Zoeken

Cinema

Ons dorp, dat weliswaar de allure had van een stad(je), telde drie cinemazalen. In de jaren zestig sprak men nog niet van bioscopen. Een bioscoopje meepikken bestond toen nog niet; men ging naar de cinema of men ging naar de film.   Drie heuse filmtempels waren het: de Casino (met nadruk op de eerste lettergreep en niet op de tweede want dan zou 'de' 'het' zijn), de Splendid (wat voor een naam was dat! Het duurde tot mijn dertiende levensjaar en eerste jaar Engelse les, alvorens ik wist wat het betekende) en de Apollon (dus met een ’n’ op het einde).   In de Casino in de Stationsstraat moest je zijn als je de grote spektakelfilms wilde bekijken. De eigenaars zullen een schoon frankske verdiend hebben aan kleppers zoals ‘De Tien Geboden’, ‘Ben Hur’ en ‘Spartacus’. Vooral die eerste film werd regelmatig opnieuw vertoond. Ik vermoed dat dit gebeurde op verzoek van de nabijgelegen scholen, als er weer enkele klassen ‘rijp’ werden bevonden om kennis te maken met het wedervaren van de Israëlieten tijdens hun reis naar het Beloofde Land via het witte doek, in plaats van via de lessen ‘Gewijde Geschiedenis’. Zulk een mastodont van een film duurde méér dan lang genoeg om een ganse namiddag te vullen. Dat er mogelijk diezelfde avond van diezelfde dag een andere film werd vertoond - waarbij de actrices weinig om het lijf hadden, want zo kon je toch vermoeden als je naar de uitgestalde foto’s in vitrinekasten keek waarbij ontblote damesborsten deels werden verscholen achter zwarte afplaktape - kon de directies van O.L. Vrouw-Visitatie en de Broeders van Liefde niets schelen.   Er was nu eenmaal, buiten de bekende kostuumfilms, ook nood aan cinema waarin geen kostuums of alleszins weinig kleding werd gedragen. Dat kwam omdat de cinemabezitters moesten voldoen aan de eisen van een van hun belangrijkste doelgroepen: de soldaten. Aan cafés was er geen gebrek, dus moesten er ook voldoende filmzalen een zo vakkundig mogelijk uitgekozen en gevarieerd programma presenteren. Voor wat de prenten betreft ‘met weinig om het lijf’ moest je vooral in de Splendid zijn, tegenover het station. Over de jaren heen had de uitbater daarvan zijn specialiteit gemaakt. De laatste ‘geklede’ film die ik er gezien heb, was ‘Goldfinger’ met een nog erg jonge Sean Connery in zijn derde kaskraker.   Vijftig jaar geleden werden ook veel minder films, zowel in kwantiteit als kwaliteit, gedraaid en vertoond. Zo kon het dat ik James Bond in zijn tweede 007-film ‘From Russia with love’ pas later op het jaar zag en wel in cinema Apollon. Dit kon je eerder de wat bravere cinemazaal noemen waar ik zowel Viko Torriani (je moet al zestigplusser zijn om daarvan gehoord te hebben) op het witte doek zag als de Beatles, weliswaar niet in dezelfde film. Typisch voor die tijd was dat je heel wat waar voor je geld kreeg. Voor twintig frank (nog geen halve euro) werden niet één maar twee films geprojecteerd, met tussendoor een korte pauze, waarbij je een cola of pintje dronk of een frisco, met extra dun chocoladelaagje, naar binnen smikkelde. Popcorn en chips waren voorlopig nog uit den boze en té Amerikaans. Those were the days, zeg dat wel.   ‘Kissin’ on the back row of the movies on a Saturday night with you’ en wat mijn lief en ik daar deden vertel ik lekker niet, maar het was wel lekker. De film … of die goed was … ik weet het niet … niet gezien!

Marc M. Aerts
16 0

Pech

Hoeveel pech kan je hebben binnen de tijdspanne van één ‘werkdag’?  Nadat we onze eerste werkmaanden er op hadden zitten, nodigde de raad van bestuur van onze kersverse werkgever mijn nieuwbakken collega’s en mezelf uit om met elkaar kennis te maken. Uit elke Vlaamse provinciehoofdplaats vertrok er een delegatie naar Brussel. Ons groepje bestond uit een stel jongelui aangevuld met enkele oudere HR-medewerkers die ons zouden begeleiden naar de hoofdzetel in Brussel. Eerst spraken we af in Hasselt om van daaruit gezamenlijk te sporen naar onze hoofdstad. Het was een mooie zomerdag toen ik mijn oude Kever parkeerde op de binnenring. Ik stapte uit en merkte al dadelijk dat ik een knop verloor van mijn blauwe blazer. Ik raapte hem van de straat op en borg hem weg in mijn jaszak. Een ongelukje kan iedereen gebeuren, dus no problem. Enkele minuutjes daarna ontmoette ik de rest van onze bende op het perron. Het zou een werkdag worden zonder dat we ervoor moesten werken. Dat is niet iedereen gegeven, dus de stemming zat erin. Een kwartiertje later zaten we op de trein en we namen een kwart van de wagon voor onze rekening. We waren met velen in dienst genomen in dat voorbije jaar. Van crisis was nog geen sprake. Dat zou niet lang meer duren, zowel voor de Belgische economie als voor mijn outfit van die dag. We naderden Diest. Een tweede knoop kreeg het snode plan zich te ontrukken van mijn nochtans onlangs aangekochte vest. Gelukkig bleef ik cool alhoewel de nog redelijk vroege zomerzon de temperatuur in ons compartiment de hoogte injoeg. Een blazer, dacht ik, wordt regelmatig niet dichtgeknoopt gedragen. Toen Aarschot in zicht kwam voltrok zich het derde ‘stuk’. Toen ik mijn armen kruiste om mijn ontbrekende knopen te verdoezelen, zag ik dat de naden van mijn vestmouwen aan de binnenkant helemaal loslieten en open kwamen te staan zodat de voering naar buiten puilde. Onder het mom van ‘te warm’ besloot ik dan maar mijn blazer uit te doen en over mijn schoot te draperen. Leuven zal voor mij altijd een nare bijklank hebben. Nog voor we onze zoveelste tussenstop deden, besloot ook mijn broek het te begeven. Net zoals bij de mouwen van mijn vest, weigerden de naden van mijn pantalon, nochtans even nieuw gekocht als mijn blazer, hun plicht te vervullen. Er verschenen twee openingen ter hoogte van de binnenkant van mijn knieën. Dit laatste was niet ontsnapt aan de opmerkzaamheid van één van mijn nieuwe vrouwelijke collega’s. Tussen Leuven en Brussel deed ik het relaas van mijn wedervaren aan mijn omzittenden. Eerst hilariteit alom, maar toen zij het hopeloze van mijn situatie inzagen was er alleen nog sprake van het broodnodige medeleven. Gelukkig bleef ik gespaard van het verder uitrafelen van mijn kledij en bleef het een zonnige dag zodat ik met mijn blazer de overige calamiteiten kon verbergen. Goddank gaf mijn toenmalige grote baas een eerder flauw handje in plaats van mij door elkaar te schudden met een fikse ‘poot’. Dat hadden mijn blazer en broek zeker niet overleefd. Iemand geïnteresseerd hoe dit alles kon gebeuren? Welnu, alhoewel beide kledingstukken nog maar enkele maanden voor die destructieve dag aangekocht waren, had ik besloten ze toch aan de nieuwkuis mee te geven: kwestie er op je paasbest uit te zien als je voorgesteld wordt aan je Raad van Bestuur. Een of andere mislukte ‘droogkuiser’ moet ze dan behandeld hebben met een verkeerd product, waardoor de naden verzuurden en verschrompelden, met alle gevolgen van dien. Moraal van dit verhaal: Het was het begin van een veertig jaar durende loopbaan. Regelmatig moest ik naar Brussel terugkeren maar altijd zorgde ik ervoor dat ik kleren droeg die niet pas ‘behandeld’ waren.

