje heet drugs, een LSD, een bier en bij de vierde beker gaat de opbrengst naar eten. Ik gooi een paar rosse centen in het bekertje voor bier en vraag of ik even een foto mag nemen. ‘Bien sur mon amie!’ Hij gooit zijn armen in de lucht en glimlacht. Door de zon weerkaatst de schittering van zijn gouden tand in mijn ogen.   Ik besluit verder te lopen richting het Zuidstation. Er duiken allerlei cafeetjes op. Opvallend is dat op de terrassen alleen maar mannen zitten. Ze kletsen onderling. Sigaret in de hand, snor onder de neus. Hier en daar eendoorlopende wenkbrauw. De heren staren me aan als ik voorbijloop. Ik sta stil. Wat zou er gebeuren als ik me er gezellig tussenzet en een theetje bestel? Leuke verhalen? Ik aarzel, maar ben een te grote angsthaas en wandel verder.   Levend Manneken Pis   Daar is Pêle Mêle. Mijn favoriete winkel! Omdat ze er unieke boeken en cd’s verkopen, maar ook omdat er een knappe jongen werkt. Ziin echte naam weet ik niet. Ik noem hem Arthur. Het enige minpunt is dat Arthur me niet ziet staan. Hij leunt alleen maar verveeld achter de toog. Wachtend tot het 18 uur is en hij weer naar huis kan. Ik besluit toch nog eens mijn kans te wagen en loop de stoffige winkel binnen. Helaas. Geen Arthur deze keer. Wel een kalende man met laag uitgesneden hemd en ongekamd borsthaar. Volgens mij wil hij strips kopen. Veel strips. Hij loopt door de winkel met een hefkarretje. Ik gok dat er op zijn kar zo’n vijfhonderd albums liggen. De man moet zijn kin op de bovenste strip leggen om alles bij elkaar te houden. Een verkoper komt ongerust een kijkje nemen. ‘Ça va bien monsieur?’ De kale man draait zich om waardoor de striptoren zijn evenwicht verliest. Alle Kiekeboes en Kuifjes liggen nu verspreid over de houten vloer.   Ik loop snel naar buiten. Zwoel weertje aan het Anneessens. Tijd om nieuwe oorden te verkennen. Ik neem de metro naar een willekeurige plek. De Hallepoort. Ik loop uit het metrostation. Aan het Justitiepaleis staan rokende rechters. Gehuld in lang zwart gewaad en witte stropdas. Militairen knikken vriendelijk. Ze zweten in hun uniform.   Ik loop naar de lift. Daar is een prachtig uitzicht over Brussel. In de verte kan ik de negen bollen zien. Rechts van mij staat Manneken Pis, maar dan de levende versie. Hij gaat zijn gang in een struikje. Ik kan echt alles zien. Snel draai ik mijn hoofd de andere kant op. En dan kijk recht in de ogen van een bekend gezicht! Arthur? Nee, het is deman met gouden tand! Hij heeft een biertje in zijn hand en steekt het in de lucht. ‘Merci Mademoiselle!’   Mooie dag in Brussel.

catobel
0 0
Tip

Het Ponton

Ik probeerde mijn identiteitskaart te verscheuren maar dat viel niet mee. Het harde plastic werkte tegen. Er verschenen rode striemen op mijn vingertoppen. Ik plooide de kaart dan maar dubbel en duwde ze zo plat mogelijk tussen beide handen. Ik plooide ze terug en deed hetzelfde langs de andere kant. Vervolgens draaide ik de kaart een halve slag en deed hetzelfde. De plooien werden barsten en de barsten scheurden open. De kaart viel in vier delen uiteen. Ik deed mijn lenzen uit en vulde het potje met lenzenvloeistof. Ik kleedde me uit en trok een kleed aan, wit, met lange mouwen. Niks aan hoe ik eruitzag mocht mijn identiteit verraden. Ik had geen identiteit meer, en ook geen taal. Ik sloot me aan bij de stroom, de massa. Ik stapte met ze mee. We kwamen aan een tent, men sprak me aan in het Engels en vervolgens probeerde men nog een taal of drie. Ik knikte, maar sprak niet. Ik kreeg een linnenpakket en een sleutel. Mijn naam werd vervangen door een nummer. De stad had een ponton gehuurd. Wat voorheen een gevangenis was, was nu een drijvend opvangcentrum. Het stadspersoneel had de tralies die voor de ruiten zat weggezaagd. Ik opende de kamer en maakte het bed op. De matras stond nog in de plastic verpakking tegen de muur. Het bed was een stalen rechthoekige bak waarover een ijzeren web was gesponnen. Wat ik ook probeerde, ik kreeg de lakens niet rond de matras gespannen. Ze veerden terug omhoog als karton. Naast mijn kamer was er een grotere ruimte waar de maaltijden werden bereid. Ik kreeg een aluminium bakje eten. Ik nam plaats aan een lange tafel. Ik at en zweeg. Ik koop een kip en stel vast dat ze niet wordt aanvaard door de andere kippen. Zij waren hier eerst. Ze wordt aan haar veren uit het kippenhok gesleurd. Ze mag niet mee-eten met de groep. Ze wordt gepikt en op een kippenmanier beschimpt. Ik bouw een nieuw hok voor haar en plaats het bovenop het andere hok. Ze slaapt er alleen. Ze eet alleen. De restjes. Ze scharrelt alleen. Af en toe probeert ze het. Toenadering zoeken. Aanvaarding zoeken. Het mislukt. Ze wordt aangevlogen. Men deelde wat zakgeld uit. Een beetje scheergerief. Een handdoek en een tandenborstel. Ik schreef op alles mijn nummer. Ik hechtte er veel waarde aan. Ik dwaalde anoniem door de stad. Tenminste, dat probeerde ik. De mensen keken me aan en even snel keken ze terug weg. Hun blik naar de grond. In een fractie van een seconde hadden ze me ingedeeld. Ik was zij en zij waren wij.

