Zoeken

V van VEIT

(uit “verhalen van A tot Z”)   In Finland Noorwegen en ook in het Noorden van Nederland komt de naam Veit weinig voor. Nochtans gaat het om een variant van de in Zuid-Nederland of Vlaanderen populaire naam “Guido” of “Guy” in het Frans of Engels.   Om na zijn studies de opgestapelde schulden te vereffenen aanvaardde hij in de studentenstad snel het eerste het beste baantje.  Na enkele jaren in een eerder erbarmelijk “studentenkot”  te hebben gehuisd permitteerde hij zich tijdelijk een heuse gemeubelde studio met kitchenette en douche met warm water. Een knauw in het budget, maar soit..!   Precies een jaar later kon hij het dubbele gaan verdienen in de hoofdstad en huurde er een flatje, ditmaal met een iets breder bed, een heuse keuken en zowaar een badkamer met ligbad.   Door de verhuis van de kantoren buiten de stad nam hij amper zes maanden later alweer afscheid van dit flatje om het te ruilen voor een appartement in de stadsrand.    Bij het verlaten van de flat herinnerde hij zich dat er ook nog een kelder bij hoorde, die hij nooit had gebruikt. Net voor de sleutels aan de eigenaar werden terug bezorgd, bezocht hij uit nieuwsgierigheid het lokaaltje.   Het was leeg … geen verhoopt geldkoffertje, geen lijk in de kast, geen zeldzame fles wijn…maar wel enkele oude boeken waarvan één met stevige rode gemarmerde kaft.   Het was een Engelstalig boek met verzamelde werken van Bacheller, Ainsworth en Hume. De tweede “historical romance” droeg als titel “Guy Fawkes” . Hij bladerde in het boek en bij het amper oplichtende peertje zag hij plots iets vreemds.   Het boek was gedrukt in het voor dit soort lectuur meest gangbare lettertype maar ergens midden in het boek aan het eind van het eerste hoofdstuk over de marteling van Fawkes, hield plots de tekst op en stond er de naam “Guido” in handschrift.   Hij heette zelf Guido en voelde in het klamme donkere keldertje een koude rilling over zijn rug gaan. Had hij een geest bevrijd of was er iets anders aan de hand?   Eenmaal terug op de begane grond las hij enkele delen uit het verhaal dat het leven beschrijft van de bovengenoemde beroemde Engelse martelaar die stierf in een koude kerker.  De passage waar de handgeschreven tekst in voorkomt luidt :   “By a great effort, and with acute pain, he succeeded in tracing his Christian name thus : Guido While endeavoring to write his surname the pen fell from his hand, and he became insensible”   Wie nog steeds op zoek is naar het exemplaar van het boek dat hij achterliet in de kelderruimte weet nu dat het terecht is.   De eerlijke vinder zegt al jaren ooit eens op reis te gaan naar het Hoge Noorden. Mocht dit hem ooit lukken, wedden dat hij tijdens zijn verblijf een boom, bank of balk zal vinden waarin de naam “Veit” gekerfd staat?    

Vic de Bourg
0 0

eleonoor

De schaduw van de boom drapeert zich parallel aan haar dijen.  De boomkevers tjirpen luidruchtig, maar Eleonoor hoort het niet.  Ze zit met haar ogen dicht de geuren, intens als de walm van versgebakken wafels in een kleine keuken, in te drinken. Een beeld van een man dringt zich aan haar op. Een man, robuust en imposant als een mythologisch figuur. Ze ziet zijn gezicht niet maar voelt zijn warme adem in haar nek. Een hond blaft in de verte. Vage verlangens vullen haar gemoed. Verlangens die ze nooit zal kunnen bevredigen. Eleonoor is ‘anders’. Werelds genot is niet voor haar weggelegd. Eleonoor voelt zich inderdaad anders dan de anderen, maar weet niet precies waarom. Voorbij de struiken, aan de rand van het water, ziet ze beweging. Ze richt zich een beetje op en ziet de gestalte van een jongen die een meisje met lange paardenstaart naar zich toetrekt. Hun gezichten plakken aan elkaar. Ze lijken niet los te komen, ze draaien een beetje naar rechts en dan weer naar links, maar het schijnt niet te lukken. Eleonoor kijkt weer naar de lijnen van de boomschaduw en haar benen. Ze let erop om haar knieën niet te buigen zodat het samenspel niet verstoord wordt. Van achter de struiken hoort ze kleine gilletjes van het meisje. Ze gaat weer rechtop zitten om te kunnen zien wat er gebeurt. Maar de hoofden zijn inmiddels achter de struiken verdwenen. Ze zullen zijn gaan liggen, zoals ik, denkt Eleonoor. Op school willen ze allemaal haar vriendinnetje zijn. Ze komen altijd naar haar toe, tijdens de pauzes en tijdens het middageten in de kantine. En dan gaan ze allemaal rond haar staan en zingen liedjes en lachen luid. Eleonoor lacht dan mee, maar om één of andere reden vinden de andere meisjes dat niet leuk en gaan weer weg. Eleonoor hoort nu heel vreemde geluiden van achter de struiken. Het meisje lijkt pijn te hebben, ze kreunt en schreeuwt. Eleonoor zou willen gaan kijken wat er aan de hand is, maar ze wil het patroon van haar benen en de schaduw niet verbreken. Ze meent een gesmoorde hulpkreet te horen, daarna een klap en dan niets meer. Eleonoor spitst haar oren, maar het is volledig stil achter de struiken. Ze haalt haar schouders op en kijkt weer naar het schaduwspel van de bewegende takken vóór haar voeten. Ze glimlacht en probeert haar armen te laten bewegen op het zelfde ritme. Wanneer broer plots naast haar komt zitten, lijkt Eleonoor het eerst niet te merken, zozeer gaat ze op in haar dans met de boom. ‘Noortje, ik had je toch gezegd op het bankje te wachten? Ik heb als een gek naar je lopen zoeken!’ Eleonoor kijkt hem aan maar lijkt hem niet te zien. ‘Noortje!!’ Broer staat  op, grijpt haar bruusk bij de arm en trekt haar met zich mee naar huis. ‘Kan je nou nooit eens normaal doen?’,  verzucht hij gefrustreerd. Normaal… Eleonoor vraagt zich altijd af wat ze met dat woord bedoelen. Ze sjokt een beetje scheef achter broer aan, erop lettend dat elke stap die ze zet precies landt waar broers schaduw zich beweegt.

LL Rigby
0 0

geknipt

Een klein dorp ergens in Europa, 1974. Een man loopt over een zandpad door de velden, het hoofd gebogen, de schouders gekromd. Onder zijn oksel een kappersset. Niets aan het voorkomen van deze man doet vermoeden dat hij ooit rijk en succesvol was. Dat hij ooit de mooiste dame uit de streek tot zijn vrouw had gemaakt en een gemakkelijk leven genoot dankzij de vier goeddraaiende kapperszaken die hij eigenhandig uit de grond had gestampt. Dat hij ooit gelukkig was. De wandelende man loopt langs een kleine boerderij en groet bedrukt maar vriendelijk een oude vrouw die aan de voordeur onder de luifel zit. Hij haalt zijn set onder zijn arm vandaan en toont het haar, bij wijze van vraag. De oude vrouw schudt verontschuldigend het hoofd. Zo loopt deze man, dag in, dag uit, over alle paden en wegen van de dorpen, langs de huizen en boerderijen, langs tavernes en bordelen.  De mensen groeten hem steeds meewarig. Ze kennen zijn verhaal, hoewel slechts in grote lijnen. Ze durven hem er niet naar vragen, waarschijnlijk uit angst zijn dappere maar breekbare voorkomen te kraken. Het verhaal gaat, dat hij op een dag alles kwijtraakte, zijn vrouw, zijn kinderen, zijn kapperszaken. Er zou een andere man mee gemoeid zijn, een vertrouwenspersoon in de zaak, maar dat zijn slechts speculaties van kwade tongen. In ieder geval  verloor hij alles, onder dubieuze omstandigheden. En sindsdien wandelt hij door de dorpen, met zijn oude kappersset onder de arm. Waar hij kan haalt hij zijn set onder de arm vandaan en knipt haren of scheert een baard. Op de drempel van een huis, op straat, in de tavernes. Na elke knip- of scheerbeurt krijgt hij wat geld toegestopt, doorgaans genoeg om zich ergens één of twee glazen rode wijn te bestellen. Zo komt hij de dagen door. Met elke haal van de schaar snerpt de pijn van het verlies door zijn botten. Met elke teug wijn vergeet hij weer.

