Zoeken

VIVA LA VIDA

VIVA LA VIDA     Met haar opspringende, zwierige paardenstaart naast haar dartelende, jonge zusje Amapola, een onvergetelijk beeld met hun schattige sproetjes op hun neusje. Net 17 geworden en oh, zo eenzaam zonder jou. Je liegt als ze daar naar gissen met de vraag:” zeg ben je bang voor mij? Dan ga je blozen want als de zomer weer voorbij zal zijn, gaat iedereen een gelukkige verjaardag zingen en gaat de telefoon overspoeld worden met liefde woorden. Een oude kerstmiskaart in een doos, veel herinneringen, van gedeelde smart, halve smart. In je hoofd klinkt het mooie arrivederci… In het verre land op mijn ranch ben ik koning Maar heimwee naar huis knaagt Als el bandido in mij boven komt en ik zweer : geen zomer zonder jou, ik de zigeuner en jij mijn winterroosje, in het hutje bij de zee zonder arme Joe en Angelina die kreunen: Viva el Amor. Je smeekt: “zorg voor mijn hart” en na 20 minuten geduld geef je parels, juwelen en goud. Ik verlang naar Vlaanderen mijn land, maar het kan niet zijn, Liefdesverdriet door hetgeen je niet krijgen kan. Hij had alles en ik niets, Linda, maar hij komt terug met bamboe Jack zonder Addio. In de brief aan mijn darling vertel ik over alles wat je lust en de zonneschijn. Bid voor mij want het is tijd en alle wegen leiden naar Rome en zegt wat je diep treft. Over verboden dromen en er is een plaats in mijn armen, Over een tijd om alleen te zijn als twee oudjes en alle dagen kerstmis… Maar nu sta je daar, Lady en je zien huilen kan ik niet, Donna. Als ik mijn leven nog een keer kon overdoen… Vergeven kan, vergeten niet, maar iedereen heeft iemand nodig en als de muren konden praten…geloof in mij. Een huisje in Montmartre of in mijn caravan, oh my love vaarwel! Hopeloos? Iemand daar boven houd van mij… Mijn deur staat wijd open. Kijk : Twee verliefde ogen  en ga nooit alleen naar Venetië. Toen Nat King Cole van liefde zong… vergeet Barbara, Want ik mis je zo, met een eenzaam hart, aan de zee, alleen op de wereld, Zing ik alleen voor jou en ben stapelgek op jou. De Noorderwind huilt, ik kan niet zonder jou en schreeuwt om liefde, geef me liefde want mooi, ’t leven is mooi zoals die zomer van tien om te zien. Als je de klok terug kon draaien…? Oh wat vliegt de tijd… Overgaan… Hoop doet leven… ALLES…Hemelsblauw… Boven de wolken, een hart van goud met bloed, zweet en tranen. La melodia: ik hoor je toe, wil 17 dagen op zee met de mooiste en laat de liefde niet voorbij gaan. Ga nu en geef al je zorgen aan mij, mijn mooiste droom, Niemand weet waarom, SORRY! Want daar sta je dan, morgen gaat ze weg, zo gaat dat altijd… Wie, een man als ik ? Voor haar liefde in mineur of naar het paradijs! Alleen gaan ? Laat de zon in je hart, onvergetelijk, een vrouw zoals jij, Waar je ook maar bent ! VIVA LA VIDA !!!      

g.a.she
127 1

Bloedverwanten

Mijn behandelaar heeft een kaart van Turkije hangen aan de muur in zijn werkkamer. Links en rechts van de landenposter zijn ansichtkaarten opgeprikt met een naald. In het oosten van Turkije bevindt zich een met stift aangebracht rood kruis.   ‘Heb je nog vragen?’, zegt hij. ‘Als wij elkaar niet liggen, kan ik dan een andere psychiater krijgen?’, vraag ik. ‘Liever niet’, zegt hij. ‘Het laatste jaar heb ik al te veel patiënten verloren door opnames, remigratie en zelfmoord, dus mijn praktijk is behoorlijk uitgedund’. ‘Dan zullen we er maar het beste van maken’, zeg ik en knik hem bemoedigend toe. ‘Dank je’, zegt hij. ‘En dat kruis, wat is daarmee?’ Hij schrikt en kijkt in zijn kruis. ‘Dat kruis’, ik gebaar richting de kaart. ‘Oh, dat is het dorp waar de meeste van mijn patiënten oorspronkelijk vandaan komen. Drie generaties schizofrenen. Veel wonen hier in de wijk’. Hij wijst uit het raam richting de flats langs de Europalaan. ‘Lekker dichtbij’, zeg ik. ‘Is dat normaal, zoveel waanzin uit een streek?’, vraag ik. ‘Wel als je ouders hun genen delen’, antwoordt hij. ‘Ze zijn blij met je, zie ik. ‘Hoezo?’ ‘De kaarten’, zeg ik. ‘Ja, ze zijn nogal op me gesteld’, zegt hij niet zonder trots.   ‘Wil je dat ik bij onze volgende afspraak een plattegrond van Nederland meebreng, dan kun je de herkomst van je Hollandse clientèle in kaart brengen?’ ‘Dat lijkt me heel vreemd om te doen’, lacht hij. Ik doe mijn jas aan. ‘Tot volgende week dan maar’, zeg ik en loop Zuiderpoort uit richting de bushalte op de Europalaan.

Iris van der Putten
19 0

Assepoester en de kristallen Louboutins

Er was eens… een knappe jonge vrouw die haar leven doorbracht als dienstmeisje van haar jaloerse stiefzussen. Op een dag besloot ze onder het motto ‘yolo’ om wat meer van het leven te genieten. Dat klonk als muziek in de oren van haar goede fee. Die liet niemand minder dan Jani Kazaltzis aanrukken om haar van een prachtige outfit – compleet met glazen muiltjes – te voorzien. De fee toverde een koets tevoorschijn waar zelfs de Britse royals jaloers op zouden zijn. Assepoester vertrok met een stralende glimlach naar het bal van de prins. En ja hoor, het was echt een sprookje. De prins wist meteen dat zij de vrouw was waar hij zo naar verlangde. Maar gezelligheid kent geen tijd en al snel hoorde ze de klok 12 keer slaan. Middernacht! Assepoester spurtte plotsklaps naar haar koets, voordat die terug in een pompoen zou veranderen. De prins staarde haar na, even gecharmeerd als stomverbaasd. Na het bal moest en zou hij die mysterieuze vrouw terugvinden. Zelfs haar naam had hij niet stiekem kunnen vragen, dus Facebooken was zinloos. Een achtergebleven glazen muiltje is het enige dat hij van haar had. Dat zou hij gebruiken om haar te vinden. En jawel, dankzij een massaal gedeelde oproep, wist hij al snel wie ze was. Haar stiefzussen werden groen van jaloezie toen de prins met Assepoester naar zijn paleis vertrok. Even later volgde er een groots huwelijk, dat tot zelfs buiten het koninkrijk het ‘huwelijk van de eeuw’ genoemd werd. De prins deed de vrouw van zijn leven een plechtige belofte tijdens zijn huwelijksgelofte: “Assepoester, al jaren heb je alleen maar kunnen dromen van een luxeleventje. Maar nu sta je hier naast mij, bevrijd van je verleden. Ik beloof dat ik je alles zal geven wat je hartje begeert. Want je bent het waard.”   Van die belofte kreeg de prins enkele jaren later al spijt. “Begrijp me niet verkeerd. Ik zie haar nog altijd doodgraag. Maar soms vraag ik me toch af waar zij nu het meest van houdt: van mij of van schoenen?”, zucht de prins tegen zijn rechterhand. “Tja sire, ik begrijp dat het geen gemakkelijke situatie is. Assepoester koopt tegenwoordig elke week wel een nieuw stel Louboutins of Jimmy Choo’s – en dat is een feit. Het kost u handenvol geld. En schoenen is één ding, maar onlangs heeft ze ook haar klerenkast eruit gegooid en een kleine balzaal laten verbouwen tot inloopkast. Ik vrees dat uw bankrekening dergelijke uitspattingen niet langer aankan. Aan dit tempo zult u bankroet zijn voor het einde van volgend jaar. Dat lijkt me zeker een aanleiding om er eens over te praten…” De prins keek treurig naar zijn adviseur, wetende dat die ongetwijfeld een punt had. Hij zat met de handen in het haar. “Wie ben ik om Assepoester te zeggen dat ze terug moet leven zoals vroeger? Ze heeft alles van Louis Vuitton tot Manolo Blahnik en ze is dol op haar schoenencollectie. Dat kan ik haar niet afpakken.” ’s Avonds besloot de prins om er toch iets van te zeggen. Assepoester was al ingedommeld in de zetel bij het haardvuur toen hij binnenkwam. Hij maakte haar zachtjes wakker. “Ik ben blij dat je eindelijk thuis bent”, zei ze, “Ik wilde je nog voorstellen om morgen een dagje te gaan shoppen in Milaan. De nieuwste lentecollecties zullen me beeldig staan.” “Zeker, mijn liefste. Maar heb je intussen niet genoeg voorjaarskledij? Vorig jaar hebben we nog 32 000 euro gespendeerd aan jurken, en die staan je zo mooi. Ik verlang ernaar om je daar nog eens in te zien”, formuleerde de prins voorzichtig. “Maar schat… je moet begrijpen dat een prinses niet steeds in dezelfde kleedjes kan rondlopen. De mode van vorig seizoen dragen, is een regelrechte schande. In onze kringen heb je afgedaan als je meer dan één keer in dezelfde outfit gefotografeerd wordt.”   1-0 voor Assepoester. De prins was het namelijk zelf ook gewoon om altijd met iets nieuws voor de camera’s te pronken. In plaats van Assepoester te dwingen om zuiniger te leven, besloot hij om eerst zelf een paar jachten van de hand te doen. “Het is crisis voor iedereen, dus op een jacht te koop zetten wordt niet meer neergekeken.”   En zo geschiedde het. Zijn onderdanen maakten de boten klaar voor verkoop. Ze geraakten nog vlot van de hand ook. De prins was – tot zijn grote opluchting – al snel een paar miljoenen rijker. “Probleem opgelost!”, zei hij met een grote glimlach.   Maar de prins bleef niet lachen. Enkele jaren en miljoenen later, was er niet veel veranderd. Het koppel genoot nog steeds ten volle van het leven. Assepoester’s collectie Louboutins was groter dan ooit. Naast haar oude glazen muiltjes, stonden nu kristallen pumps – speciaal voor haar gemaakt. Ze was inmiddels een echte stijlkoningin, met haar originele collectie kristallen pumps als handelsmerk. Het hele koninkrijk was dol op haar.   De prins, daarentegen, had nog een paar pogingen gedaan om op zijn vrouw in te praten. Maar telkens weer staakte hij die pogingen. Uit schuldgevoel. Uit schaamte. Uit angst om haar te verliezen.   “Ik waardeer dat je de bevolking wil steunen in zware tijden, maar wij hoeven toch helemaal niet te besparen”, had Assepoester gezegd, “Wij zijn royals. Als iemand in dit koninkrijk het zich kan permitteren om erop los te leven, dan zijn wij het wel. Maak je geen zorgen. Zolang we elkaar hebben, staan we er goed voor.”   Maar daar wrong nu net het… euhm… schoentje. De prins was het beu om zich zorgen te maken en om zo moeite te moeten doen zodat zijn vrouw zijn geld kan uitgeven aan… de nieuwste mode.   Hij liep nog een hele tijd rond met zijn opgekropte frustraties. Zijn schuldgevoel belette hem om open kaart te spelen. Want hij had haar beloofd om haar enkel het beste te geven. En hij zag haar nu eenmaal graag.   Op een dag uitte hij voor de zoveelste keer zijn ongenoegen tegen zijn rechterhand: “Assepoester profiteert van mij. Ze plukt me kaal!” “Tja…”, repliceerde zijn trouwe dienaar, “Ik durf het niet goed voorstellen, maar als uw raadsman is het mijn plicht om u op goede weg te helpen. U hebt allicht zelf ook wel door dat we op hetzelfde onderwerp blijven terugkomen?”   “Ja, dat klopt”, zei de prins, “Maar wat wil je me nu eigenlijk zeggen?” “Wel, heer, ik heb een oplossing voor de problemen met Assepoester. U zult wel van uw hart een steen moeten maken als u deze optie kiest…” De prins werd ongeduldig: “Komaan man… stop met rond de pot te draaien! Vertel het me gewoon.” “U kunt direct komaf maken met Assepoesters buitensporige winkelavontuurtjes door een scheiding aan te vragen. Enkel zo zal ze het leren.” “Wat zeg je me daar! Die oplossing van jou lijkt me nogal drastisch… Van Assepoester scheiden, dat kan ik echt niet maken. Dan belandt ze opnieuw bij haar stiefmoeder en stiefzussen. Dat doe ik haar niet aan. Ze zouden haar uitbuiten als nooit tevoren.” “Ja, daarom zei ik dat u van uw hart een steen zult moeten maken. Het is zeker niet de gemakkelijkste oplossing, maar als u erover nadenkt dan zult u inzien dat ze er op deze manier wel lessen uit kan trekken. En zo hebt u het meest kans dat ze tot inkeer zal komen en dat ze opnieuw het meisje wordt waar u verliefd op werd. Ze zal vanzelf terug naar u komen, mijnheer. En ze zal enkel u nog willen, niet haar garderobe. Haar kredietkaart afpakken is ook een optie, maar die garandeert zeker niet hetzelfde...” “Daar heb je duidelijk over nagedacht. Bij gebrek aan een beter plan, zal ik het maar een kans moeten geven.” “Prima, mijnheer. Ik laat de echtscheidingspapieren opstellen. Het enige dat u nog moet doen, is Assepoester voorbereiden op het slechte nieuws. Vermijd dat ze in paniek schiet door een zachte aanpak te gebruiken.” De prins wist niet goed wat hij ervan moest denken. Zijn hoofd tolde. Twee dingen wist hij zeker: er moet iets gebeuren en zijn rechterhand heeft hem altijd al goed advies gegeven. Dus waagde hij een sprong in het onbekende, hopende dat ze er allebei sterker uit zouden komen.   De prins bracht zijn lieftallige vrouw nog dezelfde avond op de hoogte. Hij besloot om dat doordacht aan te pakken. Hij nodigde Assepoester uit voor een ‘gezellig’ avondje op restaurant. “Dan durft ze zeker geen scène te veroorzaken”, dacht hij, “want ze zal natuurlijk willen vermijden dat de media er lucht van krijgen.” Het zou bovendien tijdelijk de laatste keer zijn dat ze samen zouden kunnen gaan tafelen. Zijn briljante aanpak stelde de prins al wat meer op zijn gemak.   Ze zaten al aan het dessert toen hij eindelijk zijn stoute schoenen aantrok en haar het slechte nieuws meedeelde. En hij had gelijk; Assepoester hield alle schijn op. “Meen je dat nu?!”, fluisterde ze kwaad, “Je beseft toch wel waar je mee bezig bent? Ik durf ervoor wedden dat die raadgever van je hierachter zit!”   De prins at stilzwijgend van zijn kunstige chocoladegebakje. Hij wist natuurlijk ook wel dat zijn geliefde bijna-ex een punt had. Maar dat toegeven, deed hij niet. Discussiëren met Assepoester had geen zin. Zeker nu niet. Hell hath no fury like a woman scorned.   Assepoester wachtte op een antwoord dat er niet kwam. Opeens stond ze in één ruk recht en stapte ze naar buiten. Daar wachtte de chauffeur in de Rolls-Royce. Maar vertrekken zonder prins, dat wilde hij niet. Het werd een akelig stille terugrit.   Een dag later wist ze weer wat zeggen: “Ik heb nooit van je geprofiteerd. En jij hebt dat ook nooit zo gezien. Je bent altijd dankbaar geweest dat je eindelijk iemand had om je leven, liefde en fortuin mee te delen. Ik dacht dat je van me hield. En dat denk ik nog steeds. Komaan, we mogen onze liefde niet kapot laten maken door iets materieels als geld. Als je wil, zoek ik een job.”   “En wat zou de rest van het koninkrijk daarvan denken? Wat zou je gaan doen? Je hebt geen deftig diploma. Nee, ik heb mijn beslissing genomen. De papieren zijn trouwens al onderweg. Scheiden is de beste oplossing, Assepoester. Huwelijken sneuvelen de hele tijd, maar een prins die van het OCMW moet leven… dat zou een internationaal schandaal zijn! Weg reputatie, weg respect! Zo kan ik geen koning worden.”   Het lukte Assepoester maar niet om door te dringen tot de prins. En dus besloot ze om die verdomde papieren maar te tekenen. Hij zou er op termijn wel spijt van krijgen. Ze pakte enkele spullen en besloot om – dik tegen haar zin – terug in te trekken bij haar stiefmoeder.   Haar stiefzussen waren inmiddels getrouwd. De ene met een dokter, de andere met een advocaat. Ze woonden natuurlijk beiden bij hun echtgenoot, maar konden het niet laten om langs te komen nadat ze het nieuws hoorden.   “Wel wel, Assepoester, nu ben je letterlijk van je troon gevallen!”, giechelde de ene. Ze keken elkaar aan als twee eksters die net een weerloos klein vogeltje gespot hadden. “Seg, Assepoester, zet eens koffie. Met twee klontjes suiker en een vleugje melk”, zei de andere.   Assepoester voelde zich diep ongelukkig. Het leek allemaal een grote flashback naar het verleden waarvan ze dacht dat ze het ontsnapt was. Het verleden was duidelijk terug om haar te treiteren.   “En als je klaar bent met die koffie, veeg dan de vloer eens. Zo vuil dat het hier is.” “Oeps… er hangt blijkbaar modder onder mijn schoenen. Geef die dan ook nog maar eens een poetsbeurt. Net als vroeger!”   Assepoester kon zichzelf wel dood wensen. Hier stond ze nu, in een vuile schort en met lelijke crocs aan haar voeten. Ze verlangde zo intens naar vroeger. “Ik heb niet vaak genoeg stilgestaan bij de mooie momenten”, zuchtte ze tegen zichzelf. De eerste maanden na het huwelijk dacht ze nochtans dat ze droomde. Maar na een paar jaar kwam de sleur erin en zag ze haar luxeleventje als vanzelfsprekend. Ze wilde terug naar het kasteel. Maar hoe?   Ze besloot om contact op te nemen met prinses Kate, een vriendin waarvoor ze er zelf ooit stond toen die tussen de luiers zat. En ja hoor, Kate was meer dan bereid om haar tijdelijk onderdak te geven. Assepoester pakte zo snel mogelijk haar koffers.   “We zitten er niets mee in dat je een tijdje blijft logeren”, zei Kate, “Maar je moet een manier vinden om jezelf er bovenop te helpen. Eens je op eigen benen staat, kan je een appartementje kopen.”   Kate en Assepoester dachten na over wat ze zou kunnen gaan doen voor de kost. Een ex-prinses als poetshulp, dat kon echt niet. En een klassevolle job versieren bleek ook moeilijk, zo zonder diploma. “Ik weet het!”, zei Kate, “Je hebt al een reputatie als mode-icoon. Daar kan je op verder bouwen. Zeg nu zelf, welk merk zou nu niet moet jou in zee willen gaan? Royals werken niet samen met modehuizen, maar een ex-prinses kan doen wat ze wil.”   “Dat is het!”, riep Assepoester verrukt, “Ik heb altijd al een eigen modecollectie gewild! Ik zie het al voor me: exclusieve kristallen pumps en bijpassende outfits.” En zo ontstond de collectie ‘Crystal Princess by Assepoester’. De prins moest het vernemen via kingsize reclameborden met slogans als ‘Hou je muiltje, geef hier die kristallen pumps!’ en ‘Een paar schoenen kan je leven veranderen’.   “Tot zover het plan om te wachten tot Assepoester uit wanhoop vanzelf terugkomt”, dacht de prins met spijt in het hart, “Nu verkiest ze pas echt haar liefde voor mode boven die voor mij.”   De prins had zijn lesje nu wel geleerd. En Assepoester, wel, die leefde nog lang en gelukkig.   Assepoester en de kristallen Louboutins maakt deel uit van het onuitgegeven 'Sprookjesboek anno 2015' waarin klassieke sprookjes in een modern en actueel kleedje gestoken worden.        

