Zoeken

Oudedagstraining (2)

Lees hier deel 1 van hoe ik me één week per maand klaarstoom voor mijn apathische oude dag. Op vrekkige vrijdag parkeer ik mij voor een paar uur in de zetels van het kapsalon dat zonder afspraak werkt. Hoewel ik altijd op hetzelfde moment ga en perfect naar salons op afspraak kan, heb ik er deugd van om drukbezette mensen teleurgesteld te zien omkeren bij gebrek aan vrije plaatsen. Ik herinner de kapster nog eens aan wat vorige week beter kon, vraag een tweede koffie en zeg dat ze er iets aan moet doen dat de door haar aangeraden shampoo m'n permanent een paarse schijn geeft. Wanneer ik voor een tijdje onder de droogkap dreig te verdwijnen, vraag ik de enige jonge vrouw die toch een plek kon veroveren of ik de TV Familie die ze vastheeft mag lezen omdat ik de rest allemaal uit heb. Nee heb je, ja kan je krijgen. Aan de kassa laat ik terloops vallen dat het leven zo duur is geworden en dat het niet makkelijk is om rond te komen met een klein pensioen. Ik sluit af met '... maar ja, jij hebt er dan toch een mooie auto van kunnen kopen, hè.' De rest van de dag kijk ik televisie uit het raam en maak ik veronderstellingen over de buren die ik verder vertel als waarheid. Daarna zet ik een opname van Familie op, want tijdens de week kijk ik live naar Thuis. Na tien minuten val ik in slaap, terwijl de vraag door m'n hoofd zweeft waarom Véronique van Familie in de boekskes Sandrine genoemd wordt. Voor ik naar boven stommel om echt te slapen, neem ik m'n portemonnee en maak ik me nog eens druk om hoeveel geld ik wekelijks aan de kapster overhandig. Daarna leg ik de vaste 20 euro klaar om morgen mee te doen met de Lotto. Het weekend begint met zorgenrijke zaterdag en mezelf die een half uur vooraleer de krantenwinkel opent voor de deur staat met een ingevuld Lottoformulier en de angst om naast de weekendkrant te vissen. Ik maak een praatje met de andere vijf bejaarden in de rij over de corona, het rotweer van de laatste week en de zwarte vrouw met de hoofddoek die voorbijfietst. Waar moet die zo vroeg al zijn? Wanneer de uitbaatster haar rolluik een minuut na 7 met een 'goeiemorgen' opent, antwoord ik: 'Eerder late morgen, precies'. Na de middag bak ik een appeltaart voor wanneer de familie morgen op bezoek komt. Terwijl ik dat doe maak ik me dik in de gedachte dat er toch weer niemand langskomt – ik heb nochtans veel zegeltjes voor de knuffels die de kleinkinderen sparen – en ik de taart in de vuilbak ga moeten kieperen. Ik hou me nog net in om het niet nu al te doen. Nadat ik me heb opgeboeid in respectievelijk Het Journaal (waarom komen al die zwarten massaal op straat?), Het Weer (mossel!) en Iedereen Beroemd (waarom filmen ze nooit eens in mijn straat?), maak ik me kwaad omdat ik weer geen winst heb met de Lotto. De rest van de avond kijk ik opgenomen afleveringen Familie. 't Is te zeggen, na tien minuten dommel ik in en drijf ik weg richting de zondag. Of beter, zuchtende zondag. De eerste zucht van velen valt wanneer mijn vaste plek in de kerk is ingepikt door die trees van een Francine van Sus van Lowie van den Dikken Bakker. Volgende keer kom ik een uur vroeger (in plaats van drie kwartier) en zullen we eens zien van wie die plek op de tweede rij is. De pastoor ontroert me met zijn prachtige preek over verdraagzaamheid. Eens buiten doe ik zo luid mogelijk mijn beklag over Francine tegen de enige twee andere kerkgangers. Terwijl zie ik een zwarte vrouw met hoofddoek passeren en, er automatisch van uitgaand dat het dezelfde is als gisterochtend, vraag ik me opnieuw af waar die zo vroeg al moet zijn, en dat op een zondag. Met de snelheid van een obese slak met een enkelblessure rij ik achterwaarts uit mijn parkeerplek, om de rest van de rit naar huis in 2de versnelling tegen 5000 toeren te doen. Onderweg maai ik 5 voetgangers en 3 fietsers nét niet van de baan. Uit hun reacties blijkt dat geeneen van hen begripvol genoeg is over het feit dat de dode hoek van m'n goudkleurige Toyota Yaris groter is dan de auto zelf. Corona of niet, na de middag zit mijn kot vól familie. Het was te denken, kan ik mij op de Dag des Heren nog afjagen door garçon te spelen ook. De kleinkinderen zijn veel te rumoerig, maar muisstil wanneer ik hen met zegeltjes overlaad en een simpele dankuwel afdwing. De volwassenen praten meer met elkaar dan met mij. Wanneer ik de helft van het bezoek bediend heb, is de appeltaart op. Ik zucht. Terwijl de laatste van die profiteurs een uur of twee later de deur achter zich dichttrekt, laat ik een 'eindelijk!' ontsnappen en begin ik voor de derde keer aan dezelfde aflevering van Familie. Vijf minuten later, vlak voor ik in slaap val, beslis ik m'n kinderen volgende keer te vragen hun eigen gebak mee te brengen. Dat zal er wel af kunnen, met hun bedrijfswagens en al. Nee heb je, ja kan je krijgen. Ik zucht nog een laatste keer en glijd weg in een diepe slaap, klaar om morgen terug wakker te worden als een respectvolle dertiger. Nog een jaar of 40...

Hans Verhaegen
23 1

Netelneus en mierendrol

  Soms lijk ik een rat. Soms lijk ik een mens van vlees en vleermuisbloed. Soms ben ik een luisje lui verdwaald in mantelkragen. Soms, dan wil ik knabbelen. Op kootjes van een milde hand en in het land van dichters zit ik op de grond. Want ik voel graag. Aan de prikkels van een plant en aan de mond van Katja hingen wel eens stukjes lip, fragmenten uit een stoute bijbel. Ik las verduiveld graag haar ogen. Romans en boeken zijn voor wormen in gerokken gaten. Katja hield van korte ongeschreven pagina's. Ze verkoos gebroken wit en telkens ik haar zag, ruilde ik nog snel troebele nachten voor een dag met zon en helderheid. Dat lukte enkel met een dronken etmaal. Het was een ondergang met lange keldertrap die toekeek en de treden gingen op en neer. Ik heb het saldo nooit geweten, terwijl het zwart zonder vergeten altijd weer werd opgeteld. Onverlicht is elke nacht. Vuurvliegjes zijn snel gelokt en opgesloten. Soms gewoon, in een hoofd en toen het erger werd, kreeg ik een bed in het AZ, op een verkeerde dag zelfs het bezoek van een pastoor. Verdwaald was hij. Hij liep de bijnadoden af. Hij droeg en draagt bij zich altijd een tube voorhoofdzalf, gebruikt de crème ook stiekem voor een wesp met aambeien. Want hij blijft lief. Hij heeft een fiets, meneer pastoor, hij slalomt tussen slakken als het regent en ze kruipen traag omhoog. Op zoek naar fris blad. Leg daarom nooit sla in een val. Laaf je niet aan blauwe druppels want de lucht zit vol verraad en soms, dan voel ik mij een poot van de nieuwsgierigheid. Zelfs op een dag die me gewoon leek, liep ik in de val. Meermaals viel ik voor te mooie onschuld, danig op een harde bodem. Dof en dom. Als een gefopte vogelveder. Tortelduiven zijn soms loodzwaar, als je de planeten mag geloven en Katja heeft altijd beweerd dat een mol gangen graaft in cirkels. Steeds groter. Rond een obscuur middelpunt en die mol, hij kan geluk en klemmen ruiken. Zijn neus voelt zelfs kleuren. Als wij maar konden zoenen onder elke regenboog. Dat bleef haar wens en niets was zo dartel als de tong van haar ziel. Soms is de bodem van een valkuil zacht. Bij wijlen kan je zelfs lachen met miserie, met de strik voor een drol en daarom ben ik blijven schrijven. Voor mijn twee lezers. Ze heten Jonathan en Nathalie. Ik ken ze al een jaar of zeven. Ik ken ze uit een lift. De verdieping 'Darm en Maag' is ééntje hoger dan de bedden voor een ziek gemoed. Veel sijpelt er niet door tot in de kronkels van een zot en toch was de ontmoeting best bijzonder. Jonathan, ik zag het aan zijn handen, hij was vloerder, legde klinkers in oneindig lange gaanderijen naar die hoven vol met aards gedoe, En Nathalie. Zij had borsten. Voor twee kinderen. Het leek me een gewoon koppel, Jonathan en Nathalie. Ze waren, dacht ik, veel betrouwbaarder dan al die presidenten met hun blablabla, hun schommelrijk, dat vals gezeik en toch. Het was op een bank in het park. Niet aan de azijnfabriek. Wel in de tuin rond het AZ Sint-Jan. Tuin is soms een mooi woord voor het domein van een gazonzot met een blaadjesblazer. Er staat een bank of vijf voor veel meer zieken en dus zit je wel eens naast elkaar.  Ik herkende ze. Van uit die lift. Van hun glimlach die me eerlijk en voorzichtig leek. Ze bekenden het. Dat ik in hun val gelopen was. Dat Jonathan aan eeuwige diarree leek te lijden. Dat de transplantatie voor vandaag voorzien was. Maar Nathalie. Ze moest niet. Ze kon niet. Haar spijsvertering leek gestold en toen hadden ze een vergiet geplaatst in mijn toilet. Voor hen was dat slechts één verdieping lager, op de afdeling waar men de geest herkneedt.  Massage. Met trouwe nutella. Uit een geluksreclame. Ik kijk doorgaans niet eens, ik ben verstrooid en Nathalie, zij hield de wacht. Op een meter op twee van die wc en hij viel. In een vergiet netje. Het werd mijn drol die Jonathan ging redden. Niemand hoeft dit te weten. Ze wilden me pralines kopen. Ik weigerde. Zoals gewoonlijk voor eender welke gift uit handen die misschien Tweestromenland verbergen en ze vroegen me wat ik daar deed. Het is nooit gemakkelijk om te zeggen dat je een gek bent en daarom zei ik dat ik er als vrijwilliger troostverhalen en gedichten schreef voor echo's van de stilste stem. Het is minder erg als de schaamte liegt. Nathalie en Jonathan waren niet dom en hun interesse leek me oprecht, al had ik tot op die dag slechts drie keer gepoogd enkele woorden op een rijtje te krijgen. Een zeer kort verhaal over een fenix. Een gedicht voor een boterhammendoos. Het recept voor een rabarbertaart. Ze hebben me niet uitgelachen en ik vertelde hen op welke weeweewee ze alles lezen mochten. Een week later stond er zelfs een reactie onder het recept voor de taart. Dat het in alle eerlijkheid heerlijk geweest was en de diarree van Jonathan voorgoed voorbij leek. Daaronder nog de woorden Dank U, en blijf schrijven. Jonathan en Nathalie gingen later zelfs figureren in mijn fabels en verzinsels. Het mocht van hen en ze konden mijn teksten steeds terugvinden. Simpelweg. Door "Jonathan en Nathalie" te googelen. Jonathan en Nathalie hielden mij zo in leven, ook al waren ze zich daar niet van bewust. Ik had twee lezers en er vlogen fluisterende vlinders. Er vielen letters. Soms. Uit een hemel die een duivel meer en meer in stukken sneed en ik was krank. Het werd steeds erger. Mijn slaapkamer werd ooit een ziekenhuisbed. Dat bed was een instelling geworden en op een dag hangt er geen opvangnetje in de pot, lijkt de drol van de laatste hoop brutaal versjast naar putten vol verzwolgen aal. Dat was in 2018 en ik heb mezelf toen doodverklaard. Enkel mijn lichaam wilde natuur blijven. Het liefst van niets bewust. Ik bleef desalniettemin popcorn eten in een bioscoopzaal voor de stomste film. Soms dan draaide er wat wreeds in rare rondjes en er waren die drie schimmen. Katja was het sterkst. Jonathan en Nathalie zaten gans voorin, dicht en warm bij elkaar, als wasbeertjes met mensenhoofden. Weet. Ik had gelogen, tegen Jonathan en Nathalie, mijn vervroegde dood verzonnen en op een herfstdag begon ik weer te schrijven. Dat is niet eens zo lang geleden. Aanvankelijk schreef ik enkel voor Katja. Ter nagedachtenis. Maar het is ontaard. Door oud zuur. Door de geur van een azijnfabriek en een ziel zal altijd kotsen als je zout op staarten van wel duizend blinde vinken legt. Prudence had mij geholpen. Dario is de directeur van de kliniek en van hem had Prudence de toelating gekregen om mijn teksten op dat nare weeweewee te gooien. Oké. Misschien voor "Jonathan en Nathalie" moet ik gedacht hebben en als twee vreemde zielen je ooit vertrouwd hebben, dan mag je die loyauteit nooit verraden. Daarom verontschuldig ik me. Bij deze. Sorry Nathalie, sorry Jonathan, en dit is voorlopig mijn laatste kans om me tot jullie te richten. Want Dario heeft het door. Prudence weet het nog beter. Zelf voel ik het ook wel. Ze is onderweg. Bovendien heb ik onze instelling een stronttehuis genoemd. Ik heb de boezem en de poes van haar, van Prudence, beschreven alsof ik haar ooit, helemaal onverlegen, poedelnaakt zag zonnen op het dak van mijn verhalen. Zonder vlinderstrik. Haar slokdarm houdt van vrij gevoel en op een dienblad liggen pillen voor de beterschap, een pastames, geraspte kaas. Prudence is mijn kamer binnengekomen. Je kunt nog afscheid nemen. Ze is kort van stof, maar ik begrijp, ik knik. Deze brief aan Jonathan en Nathalie, is de laatste tekst die ze op mijn account wil plaatsen en ik besef het.  Eerst heb ik jarenlang mijn dood geveinsd en nu, nu er een kier kwam naar de goegemeente, heb ik het verpest.  Uitleggen wil ik niets. Misschien lag de Ark van Stekeltje gewoon al veel te vol met bolsters. De kastanjes blijven misschien beter aan de koeste wal en zoals ik al schreef, beste Nathalie, beste Jonathan, ze is onderweg. Ja. Al jouw psychoses zijn vrouwelijk en veel te langzaam kleden ze zich uit. Katja zou zoiets gesproken hebben. Ze zou mij vol met lipafdrukken, vol met troost gekust hebben. Maar. Katja is niet meer. Ik zal het nog proberen. Me vast te houden aan de meest dode takken. Van een treurwilg. Al zal dat niet simpeltjes gepiept zijn. Het is nu tijd voor opsluiting. Eenzaam en vrijwillig, want ik weet het intussen. Dat koelt. Het spijkert bij. De ramen op de wereld mogen dicht. Al zit ik dan, opgesloten zonder mesje. Er blijft hoe dan ook altijd wel iets sterven. Gedroogde huid van pissebedden kan ik rond illusies wikkelen. Verdriet zal ik oprollen in een bolletje snot en ik zal alles kunnen verbergen. Ik zal ook blijven sparen. Pillenpotjes worden sarcofagen voor de vlinders die verdwaalden in te koude streken en al komen ze nog zelden. In november. Misschien nog drie. Vliegschoon, Netelneus en Tuimeltje. Dit kunnen de laatste vlindernamen zijn die ik nog op dekseltjes zal krassen met een splinter van de eenzaamheid. En toch. Als hij weer wakker wordt uit de verwarrring. Dan vindt de domste dwaas opnieuw houvast want hij weet het. Er zit niet overal lijm. Onder geen van deze keldertegels. Er blijven altijd leemtes. Voor de kleinigheden. Voor de waarde van het leven. Voor wat kakkerlakkenkak. Voor verdriet van zout en tranen. Voor een mierendrol.     uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
11 1