LL Rigby
0 0

voortzetting van een verhaal

Rik kijkt uit het raam en ziet de wereld beneden hem bewegen. Hij ziet een oude man, gebogen over zijn wandelstok, langzaam naar de tramhalte schuifelen. Vaag ziet Rik er de poëzie van in, zoals hij dat vroeger altijd deed. Elk nieuw beeld was toen een mogelijke aanzet tot een nieuw verhaal. Hij zag overal schoonheid in, de rauwe schoonheid van het werkelijke leven. Hij had het geluk er zijn geld mee te hebben verdiend. Tien goed verkopende romans in amper vijftien jaar. Hij wordt nu al bij de Vlaamse klassiekers gerekend. Niet dat Rik om de roem geeft. Schrijven is voor hem een noodzaak, zoals ademen en eten. Hij kan eenvoudigweg niet door de wereld wandelen zonder overal verhalen te zien. Het gesprek op de hoek van de straat tussen een traditioneel geklede moslima en haar modern uitziende puberdochter. De tristesse in de ogen van de Pakistaanse verkoper in de nachtwinkel waar hij steevast iedere avond een nieuw pakje Chesterfields koopt. De stad en al zijn kleine fotografische momenten hadden hem succes en een zekere weelde geschonken. En nu was het op. Zijn bron was opgedroogd, hoewel de beelden nog steeds door zijn blikveld liepen. Maar de pellicule leek wel vol, niets bleef hangen, geen enkel fragment ontspon zich in zijn hoofd nog tot een verhaal. Het leek alsof hij een ander opnameapparaat nodig had, een andere omgeving, beelden in andere vormen en kleuren.   Niet dat hij nog hoéfde te schrijven. Maar hij wist nu eenmaal niet wat anders met het leven aan te vangen. Hij bezat vrouw noch kind, en vriendschappen beperkten zich tot een gedeeld glas aan de bar van een willekeurig café. De meest diepgaande contacten van de laatste jaren waren die met de journalisten. Die wilden weten wie hij werkelijk was. Hun nieuwsgierigheid prikkelde ook de zijne. Er was één journaliste in het bijzonder geweest die hem zover had gekregen dat hij echt over zijn leven ging nadenken. Nadine De Smet, heette ze. Een truttige dame van rond de vijftig, die onverwacht scherp uit de hoek kwam en hem met de neus op zijn treurenswaardige levensloop wees. Afgezien van zijn romans had hij niks van belang bereikt in het leven. Ze vroeg zich af waar hij de inspiratie haalde om zo levensecht te schrijven, om zo te schrijven dat de verhalen herkenbaar werden voor mensen van alle afkomsten en leeftijden. Hij moest wel veel levenservaring hebben. Veel mensen kennen. Veel gereisd hebben. Rik kon zich geen van al deze dingen toeëigenen. Hij kwam nauwelijks achter zijn raam vandaan, had nooit veel vrienden gehad en was nooit verder van huis geraakt dan Cap Gris Nez aan de Franse kust, om zijn broer een keer te bezoeken die daar al twintig jaar woonde met zijn vrouw. Na jarenlang aandringen hadden ze het voor elkaar gekregen dat hij hen zou bezoeken voor de kerst. Een keer en nooit meer. Hij had bronchitis opgelopen van de strandwandelingen in de ijskoude decemberwind en ze hadden elkaar niks te vertellen gehad.   Rik probeert nog een keer een verhaal te beginnen, zijn vingers zweven boven de toetsen van zijn oude schrijfmachine. Hoe langer hij twijfelt over het eerste woord, de eerste zin, hoe minder hij weet wat hij eigenlijk wil schrijven. Hij heeft helemaal niks te zeggen. Hij zucht en loopt de keuken in om thee te zetten. Kamille. Vaste prik rond negen uur elke avond. Om goed te kunnen slapen. Het is nauwelijks kwart over zeven, maar Rik bedenkt zich dat hij de dag net zo goed kan afronden. Morgen gaat het vast beter.   Ward ijsbeert door zijn cel. Hij zou willen rennen of boksen, hij heeft een teveel aan energie. De enige mogelijkheid in deze kleine ruimte is echter ijsberen. Als hij een celmaat zou hebben zouden ze samen een beetje kunnen sparren. Hoewel dat vast niet zou mogen van de cipier, maar als ze het stil zouden doen… Tina is niet op het bezoekuur verschenen. Hij is teleurgesteld maar zet een masker van boosheid op. Teleurstelling en verdriet zijn geen gedoogde emoties in de bak. Je bent stoer en boos, of stil en teruggetrokken. Ward koos maar voor het eerste. De andere optie ligt dichter bij zijn persoonlijkheid, maar hij vreest daardoor in het vizier te komen van de bullebakken die altijd een slachtoffer zoeken. Dat hij niet met Tina heeft kunnen spreken of haar heeft kunnen zien maakt hem razend – maar eigenlijk dus verdrietig. Hij heeft een enorme nood aan de gesprekken met haar. Hoewel hij in alle eerlijkheid zou durven bekennen dat het net zo goed met iemand anders zou kunnen zijn. De bak maakt hem harteloos, vreest hij. De waarheid is dat hij van Tina houdt. Maar zijn verlangen naar een luisterend oor heeft niks met liefde te maken. Het is een kwestie van leven of dood. De gedachten in zijn hoofd gaan als een razende tekeer. Elke keer na het bezoekuur lijkt hij minstens voor een deel ontladen. Nu Tina niet is geweest neemt de drukte in zijn hoofd toe. Hij ijsbeert nog een goed halfuur door, in stevig tempo. En gaat dan maar opdrukken.     Het duurt weken vooraleer Rik nog een fatsoenlijke zin op papier krijgt. Op een ochtend gaat de bel, met tegenzin loopt hij naar de deur. Hij krijgt nooit bezoek, wie zou hem ook bezoeken? Dus hij weet dat het een verkoper of een getuige van Jehova moet zijn. Misschien levert het de broodnodige inspiratie op. Rik grijpt zich vast aan elke strohalm, dezer dagen. Het is geen verkoper, ook geen getuige van Jehova. Het is een jongeman die verderop in de straat woont, tenminste dat beweert hij. Rik heeft hem nog nooit gezien. Of Rik elektriciteit heeft? Die van hen doet het niet, hij probeert na te gaan of het een algemeen probleem is of enkel bij hun. Op dit uur van de dag is er bijna niemand thuis in de straat. Rik meldt de jongeman met uitgestreken gezicht dat zijn elektriciteit het prima doet, anders had hij overigens de bel niet gehoord. De jongeman knikt fronsend en verontschuldigt zich. Dan ligt het probleem dus bij hen thuis. Rik vraagt of hij de hoofdschakelaar al heeft gecheckt. De jongeman kijkt hem aan alsof hij net een schunnig woord heeft uitgesproken. De wat? De hoofdschakelaar. In de elektriciteitskast. Rik schat de jongeman achteraan in de twintig, in ieder geval oud genoeg om een basiskennis van elektriciteit te hebben – of van wat dan ook. Hij staat er zo hulpeloos bij dat Rik ondanks zichzelf aanbiedt om even mee te gaan kijken.   Wanneer hij terug thuis komt voelt hij zich ontzettend moe. Nochtans was het klusje op tien minuten geklaard. Negen daarvan hadden ze doorgebracht op zoek naar de elektriciteitskast, de jongeman en Rik. Iemand anders leek er niet in huis te zijn. Toch kreeg Rik de indruk dat het een druk bewoond huis was. Overal rommel en kleren, de keuken duidelijk goed gebruikt. De geuren kwamen hem Indiaas voor, hoewel de jongen er niet bepaald Oosters uit zag. Eerder… Italiaans? Zijn Nederlands was vlekkeloos, vast een derde of vierde generatie migrant. Iets aan de jongen had Rik doen denken aan… Tja, aan wat of wie? Hij kon er de vinger niet op leggen, maar hij wist dat er ergens een oude herinnering langzaam uit de winterslaap van zijn geest kroop. Want hoewel hij aan juffrouw De Smet had laten uitschijnen dat zijn leven van begin tot eind zonder veel deining was verlopen, was dat niet de volle waarheid. Er was een jaar geweest dat… hij moest toen ongeveer de leeftijd van de jongeman hebben gehad… toen was het even anders geweest. Maar toen schreef hij ook nog niet. Rik schudt de vage herinnering koppig van zich af. Alles vóór het schrijven, voor de boeken en de roem, was niet van belang. Het enige leven dat hij bezat, dat hij waardeerde, was dat waarin hij achter de schrijfmachine zat. Het leven waarin hij niet langer leefde in de echte wereld, maar des te meer op papier.   Ward heeft tijdens de middagluchting een kerel zien zitten op de binnenplaats met een boek in de hand. Luchting noemen ze het in de bak. Een half uur frisse lucht op een binnenplein met vier hoge muren eromheen. Je kon er op zijn minst wat rondjes rennen, maar verder was het eerder een marteling dan een cadeau. Na elke luchting moesten ze weer de duffe lucht van hun hol in. Het wees hen elke keer weer op wat ze vooral niet hadden. Zuivere CO2. Ruimte. Tijdens het avondeten was Ward naast de kerel met het boek gaan zitten. Een behoorlijk risico, hij wilde niet door de bullebakken opgemerkt worden terwijl hij met een sufketel zat te praten. (Ward vond de woordenschat van de bak soms erg lachwekkend. Luchten, sufketels en bullebakken, het leek wel een soort kindertaaltje. Maar het was allemaal stoer bedoeld natuurlijk. En hij had zelf ook voor stoer gekozen.) Hij probeert zijn beste bullebak-stem boven te halen wanneer hij de jongen uitvraagt over het boek. Waar hij dat gehaald heeft en wie denkt hij wel dat hij is, meneer de intellectueel. De sufketel staart hem in stilte aan, Ward meent zelfs een minuscule glimlach om zijn mondhoek te zien verschijnen, die de knul wijselijk verhult door zich gauw over zijn eten te buigen. Nauwelijks hoorbaar mompelt hij Ward toe dat hij aan de cipier een boek kan vragen. Dat er een heuse bibliotheek bestaat, ergens in de ondergrondse gangen van de bak. Ward twijfelt of hij zou doorvragen, zijn stoere pose staat op het spel als hij te lang bij de knul blijft zitten. Toch is zijn nieuwsgierigheid te groot. Hij vraagt wat voor boek hij dan moet lezen, hij heeft geen idee. Heeft nooit wat gelezen. De knul raadt hem het boek aan waar hijzelf nu in bezig is, hij heeft het bijna uit.   Rik ontwaakt midden in de nacht, iets wat hem nooit overkomt. Misschien is het omdat hij nu al dagen vroeg naar bed gaat. Te vroeg eigenlijk. Hij besluit op te staan en nog maar een kamillethee te zetten. Nog vijf uur te gaan voor het daglicht door de gordijnen op zijn inmiddels stoffige schrijfmachine zal schijnen. Terwijl hij slaperig aan het aanrecht in de keuken staat schiet een beeld door zijn hoofd. Een kleine ruimte, kaal, zonder kleur of versiering. Een beeld uit een droom. Rik herinnert zich zelden iets van zijn dromen. Hij maakt zichzelf wijs dat hij droomloze slapen slaapt, hoewel hij wel weet dat dat niet klopt. Hij herinnert het zich gewoon nooit. Het beeld blijft in zijn geest hangen. Meer dan een beeld is het een gevoel, van benauwdheid, eenzaamheid. Rik heeft geen idee van wat hij precies gedroomd heeft, maar hij voelt aan dat het iets te maken heeft met de buurjongen. Iets aan die knul heeft een gevoel in hem wakker gemaakt. De waterkoker springt uit, ten teken dat het water gekookt heeft. In plaats van zijn mok te vullen loopt Rik echter op een impuls naar de woonkamer, die in een vreemd licht baadt. Hij lijkt te slaapwandelen, hij weet zelf niet wat hij hier doet. Zonder verder nadenken loopt hij op het raam toe en kijkt voor een keer niet naar de straat beneden hem, maar naar de lucht. Een heldere, bijna volle maan verlicht de hele hemel en geeft de plukjes wolken eromheen een bijzonder schijnsel. Rik beseft met een schok dat hij dit soort tafereel een keer eerder zag. Lang geleden…   Ward slaapt de volgende dagen slecht. Hij probeert te bedenken hoe en wanneer hij de cipier zal vragen naar het boek. Hij heeft de knul niet meer durven aanspreken, maar hij gaat ervan uit dat die inmiddels het boek wel uit heeft. Ward begrijpt niet waarom dit thema hem zo rusteloos maakt, het is maar een boek, jezus man. Hij spreekt zichzelf toe vanuit zijn persoonlijkheid als stoere bullebak maar doorprikt zelf de onechtheid ervan. Als hij maar kon sporten, of met Tina praten. Ze is nu al ruim een week niet meer geweest. Hij mist haar, en ook weer niet. Hij zit hier nog wel een tijdje, dus het heeft geen zin om haar te missen. Tijdens de bezoekjes mag hij haar niet aanraken. Toen het besef begon door te dringen dat hij haar maanden, misschien wel jaren niet zou kunnen, mogen aanraken of zoenen, begon hij zich langzaam van haar los te maken. Maar hij wilde wel dat ze bleef komen. Hij moet kunnen praten. Met haar, met wie dan ook. Met iemand waartegen hij niet de stoere hoefde uit te hangen.   Weken later, Ward loopt weer te ijsberen. Het is midden in de nacht. Hij denkt aan het boek. En het verlangen dat hij voelt. Waarom weet hij niet, maar het boek is een obsessie voor hem geworden. Hoewel hij weet dat hij het maar hoeft te vragen, lijkt het een onbereikbaar iets. Een heilige graal. Een vermoeden van… een nieuwe wereld. Hij durft de gedachten eraan soms niet toe te laten. Hij vermoedt in de gedrukte woorden een soort geheime boodschap, een uitweg. Maar hij is bang voor wat dat zou kunnen betekenen. Al zou hij in alle geheim in zijn cel lezen, het zou zijn stoere pantser onherroepelijk verpulveren. Dat voelt hij, weet hij. En hij vreest het verliezen van zijn pose. Niet eens omwille van de bullebakken. Omwille van zichzelf. Hij vreest een waarheid te ontdekken die zijn verblijf hier ondraaglijk zal maken. De uitzichtloosheid onhoudbaar. En toch verlangt hij. Meer dan hij ooit naar iets verlangd heeft. Hij kijkt uit het kleine raampje van zijn cel en ontwaart een glimp van de volle maan, die de nachtelijke hemel verlicht op een manier die hem een besluit doet nemen. Morgenochtend.   Rik bevindt zich voor zijn schrijfmachine. De ochtend is nog steeds veraf, het water in de waterkoker inmiddels weer koud. Hij weet werkelijk niet wat hij hier doet, waarom hij niet terug naar bed gaat. Hij is nooit het soort schrijver geweest dat diep in de nacht creatieve hoogtepunten bereikte, geen reden dat het nu wel zo zou zijn. En toch… Iets zeurt en knaagt aan zijn onderbewustzijn. Wat was de naam van die knul ook weer? Rik beseft dat hij het niet weet omdat hij het niet heeft gevraagd. Wat was het dat hem herinnerde aan… Aan wat ook weer? Rik schudt zijn hoofd en moet lachen om zichzelf. Een schrijver van middelbare leeftijd met een writer’s block die nu al maanden duurt, die ’s nachts achter zijn schrijftafel kruipt omdat een buurjongen… omdat de maan… Belachelijk. Toch zweven zijn vingers richting toetsen. De kleine ruimte doemt weer op voor zijn geestesoog. Wordt scherper. Hij ruikt de muffe lucht, alsof… Helder als het maanlicht ziet hij plots dat hij in die ruimte is geweest, ooit, lang geleden. Toen hij nog leefde in de wereld buiten het papier. Alsof hij zich wil vergewissen van het bestaan van het papier raakt hij werktuigelijk het lege blad in zijn schrijfmachine aan. Een golf emotie stroomt even onverwacht als vanzelfsprekend door hem heen. Het papier, de letters, de woorden en de zinnen. Hij herinnert het zich weer, hoe het alles veranderde. Hoe niets ooit meer hetzelfde was. En dan, eerst twijfelachtig, maar algauw met zijn gewone elan, maken zijn vingers contact met de toetsen en schrijven het eerste woord, de eerste zin. “Ward ijsbeert door zijn cel.”   Het boek in zijn handen voelt vreemd en toch vertrouwd. Ward weet dat hij voorbestemd is dit boek te lezen. Dat het alles zal veranderen, dat er geen weg terug meer zal zijn. Hij savoureert het moment en neemt zijn tijd. Het lastige deel is achter de rug en bleek inderdaad, zoals de sufketel had gezegd, verbazingwekkend eenvoudig. Hij vroeg de cipier ’s ochtends vroeg bij het openmaken van de cel of hij een boek mocht uit de bibliotheek. Of hij een voorkeur had, thrillers of detectives. Bij het horen van titel en auteur was de cipier zichtbaar verrast, maar verdoezelde het snel met een stuurs Oké, en nu, voortmaken! Diezelfde avond bij de avondklok lag het boek al op zijn brits. Voorzichtig draait hij het bundeltje papier met beduimelde kaft om en om in zijn handen. Hij leest de titel en de naam van de auteur, met aandacht. En eerbied. Als een gelovige die op het punt staat een heiligdom te betreden. Hij ademt nog een keer diep in en uit en slaat dan het boek open op de eerste bladzijde. Hij begint te lezen. “Rik kijkt uit het raam ziet de wereld beneden hem bewegen.”  

LL Rigby
0 0

G van Grandeur

(uit “verhalen van A tot Z”)   “Op deze aardbol zijn er lui die nog nooit gehoord hebben van…..” -  “Hoe is het mogelijk dat niemand dit eerder wist….” - “Was ik toen alleen op de wereld of wat, dat weet toch iedereen ? “   Soms begrijpt men niet dat iemand meer dan een ander geïnteresseerd is in wat  er op onze planeet gebeurt. Daarenboven gaat men bij het ouder worden feiten soms totaal anders inkleuren.  Over wie men hoog inschatte duiken opeens donkere verhalen op of omgekeerd krijgen zwarte periodes uit het bestaan plots een draaglijke lichtheid.   Wat voor de een waardevol is,  kan voor een ander waardeloos zijn.    Zo zegt het kleindochtertje tegen haar opa dat zij absoluut niet begrijpt waarom hij die roze vlek onder de nog grotere rode vlek mooi vindt of die zwarte vorm op een helgele achtergrond : poeh, wat zie je daar in ?    Zo vraagt opa zich dan af of het wel zin had de zeefdruk van “Red over Pink” van Mark Rothko of het originele werk dat door de kunstenares “Dark  on visit” genoemd werd, in zijn huis op te hangen?  Wat heeft het kleinkind aan de boodschap dat het origineel van Rothko’s werk uit 1968 samen met vele andere van zijn meesterwerken voor tientallen miljoenen US dollars geveild worden?  Waarom kostte het tweede schilderij net geen duizend euro : het was even abstract en had nochtans veel meer kleuren als het eerste.   Wat maakt iets onbetaalbaar, wat is groots,  wanneer heeft of krijgt iets of iemand grandeur ?   Wanneer is men een groot, wanneer een klein kunstenaar ?  Alweer een tijd geleden, ontmoette ik op een receptie het duo Miek en Roel.  Roel had inmiddels spierwitte haren, net als ikzelf trouwens.  Miek was zwaarder geworden, net als ikzelf trouwens. Het verwonderde mij dat zij me beiden zo hartelijk begroetten.  Hun grijze hersencellen waren beter getraind dan de mijne want ze wisten nog hoe ik hen in hun prille beginperiode meermaals had ingeleid voor een optreden.   Zo stonden wij ooit samen op de affiche  van de eerste afscheidstournee van niemand minder dan Boudewijn de Groot, zij waren het voorprogramma, ik was de presentator. De Groot zou later nog dikwijls afscheid nemen en nu de man ook witte haren heeft staat hij al weer terug op de planken.    Miek en Roel behoorden tot de schare “klein”-kunstenaars die in Vlaanderen wereldberoemd werden.  Maar het repertoire van de grote De Groot werd evenzeer tot de “klein” - kunst gerekend. Wanneer krijgt kunst een grote “K” toegemeten ?   Bij een andere gelegenheid, schudde ik de hand van Nic Balthazar en vroeg hem of hij nog wist hoe wij samen met zijn broer Tom en zijn ouders in het beroemde restaurant “La Coupole” in Parijs hadden gedineerd?  “La Coupole”, dat eerder op een veredeld stationsbuffet leek, was steeds volgeboekt. Hier wilden de groten der aarden - en de kleinen die zich groot wilden voordoen - gezien worden.  Door de klapdeuren kwam af en toe een beeldschone Française binnen en schreed tussen de tafels door,  schoorvoetend gevolgd door de, soms reeds bejaarde couturier.  Neen, ze hadden geen tafeltje gereserveerd, want ze verdwenen weer langs de andere kant van de zaal, maar dit was de manier bij uitstek om hun nieuwste creatie aan “le tout Paris” te tonen.     Natuurlijk wist Nic dat niet meer, de man was toen een jonge tiener met (nog) een fameuze bos haren.  Later imiteerde hij de haardos of het ontbreken eraan van zijn vader Herman.  Naast een notoir hoogleraar en socialistisch voorman was vader Balthazar ooit provinciegouverneur van Oost Vlaanderen. Later bleek ook dat hij binnen de vrijmetselarij ooit optrad als peter voor mijn inmiddels overleden nonkel bij diens intrede in de Loge.   Met gemeenschappelijke vrienden hadden wij met de Balthazars voordien de voorstelling bijgewoond van “Bodas de sangre” (1933) van Frederico Garcia Lorca.   De in het Nederlands vertaalde “Bloedbruiloft” zou later in het Gentse Multatulitheater worden opgevoerd .   Lorca en “grootsheid” ? Beluister op Youtube  zijn gedicht “A las cinco de la tarde” en je vindt de Spaanse taal de mooiste op de wereldbol, ook al versta je geen jota van wat er ’s namiddags om vijf uur is gebeurd.   Wie dat wel heeft geweten was  Charles de Gaulle, de voormalige president van Frankrijk.  De Generaal was een groot man, letterlijk en figuurlijk en op een of andere manier had hij te doen  gehad met de vrijheidsstrijders van de Spaanse revolutie.    Iets ludieker, werd over de Gaule gefluisterd dat hij volgens een lokaal gebruik rond de kersttijd in een Frans dorpje een geschenk neerlegde bij de kerstkribbe.  Toen de camera op het pakje inzoomde, kon men op het bijhorend briefje lezen : “ Du grand Charles au Petit Jésus”.   Nog iets ludieker loopt  over hem ook het verhaal dat tijdens de pauze bij een toneelvoorstelling in een Parijs theater iemand naast hem in de herentoiletten zei “belle pièce, mon général”  waarop hij lakoniek antwoordde “regardez devant vous, monsieur”.  In beide gevallen kan men zich afvragen of het om zijn letterlijke dan wel figuurlijke “grandeur” ging.   Hoe klein kunnen grote namen zich voordoen, hoe groots kunnen kleine dingen zijn.   Een plaats met zogenaamde grandeur was aan de Belgische Kust het hotel “La Réserve”. Als vijftienjarige stond ik aan het hekken te gluren of ik geen glimp kon opvangen van een of andere beroemdheid die er logeerde.  Een twintigtal jaar later was ik er zelf een gast als medewerker van de internationale hotelgroep die deze inmiddels vergane glorie in Knokke had opgekocht.  Toen kwam aan het licht dat er gezien het immens succes in het roemrijk verleden aan belachelijk hoge prijzen kleine bergplaatsen als logeerkamers fungeerden en dat slechts de enkele onbetaalbare suites over individuele badkamers beschikten.   De grote Goethe sprak de wijze woorden : “ In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister” of  “in de beperking toont zicht pas de meester”.  Wie als iemand met grandeur herinnerd wil worden, doet er best aan een onbesproken pad te bewandelen zonder Lewinskis of  Boëls, tenzij je als François Mitterand in al jouw grootheid lakoniek kunt toegeven : “Et alors ?”  

