Zoeken

De wet van Murphy hadden ze nooit aan moeten nemen!

Lamgeslagen kijk ik naar mijn mobiele telefoon die vrolijk rondjes draait voor het raampje van de wasmachine. Dat is mooi balen! Kan er ook nog wel bij.   Vannacht was het lot van deze dag al bezegeld toen mijn jongste het hele bed had onder gespuugd. Mijn lieftallige wederhelft heeft niets meegekregen van mijn nachtelijke bezigheden. Onder luid gesnurk deed ik haar in bad en verschoonde ondertussen als een duizendpoot het bed. De thermometer geeft 39,2 aan. Het arme kind was hondsberoerd. Nadat er niets meer in zat om eruit te gooien vertikte ze het om te gaan slapen en was de enige optie bij haar in het piepkleine bedje te gaan liggen. Resultaat was dat ik geen oog had dichtgedaan. Tegen de ochtend viel ik met haar warm zwetend lichaampje tegen me aan in slaap tot we kort daarna wakker werden van de wekker. Lekker dan! Nu moest ik samen met de zieke op mijn fiets stappen om de oudste naar school te brengen. Om mezelf en in ieder geval de moeders bij school voor de gek te houden, smeerde ik een laag make-up op en fatsoeneerde mijn haar, voor zover dat mogelijk was vandaag. Zo leek het tenminste nog een beetje wat.   Aan tafel maakte zoonlief er een enorme smeerboel van. De pindakaas zat in zijn haren en natuurlijk ging er een beker melk om. Omdat ik bijna omviel van vermoeidheid was mijn geduld ver te zoeken en kreeg hij de wind van voren. Natuurlijk voelde ik me gelijk schuldig toen de melkstorm weer voorbij was, maar te laat. De stemming was gezet. Op mijn mamamobiel reed ik de straat uit met een zeer ontstemmend jongetje naast me op de fiets.   Weer thuis stopte ik de zieke in bed. Die kon nog wel wat uurtjes slaap gebruiken en ik zelf ook. Net toen ik zachtjes de deur van haar kamer dicht deed ging de deurbel. Direct wist ik wie dat zou zijn en langzaam voelde ik een zure, doordringende hoofdpijn opkomen. De reparateur van de afzuigkap zou vanmorgen langskomen. De afzuigkap is stuk en het is ‘best handig’ als hij werkt. Door de ‘fantastische’ nacht en ochtend, was ik het helemaal vergeten.   Van bovenaf keek ik wie er voor de deur stond, waardoor mijn vermoeden werd bevestigd. Daar ging mijn slaap. Nu moest ik mijn best gaan doen om hem zo snel mogelijk weer de deur uit te werken. Zodra hij een voet over de drempel zette wist ik al dat ik daar naar kon fluiten. Totaal gecharmeerd van mijn inderdaad mooie keuken stond zijn klep niet stil. Ondertussen werd ik me bewust van een weeïge gevoel in mijn buik. Kennelijk heerste er iets besmettelijks in huis en werd ik niet gespaard. Dat hielp niet om snel en efficiënt meneer erop te wijzen dat hij toch eigenlijk niet echt gelegen kwam. Op ieder andere dag had ik graag een werkende afzuigkap, maar op dat moment kon het me niets schelen.   Toen hij eindelijk uit was gekletst besloot hij om de eilandafzuigkap eraf te halen. Met alle schroeven los bedacht de uiterst intelligente man dat hij dat ding toch niet alleen in de lucht kon houden en repareren tegelijk. Met mijn verstand kennelijk op nul liet ik mij gebruiken als assistent eilandafzuigkap reparateur. Terwijl alles in me riep ‘nee! ik wil dit niet!’ stond ik toch op het eiland boven mijn krachten de afzuigkap in de lucht te houden.   Maar het is de beste man gelukt om dat ding te repareren. Toen het klusje geklaard was, was hij snel vertrokken. Mogelijk ook enigszins uit schaamte dat hij mij moest inzetten voor zijn klus.   Uitgeteld wilde ik net op de bank ploffen als ik van boven een ziek zielig stemmetje hoor roepen. Ik hoopte dat ze niet nog een keer in bed had gespuugd en dit keer had ik geluk. Samen gingen we op de bank liggen. Weer het warme koortsige lijfje tegen me aan. Ik voelde me zelf ook nog steeds flink belabberd. Af en toe vielen zelfs mijn ogen even dicht. Totdat bleek dat de kleine nog een grote golf maaginhoud over had om me helemaal mee te bedekken.   Op de badkamer kleedde ik me uit en gooide het hele zooitje in de wasmachine…

