Zoeken

Schoon, toch?

Er wordt minder getrouwd, of alleszins veel later. In vele gevallen zijn tegenwoordig de eigen dochters en zonen de bruidsmeisjes of bruidsjonkers op het huwelijk van hun ouders. Dat maakt dat de rol van de schoonmama als officiële oma van die kinderen ook dan pas zou beginnen. Het fenomeen van de scheidingen en plusouders maakt dat kinderen in plaats van vier soms wel acht grootouders hebben. Minstens vier van die personen zijn dan moeders. “Wat is schoonmoeder in de taal van jouw vrouwtje, toch niet Bella Mamma?” vraag ik aan Sam, mijn neef die met een Italiaanse is getrouwd.“Suocera”, antwoordt hij, “maar volgens het woordenboek  betekent het woord tevens  zeurkous of bazige vrouw”, voegt hij er lachend aan toe.Als zoon van mijn schoonzus en zwager, was mijn schoonmoeder zaliger zijn grootmoeder.“Hoe was dat nog met oma als jouw schoonmoeder?” repliceert hij.Ik moet even nadenken wat ik aan Sam kwijt wil. Over de enkele keren dat  ik met haar in conflict lag, houd ik wijselijk mijn mond.“Omdat jouw opa Franstalig was werd er regelmatig Frans gesproken. Moeder in het Frans is mère, maar het homoniem mer betekent zee. Als jouw oma wat opgewonden was, zegden wij onder elkaar la mer est agitée aujourd’hui  (de zee is vandaag woelig).“Daarop haalt Sam zijn beste grap boven. Toen hij aan zijn baas zei: “Ik wil graag naar de begrafenis van mijn schoonmoeder”,  antwoordde die:  “Ja, wie wil dat nu niet graag.”Grapjes over de ‘aangetrouwde’ moeders zijn legio.“Wat vond je het grappigst aan jouw belle mère?” vraagt Sam.Ik vertel hem van die keer dat mijn schoonmama klaagde over maagkrampen. Ik had haar toen als digestief een glaasje Jägermeister ingeschonken. Het had blijkbaar geholpen want later vroeg ze mij hoe dat godendrankje weer heette.“Voor haar verjaardag heb ik haar dan een geschenkverpakking aangeboden waarin naast de fles ook twee leuke authentieke Jägermeister schnapsglaasjes zaten.”“Van al mijn schoonzonen, weet jij tenminste wat er goed is voor een mens”, had ze gezegd toen ze me bedankte en omhelsde.“Dus Sam, als je een wit voetje wil halen bij jouw suocera weet je wat je te doen staat, maar ik raad je aan het met een flesje Amaretto te proberen."

Vic de Bourg
34 5

Ik zou (het niet) zeggen

Ze zijn alomtegenwoordig, de ik-zou-zeggers. Het is bijna een plaag. Het aantal groeit dagelijks, net zoals de coloradokevers op het aardappelveld van onze pa in de zomer van 1976. Toen moest vader ook maatregelen nemen. Natuurlijk heb ik het nu niet over het spuiten van biologisch gif zoals op het aardappelveld, maar een waarschuwing lijkt me aangewezen. U gelooft me niet? Een half uur tv kijken volstaat. Dan hebt u een papier vol met streepjes, telkens als er iemand de woorden ‘Ik zou zeggen’ uitspreekt. "Waar maak je je druk over?”, vroeg onze oudste onlangs. “Het klopt gewoon niet”, zei ik. Ik hoorde het mezelf al een beetje luid zeggen. Waarom het niet klopt? Die ‘zou’ wijst op de voorwaardelijke wijs van de zin. Er moet een voorwaarde aan gekoppeld zijn. Zoals in deze zin: “Indien de situatie niet zo dramatisch was, zou ik zeggen dat er alsnog vrede komt.” Maar dat gebeurt niet. Je hoort nu zaken zoals: “Ik zou zeggen, laat het smaken”. Dan heb ik goesting om naar de tv te roepen: “Je zegt het toch. Laat die ‘Ik zou zeggen’ toch weg. Gewoon ‘Laat het smaken’ is ook goed. Waarom doe je dat?” Maar het heeft geen zin om naar de tv te roepen. Eén keer heb ik streepjes gezet. Ik telde er vijftien, uitgesproken door een B&B-uitbater. Hij had zijn B&B beter ‘Bij de ik-zou-zegger’ genoemd in plaats van ‘Bij tante Loes’, want tante Loes was in geen velden of wegen te bekennen. Hij kreeg geen zin gezegd zonder die ‘ik zou zeggen’. We zijn goed op weg om er een nationaal stopzinnetje van te maken, zoals ‘Ja precies’ in Nederland of ‘Ben oui’ in het Frans. Als het niet verbetert, ga ik wel roepen. En een gewaarschuwd man is er twee waard. Of nee, want als die allebei de woorden ‘ik zou zeggen’ in de mond nemen, wordt het nog erger.