Robbe Willems
28 0

Verstrikt in je eigen gewoontes

Ik word wakker van de deurbel die een hard en eentonig geluid maakt. Met een bonzende kop schuif ik heimelijk het gordijn een stukje open zodat, ik kan zien wie voor de deur staat. Sanne. Met moeite doe ik de deur open omdat, ik de laatste tijd geen zin heb om mensen te ontvangen in mijn flatje. Ik heb haar al zeker 2 maand niet gesproken. Als ze binnenkomt blijft ze ontmoedigd staan. Wat is hier gebeurd? Ik heb geen zin om antwoord te geven of te gaan liegen. Wat kom je doen? Ik wilde zien hoe het met mijn broertje gaat. Ze draait zich om en kijkt me teleurgesteld aan. Je bent nog steeds niet gestopt hè. Ik heb geen zin in zo’n gesprek dus loop naar de keuken om koffie te maken. Als ik mijn handen was kijk ik in het kleine spiegeltje tegen de witte tegelmuur. Shit. Ik heb een dik blauw oog en er zit opgedroogd bloed onder mijn neus. Ik haal met de theedoek het bloed onder mijn neus vandaan en zet twee kopjes koffie. Sanne is aan de keukentafel komen zitten en bekijkt mijn post. Ik pak een pakje Marlboro en een aansteker uit de keukenla. Ik bied haar ook een sigaret aan maar, ze wijst af. Ze leest zorgvuldig een aantal brieven van de belastingsdienst en een van de deurwaarder die ongeopend op de keukentafel liggen verspreid. Waar ga je heen als je uit je huis moet? Ik ga schuin tegenover haar zitten en schuif de asbak naar me toe. Ik weet er geen antwoord op te geven dus haal mijn schouders op. Sanne kijkt me geïrriteerd aan. Hoeveel schulden heb je in totaal? Ook daarop weet ik geen antwoord te geven. Ik neem een trekje van mijn sigaret en zet de twee kopjes koffie op tafel. Kijk is naar jezelf man je bent bleek en mager. Toen ik hier voor het laatst was had je nog een tv en een elektrische gitaar in de woonkamer staan. Hoe is het op je werk vraag ik haar om zo op een ander onderwerp te komen maar, het mislukt. Ik druk de sigaret uit in de asbak. Ze zijn hier gister geweest hé? Ik probeer het nog te ontkennen. Wie? Hoeveel schulden heb je bij die mensen. Ik merk dat ze steeds bozer wordt. Hoeveel schulden heb je bij hun! Ik zit met mijn handen in mijn haar. Vijfduizend euro of zoiets . Jezus. Sanne is gaan staan. Dit is dus de reden waarom Kelly en Jari bij je weg zijn.   Verdomme Roy je eigen zoon! Je maakt jezelf kapot, gevangen in jezelf en je wil het alleen doen maar, dat gaat je niet lukken zonder hulp. Ik kijk naar de scheefhangende foto op het keukenkastje. Kelly aan de linkerkant, ik aan de rechterkant en Jari in het midden. Toen nog een gezellig gezin. Hij is nu vijf jaar oud en hij begint te begrijpen dat papa er niet kan zijn. Sanne begint nu harder te schreeuwen. Je moet er voor Jari en Kelly zijn. Ze legt een aantal papieren voor mijn neus. Ik kijk haar aan. Een kliniek. Sanne gaat naast me zitten. Wil jij niet gewoon weer het normale leventje wat je hiervoor had? Je bent 25 je hebt nog een heel leven voor je. Ik weet wel dat ze gelijk heeft maar, ik vind het lastig iets tegen haar te zeggen. Ze stopt de blauwe brieven en de brief van de deurwaarder in haar tas. Ik zet het op een rijtje voor je. Sanne kijkt streng naar het papier van de kliniek. Denk er over na voordat je steeds dieper wegglijd. Ik knik als een klein kind die net iets gedaan heeft wat niet mag. Ze loopt naar de deur en ik loop achter haar aan. Als ze zich omdraait geeft ze me een kus op mijn wang. Dit had mama toch ook nooit zo gewild. Ik voel mijn tranen branden maar, ik hou me groot. Als Sanne de deur achter haar dicht trekt val ik machteloos met mijn knieën op de grond. Meer dan een kwartier zit ik daar op mijn knieën alleen maar na te denken hoe ik nou verder moet. Ik denk aan mijn moeder die nou bijna vier jaar geleden is overleden aan een hartstilstand. Ik besluit te gaan douchen om alle nare dingen van me af te spoelen. Als ik me uitkleed zie ik overal blauwe plekken en schaafwonden. Ja ze waren hier gisteren geweest. Ze wilden geld zien. Mijn dealers wilden hun geld zien. Wat ik niet had. Ik besef nu dat ik alles verloren ben. Mijn gezin, mijn baan en geld. Ik begin te beseffen dat ik eigenlijk alles heb verloren. Ik word zo boos. Zo boos op mezelf dat ik mijn hand tegen de muur kapot sla. Als ik tot rust ben gekomen doe ik de douche aan. Kleine warme straaltjes gaan langs mijn hoofd. Sanne, Kelly en zelfs mijn vader zijn hier wel vaker langs geweest om te zeggen dat ik hulp nodig heb. Het kan zijn dat ik toen gewoon niet luisterde of dat ik agressief werd maar, dat weet ik al niet meer. Ik was onder invloed op die momenten. Nu Sanne het vertelde kwam het aan en hard ook. Ik zet de douche uit en droog me af. Het is half twaalf. Ik zet nog een kopje koffie en kijk nog eens rustig naar de papieren van de kliniek in Drenthe. Wat moet ik nou in Drenthe. Ook kijk ik naar de foto. Een van de weinige foto’s die ik heb van mijn gezin. Het gezin waar ik weer al wil deelnemen. Ik wil mijn zoon weer kunnen omarmen, hem het goede leren en ik wil ze beiden weer kunnen beschermen. Dat is de enige reden waarom ik zo’n kliniek in zou willen. ik steek nog een sigaret op. Terwijl ik dat doe zie ik in het bakje op het aanrecht tussen de sleutels en papieren een zakje liggen. Ik kan de verleiding niet weerstaan ik moet even ontspannen. Mijn handen trillen. Het is een gewoonte geworden om elke dag te gebruiken. Misschien is dit niet het goede maar voor nu kan ik nog geen nee zeggen tegen mezelf. Ik ga vroeg slapen om de volgende ochtend naar Kelly en Jari te gaan.   De volgende ochtend sta ik voor het huis. Er wordt er snel open gedaan. Kelly staat voor me. Ze kijkt een beetje geschrokken naar mijn gezicht die nog vol blauwe plekken en schaafwonden zit. Ze omhelsde me, maar zei niets. Ze begrijpt wat ik kom doen en ik zie dat ze opgelucht ademhaalt . Ze laat me binnen zodat ik Jari nog even kan zien voordat ik vertrek naar de kliniek. Hij speelt met zijn lego die hij voor zijn verjaardag gekregen heeft van Kelly. Ik kom gehurkt naast hem zitten. Ik wil heel veel tegen hem zeggen, maar het komt niet zonder stotteren mijn mond uit. Hij wijst naar een paar blauwe blokjes. Ik duw ze voorzichtig op elkaar en besef dat het een hele tijd geleden is dat ik met hem gespeeld heb. De tijd is zo snel gegaan. Ik ga met mijn hand door zijn lichtblonde haar en geef hem een kus op zijn wang. Ik ga staat en kijk naar Kelly. Ik geef haar een knuffel. Het gaat je lukken zegt ze. Het doet me goed dat ze dat zegt. We kijken met z’n tweeën naar Jari die nog druk met zijn lego bezig is. Doei Jari zeg ik. Hij draait zich om doei papa. Het raakt me op de manier hoe hij doei zegt. Ik ben klaar om te gaan. Kelly kijkt me nog één keer aan dan draai ik me om en doe ik de deur achter me dicht. Ik trek mijn petje wat verder voor mijn ogen en doe mijn capuchon over het petje. Er rolt een traan over mijn wang. Zenuwachtig ga ik weg het goede pad op.