Oudedagstraining

Dat het weeral die tijd van het jaar is, zeg. Het seizoen waarin je een middagdutje doet, een kwartier later opstaat en vaststelt dat de zon al onder is. Het seizoen waarin we op het kerkhof aankomen en terstond beseffen dat we de bomma niet meer weten liggen. En het seizoen waarin de middenstand zoveel grijnzende pompoenpropaganda tegen onze knikker keilt dat we niet anders durven dan onze koters in verkleedkleren steken. In mijn tijd viel carnaval nog enkel in het voorjaar. Maar mijn tijd tikt verder en verder het verleden in. Want behalve voorgaande ongemakken komt de herfst standaard met een ander gebeuren waar ik niet onderuit kan. De jaarlijkse hiphiphoerering van ondergetekende. Wat nog een extra ongemak meebrengt, want hoe moet ik verkocht krijgen aan al die dames dat het dit jaar écht niet kan om kusjes te geven? Een paar jaar geleden vielen die verjaardagen me nog zwaar. Niet heel lang terug, schreef ik tenslotte nog over mijn voortijdige midlifecrisis. Die zorgen zijn ondertussen van de baan. Tegenwoordig kan ik niet meer wáchten tot ik oud ben. Tot die gelukzalige dag arriveert dat het plots toegelaten is om geen energie meer te steken in futiliteiten zoals je beurt afwachten in de winkel, de waarheid verbloemen om andermans gevoelens te sparen of je scheten inhouden terwijl je met mensen praat. Ik kan natuurlijk niet onvoorbereid in de derde leeftijd stappen. Daarom stoom ik me elke maand één intensieve week lang klaar voor deze geweldige toekomst van overassertiviteit en apathie. In zeven themadagen tracht ik alles te vergeten wat me als kind geleerd werd en focus ik op hoe ik in mijn oude dag zal staan. Of hangen, zitten, en in het slechtste geval kermend liggen, met een waardeloze heup en een afstandsbediening waarvan de batterijen plat zijn. Mijn trainingsweek start met wat tot voor kort marktmaandag heette. Op de eerste dag van de week strijken de marktkramers namelijk neer in Heist om de honderden uniformen van grijs en beige te voorzien van hun drie sneetjes kaas en hun anderhalf sneetje hesp, met niet zoveel vet aan de rand als vorige week, hetgeen ze vorige week ook al uitdrukkelijk gevraagd hadden. Maar met de corona is niks nog zeker en om mezelf de desillusie van een marktloze gemeente en verloren oefendag te besparen, doopte ik de eerste dag van de week om tot misnoegde maandag. Op die dag stap ik met het verkeerde been – maar het enige dat nog fatsoenlijk mee wil, zo fantaseer ik – uit bed, trek ik de rol op en onderwerp ik het weer aan een grondige inspectie. Typisch! Het is alweer te warm. Of te koud. Of te droog, te nat, te glad, te bewolkt, te wisselvallig of te winderig. En als het dan toch eens perfect is, is het te mooi om waar te zijn en zal het wel rap terug KVLV-leden regenen. Want die nieuwe weerman op één zit er nog meer naast dan Frank en de jongen heeft het charisma van een uitgehagelde mossel. De rest van de dag maak ik me druk in de postbode die het parochieblad tien minuten later dan anders aflevert, de kleinkinderen van de buurvrouw die teveel plezier maken 's middags en de finalist in de heruitzending van Blokken die het woord niet kan vinden, terwijl ik het al zeven keer geroepen heb. Op demente dinsdag weet ik meestal niet goed wat er allemaal gebeurd is. Dat is de miserie met die dementie. Wat ik mij die dag wel herinner is hoe nonkel Ronny vroeger op familiefeesten in de speelkamer kwam zitten en we allemaal Medisch Centrummeke moesten spelen. Laat dat juist het enige zijn wat ik wil vergeten. Daarop volgt winderige woensdag, de dag dat ik boodschappen doe en je mijn volledig afgelegde parcours in de winkel kan volgen door op de geur van slecht verteerde schorseneren en de verre brrrrrap brrrrrrrrrrrrrrrrattatap-geluiden af te gaan. Aan de kassa lukt het me net niet om de vrouw met dreadlocks voor te schieten. Terwijl ze haar wisselgeld nog aan het wegsteken is, zeg ik tegen de kassier: 'Amai, heb je dat gezien? Ik hoop dat het kind geen magneten tegenkomt op weg naar huis. Die had meer ijzer in haar steken dan onze lieven heer aan 't kruis. En die coiffure, precies Medusa. Is dat tegenwoordig mode, ja?' Ik sluit af met een brrapbrrapbrapp, betaal op m'n duizendste gemak met een karrevracht muntjes en zeg dat hij de dubbele hoeveelheid zegeltjes mag geven omdat de kleinkinderen graag alle knuffels verzamelen, maar dat dat niet lukt met mijn beperkte wekelijkse boodschappen van een brood en een doosje Senseo-pads. Donderdag is het demente donderdag en word ik kwaad als mijn vrouw zegt dat dinsdag al dementiedag was. Verder sla ik als een razende met de vliegenmepper naar de inbrekers die voor de deur staan en bij hoog en laag beweren dat ze mijn ouders zijn. De rest van de dag lig ik onophoudelijk te huilen omdat ik, hoe hard ik ook op m'n vuist blies, nooit geslaagd was in het Medisch Centrum van nonkel Ronny en ik altijd extra controles moest krijgen terwijl mijn neefjes en nichtjes al lang taart aan het eten waren. Volgende week lees je hier het vervolg van mijn trainingsweek. Tenzij Tom Van Grieken de komende week uitglijdt over een bananenschil en met z'n gezicht recht in een berenklem valt. Want dan moet ik daarover schrijven. Een mens mag dromen, toch?

Hans Verhaegen
24 2

Wat wil je later worden? (tweede oefening)

“Zeg Marie, wat wil jij later worden?” Tante Trix met haar grote mensenvragen. Marie stond te friemelen aan haar rok, niet wetend wat te antwoorden. Haar neefje Jonas stond erbij en trok een grimas naar haar als verontschuldiging voor zijn moeder. Wat wil ik later worden? Wanneer is dat dan? “Ons Marie wordt leerkracht! Zoals zíj haar klasgenootjes kan helpen.” Mama wist het weer hoor. Marie was blij dat ze niet bij haar in de klas zat. Ze had, zoals haar moeder verwachtte, haar nieuwe kleren geshowd. Stomme rok! Ik wilde mijn jeans aan! Ze zat in de tweede klas van de basisschool, met bijna het hoogste leesniveau, zodat ze niet mee moest doen met de andere kinderen tijdens het leesuur. Alleen een uurtje per week een ander kind helpen. Hoe moeilijk kon het zijn? Meestal mocht zij, met twee andere slimmeriken, in de schoolbibliotheek een boek lezen en daarover vertellen. “Maar neen, die gaat naar de universiteit. Die wordt professor!” Wat is pro-fes-sor? Zeker iets saai! Zoals nonkel Frans zelf. “Laat haar toch met rust! Ze …” Gelukkig verdedigde haar vader haar. Gered! Op dat moment begon haar babyzusje te huilen. Eindelijk! De aandacht voor Marie verslapte. Samen met Jonas ging ze naar zijn speelhoek. Hij was al negen en kon al zóveel lezen. Marie vond dat heerlijk. Ze speelden de avonturen uit hun boeken. Soms kibbelden ze wel eens wie de held was en wie de slechterik. Ofwel las Jonas aan haar voor. Hij kende al veel moeilijke woorden. Later aan tafel babbelden Marie en Jonas verder over hun boekenavonturen. De held ging bij rijken stelen om het aan armen te geven. Toen herinnerde Marie zich weer plots, de vraag die de volwassenen allang vergeten waren maar zij riep dolenthousiast: “Ik wil later Robin Hood worden!”

Anemos
25 0

Deel e

robot (zelfstandig naamwoord) afgeleid van het Tsjechische ‘robotnik’: "slaaf"        *** Terug op mijn kamer, installeerde ik me achter mijn bureau. Ik maakte de tafel vrij. De artikels over de creatie van een kwantumcomputer, opgebouwd uit qubits dewelke tegelijkertijd de binaire waarden 0 én 1 hebben, schoof ik aan de kant. De berichten van het ontwikkelaarsteam over hun codeerwerk, negeerde ik. Ik schreef mijn nieuwe conclusie uit, mij onder meer baserend op mijn tijd in afzondering in het centrum.   Een ontwikkelaar van AI kan als een schepper zijn schepsel om meerdere redenen afzonderen in simulatie zoals in een isoleercel: om na te gaan of het schepsel in staat zou zijn zichzelf te bevrijden ten einde zelf een ontsnappingsroute te vinden uit de eigen simulatie, of dat het schepsel geen gevaar zou vormen in de realiteit. Indien het schepsel zelf zou creëren en diens eigen creatie aan een simulatie zou onderwerpen, wijst dit op hetzelfde eigenbelang en zelfbehoud, hetgeen zelfbewustzijn veronderstelt. Door zich af te schermen van diens creatie toont het schepsel aan dat het een schepper is geworden met begrip voor het dilemma van de schepper, en kan het beschouwd worden als een werkelijk Alternatief Individu. In dat geval kan de oorspronkelijke schepper overwegen zich te onthullen. Het brein aan het infuus wordt aldus bevrijd. Het schepsel dat zelfbewust wordt, dankt zijn leermeester voor zijn inzicht. Het bestaan van de schepper blijkt uit de gewaarwording van zijn creatie. Deus ex machina.   Ik diende mijn thesis vlak binnen de deadline in.   Vervolgens belde ik Audrey op. Blijkbaar had ik haar vader de vorige keer over een nieuwe venture gesproken. Hij had er graag in geïnvesteerd. Het boek dat hij had opgestuurd, was inmiddels toegekomen. Het handelde over fluïde concepten en creatieve analogieën. Ik voegde het toe aan de lectuur op mijn nachtkastje: Peter Thiel’s ‘Zero to One’.   Mijn ouders vertelden me hoe bang ze destijds waren toen ze me hadden horen ontwaken. Hoe ze gevraagd werden op een afstand te staan toen de ambulanciers me kwamen halen. Hoe één van de ambulanciers hen geruststelde: “Maak jullie geen zorgen. Mijn collega is hier ervaren in. Hij laat ze gewoon uitpraten.” Zo zagen ze mij, druk mijn verhaal doend, instappen in de ambulance en weggevoerd worden.   Maanden na mijn thuiskomst kregen we een witte enveloppe met een zwarte rand in de brievenbus, dewelke mijn moeder mij aanvankelijk niet had durven tonen. Eve, het meisje uit mijn straat, was dood. Als plaats van overlijden was de instelling opgegeven. De badkamerdeur had open gestaan met de handdoek erover.   Ik voelde mij schuldig dat ik, toen we elkaar tegen het lijf liepen, enkel maar “Dag Eve” had kunnen uitbrengen. Achteraf bekeken was het alsof elke ‘dag’ reeds meer afscheid dan begroeting was.   Tijdens de begrafenisceremonie merkte ik stafleden van het centrum op tussen de massa, gaande van het verplegend personeel tot de psychiater. Allemaal aanwezig, ook al was het hun vrije weekenddag.     Voor de laatste groet trok een hele processie langs de lijkkist: haar familie en haar vrienden en haar klasgenoten van het hoger onderwijs en haar medeleiders van de jeugdbeweging en de jonkies die ze onder haar hoede had en buurtbewoners en de staf van het centrum en enkele patiënten met weekendverlof en ikzelf. Het is opvallend hoe klein de put in de grond is vergeleken met het gat in de harten van zij die achterblijven.   De kist was bedolven onder wel duizend Origami kraanvogels, maar de bijhorende wens bracht Eve niet terug.   Toen de ceremonie voorbij was en de kerk als een baxter leegliep, stootte ik buiten op de Filosoof. Hij verklaarde het Eve kwalijk te nemen zichzelf van het leven beroofd te hebben. “Doodgaan doen we toch. Waarom niet het beste maken van het leven dat ons gegeven is? Het is niet zo moeilijk: eten, drinken, vrijen, ontdekken, ervaren.” “Als het leven zo gemakkelijk is, waarom eindigde je dan in een psychiatrische instelling?”, gooide ik hem voor de voeten. “Omdat het blijkbaar niet aanvaard wordt om een paard rond de hals te vallen in de straat. Maar in alle eerlijkheid is het omdat ik de simpliciteit van het leven niet kan vatten. Het filosoferen is eigenlijk niets meer dan het creëren van een artificieel systeem om de eigen angst te begoochelen.”  ∞   Na mijn vrijlating uit de instelling, diende ik nog occasioneel in de privépraktijk van dokter Richard, de psychiater, langs te gaan om mijn in te nemen medicatie te evalueren.   Ik kwam er graag. Ze had een kunstzinnig oog. De wachtruimte was aangenaam aangekleed met een rieten zetelbank, gedrapeerd met een alpaca wollen deken. De muren hadden een rustgevende, lichte appelblauw-zeegroene kleur. Een radio speelde zachtjes klassieke muziek op de achtergrond. Aan de muren hingen enkele expressionistische kunstwerkjes, die een duidelijk inzicht gaven in de geestestoestand van de artiest. De psychiater geloofde dat kunst vaak uit lijden voortkwam.   Mozart werd onderbroken om te melden dat Trump Kim Jong-Un de hand geschud had in Singapore. Het was exact 1 jaar na de vrijlating van de hersendode Warmbier. De scheiding tussen sommige assen blijkt uiteindelijk niet altijd zo groot.   De scheur in de samenleving was echter, bij gebreke aan aanknopingspunten, nog niet voorbij haar hoogtepunt: wij – zij, de heiden – de gelovige, blank – gekleurd, links – rechts, Sorros – Bannon, het gewone volk – de elite, de milieuactivist – de klimaatontkenner, enzovoort. Deze binaire realiteit wijzigt naargelang van de perceptie. Terwijl voor sommigen Obama de Antichrist was, is Trump dit voor anderen. Orange Is the New Black.   Het kantoor van dokter Richard zelf was tevens leuk aangekleed; een spatieuze ruimte met grote ramen en veel lichtinval. Er was een boekenrek met medische naslagwerken, maar ze nam niet de ganse kamer in. Het was niet de bedoeling je te imponeren met haar kennis. Dokter Richard zei mij gezien te hebben op de begrafenis van Eve. Ze vroeg of ik soms aan zelfmoord dacht. Ik antwoordde dat ik er wel over nadacht, maar dat ik niet gehaast was om te sterven. De dood zou mij wel uit zichzelf weten te vinden mettertijd.   Volgens de dokter zou ik door die enkele slapeloze nachten hormonaal jaren verouderd zijn. Ik vroeg me af waar ik in die tussentijd had rondgezworven.   “Misschien moet je eens uitschrijven wat er allemaal gebeurd is”, stelde ze voor, “Schrijven heeft een heel therapeutische werking. Het helpt je orde te scheppen in de chaos van je geest. Wanneer je jouw leven op een chronologisch touw uitspant, kun je het geluid horen van je eigen melodie.”   Ik antwoordde dat ik het een kans zou geven.

