Zoeken

diep geplooid

Ik ben in Canada geweest. In Thailand. In Guinée-Conakry. In Noorwegen en de Faeröer Eilanden. In de Stationsstraat in Peer ben ik nooit geraakt, dat moet ik toegeven. Toch heeft de wereld geen geheimen meer voor mij. Ik ken haar door en door. Ik geloof haar tot in haar diepste plooien. Elke rimpeling, elke oneffenheid, elke ademtocht: ik weet wat ik eraan heb en wat ik kan verwachten. Een windvlaag zal over zeventien seconden die zilverberk doen sidderen, let op mijn woorden. Bladeren zullen straatstenen bedekken, buren zullen vloeken. Ik vergeef je je kwetsbaarheid. Je tranen. Die keer dat je mij betrapte met dat andere meisje. Je bent zo mooi, ik zweer het je. Je bent de enige die mij kent. Die ik toelaat mij te kennen. Je bent mijn eeuwige rotonde, mijn verkeersdrempel, mijn verkeerd geplaatste wegomlegging. Ze mogen zeggen wat ze willen, maar zonder jou zou ik hier niet zijn. Neen, ik zou een garagebox huren in de Stationsstraat in Peer. Ik zou er onze wagen parkeren en wassen met zeep. Het vuile water zou ik in het rioolputje gieten, daar zijn rioolputjes voor. Ik heb je nooit een rozentuin beloofd, maar kijk, onze tuin staat er prachtig bij. We hebben meidoorn, esdoorn, schietwilg en knotwilg. Ons gras is wild en ontembaar. Drie grasmachines hebben we al kapot gemaaid. Onze leverancier wrijft in zijn vettige handen. Zijn ogen blinken als we zijn kiezelparking oprijden. Hij maakt een Senseo en grijpt blindelings naar een bestelbon. Hij kent jouw naam, niet de mijne. Zijn balpen doet het werk terwijl hij naar je borsten staart. Zijn neus verraadt een onfortuinlijke bokscarrière. Mijn vuisten jeuken. Ik sla hem finaal naar de diepste plooien van ons vlakke land. In de toonzaal hangt een bosmaaier van Stihl. Dat bakje zal de klus wel klaren. We tekenen voor ontvangst en rijden de avond in. De wind zal ons leiden.

Maarten Verhelst
0 1

De eekhoorn die een beer wilde worden

"Later wil ik een beer worden", zei een kleine eekhoorn op een dag tegen zijn moeder. Ze keek verschrikt op: "Geen sprake van! Generaties lang zijn wij al eekhoorns. Jij zult dezelfde weg bewandelen als je voorvaderen."De eekhoorn draaide zich om en pikte een traantje weg. Sinds hij in het bos die beer ontmoette, had hij van niets anders meer durven dromen. Hij weigerde om zijn droom zomaar op te geven. "Dan maar zonder steun van mijn ouders", dacht hij, "Als ik het hard genoeg wil dan kom ik er wel!"Toen de tijd rijp was, zocht de eekhoorn een berenkolonie op. Aanvankelijk was het met bibberende handjes en schuifelende voetjes, maar hij deed zijn uiterste best om erbij te horen.De beren zagen dat en namen hem op alsof hij altijd al een van hen was geweest. Ze hadden het niet anders gewild, want de liefde en toewijding van die kleine eekhoorn hadden ze geen seconde willen missen.Hij begon zonder morren aan de vele opdrachten die je moet vervullen om een beer te kunnen worden. Zijn moed, toewijding en doorzettingsvermogen riepen verwondering op in berenmiddens.Zijn proeftijd rondde hij succesvol af en al snel mocht onze kleine vriend mee op jacht. Al doende leert men. Die eerste vissen waren een zware bevalling. De eekhoorn klampte zich vast aan hun vinnen en werd door het water geschud en geslingerd. "Amai... dit zijn precies wilde stieren", dacht hij bij zichzelf.De beren die hem aan de kant van de oever nauwgezet in het oog hielden, kwamen niet meer bij van het lachen. Maar ze zagen dat die kleine eekhoorn het niet ging opgeven. Daarom leerden ze hem de kneepjes van het vak en stilaan spieste hij steeds meer vissen aan zijn tak.Hij leerde nauwgezet zijn klauwen veilen, draaien met zijn staartje, wiegen met zijn heupen en schudden met zijn kop zoals die kolossen verderop.Bruine beren, grijze beren, ijsberen en hun familie uit alle hoeken van de wereld, kwamen samen om het te vieren toen hij glansrijk slaagde. Je zal het wellicht niet geloven, maar toch was deze eekhoorn stilaan in een echte beer veranderd. "Een beer van een eekhoorn", giechelden zijn broeders.Hij was vervuld van trots toen hij na al die tijd terug voor zijn geboortehuisje stond. Moeder eekhoorn viel achterover toen ze hem zag. Ze trok grote ogen. "Jij? Een beer? Ik had het nooit gedacht", zei ze met haar mond wagenwijd open.Hoewel ze het stiekem moeilijk had met het feit dat hij geen eekhoorn meer wilde zijn, was ze toch trots op haar kleine kereltje. "Als beer kan je vast en zeker de wereld aan!", zei ze.Intussen lijkt het wel alsof ze die woorden al lang vergeten is. Het is nochtans niet meer dan enkele maanden geleden.De beer voelt zich kleiner dan ooit. Helemaal alleen zit hij omhoog te kijken vanuit een diep gat. Maandenlang heeft hij gezocht naar een leuke taak om te vervullen. Een doel. Maar in plaats van zich te amuseren, sukkelde hij tijdens een van zijn omzwervingen in dit gat. Hij kan geen kant op. Met zijn scherpe berenklauwen zoekt hij naar een houwvast, maar de losse kiezels doen hem terug naar beneden glijden.Het landschap buiten wordt elke dag nog mooier. Vrolijke lentekleuren wekken de wereld uit zijn winterslaap. De beer kijkt omhoog en ziet het tafereel deels voor zich afspelen. Deelnemen kan hij niet. Treurig zit hij in de put die hij zelf niet meer kan uitgraven.   Flashbacks uit zijn kindertijd spelen zich voor zijn ogen af. Toen was hij nog een eekhoorn, een wezen in wording. Hij heeft heimwee, maar beseft dat heimwee niet meer dan een vals gevoel is dat hem alleen maar deprimeert. Toch voelt hij heimwee.De andere eekhoorns spelen vrolijk zonder hem verder. Hij is hen letterlijk ontgroeid. Niet dat hij ze mist, die andere eekhoorns. Ze waren tof om mee te spelen, maar daar bleef het dan bij. Het was een onschuldig leven in een prachtig bos vol jonge twijgjes. Hier en daar sneuvelden er een paar, dat komt er altijd bij kijken.Het zijn de beren. Hartverscheurende taferelen maakte hij mee toen hij daar vertrok. Hij is er nog steeds niet helemaal over. Hij is ze nog niet ontwend. Dat maakt het net pijnlijker. "Zouden de beren er ook zo over denken", vraagt hij zich soms af. "Zouden zij mij zo sterk missen als ik hen?"Als hij in een plas water kijkt, ziet hij het evenbeeld van zijn vrienden en lijkt alles even oké. Maar een antwoord krijgt hij niet.

S. Gielis
0 0

Daan, de man van honderdvijftig jaar.

  Daan was een man van 150 jaar. Daan woonde in een bejaardenhuis. Daan stond voor de andere bejaarden nu, en klikte zijn gebit klaar om te gaan spreken. Suzy, de verpleegster met rijke boezem, had in zijn oor gebruld: ‘Daan vertel jij eens een herinnering. Je mooiste herinnering Daan! De mooiste herinnering van hééél je leven! Wat was jou mooiste moment Daan?! Kom vertel maar op!’ En zo was Daan naar voren geschoven, schilfertjes en haar verloren.   Daan nam een grote hap adem en vertelde zijn lelijkste herinnering. Zijn stem was warm en aangenaam en was samen met zijn oren als enige niet verouderd.   Daan vertelde over hoe het allemaal begon met ijs en kleine geheimpjes. Hij had Margareta meegenomen naar de foor. Lang geleden. Dat mocht toen niet, maar hij had het toch gedaan. En Margareta moest lachen. Och ze was zo blij. Daan probeerde ook te lachen maar Daan had een rare mond en een vreemd gebit. Dus elke keer als hij moest grinniken, giechelen of bulderen, floot er een fluittoon in een bepaalde toonaard van tussen zijn tanden, hop de wereld in. Ik ben niet zeker, maar volgens mij was het een Fa kruis. Nu, had Daan geen tanden meer want hij was een man van 150 jaar.   Daan was pas de tweede man aan de toog geweest, maar het had niet lang geduurd voor Margareta aan zijn arm hing. Daan was vroeger trouwens heel gespierd. Hij kon al zijn spieren orchestreren zoals hij wou. Margareta had dat graag. Vooral als hij zijn bicepsen opspande. Als hij zijn best deed, dan kon Daan er zelfs een bepaalde toon uit knijpen. Ik ben niet zeker, maar volgens mij was het een Fa kruis. Nu, had Daan geen forsballen meer want hij was een man van 150 jaar.   Daan schoot een beer, en toonde zijn lid hoog boven in het reuzenrad. Allemaal voor Margareta. En Margareta moest lachen. Och ze was zo blij. Maar eens beneden, stonden er van die zwevers. Gladjanussen met goedbedoelde snorren. En allemaal keken ze naar Dirk. Dirk had een stevige kaaklijn en zong: ‘Daar liep laatst een meisje loos’, en hij verslond Margareta met zijn kleine kutkraaloogjes. En wat zong hij mooi. En eerlijk. En mooi. En weg was Margareta. Daan bleef helemaal alleen op de foor. En Daan, die was heel boos. En als Daan boos werd, dan floot er een fluittoon in een bepaalde toonaard van tussen zijn tanden, hop de wereld in. Ik ben niet zeker, maar volgens mij was het een Fa kruis.

