Zoeken

Politique politicienne familiale

“Dus het maakt wel uit?”   “Ja, maar met mate. Ik bedoel, soms wel, soms niet. Het gaat erom dat je bereikt wat je wil bereiken, ook al betekent dat dat je toegeeft op bepaalde aspecten. Het is niet omdat…”   “Maar dan bereik je toch net niet wat je wil bereiken?”, onderbrak Maarten zijn vader.   Dat haatte Patrick. Dat dat kleine snertjong van nauwelijks 16 (of 17, hij wist het nooit exact moest hij toegeven) hem zomaar onderbrak. Zie hem daar nu  kijken met zijn baardloze gezicht en lichtbruine krullen. Dacht hij nu echt dat hij, omdat hij in het Jongerenparlement (of zoiets toch) zat, dat hij zijn vader, al die jaren gerespecteerd écht parlementslid bij een roodblauwgeelachtige partij, eens kon gaan vertellen hoe politiek in mekaar zat?   “… en dan gaat het er toch om na te gaan wat je wil en daar vol voor te gaan”, ging Maarten verder. Hij stopte “Papa, je luistert niet!”, verhief Maarten zijn stem. Er klonk opkomende kwaadheid en ongeduld in door.   “Jawel, jawel”.   Patrick zuchtte. Hij voelde zijn eigen kwaadheid opkomen, maar zorgde ervoor dat zijn gesprekspartner het niet zag. Dat was zijn grote kracht. Hij had al vroeg geleerd dat je kwaad maken een eigenschap in de politiek was die enkel tegen je gebruikt werd. Vroeger was dat misschien anders, in de tijd dat rode vakbondsmannen of noeste sprekers op omgekeerde kisten met de vuist in de lucht opriepen tot een wilde staking of hun theorie weids debiterend naar voren brachtten. Nu was dat anders. Nu was kalmte een deugd; zeker in overbelichte mediadebatten.   Hij ging achterover leunen in zijn bruine fauteuil en raspte met zijn linkerhand over zijn beginnende stoppelbaard. Hij greep naar het salontafeltje dat links van hem stond en nam een pakje sigaretten.   Maarten sprong op: “hey, dat mag niet” “Dat is verboden”.   Patricks gezicht vertrok. Hij wist dat hij nu het gesprek moest starten, anders was hij bij voorbaat verloren. Maarten was echter eerst:   “We hebben er met het Jongerenparlement zo hard voor moeten knokken, maar het is gelukt. Het is verboden te roken in het bijzijn van kinderen. Dit kàn niet meer!”. Bij de laatste zin wees hij met een priemende vinger richting zijn vader.   Rottig, rottig puberkind. Je kindzijn uitspelen in wat een volwassenendebat zou moeten zijn Zie hem daar staan met zijn blauwe kaptrui. Is dit nu de toekomst? Patrick was er nog altijd niet goed van. Hoe is hij er in godsnaam in geslaagd om dat door het Parlement te loodsen? Het echte dan welteverstaan. Ah, ja met de hulp van zijn vader, die natuurlijk niet anders kon dan de oproep van zijn zoon steunen. Het feit dat hij rookte was minstens een publiek geheim en bovendien zouhet politiek ook heel dom geweest zijn om zijn zoon openlijk tegen te werken. Slecht voor de politieke reputatie.   Hij wou hem slaan. Loeihard. Maar dat mocht ook al niet meer. Wie vond die gekke regels eigenlijk uit?   Het was een smerige zet van zijn zoon. Hem misbruiken. Onder de gordel. Die sigaretten was het laatste echt leuke verzet dat hij had, nadat zijn vrouw hem had verlaten na een slag in het gezicht na één glas teveel. Al zijn politieke invloed had hij moeten gebruiken om ervoor te zorgen dat hij het hoederecht kreeg.  Een klein beetje moddersmijten kwam er ook aan te pas. En wat geld. De smerige trut. Maar zo kwam hij wel over als een echte goede vader. Hij, die als vader als een betere ouder wordt beschouwd dan de moeder. Dat moet pas een goede man zijn. Het had hem in ieder geval veel stemmen opgeleverd.   “Ik bedoel, heb jij wel een geweten. Jij doet maar. Je zwalpt van links naar rechts. Als één of ander stuurloos schip.” wou Maarten de eerste discussie doen herleven.   Patrick werd woest. En dus werd hij kalm, ijskoud kalm. “Het is mijn taak om te zien wat mijn partij kàn bereiken, niet wat ze wil bereiken. Uiteraard moeten die twee zo dicht mogelijk bij mekaar liggen. Maar het onmogelijke is nu éénmaal onmogelijk. En daar gaan we het bij laten. Ik ga even naar buiten.”   “Roken waarschijnlijk”, zei Maarten op treiterende toon.   Ja, roken. Hij greep zijn pakje sigaretten en ging naar de verandedeur die hij langzaam openschoof. Hij voelde dat hij deze keer zijn kwaadheid niet in rustige actie kon omzetten. Terwijl hij diep inhaleerde, besefte hij nu pas dat hij op juiste wijze had gehandeld. Zoals het een waarlijk politicus betaamt.   Het was een ander gesprek dat hem dat al had doen inzien. Toen ze op een zaterdagochtend samen aan het onbijten waren, verslikte hij zich letterlijk in zijn koffie toen zijn zoon plots een soort mijmerende gedachte begon te veruitwendigen.   “Weet je, opa, die heeft toch meegeholpen met de Duitsers. En…”   “De context was toen anders”, begon Patrick. De uitleg die hij altijd gaf. Hij wou verder gaan, maar Maarten onderbrak hem:   “Maar papa, context is toch maar wat het is. Ik bedoel, context maakt een wazige foto toch juist duidelijker. Door de context zie je dat het mes niet scherp, maar bot is. Maar het blijft toch een mes. En dat geldt ook voor…”   Patrick luisterde niet naar het vervolg, maar kon enkel nog naar zijn mes staren, waarmee hij net zijn pistolet had opengesneden om er een heerlijk stukje Brie de Meaux tussen te steken. Oké, juist. Hij had kaas nog als een soort minderwaardig vervangmiddel voor alcohol en consoorten.   Terug naar het heden komend, nam hij een laatste trek van zijn sigaret. Zo diep mogelijk. Om de rook pijnlijk zijn longen te voelen binnendringen. Hij wist niet wat hij tegen die belachelijke metafoor moest inbrengen op die nochtans zeer zonnige weekendochtend. Niet toen, niet nu. Hij ging terug naar binnen. Hij had de legerwagen in de verte al zien aankomen. Het zonlicht van deze eerste juli schitterde op de groenbruine wagen.   “Jongen”, begon hij, nadat hij terug langs de verandadeur binnenkwam. “Je bent geloprollt.” Huh, keek Maarten op vanuit de zwarte canapé, waar hij net een tijdschrift was beginnen lezen. Trends of zoiets, meende Patrick.   “Gerickrollt?” vroeg Maarten verrast.   “Nee, geloprollt van loprolling.” kaatste Patrick terug. Zijn Engels was niet zo goed.   Maarten legde het tijdschrift weg en deed een tweede poging om zijn vader te begrijpen: “Je bedoelt logrolling, waarbij verschillende partijen tot een alomvattend akkoord komen, daarbij het ene element gebruikend om…”   Patrick werd nu echt kwaad en begon bijna te roepen toen hij zijn zoon voor de zoveelste maal moest onderbreken:   “ik weet godverdomme wel wat het betekent”. Hij kon zich terug beheersen. De bel ging. Patrick deed open. Er stonden twee mannen:   “Is hij klaar?”, vroegen ze.   “Ja”, zei Patrick.   Maarten keek verrast: “Huh, wat is dit?”   “Hoe? Wist je dit niet?”   Een hyperzelfvoldane glimlach maakte zich meester van PAtrick  “Om genoeg steun te krijgen voor jouw domme sigarettenwet heb ik scholen de vrijheid moeten geven om disciplinaire maatregelen op te leggen aan leerlingen die “negatief gedrag” tentoonspreiden, zoals dat dan heet. En raad eens wat jouw school heeft beslist als reactie op jouw subversief gedrag”   Maarten werd bleek. Hij had inderdaad een paar keer teveel de discussie met een leerkracht aangegaan en het woord “kutwijf” iets te vrij naar haar hoofd geslingerd)   Zijn vader keek nu echt triomfantelijk. Het was bijna eng om naar te kijken.   “Twee weken op legerkamp!” ging hij verder   “Jaaaaa”, kirde Patrick nu op hoge toon, terwijl hij zijn handpalmen tegen bij elkaar bracht en zijn vingertoppen herhaaldelijk tegen mekaar tikte. “Whoepiiiiee!   “En als ik niet wil?”   “Tja, dan mogen ze je verplichten om heel de zomervakantie elke weekdag vier uur beschikbaar te zijn voor hen. Your call, son.”   Maarten smeet een intens hatende blik richting zijn vader.   “Ah, het gezicht van de nederlaag, heerlijk”, dacht Patrick in zichzelf. Bij een doorwinterde politicus of een peuter van 16 (of 17, hij was er nog steeds niet uit), eigenlijk deed het altijd deugd.   Maarten liet zijn blik niet los, op het moment dat hij met zijn gepakte zakken door de voordeur naar buiten stapte. “Hoe slaap jij ‘s nachts” vroeg hij nog aan zijn vader. Die knipoogde enkel terug. Een triomfantelijke glimlach begeleidde de knipoog.   Nadat de legerstoet was vertrokken, ging Patrick opnieuw rustig in de rode fauteil zitten en stak een sigaret op. Een geweten of een sigaret. Hij was er nog altijd niet uit wat het beste smaakte. Het laatste gaf in ieder geval een stuk sneller voldoening. Net als de volle glazen 33cl-bierfles die ijskoud in de koelkast op hem stond te wachten.   Het was een mooie dag. Misschien moest hij gewoon even buiten gaan roken. Dan stonk het hele huis niet zo.  

josvermeulen
0 0

Verstrikt.