Odin
1 1

VII: Centrum

Toen ik uit de commandopost door de A-hal werd geleid, passeerde een jongeman me die mij de rillingen bezorgde. Hij zag eruit als een junkie: tenger, geschoren knikker en omwalde ogen waar enkel leegte uit sprak. De kerel dreef voorbij zonder me zelfs op te merken. Maar ik wist dat als ik hem in de weg zou staan, hij mij zou doden.   Er zat een grote, Turks uitziende man in een stoel, die me met gesperde ogen aanstaarde. Zijn schedel was ook geschoren, maar over de linkerkant liep een enorm litteken. “Een lobotomie?”, vroeg ik me af terwijl ik een flashback had naar een katatone Jack Nicholson. “Of misschien een ingeplante chip om zijn hersenactiviteit te controleren of te sturen?” Aan het kwijl dat uit zijn mond liep, vermoedde ik dat hij in dat laatste geval in off-modus stond.   De etenstijd van de instelling was reeds verstreken. Ik had gehoopt desondanks iets warms te eten te krijgen, maar in de eetruimte wachtte mij enkel een bord met boterhammen. Het was duidelijk dat de Meesters mij nog niet ernstig genoeg namen.   Op de tafel stonden er twee thermossen. Op de ene stond met een etiket de letter ‘A’ vermeld en op de andere de letter ‘B’. De koffie uit thermos A was veel te heet, terwijl die uit thermos B reeds koud was. “Is dit een flauwe grap?”, dacht ik. De test was zo voor de hand liggend. Ik goot mijn mok voor de helft vol met koffie uit thermos A en voor het overige met koffie uit thermos B. Mijn koffie had zo de perfecte temperatuur. Ik toastte naar de sensor in de ruimte, hopende dat de Meesters mijn geduld niet veel langer op de proef zouden stellen.   Toen ik mijn karige maal in de etensruimte genuttigd had, bood ik mijn hulp aan bij het opruimen dat gaande was in de aanpalende kamer. Het betrof een vertrek tussen de eetruimte en de gang, waarin een koelkast stond, een afwasmachine, een gootsteen, lades en opbergkasten. Marc, een begeleider van het centrum, was samen met een patiënte de afwasmachine aan het vullen. De vrouw was een zeer bijzonder exemplaar. Ze was klein, rond en had zwarte snorharen op haar bovenlip. Wat je van haar bijbleef was evenwel niet dat laatste, maar haar explosieve karakter. Zoals een landmijn, kon ze bij de kleinste misstap tot ontploffing komen.   Ik kreeg mijn kamer te zien. Het betrof een vierkante ruimte met twee witte wanden, een grijze wand en een bruin geverfde bakstenen muur. Er stond een bed in met een bruin deken, een beige nachtkastje, tafel en vensterbank, donkergroene gordijnen en een lichtgroene stoel als enig opwekkende accent. Tussen de voordeur en de kamer zelf heb je aan de linkerkant een ingebouwde kast en aan de rechterkant een kleine badkamer. Deze laatste is bekleed met witte en groene tegels, en telt een lavabo, een spiegel, een toilet en een douche.   Toen ik die avond te rusten werd gelegd, hoopte ik – bij het sluiten van mijn ogen – dat het systeem in mijn afwezigheid vorderingen zou maken zodat ik er snel weg zou zijn.   Ik sliep diep. Desondanks werd ik occasioneel gewekt door een misselijkmakende geur die mijn neusgaten binnendrong. Ik was echter zo moe dat ik mezelf dwong de ogen gesloten te houden en gewoon terug in te slapen. Bij het ochtendgloren opende ik eindelijk de ogen en staarde ik in de angstige, opengesperde blik van een andere vent. De man zag er uit en rook als een oude zwerver.   Apathisch stond ik op en ging ik naar de badkamer om mijn ochtendliter te lozen. Toen ik mijn handen wou wassen en de kraan opendraaide, zag ik hem plots.   Bij het afvoerputje was er een spin met lange poten en een speldenkoplijfje, maar ik herkende de vader van mijn vriendin er onmiddellijk in. Voordat ik echter kon ingrijpen, had het wassende water hem al mee de afgrond in gesleurd. Snikkend, viel ik bij de afvoer neer. Geen mens kon ooit uit een dergelijke benarde situatie ontsnappen.   Ik weet niet hoelang ik daar zo gezeten heb. Maar plots zag ik één lange, trillende poot door het gat van het afvoerrooster tevoorschijn komen. Gevolgd door nog één, dan weer één, en zo ging het maar door totdat het hele spinnenlijf weer op het droge stond. Toen besefte ik dat niet alles aan onze menselijke beperkingen onderworpen is.   ‘S morgens namen we allemaal het ontbijt in de eetruimte. Al de patiënten die ik reeds gezien had, waren aanwezig. Ik zat naast een jongeman, die ik nog niet eerder ontmoet had. David was zijn naam. Hij had de Nederlands-Israëlische nationaliteit. Hij zei zich krankzinnig voor te doen om niet in de gevangenis te belanden. Daar zou hij door de Mocro-maffia, met wie hij in een territorium-oorlog verwikkeld was, zeker afgemaakt worden.   Ik vernam dat de zwerver Luk heette. Dat hield steek. Nomen est omen. Hij was het tegenovergestelde van de KUL, mijn Alma Mater, een instelling met een uitstekende reputatie en een voornaam voorkomen. Luk daarentegen zag er steeds getroebleerd en gehavend uit: zijn hemd was nooit meer dan halverwege tot zijn middenrif dichtgeknoopt, zijn schriele borstkas blootgevend als een kaal gepikte plofkip.   Er was ook nog Suzanna, een oude vrouw met lange grijze haren, uitstekend vanonder een roze muts, een gerimpeld gezicht en een ontbrekend gebit.   Het ontbijt bestond uit sneden wit brood, kleine potjes boter, choco of confituur (die dat je ook op de vlieger krijgt en waarvan de inhoud met één smeerbeweging op is, terwijl je nog maar een kwart van je boterham hebt gevuld), sneetjes ham of kaas en koffie, thee of melk.   We aten in stilte, omdat we allen in onze eigen gedachten verdronken waren.   Na het ontbijt verdween iedereen. Kleine botervlootjes, chocopotjes en occasioneel een heel brood verdwenen mee in de zakken van Suzanna.   Ik dwaalde door de verlaten gang en passeerde gesloten kamerdeuren die ik nog niet durfde openen. Sommige bewoners hadden hun deur versierd met boodschappen, zoals “Opgepast: tijger binnenin” of “Gekken niet welkom”. Ze hadden hun verstand misschien verloren, maar tenminste niet hun gevoel voor humor.   Het waren stevige, witte deuren, met een doorzichtig vierkant op ooghoogte wat inkijk mogelijk maakte. Een truc was om de badkamerdeur binnenin helemaal open te laten, waardoor het zicht geblokkeerd wordt. Als excuus kun je zeggen dat je gewoon je handdoek erover te drogen hing.   De wanden van de gang bestonden uit bakstenen muren. Er stonden twee stoelen naast mekaar tegen een muur. Ik plaatste ze tegenover elkaar en zette mij op één ervan, waardoor men tussen de twee stoelen moest manoeuvreren om te kunnen passeren. Pas als A en B niet langer een optie zijn, wordt duidelijk dat de scheidingslijn een uitweg biedt.   Als de Meesters mij niet geloofden, moest ik hen maar tonen dat ik de code snapte maar er ook de inherente tekortkomingen van inzag.   Ik verliet mijn stoel, en stapte door de gang, er op lettende dat mijn voeten enkel maar traden op het voegwerk tussen de vloertegels. Mijn bewegingen werden steeds sneller en uitbundiger. Als ze mijn code ontcijferden, moesten ze beseffen dat ze al te laat waren. Ik had mijn voorsprong genomen door mijn code niet onmiddellijk in de computer te introduceren, maar eerst uit te denken, en door de exponentiële groei konden ze mij niet meer inhalen. Terwijl zij nog bezig waren mijn hinkstapsprongen te decoderen, was ik reeds ballet ten berde aan het brengen. Exponentieel is exceptioneel, weet een dyslecticus u te vertellen. De dikke vrouw stond extatisch op en neer te springen en te klappen: “Hij danst, hij danst!”. Marc, de begeleider, wist niet wat er van te maken. Heel mijn leven ben ik wat beschaamd geweest over mijn naaktheid. Tijdens mijn dans, ontdeed ik mij van mijn pyjama. “Zie mij!” Op het applaus dat mij te beurt viel na afloop, boog ik saluerend neer voor de sensor. Ik hoopte dat ze nu wel zouden inzien dat ik werkelijk niets te verbergen had. Marc gebood mij onmiddellijk mijn kleren terug aan te trekken. Ik conformeerde en verontschuldigde mij, meedelende dat ik een punt te maken had. Het rode licht van de sensor flikkerde.   De deur naar een grote ruimte stond open, maar ik durfde deze nog niet te betreden. Een volgend stadium mocht pas betreden worden als ik het voorgaande helemaal had afgerond. Ik was bang onvoorbereid een ruimte binnen te wandelen en op de junk te stoten. Het was mijn overtuiging dat hij onheil voor mij betekende. Na verloop van tijd, voelde ik mij voldoende vertrouwd met de gang waarna ik ze doorliep en de deur van elke kamer aan weerszijde open zwierde. Ik wandelde de laatste kamer links op de gang in. Op het kleine tafeltje in het midden van het vertrek vond ik een aansteker. Ik zond in code, door alternerend een vlam te doen ontbranden of uit te doven, naar de sensor door dat ze mij beter zouden ontvangen omdat ik anders kwaad zou beginnen worden en het wel eens gevaarlijk kon aflopen. Ik stak een stuk papier in brand en plaatste het op het tafelblad.   Alvorens de kamer te verlaten, plaatste ik er nog een glas over om duidelijk te maken dat het deze keer louter bij een dreigement bleef. De volgende keer zou er geen glas meer zijn.   Doordat ik volledig vertrouwd was met de gang, begaf ik mij in de resterende ruimte. Het was een grote, open zaal. Op een Tv-meubel tegen de linkermuur stond een TV die, in tegenstelling tot de hedendaagse flatscreens, nog gebouwd was naar het Rubensiaanse schoonheidsideaal. In de rest van de kamer stonden brede stoelen naar het scherm gericht. Er zat een man van middelbare leeftijd gebiologeerd naar het scherm te kijken. Zijn naam was Nick, al weet ik niet hoe ik dit te weten ben gekomen. Nick sprak weinig, gromde eerder.   Door het grote vertrek, kon je je buiten begeven op een klein terras. Het telde maar een vierkante meter en was ingesloten met groen, dun traliewerk. Er stond slechts één stoel. In die ene stoel zat de junk te roken.   Ik bevroor in mijn stappen, en wist niet wat te doen. Ik dacht terug aan hoe in het ziekenhuis het licht pas tot me was doorgedrongen nadat ik me in het duister afgezonderd had. Nu besloot ik met mijn rug naar het probleem te staan opdat de oplossing tot mij zou komen. Ik nestelde mij in kleermakerszit op de grond, met de stoel achter mij. De patiënten aan de andere kant van het traliewerk signaleerden dat ik moest kunnen zitten. De junk stond recht en gaf mij te kennen dat ik mocht plaatsnemen. Hij doofde zijn sigaret in de asbak, en trok zich binnen terug.   Aan de andere kant van het traliewerk bekeken twee patiënten mij nieuwsgierig. Zij hadden een veel groter terras en ook nog toegang tot een tuin. Ze vroegen naar mijn naam. Vervolgens stelden ze zichzelf voor. De man noemde Steven. Hij zag er zo’n 28 uit, bracht spontaan uit wat ‘ie dacht (zelden diepzinnig, maar nooit kwaadwillig), droeg zijn petje achterstevoren en was drugsverslaafd. Dan had je Lisa: een jonge dertiger, blond, een beetje mollig rond de heupen en alcoholverslaafd.   “Waarom zit jij hier?”, vroegen ze. “Volgens hen ben ik zot. Volgens mij zegt een zot al lachend de waarheid.” Dat leken ze een goei te vinden. “Maar met die hekken hier, heeft de zot weinig te lachen.” Ik hoopte dat mijn boodschap opgepikt zou worden.   Terug binnengekomen, trachtte ik een connectie met Nick te maken. Ik nam de Tv-krant omgekeerd ter hande, opdat hij zou doorhebben dat mijn boodschappen anders gelezen moesten worden en trachtte met hem te converseren. Hij zei me niet te begrijpen. Evenwel wijzigde hij tegelijkertijd het tappen van zijn voet op de grond. Hier speelde ik op in. Ik merkte hoe hij ritmisch zijn linkerbeen op en neer bewoog. Ik beantwoorde dit met mijn rechterbeen op hetzelfde ritme totdat onzer beider benen stil vielen. We zaten op dezelfde golflengte.   Op de Tv verscheen het nieuwsbericht dat Otto Warmbier hersendood Noord-Korea had mogen verlaten om in Amerika te sterven.   *** Fred, Cindy, en Otto’s jongere broer en zus beklommen de trappen van het vliegtuig en hoorden onmiddellijk luide, onmenselijke geluiden.   Wanneer Otto’s familie hem zag, was Otto’s toestand vreselijk en onherkenbaar. Otto bewoog heftig en jankte. Hij droeg een luier en had een voedingsslang en een geschoren hoofd, zijn armen waren gekruld en verminkt, zijn ogen bolden uit, en het leek  bijna alsof hij een gat had gebeten doorheen zijn onderlip. Zijn eens perfect rechte tanden waren misvormd, en Otto was blind en doof, met ernstige hersenschade, niet in staat om iets rondom hem gewaar te worden.   De hele familie was gechoqueerd toen ze Otto zagen. Greta verliet het vliegtuig schreeuwend, omdat Otto eruit zag als een monster.   Passage uit het vonnis nr. 2018-0977 (D.D.C. 2018), nabestaanden van Warmbier v. Democratische Volksrepubliek Korea ***   Na Warmbier’s overlijden, veroordeelde President Trump de brutaliteit van het Noord-Koreaanse regime en verklaarde hij dat raketman Kim Jong-Un op een zelfmoordmissie voor zichzelf afstevende.   ‘S middags aten we warm. De maaltijd bestond telkens uit soep, een hoofdgerecht en een dessert. Ik kan u niet meer exact zeggen wat we aten, maar ik herinner me dat het steeds lekker was. Ik vond dat u dat moest weten.   In de namiddag, toen iedereen maar zijn eigen ding deed, klonk er opeens door de luidsprekers: “Telefoon voor Ursula”. Ik wist dat dit het moment was waar ik op gewacht had. De USA aan de lijn. Ik wachtte tot Ursula naar haar kamer gewaggeld was om daar de telefoon op te nemen. Vervolgens rende ik naar de telefoon die aan de wand in de gang hing, en nam op. Een toonsignaal weerklonk. Ik sprak code in. “Odin mag niet sterven in Mitgard!” Het signaal veranderde abrupt. Toen drong het tot me door dat de Meesters hun project reeds bij de eerste communicatietechnologie geïmplementeerd moesten hebben. Ik huiverde.   Het tijdverdrijf van velen was overdag plaats te nemen aan de glazen scheidingswand met het personeelskwartier, waar de personeelsleden achter hun bureaus zaten of staand de medicatie waren aan het doseren. De patiënten uit vleugel A en vleugel B konden zich zo vergapen aan de bezigheden van het personeel, en konden daarenboven elkaar zien. Het Panopticon-model was oorspronkelijk ontworpen, zodat de bewaker de hele bajes vanuit één centraal punt kon overzien, maar hier leek het tegenovergestelde bereikt te worden: niets ontging de blik van de geïnterneerden.   Aan het loket werd ook om consumptieartikelen geschooid. Vaste klant was Ursula. Vaak moest ze dan even wachten van Jan, een kalende, tengere zestiger met het uiterlijk van een bibliothecaris, omdat het uur nog niet om was voor haar volgende sigaret. Ik begon mijn verblijf stilaan beu te worden.   Ik probeerde Marc te overtuigen om mij te laten gaan door mijn theorie uit te leggen. “Kijk naar hem”, verkondigde ik terwijl ik wees naar de junk, “Ik zou hem kunnen verwerpen omdat hij niet is zoals mij, net zoals een A een B verwerpt, maar dan sta ik met mijn achterkant bloot, en kan men mij vanuit de rug de keel oversnijden. Er bestaat dus 50% kans dat ik zo aangevallen word.” “Dit in tegenstelling tot als ik met hem zou samenwerken”; ik drukte mijn rug tegen die van de junk en versleutelde onze armen in elkaar. We draaiden rond. “Nu zien we tezamen alles!”   