Kapitein Wolventand
0 1

Reisgenoot in eigen stad

Verbazing vermengd met gêne zijn op Brams gezicht te lezen. “Dit pleintje heb ik nog nooit gezien,” roept hij uit. “En ik woon al heel mijn leven in Brussel!” Hij laat de letter r in Brussel gretig rollen, op z'n Frans, zoals zoveel rasechte Brusselaars dat doen.   “Toch ben ik daar al enkele keren naar een receptie geweest,” zegt hij verbouwereerd terwijl hij wijst naar het terras van het Hilton Hotel dat uitkijkt over het Spanje-plein.   Don Quijote en zijn sidekick Sancho Panza staan trots op hun sokkel en lijken enig misprijzen te hebben voor Brams onwetendheid. Het duurt even voor hij de hoofdrolspelers uit de wereldberoemde roman van Miguel de Cervantes herkent.   Hij haalt verontschuldigend de schouders op. “Ik kan je helaas niet vertellen hoe deze boekenpersonages in mijn stad verzeild zijn geraakt.” Hij glimlacht een beetje onzeker, maar hij blijft strijdvaardig. “Ik zoek het straks wel even voor je op!”   De sculpturen blijken een cadeau te zijn geweest van de Spaanse overheid in 1989, toen hun EU-voorzitterschap afliep.   Aan zijn schuchtere blik merk ik dat Bram ontgoocheld is in zichzelf, maar ik bespeur ook een glimp van opwinding die hoort bij een nieuwe ontdekking.   “Zo zie je maar,” zegt hij, alsof hij mijn gedachten kan lezen, “dat je in Brussel elke dag iets nieuws kan bijleren.” Er weerklinkt zelfs enige fierheid in zijn stem.   We maken rechtsomkeer om verder door Brussel te trekken en stuiten op het standbeeld van de Hongaarse componist Béla Bartók. “Euh...,” Bram kijkt beteuterd in mijn richting en wrijft zenuwachtig door z'n haar. “Ook hem had ik nog nooit gezien en veel weet ik er echt niet over te vertellen.”   “Dat geeft niet,” lach ik hem toe, “Brussel zit duidelijk vol verrassingen, ook voor rasechte Brusselaars!”   Opdracht Creatief Schrijven-cursus 'Reisverhalen schrijven'  

Larissa Wickx
0 0

Koningsblauw

Ik kijk hem strak aan. Ik omhels hem. Mijn ogen spijkeren zijn blik vast. Zodat hij gefixeerd is op mijn gezicht dat een reflectie biedt van zijn macht. Niet achter mij, waar de vogels zingen. Waar de anderen zijn.   Mijn kamer is koningsblauw. Slechts enkele meters lang en breed. Ontdaan van enig franje buiten de oranje gordijntjes van batist. Mijn lichaam vult de ruimte. Versiert de muren en zijn kieren. Mijn dijen zijn meubels.   Hij raakt me aan als de regen. Met zachte tikjes op mijn huid. Prikkeltjes die mijn voeten doen vergroeien met het warme hout. Zijn aanwezigheid neemt alle zuurstof weg. Zoals altijd in zijn blauw fluwelen pak. Alsof hij en de kamer een Siamese tweeling zijn. Mijn lichaam zuigt zich naar hem toe. De planken kraken onder mijn voeten als ik me op mijn tippen richt. Zijn geur zet de haren in mijn neus recht. Ik koester deze momenten net zo hevig als ik ernaar verlang. Het wachten op hem is eindeloos. Elke nieuwe dag duurt langer.   In eenzame dagen streel ik met mijn vingertoppen langs het koningsblauwe behang. Voel het verstrijken van de tijd door het papier. De putjes en bultjes van mijn bestaan. Er zijn geluiden in alle hoeken. Het oude huis kreunt in zijn voegen. Stofdeeltjes dansen viriel in de lucht. De symbiose van mijn bestaan is blauw. Soms glip ik door het raam, waar een briesje aangeeft dat ik buiten ben. Ik slik het in. Mijn handen aaien langs het hoge gras. Ik zie de anderen. Schimmen net zoals ik. We vloeien langs elkaar heen en kennen geen woorden. Mijn korte wandeling eindigt steeds bij de sloot. Blauw dat ik niet vertrouw. Slierten gifgroen trekken een tralies door het water.   Ik vlucht niet. Nu niet, nooit.   Hij glipt niet door het raam. Er is in de linkerhoek een deur in de kamer waaruit hij opduikt, het is wit met een sierlijk gouden handvat. Het heeft dezelfde zwierige krul als mijn roze strik. Het enige object dat ik bezit. Het ruikt naar mij en hem en bevat een knoop. Zijn verschijnen is steeds onaangekondigd. Hij opent en sluit de deur snel. Alsof achter de deur een gevaar schuilt. Ik zie alleen een vage schemering. Nu en dan komt hij ’s nachts, als ik uitgestrekt in het midden van de kamer lig op het donkerbruin generfde hout. Met mijn ogen toe en een wereld vol dromen. Hij verwijdert als een streling op de huid mijn strik en eigent de kamer naar zich toe. Als ik wakker word is het vergeelde en gescheurde plafond mijn gebroken eierschaal. Eenzaam in de wereld. Tot de deur op een moment weer opengaat.

Tim Berghman
0 0

Hij dacht dat hij dood was

Hij voelde een lichaam dat het zijne niet was. Vreemde materie die hij wilde afstoten. De houding waarin het lag baarde hem zorgen. Het gloeide ook. Het was gewoeld in lakens van beige. Een straaltje kwijl bengelde uit de mondhoek. Door zijn wimpers zag hij een lichtomgeven kamer met een groen bloemetjesbehang. Hij strekte langzaam zijn stramme vingers. Hoorde ze kraken. Voelde langzaam met de tippen van die vingers aan zijn andere hand die er slap bijlag. Voelde de rauwe structuur van de huid. De geharde nerven in de handpalm. Liet zijn tippen naar de pols glijden. Hij voelde een stevig kloppende hartslag. Hij dacht dat hij dood was geweest. Zo maar eventjes. Zo voelde het toch. Was er leven gisteren? Hij draaide zich langzaam om in de klamme lakens, zodat hij op zijn rug lag. Draaide zijn hoofd in één beweging mee. Een scherpe snelle pijn langs zijn slapen overviel hem. Hij sloot krampachtig de ogen en kreunde. Hij leefde, duidelijk. Dat was één. Maar hoe? Hij opende zachtjes opnieuw zijn ogen en zag een witte plafond met een oranje luster die die hem bekend leek. Iets zij hem dat hij die altijd al lelijk had gevonden. Zijn hoofd bonkte verder en drukte alsof er een baksteen op zijn wenkbrauwen lag. Breed denken ging niet. Hij kon het hier en nu niet thuisbrengen. Zijn lichaam snakte naar een vegetatieve toestand. Een slangetje dat hem kracht gaf. Een rolstoel voor dit lichaam dat niet meer bewegen wou. Een nat koud doekje voor dit hoofd dat wou openbarsten als een te hard gekookt ei. Water. Hij smakte met zijn lippen. Door de vale smaak in zijn mond kwam hem een beeld voor zijn ogen. Hoe hij met zijn neefje om het langst over de keukenvloer likte. Hij won. Het was goed dat hij zich zo’n dingen herinnerde. Ook al waren ze dertig jaar geleden gebeurd. Dan zou hij toch ook moeten weten wat hij gisteren had gedaan. Hoe hij had geleefd. Had hij wel had geleefd?   Uit het niets klotste een plas water over hem. Hij klakte met zijn kaken als een vis op het droge. Snakte naar adem. Een schel tumult bereikte zijn oren. Hij kon het niet plaatsen. Snapte niet wat de aangeregen woorden inhielden. Hij keek opzij, nam de pijnscheut in zijn hoofd voor lief, en nam de contouren waar van een vrouw. Een hysterische vrouw. Bliksem en donder zonder één seconde van tussenpauze. Als bij heldere hemel kwam het tot hem. Zijn vrouw stond aan het bed. Ze maakte groteske dramatische bewegingen met haar armen. Het continue geraas dat uit haar mond kwam kon hij niet volgen. Een correlatie tussen zijn toestand en de toestand van zijn vrouw was overduidelijk. Maar hij zag de brug niet.   Langzaamaan friemelt een duizendpoot gedachten door zijn hoofd. De bazin van café Sportvrienden die hem zoals altijd begroette met een klapzoen. De schuimende bierglazen die als een stoet mieren voorbij kwamen. Waarbij elkeen de laatste was. Het gebral met de stamgasten. De tocht naar huis langs de vele gevels van het dorp. De voordeur die met een ruk openging en hem met licht overspoelde terwijl hij op handen en knieën de sleutel onder de stenen egel zocht. Zijn vrouw die hem met enkele gerichte petsen op zijn hoofd begeleidde naar hier. Het bed, in de logeerkamer. En de belofte die hij twee dagen geleden had uitgesproken op haar verjaardag. Om eindelijk het drinken voorgoed vaarwel te zeggen.