S. Gielis
15 0

Tantolga

Tantolga   Marcelleke is verdwenen. Drie dagen geleden heeft de oude mevrouw Olga hem voor het eerst gemist. Zoals elke ochtend heeft ze toen van uit haar raam op de eerste verdieping naar de tuin gekeken en gezocht naar de gestalte van de elke voormiddag daar werkende tuinman. Maar ze zag hem niet. Een heel lange tijd is ze geduldig blijven kijken en hopen dat hij plots van achter een boom of van uit de hazelnootstruiken zou opduiken. En niemand weet iets. ‘Marcelleke? De tuinman? Ik zal er eens naar vragen,’ zeggen de schoonmaakster die de vloer van de kamer komt dweilen en de verpleegster die voor de vier- of vijfduizendste keer met een insulinepen komt prikken. Uren later komen ze nog eens binnen en schudden hun hoofd. Niemand weet iets over de tuinman en niemand maakt zich zorgen over dat Marcelleke. Olga boort haar blik in hun ogen en ziet dat ze liegen. Ze weten wel iets, maar ze willen het niet zeggen. Olga kijkt naar het boek dat ze de vorige avond op de tafel heeft gelegd, maar ze heeft geen zin in lezen. Ze sluit haar ogen en ziet hetzelfde boek nieuw en nog ongelezen op een andere tafel liggen. Ze zit ook in een andere woonkamer, ze draagt een lichtblauwe en aan de hals laag uitgesneden japon, ze is dertig jaar en kijkt naar de wieg waarin de twee maanden eerder geboren Hanna ligt. Een klepperende badkamerdeur heeft haar de vorige nacht gewekt. De gisteren door Frank Deboosere na het journaal aangekondigde windkracht zeven heeft niet alleen tegen de deuren gebonkt, maar met zijn harde vleugels ook tegen het raam gestoten. Tussen drie en vijf heeft Olga naar die wind liggen luisteren en misschien heeft ze wel tien keer neen gezegd tegen de neiging om op te staan en de kleppende deur in het slot te duwen. Luisteren naar wind en regen kleurt soms haar dromen en herinnert aan nooit helemaal voltooide reizen uit de tijd toen Hanna er nog was. Misschien moet ik Laura bellen, denkt Olga, maar meteen kijkt ze verrast op en schudt haar hoofd. Nicht Laura is de dochter van haar nu al bijna dertig jaar geleden aan kanker overleden zus. En nadat haar eigen dochter Hanna de deur met een harde klap achter zich had dichtgetrokken, is die Laura de laatste schakel van een verbrokkelde en bijna uitgestorven familie. Vier of vijf maal per jaar komt ze Olga een vluchtige kus op de twee wangen geven. Na een half uur is ze uitgepraat, maar dan haalt ze een fles rode wijn uit haar tas en zegt: daar zit mijn Tantolga op te wachten. Olga zit er niet op te wachten. Een paar keer heeft ze gedacht: ik giet die wijn in de toiletpot, maar dat heeft ze nog nooit gedaan. Na een glas wijn voelt ze nog beter dat ze aan die Laura een hekel heeft. En dat ze liever geen Tantolga wil genoemd worden. Olga tikt op een paar toetsen van haar gsm en sloft naar het raam. Ze kijkt naar het hier en daar al wat geel wordend groen van de bomen en naar de voor wind en regen onverschillige haagdoorn. Een tuinekster hippelt tussen de bloemperken en is gulzig op zoek naar wormen. Een van de laatste zomerbloemen hangt met de kop naar beneden. Als Marcelleke er was, had hij die door de wind geknakte stengel misschien al afgeknipt. Vlak voor of na het middagmaal zou hij dan op haar deur komen kloppen. Als bij de vorige afgeknakte bloem zou hij haar met van schuchterheid wat trillende mondhoeken bekijken en alleen maar zeggen: ‘asjeblieft, mevrouw.’ En dan zou ze nog eens denken: hij heeft heel zachte ogen. De vader van Hanna had geen zachte ogen. Ook geen zachte handen. Maar deze herinneringen duwt Olga weg. Ze luistert naar het gezoem in de gsm. Is Laura niet thuis? Of heeft ze zich overslapen en staat ze nog bloot en nat in haar badkamer? ‘Hallo?’ Laura’s stem klinkt vermoeid en komt van heel ver. In de achtergrond van die stem zit iets dat meer dan een beetje lijkt op de stem van Hanna’s vader. En op Hanna’s stem, voor ze opgewonden en kwaad riep dat ze naar Nieuw-Zeeland ging wonen en nooit meer terugkwam.   ‘Met je tante,’ zegt Olga en ze knijpt haar gsm. Ze zou hem op de vloer willen gooien en vertrappelen. Is het niet een beetje dwaas geweest om Laura te willen vragen om naar de tuinman te informeren? Ze stelt zich voor dat Laura nu haar voorhoofd rimpelt en met de vingers op een tafelblad trommelt. En dat ze denkt: zou dat ouwe mens van plan zijn een nog grotere zaag te worden?               De stem van Laura kruipt uit een kleverig dichte nevel. ‘Is er iets?’ vraagt ze. ‘Nee, nee, nee,’ zegt Olga. ‘Het leven kabbelt hier in steeds dezelfde rustige bedding verder. En ik hunker ook niet naar rooie wijn. Maar de tuinman is verdwenen. En niemand weet iets. Ik bedoel: ze weten het wel, maar ze willen er niets over zeggen. Ik heb er een raar gevoel bij.’ ‘Sinds wanneer is mijn tante in tuinmannen geïnteresseerd?’ De hoge lach van Laura irriteert haar. Olga vermoedt dat Laura met een wijsvinger op haar voorhoofd tikt en denkt: is die Tantolga een beetje gek aan het worden? ‘Ik heb zondag van de tuinman gedroomd,’ zegt ze. ‘Ik zag hem als een kabouter door een bos lopen. En plots was hij verdwenen. Een dag later was hij ook echt uit de tuin verdwenen.’ ‘Dromen zijn altijd te mooi of te dwaas om waar te zijn,’ zegt Laura. ‘En oude tuinmannen zijn minstens even onbetrouwbaar als boskabouters. Ze gaan af en toe op stap en niet altijd op rechte paden. Nog meer dan hun zonen of kleinzonen verslijten ze hun ellebogen aan vuile tapkasten of ze gaan in vieze straten naar nog viezere vrouwen loeren. Ik zal er eens met de directeur over spreken. Hij zal wel weten waarom die Marcel er niet meer is. Waarom heb je het hem zelf niet gevraagd?’ Omdat die directeur niet deugt, zou Olga willen zeggen. Omdat zijn kaalkop te veel blinkt, omdat er te veel zwarte sterren in zijn ogen flikkeren en omdat hij met zijn dikke vingers te hard op mijn door artrose aangevreten schouders duwt. Maar ze zegt het niet. ‘Aan die gluiperd vraag ik niets meer,’ mompelt ze. Laura zucht en zegt dat ze misschien al in de namiddag zal komen.   Een half uur later komt verzorgster Iva binnen met het middagmaal. ‘Rode kool met blinde vink,’ zegt ze. ‘En een potje yoghurt.’ Soms wel twee keer per week komt iemand vragen waarom ze de laatste tijd zo vaak uit de eetzaal wegblijft, waarom ze liever alleen op haar kamer blijft eten. Olga is het al lang beu om daar een antwoord op te geven. Met een handgebaar wuift ze de vragen weg. Ze houdt niet van het op en neer golvende en eindeloze gebabbel aan die veel te dicht naast elkaar staande tafels en van de commentaren over televisiefeuilletons die ze toch niet of maar nauwelijks bekijkt. Haar gedachten dwalen dan altijd af, ze ziet Hanna met een ijsje in haar buggy zitten, ze kijkt naar hagedissen op zonovergoten Provençaalse muren of ze luistert naar het gekras van Poolse kraaien. ‘Weet jij iets over de tuinman?’ Iva fronst de wenkbrauwen. ‘De tuinman?’ ‘Hij lijkt verdwenen,’ fluistert Olga. ‘Die tuinman is geen gewone tuinman,’ zegt Iva. Dat heeft Olga ook al gedacht. Zijn gescharrel in de tuin lijkt meer op vrijwilligerswerk en hij lijkt ook te oud om als een echte tuinman te moeten werken. ‘Hij woont ook niet in ons bejaardentehuis,’ zegt Iva. ‘Hij heeft een kamer in het oude en binnenkort af te breken bijgebouw. En hij eet in een hoekje van de keuken. Maar hij zegt geen tien woorden per dag. Misschien is hij een beetje doof. Als de directeur hem iets komt zeggen, praat hij altijd in het oor van die tuinman.’ ‘Twee weken geleden heeft hij mij een rode dahlia uit de tuin gegeven,’ zegt Olga. ‘De herfststorm van vorige nacht heeft weer enkele bloemstengels geknakt. Ik had een beetje verwacht dat hij ook nu een door de wind gekneusde bloem zou brengen.’   Iva belooft hier en daar naar de tuinman te vragen. ‘Laat de blinde vink niet koud worden,’ zegt ze in het deurgat van de kamer. Het vlees en de met pastinaakwortel gemengde aardappelpuree smaken lekker. De yoghurt blijft staan. Olga houdt er niet van en vindt het leuk om de strenge wetten van de dieetgoden af en toe aan haar laars te lappen. Aan de tuinman zou ze willen vragen om een of twee keer per week een haar verboden kom rijstpap met bruine suiker naar haar kamer te smokkelen. Een half uur later komt Iva het eetgerei halen. Ze komt heel dicht bij Olga staan en fluistert in haar oor dat de tuinman spoorloos verdwenen is en dat de politie naar hem op zoek is. Want om een of andere reden mocht hij het tehuis niet zomaar verlaten. Olga moet haar beloven dat ze aan niemand zal zeggen dat Iva haar dit verteld heeft. Olga knikt en grijpt Iva’s handen. ‘Wat weet je nog meer?’ vraagt ze. Iva schudt haar hoofd. ‘Misschien weet ik morgen meer,’ zegt ze. ‘Tot straks.’ Twee uur later wordt er overdreven luid op de deur geklopt. Olga ontwaakt uit haar soes en ziet Laura binnenkomen. Een groene mantel verbergt haar weldoorvoede lichaam en een knalgele sjaal hangt als een vloek onder haar kin. ‘Ik heb veel en groot nieuws,’ zegt Laura. Olga krijgt een kus op elke wang. Ze huivert van het rond haar walmende en met te veel muskus doortrokken parfum. Laura zet haar schoudertas op de tafel en bekijkt het daar liggende boek met hoog opgetrokken wenkbrauwen. ‘Lees jij Elsschot nog altijd in die intussen al drie keer achterhaalde spelling? Is het door zijn oude verhalen dat je een beetje verliefd bent op een tuinman?’ Olga sluit haar ogen. Zwijg, denkt ze. Ga weg, denkt ze. ‘Ik heb met de directeur gepraat,’ zegt Laura, ‘en dat is een verrassend gesprek geworden. De tuinman waar jij zo verslingerd op bent, dat is geen gewoon mannetje.’ ‘Hij heeft mij een rode dahlia gegeven,’ zegt Olga. ‘En een takje met roodrijpe rozenbottels.’ Laura lacht en laat haar wijsvinger op en neer huppelen. ‘Die tuinman is een boef,’ zegt ze. ‘Hij heeft het grootste deel van zijn leven achter de tralies gezeten. Acht overvallen met zes doden en niet één moment van wroeging of berouw. Hij verbleef hier op proef en onder toezicht van de politie. Zonder begeleiding mocht hij het gebouw niet verlaten.’ Ze liegt, denkt Olga. Ze duwt Laura’s wijsvinger weg en zegt dat Marcelleke haar vandaag een door de wind afgeknakte bloem zal brengen. ‘Dat zou een mirakel zijn,’ zegt Laura op een lacherige toon. ‘Want Marcelleke is dood. Hij is er op een nog niet achterhaalde wijze in geslaagd naar Zweden te vluchten. En vandaag staat zijn portret op de eerste pagina van de daar populaire kranten. In Södertalje heeft hij karper met wijnsaus en in rendiervet gebakken aardappelen gegeten. Van uit zijn hotelkamer heeft hij dan de Blue Angels Club gebeld en een hoer besteld. Ze moest een dikke kont en grote borsten hebben. En die club heeft hem een uit de Oekraïne afkomstige Svetlana gestuurd.’ ‘Ja, ja, ja,’ zegt Olga. ‘Ik weet wat je nu zal zeggen. Hij heeft haar keel dichtgeknepen. En daarna ook het kamermeisje of de hoteluitbater vermoord.’ ‘Mis,’ zegt Laura. En ze tikt met haar wijsvinger op Olga’s voorhoofd. ‘Jouw kabouter heeft die Svetlana alleen maar gevraagd een liedje te zingen. Van haar Oekraïens liefdesliedje heeft hij misschien maar twee of drie woorden gesnapt, maar hij genoot ervan, heeft ze aan de journalisten gezegd. Dan heeft hij de voor- en achterkant van die Svetlana op wel honderd plekken gezoend en een in zes eurobiljetten gewikkelde rode roos op haar navel gelegd. Zo staat het in een Zweedse krant.’ ‘Je liegt,’ fluistert Olga. ‘Jij leest geen Zweedse kranten. En die van vandaag kan je ook nog niet hebben.’ Ze zou Laura in het gezicht willen spuwen, maar ze voelt zich te moe.   ‘Een kwartier geleden heb ik die krant op de computer van de directeur gelezen.’ Er klinkt een boze triomf in Laura’s stem. Iemand prikt in mijn armen en benen, denkt Olga. In haar oren is het geruis van een verre storm te horen. Ze weet dat ze die Laura nooit meer wil zien. Als Iva straks de avondmaaltijd brengt, zal ze de verzorgster veel meer dan een dankwoord toefluisteren. ‘Jij en ik,’ zal ze zeggen, ‘jij en ik, wij worden goede vrienden. Wij zullen af en toe een glas wijn drinken of rijstpap met bruine suiker eten.’ ‘Het verhaal heeft nog een staartje,’ zegt Laura. ‘Drie minuten na het vertrek van zijn Svetlana is jouw tuinman in zijn blote flikker op het dak van het hotel gekropen. Hij heeft er staan roepen en is dan naar beneden gesprongen. Laten we daar maar een glas wijn op drinken.’ Laura haalt een fles uit haar schoudertas. ‘Dit keer een witte wijn uit Griekenland,’ zegt ze. ‘Dat zal Tantolga wel lekker vinden. Tantolga?’ De oude mevrouw Olga hoort het niet meer. Haar hoofd ligt wat schuin gezakt tegen de rugleuning van haar zetel en het blauw van haar ogen verbergt zich achter een doorschijnend grijs gordijn. Ze loopt over het tuinpad en groet twee merels die innig naast elkaar op de onderste tak van een appelboom zitten. Ze wandelt tussen de hazelnootstruiken en wuift naar de op haar wachtende tuinman. Ze loopt hem tegemoet en hij vangt haar in zijn armen op. Hij streelt haar rug en steekt een rode dahlia tussen haar borsten. De tuinmuur splijt, ze ziet een met palmbomen omzoomd park en een meer met een blauwe zeilboot. De kapitein draagt een lang wit kleed met vergulde biezen. Hij slaat zijn vleugels uit en maakt een uitnodigend gebaar. De tuinman wijst naar de blauwe boot. ‘Kom,’ zegt hij. ‘We gaan varen.’ Olga grijpt Marcelleke’s arm en legt haar hoofd tegen zijn schouder. Hij heeft zachte ogen, denkt ze. Een onhoorbare wind blaast de boot naar een niet te peilen overkant.    