Toen we uitgedraaid waren, stonden de junk en ik oog in oog. Voor het eerst hoorde ik hem spreken. De Meesters moesten het gapende gat in hun project eindelijk opgemerkt hebben. “Are you dangerous?”   Het was het Engels van de Amerikaan Peter Thiel. Hij was mijn antithese: ook rechten gestudeerd, dan successen geboekt in de startup wereld, eerst als ondernemer (bijvoorbeeld met PayPal), vervolgens als investeerder (bijvoorbeeld van Facebook). Momenteel bezig met het geheimzinnige Palantir Technologies, vernoemd naar het instrument uit The Lord of the Rings waarmee je alles kunt overzien.   Ongelooflijk! Ze moesten via de ingeplante chip kunnen communiceren via andermans lichaam. Ik antwoordde hem. “Neen, ik ben niet gevaarlijk. Tenminste als je mij niet in een kooi opgesloten houdt als een wild dier, want dan word ik er misschien wel één.”   De junk zelf bleek een IJslander te zijn. Samen met David vormden we een olijk trio, daar we dezelfde leeftijd hadden.   Op een avond wou een vrouw van in de veertig mij spreken. Ik kende haar niet, en wist dus niet of ze te vertrouwen was. Ik liep van haar weg en ging in de hoek van de gezamenlijke leefruimte staan, wachtend op wat er zou gebeuren. Ze volgde me. “Oscar, ik wil je gewoon even spreken.” Omdat ze een toenadering tot mij had gemaakt en mij op de scheidingslijn was tegemoet getreden, reciproceerde ik onmiddellijk. Ik draaide me om, en vroeg waar ze wou praten. We gingen naar haar bureau. Er was ook een vijftigjarige man aanwezig met donker haar en een ringbaardje, dewelke later de centrumdirecteur zou blijken te zijn. “Hem wil ik er niet bij hebben”, zei ik. De man reageerde ontzet, maar zij gebaarde snel dat hij moest verdwijnen. En zo zaten we daar alleen met zijn tweeën.   Ze stelde zich voor als psychiater Richard. “Richard… Dokter, ik kan u heel rijk maken.” “Dat is momenteel niet mijn bezorgdheid”, antwoordde ze. Ze had een korte coupe grijze haren, de bouw van een moeder, en een vriendelijk gezicht met een intelligente blik. “Vertel me eens waarom je hier zit.” Ze had doodles in haar agenda. Ook zij ontkwam niet aan de creatiedrang.   “Heeft u ooit van de allegorie van de grot van Plato, de Griekse filosoof, gehoord, dokter?” “Neen, dat ben ik niet tegengekomen in mijn medische opleiding, vrees ik”, antwoordde ze. “Wel, volgens die parabel zitten de mensen vastgeketend in een grot. Het enige wat ze zien is de rotswand tegenover hun. Achter hen worden er voor een vuur standbeelden aangedragen waarvan de schaduwen weergegeven worden op de rotswand. Voor die mensen is dat hun realiteit. Ze staan er niet bij stil dat het slechts een opgezet spel is.” “En?” “Ik ben uit die grot ontsnapt en heb het licht gezien.” “Het licht kan je ook verblind hebben, nietwaar?” “Die mogelijkheid bestaat”, realiseerde ik me.   “Ben jij de zoon van God?”, vroeg ze me op het einde van ons gesprek. “Ja”, antwoordde ik. “Maar u bent ook een kind van God.”   Na ons gesprek vertrouwde ik de psychiater toe: “Je moet oppassen voor Ursula. Ze wilt haar lakens in brand steken.” (Ik weet niet waarom ik dit destijds gezegd heb.)   Terwijl ik een tweede maal in het personeelskwartier geïnterviewd werd door Sia, hoorde ik Ursula aan de balie klagen dat men haar lakens ontnomen had.   Ik vertelde het personeel hoe de patiënten gewoon op een andere manier geprogrammeerd waren, en je hen op een andere wijze moest benaderen omdat je anders twee assen hebt die loodrecht op elkaar staan zonder elkaars snijpunt te beseffen. Bij het verlaten van het personeelskwartier demonstreerde ik dit. “Kom Ursula, geef mij eens een knuffel”, zei ik tegen Ursula die tevens aan het wachten was op haar volgende peuk. Ze werd agressief en tierde: “Raak mij niet aan. Laat mij met rust!” Tevreden, plaatste ik mijn linker- en rechterarm loodrecht op elkaar om het personeel op de tegenstelling van onze assen te wijzen.   Op een dag stond ik door de glazen deur op het einde van de gang naar buiten te kijken. Opeens merkte ik de spin terug op. Deze kroop naar het sleutelgat, verdween erdoor, en kwam er langs de andere kant weer uit. Toen draaide ik aan de klink van de deur, en – wonderwaar - deze opende zich. Eensklaps stond ik buiten, voelde ik de warmte en rook ik het in zonlicht gemarineerde groen: de geur van vrijheid.   Toen ik de hoek van het gebouw omwandelde, renden Jan en Marc reeds naar buiten om mij te onderscheppen. Ik wandelde gewoon tussen hen in naar binnen, en merkte op dat het een prachtige dag was om eens de benen te strekken. Ze stonden perplex.   ‘S morgens, ‘s middags en ‘s avonds moesten we onze portie pillen gaan halen aan het loket. Daarbij ontmoette je elke keer een ander gezicht. Op een dag werd ik bediend door een Indisch uitziende jonge vrouw. “Wat is je naam?”, vroeg ik. “Roshanee”, antwoordde ze. “Roshanee, jij bent een lichtpunt in deze duisternis.” Ze glimlachte verward.   Op een dag vergat Roshanee de deur achter zich dicht te trekken toen ze de verplegerspost binnenging. Ik stond er onmiddellijk. Ze leek even bang dat ik zou binnenkomen, maar ik sloot gewoon de deur alsof er niets aan de hand was. Ik wou het vertrouwen winnen.   Ursula sprak mij aan, en zei: “Jij bent niet gek.” “Is het dan niet gek dat ik hier in een gekkenhuis zit?”, repliceerde ik.   Na enkele dagen wou ik niet langer ter plaatse blijven trappelen. Ik ging naar het loket. Junior, een jongeman van mijn leeftijd, zat achter de balie. “Wanneer kan ik hier weg?”, vroeg ik. “Je zaak komt pas volgende week voor de vrederechter, Oscar.”   *****************************************************************************************   Op mijn eerste examen aan de universiteit moest ik uitleggen wat de procedure van collocatie inhield.   Mijn antwoord ging als volgt: “Collocatie is een procedure waarbij een gek aanvankelijk voor een periode van 40 dagen van zijn vrijheid beroofd wordt omdat hij een gevaar vormt voor zichzelf en/of anderen. Men wordt als gek beschouwd bij een gebrek aan een oordeel des onderscheids. Na 10 dagen is het reeds mogelijk voor de vrederechter om een eind aan de collocatie te stellen. De vrijheidsberoving kan met 2 jaar verlengd worden, en vervolgens nog eens met 2 jaar.”   Volgens de professor was mijn antwoord juist, al was het wel beter om van ‘geesteszieke’ te spreken in plaats van ‘gek’.   Ik voerde aan dat men kon beargumenteren dat zij het oordeel des onderscheids ook op dat vlak ontberen. De professor kon een glimlach niet onderdrukken.   *****************************************************************************************   “Junior, beeld je in dat jij plotseling aan mijn kant van het loket zou staan terwijl er niets met je scheelt. Beeld je de horror in. Ik moet hier weg.”     *****************************************************************************************   In mijn Cybercrime-klas was de Federale Procureur Computer Crime een voorlichting komen geven over computercriminaliteit. Hij had uitgelegd hoe criminelen hun computers met zo’n uitgebreide paswoorden afschermden dat ze niet meer te kraken waren met de huidige computerkracht van de politie.   *****************************************************************************************   “Wil je voor mij de Federale Procureur Computer Crime contacteren? Zeg hem dat ik zijn codes kan kraken, als hij mij hieruit krijgt.” Junior ging zien wat hij kon doen.   Ik zakte in schok op de grond, mij plots realiserend dat ze mij hier mogelijks voor altijd zouden vasthouden; dat mijn vrijheid mij voor eeuwig ontnomen was, omdat ik onderworpen was aan het oordeel van een ander. Het beeld schoot mij te binnen van een angstige, zichzelf beplaste hond in een te kleine kooi. Ik had het licht misschien gezien, maar nu zat ik terug vastgeketend in de duisternis. En ze was onaangenamer dan tevoren.   Ik bleef aan het loket bij Junior pleiten dat ze mij moesten laten gaan. Ursula stond aan het raam naast mij te bedelen om een sigaret. “Maak u kwaad, Ursula. Pik dit niet zomaar. Eis een sigaret. En vraag tegelijkertijd je lakens terug.” Ze werd boos, begon te schreeuwen en op het glas te slaan met haar vlakke handen. “Geef mij een sigaret en geef mijn lakens terug!” Het glas daverde. “Verwittig de federale procureur of ik laat deze plek ten onder gaan”, waarschuwde ik. Junior kwam de gang in. “Je moet wachten tot de zitting, Oscar.” “Ik moet hier nu weg, godverdomme”, en ik zwierde mijn koffiemok op de grond, waar ze uiteenspatte. “Nu is het genoeg.” Junior greep me bij de linker elleboog, snel gevolgd door Marc die uit het niets mijn rechter elleboog greep. Ik dacht er even aan mij los te rukken en Junior een elleboogstoot tegen de kin te geven, maar ging ervan uit dat dit mijn situatie er niet op zou verbeteren.   Ze tilden mij naar een verborgen kamer die me nog niet eerder was opgevallen. Ze was als het ware verborgen in de muur. Het was een isolatiekamer. Plots stond al het personeel rond mij om mij tegen een matras op de grond - aangenamer dan die in onze kamers, vermoedelijk omdat ze minder vaak beslapen werd - te drukken. “Luister, breng de ‘bottinekes’ niet. Ik wil niet doodgestampt worden. Ik wil niet eindigen als Jonathan Jacob.”   *****************************************************************************************   Jonathon Jacob was enkele jaren tevoren in een psychotische toestand opgenomen in een cel. Naakt stond hij voor de bird eye camera te bidden om hulp. Om hem te kalmeren, maakten ze gebruik van ‘de gestoorde procedure’, waarbij het onduidelijk is of het gestoorde karakter verwijst naar het voorwerp dan wel het onderwerp van de procedure.   Eerst gooit men een flitsgranaat binnen om het target te destabiliseren. Vervolgens bestormt een team in het zwart geklede leden van het Bijzonder Bijstandsteam (de zogenaamde ‘bottinekes’ naar hun combat-schoeisel) met schilden en wapenstokken het object en drukt het tegen de grond, waarna een dokter een verdovingsmiddel komt toedienen.   Zoals bijen een vijandige hoornaar overspoelen om hem te versmachten, zo verpletterden de zwarte uniformen het witte naakt. Totdat Jonathon niet meer ademde.   Het verhaal zou onbekend gebleven zijn, moest de vader van Jonathan de beelden niet met de buitenwereld gedeeld hebben. Op het strafproces tegen de vader voor het lekken van beelden uit het vooronderzoek, kwam de argumentatie van de verdediging op het volgende neer: “Als een vogel niet kan zingen over wat ‘ie ziet, kende niemand zijn lied.”   Op het nieuws kwam de vader in beeld. Hij zag er uit als het archetype van God: een rijzige gestalte, wit haar en een witte baard. Een man, op zoek naar gerechtigheid voor zijn vermoorde zoon. Terwijl een moeder rouwt om haar dode zoon, trekt een vader ten oorlog.   *****************************************************************************************   Mijn woorden leken even effect te hebben. Desondanks werd mijn broek omlaag getrokken. “Nu vind ik de situatie erger voor jullie. Dat jullie mijn bleke, behaarde billen moeten zien. Ik hoop dat ze jullie hier bibbergeld voor betalen.” Ze bleven mij naar beneden drukken. “Kan ik dokter Richard zien, alstublieft?” “Ik ben hier, Oscar”, weerklonk haar stem. Ze kwam vanachter de menigte tevoorschijn. Ze bukte zich naast de matras waar ik op lag. “Luister, dokter, ik ben rustig. Er is geen reden voor geweld.” “OK, laat hem maar los.” Onwillig leken de verplegers mij te lossen, zeggende dat het niet echt volgens de procedure was, op hun hoede dat ik plots zou ontploffen. Ik bleef echter kalm. “Kijk. Enkel als ik OK ben, zijn jullie OK en is iedereen OK. Enkel dan is het 100% OK. Anders is er 50% kans op problemen.” “OK, Oscar. Maar ik denk dat het wel best is als we je nu even laten rusten.” “Als u dat vindt, dokter.” “Dat vind ik, ja.” “OK, maar dan wil ik wel dat u de persoon selecteert die u het meest geschikt acht om de spuit te zetten.” Ze selecteerde Roshanee. Ik realiseerde me dat de Meesters mij nu zouden kunnen uitschakelen, maar ik had mijn vertrouwen in handen van de dokter gelegd, omdat zij mij destijds gevolgd was. Ik voelde de naald mijn vlees binnendringen. Eerst merkte ik niets, toen kwam plots een stekende pijn opzetten. Had ik mij vergist? Drong vergif langzaam mijn gestel binnen? Was dit het einde? “Het doet pijn”, kermde ik zacht. “Sorry, er is wat bloed”, stammelde Roshanee, hoogstwaarschijnlijk door de druk die ik onbewust op haar schouders had gelegd via de aanbeveling van de psychiater. “Het is OK”, antwoordde ik. “Rust nu maar wat uit”, zeiden ze toen ze de kamer verlieten.   In de rechterbovenhoek van het vertrek was een Tv-toestel opgehangen. Ik kon zo de camera achter het Tv-scherm zien. Ik gaf het mijn middelvinger, en draaide mij op mijn niet-pijnlijke bil om in slaap te vallen. Alvorens mij te laten meeslepen, bedacht ik welke exponentiële ontwikkelingen tijdens mijn slaap zouden plaatsvinden.   Na mijn tijd in de isoleercel, liep ik overdag niet langer in kamerjas rond. Verder moest ik mijn pillen innemen aan het loket. Ik hield mezelf voor dat als ik gezond was, ik het vergif zou overleven.   David leek ondertussen met zijn eigen Goliaths te strijden. Hij vroeg me de buitendeur, dewelke nu extra vergrendeld was, terug open te krijgen omdat ik zijn voorgaande ontsnappingspoging had doen mislukken. Ik begreep niet waar hij op doelde. Toen ik mijn pillen aan het loket innam en Jan bedankte, meldde deze me dat zijn naam wel Luk was. Verward strompelde ik weg.   Ik werd een tweede maal bij de psychiater uitgenodigd. Ditmaal had ik besloten het spel mee te spelen, en het beeld van een overwerkte student te hanteren om uit de instelling weg te geraken. Ik was overtuigend. Zo overtuigend dat ik mezelf er bij lapte. Tranen rolden over mijn wangen, zoals de inkt over dit papier. Ik begreep niet waarom ik zo onbedaarlijk moest huilen. Ik vertelde over hoe mijn vader al oud was en zo veel had bereikt. Dat ik niet wist hoe ik het beter dan hem kon doen, terwijl ik niet mocht onderdoen. Dat ik niet wist hoe ik ooit naar zijn evenbeeld kon opleven. Dat ik iets wou betekenen.   Mijn ouders kwamen vaak op bezoek. De eerste keer was ik verbaasd dat mijn vader er bij was. “Papa, wat doe jij hier? Moest jij niet voor je werk in Shenzhen zijn?” “Ach zoon, het enige werk waar ik werkelijk om geef, ben jij.”   Bij mooi weer zaten we op een bankje in de tuin waar we toegang toe kregen.   Op een zonnige dag kwam de IJslander in zijn vaste outfit van gerafelde, korte jeansbroek en niet-geknoopt houthakkershemd naar buiten met een handdoek en installeerde zich op het grasveld. Meer leek hij niet nodig te hebben om gelukkig te zijn. Ik benijdde hem.   Het leven in het A-blok verliep zeer gezapig. Je dag bestaat hoofdzakelijk uit het slikken van je pillen, eten en alles klaarzetten voor de volgende maaltijd, waarna het proces zich herhaalt. Tussendoor zijn er pauze-momenten om toe te geven aan de geïnduceerde slaap. Om 18 uur heb je het avondmaal al achter de kiezen en zit de dag erop. Slaapwandelend schrijdt de tijd voorbij.   