Rudi Lavreysen
46 3

Angst. a

  Niet  Goud   Of   Geld   Beperkt   ANGST   *************************************** **************************************** **************************************** Aleen  Informatie  en  Kennis   BEPERKT  ANGST      ****************************************************************************************** foto GALLERY  https://www.2dehands.be/q/verf+ed+/ https://www.2dehands.be/q/verf+ed+rooie+flikkers+amsterdam%3a+montaigue+de+quercy%2c+frankrijk/ ************************************************************************************* foto VERF ED:   ***********************************************************************************   Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen."Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig. http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser.
0 0

Het printertje

Bent u een veeltevroeger, een netoptijder of een altijdtelater? Wij behoren meestal tot de eerste categorie. In het Gare du Nord van Parijs stonden we een uur voor het vertrekuur klaar. We hadden iedereen in het station, van toerist tot treinpersoneel, al drie keer ontmoet omdat ik van het stilstaan (er was geen vrijstaande stoel te bekennen) pijn in mijn rug kreeg. Met een kleine vertraging spoorden we eindelijk huiswaarts. Ik stelde voor om de verse chaussons aux pommes - gewoon appelflappen - meteen vrolijk te verorberen. Iets over de grens met België verdween die vrolijkheid. Net zoals toen ik in het derde middelbaar met Pasen mijn punten zag: een drama. De trein stond zo stil als de Zwitserse garde bij het Vaticaan. Geen beweging. Een bericht door de luidspreker over een technische storing voorspelde niet veel goeds. Twintig minuten later kwam er eindelijk beweging. De conducteur verzekerde ons dat we de aansluiting in Antwerpen, weliswaar een uurtje later, zouden halen. Om de ‘pijn wat te verzachten’ printte hij een bonnetje uit. Het printertje hing zowaar aan zijn broek. “Hiermee kan je in de bar iets drinken”, zei hij. Maar omdat we niet zover van Antwerpen waren en ik van dat drankje misschien naar het toilet zou moeten, zagen we daar van af. De Nederlanders van drie stoelen verder deden dat niet. Net toen we onze koffer van het bagagerek hadden gehaald, stonden zij in het midden van het gangpad recht. “Jij ook een biertje Frits?”, vroeg de ene. Het was misschien niet fatsoenlijk, maar ik heb de mannen lichtjes naar hun plaats geduwd om snel aan de uitgang te zijn. We sprintten als ervaren hordelopers over de roltrappen en haalden nog net de aansluitingstrein. Daar moest ik toch aan het biertje van Frits denken. Wat zou het nu hebben gesmaakt.

Rudi Lavreysen
9 1

Monsieur le roi

"Ik eet het graag", zei ik tegen mijn vrouw. "Maar ik ben het niet graag." "Sardientjes", vervolgde ik vooraleer ze kon zeggen dat ze in de tram geen zin had in raadsels. We stonden als sardientjes op elkaar geperst. Sommige mensen waren behoorlijk aan het zweten. De olie in het sardienblikje. Een man achter ons was druk pratende met de vrouw naast hem. Hij sprak Frans, droeg een kleurrijk joggingpak en had een hese stem. Op korte tijd vertelde hij drie keer hetzelfde. Hij leek me een ietwat verward. Hij zag dat ik naar hem keek en sprak me aan. Ik meende te begrijpen dat hij vroeg waar ik uitstapte. "Qui? Moi?", vroeg ik. "Non pas vous. Moi", antwoordde hij. "Ah, je ne sais pas monsieur", zei ik. Een man in een net pak die er twee stoelen naast zat, lachte hartelijk. Hij had grijs golvend haar en droeg witte sneakers. "Hij stapt aan dezelfde halte uit als ik”, zei hij. “Nog drie haltes.” Wij gingen er al aan de volgende halte uit. Een wandeltocht en dan naar de nieuwe zaak op de zeedijk voor een verfrissing. We zuchtten tegelijk. Blij dat we twee bevrijde sardientjes waren. Op het terras riep ik de ober. Het was zowaar de man met het kostuum en het grijs golvend haar van op de tram. Hij lachte om de toevalligheid. “U zegt het juist”, zei hij. “Ik hoor liever ober dan garçon. Wist u trouwens dat er een verschil is tussen een kelner en een ober? Kelner is afgeleid van keldermeester, want daar stond de voorraad. En de ober was de oberkelner of hoofdkelner. Kortom, de baas”, lachte hij. “Maar de klant is toch de koning, niet?”, zei ik knipogend. “Helemaal juist monsieur le roi”, zei hij. Nog luider lachend stapte hij naar binnen.

