Zoeken

Duin

Duin   ‘T’is toch altijd spannend om eerst het water te horen vooraleer je er een glimp van opvangt, vind je niet. Nog even klimmen en we zien haar.’ Met overdreven dichtstem voeg ik eraan toe: ‘de zee: een vertrouwde kracht die nooit exact dezelfde vorm aanneemt.’ Haar reactie had ik wel verwacht: ‘Eumm, ik denk dat je dit al eens eerder hebt gezegd. Of nee: geschreven.’ Ironisch genoeg reageer ik voor de honderdste keer met hetzelfde: ‘Moet dan alles wat er gezegd wordt uniek zijn? Alsof alleen eenmalige dingen waardevol zijn.’  Het fronsen van haar wenkbrauwen is even prominent als haar ingehouden lach. Ik vervolg dan maar: ‘Jij vraagt me toch zelf zo vaak om te herhalen waarom en hoeveel ik van je hou.’ Terwijl de zon in haar blonde haren met schakeringen van geel en goud speelt, antwoordt ze: ‘Maar dat is net iets wat telkens anders kan. Je liefde blijft hetzelfde, maar hoe jij je er op elk moment bij voelt en hoe je het onverwoordbare in woorden giet, is toch telkens nieuw.’  Mijn hart mist een slag. We komen dichterbij. Ik heb dit zo goed voorbereid; heb hier al honderden keren gewandeld in mijn gedachten en toch ben ik nerveus. Alsof haar antwoord me nog zou kunnen verrassen. Alsof één plus één opeens toch nog iets totaal anders dan twee zou blijken. We wandelen verder over het strand, laten voetstappen achter die door getijden stapsgewijs zullen wegebben. Ik draag de picknickmand, zij het lakentje en de camera. We hervallen in een zalige stilte opgeluisterd met een harmonica van golven, een zoute bries en het genot van niks te hoeven zeggen. Vogels beheren de lucht en ongetwijfeld zwemmen vissen als keizers onder de blauwgrijze spiegel van de zee. Maar wij zijn landdieren. Wij voelen ons opperbest als we met onze voeten paden kunnen creëren die nooit eerder zijn gevormd. Zo bewandelen we deze aardbol begeesterd en bezield. Wat ons gisteren en morgen aan volledige vrijheid doet ontberen, zijn krachten groter dan wijzelf: maatschappij, tegenslag, onomkeerbaarheid. Maar wij tweeën, op dit moment, zijn vrij. Het liefst wil ik dat we terugkeren en dezelfde wandeling meteen opnieuw doen, maar dan in elkaars voetstappen. Gewoon omdat het kan. Dit idee spoelt me terug naar de eigenlijke reden van deze wandeling. Wat ik het liefst wil, is heel mijn liefde, hartstocht en overtuiging bundelen tot één klein geheel. Ik wens mijn gevoelens voor haar, voor ons, te smelten tot één uniek symbool: een schelp of smaragd of een metafoor als deze:   Liefde is een tweezit die in tijd en ruimte opschuift om de juiste mensen op te vangen en hen dan toefluistert: ‘maak het je gemakkelijk en geniet van de rit. Eerst zetelen, dan pas nestelen. Als je het goed doet, leven jullie samen dubbel zo lang.’   We zitten naast elkaar op ons lakentje op de hoogste duin, met ogen en doelen in dezelfde richting en beider hart als kompas. Vol emotie kijk ik nog een laatste keer naar de zee en spreek tot mijn geliefde in een stem die probeert zware woorden licht te doen klinken: ‘De tijd is rijp om lentes als bruggen over komende winters te slaan.’ Pas dan wend ik mijn blik naar haar verwonderd gezicht, waar het altijd warm is, waar zij vol van leven, alle zonnestralen en deze vraag opvangt:

Joachim Stoop
8 0

Parijs (fragment uit reisdagboek)

Dinsdag 15 april 2014   Rond acht uur wakker. P. gaat de deur uit met de mededeling dat ze naar de bakker om de hoek is. Na tien minuten de gekende doemscenario’s en de tegelijk voorspelde opluchting als ik haar de gang hoor opkomen. Vrij laat de deur uit. Van Laumière met de metro naar Champs Elysees Clemenceau. Te voet tussen het Petit Palais en het Grand Palais, over de Pont Alexandre III, langs het Hôtel des Invalides. Hoewel de zon schijnt, is het koud. Langs Rue de Grenelle naar Jardins du Champ- de Mars. Dit is wat je als toerist bij een eerste bezoek aan Parijs doet, of op klasuitstap, in een bus en dan om de tien minuten uitstappen, terug de bus op, niemand die naar de leraar vooraan luistert. De Eiffeltoren is van onderuit, tussen de bomen en struiken bekeken, desondanks indrukwekkend. Ik wil naar het Trocadéro omwille van Picasso. Maar ik heb me vergist. Van zodra ik de open armen van het Palais de Chaillot herken, herinner ik me van een bezoek met de leerlingen de Afrikaanse venters die hen Eiffeltorentjes, armbandjes en horloges probeerden te verpatsen. Vooral de meisjes werden aangeklampt. Ze lieten het zich gillend welgevallen, maar gingen voor de zekerheid toch maar in groepjes bij elkaar staan. Maar dit heeft niets meer te maken met het Palais de Tracadéro waar Picasso een grote eeuw geleden de Afrikaanse maskers zag. Via Avenue des Nations Unies en de Boulevard Delassert lopen we naar de Place de Costa Rica. Op een terras uit de wind, met onze snoet in de zon drink ik een petit café, P. een jus d’ orange. De sigarettenrook van de jongens naast ons waait onze richting uit. Voor ons twee maatpakken. Een man steekt de straat over, sigaret in de mond, beide handen in de zakken van zijn manteljas. Waar Auteuil in de negentiende eeuw nog een dorp buiten de stad was, is het vandaag één van zijn betere, residentiële buurten. Voor het Maison Balsac wordt de dagindeling van de schrijver op een informatiebord vermeld. Opstaan om middernacht, schrijven tot acht uur, petit déjeuner in een kwartier, schrijven tot zeventien uur, diner en slapen. Het bovenstaande schreef hij in een brief aan een vrouw, hij zal er wel een schepje bovenop gedaan hebben, zeker? In een zijstraat staan kubistische huizen van Mallet-Stevens uit de jaren twintig. Wij hebben nog nooit van Mallet-Stevens gehoord, maar het stond in de reisgids en dan denk je dat dat de moeite waard is. Enkele jongemannen staan artistiek heel verantwoord rond een kleine vrachtwagen bij de achteruitgang van een filmstudio. Ze doen of ze ons niet zien. De gids heeft het verder over de Fondation Le Corbusier. Ah,die kennen we! Volg de leider! Maar wat we ook zoeken, de Fondation Le Corbusier vinden we niet. Tot een wegwijzer ons naar links dirigeert, maar dan zijn we het al moe. Op weg naar de metro nog langs de Rue Pierre Guérin, een straatje in kasseien dat ons zou moeten doen ‘basculer dans l’autre siècle, en plein village.’ We halen de schouders op, slaan de gids dicht en lopen verder. Veertig minuten metro, helemaal van République naar Laumière. Na het eten twintig minuten slapen. Het raam staat open. Veel rumoer op de binnenplaats. Met de metro naar Batignolles. ‘Le village de Batignolles,’ daar gaan we weer, hou je vast, ‘a conservé une grande partie de son caractère provincial.’ Maar het is er gemoedelijk, de Parijzenaars zijn er in groter getale dan de toeristen. In het parkje op de Squaire de Batignolles zitten we een groot uur tussen de duiven, bergeenden en agressieve Canadese ganzen. Met name een solitaire Nijlgans moet het ontgelden. Verder veel kinderwagens met blanke kinderen, voortgeduwd door zwarte kindermeisjes, oude mensen op de groene banken en een bejaard mannetje in bruin kostuum, bruine leren schoenen en een foulard rond de hals die we vier keer snelwandelend voorbij zien komen, de rechterhand als een klauw opengesperd achter zijn rug. Zijn dagelijkse wandeling volgens P. Dat, of een dwangneurose – je weet het niet. Net voor we vertrekken een verpleegster met een bejaarde vrouw in een rolstoel. De vrouw houdt een wit struikbloempje in haar hand. Als een klein kind wordt ze door de verpleegster vanaf de rand van het gazon de eendjes in de vijver aangewezen. In de Rue Brochant zitten we zolang de zon niet achter de huizen is verdwenen op het voetpad voor café Le Tempo. Als het te koud wordt gaan we naar binnen. Ik drink een glas Heineken, P. een cappuccino. We zitten aan een kleine toog op krukken voor het raam en kijken als vissen in een aquarium naar voorbijgangers en diegenen die buiten in de schaduw zijn blijven zitten. Binnen staat luide popmuziek op, maar zonder te storen. Aan de overkant van de straat, op de hoek, ligt café Le Bloc. Achter een vitrineraam een krijtbord met tussen en rond de tekst zweepstaartkrullige tekeningen in de stijl van Alechinsky. Artistieke types aan tafeltjes op het voetpad. Wanneer de straat wordt overgestoken, gebeurt dat bedachtzaam, in slow motion een sigaret van tussen de lippen plukkend, of breedvoerig, met wapperende handen die afgaand op de bijhorende gelaatsuitdrukking iets belangrijks aanschouwelijk maken, het haar in zorgvuldige nonchalance meedeinend op een tred die in zijn vastberadenheid exemplarisch is. Tegen zessen komen mannen met een brieventas onder de arm Le Tempo binnen voor een nabespreking. Ze drinken cola en koffie. Op straat veel schoon volk. Een man achterop een vuilniswagen rekt zich gevaarlijk ver naar achteren om het een en ander goed te kunnen zien. Op het balkon op de tweede verdieping van het gebouw aan de overkant spreidt een man of een vrouw – van waar we zitten is het moeilijk te zien – in een marine T-shirt een Michelinkaart open. Waar gaat die op reis? Na tien minuten is de man – het is een man volgens P. – in een worsteling met meerdere kaarten verzeild geraakt. Hij houdt ze aan de rand vast en laat ze eerst door de wind open wapperen. Daarna is het zaak met een soort van spreidstand van de handen de boel zowel gestrekt te houden als glad te strijken. Dat is moeilijker dan het lijkt, aangezien plooikaarten de neiging hebben van zodra je ze los laat opnieuw op te krullen, zoals een kind dat niet in bad wil de gang oprent zodra je het uit het oog verliest. Wil hij de kaarten aaneen lijmen misschien? Is dat de bedoeling – er één grote kaart van maken? Geef mij landkaarten en ik ben een kind in de zandbak. Laat me ze verknippen en aaneen lijmen – voor nóg meer overzicht – en ik hoef geen ijsje, suikerspin - niets: aan het zand alleen heb ik genoeg. Wie zou geen zo’n kind willen? In Comme chez Maman zitten we op dezelfde plaats als vorig jaar, aan het raam. Gegrilde zwarte pens in een vinaigrette van rode vruchten – als ik de korst openbreek komt er rook uit. Voor P. carpaccio van champignons en radijs met parmezaan, iets dat ze naar eigen zeggen ook zelf zou kunnen maken mocht ze een goeie dunschiller hebben. Van dat laatste maak ik een mentale notitie. Daarna varkensvlees met boontjes in een zoetzure saus van gekonfijte mini-appelsienen. Dezelfde wonderbaarlijke puree als de voorbije jaren, maar te koud deze keer. Marmite de Mer voor P. Het vriendelijke meisje dat ons bedient, meen ik me van vorig jaar te herinneren. Een al even vriendelijke jongen wijst me ongevraagd de toiletten. ‘Oui oui, je sais,’ zeg ik. Bij het afrekenen krijg ik die aanmatiging als een boemerang terug. De jongen vraagt of we het restaurant misschien kennen, ‘parce que vous disiez “je sais”’? Als ik voor we vertrekken een tweede keer het toilet uitkom, staat hij met iemand in de keuken te praten. ‘Merci, hein,’ zeg ik op een toon alsof ik hem al jaren ken en maak met mijn arm een zwaaiende beweging in zijn richting. Misplaatste onderdanigheid, maar wel erg kenmerkend voor hoe ik me tegenover onbekenden in gênante situaties gedraag. Oscar Niemeyer ontwierp het hoofdkwartier van de Franse communistische partij op de Avenue Marthurin Moreau. We komen er langs in het naar huis lopen. Ik ben in een euforische stemming. Bezing het communisme en de pas aangeplante bomen langs de Rue Manin. Een stad die naar eigen zeggen honderdduizend bomen heraanplant is een stad naar m’n hart. Op de trappen van het stadhuis de avondsigaret. Een vrij onrustige nacht. Als ik tegen drieën opsta om te plassen, zie ik dat er nog licht brandt in een van de appartementen aan de overkant van de binnenplaats. Ik blijf er in het schemerduister enkele minuten naar staan kijken.

