Zoeken

Tip

catatonisch (v.)

Na jaren stilte neukten we bij onze eerste ontmoeting. Ik werd geiler van de geluiden die hij maakte en de manier waarop hij keek, dan van de manier waarop hij me aanraakte. Het was ruw en hij maakte geen gebruik van de vele kleine plekjes die zo gevoelig zijn bij een vrouwenlichaam. Ik weet niet eens of ik het anders gewild had. Dit was precies wat ik van hem gewoon ben en daar lag ik toch weer, ontvouwd. Ik liet toe dat het pijn deed, maar niet dat hij me beneden zou gaan likken. Daarin schuilt de grootste intimiteit, en daar was hier zo weinig sprake van. Hij wou vuile woorden horen, maar toen hij vroeg wat ik wilde, kon ik enkel antwoorden met ‘seks’. Het klonk alsof een kind het zei.Wat gaan we meedogenloos met elkaar om. Ik ken de regels van het spel: ik doe niet meer dan hij, toon niet meer van mezelf dan hij, tenzij heel af en toe om de schijn hoog te houden dat ik toch mezelf blijf. Maar oh, bij hem blijft er zo weinig over van mezelf. Daarom vind ik het net zo leuk. Die nacht zelf nog wou hij niet dat ik hem vast pakte. Het was slaaptijd, spelen mocht niet meer. Ik stuurde nog, ‘s anderen daags, dat het lekker was geweest, terwijl ik eigenlijk wou zeggen: ‘ik wil bij u zijn’. Ik kreeg natuurlijk geen antwoord. PompoensaladeEen exvriend hebben in de stad waar je woont is een nachtmerrie, zeker als die stad zo klein is als Antwerpen. Nostalgie neemt vanzelf de bovenhand tijdens een busrit waarin het verleden letterlijk voorbij glijdt. Het is die steenweg waarop ge mij de weg wees naar de wilde konijnen, en dat park waar ge mij voor het eerst niet meer aanraakte.VerkoudenEr zit veel spanning en vermoeidheid in mijn lijf, wat leidt tot het gevoel dat er iets mis gaat gaan. Terug een angstaanval misschien. Ik reisde naar de hoofdstad voor verlossing. Ik zou gaan vrijen met een man die ik tegen wil en dank graag zie, zonder helemaal te begrijpen waar al die liefde vandaan kan blijven komen (een beetje zoals snot bij verkoudheid). De seks hielp, maar slechts kortstondig. Er was er ook niet genoeg van, nauwelijks 1,4 op 2, waarvan die 1 helemaal voor hem was. De psychologische machtstrijd die ik in mijn eentje met hem voer, maakt het er niet gemakkelijker op. Na zijn sms had ik er twee dagen problemen mee dat het bal in mijn kamp lag: wat moet ik met een bal in mijn kamp? Net stuurde ik dan eindelijk, eerder om het sturen dan om echt iets te zeggen. Mijn trots voor de misschien wel twintigste keer ingeslikt. Met mij en mijn angsten gaat het intussen bergafwaarts, en ik ben de remmen weer kwijt. Een vrijdagavond die nooit minder aanvoelde dan een vrijdagavondTerwijl ik ‘s avonds met het openbaar vervoer reis, kan ik niets bedenken dat deprimerender is dan ‘s avonds met het openbaar vervoer reizen. Het ene geluid na het andere penetreert ongevraagd mijn wereld, van goederentreinen tot klappende deuren tot zoemende automaten. Alles gaat veel trager en als je ergens vast zit, zit je voor lang ergens vast. Zoals nu dus. Hoe dichter ik bij Antwerpen en haar bittere bevolking kom, hoe bitterder ik zelf word. Het is vanavond dat ik besluit dat ik er niet zal blijven wonen.Het is niet de stad zelf, het is de indigine bevolking ervan. Mijn vrienden in Antwerpen zijn voornamelijk Nederlanders, Limburgers of mensen uit Kapellen (ik heb verder niets met Kapellen), en dat is geen toeval. Ook relatiemateriaal valt er hier niet te rapen. One-night stands bleven bij one-night stands, en die ene keer dat ik toch iets serieuzer begon met een Antwerpenaar, was het een man die zo vergroeid was met zijn arrogantie, dat het geen houding meer was, maar gewoon een manier van zijn. Hij herkende zijn eigen blaaskaakgehalte niet. Het spijt me voor de occasionele Nederlander of Gentenaar, maar mijn beste vriendjes waren en blijven Limburgers. Absynthe MindedEindelijk aangekomen in mijn met decoratie overladen kamer, zet ik een liedje op (Plane Song van Absynthe Minded). Pas in de helft van het nummer valt het mij op dat het geluid niet aan staat. 20 februari 2015Het is een grijze dag die niet vraagt om gelach of gehuil. De hond loopt te zuchten omdat het regent buiten. Het is gemakkelijk om bij de supermarkt te werken, omdat ik dan niet hoef na te denken over wat ik echt wil, of over wat ik kan. Een simplesse die gevaarlijk is om steeds weer naar terug te keren, want dan geraak je niet vooruit. W. Hij toonde me waar de vosjes waren. We lachten vaak, maar nooit om dezelfde dingen. Coffee & cigarettes (een filmtitel)In een niet erg kleine plastieken bak draagt ze haar sigarettenmateriaal met zich mee. Losse hulzen incluis. De drie volwassenen roken samen en ik zit ertussen met mijn laptop, de hond knaagt aan een kunstmatig bot. Straks moet ik door weer en wind naar het bittere Antwerpen. Een nieuwe vriend vertelt me te beginnen filmen en experimenteren, gewoon vrij, plezier maken met camera en montage. Ik besef des te meer dat mijn faalangst mij nu al bijna de helft van mijn leven tegenhoudt in allerlei verschillende categorieën. JorisDe benen en de poes mooi glad, honing en melk op alle plaatsen. Nooit zeg ik nee tegen u, en een minimum aan aandacht bestaat niet in onze relatie. Een avond als deze, opgewonden om u te gaan zien en in uw bed te liggen. Ge zegt eerst ja en dan weer nee. Ik heb het allemaal leren verbijten als een pijnlijke kramp. ik zal gewoon wachten, tot de volgende keer, als ja ook echt ja is. ThijsTerwijl ik niets doe, ontwikkelt hij een computerprogramma. Iets met vragen en antwoorden. We drinken icetea en bier, maar in mijn dromen is het champagne. We gingen samen naar zijn kapper, met wie ik honderduit praat terwijl Thijs in stilte wacht. Ik vind het geweldig hoe weinig het hem kan schelen. Voor mij is een kapbeurt het begin van een nieuw leven. Ik ben al ruim drie jaar niet meer naar de kapper geweest.Log en lompAls ik het gezicht van mijn mama zie, de manier waarop ze niet lacht, weet ik hoe ik niet wil worden. Na het nemen van haar medicatie loopt ze alsof ze dronken is. Log en lomp. Er komen weinig positieve prikkels mijn kant uit. Ik lijk weinig te kunnen doen tegen het noodlot dat geduldig op mij wacht. Hoeveel moeite zal het kosten om niet steeds alles te verliezen? Joris 2Ik vind het vooral fijn als een man blijft slapen, omdat ik dan even kan voorwenden dat het goed gaat met mij, en dat ik me normaal kan/moet gedragen. Ik word er ook beter van, al is het maar voor even. Hij zei dat ik er goed uit zag, maar ik denk niet dat dat echt zo was. Net zoals iedereen zegt hij dat ik enorm ben afgevallenDepressieIk voel me iedere dag een beetje kleiner. Bij het ouder worden lijken mijn mogelijkheden steeds meer te worden ingeperkt. Soms word ik geconfronteerd met wie ik geworden ben, en dat is geen meevaller. Ik zie mezelf niet functioneren binnen een fijne groep, of een goede relatie. Zie ik mezelf functioneren tout court? Liefst van al zou ik afzeggen. Alles maar gewoon afzeggen. Depressie komt niet plots tevoorschijn, maar sluipt dagen- misschien wel wekenlang achter je aan alvorens zijn intrede te doen. Ik merk dat de schaduw boven mijn hoofd groter wordt, en me naar beneden drukt. Het is vermoedelijk enkel de medicatie die me staande houdt. Er zijn wel lichtpunten. Mijn hond, en die vriend waartegen ik alles kan zeggen. Bij anderen wordt het te veel. Drie keer kun je negatief antwoorden op de vraag of alles in orde is, een vierde keer wordt er niet meer gevraagd wat er dan juist scheelt. 10 januari 2015Het is een beetje erg dat het zo geworden is, al kan het mij toch zo weinig schelen, maar vrijen was zowat het koudste dat we konden doen. Voor mij was het iets dat moest gebeuren om van mijn onderhuidse verlangen af te geraken. Om hem minder graag te zien, geloof ik zelfs (en het lijkt alsof het geholpen heeft). Hij verveelde zich, niet meer dan dat. Ik probeer, maar kan me niet voorstellen dat hij meer verlangen koestert dan ik. Net daarom voelde alles zo koud: mijn verlangen was bijna iets geworden dat ik van mezelf verwachtte, maar niet veel meer dan dat. Maar het was fijn, en ik wil nog wel eens. 2 februari 2015Door de bizarre slaapuren staat mijn hoofd weer op springen. Ik kan niet goed slapen met anderen erbij, zelfs al zijn het maar katten. Ik lig altijd maar te woelen, en wil daarbij niemand wakker maken. Toch vind ik het fijn als ik gezelschap heb. Ik probeerde mijn afspraak van vanmorgen af te bellen, door te zeggen dat ik mij overslapen had. Ze zeiden ‘kom toch maar gewoon’. Dat is de beste manier om met mij om te gaan. Ik kan niet zo goed met mezelf omgaan. Ik ga nog een beetje soezen. Zonder kat deze keer.H.Ik vind het heerlijk als de kat op mijn rug komt liggen.Vandaag ging ik naar een jobdag van de meest verderfelijke der supermarkten. Mijn vrienden zal ik hierover niets vertellen. Ik nam zelfs een bus om twee mannen in pakken, die best aantrekkelijk waren maar complete rotzakken, tegemoet te treden. Weer eens verloren moeite: zij wilden enkel investeren in een langetermijns-engagement. Om het met hun woorden te zeggen: ‘Er is geen match.’ Onderweg kwam ik langs het huis van H. Zoals altijd wanneer ik aan hem denk, dacht ik ook nu weer aan die verschrikkelijke keer dat hij me liet eten toen ik ziek was. Toen later mijn zus vertelde dat het onnatuurlijk is veel te eten als je ziek bent, omdat je lichaam die energie wilt gebruiken om beter te worden, voelde dat als een laattijdige overwinning. Ik wou enkel dat ik toen sterker in mijn schoenen had gestaan, misschien wel even sterk als hij. Hoe verschrikkelijk die situatie ook was, het blijft voor mij een daad van liefde die op momenten nog steeds aan me vreet. Het past niet bij het beeld van de verschrikkelijke klootzak waarin hij veranderde toen en nadat hij besloot dat hij me niet meer wilde zien, omdat hij ‘niet om kan gaan met mensen die zich slecht in hun vel voelen.’ Liefst zou ik hem nu zien lijden. Hij is één van de enige mensen, en sowieso de enige ex-vriend, die ik nu de rug zou kunnen toekeren als ik hem nog eens tegen kom. Niemand kon aubergine zo hemels klaarmaken als hij.27/01zwijgen is hetzelfde in alle talen. ik moet op zoek naar mezelf in een nieuw soort stilte. every time you close your eyesEven had ik het idee het leven te beginnen liegen, en een betere versie van mezelf voor te spiegelen. Een versie die ik dan achterna kon hollen. Maar het lijkt niet voor mij weggelegd; al enkele uren later deel ik mijn leed zelfs met mensen die er niet achter vragen.

Elke De Schacht
62 1

Daar ben je

De ochtend was te kort. Het was al na tienen toen je wakker werd. Je veranderde driemaal van outfit. Je hebt je haar in verschillende kapsels willen wrikken. Het hangt nu los, je wrijft de gebleekte lokken onhandig achter je oren. De middenscheiding die je als kind haatte, is vandaag je handelsmerk. Je lipstick, bordeauxrood, heb je in twee lagen aangebracht. Die gaat nergens heen. Niet naar de korst van een broodje, de rand van een glas. Niet naar mannenlippen.   Je proeft nog een mengeling van pompelmoes en tandpasta op je tong wanneer je de deur uitgaat. Je bijt met je kiezen op de binnenkant van je kaken, likt aan de gladde littekens van gisteren. Je blik komt stuurs over op de mensen die je ontmoet op de stoep. Je wangen naar binnen gezogen. Goed geslapen maar slecht wakker geworden.   Aangekomen in het restaurant dringt de dag zich aan je op. Collega’s vragen hoe je vrijdagavond was. Je vertelt over een avondje op café met een concert. Je haalt plezier uit het opvullen van de zoutvaten en servetbakjes. Je schikt de bloemenkleedjes tot de punten symmetrisch over de zijden van de tafels vallen. Je schrijft de specials op het krijtbord terwijl de eerste klanten een tafeltje uitkiezen.   Je zou willen dat ik binnenkwam, nonchalant mijn hand naar je opstak en lachte. Dat ik onhandig tussen de tafels door laveerde, ver weg van andere klanten ging zitten, een iced tea bestelde en op mijn smartphone begon te tokkelen. Dat je in je pauze bij me kon komen zitten met verse soep voor ons beiden. Je zou luisteren naar mijn verhalen en lachen om mijn grapjes. Je zou me vragen of ik wat spulletjes voor je kon verhuizen met m’n auto. Ik zou gespeeld zuchten en een geschikt moment afspreken.   Maar je ziet me niet binnenkomen en niemand brengt me iced tea. Je vangt in een vreemdeling een glimp van me op door het raam. Je hoort me in een flard van een gesprek. Je pauze is gewijd aan een boek terwijl je je soep behendig naar binnen lepelt, zonder je lipstick te schaden. Je leest jezelf een halfuur lang weg uit het restaurant, uit de stad. Met een servet dep je behendig je mondhoeken schoon voor je weer aan de slag gaat.