Liselotte Schippers
7 0

Winteruur

Als ‘s morgens de wekker gaat, ben ik best een blije vogel. Een ochtendmens zeg maar.Tenminste… In de zomer. Dan spring ik ‘s morgens mijn bed uit om fluitend aan de dag te beginnen.   In de winter is het een heel ander verhaal…Als de wekker gaat, duurt het enige tijd voordat ik in de gaten heb dat dat geluid toch echt niet in mijn droom thuis hoort. Langzaam proberen mijn hersenen, die onder invloed van de nacht-illusie nog ernstig druk zijn met het aanmaken van Melatonine, wakker te worden. Nog langzamer begint het tot me door te dringen dat het piepende ding op een actie van mij wacht.Bestaan er nog irritantere geluiden dan die van de wekker?Waarom nu? Waarom?   Waarom hebben wij mensen geen winterslaap? Het hele idee van een winterslaap is tenslotte het overleven van de winter, zonder energie te hoeven besteden aan nutteloze zaken zoals het opstaan in de kou en in het donker. Deze energie kunnen we in de zomer vast ergens anders voor gebruiken. Waarom kunnen we niet gewoon de dag pas beginnen als het licht is? Gezien het feit dat ons biologisch systeem zo is ingesteld.Waar zijn de fluitende vogeltjes en het warme zonnetje als we ze nodig hebben? Het is veel te koud om te douchen en aan te kleden.   Rillend en bedekt met kippenvel met het liefst mijn ogen nog dicht, ga ik die eerste uitdaging van de dag aan.   Of dan alleen een winteruur in plaats van een winterslaap.Wat zou het toch mooi zijn als we dat eerste winteruur van de dag konden overslaan.

Liselotte Schippers
0 0

Paradijs

De kinderen spetteren al uren in het blauwe zwembad, zodat ik ondertussen alle tijd heb om zinnige letters op papier te zetten.  Alle rust en alle tijd van de wereld om de galerij uit mijn gedachten toe te vertrouwen aan het schrijfblok op mijn schoot. Een kruidige geur van eten met een zweem van zonnebrandolie en bier danst aangenaam door de lucht. Mijn hoofd rust op het warme lijf van mijn lief. Het gevoel van het kloppen van zijn hart en zijn zachte strelen voelen als de eerste dag. God in Frankrijk. Dit is mijn paradijs. Zon, zee en strand… liefde, rust en tijd. Veel tijd, want alles wordt ons hier op een dienblaadje aangereikt. Precies zoals ik me een luxe vakantie altijd al had voorgesteld. Steeds laat ik de warme zandkorrels tussen mijn tenen door glijden, mijn zegeningen tellend. Sinds de uitgave van de laatste serie kinderboeken, loopt het als een trein. Als dit zo door gaat, kunnen we ons ieder jaar weer een paar weken paradijs veroorloven. Er zijn al een aantal verzoeken voor manuscripten binnen gekomen en net voor we vertrokken naar dit prachtige oord, kreeg ik te horen dat mijn laatste manuscript verfilmd wordt. Wat een eer! Met mijn ogen dicht, ondertussen gloeiend van de warme zon, fantaseer ik welke bekende acteurs de rollen zouden kunnen vertolken. Carice is geknipt voor de rol van Julia. Welke flitsende acteur zullen we daar nu eens tegenover zetten. Lang krijg ik niet om daar over na te denken, want ik moet mijn schrijfblok in veiligheid brengen. Het gespetter in het zwembad heeft zich tegen mij gekeerd.   Met bakken komen dikke grote regendruppels uit onze Hollandse lucht vallen. Vliegensvlug jaag ik door mijn tuin om alles wat niet nat mag worden, droog te zetten. Mijn door de zon gebrande gloeiende gezicht worden geblust, net als mijn paradijs. Een meisje mag toch dromen…  zucht ik, met een verlangend gevoel naar die schemerige slaap. Toch lachend om mezelf ga ik weer over tot de orde van de dag,  de realiteit. Ach, zand tussen je tenen is ook niet alles…

Liselotte Schippers
0 0

Maar werk ik dan nooit?

Nu heb ik beslist geen hekel aan mijn werk als sociaal psychiatrisch verpleegkundige, maar ik kan toch ook niet zeggen dat ik er elke dag even florissant bij zit. Raar maar waar: ik ben ook maar een mens. Men denkt vaak dat ik het zelf allemaal zo doe zoals ik het probeer over te brengen. Dan heb ik het over het algemeen wel over patiënten en niet over de mensen die mij kennen, want die weten wel beter. Natuurlijk probeer ik te praktiseren waar ik over preek, maar heb uiteraard mijn eigen worstelingen.   Om nog eens iets anders uit de wereld te helpen voor de leek: het feit dat ik ‘in de psychiatrie’ werk, betekent zeker niet dat ik dwars door iemand heen kan kijken. Of iemands ‘geest’ kan doorzien en begrijpen. Je wilt niet weten hoe vaak ik deze aanname bespeur. Soms lijkt het mensen zelfs een beetje af te schrikken. Maar hallo! Ik ben gewoon Liselotte hoor!   Wel voel ik me ontzettend bevoorrecht dat ik in gesprek met patiënten hen een stapje verder kan helpen. Al is het maar om even een glimlach op een gezicht te toveren in een leven vol ellende. Keer op keer ben ik weer verbaasd en trots op het vertrouwen dat me wordt gegeven om een kijkje in andermans keuken te mogen nemen. Ondertussen denk ik na ervaring niet meer als de eerste dag: ‘ik doe ook maar wat’ en natuurlijk heb ik er voor geleerd en werk in een team waarmee ik samen bepaal hoe ik of wij het beste iemand kunnen helpen, maar ik ben sterk van mening dat het écht contact maken het grootste deel van ‘het werk’ is. En dat is iets wat ik zelf doe. Bij elke nieuwe patiënt en ook in de afspraken met patiënten die ik al langer zie, is het steeds een fijne uitdaging om echt contact te maken.   Laatst begreep iemand (weer) niet hoe ik het toch kon: altijd maar dag in dag uit de ellende van iedereen aan te horen.‘En dat terwijl jij zelf zo gevoelig bent. Ik zou het niet kunnen’.Het ligt vast aan mij, of je moet het zelf ervaren om het ook zo te zien, maar slechter kan ik het voor de meeste mensen niet maken. Wel beter. Het geeft mij na ruim dertien jaar nog steeds een goed gevoel als ik iemand beter de kamer uit zie gaan dan hij of zij binnen kwam. Het geeft me een goed gevoel dat ik mensen kan helpen. Als ik dat niet kan, dan zal ik ze ook niet lang zien. En eerlijk is eerlijk: het is ook best fijn om er regelmatig aan herinnerd te worden dat ik het lang zo slecht nog niet heb met mijn eigen gedoetjes. Dus als ik een dag weer eens niet zo florissant begin, kan het wel eens zo zijn dat ik er het einde van de dag een stuk beter bij zit.   Ik doe echt wat ik leuk vind. Maar werk ik dan nooit? Toch wel. Keihard. En als het om patiënten gaat, meestal met plezier!