Het is al laat als ik van de repetitie naar huis fiets. Een waaier van kleine druppels slaat op mijn gezicht terwijl ik mijn tekst repeteer. ‘Dan is de dood als een verliefde omhelzing, die pijn doet en verlangd wordt.’ Het lichtje van mijn fiets knippert fel zodat weggebruikers me zien komen nog voor ik er ben. ‘Los u op in regen, zware wolk, dan pas kan ik zeggen: De goden zelve wenen.’ Ik fiets de hoek om, bijna thuis, als ik een jongen op de stoep zie liggen. Snel kijk ik om me heen, niemand. Alleen die roerloze jongen op het voetpad. ‘Meneer.’ ‘Meneer, gaat het?’ Stomme vraag, hoe zou het gaan als je in de kou voor dood op het voetpad ligt maar er schiet me niks gepaster te binnen.   O, kan je spreken, ik hoor, hoe je de grote Caesar voor kortzichtige ezel scheldt.   Zou hij dronken zijn, of gedrogeerd? Een jongen, ergens tussen de 25 en 30 jaar, krijgt toch geen hartaanval? Stilte, enkel het lichtje knippert haastig verder. Mijn fiets laat ik midden op de weg achter en loop voorzichtig naar de jongen toe. Bloed! Zijn hoofd bloedt een beetje, zou hij geslagen zijn, gevochten? Ik kijk rond, niemand te zien, geen mogelijke aanvaller.   Wees trots nu dood, want in uw armen rust de heerlijkste...   Dan komen twee mannen de hoek om lopen. ‘Kom snel, er ligt hier iemand’, mijn stem klinkt hoog. De mannen kijken weg en lopen stevig door. Bel een ambulance, denk ik, ja maar, is dat wel nodig? Wat denk je zelf? De politie misschien? Slimmeke, die kunnen toch ook niks anders doen dan de ambulance bellen.   O kom dan, snel voleind, ik voel je nauwelijks.   Onhandig grabbel ik met mijn handschoen in mijn tas, steek mijn hand in mijn mond om met mijn tanden de handschoen van mijn hand te trekken en zoek opnieuw. Niks, geen gsm, verdomme thuis laten liggen. Snel kijk ik om me heen, er is niemand te zien. Als ik nu gewoon doorfiets, doe alsof ik niks gezien heb. Een jongen op straat, vast te veel gedronken, niks aan de hand. Schichtig kijk ik om me heen en loop naar mijn fiets die trouw knipperend op me staat te wachten.   Op deze vuige wereld, o, vaarwel.   Ik trap de laatste straten als bezeten naar huis.   Zullen deze handen ooit nog rein zijn?   ‘Je bent laat, hoe ging de repetitie?’ Mijn man staat in de keuken met de waterkoker in zijn hand. Ik sta te hijgen terwijl mijn natte jas een plasje maakt op de vloer. ‘Goed, ik kende mijn tekst’, een flauwe glimlach om mijn lippen. ‘Hard gefietst precies, wil je thee?’ Ik knik, whisky zou beter zijn maar thee is goed. In de verte hoor ik het gejank van sirenes, ik blaas overdreven de damp boven mijn kopje weg. Mijn man heeft de televisie aangezet maar ik zie enkel de jongen op het natte voetpad liggen. Hij ademde toch nog? Ja, hij ademde nog dat had ik gezien, het leek alsof hij rustig lag te slapen. Met mijn knieën hoog opgetrokken houd ik de kop thee met twee handen vast om weer warm te worden. 22:30, sirenes die wegsterven doorheen het gelach op tv. Hij is weg. ‘Ik ga naar bed’, ik voel me plots oneindig moe alsof ik door modder naar huis ben gewaad met benen trillend van inspanning.   Met mijn ogen dicht lig ik in bed, al uren. Als ik doe alsof, zal mijn lichaam wel volgen, dat hoop ik toch. In mijn hoofd is het kermis, woorden rollen over elkaar en stuiteren van de ene naar de andere kant.   Ik heb nog nooit zoiets gevoeld. In mijn buik. Alsof er iets zat. Iets zat daar ineen gekruld klaar om zich over mijn lijf te verspreiden.   Mijn hand ligt op mijn buik te verdrinken in angst. De koplampen van een enkele voorbijrijdende auto laten een streep van licht over het pikzwarte plafond glijden. Naast me hoor ik het zachte monotone gesnor van mijn man die op zijn rug in slaap gevallen is. Normaal zou ik hem allang een duw hebben gegeven waarna hij zich op zijn zij gerold zou hebben. Maar nu ben ik dankbaar met het tevreden gezoem dat een contrasterende soundtrack is bij de beelden die ik maar blijf zien als ik mijn ogen sluit.   Uiteindelijk moet ik toch in slaap gevallen zijn. Het wordt altijd morgen; dat is een zekerheid, tenminste voor mij. Hoe zou het zijn met die jongen? Mijn ogen zijn nog maar net open als de levenloze jongeman mijn gedachten weer beheerst. ‘Dag liefje, fijne dag’, mijn man kust me vluchtig op mijn mond en trekt de deur achter zich dicht. Ik schenk nog een kop koffie in en klap mijn laptop open, Google, regionaal nieuws.   Mijn hart klopt zo snel hierbinnen.   Niks te vinden over een jongen op straat, dood of levend. Zie je wel; hij is vast gewoon opgestaan en naar huis gegaan. Ik verwacht opluchting maar een kritische stem in mijn hoofd wijst me terecht. Geloof je het zelf, gewoon naar huis gegaan pffffff. Ik kan het ziekenhuis bellen om te horen of er gisteren een jongen binnen gebracht is. Ja, dat lijkt me een goed idee. Welk ziekenhuis is hier het dichtbij zijnde? Wat moet ik vragen? Er worden op een avond zoveel jongens binnengebracht op de spoed met bloed aan hun hoofd. Toch? En wat als ze mij verdacht vinden, als het geen ongeluk was en ik hoofdverdachte ben? Ik drink het laatste restje koude koffie op en moet me haasten, over een half uur begint de repetitie. Even laat de jongen me met rust, dank u wel.   ‘De lucht in; en wat een lijf scheen loste op als adem in de wind.’ ‘Was dat waarvan wij spreken werkelijkheid, of hebben wij die giftige plant gegeten die het verstand gevangen zet?’   ‘Luider praten, de vijfde rij kan je niet horen’, de regisseur schuift geërgerd zijn bril terug op zijn neus. Het schiet niet op, bij alles wat ik doe komen er aanwijzingen, verbeteringen en de première is overmorgen al. Ik lijk maar geen grip te krijgen op mijn personage. ‘Opnieuw, vanaf het begin.’ Zijn stem zal zeker te horen zijn op de vijfde rij, ik steek mijn tong denkbeeldig uit. Kom op, concentreer je, vermaan ik mezelf. De dag duurt lang, oneindig lang, ik wroet me door teksten die uit losse betekenisloze woorden lijken te bestaan. ‘Oké, we stoppen ermee voor vandaag’, de regisseur klapt zijn map dicht. Ik ben kwaad op mezelf, een verloren dag. Snel pak ik mijn spullen, ik wil naar huis, slapen. ‘Lies, dat kan beter, he’, hij kijkt me streng aan over zijn bril. ‘Ja, sorry’, stamel ik en loop als eerste de deur uit.   Maar kijk wat opgewekt; Benauwde blikken werken zeer suspect. En laat de rest aan mij.   Ik fiets naar huis, dezelfde weg als gisteren, dezelfde stoep als gisteren, geen jongen. Een druppel bloed verraadt de tragedie die hier gisterenavond laat heeft plaatsgevonden. Ik slik, een traan veeg ik geërgerd weg, koude wind, altijd tranen mijn ogen van de wind.   Thuis smijt ik mijn tas in een hoek en schenk een glas wijn in. ‘Hoe was het vandaag?’ Ik schrik, ‘oh, ben je al thuis?’ ‘Het ging wel’ ik heb geen zin om te praten. Hij kijkt me aan, zoekt mijn ogen maar ik ontwijk zijn blik en trek de koelkast open. Hij kent dit wel, vlak voor een première ben ik meestal niet te genieten, teveel in een andere wereld waar hij geen deel van uitmaakt. Hij weet niet dat het nu anders is, dat ik de entree van die andere wereld maar niet vind. Kon ik het hem maar zeggen, alles vertellen en dat hij dan zou zeggen: maar meisje toch, maak je niet druk, met die jongen is vast alles in orde. Ik durf het niet, stel je voor dat hij kwaad wordt, hoe ik zo stom had kunnen zijn, waarom ik geen ambulance heb gebeld. Nee, ik wil niet horen wat ik zelf denk. ‘Wat wil je eten? Het licht van de koelkast verlicht mijn gezicht, ik kijk maar zie niks. ‘Ik heb eigenlijk geen honger.’ Zachtjes sluit ik de deur en de spot die mijn gezicht gevangen houdt gaat uit. Zonder verder iets te zeggen loop ik naar boven en ga op bed liggen.   Het gezicht, de ogen gesloten als een onschuldig kind dat op een onhandige plaats in slaap is gevallen. Ik kijk, het ziet er zo vredig uit, een jongen in foetushouding op de grond. Zijn borst gaat zachtjes op en neer, de neusvleugels die bij elke inademing een beetje naar buiten gaan om de lucht naar binnen te zuigen. Zijn armen liggen er wat slordig bij, alsof ze vergeten zijn, achtergelaten door het slungelige lijf daar op de grond. Grote voeten, zeker maat 44 schat ik, met sportschoenen om hard te kunnen rennen. Ik glimlach, ja jongens moeten hard kunnen rennen. Ik kijk naar mijn eigen voeten, een stuk kleiner dan die van de jongen en op hakken, niet gemaakt om hard te rennen. Getver, wat is dat? Mijn voeten staan in een donkere stroperige brei. Met moeite trek ik een voet naar boven, het plakt, draden donker spul hangen aan mijn schoen. Ik zie hoe de plek groter wordt, hoe ze zuigend aan mijn voeten trekt. De koude lucht die gemeen bijt in mijn longen blijft halverwege steken, ik heb het gevoel dat ik stik. Wat is dit, waar komt dit vandaan? Een klokkend geluid, als een fles die wordt leeggegoten boven de gootsteen. Mijn ogen zoeken in het donker. Het is zijn hoofd. Een donkere vloeistof gulpt tussen de zorgvuldig gekamde haren de straat op. Ik wil wegrennen maar mijn voeten blijven waar ze zijn, vastgezogen door dat wat in grote hoeveelheden uit zijn hoofd stroomt. Paniek golft door mijn lichaam, waarbij mijn maag samen trekt en ik kokhals. Help, wil ik roepen maar er komt geen geluid. ‘He, Lies, wordt eens wakker’, ik voel hoe ik zachtjes heen en weer gewiegd wordt, mijn voeten stevig verankerd op de grond. Ik wordt van links naar recht geduwd, steeds harder en dan val ik om met mijn gezicht in de vloeistof. Ik gil en kijk mijn man recht in zijn ogen. Het zweet staat op mijn gezicht en mijn hart klopt alsof het eruit wil springen. ‘Slechte droom?’ hij pakt me vast en aait me over mijn klamme haar. Ik knik en luister naar zijn hart dat als een metronoom geruststellend de maat aangeeft.   Zal ik uiteindelijk rust vinden? Deze dolk zal ik gebruiken om mijn zorgen te verzachten Maar medelijden zegt me tot morgen te wachten Als de zon wegbrandt de ochtenddauw.   Ik slik het kleine pilletje door met wat water. Slapen. Ik wil echt slapen vannacht. De chemie doet zijn werk en binnen het uur ben ik vertrokken in een droomloze slaap.   De lucht hangt vol belofte, ik hoor hoe het publiek zijn plek vindt in de zaal. Nog even en we gaan beginnen. Normaal vind ik dit het heerlijkste moment van de avond. Alles kan nog. Een verhaal dat ontvouwen wordt voor het oog van de toeschouwers. Mijn lijf vol adrenaline dat naar een hoogtepunt gaat en bij het eindapplaus een zalige roes achter zal laten. Nu sta ik achter een onzichtbaar gordijn en ben mijn eigen toeschouwer. Ik zie mezelf staan, in kostuum, ogen die glazig voor zich uit staren. De woorden van de regisseur weerkaatsen in mijn hoofd. Lies, het trekt op niks wat je staat te doen, trekt op niks. Niks. Het kan me niet schelen, niks kan me nog schelen, ik wil naar huis met mijn hoofd onder de dekens, vergeten.   Ze heeft toegelaten dat haar persoonlijke gevoelens haar optreden in de weg stonden.   ‘Lies je moet op’, ik voel hoe mijn medespeelster me een duw geeft en ik struikel het podium op. Een spot schijnt recht in mijn ogen en ik voel hoe ik bevries. Stilte. Ogen, die ik niet kan zien maar wel kan voelen, kijken naar mij, vol verwachting. Mijn mond plakt maar het lukt me om mijn voeten in beweging te krijgen en ik loop naar voren. Ik sta zo dicht bij het publiek dat ik de gezichten van de eerste twee rijen kan zien. Het is doodstil, de lucht lijkt de ruimte verlaten te hebben, niemand ademt nog. Stil, te lang, het wordt pijnlijk gênant. ‘Bastaard, pokdalige lul......’, ik hoor mezelf schelden en publiek ademt weer. ‘Jij’......Dat is hem! Hij, die jongen van de stoep, kijkt me aan met donkere ogen die glanzen. ‘Jij? Het lijkt alsof hij licht geeft en de rest niet meer bestaat. Hij leeft, hier, nu, gewoon voor mij in de zaal. De stilte wordt ongemakkelijk, iemand kucht. Ik scheur me los uit zijn blik, slik de droogte in mijn mond weg. ‘Jij, jij bent geen heer’, mijn stem hervindt zijn kracht. Ik kijk hem recht aan, ‘is er dan niemand die hem op zijn plaats wil zetten?’ Er wordt aan mijn arm getrokken zoals we al zo vaak gerepeteerd hebben. ‘Nee, ik wil bloed zien’ mijn ogen spuwen vuur en ik begin ongecontroleerd te lachen. Met grote stappen loop ik de coulisse in. Hij leeft, hij leeft! Ik voel hoe het betonblok in mijn nek langs mijn ruggengraat naar beneden glijdt. Hoe het personage bezit van me neemt en me meeneemt naar de zestiende eeuw. Ik voel de woorden nazinderen in mijn buik, Shakespeare stroomt door mijn aderen. Ik speel niet meer, ik ben, voor hem, de jongen met de bruine ogen.   Het applaus is oorverdovend, publiek veert recht uit de pluchen zetels en ik laat me mee voeren door de stroom van een geweldige avond.   Hij leeft.              (C) tekst en beeld: Hanneke van de Kerkhof