Marc M. Aerts
0 0

Avontuur

"Ga je mee op avontuur?",  vraag ik. "Ik weet nog niet waarheen. Kom, pak je jas en stap in."   Ik geniet van de rit met jou naast me. Kijkend naar de voorbij trekkende velden, de bomen, de koeien in de wei. We hoeven niet te praten. Gewoon samen onderweg zijn is het mooiste wat er is.   Er staat een man te liften in de regen.  Ik stop, zonder me af te vragen of dat wel verstandig is.  "Waar ga je naartoe?", vraag ik, terwijl hij op de achterbank kruipt. "Naar de zee," zegt hij. "Ik heet Maarten." Wij stellen ons ook voor. Daarna is het weer stil. De lucht klaart op. Het grijs verandert snel in fel groen, nu de zon de weilanden en de bomen weer verlicht.   "Waar aan de kust moet je zijn Maarten?",  vraag ik onze passagier. "Maakt eigenlijk niet zo veel uit", zegt hij. "Ik wil een eind op het strand gaan wandelen. Dat doe ik graag." We besluiten naar Zierikzee te rijden en zetten Maarten bij de duinen af.   We parkeren de auto even verderop. "Soep en friet", antwoord je me als ik vraag waar je trek in hebt. We stappen een brasserie binnen waarvan we vermoeden dat ze dat wel op het menu hebben staan. De ober komt onze bestelling opnemen. Hij ziet er wat slonzig uit. Hij heeft lang, vettig haar en een snor. Het wordt tomatensoep met patat speciaal. En een biertje natuurlijk.   Je ziet er prachtig uit met je natte haar en de zwarte vegen rond je ogen door de uitgelopen mascara. Nu je hier zo tegenover mij zit, realiseer ik me opeens hoe zielsveel ik van je houd. Tranen wellen in me op. Die stomme ruzies ook altijd. Konden we maar altijd zo rustig en stil van elkaars gezelschap genieten.   Ik betaal. Jij gaat vlug nog even naar de wc.  "Kom, laten we naar huis gaan", zeg ik als je terugkomt . Je kijkt een beetje verbaasd. "Maar we gingen toch op avontuur?" "Dat is ook zo", antwoord ik, "maar daarvoor hoeven we toch niet ver te reizen?"   Ik start de auto, maak mijn gordel vast en wil wegrijden. Je vraagt me om nog even te wachten.  Maarten loopt enigszins verloren langs de auto. Hij lijkt iets kwijt te zijn. Ik draai het raampje open en vraag of we hem ergens mee kunnen helpen. Verschrikt kijkt hij op, maar zodra hij ons herkent verschijnt er een glimlach op zijn gezicht. "Ik ben op zoek", zegt hij, "maar ik weet niet naar wat". "Ik begrijp het", zeg ik en vraag of we hem naar huis kunnen brengen. Hij stapt in en we rijden terug in de richting waaruit we gekomen zijn.   We zijn al een tijdje onderweg wanneer Maarten ons ineens vraagt waarom we zo verdrietig zijn. Ik heb niet meteen een antwoord klaar, maar jij zegt spontaan: "we zijn ons zelf een beetje kwijt. We zijn bang voor de toekomst." "Ik snap wat je bedoelt", zegt Maarten. "Dat overkomt ons allemaal. Maar uiteindelijk komt alles weer goed."   "Zet me hier maar af", zegt hij wanneer we het bord passeren dat de volgende uitrit aankondigt. "Dit lijkt me een interessante plek."   We nemen afscheid en vervolgen onze weg naar huis. Ik parkeer de auto in de garage, terwijl jij alvast naar boven gaat. "Wil je ook thee?" vraag je als ik de woonkamer binnenloop. "Ja graag", zeg ik en houd je een tijdje stevig tegen me aangedrukt. De ketel fluit. Buiten begint het te schemeren. In mijn hoofd is het al behoorlijk opgeklaard.

hoos
0 0

Op z'n hondjes

Omdat ik ook maar een mens van mijn tijd ben – eenzaam, mistroostig en op zoek naar een parkeerplaats voor mijn idealen – schreef ik me recent in op een datingsite. Een zegen, want wie denkt hier alleen zwartgeblakerde mensen, ternauwernood gered van het vagevuur van de liefde, te ontmoeten, is eraan voor de moeite. Het is hier integendeel een opwindend circus van hitsige jongens en meisjes, een beschermd biotoop van hoop, een plek waar de liefde herleid wordt tot zijn ware proporties: alles. Het leukste van de site zijn natuurlijk de profielen: de zelfomschrijvingen en die van de ideale partner. “Het verleden ligt achter me en is een afgesloten hoofdstuk” is altijd een leuke opener – de placenta van de wedergeboorte, geoffreerd als potgrond voor nieuw geluk. Dan zijn er de vrouwen voor wie het leven “een ontdekkingsreis” is, “een pad waarop je samen kan groeien”, de liefde een met lucht gevulde steunzool die je overal en nergens brengt. Er zijn de meer materialistische types. In datingtaal: “Ik geloof dat ambitie en veeleisendheid goede eigenschappen zijn voor een man.” Je hebt de natuurliefhebbers, de cultuurtempelhabitués, de jonge notenkrakende moeders (“een kindvriendelijke activiteit met een lach op je gezicht”) en dames die op zoek zijn naar een klusjesman (“een beetje handig”). De liefde kent dus vele gezichten. De dertigsters wiens hoogste goed de festivalweide is, de veertigsters die eindelijk verlost zijn van hun wederhelft, de vijftigsters die het graag simpel houden maar ook “poly-amorie a priori niet uitsluiten”, de twintigsters die zich sociaal, levenslustig en sportief door de dag boksen om dan ’s avonds hun wegwerphart aan elkaar te lijmen. Er is kortom voor ieder wat wils. Behalve misschien voor het gild der duivenmelkers: 21ste-eeuwse vrouwen gaan graag op reis. Reizen zijn een voorwaarde voor huiselijk geluk. Cynisme is een afknapper. Eens contact gelegd, is de paringsdans begonnen. Op zijn hondjes. Eerst snuffelen, dan knuffelen.

Guy Bourgeois
137 0

F...... missing you mateke

Meer dan 2 jaar geledenbij het horen van die 4 klokslagen,dat moment waarop ze je uit dit leven los                     koppelden,zat ik in onze tuin. Een winterzon die mijn tranen niet drogen kon. Een glas whisky in mijn handen, hopendedat de scherpte van dat vocht zich kon metenaan het schuren en scheuren van mijn verdriet. Vandaag, halverwege de zomer.Het moment waarop we zo vaak in het midden van nergenseen knisperend nieuw levensjaar voor jou vierden… Vandaag zet ik een fles champagne koud,de woorden van madame bollinger in gedachten: “Ik drink champagne wanneer ik gelukkig ben, wanneer ik droevig ben en soms wanneer ik eenzaam ben. Ik nip eraan als ik geen honger heb en drink het wanneer dat wel zo is. Als ik gezelschap heb, vind ik het verplicht. Verder raak ik het nooit aan – behalve wanneer ik dorst heb.” MatekeDe dagen vliegen, kruipen, wandelen,strompelen of kuieren, maar jijjij deelt nog al te vaak  mijn voetstappen.Soms zou ik je op die momenten willen slaan, schudden, vervloeken.Maar altijd weer zou ik zo graag nog een keer in jouw armen willen wegkruipen, glimlachen om je enthousiaste verhalen, met mijn ogen draaien om je fabuleuze idealen. F”!)@#( missing you. Een glas vol bubbels op jou,om mij jouw sprankelende ogen te herinneren.Een glas vol bubbels op jou,niets anders kan zich meten met die twinkelend vriend die ik verloor.Een glas vol bubbels op jou,uit dank dat jij een stukje van mijn leven bent.

