Zoeken

Brussel - beurs en spoed

Het verschil tussen een knipmes en een usb-stick is moeilijk te zien als het tegen de keel van Rutger wordt gedrukt. Ik had geprobeerd zijn rug te strelen, zijn hals te masseren, hem dicht tegen me aan te trekken, maar waarschijnlijk waren het net die bewegingen die hem nog zelfdestructiever maakten. We zaten op de trappen van de beursschouwburg in Brussel. Een jongeman komt om een vuurtje vragen. De twee mannen keuvelen genoegzaam, het klassieke gesprek: ‘Where are you from?’ ‘Ireland. And you?’ ‘Rotterdam, but I’m living in Brussels now.’ Ik geniet van de eerste zomeravond, luister naar het gebrom en geruis van het verkeer op de Anspachlaan. Een kleurspektakel van rode en witte lichten van de auto’s, straatlantaarns, neon-reclames, informatieborden die met rode led-lichten vertellen dat het nog achttien graden is, half elf. ‘Can I have some cigarettes from you? My wallet has been stolen today.’ ‘Oh shit man.’ ‘I am here to visit my sister. She lives in Brussels. But now my wallet has been stolen.’ Ik ben ook pas naar Brussel verhuisd. Het is me nog niet overkomen, gelukkig. Mijn hand ligt op de rug van Rutger. Dat mag, ik heb het hem gevraagd. Hij heeft problemen met fysiek contact en soms bevriest hij als ik hem aanraak. Dus ik had het beleefd gevraagd, of het goed was dat ik mijn arm om zijn schouders sloeg. ‘Dat mag’, had hij om zichzelf te overtuigen gezegd. Ik kijk naar de jongen die naast Rutger zit. Hij heeft een kaptrui, bruin-blonde haren, een baardje. De mannen roken samen een sigaret.  ‘I am going to kill five Moroccans.’ ‘Why are you saying this? Do you think you are better than them? We’re all the same. I am Dutch, you are Irish.’ ‘I am Polish.’ ‘But you told me you are Irish. Anyway, we should love each other, not kill each other.’ ‘But they stole my wallet. I’m going to kill them.’ ‘How are you going to do that? Do you have a gun.’ ‘Yes.’ ‘Show me your gun.’ ‘I  have a gun.’ ‘Show it. I don’t believe you have a gun. Did you kill somebody?’ ‘Yes.’ ‘How much money do I have to give you so that you kill me?’ ‘I won’t kill you. Your wife will kill you.’ Ik grijp Rutger vast, doe alsof ik hem wurg, vraag me af of dit nog een normaal gesprek is. Ik heb schrik. Ik drink van mijn Leffe. Ik probeer me op de zomeravond te concentreren. Belgisch bier en Brussels straatverkeer. Mannen hebben andere gesprekken dan vrouwen, ’t is bluffen dat ze doen, denk ik. ‘How much do I have to give you for killing me? Thousand euro?’ ‘I will kill you if you want.’ ‘I don’t believe you. Why are you saying this non-sense.’ ‘You don’t know me.’ ‘How much money?’ De tijd kan soms ophouden te bestaan. Ik zie beelden en denk gedachten maar ik weet niet in welke volgorde. De man haalt iets uit zijn broek. Ik denk: als hij een geweer boven haalt schiet hij ons allebei dood. Ik denk: als ik blijf zitten en hij schiet Rutger dood, schiet hij mij ook dood, en ik kan de politie niet meer bellen als Rutger dood naast mij ligt en ik een pistool tegen mijn hoofd krijg. Ik zie een politiecombi staan aan de overkant van de straat. Ik denk: als ik rechtdoor loop recht naar die combi gaat die man begrijpen dat ik naar de politie ga en mij doodschieten. Ik kijk opzij en zie dat de jongen iets tegen Rutger zijn keel drukt. Rutger vraagt: ‘What is this?’ Ik denk: wat is het? Ik denk: als hij Rutger doodt, doodt hij mij ook als ik blijf zitten. Ik moet dus weg. Ik moet kijken van op afstand en dan 112 bellen, of naar de combi rennen, of andere mensen vragen te helpen. Ik moet weg om Rutger te redden en mijzelf te redden. Ik denk: ik moet dit niet met Rutger overleggen want dat neemt te veel tijd in beslag en misschien krijgen we ruzie. Misschien vindt hij me flauw en vindt hij dat ik overdrijf en dat ik naïef ben en te bang. Ik sta recht en ik wandel weg. Voor ik tijd krijg om omte kijken, ik ben bijna de trappen van de beurs af, hoor ik Rutgers stem: ‘Ik krijg een mes tegen mijn keel gedrukt en jij wandelt weg. Mooi is dat.’ Ik denk: het was dus geen usb-stick. Ik denk: we moeten hier zo snel mogelijk weg. Misschien komt de kerel achter ons aan gerend. Misschien heeft hij alsnog zijn geweer boven gehaald en richt hij het nu op ons. ‘Kom, kom’, zeg ik. Rutger volgt en ratelt over jeugdtrauma’s van vrienden en broertjes die hem alleen bij een bende achterlieten en hoe hij een voet in zijn gezicht getrapt kreeg, ik probeer hem uit te leggen dat ik hem niet in de steek liet, maar naar de beste manier zocht om ons allebei te redden, kwestie van onze levens niet te beëindigen bloedend op de trappen van de beurs, op een mooie zomeravond in Brussel.   We gaan café na café binnen. We proberen het uit te praten. Hij vertelt dat hij dood wil. Dat enkel omdat hij zijn broertjes en ouders beloofd heeft te blijven leven, hij zichzelf niet vermoordt. Ik zeg dat ik het gevoel heb dat hij iets probeert te beschermen in zichzelf, en dat dat betekent dat hij nog wel wil leven. Wie zichzelf doodt, heeft niets meer om te beschermen. Hij luistert en concludeert rationeel dat ik allicht gelijk heb, dat als hij zegt dat hij niet wil sterven omwille van het verdriet dat hij zijn familie en zijn vrienden aan zou doen, dat dat waarschijnlijk betekent dat hij zelf ook niet dood wil. In nog een ander café vertelt hij hoe geil hij van me wordt. Dat hij, en dat mag ik in mijn zak steken, nadat we eergisteren die scène samen speelden, zich uren heeft liggen aftrekken, terwijl hij aan mij dacht, enkel en alleen aan mij, dat hij fantaseerde hoe hij me nam op de regietafel. ‘Ik masturbeer ook veel terwijl ik aan jou denk’, zeg ik. Dat wil ik dan eigenlijk helemaal niet, maar ik kan enkel klaarkomen als ik mijzelf toch toesta om aan Rutger te denken. Of nog sterker, op het moment dat ik klaarkom zie ik zijn gezicht voor me. Maar hij wil geen relatie met me. ‘Je kan me niet hébben.’ Ik denk: liefde gaat toch niet over het hebben van elkaar? Maar het is wel zo dat ik, als ik met hem vrij, de dag daarna kapot ga van jaloezie als hij met iemand anders vrijt. Dan vrij ik liever niet met hem. ‘Ik wil je heel graag vingeren.’ Dat mag wel, denk ik. We gaan naar het toilet van de Archipel. Hij vingert me, ik trek hem af, maar het roept te veel lust op. Ik wil hem pijpen, maar denk aan soa’s en de cijfers die hij me net heeft gegeven. Hij heeft een stuk of zeventig bedpartners gehad en vrijt vijfentwintig procent van de tijd onveilig. Ik denk aan de operatie voor genitale wratten die een vriendin van me morgen moet ondergaan. Derdegraadsbrandwonden in je kut. We besluiten dat we willen vrijen met elkaar, maar niet zonder condoom. Hij gaat boven een condoom halen. Ik wacht op hem in de wc’s. Ik krijg tijd om rond me te kijken. Er ligt een plas water op de vloer. Modder eerder. Ik zoek een plek om mijn laptop te zetten. Die heb ik meegenomen van boven, want vorige week is de laptop van Rutger in ditzelfde café gestolen, terwijl hij in een zwarte jurk zijn tekst aan het repeteren was. Hij heeft daarna twee stoelen kapot getrapt en vreesde dat hij het café niet meer binnen mocht. Ik kijk of het andere toilet properder is, dat is niet het geval. Ik zet mijn laptop op een smal richeltje. Ik wil mijn schoenen beginnen losknopen, want vorige keer dat we vrijden op een toilet in een café verliep dat zeer onhandig omdat ik mijn schoenen niet uitkreeg, en dus ook mijn legging niet, en dus mijn benen niet deftig gespreid over de pot kreeg wat voor zeer ongemakkelijke neukposities zorgde en ronduit slechte seks. ‘Ze willen niet dat we vrijen in hun wc,’ zegt Rutger. We friemelen nog wat verder met zijn vingers in mijn vagina en mijn handen rond zijn lul, maar het is al bij al zeer onbevredigend en ik denk: we hebben allebei überhaupt al veel te veel gedronken om nog tot hitsige seks in staat te zijn. We gaan weer aan het tafeltje zitten en concluderen dat het leuk is geweest. Een beetje puberaal, maar leuk.     *     We moeten samen naar de spoed, Rutger en ik, met onze collega Jamil. Hij kwam wit van de angst het lokaal binnengestrompeld, en dat is heel wat voor een zwarte jongen: ‘Ik heb bloed gepist.’ Vervolgens heeft hij zijn wandelstok naar de andere kant van het lokaal gesmeten met zo’n kracht dat er een neonlamp brak. De wandelstok zelf heeft hij daarna op zijn knieën in stukken gebroken. Splinters in zijn handen en op de vloer. Ik ben nog halfdronken en geil van vorige nacht, de archipel is nog maar een paar uur geleden gesloten, en ik probeer niet te denken: mama Leen en papa Rutger gaan met hun zoon Jamil naar de spoed. De vorige keer dat ik op de spoed kwam, omdat mijn nek gekraakt was na een mislukte kopstand, vroeg mijn toenmalig lief of we gingen samenwonen. In de taxi naar de spoed maakt Jamil zijn testament. Zijn geld mag naar de derdewereldlanden. Hij wil begraven worden. In Senegal waarschijnlijk, dat wil hij zelf niet absoluut, maar zijn vader heeft dat zo geregeld. Die betaalt nu al elke maand voor een familiegraf in hun geboorteland. In de wachtkamer kijken we naar de koers. De jongens proberen me uit te leggen wat er zo fascinerend is aan wielrennen. Ze kunnen er dagen naar kijken, zeggen ze. Een klein Marokkaans meisje komt flemen bij Rutger. Hij voert een mimespel op voor haar. Ze vindt het erg leuk. ‘Easy crowd,’ grapt die grote blonde Hollander naar ons. We bespreken de afschuwelijke belichting in de wachtkamer. Witte neons, geen daglicht. Jamil analyseert de andere wachtenden. Een oud koppel waarvan ik pas na een half uur besef dat het niet om twee vrouwen, maar een man en vrouw gaat. De man zit uitgeleefd in een rolstoel. ‘Zou die man ooit blij zijn?’ vraagt Jamil me. Zijn vrouw, frivool, geel vel, rood halssnoer, strijkt met haar hand door zijn grijze haren, kijkt af en toe geamuseerd naar ons, jeugd. Ik vraag me af of ze kinderen hebben. Rutger speelt ‘Kiekeboe!’ met de Marokkaanse kleuter. De moeder grijpt de vrije tijd aan om haar nagels te vijlen. ‘Een belangrijk deel van moeder zijn, is op de spoed zitten.’ grap ik tegen Jamil. ‘Zeker als je zo’n zoon zou krijgen als ik.’ antwoordt hij mij en aan Rutger zegt hij: ‘Je zou een goeie papa zijn. Wanneer begin je eraan? En jij Leen, wanneer word jij zwanger?’ Rutger legt uit dat hij geen vader wil worden. ‘En maar dokken voor dat kind zeker.’ Hij heeft een studieschuld van veertig duizend euro en amper geld om zijn eten te betalen. Hij overleeft op gestolen fruit en groenten uit de Aldi. De enige reden waarom hij niet al zijn hele lichaam onder getatoeëerd heeft, is omdat hij er het geld niet voor heeft. Hij is niet de vader van mijn kinderen, maar ik zou het fijn vinden als hij minder geil was. Jamil mag eindelijk bij de dokter. Intussen komt er een meisje binnengetrippeld. Een kleine wesp. Achttien is ze. Ze studeert letterkunde, maar wil liever filosofie doen. Ze is aan de antidepressiva, want ze heeft al eens een depressie gehad en in dat zwarte, bodemloze gat, wil ze niet nog eens vallen. Haar relatie tot Jamil is onduidelijk, maar Jamil heeft ons verteld dat hij op rijke, Westerse meisjes valt. Rutger is verliefd op alle vrouwen. Ik vraag me af wat ik met die mensen op de spoed zit te doen, in dat vermoeiende neonlicht terwijl het buiten lente is. We mogen een wachtkamer opschuiven. Het meisje en Rutger wisselen informatie en ervaringen met antidepressiva uit. Rutger kan niet duidelijker aan mij maken dat hij meent wat hij altijd tegen me zegt. Hij flirt zo met het meisje dat ik hem er bijna van verdenk dat het enkel is om mij te kwetsen. Maar ik vrees dat dat nog een te positieve interpretatie mijnentwege is. Rutger houdt van de hele wereld in de hoop dat de hele wereld van hem houdt. Ik ga eten en drinken zoeken en bij de uitgang van de spoed loop ik Liesbeth tegen het lijf, een jeugdvriendin van mij die nu als gynaecologe in het AZ van Jette werkt. ‘Ik moet nu weg met de MUG,’ zegt ze, ‘Nu. Nu.’ Een uur later zie ik haar voorbij komen achter een bed met een hoogzwangere vrouw met bloed tussen haar benen. ’s Avonds op mijn voicemail hoor ik dat ze me niet meer gevonden heeft, dat ze eerst nog een keizersnee en twee bevallingen heeft moeten doen. Het meisje waar Rutger mee flirt en Jamil, allicht, ik kan het me niet anders voorstellen, mee vrijt, maakt schilderijen met haar maandstondenbloed. Ze ligt in de clinch met haar vader omdat die op blonde vrouwen met blauwe ogen valt die hem er steeds weer inluizen. Dit vertelt ze ons later, als ik bij Rutger op de schoot zit op de achterbank van een auto, kotsmisselijk door de brute rijstijl van Jamil: ‘Die vrouw heeft gezegd dat ze zwanger is van mijn vader en dat hij dus wel met haar moet trouwen nu. Dat bleek helemaal niet waar te zijn, ze wil hem enkel voor het geld.’ Ik vraag me af waarom wij twee ons zo laten doen door Rutger en Jamil, die zo openlijk iedereen afwijzen en toch iedere week nieuw vlees in hun bed krijgen. Hun respect voor vrouwen is zero. Als ik hen uitleg waar wij vrouwen graag over praten, lachen ze mij uit, terwijl dat meisje naast me helemaal opfleurt: ‘Ja, ik heb dat artikel ook gelezen in de Flair! Zíj vraagt hem ten huwelijk!’ ‘En hij zegt ja.’ Ons zelfbeeld is te laag, denk ik, we durven ons niet outen als vrouw. We zijn onbewust zo angstvallig op zoek naar een man, dat we denken dat om een man te versieren, we moeten zijn zoals hij. Maar dat ben ik niet. Ik wil voor mensen zorgen. Ik wil iedereen op zijn gemak stellen. Ik wil lief en teder voor iemand zijn en ik kan pas van seks genieten als ik zielsveel van die man houd. Als ik me kan voorstellen dat hij de vader van mijn kinderen is. Na uren op de spoed bleek dat de dokters niet konden vinden wat mis was met Jamil. Alles lijkt in orde. We gaan naar Aalst, met z’n vieren, versuft en verweesd, om naar de première van zijn dansvoorstelling te gaan kijken. Hij heeft ons verzekerd dat hij zelf niet mee danst, gezien zijn gezondheidstoestand. Ik zit naast Rutger in de zaal en we kijken elkaar razend kwaad aan als we zien hoe Jamil een danseresje de lucht in heft. Zes uur samen op de spoed zitten breekt voor mij iedere professionele afstand die ik tot deze jongen probeer te bewaren. De volgende dag confronteer ik hem: ‘Je had gezegd dat je niet zou dansen. Je kan de trap niet eens oplopen. Wij dachten gisterenmiddag nog dat je dood zou gaan, en ’s avonds hef je een volwassen vrouw boven je hoofd.’ Hij roept dat ik mij niet met zijn medische toestand te bemoeien heb en tilt intussen een tafel op die hij met zoveel kracht terug neerzet, dat het tafelblad barst. Ik loop het gebouw uit, helemaal overstuur. In de Delaunoystraat moet ik stoppen aan een raamkozijn omdat ik zo hard aan het hyperventileren ben dat ik niet meer verder kan wandelen. Ik denk terug aan de bossen in Polen waar ik weg vluchtte toen mijn lief het gedaan maakte. Daar kon ik hyperventileren en zingen en brullen zonder me voor anderen te schamen. Ik heb ontzettende steken in mijn borst. Zie je wel, denk ik, die verkrampte ribspieren waarvoor ik bij een kinesist in behandeling ben, zijn psychosomatisch. Ik denk aan wat een schrijfster me ooit zei: ‘Jij bent enkel bang voor jezelf.’ Die gedachte kalmeert me. Ik kan verder wandelen. Ik eindig in het Gieterijpark in Molenbeek, waar een Marokkaans meisje verschrikt naar me kijkt. Ik ben te ver van de wereld om er aandacht aan te kunnen besteden. Ik merk dat ik op mijn vuisten bijt. Wat verder probeert een Ethiopische vrouw - ik weet helemaal niet of ze Ehtiopisch is, maar ze is zwart en heeft een hoofddoek en Afrikaanse gewaden – die vrouw dus, ze is nog jong, probeert een jongetje met kromme benen te laten lopen. Hij slaagt er telkens in drie pasjes te zetten en botst dan lachend tegen haar schoot. Ik kijk ernaar en denk: dat kan ik. Lief zijn, mensen aanmoedigen, en al zie ik dat ze kromme benen hebben, hen toch blijven stimuleren om te lopen. Maar zes uur op de spoed zitten in angstige afwachting wat het zal zijn: toch geen spataderbreuk? Toch niet de onmiddellijke dood? En dan de volgende ochtend te horen krijgen dat ik me niet met zijn zaken te bemoeien heb… En daarna via via te horen dat hij mij een typisch zwakke Westerse emotionele vrouw vind… En dan denken: dus werkelijk de enige reden waarom jij met Westerse vrouwen vrijt is hun geld? You are a fucking whore. Want eerder, bij mij thuis aan de keukentafel, heeft hij al bekend dat hij nog nooit plezier heeft gehad aan seks. Op de spoed, bij die dokter, heeft hij een nieuwe ontdekking gedaan. De dokter zei hem: ‘Ik moet even in uw aars zijn.’ Hij slaat zijn benen over elkaar, tilt zijn pols op: ‘Geen probleem.’ Dan denkt hij: ‘Fuck Jamil, look at yourself, why are you sitting like this? En wat heb je aan?’ Strakke, modieuze, oranje broek, design blauwe sweater. De dokter moet een rectaal touché doen. Jamil voelt de vinger in zijn aars en denkt: ‘Fuck I like this, it’s not bad.’ En dan komt de ultieme verrassing, het is niet enkel rechttoe rechtaan de vinger in de aars, maar ook met draaien, driehonderd zestig graden. Vol genot vertelt Jamil ons dit verhaal, met aansluitend de homoproblematiek in Afrika. ‘In Senegal you’re killed if you’re gay.’ Zijn eigen moeder, die verpleegster is en in haar vaderland enkel zieke homo’s heeft gezien, denkt dat homoseksualiteit een geestesziekte is. Ik weet niet waarom ik dit opschrijf. Die jongens lijden hun eigen leven en ik wil hun waarheden niet kennen. En ik moet geen schrik hebben van mijzelf. En dringend uit de kast komen. Als hetero vrouw. Met alle sentimentele en emotionele gevolgen vandien. En niet meer denken dat ik alle mannen kan redden. Een hetero man zoeken die graag zijn tijd doorbrengt met hetero vrouwen. En hun zorg en liefde aanvaardt.    