Lucas Bee
0 0

Mijn Verhaal

Hallo, jongen. Lang geleden... Je komt niet meer op bezoek, jongen, ik denk dat het wel al vier maanden geleden is... Dat be­grijp ik wel, hoor – al mis ik je natuurlijk wel. Je hebt het natuurlijk druk met vrienden en school en zo op jouw leeftijd. En je oma zegt dat je steeds meer nadenkt en vragen stelt. Dat je haar uitleg steeds minder gelooft – ik hoop dat je het haar niet kwalijk neemt, jongen. Oma heeft de waarheid soms wat verdraaid, wat ver­bloemd, maar dat was enkel om jou zo lang mogelijk zorgeloos te laten op­groeien en genieten van je jeugd. Dat vond ze belangrijk, en ik ook. Het is niet haar schuld. Maar ik begrijp wel dat je niet meer wil langskomen, ik begrijp dat wel. Dat je niet meer weet wat je van me moet denken. Dat je misschien wel erg kwaad op me bent. Maar – nu je steeds meer de volledige waarheid zult ach­ter­halen, vind ik het belangrijk om het je te kunnen uitleggen – of toch te proberen. Niet om het goed te praten of – om mezelf vrij te pleiten of zo. Het valt niet goed te praten, het is zoals het is. Maar omdat – omdat ik ergens toch hoop dat je het dan misschien beter zult kunnen begrijpen. Daarom maak ik deze opname – ik hoop dat je toch deze ene keer nog naar me zult willen luisteren. Je moet weten, jongen, dat niets van wat er gebeurd is, met jou te maken heeft. Het schijnt dat kinderen zichzelf vaak de schuld geven, dat heb ik tenminste gehoord – dat mag je echt niet doen. Je moet weten dat we allebei altijd zielsveel van je gehouden hebben. Wat er gebeurd is komt niet door jou jongen, maar door ons. Of door mij in ieder geval – het is niet mijn bedoeling om je vader zwart te maken. Dat zou niet eerlijk zijn, hij kan zich niet meer verdedigen. Je moet begrijpen – later als je zelf een vriendin hebt, ik bedoel, als je gaat samenwonen en samen een leven uitbouwen en zo – dan zal je het misschien een beetje begrijpen – dat het niet altijd zo gemakkelijk is om samen te leven. Ik – misschien mag ik je dit niet vertellen, ik wil je niet bang maken – ik hoop dat ik je niet bang maak zodat je zelf geen vriendin meer zal willen... Dat is niet de bedoeling. Kijk maar naar tante Christine en nonkel Jef, of naar oma en opa – het kan allemaal heel mooi zijn, daar moet je in blijven geloven, maar— En in het begin was dat ook zo natuurlijk, ook bij ons. Toen ik je vader leerde kennen was het allemaal prachtig. Dat waren nog eens tijden, jongen. Ik was twintig, hij zes­en­twin­tig, hij was echt zo’n knappe, nette man met mooi gekamd pikzwart haar en een verfijnd gezicht – je lijkt op hem, weet je dat? Hij kon zo prachtig lachen, en hij was een echte gen­tle­man. Ik was direct smoor­ver­liefd. Je vader was een denker – een filosoof. Hij wist over alles iets en had over alles een mening. Overal waar we kwamen wist hij iets interessants te vertellen, en altijd met evenveel enthousiasme – ook als hij zijn me­ning verkondigde, altijd met vurig enthousiasme, alsof de wereld zou ver­gaan als hij je niet kon overtuigen. Prachtig vond ik dat. Ik hield van hem. Echt wel. En hij van mij. Hij zou niet meer zonder mij kunnen, zei hij. Het was zo’n charmeur – hij zei dat hij nog nooit iemand had gezien die zo’n mooi blond haar had als ik, van die dingen zei hij altijd. Weet je dat nog, jongen, hoe mijn haar er vroeger uitzag? Kijk hoe het er nu bijligt, ik zou er eens iets aan moeten doen... En hij had een Mercedes met een open dak, zo’n chic zwart model van wel vijf, zes meter lang— Sommige mensen zeggen dat ik met hem getrouwd ben omwille van zijn geld – dat mag je nooit geloven, jongen, nooit. Dat is helemaal niet waar. Ik hield van hem omdat hij knap en charmant en grappig en sterk was, en toegegeven, die Mercedes vond ik ook wel leuk – maar niet voor zijn geld. Nu is het jouw geld, jongen, later, als je achttien wordt, dan wordt het allemaal jouw geld. Dat heb je dan toch. Nu is het niemands geld, ik mag er niets mee doen, al zou ik er enkel dingen voor jou mee willen kopen. Mijn geld is het in elk geval niet, en daar was het me ook nooit om te doen. Geloof je dat, jongen? Probeer me alsjeblief te geloven – waarom zou ik liegen, er is toch allemaal niets meer aan te doen... En met die Mercedes kwam hij dan aangereden, stopte hij voor het huisje van oma en opa om me te komen ophalen – het huis waar jij nu woont, jon­gen. Ik heb gehoord dat je de kamer van tante Christine hebt, die is na­tuur­lijk veel groter dan de mijne. Ik hoop dat je het een leuke kamer vindt. Maar later— Hij was – weet je, hij was het soort man dat alles voor je doet, zorgt dat alles in orde komt, dat je je nergens zorgen over hoeft te maken. In het begin vond ik dat geweldig – als ik met hem afsprak moest ik me nergens iets van aantrekken, gewoon alles over me heen laten komen, gewoon genieten – in het begin was het heerlijk. En dan nam hij me mee, gezellig een eindje rijden met die cabrio van hem. Nergens naartoe, gewoon rijden. En dan stopten we soms op een ro­man­tische plek met gras en bloemen en bomen om te pick­nic­ken – stie­kem denk ik dat hij die plekken op voorhand uitzocht en er bewust naartoe reed, maar dat wou hij nooit toegeven. Maar later – ik weet niet goed hoe ik dit moet zeggen, ik wil nog steeds geen kwaad spreken over hem, maar— Later bleek dat ik niets mocht regelen, dat ik me nergens zorgen over mocht maken. Hij had een goedbetaalde job, en als ik geld nodig had dan was er geld. Maar ik wist niet wat hij precies deed – hij was advocaat, maar waar hij precies mee bezig was, dat wist ik niet. Ik wist niet hoeveel geld we hadden en waar­in hij het allemaal investeerde. Hij vond dat ik niet hoefde te werken om­dat we geld ge­noeg hadden – maar ik wilde werken. Daar had hij geen oren naar. Ik moest maar thuis blijven, eten maken, het huis op orde houden – dat zei hij niet hoor, maar daar kwam het wel op neer. We had­den een prachtig huis, dat wel. Dat had hij gevonden, natuurlijk, in z’n eentje, maar ik hield wel van dat huis. Het was groot en wit en licht en het had een enorme tuin – weet je dat nog, jongen, ons huis van vroeger? In de Oranjebloesemlaan? Maar hij luisterde niet naar mij, jongen, nooit. Als ik iets anders wilde doen dan hij, dan was hij teleurgesteld, beledigd. Soms zei hij dat ik maar beter een andere man kon zoeken als ik vond dat hij niet goed voor me zorgde. Soms dacht ik dat ik dat inderdaad maar moest doen, dat ik hem beter kon verlaten, maar dat deed ik niet. Ik wou het jou niet aan­doen jongen, dat klinkt nu misschien nogal ironisch, maar het is de waar­heid. Ik wou niet dat jij zou moeten opgroeien met gescheiden ouders. Dat zou ik egoïstisch vinden van mezelf. Ik zou het wel vol­hou­den, zo slecht was het toch niet – aan elk huwelijk schort wel iets. Uit­ein­de­lijk werd er goed voor ons ge­zorgd, jij kwam niets te kort. Zonder hem zou ik je dat allemaal niet kunnen bieden. En ik had schrik, jongen, schrik dat hij jou zou afpakken. Zijn broer was ook advocaat, al zijn vrienden waren advocaten. Als hij een rechtszaak aanspande zou ik het nooit van hem kunnen halen. Ik durfde niet bij hem weggaan, jongen, ik hoop dat je dat kunt begrijpen. Ik zou mijn lot wel ondergaan zodat jij gelukkig kon zijn. En zodat ik bij jou kon blijven. Maar toen hij naar Californië wou verhuizen – weet je dat nog jongen, toen hij zei dat we naar Amerika gingen? – toen heb ik gezegd dat ik niet mee wilde. Er was niets meer aan te doen, zei hij – hij had al een koper voor het huis, en het contract voor zijn nieuwe job was al getekend. Maar ik moest me geen zorgen maken, zei hij, hij zou meer verdienen en het zou altijd mooi weer zijn. Hij had zelfs al een school gevonden voor jou. Maar ik wilde niet. Ik wilde het huis niet kwijt, ik wilde niet weggaan van mijn familie – jouw familie. Ik ga niet mee, zei ik. Weer die teleurgestelde blik. Maar toen zag hij dat ik het meende. Dan moest ik maar blijven, zei hij plots. Hij zou het huis dan maar niet verkopen, maar híj zou wel verhuizen, en jij moest wel naar die chique Ame­ri­kaan­se school. Hij meende het, jongen, hij zou je meenemen dui­zen­den ki­lo­me­ters bij me vandaan. Ik zou je amper nog zien – nog min­der dan nu waar­schijnlijk. Toen sloegen de stoppen door, jongen. Het was verkeerd en het spijt me verschrikkelijk, maar ik kon niet anders— Op dat moment voelde het alsof het echt niet anders kon. Ik hoop dat je dat ooit kunt be­grij­pen, jongen.  