Liselotte Schippers
2 0

De geur van heimwee

De geur van heimwee   Ik ruik de geur van een Centerparcs huisje. Ik kom al meer dan 30 jaar in de bungalows van Centerparcs en die geur blijft hetzelfde. Hoe vaak de huisjes ondertussen al vernieuwd zijn, de geur is gelukkig gebleven. Zelfs in Engeland ruiken ze exact zo, weet ik uit ervaring!   De geur an sich is niet overheersend, noch fris en fruitig en toch heet ik hem elke keer weer van harte welkom. Nee, de geur heet mij welkom, geeft me een gevoel van thuiskomen. Je ruikt een mengeling van afgevallen dennennaalden, frisse was en de dag na een feestje. Dennennaalden van de bossen die de huisjes omringen. En frisse was van het lakenpakket dat bij aankomst (mits bijbetaling) klaarligt. Er hangt ook steeds een rokerige geur, niet van verschaalde asbakken maar wel de geur die blijft hangen na een avondje ‘feesteten’. Want dat hoort bij vakantie: iets anders eten dan thuis. Als je ’s avonds voor het aperitief nog een blokje omwandelt zie je achter de ramen met niet-gesloten gordijnen wat mensen eten. Veel varieert het niet: fondue, gourmet of grillen op de plaat. Die geur blijft dus hangen. En al eet ik zelf geen vlees, ik krijg er toch een feestelijk gevoel van.   Oh ja, nog een typische geur: de klamme chloorgeur op het kleine badkamertje. Ook deze is niet overheersend maar wel sterk genoeg om je zin te geven om naar het golfslagbad te gaan. Het is de geur van natte badpakken, drogend voor de radiator, vol goesting wachtend op een nieuwe zwembeurt.   Zelfs de dierlijke geur van hooi, warme vachten en dampende uitwerpselen op de kinderboerderij kan me bekoren. Of denk aan de warme, tropische geur van een vochtig oerwoud die je in het gezicht slaat als je de draaideur van de Dome doorgaat en het ware epicentrum van het park betreedt.   Als ik mijn best doe ruik ik bungalow nummer 685 nog met mijn ogen dicht. Als ze in de souvenirwinkel flesjes gebottelde bungalowgeur verkopen, ben ik verkocht hoor.   Misschien ruiken die bungalows wel naar niets. Misschien zitten die geuren wel in mijn hoofd en hart. Ligt die geur van verwachting, gezelligheid en huiselijkheid wel diep in mijn herinneringen verankerd.  

Dingen Die Fijn Zijn
115 0

23 oktober 2010

    Toen ik voor de tweede keer in mijn leven een pistool tegen mijn hoofd kreeg veranderde alles. Heel even stond de wereld stil om daarna met een donderend geraas in elkaar te klappen. De grond viel weg onder mijn voeten, de touwtjes boven mij werden doorgeknipt en ik verloor: mijn handtas, onze wagen, mijn job en inkomen. Ik verloor mijn zelfvertrouwen, mijn vertrouwen an sich.  Enkel de liefde bleef overeind.   Als je op de grond ligt,  zonder zicht op de horizon dan is dat een geweldige kans om jezelf opnieuw op te bouwen. Dat wist ik, maar weten is niet kunnen. Langzaamaan, stap voor stap, wankel en zwak als een pasgeboren giraffejong, krabbelde ik overeind.   Schrijven helpt, zeggen ze, dus dat deed ik. Ik begon een blog. En doelbewust noemde ik die: Dingen Die Fijn Zijn. Mijn blog hielp me het mooie in de kleine wereld rondom mij opnieuw te zien (de grote durfde ik nog niet terug in). Wie iets wil vertellen moet iets meemaken, dus ging ik op pad met Karel steeds aan mijn hand.   Ik had zo veel angsten te overwinnen, mijn vooruitgang voelde als minuscule babystapjes en dat frustreerde me. Tot Karel op een dag tegen mij zei: “Jij, jij bent een ‘aarte’ (harde), jou krijgen ze niet klein en dat bewonder ik in jou.” Die woorden waren als een verrekijker voor mij, ik zag plots alles in perspectief. Van op een afstand kon ik wel de moeilijke weg zien die ik al had afgelegd.   Karel en Dingen Die Fijn Zijn gaven me de moed en de goesting om door te gaan, mijn warme cocon te doorbreken en zelfs af en toe met slappe vleugels al eens een rondje alleen uit te vliegen.   Er was plots een voor- en een na-Els. Die nieuwe Els, Els 2.0, was wie ik echt wou zijn. Eerst bestond ze vooral als virtueel alter-ego. Maar jaar na jaar viel Dingen Die Fijn Zijn meer samen met Els in de echte wereld. Ik ontdekte dat die Els er mag zijn, met haar vele 'opwijkingen', kleurrijke goestingen en guerrillaneigingen.  

