Zoeken

Tip

#1

Soms lijkt het stil op het slagveld. Na uren van gekletter en gejammer smelt het lawaai van het gevecht tot één witte ruis alsof de waas van vermoeidheid die om hem heen hangt de geluiden tegenhoudt. Dan hoort Nikephoros enkel het gebonk van zijn eigen bloed in zijn oren, hoe hij hijgend adem naar binnen zuigt, en af en toe, op dagen zoals deze, hoort hij het schreeuwen van zijn naam als een echo in zijn gedachten.  De mannen om hem heen kan hij amper zien. Het zware metaal van zijn helm sluit hen van hem af, maar hij weet dat ze er zijn. Hun aanwezigheid hoort ook bij de ruis, de mengelmoes van bloed en geschreeuw en het versplinteren van schilden. Nikephoros voelt dat zij er zijn en zij voelen dat hij er is. Zijn speech is hij al vergeten, de woorden achtergelaten in het kamp, vertrappeld door de vele voeten die schuifelend hun tent verlieten. Alleen de reactie blijft hangen. Ze kleeft aan zijn lijf. Het gejuich is onder zijn helm gekropen en het enthousiaste gestamp zit verstopt onder zijn borstplaat. Nikephoros. Zegebrenger. Hoewel zijn harnas zwaar weegt op zijn schouders, beweegt hij met een zekere gratie die anderen missen. Naast hem valt iemand neer. Een bijl komt zijn kant uit. Hij duikt neer, zwaard stevig in zijn hand. Het voelt niet meer als doden. Het voelt louter als een zegeviering. De volgende komt zijn kant opgerend, gewapend met een drietand. Nikephoros doorboort zijn borstplaat nog voor de jongen zijn wapen kan heffen. En dan, temidden van de strijd, hoort hij het. Natuurlijk hoort hij het. Het hele punt van de witte ruis is de filter. De blonde lokken zag hij altijd, een baken in de wirwar van geweld. Ze waren oh zo zeldzaam, louter voor hem bestemd. Nu zag hij ze niet. Hij draaide zijn hoofd om, wanhopig zoekend naar zijn geliefde. De kreet klonk zo vreemd tussen al die wreedheid. Zijn zwaard glipte van tussen zijn handen wanneer Nikephoros naar hem toe rende. Hij spotte Agapétos een paar meter verder, verder dan hij had móéten zijn. Zijn blonde haren waren slechts luttele seconden van de bebloede grond verwijderd. “Agepétos. Agepétos.” Of hij de woorden gezegd heeft, weet Nikephoros niet. Misschien fluisterde hij ze, misschien waren ze slechts een echo in zijn gedachten. Het moest zo snel gebeurd zijn, tussen de ene dood en de andere door. Tussen een bijl en een drietand. Een pijl, sneller dan Apollo. Zelf Nikephoros had er niet aan kunnen ontsnappen. Hij zakte neer op zijn knieën, ogen wijd open en mond hetzelfde. Zijn vingers wurmden zich langs de contouren van de borstplaat, voorbij de hardheid en de strijd, tot ze eindelijk zijn huid voelden. Nikephoros gaf niets om de oorlog. Hij gaf alleen om hoe zacht zijn geliefde is, zijn kloppend hart en de glans in zijn helblauwe ogen. Agepétos’ huid leek wel marmer naast de zijne. Zijn lippen, die uren geleden nog de lijnen van zijn lichaam zochten, openden zich moeizaam, op zoek naar een laatste ademhaling. “Agepétos.” Agepétos wilde hem niet aankijken. Hij trok aan Nikephoros’ arm met ogen die getekend waren door paniek, en Nikephoros, de zegebrenger, smolt als was zijn handen. “Blijf,” prevelde hij. Zijn stem klonk zacht en zilver en gouden boven de witte ruis van de wreedheid. Hij fluisterde het zachtjes tegen Nikephoros’ nek, brandde de letters in zijn gebruinde huid. “Alstublieft.” En dus stopte Nikephoros het gevecht, liet zowel zijn zwaard als de belofte van een zegeviering in de steek. Hij lag naast Agepétos, terwijl die uiteenviel op de ergste wijze mogelijk. Zijn handen knoopten zich in zijn haar, vingers gevangen tussen metaal en huid en zijn lippen verbonden met die van zijn geliefde. Agepétos’ hoofd legde hij in zijn nek, zijn steeds kouder wordende neus tegen zijn sleutelbeen aangedrukt. Zo sliepen ze meestal, wanneer ze alleen waren in hun tent. “Agepétos. Agepétos.” Geliefde. Geliefde. “Agepétos.” Tot de witte ruis ook zijn ogen sloot.