detroostvancontouren
0 0

Metz-Mutier (fragment uit reisdagboek)

Vrijdag 25 juli 2014 (samen met S. op een camping in Ranspach – de Elzas, tegen de grens met Zwitserland)   Na het ontbijt vervoeg ik de rij voor de bestelwagen van de bakker. We hebben koeken nodig voor onderweg. Telkens iemand zijn of haar bestelling opgeeft, schuifelt iedereen vijf passen voorwaarts. Er wordt niet gesproken of gelachen in de rij. Pas wanneer je aan de beurt bent mag het. Dan plooit het gezicht open en wordt een pen de sjokolat gevraagd. Sjilvoeplait. Langs een mooi fietspad naar Than, waar we proviand inslaan. De eigenaar van de delicatessenzaak is behalve joviaal ook erg commercieel. Als hij hoort dat we aan het fietsen zijn, zet hij een mand met worst op de toonbank. Ideaal voor de picknick. En als we wat later de route met hem bespreken en opmerken dat het warm wordt, blijkt hij ook gekoeld bier te verkopen. Na Than wordt het landschap stilaan Zwitsers. Vakwerkhuizen in pastelkleuren (geel, blauw, roze). Blauwe bergen op de achtergrond. Ooievaars in de weiden, cirkelend op de thermiek en een keer op een nest op de schoorsteen van de kerk. We zitten in de Elzas. Ik verneem het na een klim van een man die met zijn vrouw en hond aan een wandeling wil beginnen. Hij is uit de buurt en duidt de bergen aan die je van hieruit kunt zien: Ballon d’Alsace, Planche de belles Filles. Aangestoken door de aandacht die ik hem schenk, begint hij half voor zichzelf, maar luid genoeg opdat ik het zou horen, over slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog. Na aardrijkskunde, de geschiedenisles. Maar we zijn al op weg naar onze fietsen. In Traubach-le-Haut eten we in Café de la Poste. Bar-tabac-boulangerie-restaurant, alles ineen. Het brood en de koeken ligt gewoon op een van de tafels in de eetzaal. Twee vrouwen lopen in de zaal rond, de kokkin staat in de keuken met een vuil schort om. Een plek naar mijn hart. Na de salade komt er varkensvlees op het bord, gebakken kool en spek en een soort deegbolletjes. S. kent ze, die bolletjes, je maakt ze door het deeg op een bakplaat te laten druppelen. Erg ambachtelijk. Ik vraag aan de kokkin hoe de dingen heten, waarop ze een kartonnen doos neemt en de naam van het etiket spelt. Knepple. Hoe? Knepple – ze schrijft het in mijn schrift. Terwijl ze een stukje meeleest, leunt ze met haar rechterborst op mijn schouder. De temperatuur varieert volgens verschillende thermometers op straat tussen de 32 en de 35 graden. Het is in elk geval warm. Laatste tussenhalte voor vandaag, een warenhuis waar we behalve fruit en groenten ook wijn kopen. Achteraan in elke fietstas één fles – alles voor het evenwicht. We rijden Zwitserland binnen. Intussen betrekt de lucht. In de verte rommelt het. Schuine strepen aan de horizon betekent regen. Aan een man in zijn tuin vraag ik of het onweer onze richting uitgaat. Hij weet het niet. Hij is Italiaan zegt hij en roept ‘Nibali’! Dan neemt hij me mee naar de lokale dorpsgek die in mijn gezicht spat, maar in essentie hetzelfde als de Italiaan zegt: je weet het niet. Het regent hier en een kwartier later schijnt de zon, je gaat in T-shirt en teenslippers het huis uit en krijgt een onweer op je dak. Hij haalt de schouders op. De Italiaan lacht mijn bezorgdheid weg, maar op een goedmoedige manier. Hij haalt een Italiaans spreekwoord boven. Iets met de wind en mee laveren met de wind. Een sympathiek man. Bij het uitrijden van het dorp vraagt S. de weg aan een jongeman die daarvoor speciaal uit een stal moet komen lopen. Het gesprek wordt overstemd door koeien die bij het zien van de jongen om het hardst loeien. Hoog in de lucht het silhouet van een rode wouw. Wat verderop een boerin die een liggende koe slaat om haar te laten opstaan. Een hond die behulpzaam naar de koe blaft wordt weggejaagd. De koe springt recht, wankelt en valt opnieuw neer. Als ik achterom kijk, zie ik dat de vrouw de koe in haar hals streelt. Col de Rangiers. Bruin water naast de weg. Ook in de bandensporen op het asfalt water dat naar beneden stroomt. Halverwege de col begint het te gieten. We stoppen om regenjas en overschoenen aan te trekken. Links en rechts is het nu aan het bliksemen, maar het onweer beangstigt me niet. Misschien omdat het bijdraagt tot de heroïek van de beklimming? Als je in je hoofd dan toch een film draait van wat je aan het doen bent, waarom jezelf dan niet meteen de hoofdrol geven? Uit de vallei stijgt nevel op. Bijna boven vragen we raad aan twee mannen die een drankstalletje uitbaten. Ze verwijzen ons na telefonisch overleg naar een hotel wat verderop. Bij het afscheid gooit een van hen de armen in de lucht en roept: Jacques Brel – Stromae! Eden Hazard, vult de andere aan. Monsieur Yves Petignat laat ons de fietsen in een soort schuur annex feesttent zetten. Hij is de vierde generatie Petignat die sinds 1906 hotel La Caquerelle uitbaat. Het hotel ligt op de top van de col de Rangiers, op 834 meter om precies te zijn. Een jongen brengt ongevraagd mijn fietstassen naar onze kamer op de derde verdieping. ‘Service’, zegt hij als ik hem daarvoor bedank. Ook in het restaurant zeggen hij en de eigenares bij het minste – het brengen van de menukaart, het wegnemen van onze borden – ‘service’. Nadat hij ons de menu du jour heeft uitgelegd – binnensmonds, maar hoe kan zij dat weten - komt de vrouw dat herhalen. Terwijl hij erbij staat. ‘Ja,’ zeg ik, ‘monsieur nous a déjà raconté.’ In het restaurant zit een man in een sportbroek. Hij kijkt angstvallig naar ons op - of we wel goeiedag knikken? Dat doen we. Tegenover hem een koppel waarbij de gastvrouw tussen twee services door aanschuift. Het eten is ontgoochelend. Na de salade een blanquette met pâtes. Volgens S. is het vlees ontdooid. Voor het hotel vliegen huiszwaluwen af en aan. Op de letter “e” van hotel zit een kwikstaart. Op de kamer kijkt S. tv. Ik schrijf. Een avondsigaret achter het hotel, op een pad dat de vallei inloopt. Gekras van raven in de bomen. Met tientallen tegelijk vliegen ze op. Als ze overvliegen hoor ik hun vleugels in de wind. Aan de rand van de vallei is het doodstil. Uit de vallei stijgt een witte nevel op, zo dik dat de dorpen beneden in brand lijken te staan. De ondergaande zon. Onzichtbaar van waar ik sta, koeien of schapen met een bel rond hun nek. Zwitserland zoals je het je voorstelt. Ik loop terug. Achter de schuur ligt een cabine van een skilift. Intersport staat erop. In een kapel naast het hotel schilderijen in het donker, als in een museum dat nooit iemand bezoekt.  