Miss Blue Sky.
0 1

STOF

Stipt om acht uur ging de bel. Mirthe, zag hij door het kijkgaatje. Ze wilde hem absoluut beter leren kennen, had ze gezegd, ook al was hun eerste gesprekje nou niet bepaald soepel verlopen. Hij besefte ook wel dat Mirthes vraag ‘Heb je huisdieren?’ niet diende te worden beantwoord met: ‘Ja, zilvervisjes’, maar zijn ‘nee’ had veel te lang op zich laten wachten en had aarzelend geklonken, alsof hij het zelf niet zeker wist. Een kat of hond had ze willen horen, liefst een kat, omdat ze die zelf ook had. Overeenkomsten schiepen een band, ook al had iedereen het altijd over ‘elkaar aanvullen’. Gelul. In de liefde, zoals een relatie wel wordt genoemd, telde alleen het herkennen van jezelf in de ander. En zilvervisjes scoorden op dat vlak nu eenmaal niet erg hoog. De meeste mensen vonden ze walgelijk. Vanwege hun onverwachte snelheid, hun prehistorische uiterlijk waardoor ze groter leken dan ze waren, en omdat ze zilverstof afgaven als je ze na het overwinnen van je gruwel onder een tijdschrift had geplet. Vooral dat stof was verontrustend. Wat was dat eigenlijk voor spul? Iets uit een verhaal van Tolkien, waar je wratten van kreeg, of enge zweren. In het begin had Floris dat ook gedaan, zilvervisjes pletten. Of hij zette de kraan flink open als ze zo stom waren om in de wasbak te gaan zitten. Maar iets had zijn weerzin doen omslaan in fascinatie. Helemaal zeker wist hij het niet meer, maar het moment dat hij een uitzonderlijk groot exemplaar op zijn slaapkamermuur zag zitten, vormde waarschijnlijk het omslagpunt. Hij had het diertje met gemak kunnen verpletteren – Het bleef roerloos zitten, op een verder kale muur, zonder enig kiertje of naadje om in weg te schieten in de buurt – maar Floris had het laten leven. Uit dankbaarheid zat het daarna elke avond trouw op hem te wachten als hij naar bed ging. Hij gaf het een naam: Anton. Maar het bleef niet bij Anton. Had het diertje zijn soortgenoten geïnformeerd over Floris’ tolerante houding? In ieder geval kwamen er elke dag nieuwe zilvervisjes bij. En ze werden steeds vrijpostiger. Ze scharrelden in colonnes door het huis en namen niet eens de moeite om weg te schieten als Floris een lampje aanknipte. Het behang vertoonde inmiddels overal gaten en van zijn boeken was niet veel meer over. Ze aten zelfs van zijn krant terwijl hij die nog aan het lezen was. Maar deden ze iemand kwaad? Natuurlijk, Floris besefte ook wel dat het een beetje uit de hand was gelopen, maar een oplossing lag wat hem betreft niet in het verlagen van de luchtvochtigheid, zoals op internet werd gesuggereerd, veeleer in een getalsmatige benadering: de keuze tussen duizenden wezentjes en een enkel individu. Opnieuw ging de bel, langdurig dit keer. Floris wachtte tot Anton en de andere zich uit de voeten hadden gemaakt, greep de laatste roman van Karl Ove Knausgård van het gangkastje en opende toen pas de deur.     Beeld: Grand Foulard

Grand Foulard
0 0

de boshoer

Ik heb lang gedacht, tot gisteren eigenlijk, dat een boshoer niets meer was dan een onschuldige giechelgroet van een tienjarig kind dat nog eens voet op Franse bodem zet. Maar toen ik gisteren ging wandelen, kwam ik te weten dat er achter die infantiele woordspeling een echt mens schuilt. Een vrouw van vlees en bloed. En ik kan het weten, want ik kwam haar gisteren tegen.   Als het buiten wintert, doet het dat ook in mijn hoofd. Daar vriest het, kraakt het, ligt het leven even stil. Het bos is mijn chauffage. Erin wandelen mijn wollen plaid. Ik was gisteren nog geen vijf minuten ver, de boslucht begon net aan haar grote ontdooitruc, toen ik in de berm een vrouw zag zitten, omhuld in enkel een roze badpak. Soms verraadt een vrouwelijke rug en en de manier waarop die overloopt in haar hals al dat ze verdomd mooi moet zijn. Soms. Want toen ik deze vrouw op de schouder tikte en ze zich omdraaide, kon ik niet anders dan veronderstellen dat zij achterstevoren in de rij stond toen God het vrouwelijk schoon uitdeelde.   Het zou onbeleefd geweest zijn om het na een enkele blik op haar verrimpeld paardengezicht op een lopen te zetten, dus vroeg ik haar vriendelijk wat ze hier zat te doen. En of ze het misschien niet wat te koud vond voor een badpak. Ze huilde. Met de paar flarden die ik tussen haar gesnik kon verstaan, reconstrueerde mijn intussen volledig opgewarmde hoofd automatisch haar verhaal. Geen klanten meer. Te oud. Te lelijk. Ik begreep dat het roze badpak het enige was dat haar nog restte. En het bos. Haar en mijn chauffage. Onze zachte plaid.   Kom boshoer, zei ik, we gaan wandelen. Met uw schoon badpak.    