Astrid
0 2

Après Milou - Juli 2013 - Reisverhaal, Rouwverwerking, Dierenliefde

    Après MilouJuli 2013 – Frankrijk  Tintin & Milou, de laatste reis. 7 juli “Alleen als je je verzettegen wat er gebeurt,ben je overgeleverdaan wat er gebeurt.Dan bepaalt de wereldje geluk en ongeluk.”Eckhart Tolle Het afscheid met mijn maatje nadert. Ik heb altijd gevraagd aan Milou om het me duidelijk te maken als het haar tijd is en dat doet ze nu, ze bekijkt me met diepwarme bruine ogen en spreekt tot m’n hart: “ Het is tijd om los te laten vrouwke, deze laatste reis moet ik alleen maken”En wat een fantastische reis zal het zijn, ze heeft het zo verdiend.Milou was vanaf de eerste dag een verrijking in mijn leven, niet één wezen heeft me zo geraakt en gemaakt zoals zij dat deed. Ze bracht het beste in me naar boven, en maakte me steeds weer aan het lachen, zelfs in mijn donkerste dagen. Leven in een ‘menselijke wereld’ heeft me wantrouwig gemaakt. Ik kan niet zeggen dat ik géén liefde heb gekend, maar ik kan wel zeggen dat er nooit standvastigheid zat in mijn menselijke relaties. Zulke gedragspatronen beginnen al vroeg, tekenen je vroeg, en een diagnose zoals MS, met al het inconsequente dat zulke conditie met zich meebrengt, helpt niet echt.Mensen houden vaak van me, adoreren me haast, als ik gevend kan zijn. In momenten zoals deze voel ik steeds weer dat ik me niet altijd omring met personen die me ook onvoorwaardelijk steunen, en ik weet het… het is zo cliché en al zo vaak verwoord, maar de liefde van een hondje is zo verdomd onvoorwaardelijk.Niet dat Milou ooit slaafs was. Met haar sterke persoonlijkheid kon ze me perfect duidelijk maken als ik over de schreef ging in m’n bazigheid, net zoals ik haar kon begrenzen als ze het te bont maakte in haar hondengedrag. Kortom, onze relatie was er een van evenwicht, van balans, van perfecte harmonie en communicatie.Ze gelooft in me, en doet dat nog steeds, zelfs bij deze allerlaatste deksels moeilijke beslissing. Milou maakte ook dat ik me de luxe kon permitteren me min of meer te isoleren met haar hier in het bos. Ze vulde mijn wereld met haar liefde en samen met haar had ik geen behoefte aan een overloop van contacten.Mijn reizen met haar waren zàlig. Kuifje en Bobby op avontuur. Tintin & Milou.In 2007 naar Kreta met de auto en de boot. In 2010 onze doorreis door la douce France naar Spanje. Mensen verklaarden me gek want de kans op een opstoot was steeds reëel aanwezig, maar dat was me een (honden)worst: ik had mijn Milouke bij me die telkens vanop haar achterbank met me meekeek naar de betoverende landschappen om ons heen.De tussenstops plande ik zorgvuldig zodat het nooit té vermoeiend werd en Milou keurend de hotelkamer kon afsnuffelen die ik voor haar en mezelf had gereserveerd. Als ze met een zuchtende grom neerzeeg in haar mandje en begon te sabbelen aan haar kluif wist ik dat het goed was. Hoe ik ga omgaan met die leegte straks weet ik nog niet.Mijn sociaal vangnet is zéér klein en hopelijk sterk genoeg om mijn zwaargewicht verdriet op te vangen.Het zal wennen zijn, want ditmaal ga ik de wereld nodig hebben…Mijn bos zal me omarmen maar is ook totaal verweven met mijn leven met Milou, en ik weet niet of ik dat ga aankunnen. Toch niet meteen, ik heb vluchtwegen nodig. Op dit moment geven mijn virtuele contacten me enorm veel troost. Ik weet dat netwerken zoals Facebook vaak totaal verkeerd gebruikt worden maar geloof me, soms spelen ze toch wel een troostende rol.Zeker nu. Fysiek menselijk contact zou me in deze fase van afscheid nemen, op mijn zenuwen werken. Ik ben totaal gefocust op de eenheid tussen Milou en mezelf, en heb wel behoefte aan warmte, maar niet aan aanwezigheid. Maar straks ga ik meer dan dat nodig hebben.Straks gaat de eenzaamheid en de leegte me dreigend proberen te verzwelgen, en dan heb ik de draagkracht nodig van échte mensen, geen lettertjes op een virtueel scherm. En dan zal ik moeten vertrouwen op mezelf, en op mijn kwaliteit als overlever.Dan zal ik terug naar buiten moeten stappen, om aan te kloppen aan gastvrije deuren terwijl ik hoop dat er ook aan mijn deur wordt geklopt.En zo… gaan we allebei op reis, Milou en ik, met flarden van onze liefde voor mekaar in onze zielen, als een haast onzichtbare nevel bij zonsopgang, subtiel maar steeds aanwezig. Essen, 11 juli 2013Helemaal gepakt en klaar om morgen te vertrekken.Het voelt goed aan.Daarstraks mijn huisje gepoetst en de afwas van enkele dagen weggewerkt want ik ben amper thuis geweest na maandag. Ik ontvluchtte het huis en het bos, zo verweven met Milou. Haar achterlaten in het crematorium van Roosendaal was het hardste dat ik ooit had moeten doen, het verscheurde me en ik reed verblind van tranen naar huis terug, gelukkig geleid door Lucy (de GPS) want anders was ik waarschijnlijk blijven rondjes rijden. De pijn de eerste dagen was golvend en ondragelijk scherp. Als ik in gezelschap was dan ging het wel, het medeleven van mijn omgeving was een echte zalf op de wonde. Maar alleen kwam de eenzaamheid en het gemis steeds weer terug als een mokerslag en huilde ik tot ik geen tranen meer had.Soms zat ik in haar hondenhok op mijn knieën te snikken en s ’avonds maakte ik als een idioot mijn rondje in het bos, net zoals ik altijd al gedaan had met Milou.Ik stelde me dan voor dat ik haar vanuit het donker zou zien aansloffen, maar de duisternis bleef akelig onbewogen. Ik was alleen. Pas toen ik haar woensdag terug ging halen en ik haar urne hier op de kast zette kwam er een kentering in mijn verdriet: ze was terug thuis. Nu kon ik afsluiten en rouwen.En dat rouwen werd me gemakkelijk gemaakt door alle open deuren van warmte en hulpvaardigheid die ik overvloedig tegenkwam. Ik besef nu dat ik me al een hele tijd had afgesloten voor de wereld en was verbaasd dat diezelfde wereld me omhelsde in zijn warmte.Wat ik in elke dagen meemaakte, de hulp die ik kreeg en de troost die me werd aangeboden was zo overvloedig dat het me deed duizelen. Maar ik nam het dankbaar aan en besefte dat dit het geschenk was van Milou aan mij: fysiek was ik haar verloren en ik miste haar, haar ziel gaf ik de vrijheid maar haar zachtheid heeft ze me geschonken en draag ik verder in mijn hart mee. De gedachte aan haar doet me glimlachen, en overal kom ik haar tegen in huis…. Haartjes van Milou, spullen van Milou, foto’s van Milou, haar schilderijtje… In mijn auto ligt de plaid met haar beeltenis in verwerkt zodat het net is of ze straks met me meereist en over de auto waakt. Het voelt allemaal zo natuurlijk aan, we hebben het goed gedaan, zij en ik. We hebben een mooi leven beleefd. Ze bracht het beste in me naar boven en die sporen zijn nu méér voelbaar dan ooit. Ik ben altijd heel bang geweest voor dit moment maar nu begrijp ik dat afscheid nemen even tastbaar is als het leven zelf . We waren er klaar voor, en we gaan nu verder. Het gemis zal blijven, want het doet pijn dat Milou er ‘nooit meer zal zijn’ zoals de kleine Simon het zo prachtig verwoordde. Maar wat Milou heeft gegeven dragen we mee, niet alleen ikzelf, maar al diegene die zij met haar puurheid heeft beroerd. Morgen vertrek ik, om straks terug thuis te komen, en dat is goed.Slaapwel.In Lux bij Voske en Brego In feite is mijn vlucht geen vlucht, eerder een bedevaart. Een omzwerving die ik maak om alles een plaats te geven en Milou is in gedachten steeds bij mij. De rit naar Luxemburg hadden we altijd samen gemaakt, en het voelt een beetje onwennig aan dat ik haar bij mijn plas-stop niet maar kan uitlaten en me zo maar ergens kan parkeren, zonder te moeten uitkijken naar een veilige, schaduwrijk, groen plas-plaatsje voor haar.Als ik terug wandel zie ik een oudere heer met een haast nog oudere hond een wandeling maken. Ik glimlach als ik de grijze snoet aanschouw en denk: “Geniet!”. Het lopen gaat een beetje moeizaam, de MS-beesten zijn wakker en rukken op, klaar om gewelddadig te profiteren van mijn verzwakt immuunsysteem. Mijn linkse zijde voelt erg sponzig aan en onder mijn voet is een plek die totaal gevoelloos is, net of er een prop wat onder de bal van mijn voet is geplaatst, heel gek. Het zijn gevaarlijke tijden voor een opstoot maar ik negeer de symptomen en ga stug door. De MS heeft me nog nooit geketend. Mijn hondje liep tot de laatste dagen met stramme pootjes haar wandelingske uit en het vrouwke zal daarin niet minder doen. Rond een uur of drie draai ik dan de laatste bocht om en zie ik de vertrouwde figuur van Voske staan, die haar Tayberry-struiken aan het leiden is in de voortuin. Haar totale concentratie maakt plaats voor een warme welkom blik als ze me herkent en haar stevige knuffel voelt aan als een lading warme energie die door me stroomt, het is goed dat ik hier ben. Zo warm, zo welkom, zo helend.Brego, de Engelse Pointer en dikke vriend van Milou, staat te trappelen en te janken, hij snapt het niet dat Milou er niet bij is en begrijpt niet dat ze niet fluks uit de auto springt. Hij kijkt me een beetje verwijtend aan en blijft ook de volgende dag nog verwachtingsvol naar mijn groen karretje kijken, net of het één of ander toverdoos is waar Milou in zit opgesloten.‘Neen, lieve Brego, Milou is er niet meer, Milou is er nooit meer, maar haar gedachte is hier bij ons, en haar guitige ogen kijken me aan vanop haar plaid in de auto ‘. Ik voel me meer en meer ontspannen.Voske en ik drinken een koel sapje in haar tuin en praten bij… het is weer al veel te lang geleden, de tijd gaat zo snel. Ook bij haar besef ik hoe ik me de laatste maanden totaal heb afgesloten van de wereld, helemaal gefocust op mijn laatste dagen samen met Milou.S ‘avonds gaan we uit en eten en voor het eerst geniet ik terug van een heus lekkere maaltijd, het hele bord (vis met saffraan) glijdt naar binnen en met een gevulde buik begin ik schaamteloos te gapen. Moe, zo moe, zo veilig en omhelsd.Ik duik het bedje in van ‘mijn’ logeerkamer en met een laatste blik op het plekje waar Milou der mandje bij vroegere logeerpartijen stond slaap ik vast en diep tot de ochtend. Nabij Dijon – 15 juli – Vive la France ?“Uw kamer bevindt zich op de tweede verdieping, nummer 8, de sleutel zit op de deur”, zei de man zuur terwijl hij op het papiertje keek dat op het rolluik van de gesloten receptie hing. Ik had het natuurlijk geweten dat het restaurant van deze Logis gesloten was op maandag maar blijkbaar was er dan ook in het hotel geen service aanwezig en dat kwam op zijn minst kil over.Ik keek naar de steile houten trap en voelde mijn been al mopperen. “Is er een lift om met de bagage naar boven te gaan?” , vroeg ik voorzichtig.“Geen lift, enkel trappen” antwoordde de bleke ‘patron’ terwijl hij zijn wenkbrauw even misprijzend optrok. Het was heus dapper van me om toch nog verder te gaan: “Nog een laatste vraag, ik zie geen parking en sta hier een eindje vandaan met de auto op het kerkplein”.“Goede keuze”, antwoordde hij kort terwijl hij gehaast op zijn klok keek , “ dan staat u voor niemand in de weg”.Niet van plan me te laten intimideren waagde ik hem nog te vragen of ik ergens in het dorp nog een kleinigheidje kon eten.“Non, alleen in de stad, in Dijon” Mijn beurt om afkeurend m’n wenkbrauw op te trekken, want ik boekte geen hotel een eindje buiten de stad om daarna terug nààr de stad te moeten rijden. Het onthaal was erg mager, terwijl de rekening morgenvroeg vast wel ‘Bourgondisch’ zou zijn. Wat later sleurde ik mijn frigobox en wat toiletgerief de trappen op naar de tweede verdieping. Gelukkig was Milou hier niet bij, bedacht ik, ze zou niet eens naar boven kunnen. Met een zucht installeerde ik me in de muffe kamer en wierp de ramen open. Het uitzicht was fenomenaal, dat moet gezegd worden. Het hotel bevond zich op een heuvel boven de stad en buiten het prachtige vergezicht keek je ook nog uit op het terras beneden dat grensde aan een knus aangelegde tuin. Op andere dagen (buiten deze sluitingsdag) zou dit plekje waarschijnlijk een stuk meer gezelligheid uitstralen. Ach, ik moest niet zeuren, morgen was ik al bij Jill en haar gezin, het alleen –zijn duurde maar heel even en niet op restaurant gaan scheelde me weer wat in mijn portemonnee. Daarstraks had ik het ook eenvoudig gehouden, ik was het gewend om niet in één of ander wegrestaurant gaan eten, maar met een baguette, kaas en wat fruit, gezeten op de bumper van mijn kofferbak, naar de gele korenvelden te kijken langsheen de pittoreske route nationale. Ik betrapte me erop dat ik vele gewoontes van vroeger gewoon aanhield, omdat ze me vertrouwd waren of omdat ze me het gevoel gaven dat Milou dan nog een beetje bij me was? Ik sneed met mijn opinel-mes een stuk kaas af, nam een stoel en zette me in het raamkozijn van mijn hotelkamer.Milou was heel de rit in m’n gedachten geweest. Nu ik opnieuw alleen was en de gezellige afleiding van Voske en Brego moest missen, kwam de eenzaamheid terug als een mokerslag binnen. Mijn ratio vertelde me dat het goed was zo, dat we een mooi leven hadden gehad samen met veel liefde en ongelooflijk veel avontuur, en dat ik de juiste keuze had gemaakt door haar te laten inslapen.Mijn hart keek altijd in mijn achteruitkijkspiegel naar haar afbeelding op de plaid. In mijn geest zat ze dan terug naar buiten te kijken, haar neus tegen het kantelraampje om de lekkere luchtjes buiten op te snuiven. Wat reisde ze toch graag met me mee…Tranen bingelden alweer over mijn wangen terwijl ik tegelijk ook genoot van de duikvluchten van enkele speelse boerenzwaluwen die me in de gaten hadden.De laatste dagen voelde ik me 100% leven, en wist ik het weer helemaal : je wordt als vrije mens geboren, en je leven heeft pas zin als je die vrijheid ook bewaart in je hart. Mijn samenzijn met Milou had me daarin niet verzwakt, integendeel.Ik had er alle vertrouwen in… dit was goed, deze reis zou bepalend zijn voor mijn verdere leven. Het was een kruispunt, een leerschool in loslaten zodat ik terug thuis kon komen, zonder gevangene te zijn van m’n eigen verdriet. Gorges du Tarn – 17 juli 2013 Gisteren aangekomen in de camping bij Jill, Donald en Simon.Jill en de kleine Simon stonden aan de ingang en gaven me zo’n hartelijke welkomknuffel dat ik het natuurlijk weer niet droog hield. De tissues lagen trouwens al langer naast me, want haast om het kwartier was er wel één of ander mooi liedje dat m’n tranenvloed triggerde. Het was de eerste keer dat ik met deze auto een langere reis maakte en één van de vele luxe-gadgets er aan was een Cd-speler met niet-speciaal-gekozen, maar toch pakkende muziek.Mijn tranen waren uiting van een rustig verdriet, want in de muziek ondervond ik ook dat het afscheid met Milou een héél natuurlijk afscheid was, eentje dat je alleen maar verrijkt achterlaat zodat je gesterkt verder kan. Het deed pijn, maar was niet te vergelijken met het gevoel van achtergelaten en gedumpt te worden door een verkeerde partnerkeuze. Ik was gewoon érg dankbaar dat ik Milou gevonden had, al die jaren geleden in het asiel van Schoten en fier dat ik haar gekozen had en voor een zeldzame keer mijn intuïtief aanvoelen had laten primeren boven mijn ratio. Zou ik meer moeten doen… Gorges du Tarn – 21 juli 2013Het daadwerkelijk schrijven is enkele dagen in het vergeethoekje geraakt, opgeslorpt door de warme omhelzing van Jill en haar gezin die me adopteren alsof ik gewoon deel van hun mooie geheel ben. Heerlijk.Het campingleven bevalt me gek genoeg enorm goed en dat had ik absoluut niet verwacht.In het bos leef ik een beetje als een kluizenaar en mijd ik sociale contacten en ik moet eerlijk zeggen dat ik de vele ‘menselijke geluiden’ daar als storend ervaar. Hier op de camping, gelegen aan de prachtige Tarn met zicht op de Gorges, zitten er heel wat meer mensen op mekaar gepakt als in mijn woonbos, maar is de rust wonderlijk steeds aanwezig. Er heerst enorm veel respect voor mekaar en ondanks de verschillende taal-en cultuurverschillen worden onuitgesproken regels feilloos opgevolgd. Ik slaap in een piepklein trekkerstentje -geleend van m’n dierenartse- vlak naast de groter gezinstent van Jill en Donald en de kleine Simon. In en uit de tent kruipen was heus een ‘ongemakkelijke bedoening’ met mijn slechter links pootje en mijn gezegende leeftijd. Tot ik ontdekte dat mijn trouwe wandelstok Felix hier weer eens een onfeilbaar hulpmiddel in kon zijn. Oefening baart kunst en na enkele dagen strompel ik toch ietwat eleganter uit mijn knusse Zen-holletje. De organisatie van heel dat camping-beleven is blijkbaar zoiets als fietsen: je geraakt even de pedalen kwijt maar je bent héél snel in het oude ritme terug, zelfs al is het een kwart eeuw geleden. Kamperen is trouwens een stuk comfortabeler geworden dan vroeger, en ik voel in m’n botten dat deze herhaling een begin is van ‘nog’. Dicht bij de natuur leven is toch wel echt mijn ding.Ook mijn kluizenaars gevoel raak ik hier helemaal kwijt. Het samenleven met dit jonge gezin bevalt me prima, en de kleine Simon laat in zijn ontspannen puurheid -nog niet omgevormd tot de soms hypocriete gedragscode van ons volwassenen- spontaan merken dat ik er ook echt wel bij hoor. Ik vind het heerlijk om niet eens mijn best te moeten doen, maar gewoon aanvaard te worden in mijn pure zelf-zijn. Dit smaakt naar meer.Morgen scheiden onze wegen zich weer. Donald, Jill en Simon vertrekken naar huis terwijl ik mijn terugtocht nog even uitstel met een kleine omweg naar de streek waar ik ooit mijn hart aan verloor: de Provence.In Arles heb ik een hotel geboekt waar ik ooit al eens verbleef met mijn moeder. Het ligt pal in het centrum en laat me dus toe om een paar plekjes te gaan bezoeken die ik toch wel even terug wil opsnuiven nu ik zo dicht in de buurt ben.Wordt vervolgd…. Arles, in het hart van de Provence 22 juli Vanmorgen afscheid genomen van Jill, Donald en Simon. Het samen opruimen van ons tentenkamp was een mooie afsluiter van een harmonieuze week en toen ik Simon in z’n autostoeltje nog eens een dikke pakkerd gaf fluisterde ik hem toe dat ik het héél leuk had gevonden. “Ik ook”, glunderde hij, en meer moet dat niet zijn. We reden samen de heling op naar de uitgang van de camping en toen scheidden onze wegen zich: zij reden noordwaarts naar huis en ik dook nog een beetje meer naar het zuiden, naar het hart van la douce Provence vlakbij de Camargue … Arles.Ik had daar pal in het centrum een hotel geboekt waar ik twintig jaar geleden ook was geweest met Mama, en het was in feite nog moeilijker geworden om m’n weg te vinden doorheen die wirwar van kleine straatjes in het prachtige oude stadcentrum. Dit keer had ik wel een hotelkamer geboekt mét parking, maar ik moest eerst wel arriveren natuurlijk. Na wat sukkelen, héél traag rijden en charmante hulp van de lokale bevolking kwam ik toch op m’n bestemming waar ik weer werd verwelkomd door een norse hotelmanager (zijn er nog andere?). Mijn gereserveerde parking was pas later vrij, dus ik moest me maar even dubbel parkeren, zodat het millimeterwerk was om langs mijn auto te passeren, iets wat in la France gewoon wordt aanvaard. De chauffeurs reden feilloos doorheen het nauwe gangetje tussen mijn auto en de bepleisterde straatmuren, maar écht gerust was ik er niet in.Mijn gepruttel werd gesnoerd met een strenge blik van de hotelmanager en ik volgde als een gedwee schaap naar de single kamer die een stuk minder mooi was dan de kamer die ik al die jaren geleden betrokken had met mijn moeder. Niks authentieke oude muren zoals op de website, maar een gewoon piepklein, maar wel kraaknette en gezellig kamertje met een mini-badkamer met douche. Voorzichtig maakte ik hem opmerkzaam dat ik eigenlijk een kamer met bad had gereserveerd ( heerlijk na zo’ n week op de camping) en dat ik jaren geleden een mooiere, stijlvollere kamer had gekregen.“ Mais madame, vous avez réserver une chambre single “ riep hij met gespreide handen uit, zijn ogen ten hemel gericht. Ik vroeg me af wat dàt er mee te maken had.Hij legde uit dat hun hotel als één van de weinige een single kamer verhuurde aan een (iets) lagere prijs, en dat ik dan ook niet mocht verwachten dat je dan ook nog een luxe uitvoering krijgt. Mijn stamelend protest smoorde hij in de kiem door terug naar zijn veilige balie te vluchten terwijl hij hoofdschuddend mompelde dat ik me maar snel een partner moest zoeken. Franse oplossing? Waarschijnlijk.Een beetje later ging ik voor de twintigste keer de sleutel van m’n auto (nog steeds dubbel geparkeerd en wachtend tot de patron de tijd/plaats had om hem in hun garage te zetten) vragen om mijn laptop uit de auto te halen. Met lichtelijk beschaamde kaken vroeg ik hem hulp om uit het ingewikkeld Wi-Fi-kluwen te geraken en pas toen hij de foto van Milou op m’n scherm zag verschijnen klaarde zijn gezicht helemaal op.“C’est votre chien? “ vroeg hij me helemaal vertederd.Woeps, daar was die brok in m’n keel weer… en joep de tranen stegen wederom.Ik speelde het toch klaar en vertelde hem dat ik Milou vandaag net twee weken geleden verloren had. “Ik heb mijn koffer gepakt en ben vertrokken, en voilà, hier ben ik nu. “Weg was de norse hotelhouder, zijn gelaat was nu één en al medeleven: “Je sais, je sais, c’est dur “. Dadelijk een hapje eten en dan een ontmoeting met een oude Franse copain die ik al 25 jaar ken en weeral 6 jaar niet gezien heb. Hij vertelde me net aan de telefoon dat hij enorm verouderd en verdikt is, met witblonde haren, vol tatoeages staat en heden opteert voor een Gottick-look.Hopelijk is hij (zoals altijd) weer grapjes aan het maken.Wordt zeker vervolgd! Weerzien in Les-Saintes-Maries-de-la-Mer op 23 juli Vandaag heel de dag genoten op het strand van Les Saintes in het gezelschap van mijn oude ‘copain’ Christian. We leerden mekaar 25 jaar geleden kennen in dit zigeunerstadje en alhoewel onze verliefdheid toen héél passioneel was, hadden we toch nooit kunnen denken dat we mekaar als krasse vijftigers nog steeds zouden opzoeken.Het is gek, sommige mensen ontmoet je na één keer nooit meer maar op één of andere manier schijnen onze paden zich steeds weer te kruisen zodat we nu al een kwart eeuw aan geschiedenis kunnen verhalen. Bizar!De vertrouwdheid is steeds gebleven, hoewel er steeds wat jaartjes tussen elke ontmoeting liggen en we dus telkens heel nieuwsgierig zijn of de andere al dan niet meer of minder is aangetast door de tand des tijd. De verliefdheid van toen heeft plaats gemaakt voor een vreemde soort van vriendschap die niet echt intiem maar zeker wel honderd procent gemeend is.Ik beschouw deze vriend als m’n vlinder-man, ‘mon homme papillon’. Hij fladdert rond in mijn leven en strijkt soms even neer , maar nooit lang. Vroeger bracht me dat dikwijls van mijn stuk maar met de leeftijd komt er ook een zekere rust . We genieten nu gewoon van het samenzijn en weten heel goed dat een langdurige vriendschap meer waard is dan kortstondig haantjesgedrag. Christian respecteert de grenzen die ik stel en geniet gewoon van mijn aanwezigheid. Op één of andere manier lijken we zelfs een beetje op mekaar en herken ik zijn drang naar vrijheid maar al te goed zodat ik enkel glimlach als hij zich in de late namiddag opeens herinnert dat hij een afspraak heeft gemaakt met zijn garagist rond zeven uur .Ik waardeer het enorm dat hij het toch heeft klaargespeeld om op vrij korte termijn een vrije dag te bekomen en voel ook wel aan dat de dag op het strand en de waterval van verhalen en anekdotes echt wel vermoeiend was. Ook ik zal blij zijn dat ik straks even terug op adem kan komen en wat van de stilte en mijn laatste avond in Arles kan genieten.En zo gebeurt het dat we in de vroege avond reeds terugkeren, met roodverbrande snoeten en een vernieuwd gevoel van verbondenheid.Nog helemaal rozig (lees knalrood van véél te veel zon, zee, strand) kom ik terug in het hotel aan waar ik bijzonder onvriendelijk wordt onthaald door een receptioniste die de hotelhouders vervangt. Ik krijg hier stilaan genoeg van…Pas na een ellenlange identificatie wordt ik met ijskoude ogen verder geholpen. Bah.Reizen via gereserveerde hotels lijkt me meer en meer een foute formule. Eens in het bezit van je creditcard nummer -die je dient te geven bij je internet-reservatie- is het niet meer nodig van veel service te geven, de betaling is dan in principe al verzekerd en je aanwezigheid is niet eens meer strikt noodzakelijk, en dat voel je ! Mijn auto parkeren in de dure privé-parking van 10 euro/dag is echt een noodzaak in het overvolle oude stadsgedeelte, maar het zorgt steeds voor problemen en vergt heel wat geduld. Dit keer is de normale parking blijkbaar volzet en de vrouw met het afgeleefde muizengezicht beveelt me haar te volgen naar een alternatieve parking.Deze bevindt zich in een ondergrondse garage waar ik me helemaal klem rij in een bocht die ik van te voren niet genoeg had kunnen inschatten aangezien dat Mevrouw Muis me met een wapperend handje signaleert dat ik moet opschieten. Ik raak er niet meer uit en zit op nog geen centimeter van de muur met mijn autosnuit terwijl ik de handrem moet aantrekken omdat de helling enorm steil is.Mijn linkerbeen voelt al dàgen sponzig aan dus het is heus geen koud kunstje om het ballet met de benen en de handrem goed te coördineren en terug achteruit te rijden zonder brokken te maken.Ondertussen blijft de vrouw maar zeuren dat het normaal nooit een probleem is (en het dus aan mijn rijkunsten ligt), tot ik haar razend toeroep dat een Peugeot Partner géén kleine auto is en ik niet geopteerd heb voor een autorijles toen ik de dure parking reserveerde.Enfin, ik geraak uit mijn penibele situatie maar sta nadien nog te trillen op mijn benen. Ik ben heus en heus woedend.De vrouw tracht me nog wat onzeker te maken maar wordt de mond gesnoerd door mijn snedig antwoord en vlijmscherpe blik.De zachte Carine is heel even totaal verdwenen en ik verlang hevig terug naar huis.Het is tijd om terug te keren….   Fools give you reasons, wise men never try – Luxemburg 25 juliIk zit hier te tokkelen op mijn laptop vanuit het vertrouwde bedje in het knusse Vossenhol van mijn vriendin Hilda.Gisteren vrij impulsief gekozen om de rit Arles-Luxemburg in één ruk te uit te rijden en 800 kilometer afgelegd over de péage,. Een pittige rit is als je solo-chauffeur bent op de drukke weg. Het was net of er iemand peper op mijn poep had gestrooid: ik moest weg en zo snel mogelijk richting thuis. Ik verlangde naar veiligheid en het huis van Hilda in Lux is ondertussen mijn tweede thuis geworden, een heerlijke haven. Ik had echt genoeg van héél het hotelgebeuren en verkoos de lange rit boven nog eens zo’n avontuur zoals in het hotel van Arles.Gisterenmorgen, bij het uitchecken in het hotel, had ik gezien dat mijn auto toch beschadigd was aan de bumper en de diepe krassen in mijn trouw groen karretje, samen met héél het theater van de hoteleigenaar die natuurlijk alle verantwoordelijkheid van zich afschoof: “Mais c’est comme même pas grave, et c’est vous qui avez conduit !” deden mijn woede over zoveel onrechtvaardigheid verstommen. En als ik stil word ben ik pas écht kwaad.Enfin, ik zal ze het nog flink lastig maken, de brief naar Logis France is reeds geschreven en wacht enkel op een verbetering van mijn slimme vossen-vriendin. We zullen onze tanden er eens in zetten. Soms ben ik het echt wel zat van altijd flink te moeten zijn, sterk te moeten wezen, maar… kan ik anders? Onderweg zag ik dat ook mijn achterruit-wisser gestolen was en begon ik pas te beseffen dat reizen ook heus wel vele gevaren in zich houdt, en ik in feite ook dankbaar mag zijn dat ik er met wat schrammen aan de bumper en een kort staartje op mijn achteruit vanaf kom, ik heb andere drama’s gezien onderweg….Het blijft echt wel een reis vol risico’s met uiteindelijk toch duur materiaal in je handen (om van je eigen welzijn nog te zwijgen!). Mijn auto had het prachtig gedaan. Het is een echte kampeerwagen met alle comfort en snufjes die je nodig hebt. In feite is een Peugeot Partner Tepée heus een mini versie van een camperke, je hebt alle ruimte om je perfect te organiseren. Het was de eerste keer dat ik met deze tweejarige –in mijn ogen gloednieuwe auto- een lange reis maakte en ik voelde dat ik m’n wagen nu pas echt door en door kende. Blijkbaar is het nodig om zulke avonturen mee te maken om helemaal vertrouwd te worden met alle snufjes en afmetingen van je voertuig. De korte ritjes in Essen in die twee jaar hadden me lang niet zo veel bijgebracht als deze tocht. Tijdens de rit was het alsof Milou me terug riep naar ons bos : “Kom naar huis vrouwke, het is goed geweest, Guust de kraai, de familie eekhoorns en de jonge belhamel-merels verwachten je. Het bos verwacht je en zal je omhelzen met zijn goudgroene gloed…”Ik besef nu ook dat mijn dromen van verre reizen nog wat in de kast moeten blijven staan, ik ben er nog niet klaar voor. De drang om weg te vluchten heeft plaats gemaakt voor een hevig verlangen naar huis.Want zoals het klokje thuis tikt , tikt het nergens. Home sweet home – 26 juli 2013Het thuiskomen gisteren was minder akelig dan ik verwacht had. De zon liet haar laatste stralen schijnen en toverde weer die gouden gloed in het bos waar ik zo van hou. Het was natuurlijk wel akelig binnen te komen en de lege plek te zien waar haar hondenmand normaal staat, maar tegelijk voelde ik ook dat het verwerkingsproces niet plaatsgebonden is. Milou zit in mijn hart, en dat heeft niets met een locatie te makenHet bos stond kurkdroog, blijkbaar had het in La Douce France meer geregend dan hier, want alles hing slap en dor en de bladeren van mijn Krentenboompje hadden zelfs al hun herfstkleur! Gelukkig dat de (goede) buurman mijn plantenbakken goed had verzorgd want anders had daar niet al te veel van overgebleven. Ik liep mijn rondje in het bos, genietend van alle vertrouwde plekjes en keek nieuwsgierig in mijn kingsize brievenbus. Daar zat niet al te veel post in, maar één brief deed mijn hart toch even stilstaan: ‘ République Française’ stond er in de bovenhoek en ik wist meteen wat dat betekende : een verkeersboete. Ik had het nog gedacht toen ik op de heenweg voor de Route Nationale koos… de snelheden wisselden zich af van 130 over 110 naar 90 en 50km/h dus je moest echt wel geconcentreerd rijden. Ik vroeg me af of mijn krenterigheid (door niet voor de tolwegen de kiezen) me veel zou kosten en opende gespannen de brief terwijl ik naar mijn leesbril zocht. Blijkbaar had ik 58km/h gereden in de bebouwde kom, dus 8km/h over de limiet en was het een ‘Exces de vitesse inferieur’ met een minimale minnelijke schiking. Misschien viel het nog wel mee.Ik las ongeduldig verder en kwam aan het prijskaartje : 90 EURO !“Liberté-égalité-fraternité?” mompelde ik binnensmonds (ik praat blijkbaar heus veel tegen mezelf en nu Milou niet meer meeluistert voel ik me echt wel een halve gare..) “Pure geldklopperij ja! Lekker hoor al die domme toeristen beboeten.”Jill en Donald hadden zo hun best gedaan om mijn impulsieve vakantie low budget te houden maar deze laatste dagen hadden me heus wel veel geld gekost, potvolkoffie-nog-aan-toe. Ach, zo snel mogelijk betalen en dan gewoon vergeten. En een volgende keer gewoon kiezen voor de péage, daar moet je niet zo constant op je kilometerteller kijken en kan je gewoon je cruise-control gebruiken zonder veel na te denken. Weer een lesje bijgeleerd. En zo kom ik aan het einde van dit reisverhaal.Een reis die me ontzettend veel geleerd heeft, en me –naar mijn gevoel- een andere kijk heeft bezorgd op mijn leven en wat ik daar van verwacht. Vooral de steun van mijn zelf gekozen vrienden (jullie dus…) heeft me doen beseffen dat ik veel minder kluizenaar ben dan ik dacht.De sociale contacten, het medeleven, de warmte en de aandacht die ik de laatste weken gekregen heb deden ongelooflijk veel deugd en dat zal ik nooit vergeten.Het bos blijft mijn haven, maar ik voel aan dat ik meer naar buiten zal treden, en me meer ga engageren in de menselijke contacten die ik toch een hele tijd heb verwaarloosd. Milou is in feite constant bij me, net of ze een deeltje van ‘wie-zij-was’ heeft achterlaten bij mij, een soort van versmelting. Enfin, ik wil hierin niet te ver gaan, maar ik voel het wel zo aan en het maakt de leegte dragelijker. Ze gaf een stukje van haar zachtheid als laatste geschenk en toont me de weg terug naar de menselijke warmte waar ik nu zo’n behoefte aan heb. Ik red het wel.Hou je mailbox/brievenbus of telefoon maar in de gaten, je hoort nog van me.Héél erg bedankt voor het lezen, jullie reisden allemaal met me mee. Warme knuffel,Carine van Milou                 .  