Dingen Die Fijn Zijn
11 2

Dag vriend Morgen........

Heel zachtjes roept hij mij. Hij roept al een tijdje en geeft niet op. Hij roept zo zacht dat je het bijna niet hoort. Hij is zó lief, zó geduldig en dat terwijl hij mij hard nodig heeft. Hij zit daar al een tijdje, rustig en verdekt opgesteld in zijn kuiltje. Hij is het gewend, hij zit daar al jaren heel geduldig. Ik heb hem namelijk al eerder verbannen. Hij is het gewend, hij kan daar overleven. Zo nu en dan hebben we contact, vooral de afgelopen maand. Dat bedenk ik me nu pas, achteraf. Ik communiceer onbewust met hem, ik vergeet hem regelmatig omdat ik niet teveel tijd aan hem wil besteden. Ik was hem bijna vergeten.  Weer roept hij zachtjes, ik hoor hem. De laatste paar dagen hebben we een intens contact. Hij is weer zó begripvol, lief, rustig. Het voelt fijn.   Vanmiddag toen ik probeerde mezelf aan te zetten om echt uit bed te komen, te douchen en mezelf aan te kleden hoorde ik hem weer. Niet zachtjes, maar helder en bewust. Hij heeft mij al zo vaak proberen te lokken naar zijn plekje en ik was al aardig op weg. Totdat ik een discussie met iemand had en zeer duidelijk vasthield aan mijn principes. Het was voor mij een situatie van herkenning, herkenning van hoe ik lang werd gemanipuleerd en hoe ik werd geleefd. Ik bleef standvastig en ontdekte dat ik luisterde naar mijn gevoel. Dat heeft lang geduurd! Ik wist echt niet hoe ik moest 'voelen' in bepaalde situaties. Hoe ik vanuit mijn gevoel een conclusie moest trekken en daarnaar handelen.   Weer riep hij mij, zeer overtuigend. Hij sprak mij liefdevol toe.  'Er is veel gebeurd de afgelopen dagen. Doe maar rustig aan, niets moet. Vandaag niet douchen en aankleden? Geen zin om te koken? Stofzuigen of andere klusjes? Hoeft niet, niets moet! Denk aan jezelf, doe rustig aan,  blijf lekker thuis, blijf lekker in je bed'. Ik nam mezelf voor, omdat het toch een koude, winderige.regenachtige, sombere zondag is, dat het vandaag nog wel mocht. Morgen weer een nieuwe dag. Morgen kom ik in actie. Morgen.... Morgen is morgen. Morgen denk ik al een tijdje, morgen. Welke dag is morgen?   Hij roept weer zachtjes, lief en rustig en zegt, 'neem je tijd, niets verplicht, doe zoals het je uitkomt'. Normaal is dit niets voor mij, ik kan slecht stilzitten, slecht niets doen, ik heb weinig geduld en zorg over het algemeen goed voor mezelf. In eerste instantie vond ik zijn aandacht voor mij erg prettig. Hij probeerde mij mijn rust te laten vinden. Maar wacht even, er is een grens, een grens aangegeven door mijn gevoel en verstand. Ik voelde de grens en werd mij bewust van mijn vriend zijn slechte intenties.   Mijn hele lieve, rustige, fluisterende, begripvolle vriend is niet zoals hij zich voordoet. Hij doet aardig en begripvol, hij wil dat ik dichterbij kom. Hij wil mij een hand geven en mij meenemen zodat hij niet meer eenzaam is. Of hij wil eruit en mij er tegelijkertijd intrekken. Ik had hem een tijd geleden de deur gewezen en uit mijn geheugen gewist. Bijna ben ik voor hem door mijn knieën gegaan. Bijna, want ik herkende hem! Ik probeer hem met al mijn kracht te negeren met oprechte hulp van echte vrienden. Ik ben opgestaan uit bed, lekker fris gedoucht, aangekleed en naar buiten gegaan. Ik kies zelf mijn vrienden en deze vriend wijs ik weer de deur,   Dag 'vriend',   Dag depressie.