cielien
2 0

Het brouwsel

Daar heb je haar weer. Zoals elke maandagochtend komt het meisje weifelend ons winkeltje binnen, ze kijkt wat rond en treuzelt even bij de perziken. Maar mij houdt ze niet voor de gek. Ze komt hier maar voor één iets. Na de schijnvertoning schuifelt ze zoals altijd naar het meest linkse hoekje van onze winkel. Natuurlijk. Daar liggen de komkommers uitgestald. Donkergroen glanzen ze haar toe. Alsof ze een voor een met balsem ingewreven zijn. Loom glijdt haar wijsvinger van de ene komkommer naar de andere. Liefkozend, aftastend ook. Hun gladde rondingen zijn als de stenen torso’s van de oude helden. Er sluimert kracht in hun verstarring, maar diep, onbereikbaar. Ze neemt een komkommer vast en drukt hem tegen het gloeiende vel van haar wang. Zo koel. Ze rilt even. Dit wordt hem.   Hoe anders was ze vroeger. Ze was toen meer zoals mevrouw Haag en de andere stedelingen. Als ze binnenkwam, hoorde je alleen al aan het getinkel van de deurbel dat ze geen tijd had. Haren strak vastgesjord in een dotje. En dan die kurkdroge streepjeslippen: net twee stokjes stro. Tijdens het afrekenen had ze alleen oog voor haar mobieltje en het getal dat op het digitale betaalscherm verscheen. Wat heeft haar veranderd? Op die vraag zouden alleen de stenen me een bevredigend antwoord kunnen geven. Ze lijkt een nieuw persoon. De bruine lokken los nu. Ongewassen, maar dat geeft niet zo, vind ik. Haar lippen staan altijd op een kiertje en hebben iets vochtigs. Als een bedauwde kelk, maar ze worden steeds dorstiger. Ze gedraagt zich ook anders: dromerig, koortsig zelfs. Maar vol leven. En ze koopt alleen nog maar komkommers.   Mevrouw Haag moppert altijd dat ik niet deug. ‘Niet onintelligent, dat zeker niet. En behulpzaam natuurlijk, het is erg aardig wat je voor me doet in de winkel. Maar die eigenaardige gewoontes van je … En dat voor een meisje van bijna 19!’ Wat zij onder ‘eigenaardig’ verstaat: de spinnen die ik een onderkomen biedt in mijn broekzak. Soms mogen ze mee naar de winkel; zij neemt haar mopshondje toch ook mee? Gelukkig weet ze niets af van mijn stenen. Die liggen veilig thuis. In mijn kamer, onder mijn hoofdkussen. Als ik weet dat de kust veilig is (dat wil zeggen: als mijn ouders voor de tv gekropen zijn), spreid ik op m’n schrijftafeltje een oude schoteldoek uit waarop ik met veldstift drie concentrische cirkels getekend heb. Voor de zekerheid schuif ik nog vlug een stoel onder de deurklink. Dan haal ik de stenen tevoorschijn. Ik heb het geheim van mijn stenen eens aan een vriendin verteld. Ze schaterde het uit, de del. Wat kun je nu in godsnaam zien in een twintigtal vreemde, hoekige letters van uitgekerfde barnsteen? Heel veel. Je moet het alleen willen voelen. Dan komt het zien vanzelf. Als ik nu de stenen door mijn handen laat glijden, mezelf voorbereid om te werpen, voel ik in gedachten het meisje met de komkommers. Ik werp de stenen. Nu.   Geleidelijk pakt alles samen. De draden worden een kluwen. Vormen, kleuren, zelfs geuren. Alles wordt tastbaar.        Ik zie haar kamertje. De wanden die ze van de kotbaas niet mag behangen. Het bureautje, volgestouwd met buikige studieboeken. De muisgrijze schaal met komkommers. Het eenpersoonsbed. Ik zie het meisje. Ze doet me denken aan een prinses uit een oud verhaal. Opgesloten in een torenkamertje, alleen met haar verlangen. Ver voorbij de grenzen van wat men gezond noemt. Ze draagt elke dag hetzelfde: een jurk van grof linnen, beschilderd met woestijnbloemen. Daaronder niets, alleen haar dorst. Ze wast zich zoals een kat: lui, af en toe een likje. Maar stinken doet ze niet. Haar lichaamsgeur is versmolten met de lavendelolie waarmee ze zich drie keer per dag besprenkelt. Ze ligt graag en vaak. Soms gewoon op de koude tegelvloer, tussen stof en etensrestjes. Of ze drukt zich languit tegen een van de wanden. Dan bootst ze zo goed mogelijk de zuchten na die geliefden volgens haar slaken. Natuurlijk moet ze ook studeren. Gebogen over die eindeloze papieren, de tijd tikt gruwelijk traag. Ze kan er het hoofd niet bijhouden, haar gedachten zijn een aaneenrijging van geliefde, het is koud hier, geliefde, ik ril nu al weken tussen de kille grammatica’s, geliefde … Het woord geliefde voelt altijd pijnlijk wanneer je het aanwendt tot een afwezige. Maar nog pijnlijker is het wanneer de afwezige alleen in je verbeelding je geliefde is. Vaak zweeft zijn gladde, pezige lichaam als een altaar door de kamer. Ze is na al die tijd vergroeid met haar verlangen. Het doet haar overdag dromen. Het enige wat haar een beetje troost, zijn onze komkommers. Ze houdt ze de hele dag koel in de kast. Wanneer de avond valt, zet ze de komkommerschaal klaar op haar nachtkastje.  Dan voelt ze een gelaten opwinding. Wat ben ik het moe, toch heb ik het nodig. Elke avond die komkommer. Elke avond weer opnieuw.   Ik mag haar wel. In dit stadje waar iedereen slaapt, leeft zij alleen voor haar verlangen. Ze is een van die mensen die het alles of niets spelen. Daarom bied ik haar mijn diensten aan. Maandagochtend gebeurt het. Het meisje komt bij me aan de kassa. Zakje? Wanneer ze knikt, laat ik onopvallend een briefje in het plastiek glijden. Het wordt al snel bedolven onder komkommers. Dit staat er in het briefje:   IK KAN JE HELPEN KOM BIJ DE VOLGENDE WASSENDE MAAN OM MIDDERNACHT NAAR DE KROMME PADDENSTOEL OP HET VOETBALVELDJE   Natuurlijk is een boodschap als deze strikt geheim. Mysteries zijn broze dingen, je kunt ze niet genoeg beschermen. Daarom heb ik geen risico’s genomen: de letters staan in spiegelschrift. Maar dat ziet het kleinste kind. Dus heb ik de woorden geschreven in een zelfverzonnen codetaal. Het vraagt zo’n vier uur ontcijferingswerk (vijf uur voor tragere geesten). Ach wat, codes kraken kan iedereen. Dat besef ik goed genoeg. Daarom heb ik, gewoon om zeker te zijn, ook nog onzichtbare inkt gebruikt. Binnen drie dagen krijgen we een wassende maan. Ik ben er zeker van dat ze er zal zijn.   Het is woensdag. Boven me hangt de wassende maan. Binnen drie minuten is het middernacht. Het voetbalveldje: een graslapje dat elke maand keurig onderhouden wordt door gemeentewerkers. Vanwaar die ijver? denk ik vaak, het gras groeit toch altijd weer aan. Er is een hoekje, grenzend aan de muur van een parkeergarage, dat de ronkende gemeentemachines iedere keer weer over het hoofd zien. Daar staat een joekel van een vliegenzwam. Vermiljoenrood en een beetje krom. Nog anderhalve minuut voor twaalf. Wat zou mevrouw Haag er van zeggen als ze me hier zo zag zitten. In het donker en met weer een of ander krankzinnig plannetje. Bah. Nee, fatsoenlijke mensen (zoals zij) werken hun laatste restje strijk af voor de televisie, lijsten op facebook nog even alles op wat ze die dag gedaan hebben en gaan dan rond een deftig uur slapen. Twaalf. Ik wist het wel. Pientere meid. Daar is ze.   Ze glimlacht onwennig, terwijl ze op een effen plekje in het gras tegenover me gaat zitten. Haar bloemenjurk waait even op. Midden tussen ons staat de kromme paddenstoel. Het meisje vraagt me niet hoe of waarom. Ze voelt op de een of andere manier aan dat ik dingen zie. In plaats daarvan vraagt ze: ‘Hoe ga je me helpen?’ ‘Met een brouwsel.’ Aaaaaa. Wat kan ons geslacht genadeloos hoog gillen. Bevend wijst ze naar het achtbenige monster op mijn knie. Ontsnapt uit mijn broekzak, waarschijnlijk. ‘Het went,’ sus ik haar, ‘het went.’   Hoe brouw je een drank waarmee je het verlangen van een jongen opwekt? ‘Onmogelijk.’ zouden de meeste mensen in dit stadje met al hun dagelijkse wijsheid zeggen. Maar, hoe krampachtig we het ook proberen, we kunnen niet alles begrijpen.    Men neme een waterdichte ketel. Zij belt bij mevrouw Haag aan om een lofzang aan te heffen op haar buxus (doet het altijd). Ik sluip intussen via de achterdeur binnen in haar keuken. Men vulle de ketel met urine (twee liters) van de vrouw die voorwerp van het mannelijke verlangen wil worden. Ik zie dat het meisje fronst. Daar heb je het. De twijfel. ‘Luister, we hebben die urine nodig als bindmiddel voor de andere ingrediënten. Had je dan gedacht dat we een of andere godennectar gingen brouwen? Als het naar drek smaakt, is dat zijn probleem. Zolang het maar werkt.’ Zwijgend frunnikt ze aan een koordje van haar jurk. ‘Je begrijpt het nog niet helemaal, zie ik. Het is bij dit brouwsel van het grootste belang dat je niet begint te twijfelen. Anders verliest het zijn kracht.’ Ze zwijgt nog steeds, maar er vormen zich al kleine openingen in de rotsformatie van haar gezicht. ‘Er zijn altijd dagen dat je nergens moed voor hebt. Dat overkomt mij net zo goed als jou. Let goed op voor zo’n dag. Het kan alles doen mislukken. Als je moedeloosheid als een gas in alles probeert door te dringen, moet je ervoor zorgen dat ze van alle dingen niet bij het brouwsel kan.’  Ze knikt. Haar lokken wiegen lichtjes mee. ‘Wil je van die komkommers verlost zijn of niet?’ Ze knikt nogmaals. ‘Wel vooruit dan. Eens kijken of je nog wat in de tank hebt zitten.’   Men voege een dozijn verse aardbeien toe, fijngeplet met de blote voetzool. Men voege vier slijmklodders van een rochelende buurman toe. Men voege één kilogram ambergrijs toe. Men voege een levende duif toe en men warme het brouwsel op tot het kookt. Men voege twee eetlepels kaneelpoeder toe. Men voege vijf neuskeutels toe van de domste peuter in een omtrek van drie kilometer. Men voege een soeplepel verkruimelde hennepbloesem toe. Men voege een halve kilogram appelcake toe van de best bakkende oma in een omtrek van twee kilometer. Mijn spinnen blijken bijzonder veel sympathie voor het meisje te koesteren. Om de haverklap kruipen ze bij haar op schoot om gestreeld te worden. Eerst was die sympathie niet erg wederzijds. Toch merk ik dat ze meer en meer gecharmeerd raakt door hun zwarte kopjes. De spinnen laveren tegenwoordig ongestoord over haar gezicht. Een gunstig teken. Men voege een halve liter levertraan toe. Men voege zeven eetlepels vloeibare chocolade toe. Men stele de oudste wijn uit de dichtstbijzijnde wijnkelder en men voege een halve liter toe aan het brouwsel. Men voege vier steeltjes kruidnagel toe. Men voege zes regenwormen toe, in fijne stukjes gesneden. Men roere het brouwsel tot een dikke, goed kleverige vloeistof ontstaat. Wanneer het brouwsel klaar is, gaan we op zoek naar een proefpersoon. Voor die rol is niemand meer aangewezen dan Dikke Jacques. We sporen hem op, isoleren hem en persen een trechter in zijn bek. Glok glok glok. Het werkt! Trots kijken we toe hoe hij met weinig onschuldige intenties de voet van het meisje bespringt.   (Dikke Jacques is de prinselijke raskat van mevrouw Haag.)     Ik heb mijn doek uitgespreid en de stenen tevoorschijn gehaald. Het kan elk moment gaan gebeuren. Zo’n vijf kilometer verder in de stad. Nog een minuut en ze laat hem binnen via de voordeur. Leidt hem via de massieve betonnen trap naar haar kamertje op de eerste verdieping. Ik hou de stenen in de rozige schelp van mijn handen. Aarzel. Vanwaar die plotse spanning, vanwaar die onrust? Ik werp de stenen.   Geleidelijk pakt alles samen. Ik zie hoe ze binnengaan in haar kamertje. Zij houdt de deur voor hem open. ‘Ik hoop dat dit niet te lang gaat duren. Ik word nog ergens anders verwacht, weet je.’ Voor het eerst krijg ik hem te zien. Zijn huid is gemaakt van wolken, zijn kristalogen branden als toortsen. Nee, mijn vriendin heeft geen slechte smaak. Ze gaat op het eenpersoonsbed zitten. Wiebelt lichtjes op en neer. Hij slentert door het vertrek, handen in de zij, kijkt wat rond. Nu moet ze vragen: ‘Wil je misschien iets drinken?’. In plaats daarvan zegt ze: ‘Oh sorry, dat wist ik niet.’ Hulpeloos kijkt ze hem aan. Zijn blik dwaalt door de lege kamer en door zijn ogen ziet zij plotseling alles: de naakte wanden, de filmposters en de knusse meubeltjes die er niet zijn, haar kaalheid van de laatste jaren. Beschaamd hoopt ze dat hij de nog vochtige komkommer op haar nachtkastje niet opmerkt. Zijn gebeeldhouwde gezicht betrekt. De ogen staren naar de rand van haar bureau. Daar staat het glas met het blubberende snotgroene brouwsel.   Morgen breng ik de ketel terug bij mevrouw Haag.    