Bosfee
21 1

Dat stomme verlangen!

In de zomervakantie kon ik niet meer om het gezeur heen. Ze hadden gelijk ook. Er moest een einde aan komen. Dus beloofde ik mijn oudste na de vakantie te stoppen. Tegen het einde van de vakantie hoorde ik mijn oudste vragen: “Papa, wanneer stopt mama dan precies? Als we terug komen uit Frankrijk, of als mama weer moet werken, of als ik weer naar school moet”. Deze vraag bleef onbeantwoord.   Mijn stille voornemen om te stoppen als we terug kwamen uit Frankrijk verliep, net als het moment dat ik weer moest werken. Dus op 1 september moest ik er aan geloven. Geen moment van de dag dat ik er niet aan dacht. Dat viel even vies tegen! Maar ik had het beloofd, dus ik moest wel doorzetten. Op de eerste werkdag na het stoppen in de pauze vraagt een collega: “ga je mee naar buiten?”. Dat was mijn zwakste moment. “Nou ‘éigenlijk’ ben ik gestopt…” Toen had ik bijna mijn belofte verbroken. Dag in dag uit dat stomme verlangen. Verlangen naar een gewoonte, waar je van gaat stinken. Een verlangen dat zorgt voor ademnood en tegenwoordig veel commentaar uit je omgeving. Verlangen naar iets waar je ziek van kan worden, dood aan kan gaan. Wat zit een mens toch raar in elkaar.   Langzaam aan wordt het steeds gemakkelijker de verleiding te weerstaan. Begin ik de voordelen te zien en miniscuul te merken. Het scheelt in ieder geval in mijn portemonnee!   Maar zo trots als ik toch wel op mezelf ben: mijn oudste heeft er tot op heden nog niets van gemerkt dat ik gestopt ben!

Liselotte Schippers
2 0

Brief aan God

  God,   Lange tijd heb ik je niet gesproken, dus werd het tijd om een brief te schrijven. Vergeef me mijn tutoyeren, maar dat gaat voor mij als vanzelf als ik het over zulke persoonlijke dingen heb. Er is zoveel wat ik niet begrijp. Lange tijd heb ik geprobeerd het naast me neer te leggen en gedaan alsof het me niets kon schelen, maar regelmatig spelen steeds dezelfde vragen weer op. Misschien kun je me er bij helpen om antwoorden te vinden op deze vragen. De hele wereld worstelt zo met van alles en nog wat, dat wat verheldering wel fijn zou zijn. Uiteraard vraag ik dit uit naam van mijn persoon. Voor de rest van de wereld kan ik niet spreken. Bijvoorbeeld de verschillende goden en godsdiensten zijn me wel erg verwarrend. Het is daarmee een beetje onduidelijk geworden hoe we de boel hier op aarde nu moeten regelen. De gevolgen hiervan zijn groot. Het maakt me niet uit hoe ik je moeten noemen, Kees of Karel vind ik ook goed, maar wat is nu precies de bedoeling. Hoe moet ik leven als ik het goed wil doen en wat vertel ik anderen? Een andere moeilijkheid hier beneden (als je tenminste boven bent) is het verdriet, de ellende en pijn. Oorlogen, ruzies en natuurrampen. Het is zoveel. Zo overweldigend veel dat het niet te bevatten is. Maar ik vermoed dat dat verder welbekend is en ik hier niet over hoef uit te wijden. Maar het waarom is me zo onduidelijk. Je zou toch denken dat dat anders moet kunnen. Het is niet zo dat ik je daarvan de schuld geef, maar ik voel me zo niet geholpen. Mensen doen het elkaar aan, maar ik mis de leider. Alleen geloven dat er een leider is, lijkt niet genoeg, want ondertussen wordt het zo’n zooitje. Heeft het dan nog wel zin om contact te houden? En als ik nu dood ga wat dan, houdt het dan op? Of wordt het dan pas echt interessant. Nu lijkt me het doodgaan toch niet het meest plezierige wat mij en hen die mij liefhebben kan overkomen. Waarom mag ik dat dan nu nog niet weten? Het zou het zoveel makkelijker maken. Zou je me alsjeblieft terug willen schrijven om me even met dit alles op weg te helpen?

Liselotte Schippers
45 0

Brief aan Koning Willem Alexander

Geachte Majesteit Koning Willem-Alexander, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau,   Als burger zou ik graag willen begrijpen hoe het is om een functie zoals de uwe te bekleden. Hoe het is om z’n enorm lange aanhef te hebben. Natuurlijk is er zoveel geschreven, met foto’s vastgelegd en op televisie te zien. Alleen kruipt het niet persoonlijk in de huid van een koning. U bent geboren als prins, zonder dat u hier voor gekozen hebt. Het eten met een gouden paplepel lijkt me niet eenvoudig. Het is geen sprookje, tenminste niet in mijn ogen. Uw leven ligt op straat. U wordt bekritiseerd en er wordt voor u gedacht door de gehele bevolking en ook ver over deze grenzen. Daarmee bent u bijna gelijk gesteld met elke beroemdheid. Maar er zullen er maar weinig zijn die u ook écht kennen. Waar wordt u werkelijk warm van, waarin zit uw verdriet. Had u koning willen zijn als u de keus had gehad? Had u dezelfde keus gemaakt als u een andere referentiekader had gehad? Is het uberhaupt mogelijk om vanuit dit kader werkelijk te kunnen begrijpen hoe het zou zijn om geen koning te zijn. Gewoon Marco of Jeroen Smit te heten of zo en zaterdag naar de voetbal gaan en daarna dronken worden aan de bar. Of zaterdag met de kinderen naar de kinderboerderij, zonder achtervolgd te worden. Uw positie is te gebruiken om grootse dingen te bereiken. Goed te doen en daadwerkeijk dingen te veranderen die er toe doen. Maar is het ooit genoeg? Of als het niet lukt? Misschien is het wel een loodzware last die op u rust die u liever aan een ander zou overdragen. Bij mij thuis valt het helemaal niet op in de wereld als ik eens een keer nee zeg aan de deur tegen een collectant. Uiteraard zijn dit vragen die niet te beantwoorden zijn. En het beantwoorden van deze vragen zou in strijd zijn met mijn wens voor u voor het hebben van uw eigen leven, met eigen keuzes. Maar graag zou ik met u aan de keukentafel met een kopje thee een boom opzetten over mijn leven en over uw leven. Gewoon om de persoon die ‘onze’ koning is, écht te leren kennen. Bij deze bent u uitgenodigd.

Liselotte Schippers
0 0

Brief aan Anne Frank

Beste Anne,   Wat moet ik vaak aan je denken. Als kind al hield het me bezig. Waarom jij? Totale willekeur is het enige antwoord wat ik hierop kan vinden. Denkend aan alles wat je hebt meegemaakt en wat een horror dat voor je geweest moet zijn. Je was niet eens een bijzonder meisje. Niet beroemd, berucht of opvallend. Niet speciaal mooi. Maar een meisje net als ik vroeger was. Jij hield ook van schrijven, net als ik. Met een eenvoudige oprechtheid zoals past bij een tiener. Je woonde in Amsterdam. Ging naar school en had vriendinnen. Je had dromen en passies. Volgens mij zal niemand ooit goed kunnen begrijpen waar mensen zoveel haat vandaan kunnen halen om zo’n onschuldige meid zoals jij en met jou vele onschuldige anderen, zoiets aan te kunnen doen. Jij verdiende een normaal leven met je eigen schone pijnen ervan: het hebben van een gebroken hart, verdriet en ander verlies wat er bij hoort. Jij verdiende opgroeien en volwassen worden. Genieten en feesten, de liefde ervaren en misschien een gezin stichten. Waardevol leven. Niemand zal ooit kunnen begrijpen, kunnen voelen hoe het voor je was toen jouw leven verscheurd werd. Mijn God wat moet er door je heen gegaan zijn op al die verschrikkelijke momenten. De vreselijke angst, de eenzaamheid, de ellende, de vernedering. Alleen er aan denken doet me al ellendig voelen. Je waande je lange tijd veilig in het Achterhuis, maar na de hel van het kamp, moest het bruut eindigen in een vernietigingskamp. Een soort plaatsvervangende schaamte, namens de latere generaties, bekruipt me over het feit dat de geschiedenis zich soms toch lijkt te herhalen. Net op een andere manier, op kleine of grote schaal, in een andere landen, maar toch hetzelfde. Kan er zo weinig aan doen. Mijn woorden hebben niet genoeg kracht. Het lijkt er zo vaak op dat de mens niet leerbaar is. Maar toch blijf ik hopen. Lieve Anne, ik wil je zo graag laten weten wat jij met je schrijven toch nog hebt kunnen betekenen voor de wereld. Hoe ironisch dat je dat niet hebt mee mogen maken. Maar jouw stem is wereldwijd te horen en ik hoop dat het voor altijd na blijft galmen.

Liselotte Schippers
456 0

Liever simpel

Discriminatie heb ik nooit iets van begrepen. Dat zeg ik met gezonde zelfbeoordeling en daarmee wetende dat ik niet tot de domste der aarde behoor. Mocht ik de nuttige ingewikkeldheid van het discrimineren niet snappen, dan blijf ik liever simpel.   De meest schokkende ontdekking die ik op jongere leeftijd deed, is geweest toen ik er achter kwam dat niet alleen domme mensen discrimineren. Hoogopgeleide mensen, professoren met een aantoonbaar hoog IQ. Mensen met een ‘belangrijke’ functie in de maatschappij, die er willens en wetens voor kiezen om te discrimineren. Zichzelf beter te vinden dan anderen. Anderen afwijzen of zelfs veroordelen omdat ze anders zijn.   Ik vraag me af hoe vaak deze mensen er bij stil staan dat er oorlogen zijn begonnen door de loop van de geschiedenis heen tot vandaag aan toe, op grond van deze afwijzing en veroordeling. Je zou toch zeggen dat wij mensen leren van onze geschiedenis en niet dommer zijn dan de spreekwoordelijke ezel. In plaats daarvan blijven wij ons maar steeds weer stoten aan dezelfde steen. Wat een leed, voor niets. Niet alleen in oorlogen, maar ook dichter bij huis. Op school of op het werk. In kerken en gemeenten. Op grote en kleinere schaal.   Of het nu gaat over ras, huidskleur, geslacht, geloof of seksuele voorkeur. Of welke vorm van discriminatie die je maar kunt bedenken. Het zijn er veel te veel om op te noemen. Als simpel mens denk ik misschien te eenvoudig als ik vind dat iedereen gelijk is. Dat we allemaal een velletje over de neus hebben en onze poep even vies is.   Soms zou ik willen dat iedereen zo simpel dacht. Al maak ik zelf hier in onwetendheid vast ook mijn fouten in.   Op de lagere school zat bij ons een meisje in de klas met prachtig rood krullend haar. Misschien was ze iets ouder en daarom ook wat verder in de hormonale ontwikkeling. Een meid om jaloers op te zijn, zeg maar. Ze werd gepest. Omdat ze anders was? Toch ging ik op aandringen van mijn moeder met haar spelen. Dit gaf me een blik in haar leven. Een niet zo prettig leven op dat moment. Wat bofte ik met mijn warme nestje.   Ik denk dat ik van huis heb meegekregen niet te discrimineren op basis van het anders zijn. Bedankt daarvoor paps en mams!   Bedankt dat ik mag denken dat iedereen vieze poep heeft!

Liselotte Schippers
2 0

De wet van Murphy hadden ze nooit aan moeten nemen!

