Zoeken

Nachtmerrie

Het was de stem van God of een of ander Opperwezen, of toch maar God, want destijds geloofde ik nog in Hem. Maar het was niet een zalvende stem, die je toch mocht verwachten, maar een ijzingwekkende, door merg en been gaande, donderende stem die mij ten gronde richtte, mij neersloeg als met een flikkerend zwaard.Niet dat ik iets verkeerd had gedaan. Neen hoor. Ik ging gewoon slapen. Net als elke avond. Maar soms bekroop het mij. „Neen, niet nu, niet vannacht, alsjeblief, niet alweer een nachtmerrie, niet alweer die nachtmerrie”. Maar er was geen verhelpen aan. Zij zou komen. Ja ze was er. Alweer. Ik bestierf het. Ik werd gek van angst. Badend in het zweet lag ik in mijn bed.Ik herinner me dat elke droom net dezelfde was, maar enkel het einde kon ik mij telkens voor ogen halen. Ik moest het mensdom redden door met twee reuzengrote teerlingen te werpen. Die goedertieren God, dat had hij toch moeten zijn, gebood mij met zijn schallende, ijselijke stemgeluid, een toon zo zwaar als lood, dat ik tweemaal 6 moest gooien. Dan en enkel dan zou de mensheid voortbestaan.De zweetdruppels parelden over mijn voorhoofd en ik gooide met de eerste teerling. Een 6. „Alsjeblief, laat de volgende ook een 6 zijn.” De spanning was onhoudbaar. Ik dacht dat ik moest overgeven. Alweer die vreselijke, huiveringwekkende stem. „Gooi”. Het galmde over heel de wereld. Ik gaf een forse duw tegen de teerling. Hij rolde en tolde. Uiteindelijk viel hij stil. 6.Ik schrok wakker. Alweer had ik diezelfde nachtmerrie overleefd. Voor de zoveelste keer.Ik geloof niet meer in God. Toch niet in dat Opperwezen dat men vroeger ons op de schoolbanken voorhield. Maar misschien moet ik toch eens naar het casino gaan. Wie kan immers voorleggen, buiten mijzelf, dat ie keer op keer tweemaal 6 gooit?God? A ja, die. Sufferd !

Marc M. Aerts
0 0

Love is a story that never ends

Ergens voel ik terughoudendheid te schrijven over hoe groot de impact is van het verlies van mijn lief negen jaar geleden. Bij mij van binnen het idee dat als ik erover schrijf, het een teken is dat het verdriet nog geen plek gekregen heeft. ’Je hebt het nog niet verwerkt’ zijn woorden die soms als een echo van binnen weerklinken. Woorden die me raken. Woorden die ik herhaal en onzekerheid brengen. Ondanks dat ik denk het verlies verwerkt te hebben, brengen deze woorden mij uit mijn evenwicht. En vragen telkens weer om zelfreflectie. Rouwen is een zoektocht naar een nieuw leven zonder fysieke aanwezigheid van mijn lief. Ik denk dat ik het nieuwe leven vorm gegeven heb en het verdriet de juiste plaats. Maar ook al is mijn lief er niet meer, altijd zal hij onderdeel zijn van mijn leven, al is het maar omdat mijn kinderen ook zijn kinderen zijn en iedere dag het levende bewijs van zijn bestaan. En daarom vind ik het niet gek dat er levendige herinneringen zijn, hij niet onbesproken blijft en mijn leven direct en indirect nog steeds beïnvloed wordt door de jaren die ik met hem samen ben geweest. Net zo goed als dat gevoelens van verdriet en ontroering dichtbij het verlies liggen en ik opeens geraakt kan zijn door een herinnering, beleving of door muziek. Ondanks de terughoudendheid erover te beginnen ervaar ik ook de behoefte om deze gevoelens te delen omdat ik de indruk heb dat we in een wereld leven die te weinig ruimte laat voor gevoelens van verdriet. Het is de bedoeling rouwwerk snel af te handelen. Als je na enige tijd nog benoemt dat je het moeilijk hebt, heeft een deel van de wereld zijn interesse al verloren nog te willen luisteren. En vindt ook dat het de hoogste tijd is dat je verder gaat. Kom op! 'schouders eronder en doorgaan' is het advies. Of krijg je soms de vraag of je daar nog steeds mee bezig bent. Ik denk dat mensen steeds vaker een masker opzetten en hun werkelijke gevoelens niet meer tonen. Terwijl uiten van gevoelens een beweging op gang brengt waardoor verwerking ontstaat. Als tegenreactie zijn er mensen die verdriet koesteren. Zij baden in het verdriet liever op het randje van verdrinking dan mee willen gaan in de tendens van deze tijd. Deze mensen laten naar mijn idee ook niet zien wat er werkelijk speelt. Zij nemen bezit van het verdriet en hebben het daardoor net zo moeilijk als degene die het masker hebben opgezet. Rouwen is afzien. Rouwen is doorgaan. Rouwen is de uitdaging authentiek verder te gaan. Hoe dichter je bij jezelf komt, hoe meer kleur het leven krijgt. Ik geloof dat je verlies mee kan dragen op een positieve manier zonder het te maskeren of te koesteren. En dat je vanuit een diep verdriet het leven terug op kan pakken. Dat je kan leven met plezier in het hier en nu, verwachtingsvol naar de toekomst kan kijken en gelijkertijd ook stil kan staan bij wat er is gebeurd in het verleden. Gevoelens kennen geen tijd. Dit erkennen en hier ruimte voor laten is waardoor mijn leven terug betekenis heeft.