Paul Fuhrmann
3 0

Harmony Gold (slot)

    Toen ik op een dag Veuve Clicquot leverde had ze me in het kruis getast, was er geen loskomen meer aan, lag ze na zeven geuten van de warmste lava uit te hijgen die Sappige Siska, van alle ‘misère humaine‘ die ze uit me gekregen had. Zij was ingedommeld en ik was gaan lopen met een zak gouden boudewijns.   Als relikwieën verzamelde hij ze en het meeste kreeg ie van Didier D., die erachter gekomen was dat een Brugse gek de fameuze opname in handen gekregen had. Hij had veel. De zieke pentekeningen van Michel Nihoul, kreupel prinselijk zaad in potjes, opgedroogd maar de mankementen waren onder een microscoop nog altijd duidelijk zichtbaar. En kopijen van louche contracten, aangaande Eurosystems, Ghelamco, Blaton, een koffer met aandelen van Harmony Gold Mining, zwijggeld van De Pauw.   Ook het dagboek van Andras Pandy, de collectie sodomistische dia’s van Benoît de Bonvoisin, het touw van Paul Latinus, een mes van de beul van Berlare en het pistool waarmee hij omgelegd was André Cools. Een zootje was het bij Justitie en met goud, met aandelen aan toonder kon een verzamelaar er toen best veel kopen.   Ignace had de meest waanzinnige verzameling, in zijn appartement boven de Delhaize en hij was die middag met de Daf nog eens gestopt bij de Lunch Garden in Jabbeke, had er van Tuna een koffie gekregen die nog zwarter was dan de haaientanden die ze aan een koordje rond haar nek gedragen had, die eerste nacht toen zij de verse kuit gevangen had, Kiss weerklonk, Sehnsucht van Rammstein, zij hem van de meeste pijn verloste, hij met losse tong ging meezingen, gelikt had aan de weke poorten van de onderwereld.   Zijn gsm ging af. De ringtone 'Ground control to Major Tom' weerklonk in het restaurant. Het was Fraeyman die hem uitgerekend nu opbelde, net nu hij Tuna wilde uitnodigen om op zijn appartement ibbele gedichten, bizarre dagboeken te lezen, dia’s te bekijken, moordrekwisieten en andere zottigheden te bepotelen.   “Dat het deze keer goed fout gelopen was in de Harmonie, dat er een echte kogel in de trommel gezeten had, dat een Zweedse kok die door het hoofd gekregen had, zijn vrouw hysterisch en poedelnaakt thuisgekomen was, dat hij Ignace, de rex belgarum omnipotens, haar moest komen kalmeren,” klonk het door de oude Nokia.   “Die is helemaal zot geworden”, zei Ignace tegen Tuna, terwijl hij zijn hand op het toestel hield. Daarna sprak hij tot Fraeyman"die rex huppeldepup geen heiland was, dat ie maar moest voorlezen uit Macbeth, ze dan wel rustig zou worden en alles begrijpen zou.”   “Macbeth?”, glimlachte Tuna en ze trokken naar Igance’ appartement, die tweede septemberdinsdag in het tweede jaar van het nieuwe millenium. Een gloed bekroop hen daar, vanuit de onderste ledematen. Wereldvreemd, bovenaards was dat gevoel en het werkte allebehalve verlammend.    Intussen zaten ze muisstil, de andere stervelingen dezer planeet, gekluisterd aan hun schermpjes. Monotone helikopterbeelden. Ignace' hoofd lag na een tijdje op haar schoot in dartel zonlicht en straks kwam er nog een knal, deinden partikels uit. Greyish dust, and silence doomed.         'Staub und Sensucht', laatste deel van het kortverhaal 'Harmony Gold' uit de reeks 'Ignace Somers'

Bernd Vanderbilt
17 0

Harmony Gold (4)

    Didier D. dreef het liefst op Mort Subite en echt veel keuze was er niet in De Harmonie. Voor één ‘gouden boudewijn’ kreeg men ofwel één bak Tuborg, twaalf flesjes Mort Subite, acht flesjes Guinness, één fles Eristoff of één fles Veuve Clicquot.   Bellens was de goorste van allen met zijn mélange ‘Veuve Tuborg’. Later zou hij één van zijn patiënten, Leon Bosteels van de gelijknamige brouwerij te Buggenhout op het idee brengen om een soortgelijke snobbendrek te gaan verkopen onder de naam ‘Deus, Brut des Flanders', waarmee Bosteels allicht Bellens bedoelde, de peetvader van dit sprankelende kutbier.   Ook wat het vrouwendom betrof, was alles op twee handen te tellen. Fraeymans nymfomane vrouw, Marie Fiton, kwam regelmatig en ze bleef al die jaren het afkeurende gepalaver van haar man in de wind slaan. Dr. Bellens bracht soms Christaline mee, zijn vrouw, die tijdens haar jaren aan de unief ook niet vies geweest was van wat experimenten, en verder waren er de vaste dienstmeisjes, tien tietjes en evenveel gewillige billen afkomstig uit Patpong en Kinshasa.   Eén maal per jaar was er een Georgisch feestje, steevast de tweede dinsdagavond van september. We schrijven in het jaar 1997 en rond elven waren door drankenhandel Van Maele twee extra bakken Mort Subite en één doos Eristoff meer geleverd dan op ordinaire dinsdagen. Ignace zette alles achteraan in de berging en trok, toen ie naar de Daf terugstapte, een oogje naar één van die zwarte bronnen van genot, die prompt een middelvinger naar hem opstak.   Helaas, een levende fooi heb ik daar nooit mogen ontvangen. ‘Het betere vlees komt niet zomaar aangewaaid’. Woorden van nonkel Florimond, de noodslachter uit Loppem.   Zoals dat hoort, werd er rijkelijk getoast op de Georgische party. dEUS’ Ideal Crash weerklonk er niet want het was God’s Lonely Cock Combo die er live voor de gepaste sfeermuziek zorgde en Bellens zat aan de toog tegen Didier te stoefen dat ie het in een reeks love games afgemaakt had, enkele uren daarvoor in de Royal, daar in ’t Zoete.   Sandrina was zeventien, geboren op Cuba. Al bij de eerste slag was er een snaar gesprongen in haar Donnayraket maar het kwam goed. Ze hadden samen gedoucht, pickle chips gegeten in de chique kantine en waren na een wandelingetje op den dijk naar Oostkerke afgezakt.   “Dat ge zeker welkom zijt in de d’ Harmonie, gij vers pralientje”, had Didier haar in het oor gefluisterd, waarna ze in zijn ballen had geknepen en na wat gepaar en parelhoenderdoenerij was het tijd geworden voor de Russische roulette met die ene, zij het rubberen kogel. De revolver was van Didier, die toonde hoe men het ding tegen het wandbeen moest houden (niet tegen de slaap) en dat er dan niet veel kon gebeuren. Hoogstens een blauwe plek, of wat bloed als de huid scheurde. In het slechtste geval waren drie hechtingen nodig.   Het was Marie die geluk had, de rubberen kogel amper voelde en niemand die misselijk werd van het beetje bloed. Zij had hem gewonnen de fles. Eristoff, waar ze zo verzot op was en bracht een toast uit op haar man, die thuis op een ladder stond, in zijn Macbethtenu, het evenwicht verloor toen hij de Maagd ging afstoffen.         ‘A toast on God’s cock and Mary’s luck’, deel 4 van het kortverhaal ‘Harmony Gold’ uit de reeks ‘Ignace Somers’

Bernd Vanderbilt
4 0

Harmony Gold (3)

    Wat die fameuze geluidsopname betreft: Fraeyman mag blij zijn dat hij ze zelf niet meer heeft, dat ie nog leeft. Een geluk voor hem -ook voor mij- dat Didier D. in april '99 omgelegd was, tijdens een slecht afgelopen wapendeal, toen hij in beslag genomen spul had proberen te verkopen en bij de overdracht een kogel midden in het voorhoofd gekregen had, naar ik heb gehoord.   Deze zaak wordt ook in verband gebracht met Karel V., de beul van Berlare, en zijn rechtse kompanen. Wapenhandel, aandelenzwendel, het illegaal storten van asbest en nog meer kwaadaardigs; daar hielden die gasten zich mee bezig.   Op een bezopen nacht waren ze ook eens naar De Harmonie afgezakt en begonnen daar abonimabel veel kleverige sporen achter te laten, net zoals de Saksen-Coburgs dat in de negentiende eeuw deden, toen regelmatig in naburige hertogsdommen de slaapvertrekken van adellijke deernen binnendrongen. Het besef was meer en meer beginnen doorsijpelen dat hun geslacht dreigde uit te sterven wegens erfelijke impotentie en in dronken toestand waren ze niet meer te houden.    “Assez is genoeg! Gaat elders votre terrain afbakenen”, had ze gekeeld. Sappige Siska had één van die gasten bij zijn slappe loop gegrepen en gedreigd het vlezige kleinood nog verder te minimaliseren.    Wat verder geen geheim hoeft te blijven is dat er in De Harmonie enkel met gouden herdenkingsmunten betaald kon worden, meer precies die voor het vijfentwintigjarig jubileum van Boudewijn I als vorst onzer contreien. Vijfhonderdachttienduizend honderdzeventachtig waren er geslagen in 1976. Ze wegen 6,45 gr en zijn ooit verkocht geworden aan 2000 frank het stuk.   Sappige Siska accepteerde enkel dat, geen franken van het volk, ook geen Zwitserse, geen dollars en zeker geen cheques, ziet-da-van-ier. Het was dr. Bellens die steeds Tuborg met Veuve-Clicquot mengde en nadat hij enkele glazen van zijn gore mengsel achterover geslagen had, begon ie altijd weer te zagen.   Dat zijn gouden 20 franken voor ‘de 150ste verjaring der Belgische onafhankelijkheid‘ veel meer waard waren dan die van dat vijfentwintigjarig jubileum. De zijne mochten dan wel precies evenveel wegen, maar ze waren veel zeldzamer, bleef ie volhouden en hij probeerde altijd weer wat extra’s los te peuteren bij Siska, die nooit toegaf.   “Six virgul quarante cinq grams is zes komma vijfenveertig gram. Cette égalité est à respecter par tous les joueurs, par n’importe quel participant aux jeux érotiques et n’importe la couleur de ses couilles", waarmee ze de discussie afsloot.         ‘'Assez is genoeg’, deel 3 van het kortverhaal ‘Harmony Gold’ uit de reeks ‘Ignace Somers’

Bernd Vanderbilt
2 0

Harmony Gold (2)

    Begin september, in het tweede jaar van het nieuwe millenium, had ik weer een gewone afspraak. Er zou geen hartstochtelijke sessie plaatsvinden waarvan ik eens echt opkikkerde.   dr. Thomas Fraeyman – zenuwarts, vermeldden letters op zijn voordeur en sinds de dood van zijn yorkshire terrier had ie zich volledig op zijn werk gestort. Op het bord achter hem stonden spreuken:   'Mere goodness can achieve little against the power of nature' 'If you want to love you must serve, if you want freedom you must die'   Ignace was toegetakeld, probeerde met het oog dat opengebleven was, Fraeymans quatsch te lezen.  “Hegel, evenwicht, harmonie", begon Fraeyman, veel te luid en moeilijk te doen in Ignace’s ogen.   Het was een blauw dat al geler werd, en dar "hij toch een krak was in het incasseren", zo ging Fraeyman verder terwijl ie water inschonk, Ignace een aspirientje gaf. Tien dagen lang had ie yoghurt en overrijpe bananen zitten eten, na dat bezoek aan die Lunch Garden.   De donkere bessen waren van het meisje dat mijn vidée volgeschept had, over had doen lopen van glibberige saus en gezwollen champignons. Haar blik had me niet meer losgelaten en het was die pummel, die kok, verslaafd allicht, aan designer drugs, een Zweed wellicht, die zomaar geknepen had, in haar kont, als een cyclist die fier de Gandaham bepotelt die hij pas gewonnen heeft.   Ignace was op hem toegestapt, had de vidée met vol-au-vent op zijn kop uitgekieperd. Koekenbak! Die gast, hij droeg een joekel van een trouwring. Een echt die sporen naliet en het meisje glimlachte mild, wreef het bloed wat af; de schoteldoek was hard.   “Dank je, meistje”, had Ignace nog gezegd met het grimas als van een kind dat wat lambiek gedronken had. “Tuna”, zei ze, “met een ‘oe’ zoals een uil het zeggen zou”, en hij was buiten lang op het plankier blijven zitten, had haar naar huis gevoerd, waar het Jupilershirtje gescheurd was en zij een gillettemes had bovengehaald.   De Daf A1100 was ongelost voor Tuna’s kraakpand blijven staan en de bakken Tuborg, Guinness en Mort Subite voor d' Harmonie in Oostkerke bleven ongeleverd. Hij zou het wel kunnen uitleggen aan vader Van Maele.   Dat ie had moeten uitwijken voor een zotte roze zeug, dat ie daardoor urenlang vastgezeten had in een slijmerig moeras en dat de Daf er met de beste wil van de wereld niet uit te krijgen was, dat er niets te beginnen was tegen de zuigkracht van moeder natuur.         'Lunch Garden sucks', deel 2 van het kortverhaal 'Harmony Gold' uit de reeks 'Ignace Somers'