Vic de Bourg
2 0

E van Emma

(uit “verhalen van A tot Z”)     Onze tante Emma had twee broers. Eentje ging dood toen hij pas vijf was. Het was een mooi ventje. De andere  kreeg veel kinderen en dus had Emma veel neefjes, nichtjes, achterneefjes en achternichtjes.   In sterke familieverhalen kreeg Emma steevast glansrollen toebedeeld.  Voor neven en nichten, arbeiderskinderen, was ze een "chique madam" uit Brussel.  Dat chique bestond onder meer uit het overdadig gebruik aan gezichtspoeder, rouge en lippenstift en een gebeeldhouwd Fabiolakapsel avant-la-lettre, waarrond steevast een sjaaltje zat gebonden om de boel bij mekaar te houden   Grote broer wist hoe lang destijds de treinreis van de hoofdstad naar het verre Limburg duurde.  Alvorens zij de terugreis aanvatte vroeg hij dan bezorgd of zijn kleine zus zich nog even wou verfrissen? Dat klonk dan zo : “Emma, wilt ge voor ge vertrekt nog eens door uw gezicht vegen ?”. Hilariteit alom bij de andere familieleden die het al zagen gebeuren : het uitgeveegde schilderwerk !   Op bezoek bij een achternichtje wou Emma naar het toilet en vroeg : "waar is hier de koer, meisje?" Zich van geen kwaad bewust, stapte het kind parmantig naar de keuken en opende de achterdeur : daar lag het net aangelegde splinternieuwe koertje !   Neen, Emma heeft niet op dit koertje.........jawel !   Het ideaalbeeld van de welgestelde tante uit de grote stad kreeg een deuk  toen een van haar neven zelf naar Brussel uitweek.    Tijdens een afspraak in een bedrijf was hij nog maar net in de wachtruimte gaan zitten als een welbekende stem luidop door de hall riep : “maar wie we daar hebben!” De receptioniste keek vreemd op toen de “femme de ménage” de bezoeker om de hals vloog.  Emma stond er zonder schilderwerk in haar blauw met wit gestreepte voorschoot te glunderen met emmer en dweil.   Of er ooit nog andere familieleden bij haar thuis waren geweest wist hij niet maar toen de neef in kwestie besloot om in het huwelijk te treden ging hij ook zijn peetvader uitnodigen : de man van Emma. Groot was zijn verwondering toen hij hun woonst vond dicht bij de befaamde Madouplaats.   Toen de deur werd geopend, had Emma een kolenkit in de hand die zij eerst ging vullen in de kelder.  Het appartement was drie hoog en er was geen lift. Na het beklimmen van de eindeloos hoge trappen – kleine tante Emma met kolenkit, die ze onder geen beding wou afstaan : “ik doe dit elke dag” – kwam men in een klein appartement met hoge plafonds en enkel in de living een kolenkachel.    Tijdens het gesprek over het obligate huwelijksgeschenk, bleek het gerucht te kloppen dat de nonkel in Brussel op een ministerie werkte, waardoor hij een fikse korting kon krijgen in een elektrozaak. Als kind stelde men zich destijds van alles voor bij iemand die op een heus ministerie werkte.  Niemand had kunnen raden dat de nonkel in kwestie er in de kelderverdieping voor zorgde dat de “chauffages”  tijdig werden aan- en afgezet.   Zo viel de chique tante uit onze kindertijd van haar piédestal, maar wij zagen er haar niet minder graag om, wel integendeel.          

Vic de Bourg
0 0

D van Duitsland

(uit “verhalen van A tot Z”)   Drakenrots revisited   ADOLF 1   “Krankzinnig!”, klonk de mening van ouders en leiding van de jeugdgroep waarbinnen wij besloten hadden om vanuit noord Limburg met een vijftiental kameraden per fiets naar het meer dan tweehonderd kilometer verre Köningswinter am Rhein te trekken. In de zestiger jaren was buurland Duitsland “vreemd” populair.   Dit was geen fietstocht met de moderne lichtgewichtfietsen van heden, maar toch beschikte eenieder reeds over een “verzet” (klein, midden en groot) dat ons zou helpen bij het doorkruisen van het Zevengebergte.   Mijn fiets was loodzwaar en meer dan een meter breed door de tent op de bagagedrager en de metalen koffiekan en waterketel die langs beide zijden aan draagtassen waren vastgesjord. Een lotgenoot had onder zijn snelbinder een houten kistje met vijftien stuks bestek en metalen eetborden.   Veel vlugger dan voorzien doorkruisten wij nog diezelfde avond het centrum van Aachen. De man met het houten bestekkistje reed het laatst. Het drukke verkeer en de vele verkeerslichten dreven ons uit elkaar maar wij wisten welke richting wij uit moesten en zodra wij door de stad waren zouden wij ons wel terug groeperen.   Buiten de stad ontbrak een persoon, iemand had nog net gezien dat hij van zijn fiets was gestapt maar had verder alle aandacht moeten vestigen op het doorworstelen van het verkeer.   Toen het begon te regenen besloten wij verder te rijden en in de eerste de beste boerderij te vragen om er onze tenten te mogen opslaan. Het mocht, die gastvrije Duitsers toch ! Of waren het - foei ! -  onze bruine uniformhemden die het hem deden ?   Doorweekt kregen wij een weide toegewezen. In de snel opgetrokken tenten ontdeden wij ons rillend van de natte kleren. Een grote soepketel - met “pakjessoep” - werd nooit warm op de te kleine opwarmpotjes van het ABL (Armée Belge Leger) en onze maaltijd werd beperkt tot de inhoud van een oude valies vol home-made wafels en lauwe thee.   De stralende ochtendzon en de knagende magen zetten enkele moedigen er toe aan om de soepketel naar een nabije boerderij te slepen met de vraag deze op het fornuis op te warmen. “Natürlich! Kommen Sie in eine halbe Stunde zurück..”  Precies 29 minuten later staat een boerin zich vrolijk af te vragen of “die Suppe vielleicht Französisch war?” “Warum ? Weil ich glaube da sind Schnecke drin… Gucken Sie mahl auf die Packung.  Weil die Franzosen, die essen das, und die Weißen haben Sie am liebsten. „   Geen Franse escargotsoep, zo bleek even later. In haar sappig Aachs dialect wist de hoogst sympathieke Bäuerin nog te vertellen “wen die Schnecken Nachts in den Kettel gekraufen sind, dann lach ich mich kaputt…”.  Ze heeft zich inderdaad haast kaputt gelachen want de ketel was blijven openstaan en dikke slakken waren er 's nachts ingekropen. Nadat enkele dapperen van pure hongersnood toch eens van de soep hadden geproefd werd zij in de varkenstrog gegoten. German pigs love french soup !   Onze metalen borden-man hebben wij nooit teruggezien op onze tocht. Later bleek dat hij naar een politiekantoor was getrokken nadat al zijn borden met een oorverdovend lawaai midden in de stad op de grond waren beland. Voor hij ze had opgeraapt waren wij al lang uit het zicht verdwenen. Vruchteloos had de politie naar ons gezocht en onverrichter zake had onze vijftiende man er niet beter op gevonden terug naar huis te fietsen waar hij laat in de nacht was toegekomen.  Paniek alom op het thuisfront !   Ons van geen kwaad bewust ging de tocht verder via Geilenkirchen, waar bij navraag naar Erdäppfelen oder Pataten wij leerden dat Kartoffeln wel degelijk aardappelen waren en geen wortelen :  Karotten.   De derde dag reeds wenkte de Drachenfels van Köningswinter.  Halverwege de top naar de burcht vonden wij in een doodlopend straatje een kappelletje met authentieke bidbanken die uitstekend dienst zouden doen als “refter”.  De honger knaagde na de loodzware tocht op en af de bergen van de Eiffel : wegens de te zware fietsen meestal stapvoets  naar boven maar dan heerlijk aan 60 km/u naar beneden.   Vier dikke keien en een rooster van de riolering werden tot een heuse keuken omgetoverd en al snel was er Bratwurst, appelmoes en puree. Met een koppeltje dat er in de auto kwam vrijen werd afgesproken dat zij ons het nodige licht bezorgden, kwestie dat wij door het tegenlicht niet zagen wat er verder in de wagen gebeurde. Er werd gefressen en nadien snel ingeslapen…de afwas en opkuis van de eetorgie was voor morgen.   Plots vloog het dekzeil van onze tent open en stonden er twee onvervalste Oberfeldwebel voor ons. Wij waren de eerste van drie tenten en nadat één van de geüniformeerden tot tweemaal toe gedreund had “Wo is der Führer?” antwoordde een van ons lakoniek “Der ist schon lange Tot” maar duidde proestend toch de tweede tent aan. Daar vloog men terstond buiten met de boodschap dat het heiligschennis was! Kapel en omgeving moesten meteen worden opgekuist en wij mochten geen uur langer in de omgeving blijven. Toen we later in het felle ochtendgloren de aangekoekte appelmoes en puree van de bidbanken schraapten waren wij inderdaad beschaamd en verheugd dat het bovenvermelde thuisfront hiervan niets hoefde te weten te komen.   De schoonmaak duurde de ganse voormiddag.  Zodra iedereen terug gepakt en gezakt was trokken wij, om niet op te vallen, in groepjes van drie nog even de stad in.  Jaren later denk ik met heimwee terug aan het  “Weissbrot mit Frankfurter Würst” en de heerlijk frisse Rheinwein waarvan wij een dubbele portie bestelden op het zonovergoten terrasje met uitzicht op de Rijn….”Warum ist es am Rhein so schön?”   Wegens acuut geldgebrek werd meteen de terugtocht aangevangen die ons nog leidde langs een hoeve waar wij al het eten kregen dat wij ons maar konden wensen….”Weil wir haben Euch während der Krieg schon so viel Misere gebracht.”  De kennismaking met het na-oorlogse Duitsland : zo veel "Gemütlichkeit" maar ook schuldgevoel en appreciatie "dass die Belgische Jugend unser Land überhaupt noch besuchen wollest".    De laatste avond overnachtten wij bij een tante van een van onze kompanen in Maaseik… “wor wir gôe musten eten en drinken, no da wir zuun lange toch op de velo hadden gemok”.  Was dit terug Vlaams?   Bij onze onverwachte thuiskomst na vijf dagen, er waren oorspronkelijk tien dagen gepland, en met een vijfhonderdtal kilometer in de benen wachtte ons een kruisverhoor. De nachtelijk weergekeerde bordenman had besloten de jeugdgroep te verlaten en zijn ouders overwogen klacht in te dienen.   Een hechte vriendschap liep stuk. Wij hadden hem nochtans erg gemist en hij was net als de anderen een toffe gast.  Maar ons verhaal kon nooit meer stuk.   Vele jaren later zag ik een huis te huur in het glooiende landschap tussen Brussel en Leuven. Na het zien van de woonst werd contact genomen met de eigenaar : “Aangenaam kennismaking”, zei hij “ik heet Adolf, maar u mag mij Dolf noemen” … Zo dacht ik terug aan de Führer van de Drachenfells en deze belevenissen.    ADOLF 2   Huisbaas Dolf werkte bij Sabena (de sabbenà) in Zaventem (Zoeftem) tot hij op rust werd gesteld wegens zijn slechte rug, gevolg van .......... een val..... uit een vliegtuig !?   “Een noodlanding, een crash, of wat ? – Neen – Een val van hoe hoog dan ? – Van een meter of vier, denk ik – En waren er nog andere overlevenden ? – Neen! – Neen ? – Nee, maar ik was alleen…. “   ”Het is te zeggen, ik was zoals gewoonlijk het vliegtuig aan het stofzuigen en toen ik aan de deur kwam stapte ik achteruit naar buiten maar de “gangway” was weggehaald en ik viel op den tarmac. Mijn rug is nooit meer goed gekomen maar sindsdien hebben zij wel een veiligheidstouw in de deur voorzien voor als de trap weg is”.   Nog van Dolf, die graag “mooi” praatte, vooral als de kinderen in de buurt waren, kwamen uitspraken als:   “Ik zal die nieuwe waterkraan morgen in de sinatairwinkel gaan halen”. “Kinderen, jullie moeten altijd mooi IBM praten” . “Kindje, op de koer zoveel als je wilt, maar binnen mag je niet scholraatsen”.   Of deze:   "Mevrouw, u hebt een schoon lichaamsgebouw".  “Gras in uw tuin, schoon…ja, maar daar kunt ge niet van eten, hé”. “Een gouden medaille van de Sabena – daar was ook niet veel etens of drinkens aan”.    

