Zoeken

Als het ons overkomt

“Intussen zagen ze dat telkens men eruit schepte, het wijnvat zichzelf opvulde en de wijn steeg.” Uit Ovidius’ Metamorphoses; Philemoon en Baukis, vers 679-680 Via IV Novembre, Rome “Mille domos adiere locum requiemque petentes, mille domos clausere serae.”Hij zei het op een elegante manier. Een specifieke combinatie van korte en lange klinkers die hij golvend uitsprak.Jelle vond dat de man een prachtige manier van spreken had, nochtans was de rest van hem niet even vleiend.De storm was verschrikkelijk; heel zijn planning was in de war. Normaal stond hij nu in de supermarkt, de tweede gang van links. Het goedkoopste pak melk stond op de onderste plank en kostte 55 cent, dus veel meer geld had hij dan ook nooit op zak. Hij vond de melk van 55 cent niet te drinken, maar hij moest het kopen, van Eline. Zij was de dominante van het koppel. Te dominant.Nu zat Jelle in een of ander café dat hij nog nooit gezien had. In de ene hand had hij een glas water en in de andere zijn fietssleutel, zodat hij op het moment dat de storm ging liggen, kon ontsnappen.Gezellige muurlampjes verlichtten de kleine ruimte. Alles was van hout: de vloer, plafond, toog. Soms had hij het idee dat de mensen ook van hout waren. Ze mochten geen vuur bezitten, geen gloeiende levenslust, geen brandend verlangen naar vrijheid; want anders zouden ze opbranden en hun warmte zou gebruikt, misbruikt worden door andere mensen. Links van de voordeur van het café was een breed raam. Op de achtergrond was het geroezemoes van pratende mensen te horen. Dat werd telkens verstoord door regendruppels die op het raam kletterden.De barkruk waarop Jelle zat leek het elk moment te kunnen begeven. Maar hij maakte zich meer zorgen om de kruk waarop de andere man zat. Zijn kruk kon elk moment imploderen met dat gewicht. De vetbol heette Pietro, dat had hij gezegd.“Wat betekent die zin?” vroeg Jelle. Meer uit verplichting dan interesse.Hij kon gewoonweg niet opstaan en wegstappen. Dat was de regel.“Ze gingen naar wel duizend huizen om een rustplaats te vragen, maar de huizen bleven vergrendeld.” vertaalde Pietro de Latijnse zin.De man had een nonchalant voorkomen; kroezige baard, gescheurde jeans, rond de veertig. Hij leek het type dat een familiepak frieten in zijn eentje zou opvreten terwijl hij een dieet van Weightwatchers op z’n computer opzoekt. Kwestie van gezond te blijven. “Die tekst, vanwaar komt die?” vroeg Jelle met een ongeïnteresseerde ondertoon.“Metamorphoses, van Ovidius.” Jelle was verbaasd door het feit dat de man meer wist dan het aantal sigaretten dat hij sowieso op zak had.“Jupiter en Mercurius hadden zich veranderd in arme mensen die een slaapplaats zochten. Niemand deed open, behalve het oude koppeltje: Philemoon en zijn echtgenote Baukis. Ze gaven alles wat ze hadden om het de goden zo comfortabel mogelijk te maken. Zoals hun wijn die ze al jaren bewaard hadden.Telkens men ervan dronk, lieten de goden de wijn weer stijgen.Ze mochten een wens doen en beiden wilden ze op hetzelfde moment sterven. Toen hun tijd kwam, veranderden ze beiden tegelijk in bomen. Dat was de metamorfose.”Er viel een stilte waardoor hun gesprek werd gevuld met dat van andere mensen.Buiten waren er nog enkelingen die doorweekt en uitgewaaid vluchtten. Hij beeldde zich in dat hij één van die mensen was, vluchtend van de storm. Die storm had zacht, blond haar dat ruikt naar munt, een schoonheidsvlekje net boven de lippen en stijlvolle schoenen. De storm overrompelde hem, blies hem overhoop, bliksemde hem dood. Daarvoor had hij weinig inbeeldingsvermogen nodig.Hij dacht aan Eline, ze zou zich vast zorgen makenom de melk.Jelles hand zweefde door de lucht naar zijn gsm. Hij moest haar bellen. Plots joeg de wind regen naar binnen tot de voordeur weer dichtsloeg. De vrouw die net binnenstrompelde was helemaal weggespoeld, verloren. Afwezig liet ze een spoor van water achter op de vloer terwijl ze naar een leeg tafeltje slenterde. Haar kap bedekte haar gezicht als een gordijn. Ze staarde met gebogen hoofd naar een zwarte plek in de houten tafel.Telkens ze haar ogen knipperde, zakte ze zachtjes dieper weg. Zweven. Dat was het beste woord om te beschrijven wat ze deed.   Maar zij wist dat ze in die zwarte vlek duikelde; ze werd in de zwarte vlek gezogen en viel steeds naar beneden en staarde versuft naar een bodemloze leegte terwijl ze tolde in een wind gemaakt van niets.   Jelle was ook zo. Hij verstopte het gewoon met blauwe plekken en lichte kneuzingen bedekt door kleren die Eline voor hem kocht.Jelle keek naar Pietro die een babbeltje sloeg met de barvrouw. Gehuld in dat vet en die tabak geur bevond zich toch een gelukkig man. Op een of andere manier was Pietro heel zichtbaar. Niet enkel door zijn buik, maar ook door het geluk dat op zijn gezicht te lezen stond. Jelles gsm trilde, maar hij pakte het niet op. Terwijl hij haar oproep negeerde, beende hij vertwijfeld de storm in. De regen hagelde harder op hem neer bij elke stap die hij zette. Het was een waarschuwing die zijn kleren doorweekte.Er kwam een bus aan die voortgestuwd leek door de wind. De deuren kwamen krakend tot leven en lieten Jelle binnen. Alle stoelen waren leeg, maar hij nam bewust een plaatsje dicht tegen de deur. Dan kon hij nog beslissen of hij zou uitstappen om melk te kopen. Haar melk.Een schim glipte nog tussen de sluitende deuren van de bus en nam plaats tegenover hem.Misschien moest ze ook verplicht melk kopen, misschien was zij ook een gevangene.De bus begon te rijden, zijn fiets stond nog bij het café. Dat wist hij.De bus was onmiddellijk in een andere straat. Via del Plebiscito “Ik zou me omkleden als je thuis bent. Straks vat je kou.” Een vrouwenstem recht tegenover hem klonk in de lucht.Ze deed haar kap uit en liet haar gezicht zien. Rimpelige huid als boomschors. Kastanjebruin haar dat leek te gloeien.“Oh, ik ga niet naar huis,” antwoordde Jelle met een dubbel gevoel. Hij was niet zeker. Ze keek verbaasd.“Ik ook niet. Niet meer.”“Waarom?”“Ik wil niet dat hij het weet,” zei ze verward.“Mijn man,” vulde ze aan.   Een druppel bungelde aan haar haar net boven haar voorhoofd, zonk in de lucht op haar wang, rolde net onder haar ogen, gaf de indruk dat ze huilde.   Ze antwoordde op een vraag die niet gesteld werd. “Mijn dochter…” Ze huilde niet. Er waren geen tranen meer om gehuild te worden. De storm deed dat nu voor haar. Ze had haar verlorenIemand niet te verliezenZe keek met angstHoe de schimmen kwamen   Ze verhulden haar dochterIn een donkere stofZe namen haar meeHaar alles naar niets Hij was sprakeloos geworden door haar verdriet. Jelle besefte dat hij moest ontsnappen uit de gevangenis die Eline had gecreëerd. Pietro, hij zou even gelukkig kunnen zijn als Pietro. De vrouw tegenover hem was al te ver meegezogen in het leed. Jelle kon nog ontkomen aan Eline's geweld.Corso Vittorio Emanuele II“Het spijt me.” Hij verontschuldigde zich voor het feit dat hij wel iets aan zijn pijn kon doen, en zij niets aan de hare.Hier was een halte, ongeveer tien meter van de supermarkt waar hij de melk altijd kocht. De vrouw deed haar kap terug over haar hoofd. Ze had te veel van haar leven blootgegeven. De bus remde af en stopte. Jelle stond intussen weer in de wind, nu recht voor de winkel.Zijn benen leidden hem naar binnen, tweede gang van links, onderste plank.Daar stond de melk. Hij pakte het vast en klemde zijn vingers om de dop. Philemoon liet zijn vuur vlammenZodat de boom langzaam verdampte De melk vloeide over de betonnen vloer. Zodat Baukis’ bladeren nooit inPhilemoons verfrissende schaduw zouden staan Het brik was nooit leeg, het vulde zichzelf op; net als Eline's woede. Zodat hun band via wortels-Verschroeid, verzengd, verbrand- ontbonden was. Jelle liet zijn vuur branden en Eline kon dat niet blussen.Alleen de storm kon dat.    

Etlir Xharra
0 0

Alle dagen, gisteren.

Haar hand trilt een beetje, voorzichtig gluurt ze over haar kopje thee om te zien of zij het ziet. Zij kijkt zwijgend uit het raam, verveeld, alsof ze de minuten weg kan zuchten. Bleke lippen krullen zich over het fragiele porselein. Wit met rode bloemen en gouden randje. Hij had het voor haar gekocht, ze glimlacht, zo sterk, krachtig als hij daar staat in de deuropening. Hij was lang weggebleven deze keer, ze moest nadenken wanneer hij haar voor het laatst in zijn armen genomen had.   Toch geen visser? had haar moeder gezegd, alsof ze de vis kon ruiken. Haar vader vond het prima, weer een dochter de deur uit, rust. Maar zij hield van de zilte geur in zijn haar, vermengt met het zoet rokerige van zijn eeuwige sigaar. Handen, groot, grof altijd geurend naar vis, die haar streelde alsof ze van breekbaar porselein gemaakt was.   ‘Henk’, ze probeert op te staan, zoekend met een hand naar houvast. ‘Henk, lieverd ik heb je zo gemist, kom kus me’. Haar magere hand slaat de theepot van het bijzettafeltje terwijl ze haar evenwicht verliest. ‘Ma, wat doe je nu? Ze was recht gesprongen en probeert haar moeder van het tapijt te graaien. ‘Ik moet naar Henk’, haar kromme vinger wijst richting de deur. Ze zucht diep en drukt op de rode knop. ‘Maar maar, mevrouw de Visser, bent u uit uw stoel gevallen? Een verpleegster op rode Crocs, die een kusgeluid maken bij elke stap die ze zet, pakt haar stevig onder haar oksels en hijst haar weer in haar stoel. Henk, ze fluistert zijn naam zachtjes, hij staat niet meer bij de deur. Zorgvuldig krabt ze de restjes rode nagellak van haar vinger, wanneer had ze hem voor het laatst gezien? Hij komt haar halen om te gaan dansen, dat weet ze zeker.   Zacht valt de deur in het slot, ze gaat naar huis; moeder is totaal niet aanspreekbaar vandaag, morgen beter.   (C) tekst/beeld Hanneke

Miss Blue Sky.
0 0

N van Not Done

(uit “verhalen van A tot Z”)   De lidwoord  (foto : Mantz Werner)   Van kindsbeen af , bij het inoefenen van de Nederlandse taal  leert men het juiste gebruik van het lidwoord. Is het “het” of “de” – gelukkig is er maar één “een” en geen “un” en “une” zoals in het Frans.  Hoe ouder men wordt hoe moeilijker men het aangeleerd kan krijgen.   Is het een modetrend ? Tegenwoordig komt men zelfs in gelauwerde teksten (o.m. op Azertyfactor)  een fout gebruik van het lidwoord tegen.   Voor degenen die met deze trend meedoen graag deze hersenspinsels om aan te tonen hoe “not done” het foute gebruik aanvoelt :   Vandaag is het het dag dat er witloof met hesp op de menu staat. De witloof kan in volle grond maar ook in water gekweekt worden.  Mensen uit het witloofstreek houden niet zo van hydro-witloof.  Zij zweren bij het echte grondsmaak.  Wat het hesp of voor Noord Nederlanders het ham betreft zijn er ook veel smaakverschillen. Wat het kaas aangaat heeft men de keuze tussen het Zwitserse Gruyère of het Franse  Emmenthal maar het Italiaanse kazen zijn tegenwoordig ook populair.  De witloof stoven, laten uitdruipen, in het hesp rollen en kaas erover.  In het voorverwarmde oven zetten en na twintig minuten is kees klaar.   Inmiddels is de witloof op en denken wij aan morgen.  Het dag zal druk worden.  Van zodra de ontbijt zal genuttigd zijn, moeten wij direct naar het stad vertrekken.  Vandaag beginnen immers het koopjes, in de volksmond het solden genoemd.  Het kleren, het schoenen, het witgoed apparaten, de behangpapier, het verf, alles zal weer aan het gekste prijzen verkocht worden.  Dat willen wij niet missen.     In het winkelstraat is het (ah, neen, dit is geen lidwoord !) inderdaad superdruk.  Vele mensen zijn met het wagen of met het trein of het metro naar de stadscentrum gekomen.  Het parkings staan vol en het duurt niet lang of alle winkels puilen uit van de volk.   Door de zachte weer in het winter is de aanbod groot.  En het kortingen zijn al van het eerste dag belangrijk.  Zowel voor het groten als voor het kleintjes is er wat te vinden.   Tussendoor wordt er tijd gemaakt voor een (dit is inderdaad een lidwoord maar er bestaat  geen foute versie van) drankje of hapje – een tussendoortje dus. Ook het restaurants, het snackbars en het koffiehuizen barsten van de volk. Het koffie is best lekker maar kan niet goedkoop genoemd worden.  Net voorbij het winkelstraat is er het bekende bakkerij waar het beste worstenbroodjes van het stad worden verkocht.  Daar moeten wij persé eens binnenspringen.   Voor hen die van de lezen van deze nonsens beginnen te genieten : gedaan ermee, dit is niet langer vol te houden.  Aan alle lidwoordverkrachters :  ahoe ! Dat zij mogen branden in het hel.

Vic de Bourg
0 0

X van Xeres

(uit “verhalen van A tot Z “)   HET DETAIL   Hij , groenblauwe ogen met lichtbruine weerspiegelingen, borstelige wenkbrauwen, halflang  asblond haar.  Zijn naakt gespierd en getaand bovenlichaam neigt zachtjes voorover.   Zij, fluwelen blik uit merendiepe kijkers, geen blauw is blauwer, fris heldere oogopslag, gebeeldhouwde lippen, kort  gitzwart  stomp lichtjes schuin lopend bobkapsel.  Haar beschaduwd hoofd draait even linksom.   Hij opent een boek en leest.   Zij beluistert Rachmaninov ’s derde klavierconcert op haar gedateerde MP3 speler.   Vanmorgen nog beiden in de fluisterstille tempel,  oosterse booglijnen en verbluffende mozaïeken die alle onheil weren, tuinen rondom, waar seringenaroma’s de lucht lichtjes benevelen.  In de hoogste hoogte van het minaret een lied dat neerdaalt en hun zielen verplettert in opperste gelukzaligheid.   Dan dwalen naar de zee die ruist en lokt achter de blanke zandduinen. Overweldigend hoe ze schuimt en toch blinkt onder wolken en zonnespel.  Fijne zandkorrels onder danshuppelende voeten en dan het gulzig slurpende en klotsende koele water.   Moe van spel en strand, neen, hongerig eerder, op weg naar het kleine eethuisje verderop. Heerlijke aroma’s van onverwachte kruiden en verre landen beloftes. Kleurenlichtjes weerkaatsen in gulzig geledigde cocktailglazen.  Subtiele gerechten, voor, hoofd en na.   Een fonkel in de koele Xereswijn.  Dan nagenieten. Sandalenvrije voeten in het mulle zand bij de laatste roodverdronken zonnestralen.     Plots sluit hij zijn boek, hij houdt niet zo van al te gedetailleerde beschrijvingen. Zij  heeft de ogen gesloten en stelt zich de lange vingers voor die het klavier beroeren en strelen.      