Jolie Le Fay
0 0

de tandarts

In deze seculiere tijden zijn er nog maar weinig functies of beroepen die ons ontzag inboezemen. Gelukig troont er nog altijd 1 figuur bovenuit - god en duivel verenigd in 1 persoon: de tandarts. De geneeskrachtige, verlossende eigenschappen die wij, stervelingen met tandpijn, hem of haar toedichten zijn van een bovenaardsheid die zelfs het opgetelde bevattingsvermogen van god, boeddha, allah en thor overstijgt. Die klinisch witte schort, die futuristische toestellen, die diploma's aan de muur, die astronomische facturen: bij zoveel bovenmenselijkheid rest ons alleen onderdanigheid en een schietgebedje. Hier leer je weer de overgave, je legt je lot in de mijnwerkershanden of spichtige vingertjes van krachten die je verstand te boven gaan - gaatjes heten hier cariës, de hondsdolheid loert achter het behang.  Wanneer ze erop los ratelen kijk ik diep in hun ogen - zowat het enige object in mijn blikveld. Terwijl de tovenaar zich met pikhouweel, beitel en hogedrukreiniger een weg wroet naar de zingevende zenuw van mijn bestaan, hoop ik een reflectie van de schepper te kunnen opvangen in de iris van zijn aardse vertegenwoordiger. Hoe dieper hij boort, hoe groter het mysterie en de factuur. Ik heb maar weinig geluk gekend bij deze intieme handelaars in mondhygiëne. Eens de verdovende middelen zijn uitgewerkt, volgt de ontnuchtering. Het witte licht aan het eind van de tunnel bleek niet meer dan de verblindende tandarts-lamp. Bij mijn vorige bezoek kwam ik terug met een tranend lodderoog en een neus die op springen stond. Die daarvoor zadelde me op met een ontsteking waar die andere witte schort, apotheker genaamd en doorgaans een wandelende reclamezuil voor antidepressiva, zowaar vrolijk van werd. Maar ik weet dat deze beproevingen slechts dienen om mijn geloof te testen, en versagen doe ik niet. Mijn laatste tandartsbezoek is dan ook een vervolgverhaal. Zij ziet haar hele wereldbeeld gekanteld. Of de zenuw is zeer levendig en verstopt zich, of de zenuw is daarentegen zeer doods en afgestorven. Of de wortelkanalen zijn verkalkt, of ik speel met haar voeten. In elk geval, het komt erop neer dat ze bloed wil zien en dat mijn tanden haar dit genot onthouden. Het gezag is ontsteld, de woede kanaliseert zich in haar kloppende halsslagader. Bij het weggaan hoor ik een orgastische, wellustige kreet, als van een jakhals met tandpijn. Ik werp een blik in de wachtkamer en knik steungevend naar de volgende, berouwvolle gelovige. Op de gang wijk ik uit voor de vijfliterflessen javel. Een beetje tandarts verwelkomt je met een bebloede schort.