Tim Berghman
12 0

Appartje

De klok slaat tien uur. Mijn hamer slaat een spijker. Het peertje van 40 watt geeft een warme gele gloed aan de kale kamer. Een oase van rust. De andere kamers staan reeds vol met gehamsterde meubels, verfspullen en andere werkmaterialen. In de gang hoopt het afval zich op. Als je het appartje binnenkomt, lijkt het wel een mini-containerpark. Maar de tijd dringt. Over een week ben ik jarig. Dan heb ik de gezegende leeftijd van zesentwintig jaar. Volgens mijn moeder opgestelde huisregels een reden tot een onmiddellijk uitzettingsbevel. Dus werk ik noest door van zonsopgang tot maanondergang.   Met de hamer in de hand en een glimlach bekijk ik de nieuwe plinten in de kamer, die zorgvuldig zijn gestut met allerlei houten latten. De vloer is een raderwerk van plankjes. Toch zie ik nog een plint in de hoek lichtjes buigen. Met een paar spijkers sla ik de boel recht zodat ze alle stevig tegen de muur worden gedrukt als bakstenen op zand. Klaar. Nu nog een laatste laagje verf in de keuken aanbrengen. Terwijl ik er naar toe slenter wordt er luid gebonsd op de voordeur. Ik schrik, sta stil en luister. Terwijl Eels uit het krakkemikkige oranje radiootje zijn smeekbede aanheft om eenzelfde blik te krijgen van dat meisje, hoor ik voor de tweede maal geklop. Vreemd. Normaal bellen mensen beneden aan de inkom en kloppen ze niet meteen driehoog op de deur. Ik zal maar gaan kijken, en stap de gang in met de hamer in mijn hand. Het oog van de deur ligt nog achteloos ingepakt op de grond. Dus trek ik blindelings met een ruk de deur open. Pudding.   Het flitst door mijn hoofd. Voor mij staat Johan. Man van twee meter. Beveiligingsagent bij Securitas, vertelde hij vorige week trots. Gehaaide taaie vent. Ruw en bonkig. Tot ik zijn ouders ook in diezelfde week ontmoette. En meer kwam te weten over Johannetje. Watje. Wedden dat zijn moeder nog lacteert. Nu staat hij hier. In enkel een nietige boxershort en honderdtwintig kilo onverpakt vlees. Een tapijt van korte gekrulde haren over borst en schouders. Waarschijnlijk ook over de rug doorlopend naar de bilspleet. Dat zie ik straks waarschijnlijk wel. Walgelijk. Een gouden kettinkje hangt ostentatief tussen zijn borsten. Het prijskaartje van een stuk ham. Het meest markante zijn de vetlagen die elkaar schragen en de indruk geven dat hij er in kleren gegoten gespierd uitziet. De gigantische vleesmassa bezaaid met rode schemerzones en struiken haar negeert mijn verbouwereerde blik en dramt door over het aanhoudende geklop, dat het al na tien uur is, het recht op rust, respect voor de buren en vooral dat hij morgenvroeg op moet om zijn met status doordrongen beveiligingsjob uit te oefenen. Om vier uur, snoeft hij er nog eens bij. Lul. Ik knik bevestigend en mompel een paar excuses. Ik wens hem ten slotte nog een goede nachtrust toe en sluit de deur zachtjes. Als ik me omdraai zie ik het oog op de grond liggen. Het eerste werkje voor morgenvroeg, denk ik. Het oog wil ook wat.

Tim Berghman
0 0

Oceaanbries

De frisse oceaanbries waart rond mijn hoofd. Het nevelige zwart omhult me als een schoorsteen. Ik heb geen flauw idee hoe laat het is. Vermoeid staar ik voor me uit. Gezien de verveling me prikkelt als een distel, zal het aanbreken van de dag niet lang meer duren.   En ja hoor. In de verte hoor ik gestommel. Onregelmatige voetstappen die dichterbij komen. Al snel spoelt het licht over mijn wereld. Het is Jan. Dat weet ik onmiddellijk, gezien de kracht van de waterval die neerstort. De ochtend is aangebroken. Jan kreunt van genot. Ik hul me in stilzwijgen. Die kracht valt ’s avonds ook wel eens voor, maar dan staat hij gestrekt met zijn arm tegen de muur. En soms ook met zijn hoofd.   Hij knijpt de tube af zoals elke rechtstaande mens. Enkel de staanders die niet boven de lichtschakelaar komen doen het anders. Zij beginnen driftig te rammelen alsof de tube een kapotte aansteker is. Nadat de draaikolk is gepasseerd en ik mijn geur als golven voortduw, blijft het licht. Dat gebeurt wel vaker bij Jan of de andere staanders.   Zoals de routine het betaamt is niet veel later Marieke aan de beurt. Zij sakkert altijd als het niet donker is. Zij hoort bij de steeds zittende mensen. Een roze maan trekt over mijn wereld. Voor de modderstroom die volgt en zijn witte lelies dient de draaikolk twee keer te komen. En ik bries mijn geur zo hard uit als ik kan in het walmende donkerte.   Dankzij de modderstromen ben ik de hele wereld rond geweest. Ik laat me meedrijven naar waar de dag me brengt. China, Griekenland, Turkije, Laos, Mexico (dat nooit meer), Italië en zoveel ander verre bestemmingen. Smaken van zuur, zout, zoet, bitter en umami. Ja, mijn leven is eenzaam. Buiten die momenten met eend. Samen stralen we. Ik hou ervan als ik me kan spiegelen. Ik denk dat Jan en Marieke dat ook weten, aangezien we regelmatig samen mogen zijn.   De glanzende muur is mijn weerspiegeling. Mijn voeding, mijn variatie, mijn spel. De manen zijn het gloren. Eens glad als een biljartlaken, eens pokdalig als een Vlaamse steenweg. De watervallen mijn glorie. De eenzaamheid sterkt me in wie ik ben. Een karakter geslepen uit wit porselein is hard.   Ik geur me met lavendel, citroen, dennenappel en mijn favoriet oceaanbries. Als verschillende kleuren in een regenboog. Geen zwart, grijs of wit.   Verzonken in mijn mijmering, flitst het licht opeens aan. Kleine Rik moet ook. Dringend. Marieke zet hem snel op de juiste positie. Een kleine witte maan verschijnt en geeft vloeiende wolken van modder. Eend zal snel weer langskomen.