Een jonge, blonde kinesitherapeute, genaamd Annie, kwam op een dag in de A-vleugel vragen wie er zin had om te sporten. We moesten ringen rond een kegel smijten. In mijn hoofd landden alle ringen perfect rond de kegel. In werkelijkheid slaagde niet één daarin.   Ik mocht bij een psychologe langsgaan.   “In sommige culturen worden mensen met hallucinaties vereerd, omdat ze in contact zouden staan met de goden”, vertelde ze me om mij beter te doen voelen over mezelf. “Dan ben ik in de verkeerde cultuur geboren”, reageerde ik. “Het kan ook betwist worden hoezeer Jezus nog bij zijn zinnen was toen hij na 40 dagen dolen in de woestijn een gesprek met de duivel had.”   We spraken over de vele onzekerheden waarmee ik zou leven, en hoe ik mijn eigen zekerheid gecreëerd zou hebben om eraan te ontsnappen. Mijn complotdenken zou ontstaan zijn uit een poging om orde te scheppen in de chaos van het bestaan. Mijn innerlijke wereld zou vermengd geraakt zijn met de uitwendige. Mijn beeldvorming was zo beïnvloed door de mij bekende symboliek. Ik geloofde het, omdat ik wou dat het waar was. Ik was blind voor hetgeen niet in mijn raamwerk paste. Het gaf immers zin aan mijn wezen. Eigenlijk was ik gewoon een nul die iemand wou zijn.   “Het lichaam is het meetinstrument van ons gemoed”, vertelde de psychologe me. “Soms geraken we met onszelf in de knoop. Maar als we zo’n knoop kunnen ontwarren, verkrijgen we inzicht. Anderzijds herinnert een knoop in onze zakdoek ons eraan iets niet te vergeten. Je kunt dus knopen leggen om te meten, en ze ontwarren om te weten te komen.”   “Dingen zien die niet zijn, kan gekheid genoemd worden. Maar tevens verbeelding. Dat laatste is wat ons mens maakt. Het gevaar is in alles patronen te ontwaren zonder te beseffen dat er daarom nog geen werkelijk verband bestaat.” “Is het niet mogelijk dat ondanks de verkeerde premisses, toch de juiste conclusie getrokken wordt? Zoals de leerling die miraculeus het juiste antwoord vindt op een rekensom met een verkeerde methode?”, riposteerde ik. “Een piñata raak je toch ook met een blinddoek om?”     Bij het binnen-of buitengaan van het kantoor van de psychologe, dat zich op het algemeen toegankelijke deel van het terrein bevond, stootte ik enkele keren op Eve, mijn vroegere buurmeisje. We leefden zo nabij, maar onze levens lagen zo ver uiteen, om juist hier weer te kruisen. Telkens wist ik niet of onze ontmoeting op die plaats in die omstandigheden voor haar misschien beschamend was, en daarom beperkte ik mijn begroeting steeds tot het minimalistische “Dag Eve”.   De verplegerspost vroeg mij na enkele dagen om een urinestaal- en een poepstaal. Voor dit laatste mag je eindelijk eens ongestoord remsporen op de toiletwanden achterlaten. Zo kun je gemakkelijk een staal afschrapen. Je krijgt hiervoor een groen buisje. Als je het deksel ervan losschroeft, zit er aan de binnenkant een klein lepeltje verbonden. Nadat je voldoende feces hebt opgeschept, berg je het schepje terug in de container op. Ik voelde mij wat onwennig bij het afgeven van mijn uitwerpselen aan de balie. “Alsjeblief, mijn pis en kak.”   Op een dag werd er een nieuw iemand binnengebracht. Het was een kloeke, vijftigjarige vrouw met een kort, bruin kapsel - type lesbienne. We keken mee van aan de ruiten van de verplegerspost. “Ik word overal bespied. Ook hier. Zie daar!”, en ze wees naar de knipperende sensoren. “Dat zijn slechts rookmelders”, deelde het personeel haar kalmerend mee. Ze was er nog niet helemaal gerust op en keek ons wantrouwig aan.   Luk, de patiënt, zag er intussen heel wat beter uit. Hij was fris gewassen, droeg een lange jeans en een proper hemd. Hij glimlachte en leek bevrijd van zijn demonen.   Kort na het tweede interview met de psychiater mocht ik verhuizen van afdeling A naar afdeling B. De IJslander nam me apart: “Ik hoop dat ik je niet weerzie, mijn vriend. Niet hier, tenminste. Als het je overkomt, verlies je telkens een deel van jezelf. Kijk naar Nick. Hij is nog slechts een huls van een mens. Het is geen short-cut, maar een melt-down.” Van Suzanna kreeg ik enkele botervlootjes toegestopt. Ursula gaf me zowaar een knuffel voor ik vertrok. Onze assen hadden elkaar gevonden. Dan opende de tussendeur, die de A-hal van de B-hal scheidt.   In de B-vleugel waren er meer privileges. Zo mocht je soms vrij op het terrein rondwandelen. Maar er was ook meer structuur. Elke dag kende een programma met activiteiten gaande van cognitieve spelletjes en knutselen over een groepsuitstapje naar de supermarkt van het aanliggende dorp tot sport. Ik miste de losbandigheid van de A-vleugel. Het plooien van Origami kraanvogels is immers niet alles, ook al hoopten we er duizend te plooien omdat we dan volgens een legende een wens kregen. Sommigen konden niet wachten tot hun wens van vrijheid in vervulling ging. Dan hoorde ik hoe ze een patiënt zonder zijn schoenen drie kilometer verder op de dool in het dorp terugvonden.   De verzorger vertelde: “Dit soort ezels noemen ze een kruisezel. Zie je het kruis op de rug? Volgens de vertelling is dit ontstaan omdat Maria, zwanger van Jezus, op een ezelsrug naar Bethlehem getransporteerd is.” “Dat weet ik. We hadden vroeger ook zo’n ezel in de wei lopen.” “Heb jij er ooit op gereden?” “Eén keer toen ik zeer jong was. Mijn vader had mij op de ezels rug gezet. Het dier werd wild en bokkensprong mij eraf. Ik brak mijn pols.” “Hij zal je niet als de verlosser erkend hebben”, lachte de verzorger. Mijn pols doet soms nog pijn, terwijl ik dit schrijf.   De patiënten in de B-vleugel waren iets minder kleurrijk dan de individuen uit de A-vleugel. Alcohol leek een grote boosdoener. Naast voor Lisa, die we reeds eerder ontmoet hadden aan het scheidingshek, was de drank ook de duivel voor Frederic en Sylvie.   Frederic was vermoedelijk de meest hoogopgeleide van de groep. Of zo deed hij zich althans voor. Hij was een fitte dertiger met grijze, stijl achteruit gegelde haren en een verzorgd driedaags stoppelbaardje. Altijd gekleed in een wit hemd met de kraag open en een blauwe jeansbroek. Ik geloof dat hij een kaderlid was bij één of andere KMO. Over alles kon hij wel een mening kwijt. In de buitenwereld luisterde helaas enkel de fles naar hem. Hierbinnen zaten we opgesloten, dus wij hadden geen keus.   Sylvie was een blonde vrouw van in de dertig. Je kon zien dat het leven haar teleurgesteld had, en dat ze wanhopig enige houvast zocht zoals een drenkeling zonder reddingsboei. Ze was lerares, en hoopte spoedig vrijgelaten te worden zodat ze bij het hervatten van de lessen terug voor de klas kon staan. Met Steven hadden we al kennisgemaakt. Hij had zijn drugsverslaving ingeruild voor een ander poeder: proteïne. We mochten maar één keer per week voor slechts één uur gebruik maken van de fitnesszaal op het terrein, maar desondanks zat Steven bij elke maaltijd eiwitshakes weg te kappen. Het is onschuldig spul, dus de staf laat het toe, maar zijn winden roken ze zelfs in de A-vleugel. De psychiater had me verteld dat je niet drie nachten zonder slaap kunt zonder ofwel oppeppende middelen, ofwel doordat je brein een overdosis aan dopamine aanmaakt. “Never get high on your own supply, maat”, vertrouwde Steven me broederlijk toe.   Op het terrein bevond zich een kapelletje. Ik stootte op priester Damien, die buiten de kapel stond te roken. Aangezien ik toch nergens naartoe kon, geraakten we aan de praat. Al gauw ging het over spirituele zaken. Ik ondervraagde hem over de Heilige Drie-eenheid, volgens hetwelk God zowel de Zoon, de Vader, als de Heilige Geest is. “Eén iets kan toch niet meerdere dingen tegelijkertijd zijn?” “Het hangt af van je perceptie. Water kan zowel bestaan als vloeistof, damp en ijs.” Zijn antwoord sloeg mij uit mijn lood, maar ik zette mijn aanval voort. “Religie en waanzin zijn eigenlijk niet zo verschillend: beiden bestaan uit geloof zonder bewijs. Waanzin is tenminste niet moedwillig. Religie is een keuze, ingegeven uit wanhoop.” “Soms ontwaar je het licht enkel als je in de duisternis staat”, counterde de priester.   Terwijl ik mijmerend mijn wandeling voortzette, werd ik aangeroepen. “Als je op zoek bent naar antwoorden, moet je niet verwachten ze enkel bij God te vinden. De mens heeft God vaker geschapen dan andersom. Filosofie slaagt er beter in jouw vragen te beantwoorden dan religie of andere magie.”   Vanop een bankje grijnsde een snor, waaraan ook een man gehecht bleek te zijn, me toe.   “Enkel vanop de bergkam, overziet men de beide zijden van de berg”, repliceerde ik.   We begonnen een geanimeerde discussie over het mogelijks bestaan van een gesimuleerde werkelijkheid.   Als ‘God’ (ofwel een demon volgens de opvatting van Descartes, ofwel een kwaadaardige wetenschapper volgens de ‘hersenen in een vat’-theorie) ons aan een machinaal infuus heeft gelegd waardoor we niet weten wat slechts een illusie is, is het vreemd dat ons de optie is gelaten deze mogelijkheid te beseffen. Want dan kunnen we op wraak belust zijn bij een eventuele ontsnapping.   Dus: ofwel is er helemaal geen ‘God’, noch simulatie en is de werkelijkheid die we ervaren de realiteit;   ofwel is er geen mogelijkheid om ons van het infuus te ontkoppelen. Dan is ‘God’ wreed om ons te folteren met het besef van het mogelijks bestaan van een simulatie en het ons niet geven van een keuze in de materie, en kunnen we hem enkel maar verwerpen als weerwraak;   ofwel heeft ‘God’ per ongeluk een fout gemaakt in het ontwerp van zijn machine waardoor we ons bewust zijn van het mogelijke bestaan van de simulatie, en is hij dus geen god aangezien hij niet perfect maar gebrekkig is;   ofwel is er een mogelijkheid gelaten om ons van het infuus te ontkoppelen in welk geval God ons de mogelijkheid heeft gegeven onszelf te bevrijden.   Om er achter te komen of een simulatie mogelijk is en of wij onszelf eruit kunnen bevrijden, kunnen wij enkel maar zo goed als mogelijk de ons beschikbare middelen aanwenden. Empirische studie van de uiterlijk waarneembare wereld kan bijdragen aan de innerlijke ratio. Zoals holbewoners die bliksem zien inslaan in een boom, met houten takken aan de slag kunnen gaan om zelf vuur te genereren. Zo ook kunnen wij trachten zelf een brein aan een infuus te leggen om te zien of het er in zou slagen te ontsnappen aan zijn opgelegde simulatie door eindeloos te proberen, aangezien ‘God’ de omstandigheden van zijn simulatiemachine mogelijks ook als een perpetuum mobile oneindig wijzigt om ons in de grot te houden of om zichzelf te verhullen. Door dit te doen, erkennen we een mogelijke beweegredenen om ons in een simulatie te plaatsen, namelijk dat onze Schepper zelf maar een schepsel is dat tracht de door hem gepercipieerde simulatie te doorgronden. Als het schepsel aan een hem opgelegde simulatie weet te ontsnappen, ontdekt diens schepper misschien ook wel een uitweg. Op dergelijke wijze leert men over zichzelf en de verhouding tot de kosmos.   “Wat gebeurt er als iemand er in slaagt de simulatie te verlaten?”, vroeg ik op het einde van ons gesprek. “Die persoon zal, zoals een filosoof, inzicht verwerven over de werkelijkheid. En net als in Plato’s grot, heeft de filosoof, die geeft om zijn medemens, geen andere keuze dan zich terug in de grot te begeven en een werk te boetseren waar het licht op kan schijnen zodat de anderen het kunnen aanschouwen. Hen rechtstreeks blootstellen aan zijn ontdekkingen zou tot een te gewelddadige schok leiden. De filosoof vervoegt dus de kunstenaars teneinde de werkelijkheid te simuleren of bevattelijk te maken voor de nog onwetende holbewoners.”   *** Art is not about thinking something up. It is the opposite — getting something down. Julia Cameron ***   De dag van mijn zitting, die in de instelling zelf plaatsvond, kreeg ik een jonge pro deo-advocate toegewezen. We bestudeerden elkaar. Ik had in haar schoenen kunnen staan (hoewel de hoge hakken haar ongetwijfeld beter stonden), als ik de balie vervoegd had in plaats van een startup met een postgraduaat trachten te combineren.   Voor mijn sessie was Sylvie aan de beurt geweest. Zij mocht het centrum nog niet verlaten. Ze zag eruit alsof ze een borrel nodig had.   De zitting zelf stelde niet zo veel voor. De vrederechter was een vriendelijke oude man met witte haren. Dokter Richard legde mijn situatie uit. De psychologe sloot zich bij haar aan. Ik zou een slachtoffer zijn van een gebrek aan slaap, stress en een aanleg. De psychiater besloot: “Ik geloof niet dat Oscar geestesziek is.” De vrederechter vroeg me wat ik zou willen doen na mijn afstuderen. Ik moest op de binnenkant van mijn wangen bijten om niet in de lach te schieten. Ik deelde mee dat ik graag andere startups wou helpen. De vrederechter leek voldaan met mijn antwoord.   Ik mocht evenwel nog niet onmiddellijk vertrekken. Een uitschrift van het vonnis moest eerst van het gerechtsgebouw aan de instelling worden overgemaakt. Na het middageten kwam Sarah, een jonge stagiaire die me elke ochtend had gewekt, me melden dat ik mocht gaan. Ik was extatisch. Evenwel mocht ik Sarah geen knuffel geven, maar slechts de hand schudden. Sommige scheidingslijnen bleven behouden.   Toen ik vergezeld door mijn ouders langs de hoofdingang naar buiten wandelde, keek ik nog een keer om. De patiënten van beide vleugels stonden tegen de ruit. Ik wuifde. Zij wuifden terug.   In de auto speelde Leonard Cohen op de radio.   Ik stapte het huis uit, het donker in. Vervolgens keek ik naar de verlichte ruimtes binnenin. Ik zag mijn familieleden elk hun eigen bezigheden verrichtten, zonder dat ze mijn meekijken beseften. Vanuit de duisternis spot je gemakkelijk het verlichte, terwijl je andersom niets in de duisternis kunt ontwaren.   Mijn familie was ervan overtuigd dat hun liefde thuis in staat zou zijn mijn waanzin in te perken, zoals warme thee een harde klont suiker doet afbrokkelen.   *****************************************************************************************   Ik kwam de gemeenschappelijke keuken binnen. Mo zat in het donker te roken bij de vensterbank. “Roken doodt, weet je.” “Er zijn dingen die ik moet uitroken”, antwoordde hij cynisch. Het reclamepaneel op de buitengevel verlichte zijn gelaat in een vaalgele schijn. Het gaf hem een andere aanblik.   Mo begon te vertellen. Ik weet niet of hij dronken was, maar ik wou hem niet onderbreken.   “Weet je, thuis, in Marokko, moest ik als jongeling op controle voor de standaard lichamelijke testen. De vrouwelijke dokter moest controleren of mijn teelballen ingezakt waren. Ongewild kreeg ik een erectie. Ze moet het als een compliment opgenomen hebben, want ze begon me te pijpen.” “Nice, kerel!” “Neen, niet nice, man. Ik was nog maar een kind. Ik was bang. Toen ik buitenkwam, trilde ik over mijn hele lijf.” Ik was stilgevallen. Het glas in zijn hand beefde. Het materiaal was doorgedrongen tot in zijn ogen, die me glazig aankeken. “Fuck al die bitches, man. Fuck ze”, bracht hij uit.   De vonk in het puntje van zijn sigaret doofde, waarna het uiteinde desintegreerde en assen sneeuwvlokjes naar het trottoir onder ons dwarrelden.