Raba Tower
3 0

De zolderkamer

De zolderkamer.   Ooit een toevluchtsoord voor Barbie en Ken, cowboys en indianen, treinsporen en racebanen. Tiny, Harry Potter en Blinker verdrongen naar de hoogste plank van de boekenkast. Winny de Poeh en babysmurf, eens trouwe pyjamabeschermers, liggen weggemoffeld in de kast. Een deuk in de muur, een kras op de vloer en enkele tandafdrukken op de houten trapleuning getuigen van een woelig verleden. De kinderen werden groot, gingen op kot studeren en bleven uiteindelijk in hun studentenstad plakken. Ze kwamen niet meer terug. De kamer lag er eenzaam bij, kreunend onder de stilte en het gemis van kinderstemmen. Tot ik er mijn schrijfplek van maakte. Op zaterdagmorgen trek ik naar boven. Naar mijn nieuw ingericht domein. Om te schrijven, mijn fantasie de vrije loop te laten. Een zoektocht, via blad en papier, naar verlossing van mijn frustraties en ergernis. Correctie, ik probeer creatief te zijn. Gebrek aan Inspiratie? Laptop die weigert op te starten? Stomp potlood? Nee, gewoonweg een tekort aan doorzettingsvermogen. Ik heb geen wil, geen karakter. Mij ontbreekt het simpelweg aan moed. De durf om de volle wasmand te laten staan, de vuile ramen te negeren en de lege koelkast te trotseren. Urenlang ben ik in de weer met het huishouden en de boodschappen. Om dan, midden in de namiddag, eindelijk naar boven te trekken.           Boos. Boos op mezelf. Zoveel verhalen in mijn hoofd, zoveel ervaringen te delen. Het plot is uitgewerkt en het schema neergepend. Maar er komt geen letter op papier. Ik blokkeer. Wis hier een woord, daar een komma. Een synoniem wordt opgezocht, de betekenis van een woord nagekeken. Iedere alinea wordt herlezen, gemerkt en gewist. Niet tevreden. Morgen herbeginnen. Maar dan is er terug de was en de plas, die lege koelkast en de vuile ramen.

Chantal Pauwels
0 1

Mijn zonnehoed

                                               Mijn zonnehoed Elegant hangt mijn zonnehoed aan het rekje in de slaapkamer. Ze vervult haar taak als blikvanger met flair. Niet schreeuwerig, maar eerder subtiel met haar licht oker kleur, hier en daar onderbroken door enkele groene accenten. Een breed, kakigroen lint, achteraan geknoopt in een elegante strik, accentueert haar rieten structuur. De uiteinden van het lint hangen nonchalant over haar rand. Een tweede groen, smal lint, met de precisie van een Zwitsers horloge gestikt aan haar buitenste boord. Niet uitrafelend, zoals die bontgekleurde hoeden, maar een elegant smalle boord, net breed genoeg om het gezicht en haardos te beschermen tegen de felste zon. Ze straalt klasse uit, mijn zonnehoed. Niet opzichtig, trekt geen aandacht maar weet toch te charmeren. Ik herinner me de dag dat ik haar kocht nog als vandaag. Vier jaar geleden, vijf vriendinnen samen op reis naar het zonnige Zuiden. We genoten van de Provence, de zon en de vakantiesfeer. Op dinsdag gingen we shoppen. We pasten de mooiste kleedjes, kozen schoenen met uitdagende stilettohakken, kochten souvenirs en charmeerden mooie mannen met onze ‘Bonjour’. Rond de middag passeerden we een hoedenkraam. We probeerden enkele modellen uit, showden deze voor elkaar, lieten ons de commentaren van toevallige voorbijgangers en enkele toeristen welgevallen. De uitbater speelde het spel gretig mee. Wat als grap bedoeld was, werd ernst. Voor we het beseften, waren we hoeden aan het kopen. Mijn ene vriendin koos voor een rode, uitdagende sexy, de andere voor een koddig, klein hoedje. Besluiteloos stond ik in het rond te gapen. De uitgestalde hoofddeksels waren allemaal even mooi. Een zachte tik op mijn schouder, een oudere man keek me lachend aan. ‘Deze!’ Hij wees naar de elegante hoed met groen lint. ‘Deze zal goed bij u passen mevrouw.’ Sinds die dag reist ze met me mee naar zonnige oorden.

Chantal Pauwels
3 0

Verwondering

Het lijkt alsof in het huis van oude mensen de tijd blijft stilstaan, zorgvuldig bewaard in weckpotten met rubberen elastiek. ‘Die moeten er ook uit.’ De weckpotten wordt dan bedoeld, uit het huizeke van Oma. Sinds mensen frigo’s hebben staan zulke dingen stof te vergaren.                                        Stof dat onder mijn en m’n vaders schoenen vastklemde, om zich nadien kamikazegewijs af te werpen beneden in de hal. ‘Godverdomme’ riep José, mijn oma. ‘Oei, ik mag eigenlijk niet vloeken, maar dat flapt er tegenwoordig vaker uit’.   Ik durfde te wedden dat ze geloofde, dat in de keuken het beeldeke aant kruis net iets schever keek. Doch, we konden dit niet controleren. Bovendien stond zijn kop sowieso een pittig bitteke scheef… in zwierige contraposthouding van je: ‘Whippie, ik hang vastgenageld!’ .   Dus, de weckpotten. Ik stond er nog steeds mee in m’n pollen. Soms verlies ik mijn concentratie, en vind die dan verdeeld terug in de verste hoeken des kamers. Paar minuten later zat de koffer van de auto goed vol, met nog andere stofvergaarders uit de zolder.   Het werd tijd om de hond eens buiten te laten, mijn uitrdukking voor naar ’t wc. Of was het de uitdrukking van mijn kameraad David? Hij zal het zowiezo ook wel van iemand gejapt hebben, dus is het van iedereen. Ik vond het gewoon een tè geniale uitdrukking om in dit verhaal links te laten liggen. Je hebt op deze manier immers niets te verduidelijken over het tijdsbestek van je toiletbezoek. Een stijlvollere gelijkenis bestaat niet, of moet nog uitgevonden worden… met veel denkwerk.   Nu zult ge dit misschien onnodig en vulgair vinden en protesteren: ‘zoiets zeg je toch niet in een tekst? Nog nooit voorgekomen, de idioten van dada erbuiten gelaten. En dan prik jij hèt taboe, hèt maagdevlies van de serieuze literatuur nodeloos lek? Barbaar!’   Ik zal dan zenuwachtig met schuifelend rode kaken van repliek dienen: ‘Wel ja, maar niet nodeloos…’   Toen de hond terug binnen was, en ik in de spiegel keek tijdens het handenwassen, merkte ik iets eigenaardig op. ‘Waar blijft die snor?’ Het is zo lang geleden dat ik hem had gezien, als een broer die lang op reis was. 2,5 week. Een tijd terug groeide m’n halfslachtige gezichtsbeharing nog als kool.   Misschien kwam het door het huis, omwille van de reden die ik in het begin van het verhaal vermeldde. Mogelijks kroop een walm mijn neus in- nog steeds hetzelfde merk zeep-… van pannekoeken eten op de keuketafel, bedekt met een kleed van alle ridderorden in Malta. Daardoor staakten de poriën hun werk in m’n verjongde huid. Of komt het door de winter, en groeit haar gelijk jaarringen in nen boom? Jep, we hebben em, natuurlijk is het gene vette… kijk wat een schijtweer in België. Dan liever naar Malta, of ergens anders waar het warm is.   Wanneer is een verhaal klaar? Moeilijk te zeggen… sommige schrijvers laten hun vrouw dan ‘enz. enz.’ op hun laatste blad kliederen. Schuilt ergens nog wel een waarheid achter: Het leven kronkelt zich verder. Schrijvers kappen het verhaal af op het moment dat het oninteressant wordt. Maar dat ga ik dus allemaal niet doen. Ik presenteer u het met de lach van een trots babysmoeleke. Strik er rond en c’est ca.