Kaat
0 0

Verandering 1: Kabels

Wat dacht James Ensor toen hij zijn oude dame met maskers schilderde? Ik vraag me af wat er eerst was: de vrouw of de maskers. De oude dame, die bij nader inzien helemaal niet zo oud is maar eerder een veertiger – die diepe lijnen in het voorhoofd en rond de lippen lijken wat kunstmatig, alsof er later aan toegevoegd – staat pal in het centrum van het doek. Zij was er dus waarschijnlijk eerst. Maar waarom de maskers? Wat gaat er door het hoofd van een schilder de minuten voor hij het penseel in verf doopt en dingen begint te schilderen die ogenschijnlijk niets met het centrale gegeven, in dit geval een ‘oude’ vrouw, te maken hebben? Kwamen de maskers uit een droom of een verre herinnering? Misschien sloop er iets uit het penseel wat hij net daarvoor nog had gezien. Hoe komt iets uit een penseel op een doek? Hoe komt ooit iets ergens uit? Mijn laptop is opengeklapt, zover ben ik. Maar er gebeurt nu al een hele tijd niets op het scherm, tenzij ik het knipperen van de tekstcursor als een gebeurtenis beschouw. Het zou mij beter uitkomen als ik iets anders kon doen. Schilderen, om maar iets te zeggen. Voor een canvas staan, dat zou ik nu het allerliefst willen. Want een doek heeft randen, het is beperkt in de ruimte. Schrijven deint altijd uit. De mogelijkheden zijn schier eindeloos en dat brengt mij in ademnood en houdt de cursor gevangen, knipperend als een vuurtoren. Schilderen is anders. Overzichtelijker. Ik zou een portret kunnen schilderen van een oude - of jonge, of iets daartussen - vrouw. Zonder dat ik daar opeens, als mijn gedachten verschoven, een berg van kon maken of de gieren die daar boven wieken of het speeksel dat van hun snavels drupt als ze zich op hun aas storten of de angst die daarvoor bezit had genomen van het dier dat uiteindelijk een kadaver werd of de vraag of angst ook emoties impliceert. De act van het schilderen bergt de beperking in zich. En beperking is op dit moment een noodzakelijke voorwaarde om wat dan ook te doen. Mijn gedachten vonken blauw, groen en rood tegen de wanden van mijn hoofd. En tegelijkertijd ligt het, ondanks al dat geweld, zo voor de hand alles onder de schedelpan te houden. Het hoofd is ook zo gebogen, bijna vastgeklonken op de schouders, de pezen aangespannen als stalen kabels van een brug over een Duitse rivier. Schrijven is bedrieglijk. Vaak beeld ik me in dat mijn gedachten zich moeiteloos over hersenbanen voortbewegen, naar een blinkende buitenwereld. Maar meestal rollen ze over de band, tussen twee opslagplaatsen in. Er gaat niets buiten, er is niets veranderd. Het procedé is zelfs verraderlijk rustgevend. Nee, dan schilderen. De schouders hangen sereen laag, de ruggengraat staat trots als een vlaggenstok, het hoofd is vrij, de armen zwaaien met wijde bewegingen over het canvas. De vingers toetsen dansend, strelend de verf op het doek. Misschien is het een goed idee een groot blad papier te gebruiken, rechtstaand voor een lezenaar. Ik zou daarvoor een vette zwarte stift kunnen kiezen, en een zwierig handschrift. Ik zou de lussen naar boven en naar beneden met grote uithalen in het papier kerven zodat de inkt door de poriën op het houten blad loopt. Ik zou de inkt in de nerven van het hout zijn weg zien zoeken. Dat zou een verandering zijn. Alleszins heb ik daarvoor een muts nodig, van dikke groene wol, met luchtige steken.

Jools
0 0

If they ask you about me, tell them: “She was the only person that loved me with honesty, and I broke her.”

Ik had nooit begrepen hoe mensen een passionele moord konden plegen. Tot ik boven op hem zat met een mes in mijn handen en hem zevenenveertig keer had gestoken. Slechts één steek bleek achteraf fataal te zijn geweest. De eerste steek. De zesenveertig anderen waren onnodig geweest. Maar ik kon niet stoppen. Het is moeilijk te beschrijven wat ik toen voelde en dacht. Ik dacht niet en toch dacht ik aan alles op dat moment. Ik zag hem niet meer. Ik zag niets. Ik weet enkel maar dat ik stak. En stak. En stak. Keer op keer. Ik herinner me enkel het geluid van het bloed dat uit de wonden vloeide en zich over zijn lichaam een weg naar de vloer baande. En het geluid van krakend huid, als het lemmet er doorheen sneed. Ik herinner me spetters te voelen die op mijn gezicht terechtkwamen. Ik herinner het gevoel van de tranen die zich met het bloed mengden en neerdaalden als een stortbui. Ik herinner me de wind die mijn gezicht streelde en mij afkoelde. Ik kan me niet herinneren of hij terugvocht. Volgens het onderzoek en de autopsie bleek dat hij zich probeerde te verweren. Maar hier weet ik niets meer van. Ik weet nog wel perfect hoe hij mij aankeek. Hoe zijn ogen strak in de mijne keken terwijl hij naar adem zocht. Ik denk niet dat ik iets gezegd heb. Behalve toen het afgelopen was. Ik kan me ook niet meer bedenken waardoor ik gestopt ben. Ik stopte gewoon. Als een storm die opeens bekoeld was.   Ik wist dat het moest gebeuren. Dat zijn leven moest eindigen. Had ik het zo gepland? Nee. Ik wou gewoon praten. Maar hij wou niet luisteren. Hij wou niet inzien wat hij mij had aangedaan. Hoe hij mij mijn leven had ontnomen. Hij besefte niet dat zijn leven ook moest eindigen. Hij heeft het zichzelf aangedaan. Had hij maar geluisterd, had hij maar begrip getoond, had hij maar gewoon geluisterd. Dan had het zo ver niet hoeven te komen. Maar nu zijn we samen. Zoals het altijd had moeten zijn. Het was ons lot. Wij samen, voor eeuwig. Hij was het gewoon even vergeten. Maar ik heb hem eraan herinnerd. Hij weet het nu. Twee jaar lijkt een lange tijd, maar alles is zo snel gegaan. Twee jaar lijkt nu nog maar op een vluchtig moment. Zo kort, zo klein, alsof je het kan vangen en vasthouden. Maar het kwam als een prachtige vlinder, die op een warme zomerdag even je kwam vergezellen met zijn schoonheid. En voor je het goed en wel besefte, was hij alweer verdwenen. Je kan er achter aan gaan en hem proberen te vangen, maar een vlinder laat zich niet zomaar vangen. Zo was het ook met hem. Zo was het ook met ons.