Lamgeslagen kijk ik naar mijn mobiele telefoon die vrolijk rondjes draait voor het raampje van de wasmachine. Dat is mooi balen! Kan er ook nog wel bij.   Vannacht was het lot van deze dag al bezegeld toen mijn jongste het hele bed had onder gespuugd. Mijn lieftallige wederhelft heeft niets meegekregen van mijn nachtelijke bezigheden. Onder luid gesnurk deed ik haar in bad en verschoonde ondertussen als een duizendpoot het bed. De thermometer geeft 39,2 aan. Het arme kind was hondsberoerd. Nadat er niets meer in zat om eruit te gooien vertikte ze het om te gaan slapen en was de enige optie bij haar in het piepkleine bedje te gaan liggen. Resultaat was dat ik geen oog had dichtgedaan. Tegen de ochtend viel ik met haar warm zwetend lichaampje tegen me aan in slaap tot we kort daarna wakker werden van de wekker. Lekker dan! Nu moest ik samen met de zieke op mijn fiets stappen om de oudste naar school te brengen. Om mezelf en in ieder geval de moeders bij school voor de gek te houden, smeerde ik een laag make-up op en fatsoeneerde mijn haar, voor zover dat mogelijk was vandaag. Zo leek het tenminste nog een beetje wat.   Aan tafel maakte zoonlief er een enorme smeerboel van. De pindakaas zat in zijn haren en natuurlijk ging er een beker melk om. Omdat ik bijna omviel van vermoeidheid was mijn geduld ver te zoeken en kreeg hij de wind van voren. Natuurlijk voelde ik me gelijk schuldig toen de melkstorm weer voorbij was, maar te laat. De stemming was gezet. Op mijn mamamobiel reed ik de straat uit met een zeer ontstemmend jongetje naast me op de fiets.   Weer thuis stopte ik de zieke in bed. Die kon nog wel wat uurtjes slaap gebruiken en ik zelf ook. Net toen ik zachtjes de deur van haar kamer dicht deed ging de deurbel. Direct wist ik wie dat zou zijn en langzaam voelde ik een zure, doordringende hoofdpijn opkomen. De reparateur van de afzuigkap zou vanmorgen langskomen. De afzuigkap is stuk en het is ‘best handig’ als hij werkt. Door de ‘fantastische’ nacht en ochtend, was ik het helemaal vergeten.   Van bovenaf keek ik wie er voor de deur stond, waardoor mijn vermoeden werd bevestigd. Daar ging mijn slaap. Nu moest ik mijn best gaan doen om hem zo snel mogelijk weer de deur uit te werken. Zodra hij een voet over de drempel zette wist ik al dat ik daar naar kon fluiten. Totaal gecharmeerd van mijn inderdaad mooie keuken stond zijn klep niet stil. Ondertussen werd ik me bewust van een weeïge gevoel in mijn buik. Kennelijk heerste er iets besmettelijks in huis en werd ik niet gespaard. Dat hielp niet om snel en efficiënt meneer erop te wijzen dat hij toch eigenlijk niet echt gelegen kwam. Op ieder andere dag had ik graag een werkende afzuigkap, maar op dat moment kon het me niets schelen.   Toen hij eindelijk uit was gekletst besloot hij om de eilandafzuigkap eraf te halen. Met alle schroeven los bedacht de uiterst intelligente man dat hij dat ding toch niet alleen in de lucht kon houden en repareren tegelijk. Met mijn verstand kennelijk op nul liet ik mij gebruiken als assistent eilandafzuigkap reparateur. Terwijl alles in me riep ‘nee! ik wil dit niet!’ stond ik toch op het eiland boven mijn krachten de afzuigkap in de lucht te houden.   Maar het is de beste man gelukt om dat ding te repareren. Toen het klusje geklaard was, was hij snel vertrokken. Mogelijk ook enigszins uit schaamte dat hij mij moest inzetten voor zijn klus.   Uitgeteld wilde ik net op de bank ploffen als ik van boven een ziek zielig stemmetje hoor roepen. Ik hoopte dat ze niet nog een keer in bed had gespuugd en dit keer had ik geluk. Samen gingen we op de bank liggen. Weer het warme koortsige lijfje tegen me aan. Ik voelde me zelf ook nog steeds flink belabberd. Af en toe vielen zelfs mijn ogen even dicht. Totdat bleek dat de kleine nog een grote golf maaginhoud over had om me helemaal mee te bedekken.   Op de badkamer kleedde ik me uit en gooide het hele zooitje in de wasmachine…

Liselotte Schippers
7 0

Winteruur

Als ‘s morgens de wekker gaat, ben ik best een blije vogel. Een ochtendmens zeg maar.Tenminste… In de zomer. Dan spring ik ‘s morgens mijn bed uit om fluitend aan de dag te beginnen.   In de winter is het een heel ander verhaal…Als de wekker gaat, duurt het enige tijd voordat ik in de gaten heb dat dat geluid toch echt niet in mijn droom thuis hoort. Langzaam proberen mijn hersenen, die onder invloed van de nacht-illusie nog ernstig druk zijn met het aanmaken van Melatonine, wakker te worden. Nog langzamer begint het tot me door te dringen dat het piepende ding op een actie van mij wacht.Bestaan er nog irritantere geluiden dan die van de wekker?Waarom nu? Waarom?   Waarom hebben wij mensen geen winterslaap? Het hele idee van een winterslaap is tenslotte het overleven van de winter, zonder energie te hoeven besteden aan nutteloze zaken zoals het opstaan in de kou en in het donker. Deze energie kunnen we in de zomer vast ergens anders voor gebruiken. Waarom kunnen we niet gewoon de dag pas beginnen als het licht is? Gezien het feit dat ons biologisch systeem zo is ingesteld.Waar zijn de fluitende vogeltjes en het warme zonnetje als we ze nodig hebben? Het is veel te koud om te douchen en aan te kleden.   Rillend en bedekt met kippenvel met het liefst mijn ogen nog dicht, ga ik die eerste uitdaging van de dag aan.   Of dan alleen een winteruur in plaats van een winterslaap.Wat zou het toch mooi zijn als we dat eerste winteruur van de dag konden overslaan.

Liselotte Schippers
0 0

Paradijs

De kinderen spetteren al uren in het blauwe zwembad, zodat ik ondertussen alle tijd heb om zinnige letters op papier te zetten.  Alle rust en alle tijd van de wereld om de galerij uit mijn gedachten toe te vertrouwen aan het schrijfblok op mijn schoot. Een kruidige geur van eten met een zweem van zonnebrandolie en bier danst aangenaam door de lucht. Mijn hoofd rust op het warme lijf van mijn lief. Het gevoel van het kloppen van zijn hart en zijn zachte strelen voelen als de eerste dag. God in Frankrijk. Dit is mijn paradijs. Zon, zee en strand… liefde, rust en tijd. Veel tijd, want alles wordt ons hier op een dienblaadje aangereikt. Precies zoals ik me een luxe vakantie altijd al had voorgesteld. Steeds laat ik de warme zandkorrels tussen mijn tenen door glijden, mijn zegeningen tellend. Sinds de uitgave van de laatste serie kinderboeken, loopt het als een trein. Als dit zo door gaat, kunnen we ons ieder jaar weer een paar weken paradijs veroorloven. Er zijn al een aantal verzoeken voor manuscripten binnen gekomen en net voor we vertrokken naar dit prachtige oord, kreeg ik te horen dat mijn laatste manuscript verfilmd wordt. Wat een eer! Met mijn ogen dicht, ondertussen gloeiend van de warme zon, fantaseer ik welke bekende acteurs de rollen zouden kunnen vertolken. Carice is geknipt voor de rol van Julia. Welke flitsende acteur zullen we daar nu eens tegenover zetten. Lang krijg ik niet om daar over na te denken, want ik moet mijn schrijfblok in veiligheid brengen. Het gespetter in het zwembad heeft zich tegen mij gekeerd.   Met bakken komen dikke grote regendruppels uit onze Hollandse lucht vallen. Vliegensvlug jaag ik door mijn tuin om alles wat niet nat mag worden, droog te zetten. Mijn door de zon gebrande gloeiende gezicht worden geblust, net als mijn paradijs. Een meisje mag toch dromen…  zucht ik, met een verlangend gevoel naar die schemerige slaap. Toch lachend om mezelf ga ik weer over tot de orde van de dag,  de realiteit. Ach, zand tussen je tenen is ook niet alles…

Liselotte Schippers
0 0

Maar werk ik dan nooit?

Nu heb ik beslist geen hekel aan mijn werk als sociaal psychiatrisch verpleegkundige, maar ik kan toch ook niet zeggen dat ik er elke dag even florissant bij zit. Raar maar waar: ik ben ook maar een mens. Men denkt vaak dat ik het zelf allemaal zo doe zoals ik het probeer over te brengen. Dan heb ik het over het algemeen wel over patiënten en niet over de mensen die mij kennen, want die weten wel beter. Natuurlijk probeer ik te praktiseren waar ik over preek, maar heb uiteraard mijn eigen worstelingen.   Om nog eens iets anders uit de wereld te helpen voor de leek: het feit dat ik ‘in de psychiatrie’ werk, betekent zeker niet dat ik dwars door iemand heen kan kijken. Of iemands ‘geest’ kan doorzien en begrijpen. Je wilt niet weten hoe vaak ik deze aanname bespeur. Soms lijkt het mensen zelfs een beetje af te schrikken. Maar hallo! Ik ben gewoon Liselotte hoor!   Wel voel ik me ontzettend bevoorrecht dat ik in gesprek met patiënten hen een stapje verder kan helpen. Al is het maar om even een glimlach op een gezicht te toveren in een leven vol ellende. Keer op keer ben ik weer verbaasd en trots op het vertrouwen dat me wordt gegeven om een kijkje in andermans keuken te mogen nemen. Ondertussen denk ik na ervaring niet meer als de eerste dag: ‘ik doe ook maar wat’ en natuurlijk heb ik er voor geleerd en werk in een team waarmee ik samen bepaal hoe ik of wij het beste iemand kunnen helpen, maar ik ben sterk van mening dat het écht contact maken het grootste deel van ‘het werk’ is. En dat is iets wat ik zelf doe. Bij elke nieuwe patiënt en ook in de afspraken met patiënten die ik al langer zie, is het steeds een fijne uitdaging om echt contact te maken.   Laatst begreep iemand (weer) niet hoe ik het toch kon: altijd maar dag in dag uit de ellende van iedereen aan te horen.‘En dat terwijl jij zelf zo gevoelig bent. Ik zou het niet kunnen’.Het ligt vast aan mij, of je moet het zelf ervaren om het ook zo te zien, maar slechter kan ik het voor de meeste mensen niet maken. Wel beter. Het geeft mij na ruim dertien jaar nog steeds een goed gevoel als ik iemand beter de kamer uit zie gaan dan hij of zij binnen kwam. Het geeft me een goed gevoel dat ik mensen kan helpen. Als ik dat niet kan, dan zal ik ze ook niet lang zien. En eerlijk is eerlijk: het is ook best fijn om er regelmatig aan herinnerd te worden dat ik het lang zo slecht nog niet heb met mijn eigen gedoetjes. Dus als ik een dag weer eens niet zo florissant begin, kan het wel eens zo zijn dat ik er het einde van de dag een stuk beter bij zit.   Ik doe echt wat ik leuk vind. Maar werk ik dan nooit? Toch wel. Keihard. En als het om patiënten gaat, meestal met plezier!

Liselotte Schippers
2 0

Het vlooiencircus 2 (slot)

‘Beste Alfons, ik zou...' begon de koningin, maar zij werd onderbroken. 'Alfons de Tweede, liefste, dat weet je heel goed,' sprak de koning vermanend. 'Je hebt gelijk, mijn heer, maar nu terzake. Ik zou het op prijs stellen als je eens met je dochter gaat praten. Ze wil mij niet zeggen wat er is, maar ik heb wel mijn vermoedens.’ ‘O ja,’ zei de koning, ‘en wil je die soms met mij delen?’ ‘Ach, waarom ook niet,’ sikkeneurde de koningin. ‘Ik vermoed dat het iets met die korte rokjes te maken heeft.’ ‘Verklaar je nader, liefste,’ sprak de koning liefdevol maar niet vrijblijvend. ‘Wat is er met die korte rokjes?’ ‘Ze kunnen niet korter,’ fluisterde de koningin zwaar ademend. ‘Ze kunnen niet korter meer en daarom is onze dochter in een zwart gat terecht gekomen. Er vallen geen grenzen meer te verleggen. De spanning is er af. De jongens hebben alles gezien en zijn niet langer geïnteresseerd. Ze boeken op grote schaal vakanties in het land waar het te warm is, ookal dragen de meisjes daar lange rokken.’ Misschien wel juist daarom, bedacht de koning. Hij begreep dat er iets moest gebeuren. De impasse was trouwens ook tijdens de afgelopen kabinetsvergaderingen al aan de orde geweest. Kort na het begin van ‘Zoomrevolutie’  was de actuele roklengte punt 1 van de agenda geworden. Volgens de minister van Relaties bestond er een invers, zo niet pervers, verband tussen de roklengte en het consumentenvertrouwen. Zijn stelling was: hoe korter de rok, hoe vetter de kok. Hoe korter de rok, hoe geiler de bok, wist de minister van Dierenwelzijn sinds kort. Een hoop gedoe dus. Maar wel leven in de saaie ministerbrouwerij. Maar intussen zat de roklengte al een tijdje tegen zijn grens aan. Webeschouwd een dubbele grens. Bovengrens: bilnaad. Ondergrens: lengte nul. Een negatieve lengte was volgens de minister van Kleding niet mogelijk. Als economische indicator had je aan de roklengte dus niks meer. ‘Logisch,’ bedacht de koning, ‘als je niks meer aan hebt.’ Iedereen was het erover eens dat er een nieuwe dynamiek nodig was. De slinger moest de andere kant op. De rokzoom moest weer omlaag. Maar hoe?   De ministers kwamen er niet uit en dus moest de koning het zelf doen. En zo geschiedde. Omdat Sarabande deelde in de algemene roklengtemalaise was ze gelijk enthousiast toen haar vader suggereerde dat het misschien leuk was om het vlooiencircus weer eens te laten optreden. Even de zinnen verzetten.  Hij had vernomen dat er een geheel nieuwe voorstelling op het programma stond. De kleine artiestjes traden nu op in een soort mini-Olympische Spelen. Vooral de springnummers moesten spectaculair zijn. Wat te denken van een wedstrijd hink-stap-sprong voor vlooien waarbij een van de pootjes op het ruggetje was vastgelijmd. Sarabande vrolijkte zienderogen op. En voor beten op haar armen hoefde ze niet bang te zijn. De mode schreef al geruime tijd lange mouwen voor. De dag na de voorstelling was Sarabande wakker geworden van de jeuk. Op haar rechter bovenbeen. En dus begon de zoom landelijk, en wat later ook internationaal, snel te zakken.  Nu begreep de schone prinses ook waarom de circusdirecteur deze keer in een korte broek afscheid van haar had genomen. De spiegel had het laatste zetje gegeven. De koning had te doen met zijn dochter maar het landsbelang ging nu eenmaal altijd voor. De beloning voor de circusdirecteur was riant.