Smaed
5 0

Misschien

In onze straat, een onverharde zandweg, woonde geen chic volk, tenminste als je geen rekening hield met meneer de notaris, die net op de hoek van de steenweg naar Diest woonde. Hij deed zich echter niet poepchic voor. Zeker niet als hij zich als jager had gekleed om in de naburige bossen op konijnen te gaan schieten. Andere dieren waarop hij zijn geweer had kunnen richten zou ik niet kunnen opnoemen, want die waren er niet. Niet in deze bossen. Neen, want die kende ik door en door en buiten mijzelf, ook alle buurjongens en sommige meisjes. Niet die meisjes waarmee ik "doktertje" speelde, maar eerder de meisjes die van geen kleintje vervaard waren, zoals mijn jongste zus Paula. Zij was een kwajongen eerste klas. Haar vriendinnetje van om de hoek, Christiane, die in het huis met het strooien dak woonde, zou ik niet onder deze categorie kunnen rekenen en ook Jenny niet, ons naaste buurmeisje. Die luisterde liever naar de vijfenveertigtoerenplaatjes van Cliff Richard in plaats van te ravotten in onze bossen. Toen ze wat later een jongeman tegenkwam, die met een vuurrode Zündapp reed, kwam er van hossebossen in onze bossen helemaal niets meer in huis. Toen ze later trouwde met haar bromfietsvriend gingen beiden, net als Cliff met zijn Shadows, met vakantie, en beleefden hun ‘Summer Holiday’.   Samen met mijn vriendjes, broertjes Hubert en Marcel, ging ik elke zomer Christiane’s vader helpen. Hij slaagde elk jaar erin om een stapel grof gekliefde boomstammen, die per toeval van een camion waren gevallen, te bemachtigen. Met zijn cirkelzaag, en het daarbij horende zinderend geluid, maakte hij er hanteerbare blokjes van die zo’n veertig centimeter lang waren en die we in een kruiwagen tot onder een afdakje reden, om ze daar vakkundig te stapelen. Zijn familie zou geen kou lijden tijdens de winter die daarop zou volgen, maar hij stookte zijn vergaarde houtbuit in zijn grote open haard met zulk een passie dat het plafond in de living weliswaar niet zwart, maar toch minstens lichtgrijs geblakerd eruit begon te zien. Mijn volgende vakantiejob bij mijn buren bestond erin hun plafond grondig af te wassen. Alzo geraakte mijn spaarpotje langzamerhand vol, zodat ik een volgende aankoop van mijn Märklinspoorbaan kon overwegen. Zou ik gaan voor een nieuwe wagon, een andere locomotief, een extra stel sporen of wisselaars of een spoorovergang met slagbomen en stoplicht?   Van alle bossen was ons kleine bosje, op een steenworp van thuis - tenminste als je ver kon gooien - of laat ons zeggen, op een boogscheut van ons ouderhuis - want met een boog kan je verder schieten - onze tweede biotoop. Haast elke dag gingen we er naartoe. Om te spelen, om te klimmen in de reuzengrote eiken, die we zelfs namen hadden gegeven zoals ‘De Witte’ of ‘Sinterklaas’, om forten te bouwen, om Zorro te spelen en later om ons pakje sigaretten, die Hubert, Marcel en ik ergens onder de grond verstopt hadden, op te graven en al hoestend, op te roken. Meestal waren het Belga sigaretten, maar soms ook Tigra, want dat was wel een schoon madam die op dat pakje afgebeeld stond.In het andere bos, dat veel grotere, zaten we ook regelmatig, want daar hadden we een crossfietsomloop aangelegd. Hier speelden we ook cowboy en indiaan of we waren kruisvaarders die ten strijde trokken tegen de Saracenen. We maakten dan zelf onze bogen, pijlen, zwaarden, blaaspijpen en katapulten. De draaibank van mijn vader werd  tijdens de grote vakantiedagen bijna dagelijks gebruikt. Naast dit grote bos woonde René, een leeftijdsgenoot van mijn oudere broers. Wij hadden ontzag voor hem, want hij durfde levende regenwormen opeten. Ons kleine bosje is gelukkig altijd bewaard gebleven, maar het grote moest eraan geloven toen het Belgische leger er een ganse woonwijk voor zijn beroepsmilitairen neerpootte.   