Nicole Rosiers
12 1

Lilliputternamaakgrasmatjes

“How do you like your eggs prepared?” vroeg Bill, de uitbater van B & B The White House in Lahinch aan de Atlantische kust van Ierland. Jaja, er wachtte ons een flink ontbijt. Miel nam de full option, op zijn Iers dus: spiegelei met worst en ham. Jan en ik kozen voor een gewone sunny side up. Hadden we gezondigd zoals onze reisgenoot, dan zou het een te grote aanval geweest zijn op ons al te hoge cholesterolgehalte. Miel had daar lak aan. Maar Jan blijkbaar even later ook, toen ik zag hoe hij de smeuïge Ierse boter driedubbeldik op zijn toast smeerde, tussendoor al slurpend aan zijn hot chocolate milk. Miel en ik namen een ganse koffiepot voor onze rekening.  De voorkamer waar we ons ontbijt naar binnen smikkelden was een toonvoorbeeld van kitscherige decoratie. Elke kast, bijzettafel of schouw puilde uit van kleurige, porseleinen beeldjes en golftrofeeën. Gedurende de rest van de week zouden we inderdaad merken dat Ierland heel wat greens telde en dat deze sport het elitaire al lang overstegen was. Onze ouwe getrouwe Bill kon er blijkbaar wel wat van; vandaar de menigvuldige ornamenten met minigolfballen, dito clubs en lilliputternamaakgrasmatjes. Ziezo, onze magen waren méér dan gevuld en onze valiezen opnieuw ingeladen. We waren klaar voor een nieuwe ontdekking. Het was mooi weer geworden. Het voelde een beetje frisjes aan, maar het was nog vroeg en het zeebriesje deed zijn best om eventuele houtenkoprestanten weg te blazen. Kom Ierland, verbaas ons!

Marc M. Aerts
0 0

Veertig tinten groen

“Schuun hè” zei een Oostvlaming die achter mij in het vliegtuig zat. We keken door hetzelfde venstertje naar buiten. Het was inderdaad prachtig. Een enorm lappendeken strekte zich onder ons uit. Als ik vroeger in één of andere toeristische brochure een beschrijving las van dit groene eiland of ik hoorde een reiziger zijn relaas doen over zoveel verschillende tinten groen die Ierland tentoonspreidde, dan dacht ik, als een ongelovige Thomas, dit moet ik eerst zelf zien, met mijn eigen ogen. Men had echter niet overdreven. Het Keltenland, dat zijn natuurschoon diep onder ons prijsgaf, was immens mooi. Of die ongelovige Thomas later heilig werd verklaard weet ik niet meer, maar hij moest maar eens in de leer gaan bij zijn kompaan Saint Patrick, de patroonheilige van dit gezegende land. Hij zou vlug geloven. Ik neuriede "I’m a believer", een vrolijk melodietje, gecomponeerd door een toen nog jonge Neil Diamond, en naar de top van de Amerikaanse charts gezongen door de Monkees, een miezerig Amerikaans afkooksel van de Beatles.   Eerder die dag checkte ik in op Zaventem en spendeerde een uurtje in de vertrekhal waar een Vlaamse schone met lange blonde vlecht flaneerde. Zij stal de show en menig mannenhart. Toch zeker het mijne. Vreemd dat op dit soort vergrijp nog geen langdurige gevangenisstraf staat. Als dit kwaliteitsvolle lichaamsgehalte zich ook zou etaleren in mijn land van bestemming, dan zat het goed. Prinses Rapunzel - je weet wel: het sprookje van het prinsesje met haar lange vlecht, opgesloten in de hoge slottoren - zag ik niet meer terug. Zij vertrok met haar - wat dacht je - belachelijke vriendje en met de noorderzon naar het zuiden. Neen, voor mij geen idiote strandvakantie. Ik ging mijn cultuur verrijken in Ierland. Het land met wel veertig tinten groen.

Marc M. Aerts
0 0

Het rijk voor mij alleen!

Hier heb ik echt naar uitgekeken: heerlijk de hele avond het rijk voor mij alleen! Hoe zal ik dat eens gaan vullen... Zou zoveel willen doen, dat ik wel een weekje voor mezelf kan gebruiken. Met  een hapje en drankje voor de buis of aan de schrijf, bezig met de website of gewoon lekker lezen? Telefoon en tablet aan de kant. Druk even de tv aan, languit op de bank met een kopje thee...   Als ik verkleumd wakker word in het donker, is er inmiddels op tv een dame allerlei telefoonnummers aan het aanprijzen en is mijn thee koud. Langzaam wordt de rest van mij wakker en besef ik waar ik ben en dat mijn avondje voorbij is. Want zo te voelen is de verwarming al even uit. Dat is lekker dan! Voordat ik er van ga balen, knip ik een lampje aan. Twee uur! Dan dringt het tot me door: waarom is hij nog niet thuis? Hij zou het toch niet laat maken? Ach het is vast gezellig en zo heel laat is het ook nog niet.   Ik verhuis naar mijn bed en verwacht eigenlijk ieder moment dat hij thuis komt.  Pfff verwachten duurt lang! Zeker weer de tijd vergeten of misschien wel een lekke band? Moet hij zijn telefoon maar mee nemen. Waarom heb ik nu uitgerekend de laatste man zonder horloge en zonder whatsapp? Wat als er wel wat gebeurt?   Zo kan ik toch niet slapen,  dus maar weer naar beneden. Thee herkansing. Zinloos kijk ik uit het raam of hij er al aan komt, alsof het dan sneller gaat. Wat als er echt iets gebeurd is en hij ergens op straat ligt.  Gevallen of in elkaar geslagen? Wie moet ik nou bellen als hij helemaal niet thuis komt? Volgende keer moet hij echt z'n telefoon mee nemen. Straks belt het ziekenhuis... Wat moeten de kinderen zonder vader? En ik zonder mijn man? Krijg er een knoop van in mijn buik.   Dan hoor ik de sleutel in het slot en  "Hé, ben je nog wakker?". "Ja ik kon niet slapen,  heb je het leuk gehad?"   Langzaam verdwijnt de knoop weer. Het is kwart over twee,  ik ga slapen...

Liselotte Schippers
12 0

Hoe vaak keert hun brand weer terug?

Toen ik nog klein was hebben we een keer schoorsteenbrand gehad. Wat ik me er van kan herinneren is dat we vanuit het slaapkamerraam van mijn vaders tante, die bij ons in de straat woonde, toekeken hoe de verschillende brandweer- en politieauto's in de straat verschenen. We zagen hoe de hele buurt zich verzamelde en dat zíj wél konden zien wat er bij ons thuis gebeurde. Een buurjongen stond er nog bij te lachen ook! Het was echt niet grappig! Zelf heb ik maar één klein steekvlammetje mogen zien, toen werden we direct naar mijn vaders tante, tante Cor, geloosd.   Gevolgen waren enorm: oud en nieuw werd nu niet bij ons thuis gevierd, maar bij Tante An. En op mijn slaapkamer was de brandweer, zo lomp in mijn kinderogen, zonder pardon over rood crêpepapier gelopen. Het was van de kerstversiering voor mijn ramen. Dat ik het zelf had laten slingeren telde niet mee. Het was mijn kamer. Met vanaf toen voor altijd rode vlekken in mijn blauwe vloerbedekking.   Natuurlijk belangrijker, waren we allemaal ongedeerd en is ons huis niet tot op de grond afgebrand. Brand effectief geblust! Mijn moeder probeerde het eerst met een washandje, maar de brandweer bluste uiteindelijk toch beter. Behalve dan dat ze geen rekening hielden met het rode crêpepapier...   Uiteraard heb ik hier niets aan overgehouden. Behalve elke keer als ik bewust een brandweer hoor. Dan ben ik even thuis. Rijdt hij naar mijn huis? Is er iemand thuis? Dan gaat de gedachte weer en hobbel ik gewoon verder in het ritme van de dag.   Als ik dan denk aan al die 'écht' getraumatiseerde mensen, door wat dan ook en waar dan ook. Waar het veel verder gaat dan alleen maar rood crêpepapier. Hoe vaak keert hun brand weer terug? Kunnen zij gewoon weer verder hobbelen in het ritme van de dag?   Niet dat je kan kiezen, maar dan ben ik blij met en dankbaar voor mijn rode vlekken in mijn blauwe vloerbedekking!  