Guy Bourgeois
43 1

Kleine broer

Ik luister naar jazz. Jazz op de radio. De lichten langs de verlaten autosnelweg gaan schuil in de duisternis en de wagen is mijn boot die zeilt over het asfalt. Na een fijne avond, rij ik weg van ’t stad richting rand van de wereld. Hij woont met zijn lief in het bovenste appartement van een residentie gebouwd in de schone jaren stille. We zitten aan tafel bij het grote raam. De straat gaat verscholen onder het breed bladerdak van een rij stoere bomen. We eten boterhammen met kaas. We lachen. Praten over nieuwtjes en vroeger. Zijn lief zit bij ons aan tafel, maar eet niet mee. Hij is zo aardig geweest om dinerplannen buitenshuis te maken zodat wij zonder aarzelen kunnen keuvelen. Ik zit tegenover hem aan tafel en luister aandachtig naar zijn verhalen over studie en werk. Over dromen en de liefde. Ik bewonder hem, om zijn discipline en kracht. We kiezen voor gemberthee en terwijl het water kookt, vertelt hij over de plannen die ze hebben met het appartement. Hij gesticuleert groots waar de wasplaats komt en hoe de keuken eruit zal zien. Mijn gebrek aan ruimtelijk inzicht volgt zijn verbeelding niet, maar ik ben er zeker van dat het prachtig zal zijn. In gebreid goed nestelen we ons op het kleine terras achteraan. We lachen. Met twee handen hou ik mijn kopje thee vast en turen we naar de gebouwen. De stilte die over de daken sluimert, verrast me. We troosten. Wanneer een tweede rondje thee trekt, klimmen we via de brandtrap naar het dak. We zijn getuige van een Miami Sunset en voor heel even ligt de wereld aan onze voeten. Alles is mogelijk. Ik zou in zijn hand willen knijpen van geluk, om het zijne en het mijne. Zijn lief vindt ons in het donker bij een kaarsje. We drinken ons laatste kopje van de avond. Ik zou nog even willen blijven, te midden van hun warme liefde. Bij het afscheid geef ik hem een knuffel. Ik knijp even in zijn armen en wens dat hij er voor altijd zal zijn. Zoals een jongere broer die onlosmakelijk met je verbonden is. Mijn courageuse vriend, ook gij zijt een schoon mens. (Foto: Emanuel Smedbøl)

Katrien Meermans
0 0

Balanceren

Het is opnieuw balanceren op het randje. Ik sta voor het keukenraam en kijk hoe de zon achter de brug langzaam de velden in glijdt. Een merel imponeert zijn vrouwtje en mij met zijn gezang. Een trio duiven, dicht bij elkaar genesteld op het bladerdak van de berk, sluit de ogen. De lichten van voorbijrijdende auto’s schudden me wakker. Ja, ik hou echt van deze plek. Een beetje verstopt richting rand van de wereld. De boerenbuiten en de nodige activiteiten zorgen voor de welkome verpozing na een dagje kantoor. Met mijn botten aan, wandel ik met een jongenspasje over ons kleine erf. Langs de bessenstruiken onder de fruitbomen, naar het water. Op de tippen van mijn tenen bewonder ik de overvolle serrebak. Als alle plantjes slagen in hun groei, weet ik binnenkort niet wat ik eerst moet doen. ‘Wat ben je van plan?’, vraagt mijn lief vanuit een stoeltje bij de kippenren. Met een zak potgrond geklemd tussen mijn armen en lijf sta ik met rode wangetjes naast een enorme bloempot. ‘Venkel zaaien.’ Hij schudt een beetje met zijn hoofd en denkt aan het vele hooi dat ik op mijn vork neem. Maar ik moet kunnen ontsnappen omdat het moeilijk blijft. Dat inpassen in een wereld waarin je je niet begrepen voelt omdat je niet krijgt uitgelegd hoe dat nu precies met je zit. Onwennig en bang, kom je afstandelijk en koel over. Een verlegen luisteraar die struikelt over de woorden die haar gedachten niet kunnen volgen. Nieuwe mensen, die tast je liever even af. Uit een ooghoek sla je ze gade, achter je rug volg je het gefluister. Daarnaast ben ik ook ongelooflijk traag. Pieken voor mijn dertigste, dat zal er niet meer in zitten. Ook al zegevierde mijn liefde voor het schrijven in mijn kindertijd en kon ik er mijn tienerverdriet in kwijt, de eeuwige twijfelaar in mezelf rende uiteindelijk heel hard weg voor de leeuwen.Reeds vijf jaar trek ik tijdens de gebruikelijke uren dezelfde schoenen aan en probeer ik onopvallend te passen binnen een of andere maatschappelijke verwachting. Maar als ik heel eerlijk ben, hoor ik thuis aan de schrijverstafel. Met een wand vol boeken als ruggensteun en Max Richter als toeverlaat. Er valt nog veel te leren, de groei is nog maar net begonnen. Zonder te wedijveren met anderen, maar met een beetje druk van het lief ben ik op zoek naar die zelfdiscipline van het schrijven en schrappen. Van het stoppen met angstvallig weg te lopen van ik wat ik toch zo heel graag doe. Ons huis is mijn glazen stolp, ons kleine erf een paradijs en in mijn hart is het soms een kleine hel. Angst zet, vaker dan ik zelf wil, een klem op mijn zijn en durven. Dan is het makkelijk vluchten in uitstelgedrag en opgerold als een bolletje liggen knabbelen op rampscenario’s. Zo nu en dan, staat het water van de ingebeelde ramp tot aan mijn lippen. Dan sluit ik de ogen en tel ik af naar de verdrinking. Tot hij mijn vermoeide lijf uit het water hijst en we mijn verdriet in slaap wiegen. (Foto: onbekend)