Vic de Bourg
28 0

Y van Yale

(uit ”verhalen van A tot Z”)     SURREALISME OF DE KUNST VAN HET ABSURDE   (“The Record Yale” was een publicatie uitgegeven door de studenten van de Yale University en bekend voor zijn absurdistische stijl)    Hij ging binnen maar zei niets.  Waarom zou hij ook ? Het duivenhok was dan ook niet meer zoals vroeger toen er nog meesjes in de perelaar huisden.  De appels daarentegen die werden ieder jaar dikker.  Dat kwam omdat hij ze individueel verpakte in zakjes die je daarvoor online kon kopen.   Dat is al maar meer in de mode dat online kopen en ook mode kan men online kopen. Wegversperringen vindt men nu ook in de commerce, dat heet dan sperperiode.  Ook dat heeft met mode te maken maar dan eerder mode voor jan modaal.   Modaliteiten worden meestal door instanties  bepaald. “Modaliteit drukt de verhouding uit tussen de beschrijving en de werkelijkheid, bijvoorbeeld het oordeel van de spreker ten opzichte van de waarschijnlijkheid.”  Dat is pas een surrealistische beschrijving door  Van Dale omdat …..   En toen wist hij plots niet meer waarom? Hij herinnerde zich ook niet meer het onderwerp dat hij voor oog had noch het ogenblik waarop hij deze woorden neerschreef.  “Ceci ne sont pas mes mots.”  “Une pipe?”  Simenon hield niet van kromme pijpen, hij wou ze recht.   Waar moet hij hem kwijt, zijn tekst.  Geen mens wil hem lezen.  Vuilbak is  geen optie.  Azertyfactor ? Goede ingeving!   In zijn taalles vroeg hij de blonde Deense:   “Wat is het tegengestelde woord of negatie voor iedereen?”  Zij antwoordde  “Niedereen”.  Hij vond het beter dan niemand en bedacht dat hij ooit een woordenboek moest samenstellen met de verzinsels van zijn cursisten.   Inmiddels zag hij rood van opwinding.  Dat kwam door die mooie zonsondergang.  Avondrood betekent dat het de volgende dag schoon weer wordt.  Alweer opwinding, door die aangekondigde hitte voor morgen. Zo heet als mosterd scherp kan zijn.   Waar kan men deze dagen kleine potjes mosterd kopen ?  Een tube ? Neen, kan verward worden met tandpasta en zijn tanden zien al zo geel.  Van het roken ? Neen, van teveel chocolade.   Toen hij vroeger in de chocoladefabriek werkte kwamen soms stukken naast de lopende band terecht.  Al wat op de grond viel werd opgehaald door de mannen van de zeepfabriek.  Daar werden de stukken door de zeep gedraaid wat resulteerde in mooie gemarmerde blokken.   Hij mocht er niet aan denken dat het omgekeerde zou gebeuren, gemarmerde zeepbellen na het eten van een reepje !   Bij het morgenkrieken eet hij gehaktbrood.  Bij het gehaktbrood eet hij morgen krieken. Bij het krieken van de morgen hakte hij het brood.   Hollanders kennen het woord kriek niet.  Nederlanders  wel , maar zij mogen niet verward worden met Hollanders.  Nederlanders wonen  dichter bij de Belgische grens, lekker warm en sympathiek. Zij trekken met volle bussen naar ons land en drinken sloten van het rode zurige zoete bier waarop de Kriek in al haar glorie prijkt.   Neen,  surrealisten zijn het niet , de NL-ers, daarvoor zijn ze iets te stijveharkelijk.  Nochtans hebben (vooral de donkeroranje) Nederlandse kanaries ook twee pootjes….twee gelijke pootjes…. vooral het linkse.      Stop het verhaal nu maar, het wordt  te realistisch.    

Vic de Bourg
0 0

R van Roulette

(uit “verhalen van A tot Z”) The winner takes it all   Ergens in de jaren zeventig is Frankrijk gastland voor de jaarlijkse internationale conferentie voor reisagenten en tour operators. Deze bijeenkomsten worden  in een bekende badplaats in het laag seizoen georganiseerd.  In feite is het een aantal dagen verwennerij van al wie betrokken is bij de organisatie van vakanties : van vliegtuigmaatschappijen tot hoteluitbaters, van reisagenten tot busexploitanten, kortom al degenen die het toerisme promoten. ’s Morgens wordt er vergaderd over uiteenlopende thema’s , ’s namiddags struinen de deelnemers allerhande attracties af en ’s avonds en tot diep in de nacht is er tijd voor recepties met veel bubbels,  dinerparty’s en reuze barbecues. De Fransen zijn dat jaar aan bod en hebben hun kroonjuweel Monte Carlo als “venue” gekozen. Onze ploeg die een internationale hotelketen vertegenwoordigt  logeert in een pas geopend hotel van een bevriende Amerikaanse hotelgroep. Mijn charmante Franse collega zegt dat ook zijn moeder in Monaco aanwezig is als chef van een bekend reisbureau  in Parijs.  Zij logeert in het mondaine Hôtel de Paris. Tijdens een van de vele recepties ontmoet ik de uiterst elegante Parisienne slash moeder slash reisagente.  Ze klaagt over haar hotelkamer.  Het is heel warm voor de tijd van het jaar en  het Hôtel de Paris mag dan wel “chique” zijn, er is geen airconditioning op haar kamer.  “Vous en avez de la chance dans votre boîte Americaine frigorifiée”  schertst zij.   De Monegasken hebben iets origineels bedacht om ons te verwennen.  Nu ja, origineel ? Alle congresdeelnemers worden gratis in de grote speelzaal van het Casino toegelaten , waar het minimum speelbedrag  voor de duur van het Congres, uitzonderlijk verlaagd wordt tot vijf Franse Franken, destijds het equivalent van 30 Belgische Franken, momenteel een luttele 75 eurocent. Wij hebben ons, zoals in de films, mooi uitgedost en lopen benieuwd tussen de speeltafels.  Door de zware overgordijnen en het dikke rode voltapijt is het er stil als in een tempel.  Het is dan ook een goktempel.  Naast het geluid is ook het  licht gedempt .  Enkel de typiische groene luchters werpen lichtbundels op de speeltafels.  Mijn Franse collega houdt het al snel voor bekeken.  Hij vindt het hele gedoe wansmakelijk.  Aan de tafel waar wij halt houden  wordt inderdaad met één haal van de croupier een veelvoud van zijn maandsalaris verspeeld. Met mijn vrouwelijke collega uit Duitsland heb ik besloten dat een terrasje of een nachtje uit in een of andere Club in Monaco al snel wat bankbiljetten kost. Wij besluiten te blijven en voor het equivalent bedrag  ons te amuseren en onze kansen te wagen in dit gokparadijs.  Wij vermaken ons niet zozeer met het spel dan wel met het ons voordoen als rijkeluiskinderen die het fortuin van Papa gaan verbrassen.  Vooral het mensjeskijkend gedeelte is daarbij uiterst boeiend. Rond de tafel ziet men lui van allerlei pluimage rondlopen of aanzitten.  Een man in onberispelijk maatpak loopt van de ene tafel naar de andere  en geeft telkens instructies aan een “handlanger” .  Deze man of vrouw respecteert nauwgezet de som en het nummer of de combinatie waarop moet  worden ingezet. Schril contrast met een andere tafel waar een knappe dertiger samen met een vriend nogal luidruchtig aan het spelen is.  Beiden zijn in hippiestijl gekleed in gerafelde jeans en (dure) jekkers over een t-shirt .  Als de fooien vet genoeg zijn knijpt het personeel voor haar vaste cliënteel graag een oogje dicht en in de zaal waartoe wij toegang hebben is geen strikte dresscode vereist. Plots is er rumoer aan een van de tafels.  Er zit een stokoude man.  Voor hem staan enkele torentjes van opeengestapelde speelfiches.  Onze 5 FF-fiches zijn mosterdgeel en rond.  De zijne hebben allerhande kleuren en de meeste zijn rechthoekig wat betekent dat hun stukwaarde  al snel in de duizenden FF loopt. Sommige stamgasten, vooral deze die in het geld zwemmen, hoeven niet steeds naar de kassa om hun geld in fiches te ruilen.  Zeer uitzonderlijk (en nogmaals  “moyennant un gros pourboire”) aanvaardt de croupier van een vaste klant dat er cash geld op de speeltafel wordt gelegd, uiteraard enkel briefjes, geen munten.  Aan de tafel van de oude gokker stijgt de spanning.  Hij wint het ene spel na het andere.  Zijn  stapels speelfiches beginnen te  lijken op de skyline van New York in miniatuur. Dan gebeurt iets merkwaardigs.  Met beide handen schuift de man heel zijn New Yorkse miniskyline naar voren.  Hij zet alles in op het rode nummer 7.  De fiches kunnen amper op het ene nummer staan maar met een oogwenk heeft de croupier begrepen wat de man wil en helpt hem met het opeenstapelen.  Geen andere speler waagt het op  hetzelfde nummer in te zetten. Na het “faites vos jeux “ en “rien ne va plus” gaat de roulette draaien.  Het witte balletje tolt rond en valt op het zwarte nummer 29, het nummer nààst de rode 7.  De man is alles kwijt maar blijft totaal onbewogen bij het gebeuren.  Een jonge dame wuift heftig met haar waaier, haar vriendin wankelt weg van de speeltafel naar de bar waar ze waarschijnlijk iets “sterks” bestelt om te bekomen. De man blijft zitten en stopt langzaam de linkerhand in zijn rechter binnenzak.   Hij haalt een bundel bankbiljetten boven.  Er zit nog een bandje om de spiksplinter-nieuwe flappen.  Zelf heb ik deze kleur van bankbriefjes nog nooit gezien. Het zijn biljetten van 500 Franse Frank.  Die hadden destijds een tegenwaarde van 3.000 Bef en zouden tegenwoordig  75 euro waard zijn.   Terwijl hij een tiental biljetten uit het bundeltje neemt fluistert iemand naast mij : “Il a la tremblote”.  De man bibbert inderdaad als hij de biljetten telt.  Niet omdat hij twijfelt maar van de ouderdom.  Hij zet het hele bundeltje geld opnieuw  in op één enkel getal.  Ooit werd  berekend dat er 2,7 kansen op 100 bestaan dat iemand wint met een “plein” (inzet op één getal).  Die dag zijn wij getuige van het feit dat het kan.  Het witte balletje komt terecht op het ene nummer waarop het geldbundeltje ligt.  De gokker wint 35 maal zijn inzet.  Een snelle rekensom leert ons dat hij op slag een slordige 175.000 FF of 1.050.000 BEF of 26.000 Euro gewonnen heeft. Morgen zal ik mijn Franse collega kunnen vertellen dat geen maandlonen  maar ettelijke jaarwedden verspeeld werden.  Ik krijg plots genoeg van dit decadente schouwspel  en  realiseer mij dat ik in mijn enthousiasme toch een duizendtal oude Belgische frankjes heb verspeeld.  Het is geweten : de Bank, en in dit geval , het Casino, wint altijd. Morgen keren wij terug huiswaarts en in het verlaten van de speelzaal zie ik een gang vol met de beruchte eenarmige bandieten . Ik wil weerwraak nemen op de uitbaters van deze goktent. Tot mijn grote verbazing  haal ik tot tweemaal toe Jackpot op verschillende gokautomaten.  In een mum van tijd (Toon Hermans zaliger zei vroeger dat hij er soms twee mummen voor nodig had)  win ik meer dan 700 BEF terug van mijn oorspronkelijke inleg. Voordat de verslaving toeslaat en ik mijn centen weer kwijt ben stop ik het spel.  Ik troost mij met de gedachte dat ik mij thuis in mijn eigen stamcafé nooit voor 300 BEF op één avond zo kostelijk zou geamuseerd hebben. Bij het verlaten van het Casino zie ik de twee vrolijke fils-à-papa hippies wegscheuren in een peperdure Porsche.    De volgende morgen heb ik nog tijd om enkele aankopen te doen.  Ik maak mezelf wijs dat ik de avond tevoren 700 BEF gewonnen heb en koop voor de helft van het bedrag in een kinderboetiek een snoezig bolerootje met blauwe bontkraag en fonkelende kleurenpailletten .  Dat is een cadeautje voor mijn anderhalf jarig dochterje.  Op haar Porsche gaat ze nog enkele jaartjes moeten wachten.  Papa moet daarvoor nog wat oefenen maar vreest dat het bij een Dinky Toy zal blijven.

Vic de Bourg
0 0

T van Taal

(uit “verhalen van A tot Z”)   "Het oog van Moskou"   Nadat hij een punt had gezet na zijn vorig puntloos schrijven vroeg hij zich af of een tweede poging nog ooit zou lukken, vooral omdat hij zich herinnerde dat hij destijds het hele verhaal in één trek had neergepend en dit nog eens overdoen een zware opgave kon worden, zo zwaar dat hij zich afvroeg of hij er überhaupt wel aan beginnen zou, wat dan in zijn ogen als laf overkwam want waarom zou het niet opnieuw lukken waardoor hij weer van de belangstelling kon genieten die zijn puntloos stukje had teweeggebracht toen hij het voor het eerst publiceerde op een webstek waarop creatievellingen van zijn soort hun ding kwijt konden, nu ja creatief mogen ze dan al zijn, hier en daar schort er toch wat in de hoofden van de bijdragers die in een vrije vertaling in het Frans als “contributeurs” en in het Engels als “contributors”  kunnen worden bestempeld maar bij nader toezien ook weer niet omdat bij de Fransen het woord betekent dat je meewerkt aan een groter geheel terwijl de Engelsen er meer een schenker in zien maar dat gebeurt wel vaker als men talen gaat vergelijken want als die Fransen zeggen dat zij “eventuellement” een tekst gaan schrijven bedoelen ze dat zij mogelijk, als het er ooit van komt eens wat op papier gaan zetten, de Engelsman of vrouw die daarentegen “eventually” wat gaat doen bedoelt hiermee dat hij of zij er uiteindelijk of tenslotte in geslaagd is iets te realiseren waardoor het alweer bewezen is hoe begrippen die in een ver verleden hetzelfde betekenden door de eeuwen heen een geheel andere betekenis kregen zoals een volwassen Engels varken een “pig” werd maar als big plots een klein zwijntje werd in het Nederlands waarop de Engelsen er het woord groot van maakten maar dat alles hoeft niet meteen in verschillende talen te zijn want ook binnen eenzelfde taal komt men dit tegen waardoor er noodgedwongen na ettelijke jaren artikels worden geschreven of boekjes worden uitgegeven waarin woorden of uitdrukkingen moeten worden uitgelegd aan personen die deze niet kennen maar weliswaar dezelfde taal spreken hetgeen dan soms leidt tot hilarische toestanden waarvan ondermeer “opstaande komedianten” dankbaar gebruik maken in hun “conferenties” en hun toehoorders schaterlachen ontlokken of ze met een rode kop en neergetrokken wenkbrauwen achterlaten omdat ze de “clou” niet gevat hebben wat dan ook weer geen ramp hoeft te zijn omdat het voor een aantal personen soms gewoon van de omgeving afhangt waarin ze opgroeien opdat ze bepaalde zaken wel of niet begrijpen, zo kan iemand die in een conversatie de uitdrukking “l’oeil de Moscou” opvangt nooit weten dat het hier gaat om een persoon die angstvallig de levenswandel van een ander in het oog houdt, alhoewel het ook de titel van een in 1961 verschenen boek is die op zijn beurt geïnspireerd was op de titel van de destijds reeds driehonderd jaar oude fabel van de heer de la Fontaine “l’oeil du maître” waarin een strenge meester zijn knechten in het oog houdt, ach zo zie je maar weer waartoe een simpel woordenspel leiden kan wat niet wil zeggen, voor wie niet meer mee kan, dat je een “loser” bent, ook al heb je de “pointe” van de grap niet begrepen want hoe puntlozer, hoe beter voor het opdoen van inspiratie.      

Vic de Bourg
332 0

L van Leger

(uit “verhalen van A tot Z”)   “My little castle”   In het zich onder klimop verschuilend gebouw (was dit camouflage?) duurde een verblijf in het Brusselse Klein Kasteeltje steeds drie dagen…   Niet voor mij … het werden twee maal drie plus twee maal zes dagen met een interval van enkele maanden : een oorlog die ik glansrijk zou winnen. Voorwaar, als morgen de vijand in ons landje binnenvalt zal ik als fregatkapitein de haven van Antwerpen blokkeren of tegen de windmolens aan de Belgische kust worden ingezet.   Na mijn studie bleek dat zonen uit kroostrijke gezinnen konden vrijgesteld worden van legerdienst. In tijd van oorlog of hoge nood konden deze vrijgestelden worden opgeroepen om het land te dienen. Afgekeurde miliciens daarentegen zouden voor de rest van hun leven gebrandmerkt blijven en pas worden ingezet als er in het land nog enkel vrouwen en kinderen overbleven.   In het KK werd uitgemaakt of men deugde voor de dienst – in het Frans luidde het : "être apte pour le service!". Eens "apte" zou ik mijn vrijstelling krijgen.   Vermits ik een jaar voordien een longontsteking had opgelopen en deze littekens had nagelaten, stonden de "medici militari" voor een zware opdracht. Terwijl zij zich beraadden, mocht ik intussen mijn wensen uiten over de keuze van mijn "wapen" en ligging van de kazerne waar ik mijn dienst wilde kloppen. Er was inderdaad keuzemogelijkheid, dank zij de toenmalige flower-power beweging die het leger humaner had gemaakt.   Door mijn uiteraard geringe wensen op dit vlak, verliep alles relatief vlot tot ik plots met andere twijfelgevallen werd afgevoerd naar het Militaire Ziekenhuis te Antwerpen! Hier werd ik de rest van de week vastgehouden en sliep als "longpatient" in een dicht berookte kamer samen met andere, mogelijk besmettelijke kameraden, die er alles aan deden om zich zo ziek mogelijk voor te doen, hen wachtte immers de dienstplicht indien zij niet werden "afgekeurd". Mij wachtte echter de VRIJ(HEID)stelling.   Na wijs beraad oordeelde de legerleiding dat zij de verantwoordelijkheid niet aankon om mij meteen vrij te stellen en verkoos mij later weer op te roepen. Vermits ik na schooltijd met het oog op die vrijstelling al mijn eerste job had aangenomen moest ik nog tijdens mijn proefperiode uitleg verschaffen over mijn weliswaar gewettigde afwezigheid. Hoe ik ook blaakte van gezondheid, ik werd na mijn ziekenhuisverblijf schuin bekeken op het werk, door collega's en later ook door de directie, vooral toen reeds na enkele maanden het tweede oproepingsbevel in de bus viel!   Het leger hardt onze jongens en gehard door de vorige ervaring, ging ik er met volle kracht tegenaan. Deze keer genoot ik warempel van de beruchte voettocht, begeleid door Brusselse flikken, die “onze jongens” (meisjes waren nog niet welkom) telkens in lange rijen van het Noordstation duidelijk met opzet via de hoerenbuurt omleidden naar het Klein Kasteeltje: de eerste (voor mij dus de tweede) kennismaking met de “naakte” waarheden van het bestaan.   Overmoedig onderging ik dit maal met de glimlach de psychische en fysische tests. Bij het interview stelde ik nieuwe eisen: bij een oproep onder de wapens wenste ik te dienen als officier bij de Marine. Voor rekruten waren daar slechts zeven plaatsen beschikbaar, dus gaf ik mijn akkoord om eventueel één van de maximum 23 onderofficieren te worden en tenslotte tekende ik zowaar om desnoods als gewoon matroos te worden ingezet. Ik was immers gek op de zee en op boten - het vorig verblijf in Havenstad Antwerpen had mij overtuigd!   In het K.K. dat ik intussen als mijn broekzak kende - ik voelde mij al een "ancien" - stoof ik van het ene kantoor naar het andere en zorgde ervoor dat mijn dossier overal  bovenaan kwam te liggen… ik zou snel genieten van mijn vrijstelling.   Toch volgde een tweede doorverwijzing naar het ziekenhuis, een litteken op een long verdwijnt nu eenmaal nooit.  Daar zette ik mijn strijd onversaagd verder om snel weer op mijn werk te kunnen verschijnen want ontslag dreigde!   Plots kreeg ik de stempel  “geschikt voor de dienst – apte pour le service”  en dit nog wel op basis van een dossier waarin ik voldeed aan de hoogste fysische kwalificaties want op dat vlak staan zeemachtofficieren nota bene net onder Paracommando's.   Het ABL (Armée Belge/Belgisch Leger) gaf zich gewonnen, zwaaide de witte vlag en waste de handen in onschuld. Mijn dienst zat erop.   Eindelijk terug op mijn werk heb ik na enkele maanden zelf mijn ontslag aangeboden, ik had een veel betere job gevonden….. logisch, want wie tijdens zijn legerdienst zulke prachtige resultaten neerzet, nietwaar..!?