Bernd Vanderbilt
2 0

Si vis passum, para bellum

  Toen ik mijn ogen open kreeg, begon ik met een nieuwsgierige blik rond te kijken. Ik lag midden in de woestijn, omringd door kleine stukjes gras die het overleefd hadden tussen de overheersende droogte. Aan de verre horizon lag er een immens gebergte dat de rechterkant van de horizon volledig inpalmde, met hier en daar een rotsformatie die zo onnatuurlijk leek dat het te vergelijken was met een handgemaakt kunstwerk. Na een moment genoten te hebben van het prachtige uitzicht probeerde ik mijzelf weer overeind te krabbelen, wat mijn lichaam duidelijk niet wilde.Een paar hopeloze pogingen later stond ik weer iets of wat onstabiel maar recht. Ik had een enorme dorst en honger maar hier iets vinden zou een bijna onmogelijke prestatie zijn, mijn beste hoop was om de wegen te volgen die rond en naar de bergen liepen. De zonnen gloeiden ferm heet en ik voelde mijn lichaamstemperatuur met de minuut verhogen, gelukkig was er een van de zonnen bijna verdwenen achter de bergen. Ik besloot dus om te schuilen onder een half verwelkte boom tot dat de zon onder ging. Het zou veel gemakkelijker zijn om zo de weg op te gaan. De weg leek eindeloos kilometers, die zo te zien nergens naartoe leidden.Waar ik zou belanden was voor mij een raadsel maar het was mijn enige hoop. Toen de eerste zon onder ging en de temperatuur daalde, begon ik zo snel mogelijk te stappen richting de bergen. Ik had al snel door dat ik de nacht buiten zou doorbrengen zonder beschut of beschermd te zijn van de wilde dieren die dit dorre gebergte hun thuis noemden.Toen uiteindelijk de nacht viel leek deze plaats tot leven te komen langs alle kanten begon ik beweging te horen, wat niet alleen de wind was die het dorre gewas streelde maar een stampend geluid. Toen ik besefte dat ik niet alleen was besloot ik om op de dichtstbijzijnde rotsformatie te kruipen en proberen om wat slaap te vatten, ik zou de energie wel kunnen gebruiken en ik dacht dat ik wel hoog genoeg lag om eventuele roofdieren te kunnen ontwijken. De volgende dag ging ik weer op pad met een ferm verzwakt en uitgedroogd lichaam, mijn handen begonnen te trillen en mijn lippen begonnen te zweren. Deze keer had ik de kans niet om te wachten dat de eerste zon onderging dus bij het allereerste daglicht ben ik vertrokken. Ik moest kost wat het kost doen om door te gaan, opgeven was geen optie. Na een hete en verwoestende ochtend stappen zag ik in de verte wat leek op een mens en een paard. Ik vergat alle negatieve gedachten en begon te lopen en te schreeuwen zodat deze persoon me zou opmerken. Het baatte niet de schaduw verdween weer even snel als hij tevoorschijn gekomen was.Er was een enorme doorgang tussenin de bergen door, die uitmondde op een heuse marmeren poort. Op het eerste zicht kon ik er een wolven, vossen en leeuwen hoofd op zien die waren opgevuld met prachtige ornamenten en daaronder de tekst “SI vis passum, para bellum”Duidelijk met de hand gemaakt was dit nog eens het bewijs dat er leven was rondom mij, maar waar moest ik gaan zoeken?Ik probeerde rondom de poort de berg op te klimmen maar het had geen nut, de wanden waren te stijl en de ornamenten in de poort waren niet diep genoeg om de poort zelf te beklauteren. Teleurgesteld en met verminderde capaciteiten besloot ik om hier te wachten op iemand die door de poort moest gaan. Ik maakte een deftig plekje vrij tussen de rotsen en staarde naar de felblauwe hemel met af en toe een paar overheersende wolken die mij stilletjes in slaap wiegden.Na wat een goede droom was kwam ik weer bij in een niet al te aangenaam strooien bed dat bedekt was met een dun laken. De muren waren van steen en er was bijna geen decoratie, behalve dan het ene rek dat vol stond met boeken juist naast de deur. Naast het bed lag er een plateau met fruit op en ernaast een kom water met een glas.Waar was ik in godsnaam beland? Niet lang later kwam er een beeldschone vrouw in de kamer, ze was blond had een slanke vorm en prachtige bruine ogen met gele stippen erin. ”Ah je bent wakker” zij ze. “Je lag al een paar dagen te slapen, ik had bijna de hoop opgegeven dat je nog wakker werd, mijn broer heeft je gevonden naast de eeuwige poort en probeerde je wakker te maken.Toen dit niet lukte heeft hij je ingeladen in zijn kar en heeft je naar hier gebracht”. Ik bedankte de vrouw om mij te verzorgen nam mijn spullen bij de hand, maar op het moment dat ik wilde vertrekken vroeg ze mij aan tafel. ”kom” zei ze “ik heb juist het avondeten klaargemaakt ik zal er een bord bij zetten zodat je wat kan eten”. De heerlijke geur trok mij zo naar de keuken ze zette de borden op tafel en schonk mij een groot glas wijn in. Ik begon te eten alsof mijn leven ervan af hing, het eten was heerlijk.Na deze prachtige maaltijd stelde ze haar voor. “Ik ben Linwé wat is jouw naam?”, “surion” antwoordde ik volgend met “waar ben ik eigenlijk? Toen ik buiten liep was er geen kat te bespeuren en toch ben ik op een of andere manier hier geland?”. ”je bent hier in Highmere gelegen in Aelholt, we zijn een van de enige dorpen die de grote droogte overleefd hebben dat is ook de reden dat we je gevonden hebben. Mijn broer gaat altijd jagen in de woestijn sinds mijn vader zijn gezondheid zwakker aan het worden is. Tijdens de nacht komen de meeste dieren uit hun verstopplaats sinds het overdag veel te warm is. Tijdens zijn vorige jachtpartij was hij een wild hert naar de poort aan het leiden zo is hij jou tegengekomen en heeft hij je gered". Toen verlangde ze om te weten, “van waar ben je eigenlijk?". ”ik ben van Buschwyk in Aelwinn ik moest van de dorps oudste naar Sinai gaan, maar ik herinner mij dat ik uit het dorp vertrok en dan plots weer bewust werd in het midden van de woestijn”. “We zullen morgen eens naar Falco gaan mijn vader hij is onze dorps oudste die zal je misschien de juiste kant kunnen aanwijzen om in Sinai te raken”. "Ik heb wel een lange dag achter de rug dus ik ga nu lekker in mijn bedje gaan liggen.Ik zou je zeker aanraden om eens het dorp te gaan verkennen".Linwé haar huis lag volledig op de buiten omringd door prachtig vruchtbaar land, waarschijnlijk dat deze van haar familie waren. Ik kon een beetje verder licht zien dus ging op stap.In het dorp zelf was het prachtig overal was er groen en water. Met enorme irrigatiesystemen hadden ze het water van de weinige waterbronnen over het hele dorp verspreid. Je kon perfect zien waar het dorp eindigde, een paar meters verder was het land compleet uitgestorven. Er waren niet veel huizen maar elk huis was prachtig gebouwd met volle stenen die leken uit een rivier genomen te zijn, de ramen waren overdekt met witte houten panelen en de daken waren opvallend plat met speciale systemen ingebouwd voor de zo bijzondere regenbuien op te kunnen vangen. Na een deftige wandeling besloot ik om terug te gaan naar Linwé haar huis, nam een boek en begon te lezen tot ik weer in slaap viel. De volgende dag was ze al druk bezig in de weide om samen met haar broer het land te bewerken, ze had ontbijt klaargelegd met een klein briefje ernaast. “Neem wat krachten op en kom u dan bij mij vervoegen, ik heb nog iets wat ik je zou willen tonen.”Ik had geen tijd om alles deftig op te eten of Linwé kwam al binnen. “Kom ik zou je aan een speciaal familielid van mij willen voorstellen, pas wel op het is een speciaal geval.”Ik verliet het huis na Linwé en we gingen via de zijkant naar de achterkant van de woning. “Ik wil je aan Pegasus voorstellen.”Ze trok de deur van de stal open en daar was hij, een trots gevleugeld paard, met een perfect zwarte vacht en bloedrooie ogen. Het keek me aan met veel onrust, toen we dichter kwamen kon Linwé het paard op zijn gemak stellen.“Ik heb hem ooit gevonden niet ver buiten het dorp en sindsdien hebben we al heel wat meegemaakt samen. Hij heeft het niet zo voor vreemde personen”, zij ze tegen me. Ik keek het aan met deels bewondering en deels ongeloof, het hield elke beweging dat ik deed in de gaten. Pas toen linwé naar mij kwam om mijn hand te nemen begon hij zich op zijn gemak te voelen. Ik kwam voorzichtig dichter en dichter tot ik op armlengte was van het beest, en begon hem langzaam te strelen. Je zag dat hij ervan aan het genieten was, we klommen op zijn rug en waren klaar om de lucht in te gaan. Het was gelukkig een prachtige droge dag en de koele wind die om ons heen vlamde gaf een heerlijk gevoel. Beneden stond haar broer te wuiven naar ons met een brede glimlach tot we zo hoog kwamen dat we met moeite nog de grond zagen, we zaten in en boven de wolken het was ongelooflijk de snelheid en de hoogte gaven een perfect gevoel van vrijheid. Tot we ineens naar beneden tolden, ik werd van het paard gesmeten en dit gevoel van onsterfelijkheid werd heel snel vervangen door pure angst en adrenaline.Een opgekropte keel zorgden ervoor dat ik niets kon roepen. Na een paar honderden meters al slingerend door de lucht, zag ik ineens Linwé en pegasus in een duikvlucht langs mij om komen, je kon van Linwé haar gezicht aflezen dat ze aan het genieten was. Waarschijnlijk was ik niet de eerste persoon die dit meegemaakt had. Toen Pegasus een draaibeweging maakte en onder mij kwam te vliegen en Ik landde mooi op dezelfde plaats waar ik van gevallen was, de adrenaline begon stilaan weer weg te vloeien uit mijn verkrampte lichaam.Zo kon ik weer beginnen te genieten van deze unieke vlucht. We kwamen boven een dal terecht dat nog vulkanische activiteit bevatte, je kon de gassen uit de grond zien komen. In het midden van dit dal stond een klein huisje we begonnen te dalen en landden voor de deur. Redelijk opgelucht dat ik weer met beide voeten op de grond stond nam ik een diepe adem en het laatste beetje adrenaline verdween volledig uit mijn lichaam.“Dit is het huis van mijn vader, Falco, onze dorp's oudste."Zonder te wachten ging linwé naar binnen, we kwamen in een klein maar eigenaardig ingericht huisje terecht. Overal waren de rode muren gedecoreerd met schedels die met goud afgewerkt waren, in het midden was er een perfecte cirkel gemaakt uit kussens met daartussen een verwarmingsketel die eruitzag als een eeuwenoud roestende toestel dat al jaren buiten in de regen stond. Daar stond hij dan Falco op een kussen met zijn eigen te praten of het leek er sterk op, Linwé gebaarde mij direct om stil te blijven en te wachten tot hij uit zijn trance zou komen. Na een paar momenten kwam hij weer bij. “Dag Linwé eindelijk kom je eens langs, wie is deze jongeman?” Zei hij met een argwanende blik. ”Dit is Surion, we hebben hem gevonden in het midden van de woestijn, hij was op doortocht naar Sinai maar is onderweg volledig verloren geraakt." “ Sinai” mompelde hij en keek me aan alsof ik volledig zot was.“Wat zou je daar willen zoeken Surion?”, “ Ik ben gezonden door de dorps oudste van bushwyk hij zei dat ik dringend een bericht moest afleveren aan de koning, Maar toen ik het dorp verliet, raakte ik op een of andere manier bewusteloos en werd wakker in het midden van de woestijn op een plek die ik niet herkende”. Waarop linwé toevoegde “dat is de reden dat ik hem naar hier gebracht heb, in de hoop dat je ons wat verder zou kunnen helpen”. Falco; keek ons denkend aan tot hij ons aanwees om te gaan zitten op de kussens. We kregen elk wat te drinken en dan begon hij de conversatie weer “De oude stad van sinai is niet zo makkelijk bereikbaar, wat ik wel weet is dat er bepaalde ingangen zijn. De ene ingang is beter bereikbaar dan de andere maar ik heb geen idee hoe of waar deze te vinden zijn. Ik zal de geesten om hulp vragen." “De geesten?” vroeg ik.“Ja” zei falco, “ik zal jullie wel vragen om complete stilte en wat er ook gebeurt om niet tussenbeide te komen. Na dit gezegd te hebben nam Falco de kleermakerszit aan, spreidde zijn vingers en plaatste deze voor zijn lichaam ter hoogte van zijn schouders. Hij begon stil te neuriën en onverstaanbare woorden uit te brabbellen tot zijn ogen volledig wit werden. Hij begon met iemand te praten, Tot er ineens een druk kwam op zijn nek alsof iemand hem aan het wurgen was, je kon letterlijk de druk rond zijn keel zien. Hij begon te roepen en te schreeuwen, rollend over de vloer stampend tegen de kasten en hysterisch hijgend naar adem begon hij stilletjes de overhand te krijgen.Toen hij weer bij bewustzijn was keek hij me aan en zij met een angstige stem, “de geesten willen persoonlijk met jou in contact komen.” Hij begon een drank te brouwen, die mij zou helpen om de grens tussen de twee werelden te overschrijden.Ik hoopte gewoon dat de smaak beter zou zijn dan de walmende geur die het volledige huis aan het overnemen was, het leek of er vissen opgelegd waren in de zon en dat ze daar weken hadden gelegen, de geur was ongelooflijk degoutant. Toen het drankje af was kwam Falco naar mij “eerst en vooral leg je op je zij met een kussen onder je hoofd, moest je overgeven zou je anders stikken, en eens je tussen de werelden hangt kan elke aanraking een heus onbalans maken dat ervoor zou zorgen dat je niet terug zou kunnen komen, ben je zeker van je keuze?”, “we gaan ervoor” zij ik en ik dronk het drankje op. In eerste instantie voelde ik niks behalve die rotte smaak die door mijn keel liep, ik voelde hoe het zijn baan maakte naar mijn maag en daar ineens een stekend gevoel gaf als een zwaard recht in mijn maag, dit gevoel kwam stilletjes naar mijn hoofd en ik begon lichtjes te hallucineren. Na een paar minuten gingen alle lichten uit, ik was nog bewust maar kon niks meer bewegen of zien, ik was bijna volledig verlamd en schijnend blind. Toen ik het gevoel kreeg dat mijn voeten nat aan het worden waren begon ik weer stilletjes aan mijn zicht terug te krijgen. Ik zat midden in een moeras en was tot aan mijn enkels in het water, het was ijskoud je kon de dood zo horen langskomen toen de windvlagen opkwamen.Ik ging rechtdoor op iets wat leek als een pad, de volle maan verlichtte alles zo goed dat het nog angstaanjagender was, de verwelkte bomen en de kapotte struiken die met de wind mee een akelig geluid maakten.Ik voelde mij als een prooi in de gaten gehouden en elke stap die ik nam was dan ook harder en harder, mijn benen begonnen te trillen. Ik voelde mijn hart zo hard tekeer gaan dat ik dacht dat het gewoon uit mijn lichaam zou springen en weglopen. De weg die ik nam, kwam uit op een rechthoekig plein volgestrooid met oude beenderen die leken alsof ze afkomstig waren van dier als mens, de beenderen waren zo verspreid dat het natuurlijke aspect ervan bijna niet meer bestond. Ik was in het hol beland van een of ander beest dat kon niet anders.Ik had nog geen tijd om rechtsomkeer te maken dat er een zwarte schaduw rond mij begon te cirkelen sneller en sneller wat wel leek op een orkaan beweging plots wijkte het af nam een beetje hoogte en stortte zich in de grond juist voor mijn ogen. Verstijfd van de angst zag ik een gedaante groeien, een groene schijn omhulde een prachtig maar angstaanjagende vrouwenlichaam, de rode ogen keken me aan en hielden me in de gaten, haar lange haren vielen bijna tot aan de grond met haar rechterknie opgetrokken in een soort van vechtpositie hoorde ik haar fluisteren. “Eindelijk ontmoet ik de schepper van het equilibrium mijn naam is Ares”, in shock keek ik haar aan, de wind begon op te komen, ik kon het niet meer houden en werd omvergestoten, kwam oog in oog met een gouden schedel, zijn ogen begonnen te gloeien en de lichtstraal die uitkwam ging via mijn mond recht mijn lichaam in. Ik voelde een enorme energiestoot mijn lichaam overnemen en begon te zweven, volledig in paniek keek ik Ares aan en ze reikte haar hand uit naar mij. Toen ik haar hand vastnam begonnen al mijn aders op te zwellen, wat begon bij mijn hand kwam snel over mijn hele lichaam terecht, ik was volledig bedekt met donkerblauwe strepen waar mijn aders waren. Ineens spatte Ares uiteen in honderden kleinere schaduwen toen ik een hysterisch geschreeuw hoorde, “volg het licht, en je zal je duistere kant vervolledigen, het equilibrium moet hersteld worden voor het te laat is”. De schaduwen begonnen weer rondom mij te draaien als een wervelwind.Smeten mij in de lucht en …   "Hij is weer wakker” hoorde ik Linwé roepen, “wat heb je gezien heeft het je geholpen?” tot Falco tussenbeide kwam en verklaarde dat ik deze informatie beter voor mij hield, sommige dingen moeten niet geweten zijn.