Katrien Meermans
0 0

Subtiele verleiding

Troostelozer kon de locatie niet zijn, die gedachte schoot door haar hoofd nu zij zich bevond in een omgeving van beton. Het intussen lang en breed weggesijpelde regenwater had donkere vochtplekken achtergelaten in de grijze platen. Druppels tikten vanaf de lekke goot op de metalen platen. Een autoalarm ging af in de verte.  Dat beeld en het geluid versterkte haar ontheemd gevoel. Wat moest zij hier? Zij leek wel gek. Op dit onchristelijke uur, op deze zielloze locatie.   In haar dagdroom had alles heel anders uitgezien. Zij zou een rok dragen, een zomermodel, van lichte, witte stof. Haar huid zou er subtiel doorheen schijnen, de welving van haar billen zou als gebeeldhouwd staan in de contouren van het textiel. Aanvankelijk zou ze verlegen zijn geweest. Van pure zenuwen had ze voorafgaand aan haar ontmoeting wellicht moeten huilen. Haar ogen zouden nog licht rood omrand zijn op het moment dat ze elkaar voor het eerst zagen. Daarop zou hij haar willen troosten, haar blonde haren strelen.   Nu stond ze hier in de kou. De regen viel. Het witte zomerjurk had plaatsgemaakt voor de zwarte trenchcoat. Helena Rubinstein Nr. 101 en opgestoken haar, had hij gisteren rond 16.00 uur nog doorgezonden. Het had haar veel moeite gekost, om die lipstift nog gauw na het werk te bezorgen. Maar zij wist dat zij zijn hoge eisten moest vervullen, neen sterker nog, zijn hoge eisen wou vervullen. Riemchenpumps und schwarzes Strickkleid had hij een uur later gezonden……..Erotisch bevreemdend was het gevoel, als hij haar instrueerde in het Duits. Zij kon haar eigen beeld in zijn hoofd zien. Was het geoorloofd hem toch wat dichterbij te halen? Nog een heel klein stukje misschien? Waar lag de grens, waar stond de muur en waar wilde zij de opening?   Haar droom, deze locatie, het contrast kon niet groter zijn. Woede maakte zich van haar meester, om de discrepantie tussen werkelijkheid en droom, tussen fictie en realiteit. Een ding stond voor haar vast, hij zou haar vandaag nemen, keihard, genadeloos nemen.   In de verte hoorde zij natte autobanden op het beton. Haar hart ging in versnelling. Haast ademloos zag ze een auto dichtbij komen. Haar rode nagels omklemden haar mobieltje in de zak van haar jas. Honderden keren had ze in 10 minuten tijd op de scherm gestaard. “Ik kan het niet, ik zal er niet zijn, helaas” ………..dit bericht had ze verwacht. Misschien had ze zelfs op dit bericht gehoopt. Tegen haar diepste gevoelens in. Verlossende woorden die alles terug goed zouden maken.   Woorden; ………………….hij die de keuze nam. Iemand anders die de situatie de juist wending zou geven. Toch de klok tikt door en gemaakte keuzes kan men niet meer terugdraaien.   Haar hakken klikklakten over de steenen vloer, zijn hand om haar taille. Zij rook Cashmere van Chopard, hoorde het kraken van zijn zwarte, lederen jas. De stoelen in het donkerste hoekje van de hotelbar werden bezet.   Zoals zij daar zat, bloedmooi. Een dodelijke combinatie: achteloos, maar blakend van zelfvertrouwen. Hij keek haar aan, in de achtergrond speelde rustige muziek. Lucy Rose. Of dit past in het plaatje? Ja, natuurlijk. "And I loved the way you looked at me - And I miss the way you made me feel - When we were alone - When we were alone". En neen, want er viel weinig te missen. Ze zaten alleen, ze waren alleen, en er was weinig reden om het heden voor het verleden in te wisselen.   Bestaat er een ideaal voorspel? Wat houdt dat in? Het zijn retorische vragen. Het antwoord is enkel: hier, nu, overal en altijd. Zijn slanke handen om het zwarte koffiekopje. Hoe vreemd was het. Hoe vertrouwd.   Subtiele verleiding, hij was er goed in..........