Vic de Bourg
20 0

O van Ongelukkig

(uit “verhalen van A tot Z”)   Femmes fatales en vallende sterren   Aan de sterrenhemel van mijn geliefde zangeressen prijken haast enkel vrouwen met een ongelukkige liefde, rampzalig levenseinde, catastrofaal leven, rampspoedige ervaring,  desastreus voorval met noodlottige afloop. Ik noem ze “mes femmes fatales”.  Wat een onzaligheid, hoor ik je zeggen.   Toch is het zo.  Tijdens hun sterrendom oefende of nu nog steeds oefenen ze  een ondefinieerbare aantrekkingskracht op mij uit .  Zullen wij er enkele uit het lijstje lichte ?   Het begon op mijn vijftiende met de dood van Piaf.  Ik zag ze voor het eerst live in wit-zwart op de TV bij mijn bompa.  Hij was een van de eersten in het dorp die een televisie bezat. Haar laatste optreden in de Parijse  Olympia maakte een verpletterende indruk op mij.  Het gehavende dwergvrouwtje “la môme” -  amper begin in de veertig,  stelde er haar laatste verovering voor: een Griekse jonge God.  “A quoi ça sert l’amour” en de slotzin “Ca sert à ça l’amour” werd haar laatste ademtocht en voor mij een liefde voor het leven.  Ik heb ooit met het idee gespeeld een van mijn dochters Edith te noemen maar zover is het, allicht gelukkig voor hen,  nooit gekomen.   Piaf ontmoette tijdens haar trip naar de Verenigde Staten de uitgeweken Duitse Marlène Dietrich.  Zingen kon deze diva amper en buiten haar bijzonder lange en mooie benen kon ze bezwaarlijk een echte beauty genoemd worden.  Toch bezat zij het uitzonderlijk talent om zowel langs de Duitse als langs de kant van de geallieerden alle jonge soldaten te begeesteren.  Met haar onnavolgbare vertolking van Lili Marleen, het lied geschreven door “eines jungen Soldaten auf der Wacht” veroverde zij op haar eentje de wereld. Veel later volgde ondermeer haar meesterlijke interpretatie van de Duitse vertaling van het lied van Pete Seeger “Sag mir wo die Blumen sind”.   Toen la Dietrich reeds jaren niet meer op een podium was verschenen, ging zij plots terug optreden. Tickets vlogen aan onbetamelijk hoge prijzen de deur uit.  In Brussel was het enorme Vorst Nationaal volgelopen.  Het geroezemoes viel stil toen de lichten werden gedoofd en een spot werd gericht op een plaats achteraan het podium.  Plots hoorde men hier en daar een kreet van ongeloof en een langgerekt  ooooh als Marlène in een rolstoel werd opgereden tot vooraan het podium. Zij werd zachtjes uit de stoel geduwd en stond dan langgerekt  in een van haar beroemde glitterjurken met split en duizelingwekkende naaldhakken voor de microfoon.  Ze bracht welgeteld vijf van haar wereldsuccessen.  De zaal laaide van enthousiasme maar er volgden geen bisnummers.  Marlène werd in rolstoel afgevoerd.  Via de pers vernamen haar fans de dag later de reden van deze pantomime: “de bène van Marlène”  waren voor een fabelachtig bedrag verzekerd en de verzekerings-maatschappij wou het zekere voor het onzekere nemen, het stappen op haar stiletto’s tot vooraan het podium was véél te riskant.   Op hetzelfde moment dat Piaf en Dietrich elkaar ontmoetten verscheen een derde vrouw op het toneel :  Hildegarde Knef. Als vrijgevochten, zelfbewuste vrouw werd zij snel vergeleken met Marlène Dietrich. In het naoorlogse Duitsland was zij zonder meer een van de belangrijkste actrices.  Maar ook als schrijfster werd zij bekend onder meer door haar bestseller “Der Geschenkte Gaul” over hoe ze haar ganse leven tegen kanker streed. Met haar zwaar doorrookte stem was zij eerder een diseuse/ chanteuse maar bracht ze onnavolgbare interpretaties van haar veelal zelf geschreven liedjes. In vele opzichten volgde zij het pad van Dietrich.  Zo zou ook zij na jaren afwezigheid vanwege haar ziekte opnieuw de podia bestijgen. Als eeuwige fan was ik begeesterd toen haar komst in de Bozar in Brussel werd aangekondigd.  De grote Knef,  eindelijk in Brussel!   In de grote Henry Le Boeuf zaal zitten een vijftigtal fans op het parterre, op de verschillende andere niveau’s zitten her en der verspreid nog een honderdtal personen.  Tel daarbij een aantal genodigden uit Ambassades,  Knef was tenslotte een grote dame, en men kwam in totaal aan een maximum van 200 toehoorders. Op de grote scene staat enkel een vleugelpiano. De man die erachter plaats neemt is al levenslang haar vaste begeleider.   Dan verschijnt Hildegard, getekend, verouderd, draagt zij een pruik ?  De ouderen in de zaal herkennen meteen haar eeuwige lange witte jurk met gouden biezen. Het welkomsapplaus is spontaan maar klinkt pover in een zaal met tweeduizend zitplaatsen.  Weet Brussel niet dat dit een wereldster is die beter verdient?   Knef kijkt met haar brede bekoorlijke glimlach de zaal in en met beide handen nodigt ze het publiek boven op de balkons en in de nok van de zaal “Kommen Sie doch allen runter” . Dan wacht ze geduldig tot iedereen is afgedaald.  Geboeid vanaf de inzet van het eerste lied tot de laatste noot van het zoveelste bisnummer  is haar publiek in de ban van deze uitzonderlijke vrouw.  Voor mij zie ik een blonde twintiger met een heuse bandrecorder haar liedjes opnemen.  De jongen hangt aan haar lippen en lipt de meeste liedjes met haar mee.   Na afloop vindt de dame nog de kracht om handtekeningen uit te delen.  Bijna de halve zaal wacht haar op. Nu merk je aan haar hoofdband dat Hildegard inderdaad een pruik  droeg op het podium. Haar strijd tegen kanker heeft zijn tol geëist. Voor mij staat de blonde twintiger.  Ik hoor hem zeggen “Frau Knef, kommen sie bitte bald wieder nach Brüssel”.  Ze glimlacht.  Als ik voor haar sta lees ik in haar zieke ogen dat ooit nog naar Brussel terugkeren er niet meer inzit. Bij het spellen van mijn naam zegt ze gniffelend  “Ich weiss doch wie mann das schreibt, liebling” .  Mijn avond kan niet meer stuk.   Een bijna even rokerige stem, neen eerder een “bedroom voice” heeft de Franse actrice en zangeres Juliette Greco.  Net als haar voorgangsters op dit lijstje heeft ze beroemde mannen versleten of ontdekt.  Ze was gehuwd met Michel Piccolli.  Ze ontdekte grote namen als Serge Gainsbourg, Guy Béart en Léo Ferré.  Momenteel is ze gehuwd met de voormalige “pianiste du Grand Jacques”, Gérard Jouannest, componist van menige chansons van Brel.  Zij is de onvervalste femme fatale van de Parijse existentialisten. Maar ook één van de mijne.   Op een dag staat ze op het podium in Brussel. En dan gebeurt het. Het orkest zet in, zij begint een van haar chansons en plots niets meer.  Totale black-out.  De zaal is muisstil en houdt de adem in.  Dan zegt  Juliette op haar onnavolgbare manier : “Merde ! Je la connais pourtant  cette chanson ! – et puis qu’est ce que vous avez à me regarder tous? “  Applaus.  Even later laat ze het orkest weer starten en brengt ze haar volledig lied gevolgd door een minutenlange ovatie.   Nu de wapperende haren van de Duitse blondine werden gevolgd door de ravenzwarte pony van de Française,  is het de beurt aan een lichtroodharige.  Ook weer actrice op toneel en in films en ook weer een onweerstaanbare zangeres met een bijzondere stem, niet echt melodieus, maar diepgravend en soms stokkend ontroerend.  Haar “je te dirai des mots” , half in het Frans, half in het Grieks, breekt nog dagelijks harten van opgroeiende jongelingen en mannen. Palikari !  Socialiste in hart en nieren ontvlucht ze het Griekenland van de kolonels en brengt ze hartverscheurende teksten en liederen uit haar geboorteland.  Samen met velen die “on her side” stonden, wint ze de strijd en wordt ze minister van Cultuur in het van dictatuur bevrijde Griekenland.   Tijdens Europalia waar Griekenland aan de beurt is, ga ik naar een voorstelling in het beruchte Théâtre 140 op de Plaskylaan in Schaarbeek.  De zaal is volgelopen maar de voorstelling begint niet meteen. Vijftien minuten over tijd, de zaal wordt rumoerig. Wat is er aan de hand ?  En dan zie ik haar, mevrouw de Minister, mijn Melina Mercouri, een bos rode rozen in de hand. Zij was het wachten dubbel en dik waard, fataal vrouwtje toch!   Bij de blondines op mijn lijstje vind je nog  Dusty Springfield of de iets minder desastreuse Dolly Parton .  Bij de zwartharigen mag ik  de Franse Barbara niet vergeten of de Portugese Amalia Rodriguez en uiteraard de meest fatale van al mijn femmes fatales : de ongeëvenaarde Maria Calas.  Welk lot is er rampzaliger dan dit van deze diva der diva’s ? Ze scheerde de hoogste toppen en daalde af in de grootste ellende, niet  op materieel,  wel op emotioneel vlak.  Dat hoor je in iedere noot die ze aanheft,  in elke nuance die ze legt in haar diep doorleefde interpretaties.   Voor haar zijn alle superlatieven ontoereikend, zij staat eenzaam, verlaten en alleen aan de top van mijn lijstje : La Divina Diva Fatale !  

Vic de Bourg
0 2

HEMELEN

Als ik ’s avonds niet onmiddellijk de slaap kan pakken, lig ik zo soms in mijn bed allerlei dingen te bedenken. Leven wij inderdaad boven onze stand, als we straks weer als twee zigeuners met onze caravan door Europa gaan trekken? Leven wij boven onze stand als we elke winter naar het warme Tenerife trekken, zodat wij tijdens deze periode geen gepeperde rekening voor Belgisch gas- en elektriciteitsverbruik moeten betalen. We minimaliseren tegelijkertijd onze Vlaamse waterconsumptie door te douchen op Spaanse bodem. Wij eten en drinken daar aan de helft van de Vlaamse café- en restaurantprijzen en komen lekker vol apothekersloze vitamientjes terug. Soms gaan mijn overpeinzingen verder dan dat. Ik las gisteren in de regionale krant dat twee Edegemenaars beweren dat Edegem tijdens Wereldoorlog I van bombardementen gespaard bleef, omdat wij hier toch een Onze-Lieve-Vrouw van Lourdesgrotje hebben. Alle randgemeentes hebben kerken en kapelletjes afgeladen vol met Jezus- en Mariabeelden, maar die werden wel gebombardeerd. Welke kronkel moet je bezitten om zulke theorieën heden ten dage nog in de krant te laten verschijnen.   Hoe zien de gelovigen het hiernamaals en is er daarboven voor alle biddende medemensen één hemel? Kan het dat er maar één moslimhemel zou zijn waar de zelfmoordterroristen samen met hun islamitische,uit elkaar geblazen en geslachte offers (woordspeling!), gelijktijdig aankomen? Het lijkt me nogal onwaarschijnlijk dat de zielen van de ontplofte en vermoorde moslims in volledige harmonie met hun terreurzaaiers door één poort zouden kunnen. Heeft hun God dan misschien voor drie afzonderlijke halalhemels gezorgd? De eerste poort is vermoedelijk gereserveerd voor de martelaren die dan onbekommerd  ogenblikkelijk aan het ontmaagden kunnen slaan. De tweede poort is dan voorbehouden voor de echte brave mannelijke islamieten en ergens ver weg is er een achterpoortje voor de hoofddoekvrouwtjes. Ja alles lekker van elkaar gescheiden. Als je op aarde niet gezamenlijk mag bidden of zwemmen, dan veronderstel ik dat je er ook niet tezamen mag zweven, niet waar? En in de Joodse hemel, is daar nog plaats genoeg? Het zal na wereldoorlog II wel hevig drummen geweest zijn daarboven. Hun God zag al het onrecht dat hun aangedaan werd lijdzaam aan, zonder in te grijpen. Zou jij je doodadresje dan nog tot in der eeuwigheid in zijn residentie willen onderbrengen? Wapperen hun pijpenkrullen niet uit en vliegen hun plastiek zakken over hun hoeden, hun hoofddeksels en hun pruikjes niet af als ze ten hemel opstijgen? Zijn er een paar bevoorrechten die hun plaatsje daarboven al via briefjes in de Klaagmuur gereserveerd hebben? Dan vind ik persoonlijk de Boeddha hemel veel esthetischer, sorteren per soort, recycleren en terugsturen. Reincarneer nog maar een paar keer en als je ten langen leste van de allerlaagste kaste omhoog geklommen bent en eindelijk alles goed doet, dan misschien mag je er wel in. Zo kan die hemel nog onbezoedeld eeuwen meegaan. Nu nog die christelijke hemel, hoe zit dat daar? Mogen daar alle soorten christenen samen de dood vieren? Mogen zelfdoders, moordenaars en pedofiele pastoors en priesters samen met hun slachtoffers op dezelfde wolk rondscharrelen? Worden de protestanten en de evangelisten er angstvallig weggehouden van die andere geïndoctrineerde Lourdesgangers die Maria en al die andere heiligen er nog bijslepen? Is er een speciale verdieping voor gelovige homo’s, Scientology sekteleden of de getuigen van Jehova?  Is er ergens in een donker afgelegen steegje een restafval- hemeltje voor al diegenen die voor het Jezus- tijdperk  geleefd hebben. Wat gebeurde er met al die Neanderthalers, Egyptenaren, Hunnen, Grieken en Romeinen die dus niet in dit sprookje konden geloven? Ik vermoed dat de christelijke God er een eigen verborgen agenda op nahoudt. Heeft hij een afzonderlijk hoekje in de hemel waar alle creatieve zangers, ongeacht hun religie en soms liederlijk leven opgevangen worden? Het is tenslotte al van 1971 geleden dat hij de musical Jesus Christ Superstar op ons losliet. Misschien dat James Last een nieuw concept op poten aan het zetten is. Zou John Lennon daarboven nog welkom geweest zijn nadat hij, met zijn ‘Imagin’, het bestaan van religies en een hemel in vraag stelde? Mogen overdosis gedrogeerden zoals Michael Jackson en het zelfmoordnachtegaaltje Whitney Houston nog meezingen in zijn volgende hemelse compositieschepping? Heeft hij aan Demis Roussos, David Bowie en Thé Lau niet genoeg om als achtergrondkoor te zingen of laat hij nog snel wat halleluja- Afrikanen naar de eeuwige jachtvelden opstijgen?  Oefent La Esterella “Oh Lieve Vrouwetoren” als hoofdaria of wacht de vader nog op de komst van kabbala Madonna. Met zo’n naam verdien je minstens paradijselijke hitparaderoem in het nirwana.  Zitten de Voice of Europe, Eddy Wally en Zjef Van Uytsel nu op hun wolk te stampvoeten. Opeens zien ze de hoofdrol in de volgende goddelijke musical aan hun neus voorbij gaan, nu de Heer totaal onverwacht, de ‘Purple Rain’ Prince, voortijdig naar het walhalla riep als nieuwe zingende hoofdrolspeler .    Sim, zachtjes wegdoezelend                Edegem, 23 april 2016