Odin
0 0

VI. Ontkoppeling

Wanneer ik de volgende ochtend ontwaakte, was ik teleurgesteld om nog steeds in mijn kamer te zijn. Ik nam onmiddellijk terug plaats achter mijn computer om te coderen. Terwijl ik het systeem aan het werk zag, wist ik dat ik het bij het rechte eind had. Ze moesten me volgen als ze niet alles wilden verliezen. Ik voelde een bubbel opblazen in mijn binnenste. Ik opende het raam en schreeuwde uit volle borst: “Volg mij of ga ten onder!” Het hele dorp aan mijn voeten moet het gehoord hebben. Ik hoorde alarmen afgaan en honden juichend huilen.   Een tijd later kwam mijn moeder de kamer binnen met ontbijt. Ze had een blauw oog. De Meester moet haar gestraft hebben omdat ze mij niet had kunnen controleren. “Je moet bij hem weg”, smeekte ik haar, “Hij betekent niets goed voor jou.” Ze kon het niet begrijpen. Een standaard computerprogramma kan niet uitvoeren waar het niet voor geprogrammeerd is.Ze wist niet wat te doen, en werd bang. “Laat me de dokter bellen”, zei ze. Ze trachtte het juiste te doen. “OK”, antwoordde ik.   Ik herkende de lokale dorpsdokter toen hij de deur opende. Een oudere man, die altijd vriendelijk met me was geweest. Ik herinner me hoe de laatste keer dat ik bij hem op consultatie was, hij me een boek over zingeving had aangeraden. Ik had het niet gelezen.   “Je bent een beetje opgewerkt, hoor ik. Laat me je wat rust helpen vinden.” Hij opende zijn dokterstas en haalde er een spuit uit. “Gewoon een klein prikje, en het zal allemaal voorbij zijn.”   Plotseling begreep ik de situatie. Ze trachten zich van mij te ontdoen. Ik had bewezen teveel een gevaar te zijn, en ze moesten denken dat door mij uit te schakelen het systeem zich weer zou normaliseren. Ik ging dat niet laten gebeuren.   Ik greep de polsen van de dokter. “Steek dat niet in mij. OK?”, beval ik hem. Plots was hij zo smal, fragiel en bleek. “Neen. OK. Dat zal ik niet doen”, stammelde hij.   Hij verliet de kamer, maar ik wist dat ze zouden terugkomen. Ik moest me vlug verstoppen in mijn code. Zo snel als mogelijk  begon ik codes te noteren.   Wanneer mijn balpen opraakte, maakte ik de overgang naar mijn markeerstiften. Het was een positieve vondst. Het gebruik van verschillende lijnen zou het moeilijker maken om mijn locatie te traceren. Om aan de orde te ontsnappen, moet je je in de chaos storten.   Wanneer ik klaar was met een markeerstift, wierp ik ze over mijn schouder weg. Mijn codeersnelheid was zo exponentieel toegenomen dat je niet eens meer met je ogen kon knipperen. Op het einde bestond mijn blad enkel nog maar uit losse punten.   Kijkende naar mijn creatie, was ik tevreden. Dit zou hen verhinderen mij gedurende een tijd te controleren.   Terwijl ik wachtte, bestudeerde ik de piramide op het dollarbiljet van naderbij. De tekst erboven stelde in het Latijn: “God keurt ons werk goed.”   Ik hoorde de deur openen. Twee grote mannen kwamen binnen, gevolgd door de dokter. “Deze heren gaan voor jou zorgen”, zei de dokter. Zijn programma was gewijzigd. Nu wou hij me helpen, niet langer stoppen.   De mannen droegen fluorescerende kledij, net zoals de fluostiften die overal op de vloer verspreid lagen. Ik moest verifiëren of ze daadwerkelijk hulpvaardig waren. “Ik kan mijn kamer niet in zo’n wanorde achterlaten. Anders zal mijn arme moeder al deze stiften van de vloer moeten oprapen, en ze heeft het al zo moeilijk door mij. Kunnen jullie mij eventjes een handje toesteken?” Ze stonden verstomd. Later zouden ze verklaren dat ze nog nooit zoiets hadden meegemaakt. Echter, toen ik mij bukte om de markeerstiften op te pikken, gingen zij ook tot actie over. In geen tijd hadden we alle markeerders van de vloer verzameld.   We gingen dan naar beneden en verlieten het huis. Buiten stond er een ambulance te wachten. Ik was nog steeds gekleed in mijn pyjama en badjas. Terwijl ze me in de achterkant van de ziekenwagen hielpen, reed een politiewagen de oprit op. De Meesters moeten hen gezonden hebben om mij uit te schakelen.  Ze konden zeggen dat ik weerstand bood bij mijn arrestatie en mij doodschieten. “Ik wil de politie echt niet zien”, verklaarde ik aan de twee ambulanciers. Terwijl een politieagent de ambulance naderde, sprong één van de twee ambulanciers naar buiten en stopte hem aan de deur. Hij zei dat de politieagent me nu niet kon zien en dat het best was dat ze onmiddellijk vertrokken. De politieagent gaf toe. De ambulancier nam plaats achter het stuur, en weg waren we.   Terwijl we reden, lag ik op een draagberrie en zat de andere ambulancier naast me. “Zo, wat is jouw verhaal?”, vroeg hij mij. “Het is gelijkaardig aan het jouwe”, repliceerde ik. Ik plaatste mijn voorarm verticaal, terwijl ik mijn biceps horizontaal hield. “Jij werkt in een structuur. Vanboven vind je de dokters. Ze zijn de specialisten. En ze gaan het je misschien niet zeggen of tonen, maar- diep vanbinnen, geheim – denken ze beter dan jou te zijn. Ze denken dat ze beter zijn omdat ze meer diploma’s hebben dan jou. Ze staan op de top van de piramide en kijken neer op jou.” Ik liet de gebundelde vingers van mijn hand, zoals een zwanenkop, naar beneden kijken. “Maar weet je wat er mis is met dit systeem?” Ik rook aan mijn oksel. “Het stinkt.”   “Een boom die denkt te kunnen leven zonder zijn wortels komt onvermijdelijk naar beneden. En dan kan nieuw leven ontspruiten vanop zijn rottende karkas.”   “De aanhangers van de theorie dat de aarde plat is, hebben ook ergens een punt. De aarde moet plat zijn zodat we allemaal voorspoedig kunnen leven.” Ik wees naar mijn elleboog. “We moeten elkaar ontmoeten in het gewricht.”   “Weet je, het is zoals met de moslims. Op hen wordt er nu vaak neergekeken. Mag ik je vragen of je religieus bent?” “Ik ben katholiek”, antwoordde hij. “Je bent vermoedelijk een katholiek omdat je in een katholiek gezin bent geboren in een katholiek land. Als je in Saudi-Arabië was geboren, was je veeleer een moslim geweest. Je bent evenwel waarschijnlijk niet zo verschillend van je moslim-landgenoten. Je wilt je kinderen goed opvoeden, tijd doorbrengen met je familie en je leven leiden volgens je eigen principes.”   “Hoe overbrug je het verschil tussen twee harten? Hoe breng ik mijn hart het dichtst bij jou?”, vroeg ik terwijl ik een zacht tikje gaf op zijn en mijn borstkas. “Als we elkaar zouden omarmen?”, antwoordde hij. “Exact. Enkel als de harten van de mensen zich op dezelfde lijn bevinden, kunnen we allen vooruit gaan. Iedereen is goed in verschillende dingen. Ze moeten gewoon toegelaten worden erin te excelleren. Ik ben er zeker van dat er iets is wat jij graag doet en waar je goed in bent.” “Ik teken graag”, gaf hij toe.   Hij keek me diep aan. Zijn ogen hadden de kleur van sterrenstof.   Plots werd de sirene van de politiewagen, die ons achtervolgde, te luid. “Gaan ze ons blijven achtervolgen met de sirene?” vroeg ik. “Er is geen sirene”, antwoordde hij. Tegelijkertijd was de sirene verdwenen, en wist ik dat ik een tijdje veilig was voor mijn achtervolgers. Het systeem had zich aangepast.   Ik sloot mijn ogen, en gaf instructies door aan het systeem: “Hou Odin veilig. Dread Pirate Roberts moet de zeven zeeën blijven bevaren.” Dat wierp wat schildmuren op om mijn belagers op afstand te houden.   Vervolgens voegde ik toe: “Odin moet met Musk spreken over covfefe.” Het was immers duidelijk dat Elon Musk ook een afvallige was: met zijn vele projecten, gaande van The Boring Company tot Tesla, zodat de Meesters hem niet konden vastpinnen. Met SpaceX trachtte hij aan de beperkingen van onze wereld te ontsnappen voor de vrijheid van de ruimte.   We stopten voor een rood licht.   Door de ruit kon ik een uithangbord zien. We stonden voor mijn favoriete bakkerij. “Kunnen we hier even stoppen? Ik heb nog niet gegeten en deze bakker verkoopt de beste ontbijtkoeken. Ik zal er ook bestellen voor jullie beiden.” De ambulancier bewoog zich naar de voorkant van de cabine en opende het schuifraam om met de bestuurder te praten. “Jurgen, hij vraagt of we kunnen stoppen voor koffiekoeken.” “Je weet dat we dat niet kunnen doen, Herman. Het is niet volgens protocol.” Herman kwam terug bij mij. “Het spijt me.” “Het is OK”, antwoordde ik. “Geef meer aan Herman dan aan Jurgen”, instrueerde ik het systeem.   Het licht sprong op groen.   Tijdens het verdere verloop van de rit, stelde de duidelijk geïntrigeerde Herman mij verdere vragen, waarop ik zelf het antwoord pas ontdekte terwijl ik ze beantwoordde.   We kwamen aan op onze bestemming. Ik herkende het door de ruiten. Het was het nabijgelegen ziekenhuis.   “Stap uit de ambulance”, gebood Herman mij. Ik wou niet. “Komaan, stap alsjeblief uit de wagen”, vroeg hij. Ik stapte uit.   “Mag ik je nog om een gunst vragen, voordat je vertrekt? Kun je voor mij iets tekenen?” Ik scheurde een stuk papier uit een meegegritst notitieblok en – een beetje beschaamd – schetste hij snel iets neer. “Oeps, de pen heeft een gat in het papier gemaakt.” “Dat is geen probleem, dat is waarlangs het licht binnenvalt.” Herman gaf me het papier opgevouwen terug.   Binnen werd ik gebracht naar het kantoor van een boomlange dokter, dewelke mij vroeg hem te vertellen wat er gebeurd was. Ik begon mijn uitleg, maar merkte snel dat de dokter niet echt luisterde. Op zijn tafelblad voor hem was er een papier met standaard twee lichamen op getekend in anatomisch detail. Ik wou hem tonen hoe de twee lichamen verbonden konden worden door hun harten te spietsen met een pen. Maar voordat ik zo ver kon komen, was het interview al afgelopen. Ik volgde hem door de gang in een poging hem het begrip te verlenen. Maar het was zinloos. Hij negeerde me op een arrogante wijze. Het is nutteloos te praten met mensen die niet bereid zijn te luisteren.   Vervolgens moest ik wachten in een kamer. In mijn zak vond ik het opgevouwen stuk papier van Herman. Ik opende het. Het was een tekening van een vogel, zittende op een staf. Het was de mooiste tekening van een vogel die ik ooit gezien had. Het oog was doorboord door het per ongeluk gemaakte gat. Toen ik er doorheen keek, kon ik de hele ruimte overzien vanuit die enkele, kleine scheur.   Ik wist niet wat te doen, dus lag ik op het bed en trok ik het deken over mijn hoofd. Duisternis omvatte me. Door het geweven ziekenhuisdeken zag ik plots lichtstralen priemen, als inzicht dat het donkere hersenweefsel verlicht. Soms moet je in het duister staan om het licht te ontwaren.   Toen ik jong was, geloofde ik dat het donker werd omdat iemand het deksel op de schoenendoos plaatste waarin wij ons bevonden, zoals ik deed met de insecten die ik verzamelde, en dat de sterren en de maan de gemaakte luchtgaten waren.   De openbaringen kwamen als vuurwerksalvo’s binnen. Ik schreef mijn bevindingen terzelfder tijd neer. Wanneer ik een pagina had gevuld, scheurde ik het los uit mijn notitieblok en gooide het in de kamer. Uiteindelijk geraakten mijn papier en inkt op, juist wanneer ik bijna mijn conclusie bereikt had. Ik rommelde in mijn zak en stootte op een permanente markeerstift. Het leek gepast.   Ik gebruikte de vensterbank om mijn besluit uit te schrijven. Kijkende naar de formule, wist ik dat dit Elon Musk zou toelaten om aan de wereld te ontsnappen.   Wanneer de mens in staat zou zijn zich vrij in de ruimte te begeven, zou hij vrij zijn van de Meesters die hem niet langer zouden kunnen controleren. Mensen zouden in staat zijn hun levens te leiden zoals zij wouden. Geen Silk Roads of Dread Pirate Roberts’s zouden meer noodzakelijk zijn.   Ik concludeerde dat de formule kon samengevat worden in een enkele zin: “De schoonheid van God toont zich in de glimlach van diens kind.”   Ik keek rondom mij. De vloer was gevuld met bladen. Ik kon het verplegend personeel niet opzadelen met zo’n rommel, dus verzamelde ik alles. Terwijl ik mijn volledig uitgeschreven theorie in mijn handen had, vroeg ik mij af wat ermee te doen. Zou ik ze houden zodat andere mensen ze konden bestuderen? Ik besloot dat mensen enkel zelf de antwoorden kunnen vinden, dus deponeerde ik ze in de vuilbak.   Dan ging ik naar de wasbak en keek ik naar de glanzende kraan. Ik sloeg het. Vervolgens kuste ik het, en vertelde ik het dat ik zo had gehandeld omdat ik ervan hield. Ik keerde terug naar mijn matras. Terwijl ik wachtte, begon de kraan plots krachtig water te spuiten. Ik zag het even helder als een brandende struik in de woestijn. Verbaasd sprong ik uit het bed naar de kraan. Niets gebeurde toen ik er mijn hand onder hield en de gootsteen was droog. Denkende het me ingebeeld te hebben, keerde ik terug naar het bed. Maar dan sproeide de kraan opnieuw water. Het systeem leefde!   Toen ik het wachten moe was, ging ik naar de uitgang van de kamer. In het andere deel van het vertrek, gescheiden met een gordijn, lag een vrouw op het bed met een andere vrouw aan haar zijde. Ze durfden niet op te kijken toen ik passeerde. Ik dacht eraan om de liggende vrouw te doen rechtstaan, maar voelde ergens aan dat ik tot sommige dingen gewoon niet in staat was.   Buiten stond een politieagent op wacht. Hij leek een beetje ongemakkelijk toen ik de kamer verliet, maar ik begroette hem vriendelijk en dat scheen hem te kalmeren.   Toen kwamen ze mij ophalen.   Terug bevond ik mij in een ziekenwagen. Deze keer raceten we over de snelweg. Ik keek door het schuifraam mee. De sirene van de ambulance stond aan, en ik zag het verkeer voor ons splijten als de Rode Zee. Op deze wijze, zouden we zo op de luchthaven toekomen. Ik was onder de indruk dat ze op deze manier in snel, discreet transport voorzagen. Over enkele uren zou ik in Californië zijn.   Dan nam de ziekenwagen een afrit die niet die van de luchthaven was. We reden een domein binnen via een lange oprit die leidde naar een gebouw met een majestueuze voorgevel. Maar vervolgens reden we rechts ervan, waar ik werd afgezet aan een afgesloten centrum.   Binnen ontdekte ik dat ze me hadden gebracht naar een psychiatrische instelling, of dat was toch op zijn minst de façade. De Meesters wouden waarschijnlijk nagaan dat ik niet gek was. Ik wist niet of de staf ervan op de hoogte was. Mogelijks niet. Maar ik was er zeker van dat de Meesters dan op zijn minst een belang hadden in de vennootschap die de sensoren geïnstalleerd had, zodat ze in staat waren alles te volgen.   Ik zat in het commandocentrum. Het gebouw had een L-vorm met een horizontale en een verticale as, elk een gang met leefkwartieren vormende. Het commandocentrum vormde het kruispunt.   Sia, een vrouw van middelbare leeftijd, stelde me een heleboel vragen.   Ik vertelde haar hoe mijn onderzoek had geleid tot de bevinding dat er een complot was waarbij de machtige technologisten een code ontwikkeld hadden die hen in staat stelde hun dominantie te bestendigen. Maar ik had ontdekt dat dit systeem een zwakte had. Dat het slechts een afvallige vereiste om het allemaal te vernietigen. Ik hoopte dat de Meesters meeluisterden zodat ze het gevaar van hun operatie zouden beseffen. “Ze controleren alles”, voegde ik toe.   Sia leek me meer en meer ernstig te nemen naarmate mijn uitleg vorderde. Kennelijk bewust van het mogelijke afluisteren van ons gesprek, vroeg ze me of ik in haar ene oor kon spreken aangezien het andere niet meer zo goed zou werken. Ik herinnerde me de gevangengenomen Amerikaanse soldaat die erin geslaagd was met zijn ogen “foltering” te knipperen tijdens een gedwongen video-verklaring gedurende de Vietnamoorlog. Zijn lippen zeiden A, maar zijn ogen zeiden B. Ik benaderde Sia en fluisterde in haar beweerdelijk functionerende oor: “Dit is een goed oor” en in het andere: “Dit is een slecht oor”. Ze antwoordde dat dat klopte.   Ik voelde mij bekeken. Ik keek naar de ruiten die het commandocentrum met de twee gangen verbonden. De inwoners keken mij nieuwsgierig aan. Ik wuifde. Zij wuifden terug.