Tim Berghman
0 0

JE SUIS EDEGEM

Op de bus, vanuit Antwerpen richting Edegem, heerste een aangename drukte. De regen kletterde tegen de ramen en de ruitenwissers zwiepten op snel tempo heen en weer. Nu en dan rinkelde een telefoon. Verschillende mensen kwetterden in hun mobieltje. Ik had geen idee waarover er uren, al rijdend,  gepraat kon worden maar, tandpis, tijden veranderen. Anderen raadpleegden facebook of luisterden naar muziek. In ieder geval, de jongelui waren allemaal, stuk voor stuk, druk bezig met dat toestelletje in hun handen. Alle zitplaatsen waren bijna bezet en in de middengang was het drummen geblazen. Kinderen stapten, na een schooldag, luid babbelend en lachend op.  Een sompige regenwarmte deed de ramen aandampen en een school- zweetgeur zweefde over onze hoofden.  Op het middenpad stond een kinderwagen met een kraaiende baby, die met mij kiekeboe deed. Aan het station van Antwerpen kwamen er plots twee mannen de bus op. Geen van beiden betaalde een buskaartje. Dit wees erop dat de integratie in Vlaanderen praktisch helemaal geslaagd was. Alleen de brave, meestal oudere generatie burgers hielpen de omzet, van de Lijn, niet verder in het rood zakken. Dus ‘het zwartrijden’ was regel nummer één, die moeiteloos overgenomen werd door alle blanke en anders getinte Antwerpenaren. Een eerste man droeg een djellaba met daarover een colbert. Een jasje dat waarschijnlijk voordien reeds door drie generaties Vlamingen of Marokkanen afgedragen was. Op zijn hoofd een gehaakte pet zonder klep. Zijn kroezelige schaamhaarbaard wiegde van links naar rechts. De tweede dikke man zat diep in een donker trainingspak weggestoken, de kap volledig over zijn hoofd getrokken. Zijn baard stond alle kanten uit, alsof hij door de bliksem getroffen was. Twee indringende zwarte koologen bekeken alle medereizigers terwijl zijn groezelige handen de busstang omklemden.  Op hun rug hingen er twee identieke rugzakken. Het duo leek op een stelletje angstaanjagende figuren, het type dat op Borgerhoutse pleintjes rondhangt en hoopt naïeve, werkloze,  nieuwe Belgjes te radicaliseren.  Plots sloeg de sfeer in de autobus om. De gesprekken verstomden en reizigers probeerden oogcontact met elkaar de leggen. De beslagen ruiten kristalliseerden onmiddellijk de geur van 50 angstzwetende passagiers. De mensen schoven ongemakkelijk heen en weer op de klevende buszetels.  Ik bedacht dat de rugzakken wel wat klein waren om kalashnikovs te verbergen maar een terreurgordeltje kon ook best modieus onder een djellaba of een ruim trainingspak verstopt zitten.  De bus reed slopend traag van halte naar halte. Auto’s bumperden als slakken de stad uit en aan elk rood verkeerslicht moest er eindeloos gewacht worden.  Bij de eerstvolgende halte liep de bus al half leeg. De kinderwagen werd in alle haasten naar de uitgang gereden. Toeval of angstreactie, wie zal het zeggen. De beide mannen schoven door het gangpad richting achterkant van de bus.  Ik kon alleen maar denken, dat als die twee nu volledig in de ban van een zelfmoordideetje waren, aan een bommengordeltje dachten en aan een touwtje onder hun djellaba of trainingspak zouden trekken,  men wel van een heel slechte timing zou kunnen spreken. Manlief lag na een longoperatie in het ziekenhuis en verwachtte van deze Florence Nightingale elke dag een bezoekje en nog minstens een maand revaliderende thuisziekenzorg. Dus als die Islamietenhandjes nog maar richting heup of  rugzakje gingen, begonnen mijn voetzolen al te zweten. We hadden nog maar net, “Je suis Charlie” en “Je suis Paris” verteerd, dus “Je suis Edegem” stond nu niet direct op mijn verlanglijstje. Misschien wachtten ze wel met hun terreurvuurwerk totdat we met de bus door een drukke winkelstraat zouden rijden. Veel ongelovige vliegen in één klap. Doemscenario’s stuiterden tegen de gesloten busdeuren. Wat zou er gebeuren als straks dat tuig de lucht in ging?  Werd het een getorpedeerde, uitgebrande karkas van een lijnbus vol met verschroeide handen die hun mobiel omklemden? Zouden wij er uitzien als blokjes stoofvlees met klodders bloedworsthersens? Zouden die mannen onmiddellijk naar die 72 maagden gekatapulteerd worden? Zou men ons nog herkennen. Ik omklemde mijn schoudertas wat steviger. Men zou al met een koevoet mijn handtas, met identiteitskaart,  uit mijn nijpende hand moeten loswringen.  Het traject scheen eindeloos te duren. Antwerpen had weer, voor de zoveelste keer op een regenachtige dag, een volledig verkeersinfarct. Een paar schoolkinderen duwden met hun boekentassen tegen de rug van de twee mannen toen ze naar de uitgang ploeterden. De twee mannen draaiden zich geërgerd om. Man, man.. uitlokking..”Jezus”, hoorde ik een medepassagier zeggen. Ja, dit was nu, op dit moment, totaal niet de juiste man om in deze situatie aan te roepen. Normaal zitten er op dit bustraject steeds een aantal moslima’s. Nu waren er echter in einde en verre geen hoofddoekvrouwtjes te bekennen die zalvende onderhandelingen konden opstarten.  Een mobieltjes schetterde plots Arabische muziek door de bus. De twee mannen keken elkaar aan en overlegden in het Marokkaans of ze zouden opnemen. Dan drukte de dikke man op het knopje en wriemelde zijn mobiel zijn trainingskap in.. Griezelig stil werd het op de bus! 30 paar oren luistervinkten mee naar de mogelijke opdracht.  “Hallo, joa Mohamed”,”Joa zeg joeng, ik moest ierst wachtte totdat dien train van Brussel aankwam oem Mohammed af ‘t haole hé! Wai staan hier al een halfuur op die bus te geeloege hé. Da verkier zit potdicht in Antwaarpe. Ik zweer et gast, wai zen oep tijd vertrokke. En ja, wij emme dat kadoke veur die kleine bij! Joa joeng wai kome direct naar de kroamafdeling. We stoan in de file gelak iederien hé. Joa doar kunne wai toch niks aandoeng da gij der in de regen stoat , hé gast. Binne vijf minute zen we doar, tot sebiet.” De trainingsman lachte naar de froesbaard: “Jao Mo, da slimmeke staot daar in de gietende regen oep ons te wachtte, in pleuts van nor binne te goan!” Hun gezichten lichtten op ze grinnikten tegen elkaar.  De bus stopte aan het Middelheim Ziekenhuis en de djellabaman en zijn kompaan stapten af. De businhoud zuchtte, ademde terug normaal en het kakelen in de mobieltjes begon opnieuw. Mogelijke terreur doet wat met een normaal vredelievende mens.. “Je suis Edegem” was nog niet voor vandaag!   Sim, 8 december 2016

Sim
0 0

ONAFHANKELIJKHEIDSDAG 2

Mevrouw ‘B’, Ik neem aan dat je enigszins verbaasd bent over deze korte aanhef. ‘Geachte’ zou echter duiden op enige vorm van respect, ‘Beste’ op een teken van genegenheid en ‘Liefste’ lijkt me onder de gegeven omstandigheden compleet van de pot gerukt. Dus heb ik maar besloten om met een kort, doch krachtig begin aan te vangen. Daar het me eindelijk is gelukt enkele weken geleden afscheid te nemen van je overleden echtgenoot, lijkt het me niet meer dan billijk nu ook jou deze twijfelachtige eer te bewijzen. ‘Waarom ?’, zal je je wel afvragen. ‘Waarom nu…20 jaar na onze laatste ontmoeting ?’. Wel, omdat jij ons allemaal zal overleven, zelfs met een voorsprong van een kleine 30 jaar op mij. Maar dan wel zoals een vampier, niet levend op bloed, maar op heel mijn jeugdigheid die je dag na dag uit mij gezogen hebt. En die, mevrouw ‘B’, leveren je minstens 17 additionele jaren op. Natuurlijk vragen je giftige lippen zich momenteel af wat ik met jouw man besproken heb. Laat ik het simpel houden : het was voornamelijk een éénrichtingsgesprek over zijn vaderschap…of misschien beter en eerlijker : het complete gebrek eraan ! Over alles wat een ouder moet doen om zijn kind te beschermen tegen ‘Het Kwaad’. Ja, inderdaad…’Het Kwaad’ dat jij in alle opzichten, gedurende mijn ganse jeugd…en later, hebt belichaamd.  Jouw Jos heeft nooit de vereiste ballen gehad om ertegen in te gaan…bij mij zijn ze helaas te laat ingezakt… en toen kreeg jij ze in je klauwen !  En toch, mevrouw ‘B’…toch blijf ik het vreemd vinden. Want wanneer een vader één van zijn kinderen misbruikt, gaat hij – zelfs in dit land – terecht nog steeds naar de gevangenis. Echter, wanneer een vrouw – uit gelukkigere monden een ‘moeder’ genoemd – haar eigen puberale zoon aan dezelfde terreur onderwerpt, zowel mentaal als fysiek, gaat ieders leven in volledige rust en stilte verder…in ieder geval wat de verantwoordelijken betreft. Zij mogen meteen door naar ‘Start’ en “het geld” incasseren. En dat terwijl het in veel gevallen met de slachtoffers, na een tijd van bezinning, recht naar de ondergang gaat. Ik vermoed dan ook dat het spel daarom ‘MONOpoly’ heet. Maar wat zit ik alweer te zeuren ? Misschien ligt de fout gewoon bij mij. Heb ik eenvoudig de pech gehad om jouw bepaalde planning (verpleegster blijven, één zoon en een manslaaf) op de mij zo eigen manier in het honderd te schoppen. Het was natuurlijk ook een tijd van een totaal  gebrek aan interesse van ongewenste buitenstaanders. Wat ik me soms wel afvraag, de enkele keren dat mijn zwaar beschadigd brein me de tijd terug induwt, is of je wraak op een kind dat er niet eens wilde zijn, of, wat dat betreft, ‘mocht’ zijn, nu echt zoet heeft gesmaakt ? Was het allemaal de moeite waard ? Leef je nu, op je 85e levensjaar, nog steeds verder met de haatdragende glimlach die niemand beter kent dan ik ? Of blijft er toch nog iets over van enige angst, dat de waarheid ooit aan het licht gebracht zal worden ? Weet je wat ik nog steeds het vreemdste van alles vind ? Dat ik tijdens ons onderhoud, 2 jaar na zijn overlijden, nog steeds niet de moed had om alles aan jouw Jos te vertellen ! Ik troost me enigszins met het feit dat de enkele mensen die het nog steeds goed met me voorhebben, het ganse verhaal evenmin kennen. Want eerlijk…hoe krijg je de verschrikkingen uit je jeugd, volledig uitgevoerd door hun eigen ‘oma’, ‘tante’, of – in dit specifieke geval – andere ‘familieleden’, uitgelegd aan die mensen ? Aan je kinderen ? Je kleinkinderen ? Of aan je beide ex-vrouwen ? Aan vrienden, die je me zo veel mogelijk probeerde te ontzeggen ? Of, wat dat betreft, aan godverdomme wie dan ook ? Dus, om even terug te komen op mijn initiële vraag : “Waarom heb ik Jos niet meteen alles verteld ?”. Heel eerlijk : omdat ikzelf het weinige eergevoel dat je me hebt gelaten, nog dagelijks probeer te koesteren ! Helaas, veel is het niet ! Maar mag ik daar zo meteen op terugkomen ? Want – ja hoor, zelfs dàt is je gelukt – soms red ik mezelf met de gedachte dat veel mensen het nog moeilijker hebben gehad : hoe laag kan je godverdomme vallen ? Goh, ik ben zelfs in een inrichting terecht gekomen…maar voor je een doodspolonaise in gang zet : dat was helaas niet enkel door jou toedoen ! Maar je had daar wel de grootste invloed op mij : 6 maanden heb ik door jou opnieuw in angst leren leven ! Niet de schrik dat het afkicken van drank en drugs een onmogelijke zaak zou blijken, want dat heb ik – cum laude – behaald ! Ook niet de geweldige medepatiënten of de dagelijkse sessies met psychiaters en psychologen… Neen, mevrouw ‘B’, het was de onmiskenbare geur van ether…de geur van angst die ik dagelijks mocht opsnuiven als je thuis kwam van je werk in het hospitaal. Een geur, opgeslagen in elke vezel van mijn lichaam, iedere gram die mijn ziel weegt, alle nog werkende bestanddelen in mijn zwaar beschadigd brein. En waar ik pas echt misselijk van werd : je steeds voorgewende ziektes met slechts één enkel doel : de oh zo belangrijke aandacht ! Je hebt nooit geleden aan enige ziekte… je wàs de ziekte, steeds kwaadaardige bacillen verspreidend over de zwakkeren, waar echter niet één medicijn tegenop kon !  Want weet je, mevrouw ‘B’ : een kind mag thuis geen angst kennen : hun ‘thuis’ moet ten allen tijde een beschermde burcht zijn, waar liefde en geborgenheid geen loze woorden zijn, geen opvangcentrum voor zwakkere zielen ! En daar is zelfs je echtgenoot het slachtoffer van geworden : hij mocht zijn eigen laatste maanden doorbrengen in een OCMW hospitaal, terwijl hij thuis nog makkelijk op te vangen was. Was het je vrijheid ? De buurman waar je schijnbaar zo goed mee overweg kan ? Je laatste wraakzuchtige stuiptrekkingen ? Of gewoon de vulgariteit die je altijd in je zieke geest hebt mee gedragen ?   Goh, wat hield ik vroeger veel van sprookjes ! Wat kunnen ze mooi zijn, indien geschreven door Andersen, Perrault, Burton,… Waarom werd het mijne nu precies geschreven door Jacob en Wilhelm Grimm, hun hand geleid door de jouwe, bekeken met je kille blik ! Helaas…mijn spoken en demonen zijn echt, ingegeven door teveel sterke drank, teveel zware drugs en één zieke geest ! Of laat ik dat even terugnemen : het zou je – met veel plezier – té veel eer aandoen ! En hoewel ik enorm mijn best heb gedaan, blijkt dat té veel liefde geven en krijgen ook niet de oplossing is. Ik heb je andere zoon, omringd door zijn engelen, ten onder zien gaan. Trouwens, aan een teveel medelijden kan je ook ten onder gaan. Nee, dan liever mijn lot…Oké, wel in alle eenzaamheid maar wel nog steeds vechtend tegen alle mogelijke infiltranten. En ook al zijn jouw kille, meedogenloze ogen voor eeuwig gebrand op mijn netvlies…Ik heb het geluk gehad om jaren later te mogen kijken in mooie, liefdevolle blikken, waarvan ik nog steeds hoop dat deze het uiteindelijke gevecht  zullen winnen, ook al staan ze inmiddels niet meer aan mijn zijde. Een ‘gebed voor jouw kut’ zal ik nooit kunnen uitspreken. Dat kunnen anderen veel beter en overtuigender ! Je was een kutvrouw, een kutmoeder… en toch…toch zal ik nooit kunnen neerschrijven aan welke onbeschrijfelijke vernederingen je me hebt bloot gesteld… Maar ik wil je laatste gil horen wanneer je verneemt dat ik nog steeds “Alive and Kicking” ben… Weet je, toen jouw Jos een tweetal weken geleden verdween van het terras, opgelost in de menigte, heb ik er nog één gedronken op zijn korte aanwezigheid ! Ditmaal, mevrouw ’B’, drink ik er één op de mijne ! Moge de komende jaren medelijden hebben met jou…Ik heb het niet ! Ik zal vanzelfsprekend niet aanwezig zijn op je naderende begrafenis : mijn uiteindelijke vrijheid zal me daar vertegenwoordigen  ! En tenslotte, mevrouw ‘B’, laat in hemelsnaam uw schamele bezittingen over aan uw andere zoon… Wat ik ooit heb gemist, kan met niks meer goed gemaakt worden ! Vanzelfsprekend is deze brief niet af… Hij zal nooit afgemaakt worden. Eindelijk een besluit dat ik zelf heb genomen. Laat het misschien mijn laatste glimp van medelijden zijn voor je vermoeide ogen, die meer hebben gezien dan ieder weldenkende ouder zich kan voorstellen. Ik verwacht wel één kleine wederdienst : sluit ze…voor eeuwig !