Vic de Bourg
0 0

SPAARCENTEN

Gisteravond at ik, voor het slapengaan, nog een uiterst zout droog worstje. Om de caloriewaarde wat te beperken spoelde ik het door met een glas Cola Zero. Ik lag te woelen in mijn bed. Het leek wel of ik een heel lijk van een salami- varken aan het verteren was en de cola cafeïne flitste door mijn hersenpan. Maar het was niet alleen die avondlijke snack die mij uit mijn slaap hield maar alle andere bekommernissen. Waar moest ik nu nog naartoe met mijn miljarden euro’s? Vermits ik nu nog niet kon slapen, waar kon ik dan nog slapend rijk worden? De fiscus achtervolgde ons al van in Luxemburg. Sommige politici, die ons jaren met een vermanend vingertje verweten hadden dat wij netjes onze belastingen moesten betalen, want dat alleen daardoor het einde van de tunnel in zicht was, waren ook in het bezit van zo’n belastingsontsnappingsrekeningetje op een Luxemburgse bank. Zij konden ons nog op tijd waarschuwen. Luxleeks kwam dichterbij en de banken drongen erop aan om met onze zakken vol euro’s de eerste de beste exprestrein richting Genève of Zurich te nemen om daar in alle geheimhouding een nieuw sjoemelaccount aan te vragen. Wie had er ooit kunnen denken dat die zwijgzame Zwitsers plots, in een vlaag van eerlijkheid, onze namen zouden vrijgeven. Geen geld, geen Zwitsers bleek al lang geen betrouwbaar spreekwoord meer te zijn. Gelukkig lieten ze er een paar jaar van dreigen overheen gaan, zodat wij, de rijke stinkerds, tijd genoeg hadden om onze fraudehandel ergens in de belastingparadijzen op de Maagdeneilanden te parkeren. Wij kozen eieren voor ons geld en wilden onze clandestiene activa nooit te lang op een eiland met zo’n naam resideren. Hier zouden in de toekomst de moslims weleens kunnen komen oefenen alvorens ze daarboven met die 72 maagden aan de slag zouden moeten. Dus het was een kleine stap om richting Kaaimaneilanden met vakantie te gaan. Met koffers vol bankbiljetten trokken we richting George Town. Vermits geld de wereld regeert, vonden we daar probleemloos accijnsvrije achterpoortjes.  Het was complete chaos toen de fiscus ook deze oplichting op het spoor kwam. Nu wilden ze toch het begrotingsgat dichtrijden met een bijdrage van ons vermogen. Kaaimantaks! Voor geen geld ter wereld zouden wij ons kapitaal aanspreken! Terwijl het gepeupel lekker 50% van hun inkomsten aan vadertje staat moest afdokken, zouden wij massaal met de Holland-Americalijn een luxe cruise boeken doorheen het Panamakanaal.  Vermits geld stinkt, hadden niet de geld lijdende regeringen maar een horde geld ruikende journalisten onze fraudeeradresjes probleemloos getraceerd. Panamapapers ! En daarom slaap ik nu niet meer goed, mijn naam gaat nog vallen tussen alle groten der aarde. Straks wordt ik in één naam genoemd met Spaanse en IJslandse ministers, met de Ceo van Cirque du Soleil, met vermaarde belastingontduikerfamilies, met miljarden verdienende sportmannen, met filmacteurs, met vakbondsnamen en met door belastinggeld rechtgehouden bijna failliete grootbanken… Waar moeten wij, de graaimiljonairen nu nog ongemoeid met onze zwarte fraude centen, criminele extraatjes, bonus- afkoop-  en uitstappremies naar toe? Waar kunnen wij ons geld nog belastingvrij laten slapen? Misschien in het Turkije van Erdogan, waar detail lekkende, bemoeizuchtige en waarheid schrijvende journalisten onmiddellijk van de scene verdwijnen? Zelfs stiekem aangekochte Toscaanse villa’s met bijbehorende wijngaarden kwam de diepgravende fiscus op het spoor. Misschien is het wel veiliger als ik mijn miljardjes gewoon, in pakjes van duizend, in zwarte sokken onder mijn bed verstop! Hoeveel zwarte sokken, liefst maat 42 tot 46 moet ik in Zeeman of Wibra aankopen om mijn droominterest niet teveel te laten verdampen? Wie wil er zijn centen niet verstoppen voor een minister president die beweert dat wij met zijn allen boven onze stand leven? Alles en iedereen uit de weg! Dringend reisje Panama boeken! Ik moet asap mijn Panamees kluisje en belastingontduikrekeningetje leegmaken. Eens ter plaatse krijg ik de kluis niet open!! Ik sleep er een boormachine bij en tracht het slot te forceren. Het boren klinkt oorverdovend. Het lukt niet! Het zweet drupt langs mijn opeen geklemde verontwaardigde kaken naar beneden. Hyperventilatie!  Ik schrik wakker. Manlief heeft zich tegen mij aangeschurkt en snurkt met veel herrie recht in mijn rechteroor. Hij opent geen kluizen maar zaagt dikke eikenhouten boomstammen door. Mijn hartslag komt tot rust. Waar ging die nachtmerrie nu werkelijk over? Over regeringen en schurkenbanken die ons geld willen afnemen en ons willen laten betalen om onze aalmoes te willen beheren? Ik glimlach als ik aan onze povere pensioentjes denk en aan de appeltje- voor- de dorst -spaarrekeningetjes waar onze centjes met elke ooglidknipper devalueren. Panamamiljonair..hoe kom ik er bij?   Sim, Edegem 18 april 2016    

Sim
5 0

A van AMEDEE

(uit “verhalen van A tot Z”)   Buitenlandse broeders hadden wij bij de congregatie van “De Broeders van Liefde” nooit ontmoet. Wel wisten we dat er een Franse benaming bestond voor de Congregatie: “Lesongregatie: “Les Frères de Charité”.   Toen onze kennis van de tweede landstaal noch in haar kinderschoenen stond en later voor de grap, vertaalden wij dit als  “Les frères d’Amour”… liefde, dus.  Dat had hij, deze vreemde grote man, afkomstig uit Zeeuws Vlaanderen, …liefde…voor muziek, kunst, cultuur.   God en dat àndere Vlaanderen moeten hem op een of andere manier hebben «geroepen». Zodra ingewijd, kregen de Broeders een nieuwe naam; was het om de sporen van een vroeger mogelijk zondig leven te wissen ? Hij kreeg, of koos de naam Amedee (“de Godminnende”). Nimmer hebben wij de grond van deze keuze kunnen achterhalen, of was er een link naar Wolfie Amadeus Mozart ?      “Cultuurbarbaren, onmondige uitkramers van een onverstaanbaar brabbeltaaltje….” zo noemden hij ons, zestienjarige Vlaamse kerels.  Vroeg men in Nederland de weg aan een amper tienjarige dan kreeg men een antwoord in een onberispelijke, althans verstaanbare taal. Niet zo in Vlaanderen, dus!  Dat is nu wel anders in het inmiddels taal-verloederde Nederland.   Wij vonden dat Amedee beter naar de échte missies was vertrokken, maar die lagen allicht te ver van huis en van de grote Kunst die hem zo dierbaar was.  Het lag voor de hand: ook in dit stukje buitenland was er bekeringswerk aan de winkel. Moeizaam maar zeker zou hij er in slagen om de Vlaamse complexen te verjagen.   Amedee werd onze klastitularis en leraar Nederlands en Geschiedenis. Tijdens een van zijn lessen stoof hij naar achter in het leslokaal waar hij een voor die tijd revolutionaire platendraaier had geïnstalleerd met een stel fameuze luidsprekers. Oorverdovend luid (in andere leslokalen hield men, zo bleek later, de adem in…) overspoelde ons het vijfde klavierconcert van Ludwig van Beethoven.  Enkele medeleerlingen doken weg onder hun bank, anderen proestten het uit toen Amedee in wapperende zwarte pij uit volle borst met het orkest meezong, daarbij de armen molenwiekend als ware hij de dirigent zelve.   Het werkte, althans bij mij. Ik mocht zowaar het vinyl met Van Cliburn als solist uitlenen en draaide ze op mijn studeerkamertje grijs op een draagbare pick-up met ingebouwde luidspreker anno 1964. Binnen hetzelfde jaar nog gaf ik spreekbeurten over beschrijvende klassieke muziek (De Moldau van Smetana : van bergriviertje naar statige stroom) maar ook over negrospirituals: “oh Lord, what a mourning” : Mahalia Jackson die niet zong over de morgen (“morning”) maar over het lijden (“mourning”) van de negerslaven. Wat een stem, wat een revelatie….ook voor Amedee, die glunderend toegaf deze muziekvorm niet te kennen maar wel kon smaken.  Als het vuur van de cultuur maar oplaaide in duister Vlaanderen!   De Cultuur deed zijn intrede! Al in het tweede jaar na de komst van Amedee werd in het college een heuse Nederlandse Literatuurweek georganiseerd met lezingen door schrijvers met klinkende namen als Ward Ruyslinck, Ivo Michiels, Hubert Lampo.  Amedee zeulde ons mee naar de Antwerpse Opera waar van op de uil een deel van de klasgenoten de volledige opera “Iphigenia in Tauris” van Christoph Willibald von Gluck uitzaten terwijl de overigen gedurende heel de vertoning enthousiast naar het plafond met vergulde blote engeltjes keken.   Is het toeval dat ik decennia later bij bezoeken aan de Brusselse Muntschouwburg, het Brugse Concertgebouw, de Nieuwe Kerk in Den Haag, de Smetanazaal in Praag , The Coliseum in London en bij het luisteren en kijken naar ballet, opera, concert of recital steeds terugdenk aan Amedee, bij wie het allemaal begon?   De Amerikaanse Oscars, Franse Césars, Engelse Laurende Oliviers of de Gouden Bertjes en Bronzen Adhemars mogen er voor mijn part zilveren, houten, marmeren, stenen of glazen, grote of kleine Amedees bij krijgen als opsmuk voor inkomhalls, rotondes en pleintjes aan de ondertussen ontelbare Vlaamse culturele centra. Dank u, Broeder-met-de-liefde-voor-de-Kunst, het is u gelukt! Het “arme Vlaanderen” is rijk geworden!

Vic de Bourg
1 0

K van KAPPELLEKE

(uit “ verhalen van A  tot Z”) De baan naar de Kapellekens Waar men ging langs Vlaamse wegen, oude hoeve, huis of tronk…. kwam men ze overal tegen : de Kapellekens.  De meesten waren gewijd aan O.L.V. van Vlaanderen. Eerder zeldzaam waren de gebedshuisjes die ook aan andere heiligen werden toegewezen.  Zo stond op het einde van onze Sint Antoniusstraat  een kapel waar naast Maria ook Antonius werd aanbeden. Er was een wegje rondom het gebouwtje dat als het ware ingepakt was in hoog struikgewas.  Hier ravotten en speelden de kinderen uit de buurt.  Soms werd de kapel een versterkte ridderburcht, soms een schitterend sprookjeskasteel, soms een hoge ronde toren die eindeloos beklommen werd.  ’s Avonds was het een rendez-vous plek voor menig jong koppeltje. Antonius kneep dan graag een oogje dicht voor die prille ontucht, hij had tenslotte al werk genoeg in het zoeken van verloren dingen. In katholieke middens werd (en wordt ?) Antonius inderdaad aanroepen  om kwijtgeraakte spullen terug te vinden.  Dit gebeurde bijvoorbeeld met de volgende woorden in versstijl : “Heilige Antonius, beste vrind, maak dat ik m’n ……vind” of“Heilige Antonius, lieve sint, zorg dat ik m’n ……vind” of nog“Sint Antonius, heilig man, maak dat ik mijn…….vinden kan” Als het verlorene werd teruggevonden was het uiterst belangrijk dat men de Heilige Antonius hiervoor bedankte, maar ondanks de uitleg van de plaatselijke curie, had niet iedereen  begrepen dat het over voorwerpen moest gaan. Er was veel begankenis op de baan naar het kapelletje, vooral in de zomeravonden en weekends. In het nabijgelegen dorpscentrum waren nogal wat etablissementen van bedenkelijk allooi. De vrouwen van lichte zeden kwamen zogenaamd uit “den vreemden” met namen als Blanche, Alwine en Mireille.  De meesten waren "transfers" uit de rosse buurten van Gent, Brussel, Kortijk, Antwerpen of Luik. Zo zagen wij de raarste creaturen voorbij onze woonst stappen.  Naar het schijnt gingen ze Antonius vragen om hun verloren liefdes terug te brengen en hier en daar durfde er eentje haar verloren eer terugvragen.  Er passeerden ook Franstalige dames die dan baden : “Saint Antoine, homme béni, je ne trouve plus mon chérie” of “Oh, Saint Antoine, quelle horreur,  j’ai perdu mon honneur”. Bij Helga en Gretchen uit Hamburg klonk het : "Ich habe ...... verloren und kann es nicht wiederfinden. Lieber heiliger Antonius, bitte hilf mir, es wiederzufinden" Het heiligenbeeld bleef steeds aimabel glimlachen, het hoofd een beetje schuin.  Maar hij dacht er het zijne over : voorwerpen tot daar aan toe, maar de 'sujets' gaan zoeken waar deze dames naar verwezen ?  Vergeet het !  Hij  liet vooral niets merken en luisterde geduldig naar de uitleg, waarvan hij soms rode wangen kreeg. In al hun extase, merkten de plots zo vrome meisjes dat gelukkig niet. De meimaand was de topmaand voor het kapelletje.  Dan kwam er de hele buurt samen om luidop de rozenkrans te  bidden.  Soms werd ook een, weliswaar verkorte, versie van  de litanie der heiligen afgedreund.  In de vroegere Latijnse versie  ging het dan als volgt : op zangerige toon zei de voorbidder  bijvoorbeeld :  "Sancta Appolonia” (heilige tegen tandpijn) en dan viel de kerk in ……met  de woorden “Ora pro nobis” (Bid voor ons). Aan het Kapelletje was onze nonkel Fons soms voorbidder en van zodra hij een heilige had vernoemd proclameerde de kwajongens en kwameisjes onder ons “Bid voor Fons” !  Dat kostte hen na de gebeden steevast enkele oorvegen.  Dat alles gebeurde onder het goedkeurend oog van Antonius, die daar allemaal niet zo zwaar aan tilde. Ergens in de tijd van Leuven Vlaams en de stichting van Louvain-la-Neuve werd het kapelletje afgebroken en werd er verderop een splinternieuw exemplaar gebouwd, waar  nog amper iemand naar toe trok.  De straatnaam werd  niet in 'la nouvelle rue Saint-Antoine' gewijzigd. Een ander kapelletje was dat van Koersel.  Dit was een heus bedevaartsoord met een echte bron en een grot zoals in Lourdes.  Net als in de meeste gerespecteerde pelgrimsoorden lag tegenover het heiligdom  een authentiek café.  Soms werd gefluisterd dat er bedevaarders waren die zich bij thuiskomst niets van het Koersel Kapelleke herinnerden maar wel van dat gezellig staminee in de Limburgse bossen. Is hier de Vlaamse uitdrukking ontstaan : “En recht naar huis, hé, geen kapellekes onderweg !” ? De voettochten over de baan die van ons dorp naar dit Kapelleke leidde waren legio.  In de hete zomers van toen was het afzien maar tezelfdertijd een hemel op aarde.  De overweldigende natuur, de botterhammen die plat werden in onze rugzakjes, onze 'gourdes', die leeg mochten want die konden bij aankomst gevuld worden met het heldere heilwater uit de bron. In sommige drinkbussen zat 'calichesap' (water met een stok zoethout of met drop), andere waren gevuld met koude koffie en de luxemodellen bevatten echte limonade. Gezongen werd er ook. Tijdens tochten met de jeugdbeweging waren dat  bekende stap- en kampvuurliedjes.  Als wij er met de school op uittrokken werd dit een heel ander repertoire.  Dan kwamen de straatliedjes van de bovengenoemde kwajongens aan bod en ging het van 'In de Sahara, in een grote bak met zand, lag…' (nvdr. het vervolg is niet voor publicatie vatbaar). Op school  werd bij aanvang van elke les  gebeden. Onze leraar Frans had het lumineuze idee het gebed steeds in de doeltaal te reciteren: “Je vous salue, Marie, etc...". Tijdens een schooluitstap naar Koersel  hoorden wij diezelfde leraar voor het eerst in het Nederlands voorbidden.  Toen merkten wij dat hij bij elk 'Weesgegroetje' telkens op hetzelfde moment bleef haperen.  Geproest en ellebogenwerk bij elke “Wees gegroet, Maria, vol van genade,……de de de de Heer is met u, enz…”.  Hij hield het warempel een heel rozenhoedje vol. Omdat onze moeders zo fier waren over hun vrome kroost die op pelgrimstocht trok, kregen wij  een centje om iets te kopen in het souvenirwinkeltje.  De aller-vroomsten kochten dan een OLV beeldje of een ander aandenken, maar de kliek van de straatliedjes trok steevast de herberg binnen om er een limonade te bestellen.  Het bronwater in onze gourdes was dan voor de nadorst op de veel te lange terugweg. Vandaag is het de bron der herinnering waaraan wij ons laven. Tegenwoordig kan men via Youtube de meest fabelachtige landschappen bezoeken in de meest afgelegen gebieden ter wereld. Op het geheugen van de harde schijf onder mijn hersenpan, staan andere vergezichten opgeslagen.  Die bestanden werden met geuren en kleuren  gedownload op de wegen naar de Kapellekens van mijn jeugd.    