Rudi Lavreysen
33 1

Bromance

Onze jeugdbeweging kampeert nabij het waterkasteel van Horst, dat striplezers kennen van de reeks De Rode Ridder door Willy Vandersteen, bedenker van Suske en Wiske. Aan de oevers van het meer spelen we het spookspelletje. Iemand zegt: ‘En er verscheen een spook, aan het venster van de eerste verdieping. En wij riepen “Spring, spring!”. Maar dacht je nou werkelijk dat het sprong? Neen hoor, neen hoor.”Dan is de beurt aan de volgende, die zegt:‘En er verscheen een spook, aan het venster van de tweede verdieping. En wij riepen …’ Zo gaat het verder naar de derde, vierde, vijfde, enz … verdieping, tot iemand zich hetzij van etage vergist of de zin fout uitspreekt. Dat is de verliezer, die een taak krijgt opgelegd. Bij de negentiende verdieping stamelt Harry en staart met open mond naar het kasteel: ‘Een spook, een spook, kijk!”‘Neen, Harry, daar trappen wij niet in’, zegt Oscar, de groepsleider. ‘Je bent verloren, je taak is…’‘Het is echt’, zweert Harry en wijst: ‘Er stond een witte gedaante daar in het open raam van de toren.’‘Spijtig voor jou, Harry’, zegt Miriam: ‘het kasteel is al jaren onbewoond en de toegang is dichtgetimmerd.’Harry is lijkbleek: ‘Waarom geloven jullie mij niet? Ik verzeker jullie dat er iets bewoog.’‘Sorry, Harry, niemand heeft iets gezien. Je verliest. Straks moet je de afwas doen’, besluit de leider. Het is al laat wanneer Harry aan de afwas begint. Zijn boezemvriend Johan is een durfal en komt helpen. ‘Ik heb een plan’, zegt hij: ‘ik heb niet voor niets dezelfde voornaam als de ridder uit de stripverhalen en ik zal jou verdedigen. Als iedereen straks slaapt nemen we een van de bootjes en varen stilletjes tot aan de toren. Spoken zie je beter in het duister.’ Zo gezegd, zo gedaan. Beide vrienden sluipen weg zodra Oscars gesnurk hoorbaar is. Ze hebben een zaklamp meegenomen. Helder maanlicht verlicht het meer en miljoenen sterren fonkelen boven de slottorens.‘Romantisch’, zegt Harry.‘We zijn op spokenjacht, man, roei verder’, zucht Johan.Als ze halfweg het meer zijn richt Johan de zaklamp op het openstaande raam.Plots duikt een witte gedaante naar buiten en zweeft over het water. De jongens schrikken zich rot en tuimelen bijna uit de sloep. Dan merken ze dat het een zilverreiger is die landt tussen het riet. Bekomen van de schrik lacht Harry: ‘Ik zei het toch, romantisch!’