Paul Smeyers
6 0

Excuseer meneer (3)

Het was een hete zomer geweest, een voor hem onuitstaanbaar seizoen. De ondraaglijke hitte, het overdreven enthousiasme van de mensen, de lompe toeristen en de zatte tienerkoppen die hun zattigheid ’s nachts onder zijn venster uitbraakten. Hij kon er niet meer tegen. Hij kon niet meer tegen zoveel oppervlakkigheid die de zomer altijd bloot legde. De zomer haalde het slechtste uit de mensen. Iedereen moest op vakantie geweest zijn, iedereen moest dat orange-bruin kleurtje hebben, iedereen moest België uitgegaan zijn. Hij deed er niet aan mee. Brussel was voor hem een vakantie die al die anderen nooit zouden kunnen hebben. Hij kende de geheimen van de stad, geheimen die hij nooit met zijn vrienden zou delen. Ze moesten eens weten…   Maar vandaag was het anders. Het was 26 augustus en het regende. Het regende alsof het november was, of maart. Hij was blij. Vanuit zijn venster zag hij ze lopen, de mensen, verdreven door regendruppels die uit een witte hemel met miljoenen aantal op de Brusselse kinderkoppen neervielen. Tijd om naar buiten te gaan.   Aan zijn deur stonden drie mensen in blauwe plastieken zakken gehuld te schuilen voor de regen. Ook dat nog. Ze schrokken toen hij met opzet het hekken nogal fel opendeed. Ze stonden als een barrière voor hem en een licht excuus zijnentwege deed hen ietwat opzij schuiven. ‘Voorouait, fraach het aan dese meneehr’ zei een ietwat oudere dame tegen een jongeman. ‘Dach meneehr, we sijn op soek naahr de Grawnd Plees’. Naast hem stond een jong meisje verveeld in het rond te kijken. ‘De wat?’ vroeg hij geamuseerd. ‘De Grawnd Plees. Het sou hierh in de buurht moeten sijn maahr ve finden het nerghens’. Sad, oh so sad…   ‘U gaat neemt deze straat naar boven, tot aan het kruispunt. Daar gaat u naar rechts. U neemt de metro richting Erasmus of Weststation, maakt niet uit. U stapt af in Graaf van Vlaanderen. Daar is een grote markt’ zei hij met een glimlach op het gezicht. ‘Nou, dat is heel fijn van u, meneehr!’ joelde de oudere vrouw. ‘Ja,’ vervolgde de jongeman, ‘hartsikke bedankt hoorh’. Het meisje liep in de pletsende regen de straat al naar boven.   Zo, dacht hij, weer een goede daad vandaag en liep langs het straatje naar beneden, de Grote Markt over tot aan zijn namiddagcafé achter het Stadhuis.   http://erwinabbeloos.over-blog.com/

Erwin Abbeloos
0 0

Verloren hebben of verloren zijn

Ze heten Snoopy, Punch, Lady en Mirza. Anderen Tijger, Spoetnik, Garfield en Catherine. Overal in de stad hangen affiches van verloren huisdieren, veelal onze vrienden viervoeters hond en kat. Er worden beloningen uitgeschreven maar er wordt nooit bij verteld wat deze beloning inhoudt. Het kan 50 euro zijn, voor dezelfde moeite krijg je een doos pralines of een fles goedkope wijn. Of een simpel dank-je-wel-merci-beaucoup. Ach wat geeft het, als het diertje maar veilig terug naar huis keert.   De meest vreemde affiches die mensen op de straten hangen gaan niet over huisdieren. Een halskettinkje, een portefeuille, een boek. Noem het en de mensen zijn het kwijt. Ook wel eens gezien : een zetel, een computer, een staanlamp, een paraplu.   Ook in de categorie ‘verloren vreemde voorwerpen’ : een hart – zoals in : ik heb mijn hart aan haar verloren. De tijd zoals in : ik verlies mijn tijd. Zichzelf : ik heb mezelf verloren in deze relatie. Het weekend zoals in : ik heb dit weekend niets gedaan, het is een verloren weekend geweest. Een ontmoeting zoals in : what a waste of time this encounter. Een ziel zoals in : hij heeft zijn ziel aan de duivel verloren. Een oog zoals in : ik ben hem uit het oog verloren. Een job zoals in : ik ben ontslagen, ik heb mijn werk verloren. Een moeder zoals in : ik heb mijn moeder twee jaar geleden verloren. Punten zoals in : ik heb flink wat punten verloren door mijn onoplettendheid in de klas. Geld zoals in : ik ben heel wat geld verloren door deze weddenschap. Belkrediet zoals in : ik heb heel wat belkrediet verloren deze maand omdat ik zoveel naar het buitenland heb gebeld. Maagdelijkheid zoals in : gisteren heb ik voor het eerst seks gehad met de buurjongen en ben mijn maagdelijkheid verloren.   Waar hebben de mensen het hoofd? Zelfs het hoofd wordt verloren, zoals in : ik wist het niet meer, ik was compleet het hoofd verloren. Lopen die mensen dan verder in het leven zonder een hoofd op hun lichaam?   Als we altijd alles voortdurend verliezen, wat hebben we dan nog over? Betekent het dat we alles altijd en overal bij de anderen verliezen, domweg vergeten weer mee te nemen? Neem nu de maagdelijkheid van het meisje en de buurjongen. Gaat ze toch terug de volgende dag om haar maagdelijkheid weer op te halen?   Gelukkig kan je in de meeste gevallen datgene wat verloren is, weer terugvinden. In de meeste gevallen in een andere vorm zoals een job. Ook een hart kan je terugvinden door iemand anders te ontmoeten. Geld is een constante, een overleden moeder komt nooit meer terug. Verloren jaren is pure nostalgie naar een leven dat je misschien had willen leiden. De verloren jeugd is een hele generatie tieners waarmee de maatschappij niet omgaat.   Het is de vergetelheid van de mensen die hen vervolledigt. Het is het hernieuwen en herbronnen. Het is eens iets anders uitproberen. Het is ook ermee leren te leven, zoals het verliezen van maagdelijkheid.   Het mooie aan verliezen en verloren is dat je het kan vervoegen met hebben of zijn. Laten we dat niet vergeten!   http://erwinabbeloos.over-blog.com/  