Maar mijn verhaal handelde over chic volk. De notaris was het dus niet - alhoewel heden ten dage iemand in jagersoutfit snel als zodanig zou bestempeld worden. Maar halverwege onze straat, schuin tegenover ons huis, woonde wel chic volk. Het is te zeggen, het waren voor zover ik kon vermoeden rijke mensen met een mooie auto en met een dochter die zowat het midden hield tussen Audrey Hepburn en Shirley Jones, als dat tenminste een belletje bij u laat rinkelen. Vele malen kan en zal ik hen niet gezien hebben, want zij bewoonden dit huis zelf niet. Zij verhuurden de prachtige witte villa met dito tuin en alles erop en eraan, aan buitenlandse gezinnen waarvan de man tijdelijk in het Atoomcentrum van Mol kwam werken. Eerst waren er Duitsers aan de beurt. Ze kwamen uit Leipzig. Mevrouw had altijd last van ‘Sehnsucht und Heimweh’ naar haar geboorteland. Destijds werden er op de Belgische radio vele Duitse liedjes in de ether gestuurd en als Freddy Quinn begon te zingen kwamen de waterlanders al vlug in haar ogen te staan: 'So schön, schön war die Zeit'.   Nog wat later kwamen er Fransen wonen met hun dochtertje Joëlle maar daarna waren er weer Duitsers aan de beurt. Zij hadden een zoon Hans en een dochter - nee, niet Grietje, maar - Gisèle. Op haar werd ik verliefd, zeker toen ik met haar danste  tijdens het communiefeestje van buurjongen Robert. Hij zag met lede ogen aan dat ik er met haar vandoor ging … al dansend. Haar broer was iets ouder dan ik en vooral sterker. Toen we op het grasplein achter ons kleine bosje weer riddertje aan het spelen waren, dreef hij mij achteruit (de Duitsers waren weer aan het winnen) en ik zag de niet-figuurlijke valkuil niet die mij met gapende mond opslokte. Een even gapende wond hield ik eraan over want ik viel met mijn rechterdij in een afgebroken fles. Eerst kwam er een wit vlies te voorschijn, daarna begon de snee te bloeden en totaal verschrikt en huilend van de pijn moest ik mij een weg door mijn geliefde bosje banen. Gelukkig was mijn zus Godelieve thuis en zij waste de wond uit en deed er een verband over. Naar dokters werd er toen niet gegaan of het moest wel heel penibel zijn. Het zou niet het enige litteken zijn dat ik tijdens mijn jeugd verzamelde, maar het was wel het grootste en het mooiste. Ik heb er ooit veel mee "gestoeft".   En na de Duitsers, kwamen de Amerikanen. De blanke ouders konden zelf geen kinderen krijgen, dus hadden ze een jongetje geadopteerd. En niet zomaar een jongetje. Een echt zwartje - toen mocht je dat nog zeggen en schrijven - met kroezelhaar en vinnige donkere ogen. Vijf jaar was hij en hij heette Bruce Robinson. Ik vond het een machtige, prachtige naam. Zelf was ik ondertussen twaalf geworden en ging voor de eerste maal naar de humaniora. Dus moest ik nog een jaartje wachten alvorens ik Engels zou leren. Maar toen reeds, door toedoen van enkele Amerikaanse feuilletons op televisie, zoals Bonanza, Vader weet het beter en Dennis the Menace, begon ik al wat Engels te brabbelen. Op een zaterdagmiddag stond Brucie eens aan de achterdeur. Ik moest nog eten. Ik deed de plastieken lintjes van het vliegengordijn weg en keek in zijn grote vragende ogen. ‘Do you wanna play with me?’ vroeg hij. Ik haalde mijn bovenstebeste Engels boven en antwoordde: ‘Ferhaps, I come in the afternoon’. Hij bekeek me even als een smekend hondje met gebogen hoofdje en stoof weg. Het duurde een tijdje eer ik het woord, dat ‘misschien’ betekent in het Engels, nog eens tegenkwam en toen zag ik mijn fout in. Ik had gezegd ‘ferhaps’ in plaats van ‘perhaps’. Had hij me daarom een beetje raar bekeken?Toen een jaar later op school onze leraar vroeg: 'Wie kan "misschien" in het Engels vertalen?', was ik de eerste die mijn vinger opstak. ‘Perhaps’ misschien?