detroostvancontouren
0 0

Svetlana

De Rode Zee is van een extreem blauw. Er ligt een spaarzaam strandje langs. Het randje van een land in ontwikkeling. Strooien parasols. Half afgewerkte (of half afgebroken) toeristische infrastructuur. Ernaast een tent van UNHCR waar mensen in wonen – dit land is werkelijk tot de rand gevuld met vluchtelingen. Aan de overkant de Sinaï. Daar besmuikte gisteren een rookpluim van een bomaanslag dit intense tafereel. Nu omkadert vurig fuchsia van een bougainvillea mijn vista, oleanders gniffelen in de wind. Een rafelig strandje Voor dit multireële tableau, zit ik. Ik tuur de horizon af. Ik wacht op mijn man. Al weet ik hem gewoon onder dat strakblauwe wateroppervlak, voorzien van zuurstofflessen en een goede gids, ik stel me voor dat zijn wereld nu vol sirenen, heremietkreeften en regenboogvissen is. Maar zeker ben ik dat hij straks als een goedgeluimde Neptunus uit de branding zal verrijzen. In afwachting zit ik met Lana opgescheept. Op het half afgewerkte terras van de half afgebroken duikclub is ze niet met de lichtste aarzeling op me afgestapt. En tenslotte aan mijn tafeltje komen zitten. Lana moet een eind in de vijftig zijn, misschien zestig, of wie weet wel zestigplus. Aan Lana heeft de tijd nog niet veel aandacht besteed. Haar gezicht is bondig en vrij van fijne lijnen. Haar korte stugge haar kan, naargelang het felle licht, evengoed blond als grijs zijn. Onder haar rode koltruitje zit een slanke lijn in haar zij, waar ze voortdurend haar handen legt en cirkels met haar heupen wiegt. Lana houdt van honden (dat verhaal bespaar ik u) maar heeft met katten gemeen: haar lenige lijf dus, en meerdere levens. Die ze nu gul aan mij vertelt in een Engels met de afgemeten mechaniek van een notenkraker. In een vorig leven was Lana Svetlana. Een man, drie kinderen en een koude oorlog later is ze in de Golf van Aqaba verzeild. Haar nieuwe man is Jordaans, rookt en drinkt, heeft een hartprobleem. En liegt niet meer tegen haar. Hoe dat laatste zo is gekomen, dat krijg ik willensnillens te horen. Aan ‘in goede en kwade dagen’ had Lana haar Mohammed laten toevoegen dat hij zou stoppen met roken en drinken. Die extra trouwgelofte was de uitkomst van een voor haar zeer logische gedachtengang geweest: zijn hartinfarcten waren volgens de dokter het directe gevolg van zijn slechte gewoonten. Dus moesten die gewoonten Siberischkoud afgeschaft worden. Zo beloofde haar Mohammed. En zo geloofde zij haar Arabier. Tot ze hem op een dag betrapte. Rokend met zijn broer. Dat liet Lana niet over haar kant gaan. De poten van het ijzeren stoeltje gieren over de terrastegels als ze recht gaat staan en mij met een zwier van haar armen toont hoe ze de riem uit de broek van haar man sleurde en hem hiermee slaat. Mijn oren doen er pijn van. Voor mijn ogen lijkt het opnieuw te gebeuren: de ranke Russische slaat haar man voor het oog van zijn broer en wie weet de hele clan die er net op bezoek was. En haar Arabier, die gaat bij zijn moeder uithuilen. Maar het mag niet baten: de stamouders geven Lana gelijk. Trouw is een weids woord. En nooit gratuit. Dit moet even bezinken. Samen turen we naar de kruimelige bodem van het lege zwembad, Lana en ik. Over de manvrouwverhouding in deze maatschappij raak ik elke dag meer in de war. Over de liefde geen woord. Ik wil het niet weten, maar het lijkt me dat op het droge geen prijs voor Lana te hoog was voor de vrijheid om hier elke dag, wars van Rusland, naar het koraalrif te duiken. Volgt nog het verhaal van de straathond. Met de puppies. Maar dat bespaar ik u, zoals beloofd. Waar blijft Neptunus nu toch? Ik kan al niet wachten om straks het zeewier van tussen zijn baard te oogsten en gepekelde kussen van zijn mond te plukken.

Marjanne Sevenant
0 0

Ramadan Kareem!

Op de eerste dag van de Ramadan komt onze dochter uit school gefladderd met een papieren lampion aan haar hand waarop haar dartelheid zich in blauwe stippen en geel-met-roze wolken aftekent. ‘Dit, mama,’ zegt ze, ‘is een ramadan kareem!’ De r-en lopen sterk als Arabische koffie uit haar mondje. Dat de Ramadan zo tastbaar een luchtige lampion kon zijn, dat had ik op voorhand niet kunnen denken. ‘Maak dat je wegkomt voor de vasten begint!’, luidde het eenvoudigweg bij de andere vreemdelingen hier. Stoffige dagen, hongerige chauffeurs, dode winkels, eten noch drinken. Of bedreigingen als je het toch doet. Nu komt, zo leerden we al, het verblijf in een gastland met lusten en lasten. De Ramadan kreeg het voordeel van de twijfel. Bovendien schijnt hier nu elke dag de zon en vraag ik onze dochter soms om mij een wolk te tekenen zodat ik het bestaan ervan niet vergeet. Zo slecht kon het toch niet worden. En het beste was nog dat ik zelf niet zou vasten. En tastbaar werd de Ramadan. Op vele momenten, maar nog het meest van al in dat onbestemde land tussen de dag en de nacht. Net voor de zon de kim gaat kussen. Niet zoals anders slokt het donker de geluiden op. De muezzin klimt de minaret op en schraapt al zijn keel. Want deze keer gaat iedereen luisteren. Schotels worden dampend op tafel gezet. Water, dadels, vruchtensap. Sigaren en aansteker grijpklaar gelegd. Hoort!, hoe de mensen zich naar hun huizen haasten. Geroezemoes en gekonkelfoes. Tot dan, de muezzin zo verlossend de nacht inzingt. Komen eten! Daar tinkelt overal het bestek. De iftar begint. En later, terwijl de volle maan over de stad zeilt, waaien vanaf de minaret eindeloos woorden aan tot bij de sterren en wie het horen wil. Alles komt goed, zo klinkt het. Als sprookjes van duizend en één nacht. Op ons terras zijn onze avonden gevuld. Van een wereld rondom waar wij maar schaars deel aan hebben. Af en toe breekt de klap van een vuurpijl buiten of het sissen van een voetzoeker. Wij denken na over de dagen. Over de tijd die nu met twee tempo’s lijkt te gaan: loom en trager, nerveuzer en koortsachtig rijk en vol. Tot op een nacht percussie en een lallende stem tegen mijn slapen komen gebotst. Bijna roep ik om mijn moeder. Tot ik weer weet dat ik zelf mama ben – hopelijk sliepen de dochters er doorheen. Dwars door ons huis lalt de man, zo lijkt het wel. Zijn stem verwijdert zich, maar het bonzen stopt niet. Of neen, dat is mijn hart. Op de klok is het twee uur dertig, 2.30u in de ochtend! ‘Het is niet omdat jullie Moslims het nachtje doordoen, dat je ons erbij moet betrekken!,’ denk ik het hele ontbijt lang. De volgende nacht is de lallende man er weer. Heeft nu nog geen enkele buur hem een schoen toegeslingerd? En de nacht daarop opnieuw. Wat een tolerantie! Of er moet een verband zijn. En zoals met alle raadsels in dit samenleven hier, leg ik het voor aan mijn Mevrouw de Uil. Mevrouw de Uil, dat is Miss Hanan. Zij is de directrice van het schooltje. Miss Hanan, voor wie ik een groeiend respect koester. Niet in het minst omdat zij de mooie combinatie bezit van gulle wijsheid en kinderlijke blijheid. Wanneer ik voor haar de nachtelijke onderbrekingen van percussie en dronkemansgebras op mijn vingers tel, beginnen haar ogen te glinsteren. ‘Bestaat dat nog?,’ roept ze uit, ‘Waar woon jij wel?’ Zij spreekt de woorden alsof zij daar ook wil wonen. Want in onze wijk, zo blijkt, flakkert een oud gebruik weer op. De trommelaar. In ruil voor wat eten haalt hij de mensen uit hun bed. Zo hebben ze tijd genoeg voor de maaltijd tot de muezzin weer tot de orde van het vasten oproept. In de zomer wordt het vroeg licht. De nacht daarop gaat de folklore aan mij voorbij. Ik word niet meer wakker. Ramadan kareem!

Marjanne Sevenant
0 0

To be

Lieve landmeter, Slechts rakelings zijn onze levens langs elkaar gescheerd. En toch, niet omwille van de alliteratie hierboven, noem ik jou ‘lief’. Je was, na al die maanden in dit land, de eerste die mij vroeg of jouw roken in mijn buurt mij niet stoorde. Alleen al daarom. Veel weet ik niet over jou. Je afkomst en je beroep. Vanwaarbenje en watdoeje. Dat was genoeg voor mij. Het riep een wereld voor me op. Landmeter, uit Syrië. In het lauwwarme uur aan het eind van de dag legden onze schaduwen zich samen op de stenen zitjes van het Romeinse theater in het hart van Amman. De kleine vedetten van de avond lieten op zich wachten. Niets in in dit land begint op tijd. Jij en ik geraakten aan de praat. Of ik het niet erg vond dat het theaterstuk Arabisch gesproken zou zijn, wou je weten. Ik weet niet of ik jou heb kunnen uitleggen hoe ik daar hoegenaamd niet aan tilde. Dat het voor mij genoeg zou zijn om te zien en te horen. Shakespeare door een groep kinderen uit het grootste Syrische vluchtelingenkamp in Jordanië: Zaatari. Shakespeare en Zaatari in één zin, dat volstond. Van België wist je dat het er goed leven is. En je kende één stad: Brugge! (Van de film “In Bruges”.) A small town, zei je, almost a village. Tjaa. En je had gehoord dat in België homo’s homo’s mogen zijn. Ik stond bij die kennis van jou niet lang stil. Maar achteraf beschouwd, je witte T-shirt met een V-hals tot net boven je gitzwarte borsthaar, wie zal het zeggen en wat doet het er toe. In Damascus heb je nog familie wonen, vertelde je. Ze willen er niet weg. Het is er relatief rustig. Zou dat op den duur wennen, dat geroffel in de verte en mensen die daarvan sterven? Ik heb het jou niet gevraagd. In Saudi Arabia had je een goeie job. Maar tegenwoordig is de verblijfsvergunning voor een Syriër jou te duur. Dus leef je in Amman. Illegale ober (maar zo ga ik jou dus niet aanspreken). Je hebt vele vrienden hier. Allemaal Syriër. Verbeeldde ik het mij of ging er een rilling door de lauwe tribunes, toen over het orchestra daar beneden plots een kleine jongen zonder benen werd gerold? Een andere jongeman, ook in een rolstoel, tilde de jongen op tot ver boven zijn hoofd, tot dichtbij het heldendom. En schaterlachen dat die twee deden. Zoveel andere dingen om naar te kijken in dat Romeinse theater, maar volgens mij had iedereen net dat gezien. Kreeg jij, lieve landmeter, daar ook kippenvel van? En toen begon het. Een roedel zwarte kopkes stoof het theater binnen. Samengebracht door de echte tragedie en de tragedie van Hamlet. Glitterpailletjes, sluiers, speelgoedzwaarden, krullepruiken, koning en prinsessen. Ze speelden het woestijnstof van de stenen. Boven het theater werd de avond van terracotta. Tegen de moskeeën knipte het groene neonlicht aan. Hoog aan de hemel dansten twee vliegers muisstil. Toen begon de stad de zonsondergang in te zingen. In het theater stroomden alle grote mannen tussen de tribunes naar buiten en haastten zich naar het gebed. Maar niets bracht de jonge acteurs uit het lood. Niet alleen door een taalverschil had ik het eind van het stuk niet zien aankomen. Toen de nieuwbakken acteurtjes zich in lange rijen opstelden, en met hun kartonnen wapentjes fiks in de hand de steile trappen tussen het publiek omhoogklommen. Toen het plots zo luid en overtuigd uit hun borstkasjes klonk: “To be or not to be!”. Tot ver boven de vliegers ging het. “To be or not to be!”. Ik hoor het nog in mijn hoofd! Het was geen stofje in mijn oog wat mij parten speelde. Na het eindeloze applaus voor het stuk, en voor veel meer, gingen jij en ik elk weer naar ons eigen leven. Ik kwam thuis en sloeg stomweg de krant open. Een fotoreportage. Een meute zwarte kopkes in het rosse gras. Met zelfgemaakte speelgoedwapens in de weer. Het konden mijn steracteurtjes zijn. In de velden rond hun vluchtelingenkamp in Jordanië waren ze aan het oefenen voor Shakespeare’s tragedie. Dat dit in mijn Belgische krant kwam! Tot ik de titel boven de reportage las: Kindrebellen. En de tekst langs de foto’s. Deze kinderen waren niet in Zaatari. Ze waren nog op het Syrische platteland. Ze hielden generale repetitie voor een echte tragedie. Lieve landmeter uit Syrië, naar de tragedie in je land kijk ik evenzeer met ongeletterdheid. De plot begrijp ik niet en evenmin zie ik het einde aankomen. Maar tegen beter weten in hoop ik heel vurig dat jij binnenkort weer land mag meten ginds. Het ga je goed, hier en nu en ginds en later, Marjanne