Erwin Abbeloos
0 0

Twijfelen

Twijfelen, het overkomt iedereen, zelfs de meest eloquente persoon. Alles kan eensklaps in vertwijfeling vallen. Al de muren die je rondom jezelf, je bezittingen en je geliefden gebouwd hebt, kunnen 1, 2 en 3 in brokken uiteen vallen. Het leven is voor iedereen drijfzand en met de beste riemen kan je niet altijd roeien. Angst overkomt iedereen, zelfs de meest verzekerde persoon. Alles kan eensklaps paniek veroorzaken. Alle bescherming ten spijt, vallen die zekerheden weg. We lopen allemaal op drijfzand en in drijfzand kan je zelfs met de beste riemen ter wereld nooit roeien.   Iedereen is irritant. Alles en iedereen kan al eens op de zenuwen werken. Het hysterisch gegil van dronken jongeren die van kroeg naar kroeg naar huis slingeren. Reacties van lezers op artikels. Beste nieuwjaarswensen als lege en zinloze woorden voor een al even leeg jaar. Wat is een jaar… Waarom is die overgang van jaar naar jaar zo belangrijk? Waarom slachten we schapen, waarom knuppelen we nog steeds zeehondjes dood, hoe komt het dat jij zo maar, 1, 2 3 van mij weg kan gaan, waarom zijn alle biografieën van gekende mensen al geschreven terwijl ze nog niet dood zijn, waarom werken er zoveel Marokkanen bij de MIVB, waarom kan een Franstalige Belg van pakweg 40 jaar oud geen woord Nederlands? Waarom respecteren we de nood aan stilte van mensen rondom ons niet? Waarom drinken wij, waarom zuipen wij en verwoesten wij elkaar met woorden als vlijmscherpe messen? Hoe komt het dat het beeld van onze zorgeloze jeugd, met liefdevolle moeders, gespierde vaders en vervelende zussen en broers, waar onze kijk op de wereld en onze verwachtingen van het leven slechts de grootte van een Vlaams dorp hadden, vandaag herleid is tot een tafereel dat we slechts in mijmerij vasthouden?   Mijn hoofd doet zeer, zoals in dat ene liedje waar het lijf van Ann Christy pijn doet en waar ook de pijn mijn vragen versmoort. Handen beven, benen trillen. De slaap is niet meer te vatten. Hooguit drie uur. De peuken in de asbak liggen er in een verwoest landschap van as en afval bij. Puinhoop en stank kleuren de leegte. Het is tijd om te gaan, weg van dit Babylon zonder hoeren, tijd om terug te gaan naar mijn minnaar met zijn sterke schouders, zijn beschermende armen en zijn ziekelijke bezitterigheid. Niet dus.   Het is tijd om naar huis te gaan. Om veilig te zijn. Om er keuzes te maken, in stilte. Om er de wereld te schetsen, de wereld te hertekenen, om er met rust gelaten te worden. Om de wereld te schrijven. Om de wereld opnieuw leefbaar te maken. Om openingen te vinden en deuren te sluiten . Voorgoed. Om de kat eten te geven, om naar het doodsprentje van mijn moeder te staren, om door gebroken vensters de wereld zien voorbij te wandelen, om antwoorden te vinden op futiele vragen. Om oud te worden want oud worden is mooi worden.   http://erwinabbeloos.over-blog.com/

Erwin Abbeloos
24 0

Het mooie verval van een beschadigde ziel

Ik wist dat dit het einde was, zoals het bij iedereen ooit het einde zal zijn of al is geweest. Ik lag in de besloten armen van een onbekende vrouw, op zoek naar troost. Mijn verschrompeld, afgeleefd, uitgedroogd en afgepeigerd lichaam lag als een foetus een beetje stuntelig op haar dijen. Mijn huid droeg geen kleur meer en doorheen mijn breekbaar vel kon je mijn ribben tellen. Wat eens een gezonde bolle buik was, werd nu herleid tot een diepe holte waar al het goede leven leek uitgezogen te zijn. En hoewel ik nooit veel haar heb gehad en de laatste jaren van mijn bestaan door het leven ben gewandeld als een kaalgeschoren man, hingen aan mijn met bruine vlekken bezaaide schedel enkele ongekamde en uitgedunde slierten geelgrijs haar waar deze onbekende vrouw met een sussend geluid enige vorm in trachtte te aaien. De vrouw had iets weg van Kristien Hemmerechts, hoewel haar haren iets korter waren geknipt dan het stijlloze haar van de bekende schrijfster.   Waarom Kristien Hemmerechts? Ik weet het niet, misschien omdat ze onlangs op tv is komen praten over haar nieuw boek en ik ze ook regelmatig zie wegvluchten uit Brussel, tussen de Galerijen en de ingang van het Centraal Station, zoals zovele Vlamingen en andere landgenoten mijn stad snel uitwandelen onder het voorwendsel een trein naar hun dorpen te halen, omdat ze naar Brussel moeten komen, terwijl ze naar andere Belgische steden gewoon gaan.   Mijn ogen die altijd een scherpe en kritische kijk op de wereld hadden, waren nu één en al wazigheid. Net geen honderd jaar was ik en als een hulpeloos welpje lag ik totaal uitgeput van het leven, van het niet genoeg geleefd te hebben, van verdriet, van schaamte en van teveel gegeven hebben, vastgeklit aan de warmte van het lichaam van een vreemde vrouw. Haar zachte handen werkten helend, alsof ze me zeiden dat alles wel goed zou komen. Dat ik niet meer bang hoefde te zijn omdat het leven voor mij hier zijn eindpunt had bereikt. Maar ik was bang. Doodsbang. Ik trilde niet, ik snikte niet, ik braakte niet en doorheen het staar van mijn afdwalende ogen probeerde ik me dat leven te herinneren. Ik probeerde zo goed ik maar kon te kijken naar die hoge muur voor mij, zo hoog als de hemel ver van mij was. Een muur waar alle rood uit was. Deze mistroostige muur was gekleurd als mijn ziel, donker en met her en der zwartgrijze vlekken, met hoeken af, met schubben en met verval. Ik voelde me als deze levensloze muur.   Ik vroeg aan de vrouw of ik nog heel eventjes, echt, niet voor lang, dat leven nog eens mocht overdoen en als dat niet zou kunnen, of zij misschien fijne herinneringen in mijn ziel kon tekenen. Ze keek niet verbaasd op, ze hield me ook niet tegen. In stilzwijgen maakte ik me los van haar strelen en stond op. Ik was helemaal naakt, mijn oud mannenlijf was ronduit lelijk, een afschuw voor het oog en ik stonk naar de dood.   Opeens was ik 47. Opeens stond ik in een ruimte zo groot als een kathedraal, een ruimte die ingericht was als een professionele keuken, zo’n keuken die je in die vervelende TV-programma’s ziet waar een tiental kandidaten kok-in-spe dingen naar een titel, naar een bestaan en naar een belachelijk grote geldsom. Alle materiaal lag, stond en hing er, van het kleinste knoflooksnijdertje tot de grootste Magimix en de grootste fornuizen met wel acht gasvuren per stuk. Alles in blinkend spik-en-span metaal, geen vingerafdrukken, geen vetplekken, zelfs een half leeggedronken glaasje wijn dat iemand benuttigt tijdens het koken stond er niet. Alsof ik in een uitgezuiverde en saaie keuken stond van een modern presidentspaleis. Alles was er mooi opgepoetst en opgehemeld tot het uiterste. Geen spoor van afwas, alles netjes ordentelijk in de hoekjes en de kantjes opgeborgen. Ik merkte dat ik kleren droeg, ik voelde dat mijn vale huid glad was, ik had opnieuw de huid van toen ik 47 was. Overal zag je door de kasten heen. Potten, pannen, glazen en borden stonden netjes in hun rij. Nergens was eten te bespeuren, hoewel ik ook geen honger had. Alleen de donkere hoge muur stak fel af in contrast. De muur domineerde door haar statigheid, haar afbrokkeligheid, haar lelijkheid. Wat haar weer mooi maakte. Ik voelde dat ze hier thuis hoorde. Ze maakte het huis helemaal af ondanks haar verval. Althans ik dacht dat het een huis was. Ik zag nergens andere ruimtes en ik heb ook nooit in zo’n huis gewoond.   Achter mij stond diezelfde Kristien Hemmerechts lookalike. Ze noemde me lieverd of schat, dat weet ik me niet meer zo goed te herinneren. Ik leidde af dat we getrouwd waren. Ik die het altijd met mannen heb gedaan en nooit verder ben geraakt dan de forse borsten van Christine. Mijn vermoeden over onze relatie werd alleen maar sterker toen door diezelfde ruimte twee volwassen tieners gehaast rondliepen, een beetje in paniek om de bus te missen. Ze droegen kleding die deed denken aan strenge schooluniformen en ik vermoedde dat ze die ochtend naar school gingen. Ik begeleidde hen tot aan de enige deur die ergens in een verloren hoek stond afgetekend. Ik liet ze uit en mijn twee tienerdochters stapten in een nogal fel witgeel licht waar ze ingezogen werden en vervolgens veranderden in donkere en doelloze schimmen.   Ik keerde terug naar mijn vrouw maar ik werd onderweg tegengehouden door mijn oude vader die nu zo oud niet meer leek. We stonden in een oude vervallen Vlaamse hoeve zoals je die nog tegenkomt in de Vlaamse velden van Lebbeke ergens begin vorige eeuw. We stonden aan een afgebroken waterput en hoorden vanuit de diepte een wanhopige kreet van weer een andere vrouw. We konden haar heel duidelijk zien, ze droeg een doorzichtige witte jurk, haar lange haren waren iets gekruld en hadden een rode glans, zoals vrouwelijke popsterren dat weleens droegen in de jaren ’70. Met haar houding was zij als ‘De Schreeuw’ van Munch en haar blik wist ons niet echt te vinden. Ze gilde en krijste maar niemand kon haar helpen, zo diep zat zij onder de vochtige grond. Ze had letterlijk haar keel opgezet, zo groot als je ze soms in stripverhalen ziet wanneer een personage iets luids wil communiceren. In deze verhalen staan de kelen ook vaak wijd open getekend.   Ik had het gevoel dat iemand me een tweede kans wou geven om nog eens te leven. Ik wou niet doodgaan tussen de troostende armen van een onbekende vrouw, een echtgenote, een krijsende schone en mijn vader. Ik draaide me om, wilde wegvluchten maar ik werd tegengehouden door een vriend uit Vilvoorde die zich verkleed had in een angstaanjagende nar. Hij overhandigde mij een A4 blad waarop met uiterste zorg titels van elpees en cd’s op gedrukt waren. Ik moest iets kopen, drong hij aan. Maar ik had alles al. Uiteindelijk kocht ik een elpee met goedkope Hollandse discodeuntjes en weg was hij.   En dan werd ik wakker. Ik lag nog enkele minuten stil, de ogen wijd open, te bekomen van mijn avontuur. Toen ik me omdraaide, zag ik dat het tien over vier ’s nachts was, zo’n uur waar je bij denkt : het is te vroeg om nu al op te staan en het is te laat om te hervallen in een diepe slaap, uit angst het geluid van een vrolijke harp dat ik al jaren heb ingesteld om wakker te worden niet zou horen. Ik lag wat te peinzen. Zowat een uur geleden was ik 46 jaar geleden geboren. Ik zit nu al in mijn 47ste levensjaar. Ik peinsde dieper en dieper. In de rubriek ‘doodsberichten’ van de krant zal je lezen, geloof me, dat de meeste mensen net voor of net na hun verjaardag sterven. Zo is het ook met mijn moeder gegaan : gestorven op 5 april, geboren op 10 april.   Maar als die lelijke muur mijn ziel was, de onbekende vrouw mijn troostende moeder, mijn vader mijn eeuwige held, de twee tienermeisjes slechts droomfiguranten waarvan ik één die avond nog in een doktersprogramma over bedplassen op Vitaya had gezien en als de schreeuwende vrouw mijn bevrijding was, dan kon ik mezelf geruststellen : zeggen dat het leven me goed afgaat en ik wenste mezelf een mooie en gelukkige verjaardag.   http://erwinabbeloos.over-blog.com/