Sonja Blondé
0 0

Wonderschoon

Onder de bomen zitten twee grote konijnen. Met rechte rug en bewegende neusjes observeren ze de tuin. Voorzichtig wagen ze zich op open terrein en smullen stiekem van de bloemenweide. Ook de waterhoen is deze ochtend van de partij. In het vogelhuis smult hij van de grote vetbol. Zijn vrouwtje heeft de kat gestuurd. Op de nok van de wintertuin regeert een groep kauwen. Met geheven hoofden houden ze de duiven statig op een afstand. Voor de deur worstelt een roodborstje met een vers gevangen wormpje, terwijl iets verder een vogeltje zo klein bijna onopgemerkt schuifelt. Plots duikt Patrick, het kleine konijn op. Met schattige sprongetjes nadert hij ons nest tot hij zo dicht is, dat ik hem niet meer kan zien. Ik snel naar het keukenraam en niet veel later betrap ik hem tussen onze vergeet-me-nietjes. De spin aan het keukenraam deint zachtjes op het ritme van de wind. Een tweede klein konijn piept door het gat in de deur van de wintertuin. Hij twijfelt en schuifelt terug naar binnen. Even later sluipt hij dicht tegen de muren naar de plek waar binnenkort de kippen zullen kakelen. Knoppen verschijnen op de takken van de bomen. De pruimenboom pronkt zelfs al met de eerste bloesems. Het is zeven uur ’s ochtends en vol verwondering loop ik van het ene raam naar het andere. Ik denk terug aan de voorbije dagen toen tijd niet bestond en de wereld slechts een tuin groot was. Groenten rooien en zaaien. Bloemen schikken en planten. Ik voel de zon op mijn gelaat en de wind in mijn haren. Wroetend in de aarde koester ik deze kostbare eenvoud als zwart goud. Ik omarm ons nest dat als een veilige haven nabij het water ligt. Verborgen achter het hoge riet en beren van bomen. Voor het eerst sinds weken krijgt mijn verlangen naar de schrijftafel opnieuw vorm. Ik heb zowaar echt goesting om te schrijven en te schrappen. Om de ideeën, die een winter lang gebroed hebben, te zien uitkomen. Voor ik het besef, betrap ik mezelf wachtend op het onheil dat zich als een zondvloed over mij zal werpen. Zo veel geluk, is dat een mens wel gegund? Ook wij hebben ons kruisje boven de deur en een emmer historische tranen, maar wat wij vooral hebben is een thuis. En dat … is wonderschoon. (Foto: Christian Heuer)