Judith
28 1

Andreas, de kleine duistere elf

Hij was mijn beste vriend, ik hield van hem. Hoe hij die duivel is geworden, ik zal het nooit begrijpen. Zijn ene verkeerde beslissing heeft ons allemaal gebroken. Ik, Ella zal als zijn beste vriendin die zelfs niet meer tot hem kon doordringen het mezelf nooit vergeven. Door mijn dwaasheid zijn wij allemaal gestorven en kleeft ons bloed aan zijn handen.   We leefden in het land van de elven, Elfendal. Van over heel de wereld kwamen er mensen naar onze scholen. En in dit hooggeschoolde land waren wij nog eens toegelaten in één van de exclusiefste scholen. We gingen schoolmaterialen gaan kopen. ‘Ella,’ riep de schattigaard, 'zijn deze zelf-vliegende pennen niets voor ons?’ ‘Die zijn niet toegelaten’, antwoordde ik. 'Je weet dat toch.’ Hij begreep het kennelijk toch niet aan die twee pennen in zijn mand te zien. Koppigheid was bij hem een familiekwaal. We gingen verder met winkelen, het enige dat we nodig hadden om te starten was een basis schoolpakket. Het bevatte heel wat poedertjes en dierenonderdelen (we zwijgen erover), maar het enige dat we echt nodig hadden, was een magisch oog. Als je zo’n oog voor je houdt, verandert de kleur. Afhankelijk van de kleurencombinatie wordt je lessenrooster bepaald. Daarom dat we voor de eerste dag niet veel nodig hadden.   Na ons winkelbezoek gingen we iets drinken. ‘Dit is het,’ zei Andreas, 'een nieuw begin.’ Dit was de eerste keer dat ik Andreas iets emotioneel hoorde zeggen. Ik was er eerlijk gezegd wat van geschrokken. ‘Het gaat geweldig zijn’, zei ik. ‘Ik hoop het', lachtte hij, 'We gaan elkaar er anders wel doorslepen.’ ‘Het zal wel zijn!’, zei ik terwijl ik hem een schouderklopje gaf.   Een paar dagen later was het zover. Ik was vol zenuwen naar Andreas z’n huis gegaan. Hij stond niet zoals afgesproken buiten te wachten, zoals altijd was ie te laat... Ik belde aan, z’n ma deed open, ze zei: ‘Hij doet weer lastig, je gaat nog een minuutje moeten wachten.’ Geïntimideerd besloot ik dan maar te wachten. ‘Ik ga zo niet naar school', horde ik van het bovenverdiep komen. ‘Ik heb een idee', zei de mama, 'We laten Ella keuren.’ Ze kwamen allebei naar beneden, Andreas had een mega schattig klassiek oufitje aan. ‘Het ziet er echt super lief uit.', zei ik. ‘Ze vinden me weer schattig', flipte Andreas, 'Ik ga zo dus niet gaan!’ Uiteindelijk zei z’n mama dan maar: ‘Het is goed, ga je maar omkleden.’ Hij kwam terug beneden in een casual oufit. ‘Kunnen we dan gaan', zei ik, want we waren al te laat. We vertrokken nadat Andreas de deur had dichtgeslaan. Ik wou niet tussen de ruzie komen, dus zweeg ik er maar over.   We stonden voor de poort van onze nieuwe school, een magisch moment. Letterlijk magisch, want we werden omhoog gezogen. ‘Hier vliegen we dan, een nieuw begin', zei ik. ‘Je hebt hem door, we gaan inderdaad naar een nieuwe school', spotte hij. Ik probeerde hem te slaan, maar hij wist snel genoeg buiten mijn bereik te zijn.   Onze eerste schooldag was super verlopen, we hadden al een heleboel vrienden gemaakt. De lessen zelf waren voornamelijk praktisch, helemaal anders dan de jaren ervoor. Wat ik persoonlijk wel leuk vond.   Een paar dagen erna gingen we op klasuitstap. We bezochten een begraafplaats, die van de Verschrikkelijke. Hij eerste ooit over ons rijk, volgens de oude geschriften zou hij duizenden levens hebben opgeofferd om een duistere spreuk te kunnen gebruiken. Hij was verleid door een duistere man, een afgevaardigde van de duivel. In zijn blinde liefde is hij hem in zijn kwade plannen gevolgd. Er is een rebellie ontstaan, zijn eigen leger had zich tegen hem gekeerd. Toen ze zijn kamer binnenkwamen, was hij al dood. Vermoedelijk was hij gedood door de duivel. Ze hebben hem in een stuk steen opgesloten, in de hoop dat zijn duivelse gedachten niet verspreid gingen worden.   We waren op het kerkhof, ik liep naast Andreas toen er plots een jongen naast hem kwam wandelen. ‘Aangenaam,’ zei de hij, 'jij bent toch Alexaner?’ ‘Inderdaad', antwoordde Andreas, 'En jij bent toch Basiliaan?’ ‘Je hebt m’n naam onthouden', glimlachte hij. Dat toonde al hoeveel zelfvertrouwen hij had, hij verwachtte dat niemand hem ging herinneren.   We waren toegekomen, onze leerkracht gaf ons wat bijkomende informatie, maar het was niet interessant. Totdat Andreas plots op z’n knieën viel. ‘De haat,’ kreunde hij, ‘het is gewoon te sterk.’ Toen viel hij levensloos neer, Basiliaan en ik vingen hem op. Iedereen kwam rond hem staan, maar niemand kwam dichtbij. Het was natuurlijk een enge situatie op een enge plaats. Het duurde niet snel voor onze leerkracht ook van de partij was. Hij nam hem op en liep weg. ‘Kom allemaal aan de poort staan', zei hij nog voor we hem niet meer konden zien. Ik liep hem achterna, maar kon hem niet vinden. Basiliaan was met me meegekomen, hij zei: ‘Ze kunnen toch niet nergens zijn.’ ‘Dat weet ik wel', snakte ik z’n neus af. Na een 20-tal minuten was onze docent terugkomen, hij had een verpleegster met zich meegenomen. ‘Dus jij bent Ella’, zei ze. 'Andreas z’n ouders zouden willen dat jij bij hem bent tot zij er zijn.’ ‘Natuurlijk ga ik dat doen!’, antwoordde ik. ‘Mag ik mee?’, vroeg Basiliaan. Ik twijfelde even, maar zei dan toch: ‘Ja, ga maar mee.’ De verpleegster gaf haar afkeur, ik reageerde erop: ‘Hij heeft hem geholpen, hij hoort erbij te zijn.’ Dit is mijn zonde in dit verhaal...   Andreas lag in de ziekenboeg, we gingen naast z’n bed gaan zitten. Een paar uur later wou ik naar m’n kamer gaan. Zijn ouders konden er pas de volgende dag zijn, ze waren op reis, maar ik was ongelofelijk moe, zo kon ik niet blijven. ‘Ga maar,’  zei Basiliaan. 'Ik blijf wel.’ ‘Zeker,’ vroeg ik, 'het is voor ons allebei een vermoeiende dag geweest, zou je niet ook even gaan rusten?’ ‘Maak je geen zorgen', zei hij. 'Ik wil hier zijn.’ Normaal zou ik iemand die ik pas ken nooit bij hem hebben actergelaten, maar ik had het gevoel dat ik hem kon vertrouwen. Wat een dwaas was ik toch...   De dag erna kwam ik terug. Ik zag dat Andreas ontwaakt was. Basiliaan lag met z’n hoofd op het bed te slapen. ‘Goedemorgen,’ zei de ontwaakte, 'sorry van het hele gedoe.’ ‘Verontschuldig je eens niet', reageerde ik. 'Dat mag hij gaan doen!’ Ik klopte Basiliaan wakker, hij schoot onmiddellijk recht en zei: ‘Het spijt me.’ ‘Dat mag ik hopen!’, riep ik. ‘Stop hier eens mee', flipte Andreas. 'Je slaat mensen toch zo niet.’ Andreas had z’n aandacht op Basiliaan gefocust, ik was kennelijk lucht geworden. Een paar tellen later zei hij: ‘Hij heeft hier heel de nacht gezeten, je hebt het recht niet om zo te doen.’ ‘Het recht,’ flipte ik dan zelf, 'enkel omdat ik m’n nek niet kapot heb geholpen.’ Ik ben dan furieus weggelopen, een paar uur later besefte ik dat ik fout zat. Ik ben dan uit goede wil teruggegaan wanneer hij terug naar huis mocht. Ik dacht dat ze wel nog samen gingen zijn, maar ik kon ze maar niet vinden. ‘Die kunnen toch niet verdwenen zijn', ergerde ik me. Ik ging ergens achter een hoekje kijken en daar zag ik iets wat ik nooit wou zien. De verschrikking in een nieuwe vorm, een liefde ontstaan tussen Andreas en Basiliaan. ‘Het is niet wat je denkt', riep Andreas me na toen ik wegliep. Ik wist niet wat te doen, volgens de legende is dit de eerste stap naar het duister. Ik ben dan maar naar het bureau van de directeur gelopen. ‘Er is een oplossing', zei hij. 'Een moet sterven, zodat de andere puur kan zijn.’   Op de dag van de executie, Andreas was vastgemaakt aan een stoel. Hij moest dit volgens het ritueel vanaf de eerste zetel zien. Basiliaan stond klaar onder de beul, luttele tellen voor zijn onthoofding. ‘Neem mij', riep Andreas. 'Laat hem gaan, alsjeblieft, neem mij!’ Andreas was van een hogere klasse, natuurlijk gingen ze hem niet laten sterven. Hij schreeuwde zijn hart uit, maar niemand luisterde. ‘Nog een laatste boodschap', zei de beul. ‘Slechts drie woorden,' zei hij, 'Andreas, ik hou’ Hij werd onderbroken, de beul liet zijn zwaard te vroeg vallen, hij zei: ‘Waardeloos kind, je had er al drie gezegd.' ‘Neen!!!!!’, riep Andreas met een kwaadheid in zijn stem die ik nog nooit gehoord had. ‘Hoe durven jullie’ zei hij, maar zijn moeder onderbrak hem met de woorden: ‘Maak je geen zorgen jongen, je bent terug puur.’ ‘Puur,’ explodeerde de haat, 'jullie zullen hier allemaal stuk voor stuk voor boeten, geen één van jullie zal ik laten leven, mannen, vrouwen en kinderen, ieder van jullie zal eindigen!.’ Waarop hij op een duistere, lachende toon zei: ‘Wacht, vooral de kinderen, ik denk dat ik zal beginnen met hun ledematen voor de ogen van de ouders te verwijderen en ze daarna nog in leven zal houden om de ouders de gedachte ‘Mijn kind zal het nu nog veel erger hebben dan mij mee te geven naar hun graf.’ Hij wist dat hij zo z’n eigen doodvonnis getekend had, iedereen wist dat hij toen doordrenkt was van het duistere. Toen gebeurde het, iedereen kon de stem horen, die van de verschrikkelijke, hij zei: ‘Prachtige jongeman, ik wil je de kracht geven om deze magnifieke wens te vervullen, het enige dat je moet doen is me je leven geven.’ ‘M’n leven,’ schreeuwde Andreas, 'm’n vorige levens, mijn toekomst en mijn ziel, neem het allemaal!’ ‘Natuurlijk mijn schat,’ lachtte de stem zo luid dat je het door heel het land kon horen, 'laten we beginnen.’ Er regende zwarte magie op Andreas neer, het veranderde hem, hij kreeg de vorm van de duivel. Niemand zou dit overleven, maar van al zijn slachtoffers was ik de eerste die moest vallen. Hij kwam naar me toe, greep m’n nek vast en zei: ‘Hoe durfde je me zo te verraden.’ ‘Ik wou je helpen', Probeerde ik te zeggen, maar hij had m’n nek al gebroken. Ik weet niet precies wat er daarna gebeurde, maar ik weet heel zeker dat niemand nog zou mogen leven...