joke
193 0

Dagboekfragment van een dakloze

321 december 2001   Het is koud, ik ben nat en alles is vuil. Ik wil geen medelijden bij u opwekken want medelijden stilt de honger niet en de vijf cent die ge net in m'n bekertje gooide al evenmin. Kunt gij met vijf cent een ochtend-, middag-, en avondmaal klaarmaken? Kunt gij er zelfs ééne maaltijd mee op tafel zetten? 321 december, al 321 dagen wacht ik op mijne nieuwe start. Mensen zeggen dat ik zot ben omdat ik de datum niet eens weet. Niet dat ik veel met mensen kan praten want een dakloze daar loopt ge met nen boog omheen, zelfs al bent ge zelf nen dakloze. Ieder voor zich hier, tot het beter gaat. Dan zitten we samen rond de kersttafel elkaar al het goeds van de wereld toe te wensen. Maar tot dan bent ge alleen. De echte tijd interesseert me nimeer. Als de samenleving het recht heeft om me eruit te gooien heb ik het recht om hun tijdsindeling uit mijn hoofd te bannen. De 321ste dag van de maand december. Hoeveel dagen december nog zal tellen weet ik niet maar ik hoop dat het er maar 322 zijn al weet ik dat ik morgen wakker zal worden met de wetenschap dat ook de 322ste dag niet de laatste is. Het is de hoop die zoveel pijn doet. Hoop doet leven en hoop maakt kapot tegelijkertijd. Wat een verraderlijk iets dat de mens heeft uitgevonden. De mens heeft zoveel verraderlijke dingen uitgevonden. Gsm's, laptops, auto's en wat nog allemaal. Ge moet het een dakloze vergeven dat hij niet meer mee is met zijn tijd aangezien de markt zich niet echt op hem focust als consument. Het zijn allemaal dingen waar de wereld geld aan uitgeeft om te tonen hoeveel ze hebben. Ik zeg niet dat die spullen nutteloos zijn, ik weet bijgod niet eens wat ze allemaal doen, maar zeg nu zelf? Wat hebt ge het liefst voor u, een smartphone of een bord gevuld met warm eten? Ik zou het wel weten. Maar ik beslis niet hoe de wereld werkt, dat doen de rijke mensen. Dus ik wacht tot ook mijn 1 januari komt en ik mee aan de kersttafel kan schuiven om iedereen een gelukkig nieuw jaar te wensen.     852 december 2001   Het is koud en meer kan ik daar niet over zeggen. Het is al jaren koud dus dat is niks nieuw en wennen doet ge inderdaad, maar leuk wordt het nooit. Het potteke voor m'n neus blijft leeg en ik kan de mensen nimeer in de ogen kijken. Ze zijn allemaal bezig met hun gsm. Sowieso dat ze aan het plannen zijn hoe ze me kunnen vermoorden. Heel de wereld is corrupt en de corruptste van allemaal is Jan. En maar doen alsof hij me wou helpen! 'Nee Freddy, neem geen ontslag, uw baas wilt u helemaal niet neersteken.' Of 'Nee Freddy, als ge nu u huis verkoopt omdat ge denkt dat uw buren u bespieden gaat ge nooit meer zo'n goede plek tegenkomen.' Allemaal opgezet spel, dat was het! De wereld is een harde plaats en als ge niet op tijd vlucht uit het verstikkende zogezegde vangnet van de sociale zekerheid bent ge er vroeg of laat slachtoffer van en vermoorden ze u. Gisterenavond had ik er nog een discussie over met een kabouter die me net hetzelfde vertelde. Dat neemt natuurlijk niet weg dat het koud is en dat ik veel vuile blikken op me gericht krijg wanneer ik op straat lig. De straat is toch van iedereen. Ik snap niet wat het probleem is. De hele wereld is grijs.   Winst van vandaag: 3 euro Een glimlach vol medelijden Hoop op een beter leven   Verlies van vandaag: Geen huis Amper kleren Vuil Koud Uitgelachen en vernederd

Hilke Van Nuffelen
0 0
Tip

Treintrip

‘Zet dat mislukte plooifietsje toch eens godverdomme niet in het gangpad! ’, snauwt de Antwerpse blondine de studente toe. De studente zet een geschokt gezicht op en kijkt radeloos de coupé rond op zoek naar hulp van haar medereizigers. Ik sluit me aan bij de anderen in de coupé en besluit rustig verder in mijn notitieboekje te kribbelen. Vanbinnen hebben we allemaal wat schrik gekregen voor het rare type vrouw, dat plots een sigaret en een blik cola (godzijdank, geen drank…) uit haar handtas tevoorschijn tovert. Ze lijkt me iemand om Shanaia te noemen, dan krijgt ze van mij ook meteen een sociale klasse opgestempeld. Het lijkt alsof ze de douchecabine al een paar weken niet meer is tegengekomen en ook haar kleren geven een vuile indruk. Niets positiefs over de vrouw te zeggen? Tuurlijk wel! Ze draagt een zeer mooi horloge! (maar zou het ook echt zijn… en misschien is het wel gestolen…) Een symbolische zucht van opluchting volgt wanneer de studente haar onhandig plooifietsje aan de kant zet en een plaatsje zoekt in de coupé. De rust keert volledig terug wanneer ook het Shanaia-type aanstalten maakt om een plaats in te nemen. Het luidkeelse dispuutje is voorbij. Plots gaat het pijlsnel: de vrouw besluit het lege plekje naast me te gebruiken, ook al had ik met het plaatsen van mijn boekentas op de stoel toch proberen duidelijk te maken niet echt nood te hebben aan een zetelgenoot. Ik heb handen tekort om haar plaats zitklaar te maken; de gsm smijt ik snel in mijn rugzak, het notitieboekje valt ongelukkig op de grond en mijn trui leg ik snel over mijn benen. Net op tijd is de zetel klaar en ploft de vrouw naast me neer. Ondanks dat ik al tegen het raam geplakt zit, maakt de vrouw toch nog duidelijk door met haar benen tegen mij aan te wrijven dat ze nog meer plaats nodig heeft. Na wat schuifelen hebben we beiden ons territorium afgebakend en is er terug sprake van wat rust. Ik kan er even niets beters op vinden dan gewoon wat uit het raam te kijken en mijn zonnebril op te zetten. Geen haar op mijn hoofd denkt eraan mijn notitieboekje op te rapen. Ik wil mijn licht-ontvlambare buurvrouw niet nog eens in colère laten schieten. Ik schrijf dit later wel op. Na talloze voorbijflitsende bomen en weilanden besluit ik terug wat in de coupé rond te kijken. Handig is dat bord op de nieuwste treinen waarop je exact kunt zien wanneerje in het volgende station aankomt. Ik heb meteen een nieuwe vorm van tijdverdrijf gevonden en begin heel precies uit te rekenen hoelang ik nog in deze benarde situatie moet blijven. Na alles uitgerekend te hebben, is het enige waar ik geen vat op krijg de tijd zelf. ik confronteer mezelf met het feit dat ik nog minstens drie kwartier met het Shanaia-type zal moeten doorbrengen. Ik wentel mezelf – mentaal – even in wat zelfmedelijden en ga terug naar mijn eerste tijdverdrijf; het raam. Mijn buurvrouw gedraagt zich netjes en houdt het bij het drinken van haar cola. Ik kan gerust even indompelen… Plots schiet ik wakker. Uren lijken verstreken. Ik kijk op het bord en haal opgelucht adem: slechts twee haltes ‘gemist’. Ik zet mijn zonnebril af en kijk in mijn ooghoek naar wat mijn buurvrouw aan het doen is. ‘Ik denk dat je gsm daarnet afging.’, zegt ze me plots. Ze lacht en kijkt me vriendelijk aan. Ze deed zelfs de moeite om haar overdreven Antwerpse accent voor mij op zij te zetten. Even denk ik goed na wat ik nu moet doen, maar uiteindelijk neemt mijn instinct het over: ‘Oh, oké. Ik kijk wel even.’, antwoord ik haar volgens de regels van dekunst. Ik haal mijn gsm uit mijn rugzak en zie dat ik effectief ‘één nieuw bericht’ heb. Ik laathet haar door middel van een glimlach weten, waarna het weer haar beurt is om terug te lachen. Ze gaat daarna weer snel verder met haar veel te grote en onhandige smartphone. Ik lees het sms’je en geef er een gepast antwoord op, waarna ik het vriendelijke Shanaia-type nog eens bedank. De drang om deze vreemde wending neer te pennen wordt nu wel zeer groot, maar ik neem wijs het besluit me in te houden en weer verder te gaan met uit het raam te staren.   De tijd lijkt me plots toe te lachen en ik kom sneller dan verwacht aan op mijn eindbestemming. Als ik achter en voor me kijk, merk ik op dat de helft van mijnmedereizigers al in vorige stations is afgestapt. De resterende groep mensen – waaronder ik en mijn buurvrouw – maakt zich klaar om af te stappen. Mijn buurvrouw is sneller klaar en loopt plots terug op de studente met het plooifietsje af. Deze totaal onverwachte actie zorgt opnieuw voor een enorme stressboost en alle mensen binnen de coupé lijken even te verstijven. ‘Zo’n fiets is toch echt niet handig. Koop je een echte fiets! En als je met de trein komt, moet je sowieso niet ook je fiets meenemen’, begint mijn Shanaia-achtige buurvrouw weer. De studente kiest er deze keer niet voor om geschrokken over te komen en draait enkele keren met haar ogen, terwijl ze vermoeiend zucht. De twee vrouwen stappen op een beschaafde manier allebei de trein af en gaan elk hun richting uit. Ik neem mijn rugzak op mijn rug en kijk nog eens braaf achter me of ik niets vergeten ben.   Op weg naar mijn fiets blijft het hele gebeuren door mijn hoofd spoken. Ik haal vlug mijn oortjes uit mijn rugzak en laat loeihard Florence door mijn oren suizen tijdens het fietsen.‘Doeme toch’, bedenk ik me, ‘Die vrouw was zo goed op weg om haar eigen typetje en stereotypen te doorprikken en komaf te maken met mijn vele vooroordelen. Maar in plaats daarvan heeft ze door haar dwaze actie(s) mijn beeld enkel en alleen nog maar versterkt.’ Maar wat maakt het die vrouw uit? Ze is mij toch al vergeten. Er zijn mensen die het zich enorm aantrekken hoe de rest van de wereld over hen denkt en er zijn mensen voor wie dat allemaal niets uitmaakt. Iets tussen deze twee uitersten lijkt me het gezondst en oprechtst vertoeven, maar ik vrees dat deze vrouw bij de ‘wat maakt het mij uit’-groep behoort. Het maakt haar niet uit hoe ik over haar denk… Ik gok dat ze nu alweer door het station slentert met een blik bier in haar ene hand en in haar andere, trillende hand een sigaretje. Of zou ze ook spuiten?15/04/2015