Leen De Graeve
0 0

herinnering

Een Belgische kuststad, jaren geleden. Het monotone ruisen van de zee op de achtergrond. Vrachtwagens die af- en aanrijden om restaurants en brasserieën op de dijk te bevoorraden. Daartussen zigzaggend de borstelwagentjes van de gemeente. Een bulldozer dempt de zandkuilen die de vorige dag door kinderen zijn uitgegraven en niet opnieuw dicht gegooid. Morgen zal hetzelfde tafereel zich herhalen, maar op andere plekken. Het strand als palimpsest. De opkomende zon verdrijft de kilte van een vroege ochtend in augustus. Straks wordt het bloedheet. Op blote voeten tussen de eerste voetgangers op de dijk om boterkoeken. De koelte van stoeptegels in de schaduw. Links en rechts inmiddels vertrouwde gezichten groetend. Obers die parasols openklappen en met een ratelend geluid van een opgehaalde ketting de opeengestapelde plastiek terrasstoelen losmaken. Jobstudenten die go karts uit het berghok rijden en in formatie klaarzetten. De jongen van de minibootjes die een netje over de bodem van het waterbassin sleept en het achtergelaten afval verzamelt. Een gevoel zo weids als de zee, verwachtingsvol en onbevangen zoals de kinderen die zich straks van hun moeder losrukken en met korte beentjes het stand oprennen. Een onbestemde vrijheid die je als zestienjarige nog met het leven zelf associeert. Niet vermoedend dat die ervaringen later schaars zullen blijken en nog bespaard van de ontgoocheling die dat besef geleidelijk zal omhullen, als spinnenrag rond een onschuldig insect.

detroostvancontouren
0 0

Blind date met de toekomst

Een paar dagen voor kerst keken we elkaar voor het eerst in de ogen. Ik herkende haar niet meteen, en zij mij nog veel minder. Hoewel ik haar doen en laten al een tijdje met meer dan gemiddelde interesse volgde, was het vreemd om haar plots in levenden lijve te zien. Het voelde niet vertrouwd, zoals ik had gehoopt. Eerder onwennig. Toch zeker die eerste 30 seconden. Daarna sloot ik haar in mijn armen en in mijn hart. Voor altijd. Zonder woorden. Zonder twijfel.   Blind dates zijn dubbeltjes op hun kant. De verwachtingen liggen meestal hoger dan de hakken of het coiffuur van de date in kwestie, zodat er vaak al in de eerste minuten gezocht moet worden naar compensatiemateriaal. Een helse klus: het gemiddelde eetcafé laat naast het gekletter van besausde borden en het ‘look at me, I’m an asshole’-gekraai van businesshaantjes geen betekenisvolle interacties toe. Met een beetje geluk spreken de blik en lichaamstaal van de persoon aan de andere kant van de tafel boekdelen zodat snel duidelijk wordt welk vlees men in de kuip heeft: een lammetje, een kip of een flink stel hersenen. En ja, soms gaat het goed. Soms gaat het zelfs beter. Vriendin Kat nam onlangs het onzekere voor het zekere en liet zich verleiden tot een blinde ontmoeting met een mysterieuze jongeling. Niet zomaar naast de deur, in welk geval ze de dans met een foute partner zonder veel gedoe zou kunnen ontspringen, maar meteen over de land- en taalgrenzen heen. ‘Het gras is daar misschien niet groener maar de tongval toch een stuk sexier’, argumenteerde ze, en we konden haar geen ongelijk geven, zelfs niet in het schoon Gents. Ze vloog naar haar afspraak met een kokerrok en een klein hartje en zweefde terug met een nieuw lief en een valies vol toekomstplannen. Gevallen voor die vlotte tong en vertrokken voor een schoon avontuur.   Of de liefde tussen mij en mijn decemberdate wederzijds is, weet ik niet. Ik heb het haar nog niet gevraagd, daar is het net iets te vroeg voor. Ik wil geloven van wel, maar eigenlijk doet het er niet toe. Al vindt ze mij de stomste griet van Europa en omstreken: zij is het voor mij. De zon en de maan en het beste van allebei. Ook al draagt ze wel eens tweedehandsbroeken die haar niet flatteren. En kleedjes die te ruim tailleren. Ook al trekt ze wel eens op de verkeerde momenten haar mond open en ruikt ze niet altijd even fris. Ik vergeef het haar. Ik vergeef haar alles. Want die blik in haar ogen, dat is kunst. Hedendaagse kunst, met een streep realisme en een klodder romantiek. Een werk van generaties dat niemand onberoerd laat. Vooral mij niet. Hoe het ons verder zal vergaan? Dat verhaal moet nog geschreven worden. Er zit in elk geval toekomst in. Ze zegt het niet met zoveel woorden maar ze voelt zich op haar gemak bij mij. Dat weet ik, want ze laat winden in mijn aanwezigheid. Mijn kersverse dochter.   (Column verschenen in Psychologies magazine - maart 2012)

a little bit of soap
0 1

797204

‘Ik zit naast de telefoon en wacht tot 's avonds laat, met een kloppend hart want mijn geluk hangt aan een draad, als je ook verdriet hebt wees dan niet te fier en draai 797204.’ Ik floot ’m wel eens tussen mijn tanden, die hit van Tura, in de tijd dat je nog moest draaien om te bellen. Een telefoon had toen nog iets magisch. Thuis hadden we er geen, dus als ik mijn lief wilde horen of over mijn lief wilde zagen, moest ik zelf uit mijn kot komen. Bellen vanuit een telefooncel, mijn god, de kwelling. Eerst het huis en alle broeken – ook de stinkende verschrompelde onderin de wasmand – afzoeken naar vijffrankstukken. En dan naar ’t kot stappen, dwars door het dorp, tot vlak naast de kerk. En bidden dat meneer pastoor niet zou passeren. Want die zou het zeker weer gezien hebben, de heiligaard, dat ik niet met ons ma aan het bellen was. Mijn rode oortjes zouden mij verraden. Mijn rug zou weer boekdelen spreken. Want hoe je ook draait of keert in zo’n kot, je staat er in je blootje. Emoties liggen er voor het grijpen. Liefde, woede en wanhoop echoën er luider dan verwacht. En die rijen wachtenden achter je, die staan erbij en kijken ernaar. Schaamteloos.   Neen, dan zijn we vandaag beter af. Met die mobiele toestanden van tegenwoordig hoef je je rode wangen, bezwete rug of bleitmuil tenminste niet meer met Jan en alleman te delen. Je kan rustig een ei pellen met je schoonmoeder terwijl je op de wc zit. Het wachtdeuntje van de aannemer uitkafferen in het tuinhuis. Een telefonisch interview afnemen vanuit een berghut im Schwarzwald, in een rendiertrui. Nog zo makkelijk. Maar willen we die privacy? Neen. We willen gezien en gehoord worden. Gisteren nog, voor mij in de rij aan de kassa: ‘ZEG SCHAT, NEEM JIJ DIE NIEUWE LEREN TAS MEE VAN MICHAEL KORS, ZE LIGT OP ONZE PIANO IN DE HAL, IN DIE WITTE ZAK VAN PRADA.’ ‘Proficiat madam’ wou ik nog zeggen, maar ze zwierde zo wild met heur haar en armen vol blinkende mobiliteit dat ik het maar zo liet. Leren tas. Michael Kors. Piano. Prada. Dat wil wat zeggen. Dat ‘schat’ de voeten vanonder zijn gat mag lopen voor haar. En dat wij stille getuigen mogen, excuseer, moeten zijn van haar succes. Eenzelfde scenario in de trein, de roepplek bij uitstek: ‘JA ’T IS IK. ZEG, IK ZIT OP DIE VAN 21 UUR KWART. JA, DRUK-DRUK-DRUK. ZEG, BEVESTIG JIJ VOOR DAT WEEKEND IN DE DORDOGNE, DAN KIJK IK MORGEN OP DE EUROSTAR WEL NAAR DE PLANNEN VAN DE BADKAMER. EN ZOETJE, WACHT MET DIE PASTA TOT IK THUIS BEN, GE WEET DAT IK MIJN LINGUINE HET LIEFST ZELF DRAAI MET MIJN MACHINE UIT PIEMONTE.’ Word je dan als medereiziger verondersteld spontaan recht te staan en te applaudisseren? Reik je zo’n man de hand en feliciteer je hem met zijn uitermate geslaagde leven? Of word je verondersteld nederig het hoofd te buigen en zwijgend je degradatie naar tweede klasse te aanvaarden, ook al zit je in dezelfde wagon?   Nu ons leven niet meer aan een draad hangt, lopen we ermee te koop. Nu we bevrijd zijn uit onze cellen willen we gezien en gehoord worden. Onze rug moet geen boekdelen spreken, dat doen we zelf wel. Zo luid en duidelijk mogelijk. En wie niet horen wil, krijgt een klets extra intonatie rond zijn oren. Want we hebben iets te bewijzen. En we zijn zo fier. Dus we leven bij de gratie van de ander, op de tonen van 797204.   (Column verschenen in Psychologies magazine - januari 2013)