“Maar...” opperde Linwé, Falco keek haar aan en knikte afkeurend. “dan we gaan naar huis het begint laat te worden en pegasus zal ongeduldig worden als hij te lang vastgebonden blijft aan die boom”.Zo gingen we door maar ik kon niet genieten van de terugvlucht, wat bedoelde Ares met het licht volgen? En mijn duistere kant ontmoeten? Voor zover ik weet had ik nog nooit iemand bewust pijn doen leiden, na een deftig avondmaal konden we beide niet slapen. Toen Linwé vroeg of ik geen wandeling met haar wou maken, er was namens een plek dat ze absoluut wou dat ik bezocht.Het was de plek waar ze pegasus gevonden had. Onderweg begonnen we over alles en niks te praten, tot de conversatie een droevige draai aannam toen ze over haar ouders begon te praten. “Mijn ouders zijn omgekomen aan de eeuwig durende familie vloek, sinds meerdere generaties word mijn familie geteisterd door bizarre verdwijningen. Ze zijn op mijn tiende verjaardag gaan jagen en zijn nooit teruggekeerd. Ze zijn nooit teruggevonden en niemand weet waar ze naartoe zijn gegaan, en sinds dat deze vloek op de hele familie rust verwacht ik dat er ooit iets met mij zal gebeuren en ik zal verdwijnen. De meeste mensen in het dorp geven het niet toe maar zijn bang van mij, bang dat als ze te dicht bij mij komen dat ze ook zullen verdwijnen. Daarom zijn mijn broer en ik zo hecht omdat we hetzelfde lot moeten ondergaan, een eenzaam lot”. Nadat ik haar wat geruststelde kwamen we aan de rand van het dorp. Na haar gedachten weer in het positieve getrokken te hebben begonnen we weer rustig door te stappen, en gewoon te genieten van de wandeltocht tot ik ineens een zacht geluid van vallend water hoorde in de verte. “Dit is het” zei ze, met elke stap nam het geluid aan. Het begon alsmaar meer op een waterval te lijken. Toen we dicht genoeg waren kon ik zien dat ze me naar een kleine oase gebracht had midden in de woestijn er was een kleine vijver met stromend water dat van uit de rotsen kwam, met een paar bomen en omringd door wild begroei. “Hier heb ik pegasus gevonden, kort nadat mijn ouders verdwenen waren ben ik weggelopen uit het dorp, ik ben toen per ongeluk hier geland en zag hem gewond en uitgedroogd in het zand liggen net buiten bereik van de oase. Ik heb hem toen geholpen en meegenomen naar huis om te verzorgen.Nadat ik hem opgelapt had wou ik hem vrijlaten maar hij wilde niet meer weg. Pegasus heeft mij grotendeels geholpen in het verwerken wat er met mijn ouders gebeurd is, en is nu een van mijn belangrijkste vrienden na mijn broer. Zet je op je gemak ik heb in de loop van de jaren een paar stoelen gemaakt van de rotsen die hier lagen, een hoopje blaren en een steen is comfortabeler dan een stoel in mijn eigen huis.” Met een achtergrondgeluid naar de sterren kijken zonder enige haast of problemen was een ongelooflijke ervaring die ik nog nooit had meegemaakt.Op dat moment verdween alles het enige dat nog bestond was de oase en de inzittenden. We maakten er het beste van en het voelde alsof we elkaar al jaren kenden, ineens kwam er vanuit de bergen een lichtflits, maar even snel als hij tevoorschijn kwam, was hij dan ook weer verdwenen. ”Ik zie deze flits regelmatig” zei linwé, ik heb er in de tijd nog over gesproken met Mijn vader en hij heeft mij gezegd dat hij dit al eens onderzocht had maar er nooit een antwoord op heeft gevonden. Hij voegde er wel bij om nooit zelf te gaan kijken dat het een heel gevaarlijke plek was en toen bijna om het leven kwam. Toen we bijna in slaap vielen besloot ik dat het misschien beter was om weer naar huis te gaan, het was hier tenslotte onmogelijk om de hele nacht te blijven in de vriezende kou. Thuis wensten we elkaar een goede nacht en gingen gaan slapen. De volgende dag zat Linwé's broer ook aan tafel, hij reikte direct de hand uit en stelde zich voor als Amras, “Ik Hoop dat je je al beter voelt, toen ik je gevonden had, zag je er echt belabberd uit. Gelukkig heeft Linwé magische handen als het om verzorging gaat, zet je aan tafel het ontbijt staat al klaar. Ik heb een kaart meegenomen om je te helpen in je opdracht, Linwé heeft er mij daarnet alles over verteld”. En We komen mee, hoe meer zielen hoe meer vreugde en wie weet kan het nog interessant worden. Na een tijdje te twijfelen dacht ik wel dat dit nog een gouden kans was alleen zou het een heel lange tocht worden. Die avond begonnen de voorbereidingen er heerste een overheersende vreugde, het verlangen naar het onbekende maakte ons iets angstig, Maar de angst werd dan snel bedaard door nieuwsgierigheid. Nadat al onze spullen klaar stonden gingen we slapen, ik heb de hele nacht liggen woekeren in mijn bed misschien was het anticipatie of gewoon de slapeloosheid maar ik lag de hele nacht te piekeren over alles en niets. Al denkend viel ik in slaap en toen ik mijn ogen open deed was iedereen al druk in de weer. Amras liep rond als een kip zonder kop terwijl linwé alles aan het voorbereiden was op deze korte reis. Toen we vertrokken waren de zonnen op zijn hoogst. “Volgens deze kaart” sprak Amras “zouden we richting de grote poort moeten lopen, nu om deze open te krijgen zullen we op die plek moeten wachten tot een van de wachters er is en hopelijk zal deze ons door laten”. Met een rugzak die groter was dan hem had Amras moeite om ons te volgen. Het duurde niet lang of het zweet begon uit te breken, zijn gezicht werd zo rood als een tomaat en zijn enkels leken het te kunnen begeven op elk moment. Te trots om iets te zeggen besloten linwé en ik om een pauze te nemen om zo stiekem hem het leven wat lichter te maken. We vonden een kleine boom met wat schaduw om te kunnen rusten. Linwé begon direct weer over de droom die ik had. “Zeg nu wat heb je nu eindelijk gezien? Je zag er verslagen uit toen je terugkwam”. “Wel” vertelde ik, en vertelde toen de volledige droom in detail Amras en Linwé staarden naar mij met weide ogen, hangend aan elk woord dat uit mijn mond kwam. Na wat genoten te hebben van de rust moesten we stilaan weer op pad gaan, zo gezegd zo gedaan we namen onze spullen op en vertrokken weer. Amras was ongelooflijk opgelucht dat zijn zak wat lichter was en begon weer zijn enthousiasme terug te krijgen. Na nog een goede halve dag stappen, kwamen we aan aan de eeuwige poort. Daar zetten we kamp en hoopten dat we snel een manier zouden vinden om binnen te raken. Het weer draaide al snel om en de lucht begon overheersend grijs te worden. De wind begon op te komen en was stilletjes sterker en sterker aan het worden, er leek wel een oorlog aan de gang. De wind, de regen en de bliksem vochten om de lucht te kunnen overheersen. Met elke bliksemschicht die neerviel en elke windvlaag die ons aanviel voelden we ons minder en minder op ons gemak. Tot we besloten om in een grot te gaan schuilen niet zo ver van waar we zaten, de donder begon te galmen tussen de flitsende bliksem. Het regende zo hard dat het leek of we aangevallen werden door minuscule vallende stenen, we liepen zo snel mogelijk de grot in. Ik offerde mijzelf om wat dichtstbijzijnd hout bij te sprokkelen in de hoop dat het niet te nat was geworden om ons zo snel mogelijk op te warmen bij een heerlijk kampvuur. De donder kwam zo luid en hard aan dat het elke keer een kleine aardbeving veroorzaakte. Het meeste hout was al doordrenkt maar gelukkig lag er aan de binnenrand van de grot een groot gewas, volledig uitgedroogd hoopte ik er het vuur mee op te starten om zo het natte hout te drogen en op zijn toer aan te steken. De immense grot was prachtig in het vurige licht van het kampvuur, de wanden leken wel beschilderd met natuurlijke formaties die bijna een menselijke vorm aannamen. Een natuurlijke Picasso die ons bijna de hevige storm deden vergeten die buiten woedde. Amras was kapot en wou liever gewoon wat uitrusten, dus gingen Linwé en ik op onderzoek. We maakten een toorts elk en gingen dieper de grot in. De gang veranderde van vorm, van een kleine doorgang waar met moeite een mens doorkon, tot een immense poort waar een hele familie zonder probleem naast elkaar kon lopen. De hoogte veranderde nooit wat opmerkelijk was, het leek haast onnatuurlijk. Het leek of de grot diep in de berg ging, het onweer leek verder en verder te komen en “verdween” bijna volledig. Tot we opeens een harde klap hoorden, gevolgd door een hevige schreeuw van Amras, Linwé en ik keken elkaar aan en begonnen zo snel mogelijk terug naar de ingang van de grot te komen. De gang leek wel oneindig elke stap die ik zette, deed mijn hart sneller bonzen, de adrenaline helpte me om sneller te lopen dan ik ooit al had gelopen. Toen we aankwamen zagen we dat de ingang van de grot ingestort was. “De bliksem heeft mij bijna geraakt” Zij Amras hijgend, zijn been zat vast onder een enorme rots die door de inslag neergehaald werd uit het plafond.We renden naar hem toe en probeerden de steen te verplaatsen. Het plafond werd met de minuut instabieler en zou elk moment naar beneden kunnen vallen. Ik begon de wanhoop in Linwé haar ogen te zien, irrationeel,  deed ze wat ze kon om haar broer te redden toen het plafond naar beneden viel. Ik kon nog net op tijd springen en haar wegduwen. maar nu was Amras tot aan zijn hoofd bedolven onder de stenen, weer begonnen we steen per steen weg te halen maar het had geen nut. Amras was onherstelbaar verwond dus nam ik de beslissing om Linwé bij haar arm te nemen en tegen haar wil weg van haar broer te trekken. Ze klopte op mijn arm, begon te huilen, te roepen en te schoppen. Toen Amras uiteindelijk het leven gaf, werden zijn ogen volledig wit. Linwé stortte in en keek machteloos naar het levenloos lichaam van haar broer. Ze snakte naar adem tussen elke traan door. Haar laatste familielid was verloren gegaan. Ik wist niet wat te doen, ze moest daar weg voor haar eigen veiligheid! Ik nam haar weer vast gaf een harde ruk aan haar arm en stapte naar achter. Nam haar in mijn armen en liet haar uithuilen op mijn schouder. “We moeten hier weg” zij ik, “als we hier blijven volgt ons hetzelfde lot dat mag niet gebeuren. We zullen terugkeren en hem een deftige begrafenis geven”. “Maar nu moeten we weg!”. Ik raapte het beetje dat nog overgebleven was van onze spullen nam Linwé onder mijn schouder en we gingen dieper de berg in. Linwé was zo overstuur dat ze niet eens meer wist wie of waar ze was. Ik voelde mijn hart breken toen ik haar aankeek dit was niet de bedoeling, moest ik alleen gekomen zijn was dit niet gebeurd. Toen ik vond dat we veilig waren maakte ik een zo comfortabel bed mogelijk voor Linwé, legde haar neer en bleef naast haar zitten tot de tranen haar in slaap wiegde. Het hele voorval bleef maar terugkomen, wat was er nu gebeurd? Piekerend en als een film elk detail aan het bestuderen kon ik geen slaap vatten. Toen Linwé eindelijk wakker werd, stak ik de enige overgebleven toorts aan. We keken elkaar aan met een lege blik, de stilte was alleszeggend. Ze klauterde in mijn armen en bleef daar levenloos in liggen, tot het haar begon door te dringen dat we hier weg moesten. We zouden een uitweg vinden wat het ons ook zou kosten. We raapten ons op en liepen verder, maar het duurde niet lang of de toorts was opgebrand en we waren weer in de volledige donker. We konden geen haar meer zien en moesten op de tast afgaan, op een traag maar stabiel tempo kwamen we stap voor stap vooruit. We liepen hand in hand om elkaar zeker niet te verliezen. Ineens voelde ik Linwé stoppen, en dan zag ik het ook. Een dunne lichtstraal kaatste terug op de wand niet ver voor ons. We hadden de uitgang gevonden.We begonnen zo snel mogelijk naar het licht te lopen maar wat een lichtstraal bleek te zijn was een mineraal dat licht weerkaatste, er was een hevige draai en daar was het. In de verte een groot wit gat, het zicht waar ik op gehoopt had. We begonnen stilletje weer deftig te zien, het leek of we recht naar de zon liepen, het licht was zo fel dat we het niet direct aan konden kijken. We begonnen de warmte te voelen op onze huid, een lichte bries streelde onze haren het voelde heerlijk aan. Eens buiten kwam het besef dat we nog niet volledig buiten schot waren, we stonden op een richel een aantal meters boven de grond, er strekte een bos uit zo ver als we konden zien, maar we zaten nog altijd in de berg...Aan de rechterkant kon ik een heuse stad zien, met een toren die bijna tot aan het plafond van de grot kwam. Hetzelfde plafond dat door de jaren heen door de corrosie op een gatenkaas leek, de gaten waren groot genoeg om licht door te laten. En zo te zien genoeg licht om een volledig bos te laten groeien, het was prachtig. Na een kortstondig onderzoek zag ik dat er een kleine stenen trap was aan onze rechterkant. De trap kwam in een lage gang, die omgeven was door bomen. De vloer was aangelegd met grote kasseien, het was de perfecte mix tussen menselijke creatie en puur natuur. Linwé had het echt moeilijk en vroeg mij om door te gaan zonder haar, zodat ze wat kon uitrusten en eventueel wat later afkomen.Toen ik aan de uitgang kwam stond ik voor een immense poort omringd door een hoge muur. De wachters die de poort bewaakten merkten mij ineens op en kwamen mij tegemoet. Na een heerlijk glas water en een lang gesprek stelde een van de wachters voor om mee terug te komen en Linwé op te gaan halen.Na het hevige heen en weer stappen kregen we elk een kamer, ik zorgde ervoor dat Linwé goed geïnstalleerd was en bereidde mij voor om naar de koning te gaan om de brief af te geven.De koning zat op zijn hoge troon in een zaal waar Linwé haar volledige huis een paar keer in zou kunnen, en dit met het dak erbij. Het het dak was een volledig grit van driehoeken die steunden op pilaren aan de uiteindes, het gaf een gevoel van openheid en macht. Eens ik midden in de ruimte was begon ik al de wachters te zien rondom de koning. Ik begon een gevoel van ongemak te krijgen, ik voelde mij niet op mijn plaats, maar was wel blij dat de brief eindelijk aan zijn rechtvaardige eigenaar gegeven zou worden.Ik knielde een paar meters voor de troon en de koning deed teken dat ik de trap op mocht komen naar de troon toe.Maar toen ik de brief nam, kon ik mijn ogen niet geloven, het zegel was gebroken, de brief was geopend. Ik kon deze brief niet afgeven, maar de koning was al aan het wachten.“Is er een probleem?” vroeg hij me met een forse stem. Toen hij mij aankeek en weer naar de brief keek, kon je merken dat hij het door had. Ik begon te trillen op mijn benen, wat zich uitte op een hevige vecht of vlucht reactie. Maar ik besefte al even snel dat moest ik weg proberen lopen ik snel gestopt zou worden door het grote aantal wachters in de zaal. De enige oplossing die ik voor mogelijk hield was om de brief af te geven en hopen dat alles goed uitliep. Ik gaf de envelop aan de koning, je zag zijn hele gelaat rood worden van woede.Furieus gaf hij me een tweede kans om de brief af te geven en hij beloofde dat mijn straf dan veel lichter zou zijn. Maar ik had geen idee waar de brief lag, wie hem geopend had en waarom. Ik knikte nee en legde uit dat ik hem de hele tijd bij mij gedragen had dus dat het onmogelijk was dat de brief verdwenen was. Ik had hem effectief nooit uit het oog verloren en het enige moment dat ik hem niet bij mij had was toen ik mijn zak achtergelaten had bij Linwé om de wachters op te zoeken. Toen bedacht ik dat misschien Linwé hem voor een of andere reden gelezen had en vroeg de koning de toestemming om naar haar kamer te gaan.Hij deed teken naar twee wachters en ze vergezelden mij naar haar kamer waar Linwé voor de open haard stond. Toen ze me de kamer zag binnenlopen kreeg ze weer een glimlach op haar gezicht, diezelfde prachtige glimlach die ze had toen ik haar voor het eerst zag. Niet wetende dat het deze keer een heel prijzige glimlach was. “De brief ligt in de open haard, je bent net te laat” waren de enige woorden die ze uitsprak, ze kwam dichterbij en gaf me een kus op het voorhoofd.Toen ik begreep wat er effectief aan de hand was draaide ik mij om, ging naar de wachters en vroeg hen om mij weer naar de koning te brengen. Ik legde toen uit dat de brief verloren moest geraakt zijn in de grot, maar het eindvonnis zou met elke mogelijke verklaring hetzelfde geweest zijn.Hij smeet me zonder al te veel woorden in de cel.De vochtigheid was niet te houden zonder te beginnen over de geur...Na een tijdje begon ik de hoop op te geven, ik had zitten kloppen op de tralies, ik schreeuwde mijn longen uit, maakte zoveel geluid mogelijk maar niks had er baat bij. Niemand kwam naar beneden.Stilletjes aan begon ik mijn tijdsbesef te verliezen, elke minuut leek een eeuwigheid en elke seconde werd moeilijker en moeilijker om niet door te draaien. Tot ik uiteindelijk gewoon op de grond lag al rillend en wachten op wat dan ook voor mij gepland was. Het ergste was niet de cel of de vochtigheid noch de koele ruimte, maar niet weten wat er zou gebeuren, ik had geen controle meer en moest mij op alle mogelijke scenario's voorbereiden. De wachters kwamen uiteindelijk uit de kelder halen, ik werd naar boven gebracht en zo via het terras naar het grote buiten plein, het was volledig omringd door een hevige meute die al roepend en schreeuwend duidelijk maakten dat ik hier niet gewenst was. In het midden van het plein stond de gekapte man met zijn bijl, volledig voorbereid en klaar om gebruikt te worden. Al mijn spieren lieten los en ik stuikte in elkaar, de wachters raapten me op en droegen me naar de galg om mij zo op de bank te leggen. Toen ik nog snel links keek, merkte ik Linwé op die stond te kijken, ze had haar broer zijn pull in de hand en keek vol afschuw naar het ritueel dat voor haar ogen uitgevoerd werd. Toen de bijl uiteindelijk neerviel, rolde mijn hoofd tot aan haar voeten, ze raapte me, we keken elkaar oog in oog. Ik kon opmerken hoe haar prachtige ogen vol zwart opgevuld waren waren, het leek wel alsof haar ziel haar lichaam verlaten had. Na een paar seconden naar mij gekeken te hebben smeet ze mijn hoofd met haar volle macht in het kampvuur dat wat verder brandde en toen ging het licht uit.To be continued