Vic de Bourg
23 2

Opbieden

“Wat goed, Roza dat je even langs kwam. Niet dat ik je verwacht had. Dus jouw Hector heeft werk gevonden. Van jouw drie zonen was hij wel de knapste, niet? Enfin, ik bedoel verstandelijk, hé.”“Kijk, Julia, het is niet omdat hij fysiek niet zo knap is als zijn oudere broer, dat hij het niet gemaakt heeft.  Weet je dat hij directeur wordt?”“Echt? Directeur? Onze Hannes is ook directeur. Wist je dat? Maar sorry, ik moet nu echt mijn maaltijd verder gaan afwerken.”“Zo, was je aan het koken? Wat schaft de pot? Mag ik raden? Ik dacht al dat ik een bekende geur opsnoof.”“Waar is het dat Hector directeur wordt, ergens in de buurt?”“In Hertekamp, daar hebben ze toch een nieuwe gevangenis gebouwd?”“Hertekamp? Nooit van gehoord. Mijn Hannes is directeur van een viersterrenhotel. Dat is wat anders dan een gevangenis natuurlijk.”“Ik vermoed dat het jouw eeuwige spaghetti Bolognese is. Zeg, doe jij ook wortels in de saus? Ik wel,  flinterdun geraspt, tot grote ergernis van Antonia, mijn nieuwe buurvrouw.  Italianen kunnen het niet hebben dat wij hun keuken naar onze smaak aanpassen.““Roza, nu moet ik echt …”“Nochtans serveren ze in die Trattoria in het dorp wel frieten bij hun steak Pizzaïola.”“Als dat zo is, zal jouw vriendin Antonia er niet snel over de vloer komen”“Oh,  ze is mijn vriendin niet, hoor. Ik denk dat onze werelden daarvoor te ver uit elkaar liggen. Gingen jullie vroeger niet regelmatig naar Rimini op vakantie?”“Rimini, ja, maar dat is lang geleden. Tegenwoordig kan je er over de koppen lopen. Zo druk, naar het schijnt nog erger dan in Benidorm waar jullie toch kind aan huis zijn?”“Zeg, die Hannes van jou, werkt die dan in zo een, hoe heet het weer, een keten van hotels?”“Zijn hotel maakt inderdaad deel uit van een hotelketen, waarom vraag je dat?”“Wel, misschien kan hij dan ook directeur worden van een resorthotel in Spanje of Italië. Kunnen jullie bij hem op vakantie gaan.”“Dat geldt evengoed voor jouw Hector. Hij zou directeur kunnen worden van Alcatraz. Dat is een pracht van een eiland, alleen weet ik niet of het er zo luxueus zal zijn als in een resort.”“Dat ding werd gesloten toen wij nog kleuters waren. Ik ga eens opstappen. Doei, vergeet de worteltjes niet, geschraapt zijn ze het beste.”

Vic de Bourg
10 1
Tip

Normaal - metrorit door Parijs tijdens de Olympische Spelen

Deze tekst schreef ik op 30 juli, bij het begin van de Olympische Spelen. Ik reisde van de Gare du Nord naar Gare de Montparnasse in Parijs. Dit is het verslag van mijn impressies en herinneringen.   Parijs blinkt als een paars-roze bonbon. Vorig jaar moest je in de Gare du Nord hopen dat twee uitgebluste automaten wat metrotickets zouden uitspuwen als je aan hun afgesleten rol draaide. Ik hielp toen een zwarte vrouw die naar Lourdes trok, maar niet wist of ze een passe Navigo of een t+ticket moest kopen om haar aansluiting in de Gare de Montparnasse te halen. Nu word je onthaald door een legertje jobstudenten in paarse vestjes, en schuif je aan tussen linten. Assistenten wijzen je de weg naar een van de gloednieuwe automaten. Ze kijken toe hoe toeristen hun plan trekken bij het scherm, terwijl je ook gewoon uit de hand een carnet metrotickets kan kopen. Wat ik niemand zag doen. Veel tijd heb je vervolgens niet om de metrolucht in te ademen die vroeger uit de pokdalige vloer leek op te stijgen, iets mufs dat aan snelheid en vrijheid deed denken. Ik weet niet hoe ze het geflikt hebben, maar de toegang tot metro 4 is een stuk korter geworden, alsof iemand een paar gangen uit het labyrint heeft geknipt of een ondergronds olifantenpaadje heeft gevonden. Metrotegels lijken gepoetst met een tandenborstel. Metrolijn 4 is ondertussen geautomatiseerd. Schermen geven aan in welke wagon van deze metro je zit, en ik bedenk op welke manier dat nuttig kan zijn. Lijn 4 loopt langs heel wat volkse buurten, zoals de vlooienmarkt bij Porte de Clignancourt, de Afrikaanse wijk Barbès de Rochechouart, de stations Gare du Nord en Gare de l’Est. Toen ik hier zeventien jaar geleden werkte, zag je op lijn 4 vermoeide kantoorklerken, jonge vrouwen in een strakke jeans en Afrikaanse oma’s met boodschappentassen van zwart plastic waar bakbananen en gedroogde vis uit staken. De geur van specerijen vulde de wagons, en ik herinner me het Roemeense jongetje van een jaar of tien dat vaak opstapte en obsceen rond de palen van de wagon danste, zijn ghettoblaster op het maximum. Wat zou er van hem geworden zijn? Vandaag zat tegenover mij een man met een fijne brilmontuur. Hij zou ook in Londen of New York kunnen wonen. Ik zag nog steeds allerlei huidskleuren maar niemand met boodschappentassen. En het rook nergens naar. Misschien komt het omdat een ticket nu 4 euro kost, bijna het dubbele van vorig jaar. Nemen mensen met bakbananen nu de bus, of is dat even duur? Een gratis bus was er wel voor de duizenden daklozen die uit Parijs verplaatst zijn, naar Straatsburg of Marseille. Wat ook verdwenen is, is de galanterie. Vorig jaar stelde een Parijse jongeman me nog voor om mijn koffer te dragen. (Aan het zwarte meisje dat naar Lourdes ging, stelde niemand dat voor). Vandaag moest ik mijn koffer zelf de trap op zeulen. Zeventien jaar geleden twijfelde ik of galanterie behulpzaamheid dan wel seksisme was. Toen mijn nieuwe collega’s in de lift bleven hoewel we onze verdieping bereikt hadden, was ik zelfs wat in paniek. Waarom stapten we niet uit, ons bedrijf was toch op het vijfde? ‘Jij bent de enige vrouw in de lift, jij gaat als eerste’, verklaarde een collega. Ik voelde me een beetje belachelijk toen die mannen achter me aan drentelden als een bende poedels, omdat ik als vrouw voorrang kreeg. Maar in deze perfecte wereld zal ik het ‘Après vous, Madame’ nog missen. Ik kocht alcoholgel en merkloos water dat ‘Normal’ heet, in een winkel in de Gare de Montparnasse. Ik had speciaal thuis boterhammen klaargemaakt omdat ik me het station niet herinnerde als een plek met veel propere eetgelegenheden. Maar nu zitten Exki, Prêt-à-porter en bakker Paul in een nieuw jasje.Wat die Olympische Spelen al niet teweeg brengen. Doen we binnenkort de afwas in de Seine?  