a little bit of soap
0 1
Tip

1 centimeter breed, 3 millimeter diep

Hij is 1 centimeter breed en 3 millimeter diep. Ik weet het want ik heb ’m bekeken in de spiegel. Langs alle kanten en verschillende keren, om zeker te zijn. Ik wist niet eens dat hij er zat, tot iemand zei: “Je bent ontspannen, je frons is weg.” Toen schoot hij natuurlijk direct weer in een plooi, want ik begreep niet waar ze het over had.   Net als ieder mens met ogen, oren en neuronen heb ik zo nu en dan mijn bedenkingen. Bij de epauletten van sport- en stijlanker Catherine Van Eylen. Bij de foto’s van gepimpt melkschuim op mijn scherm. De meeste van die meninkjes hou ik voor mezelf wegens weinig relevant voor de wereldvrede, maar ze ontsnappen wel eens via mijn voorhoofd, waar ze de leegte tussen mijn wenkbrauwen vullen met geribbelde dikdoenerij. Een teken van inhoud, aldus denkers. ‘Gecrispeerd’, menen anderen. Ik durf dat tegen te spreken. Ze mogen zeggen en dragen wat ze willen, ik loop niet de hele tijd te oordelen met de uitzondering in mijn hoofd en de regel in mijn hand. Eigenlijk ben ik best tolerant. Ik probeer altijd wel te zoeken naar een goede verklaring voor de schoudervullingen van Catherine. Vind ik er geen, dan trek ik mijn schouders op, even hoog als die van haar, en dan bedenk ik dat haar vestimentaire moed toch bewonderenswaardig is. Neen, ik erger me niet vaker of langer dan de gemiddelde kleine zelfstandige met perforatorproblemen aan het einde van een kwartaal. Om dan te zeggen dat ik er godganse dagen als een Klingon bijloop…   Ja dus. Sinds die vrouw haar vinger op mijn frons legde, gaat er geen uur voorbij of ik voel ’m. Achter de computer, voor de televisie, boven de lavabo of bij het likken aan een cornet d’amour. Het moet aangeboren zijn. De bewijzen liggen voor mij op tafel: een vergeelde polaroid uit ’74. Mijn moeder geeft me de fles en ik frons. Waarom? Weet ik veel. Veel viel er toen nog niet te fronsen, of het moest een onderliggende drol zijn die me dwarszat. Maar kaksituaties ga ik tegenwoordig zo veel mogelijk uit de weg, dus het moet iets anders zijn. Iets genetisch. Een verkeerde wrong bij de bevalling. Die Klingon-frons zat er in ’74 al in en die is er nooit meer uitgegaan.   Pas bon pour le moral. De bochten in je gezicht beïnvloeden het zuurstofgehalte in je hersenen en sleuren in een zelfde beweging je humeur mee. Wetenschappers hebben het getest en bevestigd. Open je energiefactuur met een smile – desnoods geforceerd met ‘cheese’ of ‘gin-tonic’ – en je zult het leven en je factuur beter zien zitten. Frons je wenkbrauwen en het is al bij voorbaat om zeep. Dan betaal je een hogere prijs voor zowat alles in dit leven, of zo lijkt het toch.   Van de shiny happy people-club hoef ik geen lidkaart, dank u schoon. Iemand die altijd lacht is verdacht want het leven kan stinken. Maar van die frons, daar moet ik vanaf. ’t Is een kleintje, maar ’t schiet ver door in mijn humeur, onbewust maar zeker. Ziet u mij een dezer met een voorhoofd dat twijfelt tussen glad en geribbeld, neem het dan vooral niet persoonlijk. Er is niets mis met uw epauletten, noch met uw okselgeur of melkschuimsnor. Mijn wenkbrauwen hebben gewoon een eigen wil, maar er wordt aan gewerkt. Ik ga voor glad geluk, al dan niet geforceerd met gin-tonic. (Column verschenen in Psychologies magazine - oktober 2013)

a little bit of soap
1 1

Een raadsel van linkshandigheid

In het eerste leerjaar zag mijn juf, juffrouw Pacquée, dat ik linkshandig ben. Toen ik an, jan, aap en roos leerde schrijven, vroeg ze me of ik het ook eens met mijn rechtse handje wilde proberen. Braaf als ik was (ben), deed ik dat. Al snel werd duidelijk dat dit geen goed idee was. En zo werd ik de enige linkshandige in het eerste leerjaar, een hele tijd geleden, in de dorpsschool van Wuustwezel. Eerlijk gezegd was ik daar ook wel een beetje trots op. Grote mensen, klasgenootjes, mijn grote broer en zus, mijn ouders, eigenlijk zowat iedereen die me zag schrijven, maakte een opmerking, gaande van het neutrale ‘Schrijf jij links?’ tot het wat meer confronterende ‘Schrijf jij altijd zo scheef?’ Maar diep vanbinnen glunderde ik. Want het viel een beetje op. En dat beetje aandacht wil iedereen al wel eens… De opmerkingen bleven komen, de juffen en meesters ook. Zij werden opgevolgd door leraren en leraressen en, tot slot, door profs. En ik bleef linkshandig. Eigenlijk liep een en ander grondig mis toen ik naar de universiteit ging. De uitklapbare bankjes daar zijn zo klein dat ik niet wist hoe mijn blad te leggen om, tegen de klok, notities te nemen. Ik legde mijn blad schuin, schuiner, schuinst tot ik van onder naar boven schreef. Het gevolg is… dat ik nog steeds opmerkingen krijg, en dus ook dat beetje (o zo gegeerde) aandacht. Wie me nu ziet schrijven, vraagt meestal hoe het zover is kunnen komen. Gelukkig moet ik dat nu niet meer vertellen aan ‘mijn’ vierdejaars. Zij lezen het wel, zij het niet vanuit mijn linkse hand, maar tweehandig neergepend op mijn laptop. Kort nadat ik in De Standaard een recensie las van Rik Smits’ Het raadsel van linkshandigheid kocht ik dit boek om eindelijk de geheimen achter linkshandigheid te ontdekken. Ik weet nu veel meer over de manieren waarop verschillende culturen omgaan met alles wat links is, ik ben te weten gekomen dat een kleine minderheid van de wereldbevolking linkshandig is, en ik ben opgelucht te lezen dat er zelfs mensen zijn die twee linkerhanden hebben. En wat ben ik blij te lezen dat linkshandigen niet dom, dwars en onhandig zijnJ Maar wél geniaal en creatief (en een beetje gek). Ook dit laatste blijkt een misvatting. Of je nu links- of rechtshandig bent, maakt niet uit: dit boek moet je zeker eens lezen! Alice, 2 september 2010

Alice
29 0

ik bof dat ik een kikker ben

‘Ik bof dat ik een kikker ben’   Schrijvers vinden in mij een gretige lezer. Gulzig als ik ben, lees ik zowat alles wat me onder ogen komt: gedichten, romans, tijdschriften, recepten, gebruiksaanwijzingen, kranten, ja ook wc-papier, reclame en zelfs onderschriften. Bovendien lees ik wanneer het maar kan; geen minuut gaat verloren. En eens de voorraad lectuur geslonken is, ga ik op boekenjacht in boekhandels, op onze leeszolder, op rommelmarkten of in de bib. De dag begint voor mij, zoals voor zovelen, in de badkamer. Lekker gedoucht en met iets moois aan zet ik de race in naar de brievenbus. Bij het ontbijt lees ik steevast de krant, De Standaard. Tijdens het weekend komen daar De Morgen, De Volkskrant en NRC Handelsblad bij. Samen met mijn huisgenoten behoren wij tot het selecte gezelschap van eetlezers. Vroeger thuis mochten we van onze ouders niet lezen aan tafel. Intussen is het bij ons thuis een ongeschreven regel om wel te lezen bij het eten; Remco Campert gaf dat de toepasselijke naam ‘eetlezen’ mee. Op schooldagen krijg ik werk van leerlingen op mijn brood en ook verslagen van vergaderingen, de SPT-nieuwsbrief en ander minder tot de verbeelding sprekend leesvoer. Als tegenwicht kies ik dan, meestal ’s avonds laat, voor een gedicht of een boek. Staat mijn neus naar literatuur, dan wordt het Hugo Claus of Oscar van den Boogaard, Leo Pleysier of Walter van den Broeck, Esther Verhoef of Charlotte Mutsaers. Ben ik ‘voor niets anders goed’ dan ‘verstand-op-nul’, dan wacht Feeling, Facebook of een dom verhaaltje. Op zo’n momenten ben ik ook wel te verleiden tot wat tv-kijken. Of geef me in dit geval nog liever tekeningen van grote illustratoren zoals kikker-tekenaar Max Velthuys, Klaas Verplancke of Ted van Lieshout. Uren kan ik ernaar kijken. Zeg maar dat ik tijd te kort kom: het liefst van al zou ik (bijna) altijd lezen. Gelukkig leven wij ook tussen de boeken en kan ik er altijd bij. Als me toch nog het gevoel bekruipt dat er niks in huis is, brengt de bibliotheek redding: de Warande is op fietsafstand. Bovendien zijn er ook nog twee boekhandels in de buurt of vind ik wat fraais op een of andere rommelmarkt. Minstens een keer per week koop of krijg ik een boek en af en toe vind ik er een in onze eerder geciteerde brievenbus. Geregeld brengt de postbode me immers lees-werk, een boek dat ik mag lezen om te bespreken voor iedereenleest.be of Kunsttijdschrift Vlaanderen. Als je van een microbe bezeten bent, wil de volksmond wel eens beweren dat ze je tweede natuur is. Lezen is mijn tweede natuur, zoiets. Welnu, voor de leesmicrobe wil ik graag tekenen, levenslang.   Alice 26 okt 2010/ 16 okt 2011, in een schrijfproject met vierdejaarsleerlingen ASO  

Alice
0 0

Liefde overwint alles behalve de tijd.