Katrien Meermans
0 0

Dipje

Op de eerste ochtend van het jaar knijp ik mijn ogen dicht tot ik sterretjes zie. De muziek die in de straat weerklinkt, maakt krasjes op mijn ochtendhumeur. Ik open mijn ogen en staar naar mijn lief, maar hij slaapt te diep om mijn kijkers te voelen priemen. Er verschijnt een glimlach op mijn gezicht als ik aan de vorige avond denk. In een sprookjesachtige kamer vierden we met veel gezelligheid de laatste avond van het jaar. Hij en zij. Wij. Eenvoudig lekker eten en vuurwerk langs alle kanten. De muziek verstoort de herinnering en dwingt me op te staan. Ontstemd graai ik wat kleren van de vloer en kleed me aan. In een slaperige haast, glijd ik bijna van de trap. Mijn hart slaat een slagje over en mokkend sta ik op blote voeten voor het huis. Mijn blik is wazig en ik kan de bron van de muziek niet duiden. Net voor de deur dicht valt, kan ik haar tegenhouden. 'Ook dat nog', mopper ik in mezelf. De stoep is te koud en snel sluip ik weer naar binnen. Gedraaid in dekentjes lig ik in de zetel. Ik staar naar de donkergrijze wolk boven de televisie. Ze volgt me nu al een tijdje en hoe harder ik haar doodzwijg des te donkerder ze kleurt. Met een grote frons daalt mijn lief de trap af om even halt te houden bij de zetel. ‘Muziek’, zegt hij met een zware en vermoeide stem. Ik open de berg dekentjes en dicht bij elkaar kijken we naar dieren in het wild. Bij zijn verschijning drijft de wolk af en lanterfant ze een beetje in een hoekje. Ze lijkt zelfs lichter van kleur en even vergeet ik haar. Maar enkele dagen later, regent het tranen in de woonkamer. Her en der zet hij emmertjes. En in de onweersbui vormen we samen een bolletje. Hij luistert en sust. Hij wiegt en aait. Hij belooft: 'Alles komt goed'. (Foto: Karin and the camera)

Katrien Meermans
0 0
Tip

Op logies

OP LOGIES Met trillende lillende geagiteerde beentjes en brillende gillende bekeerde hoofdjes werden we afgezet voor het troosteloze appartementsblok naast de autostrade. De krakende stem van grootmoeder botste uit de parlofoon: “Ah, ge zijt er”. Vader reed al weg naar zijn avondles voor grote mensen. We wisten het, maar élke keer opnieuw botsten we met onze keikoppen tegen de voordeur die stokte tegen de voetmat erachter. De schakelaar achter de deur was al jaren kapot en we moesten in het donker de flauw oranje gloed van de schakelaar achter in de gang zoeken. Meestal lag er wel een paraplu, een lege bierbak, een winkelkarretje of een vuilzak in de weg, klaar om onze benen te breken, maar deze keer hadden we geluk. Het was een zacht hoopje kots van de onderbuur van het gelijkvloers. De spaarlamp bibberde aan en de traphal liet zich zien. Ze was van koud staalhard graniet, de muren van beton met van die korrels waardoor je altijd wel het vel van een vinger haalt of een scheur in je jas en balusters met een versiering zo scherp dat je wist dat de maker ervan zijn inspiratie bij een Duitse helm, prikkeldraad, vogelpinnen of ingecementeerde anti-kat glasscherven bovenop een bakstenen muur had gehaald. De plastieken zak met onze pyjama’s, propere onderbroeken en tandenborstels heeft het niet één keer gehaald tot het tweede verdiep denk ik. Grootmoeder brulde “Allee, doe eens een beetje voort” door de gang. Eindelijk boven had ze de deur weer toegedaan. Het licht in de gang bleef nooit lang genoeg aan om tot op het tweede te geraken. Op de tast vonden we de koude klink naar het appartement. “Bomma! Waar ben je?”. Maar we werden overstemd door het volume van de tv. Grootvader zat zoals altijd, na een dag aan de dokken, een zoveelste pils te drinken uit de vuile koffiebeker die hij die ochtend uit de gootsteen had gevist. Wat er op tv was, herinner ik me niet meer. Maar het was wel luid. We sneden ons een weg door de rook die het appartement van vloer tot plafond gevangen hield. Niks aangebrand hoor, Groene Michel of zelf op filter getrokken Nybro’s, dat wel. Grootvader gromde iets, bulderlachte en gaf ons een klap met zijn sloef. Weg van voor de tv, petotters! In de keuken wrongen we ons tussen het papegaaienkot en de formica keukentafel op een krukje voor een boterham met confituur en een peperig groentensoepke. Grootvader plofte zich op de kop en kreeg een boterham met reuzel en zout en een beuling. Hij was goed gezind want we kregen ook een stuk. Spreken werd er niet veel gedaan want de tv stond te luid. De Coco begon zich te moeien en hij smeet zijn lege zonnebloempitten in mijn bord. Eén keer heb ik geprobeerd om hem een pak rammel te geven maar zijn bek staat nog altijd in mijn hand afgedrukt. Dat heb ik wel afgeleerd. Na het eten moesten we onze pyjama aan en onze tanden poetsen. Ik herinner me de badkamer vooral als donkergeel. In de afvoer hoorde je de buizen kloppen, alsof er iemand anders in het blok als een gek aan de leidingen stond te sleuren. De toiletbril stond altijd omhoog, in de duisternis achter het douchegordijn, buiten het bereik van het flikkerende peertje. Nooit ben ik daar op gaan zitten. Ik hield mijn kak wel in als ik de bij de bomma en den bompa mocht gaan slapen. Onze bedden stonden in grootvaders hobbykamer, hij was een getalenteerd schilder. De borstels stonden uit te zweten in de conservenblikken met solventen, op het nachtkastje naast ons kopkussen. Bedwelmd door de giftige dampen, de rook van zware shag, de ademzoen van bompa en het kruisje op ons voorhoofd – God zegene en bewarene – van bomma kwam dan het moment waaraan ik nog elke avond terugdenk. Per vijf centimeter schoof ik mijn koude voeten verder onder het verkleumde laken. Nostalgie tot in de tenen. Dat was een mooie tijd.