Erwin Abbeloos
49 0

De wildernis

Kilometers gleden voorbij – bijna was hij er, op één van de laatste plekjes ongerepte natuur in het land. Kilometerpaal 42, had de oude journalist geschreven. Daar vertrok het pad, niet meer dan een lijntje tussen de varens en de rotsblokken door, steeds steiler wordend. En aan het eind van dat pad moest het liggen: een stuk naaldwoud dat je nog zonder je te schamen ‘wild’ kon noemen, waar everzwijnen en vossen nog ongestoord hun gang konden gaan, waar de afgelopen eeuwen misschien vijf mensen geweest waren. Na kilometerpaal 41 werd de weg kronkelig en hobbelig, slecht onderhouden, vol afgewaaide takken. Gespannen in het stuur knijpend hield hij de rand van de baan in het oog, wachtend op dat verlossende getal 42. Op een door gure wind en zure regen aangetast, verroest plaatje prijkte nog net het getal 43. Onverstoord draaide hij de wagen. Hij moest onderweg een bordje over het hoofd gezien hebben. Kordaat reed hij terug tot de vorige kilometerpaal. Die met nummer 41. Met gefronste wenkbrauwen parkeerde hij de wagen even voor plaatje 41, waar net plaats was voor één auto, en wandelde een keer of drie van 41 naar 43 en terug. Geen paal 42. Dat was het probleem niet: ook geen pad naar het maagdelijke naaldwoud. Nergens was er een helling naar boven. Ongeveer tussen de twee bordjes ontdekte hij wel een smalle spleet tussen twee rotsblokken van zo’n twee meter hoog. Moeizaam wurmde hij zich door de opening en zigzagde tussen de bomen erachter. De helling ging omlaag en gaf uit op een grasveld waar twee koeien hem starend opwachtten. Dat er iets niet in de haak was met de schrijfsels van de oude journalist, was nu wel duidelijk. Vorige week was hij naar het veengebied in het oosten gereden om de waterval te vinden waar slechts een handvol mensen ooit in gebaad hadden. ‘Geen chocoladeverpakkingen, geen lege flesjes of blikjes energiedrank, geen gebruikte condooms,’ had de oude journalist daarover geschreven. ‘Een verademing, dit ongestoord ruisende wonder, één van de laatste overblijfselen van de natuur zoals ze was voor er zelfs maar mensen in ons land kwamen wonen.’ De stukjes van de oude journalist hadden zijn hersenen maandenlang op hol gebracht, tijdens de uren die hij sleet in de kroegen van de stad of op zijn studentenkamer met uitzicht op het keurig aangeharkte en met verpakkingen, lege flesjes, blikjes en gebruikte condooms bezaaide stadspark. Zielsveel hield hij van het gezoem en gebruis van de stad, maar de ruwe, wilde natuur is altijd nog iets anders. Nu was de zomer aangebroken, nu had hij alle tijd van de wereld – of toch tot de herexamens begonnen – om alle goed bewaarde geheimen die de oude journalist had beschreven in zijn column De laatste wildernis op te zoeken. De laatste wildernis was zelf een goed bewaard geheim. Duizenden mensen kochten de weekendkrant en lazen de stukjes over waar ze moesten eten, wat ze moesten kopen, hoe ze moesten vrijen en waarheen ze moesten vliegen. Slechts een handvol mensen las De laatste wildernis, en alleen hij deed moeite om naar die illustere plekjes, de laatste restjes en brokjes wilde, ongerepte natuur in eigen land, te speuren. Maar de waterval in het veengebied bestond niet – niet op de kaart, niet in werkelijkheid. En het zompige eiland in het meer in het heuvelland, waarop ‘dieren en planten voorkomen die in de rest van het land al lang verdrongen zijn door villawijken en dagjestoeristen’, bleken eveneens een verzinsel. ’s Avonds was hij aangekomen aan de oever van het meer, erop gebrand de warmste nacht van het jaar onder de blote hemel door te brengen op het eiland. Op een afgevallen boomstronk was hij over het inktzwarte meer gegleden, niet bang voor de afgrijselijk gillende watergeest die volgens eeuwenoude volksverhalen boven het water zou zweven. Het eiland bereikte hij echter niet. Overtuigd dat hij in het donker iets gemist moest hebben, overnachtte hij in het lange gras op de oever en waagde een nieuwe poging in de koelte van de ochtend. Maar ook onder het licht van de zon lag er geen eiland in het meer. En nu bleek ook het maagdelijke woud, dat onze verste voorouders niet durfden te betreden omdat het tot het jachtterrein van de nachtgodin behoorde, enkel te bestaan in de verbeelding van de oude journalist. Sneller dan hij ooit gelopen had, snelde hij naar de auto en scheurde weg, terug naar de autosnelweg, richting de hoofdstad. Daar, ergens in dat herenhuis met de ronde ramen en de engelenbeelden tegen de gevel, moest hij wonen. Op de tweede verdieping, volgens de namen op de deurbel. Verwonderd opende de oude journalist de deur. ‘Wat kan ik voor u betekenen?’ vroeg hij terwijl hij in zijn ogen wreef. ‘Waar is die wildernis van u?’ vroeg hij zonder zich voor te stellen. ‘De waterval. Het eiland. Het maagdelijke bos. Allemaal bedacht door u.’ De journalist zuchtte en keek naar de vloer. Hij opende de deur wat verder, zodat hij kon binnenkomen. ‘Weet u… Er zijn echt nog wel wilde stukjes natuur in ons land. Alleen… Als ik daarover zou schrijven… Er moet maar één gezinnetje op het idee komen om die plekjes op te zoeken en dat rond te bazuinen. Dan ligt het daar volgende week vol blikjes en condooms. En rijden er mensen met bakfietsen rond.’ ‘Bakfietsen,’ herhaalde hij. ‘Laat me daar niet aan denken.’ ‘Precies daarom heb ik een rookgordijn gecreëerd. Hoe weinig mensen mijn stukje ook lezen, zolang de krantenlezer denkt dat de wildernis in ons land op de plaatsen ligt die ik beschrijf, blijven ze tenminste weg van de echte ongerepte natuur.’ ‘En waar ligt die dan wel?’ De journalist stapte naar zijn bureau, toverde een kaart van het land tevoorschijn uit de tweede lade en bracht er zorgvuldig twee kruisjes op aan. ‘Hier.’ Hij nam de kaart aan en verliet het gebouw zonder afscheid te nemen. Terug in de wagen staarde hij enkele minuten naar de kruisjes, zette zijn aansteker tegen de kaart en gooide vervolgens de nog knisperende resten uit het raampje, voor hij de motor startte.