Marc M. Aerts
0 0

Verliefd op Suzanne

  November 1959.   Zaterdagmiddag. Over twee maandjes zal ik acht worden.   Twee grote pannen staan midden op de keukentafel. We zitten met zijn achten te smikkelen van het spek, dat zo-even nog aan het pruttelen was op de Leuvense stoof. Zoals altijd is deze lekkernij vergezeld van verse appelmoes die, nog nadampend, uitgeschept wordt uit een kasserole waarin de stoofappels, pas gekocht op de wekelijkse markt, bereid zijn. We leggen de dikke sneden roggebrood van onze favoriete bakker in het vet en de smurrie druppelt op de toile cirée tussen pan en bord. Wat is ons moeder toch een keukenprinses!   Paul Anka, een jonge Canadese zanger, heeft zopas zijn zoveelste hit te pakken en zijn ‘Put your head on my shoulder’ klinkt op de radio. Tussen twee happen door zing ik mee:“Leg je hoofd op mijn schouder …”“Wat is dat?” zegt Albert, de oudste van mijn aanwezige broers, “sinds wanneer verstaat gij Engels?”Hij weet blijkbaar niet dat ook de Vlaamse Brusselaar Ray Franky de Nederlandstalige versie op vynil heeft opgenomen. Ik hou me voor onnozel - daar heb ik geen moeite mee - en doe alsof ik de Angelsaksische taal al machtig ben.   Na dit koninklijke eten ga ik als naar gewoonte spelen bij mijn vriendjes, de twee gebroers Onraedt. Zij wonen met hun ouders, twee broers en twee zussen twee huizen verderop. Met Hubert en Marcel speel ik het meest. Ik doe dat minder met het buurjongetje aan de andere kant. Die kan bijwijlen zo onuitstaanbaar zijn dat ik hem, zoals afgelopen zomer gebeurd is, in het hospitaal zou willen slaan. Niet dat ik toen in ons speelbos zo hard toesloeg, maar hij viel wat ongelukkig in een kapotte fles met opstaande vlijmscherpe rand en moest bloedend als een rund afgevoerd worden. Het rund. Pech voor hem. Het was zeker een straf van bovenaf voor zijn voortdurende ambetantigheid. Maar ik moest de kerk in het midden houden met Robert, want zijn ouders hadden een televisietoestel en bij ons thuis hadden we dat nog niet en ik ging toch graag op woensdagnamiddag bij hen naar Nonkel Bob kijken. Dus dat in het ziekenhuis kloppen, daar moest ik in het vervolg toch mee oppassen.   Maar ik ga dus spelen bij Hubert en Marcel. De een is net iets ouder, de ander net iets jonger dan ik. Hun jongste zus Christiane is even oud als ik. Soms speel ik doktertje met haar. Af en toe ook met Wies, het andere buurmeisje, dat tussen ons twee in woont. Ze hebben altijd veel last van appendicitis. Zeggen ze. Of soms van pijn aan de binnenzijde van hun dijen. Hun lies bedoelen ze, maar dat woord kenden ze toen nog niet.  Zoals je ziet, altijd last met de vrouwen, zelfs al zijn ze slechts zeven, acht jaar.   Ik ga langs de achterdeur de keuken van huize Onraedt binnen. Niemand te zien. Dus klop ik op de volgende deur en doe deze open. Ik zeg goeiedag tegen alle aanwezigen en baan mij een weg door het rookgordijn tot aan tafel waar Hubert en Marcel aan het kaarten zijn. Pa en ma Onraedt zitten ieder in hun oude clubzetels bij de kachel en ze zijn elk aan hun tweede pakje Groene Michel zonder filter van die dag begonnen. Maar wie maakt daar een punt van in 1959? Koolputter Onraedt zou ziek worden moest hij gezonde lucht inademen.   Op de radio wordt, zoals elke zaterdag tussen halftwee en twee, de top-10 uitgezonden. Nummer 3 is aan de beurt: Fabian zingt ‘Tiger’. “Allez Marc, zing eens mee” vraagt Suzanne, de oudste van de zussen. Aan haar kan ik niets weigeren.Een jaar eerder heb ik mijn familie al versteld zien staan door mijn interpretatie van ‘Buena sera signorina’ na het eetfestijn ter ere van mijn eerste communiefeest. Suzanne had ervan gehoord en daarom vraagt ze mij deze keer voor een privé-optreden. Ik neem mijn zangerspose aan en doe mee:“Like a tiger, ooh, ooh, ooh, like a tigerOoh, ooh, ooh, just to see you smile nearly drives me wildI wanna growl wow”.Ik zing als een rockzanger en brul als een tijger. Het lijkt wel echt zoals ik optreed tussen de tabaksdampen.Ze krijgt er zelfs twee bisnummers bij want de daarop volgende liedjes, plaatsen twee en één op de hitparade, kan ik ook meezingen: ‘Personality’ van Lloyd Price en ‘Marina’ van Rocco Granata moeten er ook aan geloven.Suzanne vindt het fantastisch en mijn speelkameraadjes kijken mij verwonderd aan. Ik begrijp ongeveer wat ik zing en mijn namaak-Engels en Italiaans kunnen er ook mee door. Maar deze gave is niet weggelegd voor Suzanne’s broertjes. Op sommige gebieden, met de nadruk op sommige, ben ik een haantje-de-voorste, en zeker als het muziek betreft en het imiteren van zangers of zangeressen. Ik heb, omwille van mijn sopranostemmetje, voor komende maand zelfs de Mariarol toebedeeld gekregen in het kerstspel op school. Was ik al eerder verliefd op Suzanne of was het sinds die dag, dat ze zoveel belangstelling voor mij toonde? Ik weet het niet zeker. Maar kon dat wel, verliefd zijn? Suzanne was tien jaar ouder dan ik. Een liefde die niet kon zijn. Zeker niet toen haar latere echtgenoot op de proppen kwam. Van toen af aan moest ik mijn liefdespijlen op een ander meisje richten.

Marc M. Aerts
5 0