Liselotte Schippers
0 0

'Dankjewel' zeggen kost niets

Toen ik studeerde had ik een bijbaantje. Voordat ik bij het rijkscomputercentrum kon werken moest ik een verklaring van goed gedrag inleveren en kreeg ik een pasje. Bovendien kreeg ik zelfs een heuse cursus met een echt diploma. Ik voelde me heel wat!   Mijn werk als schoonmaakster heb ik dan ook niet als onplezierig ervaren. Samenwerken met veel Turkse meisjes leverde me ook wat op. Ik leerde wat Turkse woorden (nee geen vieze) en werd soms uitgenodigd om lekker te komen eten. Van de Turkse gastvrijheid kunnen we nog wat leren! Het werk zelf was niet zo heel enerverend. Elke dag twee uur lang de zelfde kantoren, dezelfde vloeren, dezelfde bureaus. Afstoffen, wissen, moppen.   Op de vierde verdieping helemaal achteraan in het laatste kantoortje zat altijd nog iemand tot laat over te werken.  Meneer Treur. Iedere keer als ik zijn kantoor had schoon gemaakt, keek hij op van zijn werk en zei "dankjewel" en ik "graag gedaan". Als je elkaar zo iedere dag tegenkomt schept dat toch een band. Vooral meneer Treur maakte graag een praatje met mij. Na verloop van tijd werd het oppervlakkige 'weer' praatje steeds meer een klaagzang over zijn thuissituatie. Zijn onhandelbare dochter en zijn machteloosheid hierin. Dat deze dochter van mijn leeftijd was vergat hij kennelijk in deze gesprekjes. Hij voelde zich ellendig en deed zijn naam eer aan. Zijn wanhoop was voelbaar en ik kon daarin natuurlijk niets voor hem betekenen dan alleen maar even, de vijf minuutjes die ik er was, luisteren. Toch bleef hij me consequent iedere keer bedanken.   Af en toe voegde hij daar aan toe: "Dankjewel zeggen kost niets toch?". Deze zin is altijd bij me blijven hangen. Het kost inderdaad niets, maar is wel waardevol. Als schoonmaakster vond ik het prettig om bedankt te worden voor mijn werk, want het is zwaar werk. Een groet, een glimlach, dankjewel zeggen, een luisterend oor bieden of een praatje maken. Het kost me allemaal niets en kan zo belangrijk zijn. Een draai aan mijn dag geven of aan die van een ander, door het te geven of door het te ontvangen.   Soms zie ik hem nog wel eens fietsen, meneer Treur, dan vraag ik me af hoe het gaat met zijn dochter. Ik zou hem willen bedanken, want het kost niets. Maar hij herkent mij niet en ik zeg niets..

Liselotte Schippers
17 0

Waar ging het nu eigenlijk helemaal over?

Opgestaan met een positief gevoel ben ik vastbesloten dat vast te houden. Met weliswaar nèt te weinig tijd en nèt teveel te doen, stap ik fluitend op de fiets om nog snel even boodschappen te doen. En snert, begint het natuurlijk te regenen. Eenmaal bij de winkels aangekomen ben ik drijfnat. Je weet wel, dat het niet goed te onderscheiden is wat zweet is en wat regenwater. Maar zo makkelijk is mijn positieve gevoel niet te verslaan! Dus geniet ik van de koele regendruppels op mijn gezicht en laat ik in mijn hoofd gezellige liedjes voorbij komen: "I'm singing in the rain..." en "het regent dat het giet en ik word niet nat...". De laatste klopt dan niet helemaal, want ondertussen soppen zelfs ook mijn sokken in mijn schoenen. Helemaal voorbereid (want hoe vaak moet ik eerst gaan wisselen) stop ik een muntje in het winkelwagentje en zoef met mijn lijstje door de supermarkt. Dat gaat soepel en al vlot sta ik met alle boodschappen bij de kassa. O -piep- ik ben broodjes voor de lunch vergeten en mijn boodschappen liggen al op de band. Dat zullen ze me thuis niet in dank afnemen. Er staan nog twee mensen voor me, met redelijk wat boodschappen, dus ik schat mijn kansen goed in om op tijd weer terug te zijn. Snel haal ik de broodjes op. Als ik terug kom bij de kassa, staat de vrouw achter mijn winkelwagentje in de rij, tot mijn stomme verbazing haar boodschappen voor de mijne te zetten. En ik ben nog helemaal niet aan de beurt!   Overmant door 'het onrecht' en opgejaagd door de tijd roep ik: "NEEE!!" Deze boodschap is kennelijk duidelijk genoeg, want geschrokken, maar ook met een boos gezicht, pakt ze haar boodschappen weer op. Wel verrast en trots op mijn eigen assertiviteit, klopt van spanning en de adrenaline mijn hart in mijn keel. Even denk ik weer aan mijn positieve gevoel. Misschien heb ik toch wel wat fel gereageerd dus ik probeer wat onhandig te zeggen dat ik nog niet aan de beurt was... En om een medestander te zoeken kijk ik vragend naar de mevrouw verderop in de rij. Zij reageert wel, maar zegt: "Tja het had ook langer kunnen duren...". Wat krijgen we nou!!! Nu begin ik toch aan mezelf te twijfelen. Zijn de sociale regels van het in de rij staan bij de kassa misschien veranderd en hebben ze mij vergeten in te lichten??? Ik houd mijn mond maar verder dicht, net als de hele rij en de kassière. Maar langzaam sijpelt het positieve gevoel weg en bekruipt me een onbehaaglijk gevoel. Natuurlijk heeft 'dat mens' haar fiets precies naast de mijne geparkeerd en staan we nog even stilzwijgend onze fiets in te laden. Met het laatste sprankeltje positieve gevoel knijp ik er nog uit: "Fijne dag toch nog!" Maar het komt niet over en ik krijg een onverstaanbare brommende sneer terug. Dan fiets ik maar weg, nog steeds in de regen, nu met een onbehaaglijke gevoel en geen: "I'm singing in the rain". Nog een tijdje ben ik zinloos, echt heel vervelend, aan het piekeren over de 'nieuwe' sociale regels. Thuis weer in een droge outfit gestoken, komen de broodjes op tafel. "Aan tafel, eten!" Door de lekkere broodjes verwacht ik een snelle opkomst en ja hoor, van alle kanten wordt er naar de zak met broodjes gegraaid. Hu ho stop! Even op je beurt wachten!" Ik hoor het mezelf zeggen, daarmee komt het positieve gevoel weer terug.  Kan een glimlach niet onderdrukken. Pfff waar ging het nu eigenlijk helemaal over?