Jan August
0 0

Lena

Het snerpende geluid van de wekker begon geleidelijk tot hem door te dringen. Godverdomme, nu al. Het leek alsof hij nog maar net gaan slapen was. Een bonzende pijn in zijn voorhoofd. Hij kroop verder weg onder zijn deken. Maar het hield niet op. Zijn keel was droog, zijn oren suisden. Zijn maag zat in de knoop. Waar was hij allemaal geweest gisteren? Hoe was hij thuisgeraakt? Hij herinnerde zich vaagweg een donkere bar. Gepraat. Bier, wodka, wat nog allemaal. Hij moest pissen. Kotsen ook misschien. Maar hij wilde nog niet uit de warme cocon van de deken komen. De wekker bleef maar lawaai maken, het gepiep ging door merg en been. Woedend mepte hij overal op zijn nachtkastje, tot het stil werd. Rust. Waarom moest hij opstaan? Moest hij ergens zijn vandaag? Hij opende zijn ogen. Het was donker in de kamer, maar door de spleetjes in de rolluiken priemden straaltjes daglicht naar binnen. Hij rolde zich op zijn andere zij. De kamer bleef nog even nadraaien. Zijn maag keerde zich om. Naast hem lag Lena. Met haar rug naar hem toe, en het deken zo hoog opgetrokken dat enkel haar lange bruine haren er nog bovenuit kwamen. Aah, Lena. Toch iets goeds deze morgen. Hij kroop dicht tegen haar aan, tot hij haar warme lichaam kon voelen en haar haren kon ruiken. Ze roken vreemd, anders dan anders. “Liefje, ben je wakker?” Hij klonk hees. “Mmmm.” Hij glimlachte. Haar stem klonk een beetje raar. Waarschijnlijk ook te veel ge­dron­ken, te hard ge­schreeuwd in bars en cafés. Hij streelde haar rug. Haar rug was bloot. En warm. Lena droeg altijd een oud t-shirt in bed, anders kreeg ze het koud, zei ze. “Lena?” “Goeiemorgen, lieverd...” Hij trok zijn arm terug, ging abrupt rechtop zitten – té abrupt. Hij voelde hoe zijn maaginhoud brandend zijn slokdarm inliep en weer zakte. De hele kamer draaide in verwarrende cirkels om hem heen. Lieverd? Lena haatte dat woord. Hij deed zijn nachtlampje aan. Ze draaide zich om en keek hem aan. Het was een mooi meisje, ongeveer zo oud als Lena. Ze had ook lang bruin haar, maar niet hetzelfde bruin, zag hij nu. En verder leek ze absoluut niet op Lena. What the hell... Zijn hersens werkten op volle toeren, voor zover ze dat konden – de kamer bleef maar draaien. Wie was ze? Hoe kwam ze hier? Had hij haar meegebracht? Had hij met haar— Was hij echt zó dronken geweest? Nee. Dat kon niet. Dat mocht niet. Zoiets zou hij nooit doen. Lena zou het hem nooit vergeven. “Kerel, je kijkt alsof ik een zombie ben... Je moet jezelf anders eens bekijken...” Het meisje lag hem glimlachend aan te kijken, met de deken nog steeds tot aan haar kin. “Ik... Euh... Wie ben jij?” “Oh Steven,” zei ze wanhopig. “Herinner je je echt niet wie ik ben?” Hij schudde verward zijn hoofd – zijn hersens klotsten heen en weer in zijn schedel. Ze zuchtte. “Ik ben Karen...” “Karen...” Hij kende geen Karen. Dat dacht hij toch. Denken, Ste­ven, denken! Ze schudde haar hoofd. “Ik hou dit niet meer vol, Steven... Ik hou van je, maar dit... Dit kan ik niet meer aan...” Ik hou van je? “Wat? Wie... Wie ben jij? Waar is Lena?” “Lena is dood, Steven.” Dood? Lena? Hij hoorde zichzelf bazelen, schreeuwen, maar wist niet wat hij zei. Hij vloog op haar af, greep haar vast, rolde samen met haar de grond op – hij hoorde haar gillen, hoorde zichzelf roepen. “Wat heb je met haar gedaan? Wat heb je met haar gedaan?” Eindelijk besefte hij weer wat hij aan het zeggen was. En toen be­sef­te hij dat hij bovenop haar zat, dat hij zijn handen om haar nek gekneld had. Ze keek hem verschrikt aan. Hij liet haar los, deinsde hijgend achteruit. Duizelig staarde hij haar aan, kon zijn blik maar niet gefocust krijgen. Ze lag op de grond op haar rug, naakt op een roze slip na. Lena had net zo’n slip. Ze was bijna even mooi als Lena. Maar hij wilde niet naar haar kijken, hij wilde haar blote lichaam niet zien, hij wilde het niet in zijn kamer! Wat zou Lena zeggen... “Steven!” riep ze hijgend. “Ik heb niets gedaan, Steven. Ze heeft een ongeval gehad – jullie hebben een ongeval gehad, je zat naast haar. Ze moet even de controle zijn kwijtgeraakt, of – ze weten het eigenlijk niet goed. Ze was op slag dood, Steven. En jij—” Ze zweeg even. “Ik kan het niet meer aan, Steven, het duurt nu al maanden...” Een traan liep over haar wang. “Ik weet dat je van me houdt, dat zeg je elke avond, en elke avond hoop ik dat je me ‘s morgens nog zult herkennen, maar—” Hij schudde zijn hoofd. Dit kon niet waar zijn. Hij wilde iets zeggen, hij wilde duizend en één dingen zeggen maar kreeg niets over zijn lippen. Hij had geen idee wat hij de avond ervoor gedaan had, hoe hij aan deze kater kwam – was het wel een kater? Hij stond op en zwalpte naar de badkamer. Hij moest pissen. En nadenken. Hij ging zitten op de toiletpot, bang dat hij anders zou omvallen. Dit kon gewoon niet waar zijn. Hij was gisteren gaan werken, zoals altijd, en ‘s avonds zou hij naar een feestje gaan. Was het toen gebeurd – was dat toch niet gisteren geweest? Hij zette de radio aan, het kleine blauwe radiootje dat Lena absoluut in zijn badkamer had willen zetten – ‘een streepje muziek onder de douche,’ zoals ze dat zo mooi zei. Hij draaide verwoed aan de knop tot hij een nieuwszender vond. Twaalf januari zeiden ze dat het was. Maanden? Hij herinnerde zich Nieuwjaar nog, toen was hij met Lena bij vrienden gaan eten, ze hadden het zaligste feestmaal allertijden klaar­ge­maakt. Het klopte niet, natuurlijk klopte het niet. Het nieuws begon, het ging over terrorisme in Parijs. Daar ging het gisteren ook over. Er zat geen maandenlang hiaat in zijn geheugen, enkel die ene avond. Te veel gedronken, veel te veel, dat was alles. Maar wie lag er dan in godsnaam halfnaakt in zijn slaapkamer? Hij stond op, stak zijn handen onder de kraan en kletste flink wat koud water in zijn gezicht. Wat had ze in godsnaam met Lena gedaan? Hij gooide de deur open en stormde de slaapkamer in. “Je liegt!” schreeuwde hij. “Je liegt! Wie ben je en wat heb je met Lena gedaan!” Ze lag languit op het bed met één been gestrekt en het andere opgetrokken en keek hem aan met een wulpse blik. Haar rechterarm lag uitgestrekt op het bed, haar hand op zijn kussen. “Kom hier, lieverd, ik hou van je.” Het klonk gebiedend, zelf­ver­ze­kerd. Niet zoals daarnet. Hij zocht zijn gsm. Hij moest Lena bellen, haar stem horen. “Vind je mijn haar niet mooi zo misschien?” vroeg ze teleurgesteld. “Is het niet de juiste kleur?” Waar had hij zijn gsm gelaten? Niet op zijn nachtkastje. Hij zocht in de zakken van zijn jas, zijn broek die over een stoel hing. Daar was hij. “Lena’s huid is bruiner, niet? Is het dat? Daar kan ik wel aan werken als je wil hoor...” Hij ging niet aan, de batterij was leeg. Hij vloekte. Hij moest Lena bellen. En de politie – plots besefte hij dat hij de politie moest bellen. Bij de buren dan maar. Hij stormde naar de voordeur. Op slot. Er zat geen sleutel op. Hij haalde nooit de sleutel van de deur als hij thuis was. Hij begon als een waanzinnige aan de deur te rammelen – tevergeefs. “Ik denk dat je best even rustig aan doet,” zei het meisje kalm. Hij keek naar haar. Ze lag nog steeds op het bed, in exact dezelfde pose. “Het was ge­mak­ke­lij­ker geweest als je me geloofd had, maar goed...” Ze draaide zich op haar zij en keek hem aan. “Luister, lieverd, ik ben helemaal van jou en ik doe alles wat je wilt in dit bed, oké? Ik beloof je dat ik stukken beter ben dan die Lena van je.” Terug die zelf­ver­ze­kerde, ietwat hautaine toon. “Maar als je zo bezorgd bent over haar, kan je best even doen wat ik zeg: er wordt niet ge­schreeuwd, er wordt niemand ge­beld, en we gaan ner­gens naartoe. En geen woord meer over haar.”  

Jan August
3 0

De geur

Hij duwt mijn achterhoofd tegen de kapstok, een plank met dubbele haken op kleuterhoogte. Door de hitte walmt de pislucht, diep doorgedrongen in het cement van de tegels in de wc, door de deuren de hal in. Ik roep dat hij moet ophouden. Het is mijn eerste schooldag en vechten moet ik nog leren. Hij is al vijf en zijn haren zijn te kort om aan te trekken. Huilen dan maar. Heel hard huilen. Ik kijk opzij. De juf zit achter haar tafel in het lokaal. Ik huil stevig door. Zij kijkt niet op van haar boek als zij met een armzwaai en gebalde vuist gebaart dat ik erop moet slaan. Mijn jurk plakt tegen mijn rug. Mijn staartjes wiebelen bij elke beweging. Buiten gillen klasgenoten van plezier. Op het bouwrijpe terrein worden verhitte koppies geblust. De noodlokalen in de nieuwbouwijk hebben nog geen schoolborden, maar wel een brandslang. Marko duwt harder en grijnst. De metalen haken drukken in mijn hoofdhuid. Ik schreeuw en worstel me los. Eindelijk kijkt de juf naar ons. Ze staat op en pakt in het loopje een appel uit haar tas. Haar rok blijft haken aan de punt van haar bureau. Ze zucht, neemt een hap en loopt door. Marko sluit zich op in de wc.   Ik snik. Ze hurkt en pakt mijn handen vast, de appel tussen haar tanden. Ze draait me om en strijkt wat haren opzij. Ze draait me terug en knikt. Haar ogen staan zacht. Het sap van haar appel loopt langs haar kin. Ze pakt een kruk en trekt me op schoot. In haar linkerhand haar appel, haar rechterhand aait mijn hoofd. ‘Geen bloed’, fluistert ze. Met de palm van haar hand veegt ze het sap van haar kin. Ze ruikt naar bloemen en fruit. Naar crème, zeep en parfum tegelijk. De geur van juf. Mijn neus begraaf ik in haar blouse. Ik stop met huilen en haal diep adem. Mijn leven op school is begonnen. Ik krijg een kus en glijd van haar schoot. Buiten gooi ik mijn jurk op de stapel met kleren bij de deur. In mijn onderbroek huppel ik naar de groep. Halverwege raakt een koele straal mijn brandende achterhoofd. Ik gooi mijn armen in de lucht en gil.

Iris van der Putten
18 0
Tip

MH17

Het is haar geur die hij vergeten is. De herinnering waar hij het meest naar verlangt, is gewist. In de nacht zijn het de details die hem uit zijn slaap houden. Overdag sukkelt hij op de bank in slaap met haar vingers, die spelen met zijn krullen. Haar koortslip in de winter. Haar niet uit te roeien gewoonte een mes af te likken. Haar geklaag over te kleine schoenen, die zij toch zelf heeft gekocht. Haar bevestigende gehum aan de telefoon met haar moeder en haar gescheld na het gesprek. Haar blik tijdens de woordeloze seks vroeg in de ochtend. Hij droomt over een toevallige ontmoeting en hoe hij weer als een blok voor haar zou vallen. Hij heeft nachtmerries over haar vrije val.   Hij loopt naar het raam en ziet de vuilniswagen vertrekken zonder zijn vuilniszakken. Nu zij er geen ruzie meer over kunnen maken, vergeet hij ze bijna elke week. Hij was boos als zij kleding voor hem kocht. Hij was geen jongen en zij niet zijn moeder. Nu loopt hij al weken in een broek met een scheur in zijn kruis. Geen nacht sliep hij zonder haar, zijn neus in haar haren begraven, zijn wijsvinger tussen het elastiek van haar slip. Haar glimlach in de ochtend als hij knorrig om een vijfde keer snoozen vroeg en zij hem zachtjes duwtjes gaf. Ze hadden veel gemeen en verschilden genoeg om van elkaar te houden. Zij was de denker, hij was de kijker. Hij had werk, zij had plannen. Ze hoorden bij elkaar vanaf die eerste ontmoeting in Kuala Lumpur vijf jaar geleden.   Al zijn herinneringen wil hij inruilen voor een vleug van haar geur. Dan kan hij door met zijn leven, dat nu vastgedraaid lijkt. Dagen beginnen en eindigen met haar en hij schrijft zonder scrupules verzonnen reportages tussendoor. Haar notitieboekjes liggen open op zijn bureau. Haar regelmatige handschrift nodigt uit iets te doen met de inhoud. Hij gebruikt haar aantekeningen van reizen, die hij zelf nooit maakte. Zijn boodschappen worden bezorgd en de redactie en zijn vrienden denken dat hij op Cuba zit. Schrijnend hoe verdriet en leugens samen gaan. Hij draait zijn hoofd af van zijn weerspiegeling in het raam. Van de man waar zij verliefd op was, is niets over. Vliegtuigen trekken strepen in de lucht.   Hij sluit de gordijnen en gaat op de bank liggen.