Warmwatermuziek
0 1

De dag dat ik bijna een man vermoord had.

Ik moet een jaar of tien geweest zijn. Het was zomer en prachtig weer. Zoals op elke mooie zomerdag waren ik en de andere kinderen uit de buurt buiten aan het spelen bij de hoge boom waar we inklommen zodat je, als je hoog genoeg durfde te gaan, over de daken heen kon kijken en zelfs de rivier kon zien. Die dag hadden we een groot stuk boomstam gevonden dat door de gemeente moest zijn afgezaagd en achtergelaten. Zo een waarvan je moeder zou zeggen dat het een stoel voor kabouters of dwergen is. De stam was veel te zwaar om op te tillen, dus we rolde er wat mee rond terwijl we bedachten wat we ermee zouden doen. We besloten het ding naar beneden te laten vallen. Naast de hoge boom waar we de stam gevonden hadden was een twee, misschien drie meter diepe muur die aansloot op de aflopende trap die naar de straat leidde. Als we de stam een flinke duw gaven zou die zeker de muur afrollen en met een spectaculaire smak de grond raken. Ik was de oudste van alle aanwezigen, dus ik mocht de stam in beweging brengen, de zwaartekracht zou de rest doen. Ik vroeg aan de anderen of er iemand aankwam, niemand, goed. Rollen dan maar. Ik bracht de stam in positie en gaf hem een duw met mijn voet. De boomstam rolde met een redelijke snelheid over de rand heen en we hoorden een doffe klap van hard hout dat de stenen raakt. De klap werd meteen gevolgd door een vloedgolf aan gevloek. Geschrokken keken we over de rand heen naar beneden. Daar stond een man van middelbare leeftijd met een mix van woede en doodsangst op zijn gezicht. Dertig centimeter voor zijn voeten lag de boomstam, waar de man in godsnaam vandaan was gekomen weet ik nog steeds niet. Als die boomstam hem geraakt had zou hij zeker zijn nek gebroken hebben. Nadat hij ons de huid vol had gescholden liep hij verder, nog trillerig van de schrik. Het enige wat ik had kunnen uitbrengen was een schamele sorry meneer. Ik kon die dag aan niets anders meer denken. Wat als het fout was gegaan? Dan was ik een moordenaar, een crimineel! Ze zouden zeggen dat we het plan secuur uitgedacht hadden, de luttele centimeters die de stam zijn doelwit gemist had getuigde van onze precisie in deze hinderlaag. Het doel werd maar nét gemist. Als er een engel over me waakt, dan zal ik absoluut een roos meenemen op de dag dat ik hem, of haar, tegenkom. 