Felix Sandon
29 0

Mijn roman in Parijs schrijven

Ik was vergeten hoe zorgeloos Parijs kon zijn in de warmste zomermaand van het jaar. Ik herinnerde me alleen nog de pijn die de lichtstad kon geven. Mijn eerste indrukken zijn de sterksten van mijn trip to Memory Lane en staan in deze eerste tekst.   Ik kom twintig dagen schrijven in Parijs. Om het drama gehalte in mijn schrijven te accentueren. Om af te rekenen met Parijs zoals ik 23 jaar geleden afgerekend heb met Brussel.   Ons eerste weerzien gebeurde schuchter. We vibreerden allebei daar in het Gare du Nord. Het was een aangenaam maar ongemakkelijk en verrassend weerzien. Ik had niets gezegd over mijn terugkeer. Aan niemand. Alleen aan Parijs. Parijs, mijn oude vriend die me zoveel geboden heeft, zoveel afgenomen. Parijs die me geperverteerd heeft, Parijs die me getroost heeft. Waar ik de mooiste mensen heb ontmoet, waar… ach, het zal allemaal de komende dagen geschreven zijn.   Nog steeds wandelen Parijzenaren gehaast door de straten zonder iemand een blik te gunnen, nog steeds heerst er chaos, wanorde en ongeduld in de straten. La baguette française smaakt nog even heerlijk en boodschappen doen is een heuse culinaire wandeling langs afgemeten rekken gevuld met rillettes en terrines de campagne. Ik vind mijn sirop d’orgeat terug en vraag me af of de mayonaise hier ook onder bepaalde wetgeving staat. Zelfingenomenheid, attitude en drama sieren de gemiddelde Parijzenaar. La parisienne doordrenkt met de juiste dosis arrogantie. Het kleine kopje koffie aan de toog, het ritme van het spreken, oude vrouwen zien eruit als verloren kunstenaressen en het hipstergehalte is onrustwekkend hoog. De gemiddelde dertiger raast nog steeds krap en knap in kostuum op scootertjes door straten en op voetpaden. Mannen blijven hier mooi, al verandert de charme al snel door de flagrante arrogantie in hun spreken, in hun gestes, gewoon in hun manier van zijn. Seks hangt in de lucht, verleiden blijft een lokale sport.   Het worden twintig dagen van schrijven, herontdekken, ontdekken, kennismaken en mezelf voorgoed feliciteren met wat ik in Parijs ooit heb bereikt. Een ander heeft het nooit gedaan. Waar zou ik mijn standbeeld kunnen neerzetten? Of klinkt dat té Parijs?   En dan, Parijs ’s ochtends? Parijs overdag? Paris by night? Parijs in Summer Night City mood?   Ik weet nu nog niet waar het naartoe leidt. De omstandigheden zijn gunstig : mijn Spotify galmt door een Bose luidspreker, temperaturen gaan boven de 30 graden, het appartement dat ik twintig dagen mag hebben is rustig en heeft een mooi uitzicht. In ruil ben ik dog- en papegaaizitter. De frigo heeft eten en drinken. Er is geen uur. Het is exen terugzien, plaatsen een plaats geven, het is een leven terug glad strijken. Het is afsluiten. Het is een nieuw ander leven durven beginnen met een ander in mijn eigen stad. Het is opnieuw kunnen zeggen aan iemand : ik hou van jou. Het is opnieuw leren aanvaarden dat hij ooit hetzelfde zegt tegen mij. Het is van de warmte van de zomer van Parijs naar mijn eigen Zomer in Brussel gaan. Het is dit boek schrijven.   http://erwinabbeloos.over-blog.com/

Erwin Abbeloos
19 0

VIETNAMESE ZELFMOORDPOGING

Manlief en ik hebben in de jaren dat wij samen rondreizen al verschillende zelfmoordpogingen ondernomen.  Zoals jullie kunnen lezen, zijn ze gelukkig, voor ons, allemaal mislukt. In een ver en onderontwikkeld vakantieland wil je spanning en avontuur en aan  eventuele desastreuze gevolgen wil je op dat moment helemaal niet denken. Er hangt een aura van onsterfelijkheid rond je en je bent jong en roekeloos.  Enfin wij waren ondertussen al niet meer zo piepjong maar we waren wel overmoedige nieuwsgierige waaghalzen. In Vietnam ondernamen wij gezamenlijk onze allereerste zelfmoordpoging. Ons hotel bevond zich langs de ene kant van de drukke verkeersader, alle bezienswaardigheden van Hanoi  zaten aan de overkant. We stonden beiden langs de kant van de straat en bekeken de aanhoudende stroom vrachtauto’s, auto’s, moto’s, brommertjes en fietsen die langs alle kanten zigzaggend voorbij scheurden. De fietsen waren zo hoog en breed beladen met koopwaar en kwamen met slingerbewegingen nauwelijks vooruit. Op een brommertje zat niet één, zaten geen twee maar soms vier mensen helmloos maar breed lachend met de nodige bagage op elkaar geplakt.  De meeste bestuurders droegen een mondlapje om de uitlaatgassen tegen te houden. Daartussen toeterden de toeristenbussen en het openbaar vervoer. Claxonnerend, bellend en roepend koersten ze allen kriskras door de straat, reden frontaal op elkaar af en draaiden op het laatste moment het stuur om. Zebrapad of verkeerslichten geen enkele gemotoriseerde Vietnamees verleende voorrang. De doorsnee spleetoog stapte gewoon met een zekere doodsverachting zonder rondkijken de straat op en de brommertjeszee spleet als de Rode zee uit elkaar. Manlief nam me bij de hand en dwong mij het voetpad af. Ik volgde hem aarzelend, met één voet nog op de stoep, de andere schoen al tussen het moordende verkeer. Ik hield mijn ogen stijf gesloten en met een heel groot ei in mijn broek, sleurde manlief mij naar de overkant van de drukke straat. Niet terugdeinzen, niet twijfelen gewoon zoals de Vietnamees, onbevreesd doorstappen.  De kamikazechauffeurs hadden ons wonder boven wonder volledig ontweken. Na enkele dagen werden wij zelfs verkeersovermoedig en ondernamen wij onze volgende suïcideactie. Wij huurden een ‘fiets toek- toek’ richting museum. Wij lieten ons in de stoeltjes van een overdekte stootkar zakken.  Zonder enige beveiliging vooraan werden wij door de fietsende eigenaar achteraan, als levende projectielen in het verkeer en het kabaal gestoten.  Ik had de camera in aanslag en het zou een uiterst spannend filmpje worden. De man trapte alsof zijn leven ervan af hing, hij fietste zich bijna letterlijk een ongeluk. Hij slalomde tussen de fietsers. Hij sprintte met zijn fietstaxi alle brommers voorbij. Het werd een helse rit, een Disneyland Space Mountain attractie waardig. Onze stuntman probeerde een auto in te halen, bleef op de tegenovergestelde richting voort peddelen en reed pal een autobus van het openbaar vervoer tegemoet. De bus kwam angstaanjagend toeterend dichterbij.  Wij gilden en sloegen wild met onze armen in de hoop dat onze fietsbestuurder onze gebaren en waarschuwingen boven het zeteltje zou zien. De schrik sloeg ons om het hart. Mijn fototoestel bengelde al lang werkloos rond mijn arm. De film met het rampscenario ‘the final collision’ zou nooit in België bekeken worden.  Onze horrorchauffeur leek stekeblind en doof. We hotsten en botsten. We zochten een uitweg maar de snelheid waarmee we trappend in de verkeerschaos voortgestuwd werden, hield ons bang in het karretje geklemd. Ofwel hadden de remmen van onze toek-toek fiets het begeven ofwel hield onze fietsheld van spannende thrillers. Juist op het allerlaatste moment, op 10 centimeter voor de luid claxonerende bus, draaide de snelheidsduivel het stuur om en vloog onze ‘taxi-velo’ langs de tegengestelde richting, de stoep op. Onder luid protest sprongen de voetgangers alle kanten op. Krijsende verkopers veerden op en liepen met gebalde vuisten achter onze kamikazeheld aan. Hij ontweek op een haar na de gehurkte ‘straat-restaurant-eters’.  Iets verder stopte onze James Dean en met een brede glimlach, zich totaal van geen kwaad bewust, wees hij op het museum en zei: ”Xin vui lòng, viện bảo tang” wat zoveel betekende als “Alstublieft, zie hier het museum”.  We scharrelden bibberend  onze rugzak en fotocamera bij elkaar, betaalden onze superman en strompelden totaal van de kaart uit het fietskarretje. Met een ‘big smile’ zei hij:” I wait for you, go back to hotel,  good price!” Wij bedankten beleefd en zagen af van het gunstig retourprijsje naar het hotel.  Aziatisch geel en groenig bleek liepen we met knikkende knietjes in het museum rond. Hoever de terugweg naar het hotel ook zou zijn, ons kregen ze nooit meer in een Vietnamese ‘fiets toek-toek’. Wij gingen nog liever te voet zigzaggend de Vietnamese pijp uit.  

Sim
16 0