Vic de Bourg
319 1

UITGELOKT

Eigenlijk was het zijn eigen schuld. Dieter had het dier geprovoceerd door een krassend geluid na te bootsen. Hij had direct spijt. Zoals hij daar zat, met zijn vleugelpunten rustend op de stoep, had de kraai wel iets weg van de controller van zijn spelcomputer. Alleen, die had voor Dieter geen geheimen; hij kende elk knopje, elke trick en magic skill. De kraai daarentegen was onberekenbaar. Bij dieren, zeker bij vogels, wist je nooit wat ze dachten, wat ze gingen doen. De kraai keek hem na, terwijl Dieter huis-aan-huisbladen in de brievenbussen propte. Toen hij terugkeerde bij het begin van de straat zat de vogel er nog. ‘Opzouten!’ De kraai bleef zitten waar hij zat. Dieter deed nog twee stappen naar voren en liep er toen in een boogje omheen. Hij bloosde. Zijn laffe gedrag bleef vast en zeker niet onopgemerkt. In deze kleinburgerlijke straat zat altijd wel iemand naar buiten te kijken. Het leek goed te gaan, maar zodra hij weer een stap op het trottoir zette, kwam de vogel met trage sprongetjes achter hem aan. Dieter schoot een voortuin in. De Nee-Nee-sticker op de klep van de brievenbus bevestigde zijn kansloze actie: toen hij zich omdraaide had de kraai het paadje van gewassen grindtegels geblokkeerd. Dieter zat in de val. Haastig rolden zijn klamme handen een krant tot koker, maar nauwelijks op tijd. De kraai klapte met zijn vlerken en plotseling was zijn kop vlakbij, de snavel maximaal opengesperd. Kraa! Kraa!’ Dieter maaide in blinde paniek om zich heen en met een doffe klap belandde de kraai in de voortuin. Hij bleef roerloos liggen. ‘Klote beest!’ Dieter rilde, zijn T-shirt plakte aan zijn rug, en de hand waarmee hij de krant had omklemd vertoonde een perfecte afdruk van het voorpagina-artikel.   De week erna lag de kraai er nog steeds. Hij zag er wonderbaarlijk ongeschonden uit. Dieter keek verbaasd naar de verveloze voordeur, daarna naar het grote raam van de woonkamer waar vrouwentongen als zwaarden door de gesloten luxaflex staken. Waarom hadden die mensen dat beest niet even opgeruimd? Over een paar dagen zou de buik met een plof openbarsten in een misselijkmakende orgie van honderden krioelende maden.   Een week later verwachtte Dieter dat de zomeravondlucht zwanger zou zijn van een penetrante kadaverlucht, maar het rook net als anders: naar bloemkool. Tóch opgeruimd, dacht hij, maar tot zijn ontsteltenis lag de kraai nog steeds in de tuin, zijn klauwen in de lucht. Wat een gore lui had je toch. Dieter keek een tijdje naar de kraai en grijnsde. Hij zou die mensen een handje helpen. Hij vouwde een krant open en legde die als een dekentje over de vogel. Hij walgde van het gewicht, maar bovenal van de warmte. Behoedzaam droeg hij het pakketje naar de voordeur. En toen pulseerde er iets onder de krant. Hij deinsde achteruit, verwachtte een explosie van rottingsgassen, maar de uithaal van de puntige snavel die hem vol in zijn rechteroog trof, was het laatste wat hij zag aankomen.

Grand Foulard
0 0

Je vakantie begint bij de heenreis

Op weg naar het zuiden moest ik mijn wagen dringend wat brandstof geven. Zelf had ik ook wel nood aan een koffietje, dus glipte ik even de shop binnen. Bij gebrek aan muntjes zette ik mij als derde in de wachtrij aan de kassa. Voor mij stond een imposante man.Hij vocht een duidelijk ongelijke strijd met zijn overgewicht. Hij droeg donkerblauwe slippers en de tenen die erin gewurmd zaten kende ik. Ze waren van mijn oude moeder. Zij ging vroeger niet naar de pedicure want dat zou een financiële aderlating geweest zijn, dus kweet mijn vader zich uitstekend van zijn job als voetverzorger en knipte met veel moeite en tandengeknars de dikke kalknagels van zijn echtgenote.   De kolos moest wel een truckchauffeur zijn. Hij had spierwitte vlekken op zowel zijn kuiten als onderarmen. Dit tekort aan pigment, deelde hij met mijn nichtje Ingrid. Bij hem viel dat extra op omdat vooral zijn linkerarm diepbruin gebrand was. Waarschijnlijk liet hij tijdens zijn trips in Zuid-Europese landen zijn portierraampje naar beneden glijden als hij in de file belandde. De maagdelijk witte vlekken vormden vreemde eilanden op zijn verschroeide huid.   Hij droeg een bermuda waaronder zijn brede knieën te voorschijn kwamen. Ze leken op de gewrichten van tante Melanie. Haar onderbenen waren nog relatief slank te noemen, maar vanaf haar knieën begon haar lichaam enorme proporties aan te nemen. Zo verging het ook de trucker.   Een slobberende vergeelde t-shirt omspande zijn omvangrijke buik. Hetzelfde beeld zie ik voor me als ik kijk naar de bijna op barsten staande bolle buik van achtmaand zwangere buurvrouw Nathalie. Binnen een maand zal haar “pakje” echter verdwenen zijn. De vracht van deze chauffeur zal hij zeker niet zo gauw verliezen.   Zijn hoofd leek wel vast gespietst op zijn eerder tengere schouders. Een nek had hij niet want de bovenste speklaag van zijn bolle rug, liet dat niet toe. Ook zijn keel, of hoe moet je die opstapeling van vetkwabben noemen, kon je moeilijk herkennen. Mijn grootoom Adelbert, die ooit als krachtpatser voor een circus had gewerkt, had flink met hem kunnen wedijveren.   En dan die tronie, zo weggelopen uit een of andere Fellini-film, had je moeten zien. Mijn grootvader langs vaderskant leek wel zijn evenbeeld: stekelige wenkbrauwen als straatborstels boven minuscuul kleine kraaloogjes, verstopt achter dikke brillenglazen. Hij had het reukorgaan van een bokser met rood geaderde neusvleugels en daaronder een dun grijs Poirot-snorretje. Zijn onverzorgde haardos, samengebonden in een ministaartje, hield hij samen met een elastiekje. Op zijn hoofd droeg hij een vaalwitte Adidaspet. Die had mijn grootvader niet.   Ik kende deze trucker van haar noch pluim. Maar toch kende ik hem van kop tot teen.

Marc M. Aerts
0 0

KOMEN ERGEREN

Vorige week kwam ik erachter dat het heel bedroevend gesteld is met doorsnee televisie kijkend Vlaanderen. Na het bekijken van het dagelijkse tv aanbod, glijden wij met zijn allen af naar het niveau van een open inrichting. Schaamteloos herhalen ze alle series van vorige eeuwen. Zonder blikken of blozen gooien ze de herhaling van de herhaling, compilatie van de compilatie op de beeldbuisprogrammering. De televisiemakers schamen er zich dan ook helemaal niet meer voor om allerlei randdebielenseries op ons los te laten. Wat ik niet snap is dat wij, de consument deze lariekoek klakkeloos binnenhappen. Hebt U ook de eerste twee afleveringen van “Patrouille Linkeroever” gezien? Mooie cast die zich zonder gewetensbezwaar in zijn hemd laat zetten in een, volgens de schrijvers, ongelofelijk komische televisieserie.  De echte politieagenten zullen zich ‘blauw’ geërgerd hebben toen ze zich, in deze parodie, als zwakzinnige nietsnutten op het televisiescherm zagen blunderen.  Heeft er iemand van jullie tijdens het beloofde uurtje grappig en kolderiek entertainment zijn mondhoeken ook maar eventjes naar boven weten gaan? Mijn kleinzoontje van 9 jaar had er hartelijk om moeten lachen. Daaraan kan je zien dat zulke televisieseries alleen gemaakt zijn op het niveau voor volwassen geestelijk gehandicapten! Kan iemand mij de opzet van dit slappe afgietsel van de film Police Academy eventjes uitleggen?  Is het de bedoeling dat de doorsnee Vlaming zich na het bekijken van zulke laagdrempelige series zich iets minder idioot gaat voelen. Ach het kan nog erger. Terwijl ons nationale net ons godgeklaagd met de tiende herhaling van de kampioenen blijft trakteren, kunnen wij ook nog steeds weg zappen naar één of ander kookprogramma. Waar is de tijd dat elke keukenpiet en -prinses alle zenders afschuimde om dat ene gerechtje te vinden, waar hij of zij op oudejaarsavond de vrienden van hun sokken zou blazen. Van ‘Dagelijkse kost Meus, over SOS Piet, namaakwimper Sofie links laten liggend, langs Jamie Oliver,  per Nigella’s comfort food en Rick Stein’s wereldwijde culinaire omzwervingen, via Njam-televisie naar Komen Eten. Kaften vol probeerreceptjes werden er afgedrukt. Waar is de tijd, dat Komen eten nog over koken ging? Het was een roerig showbizzweekje. Hebben jullie het vorige week ook gezien? Of durven jullie het niet bekennen, dat jullie ook behoren tot die zwakbegaafde kijkcijferidioten die, net zoals ik, op Komen Eten afstemmen?  Spijtig voor die ene deelnemer, de echte hobbykok, die bij zo’n drietal malloten aan zo’n losers tafeltje terecht komt. Vorige week, een zingend, kokend en dampend  kwartet dat zich zonder scrupules liet te kakken zetten. Vier hobbykoks die strijden om de eer..Welke eer? De trofee van de meest gegeerde uitlachtelevisie? Een jonge Italiaanse schone, die inderdaad aan gans Vlaanderen bewees, dat ze als 21 jarige al een flink potje kon koken. Een jolige arbeider die van zichzelf vond dat hij na Geubels, Cannaerts en Hoste, de leukste thuis was en die kon stroopsmeren als geen ander. Een half Marokkaanse- Vlaamse solo zanger, die waarschijnlijk op het dieptepunt van zijn carrière zat en al pottenroerend zijn zangimago wat wou oppoetsen en Marina Wally. Jullie weten wel, de dochter van. Volgens haar eigen zeggen en een traan wegpinkend, had haar vader, de cultfiguur Eddy Wally, aan zijn enige dochter de fakkel doorgegeven. Misschien wel de fakkel, maar van enig zangtalent was alsnog niet veel meer te merken. Eddy zou van op zijn wolk supporteren voor Marina’s kookkunst.  De seniorenversie Marina deed zo wanhopig haar best om als de nieuwe lichting Wallies, al kwelend met een Marilyn Monroe jurk rond te zwaaien, zodat heel Vlaanderen haar onderbroek kon bewonderen. Bij de veel jongere Komen Eten arbeider sloegen de vonken in de pan en zwierde het Marina-geslijm in het rond. Het Wally strooplikken werd aflevering na aflevering echt zielig. Na elk gerechtje dat La Wally aan haar medekandidaten voorzette sprak zij de gevleugelde woorden: “Met heel veel liefde gemaakt.” Elk gerecht werd door drie dolenthousiaste medekokers al zingend aan tafel gebracht. De Italiaanse toekomstige mama mia zat er wat verloren bij en je kon duidelijk zien dat al die geïmproviseerde liedjesteksten haar de strot uitkwamen (en niet alleen bij haar!) . Tussen de soep en de petatten vraagt dan zo’n programmamaker aan de hobbykoks of ze zich als complete ordinaire carnavaleske idioten willen ontpoppen. Deze zender maakt openlijk misbruik van imbecielen en het televisiekijkend gepeupel lust er wel pap van. Spijtig genoeg vreet het doorsnee volk zulke oerdomme programma’s! Komen eten werd komen knoeien, komen pochen met je borsten en komen zingen. Ik vraag me af of deelnemers aan zulke uitzendingen niet tegen zichzelf zouden moeten beschermd worden en eerst naar een spruitjespsychiater zouden moeten gaan. Die zou aan deze simpele zielen ongezouten moeten meedelen, dat als ze meededen aan Komen Eten, heel Vlaanderen geconfronteerd zou worden met hun meelijwekkend gezang. Ach het is allemaal een kwestie van smaak en over smaak kan men niet redetwisten. Ik vind het echter wel degelijk genant, voor die ‘would be’ zangers, dat de helft van België, getuige kon zijn dat je noch zingen, noch koken kon. Toen, na een in de soep gelopen veel te pikante tagine, de half Arabische medezanger zijn punten dan ook nog wat wou opschroeven, door iedereen plots klef, schatteke, lieveke, copain, snoezepoezeke en ons Marinaatje te gaan noemen, kon ik het van ergernis niet meer aanzien en zapte weg naar ons tweede openbaar net. Daar lieten ze juist een hoop joelende Afghaanse mannen en huilende Moslim vrouwen zien. Ik was mij er niet van bewust dat Komen Eten tevens in het Midden Oosten druk bekeken werd. Toen ik ’s anderdaags de soep, de bloemkolen met witte saus, aardappelen en worsten voor manlief neerzette en hem telkens verklaarde: “Met heel veel liefde gemaakt” kreeg ik van hem een dwaze blik. Het was diezelfde blik die de meeste studenten in hun ogen kregen, net voor ze de spot dreven met een optreden van een beginnende Eddy Wally en met eieren en tomaten gingen gooien.   Sim, met heel veel liefde geschreven                   Edegem, 11 april 2016  

Sim
28 0
Tip

Florence en de feeks (een modern sprookske)

  De feeks vroeg aan de spiegel aan de wand Spiegel o spiegel wie is de schoonste van ’t land De spiegel zei ’t is dat ge ’t nu vraagt aan mij Maar d’er is eigenlijk iemand anders dan gij Haar naam is Florence , z’is vurig en gewoon En daarom zo echt en door en door schoon De feeks werd zot en trok haar haar uit hare kop Ze dacht : dat zal wel zijn; dat geluk dat moet op   Ik heb hier nog nen agenda degelijk verstopt ‘k Zorg dat dat contentement stillekes aan flopt ik vermeng heimelijk wat gif met venijn Ik doe er wat nijd bij en massa’s chagrijn En toen de wereld draaide gelijk de Sinksenfoor Had die Florence nog altijd niks door Alles werd zwart en haar lijf trilde gelijk zot Ze viel omlaag en haar hart scheurde kapot   Een knaagdier vrat haar van binnenuit op Er zat een slang in hare nek, een schroef op hare kop 100 kilo lood duwde op haar middenrif De dokter zei : maar ge zit gij vol gif En de feeks die danste een Polonaise alleen Hip hip hoera ze ligt in frennen vaneen Pardon, zei de spiegel, ‘t is wat ambetant Maar ze blijft toch nog de schoonste van ‘t land   Haar hart is gebroken maar ‘t vuur is nie weg Ik kan er nie aandoen,’ t is gelijk ik het u zeg De feeks werd koleirig van de weeromstuit En zei als’ t zo zit, awel, dan ruk ik haar hart eruit Florence sliep en plengde ondanks het cliché Zoute tranen in haar eigenste zee Om haar hart dat brutaal leeg werd geroofd Om het vuur in haar dat bijna werd gedoofd   Toen de feeks graaide met haar gelakte nagels in't zwart greep Florence naar haar nasmeulend hart Ze was bang maar tufte in de feeks haar gezicht Zei : als gij denkt dat ge mij hebt ontwricht Denkt dan maar rap iets anders, serpent Ik heb nog nooit iemand zo zielig gekend Daarop ontblootte Florence haren decolleté Haar hart vatte vuur en trof de feeks. O nee!   Het serpent dook krijsend in Florence haar zee Bij nader inzien was dat een vrij fout idee Het zout vrat zo waanzinnig diep in haar huid Dat ze niet meer wist wat ze deed en naar verluidt Is zij daarna gestruikeld en gevallen van nen berg Ze verdween onrustwekkend. O ja dat is…erg ;-) En Florence ? Awel, haar hart is terug vol En 't vuur in haar brandt gelijk de costa del sol   Florence floreert,  ze staat parmantig weer recht Misschien komt u haar wel ns tegen in ‘ t echt.      