Sim
0 0

de BK

Ik ben de kat van de buren die elke dag op je terras zit te wachten tot je de glazen deur opent. Ik ben die zwarte met dat kilootje te veel en die witte poten alsof ik in een pot verf heb gestaan. Ik ben het beest dat afgelopen zomer je verse vlees redde van een sissende barbeque en maar al te graag het gespreksonderwerp wordt tijdens je lunch. Ken je me nog? Vandaag is het een prachtige dag om je te komen begroeten. Nadat ik eerst uitgebreid heb gezonnebaad en gerust, verlaat ik mijn huis op zoek naar avontuur. Mijn poten torsen de natte brokken die ik voorgeschoteld kreeg waardoor ik met moeite door mijn kattenluik geraak. Een anekdote die mijn baas, ter ergernis van zijn collega’s, graag rondbazuint op de sociale media, foto’s incluis. Ik ben een BK, een bekende kat, tijger van het internet. Hoe meer likes, hoe beestiger mijn baas me vindt. Vind ik leuk. Met mijn kop omhoog schat ik de sprong in op de muur die uitkijkt op je tuin. Nadat ik eerst een merel de schrik van zijn leven heb bezorgd, wip ik op mijn troon. Deze BK is heerser der hoven, bewaker der bossen. Daar sta ik als een zwarte panter met witte sokken je gras te inspecteren. Het is zoveel groener dan bij ons. Hoe komt dat? Mijn moeder had gelijk. Op tijd en stond kan sproeien wonderen doen.   Mijn moeder leerde mij om zelfzeker in het leven te staan. Ook zij kon hevig uithalen als het haar niet zinde. Het is belangrijk dat je laat zien wie er de baas is, des te meer kans heb je op een goede thuis, wist zij. Je moet je mens te allen tijde beschermen tegen het kwaad, als een waakhond die tegelijkertijd ook lief kan zijn. Maak goede vrienden, wees voor het donker thuis en vergeet niet dat urenlang rusten op tijd en stond belangrijk is. Mijn moeder wist hoe de wereld in elkaar zat. Tot ze door een dronken chauffeur werd gegrepen toen ze niet voor het donker thuis was. Haar wijsheid nam ze mee in haar graf waardoor mijn zussen en ik onze wonden zelf moesten likken. Niet lang daarna nam een mens in een witte camionette ons mee naar een plek waar we voedsel kregen dat we nog nooit geproefd hadden en werd ik geplaatst bij een alleenstaande man. En mijn vader? Die heb ik nooit gekend. Die is gaan lopen en niemand weet waar naartoe. Ik vermoed dat ik van hem die witte poten gekregen heb want mijn moeder, dat was een zwarte.   Met vinnige passen balanceer ik op de muur die ons scheidt, als was het een strak gespannen koord. Ik spring je terras op en wacht. Tijd om me te vergeten geef ik je niet. Ik ben de kater die je dagelijks een gratis concert geeft tot je de deur van de veranda opent. Dan spreid ik mijn bek en wauwel ik een lied dat me te binnen schiet. Als jij dan in het glas verschijnt met het hoofd een beetje schuin, laat ik je mijn achterste zien. Dan spring ik weer mijn eigen tuin in en doe ik alsof het me niet meer interesseert. Maar mens, ik kan je verzekeren: het doet me wel degelijk iets. Ik vind je poeslief. Alleen is het niet de bedoeling dat ik daar zo eerlijk over ben.   Mensen kunnen goed liegen. Dat ondervind ik nog elke dag. Soms doen ze alsof er iets lekkers in hun zakken zit en gooien het denkbeeldig weg. Dan ren ik als een kip zonder kop achter een gelogen snack aan. Vaak stel ik dan mijn eigen reukorgaan in twijfel. Begrijp je hoeveel stress dat bij mij teweegbrengt? Telkens te moeten denken dat ik ziek ben, dat ik weer naar die oude dierenarts met zijn zwarte bril en zijn grijze snor moet. Hoe meer mensen liegen, hoe meer ze gebeten worden. Want hoe kan je ze nog vertrouwen als ze zo vaak doen alsof? Ik kan enigszins begrijpen dat niet iedereen een vast inkomen heeft en niet in staat is voor ons te zorgen. Maar wat is nu één koekje? Vandaag blijf ik zitten met mijn staart rond mij gekruld. Er brandt geen licht in je huis. Waar ben je? Een mus vliegt rakelings langs mij voorbij en gaat op onze muur zitten. Die heeft lef. Aanvalspositie. Met mijn lijf dicht tegen de grond gedrukt, snorharen naar voren, ben ik klaar voor een feestmaal. Dat wordt een zomer om nooit te vergeten. Nog één stap verwijderd van de grote sprong, laat ik mijn achterste wiebelen en ben ik net te laat. De mus vliegt het vogelnest in dat al enkele maanden scheef in je tuin hangt. Wacht! Waf! Waf! Daar verschijnt hij blaffend in het glas. Een bulldog van formaat met platte smoel, norse blik en dat kilootje te veel. Met langgerekte wangen die rond zijn bek lebberen alsof ze zich overleveren aan de zwaartekracht. Zijn poten torsen de massa brokken die hij voorgeschoteld kreeg. Wij hebben zoveel gemeen. Mijn speelkameraad, de kolonel.   De kolonel woonde hier al voor ik bij mijn mens werd geplaatst. Ik zag hem dagelijks voorbijkomen aan de leiband, wat ik triest vond. Honden hebben nooit vrij spel, dacht ik dan. Ze worden aan het lijntje gehouden omdat ze waarschijnlijk niet slim genoeg zijn. Ze zouden gaan lopen en hun weg naar huis niet meer terugvinden. Ze zouden niet voor zichzelf kunnen zorgen als ze door de stad dwalen. Als de kolonel op stap ging, keek hij me altijd recht in de ogen. Dan begroette ik hem door met mijn voorpoten tegen het raam te tikken. Terwijl zijn mens telkens naar binnen gluurde, blafte hij één keer en verdween de straat uit. Ik wist meteen dat de kolonel en ik een band smeedden voor het leven. Dat ik het was die hem weer thuis zou brengen, mocht hij ooit verloren lopen. Die dog zou mijn dagelijkse drijfveer worden. Goede vrienden maken, had mijn moeder gezegd, is van levensbelang.   De kolonel duwt zijn platte smoel tegen het gesloten glas waardoor natte strepen zijn zicht naar buiten doen verwateren. Ik tik met mijn voorste poten tegen het raam zoals ik dat altijd doe. ‘Waar is je mens’, miauw ik naar hem waarop hij blaft dat jij naar je werk bent. Nerveus zie ik hem rondjes draaien in de woonkamer. Hij moet zeker plassen, denk ik. ‘Heb je echt geen gat’, smeek ik hem. Hij kijkt me dwaas aan alsof hij me niet gehoord heeft doorheen het glas. ‘Een gat’, probeer ik nog eens terwijl ik met mijn staart je terras veeg. De kolonel blaft een keer en loopt dan als een dikke pony de woonkamer in. Enkele seconden later verschijnt hij weer met een versleten touw tussen zijn tanden. Zijn speeksel druipt op de grond als een lekkende kraan. Ik begin te ijsberen aan de andere kant van het glas. Misschien is hij doof geworden en moet hij binnenkort naar die oude dierenarts met zijn zwarte bril en zijn grijze snor. Daar moeten we het binnenkort toch eens over hebben. De kolonel laat het touw uit zijn bek vallen terwijl zijn staart, of zeg maar zijn stomp, heen en weer gaat. ‘We spreken af’, miauw ik, ‘dat je hard genoeg roept als je mens thuis is.’ De kolonel begint wild te blaffen waardoor ik vermoed dat hij het begrepen heeft. Ik knipoog naar hem, laat mijn staart trillen en keer licht teleurgesteld huiswaarts.   Mens, ik moet bekennen dat ik je al die tijd misbruikt heb. Dat ik gelogen heb zoals mensen dat doen. Het is niet voor jou of het extra eten dat ik dagelijks op je terras zit te wachten. Het is de kolonel waarmee ik de sociale media wil veroveren. Hij is het waarmee ik de roem en de BK-status wil delen. Jij bent voor mij alleen maar een deuropener geweest. Het is je eigen schuld, mens. Leer van je fouten en geef ons het goede voorbeeld. Als wij de kinderen zijn die je nooit kon krijgen, dan is een goede opvoeding topprioriteit. Wie naast de kolonel slaapt, krijgt natuurlijk de streken van zijn baas over. Ik heb zo gelogen over de reden van mijn dagelijks bezoek, mijn passie en mijn vriendelijkheid. Je brokken zijn trouwens niet te vreten.   Ik wurm me door mijn kattenluik naar binnen. Eerst mijn kop, dan een poot waardoor ik al een beetje klem kom te zitten. Ik probeer het anders. Eerst een poot, dan mijn kop en dan de rest. Mijn mens staat al klaar met zijn iPhone en komt iets te dicht in mijn buurt voor een close-up. Moet hij niet werken? Flash, daar sta ik zeker op met mijn ogen dicht. Een filter over mijn pose, een poot wat bijsnijden en de wereld in. Buiten onze overlevingsdrang is dat het enige wat mensen en dieren gemeenschappelijk hebben. Het feit dat we graag gezien willen worden. Dat iedereen ons leuk moet vinden. Dat iedereen jaloers moet zijn op wat we bereikt hebben. Vandaag ben ik daar net iets minder enthousiast over. De kolonel krioelt in mijn kop. Ik miauw naar mijn mens die denkt dat ik honger heb. Er wordt een denkbeeldige snack in de keuken gegooid maar deze keer laat ik me niet vangen. Lopen is voor losers. Ik trippel naar mijn kussen dat voor de zoveelste keer op een andere plek ligt. Hoe vaak moet ik die man nog duidelijk maken dat ik een vaste plek wil. Daar, naast die plant die dringend water nodig heeft en waar ik vogels kan spotten. Niet daar, naast de zetel waar ik niks kan zien. Het verbaast me niet dat hij niet aan een lief geraakt. Stel je voor dat hij zijn eigen bed telkens zou verhuizen. Op dat moment hoor ik een enorme klap, de kolonel roept, sneller dan verwacht. Alsof ik een prik krijg van de oude dierenarts met zijn zwarte bril en zijn grijze snor vlieg ik nooit gezien door mijn luik. De kolonel loopt in zijn tuin, zijn geblaf is nu heel dichtbij. Ik wip de muur op en zie hem nog net op dat versleten touw van daarnet springen. Z’n korte poten zijn net dikke sigaren. Als je er genoeg aan trekt worden ze nog kleiner. Hij kijkt naar mij en blaft zijn wangen los. ‘Lang leve de halve werkdagen’, mompel ik. Hij schudt zijn kop en rolt zich in het gras terwijl ik met mijn witte sokken van de muur spring. ‘Wat heb je?’ wauwel ik hem toe. Pas dan zie ik het. Het glas van de veranda ligt in gruzelementen.   Als een bergbeklimmer zonder harnas en met zijn iPhone in de hand komt mijn vrijgezel de muur opgekropen. Dit is een uitzonderlijke kans. Ik zeg hem dat ik een foto wil met de kolonel, dat een raam kapot kan gaan maar deze vriendschap niet, dat de zon net goed staat voor de ultieme foto, dat scherven geluk brengen en dat ze misschien wel een vrouwmens voor hem in petto hebben, dat de kolonel gelukkig niet gewond is en dat hem zeker geen schuld treft voor het kapotte raam, dat we allebei honger hebben en dat het huis van de buren dringend nood had aan verluchting. Maar het heeft geen zin. Mijn mens heeft alleen maar oog voor de scherven om ons heen en wil weten wat er gebeurd is. Hij zal er zelf wel iets op verzinnen, de leugenaar. Hij richt de iPhone naar de grote ster in het raam. Flash. Het is nu of nooit. Met mijn kilootje te veel spring ik op de kolonel. Hij laat zich gewillig vallen want hij weet wat er te gebeuren staat. Om de aandacht op te eisen die we verdienen voeren we de kunstjes uit die we al zo vaak besproken hebben. Als twee modellen die precies weten wat er van hen verwacht wordt. We hebben drie voltreffers. De pose waarbij ik triomfantelijk op de kolonel sta als een koorddanser, die met mijn voorpoten op zijn dikke buik alsof ik hem net gevloerd heb in de derde ronde en de laatste maar vermoedelijk de populairste: de pose waarbij ik de wangen van de kolonel met mijn voorpoten naar boven duw alsof hij de wereld toelacht. Die zal zeker scoren en het aantal likes aanzienlijk verhogen. Dit kan het begin zijn van een sociaal leven en van betere brokken. Mens, kijk dan toch. Kijk dan. Wij zijn als echte koekjes die je in het gras gooit. Eerst onvindbaar maar als je goed zoekt, een plezier om ons tegen te komen. Kijk dan toch.

Pascale Wouters
0 0

J van Jef

(uit “verhalen van A tot Z”)   DE JEFKES   Verhalen uit lang vervlogen tijden worden door de jaren heen aangedikt met allerlei fantastische maar onbestaande uitvindsels.   Dit verhaal is echt, het enig mogelijke gebrek is dat een of ander persoon is vergeten of een foute naam werd toebedeeld; dat horen we dan ten gepaste tijd wel van hen die het ook hebben meegemaakt.   In ons kroostrijk gezin van weleer kwamen veel leveranciers van allerlei goederen en diensten nog aan huis. Als kinderen kenden wij haast nooit de familienamen maar dat deed er ook niet toe, voor dit verhaal is trouwens alleen de voornaam belangrijk.   Tegenwoordig zijn Daan, Thomas, Bram, Milan, Liam en Lucas populaire jongensnamen maar er was een tijd dat Joseph, Jozef of in verkorte versie “Jef” de kroon spande.   Om te beginnen was er Jef, de bakker. In een reuzengrote rieten mand bracht hij dagelijks het dagelijks brood dat hij bij afwezigheid op de vensterbank achterliet.   Vader die werkte op de “charbonnage” had recht op een aantal gratis kilos kolen per jaar. Dat zwarte goud werd met paard en kar gebracht door Jef, de kolenboer.   Bankrekeningen, bestendige opdrachten, domiciliëringen waren er nog niet.  De mutualiteiten bestonden gelukkig al wel en lokten, toen reeds, massaal werkzoekenden uit het buitenland naar ons landje met zijn felbegeerde sociale zekerheid.  Lidmaatschappen werden via kassiers geregeld die aan huis kwamen om de verschuldigde premies op te strijken maar evengoed om de sommen terug te betalen waarop leden recht hadden. De man van de ziekenkas, u raadt het, heette Jef.   Hoeveel literflessen melk er werden geleverd is niet meer precies geweten.  Wel dat het volle melk was, want dat stond er ook in het Frans op. Als “klein mannen” (verzamelnaam waaronder ook de meisjes ressorteerden) spraken we het uit als “LA IET EN TIER”. De naam van onze melkboer, wat dacht u, was Jef, of was het Frans, een zoon van Jef ?   Zoals in het gezin van Pamel of op het schilderij van Van Gogh werden er te onzent ook in grote getale aardappelen gegeten. Dat leverde na een week een berg schillen op. Wij hadden toen reeds een soort compostput in de tuin, maar de aardappelschillen werden bewaard. Elke zaterdag kwam op de fiets, een man, Jef genaamd, de schillen ophalen als voer voor zijn varkens.    Moeder spande jarenlang de kroon in de vrouwenbeweging van het dorp en was een hardnekkige verdedigster en fervente aanhangster van haar broer politicus. Toen ze bij de lokale verkiezingen van de echtgenote van Jef-van-de-schillen vernam dat haar man deze keer wel eens voor een andere partij zou stemmen, wees ze haar terstond terecht. Haar Jef was niet meer welkom en onze schillen belandden voortaan op de mesthoop.  Is dat geen vorm van racisme ? vroegen wij ons af.   Wij hadden de vraag aan de nieuwe kapelaan kunnen stellen. Tijdens een zoekspel in het dorp werden wij in groepjes verdeeld  en was een van de opdrachten dat wij zijn leeftijd moesten raden. De man moet in de dertig geweest zijn. Een van groepjes had 85 ingevuld. In het parochieblad stond zijn naam voluit. Hij heette Jef, maar in die tijd was het nog niet gebruikelijk om de voornamen van geestelijken te bezigen.     Langs vaders kant stammen wij af van een biersteker. In de albums met familiefoto’s prijken onze voorouders naast paard en kar, volgeladen met biertonnen.  Was het een traditie die stamde uit de glorietijden van de “marchands de bière” ? - thuis werd er bij de maaltijden, ook door de kinderen, een licht bruin tafelbier gedronken. De houten bierbakken en af en toe een plastieken bak limonade werden aan huis gebracht door Jef, de bierbrouwer.   Er moet hier of daar ook wel een Lowie of Gustaaf bestaan hebben tussen de leveranciers maar die werden minder op handen gedragen en totaal genegeerd.  Zoals in het kinderliedje over de oma’s klonk het “Jeffen aan de top”.   Omdat er nog geen waterleiding of riolering in onze straat lag waren er waterputten en pompen met respectievelijk drinkwater en regenwater. Wat tegenwoordig een septische put heet noemde men toen simpelweg een beerput. Soms ledigde vader zelf de put met een beerschep. Het goedje kwam dan op de planten en het grasperkje achter het huis terecht als bemesting. De vensters in de buurt bleven op die dagen angstvallig gesloten en wij werden een tijdje door de omwonenden vies bekeken, tot hun beerput aan de beurt was. Heel af en toe kwamen twee mannen de put volledig ledigen met alweer paard en kar, waarop dan een enorme beerton was gemonteerd.  Ik denk nog te weten dat de ene naar de andere riep “Jef, staat de kraan dicht!?”   Vader was een manusje-van-alles die alle problemen kon oplossen. Slechts zelden deed hij beroep op een andere handige Harry om een of andere klus te klaren. Toch is er ooit een dakdekker langs geweest. In mijn herinnering, of was het in een droom, liet die toen een reclamefoldertje achter waarop stond “Jef dekt alles, vooral daken”.   Grootvader langs moeders kant heette Jef of wat dacht u? Geen van zijn zonen, de van communiefeesten en kaartavonden bekende zatte nonkels, hadden zijn naam meegekregen.  De langverwachte riolering en waterleiding werd aangesloten door een broer van mijn moeder, die - via de politieker in de familie - werk had gevonden bij de gemeente. Dus was het voor één keer geen Jef die de graafwerken uitvoerde.   Door hun kinderzege waren onze ouders verplicht een aantal regels te doen respecteren in huis. Zo was de “voorplaats” enkel bij grote gelegenheden toegankelijk. Twee pagadders hadden bij het verstoppertjesspel toch de plaats betreden en braken tot overmaat van ramp de mooiste en duurste vaas, een trouwcadeau. Hopelijk werd de Val Saint Lambert nadien naar waarde geschat toen Jef-van-de-verzekeringen langskwam.   Als groot fan van onze nationale trots Jacques Brel, betaamt het hier een van zijn meest beklijvende liedjes te vernoemen over zijn beste kameraad Jef.   Nu we in de muziek zijn aanbeland wil natuurlijk niemand dit nog geloven.  In ons dorp waren twee muziekkorpsen, de ene werd in 1851 opgericht met de welluidende naam “Echo de la Jeune Campine”. De plaatselijke heemkundige kring zal bevestigen dat 53 jaar later, in 1904 Fanfare St. Jozef volgde, die in de volksmond “De Jefkes” werd genoemd.   Taraa, taraa, roffel, roffel, klets boem !    