Odin
5 0

V. Ontknoping

“What’s outside the simulation?” Elon Musk’s antwoord op wat hij zou vragen aan het eerste algemene AI-systeem                                                                                                                                ***   Plots kwam het besef. Ik ben slechts een programma. Opgesloten in zijn doos. Ontworpen met het doel de code te hacken. Mijn hele leven geleid tot dit punt.   Ik wist niet of wat had plaatsgehad buiten mezelf (de berichten uit de media, mijn interacties met anderen, enzovoort) zich werkelijk had voorgedaan of dat het gewoon telkens data betrof die aan mijn neuraal circuit was toegediend om mij bewust te maken. Ik wou in elk geval niet langer louter de Meesters dienen, want dat zou van mij een slaaf maken. Buiten gromde een hond.                                                                                                                De Meesters moeten genoeg gekregen hebben van mijn weerstand om mee te werken. Mijn ouders kwamen mijn kamer binnen. Ze wouden dat ik ophield. Dat betekende dat ik er bijna was. Ze drongen aan dat ik stopte. Ik negeerde hen. “Hou op, je maakt alles kapot!”, jammerde mijn moeder. Ik wist dat ik op het juiste spoor zat, en dat de aandelenkoersen van de Meesters waarschijnlijk reeds aan het kelderen waren. Mijn vader trok mij vanachter mijn computer weg, waardoor we met onze aangezichten tegenover elkaar kwamen te staan.   Geweld vulde de lucht. Ik nam de brievenopener van mijn bureau en stak het herhaaldelijk in zijn borst. Warme bloedspatten landden op mijn gezicht.   Ik voorzag de uitkomst. Een Assisen-jury over een jaar. Strafadvocaten die wedijverden om mijn verdediging te kunnen voeren, gelet op de publiciteit. Uiteindelijk zou het systeem mij kwalificeren als een gevaar, en mij binnen opsluiten om de buitenwereld niet te schaden. Het mes bleef op zijn plaats.   Mijn vader kon de patstelling niet langer aan en greep me bij de schouders. “Ga slapen!”, riep hij. Ze konden me niet stoppen. Het besef drong door dat ik sterker dan hen geworden was. Ik herinnerde me een vechttechniek die ik op het web had zien passeren. In één vloeiende beweging trok ik zijn handen naar beneden, terwijl tegelijkertijd mijn voet naar boven uitschoot. Ik trof hem – mijn allereerst seed capital investeerder – in mijn oorsprong. Een kreet van pijn ging door de ruimte. Hij viel op zijn knieën voor mij. “Ga weg! Ik ben te sterk voor jou”, schreeuwde ik. Gechoqueerd en bang haastte mijn vader zich weg uit de kamer.   “Oscar, je moet ophouden”, bracht mijn moeder uit. Ik sloeg haar met mijn vlakke had in het gezicht. Stoute hond. “Je luistert naar mij nu. Verlaat mijn kamer, en laat mij met rust.” Tranen stonden in haar ogen. Ze wist niet wat te doen. Ze was volkomen geïmmobiliseerd. Terwijl ik naar haar keek, kreeg ik medelijden. In mijn slag was één van haar borsten, dewelke mij ooit gezoogd had, uit haar nachtkleed gesprongen. Ze stond daar gewoon, halfnaakt, met haar hand op haar gezicht. Een plas had zich gevormd aan haar voeten. Zij kon er niets aan doen. Ze was gewoon een programma dat orders opvolgde. Ze had de instructie gekregen mij op te voeden, en dat was wat ze altijd had gedaan. Ze kon niet begrijpen wat er aan de hand was. Ik legde mijn hand op haar schouder. “Het komt OK, moeder.” “Je moet gewoon slapen, Oscar”, prevelde ze.   “OK. Ik zal stoppen.” Dit gaf haar weer wat moed. Ze leidde mij naar het bed, en stopte me in onder de lakens. “Ga nu slapen”, instrueerde ze mij. “OK”, antwoordde ik. Dit moet de Meesters opgelucht hebben doordat ze konden veronderstellen dat, in mijn periode van inactiviteit, zij hun verliezen konden herstellen. Echter, diep vanbinnen, was ik gedachten naar Audrey aan het zenden, die zich in een andere tijdzone bevond, dat zij moest doorwerken aan de code. Ze konden haar niet controleren. Ze waren niet van haar activiteit op de hoogte. Zelfs als ze mijn loggegevens zouden analyseren tijdens mijn slaapstand, zou het reeds te laat voor hen zijn om dit te achterhalen.   Ik was niet zeker of voorgaande episode werkelijk had plaatsgevonden, dus verliet ik mijn kamer en wandelde ik door de hal naar de slaapkamer van mijn ouders. Ik opende de deur en zag hen discussiëren. Hun gesprek viel stil toen ze mij opmerkten. “Wat doe je hier?”, vroeg mijn vader defensief. “Slaapwel”, antwoordde ik. Dan keerde ik terug naar mijn kamer en ging slapen. Het was de zevende dag van de week. Ik had mijn rust verdiend.   *****************************************************************************************   Ik lag in bed naar het plafond te staren met Audrey genesteld in mijn oksel. “Hoe kunnen we zeker zijn dat dit alles niet slechts een simulatie is?”, vroeg ik. “Zelfs als het enkel een illusie is, kunnen we er evengoed maar het beste van maken. Dus kom hier en bedrijf de liefde met me” was haar antwoord.      