Antek
64 0

Harmony Gold (1)

    oh bee oh bee  in me thou seest some beauty little beast   we prayed in spring loved summer sun found no decay twin halcions sang gospel tunes on happy days   now greyish dust and silence loom early evening shade has come it favours  all my darker colours faulty flowers fade cruel endings doom   oh bee oh bee whilst I'll hang shalt thou live shalt thou see black blossom thrive   whilst I'll die away shalt thou tiny bee try bitter nectar high up in this my deadman's tree       Dat in het appartement dat hij huurde boven de Delhaize naast een grote voorraad bier ook nog meer memorabele wapens lagen en hoe opwindend het wel kon zijn om aan dat moordgerief te ruiken, zou hij haar op een andere keer vertellen want nu ging het geweldig, verrukkelijk zelfs met die lossere tong en zonder pijn in de kaakgewrichten. Aan zijn vlaskop trok ze hem dichterbij, krulde zich bij de eerste aanraking de rug en heuvels van roze, stijve gelei verrezen uit een steppe van ribbelig vlees.   De originele opname bestaat nog steeds, een bandje dat de wreedste der slapende beesten zou wekken. Ik had scheefgeslagen bij dokter Fraeyman, die psychiater te Lapscheure met zijn rare remedies, helende groepsreizen naar Lissabon, fado die de ziel doorboorde, en kamers met doornloos rozenbehang, met zwartjes wier gaatjes alle miserie wel zouden verzwelgen.   'If she lives till doomsday, she'll burn a week longer than the whole world.'   Fraeyman had telkens voorgelezen, in kleermakerszit en bij elke sessie, uit zijn verzamelde frases, The Comedy of Errors en het liefst nog reciteerde hij de sonneten van The Black Lady, maar voor Ignace was het eender, was het worst, zolang hij die gevoelens maar begraven kon, als ze maar kwam de verlossing, die warme hagel uit de ijzige wolken, als hij maar deels zijn droevigheid verloor, de demonen van de nacht verdwenen, hij zijn zijn ware ik even vergeten kon.   In die tijd stond BOB nog gewoon voor Bee Oh Bee, en voor Guinness, gore parodieën op de romantiek, billen overgoten met de diepe kleur van gebrande mout, voor de erotiek van de betere zwijnen, kon men terecht in Oostkerke, aan de Stinker en de Blinker, in De Harmonie, het dubieuze etablissement van Sappige Siska. Fraeymans eigen vrouw was er niet weg te slaan, net als Didier D. van de opsporingsbrigade. Ook dr. Bellens kwam er vaak. Hij zou later in Algiers l' Amuse Gueule, een moleculair restaurant openen, samen met zijn vrouw Christaline, die jarenlang bij Union Carbide had gewerkt.   Licht werd het en het gillettemes lag op de grond. Lang had het niet gebloed. Ze had er verstand van, ik was uitgeput en ze gooide haar Jupilershirtje dat niet snel genoeg uitgegaan was en ik gescheurd had, in de openstaande vuilbak. Voor een driepunter stond ze niet ver genoeg en “of ik daar een propere douche had en dat ze voor de geur van dat moordgerief misschien wel eens naar mijn appartement boven de Delhaize zou komen”. Ik knikte toen ze vertrok, haar roze pull over die zwarte beha, naar de Lunch Garden in Jabbeke, waar ze werkte en de mensen zelf hun eigen gele zeik konden tappen.           'Dark ladies rule the world', deel 1 van het kortverhaal 'Harmony Gold' uit de reeks 'Ignace Somers'   (het gedicht is een in memoriam)

Bernd Vanderbilt
4 0

Alles voor Lena

(Vervolg op "Lena")   Steven had zonet zijn vriendin bedrogen, maar hij kon niet anders. Ze had hem gedwongen – dit geschifte meisje dat plots in zijn appartement verschenen was. Ze had hem proberen te verleiden, maar dat was niet ge­lukt, natuurlijk. Je kan toch niet zomaar in iemands leven ver­schij­nen, hem op­slui­ten in zijn eigen stu­dio, en dan verwachten dat hij met je naar bed gaat? Maar het moest, zei ze. “Anders kleed ik me aan en ga ik weg, maar wie weet wat er dan gebeurt met die Lena van je...” Hij had Lena bedrogen, maar het was om haar te beschermen. Hij had het amper gekund, hij kon zich niet aangetrokken voelen tot deze onbekende indringster die God weet wat met zijn Lena gedaan had, laat staan dat hij opgewonden zou geraken. Maar ze bleef aandringen, bleef Lena bedreigen. Uiteindelijk had hij het gedaan, aarzelend, ge­for­ceerd, haast emotieloos. Op handen en knieën op de matras, zoals hon­den – hij had gezegd dat dat zijn favoriete standje was, maar de waarheid was dat hij haar gezicht niet wou zien. Hij kon het niet zolang hij haar krank­zin­ni­ge ogen voor zich zag. Het was maar matig goed geweest, vond ze, maar voor een eerste keer viel het nog wel mee. Hij lag hijgend op zijn rug en staarde naar het plafond. Karen lag naast hem, op haar zij, en streelde zijn borstkas. Hij liet haar begaan – hij had belangrijker dingen aan zijn hoofd. Zijn kater was helemaal verdwenen en had plaats gemaakt voor een al­les­om­vat­ten­de angst, het gevoel dat hij dringend iets moest doen, hier en nu. Om Lena in veiligheid te brengen, en zichzelf. Maar hij wist niet wat. Plots werd er op de deur geklopt. “Sst,” fluisterde Karen. “Doe alsof er niemand is.” Hij gehoorzaamde. “Steven? Ik ben het! Ben je thuis?” Lena! Het was Lena’s stem! Was ze kunnen ontsnappen, van waar ze dan ook werd vastgehouden? Of werd ze helemaal niet vastgehouden – had Karen het allemaal maar verzonnen om hem in haar macht te hebben? Had hij zijn vriendin bedrogen met een of andere psychopate omwille van een verzinsel? Hij verdrong die gedachte naar de achtergrond – het deed er niet toe, niet op dit moment. Karen was ongewapend, haar enige wapen waren haar dreigementen over Lena geweest. Hij was veel groter, ongetwijfeld veel sterker dan zij. Hij kwam bliksemsnel recht, ging bovenop haar zitten en greep haar bij de keel. Ze gilde en spartelde met armen en benen, ze krabde zijn vel open met haar nagels, maar uiteindelijk kreeg hij haar in een positie waarin ze niet meer kon bewegen. “Lena!” schreeuwde hij zo luid als hij kon. “Ik kan niet opendoen, Lena, ik word hier gegijzeld! Je moet de politie bellen!” “Wat!?” Lena klonk verbijsterd. Karen had waarschijnlijk niets met haar gedaan. Godzijdank. “Bel de politie, Lena, nu!” Hij keek om zich heen, zocht iets waarmee hij Karen kon vast­bin­den. Hij mocht haar niet laten ontsnappen, wie weet waar ze nog al­le­maal toe in staat was. Maar hij was uitgeput – hij zou haar niet lang meer in bedwang kunnen houden. Zijn schoenveters. Het was het enige wat hij zag. Zijn schoenen ston­den een meter of twee van het bed. Even keek hij haar aan, dacht na. Toen kwam hij in actie. Hij knelde zijn arm stevig om haar nek, drukte haar tegen zich aan en dwong haar om op te staan. Ze sloeg en schopte om zich heen als een bezetene, maar hij slaagde erin haar tot bij zijn schoenen te sleuren. Pas toen hij haar met handen en voeten stevig aan het bed had vastgebonden, liet hij haar los en ging hijgend op het bed zitten. Een zwakke, pulserende pijn verspreidde zich rond de bloedende wondjes die haar na­gels op zijn armen en borstkas hadden achtergelaten. Karen keek hem aan met betraande ogen en schudde haar hoofd. “Het had zo mooi kunnen worden.” zei ze, diep teleurgesteld. Hoofdinspecteur Jacques De Groot vloog met een luide knal de kamer in – splinters hout en verf vlogen in het rond. Vóór hem lag de houten voordeur verslagen op de grond. Inspecteur Saskia Verlinden schoot hem pijlsnel voorbij, haar armen gestrekt voor zich uit, haar pistool naar binnen gericht. “Politie! Handen omhoog!” Een man van een jaar of vijfentwintig keek hen verdwaasd aan. Hij stond op van het bed en stak zijn handen in de lucht. Hij droeg een groene geruite pyjama met korte broek. Hij zag er ongewassen en on­ge­scho­ren uit en keek alsof hij van een andere planeet kwam. Terwijl Verlinden hem onder schot hield, scande De Groot de rest van de kamer. Op het bed lag een meisje van ongeveer dezelfde leef­tijd. Ze had lang bruin haar en een bleke huid. Ze was naakt en aan handen en voeten gekneveld en lag ontroostbaar te snikken. Verder was er niemand. Zoals het hem destijds was aangeleerd, liep De Groot met zijn rug naar de muur gekeerd op de enige deur af. De badkamer. Niemand. “Alles veilig!” riep hij. Hij nam een paar handboeien van zijn riem en bond de armen van de man op zijn rug. Hij gebaarde met een hoofdknik naar het meisje op het bed. “Ga haar maar helpen. Ik ken haar van ergens, denk ik.” Verlinden liep naar haar toe. “Het is oké,” zei ze. “Wij zijn van de politie.” Ze sneed de veters door en bevrijdde haar. Het meisje trok de deken over haar naakte lichaam en bleef huilend op het bed zitten. Verlinden legde haar arm over haar schouders. “Alles komt in orde nu, maak je maar geen zorgen. Hoe heet je?” “Karen. Karen Dewinter.” “Zijn dit jouw kleren?” Ze knikte. Saskia Verlinden stond op, raapte het hoopje kleren op van de grond en gaf ze aan het meisje. “Trek die maar aan en wacht dan even hier, wil je. We hebben zo met­een nog een paar vragen voor je.” Ze knikte opnieuw en droogde haar tranen met een mouw van haar blouse. De versterking was gearriveerd. De Groot gebood één van de agenten de jongeman mee te nemen voor verhoor. De man spartelde hevig tegen en schreeuwde dat het een vergissing was en dat hij onschuldig was, maar de agent luisterde niet. “Je mag alles rustig gaan uitleggen op het politiebureau,” zei hij kalm. Verlinden liep op De Groot af en leidde hem mee een paar meter van bij het meisje vandaan. “Jacques, ze heet Karen Dewinter,” zei ze met gedempte stem. “Is dat niet dat meisje dat al een week vermist is?” De Groot knikte. “Juist! Ik wist dat ik haar gezicht herkende. Maar op onze foto’s is ze blond, hij moet haar haar geverfd hebben.” “Kan zijn. Zijn vriendin, of wat ze ook is, heeft net zo’n haar...” “Het is toch niet te begrijpen wat sommige mensen allemaal doen,” mompelde De Groot. “Ik ga alvast naar het bureau om die man en zijn vriendin te on­der­vra­gen,” zei hij toen. “Kan jij hier afronden? Kalmeer haar een beetje en doe zo snel mogelijk een spermatest, ze is zo goed als zeker mis­bruikt. En check ook onder haar vingernagels – als ze zich verzet heeft vind je daar waarschijnlijk zijn DNA.” “Komt in orde, Jacques.”  