Pons
167 5

AFSPIEGELINGEN

Toen ik hem zijn vergeten drinkbus aanreikte door de tralies van de ijzeren poort van de atletiekpiste, waar het laatste sportkampje van de zomervakantie uit de startblokken was geschoten, zag ik mezelf in drievoud. De poort was reeds gesloten. Onhandig voor vaders die de drinkbus van hun zoon komen brengen, maar wel veilig. De meeste kinderen van tegenwoordig zijn naast ongeleide projectielen ook vrijpostige mini-volwassenen met een sterkere eigen mening dan die van de gemiddelde HLN-commentator. Er durft er wel eens eentje ontsnappen. Omdat ik niet binnen kan, schal ik de naam van mijn zoon over de sportvelden, waar de dauwdruppels zich nog verstoppen voor de talloze sportschoentjes. Met armwieken en wat ostentatief op en neer springen lukt het me om de aandacht te vangen van een van de begeleiders, nadat ze me waarschijnlijk verwarde met een jogger die op een bizarre plek zijn stretchoefeningen kwam uitvoeren. ‘Mijn zoon was dit vergeten’, zeg ik. Zij en ik weten dat ik bedoel dat ik dat vergeten ben. Maar we verstaan elkaar. Ik overhandig haar de fles en zij geeft hem meteen aan mijn zoon, die er gelijk uit drinkt, om te controleren of zijn vader hem wel heeft gevuld. Dat bleek zo te zijn. Voordat ik huiswaarts keer, blijf ik even staan. Ik zie drie versies van mezelf. Zo gebeurde het wel eens dat ik als negenjarige jongen dingen vergat, zowel thuis als op school of op sportkamp. In de ogen van het zwarte meisje zag ik mezelf op vijftienjarige leeftijd als begeleider van jongere kinderen. Dezelfde vreemde cocktail van een aarzelend voorkomen en korte, vranke woorden. Zoals zij droeg ik toen de boodschap uit: wereld, help mij! en wereld, laat me met rust!Ten slotte zag ik mezelf als mijn eigen vader, die in mijn herinnering altijd blij was dat hij ons ergens kon afzetten. Wellicht moet hij ook deze knagende dualiteit in zijn binnenste hebben gevoeld, want hoewel ik graag even kinderloos ben, mis ik ze al.