Hij was geen onbeschreven blad. Dat wist ze. In zijn bijna halve eeuw durende leven had hij een en ander meegemaakt, kinderen gemaakt. Brokken gemaakt. Op een van hun avondlijke en nachtelijke tochten langs de knijpen van de stad had hij in een bezopen bui verteld: “Liefde overwint alles, behalve de tijd. Je laatste liefde zal naast je sterfbed zitten, je hand vasthouden en om je treuren. Want die liefde zal niet voldoende tijd gehad hebben om uit te hollen, te kwetsen, te verwateren, kapot te gaan aan een onvermijdelijke vernietiging, waar geen van beide leden schuld zullen aan hebben. Het bedekken van ongenoegens met mantels der liefde zal op den duur dusdanig zwaar wegen dat ze verstikken. En dan heb je de keuze, je gooit de mantels van je af, met alle gevolgen vandien. Of je bent een volhouder en draagt het kruis, zoals elke religie voorschrijft: Lijdend. Want lijden moet, lijden werkt louterend schijnt het. Liefde is geen religie, koosnaam.” Want zo noemde hij haar, "koosnaam". Schatje, bolletje en scheetje zijn dagelijkse nietszeggendheden bij het vragen om de boter even door te geven was hij van mening.Ze bekeek hem. “Je bent bezopen,” was ze in een lach geschoten.Hij vond haar poging om om zijn zwartgallige gedachten te doorbreken lief. Want dat was haar opmerking en lach. Zo goed meende hij haar al wel te kennen.“Als er al iemand naast je sterfbed zit,” ging hij onverstoorbaar verder “en niet jijzelf de hand van je laatste liefde zal vastgehouden hebben. Misschien haalt de tijd je in alvorens ook jij je op dat sterfbed vleit om de laatste liefde te vinden.”“Dus jij gelooft niet dat mensen van elkaar een leven lang kunnen houden?” vroeg ze.“Tuurlijk kunnen mensen een leven lang van elkaar houden!” had hij uitgeroepen. Ze schrok van zijn heftigheid.“Moeders, vaders, kinderen die kunnen een leven lang van elkaar houden. En zelfs dat niet altijd. Maar twee mensen zonder verstikkende jassen die de liefde een leven lang volhouden zijn zeldzaam. Daarom bestaan er uitzonderingen, zij bevestigen de regel. Een regel die ik in ieder geval niet bevestigde.”Er openbaarde zich een Tom die ze bij voorgaande kroegentochten nog niet gezien had. Een warse baldadigheid.“En nu kunt ge allemaal mijn kloten kussen!” zei hij op luide toon opdat iedereen het horen kon, nam een sigaret tussen de lippen en joeg er de brand in. Uitdagend keek hij rond om te zien wie de moed zou hebben hem terecht te wijzen.Niemand ging in op zijn uitdaging.Zij zei niets. Staarde naar haar glas. Wierp nu en dan een blik op hem.“Wat denk jij, koosnaam” vroeg hij.“Dat ik antwoord geef wanneer ik dat wens. En noem me nu even niet “Koosnaam.”Hij bekeek haar. Geschrokken. Ook zij openbaarde hem onbekende kanten.“Een oester ben je, soms ga je een beetje open en meen ik een parel te ontwaren daarbinnen. Dan klap je plots dicht en nijp je een stukje huid van de topjes van mijn vingers tussen die schelp van je. Hoe ik ook zwaai met mijn hand, ik krijg je niet los. Maar je klapt niet eventjes een miliseconde open om los te laten. Waarom niet?”“Dat ik antwoord geef wanneer ik dat wens.” zei ze nogmaals.”We drinken nog iets, je houdt je mond nu, wandelt mij naar huis. Genoeg gepraat.”Hij zweeg. Maar dacht nukkig: “En oesters zijn ook een afrodisiacum!” Tom

Tom Lievens
48 0

Een doordeweekse donderdag

(alsof een donderdag ooit in het weekend zou kunnen vallen, ha) Donderdagavond, 21u37, Brussel. Licht gehaast wandel ik door de betonnen bouwwerf die ooit weer station Schuman moet worden. Een vieze gang door, een vuile trap af. Er hangt een groezelig sfeertje, ik kan niet ontdekken waarom. Nog niet. Ik moet superdringend naar de wc. Is hier een wc? Ik mag het hopen, verdomme. Er zit een liter bier in mijn lijf en die moet er nu uit. Die kan niet wachten tot ik eindelijk het juiste metrospoor heb gevonden, de juiste metro komt aanrijden, ik aan de juiste halte weer afstap en dan het volledige driestappenplan herhaal om met de trein naar mijn eigen stad te sporen. Ik moet nú. "Il y à une toilette ici?" Gelukkig luistert de man achter het loket wel in het Frans - een eerdere poging in onze andere landstaal leverde niets op. "Oui, je viens de la nettoyer." Hij gaat me voor in een nog smoezeliger stukje gang en duwt de afgebladderde toiletdeur open. Het is er inderdaad net gepoetst. Ahum. De vloer is drijfnat, de wc-bril ook, het papier ernaast eveneens. Ondanks de ontegensprekelijke opdringerigheid van de liter bier kan ik het niet nalaten de vieze bruine spatten op te merken. Maar ik heb geen keuze. Ongelofelijk opgelucht sla ik enkele ogenblikken later weer een hoekje om. Althans, dat is de bedoeling. Voor ik over de knielende figuur in overall, machinegeweer in afvuurpositie, kan struikelen, deins ik achteruit. En nog eens. What the f...! Ik ben vanavond al eens gevlucht. Wellicht van een minder levensbedreigende situatie, maar toch. Een tent tot aan de nok gevuld met lallende lederhosen plus deinende dirndlborsten, honderden armen die honderden liters bier de lucht in heffen en hijsen onder een luid schallend prosit, Duitse schlagers die uit de boxen knallen, en een buik die barst van de zuurkool, een half zwijntje en een soort van knödelbol/cement, zo ongevaarlijk is dat nu ook weer niet. Juist ja, ik was aanwezig, tegen wil en dank, op een Oktoberfest waar alle mogelijke clichés over onze liebes buren bevestigd werden. Na mijn eerste pintje - en ik kan het niet genoeg herhalen: de norm was 1 liter en daar werd naar Duitse grundlichkeit niet van afgeweken - nam ik de benen, alvorens een of andere lederhoos mij een tweede kroes kon verkopen. Zonder het preventieve wc-bezoek, o wee. En daardoor dus nu hier. De sluipschutter grinnikt eens. Ik lach niet. Ik sta aan de grond genageld. Hij zit nog steeds gehurkt, in een vuil en stinkend pak. Dan zie ik ook zijn glimmende haren, vol brillantine. Of wacht eens, dat is geen brillantine, dat is bier. Waarschijnlijk komt het door de zuurkooloprispingen dat ik de stank nu pas gewaarword. Look en al. Eindelijk klopt mijn hart weer aan een normaal ritme. Het dringt door. Het machinegeweer is nep. De man is een student. Een eerstejaars. Een groentje dat zich laat dopen. Ik begin bijna hardop te lachen. Niet omdat ik dat gedoop zo grappig vind, wel omdat ik hartstikke geschrokken was. En me geen houding weet geven. Moehaha, lachen zeg. In de metro word ik omringd door dopelingen. Alsof het allemaal normaal is, staan ze daar met zijn vijven, allen een stuk rauw vlees in de bek. Ja, met een stuk rauw vlees in hun mond. Ik ben gedegouteerd en geïntrigeerd tegelijk. Wat is dat toch in hemelsnaam? De andere reizigers zijn vooral versteend van onbegrip. Ik wil, ik moet weten wat het is. "C'est quoi dans ta bouche?" Vanavond gebeurt het in het Duits en in het Frans. Het blijkt ossentong te zijn. Hele grote ossentong. Voor elk een. Ik vraag mij af wat het nut is van de opdracht. Niet dat ik het nut van gel van bier en een parfum van look al heb ingezien, maar wie weet, misschien zijn er voordelen aan rauwe-ossentong-tussen-je-tanden-klemmen die mij al een dikke dertig jaar zijn verzwegen. Even twijfel ik om er verder op in te gaan, de conversatie aan te knopen. Maar nog voor ik aan mijn nieuwsgierigheid kan toegeven, moet ik het alweer op een lopen zetten. Een van de overmoedige jonkies heeft het in zijn hoofd gehaald dat hij mij moet kussen om zich te verontschuldigen voor de overlast. "Noooooooon!" Ik ren door de gangen van het station, spring de openstaande wagon van de eerste de beste trein in. Slechts een klein beetje nahijgend - lady Bulinski beschikt namelijk over een tamelijk uitstekende conditie, of wat had u gedacht - plof ik neer op het bruine leer van het coupébankje. Wat een avond, wat een avonturen! Overenthousiast kom ik thuis. "Moet je nu eens iets weten!""Vertel", murmelt mijn mister Rolexico vanuit de zetel. Ik wrijf in mijn handjes, bedenk snel hoe ik het nog spannender kan maken. De aandachtsspanne is helaas voorbij, een Twitterschermpje licht op. Een doordeweekse donderdag.

Lady Bulinski
0 0

Cure for pain – over de roerende voorheffing op auteursrechten

Het concert van Morphine in de Vooruit in 1994 duurde exact 195 minuten. Denk ik, want precies weet ik het niet meer. Voor ratio was er die avond tijd noch ruimte. Alles was waas en roes en vol gevoel. Frontman Mark Sandman schraapte zijn keel en vulde mijn oren met de meest doorleefde melodieën aller tijden. De eerste twintig jaar van mijn leven flitsten voorbij. Ik zat weer op mijn rode fiets met speelkaarten tussen mijn wielen en reed van de kleuterklas naar het vijfde leerjaar met een natte kousenbroek en verse gaatjes in mijn oren. Ik stond verlegen tussen de grote muilen aan de bushalte, nam de trein naar mijn kot in Gent en kwam tussen twee noten weer even bij zinnen, net lang genoeg om de bassen en de baritonsax in mijn onderbuik te voelen en te beseffen dat dit een keerpunt was. De rest van mijn leven zou daar en dan beginnen. Ik zag de boeken, voelde het blokken, greep naar dat diploma en dook luid lachend het leven in. Het leven dat nog geen gezicht had maar dat wel al spannend leek. Zin, dat had ik. In volwassen worden en zot blijven. In warme liefdes en dingen des levens. Ik liep over van enthousiasme. Pieste bijna in mijn broek. Morphine bleef spelen, noot na noot, bis na bis. De blazers bleven gaan dus ik ook, terug naar af en volle gas vooruit. Mijn knieën kraakten onder al mijn plannen maar ik zou niet plooien, want op die setlist stond de tijd van mijn leven. 195 minuten later stond ik op straat. Verdoofd. De mannen van Morphine hadden een gat in mijn ziel gemaakt en er een mijlpaal in gezet. Stevig genoeg om alle studentenjaren, foute mannen, dikke billen, regeringsvormingen, indexaanpassingen, stijgende elektriciteitsprijzen, De Crem-kapsels en dubieuze begrotingsvoorstellen te doorstaan. Muziek doet iets met een mens. Scheppende kunsten maken het leven leefbaar. Respect – geen 15, geen 25 maar 100 procent.