Iris van der Putten
27 2

Reünie

      Alsof deze met de strafste contactlijm was ingesmeerd, zó roerloos plakte Bertrand aan zijn zetel. De man had schrik, dat als hij ook maar een ietsepietsie bewoog, hij uit een droom zou ontwaken. Door zijn opspelende maag moest hij uiteindelijk toch opstaan. De wc vulde zich meteen met een penetrante zure stank. Nochtans had Bertrand niets slecht gegeten, neen, stress was de boosdoener. De zenuwen waren door zijn keel beginnen gieren op het moment dat de vierde bal viel en deze net als de vorige drie een correct cijfer toonde. Daarna viel bal vijf... en zes... Bertrand was dan, met een van verbazing opengevallen mond, naar het scherm blijven staren. Terwijl snel wisselende euforie en ongeloof zijn gedachten beheersten, las hij steeds weer die ene regel op de teletekstpagina. Eén winnaar met 6 juiste nummers, meer dan 1.000.000 €, en dat was hij! Sinds zijn vrijlating, nu vijf jaar geleden, had Bertrand met moeite de eindjes aan elkaar kunnen knopen. Dat was dus verleden tijd. Meer dan 40.000.000 oude Belgische franken! Dat klonk nog beter, vond Bertrand. Hij zou een wereldreis maken, zijn ouders, die hij toch veel leed had gedaan, mochten delen in de winst, en een nieuw huis en gloednieuwe wagen stonden ook op zijn verlanglijst. Bertrand nam plaats aan het tafeltje in de kitchenette van zijn studio. In zijn fantasie zat hij echter al aan een eikenhouten meubelstuk in een riante woonkamer, mét een mooi vrouwtje. Voortaan hoefde hij ook nooit meer acht uur per dag af te wassen. Plots werd Bertrand kwaad. Die klootzak van een baas verdiende allang een pak rammel. Neen, niet goed. Eén klap dan, pijnlijk maar zonder schade? Ja, dat kon. Bertrand was trots op zijn zelfbeheersing. Uit pure blijdschap veerde hij op en sprong als een speelse jonge hond in zijn zetel, die daardoor met een knal tegen de muur schoof. Dan zette Bertrand zijn stereo aan. Uit de boxen schalde meteen: 'Hat ik maar iemant om fain te houwe... twei zachte armen oim me hein...' Stop! Bertrand keilde de schijf door het openstaande raam en nam een cd met carnavalshits. Toeters, trompetten en zingende feestneuzen klonken, terwijl Bertrand breed lachend een polonaise solo in zette. De hele nacht verstoorde hij zo de rust van de omwonenden in het flatgebouw. 's Ochtends haastte hij zich naar de dichtstbijzijnde krantenwinkel, maar de machinerie van de nationale loterij werkte blijkbaar niet op zondag. 'Geen probleem, morgen ben ik ook nog miljonair', riep Bertrand en wandelde naar de stationsbuurt, waar de cafés met de laagste prijzen waren. Bij het binnenkomen fluisterde Bertrand de waard iets in de oren. Deze trachtte schertsend wat los te peuteren maar kreeg verder geen uitleg. Flup luidde dan maar de bel: 'Tournée Generale!' En hij moest dat niet één keer doen, maar verscheidene, zo om het half uur. Iedereen werd gek. De meesten hadden geen cent te makken, dus was gratis bier een godsgeschenk. Bertrand, die nog nooit zoveel vrienden had gehad, werd luid toegejuicht en kreeg enkele smakkerds. Er werd zelfs voor hem gezongen, zij het in een vage toonaard. Na een tijd vond hij het welletjes. Hij betaalde, zei dag tegen die die nog recht stonden en gaf een bonk van een kerel, die hij goed begreep want ook hij had gezeten, een stevige handdruk. Die kerel vroeg wat hij van plan was, het leek wel of hij afscheid nam. Niettegenstaande zijn stilzwijgen, werd Bertrand geluk toegewenst. Dan trok hij de deur achter zich dicht. Het enige dat Bertrand die dag verder deed was dromen. Maandagochtend was hij voor dag en dauw op en nam een taxi, rechtstreeks naar de hoofdstad. Net voor Bertrand het gebouw van de nationale loterij wou ingaan, viel er vlakbij een jongetje op de grond. Het bleef voor dood liggen. Meteen snelde Bertrand te hulp. Wanneer hij over het kleine lichaam boog, werd hij verrast door een waterstraal in het gezicht en vliegensvlug ging het lachende jongetje ervandoor. Bertrand kon dat kattenkwaad wel hebben. Zogenaamd verontwaardigd foeterde hij en zwaaide met zijn vuist. Het kind, nog steeds schaterend van de pret, verstopte zich verderop achter de rug van een man. Die laatste, blijkbaar de vader, glimlachte verontschuldigend en gaf zijn zoontje een tik op het achterhoofd. Bertrand gebaarde dat het niet erg was. Toen hij weer naar de hoofdingang van de nationale loterij stapte, hield Bertrand opeens halt. Een kind dat 'doodvalt', het gezicht van die man, hij herkende alles. Hij draaide zich om, maar de man en het jongetje waren intussen verdwenen. Bertrand begon te lopen en sloeg op goed geluk de hoek van de eerste straat rechts om. Daar zag hij het tweetal. Bernard haalde ze in en vroeg meteen: 'Peter? Peter Vertongen?' 'Present', zei de man terwijl hij achterom keek. 'O, bent u het. Nogmaals mijn excuses voor dat grapje. Maar, hoe kent u mijn naam?' 'Vertongen, ben je blind geworden? Ik ben het, Bertrand. Plak op mijn hoofd een snor, lang haar en denk die bril weg.' 'Wat zeg je me nou? Inderdaad, Bertrand!' In het begin van zijn criminele loopbaan, lang geleden, waren Peter en hij onafscheidelijk geweest. Peter was echter snel tegen de lamp gelopen, waarna hij het milieu vaarwel had gezegd. Bertrand had hem toen voor verrader uitgescholden. Later begreep hij dat hij jaloers was geweest op zijn vriend, om zijn moed de juiste manier van leven te kiezen. Nu de eerste verbazing van hun onverwachte ontmoeting wat was verdwenen, zei Peter: 'Je kan me blind noemen, Bertrand, maar je bent echt veranderd.' 'Jij anders niet. Plots herinnerde ik me alles, dat spelletje, jouw glimlach en natuurlijk die rosse lokken. Hoe dikwijls hebben wij die truc vroeger niet gebruikt? Dat ik er nota bene in trap!' 'Tja...' 'Onder ons gezegd en gezwegen, je bent dat jongetje toch niet aan het trainen? Ik dacht dat jij allang een schoon leven leidde.' 'Nog altijd. Het gebeurt gewoon soms dat je dat tijdens het spelen gebruikt en dan doet zo' n jochie dat na. Hij zal niet dezelfde fouten begaan als zijn vader.' 'Een echte crimineel ben jij nooit geweest.' 'Jij daarentegen, de verhalen die ik in de jaren heb gehoord.' 'Zeker de helft onwaar.' 'Dan nog.' 'Peter, wat gebeurd is, is gebeurd en geloof het of niet, ik ben al vijf jaar clean én uit de bak.' 'Wat doe je nu dan voor de kost? Jij werkt toch niet bij de nationale loterij? Ik dacht dat je er zonet naar binnen wou gaan.' 'Wel ja...' 'Bertrand, het is hoogst onwaarschijnlijk dat ze daar iemand met uw verleden zouden aannemen. Maar wacht eens, jij hebt gewonnen, niet?' 'Neen, neen, ik moet inlichtingen hebben.' 'Ach zo. Nou ja, het zijn mijn zaken niet. Zeg, zin om iets te gaan drinken? Dan kunnen we verder bijpraten.' 'Waarom niet. Ik trakteer', zei Bertrand fier. 'Ik zie jullie straks in dat café daar.' Peter zei daarop tegen zijn zoontje: 'Jonas, laat nog eens zien aan mijn goede vriend Bertrand hoe jij mensen kan foppen.' De jongen liet zich vallen en Bertrand deed voor de gein opnieuw mee. Na de obligate waterstraal vertrok Bertrand opgewekt. Aan de ingang van de nationale loterij bleef hij nog één keer staan. Hier begon zijn nieuw leven. Voor de zekerheid tastte hij in zijn binnenzak. Verbijsterd voelde Bertrand zijn vingers door een snee in zijn jas gaan. Hij kreeg een waas voor de ogen.    

johan saenen
0 0

Femke

      Wat een brave, goede meid was Femke toch. Haar papa was met de noorderzon vertrokken, had mama voorgoed verlaten, en om die te sparen kloeg Femke nooit. Mama ging gebukt onder zorgen. Uiteraard omtrent papa, maar ook om het geld dat met hem was verdwenen. Net als mama werd Femke dagelijks heen en weer geslingerd tussen verdriet en woede. Het ene moment miste ze papa ontzettend, het andere moment wenste ze hem uit de grond van haar hart dood. Desondanks scheen het kind uiterlijk kalm.   Tenzij je Femke 's nachts zou observeren. Dan lag ze te piekeren en te woelen. Het stressverschijnsel was telkens krampen in de buik. Diep in haar darmen gistte en borrelde het dat het een aard had. Regelmatig was het zo erg dat Femke uit haar onvaste slaap schoot. Dan was het zaak snel de wc te bereiken, maar toch ging het traag want zelfs in deze uiterst vervelende omstandigheden dacht Femke aan het welzijn van haar moeder. Daarom ging ze heel voorzichtig, voetje voor voetje de trap af. Beneden opende ze zacht de deur en liep vervolgens op haar tenen door de eetkamer naar de badkamer. Als de deur van die laatste op slot was gedaan, wierp Femke zich op het toilet. Eindelijk was ze bevrijd van het krampachtig ophouden. De ellende was echter niet voorbij. Gelijk de waterige drek eruit spoot, ging Femkes bloeddruk met een sprong naar beneden. Dan trok ze wit weg en begon te zweten als een rund. Ze ging meestal net niet van haar stokje. Uiteindelijk hing Femke slap als een vaatdoek een tijd met het hoofd tegen de dichtbij staande muur. Verward en doodmoe staarde het kind dan naar de gespikkelde vloertegels, waarbij het motief begon rond te draaien, telkens het monster met de vlijmscherpe tanden in haar buik nog eens flink door beet.   Femke slaagde er dus iedere keer in amper lawaai te maken. Toch vermoedde mama iets. De penetrante stank 's morgens in de badkamer en de wallen onder de ogen van haar dochter waren haar niet ontgaan. De laatste twee weken waren bijzonder problematisch geweest. Elke ochtend had mama een sterk bevuild onderbroekje gevonden, goed weggestopt tussen het andere wasgoed. Dit kon zo niet blijven duren. Ze moest actie ondernemen. Femke was echter te koppig om, zelfs bij een nachtelijke confrontatie, toe te geven dat haar iets scheelde. Het was dan ook geen verrassing dat haar oogappel stommetje speelde toen mama voorzichtig informeerde. Toch zag het kind blijkbaar de ernst van de toestand in, want tot mama' s verwondering was ze wel bereid om naar de dokter te gaan. Tijdens dat bezoek bekeek de man eerst langdurig Femkes medische fiche. Vervolgens voerde hij een reeks nutteloze onderzoeken uit en stelde met ernstige blik de diagnose. Femke luisterde aandachtig naar de man met de grappige snor, maar verstond zijn lange, met Latijnse termen doorspekte uitleg nauwelijks. Wat trots wist ze 'weke darmen' en 'een tekort aan darmflora' te onthouden, woorden die de dokter had benadrukt. Femke was opgelucht dat de ziekte was benoemd, zonder dat ze over haar innerlijke beslommeringen had hoeven te praten. De dokter had dat goed aangepakt. Bij het vertrek stopte hij mama het telefoonnummer van een bevriend kinderpsycholoog toe. Ja, het meisje was te streng voor zichzelf en sloot zich meer dan normaal af. Ze behoorde ook plezier te maken. Wat haatte mama haar man nu nog meer. De ochtend erop zou ze direct de medicatie halen. Mama vergewiste zich er die avond van dat Femke in dromenland was. Daarna sliep ze zelf, voor de eerste keer sinds lang, meteen in.   Midden in de nacht stond Femke in de tuin. Ze was met dikke kettingen vastgebonden aan een grote ijzeren paal. Een vreemde gedaante, gekleed in lompen en een versleten hoed, zweefde af en aan en rond haar. In het felle, zilveren licht van de maan, die dichterbij de aarde stond dan normaal, zag Femke dat de gedaante geen gezicht had. De engerd sleepte twee lange koperen kabels aan en knoopte die rond Femkes grote tenen. Daarop zweefde hij naar een gigantische hendel. Tergend traag reikte hij ernaar, terwijl elektrische vonken begonnen over te springen naar zijn vingers. Femke stond doodsangsten uit. Ze probeerde zich tevergeefs los te wroeten en toen ze het wou uitschreeuwen, bleek ze stom. Met een knal werd de hendel overgehaald. Heftige pijnscheuten liepen door Femkes lichaam. Meteen daarna sloeg de bliksem verscheidene keren in op de paal, met nog meer felle steken tot gevolg. Net op het moment dat ze bezweek, schoot Femke wakker. Ze was doorweekt van het zweet. Spasmen teisterden haar binnenkant. Plots werd ze een warme, natte plek gewaar. Femke tastte onder de lakens en rook aan haar vingers. Ze had in bed gepoept! Tijd om zich al te zeer te schamen kreeg het kind echter niet. De ene na de andere golf van onmenselijke pijn volgde. Femke raakte versuft. Niets was nog duidelijk. Beleefde ze alleen maar een nare droom of lag ze werkelijk op sterven?   Terwijl donkerbruin vocht langs haar melkwitte benen sijpelde, ging Femke moeizaam naar beneden. Ze dacht er absoluut niet meer aan zo min mogelijk lawaai te maken. In de eetkamer zakte ze in elkaar. Kronkelend over de vloer van de pijn schreeuwde ze het uit, maar mama sliep als een roos. Femke was nu ver heen. In haar weinige gedachten overheerste dat ene woord. De dokter had het uitgesproken en mama had het voorgelezen in de winkel: flora, flora... Als een kerkklok zo indringend, bomde het woord in haar hoofd: flora, flora... Met een allerlaatste inspanning sleepte Femke zich naar de keuken, opende de kast onder de gootsteen, grabbelde naar de flessen en vond die dikke groene waarop dat ene woord gedrukt stond. Daarop wrong het kind de dop los en dronk gulzig van de vloeibare meststof voor planten, heilig overtuigd dat het goed was voor haar 'flora'.  

johan saenen
0 0

het uur van de kikker

Ik heb al verschillende stenen verlegd in verschillende rivieren op aarde, maar geen enkele stroom ging een andere weg op. Tenzij natuurlijk die ene keer toen ik een betonblok loste in een derderangsbeekje in Erembodegem. Mijn vrachtwagen was te zwaar geladen, zei de rijkswacht. Het was lossen of een nachtje brommen. Bij de eerstvolgende verkiezingen werd de burgemeester zonder pardon weggestemd. Vele jaren later zag ik hem bieten planten in het park. De jaren negentig vlogen voorbij als een zwerm honingbijen boven een bloemenweide: tergend traag. In 1992 gebeurde er niet veel in mijn dorp. Ik was tien en droomde van 1993. Ik vond dat een mooi getal. Mijn lievelingsgetal was echter nul. Dat rijmde op Hull. Elk jaar ging ik met mijn ouders en zussen naar Schotland. We namen dan de ferry van Zeebrugge naar Hull. Ik hield van Hull. Het rijmde op lul. In 1996 was het eindelijk zover: mijn teddybeer stierf. Ik begroef hem tussen de brandnetels links van de mesthoop. Rechts van de mesthoop lag mijn waterpistool, zes voet onder de grond. Het was in 1994 ter ziele gegaan. Mijn grootmoeder huilde met me mee toen ze de ajuinen sneed. Ik keek haar aan en hoopte dat het snel 1995 zou worden. En inderdaad, enkele maanden later begon er een nieuw jaar. Zo ging dat in die tijd. Nu zit ik hier te mijmeren over een godvergeten decennium. Ik kan evengoed wortels schrapen. Ik doe dat graag. Naast revoluties ontketenen, gevestigde orden omverwerpen en bootvluchtelingen redden, is wortels schrapen mijn grootste hobby. U ziet het, ik heb geen kiezels in rivieren nodig om bewijs van mijn bestaan te leveren. Ik schraap wortels dus ik ben. Ik schraap ze tot het bloed uit mijn vingers gutst. Ik hou van bloed. Het rijmt op bolhoed.