Marjanne Sevenant
0 0

Van weg geweest

Er is een knalgeel eendje voor Julie. Het rinkelt en knispert een beetje als je erin knijpt. Ik reik het haar aan. Ze brengt haar beide armpjes omhoog, strekt haar vingertjes uit en plukt het met twee handjes uit mijn handen. Aangereikte dingen met twee handen aannemen, in India heb ik geleerd dat het in Azië een gebaar is van respect. Ik heb het altijd een mooi gebaar gevonden. Alsof je iets ten volle grijpt. Van overal neem je iets mee. Het brengt me bij mijn mijmeringen op de fiets wanneer ik het bochtige pad neem langs de rivier op weg naar mijn werk. De rivier geeft meer stenen bloot dan anders. Het groen is uitbundig nu, het schreeuwt in vele vormen. Mijn mond valt open en er dansen muggen binnen. Ik verslik me in de natuur. Soms ligt een dikke tak op het pad na een donderstorm – zo heet het hier – , waar ik dan mijn fiets overheen moet tillen. Een stuk bos dat praktisch begint aan onze voordeur, en elf kilometer verder praktisch eindigt aan de glazen draaideur van mijn kantoorgebouw langs Pennsylvania Avenue. Een man in uniform met witte handschoenen laat me binnen en wenst me een mooie dag. Stel je dat even voor. Enkele blokken verder ligt het Witte Huis en daarvoor het IMF dat sinds kort een nieuwe baas heeft, ik las het nog in de krant. De dijk ("Boardwalk") in Oceancity Stel je dat even voor. Soms zeg ik dat tegen mezelf. We mogen stilaan beweren dat we een vol jaar hier zijn, een vol jaar niet meer in België geweest. De dingen wennen. Er komen schuurplekjes op het laagje chroom van nieuwigheid. Ik stel dit niet zonder spijt vast. De dingen vallen minder op. Sommige dingen heb je, zonder dat je het wist, volledig aanvaard. Koffie van Starbucks. Bij wijze van voorbeeld. Dat men er koffie uit papieren of plastieken bekers drinkt, als op een Vlaamse kermis of een muziekfestival omdat het daar niet anders kan. Mee-békeren. Dat men je toelaat er allerlei smaken en brouwsels en poeders aan toe te voegen. Alsof koffie pur sang niet lekker zou zijn. Het went. Vorige week bestelde ik een Frappuccino decaf hazelnut flavor no sugar 2% milk no topping, en ik vond het lekker. Had niets meer met café frappé of cappuccino vandoen, maar op zichzelf mocht het er zijn. Of ik neem de metro naar het werk. In het station waar ik opstap, heb ik een gesprek met een Canadese die hier een stage komt doen en zich over de metro in DC verbaast. Onderweg tel ik de Ipads niet meer op één hand – hoe donker ook de metrogangen, er zijn vele vensters op de buitenwereld. In het station waar ik uitstap, heb ik een gesprek met een man die, zo blijkt, voor Obama heeft gewerkt toen die nog senator was. Voor het loket wenst een man van Metro elke reiziger in de stroom een heerlijke dag toe. Zou dit tot zijn welomschreven takenpakket behoren? Ik sluit het niet uit. Boven aan de roltrap hoor ik van een zwarte man dat ik er goed uitzie vandaag. Stel je voor. (Pendelen of op straat komen tout court, is hier goed voor je zelfbeeld of dat van je kind: what a gorgeous baby you have! Nice shoes! Dus: heb je een off-day, ga effe strollen). Ik heb het nooit dagelijks gedaan in België, dit conventionele openbaar-vervoerspendelen. Ik vraag me dus af of een doordeweekse Belgische pendelaarsdag naar hartje Brussel ook zo vrolijk kan starten. Graag traag, spelende mensen in Annapolis Ik vraag me veel af. Of wij, bijvoorbeeld, over enkele weken weer ginds, een laagje chroom van nieuwigheid op de Belgische dingen zullen weten? Nieuwe terrasjes in Gent, bijvoorbeeld. Of oude die er anders dan vroeger uitzien. (Nog gezelliger?). Nieuwe layouts in de wegen, de gebouwen. Een nieuwe regering. Of oude dingen die ons vroeger nooit opgevallen zijn. Onkruid langs de pechstrook. Smalle wegen, tramsporen en kasseistenen. Veel blanke mensen. Hoofddoeken. Authentieke endogene bouwstijlen, die hun plaats kennen. (Toscaanse kerken midden in DC, het wil maar niet wennen). Geen baby change station in elk toilet, en al helemaal niet bij de mannen. Gras in de tuin dat gewoon zichzelf mag zijn, blozend van droogte of gezond groen van regen (liever dat eerste in augustus :-)). Vrouwen van middelbare leeftijd die nog rimpels hebben en ook mooi zijn. In de supermarkt zelf je tassen met boodschappen vullen, niemand die dat voor je doet, je gul een prettige dag wenst, en jou doet wankelen omdat je niet weet of dit allemaal een fooi behoeft. En geen kat op straat die vraagt hoe je het maakt vandaag. Ik vraag me ook af hoeveel Amerika we in België zullen bespeuren. Het nieuwe continent dat het oude verovert. Het is al langer aan de gang. De geschiedenis, maar dan omgekeerd. Ongemerkt gebeurt het. Starbucks komt naar Gent, vind ik geen appetijtelijke krantenkop. Liever heb ik zelf naar Starbucks te gaan dan dat Starbucks naar me toekomt. Een stel nieuwe ogen om naar de dingen te kijken. Het zou reuze zijn. Kristalklare blik. Ze haken zich vast aan de mozaïekjeslamp tegen het plafond. Tot ze moeten lossen omdat ze haar hoofdje geen driehonderzestig graden gedraaid krijgt. Soms kan een hoofd toch ernstig in de weg zitten.

Marjanne Sevenant
0 0

Systeempje

Veel is er niet nodig. Zes blokken, een oud botervlootje, een lege fles, drie ringen, een knoopje aan het truitje. Met korte zuchtjes en kleine handjes dropt ze blokken in potjes, duwt ze ringen tussen de spijlen van haar box, keilt ze de fles naar de dichtste verte, draait ze minutenlang aan het knoopje. Soms doen ook de voetjes mee. Om een potje vast te klampen dat onbedoeld de dieperik in dreigt te gaan. Zuchtjes. Soms wat geneurie. Een mini kortverhaaltje in een klankrijke taal. Er is niemand meer in de kamer. Al ben ik er nog, ik ben van geen tel. Alleen het kleine meisje met haar mini handelingen. Ik kijk en kijk. Of er een systeempje schuilgaat achter de eindeloze verrichtingen van de tien vingertjes. Want met zo’n serieux gebeurt het dat het wel niet anders kan. Misschien zit zij over mij met dezelfde vraag. Of het tokkelen van tien vingers op wat meer knopjes een vernuft systeem verbergt. Soms is er wat meer nodig. Een paar andere handen. Die wuiven naar haar vanop afstand. Ze wuift terug, met één handje. Het andere zit aan haar oor. Dat systeempje ken ik al: een beetje moe. Of een stem vanaf de overkant die zegt: doe maar, je kunt dat wel, je doet het goed. Ik ben er tóch nog. Maar vaak is er niet veel nodig. Zelfs haar tongetje hangt windstil uit haar mond terwijl ze met grote ogen de prompte gevolgen van haar daden observeert. Er hangt een aura van focus en bezieling rond haar box als zij daar is. En stond haar box in Peking, Tokyo of Dakar, het zou niet anders zijn. Zo kijken wij naar haar. En zien onszelf. Onze box staat in Washington. Er is wat materiaal voorhanden. Potten en pannen. Een tournevis. Twee wielen. Of vier. Een weg. Daarmee verrichten wij onze handelingen. We fietsen. Wandelen. We gaan werken. We koken of bestellen. We eten lekker. We verleggen onkruid en grenzen. We duwen doosjes in dozen. We kletsen. We forwarden en deleten. Gooien doosjes weg. We praten. Ontdekken weer nieuwe doosjes die er gisteren nog niet leken te zijn. We slaken grote zuchten. Schudden ons hoofd. Glimlachen. We nodigen uit. We wuiven uit. We onthalen. We smeden banden. Plannen. We ontdekken. We bakken brood. Soms pannenkoeken. We lezen. We kijken. We kijken uit. Maken schoon. We schrijven. Draaien potjes dicht. Zoeken dekseltjes. Niet noodzakelijk in deze volgorde, maar wel vaak in dezelfde volgorde. Of hoe je ook in den vreemde op den duur aan routine gaat doen. Aan systeempjes. We hebben ons gewoontes eigen gemaakt. Of zij ons. We volgen bekende routes. Gaan naar bekende plaatsen. Op dezelfde tijdstippen. Met dezelfde mensen die bekender worden. Ongemerkt is alles vertrouwder geworden. En waren wij in Peking, Tokyo of Dakar, zou het dan anders zijn? Dan is er een man. Temidden van gewoonte. Aan de rand van de luide weg. Wacht hij tot het verlichte mannetje aan de overkant op wandelen gaat staan? Hij wiegt met de heupen. Hij danst bijna. Richt zijn gezicht naar de hemel en lacht bijna. Grote ogen, zo open dat ik in zijn hoofd kan kijken. Hij zou hier wel willen blijven staan. - He’s good, zegt hij dan. Hij knikt naar de andere man die de ziel uit zijn lijf staat te spelen in de grijze metrohal. Tussen de doffe pendelaars is zijn saxofoon van puur goud. - O yè!, zeg ik. Wieg ik nu ook een beetje? - I’ve got all his CD’s. He’s too good for the street. Zijn hand duikt in de zak van zijn mantel. Het mannetje aan de overkant springt op wandelen. De man beent in de andere richting weg. Een dollar in de hoed. De muziek stopt niet. Wel de donderdagochtendroutine. Even. Met een halve danspas op het zebrapad. Veel is er dus niet nodig. Wel net genoeg. En af en toe een stem vanaf de overkant die zegt…