Atlas
15 0
Tip

De vliegtuigspotter

Het gebeurt weer. Tijdens de vergadering zet ik de problemen en mogelijke oplossingen op een feilloze flamboyante manier uiteen. Ik glimlach, kijk de juiste mensen aan en dit allemaal op automatische piloot. Ik hoor mezelf praten op die eeuwig enthousiaste manier, die ik mezelf eigen heb gemaakt alsof het onderwerp me nauw aan het hart ligt. Mijn gedachten, echter, zijn zo ver mogelijk verwijderd van dit moment. Ik denk aan mijn dromen van vroeger, aan mijn verleden, aan die grote liefde die je altijd bij jou zal dragen… Plots krijg ik een vraag en voor even keren mijn gedachten terug. Ik kijk de persoon aan en herken het vriendelijke gezicht van mijn collega. De glimlach, de vriendelijke ogen die me groeten, maar die niet kunnen zien dat ik eigenlijk ergens anders ben. Ik geef de gevraagde informatie en kan weer met mijn gedachten wegdriften naar herinneringen. De vraag die weer rijst, is hoe ik hier ben gekomen? Hier wou ik toch niet zijn. Ik ging het leven van mensen veranderen, mensen inspireren, gelukkig en eeuwig verliefd zijn. Ik zou nooit over suikerwolken en zeekoeien hoeven te spreken want ik zou een innig gelukkig leven leiden. Een avontuurlijk, romantisch, geïnspireerd leven. Ik overloop even de voor- en nadelen van mijn huidig bestaan en voor de buitenwereld heb ik een goede score. Ik heb een werk waar velen jaloers op zouden zijn, ik ben getrouwd, heb een zoon en een mooi, gezellig huis. Ik heb geen reden tot klagen.   Ik zie het nochtans in anderen hun ogen. Zo zie ik in mijn man zijn ogen dat ook hij last heeft van de doelen die hij nooit zal bereiken, maar hem blijven achtervolgen. Dolgraag zou ik ooit vragen “jij doet dat ook?” maar daar praten we niet over. Wij praten over onze carrière en onze zoon en het alledaagse. Wij maken plannen voor de toekomst en daarmee bedoel ik de veilige plannen zoals volgend jaar gaan we de woonkamer opnieuw schilderen of donderdag ga ik naar de tandarts. En ik zou nooit met een anekdote naar huis komen zoals de tandarts heeft aan mijn oor gelikt. Neen, ik kom naar huis met een tand die getrokken is en ik begin eten te maken. Soms denk ik dat hij het door heeft, mijn man bedoel ik. Dan zegt hij plots: “Ben je weer aan het solliciteren voor vliegtuigspotter?” Daarmee bedoelt hij dat ik weer naar boven aan het kijken ben en niet echt aanwezig ben. Ik vraag me af waarom hij nooit aan me vraagt aan wat ik denk? Misschien is hij bang voor de waarheid, zoals ik ook bang ben voor de waarheid.   Wat ben ik bang om uit te spreken dat hij mijn grootste liefde niet is, dat ik eigenlijk niet gelukkig ben en ook niet weet hoe ik gelukkig moet zijn. Ik ben bang om te horen dat hij ook niet gelukkig is en we beiden tot de realisatie komen dat ons leven een grote leugen is en we ook geen oplossingen hebben om daar iets aan te veranderen. Ik verdenk ook andere mensen van stiekem ongelukkig te zijn, maar dat kan je niet vragen. Soms hoor ik het aan een stem of de manier waarop ogen me aankijken, maar het wordt nooit uitgesproken. Dus zal het bij me vaker gebeuren dat ik wegdrijf met mijn gedachten en een zogenaamde vliegtuigspotter word, want een vliegtuigspotter droomt van te vliegen, maar zal nooit piloot worden. Ja, ik ben een vliegtuigspotter, maar zijn we dat niet allemaal? Stiekem?

Ellen De Rycke
24 1