Maarten Verhelst
2 0

Auto-fictie.

Haar toon was niet langer vriendelijk maar venijnig. Bijtend zelfs. “NEE! … NEE! KLOOTZAK! Je hoeft me nu niet te meer bellen! Het is te laat! Ik ben onderweg naar Gent! NEE! Mijn hoofd zit al vol genoeg!” Nou nou, wat was hier aan de hand? Onze grappige dialoog van een vijftal minuten eerder, leek nooit te hebben plaatsgevonden. De auto werd gevuld met een heftig negatieve vibe, die in combinatie met de drukkende hitte moeilijk te verdragen viel. Ik opende een raampje en zette de radio luider maar het mocht niet baten. Een paar kilometer eerder, toen ik haar oppikte, was alles nog oké. We brachten we elkaar aan het lachen met allerlei gruwelijke geruchten: urban legends over verdwenen lifters en sadistische chauffeurs die, als ze geen lifters verkrachten, ze dan op zijn minst doorverkopen aan één of andere obscure satanische sekte. En zij, ze vond het allemaal best. Lang krullend ros haar, een neuspiercing, een hoofd vol dromen en strakke dijen. Hooguit een jaar of twintig. Ja, ze had iets … of alleszins toch genoeg om deze grijze dag enigszins op te fleuren. Maar dat was voor dat telefoontje. We passeerden een stuk van de steenweg waar er werken waren en al het verkeer over één rijvak moest. Ik hield mijn ogen op de baan maar vanuit mijn ooghoek zag ik dat ze hoe langer hoe zenuwachtiger werd. Terwijl we stopten aan het kruispunt en The Supremes met Love Child hun ding deden, hoorde ik in mijn hoofd de nieuwslezer al bezig: “… het zeventienjarige meisje is ongeveer 1m70 groot, heeft ros krullend haar en een neuspiercing. Ze is het laatst gezien toen ze na een ruzie met haar ouders stond te liften aan de Gentsesteenweg ter hoogte van Wetteren.” Het zou wel eens kunnen. Het zou wel eens … Want waarom ligt anders die haastig gepakte rugzak op mijn achterbank? Op weg naar haar kot in Gent … Neen toch niet, liefste roodhaar! Mij niet gelaten waar ze heenging maar ik wist vanaf de eerste seconde dat haar uitleg gelogen was. Bloedmooie meisjes liften zelden alleen. En ze moest daar weg. Dat was te merken aan het feit hoe ze naar mijn wagen spurtte, hoe ze direct een gesprek begon, zelfs zonder de obligatie dankjewel. Allemaal harde tekens dat ze datgene waarvan ze wegliep, zo snel mogelijk wou vergeten. “ … getuigen beweren dat het meisje omstreeks 14 uur is meegenomen door een verdachte man met baard en zonnebril.” Godverdomme … Nu werd het link! Ik kende dat meisje grofweg een halfuur en shit, ik wist haar naam zelfs niet maar wat ik wél wist, was dat ons samenzijn op die delicate grens was aanbeland tussen het consolideren van winst en het vermijden van verlies. Wat nu? Binnen twintig minuten moest ik ergens zijn om iets te doen waarmee niemand zaken had. En zeker geen razende tienermeisjes. Net dan voelde ik de GSM in mijn binnenzak trillen. Was hij er al? Kwam hij later? Was de prijs verhoogd? Was hij opgepakt? Teveel vragen in mijn hoofd en één iemand teveel in deze auto. Of anders gesteld: iets teveel, een fraai maar daarom niet minder overkokend stoofpotje van oestrogeen, adolescente vervreemding en passieve agressie. Ik voelde me zoals iemand die zijn huisdier achterlaat in een bos alvorens op vakantie te vertrekken. Maar het moest gebeuren. We waren ondertussen vlakbij het Zuid. Tijd om af te ronden. Ik deed het op een nonchalante manier. Op vijftig meter van de Capitole zwenkte ik naar rechts en parkeerde de auto. Ze keek me vragend aan maar ik was haar voor: “Kijk, ik kan je niet verder meenemen tot aan Dampoort. Ik zei dat het geen probleem was toen ik je oppikte maar dat is het wel. Omwille van redenen die ik hier niet kan vertellen. Maar kijk, daar is een tramhalte. Binnen een kwartier zijn we allebei waar we moeten zijn.” Mijn combinatie van afwijzen en tegelijk een alternatief voorzien, werkte. Misschien maakte ik haar zelfs een beetje bang. Hoe dan ook, ze knikte beteuterd en verliet de auto. Ik staarde haar bezwerend na. Het enige nieuwsitem waarmee mijn verbeelding zich even later mee bezig hield, ging over een man die ter hoogte van Melle door de wegpolitie werd tegengehouden met een kwart kilo cannabis in zijn koffer. Maar de ervaring leert dat een mens niet alles moet geloven wat het nieuws vertelt, zeker niet als het verzonnen is …

Jan Van Olmen
16 0

Vreemde verhalen uit een vreselijk Vlaanderen Deel IV: Oekraïense skins op de Meir, de democratie wederom verkracht, breaking news: de hel bestaat!

Ik keek verbaasd toen ik op het schermpje zag dat een treinticket naar Antwerpen en terug slechts 11,50 EURO kostte. “Weekendtarief hé!”, zei de loketbediende lachend. Hij leek op de onvermijdelijke zatte nonkel die elke familie wel kent. “Zo kan je meer geld uitgeven als je daar bent, haha!” Anyway, hij had toch nog de fut om mijn gelaatsuitdrukking te lezen. “Shit kerel, je moest eens weten waar ik naartoe ging”, mummelde ik in mezelf. Ik kocht in de broodjeszaak vlakbij een broodje met kaas, een eitje, geraspte worteltjes en mayonaise plus een appel, een halve liter sinaasappelsap en een grote koffie met melk. Stevige ondernemingen vragen om een stevige maaltijd. Daarbij, het getuigt van een totale minachting voor Het Risico en de Vijand om uitgebreid en met een sereen gemoed te eten alvorens men ten strijde trekt. Daarna kroop ik de trein op richting Antwerpen. Terwijl door mijn koptelefoon de waanzinnig dramatische gitaarsolo van ‘Time has come today’ klonk. Kijk, vergeef me nu even deze bombastische opzet maar je moet 1 ding weten over mij, beste lezer: Als veteraan van de andersglobaliseringsbeweging in begin van de jaren 2000 was deze situatie intens. Was dit het begin van een reportage? Of was dit karma dat me een tweede kans toewierp om de fouten en de beginnerspech uit het verleden af te lossen? D14! Gent! 2001. Spijbelen om naar betogingen te gaan. Met een zwarte vlag in de hand naar school fietsen, voelen hoe de ochtendwind brutaal je gezicht streelt en je weet dat je geschiedenis schrijft! Om de zoveel jaren laat het Lot namelijk toe dat een generatie de kans krijgt om iets groots te doen, namelijk de wereld veranderen. Niet afbreken, niet opbouwen maar veranderen, iets wat een zeer symbiotisch proces is. Maar ergens op weg naar de Totale Verlossing en de Perfecte Rechtvaardigheid raakten velen onder ons de weg kwijt. Na het geloof in God begon ook het geloof in de revolutie te wankelen. Het wankelde als de regels uit het gedicht van Elschot. Waarom niet? De torens lagen al plat. Gezien op TV zoals in een videogame. Dus waarom niet? Alles wankelt … en de trein vertraagt. De conducteur knipt mijn ticket en ik hoor in mijn koptelefoon het diepe, manische gelach van de zangers. Gent, overstappen. Nog 30 minuten te gaan. Met berusting omkaderde beelden van vechtpartijen, waterkanonnen en het snijdende besef dat jij de strijd verliest en de maatschappij nog altijd klote is. Zoals je niet anders kan dan van vuur zeggen dat het warm is. Een ondraaglijk helder besef. Als ik nu in op deze trein zit en binnenin kijk naar de zonsondergang van mijn twintiger jaren en het begin van dat nieuwe millennium, alsook naar de Facebookstatus van al die oude bekenden, dan zie ik het breekpunt waar de golf van Sturm-und-Drang brak en terugsloeg. Iets na 3 uur kwam ik aan te Antwerpen. Van kleinsaf heb ik Antwerpen altijd al geassocieerd met de dierentuin en in mindere mate, Suske en Wiske. Dit bezoek zou anders zijn, zoveel stond vast. Ja, ik ging beestjes kijken. Maar deze keer zouden ze gewoonweg loslopen in het stadscentrum. En deze keer hoopte ik zonder schaamte dat ze wel met uitsterven bedreigd zouden zijn. Terwijl ik richting Groenplaats stapte, viel me een groepje van 3 skinheads op. Ze stapten in dezelfde richting als ik. Ik hield een zekere afstand maar voelde me betrapt toen één van hen me zag. Op de zijkant van zijn vestje stond een embleem met de Oekraïense vlag en of andere naam in Cyrillische letters. Behoorde hij tot dezelfde heerschaar die maanden voordien tijdens de betoging van 16 november 2014 mee auto’s in brand had gestoken? De kans was klein, maar niet onbestaande. Dit soort beroepsbetogers, of ze nu van linkse of rechtse signatuur zijn, deed me denken aan de landsknechten uit ver vervolgen tijden: rondzwervende huurlingen, bereid om de boel kort en klein te slaan zodoende er achteraf maar genoeg te verdienen en te zuipen valt. Hij draaide zich bekeek me een tweede keer toen ik op ongeveer 20 meter achter hen bleef stappen. Zou het aan mijn baard liggen? Het was tijd voor een uitwijkmanoeuvre. Ik zocht naar een winkel om ze kwijt te spelen. Hünkermoller of H&M? Wat zou Jef Geeraerts doen in een situatie als deze? Hünkermoller dus! Daar zouden ze het nooit wagen me te grazen te nemen! Na even een collectie robijnrode lingerie met bijhorende jarretels gekeurd te hebben, vervolgde ik mijn tocht naar de Groenplaats. De skins waren uit het zicht verdwenen. Ik passeerde een gigantisch spandoek van de NVA en hoorde ineens het luiden van klokken. Deze twee zaken gaven mijn aankomst op de Groenplaats een soort van filmische drive. Ik zag de pauselijke vlag, verschillende Belgische vlaggen (wat me ergens verbaasde), en een paar Vlaamse Leeuwen. Omgeven door een hoop politie. De stillen droegen allemaal een windjack in dezelfde kleur en stijl. Sinds wanneer wordt de gerechtelijke gesponsord door pakweg American Outfitters? Ik stond enkele meters achter de laatste rijen militanten. Om te acclimatiseren en niet teveel op te vallen. Casual, quasi onverschillig. Gewoon een toevallige voorbijganger die wil uitvinden waar heel de heisa om draait. “Die kerel is top voor een vrijgezellenavond!”, grapte één van de stillen naast mij tegen zijn collega. Ik moest er ongegeneerd mee lachen. Het was tot nu toe de eerste keer dat een agent in burger me aan het lachen bracht. Dat deed me trouwens ineens beseffen hoe waanzinnig, zelfs surrealistisch heel deze situatie was. Een honderdtal mensen omgeven door tientallen agenten te fiets en in burger stonden ademloos en met een kinderachtige zelfdiscipline te luisteren naar Dhr. Goethals. Ik had tot voordien nog nooit van zo dichtbij een extreemrechtse rally meegemaakt maar elk vooroordeel werd bevestigd. Filip de Winter die monkelend de spreker toehoort. Check. Een NSV-student, voorzien van die prachtig foute grijze pet (genre Duits leger 1914): Check! Stroblonde kleuters die met Vlaamse vlagjes in de hand tussen de volwassen door rondjes rennen: Check! De totale mobilisatie, vrouw en kind mee naar het front, voor Outer en Heerd! Check! Check! Check! Er waren in totaal zes toespraken waarvan verschillende in het Pools. De Polen waren een aparte delegatie, en dat lag niet enkel aan hun taaltje maar vooral aan het feit dat onder hen een handvol priesters in soutane aanwezig waren. Godverdomme, alsof ik was teruggereisd naar de jaren vijftig. Heel de ervaring begon een soort van iconisch statement te krijgen. Wie zou ik nog zien? Darth Vader? SS-troepen? Orks? Tegen het galmend luiden van de klokken klonk de stem van Goethals. “God zijn wetten zullen heersen! “ Gevolgd door plechtstatig applaus. Eerlijk gezegd begon ik bevende knieën te krijgen … Wat een ironie als je weet dat hetzelfde publiek moord en brand zou schreeuwen indien diezelfde uitspraak in het Arabisch zou worden gezegd, door een man met baard en tulband. Het is droevig dat ik me thans de vrije meningsuiting voorstel als een haveloze, verkrachte vrouw. Ineengedoken in een hoekje. Wanhopig proberend haar kwetsbare naaktheid te bedekken met een laatste flard oprechtheid. Tevergeefs … Waarom was er geen tegenbetoging georganiseerd? Die terechte vraag was echter een kort leven beschoren want de toespraken gingen verder. Hatelijke, achterlijke flarden propaganda. Geserveerd op een bedje van klokgelui en ingehouden woede. Alles wat ze vertelden had ik ooit al wel ergens gelezen of gehoord. Tegennatuurlijk, onkuisheid, de dictatuur van de zogenaamde democratie. Inhoudelijk gezien was heel dit schouwspel immoreel, laat daarover geen twijfel bestaan. Maar de manier waarop het doorging, gaf het iets onwezenlijks, ja zelfs bijna komisch. Het was tegennatuurlijk om onder het quasi verveelde oog van de lokale politie te roepen en tieren dat men leeft in een dictatuur, dat het recht op vrije meningsuiting met de voeten wordt getreden. Het was onkuis om toevallig passerende holebi’s met aandrang te vragen niet hand in hand te lopen of te kussen op dit bewuste plein in kwestie. De dictatuur van de democratie. Vreemd toch en ook mooi hoe ik ineens dacht aan een iconische poster uit de Spaanse Burgeroorlog getiteld ‘Los Nacionales” terwijl de priesters het Weesgegroet begonnen declameren. 2 grote spandoeken met daarop afgedreven foetussen die in beslag worden genomen toen de militanten ze ondanks een eerder verbod, toch wilden meedragen in hun mars. Geroep, geduw, getrek. 1 man wordt afgevoerd. Dan gaat de voorstelling verder. Een vrouw stopt me een krantje toe. “De hel bestaat!”, luidt de kop op de voorpagina. Tuurlijk, waarom niet? Geen betere regisseur dan het toeval. Dit was de prelude van het vijfde rijk. Dit zou iedereen elke week en overal doen als de nazi’s de oorlog hadden gewonnen. En in heel deze smartelijke vertoning van politiek opportunisme, haat en bekrompenheid werd ik nog het meest geraakt door de wezenlijke heiligschennis van heel de situatie: De mensen op het podium kregen meer aandacht dat het Mariabeeld dat achter de troep toehoorders en manifestanten verloren voor zich uit stond te staren. Symbolischer kon het niet. De massa die zich afkeert en met hun rug naar de Moedergodin een huichelaar toejuicht. Ik stapte naar het Mariabeeld en keerde de huichelaars de rug toe. Terwijl ik een kruisteken sloeg en luidop nadacht: “Vergeef ze moeder, ook weten ze wél wat ze doen.” Ik had genoeg gehoord om er het mijne van te schrijven. Het enige wat ik me op dat moment afvroeg, was hoe deze etterboel daadwerkelijk op papier te krijgen. In Brussel begon de grote Pride- afterparty , in Antwerpen hadden de kwezels hun H. Mis besloten met de Vlaamse Leeuw. Ik zat buiten aan het kampvuur van een lokale Scoutsfuif. De perfecte locatie om een dagje Safari in Fout Vlaanderen af te sluiten. I remember lighting fires; I remember sitting by 'em; I remember seeing faces, hearing voices, through the smoke; I remember they were fancy -- for I threw a stone to try 'em. "Something lost behind the Ranges" was the only word they spoke.[1]   [1] Kipling, The explorer