Simon
0 0

Breekbaar geluk

IJsberend loop ik door mijn bescheiden woonkamer. De tv staat aan. Ze praten weer over de vluchtelingen in Nederland. Vaak lopen de discussies hoog op en dan vooral als Geert Wilders aan het woord komt. Ik kijk naar mijn zes jarige zoontje die geconcentreerd naar zijn lego kijkt. Als ik naar hem kijk dan denk ik was het nou maar anders gelopen. Tien jaar geleden heb ik een reis gemaakt om nieuwe dingen te ontdekken. Toen ontmoette ik hem. Ik ontmoette de vader van mijn zoon. Ik geloofde daar eigenlijk nooit in. Liefde op het eerste gezicht. Toch was het wel zo. Ik was verliefd op zijn mooie bruine ogen en zijn brede glimlach. Ik weet het nog precies de eerste keer dat we afspraken. We gingen samen koffie drinken. Ik voelde me op mijn gemak bij hem en dat heb ik niet snel bij mensen. Me echt op mijn gemak voelen. Hij stelde me voor aan zijn familie. Ik werd hartelijk ontvangen maar, stiekem vond ik het toch een beetje eng een hele andere cultuur. De kennismaking tussen mijn ouders en hem liep echter minder goed. Hij is buitenlands had mijn moeder gezegd. Mijn vaders gezichtsuitdrukking zei voor mij al genoeg. Ik was boos weggegaan en had nog geschreeuwd. Ik snapte mijn ouders niet. Waarom vinden ze hem geen goede jongen? Vier maanden heb ik geen contact gehad met mijn moeder terwijl onze huizen maar 10 minuten van elkaar verwijderd zijn. Ze belde me op een donderdag middag dat ze me mistte en of ze een keer langs kon komen. Mijn vader wilde er toen nog steeds niets van weten. Gelukkig veranderde dat snel. Hij werd toch wel een beetje nieuwsgierig zei mijn moeder. Amir had in die tijd een visum aangevraagd. We gingen trouwen en kochten samen een huisje. Hij had een baan gevonden als automonteur. Ons geluk kon niet meer stuk. Een paar jaar later werd ik zwanger van Jamal. Amir en ik waren de gelukkigste mensen op aarde. Zo voelde we ons althans. Ik had een camera gekocht om alles vast te kunnen leggen. Op vrijdagavond gingen we dan foto’s plakken in een album die we hadden gekregen van mijn ouders. De ouders van Amir en zijn twee broers en zussen waren naar Nederland gekomen om onze kleine Jamal te kunnen bewonderen. Ook wij gingen af en toe naar Amir’s ouders dan kwam de hele familie bij elkaar en was het één groot feest. Ik had gehoopt dat we nu nog met z’n drieën op de bank konden zitten. Jamal was twee jaar toen de moeder van Amir in paniek had gebeld. Ik verstond enkele woorden maar kon niet goed plaatsen waar het gesprek precies over ging. Ik moet naar mijn ouders zei hij. Ze zijn niet veilig daar. Op het nieuws werd toen al gezegd dat het onrustig was. Dezelfde dag is Amir vertrokken om iedereen, samen met zijn broers, op een veilige plek te krijgen. Hij gaf Jamal en mij een kus en ging. Ik zat weken in onzekerheid. Mijn ouders kwamen vaak langs en bleven dan ook slapen om me te helpen mat Jamal. De hele dag keek ik naar het nieuws om een beetje op de hoogte te blijven. Het nieuws dat binnen kwam was geen goed nieuws. Een maand later belde de broer van Amir. Ik voelde dat het niet goed zat en ik had gelijk. Amir en zijn oudste broer waren neergeschoten. Ik zakte in elkaar. Mijn vader nam de telefoon over en mijn moeder kwam naast me zitten. Amir’s ouders, zijn twee zussen en zijn jongste broertje zijn naar Nederland gevlucht. Ik was voor een tijdje weer bij mijn ouders gaan wonen samen met Jamal. Een jaar lang hebben ze in een azc gewoond, daarna kregen ze allen een verblijfsvergunning. De familie is erg hecht geworden en komt bijna elke dag even langs. Mijn moeders komen vaak op Jamal oppassen omdat ik weer begonnen ben met werken. Als ik Jamal nu in zijn bruine ogen kijk denk ik nog vaak terug aan de tijd dat Amir en ik voor het eerst samen koffie gingen drinken, hoe verliefd ik op hem was en eigenlijk nog steeds ben. Mensen zoals Wilders zouden dezelfde route af moeten leggen als Amir, misschien hebben ze dan meer begrip voor de vluchtelingen.