Simen
0 0

Denken Aan Morgen

        Denken aan morgen   Door Wout Tourwé     Ik word langzaam vooruit gerold, het piepende geluid van de wieltjes vult de gang. Het lijkt alsof alle kracht uit mijn spieren is verdwenen en ik kan enkel nog denken aan wat er mij te wachten staat aan het einde van de gang. Het was nog vroeg en de zon was nog niet gerezen dus de gang werd enkel verlicht met het felle kunstlicht waarvan mijn ogen gingen tranen, telkens als er een meter tussen mij en de deur verdween voelde het alsof ik werd geslagen met een metalen plaat tussen mijn ribben. Elke seconde heb ik het gevoel dat ik me nog nooit zo slecht heb gevoeld, tot ik me de volgende seconde weer slechter voel  dan de vorige.   Skriiiieeh … de rolstoel is tot stilstand gebracht  met een luid gepiep waarvan volgens mij iedereen in het ziekenhuis het tot in hun kamer kon horen. Ik moet opstaan uit mijn vervoermiddel maar faal en de dokter moet mij naar  binnen dragen. Ik zak helemaal weg in zijn sterke armen. Hij legt me neer op mijn buik, ik krijg koude rillingen over mijn rug, en het laatste wat ik voel, al liggend op de ijzeren operatietafel is de scherpe steek van de verdovingsnaald voor ik helemaal verdwijn van de wereld …   EEN DAG EERDER …   … Mijn ogen openen en voor me staat een dokter in een witte jas met een klembord te praten tegen een vrouw die mijn moeder blijkt te zijn. Zodra ze me ziet stormt ze op me af en neemt ze me in haar armen; ze staart naar me met een bedrukt gezicht en draait daarna haar hoofd naar de dokter die nog steeds in de kamer aanwezig is. Hij kijkt op zijn klembord en verteld me op een zo rustig mogelijke manier waarom ik hier in dit bed lig, hij begint met het feit dat ik al vaker problemen aan mijn rug  heb gehad, daarna gaat hij door over het feit dat …..   Ik ben al lang niet meer aan het volgen en in mijn gedachten sta ik op het punt om op een grote roze wolk de lucht te bestijgen steeds hoger en hoger, hoger en hoger. Tot  er plots één of iemand aan die wolk begon te trekken en me daarna neerhaalde met  één enkele zin, één  simpele zin, één.. niet meer of minder : We zullen je rug moeten opereren en als het slecht afloopt zal je je misschien nooit meer zelfstandig kunnen voortbewegen… Bij het horen van die woorden voelt het alsof mijn maag wordt gevuld met bakstenen en elke seconde dat ik erover na denk er een baksteen of tien wordt bij gegooid, mijn maag draait rondjes alsof hij een tol in versnelling probeert te imiteren. Mijn laatste maaltijd vindt dat niet prettig, verlaat mijn buik en komt daarna terecht op zowel de ziekenhuis vloer als op de dokter ik probeer me te verontschuldigen maar hij laat me weten dat hij het niet erg vindt. Hij zij niets, hij liet het me weten zonder woorden maar met zijn ogen.   Na mijn voorval van net voel ik me even beter maar daarna komt het gevoel van pijn en machteloosheid terug. De dokter verlaat de kamer nadat mijn avondmaal -dat besloot er uit te komen- was weggeruimd. Mijn moeder moest ook even weg ze ging haar spullen halen om te overnachten maar eerst bracht ze mijn vader het nieuws. Die was helemaal overdonderd maar dat snap ik ook wel, als je al twee jaar vertoefd in China met één of andere Thaise vrouw is het normaal dat je niet weet dat je énige dochter problemen heeft aan haar rug, denk ik toch …    De scheiding van mijn ouders was al vijf jaar geleden maar ik herinner het me nog als de dag van gisteren. Het viel als een bom op de familie; niemand had ook maar één simpelste idee waarom mijn moeder na 22 jaar van liefde en geluk zomaar in de boom smeet en ook niemand had dit kunnen voorzien want het was als een bliksem inslag bij heeldere hemel. In die periode keek ik echt naar mijn moeder met afzucht en haat, niet wetende dat de echte rede waarom ze mijn vader verstootte en zijn drie kinderen meenam was dat hij in het geheim al drie maanden aan het afspreken was met meerdere vrouwen.   Het schuldgevoel dat ik toen tegenover mijn moeder had was stapel hoog, weken lang durfde ik niet meer onder haar ogen te komen en hoe hoger het schuldgevoel tegenover mijn moeder werd des te harder ik mijn vader begon te haten. Na weken kom ik erachter dat mijn moeder, wetende dat mijn vader haar nog steeds bedroog met talrijke vrouwen, terug met hem begon te slapen omdat ze zich alleen voelde. Als mijn vader dan besluit om alles achter te laten en te verhuizen naar China slaan de stoppen bij mijn moeder door, wanneer ze ons op een dag afzet een het school zie ik haar aan het zebrapad wachten alsof ze iets aan het overwegen was, iets waar ze toch twee, drie of zelfs vier keer over na moest denken. Wanneer het licht groen wordt zet ze een stap ….   Daar stond ik dan als aan de grond genageld, mijn hoofd begon te draaien en ik zakte door mijn knieën. Dat was de eerste keer dat ik de ongelofelijke pijn in mijn rug voelde, gelukkig was er met mijn moeder niets. Na één nacht in het ziekenhuis mocht ze naar huis terugkeren; god zij dank dat ze vlak voor ze zichzelf iets kon aandoen werd gestopt door de enige persoon die ik tijdens die moeilijke scheidingsperiode nog vertrouwde; mijn schooljuf uit het vorige jaar: Juf Mieke. Zij was dan ook de eerste die hier door mijn deur kwam om mij te bezoeken. Altijd kon ik op haar vertrouwen en ik zei heel veel tegen haar bijna alles , zelfs nog meer dan tegen mijn eigen moeder.   Ze vroeg me of ik nog veel rugpijn had en het viel me op dat er wel een zekere pijn aanwezig was. Niet alleen dat valt me op, ook wordt de pijn in mijn rug steeds scherper en scherper, scherper en scherper tot de pijn mijn adem wegneemt en ik niets anders wil dan in huilen uitbarsten maar dat is hetgeen dat onmogelijk is want de pijn weerhoudt mij ervan te huilen. Niets dan lachen doe ik, lachen tot ik er letterlijk bij neerval. Alles wat ik uit mijn mond kan krijgen zijn de sinistere klanken die lijken op een luide lach die steeds harder en harder klinkt in de ziekenhuiskamer. Tot ik opeens een luidde kreet slaak en mijn hart even stil staat. In mijn oor klinkt alleen een hoge bieptoon en vlak voor mijn ogen sluiten wordt ik terug bij positieven gebracht door enkele verplegers, die door Mieke waren geroepen   . Ze kunnen me nog net van de afgrond naar de donkere dood redden, de oorzaak van de pijn, die mij bijna het leven ontnam, was één enkel buisje dat verkeerd lag, één enkel buisje, één nietig klein onnozel stom buisje. Wanneer je zoiets te horen krijgt wordt het wel duidelijk dat mijn leven echt aan een zijde draadje in een scharenfabriek hangt en dat deze situatie echt wel erg is. Mijn hoofd draait maar gelukkig niet zo als juist ik heb even de tijd nodig om alles op een rijtje te zetten maar des te meer ik erover na denk, des te meer dat ik wordt af geschrokken door het feit dat mijn leven net kon geëindigd zijn. Mijn oogleden worden steeds zwaarder en zwaarder tot ik hen niet meer kan dragen en in slaap val   Wanneer ik wakker wordt kijk ik versuft uit het raam, het was inmiddels al donker en als ik de wekker geloof is het half twaalf ’s nachts. Aan de andere kant van de kamer ligt mijn mam te slapen en naast mij ligt ik mr. Keizer, de knuffel waarmee ik elke nacht slaap al vijf jaar lang. Hij ligt vredig naast me, bijna té vredig, alsof hij weet dat er me iets dwars zit en dat hij probeert me te kalmeren. Aan de andere kant van de kamer ligt mijn leesboek, dat ik in de eerste plaats had meegenomen om de tijd te doden, aangezien er nu niets te doen valt en dat ik anders alleen maar aan morgen ga denken, besluit ik om met alle kracht die nog in me zit het boek te bemachtigen. Ik probeer uit mijn bed te kruipen maar kom terecht met mijn neus plat op de grond. Ik vind daarna de kracht niet meer om op te staan en zo val ik slaap .   De volgende dag maakt een verpleger me wakker en hijst hij me in een rolstoel die me staat op te wachten in de gang. Ik word langzaam vooruit gerold, het piepende geluid van de wieltjes vult de gang. Het lijkt alsof alle kracht uit mijn spieren is verdwenen en ik kan enkel nog denken aan wat er mij te wachten staat aan het einde van de gang. Het was nog vroeg en de zon was nog niet gerezen dus de gang werd enkel verlicht met het felle kunstlicht waarvan mijn ogen gingen tranen, telkens als er een meter tussen mij en de deur verdween voelde het alsof ik werd geslagen met een metalen plaat tussen mijn ribben. Elke seconde heb ik het gevoel dat ik me nog nooit zo slecht heb gevoeld, tot ik me de volgende seconde weer slechter voel  dan de vorige.   Skriiiieeh … de rolstoel is tot stilstand gebracht  met een luid gepiep waarvan volgens mij iedereen in het ziekenhuis het tot in hun kamer kon horen. Ik moet opstaan uit mijn vervoermiddel maar faal en de dokter moet mij naar  binnen dragen. Ik zak helemaal weg in zijn sterke armen. Hij legt me neer op mijn buik, ik krijg koude rillingen over mijn rug, en het laatste wat ik voel, al liggend op de ijzeren operatietafel is de scherpe steek van de verdovingsnaald voor ik helemaal verdwijn van de wereld …   Het laatste wat ik mij herinner is dat een fel licht in mijn ogen scheen en dat ik een raad kreeg toegefluisterd van wie het ook mag zijn :    Leef vandaag, Herinner gisteren En Denk aan morgen …

Wout Tourwé
0 0

De ikjes.