DqM
64 2

Het verband tussen Bernard en sir Cliff Richard

Bernard was een half jaar ouder dan ik en willens nillens mijn buurjongen maar hij is nooit mijn beste vriend geweest en daar had ik wel enkele redenen voor. Ten eerste stond zijn woordenschat mij niet aan. Zo gebruikte hij woorden als “nieverans” als hij “nergens” bedoelde. Vele jaren later reisde ik zogezegd naar “Niverance-les-Bains” als ik, in tegenstelling tot enkele welstellende schoolkameraadjes, niet op vakantie ging maar het met deze fantasiebestemming anders liet doorschemeren. Maar dat verfoeide woord “nieverans” was vanzelfsprekend nog geen reden om mijn buurjongen niet graag tot vriend te hebben natuurlijk.   Twee jaar later was het anders als we met andere buurjongetjes gingen voetballen op een weide achter “ons” bosje, onze natuurlijke habitat tijdens de woensdagnamiddagen, de weekends en het lange en zonnige zomerverlof. Elke grote eik of beuk had van ons een naam toebedeeld gekregen. De laagste takken van “de Witte” of “de Sinterklaas” bevonden zich hoog boven de begane grond en elkeen hielp een ander door elkaars opstap te zijn. De laatste werd dan met een dikke koord omhoog gehesen.   Dit wat kleinere bos was niet te verwarren met het iets verderop gelegen grote bos - met daarin enkel naamloze bomen - dat dienst deed als fietscrossbaan of als slagveld, waar de éne dag de “goede” cowboys en de “slechte” indianen (of was het andersom?) slaags geraakten en de speelgoedrevolvers met roze klappertjes het moesten opnemen tegen de zelfgefabriceerde - mits het bezigen van vaders werkbank - pijlen en bogen; en waar de andere dag het een strijdtoneel betrof tussen heldhaftige kruisvaarders en plunderende Saracenen waarbij de weer zelfgemaakte - mits alweer het bezigen van vaders werkbank - houten zwaarden kletterden tegen de plastic kromsabels van de zwartgeschminkte Moren.   Maar waar was ik gebleven? ‘Nieverans!’ zou Bernard gezegd hebben. Bij de voetbalmatch, juist ja. Bernard was zoals steeds keeper (“kipper” noteerde ik op ons wedstrijdblad) bij de tegenstanders en ik fungeerde als spits (“sentervoor” volgens ons wedstrijdblad) en daar begon al direct de ellende. Bij de eerste aanval van onze ploeg draaide de uit zijn goal gelopen doelverdediger zich valselijk om waardoor ik in volle vaart tegen Bernards uitgestoken achterste belandde. Ik kreeg geen lucht meer en lag kronkelend van de pijn op de voetbalweide. Ik vervloekte hem vanaf het moment dat ik weer naar adem kon happen.   Het zal nog eens een jaar later geweest zijn dat we slaags geraakten toen hij mij in ons geliefde bosje weer begon te pesten en uit te dagen. Want zo was hij, mij intimideren in het bijzijn van anderen met in zijn achterhoofd ‘hij durft toch niks te doen’. Maar daar had hij het toch even niet bij het juiste eind. Na menige leugen en het zoveelste verwijt, kookte mijn keteltje over en stormde ik op hem af terwijl de andere “bosjesmensen” met verbaasde gezichten toekeken. De klap die hij kreeg was enorm en deed hem in een ondiepe put ploffen waar niet thuishorende glasscherven zijn knie openreten. Bloed, geschreeuw en vele tranen waren het gevolg en even later ook een ziekenhuisbezoek. Rinus, onze wat introverte buurman en Bernards vader, kon er die avond niet om lachen toen hij het wedervaren van zijn zoon aan mijn ouders kwam vertellen. Maar toen ik van de eerste schrik bekomen was, lachte ik ’s anderendaags toch maar in mijn (vechters)vuist. “Boontje komt om zijn loontje” dacht ik. Sindsdien had ik veel minder last van Bernards slinkse manier van aanpak.   Ik zette het hem trouwens dubbel betaald en nog wel tijdens zijn communiefeestje waarbij hij een tiental buurkinderen had uitgenodigd, waaronder ook de mooie Duitse Cornelia. Misschien had hij gedacht de ganse namiddag met haar te kunnen dansen maar dat was buiten mij gerekend. “When the girl in your arms is the girl in your heart” galmde Cliff Richards zoetgevooisde stem, idool van Bernards zus Marian, door de luidspreker en dus voegde ik de daad bij het woord en danste ik op één tegel met Cornelia. Ter info: de tegels in de betreffende woonkamer waren erg klein; eerlijkheidshalve moet ik er wel aan toevoegen dat onze voeten, annex onze schoenen, nog niet helemaal volgroeid waren. Gevolg: Bernard jaloers, ik trots als een pauw (“as proud as a peacock” zou Cliff gezongen hebben). Sindsdien belandde mijn relatie met mijn buurjongen onder het vriespunt. “Below zero degrees centigrade or 32 degrees Fahrenheit” zou waarschijnlijk een te moeilijke titel geweest zijn voor een nieuwe hit van sir Cliff.