Gerard van de Schootbrugge
12 0

Het vlooiencircus

Koning Alfons II zat net even bij te komen van een oersaaie vergadering met zijn ministers, toen zijn echtgenote, koningin Tiamaria binnenkwam. Rood aangelopen en zonder kloppen. De koning schrok op en zei: ‘Maar mijn liefste…’ Verder kwam hij niet, want de koningin onderbrak hem. Verder kwam hij eigenlijk nooit. ‘Kom eens van die troon en ga naar je dochter. Nu! Naar mij luistert ze niet meer. Het is ook jouw dochter. Bemoei jij je er nu ook maar eens mee. Laat maar eens zien hoe goed je bent in regeren.’ Nadat ze dit had gezegd, vertrok de koningin weer, bijna  zoals ze was gekomen: zonder kloppen maar wel een beetje roder.  De koning zuchtte diep, schudde zijn hoofd en zei tegen zijn kleine gebochelde kamerheer die nooit ver weg was: ‘Ik ben even weg. Alles schuift een half uur op.’   Onderweg naar zijn dochter, de mooie prinses Sarabande, had de koning even tijd om zijn gedachten te ordenen. Morgen werd zijn dochter 18 jaar.  De leeftijd waarop jonge vrouwen op hun mooist zijn. En zij was de mooiste van allemaal. Mooier dan welk meisje ook in het land. Heel het koninkrijk hoopte dat er spoedig een prins zou verschijnen die haar hart zou stelen, of veroveren, dat past beter bij een prins. Misschien morgenavond wel. Tijdens het bal. Want er hadden zich veel adellijke jongemannen gemeld en de een stond nog moediger aangeschreven dan de ander. En onbemiddeld waren ze geen van allen. Direct na haar zeventiende verjaardag was koningin Tiamaria met de voorbereidingen begonnen. De organisatie liep op rolletjes. De lichtgeparfumeerde uitnodigingen waren ruim op tijd verzonden. Niets leek een succes nog in de weg te kunnen staan. Maar juist dan moet je voorzichtig zijn. Overmoed maakt blind. En er zijn altijd geheime machten die er een genoegen in scheppen om het feestje van een mooie prinses in het honderd te laten lopen. En ook nu was dat het geval. Hoe het complot in elkaar zat, wist niemand. Het was zelfs niet zeker of er wel sprake was van een complot. Maar feit was wel dat er een lelijke kink in de kabel was opgetreden. Dat zat zo.   Een maand of twee geleden was er voornaam bezoek gearriveerd uit een land waar de koning niet zo veel me op had. Het was er volgens hem te warm. En dan verweekt het brein. Hij was zo onvoorzichtig geweest om dat een keer uit te spreken terwijl er een persmuskiet in de buurt was. En toen duurde het niet lang of de koninklijke mening was ook in het te warme land doorgedrongen. Met alle vervelende diplomatieke gevolgen van dien. Het voorname bezoek was door de koning uitgenodigd om, zoals hij tijdens een persconferentie opmerkte:  de kou uit de lucht te halen. Dit nu betekende voor het te warme land opnieuw olie op het vuur en dat was wel het laatste waar ze op zaten te wachten. Het bezoek begon dan ook wat stroef maar van lieverlee werd het toch nog gezellig. Op de laatste avond was er een intiem onderonsje om de laatste plooien glad te strijken. Ook koningin Tiamaria en prinses Sarabande waren hierbij aanwezig. Tijdens dit samenzijn vertelde een van de voorname gasten vol verve over het circus en hoe gek zijn landgenoten daar op waren. En het allerleukste vonden ze het vlooiencircus. Daar konden ze niet genoeg van krijgen. Het verbaasde de koning niet, maar hij liet niets merken. Terwijl de koning en de koningin probeerden het gesprek in een andere richting te leiden, wilde prinses Sarabande  alles van dit wonderlijke fenomeen weten. Vlooien, beestjes van niks, die allerlei acrobatische toeren uithaalden en elkaar in piepkleine karretjes door een piepkleine piste voorttrokken. Het leek haar enig. Sterker nog, ze bleef net zo lang aan het hoofd van haar vader zeuren tot deze toestemming gaf voor een voorstelling ten paleize. De voorname gasten juichten het besluit toe. Het zou de betrekkingen tussen beide landen ongetwijfeld verbeteren.  En voor Sarabande zou het een bijzonder verjaardagsgeschenk zijn. De koning bedacht dat de nadelen, het verzet van zijn vrouw, niet opwogen tegen de voordelen. Niet zo vreemd dat hij geroemd werd om zijn wijsheid.   Dit alles had zich dus al wat eerder afgespeeld. Gisteren had zich een wonderlijk gezelschap bij de poort van het paleis gemeld. Ruw volk in twee woonwagens en een tolk van de ambassade om het gesprek enigszins op gang te houden.  In de eerste woonwagen woonde het ruwe, slecht geschoren volkje, in de tweede huisde het circus. De circusartiesten zelf reisden mee op een aantal ondervoede katten in evenzovele kooien.  Op de zijkant van de woonwagens stond in felle kleuren geschilderd: Circus Go With The Vlo. De ontvangst van het wat morsige gezelschap was even slikken voor de hofhouding maar het ging om de internationale betrekkingen. En daarbij kwam een groeiende nieuwsgierigheid naar deze onbekende vorm van variëté. En het moet gezegd, de voorstelling was zeer verfijnd. Dat wil zeggen, je had een flinke loep nodig om de verschillende acts goed te kunnen volgen. De nietige bloedzuigertjes trokken elkaar voort in gouden koetsjes, wat tot ingehouden hilariteit bij de lakeien leidde, ze maakten koprolletjes en er werd zelfs gevoetbald met kleine vlierballetjes.  Iedereen was het er over eens dat de show goed was geweest voor de relatie tussen beide volken. Na afloop omhelsde Sarabande dan ook spontaan de wat nurkse circusdirecteur. Deze beantwoordde de hartelijke geste door de prinses krachtig tegen zich aan te drukken. Een liefkozing van het complete circus want zijn gespierde, blote armen boden plaats aan de voltallige artistieke bezetting van zijn circus. De voorstelling had veel van ze gevergd zodat bijvoeding geen overbodige luxe was. De koning had het allemaal glimlachend aanschouwd, niet beseffend wat de mogelijke consequenties konden zijn. Welnu, die waren vanochtend in volle omvang duidelijk geworden. Zijn dochter had een rood pikje op haar linker bovenarm ontdekt. En omdat het pikje nogal jeukte, had ze er ook aan gekrabd waardoor het kleine pikje veranderd was in een flinke rode vlek. Gevolg: totale paniek voor de spiegel omdat haar volmaakte schoonheid was geschonden, en het dringende verzoek aan haar moeder om het bal uit te stellen of af te gelasten. Er was voor Sarabande een jurk gemaakt die de armen bloot liet. Een jurk van een hemelse schoonheid, vervaardigd van bijzondere zijde. Voor de zijde waren speciaal gekweekte zijderupsen gebruikt die na het spinnen van hun sprookjesdraden gedood waren om te voorkomen dat er ooit nog een vergelijkbare jurk zou opduiken. Sarabande was ten einde raad. Koningin Tiamaria begreep het probleem maar hield haar dochter voor dat de adel haar steun aan het koningshuis wel eens kon intrekken als nu nog, terwijl alle prinsen met hun gevolgen onderweg waren, het bal werd afgelast. Sarabande was in het geheel niet gevoelig voor dit argument. Het enige waar zij gevoelig, zo niet overgevoelig voor was, was het gif dat een vlo uit een te warm land bij haar had achtergelaten. De rode vlek leek groter te worden. Nu was het aan de koning om te laten zien wat hij waard was. Dus zei de koning tegen zijn dochter die zich achter het omhangsel van haar hemelbed had teruggetrokken: ‘Sarabande, lief kind van me, wat ik nu ga zeggen is geboren uit liefde voor jou.’ Hij wachtte even. Hij had een sterke band met zijn dochter. Er klonken een paar snikken en een diepe zucht en toen schoof de voorhang open en verscheen zijn grote schat, zijn prachtige dochter. Ze zag er niet uit met haar rooddoorlopen, amandelvormige ogen, maar dat zei hij niet. ‘Ik heb een oplossing.’ Deze belangrijke uitspraak van haar vader leek nauwelijks tot het fraaie schepsel door te dringen. ‘We gaan de jurk aanpassen zodat de onregelmatigheid niet meer te zien is.’ Nu kwam de prinses weer enigszins bij haar positieven. ‘Ja maar vader, hoe dan?’ zei ze nog wat zwakjes. ‘De jurk krijgt mouwen, wat dacht je daarvan? Het hoeft allemaal niet zo moeilijk te zijn.’ De koning had duidelijk moeite een gevoel van zelfvoldaanheid te onderdrukken. ‘Ja maar, pap, hoe dan? Extra zijde is er niet. Waar moeten we de mouwen van maken?’ De koning schrok even, omdat hij hier niet aan had gedacht, maar hij voelde ook opluchting omdat zijn dochter de suggestie niet direct, hysterisch had verworpen. Nu kwam het er op aan. Zijn koninklijke brein werkte in de hoogste versnelling. En niet tevergeefs. ‘Daar heb ik natuurlijk aan gedacht. De oplossing is simpel. We halen een reep van de zoom en daar maken we de mouwen van. De kleermaker is al onderweg.’ Sarabande wist niet wat ze hoorde. ‘Maar pappa, weet je wel wat dat betekent?’ ‘Wat bedoel je?’ hield de koning zich groot. ‘Nou, dat iedereen morgen mijn enkels kan zien?’ Ze kreeg er een kleur van omdat ze eigenlijk niets liever wilde. Maar haar vader was in zijn nationale kledingvoorschriften nooit verdergegaan dan blote armen. Bij feestelijke gelegenheden mochten de ongetrouwde meisjes hun blote armen laten zien. En dat gaf al opwinding genoeg. Vooral op het platteland wilden de boerendeernes de armgatopeningen nog wel eens extra ruim laten uitvallen. De koning moest even slikken, maar hij kon niet meer terug. Hij had het beleid uitgezet. En slecht beleid was altijd nog beter dan helemaal geen beleid of zwalkend beleid. Dus zei hij: ‘Ja, dat is waar. Maar het moest er toch een keer van komen. In het buitenland zijn ook al vrouwenenkels waargenomen. Een leider die de tekenen des tijds niet verstaat, eindigt op het schavot. En als het dan toch moet gebeuren, dan maar gelijk met de mooiste enkels die er zijn.’ Hij gaf zijn dochter een knipoog. Zij op haar beurt vloog haar vader om zijn nek en kuste hem vol overgave vlak boven zijn baard. De koning voelde zich zeer opgelucht en zei: ‘Ik regel het verder wel met je moeder.’   Het bal werd een regelrechte sensatie. De kranten en tijdschriften stonden er vol van. De groepsfoto op de verlichte trappen van het paleis lieten niets aan duidelijkheid te wensen over. Vooraan in het midden stond de beeldschone prinses. Met bedekte armen en ontblote enkels.  18 jaar jong en wat een enkels! Het nieuwe modebeeld verspreidde zich razendsnel door het land. De meisjes waren niet meer te houden. De schaar ging in de zoom, de enkel mocht eindelijk gezien worden. Maar de geest was uit de fles, of liever: de schaar was uit de mand. Waarom stoppen bij de enkel? Was de kuit minder dan de enkel? En waarom mocht de knie niet getoond worden? En binnen een verrassend korte tijd kon de schaar weer in de mand. Er was niets meer te knippen, er viel niets meer te raden. De koning had deze bevrijdingsbeweging aanvankelijk met een zekere ingehouden voldoening geobserveerd. Het streelde zijn ego dat de ideeën die ooit in zijn brein waren geboren, nu ook in het buitenland navolging kregen. Het was een komen en gaan van delegaties die met eigen ogen wilden zien hoe eeuwenoude zeden in korte tijd omver werden geblazen door een storm van vrijzinnigheid. Even was er een gevoel van euforie, van totale vrijheid. In het land en in het paleis. Maar op een dag kwam de koningin rood aangelopen en zonder kloppen bij de koning die net zat bij te komen van een oersaaie vergadering met zijn ministers, binnenvallen. Slot: Het vlooiencircus 2 (slot)  