a little bit of soap
0 0

De muze in '92

Toen ik in 1992 voor het eerst door de gangen van de Gentse universiteit dwaalde, had ik schrik. Het soort schrik dat je blik naar beneden dwingt, omdat je bang bent dat iemand je zal vragen naar de haalbaarheid van de antisubjectfilosofie in de neoliberale maatschappij en je dus al op dag één door de mand valt. Het soort schrik dat nog eens extra werd gevoed door de wilde verhalen over bepaalde professoren, Jaap Kruithof op kop. Kruithof stond bekend als een filosofische keikop die met zijn vlijmscherpe analyses en provocerende houding zowat elk beginsel op zijn grondvesten kon doen daveren. 's Mans reputatie ging mijn eerste les ethica vooraf, dus toen het eindelijk zover was, vatte ik strategisch post in het auditorium. Ver genoeg om onzichtbaar te zijn, dicht genoeg om het vuur in zijn ogen te zien. Wriemelend wachtten we met honderden tegelijk op het icoon. Met een volle blaas en verwachtingen waar we geen weg mee wisten. Twee academische kwartieren later kuchte iemand in de microfoon dat de professor niet kwam. We dropen af naar koten en kroegen, lieten plassen de vrije loop en ademden opgeluchte ontgoocheling. Kruithof zou nog vaker zijn joker inzetten. Maar als hij er was, dan was hij aanwezig. Dan foeterde hij als geen ander, overtuigd van zijn overschot aan gelijk. Of hij oreerde met een hartstocht die geen enkele katerkop koud liet. Ooit vertelde hij zonder één keer naar adem te happen dat hij zich dagenlang had opgesloten met niets dan pianist Glenn Gould op repeat. Zonder spijzen of sterkedranken. Hij had zich enkel gelaafd aan de muze, in extase. Diezelfde muze zat op de kast toen ik dat jaar bij Kruithof op audiëntie moest. ‘Du Pré? Toch geen familie van…?’ Paniek. Alle namen van tantes, nichten en tante nonnekes zoefden door mijn hoofd. En net toen ik dacht toch nog door de mand te vallen, sprongen de adertjes in zijn ogen en barstte hij los. Over Jacqueline du Pré, een Britse celliste die harten en snaren wist te beroeren maar door een spierziekte het gevoel in haar vingers verloor en op jonge leeftijd overleed aan een longontsteking. Verder dan ‘Du Pré’ zijn we niet geraakt. Kruithof was zo van zijn melk dat ik mocht gaan. De muze bleef en bood hem troost. Het schriftelijke examen leverde mij een 14 op, het mondelinge een herinnering die alle thé dansants overtreft.

a little bit of soap
6 1
Tip

Normaal voor een 83-jarige

‘Dat is normaal voor een 83-jarige’, klinkt het in haar hoofd. Ze probeert kalm te blijven terwijl ze de trap op schuifelt. Voet voor voet. Langzaam en onzeker, de hoopjes stof en verloren haren voor zich uit schuivend. Dat kalm blijven heeft ze moeten leren. Dat lukte eerst niet, maar het moest. Kalm blijven en blijven gaan. Niet denken aan morgen maar ademen, middenrif op en neer, hier en nu, met alle beetjes kracht die ze uit haar pompende hartkamers krijgt. Straks in bed met het lijf dat ze niet meer herkent, zal ze nog maar eens denken aan vroeger. Hoe ze tot een stuk in de dag kon dansen met een stuk in haar voeten. Voeten die nooit protesteerden, tenzij ze te nauwe nieuwe schoenen droeg. Voeten die haar door de laars van Italië hadden gedragen, met een rugzak tot boven haar hoofd en een kop vol plannen. Plannen die ze smeedde terwijl ze duizend-en-een andere dingen deed: blauwe regen planten, tegen de wind in naar de markt fietsen, vanillepudding maken met een velletje vanboven. Dat lukte toen allemaal zonder zeurende heupen of verzuurde spieren. Zonder vingerkootjes die aanvoelen alsof ze elk moment kunnen knappen. Dat waren tijden. Wat zou ze graag nog eens een Jane Fondaatje doen. Een low impact total body sculpting workout. Die hoofdband en dat synthetische stringding zou ze er wel bijpakken. En New York zou ze ook nog willen zien. Met de fiets door Central Park, met een air over de Brooklyn Bridge en dan uitblazen met een bagel met roomkaas en zalm en zicht op Manhattan. Zadelpijn? Mug in oog? Die details zouden er niet toe doen. Alles. Werkelijk alles heeft ze ervoor over om nog eens haar oorspronkelijke lijf te voelen en te bewegen, zonder kwalijke gevolgen. Mevrouw laat niet in haar kaarten kijken. Wie de mens niet door en door kent, merkt niets van het geschuifel. Ik wel. Ik zie de schim in haar ogen, vakkundig verstopt tussen de lachrimpels. Ik zie hoe ze op haar tanden bijt en blijft gaan, voor ego en klein Pierke. Ze gooit kleuters van 15 kilo in de lucht en lacht. Ze doet de afwas, leegt de vaatwas en brengt dingen naar de droogkuis. Ze werkt zich van 9 tot 6 het normale leven binnen op haar eigenwijze manier. Blijven zitten is geen optie. Niet in haar huis, niet in haar lijf, niet in haar leven. Specialisten spreken van stilstaan en aanvaarden. Daar wordt ze stil van, want eigenlijk aanvaardt ze alleen vooruitgang. Blijven schuifelen, blijven ademen, blijven zoeken tot ze vindt dat het genoeg is geweest. Ik kan haar geen ongelijk geven. Elke extra stap is er één die ze zelf zet. Met wallen, en toch opstaan. Dus als ik haar zie springen spring ik mee, maar niet te hoog en niet te lang. Als ze wil moonwalken stuntel ik mee, maar niet te zot en niet te zat. Als ze zich weer eens verliest in een enthousiast verhaal geef ik haar de tijd om te gillen, maar ook om op adem te komen. Want haar goesting is groter dan haar batterij. Dat is normaal voor een 83-jarige. Alleen jammer dat zij pas 40 is.

a little bit of soap
9 1

Dagen in Caïro - fragment

16 januari 2013 - Ik heb een afspraak met vrouw T in de Mohammed Mahmoud street. De McDonalds, de Pizzahut en de Kentucky Fried Chicken hebben hun filialen hier gesloten. De enige keten die zijn deuren nog open heeft is Cilantro, het Egyptisch dochtertje van Deilicious Inc., een Amerikaanse catering- en eventketen. De rolluik van deze koffiebar is niet helemaal omhoog. Driekwart van de deur is zichtbaar en ik fiets er bijna voorbij. Ik doe mijn fiets op slot en wandel binnen. Ik wil de trap opgaan, maar de man achter de bar zegt iets. Ik versta hem niet. ‘What?’ ‘xxxxx’ ‘What?’ ‘xxxxx’ ‘What?’ ‘WE ARE ONLY OPEN DOWNSTAIRS.’ Ik zet me aan een tafeltje naast de koekjesautomaat. Ik bestel een latte machiatto. De  ober verstaat me niet. ‘What?’ ‘latte machiato.’ ‘What?’ ‘A LATTE MACHIATTO.’ We lachen allebei om het mopje. Als vrouw T arriveert is ze verbaasd dat we niet boven op de terrasjes kunnen gaan zitten. Ze vraagt om uitleg. De ober legt uit dat als de hele keet vol zit, ze niet snel genoeg kunnen ontruimen als er weer heibel is. Ik drink mijn koffie en dan geeft vrouw T me een rondleiding in de straat. Ze legt bij alle graffiti uit wat het betekent. De engelen zijn mensen die omgekomen zijn in de revolutie. De rode engel is Khaled Saïd. Deze achtentwintigjarige anti-corruptieactivist werd in juni 2010 doodgeschopt voor een cybercafé in Alexandrië door de politie van Mubarak. De facebookpagina ‘Wij zijn allen Khaled Saïd’ riep op tot protesten op 25 januari. Op de muur voor me zie ik wat de gevolgen daarvan waren, hier, in deze straat. Heel veel engelen. Vrouwen, mannen, kinderen. Portretten van dode mensen met vervormde monden. Hersenen tegen de muur. Dat laatste is conceptuele kunst, legt vrouw T me uit. We wandelen verder, in de zon, tussen de slogans die oproepen tot vrijheid. ‘Het is niet omdat je een revolutionair bent, dat je een moslimbroeder bent!’ roept een klein mannetje met een groene T-shirt tegen een blauw monster. Slogans tegen seksueel geweld. Een blonde vrouw, geblinddoekt, wordt door een massa mannetjes lastig gevallen. Slogans die vrouwen oproepen te revolteren.  De volgende dag moet ik bij vrouw G in Garden City zijn. Op mijn stratenplan was de weg eenvoudig: op het Tahrir-plein naar rechts. Ik bots op een muur. Ook de straten errond zijn afgezet met opgestapelde kubussen. Ik fiets andere straten in en beland tussen regeringsgebouwen, ambassades, prikkeldraad, wegversperringen, politiemannen, soldaten, pantserwagens. Ik bel vrouw G en ze legt me uit dat ze net buiten het afgezette gebied woont. Eenmaal bij haar thuis vertelt ze dat de muren gebouwd zijn toen dat filmpje op youtube verscheen over de profeet Mohammed. Vrouw T neemt me mee op de fiets naar islamitisch Caïro, en verder, naar de dodenstad. We krijgen een warm onthaal bij een bevriende glasblazer. Zijn zoon is de stiel aan het leren. Hij is de derde generatie glasblazer. Kruiken, glazen, ijskommetjes, kerstballen, glasparels, deze familie tovert alles uit het gerecycleerde glas dat ze opkopen een wijk verder. Daar sorteren hele familie’s al het afval van Caïro met de hand. In deze grootstad wordt negentig procent van het vuilnis gerecycleerd. Ik kijk naar de gebruikte, blauwe flesjes parfum die staan te weken in een emmer. Vrouw T legt me uit dat deze familie het moeilijk heeft gehad na de revolutie. De buitenlandse klanten bleven weg. Nu gaat het weer beter. De eerste kleinzoon zit verlegen op de schoot van zijn moeder te gluren naar de eerste buitenlanders die hij ziet in zijn leven. ’s Avonds eet ik soep bij vrouw G, en vrouw R komt ook langs, en we genieten van elkaars woorden en analyses die als parels in onze oren vallen, zoals vrouw R het zegt. De twee vrouwen vertellen over hun leven in Caïro en ze concluderen: ‘Caïro is samen eten, samen drinken, samen feesten, samen revolteren, samen slapen.’   