Marjanne Sevenant
0 0

Achttien in Brussel

Ik zit in het station. Tegenover me zit een man. Hij ziet er serieus uit. Hij draagt witte sportschoenen die niet passen bij de rest van zijn outfit. Ik kijk op de monitor. Een halfuur. Ik ben goed op tijd, toch zweetten mijn handen.   Een vrouw strompelt naar binnen. Haar voeten schuifelen over de tegels. Ze heeft een klein hondje bij aan een zwarte leiband. Wanneer ze naast me komt zitten, voel ik me onwennig. Haar gezicht is vuil, verweerd en simpel. Ze draagt kleren die te klein zijn, in alle kleuren van de regenboog. Ze kijkt me aan en ze glimlacht. Ze lacht alsof er geen zorgen in de wereld zijn. Ik glimlach terug en ontwijk nerveus haar blik. Ik kijk op de monitor. Vijfentwintig minuten.   Een derde figuur verschijnt: een oude hippie met grijze dreadlocks wandelt het station binnen. Hij gaat op de bank links van me zitten. Hij kijkt niemand aan en begint in zichzelf te mompelen. Hij praat rustig, redelijk, maar onverstaanbaar. Zijn woorden weerkaatsen zachtjes in de hal. Geïntrigeerd door zijn persoonlijke discussie, kijk ik een paar keer zijn kant op. Hij merkt het niet, of het kan hem niets schelen. Daarna kijk ik naar de vrouw. Ze is bezig met haar hondje en lacht haar eigen lach.   De norse man met de witte sportschoenen kijkt de twee veroordelend aan. Daarna stapt hij op en verdwijnt hij.   Ik kijk nogmaals op de monitor. Nog maar tien minuten. Het hondje blaft. De hippie doorbreekt  plots zijn gemompel en buigt voorover, zijn grote ogen gefixeerd op het beestje. 'Wat mooi', zegt hij met een grauwe, eerlijke stem. De glimlach van de vrouw wordt breder. 'Ja hé', antwoordt ze kinderlijk. Daarna kijkt ze naar mij. Even weet ik niet wat ik moet doen. Dan besef ik dat ze beaming zoekt. 'Ja, hij is heel mooi', zeg ik zacht, terwijl ik naar het bruine beestje kijk.   De vrouw knikt en gaat verder met glimlachen. De hippie begint terug in zichzelf te praten. Ik voel me eindelijk op mijn gemak. Mijn rol is hier gespeeld. Ik sta op en wandel naar buiten, zonder om te kijken naar de twee zonderlinge figuren die ik voor eeuwig achter me laat. Ik wens hen het beste.   Ik stap op de trein en zet me ergens alleen. Ik kijk naar buiten. Na een tijd begint de wereld die ik ken te verdwijnen, eerst heel langzaam, daarna steeds sneller. Tot de dingen voorbijrazen aan mijn raam.   Ik kijk naar buiten en ik zie de dingen, zo vaag. Nog nooit wist ik zo zeker dat ik zo weinig wist. Ik ben achttien. De wereld raast voorbij mijn raam. En doelloos.

Marijn P
0 0

De Vrije wil

DE VRIJE WIL Mensen van mijn leeftijd die ’s maandagsmorgens om 9h uur nergens meer verwacht worden, gaan vaak iets doen dat hen de illusie verschaft dat ze met iets relevants bezig zijn. Liefst gaat het om een bezigheid die niet alleen maar genoegen belooft, maar ook een zekere nuttigheid pretendeert. Een taal leren bij voorbeeld, gesproken in een land met veel zon en lekker eten. Misschien bloemschikken, onbespoten groenten kweken of kunstgeschiedenis studeren. Lucratief hoeft het gelukkig niet meer te zijn, want de kans dat we er, met ons versleten hoofd, nog voor betaald worden ook, is echt helemaal te verwaarlozen. Ik werd indertijd, nadat ik eerst mijn camera’s en nadien mijn pollepel aan de wilgen had gehangen in feite min of meer gedwongen om filosofie te gaan studeren. Dat zat zo: een van de belangrijke lemma’s waarover de wijsbegeerte al eeuwen nadenkt, dialogeert, publiceert en soebatteert is de vraag of de vrije wil bestaat. Lig er vooral niet wakker van; het zou niet het eerste vraagstuk zijn waar ze niet uit geraken, maar laat dat nu juist iets zijn waar ik zo goed als dagelijks mee geconfronteerd werd. Zeer regelmatig, aanvankelijk met enige verbazing - maar na een tijdje wen je eraan – stelde ik vast dat delen van mijn lichaam iets totaal anders deden dan datgene wat ik hen toch wel duidelijk en niet mis te verstaan had opgedragen. Volkomen autonoom en soeverein ging de materie van de spieren een geheel eigen weg en zette een aantal acties in gang waar mijn immateriële geest zelfs nog niet aan gedacht had.   Niet alleen, maar vooral de mond was daar zeer vasthoudend, zeg maar koppig in. Zo herinner ik me dat het meermaals is voorgekomen dat ik de opdracht gaf om iedereen een goede avond te wensen en mijn mond doodleuk hoorde zeggen: “ Voor mij nog een Trippel van ’t schab en geef de mensen ook nog iets.“ Dat kan je toch bezwaarlijk een persoonlijke interpretatie van een opdracht noemen? De mond was blijkbaar bijdehand genoeg om te weten dat ik met dat rondje erbij nog moeilijk kon terugkrabbelen. Uit zelfverdediging bespaar ik u details van anekdotes waarbij ik op die manier buiten mijn wil in nog gênantere situaties terecht gekomen ben. Andere spieren deden net zo graag mee met die stille ongehoorzaamheid. Gevolg gevend aan een toch wel dringend advies van mijn huisarts neem ik vastberaden het besluit geen tweede keer aardappelen, vlees en saus op te scheppen; wat zie ik mijn hand doen? Juist. Als éénpersoonssteekproef stel ik statistisch, laat staan wetenschappelijk, natuurlijk niet veel voor, maar alleszins voor wat mijzelf betreft, is dat met die vrije wil nog niet helemaal opgelost. Als hij al bestaat, dan heeft hij toch niet heel veel in de pap te brokkelen. Een beetje zoals ik gezinshoofd ben. Hoewel die studie van de late roeping mij op allerlei gebieden veel plezier bezorgd heeft, bracht ze qua oplossing van het ‘vrije wil’-vraagstuk niet veel zoden aan de dijk. Niettegenstaande de min of meer algemene consensus dat hij dus niet bestaat, blijft het intuïtief een harde noot om kraken. Hét struikelblok waar niet alleen onze intuïtie het moeilijk mee heeft is de verantwoordelijkheid. Als de vrije wil niet bestaat, hoe ga je dan iemand op zijn daden aanspreken? Heel ons ethisch én juridisch systeem komt op de helling te staan. Nu hoeft dat voor de vakmensen geen enkel bezwaar te zijn. Een beetje filosoof laat zich immers niet van de wijs brengen door het feit dat zijn conclusies contra-intuïtief, wereldvreemd of ronduit raar zijn. Toen o.a. Spinoza, Hume en d’Holbach indertijd vraagtekens plaatsten bij de persoonlijke God zoals de tijdgenoten die toen dachten, ging men er ook vanuit dat ze niet goed snik waren.