Lennart Vanstaen
46 3

Cirkelend

Het kan een maandagochtend zijn. Of een zaterdagochtend. Of eender welke dag. De voorwaarde is dat het een warme dag is en dat je nog iets merkt van het dorpsfeest van de avond voordien. Er wordt opgeruimd, de brouwer levert, het maakt niet uit. Het geeft een gevoel zoals in het kustdorpje waar we jaarlijks verblijven. De glazenwassers, de visgroothandel waarvan de meeuwen de bestelwagens herkennen, ze zijn er voor de toeristen komen. Zo voelt het vanochtend in ons stadje. Maar de meeuwen en de zee zijn ver weg. Aan het dorpsplein draait een esdoornblad naar beneden, zoals de schroef van een helikopter. Daar speelden we vroeger mee op de bank aan het voetbalterrein. We stonden op de bank, gooiden de blaadjes naar omhoog en keken wie het langst in de lucht bleef hangen. Bij de bakker stopt een mama met haar zoontje. Hij zit op het fietsstoeltje aan het stuur en praat honderduit. Dat is misschien wel het mooiste wat er bestaat. De mama draagt een oranje jurk. De kleur van de ondergaande zon. Ze staan voor een gesloten bakkersdeur. Ook de automaat geeft geen brood. Dan maar terug huiswaarts. Ik volg ze in gedachten, erboven cirkelend zoals een helikopter. "Wat gaan we dan eten mama?", vraagt de jongen. "Er is nog een beetje brood van gisteren", antwoordt ze. Als ze na een tijdje, de wind op de fiets geeft verkoeling, vlakbij hun huis zijn draait de jongen aan het handvat van het stuur. Daar zit de bel. Dat heeft zijn mama hem geleerd. Hij mag het alleen doen als ze bijna thuis zijn. Thuis steekt de jongen zijn hand in het blauwe opblaaszwembad. Hij voelt of het water nog te koud is. Zijn mama staat in de keuken en kijkt ernaar. Wat zullen we straks eten, denkt ze.

Rudi Lavreysen
18 1

Paarden?

Hoe lang is het geleden? Ik kom uit op zestig. Dat is naar schatting dubbel zoveel dan de leeftijd  van die leraar Nederlands toen hij in de klas beweerde dat je moest dromen. Naast een dagboek bijhouden, vond hij het belangrijk om te dromen. Waar hij die zogenaamde wijsheid vandaan haalde weet ik niet, maar het had iets te maken met het graven in het onderbewuste. Ik ben bang dat de man niet meer leeft, anders had ik hem het goede nieuws gebracht dat ik tegenwoordig de indruk heb permanent in dromenland te vertoeven. Ik had hem destijds de vraag moeten stellen waarom dromen een werkwoord is, maar het woord nachtmerriën niet bestaat? Dat past namelijk beter bij de helse toestanden die zich in mijn kop afspelen. Niet alleen ’s nachts trouwens, ook door de dag heb ik dagmerries. Er komen mensen bij mij over de vloer die beweren dat ik een mooi leven achter de rug heb. Wie zij zijn, weet ik niet. Sommigen beweren dat ze familie van mij zijn. Ach, ik laat ze maar in hun waan, wie ben ik om hen tegen te spreken. Het is niet omdat ze verwanten zouden zijn, dat ze mij dingen mogen verbieden. Zoals rijden bijvoorbeeld. Mijn auto is trouwens verdwenen. Er staat nog enkel een oude fiets in de garage, maar daar mag ik ook niet mee op de baan. Het huis waarin ik woon is het mijne, dat weet ik wel zeker. Het achterliggende tuintje staat vol met planten en zelfs bomen die ik zelf ooit gepland heb. Ik zit graag in de tuin. Laatst dacht ik dat het einde van de wereld nabij was. Toen was er een hevige storm opgestoken die wel drie bomen ontworteld had. Een ervan was op het dak van het huis beland. Iets later kwam ik uit een roes en zag ik dat er niets aan de hand was. Wat haat ik het als ik deze waanvoorstellingen krijg. Pilletjes, ja, die slik ik elke dag. Waarvoor ze dienen, weet ik niet zo goed en in feite interesseert het mij niet meer. Mijn dokter beweert dat ze nodig zijn om de draadjes in mijn hoofd te activeren. Zelf vind ik dat niet nodig. Het liefst  wil ik al die draden doorknippen. Ze moeten toch ooit eens stoppen, die dwaze wilde merries die rondspoken bij klaarlichte dag of in het pikkedonker.