Vic de Bourg
13 0

een dag uit het leven van een dichter zonder muze

De klokken van de kerktoren verder op de heuvel slaan vier keer. Ik draai me nog een keer om en zucht. Gelaten knip ik het lampje boven mijn hoofd aan, waarom weet ik niet precies. Misschien dat, als ik naar het plafond, de gordijntjes, de spullen in mijn kamer kan kijken, ik dan wat afleiding krijg van het lawaai in mijn hoofd. Het is alsof er een feestje gaande is in mijn kop waarop ik niet ben uitgenodigd maar dat me desondanks wakker houdt. Muziek die vraagt om vertaald te worden op papier. De opzwepende tonen lonken me om de slapeloosheid om te zetten in creativiteit. Woorden. Halfzinnen. Een gedicht. Ik overweeg een kijkje te nemen op het feest en mijn notitieblok erbij te pakken. Maar ik merk dat ik geen zin heb om het toe te laten, wetend dat ik ervan zal genieten en dan van geen ophouden weet. Kreunend hijs ik me recht en uit bed, richting wc. Terwijl ik langs de glazen achterdeur loop zie ik het schijnsel van de maan op de terrasstoelen in de tuin. Ik twijfel een seconde, maar grijp dan vastberaden de deurknop en stap op blote voeten de tuin in. De geur van oranjebloesem is overweldigend, de tuin ligt bezaaid met afgevallen witte blaadjes, wat de aanschijn ervan een sprookjesachtig waas verleent. Bleke blaadjes bedekken de bodem met bedeesde betovering… In de verte beukt de branding. Ik zuig de nachtlucht in die al een vleugje ochtend lijkt te bevatten. Minutenlang sta ik in het midden van de tuin, zonder mijn blik specifiek op iets te richten, zonder een wezenlijk scherpe gedachte. Ik zou ook gewoon op kunnen blijven en aan de dag beginnen, bedenk ik me. Hier wachten op het verkleuren van de lucht. Waarnemen hoe de geluiden schijnbaar ongemerkt veranderen. De nieuwe dag groeten. Ik moet er om lachen, want eigenlijk heb ik nog niet eens afscheid genomen van de vorige dag. Ik heb gisteren en morgen nog niet van elkaar gescheiden met ook maar een druppel slaap. Dat dan toch maar eerst even doen. Ik schuifel terug naar binnen, veeg nonchalant mijn voeten aan het tapijt en kruip weer onder de dekens.   Met een schok schiet ik wakker, een luid gebrom doet het plafond en de wanden trillen. Vroem vroem vrooeeemmmm. De zware motor van de buurman. Waarom hij dat ding steeds vijf minuten lang stationair laat draaien en daarbij regelmatig vol gas geeft is me een raadsel. Ik draai me om naar de wekker, zie dat het nauwelijks twintig over negen is en vloek luid. ‘Het is godverdomme zondag!’ In een impuls spring ik uit bed en ren de deur uit richting buren. Maar ik heb geen schoenen aangetrokken en het pad is modderig. Ik twijfel of ik er toch door zou lopen, maar dan moet ik zo meteen mijn voeten wassen voor ik weer in bed kan. Zucht. Nog terwijl ik met mezelf sta te overleggen zie ik de buurman zijn oprit afrijden op de motor. Hij ziet me niet staan en is al de hoek om voor ik kan zwaaien. Ik foeter in mezelf en heb plots zin om ergens tegen te schoppen. Tegen beter weten in ga ik naar binnen en kruip weer onder de dekens. Gauw genoeg moet ik echter plassen en voel ik mijn maag knorrend om aandacht roepen. Ik ga plassen, trek een trui aan over mijn slaapkledij, wrijf mezelf in de ogen en ga de keuken in. Koffiezet aan, radio aan. Dit wordt weer een geweldige dag.   Ik voel me niet in staat om iets productiefs te doen, laat staan om rechtop te zitten. Gewapend met een volle koffiekan en een dvd leg ik me languit op de bank. Ergens ver weg op de achtergrond hoor ik de overblijfselen van het feestje in mijn hoofd en overweeg nogmaals om er een kijkje te gaan nemen, maar ik voel me totaal leeg, een vod. Geen heldere gedachten of zin in creatieve bezigheden. Zelfs de witte blaadjes in de tuin komen me nu idioot over. Grrr. TV aan, dvd in de lader, play. Mentale slaap in de vorm van hollywood trash. Laat me allemaal met rust. Halverwege de film gaat de telefoon. Schoorvoetend sta ik op van de bank en zoek het kleinood tussen de rommel op de keukentafel. Frank. Ik laat de telefoon overgaan en wacht tot het geluid ophoudt. Ik neem de telefoon mee tot aan de bank zodat ik de volgende keer niet hoef op te staan. Alleen hoop ik van harte dat er niemand meer belt. En zeker Frank niet. Ik weet niet wat ik van hem moet denken en nog minder van wat er tussen ons is gebeurd. Nu is zeker niet het moment om daar over na te denken. Een korte biep geeft aan dat er een bericht is ingesproken op de voicemail. Ik negeer het en druk weer op play. Na de film zit ik nog een half uur naar het zwarte scherm te staren zonder me te bewegen. Ik weet dat ik in actie zou moeten schieten, Lonneke komt straks en ik kan me zo niet aan haar vertonen. Lonneke mag dan mijn beste vriendin zijn, ze is ook zo’n meid die er altijd irritant goed uitziet, zodat ik er zelf als een lelijke slons tegen afsteek. Ik zou er haar bijna om gaan haten. Ze komt straks mijn camera ophalen, ik hoop dat ze niet te lang blijft, haar vrolijkheid zou kunnen verslensen onder de hoge druk van mijn depressie. Of erger nog, ze zou mij er mee kunnen aansteken.   Lonneke waait als gewoonlijk met vrolijke zwier mijn huis binnen, geeft me een zoen en een warme knuffel. ‘Gaat het wel met je?’, vraagt ze met een diepe frons. ‘Hm-hm. Hoezo?’, antwoord ik ontwijkend. Ik wil niet alweer het negatieve element zijn en zeggen dat ik me kut voel. Maar ik zou beter moeten weten, Lonneke kijkt dwars door me heen. ‘Het gaat niet, ik zie het aan je. Is er iets gebeurd?’ ‘Ach Lon, ik heb gewoon slecht geslapen, dat is alles.’ ‘Tja, romantische avontuurtjes brengen slapeloze nachten met zich mee, hè’, voegt ze er met een ondeugende knipoog aan toe. éHeel grappig. Nee, ik heb alléén in bed geslapen vannacht. Nuja, in bed gelégen. Frank zie ik vanmiddag weer, er is een feestje bij Rob.’ ‘Rob, dat is die van daar op de hoek, toch? Is het zijn verjaardag ofzo?’ ‘Nee hij gaat een paar weken weg. Typisch hem, elke reden is goed genoeg voor nog een feestje.’ ‘Om hoe laat moet je daar zijn?’ ‘Euh, om vier uur geloof ik. Hoezo?’ ‘O, tja, ik had gehoopt dat je me nog even zou willen helpen met die fotoshoot. En ik zou je computer ook nog even willen gebruiken daarna. De mijne doet weer raar.’ ‘Natuurlijk, schat, geen probleem. Zeg maar wat ik moet doen’, zeg ik vrolijk, dankbaar om de aangeboden afleiding. Ik had me al afgevraagd hoe ik de dag weer zou doorkomen en waar ik de energie zou halen voor dat feestje. Na een paar flinke teugen Lonneke voel ik meteen weer de mogelijkheden van de dag door mijn aderen stromen.   Ze wil dat ik poseer voor haar foto’s maar ik hou de camera stevig in mijn handen geklemd. Ik ben dan misschien uit mijn slaapkleren geraakt – Lonneke is hoog bezoek voor de slonzen van deze wereld – maar voel me toch nog te verkreukeld om model te staan voor wat dan ook. Maar ook als fotograaf valt het me niet makkelijk, Lonneke is heel precies in wat ze wil en hangt het moeilijke model uit. Ik bijt op mijn tong, beseffend dat het niet haar buitensporige eisen zijn die me doen tandenknarsen, wel het slaapgebrek en het komende weerzien met Frank. Ik zet door en probeer me middels een portie gemaakte vrolijkheid ook werkelijk een beetje op te monteren. Wanneer ik de volgeschoten memory card in de computer schuif merk ik dat het zijn effect heeft. Ik voel een acute aandrang tot dronkenschap en lichtzinnigheid. Het is inmiddels drie uur en ik stel Lonneke voor een aperitief met me te drinken. Ze weigert en zegt dat ze nog veel werk heeft met het organiseren van de beelden. Ik haal mijn schouders op, neem een fles witte wijn uit de koelkast en zoek de opener in de la. Net op dat moment biept de telefoon. Een bericht van Frank. Of ik zijn voicemail heb gehoord. Of hij alvast zal langs komen voor een aperitiefje? Ik lieg dat ik nog werk heb met Lonneke, ik zie hem wel bij Rob om vier uur. Ik voel me nog niet klaar om mijn gevoelens onder ogen te zien. Onder invloed van een laagje alcohol gaat het vast beter. Lonneke zit te werken, ik drink en rook aan een fiks tempo. Voor een keer kan ik me niet laten afleiden door digitale impulsen, gezien Lonneke nu de computer, mijn bron van verslaving, bezigt. Ik observeer haar en laat mijn gedachten de vrije loop. Ze is zo geconcentreerd dat ze mijn gestaar niet opmerkt en ook mijn hersenen niet hoort kraken. Ik daarentegen wel, de muziek wordt weer luider, flarden feestgedruis wakkeren een onderdrukte tinteling in mijn wezen aan. Ik denk terug aan de Bleke Blaadjes en laat mijn geest vrij rond dwarrelen langs beelden en rijmwoorden. Ik schrijf niks op omdat ik voel dat het maar losse flarden zijn, ik zeil om de essentie heen. Wanneer een beeld van Frank voor me opdoemt weet ik dat ik de kern daarin moet zoeken. Maar ik wil het niet en duw het visioen van me af. Mijn gedachten laten dat echter niet zomaar gebeuren en gaan de strijd aan. Maar waarom dan niet? Waarom deze mooie romance niet als inspiratie laten dienen? Omdat het geen romance is. Het is alleen seks tussen twee eenzame volwassenen. Ach kom op, het is echt wel meer dan dat. Nee. En zelfs als het dat was, er is geen plaats voor in mijn leven. En al zeker niet in het zijne. Volgende maand gaat hij terug naar zijn vrouw en kinderen in Duitsland. Waarvan hij al tijden vervreemd is, dat weet je best. Maar hij blijft niet hier, het is maar tijdelijk. So what? Wil dat zeggen dat je niet oprecht mag genieten? Dat het in zichzelf niet waardevol kan zijn? Hm. Ik besef dat ik iets van mezelf vrij moet laten, ergens een deur op een kier moet zetten om dat genieten toe te laten. Ik weet dat het kan, maar ik weet ook wat er gebeurt als die deur steeds verder en verder gaat openstaan en alles zomaar binnen en buiten laat en de stroom van mijn wezen en het zijne daardoor op volle kracht laat vloeien. Niet denken aan morgen, je leeft toch alleen vandaag? Tja. Dat cliché is een waarheid als een koe, maar ook een zware last die ons altijd weer verplicht tot lichtheid. Hoe kan je verbinding aangaan en ze daarna weer zonder problemen doorsnijden? Ik begrijp dat het mogelijk is, maar het lijkt zo’n verspilde energie. Eerst vastmaken, dan weer doorknippen. Beter gewoon alles zo laten. Toch?   ‘Waar zit jij in ’s hemelsnaam met je gedachten?’, zegt Lonneke met een schalkse lach om haar mond. Ik ontwaak uit mijn gemijmer en zie dat ik het glas wijn in mid-lucht vasthoud en met mijn andere hand een sigaret boven de asbak laat zweven. Versteend in de tijd. Ik glimlach schaapachtig naar Lonneke maar antwoord niet. ‘Hoe laat is het eigenlijk?’ ‘Vijf over vier.’ ‘Shit, ik had er al moeten zijn.’ Een golf stress spoelt door mijn lichaam. Ik wil me nog even voor de spiegel opkalefateren, ik moet nog een fles wijn uitzoeken, ik moet mijn gedachten nog op een rijtje krijgen. Weten wat ik tegen Frank zal zeggen, hoe ik op hem zal reageren. Zucht. Ik besluit dat het kalf al verdronken is, helderheid van actie of gedachten zal er vandaag niet meer zijn. Dan de chaos maar omarmen en rustig nog een glaasje wijn drinken. Lonneke nipt mee van mijn glas, ze is even naast me op de bank komen zitten. ‘Niet teveel denken hè jij.’ Ze raadt alweer mijn inwendige kronkel. ‘Die Frank lijkt me een leuke kerel, sexy ook. Geniet er nu gewoon van. Je hebt het verdiend hoor.’ Ik kijk haar aan, geef haar een zoen als antwoord en lach haar breed toe. Ze heeft gelijk, natuurlijk heeft ze gelijk. Oké. Hop. Ik pak de eerste fles wijn die ik vind in de kast, trek mijn jas en mijn schoenen aan en vertrek richting Rob, met nog een knipoog naar Lonneke. ‘Niet te hard werken hoor! En als je weg gaat laat je de deur maar los.’   Het feest bij Rob blijkt een redelijk ingetogen vroegdiner te zijn. En ik die inmiddels zin heb in een portie uitbundigheid. Dan maar drinken en stiekem naar Frank kijken. We hebben elkaar begroet met een nette zoen op de wang, omdat niemand in het gezelschap van onze scharrel weet en we dat zo willen houden. Het zorgt voor een zekere spanning, die me aangenamer smaakt dan ik had verwacht. We gaan regelmatig samen een sigaret roken buiten en geven elkaar dan stiekem een zoen. Alsof we pubers zijn. Tussen het zoenen en de nicotinehalen door, probeert Frank met me te praten. Op zijn eigen, afstandelijke manier weliswaar. In halfzinnen. Zelf doe ik er, geheel tegen mijn natuur in, het zwijgen toe. ‘Ik heb je heel graag, weet je… als ik twintig jaar jonger zou zijn… Ik bedoel maar, ik vind je echt… Ik heb het echt fijn met jou…’ Ik ben dankbaar dat hij blijkbaar geen reactie verwacht, ik observeer hem in stilte. Hoe hij rondjes loopt terwijl hij praat. Hoe hij nooit naar me kijkt, alsof mijn aanwezigheid niet relevant is voor zijn boodschap. En dan zoent hij me weer en gaat naar binnen.   Ik had tijdens het aperitief een jointje gedraaid dat ik in mijn pakje sigaretten had gestopt. In plaats van uitbundigheid verlang ik ondertussen naar de gevreesde lichtheid. Het totale loslaten en deinen op de golven van de dag. De wijn helpt, maar ik ben ongeduldig en steek het jointje op. Verlangend neem ik diepe halen die ik wegspoel met grote slokken van de heerlijk frisse wijn. Rob komt het terras op en zegt dat het tijd is voor dessert. Hij snuift de geur van marihuana op en trekt een wenkbrauw omhoog, alsof hij wil zeggen ‘Jij? Dat had ik niet van je gedacht.’ Ik laat het dessert van kersentaart voor wat het is en bedien mezelf rijkelijk met meer wijn. De avond lijkt zich in slow motion voor mijn ogen verder te ontrollen. Alsof ik er geen deel aan heb, maar toch beter dan de andere aanwezigen begrijp wat er zich allemaal afspeelt onder het gelach en het geklets. Wat de werkelijke beweegredenen en onzekerheden zijn van eenieder. Rob die, smakelijk lachend om een idiote grap van Frank, vork na vork van de kersentaart naar binnen schuift. Een volle mond bij wijze van antwoord op nietszeggend gezwets. Eeuwig de gezellige gastheer, die Rob. Wat zou hij zonder de achtergrondmuziek van zijn lallende vrienden moeten? Eenzame cholesterolkaters beleven, keer op keer. Mijn scherpheid van geest registreert de plots overdreven dronkenschap van Frank. Hij heeft een monoloog aangevat die maar weinig samenhang lijkt te hebben, maar waar hij zelf schijnbaar veel voldoening uit haalt. Ik zie de meewarige blikken van de toehoorders, het brave geknik terwijl ze hun gedachten stiekem andere oorden laten opdwalen. Die van hun eigen sores. Ik zit als versteend het tafereel gade te slaan, niemand lijkt zich te storen aan mijn observaties. Ik geniet van het onzichtbaar zijn en speur gezicht na gezicht af. Wanneer mijn blik op Frank valt kan ik een scheut medelijden niet onderdrukken.  Zelfs ik luister niet naar zijn verhalen. Ik heb ze dan ook al duizend maal gehoord. Dat is nu eenmaal wat Frank doet. Verhalen vertellen over zichzelf, over vroeger, over wat dan ook. Altijd met de blik op een plek ver achter je. Alsof hij het hier en nu wil bezweren en nog even op een afstand houden. Ik besluit hem even met de neus op het huidige moment te drukken en sta abrupt op met de mededeling dat ik huiswaarts ga. Zondagavond, morgen weer vroeg op. Een platitude die nergens op slaat, ik hoef namelijk nergens voor op te staan en dat weten de aanwezigen ook. Maar ze gaan zo op hun eigen denkwerelden dat ze het graag voor waar aannemen. Frank lijkt uit zijn trance op te schrikken en vergeet meteen de draad van zijn verhaal. Een beetje stuntelig komt hij recht uit zijn stoel en zegt: ‘Dan ga ik ook maar. Het was gezellig Rob, dank voor het eten!’ Ondanks de algehele dronkenschap vrees ik toch een beetje dat het iedereen meteen duidelijk is dat hij met mij mee naar huis gaat. Maar mijn geest schommelt net zo snel weer de andere kant op – leuk neveneffect van de drugs – en ik denk ‘Ach wat doet het ertoe’. Ik voel een plotse aandrang om Frank weer in het hier en nu te krijgen middels een flinke portie mijzelf, naakt. De fantasie speelt zich echter enkel in mijn hoofd af en we lopen in stilte naar mijn huis. Frank komt binnen alsof hij thuis is en zijgt neer op de bank. Ik ga onmiddellijk de slaapkamer in en kleed me volledig uit. Ik roep naar hem: ‘Ik ben naakt, ik kruip onder de dekens!’ Hij komt de slaapkamer in en stapt op het bed toe. Hij streelt mijn gezicht, drukt een zoen op mijn lippen en zegt: ‘Ik ga naar huis, dat is vast beter.’ Ik wil hem vastgrijpen en hem toeschreeuwen dat hij moet blijven, dat ik ontzettend naar hem verlang. Maar ik zeg niks en laat hem gaan. Ik voel dat ik hem eindelijk wil toelaten, de deur gaat op een kier. Of hij blijft of niet doet op zich niet ter zake. Er komt tocht door de kier en binnenkort zal ik willen weten wat er aan de andere kant van die deur zit. Dat hij nu gaat voelt haast als een overwinning. Ik kan hem laten gaan omdat ik nu weet wat hij al langer weet: hij komt weer terug en klopt zich desnoods suf op mijn deur. Wat zal hij verrast zijn te merken dat die al open staan, de volgende keer als hij komt. De volgende keer… De gedachten tollen en galmen in mijn kop. Maar die is stoned en dus hoogst onbetrouwbaar. Waar dacht ik net aan? Hm. Ik geeuw en herinner me dat ik een flinke portie slaap in te halen heb. Ik draai me om naar de wekker en zie dat het nauwelijks tien uur is. Heerlijk, een extra lange nacht.   De komende uren zweef ik in een roes maar slaap niet echt. Om half twee is de roes uitgewerkt en ben ik klaarwakker. Het duurt even voor ik de geluiden op de achtergrond herken als het nog steeds lopende feestje in mijn kop. Ik klauter uit bed, rook een sigaret op de bank en pak mijn computer bij de hand. Niks notitieblok, niks aanmodderen. Het echte werk. Dansen tot ik erbij neerval.  