Max Schneider
9 0

Jij en ik in de Himalaya

De trein naar mijn hart spoort naar de bergen. Naar desolate landschappen en duizelingwekkende hoogtes. Ik heb de laatste jaren die trein genomen en de radius van mijn hart voelen uitbreiden, als een kind dat in alles mogelijkheden ziet om te spelen en het leven te vieren. Eerdere bergavonturen heb ik alleen ondernomen omdat ik de vrijheid wilde ervaren om enkel op mezelf te kunnen vertrouwen. Ik trachtte me te sterken in de psychische, individuele dimensie van mijn bestaan. Eerlijk gezegd wilde ik het alleen kunnen zonder iemand anders nodig te hebben. Afhankelijkheid vind ik zo’n bijzonder naar gevoel. Gaandeweg ontdekte ik dat de grote uitdaging er voor mij in bestaat om te genieten van het leven via contact met anderen, ondanks al mijn kwetsbaarheden. Ons leven krijgt pas zin door en via anderen, wat maakt dat we niet verder kunnen ontwikkelen als we de sociale dimensie ervan negeren, vanzelfsprekend nemen of erin stagneren. Ik wilde daarom ondanks mijn weerstand een groepsreis ondernemen en via die weg een manier zoeken om verbinding te maken met de groep en toch mezelf te blijven. Mezelf niet in een keurslijf laten dwingen in mijn poging om aanvaard te worden, blijven luisteren naar mijn eigen wensen en me tegelijk ook niet afsluiten van de anderen. De bestemming: Nepal. De groep bestond uit negen bergliefhebbers en vier sherpa’s, Nepalese gidsen die de Himalaya als hun thuis mogen beschouwen. Zij zouden ons drie weken lang doorheen de bergen leiden met als doel de Kala Pattar (5600 meter) te beklimmen. Het was een zeer heterogene groep, maar één ding hadden we allemaal gemeen: ons verlangen om drie weken te verdwijnen in een afgelegen gebied en één te worden met de natuurpracht om ons heen. Toch was er niemand in de groep waarmee ik werkelijk aansluiting vond, waar ik op één of andere manier mee raakte. Ik voelde me op mezelf aangewezen en kwetsbaar. Stiekem had ik gehoopt een nieuw, innig contact met iemand aan te gaan. Een nieuwe vriendschap die ontstaat in de Himalaya. Mooi, toch? Ik deelde op de tocht een kamer met een vrouw van mijn leeftijd, Nele. Zij en ik staan heel anders in het leven. We respecteerden elkaar en konden alle praktische zaken goed samen regelen, maar wat ons emotioneel leven betreft, bleven we ieder op onszelf. Op zo’n momenten gebeurt het wel eens dat ik veel moeite doe om het contact toch te laten slagen, om toch maar nabijheid te ervaren. Voor mij betekent dat: mekaar begrijpen, aanvaarden en toelaten in onze innerlijke wereld. Wanneer die beweging dan niet terug komt, voel ik me afgewezen en sluit me vervolgens af, teleurgesteld en verlaten. Ik lijk contact te zoeken met als doel om iets terug te krijgen wat ik nodig heb: liefde, ‘gezien’ worden. Dat maakt me soms blind voor wat ik werkelijk wil. Nele sprak me als persoon eigenlijk niet in die mate aan dat ik haar op een andere manier wilde leren kennen, en toch is er iets in mij die dan zegt dat ik het niet goed genoeg doe waardoor we geen ander contact hebben. Als ik me maar anders gedraag of het maar anders aanpak dan…. Als ik maar anders zou zijn dan… Eigenlijk beweeg ik meestal tussen teveel contact willen en op andere momenten net te ver weg zijn, teveel afstand nodig hebben. Daartussen zit een gebrek aan zelfliefde. Dat midden is wat ik tijdens deze reis wilde voelen en waarmee ik iets wou gaan doen. Er is hoe dan ook altijd een onoverbrugbare kloof tussen onszelf en anderen, de maatschappij, de wereld. Ik zoek iets in contact met anderen dat ik daar niet kan vinden. Vandaar dat ik de sociale dimensie van het leven zo graag uit de weg ga: ik heb het gevoel telkens weer teleurgesteld te worden. En dat doet zo verschrikkelijk veel pijn. Al wandelend stelde ik me voor dat we allemaal bergen zijn met tussen ons in onoverbrugbare ravijnen. Ik denk dat we allemaal onvermijdelijk geconfronteerd worden met die ravijn, met ‘zoeken maar niet vinden’, ‘geven maar niet terugkrijgen’. In onszelf hebben we echter een rijkdom die met geen woord of beeld te vatten is. Ik begon me af te vragen: hoe kan in de liefde die ik van anderen verlang in mezelf vinden? Ik ben tenslotte zelf ook een berg en moet die ravijn misschien helemaal niet oversteken. In contact met de groepsleden heb ik getracht om mijn gevoel van eenzaamheid en verlangen naar nabijheid te ervaren, maar ook om het te laten ‘zijn’ zonder het krampachtig trachten op te lossen. Aanvaarden dat dit continu verlangen en gevoel van leegte er is en dat ik in wezen heel afhankelijk ben ten opzichte van anderen. Toegeven dat ik afhankelijk ben van anderen was voor mij ontzettend moeilijk. Wat zou ik er graag eindeloos in cirkeltjes omheen blijven lopen! Door het gevoel te erkennen en te accepteren als wezenlijk deel van mezelf, was ik echter beter in staat om het zelf te (ver)dragen en hoefde ik er daarom ook niet meteen op te reageren. Het liet me toe om niet meer als een kip zonder kop naar nabijheid op zoek te gaan om het gevoel kwijt te raken en ‘op te vullen’. Ik kon er zelf voor zorgdragen. Mijn ervaring is dat onze zelfliefde enorm kan groeien als we onze kwetsbare belevingen in onszelf leren verwelkomen en verzorgen. Dan ontstaat er meer vrijheid om onszelf te geven wat we echt nodig hebben. Het liet me bijvoorbeeld toe om mezelf meer te tonen hoe ik ben, met al mijn eigenaardige kantjes erop en eraan. Deze niet verstoppen of verbloemen zoals gewoonlijk. Geven wat ik te geven heb. En dat is misschien al meer dan genoeg. Dat is voor mij genoeg en het is aan de mensen om me heen om te beslissen of dat ook genoeg is voor hen. Ik heb het gevoel dat ik hen helemaal vrij wil laten in die beslissing. Als me dat verdrietig maakt, dan zal ik dat voelen maar het daarom niet (meer) met man en macht ongedaan maken. Vanuit deze houding ontstonden vormen van contact die voor mij heel nieuw waren. Gaandeweg vond ik met de meeste mensen uit de groep wel een soort van verbinding. Eerdere contacten met de groep hadden voor mij iets functioneel. Het was een I – it relatie zoals Buber die zou beschrijven. Een instrumentele relatie waarbij het contact met de ander dient om een bepaald doel te bekomen, in dit geval mijn gevoel van eenzaamheid wegnemen. Wandelend door de Himalaya ontstond in mij geleidelijk aan een wens om alle mensen van de groep werkelijk te ontmoeten als uniek en authentiek individu en mezelf ook authentiek te tonen. Niet mijn eigen verlangen in de schaal leggen. Niet voor één of ander doel in mezelf, maar vanuit de eenvoudige wens om de ander echt te kennen. Dat is wat Buber een I – thou relatie noemt. Ironisch genoeg hield dit in dat ik een soort van afstand nam die geen verbinding met anderen verbak maar mezelf en – in mijn gevoel- anderen toeliet om een persoon op zichzelf te zijn. Vanaf toen voelde contact in de groep voor mij aan als: jij en ik. Mij hielp het om me voor te stellen dat de ander effectief de ander is, met eigen behoeften, wensen, gedachten. Het meest waardevolle wat ik kan doen is die in zijn anders-zijn erkennen, respecteren en begrijpen. Dit is een vorm van contact die ons en de ander de ademruimte en vrijheid gunt om onze echte zelf tot uiting te brengen. Een contact van berg tot berg, waarbij we liefde voor elkaar ervaren zonder de ravijn te hoeven oversteken. Een liefde die afstand accepteert. Meestal vind ik in een groep één verbinding die dan zeer intens is, waarna ik de andere ‘oppervlakkige’ contacten als minderwaardig beschouw. Dat wilde ik nu tegengaan. Ik wilde tijdens deze reis mijn vrijheid bewaren en deze niet kwijtraken door op te gaan in de ander in de hoop dat die mijn gevoel van leegte zou wegnemen. Een contact dat niet ontstaat uit afhankelijkheid, kan alleen vorm krijgen als je voldoende zelfstandig blijft en de ander ook zijn zelfstandigheid toelaat. Ik wilde bewust blijven open staan voor iedereen. Op die manier begon ik te ervaren hoe bijzonder waardevol elk contact is, hoe kort ook, waarover het ook gaat. Dat is een waardevolle les die de Himalaya mij heeft geleerd. Al koop je een mandarijn van een man langs de weg wiens taal je niet verstaat. Elk contact kan voldoening geven, of ik nu een sneeuwbalgevecht voer met Dil, een sherpa, over het gemis aan frieten praat met Bart of over afhankelijkheid in de liefde met Klaartje. Want, het gaat om de ontmoeting tussen jij en ik op zich, niet over wat de ander voor je gemis kan betekenen. Wanneer je een ontmoeting benadert vanuit wat je zelf mist, volstaat echter geen enkele vorm van contact en wordt de leegte alleen maar groter. Zo ontstond uiteindelijk iets meer beweeglijk, iets vloeiend dat van moment tot moment kan veranderen, afhankelijk van wat er bij anderen of mezelf speelt. Afhankelijk van hoe onze werelden mekaar raakten, hadden we zus of zo’n contact, en dat was telkens anders en telkens waardevol. Authentiek contact ontstaat door te verwelkomen wat er is in de plaats van te proberen ‘creëren’ wat je nodig hebt. Een ware ontmoeting tussen jij en ik in de Himalaya. Wat staat jou in de weg om de ander werkelijk te ontmoeten?  