Liselotte Schippers
0 0

'Helemaal onschuldig of... toch niet?! - Een biografie - Hoofdstuk 1 - 2

28 december 1962 Een stevige wind schuurt over de straten.  Het vriest dat het kraakt.  Het wit van de vrieskou blijft als een laagje op de weg liggen. Even verder, aan de kust, bevriezen de golven bij aankomen op het strand. Laag op laag worden ijsgolven gevormd. Een kil tafereel. Ondertussen probeer ik, zo tussen 8 en 9 's morgens, me uit de buik van m'n moeder te persen. In het 'moederhuis' worden luide pijnkreten geslaakt. Het lukt me bijna. Nog even. Een extra duwtje. M'n moeder kreunt. Ze voelt een stevige pijn. Het scheurt onderaan open. Helemaal open. Ik piep naar buiten.  Volledig onder het bloed maar kerngezond. Iets meer dan 4 kilogram rozig vlees wordt Karin genoemd. Ik krijs als de dokter op m'n billen slaat. Je zou voor minder. Hoe durft ie eigenlijk? Zonet heb ik het beste van mezelf gegeven om naar buiten te komen. Krijg ik daar nog een paar kletsen bovenop. Mama lacht. Ze kijkt vertederd naar mij en neemt me vast, heel dichtbij. Ik ruik haar geur. Ben blij met haar zachte warmte.  Papa Lucien komt eraan. 'Luc' voor de vrienden. Hij is blij met een 'gezonde' dochter. En toch had ie stiekem gedroomd van een zoon. Een zoon die de familienaam 'Robert' verder zou uitdragen. Hij neemt me vast en kijkt me aan. Ja, Karin, dat zijn nu je ouders.  Daar moet je het een tijdje mee doen. Nog een heel tijdje eigenlijk. Feest van de onnozele kinderen 'Feest' van de onnozele kinderen. Wat is hier 'feestelijk' aan?  Onschuldige jongetjes worden, volgens het bijbelverhaal in het Nieuwe Testament, in opdracht van koning Herodes in Bethlehem vermoord.  Een reden om te feesten vind ik dit niet echt. En net op die dag word ik geboren.  Om dan nog te zwijgen van de vele goed bedoelde felicitaties in de aard van 'Ah, jij verjaart op onnozele kinderdag! Proficiat! Met daarachter een extra verdacht lachje.... Neen, op 28 december verjaren kon me in den beginne niet echt blij maken. Toen ik eindelijk het woord 'onnozel' in de Dikke Van Dale opzocht was ik al een eind in de twintig. 'Onnozel' heeft in de bijbel de betekenis van 'onschuldig'. Plots scheen er een licht in de duisternis. Een lantaarn, een lichtbol, een spot. Ik werd helemaal 'verlicht' van een zware last die ik jaren in gedachte meedroeg.  Neen, ik ben niet 'onnozel' maar wel 'onschuldig'!!    Hallelujah!! Sedert  m'n opzoekingswerk voel ik me heel wat 'feestelijker'.  Ik kan nu weer tegen een stootje.  Het stootje van de 'onnozeligheid'! En ik geniet zelfs van het soms extra verdachte lachje bij de felicitatie. 'Hoera ! Onschuldig ben ik.    Helemaal 'onschuldig.....' ................

Karin Robert
0 0

Mijn zusje en haar meningokokken.