Jan August
3 0

Will Tura's gouden raad

Je had in die tijd veel mooie liedjes op de radio, niet zelden Vlaamse zangers en zangeressen. De meeste van hen zongen in de taal van het land waar ik was geboren. Van al die artiesten van eigen bodem was er één die beter, succesvoller en goddelijker was dan alle anderen. Zijn naam Will Tura. Een diepe vreugde vervulde mijn hart telkenmale wanneer de stem van deze zanger in de ether weerklonk. Hits als Twee verliefde ogen, Arme Joe of Als je vanavond niet kunt slapen, ik brulde ze foutloos mee, van de allereerste tot de allerlaatste noot. Ik had ook twee langspeelplaten van deze zanger. Ze heetten respectievelijk Tura 82 en Tura 83, een verwijzing naar hun jaar van uitgifte. Op de hoesfoto van Tura 82 poseerde de Keizer van het Vlaamse lied op een oplichtende troon. Zelfverzekerd keek hij in de lens. De plaat zelf bevatte uitsluitend topsongs, want mijn idool maakte volwaardige albums en vullertjes waren uit den boze. Op Tura 83, een zo mogelijk nog sterker album dan zijn voorganger, mocht Will dan een jaartje ouder zijn, toch was dat was niet aan hem te zien en nog minder aan hem te horen. Wel waren zijn teksten wat volwassener geworden. Anders dan voorheen zong Will nu over onderwerpen als hoop (in het nummer Esperanza) en de waarheid (in het nummer De waarheid).  Ik had in die jaren mijn eerste vriendinnetje, een knappe blondine die luisterde naar de naam Barbara. Ze was twee jaar jonger dan ik en bezat nog al haar melktanden, die ze elke dag poetste, teneinde mijn wereld te verblijden met haar stralende lach. Barbara was het eerste meisje dat me ooit op de mond had gekust, op een dinsdagavond in het steegje achter de kerk. Het werd een moment om nooit te vergeten. De warmte van haar lippen trok van mijn mond naar ergens diep onder in mijn buik. Het meisje maakte ongekende gevoelens in mij wakker, gevoelens die ik pas jaren later zou kunnen plaatsen. Maar de warmte in de onderbuik kwam niet alleen. Algauw merkte ik dat haar kus ook een barstje in mijn hart had geslagen, een dunne kier waardoor zich al snel een koude wind naar binnen wrong. Had Barbara nog meer jongens gekust? En wie dan wel? Misschien mijn beste vrienden, misschien de hele klas … Wat had die ene kus aan mij dan voor haar betekend? Betekende ik überhaupt wel iets voor haar? Was zij mijn liefde wel waard? Twijfel maakte zich meester van mijn gemoed. Alsof toeval bestond, bracht Will Tura net toen zijn nieuwe single uit: Vergeet Barbara. Voor het eerst in mijn leven hoorde ik een lied met een boodschap. Sta me toe als een vriend / Jou een gouden raad te geven / Maak je los van wat je bindt / En begin een ander leven / Denk niet meer aan Barbara (…). Het was een onmogelijke opgave. Hoe kon ik niet aan Barbara denken? Ik dacht dag en nacht aan haar, ik droomde van haar, ik schreef haar brieven, die ze beantwoordde op geparfumeerd papier, en ze woonde amper twee straten verderop. Maar het refrein liet geen ruimte voor vergissingen: Vergeet Barbara / Ze verdient jouw liefde niet / Denk aan je geluk / Vergeet! Het nummer steeg als een pijl naar de top van de Vlaamse hitlijsten en was om de haverklap te horen. Ik hoorde het in de keuken, ik hoorde het in de supermarkt, ik hoorde het op de achterbank als het weer eens op de autoradio kwam en moeder nietsvermoedend een extra draai aan de volumeknop gaf … Duidelijker kon een boodschap niet zijn! En toch had ik mijn twijfels, want hoe kon ik er zeker van zijn dat Will inderdaad ‘mijn’ Barbara bedoelde? Aan het einde van de zomer verhuisde ik naar een andere school. Een nieuwe wereld ging voor mij open. Stilaan kreeg ik de baard in de keel, ik maakte nieuwe vrienden, ik luisterde steeds minder naar Will Tura, en het mooie blonde meisje wier lippen ooit de mijne hadden beroerd, verdween langzaam maar zeker uit het oog.     Ik ontmoette Will Tura op een warme zondagnamiddag. We zaten samen aan de bar van een café in de Gentse binnenstad. Het terras was ingepalmd door nieuwe intellectuelen en hun libertair opgevoede kinderen, van wie er nu en dan een paar joelend naar binnen holden om halfnaakt en rollend verkoeling te zoeken op de stenen vloer of om te stoeien met de sanitaire voorzieningen achter in het etablissement. Maar geen van allen herkende de Vlaamse superster, die zich in een slimme hoek ten opzichte van het binnenvallende licht had geïnstalleerd. We dronken samen een magnumfles Veuve Clicquot, waarna Will me uitnodigde voor een ritje in zijn Porsche Carrera cabriolet. Hij startte de motor en liet hem een paar tellen stationair ronken als een ontwakende draak. ‘Waar wil je heen?’ vroeg hij. Weinig later zoefden we laag boven de snelweg richting kust. De zon viel door het open dak op de bruine, glanzende huid van de zanger. Zijn ene hand hing ontspannen door het raampje, met de andere stuurde hij de Porsche soepel over het asfalt en uit de cd-speler galmde het beste van Nat King Cole. Het monument van de Vlaamse muziek zag er ontspannen uit. ‘Mooi,’ lachte hij, ‘het leven is mooi.’ Ik kon dit slechts beamen. Bij de splitsing in Jabbeke kun je rechtdoor naar Oostende of linksaf richting Westhoek. Will koos resoluut voor het laatste. Wat later parkeerde hij de wagen op de Grote Markt van Veurne. ‘Ik heb een hongertje gekregen,’ zei hij. ‘Ga je mee?’ Mijn voormalige idool had zijn vaste tafel in brasserie Het Veulen. Bij het binnenkomen werd hij door zowat iedereen begroet en soms zelfs bij zijn echte, niet-artiestennaam genoemd, die ik hier om privacyredenen niet zal vermelden. ‘De mensen kennen me hier,’ lachte hij, ‘hier kan ik nog gewoon mezelf zijn.’ Ondertussen beantwoordde hij als een galante heer eenieders groet. Een vriendelijke ober vernam graag wat we wilden eten. Het aperitief werd ons aangeboden door het huis. Will bestelde een pan mosselen, ikzelf ging voor stoofvlees met frieten. ‘Kijk, dat is nou het verschil tussen jou en mij,’ zei Will, ‘jij komt uit het binnenland, jij bent een vleeseter. Maar ik blijf een jongen van de kust, ik hou nog het meest van de schatten van de zee.’ Terwijl we op de schatten wachtten, vertelde Will onder het genot van zijn apéritif maison over de geneugten van ‘zijn’ Veurne, over Jenny, de vrouw van zijn leven, maar ook over zijn rijk gevulde carrière, over de hoogtes en laagtes, over zijn liefde voor muziek … Ik, van mijn kant, zag mijn kans schoon om allerlei boeiende vragen te stellen. Was hij echt eens alleen naar Venetië geweest? Was 797204 echt zijn telefoonnummer? Doch ook over de antwoorden op die vragen kan ik om begrijpelijke redenen niets kwijt. Het eten werd gebracht. De frietjes zagen er knapperig uit, het stoofvlees helaas ook. Will tilde het deksel van de mosselpot en straalde terwijl hij de geurige dampen snoof. ‘Moa ven toh,’ grolde hij, ‘de geur van de zee!’ Op dat moment werd ergens een raam of een deur geopend. De tocht joeg de dampen in mijn richting, zodat ook ik nu de zee kon ruiken. Ze rook naar selder en witte wijn. ‘Zeg Will,’ vroeg ik, ‘hoe zat het nu eigenlijk met de meisjes in al die jaren? Voor een succesvolle zanger als jij moeten de Vlaamse meisjes zich toch in groten getale hebben aangediend? Hoe kon je al die jaren trouw blijven aan je vrouw?’ Will zoog een mossel naar binnen. Een druppel liep langs zijn kin. Hij depte zijn mond met een servet en lachte zoals alleen een charmezanger dat kan. ‘Ik hoef je ook niet àlles te vertellen hé,’ antwoordde hij raadselachtig. Zijn hand verdween weer in de mosselpot. Hier zat duidelijk een man die van het leven genoot. Met een gezonde gretigheid slurpte en lebberde hij aan elke mossel die hij in handen kreeg. De koffie werd geserveerd met een keure aan kleine gebakjes en mijn samenzijn met de held uit mijn kinderjaren naderde zijn einde. Eensklaps kreeg ik een ingeving. Het was als een kleine bom die in mijn hoofd ontplofte, de vraag van één miljoen, de vraag die ik verdorie al meteen in Gent had moeten stellen… dat ik daar niet eerder aan had gedacht! In versnelde vaart pompte mijn hart het bloed naar mijn hersenen, opdat ik de juiste formulering kon vinden, maar dan nog kwam het er belabberd uit: ‘Zeg Will, dat liedje van destijds, Vergeet Barbara, ging dat toevallig over Barbara [hier noemde ik haar achternaam]?’ Will keek op. Hij leek enigszins verbaasd. Een peinzende frons verscheen tussen zijn ogen. ‘Vergeet Barbara…,’ zei hij traag, ‘Vergeet Barbara…’. Hij bracht het kopje koffie met twee handen naar zijn mond en dronk bedachtzaam. ‘Vergeet Barbara….’ Zijn blik dreef af richting oneindig. Toen begon hij zachtjes te knikken.   Uit "Beachy Head en andere verhalen", Lode Demetter, 2015 (ISBN 978-90-82-43690-7)

Lode Demetter
4 0

De vier van Vloethem (slot)

  Sano was het beste van het beste, dankzij ’t genie van Johnny Van Huele. Later zou Norbert Van der Cruyssen, de leperik, het recept uit Johnny’s kop peuteren, quasi ‘tzelfde bier in d’ Ardennen gaan brouwen, met zijn kloteloze patertjes en het Orval noemen. Orval begot, was het forellepis misschien?   Jeroen had dien dag eindelijk zijn vliegmachien volledig af. De Enola Gay, vier moteurs, moest enkel nog zilver geschilderd worden. Uit een grote papat had ie een bom gesneden. Toen Little Boy klaar was, startte Ignace de Piccola. Van de witloofboer geen spoor en ze hadden al rap zijn driewielkar aan de kleine tracteur gekoppeld, waren weggereden richting Bekegem.   ’t Was zondag, kalm en stil. Ze stopten achter de Brouwerij van Gistel, braken met een koevoet het slot van ‘t achterhekken en moesten enkel nog de poort van het depot open krijgen om daar een karrevracht Sano buit te maken. Bernard, met zijn lompe poten, liep wat lege flessen omver, maar de schaper verroerde niet.   Binnen in de brouwerij konden ze hun ogen niet geloven, rijen vol met kratten. Drieëndertigers, driekwartliters, Bavière, Sterk, Stout en daar gans van achter naast het koperen brouwvat: pasgebottelde Sano!   Toen plots alle lichten aanschoten, hadden ze zich snel kunnen wegsteken, behalve Jeroen. Die was verstard bij het brouwvat blijven staan, met de rug er tegen en Edgard Van Hencxthoven kwam op hem toegestapt, zijn tweeloop op Jeroen gericht.   Ignace dacht dat ie wel niet ging schieten, zo zijn eigen biervat naar de kloten helpen maar Jeroen stak al rap de handen in de hoogte en ging op zijn buik liggen zoals Van Hencxthoven dat commandeerde.   ’t Was Bernard die met een paar grote stappen en van langs achter op Edgard toegestormd kwam en hem met een driekwartliter op de kop sloeg. Edgard in zwijm en ze waren gauw weggevlucht met de Piccola, via Westkerke, zo verder richting Bredene.   In Oudenburg werden ze al gauw achtervolgd door drie champetters. Op hun tweewielers. Ja, van die gasten met te veel brillantine in het haar en die allicht enkel tafelbier gezopen hadden want ze bleven maar terten, als jonge veulens op een pedalo.   Tot aan ‘t kanaal de Piccola de borduur raakte, de voorwielen scheef sloegen, ze de Sluis van Plassendale inreden en die gendarmes gingen zich -ge ziet dat van 'ier- niet nat maken om ze te redden; ze stonden toe te zien hoe ze verzopen. Behalve Ignace, die nog redelijk zwemmen kon en langs de sluisdeur omhoog geklommen was.   Jeroen, Bernard en Aloïs, alle drie even dood. En Godelieve..., Godelieve wreef zich traag in de nek, toen ze het ’s anderendaags las in de gazet. Ze nam nog een slok van haar Costenoble Dubbel Bruin en prevelde dat "er niet veel ging gebeden worden voor dat crapuul".         'Allesbehalve forellepis', laatste deel van het kortverhaal 'De vier van Vloethem'   uit de reeks 'Ignace Somers' _______________________________________________________________________________________   bron betreffende het bier 'Sano' :  "De brouwerij van Huele te Bredene-Sas", Eeckhout Raul, 1989, pag. 64-70

Bernd Vanderbilt
101 1

De vier van Vloethem (4)

  Schoenen met paardekak, meer preutse wijven dan zotte en vooral te veel flieken. Veel langer konden ze niet blijven in ‘t stad. Aloïs nog het minst met zijn zevenduizend getjoepte marken. Ze besloten weg te trekken, naar het Vloethembos. Daar waren evers, noten, bessen, patattenvelden in de streek en gingen ze zekers niet ommekommen van den honger.   Eerst door ’t Valkenbos, dan naar Zedelgem om te zien of er bij Lievens-Pyck niets te rapen viel, of men alginds niet over de omheining konde kruipen om wat van het brouwsel in die groene flessen mee te graaien.   ’t Was bij café De Swarten Hoop dat ze hem voor het eerst zagen. Staand, naast een witte koersvelo. Of die velo van hem was, vroeg Ignace.  De struise beer zweeg eerst en begon dan te lachen, “neen, van dé Koereur van Gistel, die met zijn blèterige giètestemmetje. Van 'em afgepakt, omdat ie lèlijk tegen me begost te doen, Bernard-den-dommen-oend noa me ríep”.   Nu lag ie daar in de gracht, knock out, die cyclist, die krullenleeuw met zijn gedopeerde billen. Een touw rond zijn nek en meesleuren naar Zerkegem om hem, die anabole schijnheiligaard met zijn geschoren poten, daar te offeren aan Sint-Vedastus.   Quatsch!  Neen, ze lieten hem liggen, want hij stonk, naar babycrème, naar muffe talk en zadelschurft.   Bernard is toen met hen meegestapt, die witte fiets aan de rechterhand. Toen ze bij Claeys kwamen, konden ze ’t weer niet laten en hebben ze daar een nieuwe Fiat Picolla 18 gestolen waarmee ze verderreden tot bij Lievens. Met zijn vieren zijn ze daar over den draad gekropen.   Met vier bakken groene drieëndertigers zijn ze naar Vloethem getrokken waar ze nu, vele inbraken later, nog altijd zaten, waar ze toen hoog in de ratelpopulieren ieder voor zich een hut gebouwd hadden en waar later ook Pietje Vandamme, de rauwe spruitenfretter, een kot in mekaar was komen flansen met in zijn hoofd de gedachte dat zoiets zomaar kon en mocht hier in hun kampement.   Jeroen veegde de vier-kazen-kots van Bernards kin, die weer begon te bewegen, te spreken, te zeggen dat ze ’t morgen gingen doen, dien inbraak bij Van Hencxthoven. “Van Huele en Van Hencxthoven, die weten pas hoe dat men brouwen moet. Sano, da's verdomme machtig spul”, zegde Ignace.   Met de Picolla zouden ze naar Gistel trekken en onderweg een karre scheefslaan op het erf van dien geschiften boer, die dacht dat ie met zwanekak langere witloof kweken kon.         ‘Sano, quatsch en zadelschurft’, deel 4 van het kortverhaal 'De vier van Vloethem' uit de reeks 'Ignace Somers'

Bernd Vanderbilt
49 0

De vier van Vloethem (3)