Vic de Bourg
23 1

Eigenlijk feitelijk

Welke dag is het vandaag? Het is vaak de eerste vraag van de dag. Na enkele seconden volgt het antwoord en het besef. Moet ik naar het werk? Of is het zondag, zodat ik nog kan blijven liggen en vervolgens naar de bakker voor pistolets? Of is het zaterdag en wenkt de krantenwinkel voor een volumineuze krant? Het zijn telkens andere dagen en andere vragen. Niet in het minst in diezelfde krant. De truc om het snel te weten is je afvragen welke dag het gisteren was. Grootvader stelde de vraag wel eens in het midden van de dag. Na een middagdutje in zijn zetel bij de kachel. Die vraag kwam er niet onmiddellijk, maar pas na enkele minuten. Alsof hij nog even doorsliep met zijn ogen open. "Welke dag is het vandaag feitelijk?", zei hij dan. We hebben wel eens gezegd dat het zondag was, waarna hij schrok omdat hij doordeweekse kleren droeg. Er kon wel eens bezoek komen. Vanuit zijn zetel had hij een ideaal zicht op de straat en op wie er voor het huis stopte. Wie het was, zag hij meteen aan de auto die op de grint werd geparkeerd. Na een blik op de scheurkalender wist hij dat het geen zondag was. "Plagers", riep hij dan vanuit de keuken. We gingen niet zover dat we ook het papiertje van de scheurkalender vervalsten. Dan was iedereen ontregeld. Maar het feit dat hij die vraag stelde, daar kon je de klok op gelijk stellen. Die scheurkalender was een houvast. Opnieuw een dag afgescheurd en ‘s morgens een verse. Net zo vers als het brood dat op de keukentafel lag. Och, het is eigenlijk een kwestie van geluk om het zonder kleerscheuren door te komen. Het gegeven van welke dag het is, slinkt dan meteen aan belang. Dag!

Rudi Lavreysen
20 2

Hittegolf

Wanneer spreekt men in België van een hittegolf? Ik plukte een definitie van de website van het KMI : “Het KMI spreekt van een landelijke hittegolf wanneer de maxima in Ukkel gedurende minstens vijf opeenvolgende dagen tenminste 25 graden halen (zomerdagen), waarbij op minstens drie dagen 30 graden gehaald wordt (tropische dagen).”                                Algemene hysterie treedt dan op. In het nieuws wordt de hittegolf uitgebreid besproken. Jonge kinderen en ouderen moeten in het oog te houden. In bejaardentehuizen draagt het personeel voetbadjes en ijsjes aan. Gegarandeerd is er ook een journalist die aan de kust badgasten interviewt over hun strategie om het warme weer draaglijk te houden. In Griekenland lachen ze hiermee. Met deze definitie leven de Grieken van pakweg begin juni tot eind september onafgebroken in een hittegolf. Pas als het kwik richting 40 graden gaat voor enkele opeenvolgende dagen nemen ze het woord “kafsona” (hittegolf) in de mond. Als de “kafsona” toeslaat, moet een bezige Belgische als ik noodgedwongen haar activiteiten aanpassen. Met enige creativiteit ontdekte ik dat er best wel wat opties zijn met een hoog vakantiegehalte. Je kan de hele dag in bed of in de zetel blijven met een ventilator op je lijf. Af en toe slof je naar de frigo voor een glas koud water en herhaal je zuchtend dat het warm is. Een betere optie is naar het strand te rijden. Met de scooter sta je in een dik halfuur aan wat toeristen de “Atheense Riviera” noemen. De strandjes zijn niet de mooiste van het land, maar er is schaduw en verkoeling van de zee. Dan handel je als volgt: je gaat het water in om af te koelen. Vervolgens laat je jezelf opdrogen op een strandlaken terwijl je wat soest of leest. Als je het weer te warm krijgt, herhaal je dit proces tot je er genoeg van hebt. Als je geen zin hebt in strand zijn er de verschillende shoppingcentra waar je in de gekoelde lucht kan winkelen of mensen kijken. Ook in Jumbo, een soort van Action maar dan groter en (nog) goedkoper, kan je terecht. Het duurt minstens 30 minuten voor je alle gangen hebt doorlopen. Ben je dan nog onvoldoende afgekoeld? Koop dan een ijsje uit de diepvries die strategisch aan de kassa staat opgesteld. De cafetaria van supermarkt Sklavenitis is een andere mogelijkheid. Het is er koel en rustig. Je kan er de hele middag zitten lezen met een drankje van 1 euro zonder dat iemand je wegjaagt.   De plek met dé beste airco van Athene is echter Ikea. Na een wandeling in de showroom en/of in het warenhuis kan je uren vertoeven in het restaurant met een goed boek of een podcast. De refill voor frisdrank en water kost 2 euro én er is uitzicht op de Acropolis. Beter wordt het niet, toch?