                                                                                                                  Ze waren er weer vandaag, de twee ikjes die vanop mijn schouder elke beweging evalueren. Sukkel, galmt het door mijn hoofd als ik voor de tweede keer struikel over een kabel, een tas of beter nog, mijn eigen voeten. Hoe graag ik ook in de belangstelling sta, wordt ik telkens een stukje kleiner als ik mijn collega,s hoor lachen. Niet gemeen, nee zij denken niet wat is dat kind toch onhandig en als ze het al denken is het met een vertederende lach op hun gezicht. Mijn bazin trakteert op lunch omdat ik en mijn collega als vrijwilligers medestrijders zijn om het theater te redden van de verdrinkingsnood. Leuk! Gezellig! We gaan aan de grote tafel zitten in een gezellige zaak gelegen achter het theater. Praat toch niet zoveel, jij weet ook echt elk gesprek naar jezelf te draaien, luister nu maar gewoon, wat jij te zeggen hebt daar zit niemand op te wachten, wie wil nou weten dat je zoon op sportklassen is.........Ik voel hoe mijn schouders langzaam naar voren hellen en me meteen tien centimeter kleiner maakt. Op de fiets naar huis voel ik hoe de tranen branden, inwendig huil ik, niemand die het zal zien.   Ik ben een mensen mens. Ja ik houdt van mensen, hoe ze denken, wat ze zeggen, hoe ze kijken, het lieftst kruip ik in hun hoofd. Maar die ikjes op mijn schouder zorgen ervoor dat ik nog liever tussen vier muren kruip, alleen. Natuurlijk is dat eenzaam, maar dan houden die trutten tenminste hun kop. Niemand die getuige is van mijn stommiteiten, niemand die me misschien pijn kan doen met een kwetsende blik. De ikjes maken me paranoia, een blik is hoe dan ook afkeurend, een lach bespottend en een gesprek zorgt voor uren evalueren. Wat zei ik? Mijn god heb ik dat echt gezegd, nu denkt hij vast......ik heb mezelf volslagen belachelijk gemaakt. En dan neem ik me voor om alleen nog te luisteren, als een vlieg op de muur, onzichtbaar. Maar dat is me nog niet één keer gelukt.   Ik ben een mensen mens, te enthousiast spring ik in de conversatie, maak grapjes die met veel hand gewapper niet enkel de lucht verschuift. Zo heb ik al eens een beker soep die mijn zoontje vasthad uit zijn handen gewappert. Soep niet enkel op hem maar ook over mijn gesprekspartner. Hahahaha, sukkel, lachen de ikjes. Nog geen week later wapper ik de bril van mijn dochtertje haar gezicht. Hilariteit allom vanop mijn schouder, demonisch gelach en de boodschap dat buitenkomen de mensheid enkel kan schaden.   Die ikjes zitten er al zo lang ik me kan heugen, elk op een schouder. Natuurlijk heb ik ze proberen te verjagen. Zo ben ik naar de psychiater gegaan, ‘ik denk dat ik toch een beetje gek ben’. Gek ben ik niet, hoogstens wat perfectionistisch. Jammer genoeg niet met pillen op te lossen die ikjes. Luisteren dan, wat willen jullie nu eigenlijk van me, zeg het maar ik luister....en dan zijn ze stil de lafaards. Mediteren, mindfulness, eenzame opsluiting, een slaappil mischien, ja dat helpt een paar uur. Die ikjes dat ben ik, zoveel wijzer ben ik ondertussen wel. Maar waarom heeft de natuur me zo gemaakt dat ik mezelf wil vernietigen? Dat ik zo streng ben voor ik, dat ik zo negatief ben over ik, dat ik mezelf niet kan uitstaan als ik s’ochtends die kop weer zie in de spiegel? Ja nu kan ik natuurlijk gaan wijzen, het zijn mijn ouders zij hebben naast bij ook die ikjes gecreeerd...lekker makkelijk. Kan ik tenminste blijven rollen in zelfmedelijde maar daarmee zijn ze niet weg, ik en ik. En waarom zijn ze met twee? Zodat ik in evenwicht blijf met op elke schouder een ikje? Soms neemt het ene ikje het voor me op, ach zo erg is dat toch niet, waarop de ander een aanloop neemt en de bal alsnog recht het doel inschopt. Hoopvol pols ik bij mijn lief of hij ook twee van die coaches op zijn schouders heeft. ‘Ja’ antwoorde hij glunderd, ‘fijn he, dat je zo aangemoedigd wordt’. Voorzichtig vraag ik of hij niet ontmoedigen bedoeld. Nee joh, ze zijn mijn grootste fan zegt hij terwijl hij zijn schouders recht. Zuchtend besef ik dat ik de grootste vijhand ben van ik. Het veeleisende ikje wil dat ik niet middelmatig ben, nee nee de top is nog niet hoog genoeg. Terwijl ik balanceer daar boven om toch maar zo goed mogenlijk te presteren probeert de andere me bij elke stap te voorzien van het niet nodige ontmoedigende commentaar. En ja het gebeurd dat iemand me zegt hoe geweldig ik iets gedaan heb, jihaaa gilt de veeleisende ik, well done. Maar dan donder ik met een pijnlijke vaart van de top naar beneden terwijl de ontmoedigende ik me giftige woorden in mijn oor fluisterd.   Moe, ontmoedigd moe wordt ik ervan. Bedankt ik en ik voor weer een opbouwende dag in het leven van IK.       (C) tekst en beeld hanneke

Miss Blue Sky.
13 0

het dorp

Ik schreef mijn eerste roman. Na twee pagina's was ik uitverteld. Ik ging naar buiten en wandelde in het rond. De buurvrouw stond de stoep te schrobben. Ik zei hallo, maar ze verstond mij niet. Ik was niet van hier, ik was een inwijkeling uit het noorden van Oost-Vlaanderen. Daar schrobben ze ook stoepen. Ook daar verstaan ze mij niet. Ik wilde mijn dorp beter leren kennen. Het koor had nog een plaatsje vrij. Ik bood mij aan. Vijftien huisvrouwen ontvingen mij met open armen. We zongen over Jezus, over God en over Maria. Daarna praatten we over koetjes en kalfjes. Letterlijk. Eén huisvrouw zag mij zuchten. Ze legde haar hand op mijn rechterdijbeen, fluisterde in mijn oor dat ze mij begreep. Dat ze ook liever over kippen en kuikentjes babbelde. Haar man had de grootste kippenkwekerij van het dorp. Waar vroeger de plaatselijke jeugd les kreeg, liepen nu vijftienduizend gevederde vrienden op een kluitje. Het was een mooie stiel. Die beesten stonken als de pest, maar liefde dat ze gaven, ge houdt het niet voor mogelijk. Ik knikte en bestudeerde haar ogen. Ze waren bruin met grijze spikkels. Haar wimpers fladderden onophoudelijk. Haar rimpels trilden van excitatie. Als ze lachte zag ik het achterste van haar tong. Ze kakelde maar door, luider en luider. Ik keek op mijn gsm en deed alsof ik een belangrijk telefoontje kreeg. Ik ging naar buiten, naar de regen, de heerlijke regen. De huizen blonken zoals steeds onder te felle straatlantaarns. Opritten barstten uit hun voegen. Dit was mijn dorp, hier was ik beland. Hier moest het gebeuren.

Maarten Verhelst
0 0

Zwijgende lippen

Het is alsof niets echt is wat het lijkt. Als je rondom je kijkt, lijkt alles prachtig, wonderbaarlijk en vol vreugde. De wereld is een kunstwerk, waarop iedere druppel verf zijn eigen functie heeft en zorgt voor een harmonieus geheel. Dat gevoel had ik altijd als kind. Toen dacht ik echter ook dat er een oude man bestond die 's nachts door je schoorsteen kroop en pakjes voor je achterliet of dat kinderen door ooievaars werden gebracht. Nu weet ik wel beter. De wereld is hard en dat wordt iedere dag opnieuw duidelijk… Wie had ooit gedacht dat ik hier zou eindigen? In een appartement waar zelf een kabouter een gevoel van claustrofobie zou krijgen. Als je mijn appartement binnenstapt, krijg je het gevoel alsof iemand, die te veel gedronken had, zijn braaksel niet in zijn mond kon houden tot aan de toilette en daarom zich naar hartenlust had uitgeleefd tegen de muren. De muren  die daarbovenop dezelfde kleur hadden als de schimmel op het bord lasagne van vorige maand  dat op de keukentafel stond. Verder stonden de kamers vol met meubels die ik geërfd had van mijn overleden grootvader, hij die heel zijn leven lang gerookt had. Ik heb me altijd afgevraagd hoe mijn grootvader gestorven was, maar het zou mij niet verbazen mocht zijn lijk nog weken lang op de zetel hebben gelegen. Daaraan deed de stank in de woonkamer mij in ieder geval denken. Het was het enige appartement dat ik kon huren zonder te moeten bedelen bij mijn ouders voor geld. Erg zouden ze het niet vinden, maar ik wou hen niet teleurstellen. Mijn zus heeft het nooit ver gebracht in het leven en ze hadden hun laatste hoop op mij gezet. Ik zou de blik in mijn moeders ogen niet kunnen verdragen als ze zou zien in welke erbarmelijke omstandigheden ik leefde. Iedere maand was ik blij en tegelijkertijd teleurgesteld als ik mijn loonbrief van mij baas ontving. Ik had natuurlijk wel iets van geld verdiend, maar lang niet genoeg om het leven te leiden waar ik stiekem op bleef hopen. Het gewone leven van een alleenstaande, slecht betaalde vrouw zou je zo denken, niet? Daar heb je het echter fout. Al twee jaar, twaalf dagen en dertien uur word ik bespioneerd. Je vermoedt waarschijnlijk dat ik een geheim leven heb of nog beter dat ik beroemd ben, maar dat niemand het mag weten. Dan moet ik je echter teleurstellen. Ik word bespioneerd door een man om de hoek die al ruim tien jaar verliefd op mij is. Ik zeg altijd bespioneren omdat dat leuker is om te zeggen, stalken zou echter een betere beschrijving zijn. Nog steeds kan ik niet wennen aan het feit dat iemand echt voor mij gevallen is. Ik zie er uit als een vrouw die nog nooit van een kapper, fitness of slaap heeft gehoord. Ik heb natuurlijk niet gezegd dat het een eer is dat die man voor mij gevallen is, maar dat laat ik even ter zijde. Ik heb nogal een uitgesproken smaak wat mannen betreft. Johannes is zijn naam. Dat vond hij echter te lang om uit te spreken dus iedereen noemt hem Jo. De eerste keer dat ik mijn appartement bezocht zag ik hem. Een lange man met donker bruin haar. Perfect witte, rechte tanden en stralende ogen. Een baard die twee dagen niet geschoren was, maar die wel behoorlijk sexy stond bij zijn perfect gevormde kaaklijn. Je zag dat hij de fitness vaak bezocht door zijn gespierde lijf dat je kon waarnemen door zijn spannende T-shirt. Toen die knappe loodgieter de deur uit stapte, stond ik voor de eerste keer oog in oog met Jo. Een 60-jarige man, hoogstens groot genoeg om met een stoel aan de bovenste plank in keuken te komen. Een witte kleur hadden de paar haren die achter zijn rechter oor stonden en zijn snor had een gelige kleur gekregen door zijn veelvoudig gebruik van sigaretten.  Hij was zonnebankbruin en had het figuur van een zak aardappelen. Het zou een belediging zijn om hem te vergelijken met eender wie op deze planeet. Die jongen vroeger op school die net wat dikker was en die een iets meer uitgesproken lichaamsgeur had,  dat was Jo. Bij het bespioneren had ik me inmiddels neergelegd, maar vorige week vertelde hij iets dat al dagen in mijn hoofd rondspookt. Iets wat ik niet kan vatten. Iets wat ik koste wat kost geheim moest houden omdat het anders voor ons beiden slecht zal aflopen. Ik moest zwijgen. 