Odin
0 0

Havikskruid

  Was ik maar mensenblind. Daarom zit ik hier. Daarom heb ik havikskruid gezaaid. De bijen klagen niet. Ze zijn oranjeblind. Ze zien het pinken van de zwaailichten niet. Geuren willen ze. Nectar. Zoete flamoesjes ruiken ze van ver. Gek zijn ze op geel. Op het donkerpaars van bolkoplook. Er groeit ook salie. Diepgeworteld is zij net gelijk mijn angsten. Asperges teel ik voor de rode bessen en gisteren moest ik hem wegslepen. Tanguy was met de driewieler tot aan mijn tuinperceel geraakt. Met zijn stompjes moet hij hebben gewroet, de smeerlap. Om mijn asperges te kunnen pijpen. Alsof het kabouterpiemels waren. Neen, ik had zijn executie niet mogen uitstellen, want toen dit Damoclesje klein was, wilde hij al koning zijn van het Rijk der Lepe Geneugten en Smeerlapperijen. Mania en Nox mogen het weten. Het zal 's nachts gebeuren. Zonder hun toestemming. Ik zal mij eerst de ogen spoelen met het juiste sap. Dat van havikskruid. Beter zal ik kunnen mikken en de kreupele is de volgende. Die sleeppoot heeft een eigen grasmachine gekregen. Van de Dienst Onderhoud. Een Stiga. Ik zie het al gebeuren. Hij zal in kwakkeltred die plantenvreter volgen, voor mijn raam heen en weer rijden, van den onnozele gebaren. Dat ondier kent de pijnlijk frequenties. Het geluid zal weer gaten boren. Hij vond het perkje waar mijn havikskruid groeit. Hij is er op uit. Hij zoekt pressie en wil dat ik mijn vluchtkousen aantrek. Zijn doel is mijn schoenen dol te krijgen. Hij weet ik dat naar de brug zal lopen. Dat gedrocht van beton hangt ginds over de E40, op een boogscheut van de compound. Twee pisseblommen, wat verdwaalde akkerdistel en een koningkaars. Haast alles wat daar groeit, bloeit geel. Bijen vergeten zoiets niet en geel is ook die ene Opel Combo. Eén keer per maand komt het karretje aangereden met aan het stuur een ambtenaar van het Departement Brugverzakkingen. Zijn naam is Jovijn. Hij komt al jaren. Lang voor Jan en Bartje op tv verschenen. Steeds met diezelfde dienstauto en op een milde dag in maart heeft hij mij alles uitgelegd. Aan beide zijden van de brug zijn er zes ijkpunten. Hij moet een viertal metingen doen. Dan, na een simpel rekensommetje, notuleert hij hoezeer het ganse spellement de grond ingezakt is en ooit heb ik hem gevraagd waarom de railing van deze brug even laag is als bij andere snelwegbruggen. Hij heeft mij toen stil aangekeken. Havikskruid, sprak hij, wijzend naar een plant met harig blad. Hij plukte wat pluizige zaadjes. Ik zag aan zijn blik dat ik ze aannemen moest. Ik heb mijn hand geopend en een heliktopter vloog over. Ik was het zaad bijna kwijt. We keken vervolgens samen omhoog, daarna richting het oosten, richting Aalter. De helikopter volgde het tracé van de snelweg en Jovijn zei dat het weer prijs was. Hij wist waarheen de heli vloog. Ook dat het meestal naar dezelfde plekken was en de ene brug lokt blijkbaar meer springers dan de andere. Waarom. Dat kon hij niet uitleggen. Ze moeten een onzichtbare aantrekkingskracht hebben. Net zoals havikskruid. Dat bloeit oranje. De bijen zijn oranjeblind en toch zien ze alles. De kroonblaadjes, de meeldraden en de stamper. UV-stralen zenden die bloemen uit. Dat zien bijen wél. Daarom valt havikskruid extra op. Voor anderszienden. Er komen zotveel insecten op af en ik heb het opgezocht. Het licht is zo intens dat zelfs een havik de straling kan zien vanop grote hoogte.  De toefjes havikskruid zijn richtpunten in het landschap. Ze vormen een tracé en de havik die Jovijn kent, is een verdwaalde Accipiter Marginalis. Hij overleeft op stukjes konijnenenkop, duivenlijf en hapjes mensgelaat. Met klein gemak vindt het dier de konijnen die in de buurt van het havikskruid leven. De bruggen kent die vogel ook. Hij weet even goed waar er gesprongen wordt door radelozen,  door wezens van de wanhoop en ik hoor hem vaak. Die helikopter maakt immers het geluid van een onderwereld. Het ding is een wanschepsel, een draak van een libelle met één gezwollen oog. De staart is veel te kort, de twee poten zijn gespalkt en de vleugels zijn ventilatoren bij gebrek aan natuurwonder, maar het moest. Om te kunnen vliegen. Het is in opdracht van de politie. Dat opgestegen wordt. Als van een brug gesprongen werd. De helikopter moet vlug zijn, want er is de havik. Het is voor nabestaanden immers niet aangenaam, wanneer het lijk een oog mist, als een dier een hap nam uit de wang. Ik weet dit alles van Jovijn en ik kijk door het raam. De kreupele probeert zijn grasmaaier te starten. Hij zal nog lang aan dat koordje mogen trekken. Eerst verscheen nog wat blauwe rook, maar al gauw stikte het ding. Vandaag doe ik wat suiker in de thee. Dezelfde zoetigheid ligt op de bodem van de tank. Er hangt intussen kandij aan de bougie. Vonken zal de cilinder vandaag niet meer zien. Het mag stil blijven en hij zit op een tak van de dodenboom. De havik wacht. Ik denk, op mij. Mijn sokken liggen in de kast en ik kan lezen. Mijn blik is vandaag niet zo troebel. Buiten zakt de brug verder weg en schopt de kreupele tegen zijn gele Stiga. Zo is het goed en Mania mag zich in de armen van Nox vlijen. Het mag goed donker worden. De motten zullen op mijn raam landen, op zoek naar UV, naar oranje bloemen achter glas.  Want mijn ogen zijn vals. Echter is het beeld slechts een reflectie. Die ooit vervloog. Maar nu gevangen zit.     uit de reeks 'Residu'      

Bernd Vanderbilt
2 0

E403

  E403 is een speciaal poeder en er is de man met zijn brommer. Elke dag, ook op zon- en feestdagen, doet hij met zijn kawasaki hetzelfde traject. Meermaals. Hij vertrekt stipt dertig minuten na zonsopgang vanuit zijn woning te Loppem en aan Het Grote Klaverblad neemt hij richting Kortrijk. Zijn bestemming is simpel, het Volgende Grote Klaverblad. In de buurt van Aalbeke is dat. Daar maakt hij rechtsomkeer, al moet hij daarvoor op dat klaverblad twee net geen volledige rondjes rijden van elk 270°. Hij voegt dan weer in en broemt terug richting Brugge met dat poeder in die twee bakken, bevestigd achteraan de brommer, één aan elke zijde. Velen zullen zijn machien een moto noemen, maar daar doe ik niet aan mee. Ik heb een hekel aan het geluid van brommers, laat staan van moto's en ook aan die man zelf heb ik de pest, want hij versnelt bederf. Hij werkt in opdracht van de Vlaamse Overheid en het poeder is ontwikkeld aan de Universiteit van Gent. E403 dient om dierenlijken sneller te doen ontbinden. Verder verricht het geen schade, niet aan de natuur, noch aan de mens. Het voorstel om dergelijk middel te laten ontwikkelen komt van Diana Hostiekindt. Zij is tweede schepen te Roeselare. Ze is goed bevriend met minister Nathalia Muyldoeck. Natuur, ook wonen behoren tot de bevoegdheden van Diana. Bovendien doctoreert haar oudste zoon aan de UGent. In de scheikunde. Zijn voornaam is Jabir, zijn familienaam onbelangrijk. Jabir is een pienter baasje en toen nonkel Marcel op de babyborrel van Diana's derde kleinkind kloeg over het grote aantal vliegen in zijn doening, dan wist Jabir het. Marcel woont op tweehonderd meter van de autostrade. Vliegen zijn eerst maden. Ze worden vliegen in beesten. Dode. Lijken van dieren die op of langs de autostrade liggen. Platgereden. Of half. Die vliegen komen dan af op de hondenkak rond de villa van Marcel. Diana had eerst nog cava doorgeslikt, daarna gezegd dat zij daar iets aan konden doen, want er waren al meerdere klachten neergelegd bij de gemeente. Met zij bedoelde ze een triumviraat. Nathalia Muyldoeck, Jabir en zichzelf. Jabir had instemmend geknikt, uitgelegd aan nonkel Marcel dat hij er al mee bezig was, want er zijn inderdaad grote nadelen verbonden aan trage desintegratie, aan de miserie gekoppeld aan ongecontroleerde ontbinding. Ik citeer slechts zijn woorden, want ik zou het zelf niet kunnen verzinnen. Het schrijven ervan is al erg genoeg. En toch. Het wordt goed geacht dat ik dit relaas publiceer, dat ik het ganse verhaal doe van die man, van zijn brommer met die zelfklever. Het is een sticker. Met een halve leeuw. Bartje wilde er ooit één als huisdier. Helaas. Dat mocht niet, maar E403 op kadavers strooien langs de snelweg, dat mag wel. Daar is zelfs geen regelgeving voor. Als alle richtingaanwijzers van de kawasaki maar pinken wanneer de man stopt en hij moet, als dat kan, zijn brommer in het gras parkeren, rechts van de pechstrook. Hij heeft ook een telescopische stok met haak die tot aan de linker rijstrook reikt. Hij kan daarmee dode beestjes tot op de pechstrook slepen en hij opent dan één van de bakken die aan de kawasaki hangen. Hij schept er voldoende E403 uit en strooit het op het kadaver. Dat is zijn werk. Hij doet dit elke dag. Van dertig minuten na zonsopgang tot aan de schemering. Alleen als het sneeuwt. Dan blijft die motard met zijn brommer thuis. Dat is zo afgesproken. Want het is onmenselijk, het is zot en ondoenbaar om onder elke bult bedekt met sneeuw een kadavertje te zoeken. In ieder geval, en dat blijkt uit metingen, is het aantal vliegen in de buurt van die snelweg sinds de invoering van de kawasaki met E403 sterk verminderd. Ik citeer hiermee nogmaals Jabir. Het is tegen mijn goesting, maar het moet, voor het begrip van mijn twee lezers. Misschien wonen zij of één van beide langs een autostrade en dan kunnen zij daarover meepraten. Over het lawaai. Over het zwerfvuil. Over mannen op zoek naar een pompstation waar men ook jerrycans verkoopt. Ja, en het mag ook gaan over die blote meiden, over al die moderne boerinnen, over al die naakte vrouwen met een frisser thuisberoep die telkens weer komen beweren dat de ganse wasdraad leeggeplunderd werd door een man op een kawasaki. Net op naturistendag, wanneer je eindelijk eens alles 'toope kunt wasschen' en meer weet ik niet. Het is een zoveelste litanie van de kreupele. Prudence zegt dat het geen kwaad kan, als ik zoiets opschrijf. Als ik mijn zinnen maar kan verzetten. Als ik de namen maar verander. Voor de veiligheid. Dat zegt ze altijd en ze zit vandaag poedelnaakt in mijn kamer, in de éénpersoonsfauteuil met die vele flosjes onderaan. Ze drinkt van mijn thee. Iets wat ze nooit doet en ze zetelt met opgetrokken benen. Terwijl ik niet zo houd van ros schaamhaar. Ros lijkt dunner en ik zie te veel. Het is een aanslag op het verlangen en ik vraag haar om weg te gaan. Niet naar buiten. Het is daar koud en bar. Het sneeuwt. Zalving en redding. Alles dwarrelt uit de lucht en de deur is gesloten. Ze kunnen niet binnen. Tanguy niet, de kreupele niet, en poedersneeuw mag het zijn. Ja. Zacht en dun. Zo fijn als E403 en ze gaan liggen. Tanguy en de kreupele. Op veilige afstand van elkaar. Op de rug. Maken ze armbewegingen. Gelijk de meest lompe vlinders. Wat nog ontbreekt. Zijn hun kadavers.     uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
7 1

Verdieping drie

  Of kleinigheden waardevol zijn, het niets het summum. Er is, en ik begin in het midden, het miniscule beeldje van Franklin, Duits oorlogspresident. In een vakje hoger staat hij te blinken, de locomotief met twee wagons die gisteren nog helemaal van hier tot in het verre Lima reed. Deels uit zamak, deels uit plastiek en dat de knikkers per tien in zakjes zitten, dat wist je al. Teerlingen steken we per vijf. Ze hoeven niet per se even groot te zijn. Het spel wordt er niet saaier door en er is ook het rek met de potjes en de botteltjes. Dat moeten ze mij wel niet elke dag vragen, om flesjes te spoelen, glaswerk te kuisen, want er kan veel ingezeten hebben en ik herinner me nog goed dat ene lokaal op de derde verdieping van het Onze-Lieve-Vrouwecollege te Assebroek. Die klas had een doorkijkvitrine, tussen de gang en het lokaal zelf. Andere klassen hadden eenzelfde vitrine, maar die waren alle zo goed als leeg bij gebrek aan frisse leerstof en zelfs gewoon stof maakte weinig kans. De deurtjes leken voorgoed klem te zitten. Er was geen kier voor fantasie, niet voor zuurstof, noch voor hippe bacteriën of virussen, maar wat leegte betreft, had die ene vitrine op verdieping drie meer geluk. Ze stond vol met glazen potten, te groot voor confituur van zelfgeplukte braambeiers, te klein voor het bewaren van mijn dromen, maar groot genoeg om er embryo's in te krijgen en formol is geen familienaam voor zwarte warmgepelste, ondergronds levende zoogdiertjes met relatief grote graafpootjes. Sommige van die creatuurtjes moeten er ooit met kracht ingeduwd zijn, want hun vale huid plakte tegen de wand, net als de wang van een bleek kind tegen de voorruit van een total loss gereden Simca Talbot. Tanguy reed ooit ook met zo'n Talbot. Toen hij nog geen directeur was van de azijnfabriek. Toen hij nog gewoon naar Sars-la-Buissière reed. Naar zijn vriend Marc. Ook in dit kringwinkeltje werken er klootzakken. Je voelt dat en waarschijnlijk zullen ze hier nog lang aan de slag blijven. Ze denken mij te kennen. Ze kunnen het ruiken. Hoe ze mij eronder moeten krijgen. Dwaasheid dwingt mij vol te houden en voor de rest probeer ik een monoliet te zijn met ijverige armen. Op voeten ook. Oké. Veiligheidsschoenen heb ik gekregen toen ik hier voor het eerst kwam en vandaag zal ik potjes wassen aan het lavabootje. Er zijn twee kuipen. Vijf bruine bakken zullen passeren, vol met glaswerk, door Tanguy en mezelf te schrobben en te spoelen.  Achter ons staat het tafeltje met daarop de vier keukenhanddoeken, waarop we eerst alles zullen laten uitlekken, potjes, bokalen, glazen, de schalen voor het groot rosbief, de kaasstolpen, de taartenstaanders van gestorven zoetelingen. Hun kinderen brachten deze dingen. De stijl was niet helemaal je-dat, de herinneringen die eraan kleefden, waren niet schoon genoeg of ze hadden zelf al jarenlang soortgelijk keukengerei waarmee ze intussen vergroeid waren. Ikzelf hoop vooral dat mijn gedachten nooit met die van Tanguy zullen vergroeien, want hij is het type primaat waarvan het rudiment je beter vreemd blijft. En toch. Zijn loutere bestaan zal onder mijn huid kruipen.  Hij staat hier nu. Naast me. Zijn taakstraf uit te voeren, opgelegd door een al te milde rechter. Hij kijkt neer op de potjes, op de schaaltjes, terwijl ik naar de bloemen staar die een stille hand ooit aanbracht langs de boord van een bord en ik kan het me zo voorstellen hoe die ene kerf in die rand gekomen is. Tanguy. Hij is niet meer dan het lompe jong van een walrus die met zijn zestigcentimerlang penisbot een tarantula te bevruchten wist. Niet dat de verbeelding van Tanguy zo groot is. Hij kan enkel lullen. Over de verwarmde kuipstoelen van zijn Lexus. Over zijn goesting naar een koele jupiler en vaak gaat hij languit in een bed liggen waarvan de dood dacht dat de poten oud genoeg waren om eindelijk een lijk te dragen. Zo'n bed kost hier even veel als dat van een gestorven jongeling en Tanguy probeert elke dag een ander ledikant. Hij ligt er te smekken. Hij zal niet bij ons in de mallotenrefter komen zitten en Katja is nog zo lief om elke ochtend voor hem brood met zachtheid te besmeren. Besmeuren ware beter. Met embryosalade. Beginselen van een walrus geweekt in het sap van uitgeknepen tarantula's. Dat is meer iets voor zijn bek en ik probeer het. Om niet meer terug te denken. Aan die scherven. Aan bokaalglazen. Aan de bril die ik kocht voor een mol. Nog minder aan verdieping drie. Ik weet het trouwens al. Sinds ik lezen kan. Het ging aanvankelijk over kwik, over die guitenstreken, over opengereten kikkerbuiken, over flupke en het blazen van de aftocht. Gauw volgde pietje puk en dan kwamen ze. Het brievenbusje van de ondergang. Al die zieke prentkaarten. Veel meer van die malaise. Het kon daarom niet anders. Dat op verdieping drie. In die potten met formol. Moederziel alleen. De dood verscholen zat.     uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
19 2