  Aloïs zat op Sint-Franciscus, bij de Frères. Zijn vader, Arsène de Bourgogne was notaris te Brugge met kantoor aan de Spinolarei. Na schooltijd kwam Aloïs naar vaders notariaat en ’s avonds reden ze immer samen terug naar hun doening te Varsenare, waar dat onnozele gedoe zich bleef repeteren: ceci cela chichi chacha, dit mes voor de gigot en dat is voor de sole meunière.   Hij herinnerde het zich nog goed. ’t Was op een donderdag rond zessen dat een Duitsche commerçant het bureau binnentrad met een carnassière stevig vast onder de arm. Om een Belgische sociéteit op te richten met zetel hier te Brugge! Vast een voormalig SS’er dacht Aloïs. Hij zag het aan zijn broek en in die carnassière zaten vast een berg Belgische franken voor de nieuwe commerce, zekers genoeg om een ganse living te tapisseren.   Toen de mof naar de koer moest omdat ie allicht te veel bière de l'Aigle gezopen had, heeft Aloïs niet lang gewacht. Dit was dé dag want hij was het beu, dat gedoe thuis, zijn vader dien droge zak, moeder 't grootste zagemens, dat gedoe bij de Frères, dat onnozele uniform, al het bidden en die ganse komedie. Hij greep de carnassière en zette het op een lopen, het kantoor de straat uit, tot hij buiten adem was en zich verstoppen ging in het Minnewaterpark.   Waar hij Ignace en Jeroen trof. Zij hadden die dag geen schoenen gepoetst, geen gewillige meidenkuiten billen kunnen masseren hoog tot bij de kleine vleestong aan de deernenkloof. Bij de 3 Monikken waren ze met drie flessen brune en drie flessen blanche gaan lopen en zaten nu te bikkelen, wat aan die blanche te lebberen op de boordstenen van het meer dat vol lag met wilgenkatjes, duttende zwanen en groenkoppige woerden.   Ze trokken de tas uit Aloïs' propere pollen en keken wat er in zat: een berg vlascontracten en zevenduizend mark. "Waarom geen franken maar marken gedomme! " Om naar Duitsland te trekken, daar een Mercedes te kopen? Om langs de Moesel te sjezen, chichiwijn ce vinaigre des riches te zuipen of van die fletse Duitsche pils?   't Geld gingen ze vaneigens houden. Het was tenslotte van een mof en die had hier niets te zoeken, zeker niet met die geslepen blik en zo'n blitse Nazi-Tasche.         'De carnassière van den Duits', deel 3 van het kortverhaal 'De vier van Vloethem' uit de reeks 'Ignace Somers'

Bernd Vanderbilt
35 0

De vier van Vloethem (2)

  Hawaii ware beter geweest. Bernard voelde zich des ochtends bereslecht. Den Italiaan was het gelukkig rap weer afgetrapt zonder ene rosten frank gekregen te hebben. Ignace had de sleutels van zijn brommer gepakt en hem met weinig woorden duidelijk gemaakt dat ie oprotten moest.   Aloïs gewoon mottig, Ignace dacht het door te kunnen spoelen, met het laatste van de flesjes Sprint die ze bij De Breyne hadden scheefgeslagen en Jeroen, die was zo fit als een pasgeboren vis, had enkel wat aan de korsten van de pizza geknaagd. Hij zat nu zat een staartvleugel te zagen. Uit het deksel van een sigarenkistje. Voor zijn nieuwe vliegmachien.   Een Superfortress 29, de Enola Gay, om zijn collectie aan te vullen: een Messerschmitt Bf109, een Jakovlev JAK-1, een Spitfire, Focke Wulf FW190 en zelfs de Hindeburg had ie nagemaakt, uit varkensblaas.   Volgens Aloïs ging het in de verste verte niet op het origineel gelijken maar Jeroen knutselde rustig verder, keek wel omhoog toen er ganzen overvlogen in een asymmetrische V, en naar het magere exemplaar dat achterop geraakte. Ooit had hie ze gerepareerd, kapotte beesten, stal daarvoor gerief in de gipskamer van de Zwarte Nonnen, waar ie Ignace had leren kennen, die in 't hospitaal binnengebracht was door zijn moeder.   Omdat mijn spel danig wee deed als ik met een stijven zat. Mijn voorhuid wilde niet loskomen van den eikel en een paar nonnen hadden eraan zitten peuteren maar dat hielp niettenduvel, evenmin de uiercrème die ze er met al hun handen aanwreven. Moeder liet me daar achter en toen ik ’s nachts van de dolste der dolle nonnen lag te dromen, kwam ze binnen, Zuster Désirée uit Kigani, die met haar scherpe snijtandjes me van 't zeer verloste.   Hij ademde als herrezen en was weggelopen, zijn zwelorgaan groter dan ooit. Geen haar op zijn kop die eraan dacht om naar huis terug te keren, naar die Safirzuipende hoerenloper, naar het geruzie, ’t geschreem en al die miserie.   Hij liep Jeroen tegen het lijf, die er als een wit plaasterspook door de gangen waarde, renden samen naar het Minnewaterpark, naar Jeroens plekje onder de treurwilgen en het was weer prijs.   Een ooievaar met vleugels die enkel met nog wat vel vasthingen. Ignace pakte zijn knipmes. “Kinders genoeg”, zegde hij en de vleugels waren er gauw afgesneden. Jeroen naaide alles dicht en ze gingen slapen, ’s anderendaags schoenen poetsen van de Franse bourgeoisie.   “Skone skoenen, wreed bedankt, mon ami” en bij de mokken uit Zeeland die ’s avonds laat nog op de banken bleven zitten, gingen we de kuiten wa masseren. Als niemand keek ook onder de rok de billen, tot het sop hen in de kloefen stond en.... -heil de lezer- de deugd weer vleugels kreeg.         'Vel en vleugels', deel 2 van het kortverhaal 'De vier van Vloethem' uit de reeks 'Ignace Somers'

Bernd Vanderbilt
5 0

De vier van Vloethem (1)

  Vier kazen en drie dagen onderweg. Bernard had hem de kop willen aftrekken maar we kregen hem en de linkerhoek van zijn bovenlip gekalmeerd, lieten die pizzalummel op adem komen, vertellen dat ’t potje buffelkaas leeg was, verse nog onderweg uit Italië, dat ie het niet kon vinden het bos de ratelberken hun kampement en nog van dat gelul.   Bernard! Moest per se een quattro formaggi bestellen. In Brugge dan nog, daar met al hun Venetiaans gedoe en die tommattensauwse op die dikke pannekoeken. XXL, in een groot karton, voor ons en vooral voor hem, de Reus van Roksem, zoon van een noodslachter, hij die ooit bij de flieken in Jabbeke zichzelf aangaf, daar op het muffe kantoor de bekentenis deed dat ie Godelieve van Gistel gewurgd had, zijn ferme pollen, de krassen op zijn armen toonde en verklaarde dat het hem allemaal te veel geworden was.   Het zag eruit alsof hij een bende dolle hanen gevangen had die over hun toeren waren door het freten van gemalen peperbollen. Ze hadden hem de bak ingesmeten. ’s Anderendaags stond de kuismadam die jonge gendarmes allemaal uit te maken voor dwaze kíekens, riep dat die Godelieve al negenhonderd jaar geleden gelyncht was. Bernard mocht weer gaan, helpen met zijn vader, halfdode beesten in die ellendige remorque sleuren.     Je had zijn aangezicht moeten zien, toen ie ’t karton opendeed. Extra groot, extra stank en Jeroen begon zijn hoofd mee te bewegen op het ritme van het dansende schimmelhaar. Gorgonzola, wist Aloïs, den alweter, die de vijzen van zijn cassetje aan het vastschroeven was: Let’s all make a bomb, Heaven 17, toen ze nog puur klonken en Jeroen zei dat, nu het donker geworden was, "we die pizzaboy in 't lege kot van Pietje Vandamme konden laten maffen."     Pietje.... die was op een dag van ’t stad weergekeerd was met een sjerp van de Cercle, die tot foetballeurs gebombardeerde misdienaars, en toen hebben we hem het bos buitengebonjourd, al zijn bazaar naar z'n kop geflikkerd.   Met die pizza werd er niet gesmeten want we gingen dood van den honger en ik wier daar bijna zot, van die vaarzen in de verte, van die rare menstruatielucht, van die verlepten Italiaan met zijn vorte pizza. Jeroen, altijd veel te goed, hem bij ons laten slapen?   We konden hem beter in brochetten snijden, het vlees laten marineren, in Stout van Christiaen, zijn kop op een stok steken en 't zelfde doen met al die andere rechtse commerçanten van ’t stad. Godverdomme. Door dien onnozele pizza hebben we de inbraak bij van Hencxthoven moeten uitstellen. Ik wier balorig en kreeg fermen dust.           'Pizza voor Bernard', deel 1 van het kortverhaal 'De vier van Vloethem' uit de reeks 'Ignace Somers'

Bernd Vanderbilt
26 0

pagina 778

Vijf paar schoenen heb ik al versleten. Zestien wijven heb ik afgebeld. Ze wisten niet waar ze het hadden, huppelden met hun vetkwabben de Noordzee in. De strandwachter zong het themalied van Mega Mindy alvorens hij op zijn toeter blies. Ik wou ook eens op zijn toeter blazen, maar kon de benodigde diploma's niet voorleggen. Hoog van de toren was hij wel. Kortgeschoren hoofdhaar, tanden die blonken in de wind. Zijn speeksel smaakte naar tomate crevette. Ik geef je mijn hele arm, maar je neemt enkel mijn vinger. Hij past precies in je poepegaatje, dat weet ik zeker. Ik fluister in je oor dat ik het zeker weet. Een zweetdruppel leidt de weg via je ruggengraat tot in je bilspleet. Ik moet denken aan die avond in Zeveneken, toen we samen de kerktoren beklommen. Na anderhalve meter vielen we op de grond, net naast het graf van August Spermalie. Gust voor de vrienden. Pas na twee weken verdwenen de blauwe plekken op onze billen. Het zeventiende meisje dat ik afbelde nam niet op. Net als alle zestien voor haar. Mijn leven heeft dringend nood aan een telefoonboek, dacht ik bij mezelf. Ik nam me voor om de volgende dag eerst en vooral naar de Hubo te fietsen om een koevoet te kopen. Daarmee zou ik de deur van mijn kelder wel open krijgen. Ergens heel ver en heel diep, onder stapels dag- en weekbladen, lag nog een telefoonboek uit 1996. Ik wist zeker dat het er lag. Ik zou het vinden en vol spanning naar pagina 778 bladeren. Daar, op de voorlaatste regel, zou het staan. Het telefoonnummer van mijn eerste lief. Zij zou mij nooit vergeten. Dat zei ze zelf.

Maarten Verhelst
0 0

Erf te koop met zwerfgevoel

    Het is voorbij, uitgestapt, weggereden. Het postvrouwtje stuurde, heeft foldertjes gebracht, de krant is van Holderdebolderland. Duimelotje kreeg ze, geeft ze me nu ik verscholen in de voortuin lig. Op de eerste pagina prijken de vierwielers, ik kijk jaja in de rubriek Notarissen staat het afgebeeld het huisje met dat veilig kelderraam.   Het is van mij mijn erf is echt, te koop, ik wil hier weg, ik wil vooruit, ik wil liever een bootje vol met eenzaamheid, alleen zijn op de zee. Pagina twee Maria Hemelvaart, Aquaprotect. Het opstijgende vocht is morgen opgelost. Helaas. De bomen op het plein moeten er aan geloven want de burgemeester heeft een ei gelegd: in zijn dorp komt een fontein, sluit de florist, best jammer want die prentjes met de kleuren van de bloemen heb ik altijd uitgeknipt.   Veel in overvloed, de overdaad en lariekoekjes van den Aldi lonken, deze week extra goedkoop. Mijn maag, zij mijmert zonder mij, ik denk niet na over het nut, de infosessie is in de gemeentezaal, vrijdagavond en de thema's eerder vaag, misschien wel een verrassing, of bejaarden die wat kippekutreceptjes sterfverhalen woorden wisselen tot Mr Bultinck eindelijk toch arriveert, honderduit beschrijven gaat de streken van zijn dromedaris, Erika, die heuveltjes en hij dan op het einde alle niets vermoedende gedachten meeneemt naar zijn louche zolderkamertje.   Heerlijke belevenissen volgen, ook een aquapark met waterbanen in een acht. Als men zich plat legt zelfs oneindig lang en puur genot wordt aangeboden. De annonce is zo miniscuul, het poesje daarom lekker nauw misschien. Het lijkt me tweedehands plezier en in de dierentuin heeft men te midden van giraffen hoog op poten een subliem terras gebouwd voor wie die dieren recht de ogen in wil kijken, zij dan beter vragen kunnen voor wanneer de vrijheid is gepland.   Verder op ditzelfde blad staat een recept voor varkenspootjes, walviswangen, het beste adres voor make-up, valse wimpers, judaslippen, reisformules en dat ene weerzinwekkende verhaal.   Een man met blonde krullen heeft zich dagenlang kunnen verstoppen en het rectum was van een enorme olifant. De ijslamterrorist heeft hem daar niet gevonden, ook geen bloed dat uit zijn witte nekje droop. Ik hoop alleen. Dat het waar is, hij echt nog leeft want ik heb de nare neiging me zo vast te klampen aan vertellementen, minder aan de mensen of de pooiers van de deugd, de deernen met hun stoppelgleufjes en die wegtollende blik. Weggelachen heb ik ze voorgoed, pretparkliefdes, beelden van die bubbelbaden vol met dolle vissen en piranha's die het zijn wel lusten.   Er zijn ook die gesprekken, ongevoerd, stille sonates, doodgezwegen tin en de gesneuvelde soldaatjes, te veel vogels, schrijft men, kauwen, duiven, scheurtjes in de kernreactor, barsten in de Deltawerken, wateroverlast, in Bangladesh daar kan men eeuwig pootjebaden. Straks, dan staar ik uit mijn bootje, slepers die de stroom trotseren en containerschepen vol Chinese brol, plastic speeltjes voor de ronde kinderen.   Vrees niet, stedelingen want ik ijl wel eens. Alles blijft zoals het is en goed. De tram- en bloedlijnen ze gaan nog jaren richting welvaart, het Centraal Station zal echt niet wachten op de zever van een zwerver die liever verdwalen wil.   Stilaan kruipt het ongeloof weer in mijn hoofd, vindt de spin zijn web een pareltje, voel ik tranen komen, droom ik hoe Sneeuwwitje mij bevredigt voor een nieuwe haarkam van de Hema en ik vind hem snel, de kortingsbon, voor morgen, als ik met mijn kano door de bochten kronkels in de Leie weer naar Deinze peddel.   Mijn erf zal binnenkort verlaten zijn. Het is al leeg, gezet op non-actief, zoals de secretaris van de grote stad zijn lettergrepen rusten laten kan. Het hoofd wil niet meer mee, het is veel liever empty als een leeggewrongen spons, want in de ledigheid schuilt het geluk, een warmtepomp te koop, een vacuüm, ik zal er drijven, willoos zeilen op de zee, het cruiseschip hier op het achterblad vaart ongetwijfeld door het glamoureuze Darmkanaal, regelrecht naar Disneyland.   Achterdocht mijnentwege misschien. Niets meer dan onverdachte vleermuisgeluiden, imaginaire takken landarmen die mij vast willen grijpen, meisjesogen bloeien enkel op het land, in de volle zon. Over de rand van het krantje zie ik wolken, losse truitjes van nieuwe moeders die te laag hangen, onzuiver katoen. Ben ik een troebel dier? Duimelotje kijkt maar vraagt niet wat ik denk.   Enkel wat ik lees, waar we later zullen wonen, zegt dat er twee melktandjes uitgevallen zijn, dat ze nooit geduimd heeft. Wel voor mij en dat ik thuis zou blijven.           uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
4 0