S.
0 0

niet lachen

Ik ging naar mijn kamer en legde me op bed. Ik pakte mijn computer en ging naar mijn facebook. Ik had enkele meldingen en scrolde wat door mijn berichten. Opeens zag ik een grappig filmpje en klikte erop. Na het filmpje, keek ik naar de reacties, tot mijn blik bleef hangen op een reactie, waarin een foto stond. Ik las de foto en had door dat het een kettingbrief was. Ik geloofde niet in die onzin, maar je kon nooit weten. Ik wou stoppen met lezen, maar mijn nieuwsgierigheid won en ik las verder. Mijn ogen bleven hangen bij enkele zinnen.Zet dit bericht binnen 2 minuten in twintig reacties, anders zal je sterven. Wanneer je dit niet doet, zal er om 23u59 een meisje in je kamer staan, die je zal vermoorden. Ik geloofde het niet en sloot mijn facebook af. Ik kon de gedachte echter niet uit mijn hoofd bannen. Ik besloot op wattpad nog wat verhalen te lezen, om het uit mijn hoofd te krijgen. Terwijl ik las, kwam de gedachte steeds terug dat het meisje mijn kamer zou inkomen. Waarom had ik het nu niet gewoon in twintig reacties gezet? Oké, rustig Lexi. Je hebt al eerder kettingbrieven gelezen en er is nooit iets gebeurd. Zet het uit je hoofd. Nu zal er weer niets gebeuren.Die gedachte herhaalde ik steeds opnieuw en opnieuw in mijn hoofd, maar de angst bleef. Ik wou slapen, maar ik wou ook wakker blijven om te kijken of het meisje echt zou komen of niet. Ik draaide me om naar de wekker op mijn nachtkastje en bleef het uur in het oog houden. 23u57Naarmate de seconden verder verstreken, nam mijn angst toe en voelde ik mijn hart sneller kloppen. Het zweet brak me uit van de angst en mijn ogen speurden de kamer rond. Mijn ogen dwaalde weer naar de wekker. Nog twee seconden en dan zal ik weten of ze verschijnt of niet. Niets te zien in mijn kamer. Ik keek weer naar de wekker en zag dat ze normaal al vijf seconden geleden moest verschenen zijn. Ik slaakte een opgeluchte zucht. Het was misschien belachelijk, maar ik was echt bang dat ik mijn ouders niet meer kon zien. Dat ik nu zou sterven en zij niet zouden weten hoe het kwam. Er zouden geen sporen van inbraak of misdadigers zijn. De angst was al afgenomen, maar opeens stond mijn haartjes op mijn huid overeind. Daarom keek ik weer op en zag dat in de hoek van mijn kamer een meisje stond. Mijn hartslag versnelde weer. Ze was toch verschenen! Het meisje zweefde op me af. Haar lange zwarte haren hingen voor haar gezicht, maar ik kon een glimp opvangen van haar ogen, die volledig wit waren en waaruit bloed droop als tranen. Haar huid was lijkbleek en haar mond was vertrokken tot een wrede grijns. In haar linkerhand had ze een bruine, versleten teddybeer, waaruit vulling kwam, vast en in haar rechterhand hield ze een mes vast. Ze zweefde naar me toe en hief het mes op. Ik wou gillen, maar was verstijfd van angst en kon niets uitbrengen, behalve een zachte piep. Ik wou me verzetten, maar bleef verstijfd van angst liggen, tot het meisje me bereikt had en het mes in mijn hart stak. Het laatste wat ik zag was dat het het meisje meteen verdween, nadat ze het mes in mijn hart had gestoken en er terug uit had getrokken. Daarna werd alles zwart en stopte ik met ademen en bezweek mijn hart.Nu ben ik ook een geest, die mensen vermoord, als ze hetzelfde doen wat ik toen gedaan had. Wanneer je dat bericht niet deelt, zal je mij ontmoeten en meteen daarna net zoals mij eindigen.

kaydee staes
6 0

verboden liefde

's Morgens werd Anna gewekt door een van haar bedienden dat op de deur klopte. Ja, het klopt ze was rijk en had dus veel bedienden maar niet alles was mooi aan het rijke leven. Het waren de jaren 70, maar haar ouders waren nog ouderwets. Ze moest van haar ouders met een rijke jongeman trouwen, maar daar had zij geen zin in. Alle jongens van haar leeftijd en die rijk waren, waren echte snobs. Ze werden te veel verwend, dachten dat ze alles kregen wat ze wilden, waren arrogant en egoïstisch. Met zo'n jongen zou ze nooit trouwen. Telkens als ze tegen haar ouders inging en zei dat ze niet met een rijke jongen wou trouwen, hoorde ze steeds hetzelfde: 'Je moet blij zijn dat we je nog laten kiezen met welke jongen je trouwt. Het enige waar je rekening mee moet houden is dat hij rijk moet zijn.'   Kiezen noemden ze het. Als ze echt mocht kiezen was ze dit leventje al lang geleden ontvlucht, maar ze zat opgesloten in dit leven dankzij haar ouders. Opnieuw werd er op haar deur geklopt en zei Marian: 'Opstaan, Anna. Het is vandaag een belangrijke dag en je moet je nog klaarmaken.'   Marian was haar lievelings bediende om een simpele reden: Marian behandelde haar beter dan haar eigen moeder. 'Ja, Marian. Ik kom er zo aan,' zei Anna met een zucht. Je vraagt je misschien af wat iedereen de belangrijke dag noemt. Nou eigenlijk is er niet belangrijks voor haar aan. Ze moet vandaag gewoon naar een feest ter ere van valentijn. Alleen de rijke mensen van de elite zijn er en dus vinden haar ouders het de geschikte plaats om een kandidaat om mee te trouwen te vinden. Ze kroop uit haar bed en liet Marian binnen. Ze gingen meteen aan de slag. Ze deed een rode jurk met bolletjes aan en Marian deed haar haar.  Daarna werd haar make-up gedaan en was ze klaar. Ze ging naar beneden en ontbeet. Daarna moest ze nog een paar minuutjes wachten tot haar chauffeur kwam. Ze kon zelf met de auto rijden, want ze was achttien en werd bijna negentien, maar haar ouders lieten het haar niet toe. Ze vonden dat rijke mensen niet met de auto moesten rijden en een chauffeur nodig hadden. Even later hoorden ze het toeteren van de auto en ging naar buiten. Voor haar deur stond een witte rolls royce silver shadow, de typische auto waar de rijkste mensen mee werden vervoerd door hun chauffeur.  Ze stapte in en ging naar het feest. Haar ouders zouden later op het feest toekomen dan zij, maar ze had er geen probleem mee. Ze stapte uit de auto en ging de feestzaal binnen. Er kwamen jongens naar haar toe en vroegen of ze met hen wou dansen, maar ze wees ze af. Ze ging aan de kant op een bankje zitten en keek toe, terwijl de rest dansten of praatten. Opeens werd haar aandacht getrokken door een jongen. Hij zag er anders uit dan de rest. Alle jongens droegen een pak, maar hij had een zwarte jeansbroek, met een wit T-shirt en een zwarte leren jas aan. Hij keek haar kant uit en kwam naar haar toe. Ze ging rechtstaan en hij kwam voor haar tot stilstand.   'Ik heb je hier nog nooit gezien,' zei ze.  'Dat komt omdat ik voor het eerst op een feestje zoals dit kom,' zei hij.  'Dat is aan je te zien. Alle jongens hier dragen een pak en jij valt duidelijk uit de toon.'  'Jij valt ook uit de toon. Alle meisjes hier zijn aan het dansen en jij zit hier gewoon.'   'Ik hou niet van dansen.'  'Iedereen houd van dansen.'   'Ik niet.'  'Waarom niet?'  'Ik haat deze feestjes.'  'Dat verklaart een hoop. Wat is je naam?'  'Anne.'  'Ik ben Tom. Aangenaam kennis te maken.'  'Insgelijks.'  'Aangezien je deze feestjes haat, zullen we dan maar ergens anders naartoe gaan?'  'Ik ken je niet eens.'  'Blijf je dan liever op dit feestje?'  'Nee, alles is beter dan hier, maar mijn ouders vermoorden me als ze er achter komen dat ik niet op dit feestje ben.'  'Hoe kunnen ze je vermoorden als ze niet weten waar je bent?'  'Klopt, laten we gaan.'  Hij pakte haar hand en ze gingen er vandoor.   'Ik weet nog een ander feestje zijn en ik kan je verzekeren dat je dan wel wilt dansen,' zei hij.  Ze wandelden verder en gingen een steegje in.   'Is het feest in een steeg?' vroeg ze.  'Nee, in een kelder van het café. De ingang van de kelder bevindt zich in dit steegje,' antwoordde hij.  Ze kwamen bij luiken aan en hij opende de luiken, waarna hij haar voorliet om naar binnen te gaan. Ze gingen een donkere trap af en ze struikelde, maar hij ving haar op. Ze gingen weer verder en ze bleef steeds maar twijfelen of ze een goede beslissing had genomen door naar hier te komen of niet. Ze kwamen bij een deur en hij deed die open terwijl hij zei: 'Welkom in het paradijs.'   Ze gingen naar binnen en kwamen in een massa mensen, die aan het dansen waren, terecht. Het ging er hier heel anders aan toe dan de feestjes die ze gewoon was. Hier was veel betere muziek en ze begon te dansen. Ze danste de massa in en Tom kwam lachend achter haar aan.  'Ik zei toch dat het hier beter was?' vroeg hij.  Ze knikte en lachte verder. Er gingen maanden voorbij en ze sprak in het geheim met Tom af. Soms praatten ze gewoon met elkaar, maar ze gingen ook vaak naar dansclubs, zoals die op de dag dat ze elkaar hebben leren kennen. Ze kreeg het gevoel dat ze op hem verliefd werd, maar verzweeg het. Op een dag waren ze in een café en praatten ze met elkaar, toen hij opeens zei: 'Ik moet je iet opbiechten, Anna.'  'Wat?'  'Ik ben geen rijke jongen. Ik kwam toen op dat feestje, omdat ik was binnengeglipt. Ik wou het wel eerder zeggen, maar was bang dat ik je dan weg zou jagen.'  'Waarom zou je me wegjagen? Ik ben juist blij dat ik weg kan vluchtten van mijn rijke leven dat ik zo haat. En ik had wel al iets in de gaten, want je gedroeg je naders dan alle rijke jongens die ik ken.'  Hij pakte haar handen en zei: 'Dan kan ik eindelijk mijn gevoelens voor jou vertellen.'  Ze trok haar handen los en zei: 'Nee.'  'Waarom niet?' Hij keek gekwetst.  'Ik moet van mijn ouders trouwen met een rijke jongen en daar kan ik niet onderuit.'  'Vlucht dan.'  'Waar naartoe?'   'Een ander land.'  'Alleen?'  'Nee, samen met mij.'  'Oké, ik ga naar huis, pak mijn spullen en dan vluchtten we vanavond. Ik kom je ophalen met mijn auto.'   'Oké, we spreken af aan dit café.'  Ze betaalden hun drankjes en Anna vertrok naar huis. Thuis liep ze te piekeren over hoe ze hier moest wegkomen. Ze begon haar spullen in te pakken en besloot zich daar later zorgen om te maken. Tegen de avond was ze klaar met inpakken en ging ze naar de garage. Ze liep naar haar rode Maserati en laadde haar spullen in. Ze ging in de auto zitten en startte hem op.  'Waar ga je naartoe?' vroeg haar vader, die binnenkwam.  'Ik heb op dat feest een jongen leren kennen en heb een afspraakje met hem.'  'Oké, ik ben blij dat je eindelijk een rijke jongen hebt gekozen.'  Ze knikte en verliet de garage. Ze reed naar het café en zag Tom daar op haar wachten. Hij laadde ook zijn spullen in en ging naast haar zitten.  'Ben je er klaar voor, om dit alles achter te laten?' vroeg hij.  'Ja, ik wil hier heel graag weg.'  Hij knikte en ze gaf gas. Ze lieten België achter zich en gingen op weg naar Schotland. Daar zouden haar ouders haar nooit zoeken. Ze staken de Franse grens over, want ze zouden vanuit Spanje de boot nemen naar Engeland en zo naar Schotland gaan. Maar het liep verkeerd af. In Spanje hadden ze een auto ongeluk en Tom had het niet overleefd. Toen ze uit het ziekenhuis kwam, besloot ze om Tom nooit te vergeten. Een jaar ging voorbij en het was weer Valentijn. Anna woonde ondertussen in Schotland, omdat ze de reis doorgezet had. Ze had er voor gezorgd dat Tom begraven werd in Schotland en zat nu bij zijn graf. Op de markt had ze een raap gekocht, waarin ze een gezicht maakte en een kaars inzette. Daarna legde ze de raap op zijn graf en zat er in stilte bij. Na vier uur, toen het kaarsje uit was gegaan, ging ze weer naar huis. En zo herdacht ze Tom elke dag op Valentijn door een raap met een gezicht en een kaarsje erin op zijn graf te leggen en pas naar huis te gaan als het kaarsje was gedoofd.