Melanie Huyghe
27 1

Dag jongen

Het blijft een netelige kwestie. Tot welke leeftijd mag je een aanspreking gebruiken die niet rijmt met de leeftijd van de aangesprokene. Zo zijn er mensen die me wel eens aanspreken met “Dag jongen”. Of “En jongen, hoe is het?” Goed bedoeld en qua genderbeschrijving klopt het natuurlijk. Je suis un garçon. Maar qua leeftijd is het er enkele jaren naast. Wanneer wordt een jongen een man? Rond zijn achttiende ofzo? Maar dat gezegd zijnde, van “Hey man” ben ik ook geen fan. Zelf gebruik ik soms het woord ‘jongeman’, bijvoorbeeld als vrienden jarig zijn. “Proficiat jongeman!” Om aan te geven dat we ons best nog jong mogen voelen, los van onze leeftijd. Maar we kunnen onze leeftijd ook niet ontkennen. Er zit wat beleefde ironie en vriendschap in verstopt. Iets eigenaardiger wordt het - naar mijn idee - als een man een volwassen vrouw aanspreekt met “Dag meisje”. Zo had je in de stad waar ik studeerde een café waar een lieve mevrouw voor de drankjes zorgde. Ze heette Madeleine en ze was pakweg zestig jaar. Eddy, een van de vaste klanten, sprak haar steevast aan met ‘meissie'. Op zijn Hollands dus, terwijl Eddy voor het overige geen Hollands accent had. “Eddy, hebt ge uwen bril weer niet op?”, zei ze dan. “Dat meisje is al lang geschiedenis. God beware me zeg.” Hierna declameerde Eddy steevast deze prachtige dichtregel van Willem Kloos, alsof de toog zijn podium was. Hij hief zelfs zijn armen naar boven. “Ik ben een god, in 't diepst van mijn gedachten en zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon.” Waarna de andere gasten joelden en op de toog trommelden. Bij wijze van applaus.Madeleine lachte telkens, tapte een glas bier voor Eddy en plaatste het op de toog met deze woorden: “Alsjeblieft jongen.”

Rudi Lavreysen
47 2

Frappé

Het is amper 9u ’s morgens en al 1000 graden in de schaduw. Ik ben gehuld in een enkellang, katoenen kleed met lange mouwen. Op mijn gezicht kleeft een dikke laag factor 50+. Geregeld duw ik mijn zonnebril iets hoger op mijn neus. Met mijn nieuwe hoed van 57 cm diameter en lint heb ik iets van een Aziatische vrouw.  Te voet haal ik het net tot de lokale koffiebar op het einde van de straat. De vaste klanten zijn op post. Ze zitten op het voetpad naast elkaar. Ze kijken mensen, lurken af en toe aan het rietje van hun koude koffie of drinken een slok water. Als steeds word ik vriendelijk begroet : “Kalimera, ti kanete? Goedendag, hoe gaat het met u?”. Ik antwoord wat van me wordt verwacht: “Kala, esis? Goed, en u?”. Ik schuif aan bij de bar voor mijn vaste bestelling: een deca frappé zonder suiker met een beetje amandelmelk. Soms vraag ik er een beetje cacaopoeder op. Dat mijn favoriete drankje erg 80’s is en cacaopoeder er eigenlijk niet op hoort, trek ik me al lang niet meer aan. Ik vraag ook nog “ena neraki, een halfliterflesje water” van een halve euro.  Ik plof neer in de rij op de stoep. De oude man naast me stelt zich voor als Konstantinos of afgekort Kostas. Hij maakt zich vrolijk in het voederen van de vogeltjes. Van een broodkorst pielt hij kruimeltjes die hij naast zijn voeten gooit. Mussen doen zich tegoed. Eentje waagt zich zelfs tot op zijn tafeltje. Dat het zijn kleine vriend is, zegt Kostas,  dat het vogeltje elke dag bij hem komt eten.  Ik doe mijn best om te zitten en te blijven zitten. Lang, heel lang. Met maar één drankje. Want dat mag in Griekenland.  

Melanie Huyghe
16 1