Judith
47 1

De ruimte

‘Sommige dingen zie je enkel van dichtbij, andere zie je pas vanop een afstand. Wie zich hierin vergist gaat als een blinde door het leven.’ Anoniem, ergens op een muur   De makelaar haast zich door de voortuin, zakt voor het hek op een knie en opent de verfpot met een schroevendraaier. Ze kijkt vluchtig over haar schouder en tijgt aan het werk. Met enkele vlugge borstelstreken overdekt ze de plekken waar een groene waas van mos begint te verschijnen op het witte hek. Ze staat recht, zet twee stappen achteruit en keurt haar werk. Dan sluit ze de pot en haast zich weer naar het kleine huisje. Ze struikelt bijna over een rooster en vloekt binnensmonds. Ze kijkt op haar horloge, lijkt even te twijfelen en zakt dan opnieuw op een knie. Ze gebruikt de schroevendraaier nu om het metalen rooster snel weer vast te zetten, een schroef in elke hoek. Ze schrikt op van het geluid van autobanden op de steentjes van de oprit. Ze springt op, recht haar vest en trapt met de zijkant van haar voet de verfpot en borstel een bosje in, uit het zicht. Met een geoefende glimlach loopt ze het jonge koppel tegemoet. ‘Welkom, welkom. Ik ben Jeannie. Jullie zullen gewoon weg zijn van dit huisje.’       Twee weken later. John rijdt langzaam door zijn nieuwe straat. Zijn wagen is helemaal volgestouwd met kartonnen dozen, kussens en uitgebeende staande lampen. Een man posteert zich wijdbeens op straat en dwingt John in de remmen te gaan. John laat het raampje zakken. De man komt langszij en duwt een flyer onder Johns neus. John knikt kort en neemt het foldertje aan, stopt het zonder het verder te bekijken losjes tussen zijn lippen en draait de oprit van het huisje in dat Alice en hij net gehuurd hebben. Alice staat hem in het deurgat op te wachten. Nog voor de wagen stil staat, heeft ze de klep van de koffer al geopend.     ‘De laatste?’     John zwaait zijn benen uit de wagen. ‘Jep. Eindelijk. Ik begin te denken dat we beter wat spullen hadden laten opslaan. Of weggeven.’     Alice laadt de inhoud van de koffer uit. ‘Daar is die staande lamp. Die gaat geweldig goed passen in de woonkamer.’     ‘Heb ze wel moeten uit elkaar halen, anders paste ze niet in de auto.’     ‘Komt wel goed.’ Alice gaat door de knieën, recht haar rug en staat weer recht met een doos vol boeken. ‘Had je deze niet kunnen achter laten? Wanneer ga je die ooit nog een keer herlezen?’ John loopt rond de wagen en probeert de doos over te nemen van Alice. Ze keert zich wat van hem af. ‘Ik doe het wel.’ En stapt moeizaam het huisje binnen. ‘Voorlopig in de rommelkamer.’       Die avond zitten ze op de bank, omringd met open kartonnen dozen. Alice blaast een haarlok de hoogte in. De lok nestelt zich koppig opnieuw op haar voorhoofd. ‘Wacht maar tot de laatste kasten er zijn. Dan krijgen we het hier wel op orde.’     John bladert in een boek dat hij al eens gelezen heeft, kijkt naar de achterflap, herleest de laatste bladzijde en sluit het boek weer. ‘Het is allemaal toch wat krap.’ Hij kijkt de kamer rond. ‘Onze salontafel past hier nooit in. Van zijn leven niet.’     Alice legt een hand op zijn knie en aait hem zachtjes. ‘Komt wel goed.’ Ze ademt diep in en uit, steekt haar neus de lucht in, snuift diep en snuffelt dan nog wat verder.     ‘Wat is er? Ik ben het niet geweest.’     Ze schudt het hoofd en fronst. Ze snuffelt nog eens, haar hoofd in haar nek gekanteld, de neus omhoog gericht. ‘Hebben we Febreze? We moeten zeker naar de winkel om Febreze morgen.’             ‘Morgen is het zondag.’     ‘Maandag dan. Eerste werk.’     ‘Dat went wel. Een goeie poetsbeurt, en hop.’     John kijkt Alice van onder zijn wenkbrauwen aan. ‘Een goeie beurt.’     Alice laat het hoofd zakken en geeuwt hartstochtelijk. ‘Morgen misschien. Ik ben bekaf. Er wordt vanavond niks ingewijd.’     John zakt dieper in de zetel weg en neemt het boek weer ter hand. Hij slaat het open bij het begin. ‘Er was veel volk op straat vandaag. Deelden foldertjes uit.’ Alice reageert niet. Ze zit intussen met haar vingers diep in heur haarbos en masseert zachtjes haar scalp. ‘Heb het op de keukentafel gelegd. Vast één of ander straatfeest of zo. Actieve buurt. Lijkt me leuk.’ Alice beweegt niet. John kijkt weer naar zijn boek, leest de binnenkant van de flap en legt het weer opzij. ‘Ik ga al op het matras liggen. Morgen zet ik het bed wel in elkaar.’       John sloft achter de koffiepot aan naar de tafel. Alice prikt lusteloos een vork in haar spiegelei. Het eigeel begint zich over haar bord te verspreiden. Ze staart in haar bord. Een traan rolt over haar wang. John giet haar mok vol, daarna de zijne. Hij begint te bladeren door de stapel reclamefolders die uit de brievenbus puilde toen ze hier arriveerden.     ‘God. Er is een joch vermist. Daarom waren al die mensen op straat.’     Alice kijkt verstoord op. ‘Wat?’     ‘Die flyer van gisteren. De mensen op straat. Geen feestje, een zoektocht. Kijk.’ Hij schuift de flyer onder haar neus, een zwartwit kopietje met foto van een jongen met weerbarstig haar en een brede grijns waar twee tanden uit ontbreken. ‘Daniel Stonestreet. Nog maar negen. Wie verdwijnt er nu uit een buurt als deze? God, wat een hitte. En dat om half tien ’s ochtends al. Het wordt een lange zomer.’ Alice blijft naar de foto staren, uitdrukkingsloos. John staat recht en loopt de keuken uit. Onderweg botst hij tegen een verhuisdoos aan en vloekt.       ‘Neem ook wat rattenvergif mee. En muizenvallen. Zo’n oud huis zit vast tjokvol beesten. Dit hier zal niet volstaan.’ Alice gooit twee verstuivers luchtverfrisser in de winkelkar. ‘Ik zweer je dat ik de hele nacht die geur in mijn neus heb gehad. Volgens mij is er een rat gestorven onder de vloer.’     John bestudeert aandachtig de tekst op een doos rattenvergif. ‘He, dit spul is gemeen. Ik weet niet of ik een dier zoiets zou kunnen aandoen. Zelfs al gaat het om een rat.’ Alice schiet hem een giftige blik toe en John zet gedwee een grote verpakking in het karretje. ‘Weet je, ik had dit best alleen kunnen doen. Winkelen. Jij had gerust kunnen thuis blijven om je ding te doen.’     Alice kuiert verder de gang door en monstert de muizenvallen, ratteklemmen en mierenverdelgers. ‘Straks.’     John volgt haar van achter de kar. ‘Ik bedoel maar, dat was toch het punt van alles. Dat je de ruimte kreeg. Om je ding te doen.’     