Leen De Graeve
0 0

LIEVER MAF DAN MOF

Ik snapte hem niet meer, die rare Danders. Mijn mede-studenten sociale school herinnerden zich nog die verlegen jongeman met het stomme brilletje op de neus, met korte krulharen, een sproetig aangezicht en een geslachtloos, niet-verzorgd, maar ook niet-verwaarloosd uiterlijk. Hij droeg de toen al zo alledaagse jeansbroek met de al even klassieke afgesleten jeansvest of parka, naargelang het weer. Niemand, ook ik toen nog niet, vond dat met hem iets aan de hand was: hij studeerde misschien wat al te ijverig (studeren werd toen nog niet zo gewaardeerd in het studentenmilieu zelf), maar hij veroorzaakte toch niet al te veel te last. Het enige wat ze hem konden aanwrijven was dat hij door zijn schaamteloze studiewoede ook afrijselijk goede resultaten behaalde op de examens, waardoor hij t.o.v. hen toch wel een beetje een buitenbeentje werd. Hij viel nog het best in te delen bij de categorie van pastoors en moederlijk-lieve sociaal-assistenten in spé, dat soort dat mensen écht wil helpen. Een pastoor doet soms wel raar, een echte sociaal assistent ook, maar écht last heb je er eigenlijk niet van. Nu, twee jaar na zijn eerste aarzelende stappen in het Antwerpse studenten-(en daardoor ook uitgaans)leven, viel hij niet meer te herkennen. Waar was die schuchtere, bloedverlegen, naieve wereldverbeteraar gebleven? De jeansbroeken droeg hij nog wel, maar dan wel kapotgescheurde en als hij zijn groene parka-jas droeg, trok hij meteen de aandacht door allerlei onbegrijpelijke slogans zoals "Destroy power, not people", "Anarchy, Peace and Freedom" en ander Engels proza van een bedenkelijk kaliber zoals het niet-mis-te verstane "Fuck off" of "Mind your own business". Hij was nu wel nooit een toonbeeld van orde geweest, maar degenen die zich nu nog op zijn kot waagden, en dat werden er steeds minder, liepen het risico zich de nek te breken over een gitaar met kapotte snaren, moesten goed uitkijken om niet op loszooiende achteloos rondslingerde platen te trappen, want daar kon hij erg agressief van worden, en als je was gaan zitten, moest je erg goed uitkijken dat geen kapot bierflesje of glasscherven van een pint zich in je achterwerk nestelden. Gebeurde dit toch door de onbegrijpelijke onachtzaamheid van een naieve student, dan lachte hij zich gegarandeerd te pletter, waarbij zijn piekhaarden wild op en neer schudden. Een pleistertje voor die toch wel pijnlijke vleeswonde, dat kon er niet af. Nee, van dat zacht mannetje van vroeger was geen spoor meer. Hij spuugde op straat en soms in je gezicht, zijn rechterwijsvinger wees verdacht veel recht omhoog in de richting van argeloze Antwerpse burgers, wat nog wel te dulden viel, maar moest hij nu telkens dit duidelijk teken van verachting ook naar ons, zijn mede-studenten maken? Nee, het werd al te gortig en hier en daar gingen al stemmen op om hem van school te laten wegsturen, want een sociaal assistent kan wel heel veel begrijpen, sommige dingen gaan écht té vér!!!!Op een keer, ten einde raad en het nutteloze van mijn poging wel inziend, heb ik toch geprobeerd met hem te praten en weet je wat die onverlaat me durfde te zeggen, me in het gezicht spuwend nadat hij eerst al mijn grieven aanhoord had??? "LIEVER MAF DAN MOF" riep hij. Wel, als hij maf wil blijven, dan blijf ik maar mof...!!!