Gerard van de Schootbrugge
0 0

Ik zie wat jij niet kan zien, het leven door de ogen van een gered huisdier

  Ik herinner me weinig van mijn leven. Vaag herinner ik de stank van mijn kooi en de stront waar ik in ploeterde. Tot op een dag mijn leven veranderde.   Sirenes loeiden luid terwijl agenten binnenstormden. We zaten rustig in de woonkamer tussen de vuiligheid, ons huis werd nooit gepoetst. Wij woonden ook veel te klein, herinner ik me. En er was ook niemand die ons de aandacht gaf. Een vrouw kwam, terwijl ze haar neus toekneep dichterbij We keken elkaar aan en voorzichtig durfde ik een stap dichterbij zetten. Haar ogen vol medeleven keken ons aan. De blondine nam haar telefoon en verwittigde “de instantie die zich met ons zou bezighouden” waarna ze de woonkamer en tegelijk ons huis verliet. Dagen hebben we gewacht en nog niemand had zich met ons bezig gehouden. Onze mensen waren weg en wij bleven verwaarloosd in ons eigen vuil achter. Ik begon honger te krijgen en ook mijn vriendin haar maag begon te knagen. Moest ik nu mijn eigen uitwerpselen gaan eten en mijn eigen urine gaan drinken om te overleven? We waren er van overtuigd dat dit ons einde zou zijn. Tot het geluk des levens weer tot ons keerde .. De voordeur werd opengedaan en we werden zonder pardon meegenomen en afgezet in een opvangcentrum. Mijn vrienden en ik werden elk apart van kop tot teen nagezien en we werden gezond verklaard. Alleen zag niemand dat we beide in blijde verwachting waren. Over minder dan een maand zouden we nakomelingen krijgen.   Diezelfde dag werden we met kooi en al in een auto geladen en weggebracht .. opnieuw en waar deze keer naartoe? Achteraf bleek dat dit het huis zou zijn waarin ik zou sterven. Wat had ik me een deuk gelachen, moest ik tenminste kunnen lachen want ik ben slechts een simpele rat. Onze nieuwe baas, mijn grote liefde en ik die van haar, had van niks bang maar van onze grijpgrage vingers moest ze niet weten. Ze dacht dat we zouden bijten. Ik maakte er vlug komaf mee en greep haar hand stevig vast. Ik liet niet meer los tot ze stopte met wegtrekken en me eens deftig liet ruiken. Ik rook tomaten en vers fruit. Iets dat we nooit te zien kregen in ons vorig huis. Haar wantrouwige ogen keken de mijne aan maar vastberaden wist ik haar vertrouwen te winnen. Onze twee mannen werden ’s avonds al geadopteerd en ik en mijn vriendin zou het zelfde lot beschoren zijn. Ik wilde in feite niet weg, hier kregen we eten. Eten dat we voordien nooit kregen, je zou het in feite als luxevoer kunnen aanschouwen. Van de ene dag op de andere deden we ons tegoed aan appels, komkommer en al wat vers en fris uit een koelkast kwam. De dame daar gaf ons een nieuw samen met een nieuwe naam. In ons vorig huis riepen ze “eikes” en nu bestond ik. Ik werd aanzien als een levend wezen met een ziel. Mijn vriendin, een schuchtere blondine kreeg de naam Mona en ik werd Alice gedoopt. We deden zo ons best om haar te overtuigen van onze goedheid. Waarom moet ik hier weg? En ja! Ons doorzettingsvermogen werd beloond! Ze werd verliefd en wij mochten blijven.   Onze buiken werden boller en Mona leek eerst haar kroost op de wereld te brengen. Zij vertrok naar een vriendin van onze baas en ik bleef alleen achter. Er werd me beloofd dat Mona vlug zou terug komen en ik spendeerde uren alleen met mijn baas. Ik had ze voor mij alleen en ze deed alles wat mijn klein maar liefdevol hartje begeerde. En ik denk stiekem wel dat dit de band heeft gesmeed tussen ons. Dat jij en ik doen alles samen-gedoe. Ze gaf me een nieuwe kooi waar ik mijn nest kon maken en rustig kon bevallen.   Op een ochtend ging onze deurbel, mijn baas sleurde op haar eentje een gigantisch grote doos naar binnen. Nieuwsgierig zat ik achter mijn glas haar aan te staren. Enkele dagen later stond er een gloednieuwe, blinkende rattenkooi klaar. Alle dagen gingen we gaan kijken naar mijn nieuwe huis. Mona en ik zouden daar in trekken wanneer onze kinderen het huis uit zijn. Het was zo spannend! De dagen gingen traag voorbij zonder Mona. Mijn baas ging terug gaan werken en ik bleef achter. Maar elke keer de deur openging hoorde ik mijn naam! Ik sprong meteen op haar arm toen ze de kooi open deed. In hoeverre ik dat nog kon want mijn buik begon erg zwaar te wegen. Mijn baas verloor me geen seconde uit het oog en we deden alles samen. Ik mocht mee naar buiten, koken, de tafel dekken en zelfs het bezoek ontvangen. Met de kop omhoog en mijn buik op de grond bekeek ik de wereld om me heen. Ik kon niet gelukkiger zijn al miste ik Mona wel. Maar goed nieuws! Mijn baas weet me te vertellen dat ze al bevallen is. Haar kindjes stellen het goed en Mona doet erg goed haar best om een goeie mama te zijn. Niet veel later moest ik mijn kroost op de wereld zetten. Terwijl de klein mannen me de tepels van het lijf zogen genoot ik van een frisse aardbei die mijn baas bij me had gelegd. Wanneer mijn kinderen sliepen kon ik uit mijn kooi mijn pootjes strekken en ook een serieuze tuk doen. Mijn baasje pakte me en nam me mee naar de sofa waar ik wat kon rusten en tegelijk haar chips kon stelen. Ze stelde me gerust en vond dat ik een goeie mama was. Ik zag toen ook niet in waarom ik mijn kinderen moest beschermen tegen haar, ze nam de zorg zonder problemen over wanneer ik gewoon geen goesting meer heb ik die losgeslagen bende gekken.   Weken gaan voorbij en ik weet soms niet waar mijn hoofd staat. Mijn dochters beginnen rebels te worden en mijn zonen breken het kot af. Ik zie mijn baas in haar haren krabben niet wetende wat er mee te doen. Ze wist al van in het begin te vertellen dat ze wel een thuis moeten vinden. Wij zijn hier een opvanggezin en er moet later plaats zijn voor twee volwassen rattenmeisjes zoals ik. ‘k Zou ze toch graag eens zien maar ik mag niet van mijn baasje. Ze zijn hier al gearriveerd hoor! Ik heb in de verte gezien! Volgens mij lijkt ééntje op mij alleen ben ik uniek! Ik heb een hartje op mijn buik en mijn baasje is daar zo gek van! Ze denkt dat ik één al liefde ben omwille van mijn plekje. In feite ben ik gewoon een simpele rat die lief is ongeacht mijn hartje. De nieuwe meisjes zijn hier lang genoeg om op hun plooi te komen en ik mag zoals beloofd alle dagen hallo gaan zeggen. Ik kan maar beter mijn beste pootje voor zetten want ik moet binnenkort gaan samen wonen met deze dames. De zwarte lijkt precies op mij en ik zie mijn baas denken hoe ze ons uit elkaar moet gaan houden. Die andere dame gaat mijn vriend niet worden, die is zo bang! Maar die ene ook. Ik weet het toch zo niet … Dagen worden drukker, zowel voor mij als mijn baas. Ik begin mijn kinderen moe te worden al kan ik me wel gelukkig prijzen. Ze leren vlug op hun eigen benen staan en baasjelief neemt de bengels alle dagen uit de kooi zodat ik rustig tot mezelf kan komen. Nog enkele dagen en ze gaan weg. Mijn dochters leven nog met mij en mijn zonen zijn al weg. Morgen is het zo ver en heb ik mijn baas terug voor mij alleen.   Had ik tenminste gedacht want ze is weer eens druk in de weer. Ze gaat weg en komt weer terug. En dan opnieuw! Kom nu toch eens hier! “Momentje Alice!” Ze komt met een kleine doos binnen waar ik eens aan mag ruiken. “Mona!” Maar ik mag nog niet bij haar. Onze baas komt met een kooi naar beneden waar de twee andere meisjes in zitten. Ze neemt Mona en knuffelt haar eens stevig. Ook ik mag uit de kooi en we worden alle vier samen gezet. Wat is dit een kleine kooi zeg! Maar als we braaf zijn krijgen we vlug die grote kooi. We maken voorzichtig kennis met elkaar. Dagen gaan voorbij en eindelijk is het zo ver! We verhuizen met z’n allen naar ons nieuwe verblijf. Nina, de blondine en Mien, mijn rondlopend spiegelbeeld zijn nog wat terughoudend maar ik en Mona vliegen als een gek door de buizen en trappen. Dag per dag komen er leuke dingen bij. Een hangmat hier, een trapje daar …   We waren toen ongeveer halverwege het jaar toen mijn nieuwe zus erbij kwam. Een klein grijs meisje dat in een te slechte wereld is geboren maar gelukkig werd gered door een lieve dame. Mijn zus kreeg haar naam mee; Annie. Annie werd de beste vriendin van Nina en ze kwam met al haar deugnieterij weg. Ze werd groot en torende hoog boven mijn hoofd uit. Spelen en ravotten, ze deed niets liever ..   Tot op een dag Nina ziek werd. Ik herinner me mijn baas met tranen bij de kooi zitten. Ze zou met Nina naar de dokter gaan en alles zou goed komen maar Nina kwam niet meer terug … Mijn baasje kwam thuis met een lege mand. Nina was weg en ze huilde. De dierenarts kon haar niet meer helpen toen die zag dat ze meer dan één tumor had. Maar ik ben blij dat ze geen pijn heeft gehad.   Het is weer even wennen zonder Nina en Annie hangt het uit! Die weet met zichzelf weer geen weg en stuitert door de kooi. Verdomme, laat me nu toch eens gerust! Ik geef haar een snauw, dat zal haar nu wel even op afstand houden.   Maanden gaan voorbij en mijn baas moet weer eens weg op redding. De laatste tijd heb ik haar niets anders zien doen dan heen en weer lopen, kooien versleuren en die elk om beurt uitkuisen. Na de redding kwam ze thuis zonder mand. Iemand was zo vriendelijk om deze sukkelaars met de auto te brengen. Benieuwd sta ik aan de tralie te kijken wie het is? Ik weet dat ze toch mijn zus gaat worden, mijn baasje vertrouwd erop dat ik me uitstekend gedraag. Kon Mona dat maar, die kan toch uit de hoogte doen! Als mijn baas kijkt is ze bijna de liefste rat, maar mijn baas trapt daar niet in want ik ben natuurlijk de liefste! Maar wanneer geen blik op haar rust is ze Miss Rat in eigen persoon!   Weinig tijd om na te denken heb ik niet, de kleine kooi staat klaar en we vliegen er met z’n allen in. Koppelen noemen ze het, alle meisjes gaan samen en we gaan leren overeen komen. Ik krijg een nieuw zusje maar ze is nog verschrikkelijk klein. Klein maar dapper! Ze is een tikkeltje arrogant en wil niet luisteren naar ons. Het is al direct ruzie tussen haar en Mona. Annie komt zich moeien en ik zit er maar op te kijken. Ik lijk geen problemen te hebben met haar, zolang ze zich maar wat aanpast. Ik zie dat de andere kooi vol zit met mannetjes. Ze glunderen naar me en ik laat me van mijn beste kant zien. “Niks van” hoor ik mijn baasje zeggen. “Geen kinders meer voor jou, Alice!” Teleurgesteld kijk ik terug naar mijn zusjes, hopelijk stopt het vlug met die ruzies!   Enkele weken later merkt mijn baas op dat mijn nieuwe zusje wel eens zwanger zou kunnen zijn, ze verdikt erg veel. Het kleine meisje moet op controle bij de dierenarts en komt zonder uitslag terug naar huis, we weten niets meer. Ik hoor mijn baas zeggen dat we moeten afwachten. Intussen krijgt ze een nieuwe naam; Mia. Al onze namen hebben een betekenis, dat heeft mijn baasje ons vertelt. Ik noem Alice omdat mijn baas de film Alice in Wonderland gezien heeft en mij zo magisch vind, tenminste ik vind dat van mijzelf. Mona ’s naam komt van een schilderij, Mona Lisa ofzo. Mientje noemt gewoon Mien omdat mijn baas dat een toepasselijke naam vind voor een klein meisje, net zoals de kat van de zus van mijn baas. Gelukkig dat ik die niet hoef te ontmoeten! Annie heeft de naam meegekregen van haar redder in nood en Mia is een ode aan een man die mijn baas graag hoort zingen. Uren zingt ze mee met die kerel. Ik geloof dat hij Luc noemt. Of Gorki, dat weet ik niet meer. Ik vind dat stiekem wel erg speciaal wanneer we zo’n belangrijke namen hebben. Ik kom uit de film! Hiermee kan ik uitpakken tegen nieuwe vriendjes, dan vinden ze me zeker leuk!   Geen twee weken later moet Mia apart en komt ons vermoeden uit, ze is, of was tenminste, zwanger. Negen kleine ukjes! Heeft zij geluk, ik had er elf! De twee dagen na haar bevalling komt mijn baas bedroeft naar beneden. Mia is twee kindjes verloren. Het komt omdat ze zelf nog zo klein is en dat heel wellicht haar papa, neef en of nonkel haar heeft zwanger gemaakt. Dit lijkt me niet zo gezond. Gelukkig gaat het met de dag beter met de kleintjes. Ik zou graag eens kennismaken maar Mia is zo boos! Ik weet niet wat ze heeft. Daarbij, mijn baas zou dat toch niet toelaten.   We zijn weer twee weken verder wanner de kleintjes naar een nieuwe thuis vertrekken. Ik wist dit eerder want ik zat op mijn baas haar schoot te luistervinken toen ze telefoneerde met enkele mensen. Ze beloofd me dat Mia hier mag blijven. We gaan met ons vijf terug in de koppelkooi en we komen overeen. We worden vijf pootjes op één rattenbuikje!   Maanden gaan weer voorbij en ik voel me oud worden. Dat jonge grut loopt en stuitert door de kooi en ik kan er minder goed tegen. Het is leuk de liefste te zijn want dan krijgen ze medelijden met je. Ik mag veel uit de kooi op de schoot en dan ben ik toch even gerust. Soms voel ik me niet goed, mijn baas merkt het ook en vraagt me nog niet te sterven. Tuurlijk niet! Ik ben oud maar wil nog niet dood! Ik zal er niet aan ontsnappen en dat is wat mijn baas vreest, ze zegt dat ze niet klaar is om me af te geven maar ze beloofd om me te helpen wanneer ik het echt niet meer aan kan. En ik neem haar op haar woord, ze stond de laatste twee jaar klaar voor mij en dat zal ze nu ook wel doen. De nacht valt en ik voel me echt niet goed. Ik leg me alleen onder ons grote loopwiel zodat mijn baasje toch ziet wat er scheelt. Ze vind me suf en slaperig terug. Ik voel warme handen om me heen klemmen en een traan op mijn vacht vallen. Ze weent en ik kan haar niet troosten. Moet ik haar dit echt aandoen? Ik besluit toch nog even te vechten voor haar en probeer wat te eten. Er staat banaan klaar en kattenmelk. Ik krijg brintapap en zachte aardbeitjes. Van alles eet ik een beetje en ik voel me sterker worden. Met een spuitje geeft mijn baasje me wat sojamelk, ik grijp met mijn twee handjes de spuit vast en geniet met volle teugen van het drankje. De melk loopt langs mijn kin naar beneden. Met een hoekje van een handdoek kuist mijn baas mijn mond af. Ze lacht een beetje. Ik slaap veel op haar schoot maar ik kan echt niet meer nu. Gelukkig beseft mijn baasje dat en ze maakt een afspraak voor mij. Morgen mag ik naar de rattenhemel en mijn baas heeft het zo moeilijk. Ik lig op haar schoot en mag eens likken van een stukje chocolade. “eet maar meisje” fluistert ze me toe. Morgen zou alles voorbij zijn. Er ligt een dekentje en een kussen klaar voor me. Mijn baas probeert me zo goed mogelijk te leggen want ik kan niks meer zelf. Ik ben een lappenpopje. Ik val in slaap en voor ik het goed en wel besef is het ochtend. Mijn baas komt met wat lekker maar ik hoef niks hoor. Ik ben moe. Ik krijg nog een dikke knuffel en we vertrekken. Mientje mag met me mee want ze heeft ook een gezwel dat moet nagekeken worden. Misschien mag ze mee met mij naar de hemel, kunnen we daar samen spelen. Nina staat ons misschien al op te wachten! Ik ben zo benieuwd. Daar zal ik misschien geen pijn meer hebben en er staan wie weet al potjes lekkers klaar! In de wachtzaal krijg ik nog een knuffel maar het doet pijn mijn baas te moeten achterlaten. Het zal toch moeten. Ik kan echt niet langer meer. Veel van wat er gebeurt herinner ik me amper. Wel weet ik dat de dierenarts me nog aaide en dat ik in de handen van mijn baas ben ingeslapen. Ik kreeg geruststellende woorden toegefluisterd toen mijn zieltje mijn lichaam verliet. Bovenop mijn wolk zag ik hoe mijn baas en de dierenarts stonden te huilen bij mijn lijfje. Mientje hoefde nog niet mee maar ze pakt mij wel stevig vast. Ze greep me bij mijn pels, het arme beest besefte dat ik dood ben en mijn baas huilt nog meer. Ik voel wel wat verdriet maar Nina is hier om me te troosten. Samen kijken we naar beneden hoe ze het stellen zonder me. Ik krijg een plekje in het bos tussen de varens. Mijn baas geeft mijn lichaam terug aan de natuur waar ik vandaan kom terwijl mijn zieltje nu vrij is om rond te rennen en te ravotten zoveel ik maar wil. Ik heb precies geen pijn meer en voelde me nog nooit zo gelukkig. Ik heb twee jaar lang mijn baas kunnen plezieren, het eten gekregen wat ik maar wilde en ze leerde me het echte leven kennen. Geen vuile kooi meer en geen kindjes meer op de wereld zetten. Er stond fruit en groetjes klaar en altijd vers water. Ik kreeg vriendjes en mocht mee proeven van het mensenleven. En toen de tijd kwam om te sterven kreeg ik nog het beste van het beste en kwam ik niks te kort. Nooit heeft mijn baas aan zichzelf gedacht om me nog langer in leven te willen houden. En inslapen tegen de borstkas van mijn baasje, haar hartslag horen, haar warme handen en haar tranen op mijn vacht voelen vallen terwijl ik op mijn laatste reis vertrek. Er is geen mooier gevoel dan liefde, zelfs in je laatste seconde op aarde!   Een ode aan Alice, mijn eerste tamme rat.

Peursum Doreen
6 0

Proloog

We waren ouder geworden.Enige lachrimpels hadden zich meester gemaakt in de jongedame haar gezicht. Enige jaren van verstand waren nu tot haar doorgedrongen. Op een zonnige lentedag stapte het lieflijk meisje met Het Lief een oude alombekende galerij binnen. Na al die jaren was ze nog steeds begeesterd door kunst in de grote zin van het woord. Zij had Het Lief na lang aan de oren zeuren, eindelijk kunnen overtuigen.  Eénmaal voet aan wal gezet, viel haar een opvallend stel kijkers meteen op. Of was het Het Lief dat doodleuk haar natuurlijke schoonheid reflecteerde  op een schilderij? Was het Het Lief dat toevallig vertelde dat hij op die jadegroene ogen verliefd was geworden? Schichtig zocht ze naar een naamkaartje wat aan zijn anonimiteit radicaal een eind zou maken. Het was dan toch waar. Ze wist het zeker, de kunstenaar was na al die jaren het meisje in haar niet vergeten. Plots overheerste een stilte in het pand. Je kon zelfs een speld horen vallen op de ijskoude grond. Zo diep verzonken, waren zowel de gedachten van de jongedame in kwestie als dat van Het Lief.Bij Het Lief overviel de jaloezie hem genadeloos. De angst om haar alsnog te verliezen, moest het geweest zijn. Het Lief had immers enkel het talent om haar te beminnen maar niet om haar te bezingen. In het licht der duisternis, in dat somber pand, kwam de kunstenaar opeens ten tonele. Op een luttele miniseconde stond hij bij het meisje vandaan waar hij na al die tijd nog hevige gevoelens voor omarmde. De vrouw met een iet of wat lichtgebogen ruggengraat, een mager lichaam maar onmiddellijk herkenbaar aan de lange vuurrode manen, staarde hij ongedwongen aan. Alle gedachten raasden door zijn hoofd. Wat nu? Durfde hij het aan om haar aan te spreken? Maar net op dat moment pakten Het Lief en zijn vrouw elkaar nog steviger vast. Hij, getekend door een hard bestaan, zag het echt niet zitten om juist nu het woord aan te gaan met het meisje dat hem, de artiest, altijd om één of andere magische reden, had betoverd. De haren op haar rug sloegen schalks overeind. Het meisje voelde zich aangestaard, als een hen in een hanenhok. De schaduw die haar verraste, verviel in het niets met het licht. Net op dat moment draaide zij zich om.  Toch zag de jongedame geen schim meer. Als een vlucht naar Egypte maakte hij zich uit de voeten. Het meisje zal nooit geweten hebben dat hij die dag tot op enkele meters van haar stond. Of toch…  

Lamanchamarta
0 0

Mike, een verhaal in twee bedrijven

Toen het nog niet zo heel erg was maar wel een beetje: De broer van Mike had een nieuwe vriendin. Vandaag had hij haar voor het eerst meegenomen naar huis en mocht ze mee-eten. De moeder van Mike leek veel vrolijker en opgewekter dan anders en ze had een schort met bloemetjes aan. Ze had nooit een schort aan. En zeker niet met bloemetjes. Mike dacht dat ze dat schort vast speciaal voor deze avond had gekocht, net als de bloemen in de vensterbank. “We eten rollade vanavond!” riep de moeder van Mike met iets meisjesachtigs in haar stem. We eten nooit rollade, dacht Mike. De broer van Mike gaf zijn vriendin een rondleiding door het huis alsof het zijn huis was en alsof hij wist hoe het in het huis werkte. De vriendin wilde alles weten. Ze vroeg of Mike echt speelde op de instrumenten in zijn slaapkamer. Mike vond het nogal logisch als je instrumenten in je slaapkamer hebt staan, dat je die dan ook gebruikt om op te spelen. De vriendin kreeg het grootste stuk van het vlees en ze smakte en hield haar vork raar vast met een soort buiging in haar pols. Mike vond dat helemaal niet nodig.  Soms werd er iets gezegd aan tafel en de vriendin lachte dan haar grote witte tanden bloot en begon te schaterlachen. Als de moeder van Mike iets vroeg antwoordde ze met volle mond terwijl ze onder de tafel haar hand op het been van de broer van Mike legde. De broer van Mike moest ook lachen om de dingen die aan tafel werden gezegd terwijl die dingen niet eens grappig waren.  De broer van Mike moest bijna nooit om dingen lachen. En zeker niet om dingen die aan tafel werden gezegd. Mike wilde ook wel een keer een meisje mee naar huis nemen zodat ze mee kon eten. Hij zou dan een meisje kiezen dat niet smakte en geen hand op zijn been legde en niet zou schaterlachen. Ze had een andere lach gehad, een zachte grinnik. Veel charmanter en eleganter dan de vriendinnen van zijn broer. Maar zulke meisjes zijn nergens te vinden. Als meisjes je vriendin worden leggen ze hun hand op je been en maken krullen in je haar. Ze kijken in je ogen en kijken niet weg tot dat jij weg kijkt of je knippert. Ze leggen hun handen in jouw handen en pikken je broer af en zijn een nep-broer met nagels en parfum. Ze vragen naar welke platen je luistert en ze vragen wat je lievelingskleur is. Ze vragen waar je aan denkt en waar je over droomt. Ze vragen je zo veel dat er niets meer overblijft. Net als met rollade. Ze aten nooit rollade. En zeker niet als Mike er om vroeg.   Toen er niets meer aan te veranderen viel: Wat hij het liefste zou willen zeggen, was iets over dat ze samen elkaars navels vergeleken, 's zomers in het gras. Dat hij hem gepest had met zijn navel omdat er zo'n bobbeltje op zat. Dat ze samen in de roeiboot naar de overkant van de sloot hadden geroeid en het dan leek alsof ze in een ander land waren terwijl hun moeder aan de overkant zwaaide en riep dat ze broodjes en soep konden halen maar ze deden alsof ze het niet hoorden. Dat hij een keer een tand door zijn lip had omdat hij achter hem had aangerend in het zwembad en toen op de grond viel. Dat hij heel hard moest huilen en werd uitgelachen maar ook werd getroost. Dat ze samen op de fiets naar het dorp gingen en ze daar met hun handen op de blote benen van meisjes hun eerste sigaret hadden gerookt. Dat ze waren verdwaald en niet bang waren geweest. Dat ze stenen gooiden op kippen en huizen maakten voor kikkers. Dat ze harten hadden gebroken en weer heel hadden gemaakt. Dat ze hadden gerend door steegjes, gepraat in de nacht en gehuild in de regen, want in de regen kun je dat niet goed zien. Dat zijn broer moest overgeven en dat eigenlijk niet grappig was en hij daarom maar zijn lach inhield. Hij had zijn broer bijna nooit uitgelachen, en zeker niet als het echt erg was. Toen hij op het podium stond en ze hem aankeken, moest hij iets zeggen over dat hij ze het beste gunde. Het gelukkige paar. Zijn broer en zijn vriendin. Man en vrouw. Iets over liefde en eeuwigheid. Bestemd zijn voor elkaar.               Maar wat hij het liefste zou willen zeggen,  was dat hij hem zou gaan missen. Maar dat had hij maar niet gezegd.  