Alice kijkt hem geërgerd aan. ‘Straks, zeg ik toch. Het komt niet op afroep, weet je. Ik moet ervoor in de stemming zijn. Het was ook jouw beslissing. Het was onze beslissing. Samen. Ze draait zich om en loopt met stijve pas verder. ‘Ik ga wijn zoeken. Veel wijn.’       De volgende dagen lijken een doorslag van maandag. Voor de middag een uitstap naar de winkel. Onvoorstelbaar hoeveel spullen nodig blijken om een huis je thuis te maken. En hoe je nooit aan al die dingen tegelijk denkt, zodat je maar een enkele keer naar de winkel hoeft. Na de middag wat dozen uitpakken of verplaatsen. Op woensdag een boekenkast in elkaar draaien die te hoog blijkt voor het plafond. Op donderdag opnieuw naar de winkel voor citronellakaarsen tegen de muggen en insecticide tegen de vliegen. Het wordt weer zo’n zomer. Elke avond eten in stilte, afhaal omdat het fornuis het niet doet.     ‘Bel Jeannie, zeg dat ze er wat aan komt doen.’     ‘Heb ik al gedaan. Ze zegt dat Carl de klusjesman door zijn rug is gegaan vorige maand. Over twee weken of zo kan hij opnieuw aan het werk. Als alles goed gaat.’     ‘Jammer dat jij geen klusjesman bent geworden. Zou ons een hoop gedoe besparen.’     ‘Of jij klusjesvrouw.’     Alice glimlacht speels. ‘Dat zou jij wel zien zitten, met zo’n overall en een helm.’     ‘Zonder overall mag ook. Maar met de helm.’     Alice nipt van haar glas rode wijn. ‘Straks misschien, stouterd. Eerst nog wat verder werken.’ En ze staart opnieuw naar haar scherm, waar alleen een knipperende cursor de witte pagina siert. John giet zijn glas wat voller, meer dan nodig is.       Op vrijdag staat er politie in de straat wanneer Alice en John terugkeren van hun winkeluitstap. Een troep buurtbewoners staat achter een geel lint naar het huis van de eenzaat aan het eind van de straat te staren. Een vriendelijke man, met een kleine hond. Hij wandelt elke avond voorbij en groet vriendelijk wie zijn pad kruist. John en Alice wandelen bedeesd naar de groep, die in volledige stilte het gebeuren gade slaat. Achter de ramen van het huis duiken af en toe mannen en vrouwen in witte overalls op, als acteurs in een vreemd schimmenspel. De zwaailichten van de politiewagens werpen lange schaduwen tegen de muren van het huis.     ‘Nooit gedacht dat Bill er zo een zou zijn’, bromt een oudere man. Hij woont tegenover John en Alice, maar zijn naam kennen ze nog niet. ‘Arme Daniel. Speelde altijd met zijn bal op straat. Dacht dat ie hier veilig kon zijn. Maar het is altijd iemand die je kent.’ Agenten kammen de voortuin en achtertuin van het huis uit. Een Duitse herder snuffelt het terrein af. ‘Straks komen de graafmachines, let op mijn woorden.’ De oudere man spuugt op de grond, zijn vrouw slaat een kruisteken. ‘Bill heeft nog mee flyers uitgedeeld. Zo zie je maar. Verbergen in het openbaar, noemen ze dat. Smeerlap.’     John trekt Alice naar zich toe en legt een beschermende arm om haar heen. ‘Kom.’       John draagt een rinkelende doos lege wijnflessen naar de wagen. Ze zijn er flink tegenaan gegaan, deze week. Hij wappert een hand om de vliegen om zijn hoofd weg te jagen en overweegt om online te zoeken naar zo’n blauwe lamp die insecten een rit op de bliksemschicht naar de vergetelheid biedt. Hij grinnikt om die vondst en haalt een notitieboekje boven. Hier zit misschien meer in, een kortverhaal of zo. Straks zal hij het blaadje afscheuren en aan Alice geven, die een bestand bijhoudt met alle spitsvondigheden die ze samen kunnen verzinnen. Ooit past het wel een keer ergens in. Al heeft ze sinds hun aankomst bitter weinig geschreven. Misschien hoort een dergelijke pauze wel bij de verwerking. Als ze maar gauw weer op gang geraakt. Nog twee weken en John’s vrije tijd is voorbij. Tegen dan moet alles in orde zijn in dit huis. John bekijkt het huis nog eens goed langs de buitenkant. Gezellig. Pittoresk. Maar vooral: klein. Net genoeg eigenlijk voor twee personen. Zelfs niet voor een gezin. Is dat waarom Alice net dit huis wilde huren?       ‘Eindelijk die laatste doos!’ Alice ploft met een zucht op de bank, haalt het breekmes boven en snijdt fluks door de kleefband die de doos omsluit.     ‘Voorzichtig! Daar zitten ook nog wat boeken in!’ Alice plooit de doos open.     ‘Shit.’ Ze haalt een roman boven. Er is een reep van de voorflap gesneden. ‘Sorry.’     John neemt het boek aan. ‘Geeft niet. Heb het al eens gelezen. Die zal ik maar niet proberen door te verkopen.’     ‘We fiksen het wel met wat tape.’ Ze laden de laatste doos verder uit, wetende dat het nog steeds niet de echte laatste doos is. Er staan er nog drie, half leeg, opgestapeld in de rommelkamer. Allemaal boeken en spullen van John, voornamelijk speelgoed en filmmerchandising.     ‘Wat zit er nog in?’ John gaat languit op de bank liggen en legt zijn voeten bij Alice op schoot. Ze rommelt verder in de doos.     ‘Tijdschriften. Waarom hebben we tijdschriften mee verhuisd? Hebben ze hier geen tijdschriften?’        John opent een oog en sluit het weer. ‘Geen idee. Ze hebben hier zelfs pedofielen. Het zijn trouwens jouw tijdschriften. Doe ermee wat je wil.’     Alice bladert door enkele maandbladen. ‘Dit zijn zeker geen tijdschriften die ik gekocht heb.’ Met een korte polsbeweging laat ze het blad als een frisbee door de lucht roteren. ‘Op de weggooistapel dus. Hier is die koffiemok van mij! En het zoutvaatje! En de sleutels van de achterdeur van ons oude huis.’     John glimlacht met gesloten ogen. ‘Hebben we de keukentafel gewoon met één veeg in een verhuisdoos geleegd?’     Alice geeft geen antwoord. Haar vingers bevoelen de koffiemok. Er zit nog een bruin randje opgedroogde koffie op de bodem. ‘Begin je volgende week opnieuw?’ John antwoord niet. Hij lijkt te slapen. Alice zet de mok op de grond en graaft verder in de doos. Haar vingers raken iets zachts, grijpen het vast en halen een kleine pluchen pinguïn boven. Het prijskaartje hangt er nog aan. Ze kijkt naar John op de bank, zijn ademhaling langzaam en regelmatig nu. Haar hand hangt aarzelend in de lucht boven zijn knie, trekt zich dan terug. Alice zakt wat dieper weg in de bank en omhelst de knuffelpinguïn met gesloten ogen.       