Jan Van Olmen
9 0

Vreemde verhalen uit een vreselijk Vlaanderen deel II: Wegrestaurant

Intermezzo bij het najagen van de Amerikaanse droom in fermetteformaat. “Het leven staat nooit stil!” “Verwen de mama’s!” “Profiteer nu!” And last but not least: “… onder de schelpen schuilt een smakelijk en rijkelijk vlees! “ Ik leg het reclamefoldertje neer, neem een slok van mijn bier en vraag me af wie dit soort clichématige onzin het leven schenkt. Waarschijnlijk één of andere gefrustreerde twintiger, nog geen half jaar afgestudeerd en dus veel te bescheten om eervol af te zien en verder te duiken naar een job met inhoud. Blijven hangen dus, in middelmatigheid en de pil vergulden met kleffe zekerheden. Het stuk over de schelpen smaakt trouwens niet overtuigend. Want de auteur van deze flard persuasief proza heeft waarschijnlijk nog maar weinig schelpjes geopend. Bestaat zijn notie van smakelijk en rijkelijk vlees enkel uit barbecue à volonté en schaamteloze porno?! Vreemde hersenkronkels tijdens een saaie vooravond hier in het wegrestaurant. De steenweg vlakbij kabbelt loom verder, als een soort van betonnen rivier. Het anker uitgeworpen en aangelegd aan deze oever. Met een scala aan reclameborden in plaats van palmbomen. Gehaaste vrouwen in trainingsbroeken in plaats van bevallige deernen met strooien rokjes. En ondergetekende in plaats van een gestaalde conquistador. Sweet banality … will you ever cease to amaze me? Het begon allemaal een paar uur voordien, met de regionale VDAB-jobbeurs. Als werkzoekende was ik slechts per mail verzocht ernaar toe te gaan maar als experimenteel journalist had ik de professionele plicht dit non-event creatief te coveren. De wijze waarop liet ik wijd open voor interpretatie want zoals steeds had ik het vage plan mijn gevoel te volgen en niet in de val van de objectieve verslaggeving te trappen. De gedachten vastleggen, dat is de inhoud. Het onderwerp is alleen vorm. Objectiviteit is een mythe. Het kostte me drie kwartier langer dan verwacht om ter plaatse te geraken en de grijze, van onweersbuien zwangere lucht maakte de sfeer er niet gezelliger op. Bumper tegen bumper. Hier en daar opgestoken middenvingers en venijnig claxonneren. De stadsring leek op een laatste ontsnappingsroute, weg van een fataal en evenzeer magisch moment waarop heel het bestaan zou veranderen in een schilderij van Jeroen Bosch. Op momenten als deze associeer ik het begrip “auto” meer met een doodskist dan met vrijheid. Nadat ik eindelijk parking had gevonden, bleek het hele ding een Fata Morgana, het is te zeggen: het gebouw was er, het adres klopte maar alle deuren waren potdicht. Geen jobbeurs, maar wel iets dat leek op een verhaal.[1] Mijn zin voor analyse begon het terug over te nemen van de fantasie. Dat was duidelijk te merken aan het feit dat ik om uitleg vroeg aan een vriendelijke huisvrouw van pakweg 60 jaar in plaats van aan een ei met vleugeltjes. Maar Mariette of Lizette of whatever wist het ook niet. En de deuren bleven dicht. Ik was in een stad waar ik niets anders kon vinden dan dezelfde goede en slechte dingen die er in mijn thuisstad onder de stenen lagen, dus het nut en de zin om er langer te blijven verdwenen geruisloos. Fuck it, de baan op en onderweg eten zoeken. Rest and regroup. Bijtanken, de zinloosheid van heel deze onderneming vergeten. Rustig in een hoekje wegkruipen met de krant, een slaatje en een bord friet. Veel gezinnen hier. Volle tafels, rijkelijk gevulde borden, het gesnater van tienermeisjes en het monotoon hoesten van dames op leeftijd. Ik bekijk een tweetal jongens die opgewonden voorbijlopen, met een frisco in hun handen en denk terug aan mijn eigen kinderjaren. Toen een wegrestaurant gewoon een wegrestaurant was een geen onophoudelijke stortvloed van ideeën, opinies en mise-en-scène. Iets dichterbij snauwt een vader met propvolle mond zijn kleuterzoon toe: Zit en zwijg! Vroeger leerden we onze kinderen hoe ze met pijl en boog een mammoet dienden om te leggen, nu zijn de levensnoodzakelijke vaardigheden blijkbaar gedownsized tot zitten en zwijgen. Had Jean-Jacques Rousseau dan toch gelijk?[2] Het kind kan dan voor mijn part binnen 20 jaar ook debiele reclameslogans schrijven. Ik probeer de krantenkoppen te lezen maar een gedachte snauwt mijn concentratie toe: Wat is, naast de noodzaak aan redelijk geprijsd voedsel, een bindmiddel voor deze quasi Breugheliaanse massa? Het idee dat iedereen die werkt het kan maken, geloof ik dan. Dat iedereen, met of zonder frisco, de hoofdprijs kan winnen. Als je maar een lotje koopt. Dat dikwijls betaald wordt met ons dierbaarste kapitaal: onschuld. De Amerikaanse droom, indertijd meegereisd via kauwgum en nylonkousen is in zijn land van herkomst misschien op sterven na dood maar hier, in dit compromis van een land, bloeit hij open als nooit tevoren. Critici van de Amerikaanse droom, stellen dat er een keerzijde is aan dit ideaal. Deze keerzijde is dat iemand die niet succesvol is, of arm, geacht wordt dit aan zichzelf te wijten te hebben. Deze critici zijn ‘Slechte Vlamingen’. Want … stilstaan is achteruitgaan en herinner de reclameslogan: “Het leven staat nooit stil!” Behalve hier dan, in het wegrestaurant, waar de erzatsvrijheid genaamd ‘weekend’ haar vleugels uitspreidt. Althans voor de rasechten. Want een werkzoekende, die heeft geen weekend. De jacht naar werk gaat verder…. Alsook de journalist zijn jacht naar het kille, bonkende hart van de Amerikaanse droom in fermetteformaat: de Vlaamse droom. De maatschappelijke idealisering van het platteland na de Tweede Wereldoorlog, overgoten met nostalgie, rijstpap, vinkenzetting en eindeloze bouwgronden. Zodanig gul overgoten zelfs dat je soms nog moeilijk het leven proeft … Bij wijze van dessert koffie halen en een praatje slaan met de nieuwe kassière. ‘Vind je de chocomousse hier zelf lekker?’ ‘Goh, vandaag niet. Hij is nogal euh … plat.’ Haar prachtig gemanicuurde nagels glijden delicaat over het touch screen van de kassa. ‘Je studeert nog zeker?’ Ze glimlacht en knikt. ‘Journalistiek, ik werk hier in’t weekend. Hmm, jij weet trouwens wat lekker is!’ Ze lonkt even naar mijn alternatief voor de platte chocomousse: een massief stuk chocolade taart. ‘Tuurlijk weet ik dat.’ Ik knipoog. Zij bloost. ‘Kijk meisje, blijf even eerlijk over wat je schrijft als over die chocomousse, OK?’ ‘Zekers! Het beste nog! ‘ Ze gedraagt zichzelf quasi authentiek maar in haar ogen kan ik lezen dat ze niet begrijpt waarover dit gesprek gaat. Of juist wel maar dan op een bevooroordeelde manier… Onze golflengtes liggen mijlenver uit elkaar. Maar what the hell, Ik heb chocoladetaart en het vooruitzicht op een kalme, deugddoende avond onder vrienden. In het schemerduister opnieuw de baan op, in het gezelschap van een besef: Ook zonder VDAB, droom of werk … ik blijf sterk.   [1] Toen nauwelijks, maar nu hoe langer hoe meer ! [2] La nature a fait l'homme heureux et bon, mais la société le déprave et le rend misérable.