Alpenroos
0 0

Tussen oorlog en liefde

Ik sta aan de voet van een kleine heuvel met op de top een boom wiens takken ver naar buiten vallen, elegant en stevig tegelijk. Zijn brede, verweerde stam doet vermoeden dat hij daar al tientallen decennia het landschap siert. Er is zo ver het oog reikt geen andere boom te bespeuren, wat zijn bestaan majestueuzer maar ook eenzamer maakt. De geur van gemaaid gras en de frisse, nevelige bries afkomstig van een nabijgelegen beekje vertellen me dat de zon weldra zal ondergaan. Ergens hoog in de boom zit een merel die met zijn meesterlijk gezang de dag vaarwel fluit. Wanneer ik de heuvel opwandel hoor ik geroezemoes en gegiechel, komend vanaf de top. Ik ga er iets sneller door wandelen, alsof de helling voor mij geen weerstand meer biedt. De boom biedt beschutting aan een tiental mensen die gemoedelijk en knus rond een lange tafel zitten. Boven het gebeuren hangen kleine lampionnen en rondom staan her en der kaarsen en fakkels die geduldig wachten om op hun beurt de omgeving te verlichten. De muziek van tsjirpende krekels brengt een zomers soort van leven aan het gebeuren, alsof alles mogelijk is. Aan de tafel wordt door een aantal mensen druk en vurig discussie gevoerd terwijl anderen uitbundig lachen of stilletjes giechelen en weer anderen innig in gesprek lijken met elkaar. De algemene sfeer lijkt openhartig en verwelkomend. Tot mijn verbazing zie ik mezelf zitten aan de tafel, ergens in het midden, genietend van wat er rond mij gebeurt. Iets in mij zegt dat de mensen om me heen mijn familie zijn. Familie in de ruime zin van het woord: bloedverwanten maar ook veel andere mensen die me nauw aan het hart liggen. Mijn gelaatsuitdrukking en houding stralen een gevoel van ‘liefde’ uit: het heeft zowel iets hartstochtelijk en onbevreesd als ontspannen en vreedzaam. Voor mij op de tafel staat een kaars in een oude wijnfles die de herinneringen draagt van de vele andere kaarsen die zij heeft helpen branden. Wanneer de zon achter het heuvelachtige landschap verdwijnt, ontbrandt de kaars spontaan met een krachtige, heldere vlam. Dat is het moment waarop ik meestal wakker word. Het is een droom die de laatste jaren wel vaker terugkeert en die een belangrijke rol is gaan spelen in mijn leven. De metafoor van de boom staat voor mij voor een manier van in de wereld zijn en in relatie treden: hij staat voor (samen)leven vanuit liefde, leven met en vanuit mijn hart. Ik heb het gevoel dat ik me in mijn dagdagelijks leven – symbolisch gezien – vaak niet onder die boom bevind. De droom gaat namelijk vooraf door een andere, minder vredige, scène. Voordat ik aan de voet van de heuvel beland, bevind ik me in een donkere droomwereld. Het is de wereld van mijn nachtmerries. De scène speelt zich af in de loopgraven, in een met modder en kraters bezaaid landschap. De lucht is overtrokken met onheilspellende, donkergrijze wolken die de indruk geven dat alle kleur en licht uit de wereld verdwenen zijn. Ook hier staat een boom in de verte, deze keer verdord en voor de helft weggebombardeerd. Met mijn benen half weggezakt in de slijk sta ik met een bajonet tegenover een tegenstander. Er wordt een vurige machtsstrijd gevoerd die tot in de eeuwigheid terugkeert. Zonder begin en zonder einde. Het is alsof ik iets van mijn tegenstander nodig heb of wil verkrijgen en omgekeerd. Alsof de ander de macht heeft om me iets te ontnemen, zelfs om me te vernietigen. Hier betekent de winst van de ene het verlies van de ander. Ik ben doodsbang, met man en macht mezelf beschermend want ik voel een groot wantrouwen tegenover de figuur die voor me staat. Ik tracht haar gedachten en gedragingen te voorspellen en in te schatten maar kan niet anders dan concluderen dat haar motieven bedreigend zijn. Leven vanuit de symboliek van de loopgraven betekent namelijk leven vanuit angst. Zo gaat dat op het slagveld: ik kan alleen nog denken vanuit die bedreigende realiteit. Op het slagveld is er maar één waarheid: die van oorlog. Elke beweging die mijn tegenstander maakt, elk woord dat zij zegt zal ik interpreteren vanuit ‘voor of tegen’, ‘goed of slecht’. De inhoud van de machtsstrijd die in de loopgraven gevoerd wordt is voor iedereen anders. Dat hangt af van de kwetsuren en littekens die we meedragen uit onze vroegere ervaringen en onze vroege jeugd. Aan de basis liggen negatieve kernemoties en overtuigingen die we daaruit hebben meegenomen: ‘Ik sta alleen’, ‘Ik kan niemand vertrouwen’, ‘Ik ben minderwaardig’, ‘Ik ben niet belangrijk’. Als ik zelf leef vanuit deze overtuigingen, beland ik in de loopgraven en zie, denk en luister enkel nog vanuit mijn eigen, angstige bril: ‘Ik tel niet mee’, ‘Niemand houdt van mij’. Door met zo’n bril door het leven te wandelen voel ik me vaak afgesneden en liefdeloos omdat veel ervaringen door die bril gefilterd worden: ‘Zie je wel, weer een bewijs dat ik er niet bij hoor’. Daardoor zie ik deze realiteit ook keer op keer bevestigd, wat ze steeds sterker maakt. Dit is een zeer angstige en pijnlijke manier van in de wereld staan. De machtsstrijd is gebaseerd op die negatieve overtuigingen en bestaat erin van de ander te verkrijgen (eisen) wat we nodig hebben om onze angst minder te voelen. Ik tracht ervoor te zorgen dat de ander zich op zo’n manier gaat gedragen dat mijn pijn en angst binnenin verzachten. Bijvoorbeeld: Ik verwacht dat iemand onmenselijk veel rekening met mij houdt zodat ik niet het gevoel heb niet mee te tellen. Als dat niet gebeurt ga ik in de strijd en word ik boos. Omgekeerd verwacht de ander ook van mij dat ik haar negatieve gevoelens wegneem, geruststel, sus. Dat maakt dat de relatie op het slagveld een co-afhankelijke relatie is: een relatie waarin beide partijen afhankelijk zijn van elkaar. Ik stel mezelf namelijk verantwoordelijk voor het goed-voelen van de ander en stel de ander verantwoordelijk voor mijn goed-voelen. Op het slagveld mag de ander niet zomaar ‘zijn’, zij moet voldoen aan mijn verwachtingen. Ik heb de ander namelijk nodig om niet verteerd te worden door angst omdat ik geloof dat het de ander is die deze kan wegnemen. Er zit nog meer somber nieuws in deze nachtmerrie: er komt geen einde aan deze scène want het voeren van een machtsstrijd houdt geen oplossing of mogelijkheid tot verandering in zich. Nooit. Ten eerste zijn mijn diepgewortelde angstige overtuigingen, net zoals die van mijn tegenstander, niet (meer) op waarheid gebaseerd maar vervormd in mijn beleving doorheen mijn leven. Het heeft geen zin om te discussiëren over dergelijke angsten. Dat maakt de knoop alleen maar steviger. Het is als een behekst labyrint zonder einde. Ten tweede klopt het niet dat de ander verantwoordelijk is voor mijn negatieve gevoelens en deze kan wegnemen. Het is een zinloze strijd die uiteindelijk alleen tot meer pijn leidt. De enige uitweg uit deze scène, het enige wat verandering brengt in dit tafereel, is zelf wegstappen uit de machtsstrijd. In de afgelopen maanden heb ik gezocht hoe ik de loopgraven achter mij kan laten en de heuveltop uit mijn droom kan beklimmen om meer te leven vanuit de symboliek van de boom. De droom houdt voor mij niet alleen een signaal in van wat er aan de hand is, maar ook een richting, een doel: Ik wil niet leven vanuit angst maar vanuit liefde. Om de weg naar de boom te bewandelen moet ik me er eerst en vooral van bewust zijn dat ik me in de loopgraven bevind. Beseffen dat ik niet naast maar tegenover iemand sta. Dat herken ik aan de hand van een gevoel van onrust en spanning in mijn borststreek. Pas sinds kort heb ik ontdekt dat dit een lichamelijke uiting van woede gemend met angst is. Woede is een signaal waar ik dankbaar gebruik van kan maken. Woede is niet goed of slecht. Ze is. Ze vertelt iets over mijn positie in een situatie en wat ik daarin nodig heb. Het is een signaal dat me vertelt dat er iets niet in orde is, dat er bijvoorbeeld niet aan mijn noden en wensen is voldaan of dat er teveel van mezelf wordt opgeofferd in een relatie. In de plaats van die woede dan te richten naar de ander en te eisen dat die zich anders gaat gedragen (en dus in de loopgraaf te gaan staan) heb ik geleerd om deze energie te gebruiken als brandstof om de weg naar de boom te bewandelen. Dat is iets essentieel in de overgang van de ene metafoor naar de andere. Op de weg naar de boom tracht ik te beseffen dat ik niet verantwoordelijk ben voor de gevoelens van de ander. Ik ben enkel verantwoordelijk voor mijn eigen ervaringen. Ik probeer ook te beseffen dat ik de ander niet kan veranderen, enkel mezelf. Het gaat hier eigenlijk om een soort van ‘switch’. In de plaats van mekaar verantwoordelijk te stellen voor onze gevoelens, dienen we de switch te maken naar het opnemen van onze eigen verantwoordelijkheid. Dat is een manier van denken die me meteen uit het slagveld haalt. De liefde uit de metafoor van de boom kan enkel ontstaan als we verantwoordelijkheid opnemen voor onszelf. Of, anders gezegd: als we bewegen van co-afhankelijkheid naar meer autonomie. Want, enkel zo zijn we in relaties in staat om onszelf en de ander te laten zijn wie we werkelijk zijn. Het is op weg naar de boom dat ik de meest diepe, intense en verscheurende angst kan ervaren. Op het slagveld is er strijd, maar ik houd de ander dichtbij onder de vorm van allerlei eisen en verwachtingen om me toch maar niet ‘alleen’ te voelen. Dat geeft een gevoel van zekerheid. Strijden geeft een gevoel van controle (over de ander). Op weg naar de boom is de boodschap net ‘loslaten’. De ander vrijlaten. De controle, eisen, verwachtingen laten gaan. Dat werpt mij soms heel erg terug op een gevoel van ‘alleen te staan en niet graag gezien te zijn’. Mijn angst in zijn meest rauwe vorm. Als ik besef dat ik de oplossing niet bij de ander kan vinden, kan ik niet anders dan mijn blik naar binnen, naar mezelf te richten. De switch zorgt ervoor dat ik niet meer met mijn aandacht ‘in’ de ander zit: ik probeer minder te zorgen dat de ander zich zus of zo voelt, heb minder hoge verwachtingen en eisen. Ik ga net met mijn aandacht naar binnen, naar mezelf. Daar kom ik in contact met wat me bang maakt, maar ook met wat ik verlang. Mijn angst vertelt me namelijk iets over wat voor mij belangrijk is. In wezen bestaat mijn taak erin te achterhalen welke behoeften, doelen en waarden ik wil beschermen op dat slagveld? Wat schuilt er in mijn hart als soldaat, achter mijn schild? Zoals hoger aangegeven vecht mijn soldaat vanuit de angst om niet mee te tellen, om niet graag gezien te zijn. De fundamentele behoefte die daaraan vooraf gaat is die aan werkelijk contact met anderen. De waarheid is dat ik niets liever wil dan plaatsnemen onder de boom naast alle mensen waar ik van houd. Dat is wat er achter mijn harnas schuilt: de droom van een familie onder de boom. En in dat verlangen, in die droom, schuilt een mogelijkheid tot verandering. Als ik wil leven vanuit de metafoor van de boom, is het mijn taak en verantwoordelijkheid om me bewust te zijn van die wens en ook vanuit die wens en behoefte te handelen. Mijn verantwoordelijkheid bestaat erin zelf actie te ondernemen in de richting van wat ik wil, waar ik voor sta, wat ik belangrijk vind. Niet leven vanuit de angst, maar vanuit wat ik werkelijk verlang: liefde. Leven voor wat ik wil in de plaats van vermijden van wat ik niet wil. Alleen dan is contact en samenzijn met anderen mogelijk. Wanneer ik in de loopgraven sta, maakt het beeld van de boom me erg angstig. Ik kom dan in contact met iets wat ik verlang, maar ga er vanuit dat ik dat niet waardig ben, dat het niet zou lukken om mensen samen te brengen, dat ik er niet in zou slagen om hen het naar hun zin te maken. Ik bekijk mezelf dan vanuit een eenzijdige, angstige bril: ‘Ik ben niet sociaal, ik ben daar niet voor gemaakt’. Diep vanbinnen ben ik zeer bang dat ik helemaal alleen aan die boom zou zitten. Dat maakt dat ik me net voor dit verlangen afscherm en bescherm, in strijd ga met anderen. In de loopgraven handel ik vanuit angst, net niet in functie van mijn diepste verlangen. Leven vanuit liefde betekent net wel contact maken met anderen en met hen onder de boom gaan zitten omdat dat mijn grootste verlangen is. Durven kiezen voor wat ik werkelijk wil en niet meegaan in mijn angstige beleving, wetende dat dit slechts littekens zijn uit een verleden die mij klein en afgesneden houden. Intussen begrijp ik beter wat het tafereel van de boom zo vredig maakt. In contact treden vanuit de symboliek van de boom betekent kiezen voor liefde in de plaats van voor angst. Het betekent bovenal beseffen dat ik in elk contact kan kiezen om door de bril van mijn verleden en negatieve overtuigingen of de bril van wat ik verlang te kijken. Alleen door van de angst weg te wandelen en te kiezen voor liefde, zal de bril van angst uiteindelijk brozer en minder sterk worden. Want, liefde overwint alles. Het is op deze plek, in dit tafereel, dat ik mijn werkelijke kracht kan ervaren: die van ‘houden van’. De liefde onder de boom is een vrije, onvoorwaardelijke liefde. Hier bepaalt wat je zegt, doet of nalaat namelijk niet je waarde. Je bent waardig omdat je bent. Dat betekent ook dat iedereen gelijk is en letterlijk en figuurlijk naast mekaar zit aan de tafel. Er is ruimte voor open communicatie waardoor ieders binnenkant meer overeenstemt met wat getoond wordt aan de buitenkant. Vanuit een zorg voor de eigen behoeften en gevoelens kunnen deze gedeeld en kenbaar gemaakt worden. Zo ontstaat een relatie waarin je kan tonen wie je bent en wat je wil en de ander kan laten zijn wie hij of zij werkelijk is, zonder eisen of ultimatums. Hier treden we in relatie en laten we deze groeien zoals ze is, eerder dan haar af te meten aan een vooropgesteld idee van ‘hoe het zou moeten zijn’ (voor ons). Leven en laten leven en verwelkomen wat er is, niet vanuit een onttrekken uit het contact, maar juist vanuit een liefdevol engagement. Onder de boom leren we werkelijk houden van de ander als afzonderlijk en uniek persoon. Op die manier kan men verschil en confrontatie toelaten en zich toch heel verbonden voelen. Het betekent verbinding voelen en toch niet samenvallen of opeisen. Deze boom is naar mijn aanvoelen geen utopie. Het is eerder een realistisch gebeuren waar conflict, verschil en separatie mogelijk zijn, echter zonder mekaar daarmee te vernietigen. Hier, onder de boom, wordt feest gevierd. Het is feest omdat de strijd en dualiteit van goed of slecht, voor of tegen overwonnen zijn. We moeten niet meer vechten om te winnen of verliezen. We mogen gewoon ‘zijn’. Het beeld van de boom staat eigenlijk voor de basis, misschien zelfs de zin, van mijn leven: liefdevol contact. De kaars die spontaan ontbrandt bij zonsondergang staat voor het licht, het doel dat ik wil volgen in donkere dagen. Wanneer ik in een negatieve spiraal beland tracht ik me het tafereel van de boom voor de geest te halen. Ik probeer mezelf eraan te herinneren dat die boom er altijd is, ook al zie ik hem niet omdat ik te zeer gepreoccupeerd ben met een bepaalde situatie. Zolang ik ben, is er liefde en vertrouwen onder de boom. Ik moet er gewoon gaan bijzitten. In die zin is de boom ook mijn veilige haven. Een kleine situatie kan me soms meteen op het slagveld trekken waardoor ik opnieuw door de bril van angst naar de wereld kijk. Dan voel ik me onzeker, aangevallen, minderwaardig en lijk ik te vergeten dat altijd de keuze heb om het slagveld de rug toe te keren en te kiezen voor die éne fundamentele waarheid: die van liefde.