kaydee staes
0 0

Gelukkig

Gelukkig. Er is niets gebeurd. Het voelt alsof ik door een trein ben platgewalst. Het begon nochtans als een doodgewone ochtend op een doordeweekse dag.   6u30. De wekker gaat. Vermanend schakel ik over op snooze. Laat me nog even soezen, dat gelukzalige ogenblik tussen slapen en waken, waarin de minuten uren lijken en de dingen zoveel milder gestemd zijn.   6u40. Onherroepelijk tijd om op te staan. Het licht in de badkamer schijnt ongemeen hard in mijn slaperige ogen. Wanneer ik een blik in de spiegel waag, besef ik met tegenzin dat er opnieuw heel wat opsmukwerk aan te pas zal komen. Hoe ouder ik word, des te meer zalfjes, eyeliner en mascara er in mijn kast staan. Ik kan me haast niet meer inbeelden dat ik – toen Lara pas geboren was – zomaar zonder make-up het huis uit durfde komen. Ik begreep gewoon niet waar andere jonge moeders de energie vandaan haalden om er zo piekfijn en fris uit te zien. Ik herinner me de eerste keer dat ik het over mijn hart kreeg om Lara onder de hoede van mijn moeder achter te laten en naar de kapster te gaan, na zes maanden onafgebroken borstvoeding geven, luiers verversen en nachtenlang “Beertje Knuffeltje” zingen. De confrontatie met de bleke zombie, die me vanuit de kappersspiegel hologig aanstaarde, drukte me met mijn neus op de feiten. Niet elke kersverse moeder ziet er zonder het nodige plamuurwerk even stralend uit.   7u05. Ik sluip op mijn tenen de trap af om het slapende huis niet te wekken. Dat halfuurtje ochtendlijke eenzaamheid is me heilig. Het authentieke geknars als de koffiemachine de bonen maalt, het aroma van warmte en gezelligheid, het nonchalant bladeren doorheen mijn favoriete tijdschrift… Niets moet en alles kan, althans gedurende het kwartier dat ik mijn ontbijt naar binnen werk.   7u20. Ik hoor gestommel in de kamer van kleine Lou. Duimen maar dat hij het nog even rekt en ik niet gedwongen word om mijn vaste ochtendroutine te doorbreken. Ik snijd een appel in vier gelijke stukken en verdeel ze over het Cars- en het Prinsessendoosje. Vergoeilijkend schud ik mijn hoofd omwille van mijn geconditioneerde kroost. Ongemerkt is het ons leven binnen geslopen, ook al hadden we ons voorgenomen immuun te zijn voor stereotiepen. Misschien heeft het zich na al die jaren vertoeven in de consumptiemaatschappij wel stiekem vastgehecht in onze genen en is de jeugd van tegenwoordig sowieso gedoemd om zich te laten hersenspoelen door genderspecifieke merchandising.   7u30. Ik luister of ik het knarsende rolluik van onze slaapkamer hoor. Zo niet, weet ik dat Wouter zich nog maar eens heeft overslapen of ‘onbewust’ zijn wekker heeft afgeduwd. Ik zucht, maar net op dat ogenblik klinkt het verlossende geratel van een tegensputterend rolluik. Het zal niet het enige in huis zijn wat tegenstribbelt deze ochtend, weet ik uit ervaring.   7u50. Lara en Lou zitten aangekleed aan tafel. Ze smikkelen van hun stukje chocolade en Lou werkt in spoedtempo zijn dubbele portie toast, peperkoek en sojayoghurt naar binnen. Ik sta er dagelijks van versteld hoeveel eten er in zo’n klein buikje kan verdwijnen. Lara verorbert haar geroosterde boterham op de gebruikelijke manier. Langzaam knabbelend, terwijl ze alle potten en attributen op de keukentafel één voor één bepotelt en er torens of trappen mee bouwt. “Lara, doe eens een beetje voort”, hoor ik mezelf voor de tiende keer vragen. Haar wijsvinger schrijdt net statig de trap af, van de bokaal met speculoospasta op de blikken doos met peperkoek, en blijft verstoord in de lucht hangen. Ik krijg een portie dodelijke blik toegediend maar ze doet wat ik vraag.   8u20. Televisie uit, schoenen aan, plassen, jassen… Elke dag hetzelfde liedje, elke keer dezelfde protesten. Vreemd genoeg heeft zelfs vervelende routine iets vertrouwds, als een oude teddybeer waar je geen afscheid van kunt nemen, ondanks dat je er te groot voor geworden bent. Inwendig glimlach ik wanneer Lou van onder zijn lange wimpers vernietigend naar de kapstok kijkt, alsof zijn jas en muts de vijand zijn en hij ze met één van zijn gewapende blikken liquideren kan. Lara wipt aan de achterdeur ongeduldig van haar ene been op het andere. “Gaan we met de fiets, mama?” Ik werp een snelle blik op de klok. “Ja, goed. Doe maar.”   8u35. “Tot aan de paaltjes, niet verder”, instrueer ik, terwijl Lara alvast voorop fietst. Lou heeft het te druk met om zich heen kijken en botst bijna tegen een geparkeerde wagen op. “Lou, kijk toch eens uit, jongen. Als je fietst, moet je voor je kijken en op de baan letten.” Het lijkt zo’n zin die ik beter als standaardringtone van mijn gsm zou instellen. Lara staat ons achter de hoek bij de paaltjes braafjes op te wachten. Wat is ze toch een verstandige meid. En wat wordt ze al groot. Het overkomt me soms, dat ik opeens in één oogopslag opmerk hoe ze veranderd is. Dan lijkt ze zoveel wijzer dan haar jaren en knijpt er een vuist rond mijn hart om toch maar vat te kunnen krijgen op de tijd en hoe vlug hij ons ontglipt. Intussen hebben we haar bijgebeend – of liever gefietst. In de verte achter ons hoor ik een auto naderbij komen. Ik vermaan Lou om rechts naast me te komen rijden, tegen de stoeprand aan. Lara gebaar ik voor me te komen rijden. We zijn bijna aan de afslag naar school. Net wanneer de auto ons voorbij wil steken, bereiken we de hoek. “Naar links”, zeg ik, verstrooid met mijn arm naar de rechterkant wijzend. Lara, die voor me rijdt en dus mijn uitgestoken arm niet ziet, aarzelt even en draait dan haar stuur naar links. Ik gil, mijn fout te laat beseffend. De banden van de auto piepen, net als Lara’s remmen, wanneer ze net op tijd haar fiets omgooit in de juiste richting. De auto blijft nog even staan, met draaiende motor. Door het zijraampje zie ik hoe de bestuurder, een vrouw van middelbare leeftijd, me een afkeurende blik toewerpt en met haar wijsvinger tegen haar bril tikt. Met bloedrood hoofd steek ik verontschuldigend mijn hand op en gebaar Lara en Lou verder te fietsen op het voetpad.     8u40. De bel gaat. Ik plant een snelle zoen op Lara’s wang en druk haar net iets langer dan op andere ochtenden tegen me aan. Lou krijgt ook een kus en slentert op zijn gebruikelijke ‘ik-heb-alle-tijd-van-de-wereld’-tempo naar de rij achteraan de speelplaats. Lara werpt me nog snel een kushandje toe en verdwijnt in het klaslokaal.   8u45. Gelukkig. Er is niets gebeurd. Het voelt alsof ik door een trein ben platgewalst.

Elfi Vandenabeele
21 0