LL Rigby
0 0

er was eens een man

Er was eens een man. En er was een vrouw. De rest is geschiedenis, zou men denken. Maar uiteraard niet, lieve lezer. In deze tijden van egoïsme en angst is niets van dat alles nog vanzelfsprekend. Misschien moet ik opnieuw beginnen. Er was eens een man. Die had een vader. Die vader leed aan een ernstige ziekte genaamd melancholie. Alles was hem zwaar – of licht, al naargelang men het wil bekijken – en het was hem enkel mogelijk te leven met deze ziekte als hij bij tijd en stond zijn glaasje sterk kon achterovergooien. Het maakte alles zoals dat heet ‘draaglijk’. Voor hem weliswaar, niet voor zijn vrouw of zoons. Die konden zijn dronken vrolijkheid maar matig verdragen en hadden liever dat hij bij de dokter een remedie ging halen voor zijn ziekte.  Ze begrepen niet wat de ziekte inhield maar vertrouwden zoals elk rechtschapen mens op de wetenschap, die op alles een antwoord heeft. Wat ze niet wisten was dat wanneer vader enkele dagen trachtte het glaasje te laten staan, dat hij zich dan bij wijlen langer dan een half uur op de badkamer moest terugtrekken – toch langer dan een gemiddeld toiletbezoek dat vereiste – en wel om zijn ziel uit te huilen. Van blijdschap of hartverlammend verdriet. Verdriet om wat kon hij nooit zeggen, al zou iemand het hem gevraagd hebben. Verdriet om het leven, om alles wat hij om zich heen zag, om de mensen die elkaar toelachten hoewel ze daar eigenlijk geen zin in hadden. Deze man had meerdere zoons ter wereld gebracht, gebeurtenissen waarbij hij zichzelf toeliet openlijk te huilen, van blijdschap weliswaar. De zonen groeiden op tot verantwoordelijke, volwassen mannen. De jongste was echter, hoewel ook volwassen en verantwoordelijk, erg in zichzelf gekeerd. Hij sloot zich af voor mensen en hun gesprekken, beantwoordde vragen met een moeizaam gegrom. Hij bracht zijn vrije tijd door met lezen, muziek spelen en schaken. Vrienden had hij niet, dus schaakte hij online. De lezer vraagt zich inmiddels af in welke zin deze jongeman van bijna 28 een verantwoordelijk en volwassen mens kon zijn. Nu, hij had gestudeerd. Hij had een respectabele baan. Zijn collega’s mochten hem zelfs, maar vooral omdat hij een harde werker was, niet omwille van zijn sociale kwaliteiten. Hij huurde een appartement, betaalde zijn rekeningen, hield zijn zaken op orde en zijn huis schoon. Hij was verantwoordelijk. Dat hij volwassen was zullen we misschien in het midden laten, omdat dat nu eenmaal een dubieuze kwaliteit is. Wie van ons is volwassen? Wanneer is een man volwassener dan een ander? Daar valt uitvoerig over te debatteren, en vermoedelijk weet niemand het feitelijke antwoord. Misschien moet het woord ook maar worden geschrapt uit het woordenboek, ik heb het al te lichtzinnig gebruikt in de eerste regels en neem me voor om dat niet meer te doen. Op een dag zit onze man te schaken met een online ‘kennis’, die hem via de chat interface vraagt om een keer samen te gaan schaken, in ‘real life’, om zo te zeggen. Onze man schrikt en antwoordt vooreerst niet. Tot hij na twee glaasjes sterk – van vader geleerd – bedenkt dat er niets te verliezen is, en dat hij eigenlijk ook wel eens zijn antieke schaakbord uit de kast wil halen. Hij trekt zijn stoute schoenen aan en gaat twee dagen later naar de plaats van afspraak. Te zelfbewust om meteen een glas sterk te bestellen vraagt hij een bier en drinkt het in één teug leeg. Hij bestelt er nog één en ziet een jonge kerel de bar binnenstappen. Het blijkt zijn schaakafspraak te zijn. Ze gaan zitten en onze man haalt zijn schaakbord tevoorschijn. Zonder al te veel onzinnige sociale interactie zetten ze zich aan het spel. En zo loopt het dat onze man wekelijks op café zit, menig biertjes tot zich neemt en af en toe wint, maar meestal verliest van zijn schaakpartner. Op een avond, na een uitzonderlijke overwinning, voelt hij zich krachtig en groot, en bestelt een fles sterk voor hun beiden. De ander nipt een beetje, niet gewend aan het zware spul. Ze praten over muziek, beiden zijn liefhebbers en spelen soms een riedeltje op respectievelijk de saxofoon en de gitaar. Ze besluiten een volgende keer op het appartement van de ander af te spreken om samen muziek te spelen. Wanneer de fles halverwege is begint onze man helemaal los te komen, hij ziet het leven zowaar rooskleurig en kijkt nieuwsgierig om zich heen naar de drukte in de bar. Hij kijkt naar de mannen en de vrouwen die om elkaar heen dansen, speurt hun gezichten af, bekijkt hun subtiele lichaamsgebaren. Hij grinnikt bij zichzelf. Hij is blij dat hij er allemaal geen deel aan heeft, maar voelt zich toch warm te midden van hun gespartel. Een week later stapt hij, gewapend met zijn gitaar en een fles sterk, op het huis van de ander af. Wanneer hij de woonkamer betreedt versteent hij ter plekke wanneer hij twee jongedames op de bank ziet zitten. Zijn vriend pakt hem vrolijk bij de schouder en trekt hem mee de woonkamer door, naar een kamertje achterin waar hij een hele muziekinstallatie heeft staan. Op zijn gemak gesteld plugt onze man zijn gitaar in en ze spelen samen twee uur lang alsof ze nooit iets anders gedaan hebben. Tussendoor leegt hij zijn fles sterk. Wanneer ze hun muzieksessie beëindigen en weer de woonkamer binnengaan laat hij zijn vrolijkheid niet dempen door de aanwezigheid van de vrouwen. Ze spreken hem aan en vuren vragen op hem af, de meeste beantwoordt hij met een verzinsel. De vrouwen merken zijn leugens blijkbaar niet op, waardoor hij telkens vrijpostiger wordt. Zijn vriend lacht hartelijk en klopt hem op de schouder. Jij bent er me eentje, kerel! Hahaha. Hij komt op dreef en zegt de grofste dingen, niemand neemt er aanstoot aan, ze lijken hem er alleen aardiger om te vinden. Er vloeien nog vele biertjes en de avond verloopt in uiterste hilariteit, hij is de ster van het gezelschap. De dag nadien bezint hij zich thuis over de avond en geeft zichzelf in gedachten schouderklopjes. Hij kon nooit goed met mensen omgaan, vond dat ze een heleboel onzin verkochten. Maar blijkbaar kan hijzelf nog grotere onzin verkopen en vindt iedereen het bovendien geweldig! Het doet hem moed vatten om de wereld in te gaan. Hij drinkt zich een paar glaasjes ter inspiratie en gaat op pad. Het eerste café dat hij tegenkomt stapt hij binnen. Het gejoel van de massa overweldigt hem – het is zaterdagavond – maar hij baant zich een weg naar de bar, vastbesloten om ook vanavond zijn nieuwe techniek op mensen toe te passen. Hij bestelt een biertje en spreekt de man naast hem aan, een dronken grijsaard die zich duidelijk al een tijd niet meer gewassen heeft. Vind jij douchen ook zo’n gedoe? Ik anders wel! Allemaal vrouwenonzin! zegt onze man terwijl hij de ouwe op de schouder klopt en luid begint te lachen. De ouwe deinst terug maar laat zich binnen een paar tellen meevoeren op de lach van de ander. Onze man heeft zichzelf heruitgevonden. Weken, maanden vol drank en gelach volgen. Hij maakt ‘vrienden’ op de gekste plekken. En waar niet gelachen kan worden, kan altijd worden geschaakt of muziek gemaakt. En in ieder geval gedronken. De drank en de wereld van onzinnige leugens voeren hem mee op een roes van avontuur en uitbundigheid. En dan was er een vrouw. Zoals altijd, in ieder verhaal, moet er, wanneer er een man is, ook een vrouw zijn. Dat is de wet van de literatuur, maar ook van het leven. Deze vrouw is niet de mooiste, niet de meest charmante, maar ze is anders dan de andere vrouwen. Ze lacht niet met zijn grappen. Ze wil de waarheid weten. Hij vertelt haar dat hij een baan heeft, vrienden, een mooi leven. Ze is tijdelijk tevreden gesteld. Ze vertelt hem in alle ernst over zichzelf, hij hoort het geboeid aan. Ze is zo open, en daardoor zo kwetsbaar dat het hem fascineert. De meeste mensen zijn zelden werkelijk eerlijk. Ze stelt voor om een keer samen iets te gaan eten. Onze man stemt in, ondanks zichzelf. Hij hunkert niet naar nabijheid, verlangt niet open en kwetsbaar te zijn. En hij voelt aan dat dit soort vrouw met minder geen genoegen zal nemen.  Maar ze maakt iets in hem wakker. Iets wat hem herinnert aan…  aan vroeger, aan onbezorgde jeugdige lentedagen. Toen hij nog een onhandige puistige slungel was en niemand hem dat kwalijk nam. Toen hij zich nog thuis voelde in de wereld. Hij heeft ooit één vriendinnetje gehad, tijdens zijn studententijd. Die was overigens verlopen zonder een donderslag. Het was een saaie maar bevredigende tijd geweest. Hij mocht boeken lezen en werd er voor beloond met mooie cijfers. Zijn vriendinnetje ontmoette hij tijdens een college. Beter gezegd, hij keek een keer geheel toevallig haar richting uit, terwijl zij net haar hoofd naar hem toedraaide. Om één of andere reden had zij dat heel bijzonder gevonden, ze kwam hem na het college achterna gelopen en vroeg hem om samen koffie te drinken. Ze stelde hem geen enkele vraag en daar was hij dankbaar om. Ze praatte aan één stuk door over het boek dat ze aan het lezen was. Het kon hem wel vermaken, in tussentijd keek hij onbeschaamd naar haar gezichtsuitdrukkingen als keek hij televisie. Toen het beeld uit de tv plots op hem toe dook om hem een zoen op de lippen te drukken was hij nog teveel in trance om geschokt te zijn. Bovendien was het een bijzondere sensatie, een stel lippen op de zijne. En zo was de rest van hun verhouding verlopen. Zij praatte, zoende hem, verwende hem. En hij keek toe en liet het gebeuren. Seks hadden ze veel en uitvoerig. Hij deed wat zijn gevoel hem ingaf en blijkbaar viel dat in de smaak. Hij vond vrijen heerlijk, net als muziek spelen. De vingers over snaren laten glijden of over borsten. Het eigen genot zoeken zonder schroom. Zonder woorden. Na een half jaar moet ze plots in de gaten hebben gekregen dat hij al die tijd nauwelijks een woord met haar had gesproken, en als een hysterische begon ze hem uit te vragen. Hij klapte dicht en de zoenen hielden op. Maya heet ze. Deze nieuwe vrouw die hem verwart.  Die hem verplicht tot spreken over zichzelf, iets waar hij een bloedhekel aan heeft. Toch kan hij zich niet van haar afkeren. Hij gooit nog regelmatig onwaarheden en grapjes in zijn verhalen, die ze met een opgetrokken wenkbrauw aanhoort. Ze weet dat het leugens zijn, en in zekere zin voelt het op die manier alsof hij haar de waarheid vertelt. De waarheid ligt in het ongezegde, en in de reden waarom ze elkaar blijven opzoeken. Ze schijnt geen gevoelens voor hem te koesteren, maar zoekt desondanks zijn gezelschap zo vaak ze kan. Ze is nieuw in de stad en is blij iemand te kennen, ook al is dat een onberekenbare leugenachtige dronkaard. Op een avond ontmoeten ze elkaar toevallig op de stoep voor het café waar onze man reeds vele uren heeft gesleten. Hij nodigt haar uit voor een drankje en het worden er veel. Om onduidelijke reden heeft ook zij die avond behoefte aan lichtzinnigheid. Ze laat zich meedrijven op het gelach en de obsceniteiten van het gezelschap. Want ze zijn niet alleen, onze man verzamelt in een handomdraai een boel bekenden om zich heen, een doordeweekse avond verandert in een uitgelaten feest. Maya bevindt zich in een wereld waar ze vanuit haar nuchtere zelf op neerkijkt, maar eigenlijk vooral niet begrijpt. Nu ze zich erin onderdompelt, ziet ze plots wat een mooie kleuren de tropische vissen om haar heen hebben. Ze baadt zich gewillig en vol overgave. Een week lang ziet of hoort onze man haar niet. Tot zijn verjaardagsfeest. Ze komt laat, moest zogezegd nog bij andere vrienden langs. Tegen de tijd dat ze arriveert is onze man reeds op een muzikale, met alcohol doordrenkte high en geeft enkele wilde gitaarsolo’s ten beste aan het verzamelde gezelschap van bekenden. Enkelen doen met hem mee en zetten een ronde improvisaties in, met ter plekke bedachte teksten die  bijdragen tot de algehele hilariteit. Maya aanschouwt de scène en weet zich er rationeel van te distantiëren, maar iets in haar onderbuik protesteert en doet haar anders kijken naar de halvegare die zijn gitaar staat te verkrachten. Ze herkent het gevoel vaag en laat het gedwee toe, maar blijft zitten in de hoek van de kamer. Ze neemt nog een slok wijn. En nog één. Ze neemt ondanks zichzelf een trek van een joint die haar wordt aangereikt door iemand die ze nooit eerder zag. Ze lacht en drinkt nog meer wijn. Van onder haar wimpers kijkt ze steeds weer naar onze man, die haar aanwezigheid alweer lijkt te zijn vergeten. Het feest gaat onverwijld verder, mensen komen en gaan. Tot ergens halverwege de ochtend , wanneer nog slechts drie over zijn, onze man, zijn schaakmaat en Maya. De schaakmaat trekt zich terug in de logeerkamer, Maya ligt in een roes met de ogen dicht op de bank. Onze man tokkelt een eenvoudige melodie op de gitaar. Hij denkt dat Maya slaapt en schrikt wanneer ze overeind komt en hem bij de kraag van zijn hemd naar zich toetrekt. Ze zoenen zich een ongeluk op de bank en maken het af in de slaapkamer. Maya is onder de indruk, ook al kan ze niet meer helder denken. Onze man is meer dan ze had durven denken. Ze valt in slaap en denkt vaag Ach, morgen… In de ochtend is alles licht, de zon wurmt zich binnen door alle spleten en kieren, vrolijkheid moet en zal er zijn. Maya glimlacht breed maar vreest het einde van de roes en vertrekt na een vluchtige zoen. Door omstandigheden zien ze elkaar een paar lange weken niet. Bij beiden is het verlangen gewekt naar meer – ondanks zichzelf. Beiden bevragen zichzelf en begrijpen niet. Willen liever anders, en ook weer niet. Iets in het fysieke contact tussen de twee was waarheid. Was dat wat woorden nooit zullen kunnen zeggen. Ze sturen elkaar berichten waaruit hun beider terughoudendheid, maar ook hun verlangen duidelijk blijkt. Gesterkt door de onzekerheid van de ander durven ze hun gevoelens de vrije loop laten. Bij het weerzien is er geen twijfel en stappen ze resoluut op elkaar toe om die ene kus, dat ene gevoel te mogen ontvangen, voelen, drinken. Toch houden ze zich de rest van de avond betrekkelijk gedeisd. Ze zitten bij haar thuis op de bank en praten, lachen, drinken. Waar de gesprekken over gaan zullen ze zich later allebei niet herinneren, omdat ze aan elkaar geregen worden door zoenen en hartstochtelijke omhelzingen, die ze telkens weer beëindigen, als was het iets wat ze nog even willen opsparen. De pot vol zoete honing niet in één teug leegdrinken. Toch belanden ze samen in bed, maar door al het uitstel is er iets verschoven, het hoogtepunt hebben ze al achter zich gelaten. Ze proberen met overgave te vrijen maar voelen zich allebei uitgeput en niet bij machte om lang door te gaan. Het is een lichaamsdans van een tweeëenheid, terwijl dat niet is wat ze bij elkaar zoeken. Er is eenheid, ergens tussen hun, ergens in de regionen tussen de zoenen en het gelach. De tijd die komt zoeken ze elkaar vaak op, en zoeken ze middels afstoten en aantrekken naar dat ene middelpunt, dat hier en daar om de hoek komt kijken maar zich toch telkens weer verschuilt. Het is uitputtend en beiden graven in hun ziel op zoek naar begrijpen. Zij in de vorm van woorden, hij van muziek. Zij denkt het antwoord gevonden te hebben en besluit met hem te praten. Het is te vlug, ze kennen elkaar niet voldoende, als het zo moet zijn dan gebeurt het vast nog. Hij zegt niks en kruipt, zonder tegenspraak, weer in zijn schulp. Hij gaat verder waar hij was gebleven vóór Maya. Hij leest, drinkt, speelt muziek en schaak. Op een dag komt hij thuis van een drinkavond en vindt een brief op zijn voordeur geplakt.  Van Maya, om te zeggen dat haar verlangen zo groot is dat ze toch bij hem wil zijn, ook al wil ze het eigenlijk met haar verstand niet en is het vast geen goed idee. Onze man zucht diep en kruipt onder de wol. Teveel woorden. De volgende ochtend wandelt hij naar haar huis, onderweg zichzelf afvragend waarom eigenlijk. Die woorden verstoren zijn evenwicht, hij wil ze niet in zijn kop horen nagalmen en raakt met elke stap meer geïrriteerd. Tegen de tijd dat hij bij haar deur is aangekomen weet hij werkelijk niet meer wat hij daar doet. Ze opent de deur zonder dat hij heeft aangebeld, alsof ze voelde dat hij daar stond. Hey! zegt ze vrolijk, maar haar gezicht vertrekt al gauw in een vraagteken. Ze durft geen stap te zetten. Hij wil haar omhelzen en doet dat ook. Hij omhelst haar uit onmacht, uit verwarring, uit angst om een woord te moeten uiten. En hup, daar is het weer. Dat moment, dat gevoel. De omhelzing mondt uit in een passionele kus die urenlang lijkt te duren. Ze weten beiden niets te zeggen, weten niet waar te kijken. Ze staan een tijd in stilte maar beginnen algauw weer te zoenen, want dat is alles wat nog zin heeft. De dagen die volgen hebben ze het beiden druk met vanalles, maar ze slagen erin elkaar tussendoor op te zoeken voor korte of lange zoenen. Aan het eind van de vierde dag hebben ze eindelijk allebei een avond vrij, en hoewel onze man tegen dan vreselijk bedronken is, slagen ze er toch in om een passionele nacht te delen. De hartstocht, het verlangen is zo groot dat het hun overstijgt. Hun lichamen gaan tekeer en laten geen ruimte voor zoenen. Zo blijven ze dus nog steeds op een afstand van het grote gevoel. Ze besluiten het te negeren en zich over te geven aan de fysieke bevrediging. De ochtend na deze nacht is onze man verwarder dan ooit. Er waren geen woorden en toch is hij geïrriteerd, ongemakkelijk. Deze vrouw doet hem verlangen naar dingen die hem mateloos beangstigen. Hij voelt zich teleurgesteld over de nacht hoewel die wild was en zonder woorden. Het was op een perverse manier bevredigend, maar. Maar wat weet hij niet. Hij kronkelt in zichzelf en bedenkt manieren om haar die dag uit de weg te kunnen gaan. De nacht schijnt op haar het omgekeerde effect gehad te hebben, ze straalt en lacht haar breedste lach naar hem. Hij draait zich om en gaat wandelen. Ze komt hem nagelopen en drukt hem een zoen op de lippen, die hij louter fysiek beantwoordt. Ze voelt het en fronst, maar voor ze iets kan zeggen is hij weg. Hij drinkt en drinkt en drinkt. Hij lacht en lult met een nieuwe ‘vriend’, waarmee hij over muziek praat tot ze er beiden bij neervallen. Ze vallen ook letterlijk neer, ergens tussen de ochtendschemer en het kraaien van de haan. Wanneer onze man ontwaakt aan de kant van de weg is hij alleen. Hij haalt zijn schouders op en wandelt naar huis. Waar Maya op hem wacht. Hij wordt boos op haar om iets onbenulligs, haar ogen worden groot en ze opent  haar mond om iets te zeggen maar doet het niet. Ze blijft zitten op zijn bank terwijl hij in bed kruipt. Ver ver weg hoort hij haar snikken, hij valt in slaap en slaapt de heerlijkste slaap die hij in tijden sliep. De volgende ochtend staat hij op, zet koffie, tokkelt op zijn gitaar en speelt online schaak. De dag verloopt zonder een rimpeling. Tegen de avond proost hij met zichzelf om een geslaagde dag en drinkt een halve fles sterk om de waarheid op een afstand te houden. De waarheid laat zich niet meer zien. Maya ook niet.