danders
0 0

Heerlijk sterven op de Filippijnen

Heerlijke manieren om te sterven in de Filippijnen Ik heb altijd graag gereisd, en veel. Van Mauritius tot Lapland, van de hemelse stranden van Jamaica tot de Griekse Acropolis. Elk plekje op zich had wel iets unieks te bieden. Toen een vriend danook over een reis naar de Filippijnen begon, was ik niet meer te houden. Ik moest en zou met de walvishaaien van Donsol zwemmen. Enkele dagen later was de reis geboekt. Nu, ik moet toegeven, ik had ook mijn bedenkingen. Dit luxepaardje is namelijk grootgebracht in vijfsterren hotels waar ze haar dagen sleet op een strandstoel. De Filippijnen zou niets van dit alles hebben. Geen luxe, geen vijfsterrenhotels en een minimum aan comfort met zes onbekenden en een bevriende reisleider. Maar het was tijd voor wat avontuur in mijn leven, besloot ik. Vaarwel Luxe. Welkom wonderbaarlijke eilandpracht. Het werd inderdaad een heerlijke reis. Ik heb er mijn ogen uitgekeken. Alles is er zo mooi dat als je ter plekke zou sterven, je leven toch compleet lijkt… Beeld je in dat je na een vlucht van 12 uur en een even lang durende busrit aankomt in Legazpi. Je stapt de bus uit, rekt je spieren en voor je zie je de ruïnes liggen van een oude kerk. De mensen die hier ooit hebben geleefd, zijn waarschijnlijk op de vlucht moeten gaan voor het gevaarte dat achter aan de horizon ligt. Het uitzicht was magnifiek, maar de moed zakte me direct weer in de schoenen als ik de meest perfecte stratovulkaan aanschouwde die we binnen een paar dagen zouden gaan beklimmen: Mount Mayon. Alhoewel ik wekelijks sport, heb ik mezelf nooit als echt ‘sportief’ beschouwd. Eén aanblijk op het prachtige panorama zei me genoeg. Ik zou me tot het uiterste moeten duwen. Na die korte stop zijn we verder gereisd naar Donsol om wat uit te rusten voor het vervolg van onze reis. De eerste dagen werden direct gevuld met onvergetelijke momenten. Met zwembril en snorkel in de aanslag werden we ondergedompeld in de wereld van de walvishaaien. Uren hebben we met z’n vieren op de boot zitten wachten, zoekend naar enig spoor van de grote beesten. Maar, het enige dat er die dag gebeurde was het rommelen van Rebecca’s buik toen ze voor de zoveelste keer zei: “ ’t Is tijd voor een snackske!” Grinnikend werden de chocolade-cakejes verdeeld onder het gezelschap en ’s avonds werd er al schertsend gezegd dat het toppunt van de dag bestond uit babbelen en chocola. De volgende dag hadden we meer geluk. Na amper één uur zoeken hadden we eindelijk een walvishaai gevonden. We gingen op de rand van de boot zitten en sprongen het water in. Ik zal het nooit vergeten, hoe ik rond keek op zoek naar die wit-gevlekte vis. En dan plots, out of nowhere dook ie op, met een bek die langer is dan je been. Er is volgens mij geen enkel dier zo groot, dat zo gracieus kan bewegen. Je zou er letterlijk van vergeten te ademen. Toppunt van dag twee: Lekkere cakejes gegeten en twee prachtige walvishaaien gezien! Als er iets kan gezegd worden over Donsol, dan is het wel dat het onderwaterleven er onmenselijk mooi is. Als amateurduiker had ik dus niets liever gewild dan met fles en lood gewapend de dieptes van de Filippijnen te verkennen. Natuurlijk zit je met een groep mensen die nog niet kunnen duiken. Het idee om de zee in te gaan was dus snel vergeten. Tot de reisbegeleider zei dat diegenen die wilden, een duik mochten wagen met een plaatselijke duikorganisatie. Ik was door het dolle heen. Langs de andere kant kwamen de zorgen ook naar boven. Ik wist hoe ik moest duiken, de anderen niet. Als je één ding leert in een duikschool dan is het dat duiken niet licht genomen mag worden. Eén kleine fout kan fataal zijn. Duiken is niet voor niets geplaatst in de top drie van de meest gevaarlijke sporten. Ik vond dat het nodig was om hun op voorhand te zeggen dat ik het een superidee vond, maar dat het eigenlijk niet verantwoord is om als niet-duiker zomaar het water in te gaan zonder enige opleiding. We zijn toch gaan duiken met z’n vijven. Op de boottrip naar het eiland waar we gingen duiken, vertelde de gids ons wat er verwacht werd. Meermaals heb ik met mijn ogen gerold. Ik was nerveus. Bloednerveus eigenlijk. Ik dook zelf niet al te lang, maar wist wat je wel en niet mag doen onder water, terwijl de instructeur keer op keer een verkeerde instructie gaf. “Als je last hebt van je oren onderwater, sluit dan je neus met je vingers en blaas eens goed door.” Ik werd lijkbleek. Als je dat doet, kunnen je trommelvliezen springen, geraakt er water in je binnenoor en krijg je evenwichtsstoornissen. Bij alles wat de man zei, probeerde ik aan de mededuikers, die ondertussen toch wel vrienden waren geworden, uit te leggen waar je voor moest opletten: Niet te snel stijgen, of je kunt een klaplong krijgen, of erger decompressieverschijnselen. Goed om weten: bij decompressie komen er luchtbellen in je bloed, die ergens vast kunnen blijven zitten. Je kan erdoor verlamd raken of zelfs sterven, tenzij je op tijd in de caisson bent om terug gedecompresseerd te worden. Er zijn twee caissons op de Filippijnen, een eilandengroep van 7107 verschillende eilanden. Veel kans op overleven heb je dus niet als er iets misloopt. We hebben toch gedoken. Iedereen met vijf kilo lood aan zijn gordel. Voor mij was het genoeg om tussen twee wateren te zweven, maar voor de grootste onder ons, was het helemaal niet genoeg. Een paar stenen bij in het duikpak stoppen, en ook hij kon mooi kopje onderblijven. De stress bleef wel. Ik geef het niet graag toe, maar er was ook wel druk om te laten zien dat ik wel degelijk kon duiken. Als iedereen weet dat je in België wekelijks in een zwembad traint, wordt er wel wat verwacht van je. Er zijn onder water nog wat voorvallen gebeurd, een mondstuk dat uit je mond wordt geshot, maar daar wordt je op getraind. Dus zonder enige vorm van paniek stak ik het terug in mijn mond en keek naar de pracht op de bodem. Tot we nog wat oefeningen moesten doen. Je gaat op de grond zitten, haalt je duikbril van je gezicht en blaast hem leeg. Bij de meeste ging dit vrij vlot, maar toen Lieven zijn duikbril afzette en daarbij ook zijn eigen mondstuk uitviel was er langs mijn kant toch wel enige vorm van paniek. Net zoals we in het zwembad geleerd hadden, pakte ik zijn linkerarm vast, greep snel naar het mondstuk en stopte dat terug in zijn mond. De instructeur zat de hele tijd voor hem, maar was te laat om hem te helpen. Het hele verdere verloop van de duik was ik niet echt op mijn gemak. Meer dan eens heb ik iemand onwetend bij zijn arm genomen om hem weg te trekken. Zonder dat hij het wist was hij bijna op een zee-egel gaan staan met pinnen van twintig centimeter. En steeds vroeg ik me af: Waarom zijn die instructeurs in alles zo laks? Wat als ze niet merken wanneer iemand in problemen komt? Ondanks die problemen, beleefde ik er de tijd van mijn leven. Zeesterren, schelpen, papegaai- en clownvissen, zee-egels in alle kleuren en maten. Bij het bovenkomen was iedereen het erover eens: duiken in de Filippijnen is prachtig, al werd er wel gezegd dat het compleet onverantwoord was dat we zo onervaren in het water zijn gedoken. Ik moest op mijn tong bijten om die grin te onderdrukken en geen “I told you so” te opperen. Na die heerlijke onderwaterdagen zijn we dan verder gegaan naar Mount Mayon. Aan de voet van de vulkaan klopte mijn hart al in mijn keel. Ik geloofde niet dat ik het ooit zou kunnen, zolang stappen, zo hard doorzetten. We waren nog maar een half uur onderweg of ik had er al genoeg van. Maar ik wilde nog doorzetten, zeker tot het eerste kamp. Ik was kapot, leeg en voelde me verschrikkelijk misselijk toen we na anderhalf uur aankwamen op de eerste rustplaats. Iedereen ging zitten en at zijn lunch op. Ik kreeg maar een halve boterham door mijn keel. Maar, ik ging verder. Kamp twee was maar even ver stappen als kamp één, zeiden ze. Na de korte pauze raapte ik terug al mijn moed bijeen. Toch nog even doorzetten. Een half uur verder was ik zo goed als dood. Ik bengelde achterop, had constant pijn in mijn rug. Ik wilde opgeven, terugkeren. Maar... Er was één grote maar. Ik kende de reisbegeleider. En alhoewel we goed overeenkomen wist ik maar al te goed dat Lieven het niet zou nalaten om me elke keer te plagen over het feit dat ik de top niet had gehaald. Mijn enige motivatie om Mount Mayon te beklimmen: hij gaat nooit kunnen zeggen dat ik toch niet heb doorgezet. Hij gaat er nooit mee kunnen lachen dat ik er niet geraakt ben. Halverwege naar kamp twee heb ik zitten roepen en tieren. Ik heb de tranen uit mijn lijf gehuild en op de grond gestampt van pure frustratie. Er was toen nog één van mijn reisgenoten bij me, samen met een gids. Ik vond het verschrikkelijk om zo te wenen terwijl ze erbij stond. Deze grote mond heeft maar een klein hartje, en iemand haar zwakte tonen vindt ze al helemaal niet zo leuk. ’t Was op dat moment dat ze zei: “Goh, nu heb je toch een uitgangspunt voor je reisverhaal. ‘Heerlijke manieren om te sterven op de Filippijnen’.” Raar als ik soms kan zijn, ben ik toen beginnen lachen en huilen door elkaar. Het heeft me in ieder geval mee de top op geholpen. Ik kwam aan, waarschijnlijk een half uur later dan de rest maar ik had het gehaald. Bij het eerste het beste plekje dat ik zag, ging ik zitten. Lieven kwam af omdat hij – de plaaggeest – me even kwam zeggen dat het ‘toch helemaal zo zwaar niet was geweest’. Ik denk dat ik nog nooit zo bitsig uit de hoek ben gekomen tegen hem. “Maak da ge weg zijt.” Ik kon niets of niemand rond me verdragen. Het enige wat ik wilde was rust. Ik ben daar op een harde steen blijven zitten terwijl de rest tien meter verder naar de lava ging kijken. Ik kon gewoon niet meer verder. Ik keek rond en nam zittend wat foto’s. Ik was zelfs te lui om een rugzak die iets verder lag te verschuiven zodat ie niet op de foto’s terecht kwam. Ik ben dan gewoon maar verder naar links of rechts gaan leunen zodat hij er toch niet opstond. En toen waren ze terug. We moesten terug naar beneden… Elke stomme stap die ik zette, gaf een extra stoot in mijn rug. Ik was superblij toen we eindelijk aan ons beginpunt aankwamen. Al kon ik Lieven nog steeds zijn nek omwringen: “Komaan, geef toe, het zicht was de beklimming toch echt wel waard.” Ik siste als een slang. “Dat zie ik nu nog zo niet! Ik zal later wel van de foto’s genieten!”. Ach ja… Ik heb nooit het makkelijkste karakter gehad. Maar het is waar. Ik geniet enorm van de foto’s die ik daar genomen heb, want ik weet dat ik die beklimming nooit, maar ook nooit meer ga doen. Ondanks de uitputting was het verdere verloop van de dag toch nog de moeite. Op het beginpunt werden de kokosnoten uit de bomen geplukt – “Hah.” zei iemand. “Nog een manier om te sterven in de Filippijnen. Een kokosnoot op je kop krijgen. Het gebeurt meer dan je denkt hoor .” Daarna zijn we teruggegaan naar het hotel om ons klaar te maken voor een avondje stappen. Appelbier en dansen en cocktails en karaoke: de manier om je te amuseren na een dagje tot het uiterste gaan. De reis werd verder gezet. Nog even een korte stop in Sabang waar we de mangrove zijn doorvaarden en op zoek gingen naar een waterval die zich recht in de zee uitstort. Eén voor één beelden om van weg te dromen om dan uiteindelijk in El Nido te belanden waar we van eiland tot eiland hebben gehopt. Die volgende vijf dagen werden gekenmerkt door snorkelen, kanoën en barbecueën op het strand. Het is ons toen ook spijtig genoeg duidelijk geworden dat sommige mensen helemaal geen respect hebben voor de natuur. We kwamen aan in een verborgen lagune. Iedereen was onder de indruk van de hoge rotsen waarin de lagune verstopt lag. Er was maar één doorgang: langs de zee de lagune inzwemmen en dan op het strand aankomen. We waren echter niet alleen. Een groep Aziaten was wat tumult aan het maken in het water terwijl wij aan de kant lagen. Ze waren met een schop in het water iets aan het achterna lopen. We gingen recht zitten en keken naar het schouwspel. Tot we zagen dat de menigte een vis op het droge probeerde te krijgen. Dat lukte ook. Onze groep stond furieus op en ging naar de mensen om te vragen waar ze in godsnaam dachten mee bezig te zijn. Chinezen verstaan blijkbaar geen Engels. Of willen het niet verstaan dat je een dier niet zomaar leed aan doet uit plezier. Het diertje lag te spartelen in het zand. Zonder racistisch te willen zijn, was het ook duidelijk dat deze Chinezen geen kennis hadden van vis. Terwijl ik naar het donkerbruine gehoornde beestje keek, werd het me al snel duidelijk dat het niet zomaar een vis was. Een steenvis of Synanceiaverrucosakan je door één verkeerde aanraking helemaal verlammen. Gewapend met een stel vinnen hebben we het beestje terug in het water proberen te duwen, tot onze gids langs kwam en hem bij zijn staart vast nam en terug naar zijn natuurlijke habitat bracht. Hij was blijkbaar niet zo bang van de mogelijke gevolgen. Er waren die dagen in El Nido nog momenten waar je je als toerist ergerde aan de anderen. Mensen haalden zeesterren boven water, probeerde achter schildpadden aan te zitten en hadden geen oog voor het koraal in de riffen. Als je weet dat de grootste koralen maar vijf tot vijfentwintig mm per jaar groeien, dan is het ook niet verrassend dat de mooiste duikplekken op aarde stilletjes hun pracht aan het verliezen zijn. Stiekem hoop je dan wel dat de toeristen toch eens in een zee-egel zouden trappen, of met hun hand op vuurkoraal belanden - dat brandt net zo lekker als een kwallenbeet! Nog twee dagen zijn we in Manilla geweest. De metropool was even mooi als de rest van de prachtige eilanden, al was het verschil met het leven op de eilanden toch wel groot. Uiteindelijk werden die laatste dagen vooral gekenmerkt door wilde taxiritjes en de laatste slachtoffers van buikloop. Ik moet zeggen dat ik nooit een beter dieet heb gekend dan op reis gaan. Zeventien dagen weg, vier kilo lichter. Er zijn momenten geweest dat ik heb gevloekt en getierd… Maar ik zou het zo allemaal willen overdoen. De reis was absoluut fantastisch, de mensen die ik heb leren kennen waren nog fantastischer. Ja, moest ik daar toen gestorven zijn, het was een mooi einde geweest…            

ella
0 0