Alpenroos
28 0

Terug naar de kust

Laatst was ik nog eens in België. Ik ben het landje in 2003 ontvlucht maar kom er nog af en toe.  Mijn moeder woont er namelijk. In Knokke dan nog wel. Het mekka van de nieuwe rijken. Waar mannen op zondag in de rij gaan staan bij de bakker en vogue omdat ze gehoord hebben dat daar  de beste pistolets worden gebakken.  Waar Lippens het al jaren voor het zeggen heeft. Waar ik van zijn leven geen voet zou zetten maar door omstandigheden al 48 jaar af en toe verblijf. En mijn  moeder woont er dus.  En ze moest naar het ziekenhuis. Genoeg redenen om dat vermaledijde oord nog eens op te zoeken. Dat ziekenhuis, een angstige moeder, een vochtige kelder, het platte land.  Het mondde uit op een vriendelijke confrontatie met het verleden. Nieuw waren de ooievaars, de uit het niets opduikende kunstwerken en een labrador pup die naar de naam Sean luisterde. En ik heb ook het schoonste strand van Nederland ontdekt, heb er zelfs een wijntje gedronken en ik heb een wereldvredesvlam gevonden in een onooglijk polderdorpje. Misschien heb ik zelfs een vlucht regenwulpen gezien. Het gelijknamige boek heb ik in een vorige leven gelezen. Een vorig leven. Dat is 40 jaar geleden. Het strand aan de Lekkerbek, vlak voor het Zwin natuurreservaat in Knokke-Zoute leek immens. Nee, het WAS immens. Je moest immers wel 20 treden af voor je op het zandstrand stond. En bij laagtij moest je echt wel een eindje stappen alvorens je voeten het zilte nat konden voelen. Hoe dichter je bij de zee kwam, hoe natter en donkerder het zand. Je voeten werden erdoor opgezogen. Het leek wel drijfzand. En je wist dat er een leven bestond net onder dat laagje zand. Dat zag je aan de zandslangetjes die overal verspreid lagen. Slangetjes zand. Afkomstig van een of andere krab. Er waren krabben en massa's schelpen. En amper mensen. Toen waren er ook nog "brislams" (verbastering van het Franse brise-lame) zoals mijn neefjes en ik ze noemden. Golfbrekers zijn dat. Het was er eigenlijk gevaarlijk vertoeven vanwege de stromingen errond. Je gleed er ook ontzettend makkelijk af. Maar het was er zo heerlijk om op avontuur te gaan. En je kon er als het ware de zee opwandelen want als je op het einde van de brislam stond, was de dijk heel ver weg en leek je heel even een deel van de zee te worden. En wat was er veel leven in die plasjes die overbleven nadat het hoogtij was geweest! Mosselen, krabben, scheermessen (je weet wel, die langwerpige schelpen), af en toe een vis. En op het strand zelfs regelmatig haaientanden. Die zouden 40 miljoen jaar oud zijn. Ik herinner me nog erg goed een legendarische storm. Het moet ergens eind jaren zeventig geweest zijn. Mijn oudste neef en ik hadden onze skateboarden boven gehaald. En op de dijk, skateten we, met een plastic zak als windzeil boven onze hoofden. Het ging ontzettend snel! En we lachten als gekken en waren oprecht gelukkig. De zee kwam toen tot aan de dijk, tot aan de bovenste van de 20 treden en nog veel verder ook. In een mum van tijd was de dijk ondergelopen. Die golven tot net achter het huis waren een fantastisch zicht.  Ik keek naar de grijze zee en zag het nog grijzere water kolken. Ik voelde ontzag. En werd bang. Mijn neef maakte het nog erger door me vreselijke verhalen te vertellen over drijfzand, draaikolken en dolgedraaide kwallen. Het regende, woei en kolkte dat het een lieve lust was en het eindigde met een verplichte terugkeer naar ons familiehuis, op de Lekkerbek, aan de Zoutelaan. Want het werd te gortig. Zelfs voor twee tieners met een skateboard.  Ten Putte heette het huis van mijn grootouders. Met op de veranda een emmer water waar we onze voeten in moesten wassen als we van het strand terugkwamen. Dat deed mijn oma natuurlijk om te vermijden dat het hele huis tot zandbak zou verworden. Dat huis met de vele geheime en niet gebruikte kamers staat er al lang niet meer. In de jaren tachtig begon namelijk de waanzinnige immobiliënrace aan de Belgische kust. En oma en opa hebben het nog lang kunnen tegenhouden, tot ook zij overstag gingen en Ten Putte verkochten aan een of andere genadeloze makelaar. De villa, onze villa, een parel uit de jaren dertig, een schoonheid, een familiehuis, een karakterkop moest verdwijnen. Om plaats te ruimen voor zielloze appartementen. Ik ben laatst nog eens gaan kijken naar Ten Putte (ze hebben de naam behouden), naar de Lekkerbek, naar Het Strand. Was het misplaatste nostalgie (ik ben niet echt een nostalg, maar Ten Putte ligt gevoelig, ik geef het toe) dat me dreef, of een denken aan mijn grootouders die al lang gestorven zijn, aan mijn neven en nichten die ik op een enkele uitzondering na nooit meer zie, of was het een gevolg van mijn recente scheiding van een man waar ik meer dan 20 jaar lief en leed mee heb gedeeld, of was het gewoon een opwelling? Ik weet het nog steeds niet. Het huis is weg. Maar onze buren, de ouders van Jacky Ickx, de F1 chauffeur, hebben stand gehouden. Hun huis staat er nog. Dat deed me plezier.  Ik heb jaren een hekel gehad aan Knokke, aan de m'as tu vus, aan de nieuwe rijken, de absoluut niet discrete charme van de bourgoisie, aan de truien op de schouders van mannen met foute schoenen, van de bontjassen en de kakmadammen, van de Avenue Lippens (zoals de Lippenslaan steevast wordt genoemd) die zo leeghoofdig is dat je haast spijt krijgt van die paar neuronen in je hoofd omdat ze je zo verloren laten voelen, aan de volgebouwde dijken enz. En kijk, anno 2014 is dat er allemaal nog steeds. En op de dijk is het nog erger geworden. Hele stranden zijn nu privé domein van de bar-en of restauranthouders. De golfbrekers zijn weg, het strand is opgehoogd; daarvoor zijn miljoen kilo's zand nodig geweest. Dat hebben ze moeten doen om dat de stormen uit de jaren zeventig en tachtig levens hadden geëist. Maar ik heb toch nog het Knokke van mijn kindertijd kunnen terugvinden. Neen, ik ben geen wafel gaan eten bij Marie Siska zelfs al bestaat dit legendarisch eethuis nog, ik heb ook de ijsjes van De Post niet gegeten (die bestaan namelijk niet meer) en zelfs mijn boekhandel Corman is verhuisd en heb ik ook niet bezocht. Maar...en ik geef het node toe...  ik moet toegeven dat Knokke ook wel meer is dan al dat vreselijke dat ik hierboven beschreef.  Ik heb gefietst door het Zoute met de unieke witte huizen met rode daken. En ja, er staan vreselijke Porsches en andere Cayennes voor de deur en waarschijnlijk wil ik 85 % van de eigenaars zelfs niet kénnen, maar de wirwar van straatjes afgebakend door knotwilgen, de prachtige Engels cottage stijl , de eenheid van kleuren en de klank van de meeuwen en de zoute zeelucht...ik geef toe, het is uniek. En dan nog verder naar het Oosten:  het Zwin reservaat. Eigenlijk een oude verzande zeearm dat al sinds de 18de eeuw privé bezit was van de Lippensfamilie maar sinds 2006 een Provinciaal Domein is. Vandaag is het gesloten om weet ik veel wat voor reden, maar het is gelukkig toch deels toegankelijk. Het Zwin is een uniek natuurgebied dat Nederland met België verbindt. Het was 20*c die dag in Knokke. De lucht was knalblauw, de ooievaars van het Zwin in een decadent sociale bui en het strand aan het Zwin was leeg. En als kers op op de taart doemt er totaal onverwacht een gigantische haas op. Het blijkt een kunstwerk van de Britse beeldhouwer Barry Flanagan te zijn.  Eventjes lijkt het alsof kunst de natuurelementen kan verbinden: de Noordzee, de lucht,  het strand en de schorren.  Ik fiets doodgelukkig naar het huis van mijn mama. Overtuigd dat het wel goed met haar komt.En vermijd daarbij zorgvuldig de Avenue Lippens.

Nathalie
14 0