Meningokokken veroorzaken een bacteriële hersenvliesontsteking. Er zijn verschillende types. Maar het belangrijkste, het vieze beest is levensgevaarlijk. De meeste mensen hebben een voldoende weerstand tegen het monster. Een groot aantal mensen is drager van het beest, zonder er ziek van te worden. Een groot aantal mensen.. Een groot aantal mensen. Behalve mijn kleine zus.  ‘Tijd om in bad te gaan!’ riep mama vanaf de overloop. Ik hoorde hoe het water tegen de bodem van het bad spatte. Ik ruimde de Barbiepoppen op zoals mama het wou. Gestructureerd. Alle poppen moesten netjes in de bak liggen, de kleertjes in het daar voor aangeduide doosje, de schoentjes in een ander doosje,… Ik wou zondag vooral niet nog eens met mama op mijn kamer zitten en alle bakjes sorteren. Toen alles netjes weg lag liep ik naar de badkamer. Julieke lag op het verzorgingskussen en haar steunhouder lag al klaar in bad. Het werd tijd dat we zo’n ding zouden kopen, want hoe graag ik mijn zusje ook zag, ze begon toch zwaarder te worden. Ik deed mijn kleren uit en gooide ze in de wasmand. Het water voelde heerlijk warm aan. Precies hoe ik en mijn zusje het graag wilden. ‘Mag Julieke erbij komen?’ vroeg mama. Ik knikte enthousiast. Ik en mijn zusje gingen al jaren samen in bad en toch vroeg mijn mama het nog steeds. Ik vroeg me af of ze dit deed voor mij of om Julieke te laten weten dat ze zo dadelijk onder het warme water werd gebracht. Toen Julieke in haar steun lag draaide ze haar hoofdje en begon ze te kraaien. Ik lachte met haar mee en spette wat water op haar. Met het badschuim maakte ik bij mezelf een baard  en bij haar deed ik hetzelfde. Ook al kon Julieke niet praten, ze kirde enthousiast en ik wist dat ze het leuk vond. Beneden hoorde we de telefoon rinkelen. ‘Ik ga even opnemen Manon’ deelde mama mee en ze rende naar beneden. De deur stond op een kier en ik hoorde hoe mama de telefoon opnam. Ik keek naar mijn zusje. Zou ik? Na drie seconden na te denken besloot ik uit het bad te stappen en me al af te drogen. Ik deed mijn favoriete pyjama aan en kamde mijn haartjes. Ik had altijd al kort haar gehad, dus veel werk was het niet. Mijn blik ging naar mijn zusje. Zou ik? Tuurlijk, dacht ik bij mezelf. Ik nam een handdoek die ik met een wasknijper aan mijn pyjamabloesje hing. Vervolgens deed ik mijn mouwen omhoog. Ik had mama het iedere dag zien doen dus ik zou toch wel weten hoe het moest. Bovendien zou ik mama geholpen hebben, want die had altijd erg veel te doen. Ik zette mijn kleine handen onder de okseltjes en trok mijn zusje omhoog uit het bad. Gelukkig was het zorgkussen dichtbij en ik legde haar hierop. Ik begon haar kleine fragiele lichaampje af te drogen. Ik had geen idee hoe je een luier zou moeten aandoen… Ik dacht diep na hoe mama het deed. Toen ik de luier had aangedaan controleerde ik nog even of die goed zat. Daarna deed ik haar pyjama aan en kamde haar lange mooie haartjes en deed ze in en staartje. Op dat moment kwam mama de badkamer in gelopen. ‘Manon?’ vroeg mama onbegrijpend. Ik keek haar aan en ze zag dat ik Julieke had afgedroogd. ‘Is het gelukt?’ vroeg ze opgelucht. Ik knikte trots. ‘Goed gedaan van je meid’ en ze wreef over mijn korte bruine haartjes. ‘Heeft jouw grote zus jou uit bad gehaald?’ begon ze tegen Julieke. ‘Heb je zin om je zusje nog een yoghurtje te geven voor ze moet gaan slapen?’ vroeg mama. Ik knikte blij.     1.    Verenigd door sterftegeval   Hier zaten we dan. Als de situatie anders zou zijn zou ik moeten lachen met het feit dat heel de familie samen zou zitten. Wie had dat nog ooit gedacht? Mijn moeder en vader… In dezelfde kleine ruimte? Mijn grootvader langs moeders kant die een babbeltje slaat met mijn grootvader langs vaders kant? Mijn tantes allemaal samen. Mijn nichtjes en neven. Ik had best een grote familie als ik ze zo samen zag zitten. Vele van hen huilde en ik begreep niet goed waarom. Alles zou goed komen, dat wist ik gewoon. Ik voelde het. Julieke zou me niet verlaten, wij zouden samen blijven voor altijd. Als mama later oud wordt en niet meer voor mijn zusje kan zorgen, dan zal ik haar in huis nemen. Het zal me een  barst kunnen schelen wat mijn toekomstige echtgenoot er van zou vinden. Ik zorgde nu al zes jaar lang voor mijn kleine zus, dat moest mijn  echtgenoot er maar bij pakken. Papa vroeg mij en mijn broer of we even buiten konden gaan wandelen. De buitenlucht zou me goed doen. Ik keek naar mama. Die liep net de kamer in waar ons zusje lag. We volgde papa naar buiten. Het ziekenhuis van Leuven was groot. Rondom lag er een klein parkje. De zon scheen en enkele studenten studeerde in het groene gras. We liepen met ons drietjes over het bruggetje waar we halt hielden. Enkele eenden kwaakte op het water. ‘Hoe gaat het met jullie?’ doorbrak papa de stilte. Mijn broertje haalde zijn schouders op, hij was nooit een grote prater geweest, maar ik zag de angst in zijn ogen. ‘Alles komt goed’ was alles wat ik wist uit te brengen. Papa keek me met medelijden aan. ‘Manon ik denk echt dat je rekening moet houden dat ons Julieke niet lang meer te leven heeft’. Ik keek weg. De eenden waren intussen verdwenen. ‘Kan het nog goed komen?’ vroeg Joren stil. Papa zuchtte. ‘Natuurlijk kan het nog goed komen’ antwoorde ik boos. ‘Het komt goed! Het loopt hier vol met artsen en deskundige, zij doen dit iedere dag, zij weten wat ze doen en ze redden onze zus’. Joren zweeg. Ik had niet zo boos moeten worden maar ik kon niet anders. Het leek wel alsof iedereen de hoop had opgegeven. ‘Ik denk dat onze kleine zus wacht om van iedereen afscheid te nemen’ kwam papa ertussen. ‘We zijn er toch allemaal?’ vroeg ik onbegrijpend. ‘Misschien wilt ze afscheid nemen van Geert’. Ik had er altijd van gedroomd een groot gezin te hebben. Stiekem droomde ik ook van een zus met wie ik effectief kon spelen, zingen, dansen… Dingen die ik met Julieke niet kon doen. Sinds papa een nieuwe vriendin had was ons gezin wel erg groot geworden. Geert had twee dochters en een zoon. Bram was één jaar ouder dan mij. Veel last had ik niet met hem. Hij zat vaak van ’s morgens tot ’s avonds aan de computer of anders was hij weg. Papa had meer problemen met hem. Bram was vaak boos en sloeg dan alles in elkaar. Daar kon papa niet mee om. Lies was zestien. Ik keek op naar haar maar was tegelijkertijd ook bang van haar. Papa zei dat Bram gek was in zijn hoofd, maar ik had een vermoeden dat er met Lies meer aan de hand was. Britt was de jongste. Ze was twee jaar jonger dan mij en met haar ging ik het meest om. Ik kon makkelijk baas spelen over haar. Ik en mijn broer kwamen hier om de veertien dagen een weekend logeren. Papa woonde hier. Het was altijd een lange rit van drie kwartier. Alhoewel een groot gezin altijd mijn wens was, ik vond er niets aan om naar hier te komen. Maar als papa vrijdagavond ons kwam ophalen trok ik mijn meest vrolijke gezicht. Ik wou niet dat hij zich zorgen zou maken. Als hij gelukkig was met Geert, moesten wij dat ook zijn voor hen. Geert zelf was een lieve vrouw. Een beetje zwak in mijn ogen. De dingen die Bram en Lies tegen hun moeder zeiden zou ik nooit durven zeggen tegen die van mij. Het was zaterdag en morgen zouden we met z’n allen naar het park gaan. Ik hoopte dat het voor een betere sfeer zou zorgen hier in huis. Sinds enkele weken geleden was het bekend geworden dat Lies zwanger was. Samen met haar vriend, Tomas, zouden ze het kindje houden en hier komen wonen. Ik hoopte dat ik snel veertien zou worden en mocht kiezen waar ik in de weekends zou blijven. Als die baby hier was, wou ik absoluut niet meer naar hier komen. Ik zat op de computer te chatten met wat vrienden en Joren zat naar televisie te kijken. Zoals gewoonlijk at hij een appel. Ik had het opgegeven om te tellen hoeveel appels mijn broer per dag at. Lies kwam beneden en was razend. Ze maakte ruzie met Geert. Geert probeerde haar te kalmeren toen Lies weer naar boven wou lopen. Plots sloeg ze mijn broer in het gezicht. Binnenin knapte er iets in mij. Ik stond recht en wou op Lies vliegen want niemand raakte mijn broer aan! Papa hield me tegen. ‘Wordt rustig Manon’ zei hij. Lies brulde nog wat en liep naar boven. ‘Papa ik wil naar huis’. Even later zaten we in de auto. Papa zat vooraan samen met Joren. Ik en mijn zus zaten vanachter. ‘Ik wil met jullie bespreken wat er net gebeurd is’. Ik rolde met mijn ogen. ‘Ik wil naar huis’ was het enige wat ik zei. ‘Dat gaat niet Manon, we moeten niet weggaan omdat Lies zo doet’. Ik kon mijn oren niet geloven. Ik was dan misschien maar twaalf, toch wist ik dat het niet normaal was dat een vader bij zo’n gezin zou blijven als die net zijn zoon hadden geslagen zonder reden! Maar het was al snel duidelijk dat we niets te zeggen hadden. We keerde terug naar het huis. Ik sloot me samen met mijn broer op in de kamer en hoorde hoe papa ruzie maakte met Geert tot ’s avonds laat. Het was al donker buiten toen papa met ons terugreed naar Mechelen. We zouden bij bompa gaan slapen. Toen we na dat weekend terug thuis kwamen bij mama zag die meteen dat er iets aan de hand was. Het was een tegenstrijdig gevoel. Moest ik niets zeggen? Als ik dit zou zeggen zou mama boos worden op papa en mochten we hem misschien nooit meer zien. Maar als ik zweeg moesten we terugkeren naar Brecht, naar het huis, naar Lies. Er gebeurde precies wat ik gedacht had toen ik het vertelde aan mama. Toen we in bed lagen hoorde ik haar bellen naar papa en ze schreeuwde. Toen we terug boven kwamen op het verdiep waar mijn zusje lag was mama net een koffie aan het nemen. Ik zat weer met het tegenstrijdige gevoel. Moest ik haar zeggen wat papa’s plan was of moest ik zwijgen? Papa zou Geert morgen gaan halen dus misschien kon ik best nog even zwijgen. Er kwam een priester aangelopen. ‘Wat gaan we doen?’ vroeg ik aan mama. Ze volgde mijn blik. ‘We gaan een kleine bezinning doen voor je zusje’. Eindelijk, iemand die me geloofde. We zouden bidden dat het goed zou komen. De kamer was veel te klein voor onze familie. Toch vonden we allemaal een plekje. De priester begon te praten en al snel had ik door dat we niet gingen bidden voor hoop of genezing. We namen afscheid! Ik keek rond en zag hoe iedereen huilde. Zelfs vake, de vader van mijn mama, huilde. Ik begreep er niets van. Waarom geloofde niemand dat het goed zou komen? Na de bezinning liep ik met tante Charlotte naar beneden. Zij was de meter van Julieke. ‘Manon, ik vind het zo spijtig. Het doet zo’n pijn dat ik nooit meer iets kan doen voor mijn petekind’.  