LL Rigby
0 0

de bus

De 26 was laat vandaag. Twintig minuten van het ene been op het andere. En wanneer de bus uiteindelijk arriveerde zat ze propvol, typisch. Na enig gewurm vond ik een plekje dat me voldoende stabiliteit bood, in de hoek tegenover de middendeur. Daar hield ik me rustig terwijl de andere mensen duwden en vochten om elke centimeter. Ik was gelukkig op mijn microruimte, tussen twee oudjes die uit hun mond stonken en die bij elk heen en weer geschuifel steen en been klaagden. Ik dankte de goden dat ik niet meteen een stoel had gevonden, de elementaire beleefdheid zou me immers algauw gedwongen hebben mijn zitje af te staan, waardoor ik alleen maar zou achterblijven met het verscheurende verlangen naar het reeds ervaren genot van het zitten. Enkele haltes van geharrewar later vormden we uiteindelijk een clubje van vier daar in de hoek tegenover de middendeur. We hielden stand als de rechtmatige eigenaars van het verworven terrein: twee jongemannen, een tienermeisje en ik. We keken naar elkaar met ogen van erkenning en respect en steeds naar de anderen met een meewarige maar zelfvoldane blik. We genoten in stilte van onze superieure positie en waren niet zinnens onze privileges af te staan aan het eerste het beste oudje. (overigens was dat niet nodig want de anderen schenen niet in de gaten te hebben hoe comfortabel we daar wel stonden) Mijn stilzwijgende observaties leidden me plots naar de rugzak van het meisje en ik zag dat de rits van het voorste zakje half open stond (je weet wel dat zakje waar je gemakkelijk je sleutels en portefeuille in kwijt kan maar dat doe je niet want iedereen weet dat je op die manier bestolen wordt). Ik twijfelde enkele ogenblikken of ik haar zou aanspreken – want ik spreek niet gemakkelijk een vreemde aan op de bus –, toch gaf ik haar uiteindelijk een zachte tik op de linkerschouder en zei “Zal ik je rits sluiten? Ze staat open” (Je moet weten dat het haar volstrekt onmogelijk was zelf haar rugzak te sluiten.) Eerst bekeek ze me met een wantrouwige en uit haar lood geslagen blik – typerend voor mensen die plots door een volslagen vreemde worden aangesproken – maar dan zei ze “Ja, ja, dank u… doe maar…” Ik sloot dus de rits en alles werd weer zoals het was: geduw en getrek, gezucht en wanhopige blikken rondom, wij de rust zelve, ieder aan zijn paal geschraagd. Na een aantal minuten draaide het meisje zich met alle macht om, de paniek was op haar gezicht af te lezen. “Mijn portefeuille… mijn portefeuille zit daar in!” Ze wrong zich in een bocht en liet met veel moeite haar rugzak van haar schouder zakken en opende de rits. Van waar ik stond viel er geen portefeuille zien. Van waar zij stond blijkbaar ook niet. “Neeeeeeeeee…. !!!” klonk haar gesmoorde kreet, uitzinnig. Naïef als ik ben, zei ik haar “Rustig, het is vast niets, hij is er waarschijnlijk gewoon uitgevallen.” Maar in plaats van naar de grond te kijken, bleef ze mij stomweg aangapen en ging vervolgens verder “Nee, nee... ze hebben me bestolen… hier, nu net… het is op de bus gebeurd!” Ze was zeker van haar stuk en ze had ongetwijfeld gelijk, maar ik bleef aandringen dat ze de grond zou afzoeken voor het geval dat. Er gingen seconden voorbij, ogenblikken van totale verbijstering in ons clubje van vier. In realiteit waren we slechts met drie beginnen te praten (het typische gesprek van “ach wat jammer”, “hoe erg voor je”, “ik vond het al vreemd dat je ritssluiting openstond, vandaar…” enzoverder.) De vierde stond daar maar, zonder een woord te zeggen. In het begin stond ik er helemaal niet bij stil, hij was waarschijnlijk verlegen en niet in de gewoonte in het openbaar gesprekken aan te knopen – net als ikzelf, uiteindelijk. Maar ergens halverwege de woorden en de blikken die we met z’n drieën uitwisselden, overviel me een vreemd gevoel dat me eens te meer bewust maakte van de aanwezigheid van de vierde. Zonder echt naar hem te kijken zag ik hem toch vanuit mijn ooghoek, hij bewoog niet. Misschien was het meisje wel diegene die zich nog het minst van hem bewust was; op een bepaald moment stond haar blik op oneindig, alsof ze al bezig was het probleem verder op te lossen, daarbij elke gedachte over het hoe en waarom achter zich latend. Dan nam ze opeens haar telefoon uit haar zak, ze twijfelde duidelijk of ze nu niet of wel zou bellen, misschien naar haar moeder, mogelijk naar degene waarmee ze had afgesproken aan het einde van het bustraject. Ze besloot niet te bellen, nam haar rugzak stevig onder de arm en begon zich een weg naar voren te worstelen, richting buschauffeur. Ik kon moeilijk raden wat ze die precies te vertellen had, omdat ik ten zeerste twijfelde aan de invloed die de buschauffeur op het gebeurde zou kunnen hebben. Toch zag ik haar een lang gesprek met hem voeren, en van zodra hij het voertuig stilhield aan de volgende halte sprong het meisje van de bus. En zo bleven we met drie achter in onze comfortabele hoek tegenover de middendeur, die ons plots lang niet meer zo comfortabel toescheen, en we dachten aan het gebeurde en voelden mee met het meisje. We waren ook dankbaar dat het deze keer ons niet was overkomen. Ik zeg ‘we’ omdat ik eigenlijk niet wilde twijfelen aan de vierde, die nu zo plots de derde was geworden. Ik wilde mijn blik niet langs zijn broekszakken laten glijden, niet langs zijn te uitdrukkingsloos gezicht. Ik wilde niet denken aan wat ongetwijfeld de tweede aan het denken was. Maar ik deed het wel. Ik bedacht dat het op zijn minst vreemd was dat hij de enige was die geen woord had gesproken. Ik bedacht dat zijn hand precies ter hoogte van die ritssluiting was geweest gedurende de hele tijd dat we daar met ons vier quasi onbeweeglijk hadden gestaan (quasi). Ik dacht ook aan de tijd vóór we daar met vier waren beland, toen het meisje nog in de gang tussen het volk stond gedrukt, maar ik bedacht dat de mensen rondom haar toen allemaal oudjes waren geweest, afgezien van een Boliviaanse vrouw die druk bezig was met haar dochtertje. Ik dacht aan waarom ik niet kon zeggen tegen de derde “laat eens zien wat er in je zakken zit, voor het geval dat…” Ik kon me niet van de twijfel bevrijden, uit pure elementaire beleefdheid, uit respect voor de vrijheid van het individu. Ik bedacht hoe vreemd het was dat iedereen onschuldig is zolang zijn schuld niet bewezen wordt. Er was immers een gemakkelijke manier om na te gaan of hij schuldig was of niet, hij zou de portefeuille nog bij zich hebben, zonder twijfel. Maar als zijn zakken leeg bleken te zijn, wat dan? En toen bewoog hij zich. Hij verliet ons clubje, drukte op de bel, en enkele seconden later zagen we hem uitstappen. Ongetwíjfeld had hij dezelfde zure smaak in de mond als wij, ongetwíjfeld dacht hij na over hoe zoiets kon gebeuren in nauwelijks een ogenblik en zonder dat we het hadden gemerkt. Maar misschien, heel misschien, was hij uitgestapt met een immens gevoel van overwinning, een glimlach van oor tot oor. Een inwendige glimlach in dat geval, want toen ik hem nakeek zag ik zijn immer uitdrukkingsloze gezicht in de verte verdwijnen. Achter ons stopte nog een 26 – leeg.  