Julia Dobber
2 0

Vergeten

  Hoofdstuk I Ik herkende niets. Alles in deze kamer was me volledig onbekend.  De kamer was mooi ingericht en ikzelf lag in een bed met fleurige lakens, dus als ik zou ontvoerd zijn, heeft iemand wel heel erg zijn best gedaan. Maar hoe kom ik hier dan? Ik stond op en keek eens goed rond, op zoek naar iets wat me doet herinneren aan gisteren. En daar, op het bureau, lag een iPad. Er kleefde een Post-it op waar op stond geschreven: “Bekijk het filmpje”. Ik ontgrendelde de iPad en het desbetreffende filmpje begon vanzelf af te spelen. Ik schrok hard toen ik zag dat de persoon in het filmpje ikzelf was! Hoe kon dat nu? Hoe dan ook, ik luisterde naar wat zij, of beter ik te vertellen had.   Hey Anna, Ik ben jou. Heb je goed geslapen?Je vraagt je waarschijnlijk af waar je bent en wat er is gebeurt? Wel, ik zal het je even uitleggen. Twee jaar geleden heb je een auto-ongeluk gehad. Hierdoor ben je in een diepe coma beland. Bij het ontwaken stelden de dokters vast dat je een zeer sterke vorm van geheugenverlies hebt. Elke dag opnieuw vergeet je alles, behalve wie jouw ouders zijn. Zij zorgen namelijk al sinds je geboorte voor je, dus dit heeft je geheugen dan toch onthouden.  Ik leg nog even uit wat je vandaag allemaal moet doen: Om negen uur moet je naar school. Je lessenrooster vind je in je rugzak, die ligt naast je bureau. Jouw vriendinnen heten Sanne, Lieselotte en Helena. Zij zullen je op weg helpen. Als laatste maak je nog een videootje voor je gaat slapen, zodat je morgen weer alles over je toestand te horen krijgt. Veel liefs en tot morgen. Ik denk dat ik twee minuten lang heb zitten staren naar het zwarte scherm. Vergeet ik nu echt elke dag mijn hele leven? Hoe lang ik ook probeerde me iets te herinneren van gisteren, vorige week of eender welk moment, het kwam gewoon niet in mij op! Ik stormde naar beneden op zoek naar mijn papa. Ik trof hem aan in de keuken aan de ontbijttafel. Ik dacht eraan dat hij dit waarschijnlijk elke dag meemaakt. Ik die naar beneden stormt om te vragen wat er gaande is. Maar ik vroeg het hem toch.   Hoofdstuk II De bel ging. Iedereen snelde naar zijn klaslokaal. Ik volgde gewoon de meisjes van wie ik de namen op mijn hand had geschreven: Lieselotte, Helena en Sanne. We hadden eerst aardrijkskunde en blijkbaar wonen we in België. Normaal gezien weet iedereen dat, maar ik natuurlijk niet. Er kwam op eens een gedachte op in mij: “Heeft mijn leven eigenlijk nog zin?”. Zonder dat ik het wou, begon ik te wenen, midden in de les. Ik had er gewoon geen controle over. Iedereen keek me aan en ik zag vele klasgenoten zuchten. Waarschijnlijk moeten ze elke dag de les stopzetten door mij, het meisje dat niets weet.    Ik zat intussen in het ziekenkamertje en was al wat gekalmeerd. Mijn papa kwam me zo dadelijk halen om naar huis te gaan en alles wat te laten bezinken. Eenmaal we thuis waren, ging ik naar mijn kamer, klaar voor de tweede huilbui van vandaag. Ik voelde me zo schuldig! Mijn ouders doen zoveel voor mij, maar eigenlijk ben ik hun alleen maar tot last. Het zou toch zoveel makkelijker zijn als ik er gewoon niet meer ben? Weg met al die problemen! Weg met mij! Uiteindelijk besloot ik nog een videootje te maken. Want ja, ik ben natuurlijk het meisje dat alles vergeet. Eigenlijk heeft het echt geen zin meer. Waarom zou ik nu nog een video maken, als ik toch elke dag beleef alsof het mijn eerste dag op deze wereld is? Hoe dan ook, ik deed het toch.   Hey Anna, Ik zal eens vertellen hoe het eigenlijk echt zit. Wel, je weet niets! Jij kent niemand, je vergeet alles, iedereen moet jou helpen... Je weet waarschijnlijk niet eens welke dag we vandaag zijn! Jouw ouders moeten alles voor je doen en jij bedankt ze door elke dag voor problemen te zorgen!? Je weet toch ook wel dat ze jou meer dan beu zijn? Waarom spring je niet gewoon uit het raam, hè? Dan heeft niemand nog last van jou. Dat zou de wereld veel mooier maken! Je bent gewoon…   Ik barstte in tranen uit. Opnieuw. Misschien heb ik gelijk en moet ik gewoon uit het raam springen. Misschien is het inderdaad wel de ideale oplossing. Weet je wat? Ik doe het gewoon! Hoofdstuk III Mijn vrouw en ik hebben het moeilijk. Een dochter opvoeden die elke dag de wereld opnieuw moet gaan verkennen is lastig, maar we zijn er voor haar. Ik vertel haar iedere dag over het auto-ongeluk. Ze wil zelfs de kleinste details weten. Ik merk wel op dat ze er de laatste tijd nogal triestig bijloopt. Waarschijnlijk begint ze naarmate ze ouder wordt meer en meer te beseffen dat ze geen hechte band kan opbouwen met anderen. Wat ze wel nog niet weet is dat haar geheugen sterk achteruit gaat. Binnen een paar maand herinnert ze ons niet meer, laat staan wat ze twee minuten geleden gegeten heeft. Maar ik kan er niet onderuit, ik moet het haar vertellen.   Ik liep de trap op rechtstreeks naar haar kamer en klopte op de deur. Bij het binnenkomen zag ik dat haar ogen nog rood waren van het huilen. De moed zonk me in de schoenen.    Papa: Hey Anna, hoe gaat het? Alles oké? Anna: Nee! Alles is niet oké! Ik wil gewoon normaal zijn! Normaal zoals mijn    ​vriendinnen die ik niet eens herken!  Papa: Ik weet het, liefje. Het is niet gemakkelijk, maar we komen er wel doorheen. ​De vorige jaren waren ook geen probleem voor ons. Anna: Maar ik herinner me niets meer van al die jaren! Heeft het dan nog zin? Papa: Maar natuurlijk, Anna! We doen alles voor jou en zien je graag! Maar ik moet​je eigenlijk iets vertellen. Ik wou wachten tot mama thuis was, maar dit lijkt me​een gepast moment.    Hier kwam het. Ik vertelde haar alles over haar toestand en ze vatte het niet licht op. Ze barstte in tranen uit en ik omhelsde haar. Morgen herinnert ze zich dit gesprek niet meer, maar ik wel en ik zal het nooit vergeten… Je dochter zo zien lijden is verschrikkelijk! Ik besloot dat ik haar even alleen zou laten, zodat ze het nieuws kon verwerken. Ondertussen begon ik aan het avondmaal. Mijn vrouw had gebeld dat ze wat later thuis zou zijn, dus riep ik Anna om te zeggen dat het eten klaar was. Toen ze geen antwoord gaf, riep ik nog eens, maar er kwam nog steeds geen reactie. Ik liep naar boven en gooide haar kamerdeur open. Anna was nergens te bespeuren.  Hoofdstuk IV De badkamer, de keuken, de woonkamer, de kelder, de zolder… Ik vind haar nergens! Ik probeer haar te bereiken op haar gsm, maar val elke keer weer op haar antwoordapparaat. Misschien viel het nieuws haar veel te zwaar en is ze gewoon even haar gedachten gaan verzetten. Maar toch, ik ben nog altijd even ongerust! Waar kan ze nu toch zijn?  Mijn vrouw is nog steeds niet thuis, dus ik ga hier nog maar eens rondkijken. Ik begin opnieuw in haar kamer. En daar valt me iets op wat ik eerder nog niet gezien heb: een briefje. Ik raapte het briefje op en begon te lezen. Mijn hart stond even stil. Mijn ogen begonnen te tranen. Mijn benen begonnen te beven. Ik zakte door mijn knieën op de grond. Daar zat ik dan, met de brief in mijn handen. Ik heb hem zo’n tien keer gelezen. En elke keer weer brak mijn hart.   Liefste mama, liefste papa, Weet je nog dat moment dat ik mijn eerste stapjes zette? Of wanneer we naar de dierentuin gingen? Of naar Disneyland? Mijn geheugen is niet terug, maar dat oude fotoboek bij mij in de kast, bevestigt die ervaringen. Ik wou dat ik het me nog kon herinneren, we leken zo gelukkig! Zo normaal!    Zestien jaar lang kennen jullie mij al, maar ik ken jullie nauwelijks. En daar blijft het natuurlijk niet bij. Ik ken niemand, ik weet niets, ik ben niets! Ik hou van jullie en dat zal nooit veranderen. Jullie hebben zoveel voor mij gedaan en daarvoor ben ik jullie eeuwig dankbaar. Aangezien ik jullie mij binnen een paar maand niet meer zal herinneren, ga ik nu. Ik kon het niet aan om te sterven, zonder zelfs te weten wie mijn ouders zijn. Dat is gewoon veel te moeilijk voor mij.    Dat ik mijn vriendinnen niet meer herken is één ding, maar jullie!? Daarom heb ik besloten er een einde aan te maken. Een einde aan al die problemen. Eindelijk hebben jullie rust. Want ik weet dat ik een enorme last voor jullie was, ook al zagen jullie mij zo niet, ik was het wel! Dus mama, papa, ik zag gewoon geen andere uitweg, ik hoop dat jullie mij ooit kunnen vergeven en dat jullie weer een normaal en gelukkig leven kunnen leiden, zonder mij. Dat is mijn bedankje voor al die jaren. Ik denk dat het nu tijd is om te gaan… Alsjeblieft, zoek me niet! Accepteer gewoon het feit dat ik niet meer terug kom. Het spijt me, echt waar. Ik had het ook anders gewild, maar zo is het leven nu eenmaal!   Ik hou van jullie!   Voor altijd...  

Shana Van Hoegaerden
3 0

Drie keer spek kost je de nek

  Er was eens een arme boerenknecht. Door hard te werken en zuinig te leven had hij wat geld opzij kunnen leggen om een eigen boerderijtje te bouwen. Een rijke heer was bereid hem een stukje land te verkopen. Nat veen waar niemand wilde boeren omdat het vocht en de kou in je lijf kropen zodat je van de reuma al gauw geen schop meer kon vasthouden. Maar wie wil zijn hele leven knecht blijven?. En toen er eenmaal een boerderijtje stond met plek voor een koetje, een varkentje en wat kippetjes duurde het niet lang of er verscheen een pronte meid die bereid was haar leven met hem te delen. Want alles was beter dan je hele leven boerenmeid blijven.   Niet lang daarna klonken er nieuwe geluidjes in en om het boerderijtje. Het was een meisje en ze leek op haar moeder. Hoewel het sappelen was in het veen voelde de boer zich rijk als zijn vrouw met de kleine meid op haar arm naar hem zwaaide wanneer hij op het zompige land bezig was. Toen de kleine van de borst af was, werd ze ziekelijk. Aanvankelijk dachten de boer en zijn vrouw dat het de verandering van voeding was. Maar toen er na enige tijd geen verbetering optrad besloten ze om toch de dokter te raadplegen. Die kon niets vinden en adviseerde om het nog even aan te zien. De winter was bijna voorbij. Als het meiske straks lekker naar buiten kon, zou ze ongetwijfeld snel opknappen. Maar ze knapte niet op. Wat eerder als zuigeling nog Hollands glorie was, oogde nu als een bleek scharminkeltje dat met holle oogjes en knokige knietjes rondscharrelde en snel vermoeid raakte. Ze werd hangerig en begon lelijk te hoesten. De boer en zijn vrouw maakten zich grote zorgen. Er moest iets gebeuren. Maar wat? Voor het eerst was er nu soms ruzie in het boerderijtje. De boerin vond dat ze terug moesten naar de dokter. De boer had daar geen vertrouwen meer in. Hij zag meer in het kruidenvrouwtje dat aan de bosrand woonde. Maar uiteindelijk legde hij zich neer bij de keuze van zijn vrouw.   De druppels van de dokter haalden niets uit. Dus gingen ze alsnog naar het kruidenvrouwtje. Dat zat voor haar huisje op een bankje te dutten en schrok wakker toen de kleine meid een hoestbui kreeg. ‘Kom binnen,’ zei het oude vrouwtje, ‘dan zal ik zien wat ik voor jullie kan doen.’ Eenmaal binnen werden ze bijna bedwelmd door een melange van kruidengeuren. Op tafel glazen potten gevuld met stampsel van geneeskrachtige planten. Overal hingen en lagen stengels, bladeren en vruchtbeginselen te drogen. Aan de wand een tegel met de spreuk: Drie keer spek kost je de nek. De boer vroeg zich af wat dat te beteken had. Het oude mensje nam alle tijd om het meisje te bekloppen, te beluisteren en te besnuffelen. Ook stelde zij de boer en zijn vrouw allerlei vragen. Toen zei ze: ‘Ik denk dat ik het weet.’ De boer en zijn vrouw zaten op hete kolen. Vertel op, wat is er met ons kindje aan de hand, zag je ze denken. Het oude kruidenvrouwtje zei: ‘Waar halen jullie het drinkwater vandaan?’ ‘Uit de sloot,’ zei de boer, ‘waar anders?’ ‘Dat kan niet meer,’ zei het vrouwtje, ‘jullie meisje kan niet tegen het zure veenwater.’ ‘En dus?’ zei de boer. ‘Het beste is om op een goeie plek een put te graven,’ zei het vrouwtje. ‘Jullie kindje heeft water uit het zand nodig, niet uit het veen.’ Toen ze naar huis liepen zei de boerin: ‘Had je dat vrouwtje niet moeten vragen wat haar goede raad kostte?’ ‘Je hebt gelijk,’ zei de boer, dat was beter geweest. Om een of andere reden dacht hij aan de spreuk op het tegeltje.   Het was een hele toer om een goeie plek voor de put te vinden. Er lagen oude strandwallen onder het veen dat was bekend. Maar hoe vond je die? Dus groef de boer op goed geluk zo hier en daar een gat. Maar zand, ho maar. Opnieuw moest het kruidenvrouwtje er aan te pas komen. Met haar wichelroede van wilgenhout. Omdat ze slecht ter been was, werd ze al wichelend door de boer rondgereden in de kruiwagen. Na een middagje wichelen was het duidelijk waar de put moest komen. De boer en zijn vrouw bedankten het oude vrouwtje hartelijk en gaven haar een mooi stuk spek waar ze geen nee tegen zei ook al keek ze bedenkelijk. De boer ging direct aan de slag. Een waterput aanleggen was een hele klus en het andere werk ging gewoon door. Maar de smartelijke aanblik van zijn lijdende dochtertje gaf hem extra energie. Zij was aan het eind van haar krachten. Er was geen tijd te verliezen. Er kwam heerlijk koel, helder water uit de put. Een heel verschil met het bruinige drab uit de sloot. En jawel hoor, de gezondheid van de kleine meid verbeterde zienderogen. Er kwam weer een gezond kleurtje op haar wangetjes en de akelige blafhoest verdween. Het geluk keerde terug in het kleine boerderijtje in het veen. En toen duurde het niet zo lang meer voor zich een nieuwe wereldburger meldde. Een manneke, dit keer. Een opvolger! De boer dankte God op zijn knieën. Hij was de koning te rijk.   Maar toen het kereltje van de borst werd gehaald, ging het opnieuw mis. Erger nog, ook zijn zusje kreeg weer last van allerlei kwaaltjes. De boer mompelde: dit gaat boven mijn pet. Zijn vrouw zat de hele dag met de handen in het haar. Al snel was duidelijk dat er niets anders op zat. Ze moesten opnieuw naar het kruidenvrouwtje. Die bekeek, beluisterde en besnuffelde beide kindjes en zei: ‘Het is duidelijk.’ Zeg het alsjeblieft, zag je de boer denken. Wat moeten we doen, zag je zijn vrouw denken. ‘Hebben jullie vis in de put?’ vroeg het vrouwtje. Vis? De boer schudde van nee en dacht: vis in die kleine, diepe put? Waar zou die vandaan moeten komen? ‘Hoe zou er vis in de put kunnen komen?’ vroeg de boer. Het oude vrouwtje keek hem hoofdschuddend aan. Je moest die boeren van tegenwoordig ook alles leren. ‘Je moet die vis er zelf in doen,’ zei ze. ‘Waar is dat goed voor?’ zei de boer. ‘Die vis houdt het water schoon,’ zei het vrouwtje een beetje kortaf. ‘Jullie kinderen zijn nu eenmaal gevoelig voor vuil water.’ ‘Wat voor vis heb ik nodig?’ vroeg de boer. ‘Een blei,’ zei het vrouwtje. ‘Die zijn het beste en ze gaan lang mee.’ De boer bedankte het vrouwtje en gaf haar een mooi stuk spek. ‘Heb je niks anders?’ vroeg het vrouwtje. ‘Julie boeren met jullie eeuwige spek.’ ‘Hij is goed gerookt,’ zei de boer een beetje geschrokken. ‘Je kunt hem volgend jaar ook nog eten.’ ‘Vooruit dan maar,’ zei het oude vrouwtje en hing het stuk spek naast een heleboel andere stukken spek aan een balk boven de haard. Bij het weggaan wierp de boer nog schielijk een blik op het tegeltje.   De dagen daarna stond de boer vroeg op om een blei te verschalken. Omdat hij alleen karpers ving en zo nu en dan een zeelt, werd hij steeds onrustiger. Zijn kinderen raakten iedere dag een beetje meer achterop. Eindelijk, na vijf dagen, had hij een blei te pakken. Dat wil zeggen, daar leek het op. Maar volgens een buurman was het een misvormde graskarper, dat zag je aan de schubben. En een andere buurman hield het op een verdwaalde brasem. Goede raad was duur. Dus toch maar weer naar het kruidenvrouwtje. Met de blei in een emmer met water. Het kruidenvrouwtje had er duidelijk genoeg van. ‘Wat nu weer?’ snerpte ze toen ze de boer zag aankomen. ‘Toch niet weer een stuk spek?’ ‘Nee, nee,’ haastte de boer zich te zeggen, ‘ik heb nu heerlijke vis bij me.’ Hij dacht aan de spreuk op de tegel: Drie keer spek kost je nek. ‘Dat ziet er al een stuk beter uit,’ zei het kruidenvrouwtje terwijl ze in de emmer loerde. ‘Een mooie blei. Die zijn zeldzaam tegenwoordig.’ Ze pakte de emmer aan en op dat moment besefte de boer dat er iets helemaal verkeerd ging. Had hij eindelijk een blei, was ie hem gelijk weer kwijt. Het kruidenvrouwtje legde de vette vis in de keuken, gaf de kat die een feestmaal rook, een schop en bedankte de boer hartelijk. ‘Nee, u bedankt voor alles,’ mompelde de boer. Hij draaide zich om en sjokte terug naar huis. Onderweg probeerde hij zichzelf moed in te praten. Ik weet nu in ieder geval dat het een blei was, dacht de boer. Maar een stukje verderop dacht hij: maar wat heb ik daar aan?   Toen de boerin het verhaal hoorde, kon zij haar emoties niet langer bedwingen. Huilend van wanhoop en boosheid maakte zij haar man duidelijk dat hij een onnozele slapjanus was. Tussen haar snikken door kon je de blafhoest van de kleintjes duidelijk horen. ‘Ga terug naar het kruidenvrouwtje,’ beval ze haar man, ‘en kom terug met die blei. En haast je want die vis ligt misschien al in de pan te pruttelen. O, mijn God, waar heb ik zo’n man aan verdiend?’ Met het lood in zijn klompen keerde de boer terug naar de bosrand waar het kruidenvrouwtje woonde. Onderweg werd zijn aandacht getrokken door het angstige gemiauw van een kat. Al snel was duidelijk wat er aan de hand was. In het struikgewas zat de kat van het kruidenvrouwtje met de blei in zijn bek. Het beestje had zich verkeken op de omvang van de blei en op de scherpe vinnen die in zijn lip waren blijven steken. Aan de bewegingen van de staart te zien, was de blei nog niet dood. De boer greep de kat bij zijn nekvel, trok zijn bek wijd open en trok de vis voorzichtig naar buiten. In de verte hoorde hij het kruidenvrouwtje krijsen: ‘Waar zit dat ellendige beest. Ik zal hem. Met de bezem.’ Toen de boer de blei had bevrijd, rende hij weg. Onderweg dompelde hij het beest zo nu en dan even in een sloot om hem in leven te houden. De blei had een paar lelijke krassen over zijn kop. En toen de boer goed keek, zag hij dat de ontmoeting met de kat een oog had gekost. Het zag er allemaal niet best uit. ‘Volhouden,’ zei de boer zonder veel overtuiging tegen de blei. ‘Nog even, dan mag je in de put. Dan kun je weer een beetje op verhaal komen.’ En opnieuw hield hij de blei even onder water in een veenpoeltje. Het beest gaf een klap met zijn staart. Er zit nog heel wat leven in, dacht de boer en zette het weer op een rennen.   Buiten adem kwam hij terug bij het boerderijtje. De vis werd voorzichtig in een mandje naar beneden gelaten. Zou hij overleven? Zou het water schoner worden? Zouden de kinderen opknappen? Die nacht deden de boer en zijn vrouw geen oog dicht. Voor dag en dauw sprong de boer in zijn overall en haastte zich naar de put. Daar beneden het water, zwart en stil. Hij haalde opgelucht adem. Geen dode blei die met zijn buik omhoog rond dreef. Dat was een goed teken. Terwijl de zon langzaam opkwam bleef de boer roerloos bij de put staan. De vis moest toch een keer een teken van leven geven. Maar de blei liet zich niet zien. Er werd water uit de put gehaald, zoals altijd. En langzaam maar zeker knapten de kinderen op. De raad van het kruidenvrouwtje werkte. De blei deed zijn heilzame werk. En ’s avonds, voor het slapen gaan, vertelde de boer het verhaal van de onzichtbare blei met het ene oog. De kinderen konden er niet genoeg van krijgen. Ze vonden het wel een beetje zielig voor die ene blei. Altijd maar rondjes zwemmen in die donkere put. Altijd maar alleen. Maar volgens hun vader had een blei daar geen last van. De blei was volgens hem het enige dier dat ook als hij diep in de put zat altijd blei bleef. En daarom was de blei zo bijzonder. ‘En deze blei is helemaal bijzonder,’ voegde de boer er dan aan toe. En jullie zijn de enige kinderen in de wereld die dat weten.’ En dan klonk het uit twee mondjes tegelijk: ‘Omdat ie maar één oog heeft.’ ‘En dat is niet leuk,’ zei het meisje dan. ‘Maar wel handig, hè pap,’ zei haar broertje dan. ‘Heel handig,’ zei de boer dan. ‘En weet je ook waarom?’ Ja, dat wisten ze wel, hoewel ze er elke keer weer even over moesten nadenken. ‘Omdat ie dan maar één kant op hoeft te zwemmen,’ zei het jongetje. ‘Dat wist ik ook wel hoor,’ zei het meisje dan. ‘Heel goed,’ zei de boer. ‘De blei moet de wand van de put in de gaten houden, anders knalt ie er elke keer tegenaan. Dus zorgt ie dat zijn ene oog altijd aan de kant van de wand zit. En dus hoeft ie ook nooit na te denken welke kant ie op moet zwemmen.’   Toen de kinderen van de boer het verhaal van de eenogige blei later aan hun eigen kinderen gingen vertellen, werd dit bijzondere verhaal een echt sprookje. Want intussen waren er overal kranen waar schoon water uit kwam. Die kinderen hadden nog nooit een waterput gezien. En ook geen blei. En ook geen kruidenvrouwtje. Tja, dan kan een bijzonder verhaal zo maar een sprookje worden.