De volgende dag gaat de deurbel. John schiet wakker. Ze hebben de hele nacht op de bank geslapen. Hij neemt de kamer in zich op: de open doos, de stapel weg te gooien tijdschriften, de koffiemok van Alice’s studietijd. Alice slaapt nog, haar hoofd ligt in een onnatuurlijke knik naar achteren op de bank waardoor haar mond open staat en er af en toe een gekke reutel vrij komt. Ze heeft de knuffel nog steeds vastgeklemd. De bel gaat opnieuw, langer nu. Alice’s adem stokt even en begint dan opnieuw de reutelen. John komt stijfjes van de bank en loopt naar de voordeur. Een dikkig meisje van de pakjesdienst duwt hem een kartonnen doos in handen.     ‘Hier tekenen alstublieft. Prettige dag nog.’     Wanneer Alice de keuken binnen wankelt, heeft John het pakje al open gedaan. ‘Zo’n blauwe lamp. Tegen de insecten!’ Hij leest verder de installatiegids en schuift afwezig de koffiemok naar Alice. Ze zit vol met verse, dampende koffie.     ‘Je hebt mijn gedachten gelezen.’ Ze warmt haar handen aan de mok en snuift de geur op. ‘Hebben we geslapen op de bank? God, wat marginaal!’     John glimlacht en leest verder. ‘Ik heb foto’s van je gemaakt.’     ‘Nooit!’ Ze geeft hem een duw tegen zijn schouder. Hij lacht en duwt terug. Ze drinken in stilte hun koffies en John neemt de gids helemaal tot het einde door. Dan neemt hij de blauwe lamp uit de plastic verpakking, kantelt hem en bekijkt elke zijde grondig.     ‘Wat doen we met de pinguïn?’     Alice giet het laatste restje koffie in haar mok. ‘Oh shit, sorry. Wilde jij nog wat?’ John schudt het hoofd. Alice kijkt even diep in haar tas. ‘Die houden we nog even.’       John wandelt rond het huisje, op zoek naar een geschikte plek om de insectenzapper te installeren. Alice staat in de voortuin, lege koffiemok in de hand. Ze kijkt naar de straat en steekt aarzelend een hand de hoogte in. John keert terug uit de achtertuin. ‘Ik denk dat we de lamp het beste boven de oprit kunnen installeren. De enige plek waar nu al een elektriciteitsdraad naar buiten komt. Voor de tuinverlichting. Alice?’     Alice staart een wandelaar na tot die de hoek om loopt. ‘Gatver, John. Hij is het.’     ‘Wie, schat?’     ‘Hij! Die vent met zijn hondje! Van de politie, je weet wel. Die inval. Loopt hier gewoon langs alsof er niks gebeurd is! Hij wuifde naar me! Kan je je zoiets nou voorstellen?’     John loopt naar de stoep. ‘Waar dan?’     ‘Daar! Net nog. Hij liep de hoek om. Hoe kan zoiets nou?’     ‘Ben je zeker dat hij het was? Met dat hondje? Zo’n klein bruin geval.’     ‘Het was hem in ieder geval, met die teckel van hem. Bill. Heette hij niet Bill?’     John haalt de schouders op. ‘Ze zullen vast niks gevonden hebben. Iemand is onschuldig tot zijn schuld bewezen is. Wat weten wij er nou van?’     Alice trekt haar schouders op en kruist haar armen voor haar borst. ‘Ik vind het maar niks, zo’n griezel in de buurt. Waarom kwamen we ook weer naar hier?’     John blijft staan met de blauwe lamp in zijn handen. ‘Goeie vraag.’ Ze draaien zich om en bekijken het kleine huisje. ‘Voor de ruimte. Je… we hadden ruimte nodig. Om na te denken. Te herbeginnen. Je ding te doen.’     Alice glimlacht droef. ‘Veel ruimte is hier eigenlijk niet.’     John kijkt naar de grond, dan naar Alice. Hij opent zijn mond, sluit hem dan weer. ‘Mooi.’ Hij stapt langs Alice weer naar binnen.       Die avond drinken John en Alice drie flessen middelmatige rode wijn leeg. Alice zit met haar glas achter haar laptop en ratelt als bezetene over de toetsen. John heeft de verhuisdozen weer boven gehaald en begint zijn boeken opnieuw in te pakken. ‘Laten we het als een vreemde vakantie beschouwen.’     Alice kijkt John aan van over haar scherm. Ze begint te schateren. ‘Zo vreemd, zo vreemd. Wat heeft ons toch bezield. Mij bezield.’ Ze staat recht en loopt onvast op hem af, schuift de kartonnen doos voor zijn voeten opzij en gaat schrijlings boven op hem zitten. Haar losse haren hangen als een gordijn voor zijn ogen, zwaaien dan opzij. Ze begint hem vol op de mond te zoenen. ‘Sorry’, fluistert ze. ‘Sorry sorry sorry. Ik wist niet wat ik wilde. Sorry.’     John legt zijn handen om Alice’s middel en trekt haar zachtjes dichter tegen zich aan. ‘Ik weet het. Misschien hadden we allebei even nood aan verandering, een ander perspectief.’ Hij zoent haar en zijn handen kruipen langzaam over haar rug omhoog.     Alice zucht. ‘Alsnog het huisje inwijden alvorens het weer te verlaten?’     ‘Klinkt goed.’       Drie dagen later verlaten John en Alice het huisje dat ze zo kort hadden bewoond en keren terug naar hun oude woning. Wanneer ze vertrekken laat John de blauwe lamp achter op de keukentafel, met een briefje voor Jeannie, de makelaar. Tegen de vliegen. We zijn er nooit toe gekomen deze lamp te installeren. Al lijkt het probleem stilaan af te nemen. Succes ermee, Alice en John.   ***       Carl de klusjesman komt steunend van zijn ladder gekropen. De blauwe lamp hangt tegen de muur boven de oprit, de elektrische kabel is verbonden en het verdomde ding werkt niet. Hij heeft meermaals de zekeringen gecontroleerd en uitgesloten dat het probleem zich daar zou bevinden. Rest er nog de mogelijkheid dat de kabel ergens onderbroken is. Best mogelijk, gezien de vorige bewoners hadden geklaagd over ongedierte in huis. Een rat kan er gemakkelijk doorheen gebeten hebben. Carl volgt de kabel met zijn ogen naar beneden, waar hij langs een rechthoekig rooster het huis in verdwijnt. Carl vloekt en haalt een schroevendraaier boven. Hij wrijft even over zijn pijnlijke rug en mompelt binnensmonds. ‘Kruipkelders. Ik haat kruipkelders.’ Dan zakt hij op een knie en verwijdert de schroeven, laat zich verder op zijn buik zakken en knipt een zaklamp aan om de kabel te inspecteren. Zijn zicht wordt geblokkeerd door een donkere massa. Hij wringt zich naar binnen en merkt dat onder de massa een grote donkere vlek op de vloer is afgetekend, bijna opgedroogd in het beton. ‘Gadver, smeerlapperij.’ Hij probeert zijn hand schoon te vegen aan zijn overall en grijpt dan het voorwerp vast. Dan ziet hij de schoenzool, en wat dieper in de kelder: een voetbal. Zijn hand trekt harder en het geluid van scheurende stof weerklinkt. Er komt een ziekmakende geur los, gevolgd door een wolk kleine donkere vliegjes. Carl braakt meteen zijn ontbijt uit en de zure lucht vermengt zich met de stank van verrotting die de kruipkelder vult. Wanneer hij bekomen is zal hij Jeannie bellen, en de politie. Die zullen Daniel Stonestreet formeel identificeren en zijn ouders contacteren. Het onderzoek zal uitwijzen dat hij overleed ten gevolge van gebrek aan water, vermoedelijk nadat hij kwam vast te zitten in de kruipkelder. Hoe dit mogelijk is geweest, kan niemand vertellen.  

Rob G
0 0