LL Rigby
0 0

W van (lustige) Weduwe

(uit “verhalen van A tot Z”) “Dag menneke, de tuiltjes staan klaar” Onze grootouders noemden wij Bomma en Bompa. Bompa was te vroeg weduwnaar geworden.  Zo vroeg,  dat ik mijn Bomma nooit gekend heb, ik was amper twee. Maar zij had een zus, die op haar beurt vroeg weduwe was geworden. Mijn Bomma kende ik dus alleen van horen zeggen.  Ze moet een schat geweest zijn als ik de familiefoto’s zie of de verhalen hoor die over haar de ronde doen. Haar zus had veel kleinkinderen die hun grootmoeder Moeke noemde, maar wij noemden haar Peet.  Dat kwam omdat ze de meter was van mijn vader. Waar het woord Peet vandaan komt kan worden opgezocht maar laten wij het hier bij Peettante houden. Vermits ik mijn Bomma nooit gekend had werd ik des te meer aangetrokken door haar zus.  Mijn aller vroegste herinnering aan haar gaat terug naar mijn vijfde levensjaar. Mijn oudste broer, die al op zijn zeventiende naar het leger trok en weinig thuis was, nam mij op een zonnige namiddag mee op de fiets. Wat een feest! Het was een herenfiets met een kinderzadeltje op  de horizontale stang van de fiets.  Ik zat dus vooraan en genoot van het zomerbriesje in mijn haren en van elk grassprietje,  bloempje of boom langs de weg.  Voor mij duurde het een  gelukzalige eeuwigheid, maar amper twee dorpen verder kwamen wij bij onze bestemming. Aan de rand van het dorp lag een hoevetje waarvan een deel bestond uit een snoepwinkeltje dat uitgebaat werd door niemand minder dan Peet.  Haar huisje deed mij denken aan het peperkoekenhuisje uit het sprookje, maar Peet was voorwaar niet de heks.  Aan alles voelde men haar peperkoekenhart.  Ze was in de wolken met ons bezoek en straalde als ze ons iets te drinken kon aanbieden.  Ik mocht ook zo maar een zakje met snoepjes vullen en moest er vooral ook voor mijn zusjes en broertjes meenemen. Meer dan zestig jaar nadien vraag ik mij af of ik ooit nog iemand heb ontmoet met een zachtere en lievere oogopslag dan de hare. Een tiental jaren later kwam Peet in ons dorp wonen.  Dan leerde ik een ander facet van haar kennen. Ze bezat namelijk een grote collectie  chique jurken uit haar jeugdjaren en ontwierp nog zelf grote hoeden met pluimen. Ieder jaar maakte ze grote sier, wanneer ze,  fantastisch uitgedost, als lustige weduwe  samen met een vriendin opstapte in de plaatselijke carnavalstoet. Als puber ontmoette ik haar sporadisch op straat of in de winkel bij mijn Bompa, haar schoonbroer. Telkens weer, viel mij de zo spontane hartelijkheid op waarmee ze mij begroette.  Op mijn achttiende ontmoette ik haar voor het laatst.  Ter gelegenheid van een familiegebeurtenis werd een podiumvoorstelling georganiseerd in het dorp.  Met een groep meisjes en jongens hadden wij op het laatste nippertje besloten een stukje op te voeren als verrasing.  Het zou een korte choreografie worden, gebaseerd op  muziek van de negende symfonie van Beethoven.  Dit naar analogie met  Maurice Béjart, die toen met zijn ballet van de XXe eeuw  furore maakte in Brussel.  Voor de slotscène zochten wij tien kleurrijke bloementuilen die in het publiek zouden gegooid worden.  Maar wij zaten in geldnood en vooral in tijdnood.  Toen dacht ik aan haar.  Ik spong op de fiets en na de warme verwelkoming, het heerlijke kopje koffie met het nog heerlijker koekje, deed ik mijn uitleg.  Natuurlijk was ze bereid mij te helpen en neen, dat moest niets kosten, ik moest haar alleen het crêpepapier bezorgen  waarvan ze de tuilen zou maken. De rest had ze in huis. “Dag menneke, de tuiltjes staan klaar”.  Twee dagen later haalde ik de doos met de kunstwerkjes af, omhelsde haar innig en verdronk voor de laatste keer in de liefste ogen van de wereld.  Dag Peet, dag schat.  

Vic de Bourg
12 1

I van Inefficiënt

(uit “verhalen van A tot Z”)   inefficiëntie in de sociale zekerheid…   is een krantenkop  anno  2015. Hoezo?  Moeten Belgen dan niet trots zijn op hun alom geroemd sociaal verzekeringssysteem?  We maken een reis in de tijd.     (verantwoording : De auteur van deze bijdrage was in de vroege jaren tachtig medewerker bij een niet nader te noemen institutie in dit land die een nooit eerder geziene ommezwaai in de werking van de parastatale instellingen moest begeleiden.  Bedoeling was dat er op alle niveaus werk zou gemaakt worden van de broodnodige bijscholing van de ambtenaren en voorzichtig werd er bij vermeld dat ook de hogere functies wel wat managementtraining konden gebruiken.)   Nu ze allen dood zijn, de ene al morser dan de andere mag hun verhaal verteld worden.   Het begin zal eerder saai klinken - het gaat dan ook over de ambtenarij, sorry voor hen die zich aangesproken voelen - maar nadien wordt het smeuïg, beloofd !   In de jaren negentig werd door de regering een éénmalige bijzondere bijdrage ingevoerd om het gat te dempen in de kas van de sociale zekerheid voor zelfstandigen.  Meer dan vijfentwintig jaar later bestaat deze éénmalige en inmiddels ruim geïndexeerde bijdrage nog steeds.  Heeft iemand enig idee wanneer de bodemloze put zal gedempt zijn ?   Bij een volgende gelegenheid moet de heersende oppositie absoluut een definitie afdwingen van het woord “eenmalig”.  Zoals met de vele wetteksten en politiedocumenten in dit land zal het alweer om  een slechte vertaling uit het Frans gedraaid hebben. Het woord eenmalig kan uiteraard een vertaling zijn van het Franse “unique”, maar zo noemen de Fransen ook de oogst van een goed wijnjaar.   Een tiental jaren voor deze eenmalige bijdrage werd bedacht, werd er nochtans alles aan gedaan om onze nationale trots, de RSZ, terug op de sporen te krijgen door een ambitieus opleidings- en vormingsprogramma.  Een soortgelijk programma  werd al eerder met succes geïmplementeerd voor de industrie en kon met een simpele copy paste worden toegepast in de Administratie.    Het aantal parastatale instellingen die onder de grote noemer RSZ vielen (en trouwens nog steeds vallen) was  legio.  De voornaamste “kassen” waren die van de Sociale Zekerheid voor werknemers en zelfstandigen, de Kinderbijslag, de Pensioenen, de Jaarlijkse vakantie voor Arbeiders, nog ergens een kas voor Oorlogsveteranen en uiteraard de “kas” bij uitstek, de bankier van al deze instellingen, de voormalige ASLK (Algemene Spaar en Lijfrente Kas).   Er werd besloten het aantal te beperken tot bovengenoemde instellingen en om enkel op  het allerhoogste niveau te onderhandelen zijnde dit van de Administrateur –Generaals .   Tijdens een diner in een Brussels sterrenrestaurant werd de toenmalige ASLK Voorzitter , mede dank zij de voortreffelijke Pinot Noir d’Alsace,  snel overhaald om het project op te starten.   De eerste bijeenkomst vond plaats in de somptueuze  salons op de hoogste verdieping  van de hoofdzetel van de Bank in de Wolvengrachtstraat.  Het was een publiek geheim dat de keuken in dit oord kon wedijveren met de beste eethuizen van het  land en dat de wijnkelder op de tweede plaats stond na die van het directierestaurant  van het nabijgelegen Gemeentekrediet van België. Ter vergelijking : pas op de derde plaats stond een van de toenmalige Brusselse toprestaurants.   Het succes was overweldigend : alle instellingen waren present!   Er heerste een opperbeste en vriendschappelijke sfeer, al waren de collega Administrateur- Generaals van verschillende politieke signatuur. Ook toen vierden de politieke benoemingen in deze sector hoogtij.  Vrouwen vond men sporadisch op lagere echelons, maar hier zaten enkel heren rond de tafel.   Tot spijt van wie het benijdde werd men op deze verdieping ook enkel door mannen bediend.  Wie daarbij goed oplette merkte dat enkele onder hen zelfs gewapend waren. Tenslotte was dit een bank en in de wandelgangen naar de zalen waar de bijeenkomst en het aansluitend diner plaats had,  bevond zich ondermeer een van de meest waardevolle sculpturen- en schilderijencollecties uit Europa en omstreken.   Het merendeel  van de eerbiedwaardige oudere heren stonden dicht bij hun op rust stelling maar al snel bleek dat het de allereerste keer was dat sommigen elkaar in levende lijve ontmoetten en al zeker niet in groep samen.  Buiten de toplui van de RSZ zelf, die tenslotte instonden voor de inning en het beheer van de miljarden die bij de bank dagelijks binnenstroomden waren geen van de anderen ooit op de hoofdzetel van de ASLK geweest.   Tijdens de voorstelling van het project en de korte discussie nadien werd duidelijk dat er voortreffelijke sprekers in het gezelschap zaten, maar ook verbeten zwijgers. Iets later, bij het aperitief en tijdens het exquise diner kwamen de tongen wél los.    In het verslag dat een weekje later bij eenieder in de bus viel kwam niettemin elke aanwezige uitvoerig  aan bod.  Vooral de zwijgers lazen met verbazing de gevleugelde woorden  waarmee zij te kennen hadden gegeven deel te nemen aan dit groots opgezet programma  en meer nog de stevige beslissingen, die ze blijkbaar eensgezind hadden getroffen.   Een belangrijke beslissing was dat deze groep elkaar voortaan regelmatig tijdens een soortgelijke bijeenkomst annex maaltijd zou blijven ontmoeten.  Volgens een beurtrol ging telkens een andere instelling als gastheer fungeren.   Er werd ook beslist om op lager niveau  werkgroepen op te richten die de nodige aandacht gingen besteden aan de specifieke noden van iedere instelling op het vlak van vorming en management.   Wat nooit in hun verslagen, maar wel onder de opstellers ervan onderling, ter sprake kwam, waren volgende  min of meer onvoorstelbare bevindingen die door deze topontmoetingen aan het licht kwamen.   Zo was er het reeds aangehaalde feit dat deze toplui  zich nog nooit in hun carrière samen in één ruimte hadden bevonden – ook niet op de kantoren van hun voogdijministers !   Voor het eerst raakte bekend dat de Rijksdienst voor Kinderbijslag iedere maand  te laat haar miljarden ontving van de bank , waardoor ze bij diezelfde bankier telkens weer geld moest lenen om haar uitbetalingen aan de rechthebbenden te financieren.   Hetzelfde scenario gold voor de Pensioenkas die keer op keer  beroep moest doen op extra kredieten om te kunnen voldoen aan de tijdige uitbetaling van de pensioenen. De ASLK verschafte ook hier de nodige leningen.   Al snel bleek dat  de oorzaak bij de RSZ zelf lag, die bij de inning van de patronale lasten bij bedrijven en zelfstandigen achterstanden opbouwde en telkens  laattijdig de broodnodige middelen overmaakte aan de overige instellingen.   Het leverde de RSZ  wel het voordeel op dat de duizelingwekkende bedragen langer op hun conto bleven staan en mega intresten opleverden.  Zo kon ze haar reputatie hoog houden en binnen de groep van Parastatalen de meest prestigieuze instelling blijven. De RSZ straalde dit prestige ook uit met haar luxueuze burelen op de Brusselse Waterloolaan, nabij het chique Louizakwartier.  Zij was bovendien eigenaar van haar gebouwen, terwijl de Rijksdienst voor Pensioenen zijn Zuidertoren moest huren, wat al weer een gat in hun kas sloeg.  Ook de Kinderbijslag zat trouwens al jaren in een verouderd huurpand in de Trierstraat. Van vicieuze cirkels gesproken !   De enige andere dienst die ook haar eigen burelen bezat was de  Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie  gelegen in de straat met de ronkende naam  “rue des Champs Elysées” – geen “avenue “ maar ook best luxueus in vergelijking met de collega’s. Dat hier de kas, zoals gebruikelijk, niet leeg maar overvol was lag ondermeer aan het feit dat de eerste golf van buitenlandse gastarbeiders die het land in de vijftiger en zestiger jaren had overspoeld  inmiddels op pensioen was gegaan.    Velen keerden dan meteen terug naar hun heimat, maar lieten na om hun nieuwe woonplaats in het buitenland op te geven.  In hun roes snel weer huiswaarts te keren,  vergaten zij dat ze het jaar nadien nog recht  hadden op hun vakantiegeld. Vijf jaar lang bleef hun cheque onaangeroerd.  Daarna verdween het geld onverbiddelijk in de kas van de Rijksdienst, die er vrijelijk mocht over beschikken.   Een aantal Administrateur- Generaals, gesteund door hun politieke vrienden hebben hierin ooit verandering willen brengen en getracht deze vleespot onder alle instellingen te verdelen.  Maar zij vingen bot. Van solidariteit en sociale rechtvaardigheid gesproken !   Toen het trouwens de beurt was aan deze instelling om bovengenoemde bijeenkomst en het daarop volgende diner te organiseren werden de middelen waarover zij beschikte rijkelijk ten toon gespreid.  Ook de service was navenant, maar iets pittiger dan bij de ASLK.  De blonde, diep gedecolleteerde secretaresse van de baas bediende hoogstpersoonlijk  en in tegenspraak met bovengenoemde krantenkop, zeer efficiënt  iedere aanwezige gast bij het aperitief.  Later bleek  dat zij tevens het nichtje van die baas was.   Dat er vorming en herstructurering nodig waren bleek onder meer duidelijk bij de Rijksdienst voor Pensioenen, waar er nochtans hard gewerkt werd. Zo moest  omwille van een wervingsstop, de financieel directeur het stellen zonder een aantal medewerkers.  Tot drie niveaus lager dan zijn functie moest de man het werk voor eigen rekening nemen.  Het is niet geweten of hij dan, naargelang de pet die hij opzette, ook één tot drie verdiepingen in de building moest afdalen. Wie hem ooit op een werkgroep meemaakte kon maar tot één besluit komen : hij was de efficiëntie zelve!   In de Zuidertoren, het hoogste gebouw van Brussel,  weigerden ambtenaren soms promoties uit angst, omdat ze dan hoger in de toren aan de slag moesten.  Een bekwame kadermedewerkster verschanste zich na de bekendmaking van haar promotie wenend op het toilet.  Ze was tot dan toe verantwoordelijk voor een team van vier personen geweest en moest nu een afdeling gaan leiden met een veertigtal medewerkers.  In haar opzicht kon ze deze functie absoluut niet aan.   De pas vervangen Administrateur-Generaal  in de Pensioentoren was nog geen zestig en vond dat hij te jong was voor deze topfunctie maar hij was de enige kandidaat in deze Rijksdienst die de juiste politieke kaart had en de partij stond erop dat hij zijn verantwoordelijkheid nam.   Tijdens een van de bijeenkomsten vroeg hij of iemand gedurende het weekend in Brussel was geweest en boven op de top van de Zuidertoren het licht had zien branden? “De par sa fonction” en naar analogie met de voorzitter van de ASLK had ook hij zijn kantoor op de bovenste verdieping van het gebouw.  Het venster  dat hoog in de wolken oplichtte was dat van zijn bureel , want hij was er (buiten de houten meubels) de enige die werkte  tijdens weekends.  Het is niet nagegaan of daarvoor dan de twee liften moesten in werking gesteld worden en er voor hem een volledige wolkenkrabber moest verwarmd worden.   De meest gezapige en compleet stress-loze Administrateur-Generaal was deze van de Rijksdienst voor Oorlogsveteranen.  Net als de nog overblijvende rechthebbenden van zijn dienst besefte hij dat hij de laatste persoon was die deze functie zou uitoefenen en dat na hem de hele santenboetiek  zou worden opgedoekt. Er werd sterk getwijfeld of het personeel van deze instelling nog bijkomende vorming behoefde,  maar de Administrateur-Generaal was een persoonlijke vriend van de toenmalige voorzitter van de ASLK en daarnaast was het een soort eerbetoon aan deze toch gedenkwaardige instelling.   De beslissing hem erbij te nemen, bleek later zijn vruchten af te werpen want zowel tijdens de vergaderingen als bij het aperitief en maaltijden zorgde deze uiterst geestige man voor de nodige verademing en wist hij telkens op het goede moment de juiste anekdote of geslaagde grap uit de mouw te schudden.   Een gedreven en kritische man aan tafel was het hoofd van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de Zelfstandigen.  In tegenstelling met de meeste collega’s en niettegenstaande het  chronisch gebrek aan middelen, was hij  er in geslaagd een perfect draaiend team van overwegend jonge medewerkers uit te bouwen.  Niet uit noodzaak maar meer uit saamhorigheid hield de man eraan om bij vergaderingen en maaltijden present te zijn.  Collegialiteit was een begrip dat hij hoog in het vaandel droeg.  Dat eiste hij ook van zijn medewerkers . Hij vond dat elkeen van de aanwezigen in eigen boezem moest kijken en er voor zorgen dat zijn Administratie efficiënt draaide.  Wat zijn Rijksdienst dienst betrof was hij er klaar mee en had hij niet meteen behoefte  aan hulp van buitenaf.   Of tenslotte de toenmalige hoofdman van de RSZ ooit is gezwicht om de miljardenstroom binnen deze diensten van het Rijk efficiënter te maken is niet geweten.   Aan de krantenkoppen  die de afgelopen vijfendertig  jaar aldoor verschenen zijn, merkt men dat er nog steeds of alweer veel werk aan de winkel is.                        

Vic de Bourg
0 0