Die middag at ik samen met mijn broer, neven en nichten frietjes in de cafetaria. We lachten en maakte plezier.  Ik voelde me voor het eerst sinds lang terug kind en ik voelde geen schuldgevoel om het plezier dat ik beleefde. Het zou goed komen met mijn zusje. Het zou niet lang duren voor de dokters zouden zeggen dat we Julieke weer naar huis mochten nemen. Na de heerlijke fritten liep ik naar de kamer van mijn zusje, samen met mijn broer en oma. De dokters hadden mama de toestemming gegeven om Julieke op haar schoot te nemen. De blik in mijn mama zat vol liefde en een grote dosis verdriet. Ik was jaloers. Niet op de blik in haar ogen tegenover mijn zus, maar dat zij Julieke op haar schoot mocht nemen en ik niet. De inspanning was te zwaar voor Julieke en de draden rond haar kleine gezichtje maakte het er niet makkelijker op. ’s Avonds toen ik thuis kwam zat ik op mijn grote bed en staarde naar het hoekje van de kamer waar het bedje van Julieke lag. De roze beddenhoes en lakens van Kabouter Kwebbel waren netjes opgedekt voor haar thuiskomt. Een thuiskomt die nooit zou plaatsvinden, volgens de dokter althans. Mijn gsm maakte een trillend geluid. Ik las het berichtje van Eva, mijn beste vriendin die nu op skivakantie was. Ze zei dat ze liever bij me was gebleven. Ik glimlachte naar het scherm en typte snel mijn antwoord. Maak je geen zorgen hoor, alles komt goed. Amuseer jij je nu maar gewoon daar in de bergen’. Daarna viel ik in een diepe slaap, weg van alle zorgen, weg van alle pijn. De zon scheen heerlijk op mijn witte huid. Ik keek al uit naar de paasvakantie. Nog een half dagje school en eindelijk twee weken vakantie. We hadden net ons rapport gekregen. Ik had drie buizen, maar niets nam dit vrolijke gevoel weg. Vandaag zou mijn zusje thuiskomen na een weekje ziekenhuis. Ik zat samen met wat vrienden op één van de bankjes op de speelplaats. We lachte en plande fijne uitstapjes die we zouden maken in de paasvakantie. ‘Gaat je mama niet boos zijn voor je rapport?’ vroeg Nena. Zij was naast Eva ook één van mijn beste vriendinnen. ‘Ik denk het niet, ze zal vast blij zijn dat Julieke vandaag thuis komt’ lachte ik en nipte van mijn blikje Cola. Iedereen wist hoe streng mama kon zijn als ik een buis had. Ik werd dan gestraft en had een week huisarrest. Een ding was zeker, ze zou me niet kunnen thuis laten van de skivakantie die we met school zouden maken. Vanavond zouden we met de bus richting Italië vertrekken. Het zou niet alleen mijn eerste skivakantie worden maar ook mijn eerste reis naar het buitenland. Ik keek er al maanden naar uit en telde de dagen af. Eindelijk was het vanavond zo ver. Ik en Eva zouden samen met twee andere meisjes een kamer delen. ‘Vandaag is de gelukkigste dag van mijn leven’ lachte ik. Op de speelplaats was het druk. Eva kwam naar het bankje toegelopen. ‘Manon ze riepen je naam af uit de luidsprekers’. ‘Dat is vast die andere’ antwoorde ik. Toevallig zat ik op school met een naamgenoot van me. Dezelfde voor- en achternaam en net hetzelfde geschreven. Het gebeurde wel eens dat we elkanders schoolrekening thuis kregen. ‘Zou je toch niet eens gaan kijken?’ stelde Eva voor. Ik stak mijn arm rond die van haar en we liepen samen naar het onthaal. ‘Manon je grootmoeder heeft gebeld en je moet naar huis gaan’. Ik voelde hoe Eva me steviger vast nam en hoe ik me steeds zwakker begon te voelen. Mijn hersens hadden al snel de link gemaakt dat er iets mis was, er was iets met mijn zus. ‘Wat is er gebeurd?’ kreeg ik nog net gezegd. ‘Dat weten we niet’ zei de man achter het onthaal. ‘Ik ga met je mee om de poort open te doen van de fietsenstalling. Waar is je boekentas?’ Mijn hersens begonnen verschillende scenario’s te maken in mijn hoofd. Er was iets met mijn zus. ‘Die staat in de klas’ antwoorde Eva in mijn plaats. In de verte hoorde ik hoe de man voorstelde dat Eva mee naar de klas zou gaan. De drukte van de speelplaats deed er niet meer toe. ‘Luister eens’ haalde Eva me uit mijn gedachten. ‘Misschien is er niets aan de hand?’ probeerde ze me te kalmeren. ‘Niets aan de hand?’ herhaalde ik. ‘Eva ik moet naar mijn oma gaan, er is iets. Waarom moet ik anders zo snel mogelijk daar zijn?’ Eva liep nog mee naar de fietsenstalling. De man van het onthaal legde zijn hand op mijn fietsstuur. ‘Rijdt voorzichtig naar huis’. Ik zag het medelijden in zijn ogen. Hij wist meer. De weg van school naar oma duurde tien minuutjes. Vandaag waren dat er vijf. Ik ademde nog diep in voor ik binnenliep. ‘Manon?’ hoorde ik vanachter. Ik deed de voordeur open met de sleutel en liep naar de keuken. Mijn broer zat al aan tafel. Moeke, zo noemde we haar, liep heen en weer en vulde wat zakken. ‘Vake zal zo dadelijk thuis komen en dan vertrekken we naar het ziekenhuis’. Dat was het enigste wat ze zei. ‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ik bang. ‘Dat weet ik zelf niet’. Ze loog. Mijn broer speelde met zijn Gameboy en ik staarde wat uit het raam. Het leek wel uren te duren voor vake thuis kwam, maar in de realiteit liep hij na enkele minuten al binnen. ‘We zijn weg’ zei hij gehaast. In de auto was het stil, niemand zei een woord. Het was warm dus draaide ik mijn raampje omlaag. Leuven was een eindje van bij moeke en vake’s huis. Toen we aankwamen bij het ziekenhuis stond papa buiten aan de ingang te wachten. Hij begroette moeke en vake en die begroete hem terug. Ik schoot bijna in de lach van het vreemde tafereel. Moeke had nooit een goed woord te zeggen over mijn papa. Toen verdwenen ze naar binnen. Papa ging op zijn hurken zitten. ‘Ik moet jullie iets vertellen over ons zus’ begon hij. ‘Julieke heeft niet lang meer te leven’. Hoe vaak hadden de dokters gezegd dat mijn zus niet lang zou leven? Hoe vaak hadden ze gezegd dat we er rekening moesten mee houden dat ze maar zes zou worden? Ze was er negen. We hadden haar negende verjaardag  vorige maand nog gevierd. Hoe vaak ze ons hadden gezegd dat er ooit een dag zou komen dat we afscheid moesten nemen van Julieke , ik voelde me verlaten, gekwetst en boos. Ze hadden het gezegd en ik had het daarstraks geweten toen ik op school naar huis werd gestuurd. Maar zelfs nu ik de woorden hoorde van papa was het een klap in mijn gezicht. ‘We gaan naar boven, heel de familie is hier’. Het was Paasmaandag. In Leest was er een grote braderij te doen, dus zelfs rondom Mechelen was het druk. Vandaag zou papa zijn ex - vriendin,  Geert meebrengen naar het ziekenhuis. Ik zag al op tegen  dat moment. ’s Morgens was het rustig in het ziekenhuis. Sommige van de familie waren nog onderweg. Vake zat een krant te lezen, moeke babbelde met mijn jongere neefje en mama was bij mijn zusje. Tegen de middag kwam papa aan met Geert aan z’n zijde. Mama werd boos en begon te brullen dat zij hier niet welkom was. Moeke kwam tussen beide en zij dat ze dit buiten moesten gaan uitvechten, niet in de buurt van Julieke. Maar papa begon te vloeken en liep weg. Ik had geen behoefte om hem achter na te gaan. Ik liep de kamer van Julieke binnen samen met mama en mijn broer. Ik en mijn broer gingen elk aan een kant staan. Hij links, ik rechts. Mama stond achter het bed een streelde de kleine fragiele voetjes. Ik wreef over het handje van mijn zus zoals ik altijd had gedaan. Met mijn andere hand maakte ik cirkels rond haar oogjes. Hier had ze altijd van genoten. En op dat moment begon de machine naast haar een vreselijk geluid te maken. Een geluid dat mijn hart door twee scheurde. De tijd stond stil. De verpleegster kwam binnen kijken en zei dat ze de dokter ging halen. Maar geen van ons drie reageerde. Mijn broer hield zijn vingers rond Julieke’s hand, ik bleef strelen en mama liet haar voetjes niet los. De dokter kwam binnen en bestudeerde het apparaat. ‘Het spijt me’ begon hij. ‘Ze is zonet overleden’.

Ana - lena
0 0