Jan Van Olmen
6 0

Vreemde verhalen uit een vreselijk Vlaanderen- deel I Werkloos en schrijver

Een ontmaskering van de charmante leugen.[1] Dinsdagnamiddag, exact 15.56 nu. Weldra zal de grote exodus beginnen. Duizenden pendelaars die bevangen door koortsige haast ’s morgens en atavistische berusting later op de dag heen en weer suizen tussen thuis, werk en vice versa. Tussen bureaus (of iets meer trendy gezegd: werkeilanden) en schoolpoorten, keukens, brievenbussen en tv’s. Met af en toe het occasionele kleine drama en genietbaar toeval als toetje. Zoals een dodelijk ongeval op de ring of een afscheidsdrink van een collega die uitloopt in een hedonistisch drankfestijn in één van de vele stationsbuurten die dit land rijk is. Ikzelf zit momenteel thuis. Werkzoekend of werkloos. U kan zelf kiezen welk etiket u me opplakt. De afgelopen maanden ben ik namelijk reeds zodanig veel geïnterviewd, getest en (af)gekeurd dat een (voor)oordeel meer of minder er gerust bij kan. Want geef toe, er wordt heden ten dage een zekere flexibiliteit verwacht… Ambitie, creativiteit, gedrevenheid, flair, uitstraling, …. Patserige woorden geflankeerd door grote foto’s van lachende mensen. Teneinde hetze te vermijden staan er ook foto’s van Afrikaanse en Aziatische medemensen in het rijtje. Want interim-bureaus discrimineren niet …. Die gedachte alleen al is krankzinnig meneer! Yeah right …. You’re going to make it after all!                                                                                                  Met dit soort kitscherig vermomde propaganda wordt de sollicitant geconfronteerd als hij voor de zoveelste maal rijksregisternummer en geboortedatum meedeelt. Als hij tot in den treure toe en met de glimlach op het gelaat opdreunt interesse te tonen in een job die eruit bestaat dozen te vullen en dicht te plakken. Liegen is een vitaal onderdeel van elk sollicitatiegesprek. Ik weet het, dit is een uitspraak die choqueert[2]. Afhankelijk van de persoon die aan de andere kant van de tafel zit, gaat het hem om kleine of grote leugens. Maar laat ons eerlijk zijn: niemand, maar dan ook niemand zal volledig de waarheid spreken als er geld mee gemoeid is. Kwestie van mensenkennis en berekend risico. Maar … opgelet! Men moet altijd de zin voor verhouding blijven bewaren, ook als men liegt. Eigenlijk, vooral als men liegt … Deze tekst is al zeven alinea’s lang, so let’s quit the crap: zoeken naar werk in Vlaanderen anno 2015 is een vies, frustrerend en absurd gegeven. Vele mensen, waarvan velen met een hoger IQ en een economischer kijk op de zaken dan ik hebben hierover reeds geschreven en gesproken. Maar dan nog, alle analyses en gevoelsuitstortingen ten spijt ontbreekt er iets. Waar is de passie, het vlijmscherp proza, de (zelf)spot? Werkloos én schrijver …. Dus hey, hier gaan we dan. Zoekend naar werk kan er misschien ook nog iets achterblijven op papier dat de moeite waard is om gelezen te worden. In een land waar de staatssecretaris voor Asiel en Migratie oproept om de boten te doen zinken voordat ze de Europese kust bereiken, is enige vindingrijkheid aangewezen! Deze morgen waren we opnieuw de baan op. Naar Leuven deze keer. Na een hectische avond tijdens dewelke ik met koude vastberadenheid alles voorbereidde wat er voor te bereiden viel: motivaties, informatie over het bedrijf in kwestie en waarom de job als onthaalmedewerker mijn roeping in dit leven en alle volgende mag, kan en moet zijn! Zal het zo zijn? Adrenaline en hoop. Een concreet plan smeden, de meest formele outfit uit je kleerkast halen, vloeken omdat je lievelingshemd ineens twee maten te klein is.[3] Tenslotte de kledij klaar hangen zoals een ridder zijn harnas aan de vooravond van een alles beslissende veldslag. Dan slapen (of iets dat erop lijkt.) Wakker worden om vijf uur dertig dankzij andermans’ ochtendseks en in de badkamer de strijd aangaan met een gigantische, voorhistorisch uitziende spin die manisch rondjes crost in de wastafel. In Brussel-Zuid tot de vaststelling komen dat de geplande trein richting Leuven is afgeschaft. Zin krijgen om luidop te vloeken en dan reeds na drie seconden beseffen dat zoiets lachwekkend en nutteloos is. Tot het inzicht komen dat je dik twintig minuten later zal zijn. Een inzicht dat even ongewenst is als het onwettige kind van een getrouwde vrouw. Willen bellen naar het bedrijf in kwestie maar dan opnieuw tegenslag. De GSM heeft de geest gegeven … O God waarom? Ik had die spinnenkop nochtans gevangen in een glas en netjes aan de voordeur buitengelaten! Oké dan, je beweert communicatief te zijn meneer. Bewijs het en schep hierover op als je wederom je arbeidskrachten de hemel inprijst. Neem de zaken in handen. Doe iets. Creëer! De eerste man die ik aanspreek is een stationsbeambte die me futloos informeert over een wederom ge-wel-dig feit in ons op winst en nut gebaseerd terrarium van een maatschappij. Want er bestaan geen openbare telefoons meer. Komaan, wat voor een naïef muurbloempje ben ik wel te denken dat er communicatiemogelijkheden voorhanden zijn in een internationaal station? Wat ga je hierna uitkramen, dat je enkels seks wilt hebben met iemand die je heel graag ziet?! Get real you pussy! Het grote uurrooster in de inkomhal zit op mij te loeren zoals een gier naar een stervende. Ik kan het bijna horen: een leep, brommend gelach. Een GSM, een GSM, mijn koninkrijk voor een GSM! De tweede man die ik aanspreek, kijkt me aan alsof ik een met pestbuilen overwoekerde bedelaar ben. Vreemd, hij draagt nochtans een kostuumvest en een hemd. En hij is ook blank. En een man! Van je soortgenoten moet je het hebben! Zou het dan toch kunnen? Bestaat de arrogante, blanke man echt? Hemeltjelief! Ik weet verdomme goed genoeg dat blank, man en goed gekleed in negentig procent van de gevallen positief nieuws betekent voor de eigenaar van de persoonskenmerken in kwestie. Ah, de vele momenten op luchthavens dat ze me gewoon lieten doorlopen, zelfs al was ik één keer zo zat als een Zwitser en een andere keer compleet opgefokt door een mix van cocabladeren en een obscure ‘energiethee’ die ik enkele uren voordien in het centrum van Lima had gekocht. Of die keer in Tel-Aviv toen ik ’s avonds overal kon rondlopen zonder verkracht te worden en …           Omdat ik het juiste kleurtje heb. Anders, dan hadden ze tijdens bovenstaande voorvallen mijn zwarte kont bont en blauw gemept en me met professionele brutaliteit in de boeien geslagen. Enfin, het punt is dat mensen die aan de top van de voedselpiramide staan een beetje meer grootmoedigheid mogen tonen! Zelfs al draag ik ‘maar’ een hemdje en vestje uit de H&M! Of misschien geven mijn baardje, quasi kale kop en minzame glimlach de indruk dat ik lid ben van één of andere sekte. “Namaste. Hebt u het geluk al gevonden meneer?” Neen, Let’s face it. Voor dat rolletje zijn mijn schoenen te chique. In totaal nog een tiental mensen vragen om te mogen bellen en steeds opnieuw genegeerd en afgewezen worden. Meer woorden maak ik daaraan niet meer vuil. Op de trein dan maar … met een jongen. Een mooi exemplaar, strak in het pak én Engelstalig. De GSM in kwestie is even modern en hoogontwikkeld als zijn eigenaar. Maar ik heb eindelijk het bedrijf aan de lijn en verwittig hen van mijn vertraging. De jongen in kwestie wordt uitvoerig bedankt en ik kom te weten dat hij Spaans en stagiair is bij één of andere Europese instelling. Zonder te willen vervallen in het grote, linkse “arm Vlaanderen”- cliché maak ik toch even de bedenking dat dit land qua sociale samenhang op zijn laatste benen hinkt. Zelfs niet alle helfies ter wereld kunnen dit bedekken: het eigen volk is afstandelijk. Omdat het bang is? Omdat het moe is? Omdat het dom is? Het gegeven dat ik geen antwoord kan bieden op voorgaande vragen , deprimeert me even zeer als de lijzige regendruppels. Als doorzichtige miniatuurkometen glijden ze langs het raam van de wagon. Even vergankelijkheid als de belofte aan zekerheid binnen een systeem waar de weinigen veel hebben en de velen weinig.[4] Welke mens zou in deze situatie, op zo een moment regendruppels vergelijken met doorzichtige miniatuurkometen?[5] Wat zit ik hier eigenlijk te doen? Onbewust alles in me opnemen om het later tot literatuur te transformeren? Of wacht ik gewoon tot de trein in Leuven stopt? You tell me. Wie zijn al die mensen, die als reptielen in de ochtendzon, roerloos voor zich uit zitten te staren? De meerderheid gebogen over hun I-Pad of Smartphone. Stuk voor stuk gefascineerd door alweer een charmante leugen: wie braaf is krijgt lekkers, wie stout is de roe. Ik zou graag één van hen zijn. In een zwakker moment dan. Want de kern van al het drama in ons leven is dat we om overgave smeken als het slecht gaat maar diezelfde overgave weigeren als het goed gaat. Aan de andere kant: elke queeste naar een inkomen, elke sprong naar een kans, doet mijn hart overstromen van levenslust. Van een primitieve maar zalige drang tot zijn en doen![6] Enkel wie Het Gevaar kent, kan leven zoals het hoort: met overgave! Met een beetje geluk kan je Het Gevaar in de ogen kijken en het navertellen. Met nog één schepje geluk meer kan je de kleur van zijn ogen onthouden. Ofwel zijn mijn schepjes geluk op, ofwel moet ik ze nog krijgen want ondanks mijn Calvarietocht naar Leuven kreeg ik later op de dag te horen dat het bedrijf had gekozen voor een interne kandidaat die ze de dag voordien hadden gesproken. Uiteraard, de dag voordien. Toen ik op een terras in het centrum van Turnhout zat, aan het bekomen van de bad trip die elk bezoek aan mijn zwaar dementerende grootmoeder eigenlijk is. Hoogtepunt van dat bezoek was een bijna vechtpartij tussen ons moemoe en een andere bewoonster met als inzet een doos pralines gevolgd door een hysterische woedeaanval van een oudere man in een rolstoel die zich als een soort van kreupele Don Quichote begon te moeien met de wanhopige interventie van een eenzame verpleegster Lang leve de besparingen in de zorgsector! Ja, de waanzin is overal, jong of oud werkloos of gepensioneerd: het leven is een strijd! Toen dus, toen belden ze mij met het quasi bevel naar Leuven te komen. Want ze waren dringend op zoek naar een invulling voor de vacature van onthaalmedewerker. Wel, er is één ding waar ik niet meer dringend naar op zoek ben en dat is een antwoord op de vraag of het absurdisme in dit land een kunststroming is of een levensstijl … Nu is het naar de avond toe en ik speel met het idee een geheel van essays en columns over werk zoeken en (over)leven in het Vlaanderen van de Nieuwe Vlaamse Ambetanterikken ‘Vreemde verhalen uit een vreselijk Vlaanderen” te noemen. Vreemde verhalen want … waarschijnlijk ben ik een zeldzame kruising tussen een mens en een engel: teveel mens om zonder menselijkheid te kunnen en teveel engel om die menselijkheid consequent te verdragen. Ja, dat is wel een prachtige verklaring voor al de tegenstellingen en kronkels in mijn ziel. Zodanig prachtig zelfs dat het eigenlijk geen verklaring meer is, maar wie geeft daar nu een kloot om? Ik alvast niet enneuh … … iedereen geboren in de jaren ‘80: maak je geen zorgen over de toekomst want in wezen hebben we er geen: het schip zinkt en het laatste lied wordt gespeeld, de laatste glazen worden geschonken. En tussendoor krijst de echo van oorlog en crisis als een vondeling op de stoep van “onze” maatschappij. Spijtig dat we geen grote verhalen meer hebben om het krijsen te stillen. Kom vrienden: reikt elkaar de hand, de lippen en het lijf. Laat ons dansen. Ja, laat ons dansen en schransen en gek doen voordat ze kloppen aan onze deur. Vreselijk Vlaanderen want … ik word kotsmisselijk van een andere incarnatie van ‘de charmante leugen’: namelijk dat de eindverantwoordelijkheid voor het vinden van een job stelselmatig bij de werkzoekende zelf ligt, terwijl er een structureel tekort is aan arbeidsplaatsen. Uit een Belgisch rapport uit 2012 blijkt dat er de laatste jaren vier keer meer werklozen zijn dan beschikbare arbeidsplaatsen. Als je mensen verplicht tot het vinden van werk en hen daarop beoordeelt, dan lijkt het mij logisch dat er voldoende arbeidsplaatsen voorhanden zijn. Anders houd je een groep mensen verantwoordelijk voor iets waar een groot deel niet in kan slagen. Dat is niets meer en niets minder dan een hoop dampende bullshit. Goed voor de moestuin maar verder compleet nutteloos. Dit discours past in de tijdsgeest waarin hardnekkige maatschappelijke problemen worden verengd tot persoonlijke problemen van onwillige luilakken of misfits[7] die hoognodig door scholing[8] moeten worden bijgeschaafd. Mensen zonder ambitie die de hardwerkende Vlaming ook nog handen vol geld kosten. Mensen zoals ik en duizenden anderen die test na test en gesprek na gesprek doen voor de meest idiote en onzekere jobs. Mensen zoals ik en duizenden anderen die in hun studententijd op theoretisch vlak doorhadden hoe de vork aan de steel zat en het nu op praktisch en persoonlijk gebied ondervinden. Namelijk dat de slogan: “Ik hou ze arm, hou jij ze dom!” nog altijd klinkt als een klok. Alleen is ‘meneer pastoor’ vervangen door ‘de media’ en draagt ‘meneer de eigenaar’ een blits polshorloge en een hipsterbril in plaats van een monocle en een hoge hoed. Mensen zoals ik en (hopelijk!) duizenden anderen die niet langer de wortel voor hun neus achterna lopen en tussen de lijntjes van het sociaal contract beginnen lezen. Waar zal dit eindigen? In mijn even dystopische als filmische fantasie eindigt het in een door smog verstikte, overbevolkte miljoenenstad waar in de arena sollicitanten het opnemen tegen levende, genetisch gemanipuleerde reuzengroenten. De winnaar krijgt een tijdelijke job bij de lokale fastfoodgigant. Gevechten op leven en dood! Bloed! Tomatensap! Spektakel! De tweede plotlijn maakt dan dat ik een geheime relatie begin met de dochter van de stadhouder en alzo eindig als leider van de Grote Werklozenrebellie. Op een tamme komkommer rijden we tenslotte de zonsondergang tegemoet terwijl de eindgeneriek in beeld verschijnt … Maar terug even serieus nu! Het zogenaamde ‘activeringsbeleid’ en de ‘interim industrie’ zijn namelijk niets meer dan excuses om te camoufleren dat de staat (of wat er nog van overblijft), compleet machteloos is om arbeidsplaatsen te creëren in een neoliberale samenleving. De geest van Thatcher en Reagan is alive and kicking. Make no mistake about it! Ik vraag me nog altijd af waarom politici blijven beweren dat ze werk gaan creëren, de werkloosheid gaan wegdrijven maar zich vervolgens niet uitspreken tegen het neoliberalisme … Maar goed beste lezers, als ik meer nieuws heb en u een antwoord kan geven bel ik u zeker terug! J   [1] ‘Wie wil werken, vindt werk! Echt wel, we bellen u zeker terug! [2] Omdat het waar is schatjes!                                                                                                                                                      [3] … of ik twee kilo verdikt ben MAAR WE MOETEN POSITIEF BLIJVEN VERDOMME! [4] Buiten zorgen, huishuur die betaald wordt met spaargeld en af en toe een neiging tot vage, socialistische clichés. [5] Iemand die talent heeft? Vraag het anders aan het grote boze uurroosterJ. (Als je durft!) [6] En avontuur! In Technicolor ®! [7] Ik ben dan bijvoorbeeld een misfit, get the picture? [8] Zoals een cursus ‘Hoe maak ik een CV?” voor mensen met een hoger diploma die heelder dagen niets anders doen dan CV ‘s opmaken.

Jan Van Olmen
6 0

Een deuvels kerstverhaal

 Het was K-I-avond, nou dan wist je het wel. Dan gierden bij ons kinderen de zenuwen door het lijf. We zaten aan het K-I-diner. Vader, moeder, de vriendin van vader en de vriendin van moeder. Vader met drie vriendinnen. Hij glom tegen beter weten in. Even waren we allemaal samen. Het gebeurde te weinig, maar daarom was het ook bijzonder. Mijn vader had echt zijn best gedaan. Hij had een groot deel van de dag in onze nieuwe keuken doorgebracht. Maar wij kinderen kregen geen hap door onze keel. We konden niet wachten op het vertrek naar K-IEA, het heiligdom waar we jaarlijks op 21 december K-I vierden. Het feest van De Nieuwe Zending. Vader stelde plechtig vast dat de tijd gekomen was om op weg te gaan. Het was altijd dringen om een goed plekje te veroveren.   De massa schuifelde naar binnen. Bij de ingang van bloK-I kreeg iedereen een fraai boekwerk in zijn handen gedrukt. ‘De Catalochismus,’ fluisterde vader. In de grote hal was het een drukte van belang. Middenin de enorme ruimte stond een imposante boom: De Den van de Nieuwe Zending, ook wel de ZenDen genoemd. Wij maakten een eerbiedige hoofdknik toen we de bosreus passeerden en namen plaats op een van de duizenden driezitters. Wij met vader op een gele. De drie vriendinnen op een blauwe. We zaten in het Karlstad-segment. Dat zat goed en was toch betaalbaar.   Precies om middernacht werden alle lichten gedoofd en werd het Rocke-Billy-lied ingezet. Zoals ieder jaar was ook nu weer iedereen na het meerstemmige slotakkoord diep ontroerd. Jongelingen met zilverglanzende vleugelmoeren op hun rug verspreidden met gouden spuitbussen de adembenemende geur van vers gezaagd spaanplaat. Terwijl we onze longen volzogen met de etherische damp van middelen waarvan vader zei dat ze vetvlekken oplosten, zeg maar alle zonden van ons wegnamen, klonk het schrikwekkende maar ook langverwachte geluid van een inslaande bliksem. De ZenDen werd tot vlak boven de vloer gespleten. Beide helften van de machtige stam weken uiteen.   Er ging een siddering door de massa. Want daar was Billy. De nieuwe Billy. Opnieuw had het arme Smăland, die verre plek in Zweden, een van zijn beste zonen bereid gevonden om ons een jaar lang in en uit te richten. Halleheia, klonk het. En nog eens, en nog eens. Er kwam geen eind aan. Halleheia, halleheia, halleheia, Frees the Board. Wij stonden op, en al halleheia-swingend liepen wij eerbiedig naar de gespleten ZenDen waar wij door Billy de Heialige Imbussleutel kregen uitgereikt. De meeste gelovigen strekten eerbiedig hun geopende hand, een enkele oudere kreeg het waardevolle kleinood op de uitgestoken tong. Een grappig gezicht. Volgens vader een restgebruik uit heidense tijden.   Terwijl wij zo onze verbondenheid vierden, zong het Imbusielenkoor het getoonzette epos van Billy en de Deuvel. Het verhaal was ons bekend maar het bleef mooi. Billy die op het eind moet toegeven dat het zonder de Deuvel nooit wat kan worden En zoals ieder jaar eindigde de plechtigheid met het uit het hoofd leren van het boek dat we bij de ingang hadden ontvangen: de Heialige Catalochismus.   Toen het moment van de Heenzending was gekomen, nodigde Billy ons uit om de Zevende Hemel van de Nieuwe Zending te betreden. “Let vooral op het nieuwe laminaat van klikspaan,” gaf Hij ons als goede raad nog mee. Twee dagen liepen we met onze bijbel en ons Blijde-Boodschapkarretje door de Zevende Hemel en kwamen toen weer samen rond de Den van de Nieuwe Zending. Dat wil zeggen, in plaats van de Den stond er nu een fraaie boekenkast. Wij beseften dat de transsubstantiatie had plaatsgevonden. Billy was getransformeerd. Hij had een nieuwe vorm aangenomen. Hij was in de kast gekomen. Wij voelden dankbaarheid en beloofden eeuwige trouw. Ja K-I was het mooiste feest. K-II was natuurlijk ook leuk. Op de zondag na de eerste volle maan in de lente. Dan stonden de keukens centraal. En K-III? Dat vierden ze volgens vader alleen nog in België. Hij wilde niet zeggen waarom. 'Ik heb aan mijn eigen K3 mijn handen vol,' placht hij te zeggen. Helemaal begrijpen deden wij het niet.

Gerard van de Schootbrugge
2 0