Marc M. Aerts
0 0

Heimwee naar het paradijs

een reisverhaal Mizmizy ‘Mag ik hier roken?’ vraagt een klant.‘Roken is ongezond,’ antwoordt ze dan. Ze staat achter de toog en trekt even aan haar sigaret. Ze glimlacht naar hem. De klant kijkt verbaasd. Hij schudt zijn hoofd en licht een sigaret op terwijl zij een asbak onder zijn neus schuift. Ik leerde Thamina kennen in een taverne te Brussel, waar ze werkte om haar studies te kunnen betalen. Ze zuipt als een koe en rookt als een schoorsteen. Haar ouders denken dat ze een keurig moslimleven leidt en ijverig studeert voor dokter, dit onder toezicht van haar oudere broer, Iqbal. Hij volgt politieke studies aan de internationale school om erna de politieke carrière van vader in Bangladesh voort te zetten. Iqbal heeft zich echter bij een hippiegemeenschap aangesloten, dweept met zen en softdrugs en wil een roman schrijven waarin hij Oost en West verenigt, een wijs man met idiote doelen. Thamina maakt zich zorgen om hem. Hij maakt zich geen zorgen. Haar ouders willen dat zij gaat trouwen, nu ze nog jong is en een goede familie kunnen vinden voor haar, er is namelijk interesse. Maar dat ligt nogal complex. Zowel zij als ik hebben zo onze eigen voorkeuren en zijn uiterst koppig als het gaat om keuzes maken.We kennen elkaar al sinds onze job in de taverne, nu drie jaar geleden. Ik als keukenhulp en zij als notoire en beruchte toogverantwoordelijke – zoals ze dat zeggen. Dat er hier, in deze oubollig ogende taverne, zoveel volk komt, heeft vooral te maken met haar eigenzinnige kijk op de dingen en haar vlotte sociale babbel. Sinds de eerste avond dat we samenwerkten, een heel chaotische avond, zijn we beste maatjes en helpen elkaar waar het kan.En zo komt het dat ik hier met haar in een provinciaal stadje ben aanbeland met de charmante naam Mizmizy. Ik mocht mee met haar. Dat haar ouders dat vertrouwden heeft wellicht te maken met het feit dat ze mij niet echt kennen. Ze ontvingen me de eerste avond meteen heel gastvrij en hadden een apart kamertje voor mij voorzien. Ik ben hier nu voor de tweede dag en heb net een hele rij familie van haar ontmoet. Volgepropt met oosters lekkers zit ik rond de tafel met haar en haar ouders in de woonkamer en net als mijn maag voelt de sfeer momenteel erg gespannen aan. Thamina zit met haar handen voor de ogen en ellebogen op de tafel. De hele familie om haar heen. Ze huilt. En zij praten, veel. ‘Als je nu niet trouwt wil niemand nog met je trouwen!’ zegt haar moeder dwingend.‘Maar ik ben nog maar zevenentwintig!’‘Je had al zeven kinderen moeten hebben, ja. Kijk naar je zus. Die heeft alles wat ze moet hebben.’En ze knipoogt even naar Thamina’s zus die net met een schoteltje hapjes komt aangelopen. ‘Jong trouwen en baren. Zo hoort het ook,’ vult haar vader verder aan.‘Niet waar ik leef, daar ben ik nog jong.’ Haar vader probeert de partijen te sussen: ‘Je bent jong, prinses, maar je weet dat geen Bengaalse man je nog wil zodra je de dertig bent gepasseerd. Nu kan je nog een deftige partij vinden. En de man die wij hebben gevonden komt uit een echt goede familie.’ ‘Wie zegt dat ik een Bengaalse man wil?’Haar ouders kijken haar geschrokken aan.‘We hadden haar nooit naar Europa mogen sturen,’ reageert haar moeder verwijtend.‘Dat was het beste voor haar en Iqbal,’ zegt de vader beslist. ‘Maar ze moet een Bengaalse man trouwen, denk aan jouw positie...’ Thamina kijkt treurig op. Ze weet wat haar moeder bedoelt. Haar vader is burgemeester van het dorp en ambieert een carrière in de politiek. Een man met aanzien, waarvoor tradities – zeker naar de buitenwereld toe – erg belangrijk zijn. Dat is toch wat ze mij ooit eens vertelde, de reden waarom ze liever niet terugging. Het aanpassen aan onze cultuur ging haar redelijk vlot af, maar het weer aanpassen aan haar eigen wereld ligt voor haar veel moeilijker. Ze staat op en kijkt naar mij. ‘Heb je ooit de Baai van Bangladesh in het echt gezien?’Ik schud van niet.Haar moeder zucht.‘Nu nog niet,’ besluit ze. ‘Nu wil ik nog niet trouwen.’ ‘Maak je studies dan eerst af!’ roept haar vader haar nog na, wanneer ze opstaat en de kamer verlaat. Alsof hij zo zijn bronnen heeft en weet dat zij nog niet echt veel aan haar studies heeft gedaan. Cox's Bazar De volgende ochtend staan we vroeg op. Het is de bedoeling dat we in Cox's Bazar terechtkomen, tegen de avond. Het is een klein kuststadje aan de Bengaalse baai, waarvan men ooit het Saint-Tropez van het Oosten wil maken.‘Ik wil nog een jaar uitstel,’ vertelt ze haar ouders vlak voor we vertrekken. Haar moeder houdt haar handen voor haar ogen. Ze stapt in het busje dat ze voor haar en mij regelden en kijkt niet om. Voor ik het goed en wel besef, rij ik samen met Thamina dwars door Bangladesh, door het meer bergzame gedeelte van de Chittagong Hill Tracts, de grens met India en Birma. Ik mag haar graag. Ze heeft een heel eigen lichte kijk op de dingen, een mix tussen Oost en West, het beste uit beide werelden zeg maar, daar is geen boek voor nodig; zij is het levende bewijs dat het kan. Zo zie ik haar althans. Er is verder niets tussen ons.   Ik voel me wereldburger en ben blij een vrij man te zijn, dus zoek ik ook niet verder. Ik heb al teveel gezien dat kapot ging en heb enkele jaren geleden besloten dat relaties, laat staan de liefde, niets voor mij is. Zij vindt dat ik te veel nadenk over die dingen en daarom van die domme principes heb die me niet toelaten echt te leven. En zo hebben we ‘s nachts na het werk vaak diepe discussies waarvan één plus één uiteindelijk leidt tot nul. Op een fijne manier. ‘Misschien lukt het wel om iemand te ontmoeten, zonder te moeten, gewoon iemand die mij en mijn afkomst zou kunnen respecteren, een man die mij niet gebruikt als huismeid maar die me zal liefhebben om wie ik ben.’Dat zegt ze terwijl de wagen al meer dan twee uur door het landschap raast en ik dringend ergens zou willen stoppen. ‘Gelijk heb je,’ bevestig ik zacht. Een naïeve gedachte, maar ik geef haar graag gelijk.De zon komt op en we stoppen eindelijk even met het minibusje in een dorpje langs de hoofdweg Dhaka-Chittagong. Een kopje thee zal smaken, besluit onze chauffeur, Salim. Hij verstaat gelukkig geen Nederlands en zelf kan ik met veel moeite zijn gebroken Engels verstaan als ik hem een vraag stel. Hij is een grote, slanke, netgeklede man in een kostuum met donkerblauwe blazer, wit hemd en blinkende, zwarte lederen schoenen. Voorts is hij erg hoffelijk naar ons toe en zijn diepe donkere ogen maken indruk wanneer hij je recht in de ogen aankijkt, een Bengaalse James Bond als het ware. Hij zou veel succes hebben bij de vrouwtjes en de mannetjes in Europa, bedenk ik. Thee is hier de nationale drank, het smaakt romig zoet en heeft de kleur van koffie verkeerd.Het is een mooie streek en hoe dieper we het land inrijden, hoe anders alles wordt: minder rijstvelden, meer heuvels en bebossingen, meubelwinkeltjes, mannen in witte 'panjabi's' die hand in hand lopen in de stad. Nog verder weg, koeien die magerder worden op de weg, mensen die afdunnen op het land en meer en meer kinderen met bamboestokken op hun rug, zeulend langs wegen die slechter worden dan ze al waren. Soms mogen we niet doorrijden en moeten dan een heuse omweg maken. Er leven hier volksstammen in de bergen die hun tradities wensen te bewaren en een bloedhekel hebben aan pottenkijkers. Ze hebben  gelijk. Na enkele hobbelige omwegen naderen we de zee. Salim is een ongelooflijk goede chauffeur die steeds voor het middengedeelte van de weg kiest om zo toeterende tegenliggers sneller te kunnen ontwijken. Totdat hij de zee ruikt, dan slaakt hij een kreet en duwt het gaspedaal volledig naar beneden, waarna we ons als een bende krijsende lemmingen richting de afgrond storten, door het laatste dorpje, over een koppeltje aan elkaar snuffelende honden, tot het einde van de weg, waar de zee de wielen nat likt. Hij stapt uit, zijn ogen tranen van geluk. Ik vraag hem voorzichtig of zijn familie hier woont? Hij schudt van niet en beantwoordt in enkele zinnen: ‘No Family… my family… is the sea. I worked for years on a ship. I still feel the sea inside.’ Hij werpt zijn sandalen uit en laat zijn voeten de zee proeven. Het is nacht, we zijn er en ik kan er niet echt van genieten. Ik zit met mijn gedachten bij die twee honden, zomaar omver gereden, want ze liepen in de weg. Het leven is hard hier en dus ook voor honden. Thamina, Salim en ik checken in bij het eerste hotel dat we tegenkomen. We laten onze reispas zien terwijl een tweede bediende zoekt naar een pen om ons bestaan te kunnen bevestigen. Salim kijkt streng toe dat we een eigen kamer nemen. Hij is niet alleen onze chauffeur, maar ook opzichter en bodyguard van de familie en dus ook van ons. We eten eerst nog iets. Een bhat-schotel, witte gepelde rijst, illich, de plaatselijke vis en een pikante groentesaus met linzen. Er wordt met de handen gegeten. De bhat wordt samen met een stukje vis tot een balletje gekneed en met de duim in de mond geschoven. Met de handen eten smaakt anders, voller, een onmiddellijk soort contact met de smaakpapillen. Het eet alleen minder prettig, of ik ben gewoon te onhandig, want voor ik het goed en wel besef lacht Thamina me recht in het gezicht uit. ‘Zelfs de honden eten hier beschaafder dan jij,’ lacht ze.‘Ik leef tenminste nog,’ zeg ik bits.‘Oh, is het dat wat je dwarszit?’ Ze heeft duidelijk door dat ik niet blij ben met de manier waarop het laatste stuk van de rit verliep.‘Honden zijn geen huisdieren bij ons, dus ...’‘Dus, moet je ze daarom maar...’‘Nee, dat moet niet...’‘Net zo min als men je kan dwingen om te trouwen?!’Ze kijkt me ontdaan aan.‘Je kunt dit moeilijk vergelijken,’ zegt ze gebeten terug, ‘het is een traditie hier en ik begrijp wel die traditie, voor velen werkt het, als de keuze goed gemaakt is door de ouders.’Ik knik en prop nog wat in m’n mond zodat ik haar daar niet op hoef te antwoorden.‘Het is net als in Europa.’Ik kijk haar vragend aan.‘Ook daar weet je niet op voorhand of de keuze goed is...’‘Nee... maar je kiest wel zelf...’Stilte. Ook mijn keuzes waren tot hier allesbehalve goed en dat waren vrije keuzes, maar daar was ik zelf verantwoordelijk voor en daarbij had ik ook zelf de keuze om het stop te zetten. Thamina denkt er verder over na, ze fronst haar wenkbrauwen, alsof ze nog een nieuw argument gevonden heeft.‘En toch, je schoonouders kies je ook niet, en bij ons komen ze vanaf het begin al overeen...’‘Soms...’‘Ja, soms.’Ze kijkt mijmerend naar een affiche van een Bollywoodfilm met voorop de cover een wel heel rondborstige danseres en daarachter een hongerig kijkende man.Ik kuch even. ‘Wil je zeggen dat je over het voorstel van je ouders nu echt nadenkt?’‘Wat moet ik anders...’ zegt ze bijna alsof ze een keuze heeft gemaakt, alsof de reis door het landschap haar meer en meer begint te verbinden met haar wortels. Trekkend aan haar lijf en leden, fluisterend in de oren, jij bent een vrouw van hier, jij doet wat er hier al eeuwen gedaan wordt. Ik doorbreek de stilte: ‘Met je hart kiezen moet je doen.’‘Mijn hart is al lang in de war, misschien moet ik hen inderdaad wel laten kiezen voor ik als oude vrijster na m’n werk op straat sta te paffen in de hoop een beurt te kunnen scoren.’ Ik kijk haar aan. Ik wil haar zeggen hoe mooi ze is, dat ze zeker iemand zal vinden die haar waard is. Dat ik haar zielsgraag mag en... Maar daar blokkeren mijn gedachten. Ik wil niets, enkel warmte zonder teveel nadenken. Op lange termijn is dat niet voldoende. We besluiten onder zachte dwang terug te keren naar het hotel. ‘So late, it’s not safe for tourists here, not yet,’ komt Salim ons zeggen, vlak nadat hij een gesprek op zijn smartphone van wel zeker een uur heeft beëindigd. Grote grijze plekken die als boosaardige ogen naar je staren sieren de muren, vet en bloed kleeft op de lakens. Ik besluit om de matras buiten op het balkon te leggen, zonder lakens. Thamina’s kamer is vlak naast de mijne. Ook zij staat op het balkon. Ze draagt een paars nachthemd, mooi en doorschijnend door het invallende maanlicht. Ik kan haar golvingen zien zonder dat je de details ziet, enkel de puntjes van haar tepels door de koude nachtwind. Niet alleen de hemel is beloftevol.‘Kun je niet slapen?’‘Mwah, te warm en te vuil daar binnen, dan maar liever buiten.’ Ze glimlacht en klimt over de reling van het balkon, haar nachtjapon licht opheffend tot aan haar knieën, mooie slanke benen. Voor ik het goed en wel besef, staat ze vlak naast me op een manier zoals ik haar nog nooit zag.‘Zullen we samen slapen?’‘Euh... en wat als Salim...’‘Oh, die slaapt naast mijn kamer en ik hoorde hem al snurken tot in m’n eigen kamer. Trouwens, ik zei dat we samen gingen slapen, daar doen we niets verkeerds mee.’ Ze knipoogt.We nestelen ons zwaar vermoeid op de matras. Alsof de nacht ons alleen nog maar een klein zetje hoeft te geven voor we als een blok in slaap zullen vallen. Zij duwt zich dicht tegen mij aan met haar zij, armen tegen elkaar, de blik gericht op de sterrenhemel. Ze legt haar hand zachtjes op mijn boxershort. Ik leg mijn arm om haar schouders, mijn hand zachtjes vallend op haar nachtkleed. En trek haar dichter tegen mij aan. Ik voel haar tepels vanonder het stof. Zij voelt mij steviger worden, langzaam hard. Ze streelt hem zacht, zonder meer. Strelen alsof ze een puppy aait en zijn gehijg zachtjes kalmeert.Ik voel me zwaar worden, uitgeput van de rit. Ik word weer slap. Ze draait zich om, duwt haar kontje tegen mij aan en pakt mijn arm vast, die ze rond haar middel slaat. Ik geniet van haar warmte en haar zo bevreemdende zachte geur. Ze neemt mijn hand vast en streelt zacht mijn vingers. Als een schommel bewegen we tegen elkaar aan, lepeltje in lepeltje bereiken we als twee oude zielen op het ritme van de geluiden van de zee het land van duizend en één nachten.Everest water Rond zes uur 's morgens wekken bussen met reuzenluidsprekers ons. Ik voel me ziek, erg ziek en misselijk. Dit wordt een dag om te mediteren en ansichtkaartjes te schrijven in bed. Salim gaat ondertussen op zoek naar een beter hotel. Na een half uurtje komt hij terug en voert ons naar een recent gebouwd hotel, waar ik op nette lakens mijn dag verder mag uitzieken. Salim gaat enkele vrienden van hem bezoeken en Thamina besluit om bij me te blijven.Ze houdt mijn hand vast als ik op bed lig. Mijn gezicht vertrekt van de buikkrampen om erna enkele seconden te ontspannen. Een tweetal uur strijden tegen een zware misselijkheid en toiletgeluiden die de rust van de buurt verstoren. Zij blijft in de buurt, helpt waar ze kan en dept mijn bezwete voorhoofd telkens na een van die weerkerende stuiptrekkingen. Na een tijdje word ik rustiger. Ook zij is moe. De reis, de korte nachten, de vele gedachten, de keuzes en het wilde van het land putten een mens uit. Zij valt naast me in slaap. Ik kijk naar haar kleine fijne lippen, haar ogen die rusten, haar smalle wenkbrauwen die onrustig liggen, haar zachte mokkaroomkleurige huid. Ik val in slaap, tegen haar aan. Thamina wordt huilend wakker, ik houd haar vast en troost haar. Ze droomde dat ze te laat zou komen op het sterfbed van haar vader. Het witzouten zakje in de fles water Everest, do not drink without protection seal smaakt slecht. Thamina doucht zich, ze voelt zich vuil en radeloos. Ze houdt van haar ouders maar wil een eigen leven, vertelt ze, en toch lijkt het alsof ze hen verraad als ze niet volgens hun verwachtingen vrouw wordt. Uit de vele huwelijksfoto’s die ik van haar familie zag belooft dat niet veel goeds. Terwijl de man zijn bolle wangen in een glimlach naar boven krullen zie je haar jonge felrode lippen angstig naar beneden hangen, als een vogel die ieder moment zal neerdalen en beseft dat ze nooit meer zal vliegen. Mooie meisjes die zich gedragen als giechelende tieners tot ze weggeplukt worden. Vrouwen die je zou willen weghalen om hun dit duizenden kilometers verder te besparen. Of hetzelfde te laten gebeuren in een 'strakker' kleedje, hoewel je dan zou kunnen beweren dat ze toch een keuze hebben gehad. Kaartjes naar mijn vrienden. Ik mis hen, het zijn fijne vrienden. Enkel hoorde ik toen nog te veel verhalen die op elkaar leken, zoals een flauwe grap die al twintig keer verteld werd en toch steeds leuker wordt omdat ze zo flauw is en je zo dronken bent. Misschien komt dit doordat er zo weinig gebeurde vlakbij de toog van nooitgedachtenland of wilde ik gewoon niet praten over wat ik echt dacht en voelde en wenste, te vermoeiend. Misschien was ik te vaak bij hen en te weinig bij haar, mijn Vlaamse vlam. Zij die mij voor het eerst wist mee te nemen naar onbekende werelden en me daarna telkens weer de deur tegen het gezicht aansmeet. Zij wilde veel, te veel en ze was grillig; dan weer wel, dan weer niet, dan vrolijk, dan woedend, zelfs geweld was haar niet vreemd. Ze had pijn. Ergens diep vanbinnen en niet alleen zij zou dat voelen, ook hij die te dicht bij haar kwam. Zo hard, dat ik wegliep.‘We stoppen ermee.’ Hoe kon ik dat zeggen tegen iemand van wie ik nog hield… en toch. Ze schokte in mijn armen terwijl ze hard met haar vuisten tegen me aan sloeg. ‘Moet ik je nu wurgen of omarmen?!’‘Wurg me maar.’ Zij voelde warm aan en ik voelde me kouder worden. Het afschuwelijke besef dat dit niet voor mij was weggelegd deed me sindsdien hyperventileren wanneer een vrouw nog maar aanstalten deed om me beter te leren kennen. Geen 'normaal' leven of, misschien, als de kippen niet meer kakelen maar praten. Ik vertrok. Haar naam was enkel nog een kleur in een dagboek. Tot ik Thamina tegenkwam. Voor het eerst sinds jaren was dit anders. Alsof ik me bij haar wel veilig voel. Ik ga op het balkon zitten en neem een paar foto’s. Overal loopt men rond, hard werkend, kriskras door elkaar, een mooi en druk volk, dat steeds weer opbouwt. Van hieruit kan ik beter de videofunctie nemen. Normaal geef ik de voorkeur aan foto's, zeker op locatie, omdat je voor foto's de tijd moet nemen om te kijken en te plaatsen, die tijd neem je meestal niet wanneer je filmt. De camera registreert en jij beweegt met spastische neigingen om zoveel mogelijk tegelijk te zien. Beelden in een vast kader die even snel zouden moeten zijn als de ogen, duizenden frames die uiteindelijk het hoofd doen duizelen, de oren tuiten en de ogen sluiten voor het geweld aan beelden. De zon gaat hier snel onder en ik voel me al wat beter, maar van het eten in het plaatselijk restaurantje, met zijn toilet dat er nog gruwelijker uitzag dan deze in de film Trainspotting, blijf ik voorlopig af. Thamina en Salim zijn er een rijke Bengaal tegengekomen die graag kindjes wegschopt als ze voor zijn voeten lopen en zijn nu met hem mee. Hij beloofde hen een ritje met de speedboot en een beerparty. Ik wilde liever in het hotel blijven.   Asalaam aylekoumIk besluit om mijn stoute schoenen aan te trekken en alleen op pad te gaan, misschien kan ik naar één van de rieten dorpjes wandelen die ik in de duinen zag liggen, waarom niet. De zee ruist. Even alleen. Heerlijk. ‘My name is Ruby.’ Een meisje van ongeveer tien in zwart Ajax-shirtje en roodgebloemd broekje groet me. Een ander meisje, iets ouder, staat naast haar en prevelt iets. Haar armen zien eruit als schuurpapier en op haar lippen kleeft dik, rood doorlopen lippenstift. Haar ogen zijn grotesk blauw geschminkt. Ze kijkt me wazig aan en wil me iets vertellen. Ik vraag aan Ruby wat er mis is met haar. Ze vertelt dat ze geen vader, geen moeder, geen zuster meer heeft; iedereen weg sinds de vloed kwam. Ze wijst naar een klein rieten hutje dat lijkt op zo'n Indiaanse zweethut. Daar woont zij alleen. Ruby zelf neemt me bij de hand en trekt me mee naar een iets grotere bamboehut. ‘Here lives my family.’ Een oude, breedglimlachende man komt naar buiten. Hij verwelkomt me en nodigt me uit even mee binnen te komen. Het hutje bestaat uit twee kleine vertrekken en één halfopen, blijkbaar de keuken, in de andere twee staan verharde rieten bedden. Ik tel een hele familie kinderen en grootouders, pal voor mijn neus. Ze kijken me verbaasd aan, een blanke westerse man is hier een rariteit. Ik glimlach wat en speel handjeklap met Ruby. Even later zitten de andere kinderen naast mij op het grote bed. De grootouders brengen een kom in zon gerijpte kleine vruchtjes. Ze lijken op appeltjes. Ik waag het erop, al is het maar uit beleefdheid. Ze smaken naar een super geconcentreerde Granny Smith. Het valt best mee en mijn maag lijkt het te verdragen. Ik dank hen en neem afscheid, ze stralen. De kinderen wuiven me enthousiast uit. Even verder draai ik me nog eens om en zie het meisje met de blauwe ogen. Ze kijkt me na met een blik die dwars door me heen gaat. Dit is geen toeristisch land. Wat doe ik hier eigenlijk? In de winkelstraat met schelpen- en stoffenkraampjes hoor ik enkele mannenstemmen me iets toeroepen en lachen, ik reageer niet en loopt verdwaasd verder, te ver weg van huis. Ik wilde graag weg van huis, van haar, van alles, maar wist niet waarnaartoe en belandde met een Bengaalse schone ergens waar ik niet thuishoorde. Vanaf het balkon van mijn hotelkamer kijk ik naar de mensen op het dak van een versleten bus die druk in de weer praten en op het dak lijken te barbecueën. Mooi, zo onder het licht van een straatlamp. Ik denk aan mijn vrienden. Ik denk aan het ouderloze meisje. Verder denken wil ik niet, de verschillen zijn hier te groot; ik voel me er ongemakkelijk bij en zelf ben ik moeder Theresa niet. Ik luister naar de zee, de krekels, het gezang, protesterende megafoons en luid klappende mensen. Die nacht krijg ik bezoek van een horde muggen die als wilde prairiehonden op zoek zijn naar bloed. Tegen de ochtend val ik pas in slaap en droom van haar. De wind maakt me wakker, ik open mijn ogen en Thamina staat voor het vensterraam, ze rekt zich uit als een jonge wolvin. De zon valt binnen.‘as-salāmoe `alaykoem.’‘wa alaykoem as-salām’‘En hoe voel je je?’‘Beter, veel beter.’ Ze glimlacht, ze kan zo lief glimlachen achter dat masker van haar; de meid die alles aankan, die alles weet en nooit verveelt. ‘Hoe was de beerparty?’‘'t was een aansteller.’ Ze zucht even, heft haar hoofd op, strekt de armen en laat haar ogen schitteren. ‘Als we vandaag eens gaan zwemmen?’‘Mag dat?’‘Wel als we lange badkleding dragen.’‘Dat heb ik niet.’Ze glimlacht en kijkt me ondeugend aan. ‘We zullen zien.’ Salim heeft haar verteld dat er vandaag noch gereden noch gewerkt mag worden, zelfs de riksja’s worden tegengehouden. Het is staking en hij weet niet hoelang het zal blijven duren. Nog meer bussen zijn deze nacht aangekomen en de luidsprekers staan niet stil.  On-rustOp de gang ontmoet ik voor het eerst mijn buurman, een in net pak geklede Pakistaan, waarschijnlijk een zakenman. Hij knikt me relaxt toe en vraagt me naar mijn business hier. Ik ben het beu om me als toerist voor te stellen en vertel hem dat ik hier ben om een roman te schrijven over Bangladesh. Hij glimlacht alsof hij er niets van gelooft en stelt zichzelf voor als Hassan, journalist van de Khalied Times. Hij vertelt dat ik hier waarschijnlijk nog wel een tijdje zal vastzitten, dat de bevolking op scherp staat momenteel en diegene die niet participeert in de staking zal gestraft worden. De bussen hier zijn volgeladen met studenten  die hun onvrede uiten tegenover de regering. Er rijden patrouillewagens van het leger rond en er heerst een onrustige stilte. Snel wandelen we door naar het strand, waar de zon schijnt en de zee alles wegspoelt. Er is veel volk aan het strand. Zwemmen gaat nu niet, nee, we zijn nog net niet gek. Enkel de voeten raken de Bengaalse baai. De volgende dag. De staking woedt voort, de bergen mogen we niet in, want die zijn te gevaarlijk, zodat wat ik vreesde waar blijkt te worden: vastzitten aan het langste zilverstrand ter wereld, samen met een chauffeur die zich meer en meer als een overspannen bodyguard begint te gedragen en dorpsbewoners die je angstvallig aansporen om terug naar het hotel te keren: ‘Blijf in uw kamer en kijk maar wat naar de zee.’ Net zoals de vakanties in Blankenberge met mijn ouders. Help. De journalist hangt over de reling en staart naar beneden. Ik groet hem en vraag of er in de omgeving iets te zien is dat te voet haalbaar is en niet verboden. Hij stelt voor om vandaag onze gids te zijn. Eerst moet ik nog aan geld zien te komen, voor als ik straks nog iets wil drinken of eten, met de dollars die ik nog heb zal ik niet ver geraken. Banken en postkantoren zijn gesloten, dus vraag ik om het te wisselen in taka's aan de receptie. De receptionist vertelt me dat dat niet mogelijk is. Terwijl ik teleurgesteld in een van de hotelstoeltjes ga zitten en wacht op de rest, komt er een tiener op me af die geïnteresseerd vraagt waar ik vandaan kom. ‘Belgium.’‘Ooh Nilis, you know Nilis, and euhm, Scifo, great players.’Een oom van hem heeft in België gewoond. De Engelse uitspraak van de jongen is ook veel beter dan dat van de meeste Bengalen hier, wat een hele verademing is. Hij zou later graag naar de universiteit willen en met veel respect praat hij over zijn leermeester die hem hierbij helpt. Ik vraag hem of hij misschien weet waar ik geld kan wisselen. De receptionist is een vriend van hem en speelt in hetzelfde cricketteam. Mijn geld wordt gewisseld. Ondertussen komen Thamina, Salim en Hassan keurig opgefrist in de hal aan. Ik wil hen voorstellen aan de student. Hij wordt echter op een brute manier door Salim weggejaagd. Het wantrouwen is groot en de bezorgdheid nog groter. We volgen enkele weggetjes richting de heuvels en ik voel mijn bloed stromen, warm en opgewonden. We komen in straten terecht waar de varkens in het vuil wroeten en naar zwavelzuur geurende dampen uit de open riolen stijgen langs de houten winkeltjes met schreeuwerige Pepsi- en Coca Cola-reclameborden. Het is warm en stofwolken weken zich los. We stoppen voor een groot grijs-wit betonnen gebouw. Even later bevinden we ons binnen. Geen receptie, gewoon een lange donkere gang met grijze zuilen die via een platte kronkelweg naar twee verschillende verdiepingen leidt. Een ziekenhuis. De eerste verdieping is voor de minder zware gevallen, de tweede verdieping lijkt meer op een oorlogscentrum. Hier liggen vooral mensen met leveraandoeningen, ‘opvallend veel leveraandoeningen,’ benadrukt Thamina. ‘M’n ouders willen dat ik ook in zo’n ziekenhuis ga werken, ooit, als arts, en als dat niet wil lukken, als verpleegster.’‘Het is een nobel beroep.’‘Ja, maar hier... het is hier echt werken met de middelen die er zijn en veel is er niet.’‘Liefst niet hier... ’ zeg ik zachtjes en ik neem haar hand vast. Ze knijpt zacht terug. Dan laat ze snel los. Ik zie haar nadenken, twijfelen, alsof ze echt nadenkt om eventueel haar leven om te gooien, om alles vanaf nu anders aan te pakken. Het is een grote witte zaal vol kleine bedden waar veel kinderen rondlopen, met hier en daar een netgeklede zuster die naar het laboratorium snelt, een rommelig lab in een ruimte dat weg heeft van een schuilkelder. Zelfs dat van mijn middelbare school zag er beter uitgerust uit. En dan zijn er de zieken, mensen die hardop hallucineren en creperen van de pijn; een pijnverdovend middel zou hier goud waard zijn. Zoveel pijn dat ik snel naar buiten vlucht, hier kan ik geen foto's van nemen.  "Als er een hel is op aarde   is het een derde wereld hospitaal   Waar geboorte en dood   beide huilen voor hulp   samen met dezelfde adem "                                     Nadeem Rahman De staking eindigt even plots als die begon. Het is acht uur ‘s avonds, we vertrekken onmiddellijk. Het is genoeg geweest en Thamina heeft een besluit genomen; ze wil zo snel mogelijk weer naar België. In Chittagong City verdwalen we en verliezen zo een paar uur. Thamina knikkebolt in slaap, ik neem haar in mijn armen. Slaap maar, rust nu uit. Het is nacht en de maan voelt jong.Afscheid De laatste dag, we moeten gaan eten bij twee families. Zij heeft een fijne familie, niet te vergelijken met dat van mij, dat in stukken is gescheurd. Daarna gaan we met z'n allen naar de kermis. Allemaal kleurrijke kraampjes met lekker geurende zoetigheden en foto's van Indiase en Bengaalse cricketvedetten. Er is ook een rad, uit hout gemaakt, met twee stoelen die elk om beurten worden voortgeduwd. Het is een mooie avond. Thamina blijft de hele nacht nog bij haar ouders. Ik wacht op het dak. Laat in de nacht, als het bijna ochtend wordt, komt ze naar boven. Haar donkere wangen blinken zacht. Ik omarm haar troostend. We besluiten om nog een wandeling te maken. Bij een bruggetje gaan we zitten en legen de laatste fles taxfree paper bag whisky. De lege fles droppen we in het riviertje en terwijl we kijken hoe het in een dunne duisternis verdwijnt, streel ik zacht haar haren en vertelt zij dat ze mijn hart hoort kloppen. Dat kan alleen in Bangladesh. ‘Dat hart doet nog steeds pijn,’ zeg ik met een oprechte blik en een je-weet-wel-vanwaar-het-komt zucht.‘Goed, dan zijn we met z’n tweeën en zeker niet alleen.’ Afscheid en tranen en hen die we achterlaten. De luchthaven. Duty free shoppen. Laat de dollars maar rollen, we zitten hier tien uur vast, it's a Dubai material world, we komen dollars tekort. We slapen op de grond. Zij is mooier geworden, ze is veranderd, 'amio', ik ook. Brussel. Sneeuw en sneeuwwitte zelfbewuste vrouwen die dromerig kijken naar newage-etalages. Olifantjes en een domme wazige sluier overvallen mijn ogen. Mijn handen voelen koud en mijn vingers, met fluo-orange hennanagels, versierd bij mijn vertrek door Thamina’s nichtjes, zoeken warmte bij het vasthouden van een zak friet met mayonaise. Het aanpassen duurt niet zo lang. Thamina heeft zich opnieuw ingeschreven op de universiteit, ze wil dokter worden. Ik doe verder waar ik goed in ben: zoeken. Ik voel me terug. Afwezig.                                      Voor Iqbal, Bengaalse wijze vriend, het ga je goed en licht.    