Gerard van de Schootbrugge
16 0

Sparen voor later

‘Je vader is weer laat,’ moppert mijn moeder. ‘Alles staat te verpieteren. Ik zal jullie maar vast opscheppen.’ ‘Ik lus geen asjee,’ dreint mijn broertje. ‘Je eet wat de pot schaft,’ zegt mijn moeder kortaf. ‘Anders ga je maar zonder eten naar bed.’ Het dreigement maakt weinig indruk. We weten dat er altijd nog een bord griesmeelpap achter de hand is. Ook geen traktatie maar altijd beter dan een lege maag, die we alleen van horen zeggen kennen maar waar we toch beducht voor zijn. Veel arme kindjes in Afrika gaan volgens mijn moeder iedere dag met een lege maag naar bed. Het gekke is wel dat je daar blijkbaar een dikke buik van krijgt. De plaatjes in de Katholieke Illustratie, door mijn opa de veeverloskundige steevast met de KI aangeduid, laten het bijna wekelijks zien. Het duurt nog jaren voor ik begrijp waarom hij altijd even grinnikt als hij K I zegt. Zo lang, dat de KI intussen is verdwenen en ki gemeengoed is geworden. ‘Waarom is papa zo laat?’ wil ik weten. ‘Zeur niet. Eten,’ commandeert mijn moeder. Op dat moment horen we de achterdeur open gaan. ‘Papa,’ gilt mijn broertje. Na de knuffels die voor ons de harmonie herstellen, heeft mijn vader nog even wat uit te leggen. Het lijkt wel een goedkope goocheltruc. Maar daarom niet minder spannend. Er komen twee zakjes uit zijn portefeuille. Eerst een grote, daarna een kleintje. Beide worden met een weids gebaar voor mijn moeder op tafel gelegd. De grote is geel en ondoorzichtig. Door de kleine kan je heen kijken. Er zitten postzegels in. ‘Nee, hè. Was het weer zo ver?’ zegt mijn moeder een beetje sarrend. ‘Allemaal voor jullie,’ zegt mijn vader veelbelovend. ‘Wat dacht je hier van?’ zegt hij terwijl hij de grote enveloppe naar mijn moeder schuift. ‘Niet schrikken. Het vakantiegeld zit erbij.’ ‘En dit is voor jullie,’ zegt mijn vader tegen mijn broertje en mij, terwijl hij zijn hand op het kleine zakje legt. ‘Als het een beetje meezit kunnen jullie hier later van studeren. Wat wilde jij ook weer worden, Daan?’ ‘Astronoom,’ zeg ik zonder aarzeling. ‘Ik ook,’ zegt mijn kleine broertje. ‘Kijk, dat bedoel ik nou,’ zegt mijn vader tegen mijn moeder. ‘Twee astronomen. Wat denk je dat dat gaat kosten? Dat gaat alleen lukken als de verzameling straks veel geld waard is. En dat is ie alleen als ie compleet is.’ Mijn moeder laat haar boosheid varen. Er verschijnt een glimlach die de hele kamer verlicht. Voor mijn vader het moment om haar een stevige pakkerd te geven. ‘Wil assistent-hulpastronoom Daan even de pincet pakken? In het kastje onder de trap.’ ‘Nee,’ zegt mijn moeder, ‘we gaan nu eerst eten, anders kan ik zo alles in de kiepelton mikken. Die pincet komt straks.’ ‘Ik lus geen asjee,’ herinnert mijn broertje zich ineens weer. ‘Zonder asjee geen astronoom,’ zegt mijn vader. ‘Wat is een astronoom?’ wil mijn broertje weten. ‘Zeg jij het maar, Daan,’ zegt mijn vader. ‘Iemand die alles van de sterren weet,’ houd ik mijn broertje voor. Van die hachee was voor mij ook nieuw. Mijn vader stopt het kleine zakje voorzichtig tussen zijn portefeuille. De grote gele envelop verdwijnt in de schort van mijn moeder.    Zondag. De tafel ligt bezaaid met postzegeldingen. Postzegels, albums, supplementen, insteekboekjes voor de dubbelen, eerste-dag-enveloppen, de catalogus van Nederland en de Overzeese Gebiedsdelen, twee pincetten, een rechte en een die een beetje omgebogen is, en een vergrootglas. Ik zit naast mijn vader, klaar om de kruimels op te vangen die hij laat vallen. De kreupelen, de rafelgevallen, de gehandicapten. Omgevouwen hoekjes, ontbrekende tandjes, verwaterde kleurtjes, verknipte ansichtkaartslachtoffers, vreemdelingen die er niet bij horen, in mijn sigarendoosjes is plaats voor velen. Al mijn zegels krijgen na enige tijd een lichte restgeur van Willem II Senoritas. Mijn sigarenbandjes bewaar ik in een Elisabeth Bas kistje van opa. Zo kan ik nooit in de war raken. ‘Zo, Daan, daar gaan we dan,’ zegt mijn vader en hij begint het groene album waar Holland op staat voorzichtig open te schroeven. ‘Ik wil ook mee,’ roept mijn broertje, dat vaak aan een half woord genoeg heeft, en hij begint zich aan mijn vaders colbert op te trekken. ‘We gaan niet weg, Wim,’ zeg ik, ‘we gaan alleen het nieuwe supplement in papa’s album doen. Voor als we later astronoom worden, weet je wel.’ ‘Kom maar Wim,’ zegt mijn moeder, terwijl ze haar vuurrode afwashanden aan een theedoek afdroogt, ‘dan gaan wij even bij de geitjes kijken. Kunnen de grote jongens rustig spelen.’ ‘Je bent een schat,’ zegt mijn vader tegen mijn moeder en ik weet zeker dat hij het meent. ‘Ja, mam, je bent echt een schat,’ zeg ik uit solidariteit met mijn vader maar ook wel omdat ik het meen. ‘Denk in het vervolg wel even na voor je wat zegt. Begrijpt zo’n mannetje veel! Pak je laarsjes maar, Wim.’  Mijn vader verankert zijn nieuwe aanwinsten met plakkertjes op de supplementbladen. Ik krijg een blad van vorig jaar dat overbodig is geworden. Voor mijn vader het moment om mij in te wijden in de geheimen van het plakkertje zodat ik op het afgedankte albumblad kan oefenen. ‘Kijk,’ zegt mijn vader terwijl hij een plakkertje naar zijn mond brengt, ‘met je tong. Eerst de ene kant.’ Mijn vader steekt zijn tong uit, gek gezicht voor een politieagent, laat het puntje voor de grap even wapperen, en haalt zijn tong dan een paar keer langs zijn lippen. ‘Let op. Niet te veel en niet te weinig.’ Ik vraag me af wat hij daarmee bedoelt. Hij plakt het kleine, gehoekte stripje op een donkergroene zegel en belikt vervolgens het tweede stukje van de strip. Dan laat hij de zegel met plakker en al voorzichtig in het daarvoor aangegeven vakje op het supplementblad landen. ‘Zo, dat was de Jan van Riebeeck van 6 cent met 4 cent bijslag. Probeer maar. Hier heb je een paar plakkertjes. Maar let op: niet te veel en niet te weinig.’ Ik buig me over het blad waar mijn vader net zijn groene Jan van Riebeeck op heeft geplakt. Naast de grijze Jan van Riebeeck. Er zijn nog twee vakjes open. Boven de vakjes staat: JAN VAN RIEBEECK HERDENKING. ‘Waar gaat dit over, pap?’ wil ik weten. Mijn vader pakt zijn vergrootglas, waar ik soms stiekem het celluloid mee van zijn fietsstuur brand, maar dat weet ie niet, en leest: ‘1652 KAAPSTAD 1952. Ja, jongen, in 1952 was het driehonderd jaar geleden dat we in Zuid-Afrika aan land gingen. Jan van Riebeeck werd de baas. Een held. Zo’n postzegel is nodig om held te blijven; de mensen vergeten zo gauw. Ze praten daar nog steeds Hollands. Moet je nagaan. Dat krijg je allemaal nog op school. Maar dan weet je het vast. Je kunt van postzegels verdraaid veel leren. En nou plakken, jij. En niet al mijn plakkertjes verknoeien. Begin maar eens met drie.’ Mijn vader zingt: Rij maar an, ossewa, rij maar an. Een raar liedje als je het mij vraagt. Ik heb al twee keer om nieuwe plakkertjes gevraagd. Die rotzegels willen gewoon niet blijven zitten. En ik doe het toch precies zo als mijn vader. Op een gegeven moment zegt hij: ‘Zet de radio eens wat harder. Even horen wat Hiltermann te zeggen heeft over Korea. Als we ze niet tegenhouden staan ze hier straks op de stoep.’ ‘Wie staan er straks op de stoep, pap?’ vraag ik en ik voel dat het helemaal niet lekker zit met Korea. ‘De communisten, jongen. Het rooie gevaar. Als je hun postzegels hebt gezien weet je genoeg. Communisten lachen nooit. Gezellig toch?’   Onlangs, ruim een halve eeuw later dus, liep ik in Utrecht door de Zadelstraat richting Domplein, op weg naar de reünie van mijn oude studentenvereniging. Voor wie het precies wil weten: het was zaterdag 23 mei 2015, half elf. Het was zonnig maar fris en ik was wat aan de vroege kant. Zo kon het gebeuren dat ik vooraan in de Zadelstraat een winkeltje opmerkte dat bij eerdere gelegenheden aan mijn aandacht was ontsnapt. Een postzegelwinkeltje! Ik verkeerde al geruime tijd in de overtuiging dat dergelijke winkeltjes niet meer bestonden of in ieder geval uiterst zeldzaam waren geworden. Maar hier was er nog een, de deur stond open en ik had nog tijd genoeg. Toen ik over de drempel stapte, kreeg ik het gevoel dat ik ook had bij het binnengaan van Teyler’s Museum in Haarlem. Alsof ik in een time-warp terecht kwam. En dat gevoel werd nog aanzienlijk versterkt toen ik aan de praat raakte met de eigenaar, William van der Bijl, uitbundig bebaard en blijmoedig genesteld tussen zijn verzamelwaar. En alsof dat nog niet genoeg was, vetrouwde William mij, nadat we in een vrijmoedig gesprek verzeild waren geraakt over de waarde van mijn vaders verzameling, plotseling toe dat hij al vele jaren postzegelzaken met Noord-Korea deed, er regelmatig heen ging, en er nog niet zo lang geleden een tijdje had vastgezeten op verdenking van spionage omdat de Grote Leider toch wat begon te twijfelen aan zijn eerzame, filatelistische bedoelingen. Eenmaal weer buiten bedacht ik dat er in een halve eeuw een hoop kan veranderen, zoals de waarde van mijn vaders verzameling die al weer vele jaren bij mij op zolder lag, maar gelukkig niet alles. De Domtoren was er nog. En William van der Bijl. Hoe zou het met mijn oude studentenvriendjes en -vriendinnetjes zijn?

Gerard van de Schootbrugge
3 0