Bart Vermeer
36 0

De infiltrant

Ik ben niet bang. Nooit gedacht dat ik dat op een moment als dit nog helder in m’n hoofd zou kunnen prenten. Ik ben niet bang, hoewel ik meer reden heb om bang te zijn dan ooit tevoren. Terwijl mijn hoofd een zelden geziene, filosofische kant van zichzelf lijkt te hebben gevonden, duwt de zwaar behaarde vent me wat verder de container in. De geur van kleverig gedroogd fruit in combinatie met de muffe containerlucht doet m’n lege maag krimpen. Na 3 dagen lijk ik voedsel niet eens meer te missen. Een soort permanente waas van high, of hoe vasten je heel wat geld aan drugs zou kunnen besparen. De filosoof in mijn hoofd is vast een neveneffect van het acuut gebrek aan eten. Jammer, mijn vriendin had die diepzinnige ik vast interessanter gevonden de het kille lief dat ik de afgelopen maanden was geweest. Zonder veel finesse strompel ik voorover wanneer de man me met de achterkant van z’n geweer in de rug port. Hoe hard, koud en stoffig de containervloer ook mag zijn, liggen voelt als een wollige deken na een winterwandeling, dicht mijn hoofdfilosoof. Veel te gelukkig om me in deze allerminst aangename situatie te bevinden, nestel ik m’n hoofd op mijn samengevouwen handen en heel even waan ik me thuis. Thuis in ons Ikea-bed op een van onze doelloze zondagochtenden, die we vulden met croissants en seks. Amber toch, wat heb ik je aangedaan? Waarom was ik niet de man die ik eigenlijk voor je wilde zijn? Waarom moest net ik me aanbieden om deze zaak op te lossen, net nu we eindelijk weer samen gelukkig konden worden? “De aard van ’t beestje. Eens thrillseeker, altijd een thrillseeker”, had mijn moeder wel eens –trots op haar nieuwe, Engelse vocabulaire-verkondigd. Voor Amber was dit allesbehalve een troost geweest, meer een soort reden om me in al haar liefde nog meer te haten dan ze voordien al deed. God, wat zie ik haar graag. Drie dagen geleden zou ik me doodgeschaamd hebben voor de zielig onderdanige positie waarin ik me nu bevond- gelukzalig glimlachend, in foetushouding voor een gewapend strijder die me liefst zo snel mogelijk wilde afmaken. De trots is samen met mijn levenslust vertrokken. Doodgaan, hoe egoïstisch ik het van mezelf ook vind, is het mooiste wat me nu nog te wachten kan staan. De strijder roefelt wat in z’n achterzak en ik ben ervan overtuigd dat hij iets zal bovenhalen wat m’n dood alleen maar pijnlijker zal maken. Met verraad van Het Verbond, wordt bij die mannen niet gelachen. Even denk ik dat de vastenwaas me nu ook al hallucinaties bezorgt, als ik zie dat het voorwerp dat uit de zak van z’n lelijke groen-katoenen broek komt een eenvoudige iPhone is. Ik hoor mijn broer nog steeds monologen afsteken over de miserabele prijs-kwaliteitverhouding van die dingen en bedenk me dat geen broers zo verschillend konden zijn dan wij twee. Hij de econoom, ik de nuchtere infiltrant, de miseriezoeker die zo nu en dan al eens wat bendes wist op te rollen.  Met zijn vette vingers, die typen op zo’n touchscreen er waarschijnlijk niet makkelijker op maken, vormt hij aarzelend het nummer dat op de achterkant van een rekeningetje gekrabbeld staat. Een rekeningetje van Mc Donalds, merk ik verdacht helder op. Niet dat ik iets anders van deze obese, woesteling verwacht had, maar het blijft me storen dat niemand zich ook maar iets van de nutritionele waarde van voeding lijkt aan te trekken. Mijn afgedwaalde gedachten landen prompt terug op de containerbodem wanneer de vent me zijn iPhone aanreikt. Ik verwachtte de Leider te horen, die me een laatst mogelijke keer zou inwrijven dat mijn missie naar de knoppen is. Hij zou dan beschrijven hoe ze mijn dood zouden filmen, op Youtube posten en iedereen er zo van overtuigd zou zijn dat met Het Verbond niet te sollen valt. De stem die uit de speaker van de smartphone komt, lijkt in geen jaren op de hese gekir van de Leider. Ze weten wat psychologische oorlogsvoering is, die gasten, want deze stem is inderdaad dé manier om mijn laatste levensminuten pijnlijker dan mogelijk te maken. Het is haar stem, haar zachte volle stem. Lager dan de meeste mannen gepast zouden vinden voor een vrouw, maar zo vertrouwd, zo zoet. Haar stem is gezwollen van woede. Zonder ook maar iets aan mij te vragen begint ze me uit te schelden. Dingen over foto’s van een brunette op stiletto’s, scheidingspapieren en teleurstelling. Zonder dat ik ook maar een woord kan uitbrengen- in de veronderstelling dat ik daar op dit moment toe in staat zou zijn- schreeuwt ze dat ze dat ze nooit van me had mogen houden en begint schortend naar adem te happen terwijl haar uithalen afvlakt naar vermoeidheid en verdriet. Ik hoor iets te zeggen, niet? De filosoof in m’n hoofd weet het even ook niet meer. Het enige wat ik weet is dat ik verdomme zo graag zou willen dat dit een film was en er me nu op miraculeuze wijze iemand de kracht gaf die dikke vent knock-out te slaan, te ontsnappen en terug te gaan. Terug naar Amber. Ik zou haar ten huwelijk vragen, er zouden een paar wilde jaren verstrijken en dan zouden we kinderen hebben en nog lang en gelukkig leven. Einde verhaal. Aftiteling en opgewekte muziek. Amber snikt nog steeds en tegen alle regels der mannelijkheid in merk ik dat machteloosheid ook tranen uit mijn ogen heeft weten te wringen. De mollige strijder lijkt het sentimenteel schouwspel niet langer te kunnen verwerken, rukt de iPhone uit m’n magere, beverige handen en duwt Amber met 1 welgemikte por op het scherm weg uit mijn leven. Mijn leven, waarvan over enkele luttele seconden niet veel meer dan wat herinneringen zullen overschieten. Met zijn hoofd al bij de Big Macs  van straks maakt hij zijn pistool klaar om de routineklus af te handelen. Ik ben niet bang. De filosoof in mijn hoofd heeft het bij het rechte eind, ik bén niet bang. Ik ben klaar. Klaar om de zoveelste, gefaalde infiltrant te zijn. Ze zullen mijn naam na deze oorlog in een muur krassen en elk jaar zullen oude vrouwen wat bloemen bij de steen leggen. Iedereen zal ons prijzen voor onze moed en onze heldendaden. Ze moesten eens weten, hoe graag wij dappere helden op het einde net als iedereen ook gewoon naar de dood snakken. De dood, het einde van die tijdsverdoenerij hier op aarde. Tijdsverdoenerij die de één vult met hoofdbrekende economische theorieën over Apple, de ander met het idealistisch bestrijden van het kwaad. Keuzes, zijn het de ware schatten van het leven, denkt de filosoof nog in m’n hoofd. Een klik, een welgemikt schot. Zalige leegte die men de dood noemt.    

Anne-Sophie
0 0
Tip

Duivenpaleizen ten val

Als ge geluk hebt, wordt ge geboren in een tijd die bij u past. Een tijd als een soepel extra velletje, eentje zonder plaats te veel. Een tijd die u in uw waarde laat, u u laat zijn.   //   Gij, gij paste perfect in uwen tijd. Gewoon doen wat opgedragen, volgen, geen existentiële vragen of roekeloos gedrag, geen verre reizen of ontdekken van nieuwigheden.  Gij, uw constante huppelen achter de bazen, zoals uw kefferke thuis.  Geen ambitie, 45 jaar en hoogstens 5 dagen ziek, achter de band versleten. Moeder de vrouw had het eten ’s avonds gereed. Uw kinderen, noodzakelijk kwaad door God bepaald. Eén passie: uw duiven. Voor hen week alles. Uw grote geluk, uw goeroeloze meditatie, yoga, saunabeurt, enzomeer.   Gij, vervuld van liefde voor uw gevleugelde vrienden.   Uw vrouw, de kinderen, zij moesten het met elkaar beredderen. Zij hebben u nooit gekend, ge kende uzelf niet. Uw duiven, de enigen. De enigen die u steeds weer met groots enthousiasme verwelkomden.   Ge werd te oud, uw duiven moest ge laten gaan. Wat later waard gij zelf eraan.     //   In onze tuin kijken we recht op de ruïne, de stenen versie van uw stijlloos luxueus tuinhuis, de duivenrange, uw stille paleis, uw enige thuis. Het ligt er triestig bij. En toch, telkens we uw kleine paleis kruisen, komt er een warme gloed ons tegemoet.  Uw ziel bleef daar, uw liefde bleef steken. Onze kinderen bewonderen dat megalomane kasteel, plek van dierenverafgoding, zouden graag deelgenomen hebben aan de sport.  Te jong om te beseffen. Het vallen van de duiven.    De tijden zijn veranderd. Duiven in verval. Uw beste duif vloog zich te pletter tegen onze ruit. Het moet een voorteken geweest zijn. De blik in uw ogen toen ik ze verward terugbracht, was hartverscheurend. Ge wist het toen al, ik wist het, wij wisten dit toen al.   Duiven in verval. Niet alleen in onze achtertuin.   Kent gij nog jonge viriele mannen aan huis gekluisterd?   Mannen die het mountainbiken, skiën, snowboarden, hitchhiken, raften enzomeer laten staan voor hun tweevoetige vrienden thuis? Mannen die genieten van het stille oppervlakkige duivenleven, van het stront schrapen, de blauwe stofjas?  Mannen die de stilte claimen als hun duiven vallen, omdat zij zelf verlangen naar dat prikkelloze bestaan? Mannen die het gezinsleven zonder schaamte aan hun vrouw of man overlaten, wiens thuis een klein hok groot is, wiens grootste liefde minstens 10-koppig en 20-potig is?   Ik ken er geen een.   //   Wat doen dan al die mannen, voor het duivenmelken bestemd, vandaag?  

M A R T H E
86 8